Symposium Kwaliteit wint terrein

Economische regionale samenwerking is noodzaak
Dat samenwerking tussen gemeenten noodzakelijk is bij de ontwikkeling en herstructurering van bedrijventerreinen, daar waren alle aanwezigen het wel over eens tijdens de bijeenkomst ‘Kwaliteit wint terrein’. Maar hoe die samenwerking dan gestalte moet krijgen in de praktijk, daar liepen de meningen over uiteen op 5 oktober in de Willemshof van de VNG in Den Haag. Rivierenland gelooft dat een convenant de oplossing is, de gemeente Roosendaal ziet meer in het opbouwen van vertrouwen tussen wethouders EZ van betrokken gemeenten. J. Landsaat, wethouder van Naarden, verzuchtte dat hij naar de bijeenkomst was gekomen om te leren. “Want de economische samenwerking in de Gooi en Vechtstreek levert naast een aantal kleine projecten vooralsnog vooral veel politiek gekibbel op.” Duidelijk werd in ieder geval dat er geen pasklaar antwoord is hoe gemeenten die samenwerking moeten aanpakken. “Het is en blijft een politiek spel”, gaf J.J. Pelle, wethouder van EZ van de gemeente Roosendaal toe. “Geniet dan ook van dat spel.” In de Nota Ruimte die het ministerie van EZ in 2004 heeft uitgebracht wordt aangegeven dat er voldoende ruimte voor bedrijventerreinen moet worden gereserveerd. De Nota Ruimte gaat uit van 23.000 ha nieuwe terreinen bij een hoge economische groei. EZ raadt provincies aan ruimte te reserveren voor een hoog groeiscenario. “Dat is geen kleinigheid”, gaf staatssecretaris Karien van Gennip bij monde van C. Kortleve van EZ toe. “Want discussies over bedrijventerreinen gaan niet zonder slag of stoot. U kent de hevige debatten over de Hoeksche Waard en Moerdijkse Hoek, allebei grote bedrijventerreinen van nationale betekenis.” EZ richt zich specifiek op grote bedrijventerreinen met nationale uitstraling: de 50 TOPPER bedrijventerreinen. Dit zijn bestaande terreinen die voor een grote herstructureringsopgave staan, maar ook –voor bijna de helft- nieuwe locaties. Kortleve: “Tegelijkertijd beseffen wij wel dat die TOPPERS de top van een ijsberg vormen. Terwijl deze 50 terreinen een coproductie zijn met het rijk, moeten provincie en gemeenten alléén de kar trekken bij alle andere terreinen. Om te komen tot regionale samenwerking bent u dus helemaal op elkaar aangewezen.” Bestuurlijke lessen En die regionale samenwerking kan in de praktijk knap lastig zijn, weet Pelle uit ervaring. Toen hij in 2002 als ‘wethouder buiten de raad’ in Roosendaal kwam, waren de verhoudingen tussen de gemeente Roosendaal en de buurgemeente Halderberge ronduit slecht. Dat had te maken met de ontwikkeling van een regionaal bedrijventerrein. Al in 1998 was op provinciaal niveau vastgesteld dat er behoefte was aan een groot regionaal bedrijventerrein in West-Brabant. Als locatie viel de keus al snel op Roosendaal en Halderberge. Inmiddels is begonnen met de bouw van de eerste bedrijven. Maar voor het zover was, is er heel veel discussie gevoerd. Die discussies spitsten zich toe op een buurtgemeenschap dat op de locatie van het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein lag. De emoties rond de tegengestelde belangen van bewoners en gemeenten liepen hoog op. Voor de pers was dat smullen. Die had er bijna een dagtaak aan om de wethouder van Roosendaal en Halderberge tegen elkaar uit te spelen. De oplossing kwam toen de provincie alsnog een bedrijfsbestemming op de buurtgemeenschap legde, waarna tot verwerving kon worden overgegaan. Tijdens het symposium vertelde Pelle welke bestuurlijke lessen hij had geleerd van deze samenwerking. “Als je gaat samenwerken creëer dan een beeld van die samenwerking. Zorg voor een sterk verhaal. In ons geval was dat beeld ‘samenwerken en rust’. Hoe saaier, hoe beter. Daardoor waren we niet meer interessant voor de pers en konden we weer met elkaar om tafel waar het écht over ging. Namelijk economie en werkgelegenheid in de regio.”

