WERKEN IN HOOGEVEEN

PERSPECTIEVEN TOT 2030


Onderzoek naar de productiestructuur en het productiemilieu van Hoogeveen
ten behoeve van de Structuurvisie Hoogeveen


























Bureau PAU en Bureau Louter
Groningen, november 2002




Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 2


INHOUDSOPGAVE


Leeswijzer 3

1. Werkwijze en typering 4
1.1. Opdracht 4
1.2. Werkwijze 4
1.3. Karakteristiek van Hoogeveen; hoofdlijnen 6
2. Ontwikkeling productiestructuur 1973-2001 11
2.1. Ontwikkeling 1973 – 2001 11
2.2. Ontwikkeling 1996 – 2001 13
3. Productiestructuur 2001 14
3.1. Economisch profiel Hoogeveen en referentiegebieden 14
3.2. Economisch profiel per gemeente in stedelijk netwerkgebied 16
4. Mogelijke ontwikkelingen productiestructuur 2001 – 2030 20
4.1. Hoogeveen in het Stedelijk Netwerk Zuid-Drenthe 20
4.2. Beleidsintenties 20
4.3. Ontwikkeling werkgelegenheid tot 2030 volgens drie scenario’s 22
4.4. Een groeiscenario: extra groei van het aantal inwoners 24
5. Ontwikkelingen op de kantorenmarkt: verleden en toekomst 27
5.1. Autonome vraag naar kantoorruimte tot 2030 volgens drie scenario’s 27
5.2. Gevoeligheidsanalyses voor nieuwbouw van kantoorruimte 28
5.3. Kantoorlocaties in Hoogeveen 30
6. Ontwikkeling bedrijventerreinen: verleden en toekomst 31
6.1. Autonome vraag naar bedrijventerreinen tot 2030 volgens drie scenario’s 31
6.2. Gevoeligheidsanalyses voor uitgifte van bedrijventerreinen 32
6.3. Verdeling naar segmenten 33
6.4. Thema’s binnen bedrijventerreinen 35
6.5. Woon-werklocaties 37
7. Productiemilieu 39
7.1. Belevingswaarde van de fysieke omgeving 39
7.2. Wonen 39
7.3. Voorzieningen (winkels, onderwijs, congresfunctie) 40
7.4. Leisure 43
8. Conclusies en aanbevelingen 46
8.1. Productiestructuur 46
8.2. Productiemilieu 47

Bijlage 1: Methoden en technieken bij kwantitatieve analyse 51
Bijlage 2: Kwalitatieve analyse: Interviews en enquête 52
Bijlage 3: Indeling in gebieden en economische sectoren 53
Bijlage 4: Indeling in economische sectoren en clusters 54
Bijlage 5: Gehanteerde gegevens 58
Bijlage 6: Geïnterviewde personen 59
Bijlage 7: Interviewvragen voor onderdeel ‘werken’ t.b.v. Structuurvisie Hoogeveen 60
Bijlage 8: Vragen enquête woon-werkmogelijkheden in de gemeente Hoogeveen 63
Bijlage 9: Van hiphop naar heritage (bron: NRC, 7 september 2002) 64
Bijlage 10: Uitgifte bedrijventerreinen 1996-2001 nader geanalyseerd 66
Bijlage 11: Invloed aanleg bedrijventerrein (55 hectare) op ontwikkeling aantal inwoners 68
Bijlage 12: Uitkomsten SWOT-analyse kernwinkelapparaat Hoogeveen 70

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 3
LEESWIJZER

De opbouw van dit rapport is als volgt:
Hoofdstuk 1 bevat de opdracht en de gevolgde werkwijze en een korte karakteristiek van Hoogeveen
aan de hand van een vergelijking met de regio. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op ontwikkelingen in de
productiestructuur (de typen bedrijvigheid) in Hoogeveen. Dat gebeurt zowel voor de lange termijn
(sinds 1973) als voor de korte termijn (de periode 1996-2001). Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de
huidige productiestructuur besproken, enerzijds aan de hand van een zeer fijnmazige indeling in eco-
nomische sectoren, anderzijds aan de hand van een beperkter aantal economische clusters. Hooge-
veen wordt daarbij vergeleken met een aantal referentiegebieden. Tevens is een economisch profiel
opgesteld voor alle gemeenten in het Stedelijk Netwerkgebied van Zuid-Drenthe.
In de hoofdstukken 4, 5 en 6 wordt ingegaan op prognoses voor de mogelijke economische ontwikke-
ling van Hoogeveen. Eerst wordt in hoofdstuk 4, op basis van zeven brede economische sectoren,
nagegaan hoe de werkgelegenheid zich kan ontwikkelen tot 2015, met een indicatieve inschatting van
de verdere ontwikkeling tot 2030. Dat gebeurt voor verschillende scenario’s. Ten eerste voor drie ver-
schillende economische scenario’s voor de demografische en economische ontwikkeling van het Cen-
traal Planbureau. Ten tweede voor scenario’s waarin wordt uitgegaan van verschillende veronderstel-
lingen omtrent de groei van het aantal inwoners in Hoogeveen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 inge-
gaan op de te verwachten vraag naar kantoorruimte tot 2015, met een inschatting voor de vijftien jaar
daarna. Ook daarbij wordt weer gebruik gemaakt van verschillende scenario’s. In hoofdstuk 6 wordt
ingegaan op de te verwachten vraag naar bedrijventerreinen. Vervolgens worden voor verschillende
scenario’s ontwikkelingen tot 2015 besproken, met een doorkijk naar 2030. Hierbij komen ook de ver-
schillende thema’s voor bedrijventerreinen aan de orde, zoals segmentering, revitalisering, ‘natte’
(door water ontsloten) bedrijventerreinen en woon-werkcombinaties.
In hoofdstuk 7 wordt het productiemilieu van Hoogeveen onder de loep genomen. Daarbij komen
woonmilieu en een aantal voorzieningen zoals leisure en congresfuncties aan bod. Tenslotte bevat
hoofdstuk 8 conclusies en aanbevelingen.


Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 4
1 WERKWIJZE EN TYPERING


1.1 Opdracht

De gemeente Hoogeveen werkt aan het opstellen van een structuurvisie, die per december 2003 ge-
reed moet zijn. Het traject bestaat uit vier fasen, waarvan de eerste fase is afgerond. Fase 2 heeft als
doelstelling: ‘Onderzoek verrichten naar de onderwerpen uit fase 1 en het formuleren van uitgangs-
punten voor het maken van een visie’. In een volgende fase zal een stedenbouwkundig bureau keu-
zemodellen vervaardigen en vervolgens één keuzemodel (= structuurvisie) selecteren.

