Utrecht werkt

Trendrapportage economie 2002
Afdeling Bestuursinformatie
Hans van Hastenberg (projectleider) Yme Jan Bosma Daan van der Burgh Jos van Heijster Rob Paridaen

In opdracht van en in samenwerking met: Afdeling Economische Zaken Dienst Stadsontwikkeling Gemeente Utrecht

Februari 2002

Foto omslag: Jos Stoopman

2

afdeling Bestuursinformatie

Voorwoord

Utrecht werkt! Voor u ligt de eerste versie van Utrecht werkt. In deze economische trendrapportage vindt u een beschrijving van de economische ontwikkeling in de stad, de Utrechtse productiestructuur en de Utrechtse arbeidsmarkt. De analyse beslaat een periode van tien jaar, waarbij het accent ligt op de meest recente ontwikkelingen. De Utrechtse situatie wordt daarbij uitgebreid vergeleken met die in andere steden, de provincie en de nationale situatie. De Utrechtse economie heeft zich de afgelopen tien jaar bovengemiddeld ontwikkeld. Daar zijn wij als gemeente trots op. Om deze positieve lijn ook naar de toekomst door te kunnen trekken, is de gemeente Utrecht bezig met het ontwikkelen van een economisch beleid. Hiertoe wordt, onder andere met actieve inbreng van het Utrechtse bedrijfsleven, door de gemeente Utrecht een Economisch Profiel opgesteld. Dit voornemen is in het collegeprogramma vastgelegd. Utrecht werkt maakt onderdeel uit van de visievorming op de middellange termijn. Zeker nu de economische groei na een periode van hoogconjunctuur terugloopt, is een stevig economisch beleid gewenst. Het monitoren van recente economische ontwikkelingen is daarbij van groot belang. Utrecht werkt voorziet in deze informatiebehoefte. mr. J.H.C. van Zanen Wethouder Economische Zaken

Voorwoord

3

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002

Samenvatting
De Utrechtse economie heeft zich de afgelopen tien jaar bovengemiddeld ontwikkeld. De werkgelegenheidsgroei was met 31% groter dan landelijk en het regionale aandeel in de nationale economie is de afgelopen jaren gestegen. Momenteel werken in Utrecht 216.700 personen in 15.200 bedrijfsvestigingen. De belangrijkste reden voor de gunstige economische ontwikkeling is de Utrechtse productiestructuur die gekenmerkt wordt door een oververtegenwoordiging van de commerciële dienstverlening; een sector die ook landelijk de grootste groei heeft doorgemaakt. Verder valt de sterke groei van ICT-sector op. In 4 jaar tijd is de werkgelegenheid met 44% toegenomen. Utrecht is na Amsterdam de tweede ICT-stad van Nederland. Gevolg van de gunstige economie is een spectaculaire daling van de werkloosheid. Utrecht heeft een belangrijke regionale arbeidsmarktfunctie. Het aantal arbeidsplaatsen in de stad is veel groter dan de Utrechtse beroepsbevolking. De recente stagnatie van de economische groei is vooralsnog weinig zichtbaar in de cijfers. Tekenend zijn de marginale omzetgroei en een sterk gedaald ondernemersvertrouwen. Utrecht scoort hierbij echter wel positiever dan gemiddeld in Nederland. Utrechtse economie sterk gegroeid De Utrechtse economie heeft zich de afgelopen tien jaar, maar vooral tijdens de hoogconjunctuur vanaf 1995 gunstig ontwikkeld. Dit uit zich onder meer in een bovengemiddelde groei van de werkgelegenheid. De Utrechtse werkgelegenheid is tussen 1990 en 2000 met 31% toegenomen, terwijl deze landelijk 'slechts' met 23% is gestegen. Ook ten opzichte van de drie grote steden onderscheidt de toename van het aantal werkzame personen zich in positieve zin. De werkgelegenheidsgroei in de provincie Utrecht is met 43% nog gunstiger dan in de stad. Door de gunstige economie is het regionale aandeel in de nationale economie de afgelopen jaren gestegen en zal naar verwachting ook tot 2010 verder doorgroeien naar 9%. Momenteel werken in Utrecht 216.700 personen in 15.200 bedrijfsvestigingen. Door de recente grenscorrectie is het aantal werkenden in Utrecht met zo’n 17.000 toegenomen. De gunstige Utrechtse economie uit zich ook in het lage werkloosheidspercentage. De Utrechtse werkloosheid is spectaculair gedaald van 10% in 1995 naar 2% in 2000. Daarmee ligt het werkloosheidspercentage onder het landelijk cijfer en is het laagste van de vier grote steden. De recente stagnatie van de economische groei zal de sterke groei van de afgelopen jaren zeker afremmen, hoewel dit op dit moment nog niet is terug te zien in de meeste cijfers. Het afgelopen jaar is de omzet slechts marginaal gestegen (0,8%). Landelijk was er een daling van 1,0%. Zoals te verwachten is het grote ondernemersvertrouwen van Utrechtse bedrijven het afgelopen jaar fors gedaald. Het Utrechtse bedrijfsleven blijft evenwel veel positiever over de verwachte bedrijfsresultaten dan landelijk gemiddeld.

Ontwikkeling werkgelegenheid in Utrecht, provincie en Nederland 1990-2000
Index (1990=100) 140 130 120 110 100 provincie Utrecht Nederland

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

Samenvatting

5

Utrecht: stad van commerciële diensten De belangrijkste oorzaak voor de gunstige economische ontwikkeling is de Utrechtse productiestructuur: Die wordt gekenmerkt door een relatieve oververtegenwoordiging van de financiële en zakelijke dienstverlening; sectoren die landelijk de grootste werkgelegenheidsgroei hebben doorgemaakt. Het aandeel van beide sectoren is met 8,2% resp. 27,5% (veel) groter dan in elk van de referentiesteden. De enige uitzondering hierop is Amsterdam, waar meer mensen in de financiële dienstverlening werken. De sector groeit in Utrecht overigens wel harder dan in Amsterdam. Met name de groei van de zakelijke dienstverlening is spectaculair. In 25 jaar is het aantal werknemers in deze sector vertienvoudigd. Andere belangrijke sectoren in de Utrechtse economie zijn gezondheidszorg (13,7%), handel (12,4%) en onderwijs (9,6%). De gezondheidszorg heeft over de afgelopen 25 jaar na de zakelijke diensten de grootste werkgelegenheidsgroei doorgemaakt. Meer dan 90% van de Utrechtse werkgelegenheid is te vinden in dienstverlenende bedrijven. De werkgelegenheid in de industrie is de afgelopen 25 jaar gehalveerd. Alleen in Den Haag is minder industrie dan in Utrecht. Van de totale Nederlandse werkgelegenheid bij ICT-bedrijven bevindt een kwart zich in Amsterdam en Utrecht. Hoewel Amsterdam absoluut gezien dé ICT-stad van Nederland is, is de ICT-sector in Utrecht relatief gezien veel groter dan in Amsterdam (9,2% van de totale Utrechtse werkgelegenheid). De werkgelegenheid in de ICT-branch is tussen 1996 en 2000 met 44% toegenomen. Daarmee is de werkgelegenheidsgroei in de Utrechtse ICT twee keer zo groot als totaal in Utrecht. Na Amsterdam en Rotterdam telt Utrecht het grootste aantal recreatieve bezoekers. Utrecht is marktleider op het gebied van de organisatie van eendaagse congressen. Utrecht heeft de ambitie en het potentieel om de toeristische sector verder te laten groeien.
Aandeel werkzame personen in de gemeente, provincie Utrecht en Nederland in 2000
25% 20% 15% 10% 5% Nederland provincie Utrecht

landbouw

industrie

bouw

handel en horeca

transport

fin. dienstverlening

zakel. dienstverlening

overheid en onderwijs

gezondheidszorg

overige dienstverlening

Grote mismatch tussen vraag en aanbod op de Utrechtse arbeidsmarkt De Utrechtse beroepsbevolking telt momenteel 118.000 personen die betaald werk hebben of als werkzoekend staan ingeschreven. De beroepsbevolking is de afgelopen 10 jaar gegroeid, vooral als gevolg van de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen en allochtonen. Het aandeel hoog opgeleiden is tussen 1990 en 1998 gestegen van 39% naar 58%. Daarmee is de Utrechtse bevolking de best opgeleide van Nederland (vgl. Nederland 27%). De Utrechtse arbeidsmarkt wordt gekenmerkt door een grote mismatch tussen vraag en aanbod, zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht. De omvang van de beroepsbevolking (118.000) blijft ver achter bij de voltijd werkgelegenheid in de stad (174.000). Omdat de werkgelegenheid sneller toeneemt dan de beroepsbevolking is dit verschil de laatste jaren groter geworden. In kwalitatief opzicht is er vooral een groot tekort aan mensen met een middelbare opleiding. Op provinciaal niveau is er nog wel een tekort, maar wel veel kleiner. Hieruit blijkt de regionale arbeidsmarktfunctie van de stad Utrecht. Daarentegen kent de stad (en ook de provincie) een duidelijk overschot aan universitair opgeleiden. De centrale ligging, op het knooppunt van spoorwegen en snelwegen, maakt Utrecht tot een gewilde woonlocatie voor huishoudens die elders in de Randstad werken (met name de Noordvleugel) of met verschillende werkplekken in het land.

6

afdeling Bestuursinformatie

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002

Woonwerkbalans in Utrecht, 1991 & 2000 (X 1.000)
2000 120 1991

100

80

60

40

20

wonen en werken in de stad

woonforensen

werkforensen

Het gevolg van bovenstaande fricties op de stedelijke arbeidsmarkt is dat een woon-werkbalans is ontstaan die gekenmerkt wordt door een groot aantal woonforensen en een nog groter aantal werkforensen. In totaal gaat het om 184.000 forensen (Utrecht volgens nieuwe gemeentegrenzen). In totaal gaat het om 184.000 forensen, ofwel gemiddeld 135.000 pendelaars (Utrecht volgens nieuwe gemeentegrenzen). Het merendeel daarvan pendelt binnen de regio Utrecht (regionale arbeidsmarkt).

Samenvatting

7

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002

Inhoud
Voorwoord Conclusie Inleiding 1 Economische ontwikkeling: over welvaart en werkgelegenheid 2 Economische structuur: over activiteiten en sectoren 3 Arbeidsmarkt: over banen en beroepsbevolking Literatuur Toelichting op onderzoek en vaktermen Bijlagen Bijlage 1: Economische ontwikkeling Bijlage 2: Economische structuur Bijlage 3: Arbeidsmarkt 3 5 11 13 19 29 35 37 41 43 49 57

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002

Inleiding
De gemeente Utrecht stelt in 2002 een economisch profiel voor de stad op. De regie daarvoor is in handen van de afdeling Economische Zaken van de Dienst Stadsontwikkeling. Ten behoeve van dit economisch profiel heeft de afdeling Bestuursinformatie een economische trendrapportage van de stad opgesteld. Hierin is een actuele beschrijving van de Utrechtse economie opgenomen, alsmede van de recente ontwikkelingen. De trendrapportage behandelt drie thema's: • economische ontwikkeling: over welvaart en werkgelegenheid; • economische structuur: over activiteiten en sectoren; • arbeidsmarkt: over banen en beroepsbevolking. Bij de beschrijving van deze thema's wordt ingegaan op de totale Utrechtse situatie en de verschillende deelgebieden in de stad. Bovendien worden de bevindingen in een bredere context geplaatst. Daarom is de gemeente Utrecht vergeleken met Amsterdam, Rotterdam en Den Haag (samen met Utrecht de G4), de provincie Utrecht, Nederland en een aantal zogenoemde tweedebandsteden. Dit zijn: Almere, Amersfoort, Arnhem, Eindhoven, Enschede, Groningen, Maastricht en Tilburg. Bij de selectie van deze tweedebandsteden is gelet op het inwonertal, het feit of deze gemeenten in de Vijfde Nota Ruimtelijke ordening zijn aangewezen als een netwerkstad van (internationale) betekenis en de ruimtelijke spreiding over Nederland. Bij het opstellen van dit rapport is naast literatuur veel gebruik gemaakt van een aantal gegevensbestanden: • Provinciaal Arbeidsplaatsen Register (PAR) van de Provincie Utrecht; • Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS; • Enquête Regionale Bedrijfsontwikkeling (ERBO) van de Kamer van Koophandel. Bij het rapport hoort een uitgebreide tabellenbijlage waarin gegevens uit deze gegevensbestanden zijn opgenomen. De gemeentegrenzen van Utrecht zijn per 1 januari 2001 gewijzigd. Hierdoor is de grensgemeente Vleuten-De Meern bij Utrecht gevoegd, alsmede een deel van Maarssen (bedrijventerrein Lage Weide) en een stukje Nieuwegein (Rijnenburg). Vanwege de vergelijking in de tijd en de beschikbaarheid van datamateriaal, is in dit rapport veelal de oude situatie gebruikt. Waar dit niet zo is, is dit expliciet aangegeven.

