Voldoende bedrijventerreinen in de Deltametropool 2010-2030

Aangeboden aan: Bureau Regio Randstad Auteurs: drs. Joost Hagens drs. Johan Horstman BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving Postbus 5036 3502 JA Utrecht info@bureaubuiten.nl www.bureaubuiten.nl 030-2318945 Utrecht, 16 december 2002

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Inhoudsopgave
Pagina

Management summary Samenvatting 1 1.1 1.2 1.3 1.4 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 5 Doel, afbakening en methodiek Inleiding Afbakening Aanpak en uitvoering Opbouw rapport Vraag naar bedrijventerreinen 2010-2030 Vraagraming: vertrekpunt en werkwijze BLM-gelieerde ramingen als alternatief Vraag Deltametropool Noord Vraag Deltametropool Oost Vraag Deltametropool Zuid Vraag Deltametropool West Totaal beeld vraag Deltametropool Aanbodinventarisatie Inleiding Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Totaalbeeld Deltametropool Aanbod bedrijventerreinen buiten de Deltametropool Planningsopgave en oplossingsrichtingen Planningsopgave Mengen Herstructureren Intensiveren Nieuwe locaties en zoekrichtingen Conclusies en aanbevelingen

1 5 21 21 22 25 25 27 27 30 33 35 35 37 38 41 41 45 49 51 54 54 56 59 59 63 65 68 72 75

Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6:

Aanbodtabellen droge bedrijventerreinen in de Deltametropool Aanbodtabellen natte bedrijventerreinen in de Deltametropool Toelichting Noord-Holland Efficiënt ruimtegebruik, effect op bestaande terreinen Literatuur Lijst van gesprekspartners en deelnemers werkconferenties

79 92 93 97 99 103

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Management summary

Aanleiding en vraagstelling • De Werkgroep Bedrijventerreinen van de Regio Randstad heeft behoefte aan een helder inzicht in de planologische opgave voor bedrijventerreinen voor de periode 2010-2030 en in de mogelijkheden om in deze behoefte te kunnen voorzien. De Werkgroep heeft aan BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving (hierna: Bureau BUITEN), opdracht verleend om dit te onderzoeken. De vraagstelling van het onderzoek is: Wat is de omvang van de vraag naar bedrijventerreinen in de Deltametropool in de periode 2010-2030? Wat is het aanbod aan bedrijventerreinen in de Deltametropool in de periode 2010-2030? Wat is de reikwijdte van de oplossingsrichtingen mengen, herstructureren, intensiveren en nieuwe zoekrichtingen en welke bijdrage leveren zij aan het invullen van de planningsopgave?

Voor de vraag naar bedrijventerreinen, is aan bureau BUITEN gevraagd om een ‘second opinion’ te geven op de ramingen die zijn gehanteerd in het kader van de Vijfde Nota. Het betreft een raming die is gemaakt door adviesbureau ABF. In deel 3 van de Vijfde Nota is voor de Deltametropool een behoefte afgeleid van 7.100 ha bruto voor de periode 2010-2030. Voor het aanbod aan bedrijventerreinen is gevraagd om te komen tot een volledig, consistent en eenduidige lijst met het beschikbare aanbod voor de gehele Deltametropool. Bij de provincies, kaderwetgebieden en de grote gemeenten zijn aanbodgegevens beschikbaar, maar die leiden niet tot een adequaat beeld over het aanbod van bedrijventerreinen in de gehele Deltametropool en de relevante periode. Vraag en aanbod zijn berekend voor vier afzonderlijke deelgebieden binnen de Deltametropool, door Bureau BUITEN aangeduid met Noord, Oost, Zuid en West (zie figuur I in de Samenvatting voor de afbakening).

Vraag naar bedrijventerreinen • Na analyse van de ABF-raming concludeert Bureau BUITEN dat de daarin gehanteerde regionale verdeling van de vraag niet erg waarschijnlijk is. Vooral het aandeel van de vraag dat is toegerekend aan de Provincie Utrecht valt onwaarschijnlijk hoog uit. Daarentegen is de vraag die is toegerekend aan Amsterdam en omstreken opvallend laag. Vanwege de nogal typische regionale verdeling van de vraag is besloten om deze raming voor het vervolg buiten beschouwing te laten. Voor een goed beeld van de vraag voor de verschillende deelgebieden binnen de Deltametropool biedt de BedrijfsLocatieMonitor (BLM) van het Centraal Planbureau een goede basis, vooral ook omdat er in verschillende regio’s aanpassingen en aanvullingen zijn gepubliceerd. Voor dit project is aansluiting gezocht bij deze regionale ramingen, die zijn gebaseerd op vergelijkbare methoden als de BLM en op de lange-termijnscenario’s van het CPB.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

1

De vraag naar bedrijventerreinen komt volgens onze berekening voor de hele Deltametropool voor de periode 2010-2030 uit op 5.800 ha netto, ofwel ca. 8.000 ha bruto. Dit is gebaseerd op het ‘Global Competition’-scenario van het CPB, dat uitgaat van een hoge economische groei van 3,25% per jaar. In onze raming is rekening gehouden met onttrekking van bedrijventerreinen aan de voorraad. De raming ligt uiteindelijk ruim 10% hoger dan de Vijno-cijfers. De 5.800 ha netto kan worden verdeeld in ca. 4.300 ha ‘droge’ terreinen en ca. 1.500 ha zeehaventerrein.

Aanbod bedrijventerreinen • Aan Provincies en Kaderwetgebieden (en waar nodig de grote gemeenten) is gevraagd om gegevens te verstrekken over het aanbod op de reeds in 2010 bestaande locaties en over de plannen of mogelijkheden voor nieuwe locaties. Naast het aanbod in de Deltametropool zelf is ook gekeken naar het aanbod (net) buiten het onderzoeksgebied. Gedurende het gehele onderzoekstraject is er intensieve afstemming geweest tussen Bureau BUITEN en de betrokken instanties. Deze afstemming was noodzakelijk om te komen tot een eenduidige en volledige aanbodlijst, waarbij de overlap en inhoudelijke verschillen zijn weggewerkt. Ook is veel aandacht uitgegaan naar de hardheid van plannen, waarbij onderscheid is gemaakt in de volgende vier gradaties van hardheid: hard, zacht, opties en mogelijkheden. Voor het afleiden van de planningsopgave (vraag minus aanbod) zijn naast de harde plannen ook de zachte plannen tot het aanbod gerekend. Dat is gedaan omdat het tijdvak van het onderzoek start in 2010Het aanbod wordt daarmee overschat. Het aanbod aan harde en zachte plannen omvat voor de gehele Deltametropool ruim 2.500 ha netto droog bedrijventerrein, waarvan ruim 80% uit zachte plannen bestaat. Het grootste deel van dit aanbod is gelegen in Deltametropool Noord (ruim 70%). Deze locaties liggen met name in de omgeving Schiphol en Zuidelijk Flevoland. Het aandeel van de deelgebieden Oost, Zuid en West bedraagt respectievelijk 4%, 12% en 11%. Wat betreft de natte terreinen is er in Deltametropool Noord 290 ha netto aan zachte plannen, voor de periode tot 2020. In Deltametropool Zuid is er 800 ha netto aan zachte plannen (Maasvlakte II), gelijkelijk verdeeld over beide deelperioden (20102020, 2020-2030). Naast het harde en zachte aanbod is er ruim 2.100 ha netto aan opties en mogelijkheden.

Reikwijdte oplossingsrichtingen • De berekening van de planningsopgave laat zien dat er in drie van de vier deelgebieden sprake is van een aanzienlijke planningsopgave (zie tabel 1). Op basis van de berekeningen lijkt dit niet te gelden voor deelgebied Noord. Bij het lezen van de tabel moet echter wel worden bedacht dat in de berekeningen is gewerkt met een niet-gesegmenteerde vraag en is uitgegaan van een perfecte substitutie. Ook zijn alle zachte plannen meegenomen. Aangenomen mag worden dat een deel daarvan niet (in zijn geheel) zal worden gerealiseerd. Per saldo kan dit leiden tot een onderschatting van de planningsopgave. Voor drie oplossingsrichtingen is nagegaan in welke mate zij bijdragen aan het invullen van de planningsopgave. Voor het vaststellen van deze bijdrage is gebruik gemaakt van gegevens uit de literatuur en de resultaten uit de regionale werkconferenties die in het kader van dit onderzoek zijn gehouden.
BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

2

In tabel 1 is voor elk deelgebied de planningopgave voor ‘droge’ terreinen weergegeven en de reikwijdte van de verschillende oplossingsrichtingen die in dit onderzoek onder de loep zijn genomen. Na de tabel volgt een toelichting op de drie in de tabel genoemde oplossingsrichtingen.
Resterende planningsopgave droge terreinen na mengen, herstructureren en intensiveren (netto ha) Noord -69 8 - 24 20 - 49 105 - 210 -353 tot -202 Oost 459 4 - 12 7 - 18 19 – 39 390 tot 428 Zuid 731 8 - 24 28 - 69 39 - 78 560 tot 656 West 603 5 - 15 9 - 22 24 – 47 519 tot 566

Tabel 1

Planningsopgave Mengen Herstructureren Intensiveren Resterende opgave

Ten aanzien van mengen is de algemene conclusie dat mengen wel een goede zaak is en ook zeker aandacht verdient, maar dat het in termen van de behoefte aan bedrijventerreinen slechts een beperkt reducerende werking voor de ruimtebehoefte kan hebben. Er wordt echter ook gewezen de geringe ruimtelijke absorptiecapaciteit in bestaand stedelijk gebied en dat bij nieuwe uitleg het kostentechnisch niet altijd interessant is en dus niet snel wordt gedaan. Per saldo gaat het maximaal om ca. vijfentwintig locaties met in totaal 25-75 ha netto, met een beperkte gebiedspecifieke differentiatie. Voor herstructurering wordt geconcludeerd dat dit wel enige bijdrage aan de invulling van de planningsopgave kan leveren, waarbij dit vooral als nevenproduct moet worden gezien en zelden het hoofddoel is. In de tabel is een voorzichtige inschatting neergezet. De lopende herstructureringsprogramma’s en voornemens laten zien dat de potentiële opbrengsten in termen van ruimte nog wel eens hoger kunnen uitvallen. In onze voorzichtige weergave gaat om tussen de 90 en 220 ha bruto, wat neerkomt op ca. 63-158 ha netto. De conclusie in de werkconferenties was dat op een incidentele uitzondering na er op bestaande, niet-verouderde terreinen nauwelijks ruimtewinst valt te boeken. Bureau BUITEN heeft echter laten zien dat er wel aanleiding is voor een regionaal optimaliseringstraject, met name in Deltametropool Zuid en West. Bij intensivering op nieuwe terreinen is soms simpele winst te boeken in de ontwerpfase. Deze winst wordt (conservatief) ingeschat op 5%-10%. In tabel 1 is hiermee gerekend waarbij de percentages zijn toegepast op de harde en zachte planvoorraad. Per saldo ligt de winst door intensivering op bestaande en nieuwe terreinen tussen de 187 en 375 ha netto.

Conclusies • Voor een juiste interpretatie van de resultaten is een goed inzicht in aannames, beperkingen en risico’s van belang. Voor alle helderheid worden die hier zeer in het kort weergegeven. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in factoren die de planningsopgave mogelijk onderschatten (te lage vraag of te hoog aanbod) en factoren die mogelijk tot een hogere of te hoge planningsopgave leiden (te hoge vraag, te gering aanbod).

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

3

De planningsopgave valt mogelijk (te) hoog uit doordat: de vraag is gebaseerd op een scenario van hoge economische groei (3,25% economische groei per jaar); er is gerekend met een verdeling van werkgelegenheidsgroei binnen Nederland die per saldo gunstig is voor de Deltametropool (gunstiger dan in de Vijfde Nota); met flink stijgende terreinquotiënten is gerekend vanwege het verschil in ontwikkeling tussen arbeids- en ruimteproductiviteit; een stijgend aandeel van de werkgelegenheid op bedrijventerreinen is verondersteld; de reikwijdte van oplossingsrichtingen relatief beleidsarm en derhalve beperkt is ingeschat. De planningsopgave valt mogelijk (te) laag uit doordat: de deelgebieden nog relatief groot zijn voor regionale bedrijfshuisvestingsmarkten en impliciet een perfecte binnenregionale substitutie is verondersteld; er geen segmentering is gehanteerd voor ‘droge’ bedrijventerreinen; in het GC-scenario een trendbreuk zit na 2020, die leidt tot een relatief sterke afname van de vraag na 2020; er impliciet is gerekend met een gunstige uitgangssituatie in 2010 en er geen ijzeren voorraad is opgenomen; geen extra ruimtereservering voor landschappelijke inpassing of waterberging is gerekend; zachte locaties (maar niet de opties en mogelijkheden) zijn meegeteld bij het aanbod bij het berekenen van de planningsopgave. • In de deelgebieden Oost, Zuid en West resteert nog een aanzienlijke planningopgave, na aftrek van de bijdragen uit de oplossingsrichtingen. Dit geldt niet voor deelgebied Noord waarbij opgemerkt wordt dat dit beeld geflatteerd is (risico niet doorgaan enkele grote zachte plannen, naast de hier genoemde algemene kanttekeningen). De gemaakte inschattingen over de reikwijdte van de verschillende oplossingsrichtingen zijn, met name als gevolg van de visie van uiteenlopende partijen in de werkconferenties, uiteindelijk tamelijk conservatief ingezet. Weliswaar zijn daarvoor goede argumenten te geven en is er voor het argument ‘eerst zien dan geloven’ ook wat te zeggen, onze indruk is dat de perspectieven op sommige punten gunstiger kunnen uitvallen, omdat: het effect van marktdruk en stijgende grondprijzen op het gedrag van zowel bedrijven als ontwikkelaars enigszins onderbelicht blijft in de perceptie van het hier en nu; er ten opzichte van het verleden echt wel een effectievere en meer zorgvuldige aanwending van de ruimte op een marktgerichte wijze tot de mogelijkheden behoort; naar verwachting op langere termijn een grotere rol voor projectontwikkelaars in het verschiet ligt voor het ontwikkelen en uitgeven van (delen van) terreinen; er van een tamelijk passieve beleidscontext is uitgegaan.

4

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Samenvatting

Deze samenvatting is opgebouwd uit de volgende onderdelen: A B C D E F Aanleiding Uitgangspunten en werkwijze Vraag naar bedrijventerreinen 2010-2030 Aanbodinventarisatie Planningsopgave en oplossingsrichtingen Conclusies en aanbevelingen

A

Aanleiding
Volgens bestaande ramingen overtreft de vraag naar bedrijventerreinen in de Deltametropool het aanbod. Tegen deze achtergrond heeft de Werkgroep Bedrijventerreinen van de Regio Randstad behoefte aan een helder inzicht in de planologische opgave voor bedrijventerreinen voor de periode 2010-2030 en in de mogelijkheden om in deze behoefte te kunnen voorzien. De Werkgroep heeft aan BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving, opdracht gegeven om hiertoe: de vraagraming zoals die is gehanteerd in de Vijfde Nota aan een nadere analyse te onderwerpen; een inventarisatie te maken van het aanbod aan bedrijventerreinen, uitmondend in een volledige, consistente en eenduidige lijst met beschikbaar aanbod na 2010; vast te stellen welke bijdrage verschillende oplossingsrichtingen (mengen, herstructureren, intensiveren en nieuwe locaties) kunnen leveren aan het invullen van de planologische opgave. In het rapport worden de drie stappen achtereenvolgens beschreven in de hoofdstukken 2, 3 en 4. Deze samenvatting geeft een overzicht van de uitgangspunten en werkwijze die zijn gehanteerd, van de belangrijkste resultaten voor elk van de drie stappen en van de conclusies.

B

Uitgangspunten en werkwijze
In het kader van dit onderzoek is voor de Deltametropool en voor vier deelgebieden hierbinnen (Noord, Oost, Zuid en West) een vraag-aanbod confrontatie gemaakt. De markt voor bedrijventerreinen is immers vooral een regionale markt. Een vraagaanbod-confrontatie op het niveau van de Deltametropool is daarom niet zinvol. Gelet op de lange tijdshorizon kan wel met een tamelijk grofmazige indeling in vier deelgebieden worden volstaan. Voor een afbakening van het gebied en van de deelgebieden verwijzen we naar figuur I.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

5

Figuur I

Deltametropool en verdeling in deelgebieden

Noord

West

Oost Zuid

• •

Uitgangspunt voor het project was dat de behoefte niet opnieuw zelf zou worden geraamd, maar dat de behoefte zou worden afgeleid uit bestaande ramingen. De periode waarop de raming betrekking heeft is 2010-2030. Bij de raming is aangesloten op het hoge groeiscenario van het CPB. Vanuit planningsperspectief is het immers gemakkelijker om zoek/reservelocaties te zijner tijd niet te ontwikkelen als de vraag lager uitvalt, dan om (tijdig) terreinen extra in te plannen als de vraag hoger uitvalt dan waarmee is gerekend (‘no regret’). In de raming zijn de volgende categorieën terreinen meegenomen: ‘gemengd plus’/ industrieterrein; gemengd terrein; transport- en distributieterrein; bedrijvenpark; zeehaventerrein. De eerste vier typen zijn samengebracht onder de noemer ‘droge terreinen’; zeehaventerreinen zijn ‘natte terreinen’. Voor beide typen is een aparte raming gemaakt. De werkwijze was een combinatie van deskresearch en inbreng van deskundigen. Er is intensief samengewerkt met de provincies (afdelingen EZ en RO), de kaderwetgebieden en de grote gemeenten. Ook andere partijen zijn geconsulteerd, onder andere de regiokantoren van het Ministerie van EZ, VNO-NCW, de Kamers van

6

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Koophandel, de milieufederaties en GOVERA. In het kader van het project zijn vier regionale werkconferenties georganiseerd voor deelnemers van al deze partijen. • De nadere analyse van de vraagraming is een vrij technische aangelegenheid, waarbij het noodzakelijk was in te gaan op de achtergronden en aannames die aan verschillende ramingen ten grondslag liggen. De inventarisatie van het aanbod heeft plaatsgevonden door alle beschikbare bronnen van de verschillende provincies en Kaderwetgebieden en van de gemeente Amsterdam op een rij te zetten. Deze gegevens zijn gedetailleerd besproken met de betrokken afdelingen van de provincies en een aantal andere partijen, waarna een definitieve lijst van het aanbod is opgesteld. Inschattingen van de mate waarin verschillende oplossingsrichtingen kunnen bijdragen aan het invullen van de planningsopgaven zijn gebaseerd op bestaande rapporten en onderzoeken over herstructurering, intensivering en menging. Ook is hierover in de werkconferenties de visie van verschillende partijen in het gebied gepeild.

C

Vraag naar bedrijventerreinen 2010-2030

Een eerste vraagstelling van het onderzoek is om de behoefteraming voor bedrijventerreinen zoals die in de Vijfde Nota wordt gehanteerd aan een nadere analyse te onderwerpen. Op basis van deze raming is afgeleid dat voor de Deltametropool behoefte is aan 7.100 ha bruto bedrijventerrein voor de periode 2010-2030. Hoofdlijnen methode vraagraming • De raming van 7.100 ha bruto is gebaseerd op ramingen van het adviesbureau ABF. In paragraaf 2.1 is ingegaan op de uitgangspunten achter deze raming en op de verdeelsleutel die is gehanteerd om de nationale vraag te verdelen naar verschillende landsdelen. Ook wordt aangegeven hoe de vraag voor de Deltametropool is verdeeld over de verschillende provincies. Hieruit blijkt onder andere dat de toedeling van de vraag aan de verschillende provincies zoals die uit de ABF-ramingen naar voren komt om een aantal redenen niet erg waarschijnlijk is. Vooral het aandeel dat wordt toegerekend aan de Provincie Utrecht valt erg hoog uit. Met name vanwege de nogal typische regionale verdeling van de vraag is besloten om deze raming voor het vervolg buiten beschouwing te laten. Voor een goed beeld van de vraag voor de verschillende deelgebieden binnen de Deltametropool is behoefte aan een coherente, samenhangende raming, die in deelregio’s valt te verdelen. De BedrijfsLocatieMonitor (BLM) van het Centraal Planbureau biedt hiervoor een goede basis, vooral ook omdat er in verschillende regio’s aanpassingen en aanvullingen zijn gepubliceerd. Voor dit project wordt aansluiting gezocht bij deze regionale ramingen. Aangezien regionale ramingen alleen beschikbaar zijn voor de periode 2010-2020 is de regionale verdeling voor de periode 2020-2030 gebaseerd op de verhouding tussen de CPB-ramingen voor het landsdeel West in de perioden 2010-2020 en 2020-2030. Na 2020 is sprake van een trendbreuk samenhangend met de in de CPB-scenario’s voorziene ontwikkeling: een daling van de beroepsbevolking en werkgelegenheid. Hierdoor valt de behoefte aan bedrijventerreinen vanaf 2020 fors lager uit op nationaal niveau dan voor de periode daarvoor, aldus het CPB. Er resteert echter voor West-

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

7

Nederland nog wel een substantiële behoefte. Bij deze trendbreuk zijn overigens wel vraagtekens te plaatsen: de vraag naar bedrijventerreinen hangt immers van meer af dan alleen de ontwikkeling van de werkgelegenheid. • De vraag is opwaarts gecorrigeerd voor uitplaatsing van bedrijven en onttrekking van bedrijventerreinen aan de voorraad, mede als gevolg van binnenstedelijke woonopgaven uit de Vijno. Dit effect zit deels in de BLM verwerkt, vooral voor de periode tot 2020. Voor de periode na 2020 hebben we de vraag bijgesteld op basis van een combinatie van onttrekking/uitplaatsing in het verleden, inschattingen van gesprekspartners en gegevens over mogelijke onttrekking in de toekomst.

Vraagraming • Rekening houdend met onttrekking komt de vraag naar bedrijventerreinen volgens onze berekening voor de hele Deltametropool voor de periode 2010-2030 iets hoger uit dan de Vijno-raming, namelijk op 5.800 ha netto. Hiervan heeft ca. 4.300 ha netto betrekking op droge terreinen. Voor de verdeling naar deelgebieden wordt verwezen naar de tabellen I en II. Als omrekenfactor naar bruto terreinbehoefte is in dit rapport standaard een factor 1,4 gehanteerd. Daarmee komt de bruto behoefteraming op 8.000 ha bruto. Dat is dus ruim 10% meer dan 7.100 ha bruto die als startpunt voor dit project diende. Het grootste deel van de vraag ligt in het deelgebied Deltametropool Noord: meer dan eenderde van het totaal en ongeveer 45% van het aandeel droge terreinen. In Deltametropool Zuid is een grote vraag naar natte terreinen (zie ook tabellen).
Vraag droge terreinen inclusief effect onttrekking Deltametropool 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 2010-2020 totaal gemiddeld per jaar Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Vraag (excl. ijzeren voorraad) 1.161 410 700 612 2.883 116 41 70 61 288 2020-2030 2020-2030 totaal gemiddeld per jaar 652 181 343 262 1.438 65 18 34 26 144 2010-2030 2010-2030 totaal gemiddeld per jaar 1.813 591 1.043 874 4.321 91 30 52 44 217

Tabel I

Tabel II

Vraag natte terreinen inclusief effect onttrekking Deltametropool 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 2010-2020 totaal gemiddeld per jaar 2020-2030 2020-2030 totaal gemiddeld per jaar 183 450 633 18 45 63 2010-2030 2010-2030 totaal gemiddeld per jaar 513 950 1.463 26 48 74

Deltametropool Noord Deltametropool Zuid Vraag (excl. ijzeren voorraad)

330 500 830

33 50 83

De vraagraming ligt voor de periode 2010-2020 boven of rond de niveaus van de historische uitgifte in de periode 1992-2001 (zie tabel III). Voor de periode 202-2030 is de

8

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

vraag aanmerkelijk lager en ligt dan in het algemeen ruim onder het niveau van de historische uitgifte. De afname van de werkgelegenheid en veranderingen in de sectorstructuur zijn in de CPB-systematiek en daarvan afgeleide regionale ramingen verantwoordelijk voor die afname.
Tabel III Historische uitgifte droge bedrijventerreinen, Deltametropool 1992-2001(netto ha) 1992-2001 Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Deltametropool 731 359 607 548 2.245 gemiddeld per jaar 73 36 61 55 225

Bron: Provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Flevoland en Utrecht.

D

Aanbodinventarisatie
De aanbodinventarisatie heeft tot doel om te komen tot een eenduidig, consistent en zo volledig mogelijk beeld van het aanbod aan bedrijventerreinen in de Deltametropool voor de periode 2010-2030. Hieraan is behoefte omdat er weliswaar aanbodgegevens bekend zijn bij de diverse regionale en provinciale overheden, maar die leiden niet tot een goed totaalbeeld voor de gehele Deltametropool. Dit is vooral te wijten aan de inhoudelijke verschillen, verschillende in de naamstelling van locaties en terreinen, de hiermee samenhangende overlap, verschillen in de gehanteerde omvang van locaties en verschillen in de tijdshorizon.

Hoofdlijnen methode aanbodinventarisatie • Aan Provincies en Kaderwetgebieden (en waar nodig de grote gemeenten) is gevraagd om gegevens te verstrekken over het aanbod op de reeds in 2010 bestaande locaties en over de plannen of mogelijkheden voor nieuwe locaties. Hierbij is gebruik gemaakt van een vast format, waarop de aanbodgegevens konden worden ingevuld. Naast indicatoren betreffende locatie/ligging, omvang, netto uitgeefbaar oppervlak, is ook gevraagd naar terreinkarakteristieken die inzicht geven in het beoogde segment en een aantal ontsluitingsindicatoren. De aanbodgegevens van provincies en Kaderwetgebieden zijn vergeleken met een ’groslijst inventarisatie specifieke werkmilieus Deltametropool’. Deze lijst is aangeleverd door Bureau Regio Randstad en is een samenvoeging van terreinen en locaties die in een eerder voortraject zijn genoemd. Het betreft hier geen inventarisatie van het BRR zelf, evenmin is duidelijk wat de status is van de locaties die op deze lijst vermeld zijn. Aan de provincies en Kaderwetgebieden is gevraagd of deze locaties bij hen bekend zijn en of er locaties op deze lijst staan die aan het eerder aangeleverde aanbod dienen te worden toegevoegd. Naast het aanbod in de Deltametropool zelf is ook gekeken naar het aanbod (net) buiten het onderzoeksgebied. Het gaat daarbij om gemeenten die in de direct aangrenzende zone van de Deltametropool liggen.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

9

Gedurende het gehele onderzoekstraject is er intensieve afstemming geweest tussen Bureau BUITEN en de betrokken instanties. Deze afstemming was noodzakelijk om te komen tot een eenduidige en volledige aanbodlijst. Er is veel aandacht uitgegaan naar de hardheid van plannen, met name voor de nog te realiseren nieuwe locaties (dus na 2010). Hierbij is de volgende onderverdeling gehanteerd: Hard aanbod omvat het aanbod op de in 2010 bestaande terreinen en toekomstige locaties die zijn opgenomen in Streek- of Omgevingsplannen die zijn vastgesteld; Zacht aanbod omvat het aanbod op toekomstige locaties die zijn opgenomen in Streek- of Omgevingsplannen, maar die nog niet zijn vastgesteld; Opties omvatten aanbod op toekomstige locaties die in beeld zijn (binnen beleid) en bijvoorbeeld zijn genoemd in het kader van het VIJNO-overleg, of als concrete zoekrichting zijn aangeduid; Mogelijkheden omvatten locaties die vooralsnog niet passen binnen het voorgenomen beleid, maar eventueel (op de langere termijn) ruimtelijke mogelijkheden bieden voor een invulling als bedrijventerrein.

Aanbod • Het aanbod aan harde en zachte plannen omvat voor de gehele Deltametropool ruim 2.500 ha netto droog bedrijventerrein, waarvan ruim 80% uit zachte plannen bestaat. Het grootste deel van dit aanbod is gelegen in Deltametropool Noord (ruim 70%). Deze locaties liggen met name in de omgeving Schiphol en in Zuidelijk Flevoland. Het aandeel van de deelgebieden Oost, Zuid en West bedraagt respectievelijk 4%, 12% en 11%. Zie tabel IV.
Hard en zacht aanbod droge bedrijventerreinen 2010-2030, per deelregio (netto ha) 2010-2020 Hard Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Deltametropool 183 60 77 117 437 Zacht 1.319 47 235 119 1.720 2020-2030 Hard 0 0 0 35 35 Zacht 380 0 0 0 380 2010-2030 Hard 183 60 77 152 472 Zacht 1.699 47 235 119 2.100

Tabel IV

Bron: Provincies Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en de Kaderwetgebieden BRU, Haaglanden, ROA, Stadsregio Rotterdam, gemeente Amsterdam.

• •

Naast het harde en zachte aanbod is er ruim 2.100 ha netto aan opties en mogelijkheden voor droge bedrijventerreinen geïnventariseerd (zie tabel V). Logischerwijs heeft de inventarisatie met name aanbod opgeleverd voor de periode 2010-2020 (83% van de harde en zachte plannen). De opties en mogelijkheden zijn gelijkmatiger verdeeld over beide tijdvakken (42% in 2010-2020 en 58% in 2020-2030).

10

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Tabel V

Opties en mogelijkheden aanbod droge bedrijventerreinen 2010-2030, per deelregio (netto ha) 2010-2020 Optie Mogelijkheid 2020-2030 Optie Mogelijkheid 500 115 45 60 720 0 195 200 123 518 2010-2030 Optie Mogelijkheid 882 215 45 60 1.202 0 235 483 220 938

Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Deltametropool

382 100 0 0 482

0 40 283 97 420

Bron: Provincies Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en de Kaderwetgebieden BRU, Haaglanden, ROA, Stadsregio Rotterdam, gemeente Amsterdam.

Wat betreft de natte terreinen (tabel VI) is er in Deltametropool Noord 290 ha netto aan zachte plannen, voor de periode tot 2020. In Deltametropool Zuid is Maasvlakte II opgenomen als zacht plan: er is een afzonderlijke project-PKB, maar het daadwerkelijk realiseren is nog met onzekerheid omgeven. In het deelgebied Noord is er een optie voor de lange termijn op de locatie Gedraaide Machineweg (gemeente Haarlemmerliede). Aan opties en mogelijkheden voor natte terreinen (tabel VII) betreft het in deelgebied Zuid een optie van 100 ha voor inbreiding op bestaande haventerreinen in Europoort.
Tabel VI Hard en zacht aanbod natte bedrijventerreinen 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Deltametropool Noord Deltametropool Zuid Deltametropool 290 400 690 2020-2030 0 400 400 2010-2030 290 800 1.090

Bron: Provincies Noord-Holland en Zuid-Holland, Stadsregio Rotterdam, gemeente Amsterdam.

Tabel VII

Opties en mogelijkheden voor natte bedrijventerreinen 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Deltametropool Noord Deltametropool Zuid Deltametropool 65 100 165 2020-2030 0 0 0 2010-2030 65 100 165

Bron: Provincies Noord-Holland en Zuid-Holland, Stadsregio Rotterdam, gemeente Amsterdam.

Hierbij dient te worden bedacht dat het aannemelijk is dat een deel van de als zacht aangemerkte locaties niet wordt ontwikkeld. In nog sterkere mate geldt dit uiteraard voor de voor de opties en mogelijkheden. Verontrustend is het geringe aandeel harde plannen (al is dat gezien de tijdshorizon nog geen knelpunt) en het geringe aanbod in vooral de deelgebieden Oost, Zuid en West.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

11

E

Planningsopgave en oplossingsrichtingen

Uit het verschil tussen de vraagraming en de aanbodinventarisatie kan via een eenvoudige rekensom de planningsopgave worden berekend. De planningsopgave per deelgebied is de berekende behoefte min de som van het harde en zachte aanbod. Werkwijze berekening planningsopgaven en aannames • Normaal gesproken wordt het zachte aanbod buiten beschouwing gelaten voor het bepalen van de planningsopgave. Maar een afwijkende karakteristiek van dit onderzoek is dat het begin van de planningshorizon niet nu - in 2002 - ligt, maar in 2010. Als gevolg hiervan is er maar een zeer gering deel van het aanbod hard, omdat besluitvorming over die langere termijn nog moet plaatsvinden. Het is uiteraard onzeker of zachte locaties daadwerkelijk worden gerealiseerd. Het is aannemelijk dat een deel van de zachte locaties alsnog afvalt in de politieke besluitvorming en de afweging tegen andere ruimteclaims (‘planologische uitval’). De planningsopgave geeft als gevolg daarvan mogelijk een te optimistisch beeld van de vraag-aanbodverhoudingen. Opties en mogelijkheden zijn niet in de berekening van de planningsopgave meegenomen. De vier deelgebieden zijn elk relatief groot vanuit een regionaal-economisch perspectief. Hierbij wordt impliciet verondersteld dat er sprake is van een perfecte binnenregionale substitutie. Ten opzichte van het werken met kleinere deelgebieden is er sprake van een onderschatting van de behoefte. Er is gewerkt met een niet-gesegmenteerde vraag naar ‘droge’ bedrijventerreinen. In vergelijking tot een meer gesegmenteerde benadering betekent dit een onderschatting van de planningopgave, omdat nu de vraag in het segment ‘hoogwaardige bedrijventerreinen’ kan wegvallen tegen aanbod van ‘logistieke terreinen’. Een laatste impliciete veronderstelling is dat de uitgangssituatie tot 2010 er één is met een voldoende aanbod van bedrijventerreinen. Met name in de deelgebieden Zuid en Oost lijkt het erop dat dit niet het geval zal zijn. Mogelijk leidt dit tot enige inhaalvraag in de periode na 2010. Een dergelijk effect is hier niet opgenomen. Tenslotte wordt opgemerkt dat in onze weergave geen rekening is gehouden met een eventueel extra ruimtebeslag voor een betere landschappelijke inpassing (en dus een ongunstiger netto-bruto-factor), meer ruimte voor waterberging of het ruimtebeslag voor multimodale ontsluiting en/of faciliteiten. In tabel VIII is voor elk deelgebied de planningopgave voor ‘droge’ terreinen weergegeven en de reikwijdte van de verschillende oplossingsrichtingen die in dit onderzoek onder de loep zijn genomen. Na de tabel volgt een toelichting op de drie in de tabel genoemde oplossingsrichtingen.