Bij het onderzoek ten behoeve van de structuurvisie zijn vier hoofdonderwerpen onderscheiden, na-
melijk wonen, werken, voorzieningen (verkeer, recreatie en toerisme, onderwijs, sport, vliegveld, zorg,
water) en platteland.

Deze onderzoeksrapportage heeft als onderwerp werken en een deel van voorzieningen, voor zover
het om behoefteramingen gaat voor leisure en congresfuncties.

De vraagstelling luidt:
‘Wat is de behoefte aan bedrijventerreinen, kantorenlocaties, woon-werklocaties gedurende de struc-
tuurvisie-periode (2002- 2015/2030)? Hoe zit dat met een leisureterrein? Zijn er kansen voor het ont-
wikkelen van een congresfunctie?’

Het gaat dus om behoefteramingen c.q. slaagkansen voor:
• Bedrijventerreinen
• Kantorenlocaties
• Woon-werklocaties (opgevat als bedrijventerreinen waar ook woningen geplaatst mogen worden)
• leisure
• congresfunctie.


1.2 Werkwijze

De onderzoeksopdracht heeft een aantal onderdelen die onderlinge relaties hebben. Deze relaties
worden weergegeven in figuur 1.1. Dit vormt het denkkader waarop onze verdere werkwijze is geba-
seerd.

Uitgaande van ontwikkelingen in de productiestructuur van Hoogeveen is aan de hand van verschil-
lende scenario’s een indicatieve inschatting gemaakt van de verdere ontwikkeling tot 2030. Deze in-
schatting is vertaald naar respectievelijk de behoefte aan bedrijventerreinen (waaronder verschillende
thema’s), de behoefte aan kantoorruimte en de behoefte aan woon-werkcombinaties.
Onder de productiestructuur wordt verstaan de verdeling van bedrijven over economische sectoren en
de verdeling naar grootteklassen en zeggenschapsrelaties.
Het productiemilieu omvat alle voor een bedrijf externe (lokale en regionale) factoren die van belang
zijn voor het functioneren van het bedrijf, waaronder het woonklimaat en voorzieningen en diensten
als leisurevoorzieningen, congresfuncties, winkels en onderwijs.
De overheid heeft veelal een veel directere bemoeienis met het productiemilieu dan met de productie-
structuur.


Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 5

Figuur 1.1 Denkkader

































De uitwerking van het onderzoek is gebaseerd op twee, elkaar onderling versterkende, pijlers, name-
lijk:
• Pijler 1: Een kwantitatieve, modelmatige benadering, waarin algemene trends zijn vertaald naar
hun te verwachten consequenties voor de economie van Hoogeveen. Een benchmark onderzoek
maakt hier onderdeel van uit. Van deze structurele ruimtelijk-economische ontwikkelingen wordt
de vraag naar ruimte afgeleid, waarbij rekening wordt gehouden met andere factoren dan econo-
mische groei.

• Pijler 2: Een kwalitatief onderzoek door middel van gerichte interviews onder sleutelpersonen bij
bedrijfsleven en overheid, aangevuld met een enquête onder het Hoogeveense bedrijfsleven met
betrekking tot woon-werklocaties.

Aan de hand van de uitkomsten van de kwantitatieve en kwalitatieve analyse zijn de sterke en zwakke
kanten van de productiestructuur en het –milieu bepaald om aan te kunnen geven waar Hoogeveen in
ruimtelijk-economisch opzicht naar zou kunnen streven. Daar kunnen beleid en acquisitie op worden
gebaseerd. Ook leidt dat tot conclusies ten aanzien van huisvestingstypen en voorzieningen- en ver-
zorgingsarrangementen die Hoogeveen nodig heeft c.q. zou moeten ontwikkelen of aanvullen. Op die
manier wordt vraaggeoriënteerd in plaats van aanbodgericht gewerkt. Het programma dat daaruit
voortvloeit moet dan een ruimtelijke vertaling krijgen in een stedenbouwkundig plan.
Relatie met productiemilieu:
(wederzijdse relatie)

Wonen
Voorzieningen & Diensten
Ontwikkeling economische
structuur
Bedrijventerreinen Kantoren woon-/werklocaties
Specifieke thema’s
bedrijventerreinen
Behoefteramingen
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 6
Toelichtingen op de gebruikte methoden en technieken voor de kwantitatieve analyse zijn zoveel mo-
gelijk opgenomen in de verschillende hoofdstukken, daar waar de betreffende analyse wordt uitge-
voerd. Voor een aantal kwantitatieve methodieken wordt verwezen naar bijlage 1. Bijlage 2 bevat een
toelichting op de wijze waarop de interviews en de enquête zijn uitgevoerd.


1.3 Karakteristiek van Hoogeveen; hoofdlijnen

Voor een korte karakteristiek van Hoogeveen is allereerst een indeling gemaakt naar gebieden en
economische sectoren( zie bijlage 3 en 4). In bijlage 5 wordt ingegaan op de gebruikte gegevens.

Hieronder wordt ingegaan op hoofdlijnen van de productiestructuur en het productiemilieu van Hooge-
veen. Behandeld worden werkgelegenheid, inwoners, kantoren en bedrijventerreinen, waarbij een
vergelijking met de verschillende referentiegroepen plaatsvindt. Vervolgens wordt van de Hoogeveen-
se beroepsbevolking het inkomens- en opleidingsniveau vergeleken met het Drentse en Nederlandse
gemiddelde. Tot slot brengen wij de productiviteit van de Hoogeveense beroepsbevolking de laatste
jaren ten opzichte van zowel de regio en geheel Nederland in beeld.


Werkgelegenheid, bedrijventerreinen en kantoren
In het algemeen geldt dat een plaats van grotere omvang een belangrijkere rol speelt als werkgele-
genheids- en voorzieningencentrum. Eerder onderzoek voor de gemeente Emmen heeft uitgewezen
dat hoge scores voor de kern Emmen ‘omlaag werden getrokken’ door een relatief omvangrijk lande-
lijk gebied (bijna de helft van het totaal aantal inwoners van de gemeente). Om zicht te geven op het
mogelijk effect van dit verschijnsel is in tabel 1.1 het aandeel van de grootste plaats/ kern in het ge-
meentelijk totaal aantal inwoners weergegeven. Daaruit blijkt dat in de gemeente Hoogeveen de kern/
plaats Hoogeveen een groter aandeel van het gemeentelijk aantal inwoners herbergt dan gemiddeld
in het Stedelijk Netwerkgebied. Vergeleken met het gemiddelde voor de ‘soortgenoten’ is dat aandeel
echter lager.

