3.

Beschrijving plangebied

15

In dit hoofdstuk wordt de bestaande situatie in het plangebied Bedrijvenpark Heron beschreven. Hierbij wordt ook onderzocht in hoeverre op basis van de bestaande (ruimtelijke of ruimtelijk relevante) aspecten in en rond het plangebied, beperkingen zijn met betrekking tot de ontwikkeling van Bedrijvenpark Heron als bedrijventerrein.

3.1. Ruimtelijke context en bestaand gebruik
Bedrijvenpark Heron is een terrein van circa 22 ha dat grenst aan twee infrastructurele lijnen, te weten het spoor Den Haag-Gouda/rijksweg A12 en de Hofpleinlijn. De rijksweg en het spoor Den Haag-Gouda zijn gelegen op maaiveld. De Hofpleinlijn kruist de 's-Gravenweg op maaiveld, maar ligt ter hoogte van de kruising met de rijksweg A12 en het spoor Den Haag-Gouda op een spoordijk van circa 7,5 m ten opzichte van het maaiveld. Door het talud kan een beperkt gedeelte van het terrein niet worden benut voor het bedrijventerrein. In figuur 3 is een overzicht van de bestaande situatie opgenomen. Bedrijvenpark Heron vormt een kleine schakel in een reeks van ontwikkelingen aan en in de directe nabijheid van de A12. Op korte afstand wordt, ten noordwesten van Bedrijvenpark Heron, momenteel de VINEX-wijk Ypenburg gebouwd. Grenzend aan Ypenburg, aan de overzijde van de A12, wordt gebouwd aan de VINEX-wijk Leidschenveen. Tussen Ypenburg en Bedrijvenpark Heron liggen twee nieuwe uitbreidingsgebieden: Nieuweveen en 's-Gravenhout. De laatste gebieden zijn voornamelijk woonwijken in aansluiting op de kern Nootdorp. Bij Nieuweveen is tevens voorzien in afschermende bedrijfs- en kantoorbebouwing tussen de rijksweg, het spoor en de woonwijk. In de genoemde VINEX-gebieden wordt zowel gebouwd aan een substantieel aantal woningen als aan een noodzakelijke oppervlakte bedrijventerreinen. De bedrijventerreinen liggen voornamelijk langs de A12 en dienen deels voor afscherming van de woongebieden. De hoogte van bedrijfs- en kantoorpanden varieert sterk, waarbij het gebouw langs de Hofpleinlijn aan de Randweg met een hoogte van circa 25 m het hoogste is. Ten oosten van Bedrijvenpark Heron zijn dergelijke bedrijventerreinen langs de A12 ook al gerealiseerd bij Zoetermeer. De ontwikkeling van Bedrijvenpark Heron als bedrijfslocatie is daarmee een aanvulling op de bestaande bedrijfslocaties langs de A12. Het gebied is hoofdzakelijk in gebruik als agrarisch gebied. Op de gronden zijn nauwelijks bouwwerken aanwezig. Het betreft voornamelijk graslanden met kavelsloten. De bij de graslanden behorende bebouwing is geconcentreerd langs de 's-Gravenweg op een viertal bouwpercelen. Deze percelen liggen verspreid in het gebied. Momenteel is het terrein slecht ontsloten en alleen toegankelijk via landelijke tuinderswegen, en een tijdelijke weg tussen de tunnel en de 's-Gravenweg. In de directe omgeving van het terrein bevindt zich aan de zuid- en oostzijde van Bedrijvenpark Heron een glastuinbouwgebied. Deze functie zal vooralsnog worden gecontinueerd. Het betreft immers het duurzaam ontwikkelde glastuinbouwgebied Noukoop ter weerszijden van de Nieuwkoopseweg en de Langelandseweg.

3.2. Bodemkwaliteit
De provincie Zuid-Holland hanteert bij de beoordeling van bestemmingsplannen de richtlijn dat − voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan − een onderzoek naar de bodemkwaliteit moet worden uitgevoerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op een schone bodem gerealiseerd te worden. Dit geldt dus uitdrukkelijk niet alleen voor woningbouw, maar ook voor alle andere functies waarbij een nieuwe inrichting plaatsvindt.