12

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Tabel VIII

Resterende planningsopgave droge terreinen na mengen, herstructureren en intensiveren (netto ha) Noord -69 8 - 24 20 - 49 105 - 210 -353 tot -202 Oost 459 4 - 12 7 - 18 19 – 39 390 tot 428 Zuid 731 8 - 24 28 - 69 39 - 78 560 tot 656 West 603 5 - 15 9 - 22 24 – 47 519 tot 566

Planningsopgave Mengen Herstructureren Intensiveren Resterende opgave

Een ‘-’ in bovenstaande tabel duidt op een situatie waarin het voorziene aanbod de verwachte vraag dekt.

Uit tabel VIII wordt duidelijk dat voor drie van de vier deelgebieden – Oost, Zuid en West – er nog een aanzienlijke planningsopgave resteert na benutting van de oplossingsrichtingen. Opgemerkt wordt dat die planningsopgave al vroeg in de periode 2010-2020 om extra terreinen vraagt. Met andere woorden: het planologisch reserveren van locaties dient nu al te worden gedaan. Voor deelgebied Noord ziet de problematiek er strikt rekenkundig en in relatieve zin gunstiger uit. Naast de eerdere opmerkingen over de interpretatie van de planningsopgave – relatief grote deelgebieden, geen segmentering ‘droge terreinen’, sterke afname van de vraag na 2020, gunstige uitgangssituatie verondersteld/geen ijzeren voorraad opgenomen, geen extra ruimtereservering voor landschappelijke inpassing of waterberging en zachte locaties meegeteld bij het aanbod – geldt specifiek voor deelgebied Noord dat het op het oog gunstige beeld vooral wordt bepaald door de toevoeging van grote arealen bedrijventerrein in zowel de Haarlemmermeer als in Zuidelijk Flevoland. Als enkele van die terreinen er niet komen, slaat het beeld gelijk om en kampt ook deelgebied Noord met een tekort. Verder wordt erop gewezen dat binnen deelgebied Noord er zones zijn – boven het Noordzeekanaal, Zuid-Kennemerland, Gooi- en Vechtstreek – waar onvoldoende terreinen in de pijplijn zitten.

Mengen • De eerste oplossingsrichting die onder de loep wordt genomen wordt kortweg aangeduid als ‘mengen’. Mengen is het afleiden van de vraag naar andere locaties dan bedrijventerreinen en dan vooral in bestaand stedelijk gebied of nieuwe stedelijke uitleg. De vraag is nu of in de toekomst het meer mengen van werkfuncties met vooral wonen tot een reductie van de behoefte aan bedrijventerreinen kan leiden. Er kan een nader onderscheid worden gemaakt tussen fijnmazig mengen en grofkorrelig mengen. Onder fijnmazig mengen verstaan we het her en der tussen woonbebouwing realiseren van bedrijfshuisvesting. Het kan gaan om een pand, een strip onder appartementen, een straatzijde, of bijvoorbeeld een verzamelgebouw. Grofkorrelig mengen betreft het realiseren van kleinschalige bedrijventerreinen met een omvang van zeg 1-3 ha netto. Doelgroepen voor menging zijn in het algemeen kleinschalige bedrijven uit de lagere milieuhindercategorieën. Starters behoren hier bijvoorbeeld ook vaak toe. Menging wordt als zodanig in het algemeen positief begroet. Het terugbrengen van werkfuncties in de wijken wordt om zowel economische redenen als vanwege leefbaarheidaspecten beleidsmatig toegejuicht. Mengen is overigens zeker niet ‘nieuw’, maar eerder ‘oud’. De trend in de markt is juist gericht op ontmenging. Per saldo vindt er aan de vraagkant vanuit zowel bedrijven als bewoners een ontmenging

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

13

plaats. Bereikbaarheid en parkeren vormen voor bedrijven een belangrijke factor, waarbij een woonomgeving het vaak aflegt tegen bedrijventerreinen aan de stadsranden. Ook zijn bedrijven bevreesd voor ‘klachten uit de buurt’. Ook als vestiging milieutechnisch kan en er geen intensieve goederenvervoerstromen zijn, kan bijvoorbeeld laden en lossen toch tot klachten leiden. Er bestaat op zijn minst het gevoel dat de rechtsbescherming voor bedrijven op dit punt relatief zwak is. Burgers vertonen op het punt van mengen ambivalent gedrag, zo geven onze gesprekspartners aan: een levendige wijk wordt toegejuicht, maar liever een straat verderop. Natuurlijk valt er wel iets te winnen met meer aandacht voor mengen aan de aanbodzijde. Er zijn echter drie redenen om hiervan geen al te hoge verwachtingen te hebben: meer mengen in woonomgevingen vereist vanuit bedrijvigheid gezien een betere bereikbaarheid en betere parkeermogelijkheden; financieel is bedrijfshuisvesting minder aantrekkelijk voor ontwikkelaars/beleggers dan wonen of kantoren; de grote binnenstedelijke woonopgave versterkt eerder de trend naar ontmenging. • De algemene conclusie luidt dat mengen wel een goede zaak is en ook zeker aandacht verdient, maar dat het in termen van de behoefte aan bedrijventerreinen slechts een beperkt reducerende werking voor de ruimtebehoefte kan hebben. Voor fijnmazig mengen wordt het perspectief in termen van ruimtewinst vrijwel verwaarloosbaar geacht. Grofmazig mengen wordt eigenlijk in alle deelgebieden wel als een mogelijkheid gezien. Er wordt echter op gewezen dat in bestaand stedelijk gebied de ruimtelijke absorptiecapaciteit gering is en dat het bij nieuwe uitleg kostentechnisch niet altijd interessant is en dus niet snel wordt gedaan. Per saldo gaat het maximaal om ca. vijfentwintig locaties met in totaal 25-75 ha netto, met een beperkte gebiedspecifieke differentiatie.

Herstructureren • De tweede oplossingsrichting is herstructurering van verouderde bedrijventerreinen. Als verouderde en soms onderbenutte terreinen na een herstructurering nieuw uitgeefbaar terrein opleveren of intensiever kunnen worden gebruikt, kan dat een reductie van de nieuwe ruimtevraag betekenen. ‘Ruimtewinst’ kan dus uit twee elementen bestaan: nieuw uitgeefbare ruimte of een intensiever gebruik (bijvoorbeeld tot uitdrukking komend in minder ruimtegebruik per arbeidsplaats of een grotere gemiddelde floorspace-index (FSI). Vooropgesteld moet worden dat ruimtewinst in veel gevallen een nevenproduct is en zelden het hoofddoel. Met herstructurering wordt verbetering van het vestigingsklimaat nagestreefd en wordt verdere verloedering een halt toegeroepen. Het werkt daarmee wel preventief in termen van ruimtevraag: door herstructurering wordt (verder) vertrek naar andere bedrijventerreinen voorkomen. Alle partijen benadrukken dat herstructurering een moeizaam, kostbaar en tijdrovend proces is. Er zijn inmiddels tal van onderzoeken naar herstructurering van bedrijventerreinen gedaan en er is ook een behoorlijke expertise over opgebouwd. Als vuistregel wordt vaak een ruimtewinst van 5-10% nieuw uitgeefbaar terrein gehanteerd. In sommige bronnen wordt 15% gehanteerd, maar dat percentage is door vrijwel alle experts die bij dit onderzoek zijn betrokken als te optimistisch van de hand gedaan. Daarom ontbreekt in tabel IX een kolom met een ruimtewinst van 15%. ETIN heeft in 2000 een inventarisatie gemaakt van de herstructureringsopgave in de Randstad. In totaal gaat het daarbij 128 terreinen, die tezamen iets meer dan 5.000 ha beslaan (16% van de voorraad in ha). In Zuid-Holland gaat het om 71 terreinen en 2.600
BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

14

ha. ETIN waagt zich niet aan uitspraken over ruimtewinst; ruimtewinst wordt of niet becijferd of gebagatelliseerd. Met name wijst ETIN in dit verband op de extra ruimte die verhuizers vragen als ze vertrekken of worden uitgeplaatst. Tevens merkt ETIN op dat ruimtewinst niet centraal behoort te staan bij herstructureringsprojecten (wat Bureau BUITEN wel onderschrijft, maar wij merken hierbij op dat het in tijden van schaarste natuurlijk wel een gewenst nevendoel kan en mag zijn). • In dit onderzoek ligt de focus op de potentiële ruimtewinst. Daarom is het ons inziens interessant en relevant om een beeld te schetsen wat de ruimtelijke bijdrage van herstructurering zou kunnen zijn, uitgaande van de herstructureringsopgave zoals vastgesteld door ETIN en onder verschillende aannames over de ‘opbrengst’ daarvan. In tabel IX is dat op een rij gezet.
Herstructureringsopgave volgens ETIN en rekenkundige potentiële ruimtewinst Bureau BUITEN (bruto ha) Omvang herstructureringsopgave 1.381 501 1.933 614 4.428 2% ruimtewinst 28 10 39 12 89 5% ruimtewinst 69 25 97 31 221 10% ruimtewinst 138 50 193 61 443

Tabel IX

Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Deltametropool

Bron: Herstructurering bedrijventerreinen in de Randstad provincies, ETIN, Tilburg 2000, bewerking omvang areaal Bureau BUITEN. Berekening ruimtewinst Bureau BUITEN.

Er zijn uiteraard wel kanttekeningen te plaatsen bij een dergelijke rekenkundige benadering: veel betrokkenen die in het kader van dit project zijn geïnterviewd - gemeenten, Kaderwetgebieden, Kamers van Koophandel, provinciale contactpersonen – menen dat de grote klappers in termen van ruimtewinst al onderhanden zijn genomen of voor 2010 op de markt komen. De 10% winst is dan mogelijk te optimistisch, maar dan nog is de 5%-kolom louter vanuit de ruimtelijke opgave waar het hier over gaat interessant genoeg; een tweede, belangrijke kanttekening heeft betrekking op de kosten: herstructurering levert ‘dure’ vierkante meters. Vanuit een oogpunt van kosteneffectiviteit is nieuw aanmaken al snel goedkoper dan herstructureren. Een dergelijke tactiek van de verschroeide aarde – het laten verwaarlozen van oude terreinen en vervangen door nieuwe uitleg - is in de drukke Deltametropool natuurlijk weinig duurzaam. Maar het argument is wel valide: herstructurering kost absoluut en relatief veel geld en inspanning; in het verlengde hiervan wordt opgemerkt dat een herstructureringsopgave van 4.400 ha bij voorzichtige schattingen over de daarmee gemoeide kosten ruimschoots de beschikbare Rijksmiddelen daarvoor overtreffen (nu: TIPP, straks een ten opzichte van een eerdere versie budgettair neerwaarts bijgesteld nieuw financieel instrumentarium van het Ministerie van Economische Zaken). Per saldo wordt geconcludeerd dat herstructurering wel enige bijdrage aan de invulling van de planningopgave kan leveren (zie tabel IX). In de tabel is een voorzichtige inschatting neergezet. De lopende herstructureringsprogramma’s en voornemens laten zien dat de potentiële opbrengsten in termen van ruimte nog wel eens hoger kunnen uitvallen. In onze voorzichtige weergave gaat om tussen de 64 en 159 ha netto.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

15

Intensivering • Bij intensivering wordt het vizier als eerste gericht op intensivering op bestaande, nietverouderde bedrijventerreinen. De conclusie in de werkconferenties was dat op een incidentele uitzondering na – waar nog restruimte uitgeefbaar is te maken of waar een strategische reserve van een bedrijf wordt afgestoten – er op bestaande, nietverouderde terreinen nauwelijks ruimtewinst valt te boeken. Daar is door ons ook niet verder mee gerekend. Bureau BUITEN heeft echter laten zien dat er weliswaar geen directe aanknopingspunten liggen, maar dat aanleiding wel aanwezig lijkt voor een regionaal optimaliseringstraject (met name in Zuid en West), te beginnen met een scan van terreinen die kennelijk een geringe werkgelegenheid per ha hebben. Wellicht dat met herschikking op vrijwillige basis ruimtewinst valt te behalen. Dit vergt een meerjarige inspanning op regionaal niveau en naast procesmiddelen ook additionele investeringsmogelijkheden. Het is niet eenvoudig, maar het is een beleidsoptie. Bij intensivering op nieuwe terreinen, ook wel aangeduid met ‘zorgvuldig ruimtegebruik’, is behoefte aan een referentiepunt. Per saldo gaat het hier dan om de in de vraagraming gehanteerde gegevens over het ruimtegebruik per arbeidsplaats. Nu dient te worden bedacht dat in de BLM er voor industrie en handel wordt gerekend met stijgende terreinquotiënten. Die nemen toe met 0,5%-1% per jaar. Cumulatief is dat respectievelijk ruim 10% tot 22% voor de periode 2010-2030 (en nog meer voor de periode 2000-2030!). Er is soms simpele winst te boeken in de ontwerpfase: hogere netto-bruto-verhouding (efficiënt verkavelen, minder verspreid groen); efficiëntere parkeeroplossingen; geen krappe en/of ‘onhandige’ maximumnormen voor hoogte of bebouwingspercentages, maar bij voorkeur minimumnormen; ‘optopping’ van kantoren als uitgangspunt en het stimuleren van meer ondergrondse en gestapelde bouw (en bij nieuwe terreinen daarmee rekening houden met funderingen!); aaneengesloten bebouwing voor een deel van het terrein.
-

Het ‘binnenhalen’ van deze winst kan langs ‘zachte’ weg, maar ook door beleidsmatig harde afspraken over de randvoorwaarden voor bedrijventerreinontwikkeling en gronduitgifte. Als hierover een gelijk speelveld wordt gecreëerd in de Deltametropool, dan ligt in deze oplossingsrichting het beste perspectief. • In aanvulling met advies- en begeleidinsteam bij vestiging is er een behoorlijk potentieel. Een grotere rol voor projectontwikkelaars – die op bedrijventerreinen nog een ondergeschikte rol vervullen - kan hierbij ook helpen. En de kosten zijn niet altijd hoger, zoals onlangs is aangetoond in een rapport van o.a Inbo. Er kan spanning ontstaan tussen intensivering enerzijds en ruimtelijke kwaliteit (of eisen van externe veiligheid1) anderzijds. De vraag is echter wel of juist extra bruto ruimte de wijze is om kwaliteit te vormen als er een zodanige krapte is. De ‘bottom line’ is dat intensivering moet aansluiten op de preferenties in de markt (anders wijken bedrijven uit naar elders).

1

Externe veiligheid is vanzelfsprekend een harde randvoorwaarde. BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

16

Per saldo wordt (conservatief) ingeschat dat op nieuwe terreinen een winst van 5%-10% mogelijk is. In tabel V is hiermee gerekend. De percentages zijn daarbij toegepast op de harde en zachte planvoorraad2.

Nieuwe locaties en zoekrichtingen • Voor Noord blijkt uit onze analyse vooralsnog geen extra planningsopgave. Eerder is reeds uitvoerig vermeld dat dit enigszins geflatteerd kan zijn. Nogmaals merken wij op dat het beeld voor Noord er geheel anders uitziet, indien enkele grote werklocaties die nu als zacht plan zijn meegeteld, toch niet op de markt komen. Binnen deelgebied Noord kan er verder wel degelijk sprake zijn van lokale vraag die om aanvullende terreinen vraagt. De opties en mogelijkheden dienen dan ook als zoeklocaties te worden gehandhaafd. Voor Oost resteert er een behoorlijke planningsopgave. Voor een deel kan uitwijken naar Zuidelijk Flevoland soelaas bieden. Maar het ontwikkelen van (een groot deel van) de locaties die nu zijn opgenomen als optie of mogelijkheid in bijlage 1, is absoluut noodzakelijk. Opgemerkt wordt dat een extra instroom van bedrijvigheid uit Utrecht naar Zuidelijk Flevoland ten laste komt van het aanbod in deelgebied Noord. De situatie in Zuid en West is nog zorgelijker. Hier resteert een aanzienlijke planningsopgave en zijn veel minder alternatieven voorhanden. In feite komt een (bijna) sluitend beeld pas in zicht als alle zachte locaties plus opties en mogelijkheden die zijn genoemd, volledig worden benut. Dat is zeer onwaarschijnlijk. Een verruiming van de planologische mogelijkheden is voor deze regio’s absoluut noodzakelijk. Voor Zuid ligt het terugkeren van de grote ‘puntzak’-locatie in de Hoekse Waard (ca. 200250 ha netto) voor de hand als deel van de nadere oplossing (zie verder hoofdtekst voor andere suggesties). De problematiek wordt nog vergroot indien ook overwegingen van ruimtelijke kwaliteit in beschouwing worden genomen; vermoedelijk vraagt dit om extra areaal.

F

Conclusies en aanbevelingen
Voor een juiste interpretatie van de resultaten is een goed inzicht in aannames, beperkingen en risico’s van belang. Voor alle helderheid worden die hier zeer in het kort weergegeven. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in factoren die de planningsopgave mogelijk onderschatten (te lage vraag of te hoog aanbod) en factoren die mogelijk tot een hogere of te hoge planningsopgave leiden (te hoge vraag, te gering aanbod). De planningsopgave valt mogelijk (te) hoog uit doordat: de vraag is gebaseerd op een scenario van hoge economische groei (3,25% economische groei per jaar); er is gerekend met een verdeling van werkgelegenheidsgroei binnen Nederland die per saldo gunstig is voor de Deltametropool (gunstiger dan in de Vijfde Nota); met flink stijgende terreinquotiënten is gerekend vanwege het verschil in ontwikkeling tussen arbeids- en ruimteproductiviteit;

2 Deze opmerking is toegevoegd om duidelijk te maken dat de ‘ruimtewinst’ niet is berekend over locaties waarvan nog maar de vraag is of die er ooit wel komen; dat zou nl. het geval zijn indien de ‘winst’ wordt berekend over de voorziene vraag.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

17

-

een stijgend aandeel van de werkgelegenheid op bedrijventerreinen is verondersteld; de reikwijdte van oplossingsrichtingen relatief beleidsarm en derhalve beperkt is ingeschat.

De planningsopgave valt mogelijk (te) laag uit doordat: de deelgebieden nog relatief groot zijn voor regionale bedrijfshuisvestingsmarkten en impliciet een perfecte binnenregionale substitutie is verondersteld; er geen segmentering is gehanteerd voor ‘droge’ bedrijventerreinen; in het GC-scenario een trendbreuk zit na 2020, die leidt tot een relatief sterke afname van de vraag na 2020; er impliciet is gerekend met een gunstige uitgangssituatie in 2010 en er geen ijzeren voorraad is opgenomen; geen extra ruimtereservering voor landschappelijke inpassing of waterberging is gerekend; zachte locaties (maar niet de opties en mogelijkheden) zijn meegeteld bij het aanbod bij het berekenen van de planningsopgave. • Onze hoofdconclusie is dat er voor drie deelgebieden - Oost, Zuid en West - een aanzienlijke planningsopgave resteert, na een inschatting van de reikwijdte van de andere oplossingsrichtingen. Voor de regio Noord lijkt dit beeld gunstiger, maar dat is enigszins geflatteerd (zie voorafgaande punt). Voor de deelgebieden Zuid en West zijn er, naast zorgen over het aanbod op de kortere termijn (die buiten het bestek van dit project vallen), ook voor de langere termijn omvangrijke planningsopgaven. Hier is uitzicht op ‘Voldoende bedrijventerreinen in de Deltametropool’ zeker nog niet in zicht. De gemaakte inschattingen over de reikwijdte van de verschillende oplossingsrichtingen zijn, met name als gevolg van de visie van uiteenlopende partijen in de werkconferenties, uiteindelijk tamelijk conservatief ingezet. Weliswaar zijn daarvoor goede argumenten te geven en is er voor het argument ‘eerst zien dan geloven’ ook wat te zeggen, onze indruk is dat de perspectieven op sommige punten gunstiger kunnen uitvallen, omdat: het effect van marktdruk en stijgende grondprijzen op het gedrag van zowel bedrijven als ontwikkelaars enigszins onderbelicht blijft in de perceptie van het hier en nu; er ten opzichte van het verleden echt wel een effectievere en meer zorgvuldige aanwending van de ruimte op een marktgerichte wijze tot de mogelijkheden behoort; naar verwachting op langere termijn een grotere rol voor projectontwikkelaars in het verschiet ligt voor het ontwikkelen en uitgeven van (delen van) terreinen; er van een tamelijk passieve beleidscontext is uitgegaan. Naast deze conclusies en opmerkingen hebben wij de volgende aanbevelingen: de eerste is een obligate, maar niet minder serieuze aanbeveling: maak tijdig ernst met het planologisch reserveren (al is het maar als reservelocatie) van bedrijventerreinen; regionale samenwerking is in verschillende delen van de Deltametropool al ingezet. Die lijn dient te worden voorgezet. Onze analyse maakt duidelijk dat meer samenwerking op soms een hoger geografisch schaalniveau onontbeerlijk is om in de behoefte aan bedrijventerreinen te kunnen voorzien; in het verlengde hiervan adviseren wij gemeenten om gronduitgifte op nieuwe bedrijventerreinen aan randvoorwaarden te binden die leiden tot een zorgvuldig en zuiniger ruimtegebruik. Bij voorkeur worden die randvoorwaarden gebaseerd op regionale afspraken, zodat een gelijk speelveld (op minimaal deelgebied-

18

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

-

-

-

-

niveau) wordt gecreëerd en onnodige intergemeentelijke concurrentie wordt vermeden; een grotere inzet richting het proces van herstructurering is noodzakelijk. Aanvullende middelen lijken daartoe een absolute noodzaak. Maar er is ook een grotere creativiteit in plan- en scope-optimalisatie nodig en meer procescapaciteit bij of gefinancierd door lagere overheden om er echt wat van te maken; in de regio’s waar de ruimte echt heel schaars is, achten wij het zinvol om toch eens te kijken naar het type gebruik op de bestaande locaties. Dit kan uiteraard alleen in nauwe samenspraak met het gevestigde bedrijfsleven en is een zaak van lange adem; de Zuid-Hollandse DECOR-aanpak - gericht op duurzame herstructurering en ontwikkeling van bedrijventerreinen - verdient navolging in Utrecht en NoordHolland. Deze aanpak is procesmatig succesvol, al loopt de realisatie van de voornemens ook traag door gebrek aan aanvullende (Rijks)middelen; de RBLM van de Amsterdamse regio – een systematische analyse van vraag en aanbod, die regiospecifiek is en wordt gecombineerd met een goede monitoring – is er één waar ook andere regio’s baat bij kunnen hebben (los van discussies over de gehanteerde techniek).

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

19

20

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

1

Doel, afbakening en methodiek

1.1

Inleiding

In de Vijfde nota voor de Ruimtelijke Ordening 2000/2020, deel 3 van de planologische kernbeslissing, is de toekomstige behoefte aan bedrijventerreinen in de Deltametropool (zie figuur 1.1) in het hoge ruimtedrukscenario berekend op 7.100 ha voor de periode 2010-2030. In het procesconvenant landsdeel West, dat tussen Rijk, provincies, kaderwetgebieden en de vier grote steden is gesloten, is als actie opgenomen dat een taskforce bedrijventerreinen de mogelijkheden gaat verkennen om tijdig aan die vraag naar specifieke werklocaties (bedrijventerreinen) te kunnen voldoen en voorstellen doet voor de ruimtelijke mogelijkheden hiervan (actie 11 in het procesconvenant)3. Onder regie van de Regio Randstad – het samenwerkingsverband van de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland – is hiertoe een ‘werkgroep bedrijventerreinen in de Randstad’ opgericht, die actie 11 uitvoert. Bestuurlijk valt de actie onder de verantwoordelijkheid van de Bestuurscommissie Randstad (BCR). Er zijn reeds verschillende inventarisaties van het toekomstig potentiële aanbod aan bedrijventerreinen binnen de Deltametropool gemaakt. Het Rijk komt daarbij tot een aanbod van ca. 5.500 ha, de lagere overheden komen gezamenlijk tot ca. 4.500 ha. De beide inventarisaties overlappen elkaar gedeeltelijk. Bovendien is niet geheel duidelijk of zowel binnen als tussen de inventarisaties wel op dezelfde manier is geteld. Hoe dan ook, het ziet er naar uit dat niet vanzelfsprekend in de berekende behoefte aan bedrijventerreinen kan worden voldaan. Ook is nog onzeker of in de behoefteraming zelf wel voldoende rekening is gehouden met toekomstige ontwikkelingen die de vraag naar bedrijventerreinen beïnvloeden. Vanuit deze achtergrond heeft de werkgroep bedrijventerreinen behoefte aan een helder inzicht in de planologische opgave voor bedrijventerreinen voor de periode 2010- 2030 en de wijze waarop in deze behoefte kan worden voorzien. Deze opgave is de resultante van het beschikbare aanbod en de vraag naar bedrijventerreinen, eveneens voor de periode 2010 – 2030. Om dit inzicht te verkrijgen is behoefte aan:
• • •

Een inventarisatie van het aanbod aan bedrijventerreinen, die moet leiden tot een volledige, consistente en eenduidige lijst met het beschikbare aanbod na 2010; Een nadere analyse van de vraagraming zoals die is gehanteerd in de Vijfde Nota; Vaststellen van de bijdrage aan het invullen van de planologische opgave van de oplossingsrichtingen: − mengen; − herstructureren; − intensiveren; − nieuwe locaties en zoekrichtingen.

Voor de uitvoering hiervan heeft de Werkgroep bedrijventerreinen opdracht verleend aan BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving (hierna: Bureau BUITEN).

Zie: Deltametropool, Procesconvenant landsdeel West; Landsdeelconvenant fase 1, d.d. 27 februari 2002.
3

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

21

Figuur 1.1

Geografische afbakening Deltametropool

Bron: Key figures 2002, The Randstad (Regio Randstad, 2001)

1.2

Afbakening

De vraagstelling telt dus drie werkstappen:
• • •

inventariseer het aanbod aan bedrijventerreinen in de Deltametropool voor de periode 2010-2030; onderwerp de behoefteraming (vraag naar bedrijventerreinen) aan een nadere inspectie en stel die zonodig bij; verken de reikwijdte van de vier oplossingsrichtingen (mengen, herstructureren, intensiveren, nieuwe locaties).

Over de uitvoering van deze stappen wordt in dit rapport verslag gedaan. De Werkgroep bedrijventerreinen gaat op basis van de onderzoeksgegevens zelf conclusies trekken, die worden gebruikt bij de totstandkoming van deel 2 van het landsdeelconvenant.

22

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

In deze inleiding wordt voorafgaand aan de uitwerking stilgestaan bij de afbakening van het onderzoek en de betekenis daarvan. Het gaat daarbij om de volgende onderdelen:
• • •

tijdshorizon en hardheid; deelgebieden; gehanteerde segmentering.

Tijdshorizon en hardheid Het onderzoek heeft betrekking op het tijdvak 2010-2030. Dat betekent dat zowel voor de vraag naar als het aanbod van bedrijventerreinen specifiek naar die periode moet worden gekeken. In het offerteverzoek en in onze aanpak is daarbij de afspraak gemaakt dat de regio’s (provincies, Kaderwetgebieden en zonodig gemeenten) het aanbod voor de periode na 2010 zouden aanleveren volgens een door Bureau BUITEN opgesteld format. Voor nieuwe terreinen die na 2010 worden gerealiseerd is dat betrekkelijk eenvoudig. Lastiger is het om na te gaan wat het aanbod in 2010 op (dan) reeds bestaande terreinen is. In drie va de vier regio’s (Oost, Zuid en West) is dat ingescat door de regio’s zelf. Welke veronderstellingen zij daarbij hebben gehanteerd over de uitgiftesnelheid in de periode 2002-2010 is niet nagegaan. Voor deelgebied Noord is in overleg met de gemeente Amsterdam (mede namens het ROA) een afzonderlijke berekening gemaakt, welke in hoofdstuk 3 en bijlage 2 wordt toegelicht. Omdat het onderzoek betrekking heeft op langere termijn is naast de traditionele indeling in ‘harde’ en ‘zachte’ plannen nog een extra aanduiding toegevoegd om plannen die nog geen enkele ’formele’ status hebben in beeld te kunnen brengen. Het gaat om opties en mogelijkheden, waarbij de opties passen binnen het vigerend beleid en de mogelijkheden de meer discutabele suggesties zijn. Een nadere definiëring is opgenomen in hoofdstuk 3. Deelgebieden De vraagstelling is in principe op het niveau van de Deltametropool geformuleerd. Maar de markt voor bedrijventerreinen is voor het overgrote deel een regionale markt. Verplaatsingen over een afstand van meer dan ca. 20 km zijn een uitzondering. Daarom is voorgesteld om de vraag-aanbod-confrontaties op te stellen voor vier deelgebieden binnen de Deltametropool: • • • • Noord: Noord-Holland Zuid (excl. Waterland) bestaande uit Groot-Amsterdam, Haarlem/Kennemerland, het Amsterdam Noordzeekanaal Gebied, Gooi en Vechtstreek, plus uit Flevoland Almere; Oost: de Provincie Utrecht, exclusief het Zuidoostelijke deel; Zuid: Stadsregio Rotterdam plus Drechtsteden en De Waarden; West: Haaglanden plus de Leidse regio/Bollenstreek en het Rijn-Gouwe-gebied.

Voor de Deltametropool zelf is aangesloten op de afbakening die in Deltametropoolverband gangbaar is (zie figuur 1.1). In figuur 1.2 is de gehanteerde afbakening in deelgebieden weergegeven. De deelgebieden zijn vanuit regionale markten beschouwd nog aan de grote kant. Maar het project is erop gericht om in grote lijnen helder te krijgen of op Deltametropoolniveau voor de langere termijn kan worden voorzien in de behoefte aan bedrijventerreinen. Vandaar dat deze afbakening verantwoord wordt geacht. Elke begrenzing heeft natuurlijk iets arbitrairs. Daarom is bij de oplossingsrichtingen ook gekeken in hoeverre bedrijventerreinen buiten doch nabij de Deltametropool zouden kunnen

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

23

bijdragen aan de behoeften van de Deltametropool. Globaal zijn daarbij de volgende gebieden in beschouwing genomen:
• • • •

in Noord-Holland het gebied boven het Noordzeekanaal tot de noordgrens van de gemeente Purmerend (dus zonder Hoorn en Alkmaar); in Flevoland: de gemeenten Zeewolde en Lelystad; aan de oostzijde: langs de A28 tot en met Nijkerk en langs de A12 tot en met Ede/Veenendaal; aan de zuidzijde: de gemeente Voorne/Putten en de Hoekse Waard.
Geografische afbakening deelgebieden Deltametropool

Figuur 1.2

Noord

West

Oost Zuid

Segmentering bedrijventerreinen In de aanbodinventarisatie is op verzoek van de opdrachtgever gevraagd naar een nadere segmentatie. Daarbij is volgende, ‘traditionele’, segmentatie gehanteerd: • • • • • gemengde terreinen; industrieterreinen; transport- en distributieterreinen; hoogwaardige terreinen of bedrijvenparken; zeehaventerreinen.

24

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

In de praktijk bleek dat over de segmentatie van het aanbod op langere termijn een nog tamelijk onvolledig beeld bestaat. Om die reden is de vraag-aanbod-confrontatie uitgevoerd voor een tweedeling van terreinen, namelijk: • • zeehaventerreinen (aangeduid als ‘natte’ terreinen); overige bedrijventerreinen (aangeduid als ‘droge’ terreinen).

1.3

Aanpak en uitvoering

Er zijn drie werkstappen onderscheiden: 1. 2. 3. Vraagraming (analyse); Aanbodinventarisatie; Oplossingsrichtingen om te voorzien in de planningsopgave.

De vraagraming is gebaseerd op desk-research en besproken met de begeleidingscommissie. De aanbodinventarisatie is verricht in een intensieve samenwerking met vooral provincies4 en Kaderwetgebieden en enkele grotere gemeenten. Ook de regiokantoren van het Ministerie van Economische Zaken hebben hieraan bijgedragen. Er is veelvuldig gecommuniceerd en de uiteindelijke inventarisatie is het product van de gezamenlijke inspanningen. Tevens heeft en gesprekkenronde plaatsgevonden met enkele maatschappelijke organisaties: VNO-NCW, Kamers van Koophandels, milieufederaties en GOVERA. Een woord van dank richting alle partijen die daaraan een bijdrage hebben geleverd is dan ook op zijn plaats. De aanbodinformatie is tevens vastgelegd in GIS en wordt digitaal en op kaarten ter beschikking gesteld aan de opdrachtgever. Voor de oplossingsrichtingen heeft Bureau BUITEN desk-research gepleegd en met verschillende partijen in elk deelgebied contact gehad over de ideeën daaromtrent. De resultaten hiervan zijn besproken in regionale werkconferenties (één voor elk deelgebied), waarvoor zijn uitgenodigd: regionale en een selectie van lokale overheden, Rijksvertegenwoordigers en de eerder genoemde maatschappelijke organisaties. Hun inbreng is zeer waardevol geweest. Uit de werkgroep bedrijventerreinen is een kleine begeleidingscommissie samengesteld bestaande uit de heren Oudega (Bureau Regio Randstad), de Graaf (BRU), Van der Valk (Stadsregio Rotterdam), Koolen (destijds nog Provincie Zuid-Holland) en Van der Kamp (Ministerie van Economische Zaken, regio Noordwest). Met hen is enkele keren over tussenresultaten van gedachten gewisseld.

