NATIONAAL STRATEGISCH REFERENTIEKADER

Structuurfondsen 2007-2013

CONCEPT 15 mei 2006

2

INHOUDSOPGAVE

1 2

INLEIDING ................................................................................................................................................. 5 STRATEGIE OP HOOFDLIJNEN ........................................................................................................... 7 2.1 2.2 2.3 DE ECONOMISCHE POSITIE VAN NEDERLAND ........................................................................................ 7 UITDAGINGEN VOOR HET STRUCTUURBELEID ....................................................................................... 8 FOCUS & INTEGRALE AANPAK ............................................................................................................ 10

3

INNOVATIE, ONDERNEMERSCHAP EN KENNISECONOMIE .................................................... 12 3.1 3.2 3.3 STERKE EN ZWAKKE PUNTEN IN HET INNOVATIEKLIMAAT .................................................................. 12 INZET IN DE PROGRAMMA’S ................................................................................................................ 12 THEMA’S ............................................................................................................................................ 14

4

ATTRACTIEVE REGIO’S EN STEDEN............................................................................................... 17 4.1 4.2 4.3 HET NEDERLANDSE VESTIGINGSKLIMAAT .......................................................................................... 17 INZET IN DE PROGRAMMA’S ................................................................................................................ 18 THEMA’S ............................................................................................................................................ 19

5

MEER EN BETERE BANEN .................................................................................................................. 21 5.1 5.2 5.3 INLEIDING ........................................................................................................................................... 21 DE NEDERLANDSE ARBEIDSMARKT .................................................................................................... 21 INHOUDELIJKE DOELSTELLINGEN ....................................................................................................... 22

6

TERRITORIALE PRIORITEITEN........................................................................................................ 25 6.1 STEDEN ............................................................................................................................................... 25 6.2 PLATTELAND ...................................................................................................................................... 26 6.3 EUROPESE TERRITORIALE SAMENWERKING ....................................................................................... 27 6.3.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 27 6.3.2 Grensoverschrijdende Samenwerking........................................................................................... 28 6.3.3 Transnationale Samenwerking ...................................................................................................... 30 6.3.4. Interregionale samenwerking en netwerken.................................................................................. 32

7

OPERATIONEEL DEEL ......................................................................................................................... 33 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.6.1 7.6.2 INLEIDING ........................................................................................................................................... 33 COFINANCIERING ................................................................................................................................ 33 DOELSTELLING 2 CONCURRENTIEKRACHT (EFRO)............................................................................ 34 DOELSTELLING 2 WERKGELEGENHEID (ESF) ..................................................................................... 35 DOELSTELLING 3 EUROPESE TERRITORIALE SAMENWERKING ............................................................ 35 BEHEER .............................................................................................................................................. 36 Uitvoering en controle .................................................................................................................. 36 Monitoring en coördinatie ............................................................................................................ 37

8

VERDERE PROCES ................................................................................................................................ 38

3

Status van dit concept Dit Nationaal Strategisch Referentiekader (NSR) is nog niet definitief vastgesteld. Voordat het NSR kan worden vastgesteld moeten de Europese kaders definitief vaststaan. Daarvoor moet nog een aantal zaken gebeuren. Zo moet de meerjarenbegroting nog door het Europees Parlement worden goedgekeurd. Daarnaast moeten de verordeningen en de Communautaire Strategische Richtsnoeren nog worden vastgesteld. Veranderingen daarin kunnen nog gevolgen hebben voor het NSR. Ten slotte is er nog een aantal onderdelen uit het NSR dat nog uitgewerkt moet worden of waarover nog overleg plaatsvindt met bijvoorbeeld de Europese Commissie. Als deze activiteiten zijn afgerond zal kabinet het NSR definitief vaststellen. In tussentijd dient dit concept NSR als leidraad voor de op te stellen operationele programma’s.

4

1

Inleiding

Het versterken van het concurrentievermogen van Nederland is een van de hoofddoelstellingen van dit kabinet. Daarvoor is een uitgebreid pakket aan maatregelen ingezet. Het versterken van de concurrentiekracht is geen zaak van het kabinet alleen. Integendeel, een belangrijke rol is weggelegd voor bedrijven, werknemers, kennisinstellingen, decentrale overheden en andere maatschappelijke partijen. Het Europese cohesiebeleid – ook wel structuurbeleid genoemd – biedt de mogelijkheid om de komende jaren een extra impuls te geven aan deze doelstelling. In het Nationaal Hervormingsprogramma heeft het kabinet neergezet welke maatregelen de komende jaren genomen worden om het concurrentievermogen te versterken. In dit Nationaal Strategisch Referentiekader (NSR) geeft het kabinet weer hoe het in aanvulling daarop in de periode 2007-2013 de structuurfondsen wil benutten om dit beleid verder te versterken. Dit referentiekader wordt door het kabinet en de decentrale overheden in samenwerking met de relevante maatschappelijke partijen in operationele programma’s uitgewerkt.
Box 1: Het Europese Cohesiebeleid Het Europese cohesiebeleid is gericht op het vergroten van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Europese Unie. Het beleid kent vanaf 2007 drie doelstellingen. • Doelstelling 1 Convergentie: gericht op de minst welvarende landen en regio’s in de Unie. • Doelstelling 2 Regionale Concurrentiekracht en werkgelegenheid: gericht op alle overige regio’s in de Unie • Doelstelling 3 Europese Territoriale Samenwerking: gericht op alle regio’s in de Unie ter vergroting van de onderlinge samenwerking over de landsgrenzen heen. Nederland komt in aanmerking voor Doelstelling 2 en 3. Nederland zal in de periode 2007 – 2013 € 1.685 miljoen1 ontvangen. Daarvan is € 1.473 miljoen voor Doelstelling 2 en € 212 miljoen voor Doelstelling 3.

In de concept Communautaire Strategische Richtsnoeren heeft de Europese Commissie aangegeven het structuurbeleid meer onder de paraplu van de Lissabonagenda te willen brengen en de prioriteit te leggen bij innovatie, kenniseconomie en menslijk kapitaal. Het kabinet ondersteunt dit en maakt deze thema’s tot kern van de Nederlandse inzet van de structuurfondsen. De kenniseconomie gedijt echter alleen in een aantrekkelijk ondernemingsklimaat, waarbij ook de kwaliteit van de omgeving een belangrijke factor is. Investeringen in een aantrekkelijk werk- en woonklimaat, om bij te dragen aan economische groei en werkgelegenheid, zijn daarom ook een doel van de inzet van de structuurfondsen. Omdat Nederland een open economie is, is de internationale context van groot belang. Het kabinet hecht daarom ook veel belang aan het onderdeel Europese Territoriale Samenwerking van het cohesiebeleid. Dit is een beleidsterrein met een duidelijke communautaire meerwaarde.
1

Onder voorbehoud van goedkeuring van de meerjarenbegroting door het Europees Parlement.

5

Een belangrijk uitgangspunt in dit Nationaal Strategisch Referentiekader is dat wordt aangesloten bij bestaand beleid. Een versterkte inzet hierop, in plaats van bedenken van nieuw beleid, garandeert de meest effectieve inzet van de te ontvangen structuurfondsen. Het NSR heeft betrekking op zowel Doelstelling 2 ‘Regionale Concurrentiekracht en Werkgelegenheid’ als Doelstelling 3 ‘Europese Territoriale Samenwerking’. Omdat de Doelstelling 3 programma’s samen met andere lidstaten worden opgesteld en uitgevoerd is dit onderdeel globaler van karakter.
Box 2: Het Europese Cohesiebeleid en de Lissabonagenda De Europese Unie wil de meest welvarende en competitieve regio ter wereld worden. Hiervoor is de Lissabonagenda opgesteld. Het cohesiebeleid moet hier een bijdrage aan leveren. De Lissabonagenda kent drie prioriteiten: • Attractie regio’s en steden • Innovatie, ondernemerschap en kenniseconomie • Meer en betere banen. Deze drie prioriteiten vormen de kern van het Nationaal Strategisch Referentiekader.

Communautaire Strategische Richtsnoeren en de verordeningen Net als de Communautaire Strategische Richtsnoeren is dit Nationaal Strategisch Referentiekader een beleidsdocument. Er wordt in beschreven op welke wijze de structuurfondsen in de ogen van het kabinet het meest effectief en efficiënt kunnen worden ingezet met het oog op het versterken van de concurrentiekracht van ons land. Dit betekent dat dit NSR de beleidsinhoudelijke opzet van de Communautaire Richtsnoeren volgt. Dat neemt niet weg dat voor de operationele programma’s ook de verordeningen een belangrijke rol spelen. Waar in de richtsnoeren en het referentiekader vooral staat wat wenselijk is, staat in de verordeningen wat juridisch gezien mag. Betrokkenheid van de belanghebbenden Over het NSR is verschillende keren met de decentrale overheden gesproken. Ook is twee keer met de sociale partners overlegd. Verder is een toelichting gegeven bij het Landelijk Overlegorgaan Vitaal Platteland. Ten slotte is voor onderwijs- en kennisinstellingen een consultatiebijeenkomst georganiseerd. Ook bij het opstellen van de operationele programma’s worden de belanghebbende partijen betrokken.

6

2

Strategie op hoofdlijnen

2.1 De economische positie van Nederland
De positie van de Nederlandse economie in Europa lijkt niet ongunstig. Nederland is een relatief rijk land, met een inkomen per hoofd van de bevolking dat ongeveer 10% boven het EU-15 gemiddelde en 24% boven het EU-25 gemiddelde ligt. En ook in termen van arbeidsparticipatie zijn de Nederlandse prestaties goed: 73% van de beroepsbevolking heeft betaald werk tegen 65% in de EU-15 en 63% in de EU-25 (Eurostat, 2004). Deze cijfers geven echter niet een volledig beeld van de prestaties van de Nederlandse economie. Na een sterke groei van de economie aan het eind van de jaren negentig, met een BBP-groei van gemiddeld 3,7% per jaar in 1996-2000, is deze groei in de afgelopen jaren teruggevallen tot gemiddeld 0,6% per jaar. Deze groei ligt ongeveer één procentpunt lager dan die in de andere Lidstaten. Gelukkig lijkt de Nederlandse economie door het dal heen en zijn de verwachtingen voor 2006 en 2007 positief. De hoge arbeidsparticipatie in Nederland geeft een vertekend beeld. Ook Nederland kent een sterke onderbenutting van het arbeidspotentieel. Deze onderbenutting komt niet zo zeer tot uitdrukking in het aantal mensen dat betaald werk verricht maar in het aantal door hen gewerkte uren. Daar staat weliswaar tegenover dat de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur in Nederland tot de hoogste in de Unie behoort, maar ook hier past een kanttekening. De groei van de arbeidsproductiviteit, en daarmee de bijdrage aan de economische groei, bleef in de periode 1994-2003 met 0,8% ongeveer één procentpunt achter bij die in de andere EU15 lidstaten. Nederland staat grosso modo voor eenzelfde uitdaging als Europa: een grotere arbeidsparticipatie en een hogere arbeidsproductiviteitsgroei. Deze uitdagingen zijn extra urgent met het oog op de snel naderende vergrijzing in Europa en de globalisering. De Europese Commissie identificeert voor de Nederlandse economie twee centrale uitdagingen voor Nederland, te weten (1) het vergroten van het arbeidsaanbod, en (2) het vergroten van het innovatievermogen. In het Nationaal Hervormingsprogramma heeft het kabinet de volgende specifieke uitdagingen geformuleerd: • Arbeidsparticipatie: De geringe participatie in Nederland betreft vooral het aantal gewerkte uren én de geringe participatie van bepaalde groepen, en dan met name vrouwen, allochtonen en ouderen. Dit weerspiegelt het feit dat sociaal-economische instituties in het verleden (meer) werken hebben ontmoedigd. Het kabinet wil deze institutionele onevenwichtigheid rechtzetten door de prikkel om (meer) te werken te vergroten. • Het productiviteitsniveau in Nederland is relatief hoog, maar de groei van de arbeidsproductiviteit blijft al geruime tijd achter bij het EU-15 gemiddelde en vooral de VS. Naast voortdurende aandacht voor werking van markten en voor het wegnemen van onnodige belemmeringen voor ondernemerschap zijn inspanningen ter verhoging van het innovatieve vermogen van het Nederlandse bedrijfsleven en ter versterking van de kennisinvesteringen gewenst. In Nederland blijft vooral het aandeel private R&D achter

7

en laat de wisselwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven te wensen over. Ook het onderwijs krijgt meer aandacht. De Nederlandse prijsconcurrentiepositie is sinds 1997 verslechterd als gevolg van een relatief sterke stijging van de arbeidskosten per eenheid product. Zorgwekkend is dat deze kosten in Nederland in de periode 1997-2004 met 15% sterker zijn gestegen dan in andere EU-lidstaten en dat er in 2005 en 2006 slechts van een marginale verbetering sprake zal zijn.