Adviesbureau RBOI Rotterdam / Middelburg

181.10741.02

Beschrijving plangebied

16

Figuur 3 Bestaande situatie (A4)

Adviesbureau RBOI Rotterdam / Middelburg

181.10741.02

Beschrijving plangebied

17

Voorafgaand aan een functiewijziging of herinrichting van een gebied dient op basis van ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, namelijk het historisch bodemonderzoek, vastgesteld te worden of ter plaatse geen risico van bodemverontreiniging bestaat. Indien op grond van het historisch onderzoek blijkt dat mogelijk verontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden dient ook het tweede deel van het verkennende bodemonderzoek te worden uitgevoerd, bestaande uit een standaard bodemonderzoek. Er zijn in dit geval diverse verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd, zowel voor het gehele plangebied als voor deellocaties daarbinnen. Uit deze onderzoeken blijkt dat er diverse lichte verontreinigingen zijn aangetroffen waarvoor nader onderzoek en/of sanering niet aan de orde is. Op een aantal locaties zijn echter wel matige tot ernstige verontreinigingen aangetroffen. Het gaat om de volgende locaties: - ter hoogte van de dammen in het gebied: matige verontreinigingen met zink 1); - 's-Gravenweg 13: een matige verontreiniging met lood en zink, een verhoogd gehalte EOX en een sterke verontreiniging met minerale olie in het grondwater geconstateerd2); - 's-Gravenweg 27 en 33: een matige verontreiniging met arseen3); - 's-Gravenweg 27: een sterke verontreiniging met minerale olie4); - berm 's-Gravenweg: matig tot sterk verhoogde concentratie PAK, matig verhoogde concentraties zware metalen en minerale olie5). Uit de diverse onderzoeken blijkt dat voor deze verontreinigingen nader bodemonderzoek noodzakelijk is. Explosieven Ter plaatse van het plangebied is tevens onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van explosieven6). Daarbij is het gebied door middel van oppervlaktedetectie afgezocht. Tot een diepte van 3 m onder het huidige maaiveld zijn geen explosieven aangetroffen. Dit betekent dat het gebied is gevrijwaard voor verdere grondwerkzaamheden die niet verder de bodem penetreren dan 3 m.

3.3. Water en waterhuishouding
Waterbeheer en watertoets Het waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer wordt gevoerd door het Hoogheemraadschap van Delfland. In het kader van de watertoets wordt het bestemmingsplan Bedrijvenpark Heron, voorafgaand aan het artikel 10-overleg ex Bro, nog besproken met Delfland. Het plan dient te voldoen aan de waterbergingsnormen, zoals deze in samenwerking met Delfland zijn vastgelegd in het Waterhuishoudkundig Raamplan Kern Nootdorp. De nieuwe waterhuishoudkundige situatie volgens het planvoornemen is beschreven in paragraaf 5.3. Beschrijving huidige situatie water en bodem Het plangebied ligt in een laaggelegen polder, een droogmakerij met zeekleigronden en veen/klei-op-veen, waarin afwisselend kwelders en kreekruggen voorkomen. Het maaiveld van Bedrijvenpark Heron ligt op ongeveer 3,7 m -NAP, het polderwater in het peilgebied waarbinnen Bedrijvenpark Heron ligt heeft een polderpeil van (zomer) 4,85 m -NAP en (winter) 5 m -NAP (het water langs de 's-Gravenweg heeft een ander peil). Bedrijvenpark Heron maakt deel uit van de Polder van Nootdorp. Er is fluctuatie tussen zomer- en winterpeil van ongeveer 15 cm. Het plangebied watert af via de poldersloten naar de watergang in het noorden (langs het spoor Den Haag-Gouda). Deze watergang komt via een duiker onder de 's- Gravenweg het terrein in het zuidoosten binnen. Het
1) Ingenieursbureau Mol, Verkennend bodemonderzoek Grote Driehoek, projectnr. 05651, 09-06-2004. 2) Ingenieursbureau Mol, Aanvullend en nader bodemonderzoek 's-Gravenweg 13, projectnr. 05652C, 20-04-2004. 3) Van der Helm Milieubeheer, Verkennend milieukundig bodemonderzoek 's-Gravenweg 27 en 33, projectcode NOOG6713, 15-11-1996. 4) Van der Helm Milieubeheer, Verkennend milieukundig bodemonderzoek 's-Gravenweg 27, projectcode NOOG6716, 15-11-1996. 5) De Straat Milieuadviseurs B.V., Bodemonderzoek diverse wegbermen binnen de gemeente Nootdorp, projectnr. B00A0287, 31-07-2000. 6) Saricon BV, Proces verbaal van oplevering, inclusief voorlopige deelvrijwaring Conventionele Explosieven, Locatie 05, Grote Driehoek, projectnr. 72087, 14-10-2004
Adviesbureau RBOI Rotterdam / Middelburg