1.4

Opbouw rapport

Het rapport kent de volgende opbouw. Wij starten met de bespreking van de vraagraming in hoofdstuk 2. De vraagraming uit de Vijfde Nota wordt in dit hoofdstuk besproken en er wordt

Vanwege capaciteitsgebrek is de inbreng van de provincie Noord-Holland tot een minimum beperkt gebleven.
4

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

25

toegewerkt naar een vraagraming per deelgebied. Daarvoor wordt een beroep gedaan op andere ramingen dan die in de Vijfde Nota zijn opgenomen. In hoofdstuk 3 komt de aanbodinventarisatie aan bod. De werkwijze wordt nader toegelicht en er worden tabellen per deelgebied gepresenteerd. In de bijlagen bij dit rapport is een overzicht per bedrijventerrein opgenomen. Een uitgebreider bestand wordt digitaal geleverd. In hoofdstuk 4 wordt eerst de planningsopgave afgeleid uit het verschil tussen vraag en aanbod. Vervolgens wordt nagegaan wat de verschillende oplossingsrichtingen –mengen, herstructureren, intensiveren en nieuwe locaties – kunnen bijdragen aan het invullen van de planningsopgaven per deelgebied. Het rapport besluit met enkele conclusies en aanbevelingen in hoofdstuk 5. In de bijlagen 1 tot en met 5 treft u achtereenvolgens informatie aan over: • • • • • het aanbod aan bedrijventerreinen per deelgebied (op terreinniveau); de werkwijze die voor deelgebied Noord is gehanteerd bij bepaling van het aanbod; het ruimtegebruik op bestaande terreinen en het effect dat intensivering daarop kan hebben; de gebruikte literatuur; de gesprekspartners en deelnemers aan de werkconferenties.

26

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

2

Vraag naar bedrijventerreinen 2010-2030

In de vraagstelling van het onderzoek is gevraagd na te gaan of de behoefteraming voor bedrijventerreinen in de Deltametropool inderdaad ca. 7.100 ha bedraagt5. Die 7.100 ha is afgeleid van ramingen door adviesbureau ABF voor de Vijfde Nota6. Het betreft 7.100 ha bruto. In dit hoofdstuk beschrijven we eerst hoe ABF tot deze vraagraming is gekomen. We geven aan dat wij – gezien de gehanteerde berekeningswijze – deze raming minder geschikt achten om als basis te dienen voor een raming van de vraag voor de Deltametropool. Het belangrijkste argument hiervoor is de verdeling van de vraag naar bedrijventerreinen over de verschillende provincies. In paragraaf 2.2. geven wij aan waarom de BLM (BedrijfsLocatie Monitor) van het Centraal Planbureau en daarop gebaseerde regionale ramingen een beter alternatief vormen. Hiervoor gaan we in op een aantal achtergronden van deze monitor en van de bestaande regionale ramingen die op deze Monitor zijn gebaseerd. Zoals alle ramingen gaat ook de BLM uit van een aantal veronderstellingen waar in een aantal gevallen wat op kan worden afgedongen. We stellen voor een correctie toe te passen voor de onttrekking aan formele bedrijventerreinen die plaats vindt als gevolg van binnenstedelijke transformaties. In de paragrafen 2.3 tot en met 2.7 wordt vervolgens een beeld geschetst van de vraag per deelregio en voor de Deltametropool als geheel. Per deelgebied wordt aangegeven welke regionale ramingen als basis zijn gebruikt.

2.1

Vraagraming: vertrekpunt en werkwijze

Vertrekpunt: behoefteraming Vijfde Nota De raming van ABF is ontleend aan de maximale ruimtevraag: het zogenaamde HogeRuimtedrukTrend-scenario (HRT). Voor het inzicht krijgen in de planningsopgave is het ‘hoge’ scenario relevant: het is immers ‘gemakkelijker’ om zoek-/reservelocaties te zijner tijd niet te ontwikkelen als de vraag lager uitvalt, dan om (tijdig) terreinen extra in te plannen indien de vraag lager uitvalt dan waarmee is gerekend (‘no regret’). ABF noemt die raming inclusief ‘ontmenging’ (= hoger aandeel banen op bedrijventerreinen) en ‘daling dichtheid op bedrijventerreinen’ (= stijgende terreinquotiënten in de industrie). Het genoemde getal van 7.100 ha voor de Deltametropool is niet rechtstreeks in de ABFrapportage terug te vinden. Hierin is namelijk geen aparte raming voor de Deltametropool opgenomen, maar zijn uitsluitend provinciale en landsdelige totalen gepresenteerd. Het cijfer voor de Deltametropool is rond de totstandkoming van deel 3 hiervan afgeleid en is als volgt opgebouwd: • bedrijventerreinen landsdeel West, HRT-scenario (ha x 1.000) ’10-’30 9,3 (1) • aandeel Deltametropool binnen landsdeel West (%) 71% (2) • berekende behoefte Deltametropool BDT (ha X 1.000) 6,6 (3) = (1) x (2) • bijplussen 500 ha in onderhandelingsfase tussen deel 1 en 3 0,5 (4) • totaal (ha bruto x 1.000) 7,1 (5) = (3)+(4)

5 6

Deel 3, PKB Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, pagina 081 Ruimtebehoefte wonen, werken en voorzieningen herberekend, ABF 2002

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

27

De belangrijkste door ABF gehanteerde veronderstellingen in het HRT-scenario zijn: • • • • • • • werkgelegenheidsontwikkeling nationaal (min of meer) vergelijkbaar met Global Competition Scenario van het Centraal Planbureau (CPB); de groei van het aantal inwoners ligt iets hoger dan bij het CPB; de spreiding van werkgelegenheid over het land volgens de trend per landsdeel in de afgelopen 25 jaar, plus een extra correctie ten gunste van het Noorden i.v.m. ‘Langman’; een beperkte, relatieve toename van de werkgelegenheid in centrumstedelijke milieus; een toename van het aandeel werkgelegenheid op bedrijventerreinen; een toename van het ruimtegebruik per arbeidsplaats in industrie en logistiek; ontmenging van wonen en werken in woongebieden.

De ABF-ramingen sluiten nationaal wat werkgelegenheid betreft min of meer aan op het GC-scenario van het CPB. Verder heeft ABF het bruto ruimtebeslag voor ‘werken’ (werkgebieden = bedrijventerreinen plus overig ruimtebeslag voor werken) bij benadering geijkt op een parallel opgestelde indicatieve raming van het CPB7. De ABF-ramingen zijn in grote lijnen beleidsarm. In het HRT-scenario zijn de veronderstellingen over de ontwikkeling van het ruimtegebruik op bedrijventerreinen en het aandeel van bedrijventerreinen in de werkgelegenheid in lijn met de door het CPB in de BedrijfsLocatieMonitor (BLM) gehanteerde aannames. Het is dus niet nodig de raming op grond hiervan opwaarts bij te stellen. De 7.100 ha bruto is bijna 76% van de behoefte voor West-Nederland. Die 76% ligt lager dan het aandeel van de Deltametropool binnen de vier Randstadprovincies voor8: • • • bevolking (82%, 2001); werkgelegenheidsaandeel (86%, 2000); de voorraad bedrijventerreinen (84%, 2001).

Toch is het niet onredelijk dat dit aandeel lager ligt. De werkgelegenheidsgroei zit immers in sterkere mate in kantoorhoudende activiteiten, die slechts gedeeltelijk op bedrijventerreinen terecht komen. Bovendien zijn in het huidige aandeel van de bedrijventerreinenvoorraad de zeehaventerreinen meegerekend. De behoefte aan dit type terreinen groeit minder snel dan die voor overige terreinen. De vraag is echter wel ‘hoeveel minder’. De beantwoording hiervan laten wij mede afhangen van een vergelijking met andere ramingen en komt verderop aan bod. In de methode van ABF is geen expliciet mechanisme ingebouwd voor de invloed van onttrekking of van herstructurering. In de benaderingswijze van ABF hoeft dat feitelijk ook niet. Elke baan heeft ruimtelijk een plaats gekregen en uit het verschil tussen ruimtebeslag 2030 en 2000 wordt de benodigde extra ruimte geraamd. Onttrekking en herstructurering zijn in deze benadering aspecten die van invloed zijn op het aanbod van locaties en niet op de vraag. Voor onttrekking heeft het CPB wel een correctie opgenomen tussen netto en bruto vraag. Aangezien ABF haar ramingen min of meer heeft geijkt op de bruto CPB-raming, is impliciet voor onttrekking gecorrigeerd. Er valt geen onderverdeling te maken in een raming exclusief en een raming inclusief onttrekking. Beide ramingen werken bovendien met een stijgende locatietypevoorkeur naar bedrijventerreinen, waarin een voortgaande uitplaatsing van bedrijven uit de woonomgeving tot uitdrukking komt.

7 Het CPB heeft voor de Vijfde Nota een schatting gemaakt van de totale bruto ruimtebehoefte voor ‘werken’. Die raming, waarvoor de BLM als basis heeft gediend, komt landelijk uit op ca. 54.000 ha. Overigens maakt het CPB bij die raming zelf de nodige kanttekeningen. 8 Bron: Key Figures The Randstad 2002, Regio Randstad 2001.

28

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

In de ABF-ramingen is geen opslag verwerkt voor een ‘ijzeren voorraad’9. Daar zijn overigens goede argumenten voor te geven. In de eerste plaats is dat geen onderdeel van de vraag, maar een aanbodreserve, die eventueel bij de planningopgave kan worden opgeteld. In de tweede plaats is een ijzeren voorraad alleen relevant indien het eindjaar van de gehanteerde planninghorizon minder dan de realisatieduur voor bedrijventerreinen afligt van het eerstvolgende herijkingsmoment. Het is desalniettemin wel belangrijk om als regio over een voldoende voorraad direct uitgeefbaar terrein te beschikken. Regionale verdeling In vergelijking tot BLM/CPB zijn er – naast de geheel andere methode die door ABF is gehanteerd10 – drie verschillen die in het oog lopen: • • de wijze waarop werkgelegenheidsgroei is verdeeld over het land; de veronderstelde toename van werken in centrumstedelijke milieus: ABF gaat er vanuit dat de historische ontwikkeling hier is geremd door het gebrek aan aanbod van dergelijke milieus. Opgemerkt wordt dat die centrumstedelijke milieus niet alleen de centra betreffen, maar bijvoorbeeld ook een gebied als de (Amsterdamse) Zuidas; er is binnen de periode 2010-2030 wel sprake van een daling van de werkgelegenheidsgroei en de ruimtebehoefte in de periode 2020-2030 in vergelijking tot de periode 2010-2020, maar de mate waarin die daling optreedt is kleiner dan bij het CPB.

Van deze genoemde punten geeft met name de regionalisering een opvallend beeld (zie tabel 2.1).
Tabel 2.1 Werkgelegenheid naar provincie, in landsdeel West en in Nederland absoluut en aandeel (provincies binnen landsdeel West, landsdeel West binnen Nederland) 1993, 2000 en prognose 2030 ABF11 1993 Banen x 1.000 Aandeel 443 16,3% 980 36,1% 1.233 45,4% 61 2,3% 2.717 49,3% 5.508 2000 Banen x 1.000 Aandeel 570 17,2% 1.208 36,3% 1.452 43,7% 95 2,9% 3.325 48,7% 6.694 2030 Banen x 1.000 Aandeel 963 22,4% 1.419 33,0% 1.716 39,9% 204 4,8% 4.302 47,4% 9.076

Utrecht Noord-Holland Zuid-Holland Flevoland West-Nederland Nederland

Bron: CBS en ABF, bewerking Bureau BUITEN.

Er is voor de spreiding van de werkgelegenheid over het land een andere verdeling gehanteerd dan die welke het CPB in de BLM aanhoudt. Er wordt gerekend met een daling van het werkgelegenheidsaandeel van West-Nederland, dat is gebaseerd op de

9 De ‘ijzeren voorraad’ is een aanbodvoorraad die wordt aangehouden om onvoorziene pieken inde uitgifte op te kunnen vangen en om er voor te zorgen dat aan het eind van en planningperiode de voorraad uitgeefbaar terrein niet op nul staat. Voor ‘droge’ terreinen is het gangbaar om de ijzeren voorraad te stellen op 3-5 maal de jaarlijkse uitgifte. Voor natte terreinen wordt – vanwege de langere planningstermijnen – gerekend met 5-7 maal de jaarlijkse uitgifte. 10 Voor achtergronden verwijzen wij u naar ‘De ruimtebehoefte voor wonen, werken en voorzieningen 2000-2030 herberekend’, ABF 2002. 11 De cijfers over 1993 zijn toegevoegd door Bureau BUITEN als referentiepunt. ABF heeft overigens de ontwikkeling 1975-2000 gehanteerd als referentieperiode.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

29

ontwikkeling in de periode 1975-2000. Op landsdelig niveau lijkt dat niet onredelijk, ook gelet op de ontwikkeling tussen 1993-2000 in de tabel. Echter de verdeling binnen het landsdeel West is zondermeer discutabel te noemen: • • de groei in Utrecht valt wel erg hoog uit (bijna 400.000 banen erbij in 2000-2030); de daling van het werkgelegenheidsaandeel van Noord-Holland is gebaseerd op de ontwikkeling in de periode 1975-2000, maar in die periode heeft zich in de jaren negentig een trendbreuk voorgedaan. Het is twijfelachtig of er wel een daling in het aandeel zal optreden, laat staan een zo sterke als hier verondersteld; ook merken wij nog op dat de groei in Flevoland achterblijft bij de beleidsmatige, taakstellende groei die door de Provincie wordt geambieerd. Dit punt is echter van ondergeschikt belang voor dit betoog.

De gehanteerde verdeling van de werkgelegenheid over regio’s leidt tot het volgende beeld voor de vraag naar bedrijventerreinen in bruto ha voor de vier provincies in het landsdeel West (zie tabel 2.2).
Tabel 2.2 Vraag naar bedrijventerreinen per provincie 2010-2030 naar deelperiode in bruto ha volgens ABF 2010-2020 Alle bdt (bruto ha) 1.518 1.129 1.695 805 5.147 14.650 2020-2030 Alle bdt (bruto ha) 1.242 873 1.257 757 4.129 11.750 Totaal 2010-2030 Alle bdt (bruto ha) 2.760 2.002 2.952 1.562 9.276 26.400

Utrecht Noord-Holland Zuid-Holland Flevoland West-Nederland Nederland

NB: cijfers 2010-2020 zijn berekend door Bureau BUITEN uit jaargemiddelden ABF-cijfers 2010-2015 en 2015-2030.
Bron: Ruimtevraag wonen, werken en voorzieningen herberekend (ABF 2002), bewerking Bureau BUITEN.

Met name de opgave voor Utrecht valt met ruim 2.700 ha bruto (gemiddeld bijna 140 ha per jaar) hoog uit. Ter vergelijking: in de periode 1990-1997 lag de gerealiseerde uitgifte op bruto ca. 65 ha per jaar. Uit de aard van de gehanteerde methode is door ABF geen terugkoppeling naar de ruimtelijke mogelijkheden gemaakt (dat behoorde ook niet tot de opdracht). Maar zelfs als de ruimtelijke mogelijkheden in deze mate zouden worden geboden, is het waarschijnlijk dat de groei van de werkgelegenheid in Utrecht eerder wordt geremd door de schaarste in de beschikbaarheid van personeel in combinatie met toenemende congestie. Vanwege deze wat typisch uitvallende regionale verdeling hebben wij de ABF-raming voor het vervolg buiten beschouwing gelaten.

2.2

BLM-gelieerde ramingen als alternatief

In het kader van dit onderzoek moet op ‘windstreek’-niveau binnen de Deltametropool – de vier eerder geïntroduceerde deelgebieden - een vraag-aanbod-confrontatie worden gemaakt. Uitgangspunt voor dit project was niet het zelf opnieuw ramen van de behoefte, maar de behoefte afleiden uit bestaande ramingen. Wij hebben dus behoefte aan een coherente, samenhangende raming, die in deelregio’s valt te verdelen. Het ligt voor de hand om daarbij als eerste naar de BedrijfsLocatieMonitor (BLM) van het Centraal
30 BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Planbureau (CPB) te kijken. In verschillende regio’s zijn aanpassingen en aanvullingen op de BLM-ramingen gepubliceerd, waarin rekening is gehouden met regiospecifieke aspecten of ontwikkelingen die in de meer macro-georiënteerde BLM minder aan bod komen. Daarom hebben wij er voor gekozen om voor de vraagraming aansluiting te zoeken bij die regionale ramingen. Randvoorwaarde daarbij is wel dat de raming (op hoofdlijnen) gebaseerd moet zijn op de ook in de BLM gehanteerde terreinquotiëntmethode en dat er een relatie met de lange-termijnscenario’s van het CPB kan worden gelegd. Langs deze weg wordt in het vervolg van dit hoofdstuk toegewerkt naar een vraagraming: • • • voor de vier onderscheiden deelgebieden binnen de Deltametropool; voor de periode 2010-2020, 2020-2030 en totaal 2010-2030; voor zeehaventerreinen en overige bedrijventerreinen (ook wel aangeduid als ‘droge’ (bedrijven)terreinen) afzonderlijk.

Zoveel mogelijk is daarbij aansluiting gezocht bij het hoge groeiscenario, ‘Global Competion’, vanwege het eerder genoemde adagium ‘reserveer op basis van een hoog scenario, ontwikkel aan hand van de marktontwikkelingen’. Voor elk van de vier deelgebieden wordt in het vervolg van dit hoofdstuk inzichtelijk gemaakt hoe de hier geformuleerde uitgangspunten zijn toegepast. Voordat de resultaten daarvan worden gepresenteerd, gaan wij nog in op twee punten die voor alle deelgebieden van belang zijn: • • hoe de ramingen voor de periode 2020-2030 tot stand zijn gekomen; de effecten van uitplaatsing en onttrekking.

Raming 2020-2030 afgeleid uit 2010-2020 Voor de periode 2010-2020 zijn regionale ramingen beschikbaar. Ramingen voor de periode daarna tot 2030 zijn op regionaal niveau niet voorhanden, met uitzondering van Almere. Wel beschikken wij voor de periode tot 2030 over een CPB-raming op landsdelig niveau12. Om nu op regionaal niveau (Deltametropool Noord, etc.) tot ramingen voor de periode 2020-2030 te komen, is de verhouding tussen de beide deelperioden in de CPB-ramingen op landsdelig niveau, losgelaten op de regionale ramingen voor de periode 2010-2020. Impliciet veronderstellen wij daarmee dat er binnen de Deltametropool geen verandering optreedt in het ‘marktaandeel’ tussen de deelgebieden. In de CPB-scenario’s voor de lange termijn na 2020 is sprake van een tamelijk forse trendbreuk. Na 2020 wordt namelijk een krimpende beroepsbevolking verwacht, ondanks een in GC veronderstelde instroom van arbeid van buiten de landsgrenzen. Bij gegeven veronderstellingen over een dan al hoge participatie, zal arbeid naar verwachting schaars zijn. De werkgelegenheid kan dan op een gegeven moment niet meer groeien en gaat zelfs krimpen. Uiteraard zullen bedrijven hierop reageren door kapitaalintensiever te gaan produceren en in de scenario’s is ook een (hiermee samenhangende) snellere stijging van de arbeidsproductiviteit voorzien. Aangezien in de BLM de vraag naar bedrijventerrein mede is gerelateerd aan de omvang van de werkgelegenheid, valt de behoefte na 2020 aanmerkelijk lager uit dan daarvoor. Voor Nederland als geheel is die afname zeer fors, voor West-Nederland is de afname fors (de behoefte na 2020 ligt op ca. eenderde van de periode daarvoor), doch resteert er nog wel een substantiële behoefte. Dat er toch een extra vraag overblijft komt doordat:

12

De ruimtebehoefte tot 2030 in twee scenario’s, CPB 2001.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

31

• •

de ruimtebehoefte per werknemer (sneller dan daarvoor) stijgt in industrie en logistiek. Hiermee anticipeert het CPB op de snellere stijging van de arbeidsproductiviteit en een groter verschil (dan in de voorafgaande 10 jaar) met de ontwikkeling van de ruimteproductiviteit; een voortgaande, zij het iets afgezwakte, verschuiving in de locatietypevoorkeur ten faveure van bedrijventerreinen. Hierin is getracht het effect van het wegtrekken dan wel uitplaatsen van bedrijven uit de woonomgeving te ‘vangen’; de sectorstructuur in West-Nederland maakt dat er minder ruimte van industriële bedrijven ‘vrijkomt’ dan in andere delen van het land.

Er kunnen wel vraagtekens worden gezet bij de snelle afname van de ruimtebehoefte na 2020. De vraag naar bedrijventerreinen is immers niet alleen afhankelijk van de omvang van de beroepsbevolking. Ook het CPB zelf heeft gewezen op het tentatieve karakter van haar ramingen voor de periode 2020-2030. Er is een aanzienlijke onzekerheid over de vraag op langere termijn. De gekozen werkwijze garandeert een logische samenhang binnen de CPB-scenario’s. Dat is van belang, omdat ergens vanuit moet worden gegaan en een coherent en consistent omgevingsbeeld als randvoorwaarde moet worden gehanteerd. Het is best mogelijk dat te zijner tijd de arbeidsmigratie veel hoger komt te liggen dan in het scenario is verwerkt en dat arbeid dus helemaal niet zo schaars wordt. Dat is echter een ontwikkeling die buiten het bestek van het GC-scenario valt. Het uitwerken van dergelijke scenario’s valt (ver) buiten deze opdracht. Om de resultaten enigszins in perspectief te plaatsen wordt bij het bespreken van de vraagraming per deelgebied telkens een vergelijking gemaakt met de historische uitgifte in de periode 1992-2001. Sommige critici menen dat op deze wijze in de BLM alle gehanteerde veronderstellingen eenzijdig neerwaarts zouden zijn ingezet. Dat is echter geenszins het geval. De behoefteraming: • • • • is gebaseerd op een hoge veronderstelde economische groei (3,25% economische groei per jaar); hanteert een regionale verdeling van werkgelegenheid die per saldo voor WestNederland gunstig uitvalt; hanteert (flink) stijgende terreinquotiënten vanwege het verschil in ontwikkeling tussen ruimte- en arbeidsproductiviteit; werkt met een in de tijd toenemende locatietypevoorkeur13 ten faveure van bedrijventerreinen (‘ontmenging’ in ABF/Vijno-termen).

Onttrekking In de gesprekken die wij in het kader van dit project hebben gevoerd, is telkens naar voren gekomen dat de grote woningbouwopgave voor de komende decennia een verdere druk op binnenstedelijke bedrijfslocaties betekent. Ook al laat de (te verschijnen) Nota Ruimte van het volgende Kabinet de verplichting los om de verstedelijkingsopgave voor een aanzienlijk deel binnenstedelijk te realiseren, dan nog is de verwachting dat provincies en gemeenten in aanzienlijke mate zullen trachten om een hoog binnenstedelijk aandeel te halen. Het Ontwerp Structuurplan voor Amsterdam is hiervan een illustratie.

13

Wel neemt de snelheid van die toename af tussen 2020-2030 in vergelijking met het decennium ervoor. BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

32

Het gaat dan om twee aspecten die van belang zijn voor de bedrijventerreinplanning: • bedrijven die zijn gevestigd op wat het CPB ‘overige’ locaties noemt– bijvoorbeeld verspreid tussen woningen, maar ook een kleine bedrijvenstrook die niet als bedrijventerrein in IBIS zit – vertrekken op eigen initiatief of worden uitgeplaatst naar een (formeel) bedrijventerrein om ruimte te maken voor bijvoorbeeld woningbouw; formele binnenstedelijke bedrijventerreinen uit IBIS worden getransformeerd tot een andere functie, meestal woningbouw. Dit noemt het CPB onttrekking.

Het eerste aspect zit in de BLM verwerkt via de stijgende locatietypevoorkeur ten faveure van bedrijventerreinen. Echter, het CPB veronderstelt dat de snelheid waarmee de locatietypevoorkeur verschuift naar bedrijventerreinen na 2020 zal afnemen. Als reden voert het CPB aan dat dit een reeds langlopende ontwikkeling is, waarbij op een bepaald moment de voorraad klein is van bedrijven die binnenstedelijk zijn gevestigd en daar niet passen. Uit de gesprekken is voor alle regio’s het beeld naar voren gekomen dat een voortgaande trek naar bedrijventerreinen wordt verwacht. Om die reden verwachten wij een extra vraag naar bedrijventerreinen. Voor onttrekking van formele bedrijventerreinen aan de voorraad heeft het CPB onderzoek laten verrichten. Als percentage van de totale voorraad gaat het om een bescheiden effect, maar in totaal is het zeker niet verwaarloosbaar. Zo komt het CPB voor WestNederland voor de periode 2020-2030 op een onttrekking van 500 ha netto naast een (bescheiden) behoefte van 1.200 ha netto. In onze gesprekkenronde is bevestigd dat onttrekking van belang blijft en dat om die reden een hogere planningsopgave noodzakelijk is. Het betreft eigenlijk een aanbod-effect, maar wij kiezen ervoor om het als een extra behoefte te benaderen. Beide effecten leiden tot een opwaartse bijstelling van de vraag. De bijstelling is voor de verschillende regio’s gebaseerd op een combinatie van: • • • empirie over onttrekking/uitplaatsing in het verleden; inschattingen van gesprekspartners; gegevens over mogelijke onttrekking in de toekomst.

2.3

Vraag Deltametropool Noord

Voor ‘Deltametropool Noord’ zijn voor verschillende geografische deelgebieden daarbinnen afzonderlijke regionale ramingen beschikbaar: • • voor de Amsterdamse regio (Amsterdam, Amstelland, Meerlanden, IJmond en Zaanstreek) zijn de gegevens van de Regionale BedrijfsLocatieMonitor (RBLM) gebruikt en wel die van het basisscenario; voor de niet in de RBLM zittende regio’s binnen Noord-Holland – Zuid-Kennemerland en Gooi- en Vechtstreek - is gebruik gemaakt van de vraagraming zoals die is opgenomen in het Ontwerp Streekplan Noord-Holland Zuid en de gegevens van de daaraan ten grondslag liggende nota ‘Ruimte voor bedrijven’. In het streekplan is een 10% intensiveringsopgave van de vraag afgetrokken, maar wij hebben de raming vóór aftrek van die 10% gehanteerd; voor Almere is de vraagraming gehanteerd die is gemaakt door STOGO14.

14

STOGO, Prognose ruimtebehoefte bedrijven en kantorenterreinen gemeente Almere 2000-2030, 2001.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

33

Voor de periode 2010-2020 komt de vraagraming op basis van deze bronnen voor dit gebied per saldo neer op ruim 1.000 ha netto. Voor de periode tot 2030 is voor het Noord-Hollandse deel de verhouding toegepast zoals die in CPB-ramingen voor West-Nederland is aangetroffen. De STOGO-raming voor Almere bevat wel cijfers tot 2030 voor et GC-scenario en die zijn hier overgenomen. Naast de vraagraming op basis van de genoemde bronnen, is een extra behoefte als gevolg van onttrekking opgenomen van 100 ha netto in elke deelperiode. Dit betreft een schatting die is gebaseerd op: • • • gegevens van de Economische Zaken van de gemeente Amsterdam over de mate van onttrekking in het verleden (in 10 jaar tijd 100 ha, waarvan 60 ha echt bedrijventerrein en de overige 40 ha individuele bedrijfslocaties); de voornemens in het Ontwerp Structuurplan Amsterdam voor een gehele of gedeeltelijke transformatie van een selectie van bedrijventerreinen binnen de Ring A10 en een inschatting van de ruimtelijke consequenties hiervan; de verwachting die in interviews naar voren is gekomen dat ook in Zaanstad een versnelling van uitstroom/uitplaatsing uit de woonomgeving tot stand gaat komen en een gematigde inschatting voor onttrekking elders in het gebied.

In tabel 2.3 zijn de resultaten samengevat. De totale behoefte voor Deltametropool Noord wordt in het GC-scenario geschat op ruim 1.800 ha netto, waarvan bijna tweederde betrekking heeft op de periode 2010-2020 en ca. 650 ha netto op de 10 jaar daarna. In vergelijking tot de historische uitgifte ligt de vraag in de eerste prognoseperiode in dezelfde orde van grootte als die in de referentieperiode 1992-2001. De vraag voor de periode 2020-2030 ligt er dus duidelijk onder.
Tabel 2.3 Vraag droge terreinen Deltametropool Noord, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Noord-Holland Zuid (excl. Waterland) Almere Deltametropool Noord Onttrekking Vraag (excl. ijzeren voorraad) 800 261 1.061 100 1.161 2020-2030 290 262 552 100 652 2010-2030 1.090 523 1.613 200 1.813

Bron: RBLM (Concept, voorjaar 2002), Ontwerp Streekplan Noord-Holland Zuid, Nota Ruimte voor bedrijven (prov. Noord-Holland) en ‘Ruimtebehoefte Almere STOGO’.

Voor zeehaventerreinen is de raming voor de periode 2010-2020 overgenomen uit de RBLM en die heeft betrekking op het gehele Noordzeekanaalgebied. Ook hier wordt onttrekking voorzien, met name in Amsterdam. Voor de periode na 2020 is dezelfde werkwijze toegepast als voor droge terreinen. De totale behoefte komt op ruim 500 ha netto. De afname na 2020 wordt ook hier veroorzaakt door het toepassen van de landsdelige CPB-verhouding voor 2020-2030 ten opzichte van 2010-2020 (zie paragraaf 2.2). Voor alle duidelijkheid wordt nog vermeld dat de cijfers voor 2020-2030 dus niet afkomstig zijn uit de RBLM.

34

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Tabel 2.4

Vraag zeehaventerreinen Deltametropool Noord, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Deltametropool Noord Onttrekking Vraag (excl. ijzeren voorraad)
Bron: RBLM (Concept voorjaar 2002).

2020-2030 83 100 183

2010-2030 313 200 513

230 100 330

2.4

Vraag Deltametropool Oost

Voor het gebied Deltametropool Oost hebben wij ons voor de periode 2010-2020 gebaseerd op de vraagraming van het CPB in de publicatie ‘BLM, Regionale Verkenningen, in gesprek met de regio’s’. Voor de gehele Provincie Utrecht is hier een behoefte geraamd van 400 ha netto. Deltametropool Oost omvat vrijwel de gehele provincie, met uitzondering van enkele gemeenten in het Zuidoosten. Van de provinciale vraag is 90% toegerekend aan het Deltametropoolgebied, overeenkomend met het werkgelegenheidsaandeel van het gebied in 2000. Voor 2020-2030 is de eerder genoemde landsdelige verhouding tussen de deelperioden gehanteerd en toegepast op het cijfer voor 2010-2020.
Tabel 2.5 Vraag droge bedrijventerreinen Deltametropool Oost, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Deltametropool Oost Onttrekking Vraag (excl. ijzeren voorraad) 360 50 410 2020-2030 131 50 181 2010-2030 491 100 591

Bron: BLM, Regionale Verkenningen, CPB (1999).

Voor onttrekking is geen cijfermateriaal voorhanden. Wel is op basis van gesprekken geconcludeerd dat dit in de grotere gemeenten - in ieder geval in Utrecht en Amersfoort – zeker aan de orde is. De gemeente Utrecht verwacht bijvoorbeeld de eventuele nieuwe bedrijventerreinen na 2010 rond knooppunt Ouderijn - Strijkviertel en Rijnenburg – geheel nodig te hebben voor de opvang van ‘eigen’ bedrijven. Deels gaat het dan om verspreid gevestigde bedrijven (die vraag is al in de vraagraming verdisconteerd), deels om vraag als gevolg van onttrekking van kleinere binnenstedelijke locaties. De gehanteerde cijfers zijn een ruwe schatting van Bureau BUITEN. De totale behoefte voor deze periode wordt daarmee geschat op bijna 600 ha netto, waarvan ca. 400 ha voor de periode 2010-2020. Dit is exclusief een eventuele intensivering op nieuwe terreinen.