Inleiding

11

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002

1

Economische ontwikkeling: over welvaart en werkgelegenheid

De Utrechtse economie heeft de afgelopen tien jaar een periode van grote groei meegemaakt. Met name tijdens de hoogconjunctuur vanaf 1995 is de Utrechtse economie harder gegroeid dan landelijk, vooral dankzij een sterke groei van het commerciële bedrijfsleven. Dit blijkt onder andere uit de hoge omzet- en werkgelegenheidsgroei in de commerciële sector. Ook de huishoudens hebben daarvan geprofiteerd. Binnen de G4 heeft de inkomensverdeling van huishoudens zich het gunstigst ontwikkeld. De recente economische terugval heeft zich vertaald in een zeer bescheiden omzetgroei en een sterk afgenomen ondernemersvertrouwen, waarbij Utrecht overigens wel beter scoort dan het landelijk gemiddelde. Gunstige conjunctuur Nederland met recente omslag Het afgelopen decennium was over het geheel genomen een periode van economische bloei. Groei van de economie vertaalt zich, met enige vertraging in groei van de werkgelegenheid. Die is dan ook sterk toegenomen (met 23,8%), sterker dan de groei van het arbeidsaanbod (19,1%). Dit heeft geleid tot een geleidelijk krapper wordende arbeidsmarkt: de werkloosheid is gehalveerd en het aantal vacatures is toegenomen. In de achterliggende periode is er in 1993 een korte inzinking geweest. In 2000 was er nog een hoge groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP), maar vanaf het laatste kwartaal van 2000 is de economische groei teruggelopen. Deze ontwikkeling heeft zich in de eerste helft van 2001 verder doorgezet. Naar aanleiding van de terreuraanslagen in Amerika (11 september 2001) heeft het Centraal Planbureau de groeiverwachting verder naar beneden bijgesteld. Werd in de Macro Economische Verkenning 2002 (september 2001) nog uitgegaan van een groei van 2% voor 2001 en 2002, in een vervolgnotitie (november 2001) is deze voor beide jaren verlaagd naar 1,5%. Gezien de onzekere situatie van de internationale conjunctuur ziet het CPB 'een serieus risico dat de feitelijke ontwikkeling nog ongunstiger zal zijn'. In haar laatste kwartaalbericht komt De Nederlandsche Bank overigens met een nog lagere raming. Zowel voor 2001 als 2002 gaat DNB uit van een economische groei van 0,8%. De naar een zeer laag niveau gedaalde werkloosheid kan daarmee weer licht gaan stijgen, hoewel dit nog niet direct zal leiden tot een verruiming van de arbeidsmarkt. Ontwikkeling landelijke economische kerngegevens 1990-2000 (%)
BBP* 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 verwachting 2001 verwachting 2002 4,1 2,3 2,0 0,8 3,2 2,3 3,0 3,8 4,3 3,7 3,5 1,5 1,5 voltijd werkgelegenh.* 2,4 1,8 1,3 -0,1 0,1 2,3 2,4 3,0 3,3 2,6 2,5 1,75 0,5 arbeidsaanbod* 1,6 1,4 1,4 1,0 1,1 1,9 1,7 2,0 1,8 1,7 2,0 1,5 1,25 % werklozen 7,0 6,6 6,7 7,7 8,7 8,3 7,2 6,2 4,9 4,0 3,6 . .

Bron: CPB, Macro Economische Verkenning 2002; CPB, Nieuwe raming 2001-2002 * procentuele verandering t.o.v. voorgaande jaar . gegevens ontbreken

Bloeiperiode provincie Utrecht Was er landelijk al sprake van een bloeiperiode, de afgelopen tien jaar was de economische groei in de provincie Utrecht nog anderhalf keer zo groot. Dat zien we terug in de veel sterkere groei van de provinciale werkgelegenheid. Ook in de eerste helft van de jaren negentig, een periode met een lagere economische groei, nam de werkgelegenheid sneller toe dan landelijk. De sterke Utrechtse groei is ook terug te vinden in een groeiend aandeel in de nationale economie. Tussen 1980 en 1995 is de bruto toegevoegde waarde in de provincie meer dan verdubbeld (stijging 112%) en is daarmee aanzienlijk meer gegroeid dan landelijk (86%) (CPB bedrijfslocatiemonitor 1998) Achtergronden voor de sterke provinciale groei zijn de economische vitaliteit en de relatief goede bereikbaarheid. In een studie naar de economische vitaliteit (gedefinieerd als de mate waarin aan voorwaarden is voldaan om economische groei te realiseren) neemt de regio een gunstige positie in (Rangen en standen in gemeenteland; TNO Inro, 2000). Al vaker is gewezen op het belang van de

Economische ontwikkeling

13

centrale ligging binnen Nederland, en ook al doen zich fileproblemen voor op met name rijkswegen, toch scoort de provincie gunstig als het gaat om de bereikbaarheid per auto (Kijk op kantoren; NYFER, mei 2001). Ontwikkeling werkgelegenheid in Utrecht, provincie en Nederland 1990-2000
Utrecht 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 148.078 153.017 155.539 160.113 159.925 161.309 165.195 175.052 182.964 187.157 194.173 index (1990 = 100) stad Utrecht 100 103 105 108 108 109 112 118 124 126 131 index (1990 = 100) provincie Utrecht 100 104 107 109 110 113 117 123 131 137 143 index (1990 = 100) Nederland 100 103 105 105 105 106 109 112 115 119 123

Bron: Provinciaal Arbeidsplaatsen Register (gegevens stad en provincie); Arbeidsrekeningen (landelijke gegevens).

Utrechtse werkgelegenheid blijft groeien Net als in voorgaande jaren is de werkgelegenheid in de stad Utrecht in 2000 opnieuw sterk gestegen, namelijk met 3,7% naar een totaal van 194.200 arbeidsplaatsen. De Utrechtse werkgelegenheid is de afgelopen tien jaar met 46.100 arbeidsplaatsen toegenomen, een stijging van ruim 31%. Die groei ligt niet alleen hoger dan landelijk (23%), maar is ook aanmerkelijk groter dan in Rotterdam (10%) en Den 1 Haag (8%) . Vooral vanaf 1995 is de werkgelegenheid in de stad beduidend harder gegroeid dan landelijk. Dat het groeitempo wat bescheidener is geweest dan provinciaal kan worden verklaard uit het bij de vraag achtergebleven aanbod van bedrijfsterrein en kantoorlocaties in de stad. Veel bedrijven zijn hierdoor uitgeweken naar omliggende gemeenten (met name Houten en Nieuwegein). Door de oplevering van kavels in Leidsche Rijn vanaf 2000 ontstaat geleidelijk aan wel een ruimere aanbodsituatie. Als gevolg van de gemeentelijke herindeling per januari 2001 zijn de buurgemeente Vleuten-De Meern en een deel van de gemeente Maarssen samengevoegd met Utrecht. Dit betekent een extra toename van de werkgelegenheid met ruim 17.000 arbeidsplaatsen, waarvan het merendeel (ruim 10.000) in Vleuten-De Meern. De werkgelegenheid van de stad Utrecht komt daarmee op in totaal 211.200 personen (peildatum 1 april 2000). Bedrijfsleven heeft vruchten geplukt De gunstige economie van de afgelopen jaren heeft het (commerciële) bedrijfsleven in Nederland geen windeieren gelegd (ERBO-enquête). De ERBO-enquête wordt verstuurd aan bedrijven die bij de Kamer van Koophandel ingeschreven staan. Het betreft alleen inschrijvingsplichtige bedrijven, dus 2 exclusief overheid, zelfstandige beroepsbeoefenaren en een groot deel van de agrarische bedrijven . In de periode 1995-2000 vertoont de omzet een gestaag stijgende lijn. Bovendien is het aandeel bedrijven met voldoende rendement en het aandeel bedrijven met investeringen toegenomen. Die ontwikkeling is samengegaan met een sterk gegroeide werkgelegenheid en een toegenomen vertrouwen van ondernemers in de toekomst van hun bedrijf. Hierbij moet wel bedacht worden dat de ERBO-enquête op de top van de conjunctuur is afgenomen. De geschetste ontwikkelingen hebben zich landelijk voorgedaan, maar gelden ook voor de vier grote steden afzonderlijk en voor de regio Utrecht. De stad Utrecht neemt daarbij op een aantal punten wel een relatief gunstige positie in. In de periode 1995-2000 heeft Utrecht de sterkste stijging van de omzet en de werkgelegenheid. In 2000 hebben de Utrechtse ondernemers verreweg het meeste vertrouwen in de (nabije) toekomst. Op het punt van voldoende rendement en investeringen wijkt de stad niet af van het algemene beeld. De toename van de omzet en de werkgelegenheid in de stad is spectaculair. In de periode 1995-2000 is de omzet met 36% gegroeid, wat veel meer is dan landelijk en in de andere grote steden. Het
1 2

Aantal werkzame personen 1990 in Amsterdam onbekend. Aangezien het bij de ERBO alleen om het commerciële bedrijfsleven gaat, wijken de cijfers af van de gegevens die hierboven zijn gepresenteerd.