Tabel 1.1 Karakteristieken gemeenten op hoofdlijnen (situatie in 2001)
Gemeente Inwoners
(*1000)
Deel grootste
kern (% van
inwoners)
Werkgelegen-
heidsfunctie
Bedrijventer-
reinendichtheid
Kantoren-
dichtheid

Coevorden 35.5 40% 630 1059 929
Emmen 107.2 51% 677 928 1628
Hardenberg 57.2 30% 595 786 485
Hoogeveen 52.8 70% 785 997 1979
Meppel 29.9 92% 871 1000 3538
Steenwijk 41.2 39% 504 803 479
Regio 323.8 52% 672 920 1447

Almelo 70.3 100% 878 1133 4095
Heerenveen 41.1 70% 842 1015 3176
Hoogezand-
Sappemeer
33.2 64% 726 897 964
Meppel 29.9 92% 871 1000 3538
Smallingerland 53.0 81% 821 882 2163
Sneek 32.1 98% 872 568 2242
Stadskanaal 33.5 59% 567 629 642
Veendam 28.4 73% 737 1558 3051
Soortgenoten 321.4 82% 803 970 2651

Nederland 15987.0 Niet bekend 733 474 4515
Toelichting:
Werkgelegenheidsfunctie: Banen per duizend inwoners van 20 tot 65 jaar
Bedrijventerreinendichtheid: Voorraad aan uitgegeven bedrijventerreinen (netto hectares) per honderdduizend
inwoners van 20 tot 65 jaar.
Kantorendichtheid: Voorraad kantoorruimte (vierkante meters bruto vloeroppervlak) per duizend inwoners van 20
tot 65 jaar.

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 7
De werkgelegenheidsfunctie van Hoogeveen ligt boven het nationaal gemiddelde en ruim boven het
gemiddelde van de regio. Ten opzichte van de soortgenoten is de werkgelegenheidsfunctie iets lager,
waarschijnlijk mede omdat Hoogeveen ten opzichte van het gemiddelde voor de soortgenoten meer
bewoners van het landelijk gebied kent.
Alle vergeleken gemeenten kennen een aanzienlijk hogere bedrijventerreindichtheid dan het nationaal
gemiddelde. Hoogeveen scoort zowel iets boven het gemiddelde van de regio als iets boven het ge-
middelde van de soortgenoten.
Daar staat tegenover dat de kantorendichtheid in alle vergeleken gemeenten juist lager ligt dan het
nationaal gemiddelde. Hoogeveen scoort iets boven het regiogemiddelde, maar onder het gemiddelde
voor de soortgenoten. Dat laatste gemiddelde wordt overigens sterk omhoog getrokken door Almelo.
Binnen de regio kent Meppel een relatief hoge kantorendichtheid.

De recente ontwikkeling van het aantal arbeidsplaatsen, de nieuwbouw van kantoren en de uitgifte
van bedrijventerreinen (tabel 1.2) geeft een beeld van de groei in de periode van hoogconjunctuur en
het plaatst de ontwikkeling in Hoogeveen daarmee in een ruimer perspectief. Bedacht moet worden
dat de economische groei in deze periode en met name de toename van de werkgelegenheid (ruim
3% gemiddeld per jaar) in historisch perspectief bezien ongekend hoog is geweest. Een dergelijke
groei zal in de toekomst niet langdurig gerealiseerd kunnen worden, omdat daarvoor niet voldoende
arbeidskrachten beschikbaar zullen zijn. Nationaal en regionaal is de uitgifte van bedrijventerreinen en
de nieuwbouw van kantoren de afgelopen vijf jaar ongekend hoog geweest. Doortrekken van deze
trends naar de toekomst (over vijftien of zelfs dertig jaar) is dan ook volstrekt onrealistisch (zie daar-
voor ook de hoofdstukken 5 en 6).


Tabel 1.2 Ontwikkeling banen, uitgifte bedrijventerreinen en kantoorruimte
Gemeente/ gebied Aantal banen
1996-2001 (% per jaar)
Uitgifte bedrijventerreinen
1996-2001
Nieuwbouw kantoorruimte
1990-2000

Hoogeveen 2.8 36.9 49
Regio 2.6 26.4 32
Soortgenoten 3.4 40.3 77
Nederland 3.2 13.0 123
Toelichting:
Uitgifte bedrijventerreinen: Gemiddelde uitgifte per jaar (netto hectares) per honderdduizend inwoners 20-65 jaar
Nieuwbouw kantoorruimte: Gemiddelde nieuwbouw per jaar (vierkante meters bruto vloeroppervlak) per duizend
inwoners 20-65 jaar.
Ontwikkeling banen: Exclusief land- en tuinbouw (niet in LISA-bestand).


De groei van de werkgelegenheid was de afgelopen vijf jaar zeer hoog in Hoogeveen. Toch lag deze
groei nog beneden het nationaal gemiddelde en het gemiddelde voor de soortgenoten. Wel was de
groei iets hoger dan het regiogemiddelde.
De uitgifte van bedrijventerreinen lag zowel binnen de regio als bij de groep soortgenoten in de jaren
1996 tot en met 2001 duidelijk boven het nationaal gemiddelde. In Hoogeveen was de uitgifte bijna
drie keer zo hoog als het nationaal gemiddelde. Dat is nog iets onder de norm voor de soortgenoten,
maar boven het regiogemiddelde.
Vooral in de regio bleef de nieuwbouw van kantoorruimte in de jaren 1990 tot en met 2000 ver achter
bij het nationaal gemiddelde. Hoogeveen scoorde hoger dan de regio, maar lager dan de soortgeno-
ten (die zelf weer onder het nationaal gemiddelde bleven). Een zeer groot deel van de nieuwbouw van
kantoren is gerealiseerd in de provinciehoofdsteden (ongeveer 75% van alle nieuwbouw aan kantoren
in het Noorden).


Beroepsbevolking: opleiding, inkomen en productie
Hoogeveen blijkt een iets jongere bevolking te hebben dan Drenthe (tabel 1.3.). Ten opzichte van het
Nederlands gemiddelde is er sprake van iets meer vergrijzing. De relatieve omvang van de beroeps-
bevolking, het aandeel 15 t/m 64 jarigen ten opzichte van de totale bevolking, is ongeveer vergelijk-
baar met Drenthe en iets lager dan Nederland.




Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 8
Tabel 1.3 Procentuele spreiding van de bevolking over leeftijdsgroepen 2000
Leeftijdscategorie Hoogeveen Drenthe Nederland
0-14 jaar 18,9 18,6 18,6
15-64 jaar 66,2 66,1 67,9
> 64 jaar 14,8 15,3 13,6
Bron: Statistisch jaarboek gemeente Hoogeveen 2000, voor Drenthe en Nederland: CBS


Wat betreft de beroepsbevolking (tabel 1.4.) is er ten opzichte van het Nederlands gemiddelde een
sterke vertegenwoordiging van lager geschoolden in Hoogeveen en een ondervertegenwoordiging van
hoger opgeleiden. De verschillen tussen Hoogeveen en Drenthe zijn iets minder groot omdat Drenthe
ook relatief iets meer laag geschoolden en iets minder hoog geschoolden heeft in vergelijking met het
Nederlands gemiddelde.


Tabel 1.4 Procentuele spreiding van beroepsbevolking (15 t/m 64 jaar) over opleidingsniveaus 1998
Opleidingsniveau Hoogeveen Drenthe Nederland
Lager (BO, Mavo, VBO) 44,6 32,0 29,1
Middelbaar (Havo,VWO, MBO) 42,1 49,0 44,0
Hoger (HBO, WO) 13,4 19,0 26,8
Bron: CBS


Uit het opleidingsniveau van de beroepsbevolking in Hoogeveen valt af te leiden dat het gemiddelde
inkomen ook lager ligt dan het Nederlands gemiddelde, volgens BRO gemiddeld circa 8 % lager.

Hoe productief is de beroepsbevolking van Hoogeveen de laatste jaren geweest? De kaarten 1.1 en
1.2 tonen waar en hoeveel waarde werd toegevoegd in Nederland in 2000 en waar de groei in toege-
voegde waarde plaatsvond in de periode 1996-2000. Deze analyses tonen dat Hoogeveen en omge-
ving bijna als enige gebied in Noord-Nederland een groei tot 2% boven het nationaal gemiddelde per
jaar laat zien.

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 9
Kaarten 1.1 en 1.2 (uit Elsevier 20-10-2001, bron: TNO Inro; onderzoek verricht door P. Louter)
Toplokaties: de geldmachines van Nederland & Toplokaties: groei in procenten 1996-2000



Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 10
Imago en zelfbeeld
Het beeld dat naar voren komt is divers. Wat betreft opleidings- en inkomensniveau scoort Hoogeveen
bijvoorbeeld lager vergeleken met Drenthe en Nederland, maar op werkgelegenheidsfunctie en dicht-
heid van bedrijventerreinen en kantoren (tabel 1.1) scoort Hoogeveen vergeleken met de regio juist
beter. De kaarten uit Elsevier presenteren een nog positiever beeld.
Vooral in de regio zelf heerst een negatief beeld over Hoogeveen. Dit bleek uit gesprekken in het ka-
der van het Stedelijk Netwerk Zuid-Drenthe en tijdens interviews voor dit onderzoek. En niet alleen de
regio, ook Hoogeveeners zelf lieten zich in de interviews (zie bijlage 6) geringschattend over de eigen
gemeente uit.

Hoogeveen heeft dus te maken met een negatief imago en een negatief zelfbeeld. Een verklaring
daarvoor is natuurlijk niet zomaar en eenvoudig te geven. Het negatieve zelfbeeld heeft mogelijk te
maken met een levensinstelling die in verschillende interviews naar boven kwam met uitspraken als
‘Waarom zou je aan anderen laten zien dat je het goed hebt?’ en ‘Doe maar gewoon, dan doe je gek
genoeg’. Wellicht is het negatieve imago met name te verklaren uit het veenkoloniale verleden (eind
17
e
tot begin 19e eeuw) van Hoogeveen. De veenarbeiders, onderdrukt door de economische elite
van patroons en veeneigenaren, hadden een laag opleidings- en inkomensniveau. Dit heeft nog
steeds zijn doorwerking. De veenarbeiders zijn zich na de WO II steeds meer gaan verenigen in linkse
(CPN) en rechtse (boer Koekoek) protestgroepen tegen de ‘heren met de hoge hoed’. Dit uit zich nu
nog in vormen van anarchisme en geheel eigen ideeën over het vrije ondernemerschap. Dit vrije on-
dernemerschap heeft positieve uitwerkingen in de economische structuur. Hoogeveen heeft relatief
een groot aantal kleine bedrijven die mogelijk ook de grote groei in toegevoegde waarde (zie kaart
1.2) verklaren. Er is sprake van eigenzinnigheid en van goed en creatief ondernemerschap. Zelfred-
zaamheid staat hoog in het vaandel wat zich uit in goed betalingsgedrag. Onder andere op basis hier-
van is Hoogeveen zakenstad van het jaar 2000 geweest.




Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 11
2. ONTWIKKELING PRODUCTIESTRUCTUUR 1973-2001


Ontwikkelingen in het verleden geven mede een indicatie voor te verwachten ontwikkelingen in de
toekomst, hoewel voorzichtigheid en nuancering bij het doortrekken van trends uit het verleden altijd
geboden blijft.
In paragraaf 2.1 is de ontwikkeling van het aantal inwoners en het totaal aantal arbeidsplaatsen sinds
1973 onderzocht. Tevens is een onderscheid gemaakt in zeven brede economische sectoren. Vervol-
gens is in paragraaf 2.2 nader ingegaan op de ontwikkeling van het aantal arbeidsplaatsen, onder-
scheiden naar economische sectoren. Die indeling is fijnmaziger en ook niet geheel overlappend met
de indeling in zeven brede economische sectoren in paragraaf 2.1. In bijlage 4 is nader ingegaan op
de verschillen. Daar wordt ook kort ingegaan op de gehanteerde termen om de economische sectoren
mee aan te duiden. Het voordeel van de fijnmaziger indeling in paragraaf 2.2 is dat op meer nauwkeu-
rige wijze afgebakende economische sectoren kunnen worden samengesteld. Het voordeel van de
beschouwing op lange termijn is dat de gesignaleerde trends stabieler zijn dan de ontwikkeling in een
periode van slechts vijf jaar.


2.1 Ontwikkelingen 1973-2001

De groei van het aantal inwoners van Hoogeveen sinds 1973 blijft iets achter bij het nationaal en het
regiogemiddelde en was iets hoger dan bij de soortgenoten (tabel 2.1.). De verschillen zijn echter zeer
klein. Wel moet geconstateerd worden dat het grootste deel van de groei in Hoogeveen werd gereali-
seerd in de periode 1973-1983. In de periode 1983-2000 bleef de ontwikkeling van het aantal inwo-
ners met 0.32% per jaar echter bij het nationaal gemiddelde.