2.5

Vraag Deltametropool Zuid

Het gebied Deltametropool Zuid bestaat uit Groot-Rijnmond (exclusief de Hoekse Waard en Goeree/Overflakkee), het Streekplangebied Zuidholland Zuid (wederom exclusief de Hoekse

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

35

Waard en Goeree/Overflakkee) en de streekplandeelgebieden De Waarden (Alblasserwaard, Krimpenerwaard). Voor Groot-Rijnmond is voor 2010-2020 de GC-raming gehanteerd die Ecorys/NEI15 voor de Stadsregio Rotterdam heeft gemaakt en die een opwaartse aanpassing van eerdere BLMresultaten betrof. De door Ecorys/NEI aangegeven (indicatieve) behoefte voor de Hoekse Waard en Goeree/Overflakkee is hiervan afgetrokken. Voor de beide andere deelgebieden hebben wij ons gebaseerd op de vraagramingen van de Provincie Zuid-Holland, zoals opgenomen in het Uitvoeringskader Provinciaal Economisch Beleid. Dit betreft ramingen inclusief ijzeren voorraad en voor het EC-scenario. De ijzeren voorraad is in mindering gebracht en er heeft een 20%-opslag plaatsgevonden voor de stap tussen EC en GC (gebaseerd op het verschil in de BLM tussen de beide scenario’s). In tabel 2.6 zijn de aldus berekende resultaten samengevat. In totaal gaat het om netto 560 ha voor Deltametropool Zuid voor de periode 2010-2020 exclusief onttrekking. De onttrekking wordt voor de gehele periode geschat op 280 ha netto. Dat is weliswaar fors, maar is gebaseerd op cijfers in het eerder genoemde Ecorys/NEI-rapport waarin voor een langere periode in het verleden is aangetoond dat de onttrekking gemiddeld 14 ha netto per jaar was. De verwachting in de Stadsregio is dat ook op langere termijn de onttrekking van locaties in min of meer dezelfde mate aan de orde zal zijn, zeker indien ook de Drechtsteden daarbij in beschouwing wordt genomen. Er zijn geen verdere bronnen om dit te staven. De totale behoefte aan (droge) bedrijventerreinen wordt voor Deltametropool Zuid geschat op ruim 1.000 ha netto, waarvan tweederde betrekking heeft op de periode 2010-2020. De berekening voor 2020-2030 is weer gebaseerd op de eerder genoemde verhouding in de landsdelige CPB-raming. Nogmaals zij opgemerkt dat die afname wel fors is en dat ook het absolute niveau van de vraag gering is in vergelijking tot de historische uitgifte, die voor de periode 1992-2001 gemiddeld 61 ha per jaar netto was.
Tabel 2.6 Vraag droge terreinen Deltametropool Zuid, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Rijnmond (excl. HW/GO) Z-H Zuid (excl. HW/GO) Waarden Deltametropool Zuid Onttrekking Vraag (excl. ijzeren voorraad) 275 190 95 560 140 700 203 140 343 763 280 1.043 2020-2030 2010-2030

Bron: Ecorys/NEI en Uitvoeringskader Provinciaal Economisch Beleid, Provincie Zuid-Holland (2002), bewerking Bureau BUITEN.

De vraagraming voor natte bedrijventerreinen is uitgewerkt in het Project Mainport Rotterdam. Hiervoor wordt een PKB-plus vastgesteld. In deel 3 daarvan is een beknopte weergave van de vraagraming opgenomen. Bij een hoge groei is een totale ruimtevraag naar bedrijventerreinen in het havengebied voorzien van 5.300 ha tot 2020, met een doorgroei naar 6.000 ha in 2035. Het huidige aanbod in het havengebied is 4.900 ha groot. Als wordt afgezien van effecten van transformatie en mismatch, wordt de netto-vraag voor de periode 2010-2020 dan 400 ha (5.300 minus 4.900, waarbij de vraag volledig wordt toegerekend aan de periode na 2010) en voor de periode 2020-2030 ca. 450 ha (tweederde

15

Ruimtebehoefte bedrijventerreinen Groot-Rijnmond. BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

36

van 6.000 minus 5.300 ha, afgerond). Tevens wordt een onttrekking van 100 ha verwacht (Waalhaven). De totale behoefte komt dan op 950 ha netto.
Tabel 2.7 Vraag natte terreinen Deltametropool Zuid, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Deltametropool Zuid Onttrekking Vraag (excl. ijzeren voorraad) 400 100 500 2020-2030 450 450 2010-2030 850 100 950

N.B. De onttrekking van 100 ha netto haventerrein is gebaseerd op de demping van de Waalhaven.
Bron: PMR, PKB deel 3, bewerking Bureau BUITEN.

2.6

Vraag Deltametropool West

Voor Deltametropool West, bestaande uit Haaglanden, de Leidse regio/Bollenstreek en het Streekplandeelgebied Rijn Gouwe, hebben wij ons gebaseerd op de vraagramingen van de Provincie Zuid-Holland, zoals opgenomen in het Uitvoeringskader Provinciaal Economisch Beleid. Evenals dat voor delen van Deltametropool Zuid is gedaan, zijn de ramingen aangepast om op GC-niveau te komen. In tabel 2.8 zijn de aldus berekende resultaten samengevat. In totaal gaat het om netto 560 ha voor Deltametropool Zuid voor de periode 2010-2020 exclusief onttrekking. Voor onttrekking is een schatting beschikbaar van de regio Haaglanden voor de periode 2010-2020 uit het Regionaal Structuurplan (2002). Het betreft 35 ha. Voor de andere deelgebieden is deze raming naar rato gehanteerd. Voor de Leidse Regio en het rijn Gouwegebied is op basis van inbreng in de workshops in het kader van dit project gebleken dat dit een redelijke aanname is. In totaal gaat het dan om netto 63 ha per deelperiode (voor 20202030 is uitgegaan van hetzelfde niveau). De totale behoefte voor Deltametropool West komt dan op iets minder dan 900 ha netto, waarvan zo’n 600 ha betrekking heeft op de periode 2010-2020. De historische uitgifte voor 1992-2001 met 55 ha per jaar rond het niveau wat hier is geprognotiseerd voor 2010-2020. Wederom ligt het niveau voor 2020-2030 hier duidelijk onder.
Tabel 2.8 Vraag droge terreinen Deltametropool West, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Haaglanden Leidse Regio/Bollenstreek Rijn Gouwe Deltametropool West Onttrekking Vraag (excl. ijzeren voorraad) 305 110 134 549 63 612 199 63 262 748 126 874 2020-2030 2010-2030

Bron: Uitvoeringskader Provinciaal Economisch Beleid, Provincie Zuid-Holland (2002) en Regionaal Structuurplan Haaglanden (2002), bewerking Bureau BUITEN.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

37

2.7

Totaal beeld vraag Deltametropool

De cijfers uit de vier voorafgaande paragrafen zijn samengevat in de tabellen 2.9 en 2.10. Eigenlijk heeft het niet zoveel zin om naar de behoefte op Deltametropoolniveau als geheel te kijken, maar toch wordt hier even een overzicht gegeven om de vergelijking te kunnen maken met het vertrekpunt van de analyse, de raming uit de Vijfde Nota. Exclusief onttrekking gaat op Deltametropoolniveau om ruim 3.600 ha netto ‘droog’ bedrijventerrein en ruim 1.150 ha netto zeehaventerrein. In totaal iets minder dan 4.800 ha netto bedrijventerrein, ofwel ruim 6.600 ha bruto bedrijventerrein (uitgaande van een standaard bruto-netto-verhouding van 1,4). Inclusief onttrekking komt er respectievelijk ruim 700 en 300 ha netto bij. Bruto gaat het dan in totaal om ca. 7.600 ha, waarvan ca. 6.000 ha bruto betrekking heeft op ‘droge’ terreinen. Wordt geen rekening gehouden met onttrekking, dan ligt de hier geïnventariseerde behoefte iets onder de Vijno-raming van 7.100 ha, maar inclusief onttrekking blijkt de opgave bruto ca. 800 ha hoger te liggen.
Tabel 2.9 Vraag droge terreinen inclusief effect onttrekking Deltametropool 2010-2030 (netto ha), per tijdvak en gemiddeld per jaar 2010-2020 totaal Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Vraag (excl. ijzeren voorraad) 1.161 410 700 612 2.883 2010-2020 gemiddeld per jaar 116 41 70 61 288 2020-2030 totaal 652 181 343 262 1.438 2020-2030 gemiddeld per jaar 65 18 34 26 144 2010-2030 totaal 1.813 591 1.043 874 4.321 2010-2030 gemiddeld per jaar 91 30 52 44 217

Tabel 2.10

Historische uitgifte droge bedrijventerreinen, Deltametropool 1992-2001 (netto ha) 1992-2001 Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Deltametropool 731 359 607 548 2.245 gemiddeld per jaar 73 36 61 55 225

Bron: provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Flevoland en Utrecht.

In het algemeen ligt de geprognotiseerde vraag van tabel 2.9 voor het tijdvak 2010-2020 op of boven de historische uitgifte in de periode 1992-2001. Maar de voorziene behoefte voor de periode 2020-2030 ligt daar in alle gevallen ruim onder.

38

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Tabel 2.11

Vraag natte terreinen Deltametropool, 2010-2030 (in netto ha) 2010-2020 2010-2020 totaal gemiddeld per jaar 2020-2030 2020-2030 totaal gemiddeld per jaar 183 450 633 18 45 63 2010-2030 2010-2030 totaal gemiddeld per jaar 513 950 1.463 26 48 74

Deltametropool Noord Deltametropool Zuid Vraag (excl. ijzeren voorraad)

330 500 830

33 50 83

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

39

40

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

3

Aanbodinventarisatie

3.1

Inleiding

De aanbodinventarisatie heeft tot doel om te komen tot een eenduidig, consistent en zo volledig mogelijk beeld van het aanbod aan bedrijventerreinen in de Deltametropool voor de periode 2010-2030. Hieraan is behoefte omdat er weliswaar aanbodgegevens bekend zijn bij de diverse regionale en provinciale overheden, maar dit niet leidt tot een goed totaalbeeld voor de gehele Deltametropool. Dit is vooral te wijten aan de inhoudelijke verschillen, verschillen in de naamstelling van locaties en terreinen, de hiermee samenhangende overlap, verschillen in de gehanteerde omvang van locaties en verschillen in de tijdshorizon. Het aanbod is geïnventariseerd op basis van de volgende bronnen: 1. reeds beschikbare aanbodgegevens van de vier provincies in de Deltametropool (Flevoland, Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland) en de vier Kaderwetgebieden (BRU, Haaglanden, ROA en de Stadsregio Rotterdam). Aan alle betrokken instanties is gevraagd gegevens aan te leveren van het beschikbare aanbod na 2010. Van groot belang hierbij was het onderscheid tussen aanbod op de in 2010 bestaande terreinen en aanbod op terreinen die na 2010 worden gerealiseerd. Hiervoor is gebruik gemaakt van een vast format (antwoordformulier inclusief beschrijvingen en definities). Waar nodig is aanvullende informatie gevraagd met betrekking tot terreinsegment, tijdpad van uitgifte en planhardheid; de ‘groslijst inventarisatie specifieke werkmilieus Deltametropool’ afkomstig van Bureau Regio Randstad. Het betreft hier geen inventarisatie van BRR zelf, maar een lijst van terreinen en locaties die in een eerder voortraject zijn genoemd (hard, zacht, opties of zoekgebieden). Deze lijst is vergeleken met de aangeleverde gegevens door bovengenoemde organisaties; het Programma Ruimtelijke Investeringen Regio Amsterdam 2002 (PRI). Voor de Provincie Noord-Holland bleek het lastig om uitspraken te doen over het bedrijventerreinenaanbod voor de langere termijn. In eerste aanleg is het aanbod gebaseerd op het aanbod zoals dat in het Ontwerp Streekplan Noord-Holland-Zuid16 is aangegeven. Dit leidde niet tot een volledig beeld van het beschikbare aanbod na 2010. De gegevens van de Provincie Noord-Holland zijn daarom aangevuld met gegevens uit het PRI, dit mede gezien het detailniveau en de goede kwaliteit van deze gegevens. De PRI-gegevens sluiten echter qua inhoud en tijdshorizon niet aan bij het format zoals dat is gehanteerd. De PRI-data zijn daarom door ons bewerkt. De wijze van bewerking is afgestemd met betrokkenen bij de gemeente Amsterdam (DRO) (zie 3.2 en bijlage 1).

2.

3.

De aangeleverde gegevens zijn door ons nader gespecificeerd en/of aangevuld. Ook zijn de dubbelingen en de overlap in de aangeleverde gegevens door ons verwijderd, voor zover mogelijk en voor ons inzichtelijk. Op basis hiervan resulteerde een lijst van terreinen en locaties die elkaar op het eerste gezicht niet uitsluiten of overlappen. Dit neemt niet weg dat vermoed kon worden dat toch in een aantal gevallen sprake is van overlap of dubbelingen.

16

Het Ontwerp Streekplan Noord-Holland Zuid wordt in het voorjaar van 2003 ter vaststelling ingediend.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

41

Om dit op te lossen is het resultaat van de samengevoegde gegevens teruggekoppeld naar de provincies en Kaderwetgebieden. Hierbij zijn (waar nodig) per locatie verduidelijkingvragen gesteld. Deze hebben met name betrekking op het opheffen van dubbelingen. Specifiek is hierbij aandacht uitgegaan naar de locaties die op de ‘groslijst inventarisatie bedrijventerreinen Deltametropool’ staan. Met name voor deze locaties is nadrukkelijk gevraagd of deze bekend zijn bij de betrokkenen, wat de huidige status is en of deze locaties aan de eerdere opgave dienen te worden toegevoegd of moet worden afgevoerd (inclusief de reden hiervoor). Alle provincies en Kaderwetgebieden hebben een overzicht (inclusief verduidelijkingsvragen) ontvangen van de locaties die binnen de betreffende provincie liggen. In de meeste gevallen is er bij de beantwoording van onze vragen afstemming geweest tussen het betreffende kaderwetgebied(en) en de provincie onderling. Onzekerheden en gevoeligheden bij de aanbodinventarisatie Gedurende het gehele traject is veelvuldig en intensief contact geweest tussen ons en de Provincies en Kaderwetgebieden. De aanbodgegevens zijn tussentijds herhaaldelijk onderling uitgewisseld, aangevuld en bijgesteld. Dit was een belangrijke randvoorwaarde om het doel van de inventarisatie, namelijk een volledige en consistente aanbodlijst, te kunnen garanderen. Daarnaast was dit noodzakelijk gezien de grote mate van onzekerheid en de gevoeligheden die samenhangen met uitspraken over toekomstige (nog te realiseren) terreinen. Daarom is specifiek aandacht besteed aan de planhardheid en realisatiekans van de locaties. Hiervoor zijn de volgende vier gradaties van hardheid onderscheiden:
• • •

Hard aanbod omvat het aanbod op de in 2010 bestaande terreinen en toekomstige locaties die zijn opgenomen in Streek- of Omgevingsplannen die zijn vastgesteld; Zacht aanbod omvat het aanbod op toekomstige locaties die zijn opgenomen in Streek- of Omgevingsplannen, maar die nog niet zijn vastgesteld; Opties omvatten aanbod op toekomstige locaties die in beeld zijn (binnen beleid) en bijvoorbeeld zijn genoemd in het kader van het VIJNO-overleg, of als concrete zoekrichting zijn aangeduid; Mogelijkheden omvatten locaties die vooralsnog niet passen binnen het voorgenomen beleid, maar eventueel (op de langere termijn) ruimtelijke mogelijkheden bieden voor een invulling als bedrijventerrein.

Binnen het aanbod is er dus sprake van aanzienlijke verschillen in de mate van hardheid. Bij de weergave van het aanbod en de interpretatie daarvan wordt hiermee rekening gehouden. Dit houdt bijvoorbeeld in dat het aanbod op alle locaties niet zonder meer mag worden gesommeerd en als totaal aanbod kan worden gepresenteerd. Door de lange planninghorizon die in dit onderzoek wordt gehanteerd en het feit dat het om aanbod na 2010 gaat, is het aandeel ‘hard’ aanbod logischerwijs tamelijk klein. Ook de invulling voor de periode na 2020 is hier en daar nog mager, maar dat ligt in de lijn der verwachting. Het aanbod op bedrijventerreinen wordt per deelgebied weergegeven, waarbij het onderscheid tussen de harde en zachte plannen en de opties en mogelijkheden duidelijk naar voren komt. Ook het aanbod op droge en natte terreinen is van elkaar onderscheiden. Vervolgens is voor de droge terreinen een verdere uitsplitsing gemaakt naar terreinsegment, waarbij speciale aandacht uitgaat naar specifieke of thematische terreinen. De ligging van de locaties is weergegeven in een aantal kaartbeelden. Ter afsluiting van dit hoofdstuk wordt in paragraaf 3.6 het aanbod voor de gehele Deltametropool geresumeerd. Opnieuw gaat het hierbij niet om een sommering van alle locaties in het aanbod, maar om een sommering binnen de uitsplitsing naar planhardheid. In bijlage 1 is de gehele lijst met het aanbod voor de Deltametropool opgenomen, hierin is tevens een tabel opgenomen met het aanbod op locaties buiten de Deltametropool. De
42 BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

gegevens zijn uiteraard ook in een database verwerkt. In die database zit nog iets meer informatie dan hier in de bijlage is opgenomen. De database wordt separaat aan de opdrachtgever ter beschikking gesteld en desgewenst ook aan de regio’s. Kaarten Bij de paragrafen van de deelgebieden, Noord, Oost, Zuid en West zijn kaarten toegevoegd. De kaarten geven een beeld van het aanbod nieuwe bedrijfslocaties van 2010 tot 2030. Er is onderscheid gemaakt tussen harde en zachte plannen (weergegeven op ware grootte) en opties en mogelijkheden (weergegeven met een symbool). De ‘onderlegger’ van de kaart geeft een zo realistisch mogelijk beeld van de situatie in 2010. Als basis is gebruikt de CBS bodemstatistiek 1996, hierbij zijn echter de grote Vinex locaties en bij ons bekende plannen voor bedrijventerreinen die gebouwd worden tot 2010 toegevoegd. Ook zijn nieuw spoor (geen lightrail) en geplande snelwegen toegevoegd. Legenda figuren 3.1 tot en met 3.4 Bestaand stedelijk gebied Landelijk gebied Snelwegen Geplande snelweg Spoorwegen HLS Zuid, geplande spoorlijn Bestaand bedrijventerrein Uitbreiding bedrijventerrein, harde en zachte locaties Uitbreiding bedrijfsterrein, opties en mogelijke locaties: 0 - 50 ha netto grootte 50 - 100 ha netto grootte > 100 ha netto grootte

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

43

Figuur 3.1
Legenda Bestaand bedrijventerrein Uitbreidingslocaties: Harde en zachte locaties Opties en mogelijkheden: 0 – 50 ha netto 50 – 100 ha netto > 100 ha netto

Deltametropool Noord, aanbod bedrijventerreinen 2010-2030 naar planhardheid

0

2,5

5

10

15

20 Kilometers

44

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

3.2

Deltametropool Noord

Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk is aangegeven is bij de inventarisatie van het aanbod in deelgebied Noord van de Deltametropool gebruik gemaakt van gegevens van de Provincie Noord-Holland en van het PRI. Voor Almere zijn gegevens gebruikt van de Provincie Flevoland en van de gemeente Almere. De gegevens in het PRI sluiten niet exact aan op de vraagstelling en vooral de tijdhorizon van dit onderzoek. Hieronder wordt kort ingegaan op de bewerking van de PRI-data. In bijlage 1 is deze bewerking uitvoeriger weergegeven, inclusief tabellen waaruit de indicatieve toedeling van de vraag tot 2010 en het aanbod na 2010 zichtbaar wordt. Het PRI geeft een overzicht van het totaal uitgeefbaar oppervlak aan bedrijventerreinen (en kantooroppervlak) in de Regio Amsterdam. Dit omvat het aanbod op alle terreinen in de regio anno 1 januari 2002. Het PRI-aanbod is opgebouwd uit:
• • •

terstond uitgeefbaar areaal per 1-1-2002; binnen 5 jaar te ontwikkelen terreinen; niet binnen 5 jaar te ontwikkelen terreinen.

De vraagstelling van deze aanbodinventarisatie is er op gericht om vast te stellen welk aanbod aan bedrijventerreinen beschikbaar is na 2010. Dit is niet expliciet door de regio aangegeven. Derhalve zijn de PRI-data, in overleg met de Dienst Ruimtelijke Ordening en Economische Zaken van de gemeente Amsterdam, door Bureau BUITEN bewerkt. Hiervoor is, eveneens in overleg, de volgende globale werkwijze afgesproken:
• • •

analyseer Amsterdam en de overige regiogemeenten (minus Almere)17 afzonderlijk; ga voor de vraagraming 2002-2010 uit van de gegevens in de RBLM; vul eerst de kleine terreinen volledig ‘op’ en verdeel het restant van de vraag over het aanbod per 1-1-2002, zo nodig aangevuld met het aanbod dat binnen vijf jaar is te ontwikkelen; reken het aanbod dat niet binnen 5 jaar wordt ontwikkeld geheel toe aan de periode na 2010.

Er is dus sprake van een rekenkundige verdeling van de vraag over bedrijventerreinen. Het is dus mogelijk – en zelfs waarschijnlijk - dat de feitelijke uitgifte er in de periode tot 2010 anders uitziet, zowel qua omvang als verdeling. Per saldo geeft dit wel een zo goed mogelijke schatting voor het aanbod vanaf 2010 voor Amsterdam en omgeving. Opgemerkt wordt dat impliciet is aangenomen dat er sprake is van een ‘perfecte match’ tussen vraag en aanbod tussen 2002 en 2010 en dat daarbij volledige ‘opvulling’ van locaties met een nog gering uitgeefbaar aanbod wordt gerealiseerd. Dat is natuurlijk een ideaaltypische voorstelling van de werkelijkheid; niet ondenkbaar is dat er juist met restkavels ‘iets’ aan de hand is, wat afbreuk doet aan hun aantrekkelijkheid in de markt. Het (resterend) aanbod wordt hierdoor kwantitatief niet overschat, maar de feitelijke verdeling over locaties kan een andere zijn en kwalitatief zijn er ook verschillen denkbaar. In de andere regio’s zou zich eenzelfde probleem bij het bepalen van het resterende aanbod na 2010 op (dan) bestaande terreinen hebben kunnen of moeten voordoen. Daar is

17

In het PRI zijn tevens gegevens opgenomen voor Almere. Echter voor de inventarisatie van het aanbod in Flevoland, dus ook in Almere, is afgegaan op de gegevens die vanuit de provincie Flevoland en de gemeente Almere zijn verstrekt.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

45

echter door de regio’s zelf een schatting gemaakt van nog uitgeefbaar terrein op in 2010 reeds bestaande terreinen. Door Bureau BUITEN is niet nagegaan welke veronderstellingen regio’s daarbij hebben gehanteerd. Er kunnen daarbij verschillende ‘fouten’ zijn gemaakt:
• •

er is uitgegaan van een te hoge of een te lage vraag voor de periode 2002-2010; er is uitgegaan van een te lage inschatting van het nog beschikbaar aanbod tot 2010.

Wij verwachten dat de foutenmarge in absolute zin in de drie andere regio’s niet zo groot zal zijn, met name omdat er in de drie gebieden een veel grotere schaarste is aan uitgeefbaar terrein dan in Deltametropool Noord. Aanbod droge terreinen Het noordelijke deel van de Deltametropool kent een groot potentieel aanbod. Aan harde en zachte plannen omvat het aanbod bijna 2.200 ha netto terrein. Deze locaties liggen vooral in de omgeving Schiphol, Haarlemmermeer (ca 850 ha netto), Aalsmeer (ca 300 ha netto). Daarnaast bevat het aanbod een aantal grotere locaties in de gemeente Almere (ruim 550 ha netto). Opgemerkt wordt dat het grootste deel van dit aanbod uit zachte plannen bestaat (zie tabel 3.1). Van een aantal locaties, vooral in de omgeving van Schiphol, is het onzeker of zij (in de nu aangegeven omvang) zullen worden gerealiseerd. Zo is de realisatie van de terreinen in Aalsmeer mede afhankelijk van de omlegging van de N201. Deze omlegging staat nog ter discussie. Ook van de terreinen in de driehoek A4-A5-A9 staat de definitieve omvang nog niet vast, dit is mede afhankelijk van de lopende MER-studies, de toekomstige marktbehoefte en het realiseren van de parallelle Kaagbaan (Schiphol). De locaties zijn opgenomen in het (Ontwerp)Concept Streekplan Zuid-Holland-Zuid en op die basis als zacht aanbod in de inventarisatie meegenomen.
Tabel 3.1 Aanbod droge terreinen Deltametropool Noord, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 184 1.319 382 0 2020-2030 0 680 500 0 2010-2030 184 1.699 882 0

Hard aanbod Zacht aanbod Opties Mogelijkheden

Bron: Provincies Noord-Holland & Flevoland, ROA, gemeenten Amsterdam & Almere

Aan opties en mogelijkheden zou er op termijn ruim 880 ha netto beschikbaar kunnen komen. Het betreft voornamelijk een grote locatie in Almere (locatie Waterhout 750 ha netto) die als optie meegenomen in de inventarisatie. De realisatie van deze locatie is afhankelijk van nog te maken afspraken tussen het Rijk, provincie en gemeente in het kader van het (op te stellen) Integraal OntwikkelingsPlan Almere (IOP). Slechts van een klein deel van het aanbod kon worden aangegeven om welk terreinsegment het gaat. Van het overgrote deel van het aanbod (ruim 1.700 ha netto aan hard en zacht aanbod) is geen informatie aangeleverd over het beoogde segment (zie tabel 3.2). Wel is aangegeven dat het om ca. 850 ha netto aan Schipholgebonden bedrijventerreinen gaat. Dit geldt als een verbijzondering van bovengenoemde aanbodgegevens en kan dus niet worden opgeteld bij het aanbod aan harde en zachte plannen, dan wel het aanbod naar terreinsegment.

46

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Tabel 3.2

Aanbod droge terreinen Deltametropool Noord per terreinsegment, 2010-2030 (netto ha) Bedrijvenpark Hard en zacht aanbod Opties en Mogelijkheden 15 Distributie / logistiek Niet gedefinieerd 1.739 882

Gemengd 99 -

Industrie 30 -

Bron: Provincies Noord-Holland & Flevoland, ROA, gemeenten Amsterdam & Almere.

Aanbod natte terreinen Het aanbod aan natte terreinen omvat 290 ha netto aan zachte plannen (zie tabel 3.3). Hierbij gaat het om 250 ha netto op Wijkermeerpolder (deel Zaanstad en deel Beverwijk), 25 ha netto op Westzanerpolder (Zaanstad) en 15 ha netto op Averijhaven (Amsterdam). Opgemerkt wordt dat de locaties Wijkermeerpolder en Westzanerpolder slechts ten dele uit natte bedrijventerreinen bestaan. Het droge deel van deze terreinen is meegenomen bij het aanbod aan droge terreinen. Daarnaast is er een optie van 65 ha netto op Gedraaide Machineweg (Haarlemmerliede).
Tabel 3.3 Aanbod natte terreinen Deltametropool Noord, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 0 290 65 0 2020-2030 0 0 0 0 2010-2030 0 290 65 0

Hard aanbod Zacht aanbod Opties Mogelijkheden

Bron: Provincies Noord-Holland & Flevoland, ROA, gemeenten Amsterdam en Almere.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

47

Figuur 3.2
Legenda Bestaand bedrijventerrein Uitbreidingslocaties: Harde en zachte locaties Opties en mogelijkheden: 0 – 50 ha netto 50 – 100 ha netto > 100 ha netto

Deltametropool Oost, aanbod bedrijventerreinen 2010-2030 naar planhardheid

48

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

3.3

Deltametropool Oost

Het aanbod aan harde en zachte plannen is met ruim 100 ha netto (4% van het totale aanbod in de Deltametropool) beperkt en heeft betrekking op de periode 2010-2020 (zie tabel 3.4). Na 2020 is er, volgens de huidige inzichten, geen hard of zacht aanbod beschikbaar. De locaties waarom het gaat bevinden zich in Amersfoort, Nieuwegein, Utrecht en Vianen. De locatie Strijkviertel (Utrecht) is met ruim 50 ha netto de omvangrijkste. In alle gevallen betreft het locaties die aan of nabij het hoofdsnelwegen net liggen. Figuur 3.2 (voorgaande pagina) geeft een beeld van de ruimtelijke spreiding en omvang van het geplande aanbod.
Tabel 3.4 Aanbod droge terreinen Deltametropool Oost, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 60 47 100 40 2020-2030 0 0 115 195 2010-2030 60 47 215 235

Hard aanbod Zacht aanbod Opties Mogelijkheden
Bron: Provincie Utrecht / BRU

Naast het aanbod aan harde en zachte plannen is in totaal 450 ha netto opgegeven als optie of mogelijkheid. Hieruit wordt duidelijk dat er in principe wel ruimtelijke mogelijkheden worden gezien, maar dat de realisatie hiervan nog zeer onzeker is. Dit is te wijten aan conflicterende ruimteclaims, een gering bestuurlijk draagvlak of onzekerheid over de (spoor)wegenstructuur (zie opmerkingen in de aanbodtabel, bijlage 1). Door een combinatie van deze onzekerheden is de realisatie van een aantal grotere locaties bij Bunnik, Eemnes, Houten, Maarssen en Vianen (gezamenlijk ruim 300 ha netto) nog uiterst onzeker. Tabel 3.5 geeft een beeld van het beoogde terreinsegment van de in het aanbod meegenomen terreinen. In vergelijking tot de andere deelregio's valt op dat het aandeel in het industriële segment iets hoger uitvalt.
Tabel 3.5 Aanbod droge terreinen Deltametropool Oost per terreinsegment, 2010-2030 (netto ha) Bedrijvenpark Hard en zacht aanbod Opties en Mogelijkheden
Bron: Provincie Utrecht / BRU

Gemengd 72 205

Distributie / logistiek 20 20

Industrie 15 105

Niet gedefinieerd 30

90

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

49

Figuur 3.3

Deltametropool Zuid, aanbod bedrijventerreinen 2010-2030 naar planhardheid

Legenda Bestaand bedrijventerrein Uitbreidingslocaties: Harde en zachte locaties Opties en mogelijkheden: 0 – 50 ha netto 50 – 100 ha netto > 100 ha netto

50

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

3.4

Deltametropool Zuid

Het aanbod aan harde en zachte plannen omvat in totaal ruim 300 ha netto bedrijventerrein. Afgemeten aan het economische belang van de regio is het aanbod marginaal. Het aanbod aan harde locaties bestaat uit kleinere terreinen of terreinen waar in 2010 nog een beperkt aanbod beschikbaar is. Met uitzondering van Schieveensepolder (Rotterdam), Dordse Kil IV (Dordrecht) en Bolnes Zuid (Ridderkerk) - gezamenlijk ruim 150 ha netto - bestaat het aanbod aan zachte locaties eveneens uit vooral kleinere terreinen. Kaart 3.4 (voorgaande pagina) geeft een beeld van de ruimtelijke spreiding en omvang van het toekomstig aanbod bedrijventerreinen.
Tabel 3.6 Aanbod droge terreinen Deltametropool Zuid, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 77 235 0 283 2020-2030 0 0 45 200 2010-2030 77 235 45 483

Hard aanbod Zacht aanbod Opties Mogelijkheden

Bron: Provincie Zuid-Holland / Stadsregio Rotterdam

Aan opties en vooral mogelijkheden is er een aanbod van ruim 500 ha netto. Hierbij zitten een aantal grote locaties waarvan vooralsnog de inschatting is dat de realisatiekans klein is. Ter illustratie, het gaat hier bijvoorbeeld om een distripark op Maasvlakte II (73 ha netto, droog terrein) en een inbreiding op de Waalhaven (100 ha netto). De realisatie van deze locaties is afhankelijk van de aanleg van Maasvlakte II terwijl de aanleg daarvan nog zeer onzeker is. Daarnaast is als mogelijkheid meegenomen een locatie in de Zuidplaspolder (200 ha netto), waarvan de kans op realisatie eveneens uiterst onzeker is. Dit heeft onder meer te maken met sterk conflicterende ruimteclaims bijvoorbeeld voor wonen en glastuinbouw. De 200 ha netto is oorspronkelijk ingebracht als behoefte van de stadsregio Rotterdam; inmiddels is er echter ook vanuit de Krimpenerwaard een claim van 90 ha netto bedrijventerrein in de Zuidplaspolder neergelegd. Aanbod per terreinsegment Onderstaande tabel geeft een beeld van het beoogde terreinsegment van de terreinen in het aanbod.
Tabel 3.7 Aanbod droge terreinen Deltametropool Zuid per terreinsegment, 2010-2030 (netto ha)) Bedrijvenpark Hard en zacht aanbod Opties en Mogelijkheden 7 Distributie / logistiek 103 468 Niet gedefinieerd -

Gemengd 202 60

Industrie -

Bron: Provincie Zuid-Holland / Stadsregio Rotterdam

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

51

Aanbod natte terreinen Het aanbod voor natte terreinen is 800 ha netto. Het opgegeven oppervlak is indicatief bepaald. Naast het weergegeven oppervlak aan nat terrein is een deel van Maasvlakte II meegenomen in het aanbod van droge terreinen (123 ha netto aan havengerelateerde distributie, waarvan 73 ha netto uitgeefbaar in 2010-2020). De optie van 100 ha netto betreft een mogelijke inbreidingslocatie in de Europoort, als gevolg van verplaatsing van de nu aanwezige bedrijven naar Maasvlakte II.
Tabel 3.8 Aanbod natte terreinen Deltametropool Zuid, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 0 400 100 0 2020-2030 0 400 0 0 2010-2030 0 800 100 800

Hard aanbod Zacht aanbod Opties Mogelijkheden

Bron: Provincie Zuid-Holland / Stadsregio Rotterdam

52

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Figuur 3.4

Deltametropool West, aanbod bedrijventerreinen 2010-2030 naar planhardheid

Legenda Bestaand bedrijventerrein Uitbreidingslocaties: Harde en zachte locaties Opties en mogelijkheden: 0 – 50 ha netto 50 – 100 ha netto > 100 ha netto

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

53

3.5

Deltametropool West

Het aanbod op bedrijventerreinen in Deltametropool West beslaat 270 ha netto aan harde plus zachte plannen en 275 ha netto aan opties en mogelijkheden. Het aanbod aan harde plannen is beperkt tot een deel van de locatie Hoefweg (Bleiswijk), ten noorden van de A12 (het deel ten zuiden van de A12 is toegerekend tot het aanbod voor Deltametropool Zuid)) en een locatie bij Delft (Technopolis). De ligging van het geplande aanbod bedrijventerreinen in Deltametropool West is weergegeven in figuur 3.4 (voorgaande pagina). Het overige aanbod is zacht en met name geconcentreerd in het zuidelijke deel van Haaglanden (Naaldwijk, Rijswijk, Schipluiden). Daarnaast is er aanbod op enkele locaties aan de A4 en A44 bij Oegstgeest en Leiderdorp.
Tabel 3.9 Aanbod droge terreinen Deltametropool West, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 117 119 0 97 2020-2030 35 0 60 123 2010-2030 152 119 60 220

Hard aanbod Zacht aanbod Opties Mogelijkheden

Bron: Provincie Zuid-Holland en Stadsgewest Haaglanden

Tabel 3.10

Aanbod droge terreinen Deltametropool West per terreinsegment, 2010-2030 (netto ha) Bedrijvenpark Distributie / logistiek 152 105 Niet gedefinieerd -

Gemengd 95 150

Industrie -

Hard en zacht aanbod Opties en Mogelijkheden

24 20

Bron: Provincie Zuid-Holland en Stadsgewest Haaglanden

3.6

Totaalbeeld Deltametropool

Het aanbod aan harde en zachte plannen omvat voor de gehele Deltametropool ruim 2.500 ha netto droog bedrijventerrein, waarvan ruim 80% uit zachte plannen bestaan. Het grootste deel van dit aanbod is gelegen in Deltametropool Noord (ruim 70%). Het aandeel van de deelgebieden Oost, Zuid en West bedraagt respectievelijk 4%, 12% en 11%.