14

afdeling Bestuursinformatie

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002 kamergebied Utrecht komt met een groei van 32% nog het meest in de buurt. Bij de werkgelegenheid in het Utrechtse bedrijfsleven betreft het een toename met 32%. Ook in dat opzicht blijft de landelijke groei en die in de andere grote steden sterk achter. Het kamergebied (25%) komt ook hiervoor het dichtst bij het hoge groeicijfer van de stad. Een voor de stad minder belangrijk punt is het aandeel bedrijven met export. Dit aandeel schommelt rond de 14% terwijl het landelijk op ongeveer 18% ligt. Van de grote steden heeft Rotterdam naar verhouding de meeste exporterende bedrijven. Ten opzichte van de andere grote steden is de export vanuit Utrecht de afgelopen 5 jaar wel sterk toegenomen (18%). Dit is echter wel minder dan in het Utrechtse kamergebied (27%) en landelijk (25%).
ERBO-indicatoren Utrecht, G4 en Nederland 1995, 2000 omzetgroei 1995-2000 werkgelegenheidsgroei 1995-2000 % bedrijven dat exporteert (gemiddelde 1995-2000) 2000 ondernemersvertrouwen (index)* % bedr. met voldoende rendement
Bron: ERBO-enquête Kamer van Koophandel * exclusief exportverwachting

stad Utrecht 35,8 31,8 13,6

G4 22,4 17,0 10,3

Nederland 24,4 16,3 18,1

76,9 73,3

56,0 72,3

49,0 74,0

De gunstige economie uit zich ook in het groeiend aantal startende bedrijven. Niet alleen in Utrecht, maar in alle referentiesteden. Utrecht telde in 1999 ruim 1.400 starters, ofwel 60 starters per 10.000 inwoners. Daarmee is het aantal starters veel groter dan het Nederlandse gemiddelde (36/10.000 inwoners) en in elk van de onderzochte steden. Alleen Amsterdam scoort ook vrij hoog. In 2000 is het aantal starters in Utrecht spectaculair gegroeid tot 1.788, ofwel 76 starters per 10.000 inwoners. De sterke groei van het aantal starters sluit overigens aan bij het landelijke beeld.
Startende bedrijven in Utrecht, G4, tweedebandsteden en Nederland, 1994, 1999 1994 Utrecht Amsterdam Rotterdam Den Haag G4 tweedebandsteden* Nederland 1.135 2.547 1.924 1.430 7.036 2.897 54.700 1999 1.404 3.978 2.319 1.592 9.293 3.405 55.500 per 10.000 inwoners (1999) 60 54 39 36 46 35 36

Bron: ISEO (2001); Vereniging van Kamers van Koophandel; bewerking Bestuursinformatie * exclusief Amersfoort en Almere.

Gunstige inkomensverdeling Utrecht ten opzichte van G4 De inkomensverdeling van Utrechtse huishoudens wijkt af van het landelijke beeld. De laatst beschikbare gegevens gaan over 1998, waarbij de laagste maar ook de hoogste inkomensklasse sterker vertegenwoordigd zijn dan landelijk. Die (bescheiden) oververtegenwoordiging van de hoogste klasse was er in 1994 nog niet. Sindsdien is de positie van Utrechtse huishoudens vergeleken met de landelijke ontwikkeling aanmerkelijk verbeterd. Een dergelijke relatieve inkomensverbetering in de periode 1994-1998 heeft ook plaatsgevonden in Amsterdam. Voor Rotterdam zien we echter een stabiel beeld en voor Den Haag zelfs een licht dalende tendens.

Economische ontwikkeling

15

Verdeling inkomens Utrechtse huishoudens over landelijke 20%-groepen
1 1994 1998 index (1994=100)
ste

3
de

kwintiel (laagste) 24,5 23,0 94

2

de

kwintiel 18,3 18,1 99

3

de

kwintiel 18,7 18,6 99

4

kwintiel 19,4 19,4 100

5 kwintiel (hoogste) 19,2 21,0 109

de

Bron: Regionaal Inkomens Onderzoek (CBS)

In 1994 had Utrecht al een licht voordeel ten opzichte van Den Haag, en een duidelijk gunstiger positie dan Amsterdam en Rotterdam. Door de geschetste verschillen in ontwikkeling is de Utrechtse positie ten opzichte van Den Haag en Rotterdam sterker geworden. De gunstige positie vergeleken met Amsterdam is gebleven. Daarmee heeft Utrecht in 1998 van de vier grote steden de meest gunstige inkomensverdeling, met veel minder huishoudens in de laagste klasse, en meer huishoudens met een inkomen in de middelste of hogere klassen. Verdeling huishoudeninkomens 1998 over landelijke 20%-groepen
1 Utrecht Amsterdam Den Haag Rotterdam Nederland
ste

3

kwintiel (laagste) 23,0 30,7 27,5 31,6 20,0

2

de

kwintiel 18,1 17,9 18,0 19,7 20,0

3

de

kwintiel 18,6 16,7 17,9 17,7 20,0

4

de

kwintiel 19,4 16,8 17,4 16,1 20,0

5 kwintiel (hoogste) 21,0 18,0 19,1 14,9 20,0

de

Bron: Regionaal Inkomens Onderzoek (CBS)

Ontwikkelingen in 2001 Uit het bovenstaande blijkt dat zowel de stad als de provincie de afgelopen jaren bovengemiddeld geprofiteerd hebben van de periode van hoogconjunctuur, getuige het gestegen aandeel in de nationale economie. Aan de hoogconjunctuur is recentelijk een einde gekomen, en de gevolgen van de stagnerende economie zijn zichtbaar in de meest recente gegevens over 2001 van het Provinciaal ArbeidsplaatsenRegister en de Enquête Regionale BedrijfsOntwikkeling. Werkgelegenheidsontwikkeling Utrecht (nieuwe grenzen) 1997-2001
Werkzame personen aantal 1997 1998 1999 2000 2001
Bron: PAR

Vestigingen aantal 12.816 13.551 14.011 14.562 15.157 % verandering tov voorgaand jaar 5,7% 3,4% 3,9% 4,1%

% verandering tov voorgaand jaar 5,2% 3,0% 3,5% 2,6%

188.498 198.291 204.143 211.233 216.661

Uit onlangs vrijgekomen gegevens van het Provinciaal Arbeidsplaatsenregister blijkt dat de werkgelegenheid in Utrecht het afgelopen jaar met 2,6% is toegenomen, naar 216.700 arbeidsplaatsen (nieuwe grenzen). Daarmee is de groei lager dan vorig jaar, en bovendien lager dan de werkgelegenheidsgroei in de provincie (3,1%), maar wel vergelijkbaar met Nederland (Arbeidsrekeningen CBS). De peildatum van de PAR-gegevens is 1 april 2001, waardoor de effecten van de economische neergang, die pas in de tweede helft van 2001 echt doorzette, nog slechts beperkt terug te vinden zijn in de cijfers. Bovendien heeft een terugval in economische groei doorgaans met enige vertraging invloed op de werkgelegenheidsontwikkeling. Door de krappe arbeidsmarkt en het grote aantal openstaande vacatures is de reactie nu extra traag.
3

Het gaat om het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen van particuliere huishoudens (exclusief studenten). Gestandaardiseerd betekent dat rekening is gehouden met de samenstelling van het huishouden, zodat het inkomen een goede indicator vormt voor het welvaartsniveau. Het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen is niet beschikbaar voor de provincie. In de tabel valt binnen elke inkomensklasse 20% van de Nederlandse particuliere huishoudens. Een hoger percentage voor Utrecht betekent dat die inkomensklasse in de stad ten opzichte van Nederland oververtegenwoordigd is. Een lager percentage dan twintig duidt op een relatieve ondervertegenwoordiging in de stad.

16

afdeling Bestuursinformatie

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002 Het aantal vestigingen is het afgelopen jaar met 4,1% gestegen naar 15.157. Daarmee is het aantal vestigingen harder gestegen dan in de provincie (3,6%). De gevolgen van de stagnerende economie zijn wel duidelijk zichtbaar in de ERBO-gegevens van de Kamer van Koophandel. In 2001 is een einde gekomen aan de grote omzetgroei van de afgelopen jaren. Na correctie voor inflatie komt de omzetgroei van Utrechtse bedrijven uit op een bescheiden 0,8%. Daarmee doet Utrecht het overigens wel beter dan landelijk, waar de omzet met 1,0% is gedaald. De diverse sectoren laten een verschillend beeld zien. In de bouw en de horeca is de omzet het afgelopen jaar lager dan het jaar ervoor. Met name de omzetdaling in de bouw is opvallend omdat deze sector vorig jaar nog veruit de grootste groei liet zien. Opvallend is ook dat de industrie de grootste omzetstijging kent (2,4%). Dit wordt met name veroorzaakt door gunstige resultaten van de chemische- en kunststofindustrie en de textiel- en lederwarenindustrie. Ook op andere indicatoren scoort Utrecht aanmerkelijk slechter dan vorig jaar, maar wel positief ten opzichte van het nationale beeld. Het indexcijfer voor het ondernemersvertrouwen is spectaculair gedaald van 77 in 2000 op de top van de conjunctuur naar 47 in 2001. De index blijft daarmee wel veel hoger dan het Nederlandse totaalcijfer dat daalde van 49 naar 31. Opvallend genoeg is het percentage bedrijven met voldoende rendement licht gestegen ten opzichte van 2000. ERBO-indicatoren Utrecht, kamergebied Utrecht en Nederland, 2001
stad Utrecht reële omzetgroei (2000=100) werkgelegenheidsgroei (2000=100) % bedrijven dat exporteert % bedrijven met voldoende rendement ondernemersvertrouwen (index)*
Bron: ERBO * exclusief exportverwachting

kamergebied Utrecht 100,0 102,4 14,0 74 44

Nederland 99,0 102,2 14,0 72 31

100,8 101,7 12,0 75 47

Economische ontwikkeling

17

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002

2

Economische structuur: over activiteiten en sectoren

Utrecht kent een relatieve oververtegenwoordiging van de financiële- en zakelijke dienstverlening. Daarmee heeft de stad, maar ook de provincie Utrecht een gunstige sectorstructuur, met een oververtegenwoordiging van sectoren die landelijk een sterke groei hebben doorgemaakt. Dit geldt met name voor de zakelijke dienstverlening waar de stedelijke werkgelegenheid de afgelopen 25 jaar vertienvoudigd is. Deze nadruk op dienstverlening vormt de belangrijkste reden voor de bovengemiddelde economische ontwikkeling van Utrecht, die in het voorgaande hoofdstuk is geschetst. Utrecht heeft zich ontwikkeld tot tweede ICT-stad van Nederland, na Amsterdam. De werkgelegenheid in de Utrechtse ICT-sector is de afgelopen 4 jaar met 44% toegenomen. Na Amsterdam en Rotterdam telt Utrecht het grootste aantal recreatieve bezoekers. Utrecht is marktleider op het gebied van de organisatie van eendaagse congressen. Economische structuur 2000 Utrecht telt 13.200 bedrijfsvestigingen waar in totaal ruim 194.000 mensen werkzaam zijn (2000). De zakelijke dienstverlening is met een werkgelegenheidsaandeel van bijna 28% veruit de belangrijkste sector in de Utrechtse economie. In deze sector werken 53.000 personen. Andere belangrijke sectoren zijn gezondheidszorg (13,7%), handel (12,4%) en onderwijs (9,6%). Bijna tweederde van de totale Utrechtse werkgelegenheid is te vinden in deze vier sectoren. De recente grenscorrectie heeft de Utrechtse productiestructuur nauwelijks veranderd. Meer dan een kwart van de Utrechtse werkgelegenheid is te vinden in vestigingen met meer dan 500 werknemers. Het betreft 50 vestigingen, waarvan de meeste te vinden zijn in de zakelijke en financiële diensten en de gezondheidszorg. De vijf grootste vestigingen in Utrecht zijn respectievelijk het Universitair Medisch Centrum, Cap Gemini Ernst & Young, Fortis Amev, NS en Rabobank. Bij deze bedrijven werken in totaal ruim 17.000 mensen, 9% van het Utrechtse totaal. Eenderde van de werkzame personen vindt emplooi in vestigingen met tussen 100 en 500 werknemers en ruim 12% is werkzaam in het kleinbedrijf (t/m 9 werknemers). Wat betreft het aantal vestigingen is het kleinbedrijf het sterkst vertegenwoordigd (10.500 vestigingen; ruim 80% van het totaal). Meer dan de helft hiervan is actief in de handel en de zakelijke dienstverlening. Wanneer we kijken naar de bedrijfsgrootte per sector dan valt op dat met uitzondering van de energiebedrijven en de overheid, in alle sectoren veruit de meeste bedrijven te vinden zijn in het kleinbedrijf (70-85%).
Werkzame personen in Utrecht
vestigingsgrootte 1-9 wp > 500 wp 24.036 53.412 10-24 wp 16.288