181.10741.02

Beschrijving plangebied

18

water wordt afgevoerd in westelijke richting via een duiker onder de Hofpleinlijn richting Nootdorp/Delft. Daar wordt het water uitgeslagen op de plas in de Delftse Hout, de boezem. In het noorden van het plangebied is een verbinding met de Plas van de Ende aanwezig via een duiker onder de spoorlijn en de rijksweg A12. Deze plas maakt deel uit van de Groenblauwe Slinger, een provinciaal natuurontwikkelingsgebied. In de regio en in de polder van Nootdorp zijn waterhuishoudkundige knelpunten aanwezig, met name tekorten aan waterberging. Frequent is er sprake van wateroverlast bij langdurige en/of hevige regenval. Doordat het water niet voldoende snel kan worden afgevoerd of binnen het gebied kan worden opgevangen, ontstaat er wateroverlast. Daarnaast wordt door de hevige regenval de riolering overbelast en treden overstorten in werking. Dit vormt een belangrijke bron van verontreiniging van het oppervlaktewater in dit gebied. Het raamplan geeft aan dat de oppervlaktewaterkwaliteit in het stedelijke gebied van de polder Nootdorp een te hoog gehalte aan nutriënten heeft. Met name de fosfaatconcentraties laten grote overschrijdingen van het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR). Deze hoge nutriëntenconcentraties worden veroorzaakt door het landbouwkundig gebruik (agrarisch en glastuinbouw) en door riooloverstorten uit het gemengde rioleringsstelsel. In de zomerperiode kunnen de hoge concentraties aan nutriënten leiden tot explosieve algengroei en uiteindelijk tot zuurstofloos water.

3.4. Ecologie
Bestaande situatie Bedrijvenpark Heron maakt geen deel uit van natuur- of groengebieden met een beschermde status, zoals speciale beschermingszones uit de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn, staats- of beschermde natuurmonumenten of Relatienotagebieden. Provinciale ecologische verbindingszones ontbreken eveneens. Ten zuiden van het plangebied zal op termijn het Balijbos worden ontwikkeld. Omdat het plangebied is gelegen in een groene omgeving (grasland) met sloten, zijn er enige natuurwaarden aanwezig. Hierbij kan men denken aan kleine grondgebonden zoogdieren en broedende vogels. Beoogde ontwikkelingen Het plangebied wordt ontwikkeld tot een bedrijventerrein in een groene setting. Dit betekent dat verhard oppervlak zoveel mogelijk zal worden beperkt en voorzien in aanplant van bomen. De groengebieden worden gecombineerd met water. De werkzaamheden die hiermee gepaard gaan, zijn: slopen bestaande gebouwen; grondwerkzaamheden (dempen sloten, bouwrijp maken, aanleg groenvoorzieningen); bouwwerkzaamheden. Toetsingskader Beleid Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd natuurgebied, zoals een speciale beschermingszone ingevolge de Vogel- dan wel de Habitatrichtlijn. Ook maakt het geen onderdeel uit van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Het plangebied grenst met de oostpunt aan de Groenblauwe Slinger, de S-vormige open ruimte tussen Rotterdam en 's-Gravenhage. De Groenblauwe Slinger verbindt het Groene Hart met het Midden-Delfland en voorkomt dat de Haagse en Rotterdamse regio's aaneensmelten. De Groenblauwe Slinger zal in de toekomst uitgroeien tot een waterrijk natuurgebied.