54

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Tabel 3.11

Hard en zacht aanbod droge bedrijventerreinen 2010-2030, per deelregio (netto ha) 2010-2020 Hard Zacht Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Deltametropool 184 60 77 117 438 1.319 47 235 119 1.720 2020-2030 Hard Zacht 0 0 0 35 35 380 0 0 0 380 2010-2030 Hard Zacht 184 60 77 152 473 1.699 47 235 119 2.100

Bron: Provincies Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en de Kaderwetgebieden BRU, Haaglanden, ROA, Stadsregio Rotterdam.

Tabel 3.12

Hard en zacht aanbod natte bedrijventerreinen 2010-2030, per deelregio (netto ha) 2010-2020 Deltametropool Noord Deltametropool Zuid Deltametropool 290 400 690 2020-2030 0 400 400 2010-2030 290 800 1.090

Bron: Provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Stadsregio Rotterdam en gemeente Amsterdam

In tabel 3.12 is het aanbod van harde en zachte plannen voor natte terreinen niet afzonderlijk uitgesplitst. Het aanbod in Deltametropool Noord is als zacht aangemerkt. Het aanbod in Deltametropool Zuid betreft een groot zacht plan, te weten Maasvlakte II. Aanbod van opties en mogelijkheden Onderstaand is het aanbod op basis van opties en mogelijkheden weergegeven. Hierbij is opnieuw onderscheid gemaakt naar droge en natte terreinen en naar deelgebied.
Tabel 3.13 Opties en mogelijkheden droge bedrijventerreinen 2010-2030, per deelregio (netto ha) 2010-2020 Optie Mogelijk -heid 382 0 100 40 0 283 0 97 482 420 2020-2030 Optie Mogelijk -heid 500 0 115 195 45 200 60 123 720 518 2010-2030 Optie Mogelijk -heid 882 0 215 235 45 483 60 220 1.202 938

Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Deltametropool

Bron: Provincies Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en de Kaderwetgebieden BRU, Haaglanden, ROA, Stadsregio Rotterdam.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

55

Tabel 3.14

Opties voor natte bedrijventerreinen 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Deltametropool Noord Deltametropool Zuid Deltametropool 65 100 165 2020-2030 0 0 0 2010-2030 65 100 165

Nb: Er zijn geen locaties aangeleverd met het predikaat mogelijkheid.
Bron: Provincies Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en de Kaderwetgebieden BRU, Haaglanden, ROA, Stadsregio Rotterdam.

In deelgebied Zuid betreft het een optie voor inbreiding op bestaande haventerreinen in Europoort. Daarnaast gaat het in deelgebied Noord om een optie voor de lange termijn op de locatie Gedraaide Machineweg (gemeente Haarlemmerliede).

3.7

Aanbod bedrijventerreinen buiten de Deltametropool

Het aanbod van harde en zachte plannen buiten doch nabij de Deltametropool behelst in totaal bijna 550 ha netto (zie tabel 3.15). Dit aanbod ligt vooral aan de Noord- en Noordoostrand van de Deltametropool en met name in Flevoland (Lelystad en Zeewolde gezamenlijk 485 ha netto). Naast dit aanbod in Flevoland is er (op basis van een inschatting) nog 35 ha netto beschikbaar op de locatie Baanstee-Noord in Purmerend. Het aanbod van 5 ha netto aan de Oostrand betreft een kleine locatie in Woudenberg en aan de Zuidrand is er nog 20 ha netto beschikbaar op Kickersbloem III (Hellevoetsluis). Opgemerkt wordt dat aanbod buiten de Deltametropool natuurlijk veelal ook bedoeld is voor het opvangen van een lokale of regionale behoefte. Met andere woorden: dit kan niet zondermeer als aanbod ten behoeve van vraag uit de Deltametropool worden gezien.
Tabel 3.15 Aanbod harde en zachte Deltametropool (netto ha) plannen voor droge bedrijventerreinen buiten de

2010-2020 Noordrand Oostrand Zuidrand West Deltametropool 280 5 20 305

2020-2030 240 240

2010-2030 520 5 20 545

Bron: Provincies Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en de Kaderwetgebieden BRU, Haaglanden, ROA, Stadsregio Rotterdam.

In aanvulling op het harde en zacht planaanbod is er 280 ha netto aan opties en mogelijkheden. Het betreft een optie voor 100 ha netto in ROA-Noord, die als zoekrichting is opgenomen in het Ontwerp Streekplan Noord-Holland Zuid. Verder gaat het om 100 ha netto in de Noordrand en 150 ha netto in de Noord-Oostpunt van de Hoeksewaard; deze locaties is als mogelijkheid meegenomen in de inventarisatie. Daarnaast is er in het verleden veel discussie geweest rondom een andere locatie in de Hoeksewaard. Het gaat dan om een grootschalige locatie van 250 ha netto (500 ha bruto) in de noordelijke punt van de aansluiting van de A29 op de A4-Zuid, ook wel aangeduid als de

56

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

‘puntzak’-locatie. Deze locatie zit niet in onze inventarisatie, maar mogelijk komt deze locatie op termijn toch weer in beeld. Tot slot is er aanbod aan de Oostrand bij Veenendaal, het gaat dan om 30 ha netto18, die eveneens als mogelijkheid is meegenomen in de inventarisatie. Dit aanbod is echter slechts beschikbaar voor lokale (en regionale) behoefte uit de omgeving Ede-Veenendaal19.

18 19

Van het gezamenlijk aanbod van Ede en Veenendaal is na 2010 naar schatting nog dit areaal over. Bron: Schipperen in een zee aan bedrijfsruimte, De Gelderlander 18-10-2002.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

57

4

Planningsopgave en oplossingsrichtingen

Uit de gegevens over vraag en aanbod kan de resterende planningsopgave worden afgeleid. Dat gebeurt per deelgebied in paragraaf 4.1. Vervolgens wordt er telkens een paragraaf besteed aan de volgende oplossingsrichtingen:
• • • •

mengen van bedrijvigheid met andere functies, ofwel het afleden van een deel van de vraag naar niet-bedrijventerreinen (4.2); herstructurering van bestaande verouderde terreinen (4.3); intensivering op nieuwe en op bestaande (niet-verouderde) bedrijventerreinen (4.4); het zoeken van nieuwe locaties (4.5).

4.1

Planningsopgave

De planningsopgave per deelgebied wordt afgeleid uit de berekende behoefte (per deelperiode en totaal voor 2010-2030) minus de som van het harde en zachte aanbod. Normaliter wordt het zachte aanbod buiten beschouwing gelaten voor het bepalen van de planningsopgave. Maar een afwijkende karakteristiek van dit onderzoek is dat het begin van de planningshorizon niet nu, dat wil zeggen in 2002, ligt, maar in 2010. Als gevolg hiervan is er maar een zeer gering deel van het aanbod hard, omdat besluitvorming over die langere termijn nog moet plaatsvinden. Als de zachte locaties buiten beschouwing worden gelaten, ontstaat geen goed beeld van de aanvullende planningsopgave. Maar het is uiteraard onzeker of zachte locaties daadwerkelijk worden gerealiseerd. Mogelijk valt een deel van de zachte locaties af in de politieke besluitvorming en de afweging tegen andere ruimteclaims. De planningsopgave geeft als gevolg van deze potentiële planologische uitval mogelijk een te optimistisch beeld van de vraag-aanbod-verhoudingen. Er zijn vooraf nog enkele opmerkingen te maken bij de af te leiden planningsopgaven voor de deelgebieden. Voor een juiste interpretatie van de planningsopgave is het van belang om rekening te houden met volgende aspecten:

de vier deelgebieden zijn elk relatief groot vanuit een regionaal-economisch perspectief. Het werken met deze deelgebieden op het niveau van de vraag-aanbodconfrontatie heeft tot gevolg dat impliciet is verondersteld dat er sprake is van een perfecte binnenregionale substitutie. Tekorten in een kleinere deelregio vallen weg tegen aanbod in een andere deelregio binnen dezelfde ‘windstreek’. Met andere woorden: een ruimtevraag in Hoek van Holland wordt in deze benadering eventueel geaccommodeerd in de Drechtsteden, of een vrager in Zaanstad kan een plek krijgen in Almere. Voor een meerderheid van het bedrijfsleven (in termen van vestigingen) is het zoekgebied bij herhuisvesting echter kleiner. Ten opzichte van het werken met kleinere deelgebieden is er sprake van een onderschatting van de behoefte; er is gewerkt met een niet gesegmenteerde vraag naar ‘droge’ bedrijventerreinen. In vergelijking tot een meer gesegmenteerde benadering betekent dit een onderschatting van de planningopgave, omdat nu de vraag in het segment ‘hoogwaardige bedrijventerreinen’ kan wegvallen tegen aanbod van ‘logistieke terreinen’. Aan de andere kant moet worden opgemerkt dat de termijn waarover we hier praten nog volop ruimte biedt om de feitelijke segmentering of etikettering van terreinen af te stemmen op de vraag; er is in de behoefteraming geen extra ruimte gereserveerd voor landschappelijke inpassing, waterberging en het ruimtebeslag dat samenhangt met een multimodale

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

59

ontsluiting voor goederen. De omrekening van netto naar bruto is met een standaardfactor van 1,4 gebeurd. Overigens gaat het in dit hoofdstuk bij de planningsopgave altijd om netto ha; een laatste impliciete veronderstelling is dat de uitgangssituatie tot 2010 er één is met een voldoende aanbod van bedrijventerreinen. Met name in de deelgebieden Zuid en Oost lijkt het erop dat dit niet het geval zal zijn. Mogelijk leidt dit tot enige inhaalvraag in de periode na 2010. Een dergelijk effect is hier niet opgenomen. Er is aan de vraagraming ook geen ijzeren voorraad toegevoegd.

Als gevolg van deze punten is de planningsopgave zoals die hier wordt afgeleid een onderschatting van de resterende opgave. Wel wordt opgemerkt dat de planningsopgave in dit hoofdstuk een beleidsarme is. Er is dus niet reeds in de vraagraming verondersteld dat beleid een reductie van de vraag kan impliceren, maar dat wordt als onderdeel van de oplossingsrichtingen behandeld. Voor de duidelijkheid wordt hier nog herhaald dat extra ruimtevraag als gevolg van onttrekking van bedrijventerreinen aan de voorraad en eventuele extra uitplaatsing uit de woonomgeving wel reeds in de vraag zijn opgenomen. Deltametropool Noord Deltametropool Noord is het enige deelgebied binnen de Deltametropool waar voor de langere termijn een voldoende areaal (droge) bedrijventerreinen in het vizier is. De planningsopgave valt zelfs negatief uit, waarbij de eerder genoemde kanttekeningen (inclusief ‘zachte’ locaties, niet-gesegmenteerd, grote regio, afhankelijk doorgaan van enkele grote locaties, ) nadrukkelijk in ogenschouw moeten worden genomen. Het relatief gunstige beeld komt onder andere doordat de gemeente Amsterdam nog een behoorlijke restcapaciteit heeft. Verder komt het doordat in dit gebied de Haarlemmermeer en Almere grote (potentiële) leveranciers van terreinen zijn. Daar zit tegelijkertijd ook een risico: niet alleen is de geografische spreiding van terreinen binnen het gebied daardoor beperkt, ook is het risico van een tekenomslag in de planningsopgave niet denkbeeldig indien één van de grotere locaties niet wordt gerealiseerd. Tenslotte moet worden opgemerkt dat wel een erg groot areaal bestemd is voor schipholgebonden of –verbonden bedrijvigheid. Voor gewone ‘gemengde’ bedrijventerreinen is het beeld dus niet gunstig als een eerste blik op tabel 4.1 doet voorkomen. De gebieden waar het aanbod al geruime tijd krap of nihil is – ZuidKennemerland en Gooi en Vechtstreek – leveren ook in de toekomst geen bijdrage aan het invullen van de behoefte. Ook aan de Noordzijde van het Noordzeekanaal is een voldoende aanbod geen vanzelfsprekendheid.
Tabel 4.1 Planningsopgave droge terreinen Deltametropool Noord , 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Vraag (excl. ijzeren voorraad) Aanbod (hard en zacht) Planningsopgave (excl. ijzeren voorraad) 1.161 1.503 -342 2020-2030 652 380 272 2010-2030 1.813 1.883 -69

Met andere woorden op gebiedsniveau lijkt het beeld geruststellend, maar het impliceert wel een (voortgaande) verschuiving van economische activiteiten. En in de regio is men er allerminst gerust op dat de hier gehanteerde lijst van zachte plannen daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. In het Ontwerp Streekplan Noord-Holland Zuid is weliswaar een aanzienlijk areaal bedrijventerrein ingepland, maar is bijvoorbeeld de locatie Wijkermeerpolder naar achteren geschoven (reservelocatie) en is er nog geen plek aangewezen voor het bedrijventerrein ROA Noord. Een ander risico is gelegen in het

60

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Structuurplan Amsterdam: indien wel de transformatie van bedrijventerreinen wordt doorgezet, maar de beoogde compensatie niet kan worden geboden, ontstaat een ‘gat’ in de planning. Voor zeehaventerreinen resteert er tot 2020 een bescheiden planningsopgave van 40 ha netto. Tot 2030 dient nog ruim 200 ha netto te worden gerealiseerd.
Tabel 4.2 Planningsopgave natte terreinen Deltametropool Noord, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Vraag (excl. ijzeren voorraad) Aanbod (hard en zacht) Planningsopgave (excl. ijzeren voorraad) 330 290 40 2020-2030 183 0 183 2010-2030 513 290 223

Deltametropool Oost De planningsopgave voor Deltametropool Oost komt in totaal op bijna 460 ha netto, waarvan 300 ha voor de periode 2010-2020. Daarmee is de opgave in relatieve zin groot te noemen. Enige uitstroom van bedrijvigheid naar Zuidelijk Flevoland was tot voorkort overigens politiek geaccepteerd. Voor het nieuwe Streekplan richt Utrecht zich overigens nadrukkelijk op het accommoderen van de eigen behoefte.
Tabel 4.3 Planningsopgave droge terreinen Deltametropool Oost, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Vraag (excl. ijzeren voorraad) Aanbod (hard en zacht) Planningsopgave (excl. ijzeren voorraad) 410 107 303 2020-2030 181 0 181 2010-2030 591 107 484

Deltametropool Zuid De planningsopgave is het gebied Deltametropool Zuid valt hoog uit. Voor ruim 700 ha netto ‘droog’ bedrijventerrein moet nog een plaats worden gevonden, er vanuit gaande dat alle zachte planlocaties daadwerkelijk worden gerealiseerd. In dit sterk verstedelijkte gebied is dit een grote opgave. Voor 2010-2020 gaat het om bijna 400 ha en nog ca. 350 ha voor de periode daarna. Substitutie naar Deltametropool West of Oost biedt geen soelaas (naast de onwenselijkheid van regionaal-economisch perspectief), want ook deze regio’s kampen met een planningsopgave. De planningsopgave voor de zeehaventerreinen heeft in de weergave hier uitsluitend betrekking op de lange termijn na 2020 en is dan bescheiden van omvang. Het aanbod wordt gedomineerd door de realisatie van Maasvlakte II. Treedt daar verdere vertraging op, dan ziet het beeld er geheel anders uit.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

61

Tabel 4.4

Planningsopgave droge terreinen Deltametropool Zuid, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Vraag (excl. ijzeren voorraad) Aanbod (hard en zacht) Planningsopgave (excl. ijzeren voorraad) 700 312 388 2020-2030 343 0 343 2010-2030 1.043 312 731

Tabel 4.5

Planningsopgave natte terreinen Deltametropool Zuid, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Vraag (excl. ijzeren voorraad) Aanbod (hard en zacht) Planningsopgave (excl. ijzeren voorraad) 500 400 100 2020-2030 450 400 50 2010-2030 950 800 150

Deltametropool West Voor Deltametropool West resteert een planningsopgave van bijna 400 ha netto voor 20102020 en nog eens ruim 200 ha voor de periode erna. Substitutie naar Zuid of Oost is niet aan de orde, want ook in die regio’s zijn resterende planningsopgaven. Wel kan de Leidse Regio en De Bollenstreek wellicht een deel van de vraag accommoderen in de Haarlemmermeer.
Tabel 4.6 Planningsopgave droge terreinen Deltametropool West, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Vraag (excl. ijzeren voorraad) Aanbod (hard en zacht) Planningsopgave (excl. ijzeren voorraad) 612 236 376 2020-2030 262 35 227 2010-2030 874 271 603

Planningsopgave Deltametropool totaal Indien de behoefte in de vier deelgebieden bij elkaar wordt opgeteld en de som van het aanbod (hard plus zacht) hiervan wordt afgetrokken, resteert voor de Deltametropool als geheel een rekenkundige planningsopgave van ruim 1.700 ha, ongeveer gelijk verdeeld over de twee deelperioden. Deze weergave is echter vertekenend: de som van de planningsopgave van de drie ‘tekort’-regio’s is groter (bijna 1.800 ha), maar door de negatieve planningsopgave voor deelgebied Noord reduceert de opgave tot ruim 1.400 ha. Eigenlijk geeft de optelling een beeld van de situatie bij een perfecte substitutie binnen de Deltametropool. In werkelijkheid zal dit natuurlijk niet geheel zo zijn en bovendien vanuit regionaal-economische optiek ook bestuurlijk niet wenselijk.

62

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Tabel 4.7

Planningsopgave droge terreinen Deltametropool, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Vraag (excl. ijzeren voorraad) Aanbod (hard en zacht) Planningsopgave (excl. ijzeren voorraad) 2.883 2.157 726 2020-2030 1.438 415 1.023 2010-2030 4.321 2.572 1.748

In termen van bruto ruimtebeslag bedraagt de planningopgave voor droge terreinen ca. 2.500 ha.
Tabel 4.8 Planningsopgave natte terreinen Deltametropool, 2010-2030 (netto ha) 2010-2020 Vraag (excl. ijzeren voorraad) Aanbod (hard en zacht) Planningsopgave (excl. ijzeren voorraad) 830 690 140 2020-2030 633 400 233 2010-2030 1.463 1.090 373

Het bruto ruimtebeslag van de planningopgave voor natte terreinen bedraagt ruim 500 ha.

4.2

Mengen

De eerste oplossingsrichting die onder de loep wordt genomen wordt kortweg aangeduid als ‘mengen’. Mengen is het afleiden van de vraag naar andere locaties dan bedrijventerreinen en dan vooral in bestaand stedelijk gebied of nieuwe stedelijke uitleg. Beleidsmatig is met name in de periode van stadsvernieuwing ‘ontmenging’ gestimuleerd. Maar ook aan de vraagkant is er een trek naar de stadsranden opgetreden naar meer professionele vestigingslocaties. De vraag is nu of in de toekomst het meer mengen van werkfuncties met vooral wonen tot een reductie van de behoefte aan bedrijventerreinen kan leiden. Immers, een deel van de bedrijven die nu op bedrijventerreinen zijn gevestigd kunnen in theorie prima in een gemengde omgeving worden gehuisvest. En ook op nieuwe bedrijventerreinen kan worden waargenomen dat er zich kantoren en kantoorachtigen vestigen en ambachtelijke bedrijven van kleine en middelgrote schaal. Waarom zouden die niet binnen het stedelijk weefsel kunnen worden gehuisvest? Er kan een nader onderscheid worden gemaakt tussen fijnmazig mengen en grofkorrelig mengen. Onder fijnmazig mengen verstaan we het her en der tussen woonbebouwing realiseren van bedrijfshuisvesting. Het kan gaan om een pand, een strip onder appartementen, een straatzijde, of bijvoorbeeld een verzamelgebouw. Grofkorrelig mengen betreft het realiseren van kleinschalige bedrijventerreinen met een omvang van zeg 1-3 ha netto. Doelgroepen voor menging zijn in het algemeen kleinschalige bedrijven uit de lagere milieuhindercategorieën. Starters behoren hier bijvoorbeeld ook vaak toe. Menging wordt als zodanig in het algemeen positief begroet. Het terugbrengen van werkfuncties in de wijken wordt om zowel economische redenen als vanwege leefbaarheidaspecten beleidsmatig toegejuicht. In het Grote Steden Beleid is dit

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

63

bijvoorbeeld een aandachtspunt. Mengen is overigens zeker niet ‘nieuw’, maar eerder ‘oud’. De trend in de markt is juist gericht op ontmenging. Natuurlijk zijn er multifunctionele binnensteden en hechten delen van de (woon)markt ook aan een levendige sfeer. Ook zijn er bedrijven die graag in een stedelijke omgeving zijn gevestigd, bijvoorbeeld omdat ze dan dichtbij klanten zitten, of omdat het een aantrekkelijke omgeving wordt gevonden voor het personeel. Er is ook nog altijd sprake van een behoorlijke menging: in 2000 zat nog geen 40% van de werkgelegenheid op een bedrijventerrein. De bestaande menging kent vele vormen. Maar per saldo vindt er aan de vraagkant vanuit zowel bedrijven als bewoners een ontmenging plaats. Bereikbaarheid en parkeren vormen voor bedrijven een belangrijke factor, waarbij een woonomgeving het vaak aflegt tegen bedrijventerreinen aan de stadsranden. Ook zijn bedrijven bevreesd voor ‘klachten uit de buurt’. Ook als vestiging milieutechnisch kan en er geen intensieve goederenvervoerstromen zijn, kan bijvoorbeeld laden en lossen toch tot klachten leiden. Er bestaat op zijn minst het gevoel dat de rechtsbescherming voor bedrijven op dit punt relatief zwak is. Burgers vertonen op het punt van mengen ambivalent gedrag, zo geven onze gesprekspartners aan: een levendige wijk wordt toegejuicht, maar liever een straat verderop (nimby-gedrag). Natuurlijk valt er wel iets te winnen met meer aandacht voor mengen aan de aanbodzijde. Er zijn echter drie redenen om hiervan geen al te hoge verwachtingen te hebben:
• • •

meer mengen in woonomgevingen vereist vanuit bedrijvigheid gezien een betere bereikbaarheid en betere parkeermogelijkheden; financieel is bedrijfshuisvesting minder aantrekkelijk voor ontwikkelaars/beleggers dan wonen of kantoren; de grote binnenstedelijke woonopgave versterkt eerder de trend naar ontmenging.

Typerend voor dit laatste is het Ontwerp Structuurplan Amsterdam: daar wordt expliciet meer op menging gemikt, maar dat betekent dat juist enkele nu monofunctionele bedrijventerreinen geheel of gedeeltelijk worden getransformeerd. Vanuit een stedelijk ontwikkelingsperspectief zijn het begrijpelijke keuzes, maar vanuit het perspectief van ruimte voor bedrijven (niet zijnde kantoren) leidt dat voornemen eerder tot een reductie van de mogelijkheden. Wel komen er voor specifieke vormen van bedrijvigheid meer vestigingsmogelijkheden op die locaties, zo is de verwachting. De algemene conclusie luidt dus dat mengen wel een goede zaak is en ook zeker aandacht verdient, maar dat het in termen van de behoefte aan bedrijventerreinen slechts een beperkte toevoeging aan het aanbod aan vestigingsmogelijkheden kan bieden. De reducerende werking voor de ruimtebehoefte is derhalve ook gering. Voor fijnmazig mengen wordt het perspectief in termen van ruimtewinst vrijwel verwaarloosbaar geacht. Het moet wel gebeuren, maar gaat in grote lijnen om andere doelgroepen dan de vestigingen die in de vraagraming naar bedrijventerreinen gaan. Grofmazig mengen wordt eigenlijk in alle deelgebieden wel als een mogelijkheid gezien. Er wordt echter op gewezen dat in bestaand stedelijk gebied de ruimtelijke absorptiecapaciteit gering is en dat bij nieuwe uitleg het kostentechnisch niet altijd interessant is en dus niet snel wordt gedaan. Per saldo gaat het maximaal om ca. vijfentwintig locaties met in totaal 25-75 ha netto. Er is een beperkte gebiedspecifieke differentiatie. De mogelijkheden voor grofkorrelig mengen zijn wat groter in de grote steden waar wijken worden gerevitaliseerd (Westelijke Tuinsteden Amsterdam, oude wijken op de linkermaasoever Rotterdam, Kanaleneiland Utrecht en Den Haag Zuidwest). Ook in andere plaatsen is grofkorrelig mengen een aandachtspunt waarmee bescheiden resultaten kunnen worden geboekt. Bij nieuwe stedelijke uitleg is dit een algemeen aandachtspunt, waarbij nogmaals zij aangetekend dat het financieel in het algemeen niet gunstig uitwerkt op de grondexploitatie. Maar reststroken zouden wellicht hiervoor kunnen worden aangewend. Gelet op de omvang van de regio’s en huidige arealen bedrijventerrein schatten wij de verdeling van mogelijkheden voor grofmazig mengen als volgt.

64

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Tabel 4.9

Potentiële ruimtewinst door grofmazig mengen Aantal terreinen grofmazig mengen 8 4 8 5 25

Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Deltametropool
Bron: Bureau BUITEN.

Netto areaal ha 8-24 4-12 8-24 5-15 25-75

De totale bijdrage is dus gering. Wij wijzen er overigens op dat indien beleidsmatig voor een harde planologische restrictie wordt gekozen om bedrijventerreinen alleen open te stellen voor bedrijven uit milieuhindercategorieën III en hoger en er tegelijkertijd voldoende aantrekkelijke en goed bereikbare alternatieven voor categorie I en II-bedrijven zouden worden geboden, er potentieel een groter bereik van deze oplossingsrichting valt te verwachten. In de werkconferenties is echter een gering draagvlak hiervoor naar voren gekomen en een sterke twijfel geuit aan de wenselijkheid hiervan in de eerste plaats en de uitvoerbaarheid hiervan in de tweede plaats.

4.3

Herstructureren

De tweede oplossingsrichting waar wij naar kijken voor het invullen van de planningsopgave is herstructurering van verouderde bedrijventerreinen. Als verouderde en soms onderbenutte terreinen na een herstructurering nieuw uitgeefbaar terrein opleveren of intensiever kunnen worden gebruikt, kan dat een reductie van de nieuwe ruimtevraag betekenen. ‘Ruimtewinst’ kan dus uit twee elementen bestaan: nieuw uitgeefbare ruimte of een intensiever gebruik (bijvoorbeeld tot uitdrukking komend in minder ruimtegebruik per arbeidsplaats of een grotere gemiddelde floor-space-index (FSI)). Vooropgesteld moet worden dat ruimtewinst in veel gevallen een nevenproduct is en zelden het hoofddoel. Met herstructurering wordt verbetering van het vestigingsklimaat nagestreefd en wordt verdere verloedering een halt toegeroepen. Het werkt daarmee wel preventief in termen van ruimtevraag: door herstructurering wordt (verder) vertrek naar andere bedrijventerreinen voorkomen. Alle partijen benadrukken dat herstructurering een moeizaam, kostbaar en tijdrovend proces is. Om de herstructurering van het bedrijventerrein mogelijk te maken is vaak schuifruimte noodzakelijk en die is niet altijd beschikbaar op de juiste plek of tijd. Een ander aspect is dat herstructurering, vanuit de noodzaak om meer kostendragers te vinden, niet zelden leidt tot het toevoegen van een kantorenrand, hetgeen in de ogen van sommigen vanuit het perspectief van ‘ruimte voor bedrijfshuisvesting’ soms als een verlies aan bedrijventerreinenareaal wordt gezien. Er zijn inmiddels tal van onderzoeken naar herstructurering van bedrijventerreinen gedaan en er is ook een behoorlijke expertise over opgebouwd. Als vuistregel wordt vaak een ruimtewinst van 5-10% nieuw uitgeefbaar terrein gehanteerd. In een wat oudere inventarisatie uit 1997 van harde en zachte herstructureringsvoornemens van de 25 grootste gemeenten door RIGO wordt een areaal van 550 ha nieuw uitgeefbaar terrein verwacht op een totaal te herstructureren areaal van bijna 5.400 ha; een winst van iets meer dan 10% dus. In de Deltametropool betreft het in die inventarisatie ca. 200 ha in de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht, Haarlem, Leiden en Schiedam. Een inventarisatie door Bureau BUITEN van herstructureringsplannen in het ROA-gebied voor de periode 2000-2010 geeft per saldo geen nieuw uitgeefbare ruimte (de ruimte nodig voor uitplaatsing elders is

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

65

gelijk aan nieuw uitgeefbaar terrein) maar wel een belangrijke intensiveringsimpuls (stijging gemiddelde FSI met 10-15% door verdichting en stapeling). Het lopende programma herstructurering bedrijventerreinen van de gemeente Amsterdam20 levert minimaal 160 ha (her)nieuw(d) uitgeefbaar terrein, op een te herstructureren areaal van 1.700 ha (minimaal 9% ‘winst’ dus). Bij vier van de negen te herstructureren terreinen (met in totaal bijna 700 ha) is de ruimtewinst nog pro memorie. Opgemerkt wordt dat één terrein, namelijk de Australiëhaven, verantwoordelijk is voor bijna 80% van de winst21. Er zijn ook andere succesvolle voorbeelden van lopende of afgeronde herstructureringsprojecten in de Deltametropool met een soms aanzienlijke ruimtewinst:
• • • • •

Waarderpolder in Haarlem (meer dan 30 ha nieuw uitgeefbaar); Wilton-Feijenoord in Schiedam (ca. 30 ha nieuw uitgeefbaar); De Liesbosch te Nieuwegein (een forse ruimtewinst en intensiveringsslag ten opzichte van de uitgangssituatie); Laakhaven in Den Haag (5 ha) (zij het dat daar ook vee transformatie heeft plaatsgevonden); De Baanderij in Leiderdorp (2 ha).