Vestigingen in Utrecht
aantal werkzame personen 25-99 wp 306 10-24 wp 1.078 741 >100 wp

35.822 25-99 wp 64.192 100-499 wp 10.527 1-9 wp

Economische structuur

19

Utrecht: stad van commerciële dienstverlening De werkgelegenheid in de Utrechtse zakelijke dienstverlening is (veel) groter dan in elk van de drie grote steden, de tweedebandsteden en de provincie. De zakelijke dienstverlening in de provincie komt met een aandeel van 23,9% overigens het dichtst in de buurt van de stad Utrecht. Naast de invloed van de stad op deze cijfers, is de zakelijke dienstverlening in de buurgemeenten Nieuwegein en Houten, en in Amersfoort relatief hoog. Blijkbaar geldt de centrale ligging als belangrijke factor in de locatiekeuze van zakelijke dienstverleners voor de gehele regio.
Aandeel werkzame personen in de gemeente, provincie Utrecht en Nederland in 2000
25% 20% 15% 10% 5% Nederland provincie Utrecht

landbouw

industrie

bouw

handel en horeca

transport

fin. dienstverlening

zakel. dienstverlening

overheid en onderwijs

gezondheidszorg

overige dienstverlening

Alleen Amsterdam kent relatief meer werknemers in de financiële dienstverlening dan Utrecht (10,7% resp. 8,2%). Het aandeel van deze sector is in Utrecht bijna twee keer zo groot dan gemiddeld in de tweedebandsteden en groter dan in Rotterdam (5,9%) en Den Haag (5,1%). Wel is de groei van deze sector in Utrecht tussen 1995 en 2000 groter dan in elk van de referentiesteden en -gebieden. Door de sterke specialisatie van Utrecht zijn andere sectoren minder vertegenwoordigd in de Utrechtse economie. De sector handel & horeca is in Utrecht (veel) minder vertegenwoordigd dan in elk van de referentiegebieden. Verder valt op dat alleen Den Haag een kleinere industriële sector heeft dan Utrecht. Bovendien is Utrecht de enige grote stad waar de werkgelegenheid in de sector openbaar bestuur is afgenomen.
Sectorale verdeling naar werkzame personen in Utrecht en tweedebandsteden, 1999
25% 20% 15% 10% 5% gemiddelde tweedebandsteden Utrecht

landbouw

industrie

bouw

handel en horeca

transport

fin. dienstverlening

zakel. dienstverlening

overheid en onderwijs

gezondheidszorg

overige dienstverlening

1975-2000: Verdienstelijking van de Utrechtse economie De Utrechtse werkgelegenheid is de afgelopen 25 jaar met 66% gestegen. Door de grote verschillen in groeipercentages van sectoren is de Utrechtse productiestructuur in deze periode ingrijpend veranderd. Het gevolg is een verdere "verdienstelijking" van de economie. Het werkgelegenheidsaandeel van tertiaire en quartaire diensten is gestegen van 77% naar 90%.

20

afdeling Bestuursinformatie

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002 Zo was de industrie in 1975 nog een belangrijke sector, met een werkgelegenheidsaandeel van 14,5%. Het aandeel van de industrie is in de loop der jaren langzaam teruggelopen van 11,4 % in 1979 naar 6,8% in 1990 en 4,6% in 2000. Gemeten naar het aantal bezette banen is de industriële sector de afgelopen 25 jaar gehalveerd. Andere sectoren waar een afname van het aantal werkzame personen te zien is zijn de energiebedrijven, de vervoerssector en openbaar bestuur. Daartegenover staat een spectaculaire toename van de werkgelegenheid in de zakelijke dienstverlening. In de afgelopen 25 jaar is de werkgelegenheid in deze sector bijna vertienvoudigd. Had deze sector in 1975 nog slechts een werkgelegenheidsaandeel van 4,7%, momenteel werkt ruim een kwart (27,5%) in de zakelijke dienstverlening. Ook in de gezondheidszorg is de groei van de werkgelegenheid bovengemiddeld, zij het minder spectaculair (141%). Het aandeel in de Utrechtse economie is gestegen van 9,5% naar 13,7%. Werkzame personen Utrecht naar sector (1975-1990-2000)
1975 landbouw industrie nutsbedrijven bouw handel horeca vervoer financiële diensten zakelijke diensten overheid onderwijs gezondheidszorg overige diensten totaal 310 17.050 2.942 6.381 20.038 3.188 12.510 8.735 5.536 9.916 11.122 11.017 8.441 117.186 1990 220 10.105 2.137 6.364 22.063 3.605 9.239 10.702 28.556 11.164 16.753 20.888 6.282 148.078 2000 421 8.834 1.690 8.183 24.058 5.919 11.047 15.934 53.470 9.791 18.609 26.596 9.621 194.173 groei ‘75-‘00 111 -8.216 -1.252 1.802 4.020 2.731 -1.463 7.199 47.934 -125 7.487 15.579 1.180 76.987 % groei ‘75-‘00 35,8 -48,2 -42,6 28,2 20,1 85,7 -11,7 82,4 865,9 -1,3 67,3 141,4 14,0 65,7 vestigingen 2000 83 606 8 773 3.048 862 383 282 3.972 87 546 1.098 1.456 13.204

Bron: PAR; Van Asseldonk & Van Splunter (1980)

Dynamische economische activiteiten Op een meer gedetailleerde bedrijfsindeling is vervolgens gekeken naar de snelst groeiende en inkrimpende bedrijfstakken gedurende de afgelopen vier jaar. Op basis van onderstaande criteria (zie tabel) is een elftal sectoren te onderscheiden. De handel en verhuur in onroerende goederen, die de laatste jaren onder invloed van de gunstige economie en lage rentestand een enorme vlucht heeft genomen, is de snelst groeiende bedrijfstak over de afgelopen vier jaar. De sterke groei is vooral het gevolg van de werkgelegenheidsgroei bij bestaande bedrijven. Absoluut is de overige zakelijke dienstverlening met meer dan 41.000 bezette arbeidsplaatsen de belangrijkste bedrijfstak. Binnen deze bedrijfstak, die een bonte verzameling is van verschillende activiteiten, is de grootste groei te vinden bij de uitzendbureaus (van 5.700 naar 13.800 arbeidsplaatsen). Andere sterk groeiende activiteiten zijn accountantskantoren en technische ontwerpbureaus. Binnen de groep sterk krimpende bedrijfstakken valt vooral post en telecommunicatie op. De daling komt geheel voor rekening van de grote afname van arbeidsplaatsen in de nationale postdiensten.

Economische structuur

21

Snelst groeiende en krimpende sbi-afdelingen in Utrecht,1996-2000
1996
vestigingen werkzame personen

2000
vestigingen werkzame personen

index
vestigingen werkzame personen

absoluut
werkzame personen ‘96-‘00

groeisectoren productie van meubels bouwnijverheid vervoersdiensten financiële hulpinstellingen verhuur/handel onroerend goed computerservice overige zakelijke diensten maatschapp./ideële organisaties krimpsectoren transportmiddelen post/telecommunicatie

65 542 102 153 167 345 1.988 212

1.488 5.841 1.353 1.243 1.139 5.895 27.395 2.755

114 773 147 145 190 553 3.056 227

2.266 8.183 2.109 1.785 2.102 8.370 41.331 4.541

175 143 144 95 114 160 154 107

152 140 156 144 185 142 151 165

778 2.342 756 542 963 2.475 13.936 1.786

6 84

425 4.879

7 105

204 3.973

117 125

48 81

-221 -906

Bron: PAR Criteria: toename/afname index werkzame personen meer dan 10 punten hoger/lager dan het Utrechtse gemiddelde en minimale toename/afname van 100 werkzame personen.

Utrecht: een stad met snelgroeiende economische activiteiten of een stad waar economische activiteiten snel groeien? De groei van de Utrechtse werkgelegenheid lag in de periode 1996-2000 met 17,5% boven het Nederlandse gemiddelde (13,7%). Uit een nadere analyse blijkt dat de sterke groei van de Utrechtse economie bijna geheel is toe te schrijven aan de economische structuur van Utrecht. Met andere woorden: De Utrechtse economie is bovengemiddeld gegroeid omdat de sectoren die ook landelijk de sterkste groei van de werkgelegenheid hebben laten zien in Utrecht relatief oververtegenwoordigd zijn. Landelijk waren de belangrijkste groeisectoren van de afgelopen 4 jaar de financiële dienstverlening (23,9% werkgelegenheidsgroei) en de zakelijke dienstverlening (34,4%). Het aandeel van beide sectoren in de Utrechtse economie is twee keer zo groot dan in Nederland. De gunstige sectorstructuur geldt overigens ook voor de provincie Utrecht. Onder andere door deze gunstige economische structuur is het provinciale aandeel in de Nederlandse economie in de periode 1980-1995 met 1,5% toegenomen naar 8%. Met uitzondering van Noord-Brabant en Flevoland nam in alle provincies het regionale aandeel daarentegen af. Tot 2010 zal het regionale aandeel, als gevolg van de gunstige productiestructuur, naar verwachting verder doorgroeien naar ruim 9% (CPB bedrijfslocatiemonitor). Utrecht belangrijke locatie ICT-bedrijven ICT-bedrijvigheid is niet als zodanig gedefinieerd in bedrijfsstatistieken. Dit maakt de afbakening van de sector, en een goede analyse moeilijk. Hier wordt aangesloten bij de indeling zoals die gehanteerd is door Atzema (zie tabel). Uit de beschikbare cijfers voor 1998 blijkt dat de ICT-sector nog een relatief kleine, maar wel snel groeiende sector is. Landelijk werkten in 1998 in de ICT-sector ruim 190.000 personen, minder dan 3% van het totaal (Atzema, 2000). De ICT-sector wordt gekenmerkt door een grote ruimtelijke concentratie, waarbij de Noordvleugel van de Randstad een duidelijk favoriete bedrijfslocatie is. Een kwart van de nationale ICT werkgelegenheid bevindt zich in Amsterdam en Utrecht. Gemeten naar het aantal vestigingen is Utrecht de op één na belangrijkste stad met 800 ICT-vestigingen in 2000. Alleen in Amsterdam zijn meer vestigingen (2.877). Wanneer de werkgelegenheid in de ICT-sector gerelateerd wordt aan de totale werkgelegenheid in beide steden, dan blijkt dat het aandeel van de ICT-sector in Utrecht anderhalf keer zo groot is als in Amsterdam (9,2% resp. 6,2%). De ICT is als snelgroeiende sector dus belangrijk voor de Utrechtse economie. Echter, Amsterdam is vooralsnog dé ICT-stad van Nederland, hoewel er binnen de Randstad een beweging op gang komt van ICT-bedrijven naar de randgemeenten van de grote steden (Van Geffen & Molenaar 2000). Bedrijven kunnen hier wel profiteren van de nabijheid van andere bedrijven en stedelijke voorzieningen, en profiteren tegelijkertijd van betere vestigingsplaatsfactoren (zoals betere bereikbaarheid, ruimere