De Nederlandse economie kenmerkt zich door lage regionale verschillen in economische prestaties2. De spreiding van het BBP per hoofd per provincie behoort tot de laagste in Europa. De regionale spreiding van de werkloosheid is zelfs de allerlaagste3. De spreiding in het BBP per hoofd is wel enigszins toegenomen, maar dit is een fenomeen dat zich in meer landen voordoet. Het algemene beeld is dat in de landen met de hoogste nationale groei de regionale verschillen in het BBP per hoofd toenemen, terwijl in landen met een lagere groei de regionale inkomensverschillen gelijk blijven of afnemen. De toename van de interregionale verschillen kunnen vooral worden toegerekend aan de sterke groei van regio’s die relatief al welvarend waren, zoals Londen, Stockholm, Helsinki en Lissabon. In Nederland geldt dit vooral voor de Amsterdamse regio. In absolute zin scoren alle Nederlandse regio’s goed in de Europese Unie. Ook de regio’s die ten opzichte van de rest van Nederland licht achterblijven zijn in de Europese Unie ‘subtoppers’. Op het gebied van participatie en werkloosheid scoren alle Nederlandse provincies bij de beste 25% van de regio’s in de EU-15. In de grote steden, en dan vooral de G4, is nog wel sprake van concentratie van hoge werkloosheid, sociale problemen, en een gemiddeld laag opleidingsniveau. Aan de andere kant zijn de steden een bron van vernieuwing en kennen snel groeiende sectoren als de creatieve sector.

2.2 Uitdagingen voor het structuurbeleid
Op basis van de in de vorige paragraaf geschetste economische situatie in Nederland is het kabinet van mening dat de uitdaging waar Nederland voor staat ligt in het vergroten van de economische groei in alle regio’s, en niet in het verminderen van economische verschillen tussen regio’s. Dit is ook de lijn die het kabinet heeft gekozen in de Nota Ruimte en in de nota Pieken in de Delta. Het kabinet zal daarom met de besteding van de structuurfondsen inzetten op het versterken van het groeivermogen van álle Nederlandse regio’s. Voor het structuurbeleid heeft de Europese Commissie in de Communautaire Strategische Richtsnoeren de volgende drie prioriteiten benoemd: • ‘Attractieve regio’s en steden’ • ‘Innovatie, ondernemerschap en kenniseconomie’ • ‘Meer en betere banen’. De Europese Commissie geeft daarbij aan dat het versterken van de kenniseconomie essentieel is, en dat in vergelijking met de huidige periode substantieel meer aandacht moet
2 3

Zie het eindrapport van de interdepartementale werkgroep IBO regionaal beleid (2003). Nationaal Hervormingsprogramma

8

worden besteed aan kennis, innovatie en menselijk kapitaal, ook in financiële termen. Het kabinet neemt deze aanbeveling over, wat vooral van belang is voor de programma’s onder Doelstelling 2 Regionale Concurrentiekracht en Werkgelegenheid, aangezien op de Europese Raad in december 2005 de doelstelling is vastgelegd om de middelen voor deze doelstelling voor tenminste 75% te besteden aan de Lissabondoelen die direct bijdragen aan economische groei en werkgelegenheid. Dit wordt aangeduid als ‘oormerken’. Deze doelen liggen op het gebied van innovatie, informatiemaatschappij, ondernemerschap, menselijk kapitaal en duurzame energie en ‘schoon stedelijk transport’. De lijst met categorieën wordt opgenomen in de Kaderverordening. Uitwerking oormerken De doelstelling is dat bij het Doelstelling 2 ESF programma 90% van de middelen wordt besteed aan de geoormerkte categorieën en bij de Doelstelling 2 EFRO programma’s 60%4. Deze doelstelling geldt voor alle regionale programma’s. Bij het opstellen van de programma’s moet duidelijk worden gemaakt hoe deze doelstelling wordt ingevuld. De voor het EFRO relevante categorieën die hieronder vallen zijn het grootste deel van de prioriteit ‘innovatie, ondernemerschap en kenniseconomie’ en verder duurzame energie en ‘schoon stedelijk transport’. Het kabinet heeft de wens dat in de Doelstelling 2 EFRO programma’s dat minimaal 45% van de middelen wordt ingezet voor de prioriteit ‘innovatie, ondernemerschap en kenniseconomie’. Het streven moet zijn om meer dan 50% van de middelen voor deze prioriteit het in te zetten. De regio’s kunnen zelf bepalen op welke wijze ze verder de 60% doelstelling willen halen. Dit kan of via een hogere inzet op de prioriteit innovatie of via de andere categorieën die onder de oormerking vallen. Relatie tussen de prioriteiten De prioriteit ‘attractieve regio’s en steden’ is van belang, om de juiste randvoorwaarden te creëren, waarbinnen het innovatieve vermogen van de regio’s en haar steden tot bloei kan komen. De drie prioriteiten dienen elkaar zoveel mogelijk te versterken. Investeren in innovatie en ondernemerschap moet gepaard gaan met investeringen in scholing en met investeringen in een aantrekkelijk woon- en werkklimaat. En investeren in de ruimtelijke kwaliteit van achterstandswijken moet gepaard gaan met investeren in integratie, veiligheid en scholing en een versterking van de economische structuur. Territoriale dimensie Het versterken van de regionale concurrentiekracht van steden en regio’s kent een belangrijke territoriale dimensie. De aantrekkelijkheid van steden en regio’s is afhankelijk van hun territoriale kapitaal zijnde de geografische positie, bereikbaarheid, omvang, economische productie, natuurlijke hulpbronnen, kwaliteit van de leefomgeving, klimaat, sociale en culturele tradities, etc. Daarnaast leidt re-allocatie van economische activiteiten tot territoriale competitie. Steden en regio’s concurreren om nieuwe economische activiteiten, buitenlandse investeringen, hoge arbeidsproductie, toeristen etc. Samenwerking tussen steden en regio’s ter versterking van (de coherentie) van hun territoriaal kapitaal is in dit opzicht essentieel voor een duurzame economische ontwikkeling. In het bijzonder het

Er wordt hier van uitgegaan dat de wijzigingsvoorstellen wat betreft de categorieën bij het ESF worden aanvaard. Als dit niet het geval is zullen de percentages mogelijk worden bijgesteld.

4

9

ruimtelijke aspect van duurzaamheid (voorkomen van afwenteling van minder positieve aspecten op een andere plaats) kan door samenwerking een positieve impuls krijgen. Territoriale Cohesie kent twee belangrijke hoofdlijnen van beleid. Ten eerste het coherent maken van het ruimtegebruik van het EU beleid van de verschillende sectoren, zoals landbouw, natuur en/of infrastructureel beleid. Daarnaast het stimuleren van kansrijke ontwikkelingen in de verschillende regio’s en over de verschillende regio’s heen. Doelstelling 3 Europese Territoriale Samenwerking wordt gezien als het financiële instrument van de EU, dat kansrijke ontwikkelingen over de grenzen heen stimuleert. Bij Doelstelling 3 zal gezien het karakter van het programma de nadruk meer liggen op ruimtelijke aspecten dan bij Doelstelling 2. Maar ook bij deze doelstelling streeft het kabinet ernaar dat kennis en innovatie een wezenlijk onderdeel wordt van de verschillende programma’s. Dit moet uiteraard in goed overleg met de betrokken overheden in de andere betrokken landen worden uitgewerkt.

2.3 Focus & integrale aanpak
Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven hangen de drie prioriteiten nauw met elkaar samen. De effectiviteit van de inzet van de structuurfondsen wordt verhoogd door een integrale aanpak te kiezen. Dit kan worden bereikt door op verschillende niveaus voor een integrale aanpak te kiezen. Operationele programma’s kunnen op elkaar worden afgestemd. Dit geldt voor de regionale EFRO programma’s en het nationale ESF programma binnen doelstelling 2, en ook voor de programma’s voor Doelstelling 2 en de internationale programma’s van Doelstelling 3. Het eerste kan bijvoorbeeld door als programma aansluitend op het EFRO programma projecten in te dienen voor het ESF programma. Goede coördinatie tussen de betrokken op nationaal en regionaal niveau is hiervoor een belangrijke randvoorwaarde. Binnen programma’s kunnen de thema’s en aandachtsgebieden integraal worden aangepakt, door bijvoorbeeld maatregelen op het gebied van innovatie en kennis te koppelen aan investeringen in de kwaliteit van de woon- en werkomgeving en investeringen in de opleiding van werknemers. Voor dit laatste kan gebruik worden gemaakt van de flexibiliteit die er is om binnen de programma’s vallend onder Doelstelling 2 EFRO middelen in te zetten op ESF thema’s, en andersom. Ten slotte kan ook op projectniveau voor een integrale aanpak worden gekozen, bijvoorbeeld door investeringen in bedrijfslocaties te koppelen aan investeringen in groen. Een andere manier om de effectiviteit te verhogen is om focus aan te brengen in de programma’s. Gezien de keuze van het kabinet om de concurrentiekracht in álle regio’s te versterken moet deze focus vooral worden gezocht binnen de programma’s. Het kabinet maakt deze keuze door in dit NSR aan te geven welke thema’s prioriteit zijn en aan welke thema’s minder of geen aandacht besteed wordt. Aan de opstellers van de operationele programma’s wordt gevraagd bij het opstellen van de programma’s deze focus verder te verscherpen door in te zetten op die thema’s die voor het betreffende gebied het meest relevant en urgent zijn. Het aantal thema’s en maatregelen dient dus zo beperkt mogelijk te blijven. Naast de keuze voor bepaalde thema’s is ook een focus gewenst op technologiegebieden. Voor de fysieke investeringen is een ruimtelijke focus wenselijk op een select aantal gebieden. Op projectniveau kan door het indienen van grotere projecten meer

10

massa en een grotere effectiviteit worden bereikt. Hoewel het niet voor alle programma’s en projectsoorten geldt, is in het algemeen een meer geconcentreerde inzet van middelen wenselijk. In de volgende hoofdstukken wordt dit verder uitgewerkt.

11

3

Innovatie, Ondernemerschap en Kenniseconomie

3.1 Sterke en zwakke punten in het innovatieklimaat
Tijdens de Barcelonatop in 2002 hebben de EU-lidstaten zich tot doel gesteld om de investeringen in innovatie en onderzoek in 2010 te brengen op gemiddeld 3 procent van het BBP. De Nederlandse R&D-intensiteit bedroeg in 2001 1,89% BBP. Nederland bleef daarmee achter op het gemiddelde voor de EU-15 (1,98% BBP). Een eerste ambitie van het kabinet is om deze achterstand weg te werken. Vervolgens wil het kabinet de stap maken naar de top-5 van de EU om op die manier een bijdrage te leveren aan de Europese doelstelling van 3 procent. Deze target is ambitieus, niet alleen omdat ook andere landen streven naar een hogere R&D-intensiteit maar ook vanwege de afwijkende sectorstructuur van de Nederlandse economie, met een relatief grote dienstensector. Daarnaast is de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland weliswaar goed, maar worden de onderzoeksresultaten relatief weinig gebruikt. Nederland heeft in vergelijking met andere landen een efficiënt kennisstelsel dat ondanks relatief weinig geld behoorlijk presteert5. Het Nederlandse systeem kent echter ook enkele zorgpunten: • Het onderwijsstelsel: Aandachtspunten zijn de afstand tot de Europese top voor wat betreft het relatief hoge aantal voortijdig schoolverlaters, de duur van de onderwijsdeelname, het gemiddelde opleidingsniveau van de Nederlandse beroepsbevolking en het relatief geringe aantal afgestudeerden in bèta- en techniekrichtingen. • De kennisontwikkeling is op peil met wetenschappelijk onderzoek van hoog niveau. Het bedrijfsleven innoveert relatief efficiënt en vraagt veel octrooien aan. De zorgpunten betreffen de gebrekkige vertaling van de kennis in nieuwe producten en diensten en de relatief lage private investeringen in R&D. • De verbindingen in het systeem, de publiek-private relatie en de samenhang tussen onderwijs en onderzoek, zijn nog voor verbetering vatbaar. Door publieke en private inspanningen op het terrein van de kenniseconomie meer gezamenlijk te verrichten kan het rendement van investeringen in kennis worden verhoogd. Ondernemers moeten dan wel ook meer ruimte krijgen om de kennis om te zetten in nieuwe en bestaande producten en diensten en om die op de markt te brengen.