ETIN heeft in 2000 een inventarisatie gemaakt van de herstructureringsopgave in de Randstad. In totaal gaat het daarbij 128 terreinen, die tezamen iets meer dan 5.000 ha beslaan (16% van de voorraad in ha). In Zuid-Holland gaat het om 71 terreinen en 2.600 ha. In Noord-Holland om 29 terreinen (waarvan 26 binnen de Deltametropool) met ruim 1.350 ha (kleine 1.300 ha in Deltametropool). In Utrecht betreft het 21 terreinen met in totaal 700 ha, waarvan 500 ha binnen de Deltametropool. In Flevoland betreft het 7 terreinen met in totaal 500 ha, waarvan er 2 ter grootte van 87 ha in Almere (dus binnen de Deltametropool) liggen. ETIN waagt zich niet aan uitspraken over ruimtewinst; ruimtewinst wordt of niet becijferd of gebagatelliseerd. Met name wijst ETIN in dit verband op de extra ruimte die verhuizers vragen als ze vertrekken of worden uitgeplaatst. Tevens merkt ETIN op dat ruimtewinst niet centraal behoort te staan bij herstructureringsprojecten (wat wij Bureau BUITEN wel onderschrijft, maar wij merken hierbij op dat het in tijden van schaarste natuurlijk wel een gewenst nevendoel kan en mag zijn). Voor de Rotterdamse regio heeft ETIN een nadere specificatie gemaakt van de herstructureringsopgave. Het gaat om 47 terreinen met in totaal ruim 1.100 ha waarvan bijna 400 ha een intensive herstructurering nodig heeft. Voor 900 ha gaat het om een start na 2006, voor ca. 400 ha een start na 2010. Ruimtewinst in die trajecten zou wel degelijk interessant zijn voor de opgave waar dit rapport over gaat. Volgens ETIN is daar per saldo echter geen ruimtewinst bij te halen22. Enigszins tegenstrijdig is dat elders in het rapport een tabel staat met acht cases binnen het gebied waarin voor te herstructureren terreinen met een omvang van 620 ha een positieve beoordeling wordt gegeven op het punt van ruimtewinst. Die winst is echter niet gespecificeerd. In dit onderzoek ligt de focus (enigszins eenzijdig) op de potentiële ruimtewinst. Daarom is het ons inziens interessant en relevant om een beeld te schetsen wat de ruimtelijke bijdrage van herstructurering zou kunnen zijn, uitgaande van de herstructureringsopgave zoals vastgesteld door ETIN en onder verschillende aannames over de ‘opbrengst’ daarvan. Voorwaarde is dan natuurlijk wel dat er aanvullende middelen dienen te komen voor herstructurering van bedrijventerreinen. Het huidige en voorziene instrumentarium van het Ministerie van

Programma Herstructurering Bedrijventerreinen 1999-2004, gemeente Amsterdam (2000) Dit aanbod is in de aanbodinventarisatie meegenomen en kan dus niet nogmaals als ruimtewinst worden opgevoerd. 22 Zonder bronvermelding beweert ETIN dat over ruimtewinst percentages van 15-25% ‘de ronde doen’ (aanhalingstekens BB), maar dat 5% realistischer is. Vervolgens wordt gezegd dat in de Rotterdamse regio, vanwege de algehele krapte, helemaal geen winst te halen is.
20 21

66

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Economische Zaken is bij lange na niet toereikend om daadwerkelijk 4.400 ha te gaan herstructureren binnen afzienbare termijn.
Tabel 4.10 Herstructureringsopgave volgens ETIN en rekenkundige potentiële ruimtewinst Bureau BUITEN (bruto ha) Omvang herstructureringsopgave 1.381 501 1.933 614 4.428 2% ruimtewinst 28 10 39 12 89 5% ruimtewinst 69 25 97 31 221 10% ruimtewinst 138 50 193 61 443

Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Deltametropool

Bron; Herstructurering bedrijventerreinen in de Randstad provincies, ETIN, Tilburg 2000, bewerking omvang areaal Bureau BUITEN; berekening: Bureau BUITEN

Er zijn uiteraard wel kanttekeningen te plaatsen bij een dergelijke rekenkundige benadering. Veel betrokkenen die in het kader van dit project zijn geïnterviewd - gemeenten, Kaderwetgebieden, Kamers van Koophandel, provinciale contactpersonen – menen dat de grote klappers in termen van ruimtewinst al onderhanden zijn genomen of voor 2010 op de markt komen. Dat zal deels ongetwijfeld zo zijn, maar gelet op de lange looptijden van herstructureringsprojecten, de grote opgave en de beperkte middelen, zal een aanzienlijk deel toch ook betrekking hebben op de periode na 2010 (en bovendien worden aangevuld met ‘nieuwe’ gevallen). Laat de 10% te optimistisch zijn vanwege het genoemde selectieeffect, dan nog is de 5%-kolom louter vanuit de ruimtelijke opgave waar het hier over gaat interessant genoeg. Een tweede, belangrijke kanttekening heeft betrekking op de kosten: herstructurering levert ‘dure’ vierkante meters. Vanuit een oogpunt van kosteneffectiviteit is nieuw aanmaken al snel goedkoper dan herstructureren. Een dergelijke tactiek van de verschroeide aarde – het laten verwaarlozen van oude terreinen en vervangen door nieuwe uitleg - is in de drukke Deltametropool natuurlijk weinig duurzaam. Maar het argument is wel valide: herstructurering kost absoluut en relatief veel geld en inspanning. En naar het zich laat aanzien zijn extra middelen van het Rijk voor herstructurering voorlopig beperkt. Dat het lang duurt is ook waar, maar dat is vanuit de optiek van dit project – waar juist wordt gekeken naar de lange termijn – niet zo erg. In de verschillende deelgebieden is en wordt ook reeds aan herstructurering gewerkt. Deels komen geherstructureerde de terreinen vóór 2010 op de markt. Wij geven van die programma’s en voornemens nog even een indruk. In het ANZKG is reeds 200 ha ruimtewinst geboekt en er zit nog ca. 75 ha ruimtewinst in de pijplijn. De opbrengst van het lopende herstructureringsprogramma Amsterdam is reeds gememoreerd. In Utrecht zijn de verwachtingen minder hoog: bij de herstructurering van de Utrechtse gemengde terreinen, die aantoonbaar een gemiddeld lagere terreinquotiënt hebben dan de terreinen in Zuid-Holland, wordt per saldo (nieuw uitgeefbare ruimte minus ruimte nodig voor uitplaatsing) geen ruimtewinst verwacht. Maar bijvoorbeeld op Lage Weide (het grootste terrein in de provincie) is een verdere verdichting in enkele deelgebieden wel denkbaar. Voor Haaglanden is de herstructureringsopgave becijferd op zo’n 600 ha, waarbij indicatief is becijferd dat een kleine 70 ha ruimtewinst te boeken valt23. In de Leidse regio komt door

23

Gegevens van het Stadsgewest Haaglanden

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

67

revitalisering van terreinen (Zoeterwoude, Voorschoten en Oegstgeest) 25 ha netto beschikbaar24. In het Rijn Gouwe gebied komt er door herstructurering van diverse terreinen in Alphen e.o (locaties: Rijnhaven, Hogewaard en Bovenland) ca. 10 ha uitgeefbaar terrein op de markt. Dat is ca 10% ruimtewinst25. Voor heel Zuid-Holland bevatten de regioconvenanten die in het kader van DECOR zijn gesloten een omvangrijk pakket aan herstructureringen. Het streven naar ruimtewinst is één van de elementen daarin. Per saldo wordt geconcludeerd dat herstructurering wel enige bijdrage aan de invulling van de planningopgave kan leveren. In tabel 4.11 is een voorzichtige inschatting neergezet. De lopende herstructureringsprogramma’s en voornemens laten zien dat de potentiële opbrengsten in termen van ruimte nog wel eens hoger kunnen uitvallen. In onze voorzichtige weergave gaat om tussen de 64 en 158 ha netto.
Tabel 4.11 Potentiële ruimtewinst door herstructurering Ondergrens bruto netto 28 20 10 7 39 28 12 9 89 64 Bovengrens bruto netto 69 49 25 18 97 69 31 22 221 158

Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Deltametropool

Bron: IBIS, bewerking Bureau BUITEN.

In de werkconferenties is de nodige twijfel geuit bij het realiteitsgehalte van ruimtewinst bij herstructurering en vooral benadrukt dat aan de randvoorwaarden (o.a. middelen, schuifruimte) moet zijn voldaan om hier vorderingen in te boeken. Bureau BUITEN wijst erop dat indien betere randvoorwaarden worden gecreëerd (door het Rijk, maar ook door planoptimalisatie, inzet van de lagere overheden zelf en meer private inbreng), er vermoedelijke een grotere opbrengst valt te boeken. Nochtans bestaat er de nodige scepsis over de haalbaarheid en een grote vrees voor het inboeken van de ‘ruimtewinst’ voordat de resultaten daar zijn.

4.4

Intensiveren

De derde oplossingsrichting die wordt onderzocht betreft intensivering van het ruimtegebruik. Het gaat daarbij om het effect van het totaal aan acties dat denkbaar is om meer bedrijven en/of werknemers op eenzelfde hoeveelheid bruto bedrijventerrein te huisvesten. Daarbij maken wij een onderscheid tussen intensivering op bestaande, niet-verouderde, terreinen26 en intensivering op nieuwe bedrijventerreinen.

Bron: ECORYS-NEI. Leidse Regio sleutel tot succes: Ruimtelijk economisch beleidsplan Leidse Regio, 2000. 25 Bron: BRO/Kamer van Koophandel Rijnland. Bedrijventerreinenstrategie Alphense Regio, 2001. 26 Intensivering op bestaande verouderde terreinen wordt tot herstructurering gerekend.
24

68

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Intensivering op bestaande terreinen In het kader van de deskresearch voor dit deel van het onderzoek heeft Bureau BUITEN voor de deelgebieden Zuid, West en Oost27 en voor Flevoland een verkennende analyse gemaakt van de huidige intensiteit van het ruimtegebruik op een selectie van bedrijventerreinen uit het IBIS. Die gegevens zijn gekoppeld aan werkgelegenheidscijfers van de provincies of het LISA. Daaruit blijkt dat vooral in Zuid en in mindere mate in West een behoorlijk aantal gemengde bedrijventerreinen zijn te identificeren die – sec op basis van statistisch materiaal een geringe werkgelegenheidsdichtheid kennen per ha. Extremen zijn buiten beschouwing gelaten:
• • • •

er is alleen naar gemengde terreinen gekeken; alleen vrijwel volledig uitgegeven locaties; kantorenlocaties die als bedrijventerrein zijn geregistreerd zijn voor zover bij ons bekend uit het bestand verwijderd; extreme waarden zijn bij de analyse buiten beschouwing gebleven, omdat vermoed kan worden dat daar ‘iets bijzonders’ aan de hand is, of dat de data niet kloppen.

De terreinen die dan overblijven zijn vergeleken met een door ons gekozen normdichtheid van 50 arbeidsplaatsen per ha (terreinquotiënt van 200 m2/w.p.). Deze terreinen zijn met enkele karakteristieken opgenomen in bijlage 4. Vervolgens is becijferd hoeveel arbeidsplaatsen er in theorie op die terreinen extra kunnen worden gehuisvest, indien het verschil met die normdichtheid voor respectievelijk 10-50% wordt ingelopen. Die extra banen zijn vervolgens met dezelfde normdichtheid omgezet naar ha. In tabel 4.12 is de potentiële, theoretische opbrengst hiervan weergegeven.
Tabel 4.12 Potentiële opbrengst door intensivering op bestaande terreinen (netto ha) ‘Opbrengst’ ha 10% reductie ‘Opbrengst’ ha 50% reductie gat norm TQ gat norm TQ Deltametropool Noord 11 55 Deltametropool Oost 14 70 Deltametropool Zuid 24 118 Deltametropool West 10 50 Deltametropool 59 293 N.B. De weergegeven opbrengst voor deelgebied Noord heeft alleen betrekking op de locaties in Flevoland (Almere).
Bron: IBIS en provinciale werkgelegenheidsregisters Utrecht, Zuid-Holland, Flevoland, bewerking Bureau BUITEN.

Het is natuurlijk een eenzijdige, louter rekenkundige exercitie. Er zijn dan ook de nodige kanttekeningen bij te plaatsen:

de vraag is legitiem of wel naar alleen ruimtegebruik moet worden. Inde werkconferenties is dat er legio achtergronden kunnen zijn en dat er meer is dan ruimtegebruik alleen als het gaat om het waarderen van de rol van bedrijven. Dat is volstrekt juist, maar in kader van dit project ligt de focus op het aspect ruimte; er zijn opmerkingen gemaakt en twijfels geuit over de kwaliteit van het statistisch materiaal; kloppen gegevens over ruimte en werkgelegenheid wel?

Deze analyse is niet gemaakt voor Deltametropool Noord, want de provincie Noord-Holland heeft de daartoe benodigde gegevens niet ter beschikking gesteld.
27

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

69

er is gewezen op specifieke karakteristieken van individuele terreinen of bedrijven (bijvoorbeeld; bedrijvigheid in de offshore met veel buitenopslag zal altijd ‘laag’ scoren in dit soort analyses; er is op gewezen dat een lage benutting ook iets kan zeggen over de ligging en kwaliteit van het terrein; soms zijn er niet meer bedrijven te interesseren om zich op een dergelijke locatie te vestigen.

In het algemeen in werkconferenties weinig draagvlak voor deze wijze van identificeren ‘underperformers’ in ruimtelijke zin. De conclusie in de werkconferenties was dat op een incidentele uitzondering na – waar nog restruimte uitgeefbaar is te maken of waar een strategische reserve van een bedrijf wordt afgestoten – er op bestaande, niet-verouderde terreinen nauwelijks ruimtewinst valt te boeken. Bureau BUITEN beweert ook geenszins dat op basis hiervan ‘ruimte voor het oprapen ligt’. Het is slechts een ‘tool’ die een aangrijpingspunt kan bieden. Als ruimte voorbedrijven werkelijk zo schaars is, dan kan het zinvol zijn om op regionaal niveau een optimaliseringstraject te starten, te beginnen met een scan van terreinen die kennelijk een geringe werkgelegenheid per ha hebben. Wellicht dat met herschikking op vrijwillige basis ruimtewinst valt te behalen. Dit vergt een meerjarige inspanning op regionaal niveau en naast procesmiddelen ook additionele investeringsmogelijkheden. Het is niet eenvoudig, maar het is een beleidsoptie. Nieuwe locaties zijn natuurlijk een makkelijker weg. Maar als die om wat voor reden dan ook niet tijdig in voldoende mate worden gevonden, omdat bijvoorbeeld de politieke wil ontbreekt, dan is dit wellicht de moeite van het overwegen waard. Intensivering nieuwe terreinen Intensivering, ook wel aangeduid met ‘zorgvuldig ruimtegebruik’, moet worden afgezet tegen een referentiepunt. Per saldo gaat het hier dan om de in de vraagraming gehanteerde gegevens over het ruimtegebruik per arbeidsplaats. Nu dient te worden bedacht dat in de BLM er voor industrie en handel wordt gerekend met stijgende terreinquotiënten. Die nemen toe met 0,5%-1% per jaar. Cumulatief is dat respectievelijk ruim 10% tot 22% voor de periode 2010-2030 (en nog meer voor de periode 2000-2030!). Er is soms simpele winst te boeken in de ontwerpfase:
• • • •

hogere netto-bruto-verhouding (efficiënt verkavelen, minder verspreid groen); efficiëntere parkeeroplossingen; geen krappe en/of ‘onhandige’ maximumnormen voor hoogte of bebouwingspercentages, maar bij voorkeur minimumnormen; ‘optopping’ van kantoren als uitgangspunt en het stimuleren van meer ondergrondse en gestapelde bouw (en bij nieuwe terreinen daarmee rekening houden met funderingen!); aaneengesloten bebouwing voor een deel van het terrein.

In aanvulling met advies- en begeleidingsteam bij vestiging is er een behoorlijk potentieel. Een grotere rol voor projectontwikkelaars kan hierbij ook helpen. En de kosten zijn niet altijd hoger, zoals onlangs is aangetoond in een rapport van o.a Inbo. Er kan spanning ontstaan tussen intensivering enerzijds en ruimtelijke kwaliteit (of eisen van externe veiligheid28) anderzijds. De vraag is echter wel of juist extra bruto ruimte de wijze is om kwaliteit te vormen als er een zodanige krapte is. De ‘bottom line’ is dat intensivering moet aansluiten op de preferenties in de markt. Het nieuwe locatiebeleid kan ook goede diensten bewijzen: dat

28

Externe veiligheid is vanzelfsprekend een harde randvoorwaarde. BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

70

wordt meer ingericht naar de eisen van de markt, maar mikt ook op een zuinig gebruik van de ruimte. In dit licht beschouwd zijn de streefpercentages in de Concept Ontwerp Streekplan n NoordHolland (10%), respectievelijk Keuzennota voor het Streekplan in Utrecht (15%) wel ambitieus, maar niet onhaalbaar. Er is aan een belangrijke conditie voldaan, nl. een hoge ruimtedruk. Bemoedigend is in dit verband ook dat in Utrecht in een concreet geval – bedrijventerrein Larenstein in De Bilt - nu ca. 12% ‘winst’ wordt geboekt ten opzichte van een ‘klassieke’ aanpak29. Bijzonderheid is wel dat hier alle gebruikers op voorhand bekend zijn. In Zuidelijk Flevoland is vooral veel winst te boeken door veel zorgvuldiger dan in verleden naar de ontwerpopgave te kijken. een winst van 10-15% ten opzichte van de praktijk in het verleden is goed mogelijk30. De situatie in West en Zuid is voor nieuwe terreinen in zekere zin vergelijkbaar met die in Noord-Holland en Utrecht. Ook hier is sprake van een hoge ruimtedruk en stijgende grondprijzen. Als bijzonderheid wordt voor Zuid opgemerkt dat juist in dit gebied ruimtelijk meer extensieve bedrijventerreinen in het aanbodpallet zijn ondervertegenwoordigd. Dergelijke bedrijvenparken kunnen echter ook in een vorm wel met veel groen, maar met een veel hogere FSI op de kavels worden gerealiseerd. In tabel 4.13 is weergegeven welke ‘ruimtebesparing’ kan worden gerealiseerd, indien nieuwe terreinen met meer aandacht voor zorgvuldig ruimtegebruik worden ontwikkeld. Voorzichtigheidshalve is hier met bescheiden winstpercentages gerekend van 5%-10%. Als grondslag is de som van de harde en zachte planvoorraad31 gehanteerd. Per saldo betreft het 130-260 ha.
Tabel 4.13 Potentiële opbrengst door intensivering op nieuwe locaties (netto ha) Ondergrens intensivering nieuw (5%) 94 5 16 14 129 Bovengrens intensivering nieuw (10%) 188 11 31 27 257

Deltametropool Noord Deltametropool Oost Deltametropool Zuid Deltametropool West Deltametropool

Om dit te realiseren moet er wel een beleidspakket tegenover staan, waarbij rekening wordt gehouden met de voorkeuren in de markt. In de werkconferenties is in het algemeen instemming geuit bij de haalbaarheid van intensivering in de ordes van grootte zoals hier vermeld. Wel zijn ook op dit punt aarzelingen geuit bij het vooraf inboeken van de winst.

Vermeldenswaard is verder dat hier bestaande waardevolle groenstructuren ook in de verdichte variant zoveel mogelijk zijn ingepast. 30 Bureau BUITEN, Efficiënt ruimtegebruik op bedrijventerreinen in Zuidelijk Flevoland, Provincie Flevoland 2002. 31 Er valt ook iets te zeggen voor het hanteren van de berekende vraag als grondslag voor de berekeningen.
29

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

71

4.5

Nieuwe locaties en zoekrichtingen

Na verrekening van de bijdragen uit mengen, herstructureren en intensiveren resteert voor drie van de vier deelgebieden (nog) een aanzienlijk gat tussen vraag en aanbod. In tabel 4.14 is dit weergegeven.
Tabel 4.14 Resterende planningsopgave na mengen, herstructureren en intensiveren (netto ha) Noord -69 8 - 24 20 - 49 105 - 210 -353 tot -202 Oost 459 4 - 12 7 - 18 19 – 39 390 tot 428 Zuid 731 8 - 24 28 - 69 39 - 78 560 tot 656 West 603 5 - 15 9 - 22 24 – 47 519 tot 566

Planningsopgave Mengen Herstructureren Intensiveren Resterende opgave

Al eerder is opgetekend dat het geen vanzelfsprekende zaak is dat de genoemde getallen voor mengen, herstructureren, intensiveren ook worden gerealiseerd. Het vergt soms aanzienlijke beleidsinspanning, vooral in het geval van herstructurering. Er zijn ook meer principiële bezwaren geuit tegen de wijze waarop saldering of verdiscontering wordt gehanteerd. In de ogen van sommige partijen doet een dergelijke aanpak geen recht aan de noodzaak van nieuwe locaties. Er bestaat het sterke gevoel dat de huid niet moet worden verkocht voor beer is geschoten. Als er geen middelen voor herstructurering komen, dan is er ook geen ruimtewinst (en dat is ook reëel). Als alternatieve oplossing is ook gesuggereerd om de markt veel meer vrijheid te geven. Ook herhalen wij nogmaals dat met name de herstructureringsoplossing32 niet de meest kosteneffectieve is, indien sec naar de marktprijs van uitleg wordt gekeken. Voor Deltametropool Noord blijkt uit onze analyse geen extra planningsopgave. Voor Deltametropool Oost wordt nog opgemerkt dat het aanbod aan bedrijventerreinen in Zuidelijk Flevoland een deel van de planningsopgave voor Oost kan ondervangen. Dat is in lijn met de meerjarige politieke keuze, waarin Utrecht voor de toekomst kiest voor een profilering van een ‘beheerste economische groei’ en een zekere selectiviteit. Er leeft – ook onder partijen van het bedrijfsleven - de overtuiging dat dit voor Utrecht de weg is naar een gezonde economie en een leefbare omgeving. In het kader van het nieuwe Streekplan is het provinciebestuur voornemens opnieuw een convenant met Flevoland af te sluiten voor het afleiden van een deel van de druk op de Utrechtse bedrijfshuisvestingsmarkt. De luxe positie hangt natuurlijk sterk samen met de ligging en de economische structuur van de provincie. Er treden natuurlijk wel verdringingseffecten op en Utrecht doet een beroep op zijn omgeving om ruimteproblemen op te lossen. Als gevolg hiervan kan de vraag naar bedrijventerreinen in Utrecht lager uitvallen. De keerzijde is natuurlijk wel dat Utrecht een steeds eenzijdiger samengestelde economische structuur krijgt, die mogelijk ook gevoeliger wordt voor specifieke sectorschokken (zoals de huidige neergang in de telecommunicatie bijvoorbeeld).

32

Dit doet overigens niets af aan het belang en doel van herstructurering: kwaliteitsverbetering en daarmee behoud van vitaliteit van bestaande bedrijventerreinen. BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

72

Aan verruiming van de planologische mogelijkheden valt met name in Zuid en in West niet te ontkomen, zo blijkt uit onze analyse. In eerste aanleg kunnen hiervoor ook de in de aanbodinventarisatie opgenomen opties en mogelijkheden worden benut (zie tabel 3.13). Voor Zuid gaat om bijna 500 ha, voor west om ca. 200 ha. Veel van deze locaties zijn echter in hoge mate onzeker en meer dan eens rust er meer dan één ruimteclaim op de genoemde gebieden. Meer nog dan voor de ‘zachte’ locaties is het waarschijnlijk dat een deel hiervan nooit aan de orde komt. Ook is daarbij nog geen rekening gehouden met de ongunstige uitgangssituatie (te weinig terrein op voorraad tot 2010) en de behoefte aan schuifruimte om herstructurering op gang te kunnen brengen. Ook de locaties aan de rand van de Deltametropool kunnen worden benut om de ruimtebehoefte van de Deltametropool te faciliteren. Helaas ligt echter een groot deel van die locaties aan de noord- en noordoostzijde, wat geen soelaas biedt voor Zuid en West. Voor Zuid lijken de verschillende opties in de Hoekse waard een absolute noodzaak om in de regionale behoefte te kunnen voorzien. In aanvulling hierop zijn in voorgesprekken en de werkconferenties de volgende zoekrichtingen genoemd. Voor Deltametropool West: • ca. 20 ha netto extra bij Oostvlietpolder (uitbreiding van 40 ha naar 60 ha netto); • 100 ha bruto, de Triangel (Waddinxveen), maar hiervoor is ook wonen in beeld; • locaties van op termijn (na 2010) mogelijk te saneren glastuinbouw: − 10-tallen ha (bruto), Rijnstreek noord (Alkemade, Ter Aar); − 20-50 ha (bruto), omgeving Pijnacker; − 50-100 ha (bruto), omgeving Rijswijk; − 20-50 ha (bruto) omgeving Naaldwijk. • Roombruglocatie; • MEOB-terrein in de Leidse regio; • De Waard & Hallengebied (Leiden) als herstructureringslocatie; • de randen van het Groene Hart, met name langs de A4 bijvoorbeeld bij Leiderdorp in de Munnikenpolder (HSL komt hier weer boven de grond), of Rode Polder. Voor Deltametropool Zuid zijn als zoekrichtingen genoemd: zoeklocatie op Voorne-Putten (nog niet bekend waar) voor ca. 200 ha, waarvan 100 ha voor 2020 en 100 ha erna. Voorwaarde daarvoor is dat Maasvlakte II er komt en een verbetering van de ontsluiting van Voorne-Putten; • ca. 50 ha netto ha, sanering en transformatie van oude glastuinbouwgebieden in de 3Bgemeenten (Berkel Rooderijs, Bleiswijk en Bergschenhoek). Het gaat dan om nietduurzaam glas. Voorwaarden: procesbegeleiding en subsidiering van onrendabele top; • ca. 200 ha netto in de Hoeksewaard nabij de A29 (als ontwikkelingsrichting voor de regio aangemeld door SRR). Randvoorwaarden: adequate inpassing in het landschap en goede aansluiting op de A29; • enige reservecapaciteit in de A15-corridor.

Een mogelijkheid voor de lange termijn die voor zowel Zuid als West aan de orde is betreft een verdere reductie van het areaal glastuinbouw in deze zeer verstedelijkte gebieden33. Uiteraard dienen er dan geschikte vervangende locaties beschikbaar te zijn en flankerend beleid. Marktwerking – de druk vanuit sectoren met een hogere ruimteproductiviteit op de landbouw in het algemeen en de glastuinbouw in het bijzonder – moet hier op termijn tot meer mogelijkheden leiden. Als de politieke wil aanwezig is, geeft dat natuurlijk te zijner kansen.

33

Dit rapport is opgesteld vanuit de vraag naar bedrijventerreinen. Over de wenselijkheid of onwenselijkheid van glastuinbouw op specifieke locaties doen wij geen uitspraken.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

73

Hoewel de lijst met suggesties in principe wel zodanig lang is dat in theorie een sluitend beeld tussen vraag en aanbod in beide deelregio’s (Zuid en West) mogelijk is, is de praktijk weerbarstiger. Dat sluitende beeld is, globaal gesproken, alleen te realiseren als alle genoemde locaties daadwerkelijk en tijdig als bedrijventerrein worden gereserveerd (het ontwikkeltempo dient uiteraard te worde afgestemd op de marktontwikkelingen) en de resultaten van de andere oplossingsrichtingen er ook komen. Met name voor Zuid en in iets mindere mate voor West is de slotconclusie dat aan meer planologische reserveringen niet te ontkomen valt. Er rust dus een belangrijke taak op de regionale partijen om de planologische reserveringen met (nog) meer spoed ter hand te nemen. Zonder intensief beleid en forse extra reserveringen moet voor die regio’s de hamvraag van de werkgroep bedrijventerreinen - ’is op termijn binnen de Deltametropool een tijdig en kwantitatief voldoende aanbod van bedrijventerreinen verzekerd/haalbaar?’ – negatief worden beantwoord.

74

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

5

Conclusies en aanbevelingen

In dit slothoofdstuk wordt in het kort ingegaan op de belangrijkste bevindingen van dit project en worden enkele aanbevelingen gedaan. De nadruk ligt meer op kwalitatieve aspecten, in aanvulling op de sterk kwantitatieve eerdere hoofdstukken. Voor een juiste interpretatie van de resultaten is een goed inzicht in aannames, beperkingen en risico’s van belang. Voor alle helderheid worden die hier zeer in het kort weergegeven. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in factoren die de planningsopgave mogelijk onderschatten (te lage vraag of te hoog aanbod) en factoren die mogelijk tot een hogere of te hoge planningsopgave leiden (te hoge vraag, te gering aanbod). De planningsopgave valt mogelijk (te) hoog uit doordat: de vraag is gebaseerd op een scenario van hoge economische groei (3,25% economische groei per jaar); er is gerekend met een verdeling van werkgelegenheidsgroei binnen Nederland die per saldo gunstig is voor de Deltametropool (gunstiger dan in de Vijfde Nota); met flink stijgende terreinquotiënten is gerekend vanwege het verschil in ontwikkeling tussen arbeids- en ruimteproductiviteit; een stijgend aandeel van de werkgelegenheid op bedrijventerreinen is verondersteld; de reikwijdte van oplossingsrichtingen relatief beleidsarm en derhalve beperkt is ingeschat. De planningsopgave valt mogelijk (te) laag uit doordat: de deelgebieden nog relatief groot zijn voor regionale bedrijfshuisvestingsmarkten en impliciet een perfecte binnenregionale substitutie is verondersteld; er geen segmentering is gehanteerd voor ‘droge’ bedrijventerreinen; in het GC-scenario een trendbreuk zit na 2020, die leidt tot een relatief sterke afname van de vraag na 2020; er impliciet is gerekend met een gunstige uitgangssituatie in 2010 en er geen ijzeren voorraad is opgenomen; geen extra ruimtereservering voor landschappelijke inpassing of waterberging is gerekend; zachte locaties (maar niet de opties en mogelijkheden) zijn meegeteld bij het aanbod bij het berekenen van de planningsopgave. Onze hoofdconclusie is dat er voor drie deelgebieden - Oost, Zuid en West - een aanzienlijke planningsopgave resteert, na een inschatting van de reikwijdte van de andere oplossingsrichtingen. Voor de regio Noord lijkt dit beeld gunstiger, maar dat is enigszins geflatteerd (zie voorafgaande punt). Onze hoofdconclusie is dat, met uitzondering van Deltametropool Noord, er voor de drie andere deelgebieden nog een aanzienlijke resterende planningsopgave resteert, na een inschatting van de reikwijdte van de andere oplossingsrichtingen. Voor de deelgebieden Zuid en West zijn er, naast zorgen over het aanbod op de kortere termijn (die buiten het bestek van dit project vallen), ook voor de langere termijn een omvangrijke planningsopgave. Hier is uitzicht op ‘Voldoende bedrijventerreinen in de Deltametropool’ zeker nog niet in zicht. De gemaakte inschattingen over de reikwijdte van de verschillende oplossingsrichtingen zijn, met name als gevolg van de visie van uiteenlopende partijen in de werkconferenties,

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

75

uiteindelijk tamelijk conservatief ingezet. Weliswaar zijn daarvoor goede argumenten te geven en is er voor het argument ‘eerst zien dan geloven’ ook wat te zeggen, onze indruk is dat de perspectieven op sommige punten gunstiger kunnen uitvallen, omdat:
• • • •

het effect van marktdruk en stijgende grondprijzen op het gedrag van zowel bedrijven als ontwikkelaars enigszins onderbelicht blijft in de perceptie van het hier en nu; er ten opzichte van het verleden echt wel een effectievere en meer zorgvuldige aanwending van de ruimte op een marktgerichte wijze tot de mogelijkheden behoort; naar verwachting op langere termijn een grotere rol voor projectontwikkelaars in het verschiet ligt voor het ontwikkelen en uitgeven van (delen van) terreinen; er van een tamelijk passieve beleidscontext is uitgegaan.

Naast deze conclusies en opmerkingen hebben wij de volgende aanbevelingen:

De eerste is een obligate, maar niet minder serieuze aanbeveling: maak tijdig ernst met het planologisch reserveren (al is het maar als reservelocatie) van bedrijventerreinen; Regionale samenwerking is in verschillende delen van de Deltametropool al ingezet. Die lijn dient te worden voorgezet. Onze analyse maakt duidelijk dat meer samenwerking op soms een hoger geografisch schaalniveau onontbeerlijk is om in de behoefte aan bedrijventerreinen te kunnen voorzien. Op eigen kracht (of beter; op eigen grondgebied) is dat bijvoorbeeld voor de Kaderwetgebieden Stadsregio Rotterdam en het Stadsgewest Haaglanden onmogelijk te realiseren; Een grotere inzet richting het proces van herstructurering is noodzakelijk. Aanvullende middelen lijken daartoe een absolute noodzaak. Maar er is ook een grotere creativiteit in plan- en scope-optimalisatie nodig en meer procescapaciteit bij of gefinancierd door lagere overheden om er echt wat van te maken; In de regio’s waar de ruimte echt heel schaars is, achten wij het zinvol om toch eens te kijken naar het type gebruik op de bestaande locaties. Een regionaal optimaliseringstraject, startend met een bedrijventerreinenscan, ten einde uiteindelijk tot een gunstiger allocatie te komen, is voor de deelgebieden Zuid en West in onze ogen aan te bevelen. Dit kan uiteraard alleen in nauwe samenspraak met het gevestigde bedrijfsleven en is een zaak van lange adem. Maar als het niet lukt om nieuwe terreinen aan te wijzen – om wat voor redenen dan ook – dan moeten alternatieven worden gezocht; De Zuid-Hollandse DECOR-aanpak - gericht op duurzame herstructurering en ontwikkeling van bedrijventerreinen - verdient navolging in Utrecht en Noord-Holland. Deze aanpak is procesmatig succesvol, al loopt de realisatie van de voornemens ook traag door gebrek aan aanvullende (Rijks)middelen; De RBLM van de Amsterdamse regio – een systematische analyse van vraag en aanbod, die regiospecifiek is en wordt gecombineerd met een goede monitoring – is er één waar ook andere regio’s baat bij kunnen hebben (los van discussies over de gehanteerde techniek).

76

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Bijlagen

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

77

78

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Bijlage 1:

Aanbodtabellen droge bedrijventerreinen in de Deltametropool

In onderstaande tabellen zijn de belangrijkste terreinkarakteristieken weergegeven. De database bevat daarnaast nog andere kenmerken, die in verband met de leesbaarheid niet in deze bijlage zijn opgenomen. Weergegeven uitgeefbaar oppervlak in netto ha.

Aanbod droge bedrijventerreinen Deltametropool Noord
LIGGING LOCATIE HARDHEID UITVOERBAARHEID OMVANG NETTO Uitgeefbaar 2010-2020 Uitgeefbaar 2020-2030 Opmerkingen

PROVINCIE

GEMEENTE

NAAM LOCATIE

Flevoland

Almere

A6-Park

A6-A27

70

70

0

Z

Definitieve omvang locaties nog niet vast

Flevoland

Almere

Ibispark

A6-A27

46

46

0

Z

Definitieve omvang locaties nog niet vast

Flevoland

Almere

A27Bedrijvenpark A6-A27 65 65 0 Z

Definitieve omvang locaties nog niet vast

Flevoland

Almere

Commerciële Zone 80 80 0

Z

Ruimtelijke reservering zijn opgenomen in Omgevingsplan Flevoland en structuurplan Almere Ruimtelijke reservering zijn opgenomen in Omgevingsplan Flevoland en structuurplan Almere Ruimtelijke reservering zijn opgenomen in Omgevingsplan Flevoland en structuurplan Almere Ruimtelijke reservering zijn opgenomen in Omgevingsplan Flevoland en structuurplan Almere

Definitieve omvang locaties nog niet vast

Flevoland 750 250

Almere (nu nog Zeewolde)

Waterhout

A6-A27 A-27 zijde Zeewolde, aansluitend aan commercië le zone 500

O

Definitieve omvang locaties nog niet vast, Almere en Zeewolde overleggen over invulling en gemeentegrenzen.

NoordHolland NoordHolland N 201 +

Aalsmeer Aalsmeer

Onbekend Oosteinder Polder Noord

200 100

200 100

0 0

Z Z

Reservering ivm extra woningbouwtaak Almere en taakstelling Uitvoerbaarheid stuit met name vanuit de gemeente Amsterdam op weerstand. De bereikbaarheid van Amsterdam via de A4 komt hierdoor ernstig in het gedrang.