22

afdeling Bestuursinformatie

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002 parkeernormen, lagere kosten). Amersfoort, Nieuwegein en Zeist staan ook in de top-15 van belangrijkste ICT-steden (resp. op de plaatsen 8, 10 en 14). Werkgelegenheid in de Utrechtse* ICT-sector 1996-2000
1996 hoofdactiviteit productie van hardware productie van software groothandel in ICT producten detailhandel in ICT producten telecommunicatie dataverwerking adviesdiensten overige ICT diensten totaal werkzame personen 1 4.406 2.309 166 2.565 554 2.633 403 13.037 1998 werkzame personen 7 5.340 2.502 240 2.011 717 4.026 399 15.252 2000 werkzame personen 10 6.600 2.693 270 2.710 339 5.496 641 18.759 index 96-00 werkzame personen 1.000 150 117 163 106 61 209 159 144 2000 vestigingen 8 291 73 32 57 16 297 28 802

Bron: Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen Universiteit Utrecht / LISA * Utrecht volgens nieuwe grenzen, exclusief het Maarssense deel van Lageweide

Tussen 1996 en 2000, het hoogtepunt van de nieuwe economie, is de werkgelegenheid in de Utrechtse ICT-sector met 44% toegenomen naar 18.800 werkzame personen. Daarmee groeide de sector meer dan twee keer zo snel als de totale werkgelegenheid in Utrecht. In 2000 werkt bijna 1 op de 10 mensen in de ICT. De belangrijkste activiteiten zijn softwareproductie en adviesdiensten, waarin driekwart van de bedrijven actief zijn en die samen tweederde van de werkgelegenheid voor hun rekening nemen. De Utrechtse ICT-branch wordt gedomineerd door een aantal grote bedrijven. Zo’n 60% van de ICTwerkgelegenheid in Utrecht is te vinden in de tien grootste ICT-bedrijven. De belangrijkste werkgever is Cap Gemini Ernst & Young waar meer dan 5.000 mensen emplooi vinden. Naast een aantal grote spelers wordt de Utrechtse ICT-sector gekenmerkt door een groot aantal kleine vestigingen. De helft van de vestigingen betreft eenmanszaken. Daarnaast zijn er nog ruim 100 vestigingen met minder dan zes werkzame personen. Het grote aantal kleine vestingen is een direct gevolg van de grote dynamiek in de sector. Van de 800 vestingen in 2000 is 70% minder dan vier jaar actief. Toerisme Een van de sectoren die landelijk sterk in opkomst is, is de toeristische sector. Bovendien is de verwachting dat bij een Europese economische groei van 2% per jaar de toeristische bestedingen per hoofd van de bevolking jaarlijks met 5% zullen toenemen. Landelijk was de omzet in 2000 in deze sector EUR 25,9 miljard (NLG 57 miljard), ofwel ruim 2,5% van het bruto nationaal inkomen. In de toeristische sector werken in Nederland ruim 320.000 mensen, wat neerkomt op een werkgelegenheidsaandeel van 5% (Faber & Ybema, 2001; Beleidsbrief Toerisme en recreatie). Op gemeenteniveau zijn voor Utrecht nauwelijks gegevens voorhanden. Voor de provincie Utrecht is bekend dat de werkgelegenheid in de toeristische sector in de periode 1991-1995 harder is gegroeid dan gemiddeld in de provincie. De werkgelegenheid is zo'n 11.400 manjaren. De jaarlijkse toeristische bestedingen in de provincie bedragen zo'n EUR 1,0 miljard (NLG 2,3 miljard). In 1997 telde de provincie 700.000 hotelovernachtingen, waarmee Utrecht op de negende plaats staat van alle provincies (gemeente Utrecht DSO, 2000). In de toeristische sector is het gebruikelijk een onderscheid te maken tussen recreatief en zakelijk toerisme. 4 Volgens het Continu Vakantie Onderzoek (CVO) kwamen er in 2000 1,7 miljoen bezoekers naar Utrecht die gezamenlijk 4,1 miljoen recreatieve toeristische bezoeken aflegden. Na Amsterdam en Rotterdam komt Utrecht hiermee op de derde plaats van de 11 onderzochte steden.

4

In het onderzoek zijn alleen Nederlanders opgenomen en zijn alleen toeristische bezoeken opgenomen die voor ontspanning en plezier zijn gemaakt (dus excl. familiebezoeken en zakelijke bezoeken). Bezoeken van bewoners aan hun eigen stad zijn buiten beschouwing gelaten. Het onderzoek is gehouden in 11 steden. Naast Utrecht zijn dit: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Groningen, Maastricht, Breda, Dordrecht, Haarlem, 's-Hertogenbosch en Deventer.

Economische structuur

23

De Utrechtse binnenstad heeft wekelijks zo'n 520.000 bezoekers, ofwel 28 miljoen per jaar (Goudappel Coffeng, 2001). In tegenstelling tot de hierboven gepresenteerde cijfers uit het CVO zijn hierbij alle bezoekers meegenomen, dus ook mensen die de binnenstad alleen doorkruisen en bezoekers met een niet-toeristische bezoeksreden (werken, (gericht) aankopen doen of winkelen, privé bezoek, etc.). Tevens zijn buitenlandse bezoekers meegeteld. Het cultuur-historisch toerisme is een van de speerpunten van het toeristisch beleid van de gemeente (Gemeente Utrecht DSO, 2000). Een centrale rol hierin speelt het museumkwartier. De bekendheid van het museumkwartier is als gevolg van een campagne de afgelopen jaren licht gestegen (STOGO, 2000). Aantal bezoeken naar bestedingen in Utrecht, G3, Groningen en Maastricht (2000)
Utrecht aantal bezoekers (mln) aantal bezoeken (mln) bezoekfrequentie gemiddelde besteding per bezoek (EUR) totale besteding (mln EUR) 1,8 4,1 2,4 51,7 213 Amsterdam 3,1 9,0 2,9 57,6 520 Rotterdam 1,8 7,5 4,1 49,3 371 Den Haag 1,7 3,6 2,2 47,4 169 Groningen 0,9 2,5 2,8 50,7 126 Maastricht 1,0 2,2 2,2 58,9 132

Bron: Stichting Continu Vakantie Onderzoek (2001)

Het zakelijk toerisme is vooral een interessant segment, omdat de zakelijke toerist gemiddeld drie maal zo veel spendeert als een recreatieve toerist. Wat betreft de organisatie van eendaagse congressen en bijeenkomsten is de provincie Utrecht marktleider in Nederland. Als alleen gekeken wordt naar het aantal internationale congressen dan scoort Utrecht aanmerkelijk minder goed. De stad Utrecht komt dan pas op de negende plaats. Uit haar jaarverslag blijkt dat in 2000 in de Utrechtse jaarbeurs 95 beurzen werden gehouden, met bijna twee miljoen bezoekers. Daarnaast vonden 54 evenementen plaats die in totaal ruim 900.000 bezoekers trokken. Het jaarverslag meldt dat over 1999 door de activiteiten van de Jaarbeurs direct en indirect aan ca. 7.000 personen werk werd geboden en een bedrag van 415 mln euro (915 miljoen gulden) door bezoekers en exposanten in de regio werd besteed. Ruimtelijke spreiding van werkgelegenheid en werkgelegenheidslocaties Tot slot wordt in dit hoofdstuk aandacht besteed aan de ruimtelijke spreiding van economische activiteiten over de stad (tabel A) en de productiestructuur van de Utrechtse wijken (tabel B). De industriële sector in Utrecht is met 43% sterk geconcentreerd in wijk West (bedrijventerrein Lageweide). Daarnaast is een kwart van de Utrechtse industrie gehuisvest in Zuidwest (met name Kanaleneiland). Deze concentratie in West en Zuidwest geldt ook voor de transportsector en de bouw, zij het in iets mindere mate. A Verdeling sectorale werkgelegenheid over de wijken in Utrecht volgens oude grenzen, % 2000 (excl. landbouw)
industrie West Noordwest Overvecht Noordoost Oost Binnenstad Zuid Zuidwest Leidsche Rijn Totaal Totaal (abs) Bron: PAR 43,3 4,1 9,7 2,5 2,2 5,6 4,1 24,1 4,4 100,0 10.524 bouw 33,0 16,1 11,3 6,1 3,8 3,1 2,7 13,5 10,5 100,0 8.183 handel/ financiële zakelijke gezond- overige horeca transport diensten diensten overheid onderwijs heidszorg diensten 19,6 5,8 10,6 4,4 5,3 30,1 3,0 19,4 1,8 100,0 29.970 29,8 1,8 3,8 1,1 10,5 28,2 0,2 23,9 0,8 100,0 11.047 4,3 0,4 0,5 0,5 36,3 21,9 0,2 36,0 0,0 100,0 15.934 10,1 4,9 4,5 6,8 29,4 25,6 1,7 15,8 1,2 100,0 53.469 6,5 9,9 2,2 6,3 17,5 28,1 4,0 23,1 2,3 100,0 9.791 6,3 5,4 7,9 4,9 45,8 15,8 4,4 9,4 0,1 100,0 18.609 3,4 3,7 18,5 5,9 43,6 9,1 4,1 11,4 0,3 100,0 26.595 13,1 5,7 5,4 12,0 9,9 32,0 2,3 19,5 0,2 100,0 9.620 totaal 13,7 5,1 7,8 5,3 24,5 21,3 2,6 18,2 1,5 100,0 193.742

Verder is meer dan de helft van alle werkgelegenheid in de zakelijke dienstverlening geconcentreerd in de wijken binnenstad (stationsgebied) en Oost (Rijnsweerd/Stadion). Door de dominante

24

afdeling Bestuursinformatie

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002 aanwezigheid van deze sector in de Utrechtse economie speelt de zakelijke dienstverlening een rol van betekenis in de werkgelegenheidsstructuur van alle wijken (tabel B). Het aandeel loopt uiteen van eenvijfde tot eenderde. De financiële diensten zijn sterk geconcentreerd in de wijken Oost (Rijnsweerd) en Zuidwest (Kanaleneiland). Bijna driekwart van alle Utrechtse werkgelegenheid in deze sector is hier te vinden. De Utrechtse werkgelegenheid in het onderwijs en de gezondheidszorg zijn met respectievelijk 46% en 44% sterk geconcentreerd in Wijk Oost. In de Uithof zijn de meeste faculteiten van de Universiteit Utrecht gehuisvest, alsmede een toenemend aantal hbo-opleidingen. Het Universitair Medisch Centrum (UMC) is bovendien een van de grootste werkgevers in de stad. De sector overheid is met name te vinden in de Binnenstad en Zuidwest (beide met een groot aantal gemeenteambtenaren) en in iets minder mate ook Oost (provinciehuis). B Werkgelegenheidsstructuur per wijk in Utrecht volgens oude grenzen, % 2000 (excl. landbouw)
industrie West Noordwest Overvecht Noordoost Oost Binnenstad Zuid Zuidwest Leidsche Rijn Totaal 17,2 4,3 6,8 2,6 0,5 1,4 8,5 7,2 15,7 5,4 bouw 10,2 13,3 6,1 4,9 0,6 0,6 4,4 3,1 29,4 4,2 handel/ horeca transport 22,2 17,7 21,0 13,0 3,3 21,8 17,9 16,5 18,7 15,5 12,4 2,0 2,7 1,2 2,4 7,5 0,5 7,5 3,1 5,7 financiële diensten 2,6 0,6 0,5 0,7 12,1 8,5 0,6 16,3 0,0 8,2 zakelijke diensten 20,4 26,7 16,0 35,8 33,0 33,1 17,9 24,0 21,1 27,6 overheid 2,4 9,8 1,4 6,1 3,6 6,7 7,9 6,4 7,9 5,1 gezond- overige onderwijs heidszorg diensten totaal 4,4 10,1 9,7 9,0 17,9 7,1 16,2 5,0 0,6 9,6 3,4 10,0 32,4 15,3 24,4 5,9 21,7 8,6 2,7 13,7 4,8 5,5 3,4 11,3 2,0 7,4 4,4 5,3 0,6 5,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 totaal (abs.) 26.465 9.899 15.162 10.202 47.558 41.312 5.015 35.221 2.908