Tabel 2.1 Ontwikkeling aantal banen en aantal inwoners ultimo 1973- ultimo 2000 (% per jaar)
Hoogeveen Nederland Regio Soortgenoten

Inwoners
1973-1983 0.90 0.65 0.85 0.78
1983-1993 0.36 0.64 0.34 0.07
1993-2000 0.21 0.58 0.66 0.56
1973-2000 0.52 0.63 0.61 0.46

Arbeidsplaatsen
1973-1983 -0.54 0.05 -0.12 -0.35
1983-1993 2.22 1.95 1.96 1.88
1993-2000 2.53 2.69 2.27 2.79
1973-2000 1.27 1.43 1.26 1.28

Arbeidsplaatsen
min inwoners

1973-1983 -1.44 -0.60 -0.97 -1.13
1983-1993 1.86 1.31 1.62 1.81
1993-2000 2.32 2.11 1.61 2.23
1973-2000 0.75 0.80 0.65 0.82


De ontwikkeling van het aantal arbeidsplaatsen lag in Hoogeveen iets onder het nationaal gemiddelde
en was ongeveer gelijk aan het regiogemiddelde en het gemiddelde voor de soortgenoten. Voor de
arbeidsplaatsen geldt echter dat Hoogeveen juist in de periode 1973-1983 relatief slecht gepresteerd
heeft, terwijl de groei met name in de periode 1983-1993 vergeleken met de referentiegebieden (Ne-
derland totaal, regio en soortgenoten) relatief hoog was.
Dat verschil tussen de ontwikkeling van arbeidsplaatsen en van inwoners laat zien dat Hoogeveen in
de periode 1973-1983 nog duidelijk slechter scoorde dan de referentiegroepen. Sinds 1983 scoort
Hoogeveen echter boven het nationaal gemiddelde en boven het regiogemiddelde (en iets hoger dan
de soortgenoten). Per saldo zijn voor de gehele periode 1973-ultimo 2000 de onderlinge verschillen
tussen de onderscheiden gebieden gering.

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 12
Voor een beoordeling van de werkgelegenheidsontwikkeling van Hoogeveen op lange termijn (sinds
ultimo 1973) is het relevant te kijken naar de ontwikkeling van de arbeidsplaatsen (tabel 2.2.) en het
aandeel van zeven brede economische sectoren in de totale werkgelegenheid (tabel 2.3). De ontwik-
keling van Hoogeveen hebben wij wederom vergeleken met die van Nederland als geheel, de regio en
de soortgenoten.


Tabel 2.2 Ontwikkeling arbeidsplaatsen naar zeven brede economische sectoren, 1973-2000
Land-
bouw
Industrie Bouwnij-
verheid
Distri-
butie
Kennis-
diensten
Non-
profit
Consument-
endiensten
Groei in % per jaar
1973-1983
Hoogeveen -3.1 -2.6 -4.6 0.4 4.2 2.4 0.9
Nederland -1.6 -2.2 -3.7 -0.2 2.2 2.7 0.2
Regio -2.4 -1.6 -5.3 -0.2 5.0 2.8 0.4
Soortgenoten -2.5 -2.3 -6.1 -0.7 3.0 2.8 0.4

1983-1993
Hoogeveen -0.6 -0.2 2.9 6.2 9.0 1.6 1.8
Nederland 0.5 0.3 1.1 2.4 4.4 1.5 2.0
Regio 0.0 1.4 2.4 3.8 4.6 0.6 3.0
Soortgenoten -0.1 -0.1 2.3 3.1 5.2 1.9 2.4

1993-2000
Hoogeveen -1.3 -0.2 0.5 5.7 5.9 0.7 4.1
Nederland -1.3 -0.4 1.5 2.1 5.9 2.3 3.9
Regio -1.0 -1.3 0.2 4.1 6.4 3.0 3.8
Soortgenoten -1.6 1.0 1.4 3.3 5.9 1.9 4.4

1973-2000
Hoogeveen -1.8 -1.1 -0.6 3.9 6.4 1.7 2.1
Nederland -0.8 -0.8 -0.6 1.4 3.9 2.1 2.1
Regio -1.1 -0.4 -1.1 2.4 5.2 2.0 2.5
Soortgenoten -1.4 -0.6 -1.1 1.7 4.6 2.3 2.1



Tabel 2.3 Aandeel zeven brede sectoren in totale werkgelegenheid, 1973 en 2000
Land-
bouw
Industrie Bouwnij-
verheid
Distri-
butie
Kennis-
diensten
Non-
profit
Consument
endiensten

1973
Hoogeveen 8.5 35.0 11.3 4.7 4.7 17.6 18.2
Nederland 6.6 23.5 9.8 10.7 11.0 20.9 17.6
Regio 12.8 30.8 11.3 6.1 5.7 17.5 15.8
Soortgenoten 4.3 34.8 9.7 7.2 6.9 20.3 16.8

2000
Hoogeveen 3.8 18.8 7.0 9.6 18.0 19.9 22.9
Nederland 3.6 12.8 5.7 10.5 21.3 25.2 20.8
Regio 6.7 19.5 6.1 8.2 16.2 21.5 21.9
Soortgenoten 2.1 21.0 5.1 8.0 16.4 26.4 21.1


Zowel voor de landbouw als de bouwnijverheid geldt dat het aandeel in de totale werkgelegenheid
sterk is afgenomen. Daarvan is niet alleen sprake in Hoogeveen, maar ook in alle referentiegebieden.
De ontwikkeling van het aantal arbeidsplaatsen in de industrie bleef achter bij de diverse referentiege-
bieden. Daarbij moet worden opgemerkt dat industrie nog steeds een belangrijke sector is in de pro-
ductiestructuur van Hoogeveen. Het aandeel in de totale werkgelegenheid is nu 18.8%, maar was in
1973 nog 35.0%.
Het aandeel van dienstensectoren in de economie van Hoogeveen is toegenomen van 45.2 naar
70.4%. Een soortgelijke ontwikkeling hebben de regio en de soortgenoten doorgemaakt. In Nederland
als geheel is het belang van de dienstensector nog groter: 77.8% nu tegen 60.2% in 1973.
Zowel de distributie-activiteiten als de kennisdiensten hebben een sterke procentuele groei doorge-
maakt. In de regio en bij de soortgenoten lag het groeipercentage, zij het in mindere mate, ook boven
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 13
het nationaal gemiddelde. Opgemerkt moet worden dat Hoogeveen daarbij vanuit een zeer lage basis
is gestart (zie 1973). Daarmee ligt het aandeel van distributie-activiteiten en kennisdiensten zelfs na
bijna dertig jaar van hoge procentuele groei nog onder het nationaal gemiddelde aandeel.
Voor de twee typen verzorgende diensten (non-profit sector en consumentendiensten) geldt dat de
ontwikkeling gelijk was aan of iets lager was dan de groeipercentages in de referentiegebieden. Be-
schouwd naar economische structuur blijkt het belangrijkste verschil tussen Hoogeveen en de soort-
genoten de relatieve vertegenwoordiging van de non-profit sector te zijn (is lager in Hoogeveen).