3.2 Inzet in de programma’s
In Nederland wordt langs verschillende wijzen gewerkt aan het versterken van het innovatieklimaat. Het rijk heeft vele generieke instrumenten op gebied van onderzoek, innovatie en ondernemerschap. Via de sleutelgebieden aanpak van het kabinet en de herijking van het financiële instrumentarium van het Ministerie van Economische Zaken
CPB studie Nederlands Onderzoek en Onderwijs in Internationaal Perspectief); Een verkenning naar de kennisinvesteringsquote (KIQ) en de prestaties van de kenniseconomie op hoofdlijnen (2005)
5

12

wordt meer focus gebracht in dit beleid en een programmatische aanpak ingezet. Naast het generieke instrumentarium worden door de regio’s in samenwerking gebiedsgerichte programma’s opgesteld in het kader van Pieken in de Delta. Het versterken van de innovatiekracht vormt hiervan een centraal onderdeel. Via Syntens en de Regionale ontwikkelingsmaatschappijen is het rijk ook vertegenwoordigd in de regio. Naast het rijksbeleid investeren de decentrale overheden zelf in steeds grotere mate in innovatie en ondernemerschap. De structuurfondsprogramma’s zijn bij uitstek geschikt om zowel de randvoorwaarden op het gebied van innovatie en ondernemerschap te verbeteren als om investeringen in onderzoek en ontwikkeling en het starten en doorgroeien van innovatieve bedrijven te stimuleren. Deze maatregelen sluiten hoofdzakelijk aan bij de doelstellingen van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). De structuurfondsprogramma’s worden primair op regionale schaal vormgegeven. Door aan te sluiten bij de gebiedsgerichte programma’s die door de regio in samenwerking met het Rijk worden opgesteld in het kader van Pieken in de Delta kan nog meer focus en kritische massa worden gerealiseerd. Regio’s en steden moeten de activiteiten aan laten sluiten bij bestaande sterktes/kwaliteiten in de regio. Dit betekent niet dat alles moet passen binnen bestaande activiteiten/bedrijven, innovatie gaat tenslotte om vernieuwing. In de programma’s moet duidelijk worden aangegeven op welke sectoren/thema’s de regio’s zich richten. Dus niet een ruimtelijke, maar een thematische focus is bij deze prioriteit van eerste belang. Dit betekent investeren in innovatie en ondernemerschap in plattelandsgebieden, zoals de reconstructiegebieden, ook tot de mogelijkheid behoort, mits die aansluiten bij de regionale innovatieagenda. Uiteindelijk zal een groot deel van de middelen wel geconcentreerd neerslaan in de economische kerngebieden. De structuurfondsprogramma’s kunnen echter een breder bereik hebben. Ten eerste kunnen activiteiten worden uitgevoerd die niet in de gebiedsgerichte programma’s worden opgenomen, maar wel aansluiten bij het generieke en programmatische innovatiebeleid. Te denken valt bijvoorbeeld aan financiering (o.a. Technopartnerregeling) en kennisontwikkeling en benutting door het MKB (Syntens, innovatievouchers) en de sleutelgebieden die geïdentificeerd zijn door het kabinet en het Innovatieplatform6. Voor de sleutelgebieden geldt dat elke regio moet bekijken in welke mate het profiel van de regio daarbij aansluit. De regio’s moeten juist niet allemaal aan alle sleutelgebieden aandacht willen besteden. Daarnaast kunnen ook regiospecifieke sectoren aan bod komen, die buiten de nationale sleutelgebieden vallen. De agribusiness is een van de relevante sectoren, welke in de sleutelgebieden zowel binnen ‘Food and Flowers’ als ‘Life Sciences en Gezondheid’ valt. Zoals aangegeven is een thematische, en niet een ruimtelijke focus het belangrijkste. Er moet echter gewaakt moet worden dat de programma’s ingaan tegen de ambitie van het kabinet en het innovatieplatform om meer focus in het innovatiebeleid te brengen. Samenhang met andere prioriteiten en programma’s De programma’s winnen aan kracht als er goede verbindingen worden gelegd, tussen de prioriteiten binnen programma’s en tussen de programma’s. Activiteiten uit de prioriteit kunnen gekoppeld worden aan activiteiten uit de prioriteit attractieve steden en regio’s, waar een aantrekkelijk vestigings- en woonklimaat kan worden gecreëerd voor internationaal
6

Zie het rapport ‘Onderscheidend vermogen’ (2005)

13

concurrerende en kennisintensieve bedrijvigheid en hun werknemers. Uit het ESF (‘meer en betere banen’) kunnen scholingstrajecten worden gefinancierd die aansluiten bij de regionale innovatieagenda. In een aantal programma’s onder Doelstelling 3 zal het thema kennis en innovatie ook aan bod komen. Daarbij gaat het onder meer om de samenwerking tussen Nederland, NoordrijnWestfalen en Vlaanderen (o.a. de kennisdriehoek Eindhoven- Leuven-Aken), waarvoor intentieverklaringen zijn ondertekend. De programma’s voor Doelstelling 2 en 3 kunnen elkaar dus versterken. Samenhang met het 7e kaderprogramma en C.I.P De Europese Commissie stimuleert ook via andere wegen in het versterken van de innovatiekracht van de Europese Unie. Via het 7e Kaderprogramma wordt vooral geïnvesteerd in toponderzoek op Europees niveau, waarbij samenwerking tussen instellingen en bedrijven in verschillende landen verplicht is. Op dit vlak zijn de structuurfondsprogramma’s complementair. Net als bij het nationale beleid is het hier de uitdaging om de activiteiten elkaar te laten versterken. Bij het opstellen van de programma’s moet hier aandacht aan worden besteed, maar het zal vooral in de projectfase een rol gaan spelen, omdat het kaderprogramma een andere uitvoeringswijze kent. Bij het Concurrentiekracht en Innovatie Programma (C.I.P.) is een van de elementen het beschikbaar stellen van kapitaal voor startende ondernemingen. Bij zowel het CIP als de structuurfondsen zijn er ook mogelijkheden gebruik te maken van de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfond (E.I.F.). Op dit moment wordt nog bekeken in hoeverre de activiteiten uit de verschillende programma’s aan elkaar kunnen worden gekoppeld. Samenwerking met regio’s in andere landen Om de uitwisseling van kennis en ervaring van partners in de hele Unie te versterken kunnen de opstellers van de programma’s een klein budget beschikbaar houden voor interregionale samenwerking.

3.3 Thema’s
Onderzoek en technologische ontwikkeling Belangrijk aandachtspunt voor Nederland is het vermarkten van de aanwezige kennis bij universiteiten en andere kennisinstellingen. Waar het 7e kaderprogramma en de nationale innovatieprogramma’s vooral geschikt zijn voor het ondersteunen van researchactiviteiten kunnen de structuurfondsprogramma’s vooral worden ingezet op het verbinden van het bedrijfsleven, en dan vooral het MKB, aan die aanwezige kennis. Hiervoor kunnen onder meer bestaande of in oprichting zijnde expertisecentra worden ondersteund. Om het MKB gebruik te laten maken van de aanwezige kennis kunnen diverse activiteiten worden ontwikkeld, waarbij aangesloten kan worden op de activiteiten van de regionale ontwikkelingsmaatschappijen en Syntens. Ook kan worden aangehaakt bij de innovatievouchers, waarmee bedrijven kennis in kunnen kopen bij kennisinstellingen. Daarbij worden nu ook de mogelijkheden verkend om dit grensoverschrijdend aan te pakken. Ook kan worden geïnvesteerd in onderzoeksinfrastructuur.

14

Innovatie en ondernemerschap Waar kennisontwikkeling kan worden beschouwd als ‘zaaien’, moet het via de weg van innovatie en ondernemerschap leiden tot ‘oogsten’. Investeringen in innovatie is daarom een topprioriteit. Samenwerking tussen bedrijven kan worden ondersteun door clustervorming te ondersteunen. Bedrijven in ontwikkeling zijnde clusters kunnen bijeen worden gebracht. Vooral op het grensvlak tussen sectoren/technologiegebieden liggen kansen om kennis uit te wisselen en tot nieuwe innovaties te komen, bijvoorbeeld tussen nanotechnologie en ‘food’. Rondom grote bedrijven kunnen clusters worden gevormd, waarin spin offs kunnen ontstaan vanuit die grote bedrijven of kennisinstellingen. Een voorwaarde daarvoor is een open innovatiesysteem, waarin bedrijven elkaar niet alleen als concurrent maar ook als partner. Kleine en jonge bedrijven kunnen worden ondersteund via onder meer ‘incubators’. Spin-off door nieuwe bedrijven van universiteiten en kennisinstellingen moet bestaande kennis commercialiseren. Activiteiten kunnen worden gericht op het bedrijfsmatiger omgaan met octrooien en op ondersteunen van het opstarten van bedrijven op basis van de aanwezige kennis. Het Technopartner programma van het Ministerie van Economische Zaken ondersteunt deze activiteiten via de SKE regeling. Vanuit het ESF kunnen ook starters worden ondersteund voorzover het om starters die nu werkloos zijn en het om projecten gaat die aanvullend zijn op bestaande regelgeving, bijvoorbeeld via WWB-starterskredieten. Verder kan het MKB worden betrokken door het uitbesteden van research door overheden aan het MKB. In 2005 loopt een pilot waarin gekeken wordt of het SBIR instrument dat in de V.S. bestaat ook in Nederland kan worden ingevoerd (SBIR staat voor Small Business Innovative Research Program). Indien deze pilot slaagt, zouden in de structuurfondsprogramma’s pilots kunnen worden uitgevoerd door de decentrale overheden. Specifieke aandacht kan besteed worden aan het thema eco-efficiënte innovatie, bijvoorbeeld in het kader van projecten als ‘Energyvalley’. Het thema sluit ook aan bij het sleutelgebied ‘Duurzame Energiehuishouding’. Financiering Startende en groeiende bedrijven hebben het vaak moeilijk om voldoende kapitaal aan te trekken, onder meer omdat grote financiële instellingen als banken en pensioenfondsen dit segment van de markt mijden. Structuurfondsen kunnen worden ingezet voor diverse vormen van financiële instrumenten, zoals leningen, garanties en risicodragend kapitaal. Daarbij is aansluiting gewenst op bestaande en in ontwikkeling zijnde initiatieven van gespecialiseerde aanbieders op dit terrein. Overheidsinitiatieven zijn er vanuit de regionale ontwikkelingsmaatschappijen, het Technopartnerprogramma, de BBMKB (garantieregeling) en de ‘groeifaciliteit’, een financieel instrument voor groeiende bedrijven die in 2006 in werking traint. Ook kunnen activiteiten worden ontwikkeld om (potentiële) starters en financiers bij elkaar te brengen. Dit wordt op dit moment onder meer in het kader van het ‘business angels’ initiatief uitgevoerd, waarbij de bijeenkomsten voornamelijk regionaal

15

worden georganiseerd. In 2006 wordt bekeken of dit initiatief wordt voorgezet. De regionale structuurfondsprogramma’s kunnen hier een rol in spelen. Informatiemaatschappij Bij het thema Informatiemaatschappij zal vooral ingezet kunnen worden op de ontwikkeling van ICT diensten en gebruik van ICT. Bij de ontwikkeling van ICT diensten moeten regio’s waar mogelijk aansluiten op ontwikkelingen in andere regio’s. De doelstelling van het nationale beleid op dit terrein is juist om regionale initiatieven nationaal ‘uit te rollen’. De structuurfondsen kunnen ook ingezet worden voor het verbeteren van de elektronische dienstverlening door provincies en gemeenten. De aanleg van ICT infrastructuur is geen thema om op te nemen in de structuurfondsprogramma’s, omdat dit een taak van de markt is. Wel kunnen initiatieven op het gebied van vraagbundeling worden ondersteund. Het uitgangspunt is in elk geval dat het beleid ‘technologie neutraal’ is, dus dat niet wordt gekozen voor bijvoorbeeld kabel of glasvezel.