100,0 193.742

Bron: PAR

Binnen het Utrechtse zijn bovendien een aantal werkgelegenheidsconcentraties te onderscheiden. Deze zijn onder te verdelen in bedrijventerreinen, waar met name industriële, bouw-, handels- en distributieactiviteiten te vinden zijn, en kantoorlocaties, waar zich met name kantoorhoudende werkgelegenheid bevindt en in sommige gevallen ook onderwijs- en zorginstellingen. De belangrijkste werkgelegenheidslocaties zijn: • Stationsgebied (26.000 werkzame personen) • Lageweide (15.000 werkzame personen; na grenscorrectie 1-1-2001: 21.500) • Oude stad (24.000 werkzame personen) • Kanaleneiland (15.500 werkzame personen) Zeer krappe kantorenmarkt 2 Het kantoorvolume in Utrecht bedraagt momenteel ruim twee miljoen m (inclusief Vleuten-De Meern). De leegstand is nagenoeg nihil. De oplevering van nieuwbouw is de laatste jaren ook sterk achtergebleven bij de vraag. Utrecht wordt dan ook al jaren gekenmerkt door een zeer krappe markt voor kantoorruimte. Het aanbodtekort in Utrecht is voor een deel opgevangen in de regio, waar in tegenstelling tot de stad wel veel nieuwe kantoorruimte is gerealiseerd. Pas vanaf 2004 zal door grootschalige oplevering van nieuwbouw de Utrechtse kantorenmarkt verruimen. De komende tien 2 jaar zal naar verwachting ruim 700.000 m nieuwe kantoorruimte worden opgeleverd (Bestuursinformatie 2001b Vastgoedmonitor 2001). Daarnaast bestaan er onzekere plannen voor nog 2 eens ruim 300.000 m . De belangrijkste nieuwbouwlocaties zijn het Stationsgebied, De Taats (Papendorp Zuid), Oudenrijn en Nieuwerijn.

Economische structuur

25

Kantoorlocaties gemeente Utrecht huurprijzen opp. (m ) Stationsgebied CS Kanaleneiland/Welgelegen Rijnsweerd/Stadion Oude stad Lageweide/Cartesiusweg Maliebaan/Wilhelminapark Oudenoord/Talmalaan Overvecht Oudenrijn Verspreid 534.000 397.500 321.100 176.100 130.000 123.900 64.500 64.000 50.000 134.500
2

2000 (EUR) 160-185 70-185 135-170 100-130 100-145 100-205 150-155 110-165 115-135 100-155

Typering bank- en verzekeringswezen; openbaar bestuur; transport, maatschappelijke organisaties zakelijke diensten; openbaar bestuur; bank- en verzekeringswezen; communicatie; automatisering bank- en verzekeringswezen; zakelijke diensten; openbaar bestuur; automatisering openbaar bestuur; maatschappelijke organisaties zakelijke diensten; automatisering; handel; nutsbedrijven zakelijke diensten; maatschappelijke organisaties openbaar bestuur; maatschappelijke organisaties handel en transport maatschappelijke organisaties zakelijke diensten; automatisering; diversen maatschappelijke organisaties; zakelijke diensten

Bron: Vastgoedmonitor 2001 (Bestuursinformatie 2001b)

Utrechtse kantoorgebieden
Lageweide/ Cartesiusweg

Overvecht

Oudenoord/ Nijenoord/ Talmalaan Maliebaan/ Wilh.park

Stadshart Leidsche Rijn Rijnsweerd/ Stadion Oudenrijn Oude Stad Papendorp Kanaleneiland stationsgebied

26

afdeling Bestuursinformatie

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002 Utrecht telt zo'n 320 ha bedrijventerrein. In de afgelopen paar jaar was er nog een zeer beperkte uitgifte van bedrijventerrein, maar in 2000 is deze in een stroomversnelling gekomen. In 2000 is 24 ha uitgegeven: 1,5 ha op Lageweide, 1,5 ha in Overvecht Noord, 4 ha in Nieuwerijn Zuid, 7 ha in De Wetering Noord en 10 ha in Oudenrijn. De uitgifte heeft vrijwel geheel betrekking op de nieuwe bedrijventerreinen aan de westkant van de stad. De voorraad direct uitgeefbaar bedrijventerrein was op 1 januari 2001 32,5 ha. Daarnaast is er een planvoorraad van zo'n 140 ha, waarvan het merendeel pas vanaf 2003 in fasen op de markt komt.

Utrechtse bedrijventerreinen
Lageweide Haarrijn De Wetering Cartesiusweg

Overvecht

Oudenrijn Strijkviertel Nieuwerijn Kanaleneiland

Economische structuur

27

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002

3

Arbeidsmarkt: over banen en beroepsbevolking

De Utrechtse beroepsbevolking is met name door de toenemende participatie van vrouwen en allochtonen de afgelopen tien jaar gegroeid. Met 58% hoog opgeleiden is de Utrechtse beroepsbevolking de best opgeleide van Nederland. De geregistreerde werkloosheid is spectaculair gedaald van 10% in 1995 naar 2% in 2000 en is daarmee lager dan het nationale cijfer. De Utrechtse arbeidsmarkt wordt gekenmerkt door een kwantitatieve en kwalitatieve mismatch. Dit leidt tot omvangrijke pendelstromen van en naar de stad, die de komende jaren naar verwachting verder zullen toenemen. Beroepsbevolking sterk gegroeid De Utrechtse beroepsbevolking is de afgelopen 10 jaar met 20.000 personen gegroeid naar 118.000 werkenden en werkwilligen. Een van de oorzaken is de verhoogde arbeidsparticipatie van vrouwen, die veel hoger is dan het Nederlands gemiddelde. Deze is gestegen van 48% in 1991 naar 57% in 1998. Daarmee is ook het aandeel vrouwen in de beroepsbevolking toegenomen, naar 45,3% in 1998. Ook de arbeidsparticipatie van allochtonen is gestegen. Bovendien is de procentuele groei van de allochtone beroepsbevolking groter dan die van autochtonen. De deelname van allochtonen aan het arbeidsproces is in Utrecht echter lager dan in Nederland. Dit verschil is in de jaren '90 gelijk gebleven. De Utrechtse beroepsbevolking is aan het ontgroenen. Het aandeel jongeren in de beroepsbevolking (15-24 jaar) neemt af. Ten eerste omdat het aantal jongeren in de totale bevolking afneemt. Ten tweede omdat jongeren langer wegblijven van de arbeidsmarkt. Absoluut is het aantal jongeren in de beroepsbevolking gedaald van 18.000 in 1990 naar 11.000 in 1998. De groei van de Utrechtse beroepsbevolking verschilt niet veel van die in de andere grote steden, de provincie Utrecht en Nederland. In alle tweedebandsteden groeit de beroepsbevolking echter sneller dan in Utrecht. De arbeidsparticipatie in Utrecht komt overeen met die in de meeste referentiesteden. Deze is even hoog als in Den Haag, maar hoger dan in Rotterdam en Amsterdam. Ook vergeleken met de tweedebandsteden is de arbeidsdeelname in Utrecht niet erg opvallend. Utrecht behoort tot de middengroep. In Almere en Amersfoort is de arbeidsdeelname een stuk hoger en in Enschede een stuk lager. De arbeidsdeelname van laagopgeleiden is in Utrecht lager dan in Nederland. Bovendien neemt de participatie van deze groep af, terwijl deze in Nederland toeneemt. Ook de arbeidsdeelname van hboers neemt in Utrecht af terwijl deze in Nederland gelijk is gebleven. Kenmerken arbeidsmarkt Utrecht
1990 beroepsbevolking waarvan: vrouw (%) allochtonen (%) laagopgeleiden (%) hoog opgeleiden (%) 15-24 jarigen (%) werkzame beroepsbevolking bruto arbeidsparticipatie (%) netto arbeidsparticipatie (%) geregistreerde werkloosheid (%)
Bron: CBS (EBB) * 1991 . gegevens ontbreken

1998 106.000 45 13 18 58 10 101.000 64 61 6

2000 118.000 . . . . . 115.000 . 68 2

97.000 42 12 31 39 19 86.000 59* 52 9*

Utrechtse beroepsbevolking hoog opgeleid Utrecht kent de hoogst opgeleide beroepsbevolking van Nederland. Het aandeel hoogopgeleiden in de beroepsbevolking was aan het begin van de jaren '90 met 39% al hoog en is sindsdien spectaculair toegenomen naar 58% in 1998 (vgl. Nederland 27%). De Universiteit Utrecht is de grootste van Nederland. Daarnaast kent Utrecht een groot aantal HBO-opleidingen (waarvan de meeste onderdeel

Arbeidsmarkt

29

uitmaken van de Hogeschool Midden Nederland). In Utrecht studeerden in 2000-2001 ruim 55.000 studenten in het hoger onderwijs. Na afronding van de studie blijven veel studenten in Utrecht wonen. De Utrechtse arbeidsmarkt is gunstig voor hoogopgeleiden. Bovendien is vanuit Utrecht een belangrijk deel van de Nederlandse arbeidsmarkt op reisafstand bereikbaar. Werkloosheid Utrecht spectaculair gedaald Door de sterke groei van de Utrechtse economie is de werkloosheid de afgelopen 5 jaar spectaculair gedaald. In 1995 was de geregistreerde werkloosheid nog 10%, momenteel nog slechts 2%. Het werkloosheidspercentage in Utrecht ligt met 2% (2000) onder het nationale niveau (3%). Dit is opmerkelijk, omdat Amsterdam Rotterdam een werkloosheidspercentage kennen dat aanmerkelijk hoger ligt. Den Haag kent een geregistreerde werkloosheid die vergelijkbaar is met Nederland (3%). Ook ten opzichte van de tweedebandsteden komt Utrecht gunstig naar voren. Alleen Amersfoort heeft een lager percentage geregistreerd werklozen. De andere steden zitten, met uitzondering van Groningen, op het nationale gemiddelde. Ook de provincie Utrecht kent momenteel een zeer lage werkloosheid van 1%. De werkloosheid is niet evenredig verdeeld over de verschillende bevolkingsgroepen. Vooral allochtonen en laagopgeleiden zijn relatief vaak werkloos. De werkloosheid onder allochtonen is duidelijk hoger dan onder autochtonen, maar daalt wel. Allochtonen hebben dus steeds vaker werk, maar er zijn nog veel allochtonen die niet deelnemen aan het arbeidsproces. Bij de allochtonen ligt dus nog een groot arbeidspotentieel. De middelbaar- en hoogopgeleiden komen steeds vaker aan het werk. Daarentegen stijgt de werkloosheid onder laagopgeleiden. Het aandeel langdurig werklozen neemt af. Door het verschil in werkloosheid met de referentiesteden is het niet verrassend dat Utrecht wat betreft de werkloosheid van deelgroepen ook gunstig scoort. Zo is de werkloosheid onder Utrechtse jongeren lager dan in andere steden. De werkloosheid onder allochtonen in Utrecht is weliswaar hoog, maar ten opzichte van de meeste referentiegebieden laag. De afname van de werkloosheid onder de allochtonen is groter dan in de meeste andere steden. De werkloosheid in Utrecht onder laagopgeleiden is niet bijzonder hoog of laag. Het aandeel langdurig werklozen in Utrecht is lager dan in de referentiesteden, met uitzondering van Enschede en Tilburg.
Geregistreerde werkloosheid in G4, tweedebandsteden en Nederland, 1991,1995, 2000 (%) 1991 Utrecht Amsterdam Rotterdam Den Haag Almere Amersfoort Arnhem Eindhoven Enschede Groningen Maastricht Tilburg Provincie Utrecht Nederland
Bron: CBS (EBB) . gegevens onbekend

1995 10 13 15 12 8 5 9 8 11 14 9 8 5 7

2000 2 5 7 3 3 1 3 3 3 5 3 3 1 3

9 13 11 10 . 7 11 8 13 12 9 9 4 5

Grote verschillen in werkloosheid per wijk Met behulp van gegevens van het Regionaal Bureau Arbeidsvoorziening is het stedelijk werkloosheidscijfer van het EBB omgerekend naar werkloosheid per wijk. Naast de nieuwe wijken Vleuten-De Meern en Leidsche Rijn kennen ook de wijken aan de oostkant van Utrecht een laag werkloosheidscijfer. In de tabel is te zien dat de werkloosheid in de wijken uiteenloopt van 1% in Vleuten-De Meern en Leidsche Rijn tot 4% in Overvecht. In Zuidwest en Overvecht is de werkloosheid een stuk hoger dan gemiddeld in Utrecht. Maar door het lage stedelijke cijfer is de werkloosheid ook hier niet erg hoog.

