Aan

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 2513 AA 's-GRAVENHAGE

Datum

Uw kenmerk

Ons kenmerk

Bijlage(n)

15 mei 2006
Onderwerp

O&I/REB/CGB 6036542

1

structuurfondsen 2007-2013 In deze brief informeer ik u, namens het Kabinet, over de voortgang van de voorbereiding van de nieuwe structuurfondsperiode. Ik heb u dit toegezegd tijdens het algemeen overleg van 26 april jl. met de vaste commissie voor Economische Zaken van uw Kamer. U vindt bij deze brief een concept van het Nationaal Strategisch Referentiekader (NSR). Het NSR wordt na de zomer definitief vastgesteld, op het moment dat de Europese verordeningen en de ‘Communautaire Strategische Richtsnoeren’ zijn vastgesteld. Door afwezigheid van een aantal sleutelfiguren bij de Europese Commissie afgelopen twee weken is er echter nog geen definitieve overeenstemming bereikt over de financiële verdeling over de regio’s van de structuurfondsen en de cofinanciering. Dinsdagmiddag 16 mei vindt hierover nog nader overleg plaats, waarna ik uw Kamer zo spoedig zal berichten. Ook gelet op het aanstaande algemeen overleg met uw Kamer op 18 mei a.s., stuur ik u hierbij reeds een concept van het NSR en de gevraagde informatie over de nieuwe steunkaart. Het Nationaal Strategisch Referentiekader (NSR) De Europese Commissie en de lidstaten hebben gezamenlijk gekozen voor een meer strategische aanpak van het structuurbeleid. De strategische lijn wordt door de Europese Commissie onder meer neergelegd in de Communautaire Strategische Richtsnoeren. Hierin wordt het structuurbeleid nadrukkelijk mede in dienst van de Lissabonagenda gesteld. Dit heeft vooral betrekking op de Doelstelling 2 Regionale Concurrentiekracht en Werkgelegenheid, waaruit Nederland bijna € 1,5 miljard ontvangt. De Europese Commissie en de lidstaten hebben besloten dat 75% van de middelen voor Doelstelling 2 moet worden ingezet voor de Lissabonagenda.

Bezoekadres

Doorkiesnummer

Telefax

Bezuidenhoutseweg 20, Den Haag
Hoofdkantoor Bezuidenhoutseweg 30 Postbus 20101 2500 EC 's-Gravenhage Telefoon (070) 379 89 11 Telefax (070) 347 40 81 Email ezpost@minez.nl Website www.minez.nl

070-379 6417
Behandeld door

070-379 6095

Herm van der Beek
Verzoeke bij beantwoording van deze brief ons kenmerk te vermelden

De rol van de lidstaten bij de besteding van de structuurfondsen wordt in de nieuwe periode versterkt. Alle lidstaten moeten een Nationaal Strategisch Referentiekader opstellen, waarin ze de strategische keuzes vastleggen voor de inzet van de structuurfondsen in de periode 2007-2013. Dit is nieuw ten opzichte van de huidige periode. Aan de hand van het NSR worden vervolgens de operationele programma’s opgesteld. Het Kabinet is in een vergevorderd stadium met het opstellen van het NSR, waarvan een conceptversie is bijgevoegd. Ik wil benadrukken dat dit een voorlopige versie betreft. Hoewel de grote lijnen voor het Kabinet vaststaan, kunnen er nog wel wijzigingen in optreden als gevolg van het overleg dat met diverse partijen, waaronder ook de Europese Commissie, gevoerd wordt. Daarnaast zijn op dit moment de verordeningen en de Communautaire Strategische Richtsnoeren nog niet definitief vastgesteld. Dit zal hoogst waarschijnlijk pas na de zomer gebeurd zijn. Financiële verdeling Bij de financiële verdeling voor de Doelstelling 2 Concurrentiekracht programma’s is voor het Kabinet het uitgangspunt, dat met de structuurfondsen wordt aangesloten bij het nationale regionaal economisch beleid. In dit beleid staat centraal dat geïnvesteerd wordt in de kracht van álle regio’s. Alle regio’s hebben kansen, en alle regio’s hebben ook te maken met knelpunten die de benutting van die kansen in de weg staan. De structuurfondsen bieden de mogelijkheid dit beleid een stevige aanvullende impuls te geven. De verdeelsleutel die op de Europese Raad van 15 en 16 december 2005 is vastgesteld voor de verdeling van de middelen over de lidstaten bestaat uit zes criteria die zowel gebaseerd zijn op kansen als op achterstanden (zie hoofdstuk 7 van het NSR). Deze sleutel vormt daarmee een goede basis voor de verdeling van de middelen over de regio’s. Zoals ik tijdens het algemeen overleg van 26 april jl. heb toegelicht is de afgelopen tijd met de Europese Commissie gesproken over de verdeling van de middelen. De Europese Commissie heeft in de gesprekken en via de brief van de heer Meadows, DirecteurGeneraal Regionaal Beleid, aangegeven dat de verdeelsleutel die is vastgesteld op de Europese Raad in hun ogen te weinig rekening houdt met verschillen in regionale welvaart en dat een meer geleidelijke overgang tussen de huidige en nieuwe periode nodig is. Voor een meer geleidelijke overgang in het noorden heb ik begrip. Deze visie sluit aan bij het in overleg met Uw Kamer vastgestelde regionaal economische beleid. Er is zoals u bekend bij Pieken in de Delta voor het noorden een transitiepakket vastgesteld voor de periode 2007-2010. Mijn ministerie is met de Commissie in gesprek over een totaalpakket. De voorstellen liggen niet ver meer uit elkaar. We zijn het eens dat er een oplossing moet komen waarin