Adviesbureau RBOI Rotterdam / Middelburg

181.10741.02

Beschrijving plangebied

19

Normstelling Flora- en faunawet De Flora- en faunawet bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen "licht" en "zwaar" beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik dan wel van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet níet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voorzover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien: er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling); er geen alternatief is; geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. De Flora- en faunawet is in zoverre voor het onderhavige bestemmingsplan van belang, dat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Dit zal zich voordoen, wanneer de uitvoering van het bestemmingsplan tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet zal worden verkregen. In dat geval is het bestemmingsplan vanwege de Flora- en faunawet niet uitvoerbaar. Soorten Het plangebied is onderdeel van kilometerhok 88/451. Het grondgebruik in dit kilometerhok bestaat hoofdzakelijk uit glastuinbouw en grasland. Het Natuurloket (www.natuurloket.nl) laat zien dat dit kilometerhok goed is onderzocht op vaatplanten en sprinkhanen en redelijk op vlinders en libellen. Alle overige soortgroepen zijn matig tot niet onderzocht. Gesteld wordt dat de beschikbare gegevens van het Natuurloket geen volledig beeld kunnen geven van de mogelijke natuurwaarden in het plangebied en daardoor een onvoldoende basis voor een goede beoordeling. Een beschrijving van de actuele natuurwaarden van het terrein dient dan ook op andere bronnen gebaseerd te zijn. Flora Bedrijvenpark Heron bestaat grotendeels uit intensief beheerd agrarisch grasland, met Engels raaigras als dominante soort. Daarnaast worden hier veelal algemene soorten van voedselrijke situaties aangetroffen als witte klaver, rode klaver en kweek. De verschillende graslandpercelen worden van elkaar gescheiden door kavelsloten. Het Natuurloket laat zien dat hier één te beschermen plantensoort is waargenomen. Naar verwachting betreft het hier de zwanebloem, die in West-Nederland vaak langs voedselrijke watergangen in agrarisch gebied wordt aangetroffen. Andere plantensoorten die hier kunnen groeien betreffen riet, moeras-vergeet-mij-nietje, kalmoes en gele lis. Vogels De graslanden vormen naar verwachting het broedbiotoop voor enkele in Nederland vrij algemene soorten weidevogels als kievit, scholekster, graspieper en gele kwikstaart. Onbekend is of hier ook soorten voorkomen die vermeld staan op de Rode Lijst, zoals grutto en tureluur. De kavelsloten zullen broedgelegenheid bieden aan in Nederland zeer algemene soorten als wilde eend, meerkoet, waterhoen en mogelijk vrij algemene soorten als kuifeend en slobeend. De boerderijtuinen bieden naar verwachting broedgelegenheid aan soorten als merel, winterkoning, koolmees, pimpelmees, heggemus, spreeuw, Turkse tortel, houtduif en huismus. Het betreft hier allen soorten die vrij algemeen tot algemeen in Nederland voorkomen. Zoogdieren Het plangebied heeft naar verwachting een beperkte betekenis als (onderdeel van) het leefgebied voor zoogdieren als gevolg van het stedelijke gebruik, schaal en de geïsoleerde ligging ten opzichte van gebieden met natuurwaarden. Enkele soorten als haas, konijn, wezel, egel, bosspitsmuis, mol, bosmuis, huismuis en bruine rat worden hier mogelijk aangetroffen. Niet bekend is of de boerderijen betekenis hebben als verblijfsruimte voor vleermuizen. Mogelijk komt hier de gewone dwergvleermuis voor. Deze soort is in Nederland verreweg de meest al-