30

afdeling Bestuursinformatie

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002 Het werkloosheidspercentage in Utrecht is laag, maar van de werklozen is een relatief groot deel langdurig werkloos. Twee op de vijf werklozen is al langer dan 3 jaar zonder werk. De verschillen tussen de wijken zijn klein. De jeugdwerkloosheid ligt stedelijk met 7% een stuk hoger dan het totale werkloosheidscijfer. Het gaat hier overigens wel om cijfers voor 1999, toen de totale geregistreerde werkloosheid in Utrecht 3% bedroeg. Niettemin zeggen de cijfers iets over de relatieve omvang van de jeugdwerkloosheid in de verschillende wijken. De verschillen zijn groot. In de wijken Overvecht, Zuidwest en Zuid is de jeugdwerkloosheid een stuk hoger dan gemiddeld voor de stad. Oost, Vleuten-De Meern, Noordoost en Binnenstad kennen een relatief lage werkloosheid onder jongeren. Werkloosheid Utrecht per wijk, medio 2000
geregistreerde werkloosheid (%) Vleuten - De Meern Leidsche Rijn Noordoost Oost Binnenstad West Zuid Noordwest Zuidwest Overvecht Totaal 1 1 2 2 2 2 3 3 4 4 2 aandeel werklozen langer dan 3 jaar werkloos 31 39 38 41 42 38 32 45 40 46 41 werkloosheidspercentage 15-24jarigen (1999) 3 5 3 3 4 7 10 8 12 13 7

Bron: bewerking Bestuursinformatie op basis van EBB en RBA

Structurele onbalans: kwantitatieve mismatch op de arbeidsmarkt In hoeverre de stedelijke en provinciale arbeidsmarkt in balans is, heeft primair te maken met de verhouding tussen de omvang van de beroepsbevolking en de voltijd werkgelegenheid. Voor zowel de stad als de provincie Utrecht is een onbalans ontstaan, met een structureel achterblijvende beroepsbevolking. • De stad Utrecht had in de eerste helft van de jaren ’90 een constant overschot aan werkgelegenheid. Door de gunstige conjunctuur in de periode 1995-2000 is de werkgelegenheid beduidend sneller gaan groeien dan de beroepsbevolking. In 2000 heeft de Utrechtse beroepsbevolking een omvang van tweederde van de werkgelegenheid in de stad. • Provinciaal was er tot 1995 nog een beroepsbevolking van voldoende omvang. In de periode 1995-2000 heeft door de snelle groei van de economie de werkgelegenheid een voorsprong genomen op de beroepsbevolking. Balans beroepsbevolking en werkgelegenheid stad Utrecht (oude grenzen)
1990 beroepsbevolking 5 voltijd werkgelegenheid beroepsbevolking per arbeidsplaats overschot werkgelegenheid 97.000 130.000 0,75 33.000 1995 106.000 142.000 0,75 36.000 2000 118.000 174.000 0,68 56.000

Bron: EBB (CBS), PAR (Provincie Utrecht), bewerking Bestuursinformatie

Bij deze balans tussen beroepsbevolking en werkgelegenheid is nog geen rekening gehouden met werkloosheid. Met de zeer lage werkloosheid van 2% is de invloed op het berekende verhoudingsgetal overigens maar klein. Rekening houdend met werkloosheid zou het voor de stad dalen naar 0,66 in 2000 en voor de provincie naar 0,94.

5

Tot de beroepsbevolking (aanbod van arbeid) worden alleen personen gerekend die minstens 12 uur per week werken of hiertoe bereid zijn. Daarom is in de tabel alleen de voltijd werkgelegenheid (vraag naar arbeid) meegenomen, dat wil zeggen personen die 12 uur of meer per week werken.

Arbeidsmarkt

31

Balans beroepsbevolking en werkgelegenheid provincie Utrecht
beroepsbevolking voltijd werkgelegenheid beroepsbevolking per arbeidsplaats overschot werkgelegenheid 1990 431.000 376.000 1,15 - 55.000 1995 477.000 424.000 1,13 - 53.000 2000 526.000 541.000 0,97 17.000

Bron: EBB (CBS), PAR (Provincie Utrecht), bewerking Bestuursinformatie

Kwalitatieve mismatch op stedelijke en provinciale arbeidsmarkt Door het grote werkgelegenheidsoverschot in de stad Utrecht is een kwalitatieve vergelijking van de vraag naar arbeid (opleidingsniveau werkzame personen) en het aanbod van arbeid (opleidingsniveau beroepsbevolking) moeilijk. Door de grote kwalitatieve mismatch komt toch een duidelijk beeld naar voren. Er is in de stad Utrecht met name een groot tekort aan mensen met een middelbaar opleidingsniveau. Op provinciaal niveau is deze mismatch relatief veel kleiner, wat er op kan duiden dat het stedelijke tekort voor een groot deel wordt ingevuld door werknemers die in de provincie wonen. Dit zou wijzen op een belangrijke regionale arbeidsmarktfunctie van de stad Utrecht. Van de 71.700 middelbaar opgeleiden heeft het merendeel (ruim 59.000) overigens een mbo-opleiding. Het tekort aan mboopgeleiden blijkt ook uit het aantal moeilijk vervulbare vacatures in de stad. Op 30 september 2000 waren er in Utrecht 2.400 moeilijk vervulbare vacatures (CBS, vacatures enquête). Voor de helft van deze vacatures was het gevraagde opleidingsniveau mbo. De meeste moeilijk vervulbare vacatures zijn te vinden in de zakelijke dienstverlening (800), de bouwnijverheid (300) en de gezondheidszorg (300). Vraag en aanbod op de stedelijke en provinciale arbeidsmarkt 2000 naar opleidingsniveau
bo mavo/vbo havo/vwo/ mbo stad Utrecht vraag aanbod tekort tekort (% v/d vraag) provincie Utrecht vraag aanbod tekort tekort (% v/d vraag) 10.700 10.200 500 5% 28.200 12.500 15.700 56% 71.700 27.300 44.400 62% 38.000 27.200 10.800 28% 25.400 40.800 -15.400 -61% 174.000 118.000 56.000 32% hbo wo totaal

41.800 33.700 8.100 19%

100.500 91.700 8.800 9%

230.300 202.500 27.800 12%

109.100 112.800 -3.700 -3%

59.300 83.300 -24.000 -40%

541.000 524.000 17.000 3%

Bron: Berekening Bestuursinformatie o.b.v. EBB en arbeidsrekeningen (CBS) en PAR

Opvallend is dat de stad Utrecht een groot overschot aan universitair opgeleiden heeft. Door de centrale ligging, op het knooppunt van spoorwegen en snelwegen, is Utrecht (en de regio) een gewilde woonlocatie voor huishoudens die elders in de Randstad (met name de Noordvleugel) werken, of met verschillende werkplekken in het land. Hierbij gaat het niet alleen om mensen die in Utrecht hebben gestudeerd en in Utrecht blijven wonen, maar ook om mensen die naar Utrecht verhuizen en niet economisch aan Utrecht gebonden zijn. Ook op provinciaal niveau is de frictie tussen vraag en aanbod van universitair opgeleiden groot. Kwantitatieve en kwalitatieve mismatch leidt tot hoge pendel Door de kwantitatieve en kwalitatieve mismatch is een woon-werkbalans ontstaan die wordt gekenmerkt door een groot aantal woonforensen en een nog veel omvangrijker stroom werkforensen. Het percentage van de Utrechtse beroepsbevolking dat in de woongemeente werkt is wel gestegen, en het aandeel van de werkgelegenheid bezet door werkforensen is licht gedaald. In absolute aantallen is er echter een sterke stijging van met name het werkforensisme. Bij een trendmatige groei van de werkgelegenheid met 3% per jaar neemt in de periode 2000-2010 het forensisme (woon- en werkforensen samen) met 28% toe. Gezien de bestaande onzekerheden over de economische ontwikkeling is ook een lagere groei denkbaar. Bij een jaarlijkse groei van de werkgelegenheid met 2% neemt de omvang van het forensisme met 24% toe. Niet alle forensen

32

afdeling Bestuursinformatie

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002 reizen iedere werkdag op en neer tussen hun thuis- en werkadres. De voor 2000 berekende 183.800 forensen (Utrecht volgens nieuwe grenzen) komt voor een gemiddelde werkdag overeen met zo'n 135.000 pendelaars (afgeleid uit Onderzoek Verplaatsingsgedrag CBS 1999). Volgens de trendmatige ontwikkeling neemt dit aantal toe tot 173.000 in 2010. Woon-werkbalans stad Utrecht*
1991 (oude grenzen) wonen en werken in de stad wonen in de stad, werken elders (woonforensen) werken in de stad, wonen elders (werkforensen) % werkgelegenheid bezet door werkforensen 40.100 48.900 93.900 70% 2000 (oude grenzen) 57.500 57.500 116.500 67% groei '91-'00 43% 18% 24% 2000 (nieuwe grenzen) 63.600 61.100 122.700 66%

Bron: Woon-werkbalans en pendel (Bestuursinformatie, oktober 2001), aangevuld met recente gegevens werkgelegenheid volgens nieuwe grenzen. * De balans is gebaseerd op de voltijd werkgelegenheid en de werkzame beroepsbevolking, dus exclusief werklozen.

Daarbij vormt pendelverkeer natuurlijk maar een deel van het totale verkeer over de stadsgrens. De groei van het overige verkeer zal sterk samenhangen met de groei van de stedelijke bevolking, en met de algemene mobiliteitsgroei. In de periode 2000-2010 groeit de Utrechtse bevolking (Utrecht volgens nieuwe grenzen) met naar verwachting circa 27%. Volgens lange termijnverkenningen (Connekt, december 1999) groeit de mobiliteit (in afgelegde kilometers) ongeveer half zo snel als de economie. Het overige verkeer over de stadsgrens zal daarmee zeker zo snel groeien als het pendelverkeer. Wel zal het -zeker bij toenemende congestie- minder dan pendel gebonden zijn aan de drukke spitsperiodes.