16

4

Attractieve regio’s en steden

4.1 Het Nederlandse vestigingsklimaat
Een aantrekkelijk ondernemingsklimaat is een absolute voorwaarde om Nederland concurrerend te houden. In de globaliserende kenniseconomie worden daarbij naast traditionele factoren als infrastructuur en bedrijfsruimte ook een aantrekkelijke woonomgeving en een inspirerend stedelijk woon- en werkklimaat van steeds groter belang. Dit vraagt ook aandacht voor de duurzaamheid van de economie. Nederland is te karakteriseren als een delta- en kustregio en is een van de meest dichtbevolkte Europese landen. Na Malta komt Nederland met 452 inwoners/km2 (EU-25 114) op de tweede plaats. Anders dan veel Europese landen heeft Nederland geen metropoolstructuur, maar is de Randstad van Nederland een grootstedelijk netwerk met verschillende grote kernen. Ook buiten de randstad liggen verschillende stedelijke netwerken die een belangrijke bijdrage leveren aan de nationale economie. Het Nederlandse platteland staat in nauwe verbinding met de steden. Kenmerkend voor het Nederlandse platteland is de hoge bevolkingsdruk, de intensiteit van het grondgebruik en het grote aandeel agrarische grondgebruik. Ca. 74,5 % van het areaal is in gebruik van de landbouw (voor de EU-25 is dat 49,5%). Het areaal bos en natuur is ca. 12% (ruim 44 % in EU-25). Van de bevolking woont 16% in het landelijk gebied. Nederland heeft van oudsher een aantrekkelijk vestigingsklimaat. De aantrekkelijkheid is de afgelopen jaren afgenomen, getuige o.a. de daling op de ’growth competitiveness index’ van het World Economic Forum. Sinds 2000 is Nederland gedaald van een 4e naar een 15e plaats in 2002, met een recent herstel naar de 12e plaats in 2004. Het doel is om deze daling in 2008 weer ongedaan te hebben gemaakt. Dit betekent dat ingezet dient te worden op maatregelen die het vestigingsklimaat versterken, als onderdeel van een duurzame territoriale ontwikkeling. Herstel van het groeivermogen van de Nederlandse economie is nodig en dat vraagt om maatregelen op een breed scala van beleidsterreinen, waardoor het aantrekkelijker wordt om in Nederland te ondernemen. De ontwikkeling van de kenniseconomie is in dit verband ook van belang. Nederland bezit op veel kennisterreinen geen toppositie meer, terwijl innovatie van producten en diensten essentieel blijft voor de economische groei en de concurrentiepositie van Nederland. Uitwisseling en toepassing van kennis en verdergaande netwerk- en clustervorming is belangrijk voor de innovatiekracht van Nederland. Ruimtelijke knelpunten voor economische groei dienen zoveel mogelijk te worden weggenomen. Deze knelpunten zijn vooral gelegen in de grote steden en de stedelijke gebieden van Nederland, waar hoogproductieve economische activiteiten plaatsvinden en agglomeratievoordelen kunnen worden benut. De aantrekkelijkheid van de Nederlandse economie voor internationaal opererende bedrijven hangt af van de mate waarin die bedrijven gebruik kunnen maken van agglomeratievoordelen, waarin ze toegang krijgen tot internationale transportnetwerken en voldoende aanbod is van aantrekkelijke vestigingslocaties. Integrale ontwikkeling, moet ervoor zorgen dat de innovatieve potenties van regio’s en steden kunnen worden benut. Daarnaast is binnen steden ook sprake van knelpunten op sociaal economisch terrein, geconcentreerd in bepaalde gebieden, die tevens van invloed zijn op het

17

vestigingsklimaat. Daarom kunnen voor steden thema’s aan bod komen die vallen onder het bredere begrip stedelijke herstructurering (zie par. 6.1).

4.2 Inzet in de programma’s
De structuurfondsprogramma’s worden ingezet om te investeren in het woon- en werkklimaat. Daarbij gelden de volgende voorwaarden: projecten moeten een economische meerwaarde hebben, een duurzaam karakter hebben en ruimtelijk geconcentreerd te worden ingezet. Economische meerwaarde Investeringen onder deze prioriteit moeten direct bijdragen aan het regionale concurrentievermogen en moeten economische meerwaarde opleveren. Dit moet tot uiting komen in het programma en bij de individuele en/of samenhangende projecten. Duurzame inpassing In een dichtbevolkt land als Nederland is duurzaam ruimtegebruik van groot belang. Het beleid richt zich, mede ter versterking van het vestigingsklimaat, op bundeling en verdichting in en om steden, samen met de ontwikkeling van natuur- en recreatiegebieden. Bundeling en verdichting van de verstedelijking draagt bij aan optimale benutting van infrastructuur en vergroot het draagvlak voor voorzieningen. Dit stelt bedrijven in staat om agglomeratievoordelen te benutten. Voor steden/stedelijke netwerken en omliggend landelijk gebied is het van belang om te zorgen voor een (internationaal) concurrerend vestigingsklimaat en grote diversiteit aan stedelijke functies. Om als stad en regio een aantrekkelijk vestigingsklimaat te kunnen bieden is het ook van belang dat er aantrekkelijke leef- en werkmilieus zijn. Belangrijk in dat verband zijn de mogelijkheden om te recreëren in en om de stad. Ruimtelijke focus De Europese Commissie vraagt een geconcentreerde inzet van middelen om maximale effectiviteit te sorteren. Onder deze prioriteit gaat het om een ruimtelijke concentratie van de middelen. De nota’s die gezamenlijk onderdeel uitmaken van de Nota Ruimte leggen verschillende ruimtelijke accenten. In dit licht is het de bedoeling dat de middelen voor deze prioriteit in de Doelstelling 2 EFRO programma’s in worden gezet in de nationale stedelijke netwerken en de economische kerngebieden. Daarnaast kan een select aantal andere gebieden in aanmerking komen. Daarbij wordt gedacht aan de economische kernzones in het noorden en in het oosten aan Zwolle en de Stedendriehoek. In deze gebieden liggen de belangrijkste opgaven en kansen voor het versterken van het woon en werkklimaat. Bij de afbakening van deze gebieden is enige flexibiliteit mogelijk. Het kabinet wil dit in overleg met de regio verder invullen. Binnen deze gebieden gaat het om een aanpak van zowel rode als groene functies, waarbij op het kruispunt van de rode, groene en blauwe assen - zoals infrastructuur, EHS met robuuste verbindingen en nationale landschappen - interessante mogelijkheden liggen voor integrale projecten. Integrale benadering In de volgende paragraaf worden de thema’s uitgewerkt. Dit is geen limitatieve opsomming, maar wel richtinggevend. In de operationele programma’s moet worden uitgewerkt op welke wijze de thema’s/projecten bijdragen aan de versterking van de regionale concurrentiekracht.

18

In de operationele programma’s hoeft niet aan elk thema evenveel aandacht te worden besteed. Uitgangspunt is dat gestreefd moet worden naar een integraal programma.

4.3 Thema’s
De Commissie noemt in de Communautaire Strategisch Richtsnoeren de volgende thema’s: (1) Transportinfrastructuur, (2) Versterken synergie tussen omgeving en groei (3) Duurzame energie. Voor de Nederlandse programma’s ligt het zwaartepunt op de eerste twee thema’s. Het thema 3 ‘duurzame energie’ wordt ingevuld via de lijn van innovatie. Transportinfrastructuur Het Nederlandse verkeer- en vervoerbeleid is gericht op verbetering van de betrouwbaarheid en op acceptabele reistijden; die betrouwbaarheid betekent dat reizigers weten hoe laat zij aankomen en vervoerders zoveel als mogelijk just-in-time kunnen leveren. Deze verbetering vindt over de hele reis plaats (‘van deur tot deur’) en voor alle vervoerswijzen. Nationale, regionale en lokale netwerken van weg, water en openbaar vervoer hangen met elkaar samen. Daarom is een integrale netwerkbenadering noodzakelijk. In de uitvoeringsagenda van de Nota Mobiliteit wordt het instrument gebiedsgerichte netwerkanalyse geïntroduceerd. Kern hiervan is dat door een door verschillende betrokkenen gedeelde analyse van verkeer- en vervoerproblemen en oplossingen de besluitvorming en uitvoering van de gekozen maatregelen wordt geoptimaliseerd. Daarbij worden ook de ruimtelijke en economische ontwikkelingen meegenomen. Een netwerkanalyse heeft betrekking op alle verkeer- en vervoernetwerken waaronder in elk geval het netwerk van wegen en openbaar vervoer in een groot stedelijk gebied en zal rekening houden met al lopende specifieke verkenningen en planstudies in het desbetreffende gebied. Het maatregelenpakket dat wordt opgesteld naar aanleiding van de netwerkanalyse omvat zowel infrastructurele maatregelen, bijvoorbeeld een studie naar een verkeer- en vervoerknelpunt, als ook niet-infrastructurele maatregelen, bijvoorbeeld verkeersmanagement. Gezien het te verwachten budget zullen investeringen in fysieke projecten zoals de aanleg van wegen zijn alleen mogelijk op beperkte schaal, zoals aansluiting van werklocaties en binnenstedelijke gebieden op de hoofdinfrastructuur. Nadruk zal daarom meer liggen op het gebied van verkeersmanagement. TEN’s Voor de versterking van de Europese concurrentiekracht wordt de totstandkoming van het Trans-Europese Transportnetwerk (TEN) van het grootste belang geacht. In eerste instantie richt de Europese Commissie zich op de realisatie van 30 prioritaire verbindingen. Op deze lijst staan in Nederland vier projecten, de Maasroute, de Betuweroute, de HSL-zuid en de IJzeren Rijn. Gezien de fase waarin deze projecten verkeren, de verhouding tussen de kosten van investeringen in de TEN’s en in aansluitingen daarop en het beschikbare budget zijn investeringen in deze projecten geen prioriteit in de Nederlandse structuurfondsprogramma’s. Versterking van de wisselwerking tussen milieubescherming en groei

19

De doelstelling is om te zorgen voor aantrekkelijke voorwaarden voor bedrijven en hoogopgeleid personeel, door middel van ruimtelijke ontwikkeling waarmee stedelijke wildgroei wordt verminderd en door de fysieke omgeving, met inbegrip van natuurlijk en cultureel erfgoed, in stand te houden. Investeringen op dit gebied zouden vanuit een samenhangende visie moeten worden gekoppeld aan de ontwikkeling van innovatieve, werkgelegenheid genererende bedrijven in de betrokken regio’s. Investeringen in dit kader kunnen bijdragen aan de opwaardering fysieke omgeving in en om steden en (aangrenzende) specifieke plattelandszones gekoppeld aan de economische ontwikkeling van de regio: • Herstructurering bedrijventerreinen, verbetering stedelijke werkgebieden, toeristischrecreatieve infrastructuur, ruimtelijke kwaliteit in kustplaatsen met het oog op toerisme, innovatief bouwen op/aan het water en in diepe polders, groen en blauw in en om de stad, het bevorderen van natuurwaarden zoals Natura 2000 en cultureel en landschappelijk erfgoed, gericht op de ontwikkeling van duurzaam toerisme & recreatie. • Milieumaatregelen voor verbetering luchtkwaliteit - in aansluiting op het Nationaal Programma van Maatregelen - geluid, water, bodem en externe veiligheid, die gekoppeld zijn aan de economische ontwikkeling. Duurzame energie Om zoveel mogelijk economische spin-off te realiseren moeten investeringen op dit gebied gekoppeld zijn aan investeringen op gebied van innovatie en onderzoek. Dit is onder de noemer ‘eco-efficiënte innovatie’ opgenomen onder de prioriteit ‘innovatie, ondernemerschap en kenniseconomie’. Reguliere investeringen in energiebesparing of duurzame energieproductie zijn geen prioriteit in het kader van de structuurfondsprogramma’s.