2.2 Ontwikkelingen 1996-2001

Voor de ‘clusters’ van economische activiteiten (zie paragraaf 1.2 en bijlage 4) is de gemiddelde jaar-
lijkse procentuele ontwikkeling van het aantal arbeidsplaatsen bepaald (tabel 2.4.). Het gaat om een
recente periode (1996-2001). De vijf kleine, specifieke clusters zijn buiten beschouwing gelaten omdat
toevallige factoren een grote, vertekenende invloed kunnen hebben op de groeicijfers. Tevens zijn
geen gegevens opgenomen over de land- en tuinbouw.


Tabel 2.4 Relatieve ontwikkeling werkgelegenheid Hoogeveen en referentiegebieden, 1996-2001
Cluster van economische
Activiteiten
Hoogeveen Nederland Regio Soortgenoten

Traditionele industrie 1,7 1,0 -0,4 1,5
Kapitaalsintensieve industrie 8,6 0,0 3,1 3,2
Kennisintensieve industrie -4,8 1,6 0,6 4,0
Bouwnijverheid 1,1 2,7 3,4 1,9
Groothandel 6,0 2,8 5,8 4,0
Overig vervoer 8,3 3,5 4,4 6,7
Kennisintensieve diensten 4,3 6,8 4,1 6,2
Non-profit kantoorfuncties 0,3 1,3 4,3 1,2
Non-profit voorzieningen 3,8 3,3 3,8 3,7
Vrijetijdsactiviteiten 4,1 3,8 2,5 4,9
Consumentendiensten 3,4 2,5 2,0 2,7

Totaal 2,8 3,2 2,6 3,4
Toelichting: Weergegeven is de gemiddelde jaarlijkse ontwikkeling in procenten. Het gaat om de bedrijvigheid
exclusief land- en tuinbouw.


De gepresenteerde cijfers tonen dat Hoogeveen uitstekend heeft gepresteerd in groothandel en trans-
port. Datzelfde geldt voor de kapitaalsintensieve industrie, die een sterke groei heeft gekend. Het is
juist dit type economische sectoren dat een grote vraag naar ruime kavels op bedrijventerreinen heeft.
Het levert een mogelijke verklaring voor de hoge uitgiftecijfers van de laatste jaren in Hoogeveen.
De afname van de werkgelegenheid in de kennisintensieve industrie is voornamelijk het gevolg van
krimp van de werkgelegenheid bij één groot bedrijf (Philips). Bij enkele andere kennisintensieve indu-
striële bedrijven valt groei te constateren.

Opvallend is het achterblijven van de groei in kennisintensieve diensten bij het nationaal gemiddelde,
zowel in Hoogeveen als in de Regio. De soortgenoten weten het nationaal gemiddelde groeicijfer wel
bijna te realiseren. Het achterblijven bij de ontwikkeling in deze groeisector-bij-uitstek is een van de
verklaringen voor een lager dan nationaal gemiddelde groei van de werkgelegenheid in Hoogeveen én
voor de bescheiden ontwikkelingen op de kantorenmarkt (zie hoofdstuk 5). Dit type economische acti-
viteiten is immers ook een belangrijke vrager naar kantoorruimte.
De ontwikkeling van de verzorgende diensten (non-profit voorzieningen, vrijetijdsactiviteiten, consu-
mentendiensten) ligt in Hoogeveen iets boven het nationaal gemiddelde. Dat is conform de prestaties
van de soortgenoten. Hoogeveen scoort daarmee echter wel beter dan het Regiogemiddelde.

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 14
3 PRODUCTIESTRUCTUUR 2001


Om prognoses voor de economische ontwikkeling van Hoogeveen te kunnen maken is een duidelijk
beeld van het profiel van het huidige bedrijfsleven van Hoogeveen noodzakelijk. Dat geeft bijvoorbeeld
aan in hoeverre economische sectoren waarvoor de groeiverwachtingen hoog zijn al dan niet sterk
zijn vertegenwoordigd in de lokale economie.
Uit hoofdstuk 2 bleek al dat Hoogeveen van oudsher een sterke oriëntatie kent op industrie en dat in
de laatste decennia de distributie-activiteiten sterk zijn gegroeid, maar dat de kennisintensieve dien-
stensector is ondervertegenwoordigd ten opzichte van het nationaal gemiddelde.
Maar niet alleen de sectorstructuur is van belang. Ook de verdeling van de bedrijvigheid over grootte-
klassen is relevant, onder meer als indicatie voor kwetsbaarheid c.q. gevoeligheid van de lokale eco-
nomie voor individuele bedrijfsbeslissingen. In 2001 was 38.9% van het totaal aantal werkenden bij
Hoogeveense bedrijven of instellingen werkzaam bij een bedrijf met honderd of meer werkzame per-
sonen. Dat is vrijwel gelijk aan het nationaal gemiddelde van 38.7%. Grote bedrijven in de industrie in
Hoogeveen zijn Philips DAP, Impress Metal Packaging en Fokker Special Products. Daarbij kende de
laatste sinds 1996 een sterke groei, terwijl bij de andere twee arbeidsplaatsen verloren gingen. Daar-
naast zijn er twee vrij grote verzekeringsbedrijven (TVM en Unigarant). Met uitzondering van De Boer
Winkelbedrijven zijn er geen bedrijven met meer dan 200 arbeidsplaatsen in groothandel en transport.
In de non-profit sector zijn de grootste werkgevers het ROC, de Gemeente Hoogeveen en (vooral)
een aantal zorginstellingen. Met name het ziekenhuis Bethesda levert veel arbeidsplaatsen. Daar-
naast heeft Thuiszorg Drenthe (regio Zuidwest) een vestiging in Hoogeveen. Daar worden weliswaar
meer dan duizend personen aan toegeschreven, maar bij het betreffende kantoor in Hoogeveen zelf
gaat het om een beperkt aantal werknemers.