Terreinomvang inclusief veiliggebonden bedrijvigheid. Tuincentra

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

79

PROVINCIE

GEMEENTE

NAAM LOCATIE

LIGGING LOCATIE HARDHEID UITVOERBAARHEID Opmerkingen

OMVANG NETTO

Uitgeefbaar 2010-2020

Uitgeefbaar 2020-2030

Amstelveen 43,4 12,3 18,3 50,6 0 H 0 H 0 H 0 H

N 201+

70

20

0

Z

Locatie wordt voor 2007 ontwikkeld. Aangenomen is dat 50 ha van het terreinoppervlak voor 2010 wordt uitgegeven.

Amsterdam

Amsterdam

Amsterdam

NoordHolland NoordHolland NoordHolland NoordHolland NoordHolland

Amsterdam

NoordHolland 0,0 0 H

Amsterdam

NoordHolland 6,1 0 H

Amsterdam

Amsterdam 26,8 13,2 4,3 0 0 0

Onbekend Atlas Park West Atlas Park Oost Atlas Park Zuidoost Sloterdijk IIINoord Amstel Business park oost Cornelis Douwesterrein 0 Cornelis Douwesterrein 2 6,9 0 H H H H

Amsterdam

Buiksloterham

Amsterdam

Lutkemeer

NoordHolland NoordHolland NoordHolland NoordHolland

Amsterdam

NDSM-werf

Amsterdam 44

Geuzenveld Noord 15

15 24

0 0

Z Z

Opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003.

Lange termijnontwikkeling. Hangt samen met de aanleg van de Westrandweg

NoordHolland NoordHolland

Amsterdam

Lutkemeer

NoordHolland

Amsterdam

Noorder IJplas

45

45

0

Z

Opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003.

Masterplanlocatie

80

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

PROVINCIE

GEMEENTE

NAAM LOCATIE

LIGGING LOCATIE HARDHEID UITVOERBAARHEID Opmerkingen

OMVANG NETTO

Uitgeefbaar 2010-2020

Uitgeefbaar 2020-2030

Amsterdam 20 15 0 H

15

15

0

Z

NoordHolland NoordHolland

Amsterdam

Osdorper Binnenpolder Sloterdijk IIIZuid

NoordHolland 15 15 0 O

Amsterdam

Brettenstrook

NoordHolland 20 20 0 O

Amsterdam

Eendracht (sportpark)

NoordHolland 35 35 0 O

Amsterdam

Geuzenbos

p.m. 40 37 37 0 Z 40 0 Z

p.m.

p.m.

Z

In ontwerp Structuurplan Amsterdam als optie opgenomen voor langetermijnontwikkeling. In ontwerp Structuurplan Amsterdam als optie opgenomen voor langetermijnontwikkeling. In ontwerp Structuurplan Amsterdam als optie opgenomen voor langetermijnontwikkeling. Opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003. (indicatief kant of bedr?) In streekplan genoemd voor OLS

NoordHolland NoordHolland NoordHolland

Blaricum Haarlemmerme er Haarlemmerme er

Crailo (uitbreiding) Badhoevedo rp-Zuid De groene hoek

NoordHolland 80 0 A4-zone Hoofddorp 245 245

Haarlemmerme er

NieuwVennep

80

Z

NoordHolland

Haarlemmerme er

0

Z

NoordHolland 85

Haarlemmerme er

President (fase II)

12

0

Z

Als reservelocatie opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003. Opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003. Als reservelocatie opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

81

PROVINCIE

GEMEENTE

NAAM LOCATIE

LIGGING LOCATIE HARDHEID UITVOERBAARHEID Opmerkingen

OMVANG NETTO

Uitgeefbaar 2010-2020

Uitgeefbaar 2020-2030

NoordHolland 70 40 0 O

Haarlemmerme er

Schiphol logistics park

(ha afh v parallelle kaagbaan)

NoordHolland 36 22 0 O

Haarlemmerme er

Schiphol Zuidoost

NoordHolland 300 200 100 Z

Haarlemmerme er

Driehoek A4A5-A9

(ha afh v parallelle kaagbaan) Opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003.

NoordHolland 200 0 200

Haarlemmerme er

Zwanenburg Zuid

Z

Het resterende deel van het netto oppervlak wordt voor 2007 ontwikkeld. Obv gehanteerde uitgiftescenario's van de PRI is van het betreffende oppervlak nog 10 ha uitgeefbaar terrein beschikbaar na 2010. Het resterende deel van het netto oppervlak wordt voor 2007 ontwikkeld. Obv gehanteerde uitgiftescenario's van de PRI is op het betreffende oppervlak geen uitgeefbaar terrein meer beschikbaar na 2010. Oppervlak indicatief, afhankelijk van MERprocedure Strategische reserve, oppervlak indicatief. Locatie heeft niet de voorkeur van de gemeente, mede ivm de aanvlieg-routes voor Schiphol.

NoordHolland p.m. 0

Hilversum

Tussen de kern Zwanenbur g en de A9. A-27, ZuidOost Hilversum p.m. Z

Beverwijk 106

15

15 30

0 0

Z Z

Opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003. Opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003. Opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003.

NoordHolland NoordHolland

Beverwijk

Zuiderslag Businesspark Ymond

NoordHolland

Zaanstad

Westzanerpol der

102

47

0

Z

Als studie naar bovenregionale opvang opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003.

Locatie wordt deels voor 2007 ontwikkeld. Aangenomen is dat 35 ha van het terreinoppervlak voor 2010 wordt uitgegeven. BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

82

Aanbod droge bedrijventerreinen Deltametropool Oost
LIGGING LOCATIE HARDHEID UITVOERBAARHEID OMVANG NETTO Uitgeefbaar 2010-2020 Uitgeefbaar 2020-2030

PROVINCIE

GEMEENTE

NAAM LOCATIE

Utrecht 30 8 0 H

Amersfoort

De Wieken Vinkenhoef 50 12 0 Z

Utrecht

Amersfoort

Vathorst

Zuidoost oksel A1-A28 Noordwest oksel A1-A28

Utrecht

Bunnik

30

0

30

M

Het idee van deze locatie komt voort uit het plan om een aansluiting van Houten op de A12 te realiseren. Het zou dan logisch zijn om nij de nieuwe ontsluiting een combinatie van wonen en werken toe te voegen. Dit ligt echter zeer lastig i.v.m. Hollandse Waterlinie en het waterwingebied t.b.v. Vrumona. Aansluiting op A12 voor Houten is zeer onzeker. Haalbaarheid voor ontwikkeling van deze locatie zeer laag.

Utrecht 10 10 0 M

Bunschoten

Bestaande bedrijventerr einen (uitbreiding)

Utrecht

De Ronde Venen 15 15 0 O

Bedrijvenpark N201

A12 zuidzijde Ten zuiden van bestaande bedrijventerr ein Haarbrug en Kronkels Aan zuidkant N201 na omlegging

Utrecht

Eemnes

Knooppunt Eemnes 0

70

M

Utrecht

Houten

Tull en 't Waal

Ten oosten van A27 40

40

0

O

Visie / wens gemeente, wordt door provincie vooralsnog niet gesteund. Het zou kunnen dat de gemeente toch (een deel) mag realiseren. Al in bestaande streekplan genoemd. Echter PPC heeft het plan onlangs uit procedure gehaald, wegens onzekerheid omlegging Ontwikkeling gekoppeld aan realisatie Stichtse Lijn. Op dat moment ligt verdere uitbreiding Eemnes voor de hand. Onlangs plan gepresenteerd waarbij Stichtse lijn langs westzijde A27 zou lopen, dan ligt deze ontwikkeling minder voor de hand. Bestuurlijke haalbaarheid laag. In het RSP opgenomen in het streefbeeld voor de periode 2005-2015. De locatie is gekoppeld aan de aantakking van bedrijventerrein 't Klooster op de A27, en mogelijk ook op de aansluiting van Houten op de A27.

Utrecht

Houten

Tull en 't Waal

Verdere ontwikkeling Tull & 't Waal ten oosten va A27 65

0

65

M

Op langere termijn kan Tull & 't Waal verder uigebreid worden. Mogelijk in combinatie met de ontwikkeling van Schalkstad.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

83

PROVINCIE

GEMEENTE

NAAM LOCATIE

LIGGING LOCATIE HARDHEID UITVOERBAARHEID

OMVANG NETTO

Uitgeefbaar 2010-2020

Uitgeefbaar 2020-2030

Utrecht

Leusden

t Spieghel

Tussen Leusden en Amersfoort 10 10,0 0 M

Utrecht 73 20,0 0 Z

Maarssen

30

0,0

30

M

Visie / wens gemeente, wordt door provincie vooralsnog niet gesteund. Het zou kunnen dat de gemeente toch (een deel) mag realiseren. Locatie is bij het totstandkomen van het huidige streekplan al eens besproken, maar toen al onhaalbaar gebleken. Omstreden vanwege een aantal punten waaronder boden. Bestuurlijke haalbaarheid laag.

Utrecht

Nieuwegein

Het Klooster

Utrecht 90 45,0 45 O

Utrecht

Rijnenburg

De locatie Rijnenburg is in de regio nadrukkelijk in beeld. Er is echter nog weinig te zeggen over de netto omvang en de fasering. De aangegeven omvang en fasering is dus slechts indicatief.

Utrecht 52 52,0 0 H

Utrecht

Strijkviertel

Utrecht 15 15,0 0

Vianen

Gaasperwaa rd (fase II) Z

Oorspronkelijk in RSP vastgelegd, staat wel ter discussie

Utrecht 70

Vianen

0,0

70

O

Bestuurlijk draagvlak is laag.

Utrecht 20

Woerden

Polanen Oost

20,0

0

M

Nu genoemd in keuzenota

Utrecht

Woerden

Stationslocati e Molenvliet

Utrecht Noord N230 Tussen A27 en Lekkanaal Zuidwest oksel knooppunt Oudenrijn Noordwest oksel knooppunt Oudenrijn Noordoost oksel knooppunt A27 - A2 Rondom knooppunt Everdingen, mogelijk als uitbreiding van Gaasperwaa rd fase II. Noordzijde A12, ten westen van Woerden Bij nieuwe stationslocati e ? p.m. p.m. M

Nu genoemd in keuzenota streekplan als mogelijkheid

84

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Aanbod droge bedrijventerreinen Deltametropool Zuid
LIGGING LOCATIE HARDHEID UITVOERBAARHEID Opmerkingen OMVANG NETTO Uitgeefbaar 2010-2020 Uitgeefbaar 2020-2030 Realisatie kans

PROVINCIE

GEMEENTE

NAAM LOCATIE

Nieuwland 7 70 28 0 H Noordrand Rotterdam 7 0 Z

61

12

0

H

uitbreiding op interne reserve, bodemsanering nodig Noordrand Rotterdam

90% 80% 100%

Zuidpolder

ZuidHolland ZuidHolland ZuidHolland

Ablasserdam Berkel en Rodenrijs Berkel en Rodenrijs

Oudeland

Alblasserda m A 15 Rodenrijs zuidwest Rodenrijs west

Bleiswijk 40 33 16 0 Z 40 0 Z

Hoefweg Zuid

50

20

0

H nog niet in streekplan uitgewerkt. nog niet in streekplan

De locatie Hoefweg is onderscheiden in een deel noord en zuid. Het zuidelijk deel is aan het aanbod voor Deltametropool Zuid toegerekend, het noordelijke deel is toegerekend aan Deltametropool West. ecologische zone

100% 50% 70%

Dordrecht

ZuidHolland ZuidHolland ZuidHolland

Giessenlanden

Dordtse Kil IV SchelluinenWest

Gorinchem 35 15 8 5 4 0

Noord

37

12

0 35 0 0

H O H Z nog niet in streekplan nog niet in streekplan

geen distributie Regio Randstad, Rijk. A-15 zone

100% 20% 100% 80%

ZuidHolland ZuidHolland ZuidHolland ZuidHolland

Gorinchem HardinxveldGiessendam

Noordwest Giessendam west Gelkenes-West II, 3e fase

Bleiswijk A 12-zuidzijde Dordrecht zuidwest Schelluinen west A 15 Gorinchem noord A 1527 Gorinchem noordwest Giessenda m west Gelkenes west

ZuidHolland bij A 20

Liesveld Moordrecht, Nieuwerkerk a/d IJssel, ZevenhuizenMoerkapelle 200

Zuidplaspolder

100

100

M

zoeklocatie Vijno

regioverkenning

50%

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

85

PROVINCIE

GEMEENTE

NAAM LOCATIE

LIGGING LOCATIE HARDHEID UITVOERBAARHEID Opmerkingen

OMVANG NETTO

Uitgeefbaar 2010-2020

Uitgeefbaar 2020-2030

Realisatie kans

Ridderkerk 50 50 0 M nog niet in streekplan

40

40

0

Z

Deels bedrijvenpark in het groen?

70% 20%

ZuidHolland ZuidHolland

Ridderkerk

Bolnes-Zuid Reijerwaard Zuid

ZuidHolland 75 75 0 Z

Rotterdam

Schieveensepo lder

70%

ZuidHolland 10 0 10 O

Rotterdam

Zestienhoven

Ridderster noord Ridderster zuid Noordwest van luchthaven Zestienhov en luchthaven Zestienhov en

20%

Rotterdam 123 73 0 M

100

0

100

M

milieuproblemen

Noordrand Rotterdam, ten minste 75 ha netto Noordrand Rotterdam, Regio Randstad, Rijk Regio Randstad, Rijk. Demping havenbekkens, wordt onttrokken aan zeehaven en ingericht als droogterrein.

25% 50%

ZuidHolland ZuidHolland

Rotterdam

Waalhaven Distripark Maasvlakte II

RotterdamNaaldwijk 25 35 21 6 35 12 6 35 35 25

Bonnenpolder "zoekrichting Hoekse Lijn"

0 0 0 0 0

M Z Z Z M

10% 20% 50% 50% Regio Randstad 10%

Spijkenisse

nog niet in streekplan ontsluiting op aan te leggen A 4 Zuid

Vlaardingen

Zuidoost De Vergulde Hand II / III

Zwijndrecht

Deel Maasvlakte II Weinig animo voor overslaglocatie tuinbouwproducten, weggegeven door G.Brouwer. Waarschijnlijk pas na 2030 Uitbreiding aan westzijde Verplaatsing sportvelden? nog niet in streekplan nog niet in Streekplan, ligt in gevarenzone Kijfhoek

ZuidHolland ZuidHolland ZuidHolland ZuidHolland ZuidHolland

Zwijndrecht

Bakestein II Kijfhoek noordoost A 16

Waalhaven Maasvlakte west Tussen Hoek van Holland en Oranjekan aal Beerenplaa t west Vlaardinge n zuid Zwijndrecht noordwest Zwijndrecht noord

Noot bij tabel: Voor veel locaties geldt dat er bestuurlijke knelpunten liggen, waarbij op elk overheidsniveau een andere mening wordt gekoesterd. De realiseringskans is dan lastig in te schatten, zelfs op een termijn tot 2030. Toch is er een onvoorzichtige poging gewaagd om deze in percentages uit te drukken, om daarmee aan te geven dat er als dan niet sprake is van grote knelpunten voor de verwezenlijking. Zij moeten natuurlijk niet worden uitgelegd als wensbeelden van bijv. de provincie.

86

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Aanbod droge bedrijventerreinen Deltametropool West
LIGGING LOCATIE HARDHEID UITVOERBAARHEID Opmerkingen OMVANG NETTO Uitgeefbaar 2010-2020 Uitgeefbaar 2020-2030 Realisatie kans

PROVINCIE

GEMEENTE

NAAM LOCATIE

ZuidHolland 50 0 50 M zoeklocatie Vijno

Alphen Rijnwoude

Oude Rijnzone

langs Oude Rijn en N 11

30%

Alphen a/d Rijn 60 30 15 0 M 0 60 O Nog niet in streekplan nog niet in streekplan uitgewerkt

regioverkenning Regio Randstad, Rijk. Voorlopig nog niet bespreekbaar voor de provincie

10% 20%

ZuidHolland ZuidHolland

Alphen a/d Rijn

GnephoekZuid

Alphen zuidoost, N11 / N207 Alphen west

ZuidHolland 90 45 0

Bleiswijk

Bleiswijk A 12noordzijde H

De locatie Hoefweg is onderscheiden in een deel noord en zuid. Het zuidelijk deel is aan het aanbod voor Deltametropool Zuid toegerekend, het noordelijke deel is toegerekend aan Deltametropool West.

100%

ZuidHolland Delft zuidoost 50 25

Delft

Hoefweg Noord Delft University Technopolis ') 0

H

100%

ZuidHolland 20

Delft

Delft kenniscorrido r

Delft A 13 west richting R'dam

5

15

M

Zoeklocatie Stadsregio Rotterdam

Op het huidige TUterrein Voortzetting van Delft-Technopolis als groen bedrijvenpark in bufferzone. Oppervlak nog niet bekend.

10%

ZuidHolland

Den Haag

Westvlietweg II

Prins Clausplein noord

5

5

0

Z

nog niet in streekplan. Wel in RSP

50%

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

87

PROVINCIE

GEMEENTE

NAAM LOCATIE

LIGGING LOCATIE HARDHEID UITVOERBAARHEID Opmerkingen

OMVANG NETTO

Uitgeefbaar 2010-2020

Uitgeefbaar 2020-2030

Realisatie kans

ZuidHolland 5 5 0 M nog niet in streekplan

Den Haag

Westvlietweg IV uitbreiding

Vaag plan Den Haag. Oppervlak nog niet bekend.

50%

ZuidHolland ZuidHolland 24 15 15,0 0 Z nog niet in streekplan 24 0 Z nog niet in streekplan

Den Haag

TNO-locatie

Na vetrek TNO

50% 50%

Leiderdorp

A4 / N446

ZuidHolland 40 25,0 0 Z nog niet in streekplan

Naaldwijk

Westerlee/Ho nderdland

100%

ZuidHolland 48 18,0 0 Z

Naaldwijk

Coldenhove/ Honderdland

nog niet in streekplan

100%

ZuidHolland ZuidHolland 22 20 10,0 0 Z 22,0 0 Z

Oegstgeest

Rhijnfront II

nog niet in streekplan nog niet in streekplan

50% 100%

Rijnsburg

Vinkenweg

ZuidHolland 60 25,0 35 H

Rijswijk

Sion/'t Haantje

In RSP, nog niet in streekplan

in bufferzone

30%

Schipluiden 54 22,0

65

20,0

45 0

M H

nog niet in streekplan en ook niet in het RSP

Reservelocatie voor lange termijn

10% 100%

ZuidHolland ZuidHolland

Schipluiden

Woudse Droogmakerij Harnaschpol der

Prins Clausplein noord Ypenburg, A4 Prins Clausplein Leiderdorp noord Maasdijk / N 213 noordwest Maasdijk / N 213 zuidoost Oegstgeest A 44 west Oude Rijn Rijnsburg noord Delft noordwest 't Haantje Knoop A4 West langs de Zweth Delft West A4

ZuidHolland 25

Valkenburg

Vliegveld

Valkenburg zuidwest

12,0

13

M

nog niet in streekplan

10%

ZuidHolland A 4 - A 11 40

Zoeterwoude

Grote Polder zoeklocatie

40,0

0

M

zoeklocatie VINAC

mogelijkheid koppeling aan nieuwe woonwijk wordt onderzocht Afgewezen in Vijno, moet landelijkgebied blijven

10%

Noot bij tabel: Voor veel locaties geldt dat er bestuurlijke knelpunten liggen, waarbij op elk overheidsniveau een andere mening wordt gekoesterd. De realiseringskans is dan lastig in te schatten, zelfs op een termijn tot 2030. Toch is er een onvoorzichtige poging gewaagd om deze in percentages uit te drukken, om daarmee aan te geven dat er als dan niet sprake is van grote knelpunten voor de verwezenlijking. Zij moeten natuurlijk niet worden uitgelegd als wensbeelden van bijv. de provincie.

88

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Aanbod droge bedrijventerreinen Randzone Deltametropool
NAAM LOCATIE LIGGING LOCATIE HARDHEID UITVOERBAARHEID OMVANG NETTO Uitgeefbaar 2010-2020 Uitgeefbaar 2020-2030

Deelgebied 30 0 30 M Zoekrichting noordzijde A12 mogelijk 50-100 ha. bruto

PROVINCIE

GEMEENTE

OOST

Utrecht

Veenendaal

OOST 12 5 0 H

Utrecht

Woudenberg

Parallelweg West (uitbreiding)

NOORD NOORD Onbekend Flevokust Trekkersveld ? 150 60 10 60 0 H H 34 10 0 H

Flevoland Flevoland

Lelystad Lelystad

Biosciencepa rk Larserpoort 32 390 15 150 0 180 H H

NOORD

Flevoland

Lelystad

NOORD NOORD

Flevoland Flevoland

Lelystad Zeewolde

A12- N233 Ten noordwest enbestaan de bt (ten noorden N237) Lelystad A6-A23 Oostzijde A6 Vliegveld Lelystad Lelystad IJsselmeer

NOORD onbekend 100 100

Purmerend

Baanstee Noord 70 0

0 0

Z O

Opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003.

NOORD

NoordHolland NoordHolland

onbekend

ZUID 250

ZuidHolland

Binnenmaas/'sGravendeel

ROA-Noord Zoeklocatie Hoeksche Waard bovenregion aal 150

0

M

nog niet in streekplan

ZUID

ZuidHolland

Hellevoetsluis

Kickersbloem III

aan A 29 noord&oost rand HW Hellevoetsl uis noordoost 40

20

0

Z

nog niet in streekplan, omvang staat niet vast.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

89

Hard en zacht aanbod per terreinsegment
Tabel b 1 Hard en zacht aanbod droge bedrijventerreinen 2010-2030, per terreinsegment (netto ha) Niet Industrie gedefinieerd 30 15 45 1.739 1.739

Bedrijvenpark Noord Oost Zuid West Deltametropool 15 7 24 46

Gemengd 99 72 202 95 467

Distr.-log. 20 113 142 275

Bronnen: Provincies Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en de Kaderwetgebieden BRU, Haaglanden, ROA, Stadsregio Rotterdam.

Thematische terreinen, hard en zacht aanbod
Tabel b 2 Thematische terreinen naar deelgebied 2010-2030 (netto ha) Luchtvaart gebonden Agribusiness 849 849 53 53 Boven regionaal 47 47

Noord Oost Zuid West Deltametropool

Bioscience 22 22

Kennisinfra 25 25

Regionaal p.m. p.m.

Bronnen: Provincies Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en de Kaderwetgebieden BRU, Haaglanden, ROA, Stadsregio Rotterdam.

Van een aantal locaties is vanuit de provincies en Kaderwetgebieden opgegeven dat het een distripark betreft. Aangezien distributie en logistiek als terreinsegment apart is opgenomen zijn deze locaties niet in tabel b 2 meegenomen. Deze locaties zijn opgenomen in tabel b 1. Daarnaast is het van belang om op te merken dat het totaal aanbod aan thematische terreinen niet kan worden opgeteld bij het aanbod aan harde en zachte plannen, dan wel het aanbod naar terreinsegment. De weergave van het aanbod moet worden gezien als een verbijzondering van bovengenoemde aanbodgegevens.

90

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Aanbod van opties en mogelijkheden
Tabel b 3 Opties en mogelijkheden droge bedrijventerreinen 2010-2030, per deelregio (netto ha) 2010-2020 MogelijkOptie heid Noord Oost Zuid West Deltametropool 382 100 0 0 482 0 40 283 97 420 2020-2030 MogelijkOptie heid 500 115 45 60 720 0 195 200 123 518 2010-2030 MogelijkOptie heid 882 215 45 60 1.202 0 235 483 220 938

Bronnen: Provincies Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en de Kaderwetgebieden BRU, Haaglanden, ROA, Stadsregio Rotterdam.

Opties en mogelijkheden per terreinsegment
Tabel b 4 Aanbod droge bedrijventerreinen 2010-2030, per terreinsegment (netto ha) Niet Industrie gedefinieerd 105 105 882 30 912

Bedrijvenpark Noord Oost Zuid West Deltametropool 90 20 110

Gemengd 205 60 155 420

Distr.-log. 20 468 105 593

Bronnen: Provincies Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en de Kaderwetgebieden BRU, Haaglanden, ROA, Stadsregio Rotterdam

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

91

Bijlage 2:

Aanbodtabellen natte bedrijventerreinen in de Deltametropool

Deelgebied
NAAM LOCATIE HARDHEID UITVOERBAARHEID

PROVINCIE

GEMEENTE

LIGGING LOCATIE

OMVANG NETTO

Uitgeefbaar 2010-2020

Uitgeefbaar 2020-2030

NOORD 102 15 15 0 Z 25 0 Z

Haarlemmerliede / Spaarnwoude 65 65 0 O

NOORD Averijhaven

Zaanstad

Gedraaide Machineweg Westzanerpol der

NOORD

NoordHolland NoordHolland NoordHolland

Amsterdam

NOORD

NoordHolland 100 100 0 Z

Zaanstad

Wijkermeerp older

Beverwijk Maasvlakte west 877 100 100 400 Europoort

Wijkermeerp older 150 150 0 400 0

Z Z O

ZUID

Rotterdam

ZUID

NoordHolland ZuidHolland ZuidHolland Maasvlakte II Europoort inbreiding

Rotterdam

In ontwerp Structuurplan Amsterdam als optie opgenomen voor langetermijnontwikkeling. Opgenomen in streekplan NoordHolland Zuid. Vaststelling begin 2003. Opgenomen in streekplan NoordHolland Zuid. Vaststelling begin 2003. Als reserve opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003. Als reserve opgenomen in streekplan Noord-Holland Zuid. Vaststelling begin 2003. Hangt af van concrete vraag, oppervlak na 2010 globale raming Inbreiding door demping havenbekkens, oppervlak zeer globale raming

92

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Bijlage 3: Toelichting Noord-Holland
Voor de nu of in 2010 reeds bestaande bedrijventerreinen in Noord-Holland kon niet door provincie of kaderwetgebied worden aangegeven in hoeverre daar vanaf 2010 nog ruimte beschikbaar is. Wel hebben ROA en gemeente Amsterdam ons de beschikking gegeven over de gedetailleerde gegevens in het Programma Ruimtelijke Investeringen. Hierin zijn alle bedrijventerreinen opgenomen die per 1-1-2002 nog uitgeefbare capaciteit hebben of dat krijgen. Binnen het PRI worden drie hoofdcategorieën voor de fasering van het aanbod onderscheiden:
• • •

(direct) uitgeefbaar per 1-1-2002; binnen 5 jaar te ontwikkelen; niet binnen 5 jaar te ontwikkelen.

Wij hadden aan de regio/provincie gevraagd om aan te geven hoeveel daarvan nog netto uitgeefbaar was na 2010. Aangezien de regio dit niet kon aangeven, moesten wij een veronderstelling maken over de verdeling van de vraag tot 2010. In eerste instantie hadden wij – Bureau BUITEN – aangenomen dat alleen het aanbod dat niet binnen 5 jaar was te ontwikkelen als relevant aanbod overbleef voor de periode vanaf 2010. Dat was niet correct, zo werd opgemerkt vanuit de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam. Ook werd gemotiveerd waarom zij niet in staat waren om de verdeling van de vraag aan te geven. Vervolgens is in overleg met Economische Zaken en Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam en ROA de volgende globale werkwijze afgesproken:
• • •

analyseer Amsterdam en de overige regiogemeenten (minus Almere)34 afzonderlijk; ga voor de vraagraming 2002-2010 uit van de gegevens in de RBLM; vul eerst de kleine terreinen volledig ‘op’ en verdeel het restant van de vraag over het aanbod per 1-1-2002, zo nodig aangevuld met het aanbod dat binnen vijfjaar is te ontwikkelen; Reken het aanbod dat niet binnen 5 jaar wordt ontwikkeld geheel toe aan de periode na 2010.

Er is dus sprake van een rekenkundige verdeling van de vraag over bedrijventerreinen. Het is dus mogelijk – en zelfs waarschijnlijk - dat de feitelijke uitgifte er in de periode tot 2010 ander uitziet, zowel qua omvang als verdeling, maar per saldo geeft dit een best mogelijke schatting voor het aanbod vanaf 2010. Wellicht ten overvloede nog een tweede opmerking: De quasi-nauwkeurigheid die in het restant wordt gesuggereerd is uitsluitend een rekenkundige nauwkeurigheid, om op een sluitend en traceerbaar betoog te komen. Wij willen daarmee niet de illusie wekken in staat te zijn de exacte uitgifte te voorspellen.

Amsterdam
De volgende stappen zijn gezet voor het toedelen van de vraag naar droge bedrijventerreinen: Te verdelen vraag: 96 ha volgens RBLM behoedzaam scenario (87 ha) plus 10% bijtelling (excl. ijzeren voorraad)

34

In het PRI zijn tevens gegevens opgenomen voor Almere. Bij de inventarisatie van het aanbod in Flevoland, dus ook Almere, is afgegaan op de gegevens die vanuit de provincie Flevoland zijn verstrekt.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

93

Ronde 1 Ronde 2

Ronde 3

Eerst zijn terreinen waarop per 1-1-2002 minder dan 6 ha uitgiftecapaciteit beschikbaar is ‘opgevuld’ (die resterende ruimte is uitgegeven). In deze ronde wordt 23,3 ha verdeeld. Om ‘niet met veel kleine terreintjes in de aanbodinventarisatie te blijven zitten’ zijn vervolgens alle terreinen met minder dan 6 ha capaciteit hebben indien – na ronde 1 – het aanbod binnen 5 jaar te ontwikkelen wordt meegeteld. In deze ronde wordt nog eens 16,2 ha verdeeld. De restvraag over de periode (96 ha minus (23,3+16,2)) = 56,5 ha (afgerond), is min of meer naar rato (met afrondingen) verdeeld over de grotere terreinen die per 1-1-2002 capaciteit beschikbaar hebben. Het betreft: Atlas Park west, Atlas Park Oost, Sloterdijk III-Zuid, Sloterdijk III-Noord, Amstel Businesspark-Oost en Lutkemeer.

Het resterend aanbod bedraagt dan nog ca. 180 ha netto, waarbij dan de capaciteit van de ‘niet binnen vijf jaar te ontwikkelen’ locaties nog moet worden opgeteld. Deze omvat ruim 180 ha netto, waardoor het totale aanbod voor de gemeente Amsterdam neerkomt op ca. 366 ha netto. Op verzoek van de gemeente Amsterdam zijn in dit overzicht ook een aantal locaties opgenomen die niet in de PRI staan, maar op basis van het Ontwerp Structuurplan Amsterdam wel tot het aanbod worden gerekend. Het aanbod op deze locaties (Noorder IJplas, Eendracht, Brettenstrook, Geuzenbos) is toegerekend aan de periode na 2010.

Voor de regio Amsterdam
Betreft: Amstelland, Meerlanden, Zaanstreek, Waterland Vraag 2002-2010: 357 ha conform RBLM (excl. ijzeren voorraad)

De procedure ziet er globaal hetzelfde uit als voor Amsterdam. Er is alleen sprake van andere grenzen in de ronden 1 en 2 en er is een extra ronde toegevoegd. Die aanpassingen zijn nodig omdat het om grotere volumes gaat en omdat het aandeel van de vraag hoger is (dan dat in Amsterdam het geval is) ten opzichte van de som van de capaciteit per 1-12002 en die binnen vijf jaar te ontwikkelen. Ronde 1 Ronde 2 Eerst zijn terreinen waarop per 1-1-2002 minder dan 10 ha uitgiftecapaciteit beschikbaar is ‘opgevuld’ (die resterende ruimte is uitgegeven). In deze ronde wordt 37,9 ha verdeeld. Om ‘niet met veel kleine terreintjes in de aanbodinventarisatie te blijven zitten’ zijn vervolgens alle terreinen met minder dan 20 ha capaciteit hebben indien – na ronde 1 – het aanbod binnen 5 jaar te ontwikkelen wordt meegeteld. In deze ronde wordt nog eens 72,6 ha verdeeld. De restvraag over de periode (392 ha minus (37,9 +72,6)), 282 ha, is vervolgens eerst verdeeld over de resterende terreinen die per 1-1-2002 capaciteit beschikbaar hebben. Het betreft 42 ha op De President en 29 ha op de locatie Nieuw-Vennep-Zuid. In totaal dus 71 ha. De restvraag, nog 210 ha, is min of meer naar rato (met afrondingen) verdeeld over de grotere terreinen die nog capaciteit hebben die binnen vijf jaar wordt ontwikkeld. Het betreft: Toekomstvisie N201 (50 van 70 ha), Schiphol logistics park (30 van 40 ha), De President (30 ha van de resterende 42 ha), Westzanerpolder (30 van de eerste fase van 50 ha) en Baanstee-Noord (35,5 ha (sluitpost) van 70 ha).

Ronde 3

Ronde 4

Het resterende aanbod bedraagt dan nog 96,5 ha, waarbij dan de capaciteit van de ‘niet binnen vijf jaar te ontwikkelen’ locaties nog moet worden opgeteld. Deze omvat 1.281 ha

94

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

netto, waardoor het totale aanbod voor de regio Amsterdam neerkomt op ca. 1.377 ha netto. Op verzoek van de gemeente Amsterdam zijn in dit overzicht ook de locaties ZwanenburgNoord en –Zuid opgenomen die niet in de PRI staan, maar wel tot het aanbod in de regio worden gerekend. Het aanbod op deze locaties is toegerekend aan de periode na 2010.