2

het noorden in de eerste vier jaar een ‘transitiebedrag’ zal ontvangen. Dit transitiebedrag zal ten koste gaan van het westen en zuiden. De discussie gaat nog over de exacte hoogte van dat bedrag en het aandeel na 2010. Zoals aangegeven, vindt er dinsdagmiddag 16 mei a.s. met de Commissie een gesprek plaats (op ambtelijk niveau met Directeur-Generaal Meadows). Ik zal u de uitkomst van dit gesprek en dus de definitieve verdeling van de structuurfondsen over de regio’s zo spoedig mogelijk melden. Cofinanciering Bij elke euro uit de structuurfondsen moet een euro uit Nederland als cofinanciering gelegd worden. De bronnen voor deze cofinanciering zijn: private partijen, het rijk, decentrale overheden en andere publieke partijen. Zoals ik in het algemeen overleg van 26 april jl. heb aangegeven, heeft Nederland er met andere lidstaten op aangedrongen dat ook private bijdragen mee mogen tellen als nationale cofinanciering. Dit heeft succes gehad, want er is inmiddels door de lidstaten besloten dat private cofinanciering meegeteld mag worden. Het Kabinet stelt bovendien voor de komende periode een extra bedrag van € 167 miljoen als cofinanciering ter beschikking. Dit komt boven op de € 77 miljoen die ik zelf voor de komende periode beschikbaar heb. Het totaalbedrag aan cofinanciering dat het Rijk beschikbaar stelt voor Doelstelling 2 Concurrentiekracht (EFRO) en Doelstelling 3 komt hiermee voor de komende periode op in elk geval € 244 miljoen uit. Net als in de huidige periode zal er daarnaast ook cofinanciering plaats kunnen vinden uit reguliere budgetten zoals Pieken in de Delta, het Investeringsfonds Landelijk Gebied, de Nota Ruimte en het Grotestedenbeleid. Van het genoemde bedrag wil ik ongeveer € 200 miljoen beschikbaar stellen voor Doelstelling 2 Regionale Concurrentiekracht (EFRO) en 44 miljoen voor Doelstelling 3. De cofinanciering voor Doelstelling 2 Werkgelegenheid (ESF) komt uit decentrale middelen, zoals de O&O fondsen, de gemeentelijke budgetten voor de Wet Werk en Bijstand etc. Ik neem bij de verdeling van de cofinanciering over de regio’s een aantal zaken in overweging. Het uitgangspunt is dat de rijkscofinanciering wordt ingezet voor het bereiken van nationale beleidsdoelen. Alle regio’s moeten daarbij in voldoende mate over cofinanciering kunnen beschikken. Ik weeg ook mee wat het effect is voor de andere regio’s van het toekennen van het transitiebudget aan het noorden. Ten slotte kijk ik ook naar de rijkscofinanciering die regio’s nu ontvangen en naar het bedrag dat er uit andere rijksbudgetten beschikbaar is als cofinanciering. De verdeling van de cofinanciering zal ik ook zo spoedig samen met de verdeling over de regio’s van de structuurfondsen aan u doen toekomen. Projectselectie Zoals ik in het algemeen overleg van 26 april jl. heb aangegeven vind ik het, naast de verdeling van het geld, ook van groot belang dat het geld naar kwalitatief goede projecten