In paragraaf 3.1 wordt zicht gegeven op de productiestructuur van Hoogeveen, waarbij eerst de in
bijlage 4 afgebakende clusters worden geanalyseerd en vervolgens een zeer fijnmazige indeling in
sectoren wordt getoond. Daarbij wordt Hoogeveen steeds vergeleken met de diverse referentiegebie-
den. In paragraaf 3.2 wordt voor Hoogeveen en voor de andere gemeenten die deel uitmaken van het
Stedelijk Netwerkgebied een korte schets gegeven van het economisch profiel.


3.1 Economisch profiel Hoogeveen en referentiegebieden

Hoogeveen kent relatief sterke specialisaties in een aantal industriële sectoren en transport en distri-
butie. Dat blijkt uit een vergelijking met het nationale gemiddelde, de regio en de soortgenoten (tabel-
len 3.1 en tabel 3.2).


Tabel 3.1 Economisch profiel Hoogeveen en referentiegebieden naar 17 clusters, 2001
Cluster van economische
Activiteiten
Banen in
Nederland
Banen in
Hoogeveen
LQ Hooge-
veen
LQ Regio LQ Soort-
genoten

Traditionele industrie 493271 2531 163 158 180
Kapitaalsintensieve industrie 222507 861 123 143 167
Kennisintensieve industrie 240229 1522 202 145 237
Bouwnijverheid 485938 2195 144 116 100
Groothandel 499173 2039 130 81 97
Vervoer door de lucht 37611 30 25 6 0
Zeevaart 22152 0 0 1 117
Overig vervoer 191820 877 145 91 94
Kennisintensieve diensten 1167028 2520 69 44 62
Non-profit kantoorfuncties 357182 666 59 77 93
Non-profit voorzieningen 1441626 5242 120 87 127
Defensie/ militairen 53724 3 2 8 36
Personenvervoer 79847 170 68 68 83
Vrijetijdsactiviteiten 449824 800 57 77 81
Consumentendiensten 1042314 3729 114 96 117
Ambulante producentendiensten 204396 288 45 83 119
Landbouw 270188 970 114 160 53

Totaal (excl. Landbouw) 7258830 24443 107 92 110
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 15
Zowel in de regio als bij de soortgenoten valt de sterke vertegenwoordiging van een breed spectrum
van industriële sectoren op. Dat geldt voor alle drie onderscheiden segmenten. In Hoogeveen zijn met
name segmenten van de metaalindustrie sterk vertegenwoordigd (metaalproductenindustrie, machine-
industrie, vliegtuigindustrie) (zie tabel 3.2).
Distributie-activiteiten (groothandel en goederenvervoer over de weg) zijn in de regio en bij de soort-
genoten iets minder sterk vertegenwoordigd dan het nationaal gemiddelde. Hoogeveen profileert zich
daarbij in positieve zin, mede door de sterke groei in de laatste twee decennia. Hoogeveen kent een
sterke vertegenwoordiging van distributie-activiteiten als groothandel en goederenvervoer over de
weg, evenals van verzekeringsbedrijven.
Kennisintensieve diensten en non-profit kantoorfuncties zijn in Hoogeveen, in de Regio en onder
soortgenoten relatief matig vertegenwoordigd. Dat levert ook mede een verklaring voor de beperkte
omvang van de kantorenmarkt.
Voor non-profit voorzieningen en consumentendiensten scoort Hoogeveen iets boven het nationaal
gemiddelde, ruim boven het regiogemiddelde en ongeveer gelijk aan het gemiddelde voor de soortge-
noten. Hoogeveen vervult dus in lichte mate een regionaal verzorgende functie, onder andere via het
grote winkelapparaat. Dat geldt niet voor vrijetijdsactiviteiten, die overigens ook in de regio en onder
soortgenoten iets beneden het nationaal gemiddelde zijn vertegenwoordigd.
Thuiszorg is sterk vertegenwoordigd, maar daarbij gaat het zoals eerder vermeld om het vooral admi-
nistratief aan Hoogeveen toewijzen van mensen die in de regio werken.
In het algemeen kan worden gesteld dat dienstensectoren slechts zelden sterk zijn vertegenwoordigd
in het Stedelijk Netwerkgebied. Bij de groep soortgenoten is daar in wat meer gevallen sprake van.

Als algemeen profiel kan worden gesteld dat Hoogeveen wordt gekarakteriseerd door een sterke ver-
tegenwoordiging van industrie. Dat geldt overigens ook voor het Stedelijk Netwerkgebied als geheel
en voor de soortgenoten. Daarnaast echter heeft Hoogeveen een sterke positie in distributie-
activiteiten als groothandel en goederenvervoer over de weg (ook vergeleken met het regiogemiddel-
de en met de soortgenoten). De gunstige ligging in het wegennet is een belangrijke reden. Ook is een
groot deel van de uitgifte van bedrijventerreinen juist naar deze distributie-activiteiten gegaan (zie
hoofdstuk 6). En tenslotte vervult Hoogeveen in lichte mate een regionaal-verzorgende functie.


Tabel 3.2 Economisch profiel Hoogeveen en referentiegebieden, 67 sectoren, 2001
Economische sector Banen in
Nederland
Banen in
Hoogeveen
LQ Hooge-
veen
LQ
Regio
LQ Soort-
genoten