20

5

Meer en betere banen

5.1 Inleiding
Het Nationaal Strategisch Referentiekader moet zoveel sturing geven als nodig om te zorgen dat de activiteiten te financieren uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) aansluiten bij de beleidsstrategie van het kabinet op sociaal-economisch terrein, maar moet tegelijkertijd ruimte laten voor eventuele bijstellingen van het kabinetsbeleid in de toekomst. De Nederlandse doelstellingen ten aanzien van de prioriteit ‘meer en betere banen’ voor de periode 2007-2013 sluiten aan bij het Nationaal Hervormingsprogramma Nederland 20052008. Bij de genoemde thema’s is rekening gehouden met de ervaringen uit de huidige periode, onder andere wat betreft de uitputting. Bij de uitwerking van het operationele programma zal hier verdere aandacht aan besteed worden. .

5.2 De Nederlandse arbeidsmarkt
In de SWOT-analyse worden sterktes, zwaktes, kansen en bedreigingen van de Nederlandse arbeidsmarkt voorzover relevant voor bepaling van de ESF-inzet op een rij gezet. Doel van deze analyse is om te bepalen op welke terreinen extra inzet van de overheid nodig is. De resultaten hiervan vormen input voor het bepalen van de inhoudelijke doelstellingen. a. Sterktes veel flexibele arbeid (deeltijd, uitzend) vrij hoge arbeidsmarktdynamiek (vernieuwing banen) afname aantal arbeidsongeschikten door verzuimbeleid en preventie gemiddeld goed opgeleide beroepsbevolking hoge arbeidsproductiviteit (hoewel de toename van de arbeidsproductiviteit laag is in vergelijking met andere landen) Zwaktes Tekort aan (ß-)technici, onderzoekers slechte posities voor lager opgeleiden veel voortijdig schoolverlaters (geen startkwalificatie) stagnatie deelname vrouwen waarbij ook aantal gewerkte uren door vrouwen relatief laag blijft hoge werkloosheid onder allochtonen geringe groei aantal en aandeel hoogopgeleiden gering aantal starters Kansen Groei hooggeschoolde arbeid (hoewel vraag nog sterker toeneemt) erkenning van eerder verworven competenties (EVC) als middel om opleidingsniveau te waarderen, als startpunt voor doorstroom internationalisering/ technologische ontwikkeling. Bedreigingen arbeidsmigratie (toename laagopgeleiden).

b.

c.

d.

21

-

vergrijzing/ontgroening tekort aan hoogopgeleid personeel, waaronder ook lerarentekort in technisch onderwijs verdwijnen laaggeschoolde arbeid als gevolg van technologische ontwikkelingen. Hierdoor toenemende werkloosheid onder laagopgeleiden stagnerende economische groei, uitblijven conjuncturele opgang

Uit deze punten komen uitdagingen naar voren die ook in de Europese Werkgelegenheidsstrategie en meer specifiek in de thema’s van het rapport Kok worden genoemd. Hieronder wordt dat nader uiteengezet. Een apart thema is innovatie. Zowel het Europese als het Nederlandse beleid is gericht op de versterking van de innovatiekracht van de economie en arbeidsmarkt. In het kader van ESF wordt dit niet vertaald in termen van technologische innovatie maar van sociale innovatie. De definitie van sociale innovatie is daarbij: vernieuwing van de arbeidsorganisatie en het maximaal benutten van competenties, met als doel het verbeteren van bedrijfsprestaties en het ontplooien van talent, om uiteindelijk de arbeidsproductiviteit te verhogen.

5.3 Inhoudelijke doelstellingen
Voor de keuze van de ESF inzet wordt een selectie gemaakt langs de lijn van de geïntegreerde set richtsnoeren die door de Europese Raad zijn vastgesteld in het kader van de herziene Lissabonstrategie. Deze set bevat de globale richtsnoeren voor economisch beleid en de werkgelegenheidsrichtsnoeren. De werkgelegenheidsrichtsnoeren betreffende thema’s zoals die eerder door de Taskforce Kok zijn geïdentificeerd. Daarbij zijn de beleidslijnen uit het Nationaal Hervormingsprogramma, de SWOT-analyse en de bijbehorende doelstellingen uit de beleidsagenda van het kabinet bepalend voor de definitieve prioritering. Aanpassing van de uiteindelijk te kiezen maatregelen behoort nog de mogelijkheden. De prioriteiten van de Taskforce Kok en het Nationaal Hervormingsprogramma zijn de volgende: • Vergroting van het aanpassingsvermogen • Vergroten van het arbeidsaanbod • Meer en effectiever investeren in menselijk kapitaal Deze prioriteiten sluiten naadloos aan bij de prioriteiten uit de Communautaire Strategische Richtsnoeren onder het richtsnoer ‘meer en betere banen’, die gebaseerd zijn op de werkgelegenheidsrichtsnoeren: 1. meer mensen op de arbeidsmarkt krijgen en houden en de sociale-zekerheidsstelsels moderniseren; 2. vergroting van het aanpassingsvermogen van werknemers en bedrijven en van de flexibiliteit van de arbeidsmarkten; 3. meer investeringen in menselijk kapitaal door middel van beter onderwijs en betere vaardigheden. In de Communautaire Strategische Richtsnoeren worden twee aanvullende prioriteiten genoemd:

22

4. Bestuurlijke capaciteit 5. Bescherming van de gezondheid van werknemers De aanvullende prioriteiten zijn niet in het NSR opgenomen. Prioriteit 4 bestuurlijke capaciteit wordt ingevuld door het gebruik van de Technische Bijstand, zoals ook in de huidige periode gebeurt. Prioriteit 5 wordt gezien als een onderdeel van eerder genoemde hoofdprioriteiten. Een vierde prioriteit van de Taskforce Kok, het verbeteren van de ‘governance’, is in de Werkgelegenheidsrichtsnoeren als een overkoepelend thema bestempeld. Met governance wordt onder meer bedoeld een verbetering van de overlegstructuren en implementatie van regelgeving. Dit wordt in het kader van ESF niet als prioriteit voor Nederland gezien. Onder deze hoofddoelstellingen kunnen subdoelstellingen worden geformuleerd. Deze subdoelstellingen moeten aan een aantal voorwaarden voldoen, ze moeten: • aansluiten bij de belangrijkste thema’s in het kabinetsbeleid; • in aantal zo beperkt mogelijk zijn; • in het Nationaal Strategisch Referentiekader evenals de hoofddoelstellingen op een zo hoog mogelijk abstractieniveau worden geformuleerd; • aangrijpen bij de thema’s waar in Nederland daadwerkelijk knelpunten worden ervaren. Op basis van het bovenstaande worden de onderstaande prioriteiten voor het programma ESF 2007-2013 onderscheiden. De genoemde voorbeelden bedoeld ter illustratie en verduidelijking, maar geven geen uitputtend overzicht van instrumenten. Vergroting van het aanpassingsvermogen De mate waarin ondernemingen in staat zijn zich te ontwikkelen en aan te passen, opdat de talenten van werknemers optimaal worden gebruikt en de bedrijfsprestaties verbeteren, draagt bij aan een verhoging van de arbeidsproductiviteit. In het kader van deze “sociale innovatie” zullen innovatieve projecten die zijn gericht op de verbetering van het arbeidsproces en de arbeidsomstandigheden met ESF mede worden gefinancierd.

Vergroten van het arbeidsaanbod Om knelpunten op te heffen die ertoe leiden dat bepaalde groepen niet aan het arbeidsproces deelnemen, zal een aantal maatregelen worden geïntensiveerd met behulp van ESF. Het gaat dan om het mogelijk maken van arbeid en zorg, bijvoorbeeld door het effectiever en efficiënter organiseren van kinderopvang (inclusief naschoolse opvang, zogenaamde brede scholen) en het inrichten van arrangementen voor arbeid & zorg en combinatiefuncties. Hiermee wordt de deelname van voornamelijk vrouwen aan de arbeidsmarkt vergroot. Daarnaast is het streven om door middel van verschillende soorten trajecten op het reïntegratie, inburgering & integratie en sociale activering ook uitkeringsgerechtigden, inactieven en allochtonen (terug) te leiden naar de arbeidsmarkt, en zodoende dit arbeidspotentieel te benutten. Meer en effectiever investeren in menselijk kapitaal Door het verdwijnen van laagopgeleid werk, groeit de werkeloosheid onder laagopgeleiden. Tegelijk is er een tekort aan hoogopgeleid personeel. Om deze kloof te verkleinen, is een aantal maatregelen noodzakelijk. Zo moet er worden geïntensiveerd in de scholing van

23

werkenden, dit bevordert de doorstroom op de arbeidsmarkt, waardoor ruimte voor anderen ontstaat om in te stromen. Erkenning van eerder verworven competenties (EVC), Leven Lang Leren en duale werk-opleidingstrajecten zijn voorbeelden van mogelijkheden om dit te bereiken. Dezelfde doorstroom is ook noodzakelijk in het onderwijs, met als doel het vergroten van het aanbod van hoogopgeleide arbeidskrachten. Ook hiervoor zullen projecten worden opgezet en met ESF gesubsidieerd, bijvoorbeeld om de doorstroming van MBO naar HBO te vergemakkelijken. Daarnaast zijn er in Nederland verhoudingsgewijs veel voortijdig schoolverlaters en anderen zonder startkwalificatie. Om de positie van deze mensen op de arbeidsmarkt te versterken, is het noodzakelijk dat (mogelijk aangepast) onderwijs en bijvoorbeeld leer-werktrajecten worden aangeboden, waarmee een voldoende opleidingsniveau alsnog wordt bereikt. Ook hier kan een instrument als de erkenning van eerder verworven competenties worden toegepast. Tot slot is het noodzakelijk dat de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt wordt verbeterd.

24

6

Territoriale Prioriteiten

6.1 Steden
De grote steden nemen door de concentratie van economische activiteiten, kennisinstellingen en mensen een belangrijke plaats in de economie in. Steden vormen een bron van vernieuwing, en bieden het culturele werk en leefklimaat waarin de steeds meer internationaal opererende bedrijvigheid gedijt. De stad is echter geen gesloten eenheid. Steden vormen steeds vaker een knooppunt in internationale, nationale en regionale netwerken. Door de suburbanisatie zijn steeds meer bedrijven en mensen naar of over de randen van de stad getrokken. Afstanden waar bedrijven en mensen op opereren worden steeds groter. Dit betekent dat zowel kansen als knelpunten nog maar zelden door een stad alleen kunnen worden benut of aangepakt. Samenwerking met andere steden, provincies, bedrijfsleven en kennisinstellingen binnen en buiten de stad is essentieel om de potentie die stad en regio hebben ten volle te benutten. Waar het gaat om de meerderheid van de maatregelen die vallen onder de prioriteiten ‘innovatie, ondernemerschap en kenniseconomie’ zoals in hoofdstuk 3 geldt dat die op regionale schaal moeten worden opgepakt, waarbij steden uiteraard een belangrijke rol vervullen. Voor de prioriteit attractieve steden en regio’s is ook regionale samenwerking en afstemming gewenst. Deze prioriteit dient in de programma’s toegespitst te worden op de stedelijke netwerken en economische kerngebieden. En hoewel veel arbeidsmarktbeleid door gemeenten wordt gevoerd, is ook bij de prioriteit ‘meer en betere banen’ voor verschillende typen maatregelen regionale samenwerking wenselijk. Hoewel er door de steden dus hoofdzakelijk in regionaal verband moet worden opgetreden zijn er ook typisch stedelijke opgaven, zoals bijvoorbeeld de verbetering van de bereikbaarheid van binnensteden, herstel van het stedelijk vestigingsmilieu door bijvoorbeeld ontwikkeling van verwaarloosde bedrijventerreinen en openbare ruimten, groen in de stad, investeren in cultureel erfgoed en culturele voorzieningen, de (her) ontwikkeling van centrumfuncties, bijvoorbeeld rondom HSL locaties, en de stimulering van wijk- en buurteconomie. De steden zijn echter niet alleen een bron voor economische groei en vernieuwing, ook zijn steden vaak de plek waar sociaal-economische problemen heersen. Dit geldt zeker in de grootste steden (G4). Dit uit zich in werkloosheid, sociale uitsluiting, armoede en verloedering. Veel van deze problemen concentreren zich op wijkniveau. Hier zijn gerichte maatregelen nodig op het gebied van scholing, wijkeconomie, veiligheid, leefbaarheid en integratie. Dit zijn maatregelen die deels vanuit het EFRO en deels vanuit het ESF gefinancierd kunnen worden. Om integrale projecten uit te kunnen voeren kan gebruik worden gemaakt van de flexibiliteit die de regelgeving biedt op het gebied van financiering van ESF thema’s in het EFRO programma en andersom. Binnen het EFRO programma kan voor deze opgaven een aparte prioriteit worden opgenomen. Het is de bedoeling dat die prioriteit op de GSB steden wordt gericht.