Adviesbureau RBOI Rotterdam / Middelburg

181.10741.02

Beschrijving plangebied

20

gemene vleermuissoort, en huist in bebouwing (spouwmuren, onder dakpannen, etc). De gewone dwergvleermuis zal het plangebied enkel gebruiken als jachtgebied, omdat bebouwing (en dus verblijfsmogelijkheden) ontbreken. Amfibieën De kavelsloten vormen naar verwachting een geschikt voortplantingsbiotoop voor enkele in Nederland algemene soorten amfibieën, te weten de groene kikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Deze soorten zijn in de Flora- en faunawet opgenomen als te beschermen soorten. Overige diersoorten Het Natuurloket laat zien dat er geen waarnemingen van te beschermen soorten sprinkhanen, vlinders en libellen in het plangebied bekend zijn. Tabel 1 Beschermde soorten in het plangebied en het beschermingsregime
soorten planten amfibieën zoogdieren vogels vrijstellingsregeling Flora- en faunawet ontheffingsregeling Flora- en faunawet

zwanebloem groene kikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander haas, konijn, wezel, egel, bosspitsmuis, mol, gewone dwergvleermuis bosmuis alle aanwezige soorten vogels

Toetsing voorgenomen ontwikkeling Sloop van bestaande bebouwing De sloop van bestaande bebouwing en bijbehorende tuinen leidt naar verwachting tot het verdwijnen van broedlocaties voor enkele vogelsoorten. Er zal echter geen sprake zijn van aantasting van de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat alle soorten in Nederland vrij algemeen tot algemeen voorkomen en omdat in de directe nabijheid van het Bedrijvenpark Heron voldoende alternatieve broedlocaties voorhanden zijn. Naar verwachting zullen de diverse grondgebonden zoogdieren geen hinder ondervinden van het voornemen. Met betrekking tot de dwergvleermuis kan hetzelfde worden gesteld als voor de broedvogels, met als kanttekening dat nog onbekend is of vleermuizen verblijfplaatsen hebben in de gebouwen. Om verstoring van nesten of verblijfsruimten van vleermuizen te voorkomen, dienen geen werkzaamheden plaats te vinden in het broedseizoen en tijdens het voortplantingsen overwinteringseizoen van vleermuizen. Dit betekent dat sloopwerkzaamheden alleen uitgevoerd mogen worden in de periode augustus-september. Indien zekerheid bestaat dat de te slopen gebouwen geen verblijfplaats voor vleermuizen vormen, mogen sloopwerkzaamheden ook worden uitgevoerd in de periode augustus-februari. Omvormen grasland tot bedrijventerrein De met dit bestemmingsplan beoogde ontwikkeling voorziet in het omvormen van grasland tot bedrijventerrein (grond- en bouwwerkzaamheden). Dit betekent dat alle aan het grasland en bijbehorende watergangen gebonden te beschermen natuurwaarden (planten, vogels, amfibieën en grondgebonden zoogdiersoorten) zullen verdwijnen. Het betreft hier soorten die in Nederland vrij algemeen tot algemeen voorkomen en waarvoor in de nabijheid van het plangebied geschikte leefgebieden voorhanden zijn. De gunstige staat van instandhouding is voor deze soorten, na uitvoering van het voornemen, naar verwachting dan ook niet in het geding. Werkzaamheden starten tijdens het broedseizoen (maart tot eind juli) zijn per definitie uitgesloten, aangezien deze de vogels zouden verstoren en aantasten. Groenblauwe slinger De realisatie van de Groenblauwe Slinger wordt door de aanleg van het bedrijventerrein niet onmogelijk gemaakt. In het plan wordt zelfs aangesloten bij dit toekomstige natuurgebied door middel van de aanleg van waterpartijen in een brede groene gordel aan de rand van het bedrijventerrein.

Adviesbureau RBOI Rotterdam / Middelburg

181.10741.02

Beschrijving plangebied

21

Ter plaatse van het groengebied, waarbij aangesloten wordt bij de Groenblauwe Slinger, zal het plangebied wederom geschikt worden voor grondgebonden zoogdieren, amfibieën en riet- en watervogels. Het gebied wordt tevens wederom geschikt voor vleermuizen, welke verblijfplaatsen kunnen vinden in gebouwen en kunnen foerageren ter plaatse van het natte groengebied. Conclusies In het plangebied zijn licht beschermde soorten aanwezig, waarvoor voor aantasting en verstoring geen ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet hoeft te worden aangevraagd. Mogelijk zijn mogelijk zwaar beschermde vleermuizen aanwezig in de bebouwing, hiervoor moet wel ontheffing worden aangevraagd. Eventueel dienen compenserende of mitigerende maatregelen worden genomen (vervangende verblijfplaatsen). Voorafgaand aan eventuele werkzaamheden aan gebouwen, waarbij de spuwmuur (tijdelijk) wordt aangetast, dient te worden vastgesteld of vleermuizen vaste verblijfplaatsen hebben ter plaatse van de werkzaamheden. In het plangebied zijn eveneens vogels aanwezig, welke licht beschermd zijn, maar niet mogen worden verstoord of aangetast. Verstoring en aantasting van vogels wordt voorkomen indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen starten (half maart t/m half juli). Wat de soortenbescherming betreft mag worden geconcludeerd dat de Flora- en faunawet geen beletsel vormt voor uitvoering van de ruimtelijke onderbouwing.