Aanbod Deltametropool Noord (exclusief Almere)
Het totaal aanbod, op basis van de PRI, bedraagt ruim 1.227 ha netto in de periode na 2010, waarvan 250 ha netto op de in 2010 bestaande terreinen (zie onderstaande tabel I). Daarnaast zijn er een aantal locaties die niet voorkomen in de PRI (ook het aanbod van Almere is niet meegenomen bij de bewerking van de PRI). Deze vormen een belangrijke aanvulling op het PRI-aanbod. Dit verklaart het verschil in totaalaanbod in Deltametropool Noord zoals weergegeven in de hoofdtekst (zie hiervoor tabel 1, tabel 6 en de conclusie).
Tabel b.5
aanbod excl/ havens Gemeente Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Totaal Amsterdam naam project Afrikahaven (bedrijventerrein) Atlas Park West (bedrijventerrein) Atlas Park Oost (bedrijventerrein) Atlas Park Zuidoost (bedrijventerrein) Amerikahaven-Zuidoost (bedrijventerrein) Westhaven-Oost (bedrijventerrein) Petroleumhaven e.o. (bedrijventerrein) Sloterdijk III-Zuid Sloterdijk III-Noord Spaarndammerhout (zie bedrijfsruimte) Amstel Business park oost (zie bedrijfsruimte) IJburg Steigereiland (zie bedrijfsruimte) IJburg Centrumeiland (zie bedrijfsruimte) Zeeburgereiland (zie bedrijfsruimte) Cruquiusweg Noorder IJ-plas Cornelis Douwes-terrein 0 Cornelis Douwes-terrein 1 Cornelis Douwes-terrein 2 Cornelis Douwes-terrein 3 NDSM-werf (zie bedrijfsruimte) Buiksloterham (zie bedrijfsruimte) De Eendracht Brettenstrook Geuzenbos Hamerstraat (zie bedrijfsruimte) Osdorper Binnenpolder Geuzenveld-Noord Lutkemeer IBM/Riekerhaven (RID-gebied) Amstel III (C- en D-strook, zie bedrijfsruimte) Amstel III 206 B (B-strook)

Weergave werkwijze en resultaten aanbodberekening Noord-Holland
waarvan uitgiftebinnen 5 jaar te ontwikkeniet binnen 5 jaar te herstructu- capaciteit in voorberei-overig rering per 1-1-2002 ding/optie ontwikkelen 0,0 3,1 0,0 0,0 0,0 0,0 61,4 0,0 0,0 0,0 0,0 18,3 0,0 0,0 0,0 0,0 18,3 0,0 18,3 0,0 0,0 4,9 0,0 0,0 0,0 0,0 2,3 0,0 0,0 0,0 3,6 3,6 0,0 0,0 0,0 0,0 19,6 0,0 0,0 3,8 0,0 62,6 0,0 26,0 0,0 3,4 3,4 1,1 2,3 0,0 0,0 9,0 0,0 9,0 0,0 0,0 1,5 0,0 1,5 0,0 0,0 1,0 0,0 0,0 1,0 0,0 p.m. 0,0 0,0 p.m. 1,0 1,0 0,0 0,0 0,0 0,0 45,0 0,0 0,0 45,0 11,8 11,8 0,0 6,1 0,0 1,0 1,0 0,0 0,0 0,0 6,9 6,9 0,0 6,9 0,0 0,2 0,2 0,0 0,0 0,0 8,3 8,3 4,0 0,0 4,3 28,3 28,3 0,0 18,3 8,5 0,0 20,0 0,0 0,0 20,0 0,0 15,0 0,0 0,0 15,0 0,0 35,0 0,0 0,0 35,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 15,0 0,0 0,0 15,0 0,0 15,0 0,0 0,0 15,0 0,0 43,7 0,0 0,0 24,0 0,0 p.m. 0,0 0,0 p.m. 0,0 4,8 0,0 4,8 0,0 0,0 1,9 0,0 1,9 0,0 0,0 0,6 0,6 0,0 0,0 0,0 p.m. 0,0 p.m. 0,0 capaciteit 2002 2002-2010 3,1 3,1 61,4 61,4 18,3 18,3 0,0 18,3 4,9 4,9 2,3 2,3 3,6 3,6 15,8 15,8 36,6 62,6 0,0 3,4 0,0 9,0 0,0 1,5 0,0 0,0 0,0 0,0 1,0 1,0 0,0 0,0 5,7 11,8 1,0 1,0 0,0 6,9 0,2 0,2 0,0 4,0 1,5 19,8 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 19,7 19,7 0,0 0,0 0,0 4,8 0,0 1,9 0,0 0,6 0,0 0,0 175,1 275,9 Toedeling vraag 2002-2010 Ronde 1 3,1 Ronde 2 Ronde 3 18,0 6,0 4,9 2,3 3,6 5,0 12,0 3,4 9,0 1,5 1,0 p.m. 1,0 5,7 1,0 0,2 4,0 1,5 0,0 18,3 4,3 26,8 20,0 15,0 35,0 15,0 15,0 37,2 p.m. 6,1 6,9 45,0 6,1 6,9 0,0 0,0 10,8 50,6 14,6 50,6 Restcap Capaciteit Ronde 4na 4de rnd 2010-2030 43,4 12,3 18,3 43,4 12,3 18,3

6,5 4,8 1,9 0,6

13,2

Schinkel (zie bedrijfsruimte)
Loosdrechtdreef

23,3

16,2

56,5

179,9

366,5

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

95

aanbod excl/ havens Gemeente Diemen Amstelveen Amstelveen Amstelveen Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Aalsmeer Aalsmeer Zaanstad Zaanstad Zaanstad Zaanstad Zeevang Purmerend Purmerend Purmerend Volendam-Edam Oostzaan Oostzaan Landsmeer Waterland Waterland Totaal Regio

waarvan uitgiftebinnen 5 jaar te ontwikke niet binnen herstructu- capaciteit in voorberei- overig 5 jaar te naam project rering per 1-1-2002ding/optie ontwikkelen Verrijn Stuart Dagra (particulier terre 0,0 1,1 0,0 0,0 0,0 bedrijventerrein Bovenkerk/Legmee 0,0 1,0 1,0 0,0 0,0 Westwijk deelgebied 11 0,0 3,4 0,0 1,7 0,0 Toekomstvisie N201 0,0 70,0 0,0 70,0 0,0 Airport business park Lijnden 0,0 3,5 0,0 0,0 0,0 Badhoevedorp-Zuid 0,0 40,0 0,0 0,0 40,0 Schiphol-Noord 0,0 4,6 0,0 0,0 0,0 Schiphol Zuidoost 0,0 36,0 0,0 14,0 22,0 Schiphol Zuid 0,0 0,3 0,0 0,0 0,0 Schiphol logistics park 0,0 70,0 40,0 0,0 30,0 A4-zone 0,0 245,0 0,0 0,0 245,0 De President 0,0 84,0 0,0 42,0 0,0 Cruquius Zuid (PDV) 0,0 5,3 0,0 0,0 0,0 Cruquis Oost 0,0 6,0 0,0 0,0 0,0 Nieuw-Vennep-Zuid 0,0 29,0 0,0 0,0 0,0 Nieuw-Vennep-Oost 0,0 80,0 0,0 0,0 80,0 De groene hoek 0,0 37,0 0,0 0,0 37,0 De Liede 0,0 15,0 0,0 15,0 0,0 Driehoek A4-A5-A9 0,0 300,0 0,0 0,0 300,0 Zwanenburg Zuid 0,0 200,0 0,0 0,0 200,0 rondom N201 0,0 200,0 0,0 0,0 200,0 Oosteinder Polder Noord (tuincentra 0,0 100,0 0,0 0,0 100,0 Westerspoor-Zuid Hoofdtocht 0,0 8,0 0,0 4,0 0,0 Noorderveld 0,0 16,0 0,0 0,0 0,0 Westzanerpolder (droog terrein) 0,0 77,0 0,0 50,0 27,0 Hembrugterrein (in studie) p.m. p.m. 0,0 0,0 p.m. Oosthuizen 0,0 2,3 0,0 0,0 0,0 Baanstee-Oost 0,0 9,0 0,0 0,0 0,0 Baanstee-Noord 0,0 70,0 0,0 70,0 0,0 De Koog (uitbreiding) 0,0 1,5 1,5 0,0 0,0 uitbreiding Oosthuizerweg 0,0 8,0 0,0 8,0 0,0 Kolkweg-Zuid 0,0 3,8 0,0 3,8 0,0 Verlengde Stellingweg (indien Meijn 0,0 6,1 6,1 0,0 0,0 Bufferzone 0,0 0,1 0,0 0,0 0,0 De Dollard (particulier terrein) 0,0 1,0 1,0 0,0 0,0 Ilpendam Zuid (particulier terrein) 0,0 0,5 0,5 0,0 0,0 1.734,5 50,1 278,5 1.281,0

capaciteit 2002 2002-2010 1,1 1,1 0,0 1,0 1,7 3,4 0,0 70,0 3,5 3,5 0,0 0,0 4,6 4,6 0,0 14,0 0,3 0,3 0,0 40,0 0,0 0,0 42,0 84,0 5,3 5,3 6,0 6,0 29,0 29,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 15,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 4,0 8,0 16,0 16,0 0,0 50,0 0,0 0,0 2,3 2,3 9,0 9,0 0,0 70,0 0,0 1,5 0,0 8,0 0,0 3,8 0,0 6,1 0,1 0,1 0,0 1,0 0,0 0,5 124,9 453,5

Toedeling vraag 2002-2010 Ronde 1 1,1 1,7 3,5 40,0 4,6 14,0 0,3 30,0 42,0 5,3 6,0 29,0 80,0 37,0 15,0 300,0 200,0 200,0 100,0 4,0 4,0 16,0 30,0 2,3 9,0 35,5 1,5 8,0 3,8 6,1 0,1 1,0 0,5 37,9 72,6 71,0 175,5 96,5 1.377,5 34,5 34,5 20,0 47,0 p.m. 30,0 10,0 12,0 40,0 245,0 12,0 22,0 Ronde 2 1,0 1,7 50,0 20,0 20,0 Ronde 3 Restcap Capaciteit Ronde 4na 4de rnd 2010-2030

Totaal Amsterdam en Regio

276,4 1.744,0

Bron: Programma Ruimtelijke Investeringen Regio Amsterdam 2002, ROA. Bewerking Bureau BUITEN.

96

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Bijlage 4: Efficiënt ruimtegebruik, effect op bestaande terreinen

Nb Door de Provincie Noord-Holland konden geen gegevens worden verstrekt over de uitgifte van bedrijventerrein en het aantal werkzame personen op de bedrijventerreinen binnen de Deltametropool.
OOST Terreintype C Terreinen groter dan 10 ha. Hoog uitgiftepercentage groter dan ...% Minder dan 50 arb pl. Inloop percentage v WGH HA. naam terrein woonplaats

10% 547 11

20% 1.094 22

30% 1.641 33

40% 2.188 44 Ha. in gebruik

50% 2.736 55 TERREINQUOTI ENT BRUTO/NETTO 20% goedmaken 30% goedmaken 40% goedmaken 50% goedmaken 50 183 39 107 155 88 185 27 157 442 256 776 196 74 778 3.512 % in gebruik WGH totaal ARB.PL. PER HA.

DE SCHAFT HOUTEN BREUKELERWAARD BREUKELEN PARALLELWEG WOUDENBERG OVER OUDLAND IJSSELSTEIN TAPPERSHEUL OUDEWATER IND GEB OOST/DE RUBUNNIK DE PUTKOP HARMELEN BROEKWEG WIJK BIJ DUURST REMMERDEN RHENEN PAARDENMAAT LEUSDEN MAARSSENBROEK UTRECHT DE WETERING UTRECHT BT MIJDRECHT MIJDRECHT VIANEN TERREINEN VIANEN ISSELT AMERSFOORT Deltametropool Oost

17,00 21,00 14,00 23,00 23,60 23,50 26,50 35,00 33,00 36,60 58,00 75,00 110,00 153,90 191,11

11,00 11,60 12,00 16,50 16,70 18,50 21,50 24,15 30,30 35,60 52,00 59,00 88,00 119,10 191,11

11,00 7,00 12,00 9,20 15,50 18,50 19,50 24,15 25,30 35,60 52,00 10,30 88,00 119,10 191,11

100% 60% 100% 56% 93% 100% 91% 100% 83% 100% 100% 17% 100% 100% 100%

65% 55% 86% 72% 71% 79% 81% 69% 92% 97% 90% 79% 80% 77% 100%

244 543 230 270 318 247 305 209 252 397 249 422 220 205 239

41 18 44 37 31 40 33 48 40 25 40 24 46 49 42

450 129 522 341 488 749 639 1.153 1.003 896 2.089 244 4.009 5.807 8.000

10% goed maken 10 37 8 21 31 18 37 5 31 88 51 155 39 15 156 702

netto

bruto

20 73 16 43 62 35 74 11 63 177 102 310 78 30 311 1.405

30 110 23 64 93 53 111 16 94 265 153 466 117 44 467 2.107

40 146 31 85 124 70 148 22 126 354 204 621 156 59 622 2.809

ZUID Terreintype C Terreinen groter dan 10 ha. geen selectie op uitgiftepercentage Minder dan 50 arb pl. Inloop percentage v WGH HA.

10% 1.181 24

20% 2.363 47

30% 3.544 71

40% 4.725 95 Ha. in gebruik

50% 5.907 118 TERREINQUOTI ENT BRUTO/NETTO

naam terrein

20% goedmaken

30% goedmaken

40% goedmaken

Hongerland Spijkenisse Baanhoek Sliedrecht Kickers Bloem II Hellevoetsluis Zuidland Kerkweg-Zuid Krimpen a/d Lek Zaag Ammerstol Bergstoep Maasstraat Dordrecht Moerkapelle Moerkapelle Dordrecht Krabbegors Boven-Hardinxveld Hardinxveld-Giessendam Vierpolders Seggelant Schiedam Vijfsluizen Middelblok Gouderak Spijkenisse Halfweg III Haak-Kulkweg Hoek van Holland Arkel Arkel Nieuw-Lekkerland Middelweg Luchthaven RotterdaRotterdam Papendrecht Slobbegors Kickers Bloem I Hellevoetsluis Meerkerk Meerkerk Veersedijk Hendrik-Ido-Ambacht Zwijndrecht Rivieroever Gorinchem Avelingen-Oost Gorinchem Oost II Gorinchem Nieuwland Alblasserdam Nieuw Schaik Leerdam Grote Lindt Zwijndrecht Deltametropool Zuid

13 10 14,7 11,7 16 15 12,2 18 15 18,6 22 21 15,9 33 17,2 24,1 21 21 21,1 42,2 36 32,5 24,7 28,7 33 34 50 99,2

10 10 10,6 11,1 11,2 12 12,2 13,8 14 14 15 15,4 15,9 16,3 16,4 20,2 21 21 21,1 22,1 23,9 24,3 24,7 25,2 31,5 34 37,1 71,1

10 10 10,6 10 11,2 12 12,2 13,8 14 14 7,5 14,1 15,9 16,3 7,2 20,1 21 21 21,1 22,1 23,6 24,3 24,7 25,2 31,5 34 35,9 71,1

100% 100% 100% 90% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 50% 92% 100% 100% 44% 100% 100% 100% 100% 100% 99% 100% 100% 100% 100% 100% 97% 100%

77% 100% 72% 95% 70% 80% 100% 77% 93% 75% 68% 73% 100% 49% 95% 84% 100% 100% 100% 52% 66% 75% 100% 88% 95% 100% 74% 72%

602 361 212 400 1.231 443 305 207 959 256 843 212 371 380 878 555 623 234 296 215 216 824 436 352 1.235 369 204 276

17 28 47 25 8 23 33 48 10 39 12 47 27 26 11 18 16 43 34 47 46 12 23 28 8 27 49 36

166 277 501 250 91 271 400 667 146 546 89 666 429 429 82 362 337 897 713 1028 1093 295 566 715 255 922 1760 2572

33,3 22,2 2,8 27,6 46,8 32,8 20,9 2,2 55,3 15,3 57,0 4,1 36,4 38,4 63,2 64,4 71,1 15,1 34,0 7,5 8,6 91,7 66,6 54,2 131,7 77,4 3,2 97,6 1181,4

66,6 44,4 5,6 55,3 93,6 65,6 41,7 4,3 110,5 30,5 114,1 8,2 72,9 76,9 126,3 128,8 142,2 30,2 68,0 14,9 17,1 183,5 133,3 108,5 263,4 154,9 6,5 195,1 2362,7

99,9 66,6 8,4 82,9 140,4 98,3 62,6 6,5 165,8 45,8 171,1 12,3 109,3 115,3 189,5 193,2 213,3 45,3 101,9 22,4 25,7 275,2 199,9 162,7 395,0 232,3 9,7 292,7 3544,1

133,2 88,8 11,2 110,5 187,1 131,1 83,5 8,6 221,0 61,0 228,2 16,4 145,7 153,7 252,6 257,6 284,3 60,3 135,9 29,9 34,3 367,0 266,6 217,0 526,7 309,8 12,9 390,3 4725,4

166,5 111,0 14,0 138,2 233,9 163,9 104,4 10,8 276,3 76,3 285,2 20,5 182,2 192,2 315,8 322,1 355,4 75,4 169,9 37,4 42,8 458,7 333,2 271,2 658,4 387,2 16,2 487,8 5906,8

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

97

50% goedmaken

% in gebruik

woonplaats

WGH totaal

ARB.PL. PER HA.

10% goed maken

netto

bruto

WEST Terreintype C Terreinen groter dan 10 ha. geen selectie op uitgiftepercentage Minder dan 50 arb pl. vd achterstand tov 50 WGH HA.

10% 501 10

20% 1.003 20

30% 1.504 30

40% 2.006 40 Ha. in gebruik

50% 2.507 50 TERREINQUOTI ENT BRUTO/NETTO

naam terrein

20% goedmaken

30% goedmaken

40% goedmaken

Delfweg Noordwijkerhout Voorschoten Dobbeweg Veerpolder Warmond s-Gravendijck Noordwijk Zuid Sassenheim Lisse Grevelingstraat Coenecoop II Waddinxveen Leidschendam Westvlietweg II Hillegom Hillegomse Beek Leidschendam Westvlietweg III Bovenland Ter Aar Delft Rotterdamseweg Noordkade Waddinxveen De Verademing 's-Gravenhage Wateringen Wateringse Veld Gelkenes Groot Ammers Alphen a/d Rijn Heimanswetering Koudekerk aan den Rijn Hoogewaard Schie-oevers Noord Delft Deltametropool West

11,7 16 15,9 18,5 19 15,5 24 16 20,3 22,3 26 20,2 29,6 21,4 35 32 33 70 32

11,7 13 13 13 13,7 14,5 16 16 18 19 19,8 20,2 21 21,4 23 25,6 27 30 32

11,7 13 13 13 8,7 12,7 15 16 18 19 16,9 20,2 21 21,4 18,3 25,6 27 30 32

100% 100% 100% 100% 64% 88% 94% 100% 100% 100% 85% 100% 100% 100% 80% 100% 100% 100% 100%

100% 81% 82% 70% 72% 94% 67% 100% 89% 85% 76% 100% 71% 100% 66% 80% 82% 43% 100%

222 278 312 6.842 373 202 247 260 213 304 275 469 201 261 204 392 227 384 233

45,0 36,0 32,1 1,5 26,8 49,6 40,5 38,4 46,9 32,8 36,4 21,3 49,7 38,3 48,9 25,5 44,0 26,0 42,8

527 468 417 19 233 630 607 615 844 624 615 431 1.043 820 895 653 1.189 781 1.371

5,8 18,2 23,3 63,1 31,8 0,6 15,3 18,5 5,6 32,6 26,9 57,9 0,7 25,0 2,5 62,7 16,1 71,9 22,9 501,4

11,6 36,4 46,6 126,2 63,6 1,1 30,5 37,0 11,2 65,2 53,9 115,8 1,4 50,0 5,0 125,4 32,2 143,8 45,8 1002,8

17,4 54,6 69,9 189,3 95,4 1,7 45,8 55,5 16,8 97,8 80,8 173,7 2,1 75,0 7,5 188,1 48,3 215,7 68,7 1504,2

23,2 72,8 93,2 252,4 127,2 2,3 61,0 74,0 22,4 130,4 107,8 231,6 2,8 100,0 10,1 250,8 64,4 287,6 91,6 2005,6

29,0 91,0 116,5 315,5 159,0 2,9 76,3 92,5 28,0 163,0 134,7 289,5 3,5 125,0 12,6 313,5 80,5 359,5 114,5 2507,0

Flevoland Terreintype C Terreinen groter dan 10 ha. Hoog uitgiftepercentage groter dan ...% Minder dan 50 arb pl. Inloop percentage v WGH HA. naam terrein woonplaats

10% 589 12

20% 1.178 24

30% 1.767 35

40% 2.356 47 Ha. in gebruik

50% 2.945 59 BRUTO/NETTO TERREINQUOT IENT 20% goedmaken 30% goedmaken 40% goedmaken 50% goedmaken 181 123 587 2.054 2.945 % in gebruik WGH totaal ARB.PL. PER HA. 10% goed maken

Vogelweg Almere-Hout Poldervlak Almere-Buiten Veluwsekant (O+WAlmere-Stad De Vaart I-III Almere-Buiten

15 56 69 336,5

8,23 28 38,9 221,2

netto

bruto

7,91 25,19 21,99 163,15

96% 90% 57% 74%

55% 50% 56% 66%

1648 243 504 318

6 41 20 31

48 1.038 436 5.127

36 25 117 411 589

72 49 235 822 1.178

108 74 352 1.233 1.767

145 98 469 1.644 2.356

98

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

50% goedmaken

% in gebruik

woonplaats

WGH totaal

ARB.PL. PER HA.

10% goed maken

bruto

netto

Bijlage 5: Literatuur
ABF Research. Ruimtevraag Werken en Voorzieningen; vergelijking BLM en uitwerking per regio, 2001. ABF Research. Ruimtevraag wonen, werken en voorzieningen herberekend; verkenning 2000-2030 voor deel 3 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, 2002. ABF Research. Ruimtevraag wonen, werken en voorzieningen; verkenningen 2000-2030 voor de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, 2001. BCI. De regionale verkenningen 2010 BLM nader bekeken (concept eindrapportage), 1999. BCI. Intensief ruimtegebruik op bedrijventerreinen in de praktijk; zorgvuldigheid gewenst, 2002. BCI. Ruimtebehoefte bedrijventerreinen IJmond en Zaanstreek (concept), 2001. BCI. Ruimtebehoefteraming bedrijfslocaties Regio Amstel- en Meerlanden, 2002. BCI. Zorgvuldig Ruimtegebruik en de Ondernemer, deel 1. 2001. Bestuur Regio Utrecht. Regionaal StructuurPlan 2005-2015. Nota van Uitgangspunten (concept), 2002. Bo.2 / BCI. Intensief ruimtegebruik bij bedrijventerreinen en -huisvesting, 2001. BRO/Kamer van Koophandel Rijnland. Bedrijventerreinenstrategie Alphense Regio, 2001. BUITEN, bureau voor Economie & Omgeving. Efficiënt ruimtegebruik op bedrijventerreinen in Zuidelijk Flevoland, 2002. BUITEN, bureau voor Economie & Omgeving. Herstructurering bedrijventerreinen ROA plus Almere: de opgave tot 2010, 2001. Buro Randstad Holland / GOVERA. Randstad Mainport; ruimtelijke visie 2040, 1997. CPB / EZ / VROM. Bedrijfslocatiemonitor. De BLM: opzet en recente aanpassingen, 2002. CPB / EZ / VROM. Bedrijfslocatiemonitor. Veroudering van bedrijventerreinen; een structuur voor herstructurering, 2000. CPB. De ruimtevraag tot 2030 in twee scenario's, 2001. CPB. Economie en fysieke omgeving. Beleidsopgaven en oplossingsrichtingen 1995-2020, 1997. CPB. Werkdocument. Bedrijfslocatiemonitor regionale verkenningen 2010-2020: in gesprek met de regio's, 1999. ECORYS - NEI / Provincie Zuid-Holland. Provinciaal Economische Visie; naar een duurzame en vitale economie, 2001. ECORYS - NEI. De Leidse Regio: centraal in beeld. Werknotitie samenvattingen beleidsnota's, 2001. ECORYS - NEI. Leidse Regio sleutel tot succes: Ruimtelijk economisch beleidsplan Leidse Regio, 2000. ECORYS - NEI. Vraag- en aanbodanalyse droge bedrijventerreinen in Groot-Rijnmond, 2002. Ernst & Young ILAS. Oostflank: uitdagingen en potenties. Ruimte voor de Deltametropool. Hoofdrapport, 2001. ETIN Adviseurs / Oranjewoud. Herstructurering bedrijventerreinen in de Randstad provincies; opgave en proces. Tabellenboek, 2000.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

99

ETIN Adviseurs. Herstructureringsopgave Stadsregio Rotterdam, 2002. Min EZ. Kwaliteit wint terrein; actieplan herstructurering bedrijventerreinen, 2002. Gemeente Almere. Voorontwerp Stuctuurplan Almere 2010; met een doorkijk naar 2030, 2001. Gemeente Amsterdam (EZ/Research). Regionale Bedrijfslocatiemonitor. Ruimtebehoefte bedrijventerreinen regio Amsterdam (concept), 2002. Gemeente Amsterdam. Intensivering van het ruimtegebruik op bedrijfsterreinen; terreinwinst voor bedrijvigheid, 1998. Gemeente Amsterdam. Ontwerpstructuurplan Amsterdam: 'Kiezen voor stedelijkheid'; het plan, 2000. Gemeente Amsterdam. Programma Herstructurering Bedrijventerreinen 1999-2004, 2000. Gemeente Amsterdam/ROA. Bedrijfslocaties in Amsterdam 2002. GOVERA / BCI. Naar een logistieke visie voor de Randstad; discussienota, 1997. Heidemij Advies. Nieuwe kansen voor bestaande terreinen; een onderzoek naar de problemen en oplossingen voor verouderde bedrijventerreinen in Nederland, 1996. Inbo. De kostencomponent van intensief ruimtegebruik op bedrijventerreinen, 2002. Kamer van Koophandel Utrecht. Groeien binnen grenzen; ruimtelijk-economische schets voor de regio Utrecht 2010-2030, 1998. Kamers van Koophandel. Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie, 2001. Kamers van Koophandel. De Randstad: kiezen voor nieuwe dynamiek. Samenhang tussen economie, ruimte en mobiliteit in de Deltametropool, 2000. Kamers van Koophandel. Doorstart voor de Randstad. Naar een betere samenhang tussen mobiliteit en inrichting van de metropool, 1999. Louw, E. en J.F.H. Hiethaar. Bedrijventerreinen over de groene grens. OTBouwstenen no. 54, 1999. MDW-werkgroep. Rapport Intensief Ruimtegebruik Bedrijventerreinen; "Verzameld werk", 2002. NVM BOG. Het Rapport; economische regio's 2002. Pen, C.J. Wat beweegt bedrijven. Nederlandse Geografische Studies, Utrecht/Groningen ISSN 01694839. Provincie Flevoland. Bijlagen Omgevingsplan Flevoland, 2000. Provincie Flevoland. Notitie: Hoofdlijnen Regioverkening Zuidelijk Flevoland, 2001. Provincie Flevoland. Omgevingsplan Flevoland, 2000. Provincie Flevoland. Statistiek van de bedrijventerreinen en kantoorlocaties, 2002. Provincie Flevoland. Statistiek van de werkgelegenheid en vestigingen in Flevoland, 2001. Provincie Flevoland. Statistiek van de werkgelegenheid in Flevoland, 2000. Provincie Noord-Holland. Beleidsnotitie. De planningsopgave; keuze provincie voor innovatief ruimtegebruik, 2001. Provincie Noord-Holland. Streekplan Noord-Holland Zuid; ontwerp, 2002. Provincie Utrecht / Inbo. Intensief ruimtegebruik op de Utrechtse bedrijventerreinen, 2001. 100 BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Provincie Utrecht. Statenvoorstel: vaststelling nota 'Ruimtelijke keuzes op hoofdlijnen' (nieuw streekplan), 2002. Provincie Utrecht. Strategische mobiliteitsvisie Midden-Nederland (vierde concept), 2002. Provincie Zuid-Holland / GOVERA. Logistieke en ruimtelijke knelpunten van de transport- en distributiesector in de Randstad, 1994. Provincie Zuid-Holland. Bedrijventerreinen in Zuid-Holland 2002. Provincie Zuid-Holland. Meerjarenprogramma economie 2002-2006, deel 1. Uitvoeringskader Provinciaal Economisch Beleid, 2002. Provincie Zuid-Holland. Provinciaal Economische Visie; naar een duurzame en vitale economie, 2001. RBOI. Duurzaam & dynamisch; visie op het Groene Hart met projectvoorstellen, 2000. Regio Randstad. Key Figures The Randstad, 2002. RIGO. Capaciteit in bestaand bebouwd gebied in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland; maatgevoel middels een modelmatige benadering, 2000. RIGO. Herstructurering bedrijventerreinen in beeld; evaluatie 5 projecten, 2000. RIGO. Herstructurering bedrijventerreinen; 'scan' behoeften 25 gemeenten Grote Stedenbeleid, 1997. RIGO. Toetsing capaciteitsraming BBG; voor de landsdelen Noord, Oost en Zuid, 2002. Stadsgewest Haaglanden. Regionaal Structuurplan Haaglanden; Haaglanden, groene schakels in de randstad, 2002. Stadsgewest Haaglanden. Werkgelegenheid in Haaglanden 2001; momentopname en trends, 2001. Stadsregio Rotterdam. Regiovisie Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening; ruimtelijke ontwikkeling Rotterdamse regio 2010-2030, 2000. STOGO. Prognose ruimtebehoefte bedrijven en kantorenterreinen gemeente Almere 2000-2030, 2001. Stuurgroep Ruimtelijke Investeringen, Verkeer & Vervoer. Programma ruimtelijke investeringen; regio Amsterdam, 2002. VNO-NCW West. Presentatie van VNO-NCW-kaart 'Ruimte voor Economie'; Forse omslag nodig in kabinetsbeleid. Jaargang 2, nummer 2, p. 10-11. VNO-NCW. Presentatie kaart: 'Ruimte voor Economie'; persconferentie handreiking, 2002. VROM. Deltametropool. Procesconvenant landsdeel West; Landsdeelconvenant Fase I, 2002.

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

101

102

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

Bijlage 6: Lijst van gesprekspartners en deelnemers werkconferenties
Gesprekspartners Dhr. D. Freling Dhr. A. Boone Dhr. Timmers Dhr. B.J.G. Schuttenbeld Dhr. G.L.M. Gietman Dhr. P. Ewalts Dhr. B. Mooren Dhr. J. Mouwen Dhr. O. van den Brink Dhr. H. Dorresteijn Dhr. H. van Laar Dhr. T. Breuer Dhr. G. Borgman Dhr. W.H. Houtsma Dhr. W. van Smaalen Dhr. W. Kleyn Dhr. M. Becker Dhr. N. van Wonderen Dhr. P. van der Valk Dhr. G. Scholtens Dhr. R. Hoogervorst Dhr. C. Bemmel Dhr. E. Vredebregt Mw. A. Renne Mw. I. Schuringa Dhr. N. Da Graca Kamer van Koophandel Amsterdam Kamer van Koophandel Gooi- en Eemland Kamer van Koophandel Haaglanden Kamer van Koophandel Rijnland Kamer van Koophandel Rotterdam Kamer van Koophandel Utrecht VNO-NCW West VNO-NCW West VNO-NCW MIdden Kring Utrechtse Bedrijven en Ondernemers Govera Zuid-Hollandse Milieufederatie Min. VROM / RPD Min. VROM / RPD Min EZ. Regio Zuid-West Gemeente Amsterdam (afd. EZ.) Gemeente Amsterdam (afd. EZ.) Gemeente Amsterdam (afd. EZ.) Stadsregio Rotterdam Haaglanden Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Gemeente Utrecht (afd. EZ.) Provincie Utrecht Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving

103

Deelnemers Werkconferenties Noord Dhr. M. Blom Dhr. J. Haseth Dhr. G. van Holk Dhr. N. van Wonderen Dhr. A. Wagemakers Oost Mw. A. Renne Dhr. H.P. Krolis Dhr. Hurenkamp Dhr. E. Regeer Dhr. S. de Haan Dhr. G vd Zwaan Mw. L. Hendriks Dhr. A. Boone Mw. Y. Ledoux Mw. Ch. Van Grinsven Dhr. G . Graaf Dhr. A. Lindhout Dhr. W. van Smaalen Dhr. H. Koolwijk Dhr. Da Graca Dhr. G.L.M. Gietman Dhr. P. Oudega Dhr. T. Breuer Dhr. J. van Doggenaar Dhr. R. Hoogervorst Dhr. G. Scholtens Dhr. H. Koolwijk Dhr. W. van Smaalen Dhr. B. Mooren Natuur en Milieufederatie Utrecht Provincie Flevoland (afd EZ.) Min. EZ. regio Noord-West Gemeente Amsterdam (afd. EZ.) Gemeente Amsterdam (DRO) Gemeente Utrecht (EZ) Min EZ. Regio Noord-West Kamer van Koophandel Utrecht Gemeente Nieuwegein Provincie Flevoland Gemeente Houten Gewest Eemland Kamer van Koophandel Gooi- en Eemland Provincie Utrecht Provincie Utrecht Bestuur Regio Utrecht Provincie Zuid-Holland Min EZ. Regio Zuid-West Provincie Zuid-Holland Ontwikkelings Bedrijf Rotterdam Kamer van Koophandel Rotterdam Regio Randstad Zuid-Hollandse Mileufederatie Samenwerkingsorgaan Leidse Regio Provincie Zuid-Holland Haaglanden Provincie Zuid-Holland Min EZ. Regio Zuid-West VNO-NCW West

Zuid

West

104

BUITEN, Bureau voor Economie & Omgeving