Arbeidsmarkt

33

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002

Literatuur
Asseldonk, A.S.F.van & A.J. Splunter (1980), Beleid in Bedrijf. Utrecht: Gemeente Utrecht/Bureau Economische Zaken. Atzema, O.A.L.C. (2001), Location and local networks of ICT firms in the Netherlands. In: Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie. Bestuursinformatie (2001a) Woon-werkbalans en pendel. Utrecht: gemeente Utrecht, afdeling Bestuursinformatie, oktober 2001. Bestuursinformatie (2001b) Vastgoedmonitor Utrecht 2001. Utrecht: gemeente Utrecht, afdeling Bestuursinformatie, november 2001. Connekt (1999), De consument is koning! Een verkeer- en vervoerssysteem op basis van consumentenvoorkeuren; Bijlagenboek. Delft: Connect, december 1999. Centraal Planbureau (CPB) (1998), Bedrijfslocatiemonitor. Centraal Planbureau (CPB) (2001a), Macro-economische verkenning 2002. Den Haag: Centraal Planbureau, september 2001. Centraal Planbureau (CPB) (2001b), Nieuwe raming 2001-2002. Den Haag: Centraal Planbureau, 1 november 2001. De Nederlandsche Bank (DNB) (2001), De Nederlandse economie in 2001-2003: een voorspelling met MORKMON. In: Kwartaalbericht December 2001. Faber & Ybema, 2001; Beleidsbrief Toerisme en recreatie. Brief van de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de staatssecretaris van Economische Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, dd. 4 juli 2001. Geffen, P. van & M. Molenaar (2000), Amsterdam huizenhoog favoriet als locatie voor ICT-bedrijven. In: Automatiseringsgids nr. 43, pp. 19. Gemeente Utrecht DSO (2000), Zet 'm op toerisme; meerjarenprogramma toerisme 2000-2004 gemeente Utrecht. Utrecht: Dienst Stadsontwikkeling, december 2000. Goudappel Coffeng (2001), Monitor kernwinkelapparaat Utrecht (1-meting 2001). Onderzoek in opdracht van de afdeling Economische Zaken, gemeente Utrecht. Nyfer (2001), Kijk op kantoren. OVG (1999), Onderzoek verplaatsingsgedrag. CBS Stichting Continu Vakantie Onderzoek (2001), Toeristisch bezoek aan steden in 2000. Mei 2001. Stichting Continu Vakantie Onderzoek (2001), CVO toeristische bezoek aan steden in 2000. Mei 2001 STOGO (2000), Bekendheid van het museumkwartier Utrecht; meting voorjaar 2000. Utrecht: STOGO, juli 2000. TNO Inro (2000), Rangen en standen in gemeenteland. Gebruikte bestandsgegevens: CBS: Enquête Beroepsbevolking (EBB); Arbeidsrekeningen Provincie Utrecht: Provinciaal Arbeidsplaatsen Register (PAR) Kamer van Koophandel Utrecht: Enquête regionale BedrijfsOntwikkeling (ERBO)

Literatuur

35

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002

Toelichting op onderzoek en vaktermen

Enquête Regionale Bedrijfsontwikkeling (ERBO) van de Kamer van Koophandel en Fabrieken De gegevens over bedrijfsontwikkelingen en -resultaten zijn afkomstig van de Kamer van Koophandel. Jaarlijks enquêteert de Kamer van Koophandel in september het bedrijfsleven over de ontwikkelingen aangaande omzet, export, bedrijfsresultaten, investeringen, werkgelegenheid en de verwachtingen daaromtrent voor het volgende jaar. Dit is de jaarlijkse Enquête Regionale Bedrijfsontwikkeling (ERBO). Elk jaar en in elk Kamergebied worden dezelfde vragen gesteld. Dat biedt de mogelijkheid van meerjarige analyses en van interregionale vergelijkingen. Voor het onderzoek wordt gebruik gemaakt van het Handelsregister dat een aantal openbare gegevens van alle ingeschreven ondernemingen en filiaalbedrijven bevat. Het gebruik maken van het Handelsregister betekent dat een aantal categorieën bedrijven buiten de ERBO vallen. Ten eerste is een groot deel van de bedrijven in de agrarische sector niet inschrijvingspichtig in het Handelsregister. Ten tweede zijn overheidsinstanties en zelfstandige beroepsbeoefenaren niet inschrijvingsplichtig. Ten derde wordt niet regionaal gerapporteerd over het bank- en verzekeringswezen. Zij zijn wel inschrijvingspichtig maar de resultaten zijn moeilijk regionaal uit te splitsen. Over deze bedrijfstak wordt wel landelijk gerapporteerd. Ten vierde worden bedrijven die in het jaar van de enquête of in de loop van het jaar daarvoor werden gestart niet in het te analyseren bestand opgenomen. Steekproef en integraal In de ERBO wordt onderscheid gemaakt tussen kleine en grote bedrijven en in 6 bedrijfssectoren en 18 bedrijfstakken. De grens tussen kleine en grote bedrijven ligt bij 50 werkzame personen. Grote bedrijven worden integraal benaderd en kleine bedrijven steekproefsgewijs. De steekproef wordt gestratificeerd uitgevoerd: er wordt rekening gehouden met de subregio's, de bedrijvenindeling op brancheniveau en de grootteklasse. Het laatste komt er op neer dat in de klasse 10-50 werkzame personen de bedrijven nagenoeg integraal wordt benaderd, in de klasse 2-9 werkzame personen doet 60% mee en in de kleinste klasse 10%. Er wordt rekening gehouden met een non-respons van 30% zodat in de steekproeftrekking aan "oversampling" wordt gedaan (factor 10/7=1.429). Soort gegevens In de enquête wordt aan bedrijven nominale bedragen van omzet, export en investeringen gevraagd. Om reële ontwikkelingen te kunnen schetsen is een correctie nodig met behulp van de inflatiegegevens van het Centraal PlanBureau en Economisch Instituut Midden- en Kleinbedrijf. De aard van de vragen over het netto bedrijfsresultaat en over het rendement zijn verschillend van de andere vragen. Over het netto resultaat is gevraagd of deze negatief dan wel positief is en wat de verandering is ten opzichte van voorgaand jaar. Voor het rendement is gevraagd naar de mening van de ondernemer: acht hij/zij dat netto bedrijfsresultaat voldoende dan wel onvoldoende is in verhouding tot het eigen vermogen. Daarom is het mogelijk dat het percentage bedrijven met winst kleiner kan zijn dan het percentage bedrijven met voldoende rendement. Voor het trekken van conclusies uit de ERBO-uitkomsten wordt aan ophoging gedaan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen kwalitatieve en kwantitatieve gegevens. Bij kwalitatieve gegevens gebeurt dit naar rato van het totaal aantal ondernemingen per steekproefstratum, bij kwantitatieve naar rato van het aantal werkzame personen per steekproefstratum. Per subregio en branche worden de ophoogfactoren bepaald. Aantal enquetes In 2001 hebben in de stad 852 bedrijven meegewerkt. Dit aantal kan tot gevolg hebben dat in de stad en met name in de deelgebieden de fluctuaties groter zijn dan die in het Kamergebied en Nederland.

Toelichting

37

Provinciaal Arbeidsplaatsenregister van de Provincie Utrecht De werkgelegenheidscijfers zijn voor Utrecht (stad en provincie) afkomstig uit het Provinciaal Arbeidsplaatsen Register (PAR), dat wordt verzameld en beheerd door de Provincie Utrecht. Het PAR is gebaseerd op de uitkomsten van een jaarlijks terugkerende enquête onder bedrijven, instellingen en vrij beroepsbeoefenaren in de provincie. Peildatum is per 1 april van het betreffende jaar. Het grote voordeel is de vergelijkbaarheid van de gegevens uit het PAR, met soortgelijke gegevens van andere steden, provincies en Nederland. De gegevens van alle arbeidsregisters worden verzameld door het ETIN Adviseurs in Tilburg, dat onder de naam LISA de gegevens toegankelijk stelt aan derden. De gegevens van alle arbeidsplaatsregisters zijn exclusief landbouw, maar inclusief landbouwverwante bedrijvigheid. De landbouwgegevens worden betrokken uit de landbouwtellingen van het CBS. De werkgelegenheidscijfers in deze tabellenbijlage zijn inclusief deeltijdarbeid (minder dan 12 uur werkzaam per week). De sectorindeling die in deze bijlage wordt gehanteerd is BIK ‘95. Daarin is de Nederlandse economie onderverdeeld in een 17-tal secties die aangeduid worden met letters. Daarbinnen worden vervolgens weer een aantal afdelingen onderscheiden (2-cijferige sbi-codes). Binnen deze afdelingen worden bedrijven verder onderverdeeld tot 5-cijferig sbi. De volgende secties met hun volledige naam worden onderscheiden: A B C D E F G H I J K Landbouw, jacht en bosbouw Visserij Winning van delfstoffen Industrie Productie en distributie van en handel in elektriciteit aardgas en water Bouwnijverheid Reparatie van consumentenartikelen en handel Horeca Vervoer, opslag en communicatie Financiële instellingen Verhuur en handel in onroerend goed, verhuur van roerende goederen en zakelijke dienstverlening L Openbaar bestuur, overheidsdiensten en verplichte sociale verzekeringen M Onderwijs N Gezondheids- en welzijnszorg O Milieudienstverlening, cultuur, recreatie en overige dienstverlening P Particuliere huishoudens met personeel in loondienst Q Extraterritoriale lichamen en organisaties

38

afdeling Bestuursinformatie

Utrecht werkt, Trendrapportage economie 2002

Enquête beroepsbevolking (EBB) van het CBS De arbeidsmarktcijfers zijn grotendeels gebaseerd op de Enquête Beroepsbevolking van het CBS, een steekproefonderzoek dat maandelijks onder ruim tienduizend mensen in Nederland wordt gehouden. Steekproef De EBB is een steekproefonderzoek onder personen die in Nederland wonen, met uitzondering van personen in inrichtingen, instellingen en tehuizen (institutionele bevolking). In de populatietotalen die voor de ophoging worden gebruikt, is de institutionele bevolking dan ook niet opgenomen. Beroepsbevolking Kenmerken van de beroepsbevolking 15-64 jaar Tot de beroepsbevolking worden gerekend: – personen die tenminste 12 uur per week werken, of – personen die werk hebben aanvaard waardoor ze tenminste 12 uur per week gaan werken, of – personen die verklaren tenminste 12 uur per week te willen werken, daarvoor beschikbaar zijn en activiteiten ontplooien om werk voor tenminste 12 uur per week te vinden. Werkzame beroepsbevolking Van de beroepsbevolking worden personen die tenminste 12 uur per week werken tot de werkzame beroepsbevolking gerekend. Geregistreerde werkloosheid Tot de geregistreerde werklozen worden gerekend de bij een arbeidsbureau ingeschreven personen in de leeftijd van 16 tot en met 64 jaar die niet of minder dan 12 uur per week werken beschikbaar zijn voor een baan van 12 uur of meer per week of werk hebben aanvaard waardoor ze tenminste 12 uur per week gaan werken. Geregistreerd werkloosheidspercentage Geregistreerde werklozen in procenten van de totale beroepsbevolking. Bruto participatiegraad Totale beroepsbevolking in procenten van de bevolking. Netto arbeidsparticipatie Werkzame beroepsbevolking in procenten van de bevolking. Werkloosheidspercentage Werkloze beroepsbevolking in procenten van de beroepsbevolking. Allochtonen Personen die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten en personen die wel de Nederlandse nationaliteit bezitten maar niet in Nederland zijn geboren. Autochtonen In Nederland geboren personen met de Nederlandse nationaliteit.

Toelichting

39