3.5. Archeologie en cultuurhistorie
In het Verdrag van Malta wordt de bescherming en het behoud van archeologische waarden nagestreefd. Het verdrag wordt op dezelfde wijze geïmplementeerd als de Natuurbeschermingswet en de Monumentenwet. Aantasting en vernietiging van archeologische waarden kunnen reden zijn tot het onthouden van goedkeuring voor een plan. Het criterium voor weigering van goedkeuring houdt mede een beoordeling en afweging in van alle bij een goede ruimtelijke ordening spelende belangen, waarbij het belang van het archeologische erfgoed duidelijk meetelt. De Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland, regio Delfland en Schieland (via chs2.pzh.nl) laat zien dat het plangebied niet is gesitueerd in of nabij een structuur en complex met kans op archeologische sporen. Terreinen waarvan reeds bekend is dat hier archeologische waarden aanwezig zijn ontbreken eveneens. De verwachte afwezigheid van archeologische waarden leidt niet tot de noodzaak om een verkennend archeologisch onderzoek uit te voeren voordat nieuwe bouwactiviteiten plaatsvinden.

3.6. Externe veiligheid
Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken1) en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Externe veiligheid inrichtingen Normstelling en beleid Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in
1) Dat wil zeggen vierentwintig uur per dag en gedurende het gehele jaar.
Adviesbureau RBOI Rotterdam / Middelburg

181.10741.02

Beschrijving plangebied

22

hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten1). Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het groepsrisico (zie hieronder) geldt daarbij als buitenwettelijke oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties. In dit bestemmingsplan worden bedrijven die onder het Bevi vallen uitgesloten. Vuurwerkbedrijven Ingevolge het in 2002 in werking getreden Vuurwerkbesluit dient ook via het spoor van de ruimtelijke ordening expliciet aandacht te worden besteed aan de veiligheidsafstanden die gelden voor vuurwerkopslag. In dit bestemmingsplan is opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk in principe niet toegestaan. (In deze gevallen geldt op basis van het Vuurwerkbesluit een veiligheidsafstand van 20 m en meer tussen de deuropening van de opslagplaats en (geprojecteerde) kwetsbare objecten.) Binnen de bestemming Bedrijfsdoeleinden kan aan de opslag van meer dan 10.000 kg (met bijbehorende handel) onder voorwaarden medewerking verleend. Er moet worden voldaan aan de veiligheidsafstanden uit het Vuurwerkbesluit. Aan situaties waarin niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, wordt in het kader van dit bestemmingsplan niet expliciet aandacht besteed. De hiervoor geldende veiligheidsafstand is dusdanig klein (8 m), dat hieraan in de meeste gevallen kan worden voldaan door de opslagplaats en de deuropening op een juiste wijze op het perceel te projecteren. In het bestemmingsplan worden daarom geen afstandseisen opgenomen. Nadere regulering kan via het milieuspoor (vergunning of melding) plaatsvinden. Vanzelfsprekend is handel in en opslag van consumentenvuurwerk uitsluitend toegestaan, wanneer dit past binnen de bestemming die aan de betreffende gronden is gegeven. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen is niet van toepassing op vuurwerkopslagplaatsen2). Externe veiligheid transport Normstelling en beleid In augustus 2004 is de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen in de Staatscourant gepubliceerd. In deze circulaire is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen opgenomen. Op basis van de circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht3). Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