Ook belangrijk is volgens Pelle om juridisering te voorkomen. “Luister naar alle belanghebbenden en probeer oplossingen te vinden”, hield hij de deelnemers aan het symposium voor. “Hoe langer je als overheid onduidelijk bent, hoe eerder belangengroepen naar de rechter stappen.” Zijn strategie wierp in West Brabant vruchten af. Bij de Raad van State ligt geen enkel bezwaar van de bewoners van het buurgemeenschap. Voor het ontwikkelen van het bedrijventerrein werken Halderberge en Roosendaal samen met Heijmans Infrastructuurontwikkeling. Pelle raadt alle gemeenten aan de markt te gebruiken “U kunt het niet alleen en u zou het ook niet alleen moeten willen.” De meerwaarde van een pps-constructie zit volgens hem in extra expertise, creativiteit, oplossingsgericht denken en natuurlijk financiën. De samenwerking tussen een grote en kleine gemeente blijft altijd lastig, beseft Pelle. “Het beeld van de grote gemeente die de kleine buurgemeente onder de voet loopt blijft altijd bestaan. Het is goed dat te beseffen en open te staan voor de problemen die de kleine gemeente heeft.” Ondanks alle strubbelingen is Pelle positief over wat er tot stand is gebracht. “Geniet ook gewoon van het politieke spel. Zorg voor een sterk verhaal en investeer in goede persoonlijke verhoudingen. Dat loont zeker.” Convenant Bedrijventerreinen Persoonlijke verhoudingen en vertrouwen zijn belangrijk, benadrukt ook A.P. Heidema, burgemeester en portefeuillehouder EZ van de gemeente Neder-Betuwe. Maar ook het maken van duidelijke afspraken helpt. Elf gemeenten en de Kamer van Koophandel hebben hun handtekening gezet onder het Convenant Bedrijventerreinen Rivierenland. Doel van het convenant is om er gezamenlijk naar te streven om het juiste bedrijf op het juiste moment op de juiste plaats vestigingsruimte te bieden. In het convenant wordt onderscheid gemaakt naar drie soorten terreinen: lokaal, sub-regionaal en regionaal. Bedrijven van buiten de regio worden alleen toegelaten als ze een duidelijke meerwaarde hebben voor de regio. In principe vestigen deze nieuwe bedrijven zich op het regionale bedrijventerrein. Bij bedrijven uit de regio die willen uitbreiden, wordt gekeken naar de grootte om te bepalen op welk terrein het bedrijf zich bij voorkeur moet vestigen. De sub-regionale terreinen zijn verplicht bedrijven op te vangen die te groot worden voor een lokaal terrein. De elf gemeenten en de Kamer van Koophandel werken op dit gebied samen in het Stimuleringsprogramma Economie Rivierenland (StER). “Die samenwerking verloopt al jaren goed”, vertelt Heidema. “Met dit convenant verdelen we de werkgelegenheid waardoor we een goede balans hebben tussen wonen, werken en recreëren in onze regio. Bovendien kunnen we zo het hoofd bieden aan de concurrentie van de om ons liggende stedelijke agglomeraties zoals Utrecht, Arnhem, Nijmegen en den Bosch.” Het convenant is overigens geen keurslijf waar alles koste wat het kost in moet passen. Het is een convenant waarin inhoudelijke randvoorwaarden zijn vastgesteld. Heidema: “In het convenant is ook opgenomen dat we van onze eigen richtlijnen kunnen afwijken als het in belang is van de economische ontwikkeling in de regio.” Dat lokt de reactie op vanuit de zaal dat Rivierenland in de positie is om zulk soort regels aan bedrijven op te leggen, omdat de locatie zeer gewild is. In regio’s waar bedrijven minder staan te dringen om zich te vestigen, is het veel moeilijker om als gemeente te bepalen op welk terrein een bedrijf welkom is. Heidema is van mening dat je bedrijven kunt uitleggen waarom je kiest voor zo’n aanpak. En ook alle betrokken gemeenten beseffen dat het om een gezamenlijk belang en dus ook