25

Het bovenstaande betekent dat een belangrijke rol wordt toegedicht aan de grote steden in het opstellen en uitvoeren van structuurfondsprogramma’s. Deze rol zal moeten worden ingevuld binnen de context van regionale programma’s voor wat betreft het EFRO en het nationale programma waar het om het ESF gaat. Gezien het specifieke karakter van de G4 zal er binnen het EFRO programma voor West Nederland een apart deelprogramma komen voor deze steden. De verdere inrichting van dat programma is gericht op nauwe samenwerking tussen steden en provincies (zie hoofdstuk 7). Samenvattend komt de ‘urban flag’ op de volgende manieren naar voren: - de steden vormen een volwaardige partner bij het opstellen en uitvoeren van de regionale programma’s - de prioriteit attractieve steden en regio’s wordt toegespitst op de stedelijke netwerken en economische kerngebieden - in de programma’s kan een prioriteit voor de binnenstedelijke opgaven worden opgenomen voor de GSB steden - de G4 krijgt binnen regio West een apart deelprogramma met eigen budget en verantwoordelijkheden.

6.2 Platteland
Anders dan in veel andere landen is er in Nederland geen sprake van afgelegen rurale gebieden die nog voornamelijk afhankelijk zijn van landbouw. Het Nederlandse platteland staat niet op zichzelf, maar de relatie stad-platteland staat centraal. Een aantrekkelijk Nederlands woon- en werkklimaat hangt niet alleen af van de ontwikkeling in de steden, maar evenzo van het omliggende platteland, waar uitbreiding en nieuwe economische activiteiten plaatsvinden. Het openen van het platteland via ontwikkelingsplanologie staat dan ook centraal in de Nota Ruimte en Agenda Vitaal Platteland. De Europese Commissie heeft in haar nieuwe compromisvoorstellen voor het EFRO de inzet voor het platteland geïncorporeerd in de algemene aandachtsvelden van de EFROverordening. Dit sluit goed aan op de inzet van Nederland ten aanzien van het platteland. Investeringen in plattelandsgebieden moeten dan ook aansluiten bij de algemene inzet ten aanzien van de 3 hoofdprioriteiten. De functie van het platteland is aan de ene kant ruimtelijk, waarbij de natuurlijke omgeving een belangrijke factor is in het woon- en werkklimaat. Dit sluit aan bij de prioriteit ‘attractieve regio’s en steden’. Aan de andere kant zijn er specifieke sectoren aan het platteland gekoppeld, zoals de agribusiness. Binnen de prioriteit ‘attractieve regio’s en steden’ gaat het om maatregelen gericht op de toegankelijkheid van groene gebieden; o.a. door infrastructuur die gericht op biodiversiteit en investeringen in Natura 2000-sites die bijdragen aan de economische diversificatie van de plattelandsgebieden. De bescherming en verbetering van “natural heritage” ter versterking van de sociaal-economische ontwikkeling en het bevorderen van natuurwaarden als potentieel voor ontwikkeling van duurzaam toerisme is een algemene EFRO-prioriteit die hier goed op aansluit. In 4.2 is aangegeven dat investeringen in de prioriteit ‘attractieve regio’s en steden’ plaats moeten vinden binnen de economische kerngebieden en stedelijke netwerken. Dit geldt dus ook voor de investeringen op het platteland binnen deze prioriteit. De reden hiervoor is de noodzaak voor een integrale aanpak en een gerichte inzet van de middelen.

26

Voor de prioriteit innovatie, ondernemerschap en kenniseconomie betekent dit dat met het openen van het platteland nieuwe economische kansen ontstaan op het platteland, bijvoorbeeld op het terrein van de agribusiness en ‘greenports’. Bij de prioriteit innovatie is het niet zozeer van belang of een bedrijf in een stad of op het platteland gevestigd is, het gaat erom of bedrijven innovatief zijn. De focus ligt hier dan ook op de thema’s en sectoren, niet op de plaats van een bedrijf. Bedrijven in plattelandsregio’s kunnen daarom ook gebruik maken van de structuurfondsprogramma’s als ze actief zijn op de terreinen welke de regio als speerpunten in het innovatiebeleid heeft gedefinieerd. Aparte maatregelen voor innovatie op het platteland zijn daarom juist niet de bedoeling. Afbakening POP en structuurfondsen Ten aanzien van de afbakening tussen het plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) en de structuurfondsprogramma’s wordt de lijn gevolgd dat projecten zoals Investeringen in groen en blauw, natura 2000 en toerisme en recreatie, die op basis van de verordeningen niet gefinancierd kunnen worden uit het POP, kunnen worden opgenomen in de structuurfondsprogramma’s. Conform de focus in de prioriteit attractieve regio’s en steden dienen deze projecten te liggen in de stedelijke netwerken en economische kerngebieden en economische meerwaarde te hebben, bijvoorbeeld doordat ze gekoppeld worden aan een integrale/gebiedsspecifieke aanpak gericht op het woon- en vestigingsklimaat, zoals beschreven in paragraaf 4.2. In zijn algemeenheid zal het POP zich op het lokale niveau richten en investeringen ondersteunen in de leefbaarheid en infrastructuur van kleine kernen en bedrijven, terwijl de structuurfondsen zullen worden ingezet voor investeringen op grotere, regionale schaal die bijdragen aan de regionale concurrentiekracht. Wat betreft de versterking van het concurrentievermogen van de landbouw zal Nederland het POP in zijn algemeenheid richten op individuele landbouwers en op relatief kleinschalige projecten. De inzet van de structuurfondsen is meer gericht op grootschalige projecten en investeringen die veelal groepen van bedrijven dan wel meer complexe samenwerkingsverbanden betreffen, veelal met een prominente rol van anderen dan primaire landbouwbedrijven, zoals de ontwikkeling van Greenports en Foodvalley. De invulling van de regionale structuurfondsenprogramma's en het nationale POP-2 zullen bepalend zijn voor mogenlijke overlap en dus voor de precieze afbakening.Samen met de provincies en steden wordt een meer gedetailleerde afbakening tussen het plattelandsfonds en de structuurfondsen uitgewerkt.

6.3 Europese Territoriale Samenwerking
6.3.1 Inleiding
Europese Territoriale Samenwerking (ETS) bestaat uit drie onderdelen: - grensoverschrijdende samenwerking - transnationale samenwerking - interregionale samenwerking Omdat de programma’s in samenwerking met andere lidstaten en regio’s moeten worden opgesteld is het NSR op dit gebied minder in detail uitgewerkt.

27

Een van de uitdagingen voor de periode 2007-2013 is een grotere samenhang tussen de drie onderdelen van deze doelstelling. Daarbij wordt de volgende filosofie gekozen door het Kabinet. Er wordt zo veel mogelijk gezocht naar aansluiting aan de strategische concepten voor regionaal beleid zoals die af te leiden zijn uit de rijksnota’s zoals de Nota Ruimte, de Pieken in de Delta, het Vitaal Platteland, de nota Mobiliteit en het Grote Steden Beleid. In deze doelstelling zoekt Nederland de meerwaarde vooral in strategische internationale samenwerking. De programma’s moeten dus nadrukkelijk meer focus nastreven. De feitelijke samenhang zal vooral op Rijksniveau worden gevolgd. Als praktisch voorbeeld van zo’n gedachtevorming kan de ontwikkelingsas A4 Amsterdam – Parijs worden genomen. Op deze as, die past in de Nederlandse ruimtelijke hoofdstructuur, wordt een integrale ontwikkeling bevorderd met nadruk op economische en infrastructurele kansen. Het is in dit voorbeeld denkbaar, dat benodigde studie en kennisuitwisseling rond deze ontwikkeling gebeurt in het kader van Interregionale samenwerking of netwerken. Een transnationaal project zou de integrale kaders kunnen bieden op het terrein van planvorming en –ontwikkeling, terwijl in de betreffende grensoverschrijdende programma’s meer lokale onderdelen opgepakt worden, zoals knelpunten in de infrastructuur of ontwikkelkansen.

6.3.2 Grensoverschrijdende Samenwerking
Grensoverschrijdende samenwerking vindt plaats langs de landsgrenzen met Duitsland en België. De beperkte omvang van het gebied dat hiervoor in aanmerking komt maakt het lastig om projecten uit te voeren die het lokale belang ontstijgen. Daarom zal Nederland waar wenselijk gebruik maken van de beschikbare flexibiliteit7. Op dit moment zijn er zeven grensoverschrijdende regio’s langs de Nederlandse en Duitse grens waarin INTERREG IIIA programma’s worden uitgevoerd. Langs de Duitse grens is een aantal regio’s samengevoegd in één programma. De Europese Commissie wil het aantal programma’s verminderen, wat door het kabinet wordt ondersteund. In overleg met de decentrale overheden en de verantwoordelijke overheden in Duitsland en België zal een nieuwe regio-indeling worden uitgewerkt. Nieuw is het samenwerkingsprogramma met specifieke maritiem karakter, dat de Commissie voorstelt tussen Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, België (Vlaanderen) en Nederland. Het programma moet goed worden afgestemd met de transnationale programma’s Noordzee en Noord West Europa, waarmee een grote geografische en thematische overlap zal kunnen ontstaan. Het Kabinet streeft ook in dit programma naar focus en wel op het maritieme karakter van de samenwerking. Daarom wil het kabinet het gebied dat de Europese Commissie heeft aangewezen, in Nederland uitbreiden met West Noord-Brabant (haven Moerdijk), Zuid-Holland en Noord Holland. Het kabinet hanteert de volgende algemene uitgangspunten: - betere aansluiting op de nationale beleidsagenda - Focus op innovatie en kenniseconomie - Integrale projecten / samenhangende programma’s

7

In de zin van art 21 lid 1 van de concept verordening van EFRO.

28

-

Een programmastructuur, die de ontwikkeling van integrale en ‘majeure’ projecten beter ondersteunt.