1) Grenswaarden moeten in acht worden genomen, van richtwaarden kan uitsluitend om gewichtige redenen worden afgeweken. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn in woningen (op enkele uitzonderingen na), gebouwen waar kwetsbare groepen mensen verblijven en gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig te zijn. Voorbeelden van beperkt kwetsbare objecten zijn bedrijfsgebouwen, kantoorgebouwen en hotels met een brutovloeroppervlak van maximaal 1.500 m² per object en winkels/winkelcomplexen die niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt. 2) Het Vuurwerkbesluit is in tegenstelling tot Besluit externe veiligheid inrichtingen gebaseerd op een “effect”benadering en niet op een “risico”benadering. 3) De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico bij het vervoer van gevaarlijke stoffen is per transportsegment gemeten per kilometer en per jaar: -4 - 10 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers; -6 - 10 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers; -8 - 10 voor een ongeval met ten minste 1000 dodelijke slachtoffers; - enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de oriëntatiewaarde).
Adviesbureau RBOI Rotterdam / Middelburg

181.10741.02

Beschrijving plangebied

23

Onderzoek en resultaten Over de rijksweg A12 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Uit de Risicoatlas Wegtransport Gevaarlijke stoffen (AVIV, 2003) blijkt dat ter hoogte van het plangebied: de PR 10-6-contour niet buiten de weg ligt; de PR 10-8 contour1) is gelegen op een afstand van 130 vanaf de weg; het GR op dit wegvak te verwaarlozen is. De eerstelijnsbebouwing vanaf de A12 ligt op een afstand van 100 m met daartussen gelegen de spoorlijn Utrecht-Den Haag en een groenstrook. Het PR levert geen beperkingen voor het plangebied. In het invloedsgebied voor het GR maakt het bestemmingsplan slechts een beperkte toename van personendichtheden mogelijk. Het bedrijventerrein is immers op relatief grote afstand van de rijksweg geprojecteerd met daartussen gelegen ook nog de spoorlijn en een groenstrook. Gelet op het lage GR in de huidige situatie zal naar verwachting de realisering van het bedrijventerrein niet leiden tot een significante verhoging van het GR. Externe veiligheid leidingen In het plangebied loopt, grotendeels parallel aan de spoorlijn Den Haag-Gouda, een aardgasleiding met een druk van 40 bar en een diameter van 300 mm. In verband met risico van gevaar en schade dient een zekere afstand te worden aangehouden tussen dergelijke leidingen en nieuwe bestemmingen/functies in het plangebied. De afstand die minstens moet worden aangehouden ten opzichte van andere functies, in verband met de bescherming en het beheer van de leiding, wordt bepaald door de zakelijk rechtstrook. Binnen deze afstand is geen enkele vorm van bebouwing toegestaan. De zakelijk rechtstrook voor deze leiding bedraagt 4 m aan weerszijden van de leiding. De minimale bebouwingsafstand is de afstand die tussen de leidingen en andere functies als onder andere woningbouw, recreatie en bedrijven moet worden gehanteerd in verband met de veiligheid. De toetsingsafstand is de afstand die bij voorkeur moet worden aangehouden ten opzichte van de leiding. De minimale bebouwingsafstand is alleen van toepassing als er zwaarwegende argumenten zijn om van de toetsingsafstand af te wijken. Voor deze leiding geldt een minimale bebouwingsafstand van 14 m, de toetsingsafstand bedraagt 30 m. De eerstelijnsbebouwing langs het tracé van deze leiding houdt de minimale afstand van 14 m in acht.

3.7. Conclusie
Op basis van de bestaande situatie in Bedrijvenpark Heron en de directe omgeving zijn er geen aspecten naar voren gekomen die de ontwikkeling van Bedrijvenpark Heron op enigerlei wijze beperken. Wel dient rekening te worden gehouden met de gasleiding, hiervoor zal ruimte worden gereserveerd en een bestemmingsregeling worden getroffen.

1) Deze contour geeft een indicatie van de ligging van de grens van het invloedsgebied voor het GR.
Adviesbureau RBOI Rotterdam / Middelburg

181.10741.02

Beschrijving plangebied

24

blanco pagina

Adviesbureau RBOI Rotterdam / Middelburg

181.10741.02