gezamenlijke verantwoordelijkheid gaat. Vasthouden gemeentebelangen Het besef dat het een gezamenlijk belang is om op economisch gebied samen te werken, ontbreekt nog grotendeels in de Gooi en Vechtstreek volgens J. Landsaat (Naarden). “Als Gooi en Vechtreek zijn we niet in staat om gezamenlijk een stevig standpunt in te nemen tegenover bijvoorbeeld Utrecht, Amsterdam en Almere.” Deze gemeenten ontwikkelen allerlei nieuwe bedrijventerreinen zonder dat er ooit aan de Gooi en Vechtstreek wordt gevraagd wat zij daar nou eigenlijk van vinden. “Er is geen enkel overleg over wat wij aan werkgelegenheid willen bewaren en wat wellicht voor verplaatsing in aanmerking komt. Bovendien gaan die gemeenten voorbij aan het feit dat, als zij grote bedrijventerreinen

aanleggen, een groot deel van de mensen die daar gaan werken over de A1 naar het werk gaat. Dat betekent voor ons een forse toename van verkeersdruk. Dat heeft schadelijke effecten voor de streek”. Landsaat heeft wel een verklaring voor het gebrek aan samenwerking in de regio: “Bij veel gemeenteraden wordt krampachtig vastgehouden aan de eigen gemeentebelangen . Bovendien heeft men in het Gooi niet veel geld over voor economie. Dat maakt samenwerken moeilijk.” T. Hooijmaijers, gedeputeerde ruimtelijke ordening en financiën van de provincie Noord-Holland herkent het beeld dat Landsaat schetst. “De werkelijkheid is dat je als bestuurder wordt afgerekend op de resultaten binnen de eigen gemeenten. Daardoor is het moeilijk om regionaal samen te gaan werken. Want dat betekent dat je niet alles binnen je eigen gemeentegrenzen kunt houden.”Maar dit is volgens hem geen reden om bij de pakken neer te gaan zitten. “In Noord-Holland geven we de gemeenten een jaar de tijd om regionaal te gaan samenwerken. Daarna gaan wij het als provincie afdwingen.” Als andere reden voor het niet echt van de grond komen van de economische samenwerking in de Gooi en Vechtreek wordt ook de noodzaak tot samenwerken genoemd. In de forumdiscussie tijdens het symposium zei Hooijmaijers daarover: “In een regio die voorzieningen wil behouden, leeft het besef dat wonen en werken noodzakelijk zijn om de regio leefbaar te houden. Daar wordt bijna automatisch samengewerkt, omdat geen gemeente dat alleen kan. Maar in regio’s waar het nog goed gaat, zoals bijvoorbeeld de Gooi en Vechtstreek, ontbreekt die drang tot samenwerken.” Toch zouden alle gemeenten die noodzaak tot samenwerken moeten voelen, volgens M. Varekamp, voorzitter van de Kamer van Koophandel Haaglanden. “De toenemende concurrentie uit bijvoorbeeld China heeft absoluut effect op de regionale en economische ontwikkelingen in Nederland. Dat beseffen we hier in Nederland nog veel te weinig. Alleen door goede samenwerking kunnen we die concurrentie het hoofd bieden.” F. Boekema, hoogleraar Economische Geografie van de Radbout Universiteit is het daar mee eens. “Nederland holt hard achteruit op de economische wereldmarkt. Daarom zouden regio’s veel meer in moeten spelen op specifiek regionale situaties. Inventariseer de bedreigingen en de kansen. En probeer de economie van je eigen regio goed in de vingers te krijgen.” Samenwerken is daarbij geen keus, maar een absolute must, vindt Boekema. Blijft voor veel deelnemers nog steeds de vraag ‘maar hoe dan?’ Het uitwisselen van ervaringen en het uitbreiden van het netwerk zijn in ieder geval de eerste stappen op weg naar een succesvolle regionale samenwerking.
Het symposium Kwaliteit wint terrein vond plaats op 5 oktober in de Willemshof van de VNG in Den Haag. Het symposium dat was georganiseerd door het ministerie van Economische Zaken, de VNG en SenterNovem, was exclusief bestemd voor wethouders EZ.