Thema’s In de concept Communautaire Strategische Richtsnoeren komt onder de Doelstelling Samenwerking ook territoriale samenhang aan bod. De Commissie stelt in dit stuk dat territoriale onevenwichtigheden vermeden moeten worden en dat coherentie tussen sectoraal en ruimtelijk beleid aandacht verdient. Ook vraagt territoriale samenhang om een meer integrale en duurzame benadering om de banden tussen stedelijke en plattelandsgebieden te versterken. Vanuit deze optiek en vanuit de drie hoofdprioriteiten voor het cohesiebeleid wordt grensoverschrijdende samenwerking vooral op de volgende onderstaande thema’s gericht. Attractieve regio’s en steden Attractieve regio’s en steden vragen om ontwikkeling van prioritaire logistiek en infrastructuur die op duurzame wijze gepland en ontwikkeld wordt. Duurzaamheid vraagt om een balans tussen sociale, economische en ecologische aspecten; dat vraagt om een integrale aanpak en planning, die in dit verband ook grensoverschrijdende aspecten omvat. Voor Nederland is de inzet om niet zozeer grote fysieke investeringen in dit kader te ondersteunen, maar vooral te komen tot gezamenlijke ontwikkeling van structuurplannen, tracébesluiten en grensoverschrijdende PPS-constructies. Kleinschalige investeringen worden niet uitgesloten. Logistiek en infrastructuur vragen om een benadering waarbij ook ondersteunende of compenserende investeringen in natuur en water mogelijk zijn waarbij met grensoverschrijdende aspecten rekening gehouden wordt. Attractieve regio’s en steden hebben een goed woon- en werkklimaat nodig. In dat kader zullen ook milieu-investeringen voor lucht, natuur, bodem, water en geluid nodig zijn. Grensoverschrijdende natuurontwikkeling als onderdeel van een attractief woon- en werkklimaat valt daar ook onder. Tevens wordt de woonaantrekkelijkheid van steden aantoonbaar beïnvloed door een aantrekkelijk cultureel klimaat. Innovatie, ondernemerschap en kenniseconomie In het licht van territoriale cohesie is hier de benutting en ontwikkeling van regionale samenwerking tussen publieke kennisinstellingen en het bedrijfsleven in de betrokken grensregio’s van belang. Een goede samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden is immers een belangrijke voorwaarde voor regionale economische ontwikkeling. Deze samenwerking kan met name betrekking hebben op overheidscoördinatie, netwerkversterking en facilitysharing.8 Deze samenwerking richt zich ook op gezamenlijke acties voor technologische sleutelgebieden (bijv. Food and Flowers, hightech systemen en materialen), waarmee het kabinetsstreven naar focus en massa op het terrein van onderzoek en innovatie wordt geconcretiseerd. Ook de creatieve industrie is zo’n sleutelgebied. Het beleid is in dit kader gericht op samenwerking tussen creatieve ondernemingen, andere bedrijven en kennisinstellingen en overheden.

8

Letters of Intent die in dit kader tussen Nederland en Noordrijn Westfalen en tussen Nederland en Belgische/Vlaamse partners zijn ondertekend bieden hier een richtsnoer.

29

Deze sleutelgebieden hebben bij voorkeur een nationale focus zoals vastgesteld door het kabinet en het Innovatieplatform, maar kunnen ook een speerpunt van regionaal c.q. stedelijk beleid zijn. De ruimtelijk-economische samenhang van deze ontwikkelingen gaan over grenzen heen en bieden specifieke aanknopingspunten voor grensoverschrijdende samenwerking. Gezamenlijke ontwikkeling van een gezamenlijk beleid ten aanzien van kennisvalorisatie, bevordering innovatiekracht van het MKB, bijvoorbeeld door het versterken van de contacten met hogescholen en universiteiten door uitwisseling van kennisvouchers, vallen ook onder deze prioriteit. Internationalisering en ook opvolgingsproblematiek van MKB kan aan de orde komen. Voor ICT is vooral de ontwikkeling van ICT-diensten, zoals bijvoorbeeld zorgdiensten, van belang. Gezamenlijke initiatieven gericht op duurzame energie en ecoefficiënte innovatie kunnen ook in dit kader ondersteund worden. Hier moet overigens gezocht worden naar wederzijdse synergie tussen de inzet van ETSmiddelen en de inzet van middelen uit het 7e kaderprogramma voor onderzoek (KP7) en het Community Innovation Programme (CIP). Er is echter sprake van zeer verschillende besluitvormingsafwegingen en –procedures. Bij KP7 en CIP staat de wetenschappelijke en technologische excellentie van onderzoek en innovatie voorop en is samenwerking met partners uit een groter aantal Europese Lidstaten vereist. Meer en betere banen De problematiek van grensoverschrijdende arbeid is en blijft een belangrijk thema voor grensoverschrijdende samenwerking; hierbij kan het ook gaan om grensoverschrijdende regelingen van stage- en opleidingsplaatsen voor jongeren en werkzoekenden. Hier kan ook aandacht gegeven worden aan sociale aspecten, bijvoorbeeld rondom gezamenlijke aanpak van integratie en inburgering.

6.3.3 Transnationale Samenwerking
De transnationale samenwerkingsprogramma’s bieden aan Nederland een kader om haar ruimtelijke en economische hoofdstructuren zoals uitgewerkt in de diverse nota’s waar zinvol in te bedden in Europese hoofdstructuren. Het kabinet steunt de gedachte van de Commissie dat dit via strategische structurerende projecten binnen de transnationale samenwerking kan plaatsvinden. Belangrijke aanknopingspunten zijn hiervoor te vinden in de Rotterdam Agenda voor Territoriale Cohesie die in november 2004 is opgesteld. Investeringen zullen vooral van een initiërend karakter zijn. Voor grote strategische structurerende projecten op zichzelf is het budget niet toereikend. De Europese Commissie stelt voor dit onderdeel vier specifieke thema’s voor: • innovatie • milieu • toegankelijkheid • duurzame stadsontwikkeling Innovatie

30

De in paragraaf 6.3.2. gemaakte opmerkingen over kenniseconomie en innovatie zijn ook in dit kader van belang. Verder is er al gewezen op het belang van aansluiting en aanvulling op het zevende kaderprogramma, het CIP en de grensoverschrijdende programma’s in de transnationale samenwerkingsgebieden. Waar het Kaderprogramma vooral excellentie op onderzoeksgebied nastreeft, kunnen de transnationale programma’s banden tussen universiteiten en kennisinstellingen en kennisuitwisseling met bedrijven stimuleren. Milieu In dit kader is waterbeheer een belangrijk thema in Nederland. Nederland zet primair in op maatregelen ter bescherming tegen hoogwater in het bijzonder projecten die passen binnen Programma Ruimte voor de Rivier. Naast bescherming tegen hoogwater kunnen ook bestrijding van wateroverlast, instandhouding natuurgebieden (Natura 2000), biodiversiteit, landgoederen, de verbetering van waterkwaliteit en watergebruik door recreatie en toerisme aan bod komen. Energie-efficiency en risicopreventie zijn in dit kader ook van belang. Nederland wil inzetten op projecten die de externe veiligheid m.b.t. natuurlijke en technologische risico’s vergroten, bijvoorbeeld door middel van innovatieve vervoerswijzen van gevaarlijke stoffen. Deze projecten dienen ruimtelijk ingepast te worden waarbij een integrale aanpak essentieel is. Voorbeelden liggen onder meer op het gebied van maritieme veiligheid en milieuverbeteringen in havens, maar kunnen ook betrekking hebben op de planning en milieutechnisch verantwoorde aanleg van energie-infrastructuren. Verbeteren van de toegankelijkheid Nederland zet in op projecten die grootschalige investeringen ruimtelijk en economisch mogelijk maken en ondersteunen. Voor transport over land is te denken aan gezamenlijke studies voor structuurplannen, tracébesluiten en grensoverschrijdende PPS-constructies, vervoersmanagement modellen en kleinschalige investeringen zoals aansluitingen op de hoofdinfrastructuur. Een integrale benadering is gewenst, bijvoorbeeld de ontwikkeling van de as Amsterdam – Parijs of de hoofdstructuur naar het Oosten. Voor transport over water kan worden gedacht aan initiatieven die ‘river information services’ en samenwerking tussen havens bevorderen. Duurzame stedelijke ontwikkeling De in paragraaf 6.3.2. gemaakte opmerkingen over attractieve regio’s en steden zijn ook in dit kader van belang. Nederland zet in op het opzetten en verbeteren van stedelijke netwerken en relaties tussen stad en het platteland. . Gebieden Transnationale Samenwerking gaat om grotere gebieden in vergelijking met het onderdeel grensoverschrijdende samenwerking. In de komende periode draait Nederland mee in het Noordzeeprogramma (6 lidstaten) en het programma Noord West Europa (7 lidstaten). Het Rijk streeft naar nauwe samenwerking tussen het Noordzeeprogramma en het Baltische gebied op de thema’s publieke taken in havens, kustvaartontwikkeling en energieveiligheid zo mogelijk op basis van de in de concept verordening voorgestelde 20% flexibiliteit óver de grenzen van programma’s heen of door verwijzing naar de optie van een geassocieerde regio voor specifieke acties.

31

6.3.4. Interregionale samenwerking en netwerken. De Europese Commissie heeft aangegeven onder Doelstelling 3 een interregionaal samenwerkingsprogramma mogelijk te maken dat vergelijkbaar is met het huidige INTERREG IIIC. De thema’s voor interregionale samenwerking zijn volgens de Commissie gericht op innovatie en de kenniseconomie en milieu en risicopreventie. Met betrekking tot de organisatie streeft de Commissie naar verluidt naar één enkel programma, dat de gehele EU omvat. Zowel over de thema’s als over de organisatie zal de Commissie nog nadere informatie bekend moeten maken. Bijzonder aandachtspunt is de afstemming van de interregionale samenwerking, die mogelijk gemaakt wordt onder doelstelling 2 met het hier bedoelde afzonderlijke programma onder doelstelling 3. Interregionale samenwerking binnen Doelstelling 2 is een mogelijkheid, geen verplichting. De regionale programma’s kunnen hier zelf invulling aan geven. Onder doelstelling 3 vallen ook de voorziene opvolgers van de huidige programma’s ESPON, INTERACT en URBACT. Het voorzetten van deze EU brede uitwisselings- en kennisnetwerken is steeds door Nederland gesteund. Voor de komende periode dient daarbij ook te worden nagegaan op welke wijze de samenhang tussen deze netwerken kan worden versterkt. De verdeling van de middelen over deze programma’s en de vormgeving is geheel in handen van de Europese Commissie. Er is immers geen allocatie aan de lidstaten voorzien. De Commissie verlangt overigens wel nationale cofinanciering (15 of 25%). Het kabinet zal de cofinanciering afhankelijk stellen aan de inhoudelijke en organisatorische vormgeving van de respectievelijke programma’s.

32

7

Operationeel deel

7.1 Inleiding
Nederland komt in de periode 2007 – 2013 in aanmerking voor een bedrag van € 1.685 miljoen aan structuurfondsen. Daarvan is € 1.473 miljoen bestemd voor Doelstelling 2 en € 212 miljoen voor Doelstelling 3. De verdeling tussen de bijdrage uit het ESF en het EFRO voor Doelstelling 2 moet in overleg met de Europese Commissie worden vastgesteld. Het kabinet stelt voor een verdeling van 50% EFRO - 50% ESF hanteren.

7.2 Cofinanciering
In de huidige periode tellen zowel de publieke als de private bijdrage mee voor de verplichte nationale cofinanciering van de structuurfondsen. Op dit moment is het nog niet helemaal zeker of ook de komende periode private cofinanciering mee mag tellen. Het kabinet pleit daar in elk geval wel voor. Voor het ESF programma geldt in elk geval dat gezamenlijke bijdragen van werkgevers en werknemers (O&O fondsen), hoewel dit private middelen zijn, voor de berekening van de cofinanciering worden meegeteld. Wat betreft de publieke cofinanciering is het uitgangspunt dat alle belanghebbenden in de programma’s en projecten hun bijdrage leveren aan de cofinanciering. Daarbij wordt een evenwichtige verdeling nagestreefd over de cofinanciering die door het rijk wordt geleverd en de cofinanciering uit de regio. In de huidige periode wordt de cofinanciering door het Rijk grotendeels uit reguliere instrumenten gefinancierd, zoals het Kompas voor het Noorden, het urgentieprogramma voor de reconstructie en het Grote Steden Beleid. Het Ministerie van Economische Zaken stelt daarnaast jaarlijks € 11 miljoen beschikbaar voor de programma’s in Oost, Zuid en Flevoland en voor de Interreg 3A programma’s. Het Ministerie van VROM levert cofinanciering voor de Interreg 3B programma’s. Het kabinet heeft besloten in aanvulling op de bestaande middelen € 167 miljoen cofinanciering beschikbaar te stellen voor cofinanciering. Met de bestaande middelen ziet het plaatje voor de cofinanciering er voorlopig als volgt uit: - Doelstelling 2 EFRO: 200 miljoen - Doelstelling 3: 42 miljoen De verdeling van de cofinanciering over de programma’s komt in de volgende paragrafen aan de orde. Daarnaast zal ook weer cofinanciering uit de bestaande budgetten plaatsvinden. Daarvoor komen in elk geval het Grote Steden Beleid en het Investeringfonds Landelijk Gebied en de Nota Ruimte in aanmerking. Hierover zullen nadere afspraken worden gemaakt tussen de betrokken departementen en de programmabeheerders.