3

gaat. In de huidige periode worden reeds verschillende criteria gehanteerd bij de projectselectie. Deze criteria zullen tegen het licht worden gehouden om te bekijken of ze nog voldoen. Zonder de administratieve lasten te veel te verhogen zal een zo scherp mogelijke selectie moeten plaatsvinden, zodat de beste projecten het geld krijgen. Bij de inzet van de rijkscofinanciering zal als extra criterium worden gehanteerd dat de projecten, op een duurzame wijze, moeten bijdragen aan de nationale beleidsdoelen. Het is echter niet alleen een kwestie van goede projectselectie, maar ook van goede programmering. In het NSR is hiervoor een aantal lijnen uitgezet, die in de operationele programma’s verder worden uitgewerkt. Eén ervan is dat de regio’s gevraagd wordt aan te sluiten bij bestaande sterktes en activiteiten. Dit voorkomt onnodige versnippering en versterkt de effectiviteit van de projecten. Het vervolg Ik verwacht dat het Kabinet het NSR vlak na de zomer zal afronden. Wanneer het NSR formeel kan worden vastgesteld, hangt af van de voortgang die wordt gemaakt bij het vaststellen van de verordeningen en de communautaire strategische richtsnoeren door de Europese Raad en het Europees Parlement. De verordeningen zullen zoals het er nu uitziet begin juli worden vastgesteld, de Communautaire Richtsnoeren mogelijk pas in oktober. Het definitieve NSR zal voordat het naar de Europese Commissie wordt gestuurd aan uw Kamer worden aangeboden. Op dit moment wordt al volop gewerkt aan het opstellen van de operationele programma’s. Voor de zomer zullen de meeste programma’s voor Doelstelling 2 in concept gereed zijn. Definitieve afronding is na de zomer voorzien. De programma’s worden dan aan het Nationaal Strategisch Referentiekader getoetst. Vervolgens worden ze naar de Europese Commissie gestuurd ter goedkeuring. Het Kabinet wil zo snel mogelijk in 2007 van start kunnen gaan met de uitvoering van de programma’s. Richtsnoeren regionale steunmaatregelen 2007-2013 De Europese Commissie heeft vorig jaar met het State Aid Action Plan de koers voor de komende jaren uiteengezet voor wat betreft het staatssteuncontrole beleid. Dit plan moet uiteindelijk uitmonden in een pakket wijzigingen van de huidige staatssteunkaders. Als vervolg hierop komt de Europese Commissie voor elk steunkader met een herziening. Zo heeft de Europese Commissie op 4 maart 2006 de nieuwe richtsnoeren regionale steunmaatregelen 2007 - 2013 gepubliceerd. Hierin staan de voorwaarden waaronder lidstaten investeringssteun aan bedrijven in zogenaamde steunkaartregio’s kunnen geven. Andere belangrijke steunkaders voor Nederland (zoals het Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie steunkader, de Risicokapitaalrichtlijn en het Milieusteunkader) worden later dit jaar herzien. Naast deze steunkaders bestaan er ook nog andere kaders die steunmogelijkheden geven. Voorbeelden hiervan zijn de MKB vrijstellingsverordening (geeft mogelijkheden om MKB te steunen voor investeringen, advies of onderzoek en ontwikkeling), opleidingssteunkader, werkgelegenheidsteunkader, redding en

4

herstructureringssteunkader en de ‘de minimis’ vrijstellingsverordening (op basis waarvan zowel grote als kleine ondernemingen maximaal €100.000 steun in 3 jaar tijd mogen ontvangen). Regionale steunmaatregelen zijn volgens de Europese Commissie alleen toegestaan indien ze spaarzaam en evenredig worden ingezet. De Europese Commissie heeft daarom bepaald dat het totale aandeel van de bevolking in de steungebieden (bevolkingsdekking) aanzienlijk lager moet liggen dan het totale aandeel van de bevolking in nietsteungebieden. Voor de gehele EU is de maximale bevolkingsdekking vastgesteld op 42%. Voor Nederland heeft de Europese Commissie dit vastgesteld op 7,5%. In de huidige periode bedraagt dit 15% van de Nederlandse bevolking. Tot en met 2008 is er sprake van een overgangsperiode en is de maximale bevolkingsdekking vastgesteld op 9,9% van de bevolking, Nu de richtsnoeren gepubliceerd zijn kan elke lidstaat een steunkaart voor de periode 2007 – 2013 aanmelden bij de Europese Commissie. Dit dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, zodat de steunkaart voor 1 januari 2007 kan worden goedgekeurd door de Europese Commissie. De steunkaart moet deel uitmaken van een helder omschreven regionaal beleid en moet voldoen aan de beginselen van geografische concentratie. Lidstaten mogen op basis van economische indicatoren zelf aangeven welke regio’s voor de steunkaart in aanmerking komen. De Europese Commissie geeft als hoofdlijn aan dat de steunkaart moet bestaan uit aangrenzende zones van bijvoorbeeld gemeenten die binnen een provincie of Corop-gebied liggen, waar het BBP per hoofd van de bevolking onder het gemiddelde van de EU-25 lidstaten ligt of waar het werkloosheidspercentage meer bedraagt dan 115% van het nationale gemiddelde. Onder bepaalde voorwaarden mogen ook kleinere gebieden dan gemeenten op de steunkaart worden gezet. Momenteel onderzoek ik de mogelijkheden voor de Nederlandse steunkaart. Daarbij zal ik onder andere letten op het creëren van een ‘Level playing field’ ten opzichte van de buurlanden, zoals verzocht is in de motie Snijder-Hazelhoff (29697, nr. 8). Er zijn op dit moment geen rijksmiddelen gereserveerd voor eventuele nieuwe regionale steunmaatregelen. Overigens staat het opstellen van de steunkaart los van de inzet van rijksmiddelen. De steunkaart is van belang om de mogelijkheden, ook voor decentrale overheden, open te houden om steun te verlenen.

5

Voor de zomer zal ik mijn ideeën met de regio’s in Nederland en Duitsland en België bespreken. Na het zomerreces verwacht ik een Kabinetsbesluit over de steunkaart waarover ik u zal informeren. Uiterlijk begin oktober 2006 wil ik de steunkaart bij de Europese Commissie aanmelden.

(w.g.)

mevr. ir. C.E.G. van Gennip MBA Staatssecretaris van Economische Zaken

6