33

Bij de inzet van de cofinanciering door het Rijk geldt dat deze bij moeten dragen aan de nationale beleidsdoelen. De wijze waarop de cofinanciering beschikbaar wordt gesteld en voor welke prioriteiten wordt nog uitgewerkt. Voor het Doelstelling 2 ESF programma komt de cofinanciering voornamelijk uit decentrale middelen, zoals de O&O fondsen en de gemeentelijke middelen voor de Wet Werk en Bijstand. Omdat de omvang van die budgetten voldoende is wordt er geen aanvullende cofinanciering door het Rijk beschikbaar gesteld.

7.3 Doelstelling 2 Concurrentiekracht (EFRO)
Voor de Doelstelling 2 EFRO worden de volgende programma’s ingediend: - Noord (Groningen, Fryslân, Drenthe) - Oost (Overijssel, Gelderland) - Zuid (Limburg, Noord-Brabant, Zeeland). - West (Zuid-Holland, Noord-Holland, Flevoland, Utrecht) In de regionale programma’s werken provincies, grote steden, kennisinstellingen en bedrijfsleven samen aan de uitvoering van de programma’s. Er worden duidelijke afspraken over de verantwoordelijkheidsverdeling gemaakt, waarbij per programma één partij, de managementautoriteit, het aanspreekpunt voor het Rijk en de Europese Commissie is. De managementautoriteit berust in principe bij één van de betrokken overheden uit de regio. Het uitgangspunt is dat er integrale programma’s ontstaan. Voorop moet staan dat de programma’s een goede inhoudelijke focus kennen. Het versterken van de concurrentiekracht van de regio kan niet door een stad of een provincie alleen worden gedaan. Het rijk heeft daarom een duidelijke voorkeur voor regionaal samenhangende programma’s waarin steden en provincies samenwerken, zonder deelbudgetten voor provincies of steden. Dit laatste met uitzondering van de G4. Steden of een netwerk van samenwerkende steden kunnen specifiek bij thema’s van de prioriteit attractieve steden en regio’s (zie hoofdstuk 4) en de specifieke stedelijke opgaven (zie hoofdstuk 6) een trekkersrol spelen bij het opstellen en uitvoeren van de programma’s, uiteraard in goede samenwerking met de omliggende regio en de provincie. Betrokkenheid bij het opstellen van het programma en deelname in het Comité van Toezicht en stuurgroepen is hiervoor gewenst. De G4 krijgt binnen het programma west een eigenstandig deelprogramma voor de typisch stedelijke projecten. Hiervoor wordt een deel van het budget voor west gereserveerd, waarover de steden zelf de verantwoordelijkheid dragen. Financiële verdeling Bij de verdeling van de middelen over de regionale programma’s is het uitgangspunt dat het kabinet inzet op het versterken van de concurrentiekracht van álle regio’s. Dit sluit aan bij de concept Communautaire Strategische Richtsnoeren, waarin wordt gesteld dat de Lissabondoelstellingen alleen kunnen worden gehaald als het cohesiebeleid wordt gericht op alle regio’s.

34

De verdeelsleutel die de Europese Commissie heeft voorgesteld om de middelen over de lidstaten te verdelen vormt de basis voor de verdeling van de financiële middelen over de programma’s. De verdeelsleutel is opgebouwd uit de volgende criteria en wegingsfactoren. • bevolkingsaandeel (50% ) • werkloosheid (20%) • participatie (15%) • opleidingsniveau (10%) • bevolkingsdichtheid (5%) Daarnaast is er een bonus/malusfactor van 5% toegepast op basis van het bruto regionaal product. Over de verdeling van de middelen over de regio’s wordt op dit moment nog overleg gevoerd met de Europese Commissie.

7.4

Doelstelling 2 Werkgelegenheid (ESF)

Voor het ESF komt er een nationaal. Het beheer, controle en beoordeling van het ESF zal op nationaal niveau worden georganiseerd. Uitvoering van de te subsidiëren acties vindt plaats op lokaal niveau, conform de periode 2000-2006. Gestreefd wordt naar zo min mogelijk administratieve lasten. Ten einde een grotere effectiviteit en kwaliteit te bereiken bewerkstelligen wordt een meer programmatische aanpak mogelijk gemaakt. Deze programma’s kenmerken zich door een grotere samenwerking tussen partijen en meerjarige zekerheid voor de aanvragers over de beschikbaarheid van middelen. Ieder project is echter een, binnen het programma passend, zelfstandige entiteit als het gaat om de formele subsidieverstrekking. Alle onderdelen van programma’s (projecten) dienen uiteraard conform de regelgeving te worden ingericht en uitgevoerd, zowel inhoudelijk als administratief. Dit wordt zowel vóór de start van projecten als bij de declaratie(s) gecontroleerd op de nu gebruikelijke wijze. De details omtrent de programmatische aanpak worden in het operationeel programma nader uitgewerkt. In het operationeel programma zal tevens in samenspraak met de betrokken partijen worden vastgesteld welke organisaties projecten kunnen aanvragen en op welke wijze partijen een faciliterende rol kunnen spelen in de uitvoering van het programma. Ook zal dan duidelijk welke aanvragers er zijn (bijvoorbeeld gemeenten en sectorfondsen) en voor welk deel van het budget, gekoppeld aan prioriteiten en maatregelen, zij in aanmerking komen. Verdeling van de middelen In het operationeel programma zal de verdeling over de prioriteiten en maatregelen worden vastgelegd. 7.5 Doelstelling 3 Europese Territoriale Samenwerking

Grensoverschrijdende samenwerking Er komen vier programma’s. Een langs de oostgrens, een in het grensgebied met Duitsland en België, een met Vlaanderen en een maritiem programma met Frankrijk, Engeland en België. De afbakening van deze gebieden wordt in samenwerking met de betrokken partijen uitgewerkt.

35

Transnationale Samenwerking Nederland zal meedoen in het programma Noordzee en het programma Noordwest Europa. Interregionale Samenwerking De Europese Commissie zal hier voorstellen voor doen. Financiële verdeling Tabel 7.2: beschikbare middelen voor Doelstelling 3 Onderdeel Grensoverschrijdende Samenwerking Transnationale Samenwerking Totaal

Bedrag € 168 mln. € 44 mln. € 212 mln.

Elke lidstaat mag 10% [check of het 15% is geworden] van het budget voor Doelstelling 3 schuiven tussen de onderdelen grensoverschrijdende samenwerking en transnationale samenwerking. Of hiervan gebruik wordt gemaakt is nog een punt van overweging. De verdeling over de programma’s zal worden vastgesteld na overleg met de betrokken lidstaten.

7.6 Beheer
7.6.1 Uitvoering en controle
Het kabinet wil op het gebied van de controle een aantal verbeteringen doorvoeren. De uitgangspunten daarbij zijn: - duidelijke functiescheiding - meer eenduidige vorm van controle - verhogen efficiency door betere samenwerking - ‘single audit’ Een van de doelstellingen is dat Nederland een nationale verklaring krijgt. Hier wordt onder leiding van het Ministerie van Financiën een haalbaarheidsonderzoek naar gedaan. Autoriteiten Bij de inrichting van het beheer voor de nieuwe structuurfondsenperiode moet naast de managementautoriteit volgens de verordeningen een tweetal separate autoriteiten worden onderscheiden. Belangrijk is dat er voldoende scheiding is tussen de drie autoriteiten, die een functie vervullen per programma. Voor de nieuwe periode (2007-2013) is op diverse manieren studie verricht hoe deze autoriteiten binnen Nederland het beste kunnen worden ingericht en of er aanleiding is daar veranderingen in door te voeren ten opzichte van de huidige periode. Ook heeft zich een interdepartementale werkgroep met vertegenwoordigers uit de regio over gebogen. Managementautoriteit De managementautoriteit is verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma. De taken van de managementautoriteit verschillen niet veel van die in de huidige periode. De

36

invulling van deze functie zal geen grote wijzigingen ondergaan. Dat houdt in dat voor de D2 EFRO-programma’s de managementautoriteit (MA) bij de uitvoering door een van de betrokken decentrale overheden wordt vervuld. Het Ministerie van SZW wordt managementautoriteit van het D2 ESF. Voor de Doelstelling 3 programma’s wordt de managementautoriteit samen met de betrokken lidstaten aangewezen. De managementautoriteiten zijn verantwoordelijk voor de betalingen aan de eindbegunstigden. Certificeringsautoriteit (in huidige periode: betaalautoriteit) Dit is een door de lidstaat aangewezen lichaam met als functie het certificeren van declaraties voordat ze bij de commissie worden ingediend. Een dergelijke autoriteit ziet toe op juistheid, volledigheid en rechtmatigheid van declaraties aan de Europese Commissie; ook voert zij controles uit bij de eindbegunstigden ter plaatse. De certificering van de Doelstelling 2 programma’s (EFRO en ESF) wordt ondergebracht bij één organisatie. Dit wordt in principe de Dienst Regelingen van het Ministerie van LNV. Voor Doelstelling 3 gelden andere vereisten ten aanzien van de inrichting van autoriteiten en is de organisatie anders ingericht. Per programma zal hier een keuze moeten worden gemaakt, Uitgangspunt is om met de D3 organisatie zoveel mogelijk aan te sluiten op de D2 organisatie, om optimale synergie te krijgen. Auditautoriteit (AA) De auditautoriteit is een door de lidstaat aangewezen lichaam, in ieder geval onafhankelijk van management en certificeringsautoriteit (MA en CA), met als functie de verificatie van het effectief functioneren van het management and control systeem van het programma. De auditfunctie wordt vanaf de nieuwe periode centraal uitgevoerd. De Auditdienst van het Ministerie van Economische Zaken wordt auditautoriteit voor de Doelstelling 2 EFRO programma’s en voor Doelstelling 3 programma’s voor zover Nederland een rol als auditautoriteit heeft (dit is in ieder geval het programma Maasrijn). Wie de auditautoriteit voor het Doestelling 2 ESF programma wordt is nog niet bekend. De implementatie van deze aanpak zal in nauw overleg met de betrokken partijen op nationaal en regionaal niveau worden vormgegeven.

7.6.2 Monitoring en coördinatie
Het kabinet wil de samenwerking tussen de programma’s en tussen het rijk en de decentrale overheden verbeteren. Hiervoor worden de volgende zaken opgepakt. Er wordt een meer eenduidige monitoring nagestreefd, zodat de voortgang en resultaten van de programma’s beter vergelijkbaar zijn. Een van de activiteiten die hiervoor wordt uitgevoerd is dat er bij de Doelstelling 2 EFRO programma’s wordt gewerkt aan één monitoringsysteem. Daarnaast werkt een gezamenlijke werkgroep van rijk en de decentrale overheden aan voorstellen voor het versterken van de coördinatie. Het gaat daarbij om zaken als communicatie, interpretatie van regelgeving, beleidsafstemming en afstemming tussen en met de autoriteiten en de Europese Commissie. Een belangrijk doel is dat inefficiency wordt voorkomen die er is als alles per programma wordt geregeld. De versterkte coördinatie zou voordelen moeten bieden voor alle Europese programma’s.

37

8

Verdere proces

In de komende twee maanden zal het Nationaal Strategisch Referentiekader worden afgerond. De formele vaststelling in het kabinet kan pas plaatsvinden nadat de verordeningen en de communautaire strategische richtsnoeren gereed zijn. De verordeningen zullen naar verwachting begin juli door de Europese Raad en voor zover nodig het Europees Parlement zijn vastgesteld. Het tijdspad voor de Communautaire Richtsnoeren is nog onduidelijk. Het ziet er naar uit dat deze pas in oktober zijn vastgesteld. Het opstellen van de operationele programma’s is reeds van start gegaan. Voor de zomer zullen de meeste programma’s in concept gereed zijn. Het kabinet streeft ernaar om op 1 oktober het NSR en in elk geval de Doelstelling 2 programma’s gereed te hebben, zodat deze naar de Europese Commissie kunnen worden gestuurd ter goedkeuring. Dit kan pas als de Communautaire Richtsnoeren zijn vastgesteld. In tussentijd wordt de gehele administratieve organisatie verder ingericht. Het doel is dat alles op 1 januari 2007 gereed is om van start te gaan.

38