V&G industrie (niet-
kapitaalsintensief)
88065 297 107 113 102
Textiel, kleding, leer industrie 31572 36 36 192 124
Houtindustrie 24849 74 95 156
Drukkerijen 53477 145 86 124 146
Synthetische garen- en vezelin-
dustrie.
2825 0 1749 198
Metaalproductenindustrie 105985 715 215 142 124
Transportmiddelenindustrie
Excl. Auto/vliegtuig
41183 235 182 213 357
Sociale werkplaatsen 101575 862 270 178 285
Overige traditionele industrie 43740 167 121 141 152
Zoutwinning 2464 0 275
V&G industrie (kapitaalsintensief) 41915 130 99 120 207
Papierindustrie 22857 288 401 100 377
Olieraffinaderijen 5535 0
Chemie (ex basis en farmacie) 34939 51 46
Basischemie 18502 0
Kunststofverwerkende industrie 34603 327 301 449 180
Bouwmaterialenindustrie 35822 65 58 129 203
Basismetaalindustrie 25870 0
Farmaceutische industrie 21496 0 105
Machine-industrie 96604 664 219 130 358
Elektrotechnische industrie 105582 51 15 162 189
Auto- en vliegtuigindustrie 16547 807 1551 248
Bouwnijverheid 485938 2195 144 116 100
Groothandel in auto's 24288 241 316 103 122
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 16
Vervolg tabel 3.2
Economische sector Banen in
Nederland
Banen in
Hoogeveen
LQ Hooge-
veen
LQ
Regio
LQ Soort-
genoten
Groothandel 467567 1798 123
Veilingen land- en tuinbouw 7318 0
Vervoer door de lucht 24007 24 32
Diensten voor vervoer door de
lucht
13604 6 14
Zeevaart 8575 0 290
Diensten voor vervoer over water 13577 0
Goederenvervoer over de weg 123574 721 186 128 118
Binnenvaart 12956 13 32
Diensten voor vervoer over weg 55290 143 82
Delfstoffenwinning 4960 2 13 358 313
Uitgeverijen 40959 52 40
Telecommunicatie 51332 0
Bankwezen 167748 308 58
Verzekeringswezen 54081 458 269
Hulpbedrijven voor bankwezen 21861 20 29
Hulpbedrijven voor verzekerings-
wezen
44246 159 114
Handel in onroerend goed 68731 166 77 116
Computersoftwarebedrijven 149409 230 49
Research & Development 36953 15 13
Kennisintensieve zakelijke dien-
sten
436766 939 69
Media 21315 17 25
Overige zakelijke diensten 68667 154 71
Openbaar nutsbedrijven 28973 126 138
Openbaar bestuur 284349 457 51 100
Belangenorganisaties 43860 83 60
Openbare veiligheidsdiensten 73750 265 114
Onderwijs 435147 1516 111 120
Gezondheids- en welzijnszorg 854544 2340 87 132
Defensie/ militairen 53724 3 2
Personenvervoer 79847 170 68
Horecasector 297239 570 61
Reisbureaus 23897 29 39
Amusement, cultuur, sport 128688 201 50
Hoveniersbedrijven 16942 9 17
Detailhandel en reparatie auto's 124177 536 137 101 125
Detailhandel 690591 2409 111 121
Postdiensten 69331 191 88 114
Verhuurbedrijven 33729 102 96
Milieudienstverlening 22087 199 287 101
Overige consumentendiensten 85457 283 105 101 107
Ambulante producentendiensten 204396 288 45 119
Thuiszorg 78185 1121 456 220 157
Landbouw 270188 970 114. 160 53

Totaal (excl. Landbouw) 7258830 24443 107 92 110
Bron: LISA-bestand, m.u.v. land- en tuinbouw (CBS Landbouwtelling mei 2000)
Toelichting: De tabel toont relatieve vertegenwoordigingen voor een gedetailleerde indeling naar economische
sectoren. De sectoren verschillen sterk in omvang (zie de kolom ‘banen in Nederland’). Weergegeven voor
Hoogeveen zijn alle locatiequotiënten (LQ: arbeidsplaatsen per inwoner tussen 20 en 65 jaar als index ten opzich-
te van het nationaal gemiddelde, dat op honderd is gesteld). Ten behoeve van de overzichtelijkheid zijn voor de
regio en de soortgenoten de relatief sterke vertegenwoordigingen weergegeven en de locatiequotiënten met een
waarde van 150 of meer grijs gearceerd.


3.2 Economisch profiel per gemeente in het Stedelijk Netwerkgebied

Voor de zes gemeenten die deel uitmaken van het Stedelijk Netwerk Zuid-Drenthe is de relatieve ver-
tegenwoordiging van de 16 clusters van economische activiteiten nagegaan (tabel 3.3).

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 17

Tabel 3.3 Economisch profiel zes gemeenten Stedelijk Netwerkgebied, 2001
Cluster van economische acti-
viteiten
Coevor-
den
Emmen Harden-
berg
Hooge-
veen
Meppel Steen-
wijk

Traditionele industrie 150 174 104 163 246 124
Kapitaalsintensieve industrie 168 109 250 123 115 111
Kennisintensieve industrie 91 222 58 202 105 65
Bouwnijverheid 97 128 100 144 132 73
Groothandel 57 54 53 130 227 39
Vervoer door de lucht 0 6 1 25 0 0
Zeevaart 0 0 0 0 7 2
Overig vervoer 147 68 77 145 92 55
Kennisintensieve diensten 39 42 30 69 63 29
Non-profit kantoorfuncties 54 92 43 59 158 64
Non-profit voorzieningen 49 96 73 116 120 57
Defensie / militairen 0 0 0 2 84 0 *)
Personenvervoer 134 79 29 68 64 40
Vrijetijdsactiviteiten 119 54 99 57 79 96
Consumentendiensten 75 95 97 114 104 86
Ambulante producentendiensten 243 87 38 45 122 11
Landbouw 219 133 249 114 51 202

Totaal (excl landbouw) 86 92 81 107 119 69
Toelichting: Weergegeven is de locatiequotiënt: het aantal banen per duizend inwoners van 20 tot 65 jaar, als
index ten opzichte van het nationaal gemiddelde dat op honderd is gesteld.
*) De kazerne in Steenwijk is een aantal jaren geleden opgeheven.

Zowel traditionele als kennisintensieve industrie is in alle gemeenten sterker vertegenwoordigd dan
het nationaal gemiddelde. Voor vier van de zes gemeenten geldt dat ook voor kennisintensieve indu-
strie. Dat houdt in dat hierin een duidelijke kracht ligt van de regio, maar ook dat hier onderlinge con-
currentie op de loer ligt. Binnen de industrie kent Hoogeveen samen met Emmen het sterkste profiel in
kennisintensieve industrie.
Sterke specialisaties in distributie-activiteiten treden minder op. Hoogeveen deelt daarin een sterke
positie met Meppel voor groothandel en een sterke positie voor overige vervoer (voornamelijk goede-
renvervoer over de weg) met Coevorden.
De meeste gemeenten scoren matig op kantoorverwante activiteiten. Slechts Meppel haalt een hoge
score op non-profit kantoorfuncties (met name door de vestiging van een grote ziektekostenverzeke-
raar).
Non-profit voorzieningen en consumentendiensten zijn relatief sterk vertegenwoordigd in Hoogeveen
en Meppel. De matige positie van de gemeente Emmen hangt overigens vooral samen met het grote
deel landelijk gebied binnen de gemeente. De kern Emmen scoort goed, maar heeft het ‘verzorgings-
gebied’ als het ware al binnen de gemeentegrenzen, terwijl het verzorgingsgebied van Hoogeveen en
Meppel voor een deel buiten hun gemeentegrenzen ligt. Vrijetijdsactiviteiten zijn vrij sterk vertegen-
woordigd in Coevorden. Hardenberg scoort op het gebied van vrijetijdsactiviteiten en consumenten-
diensten bijna conform het nationaal gemiddelde. De regio scoort wat lager dan wellicht verwacht.
Steenwijk scoort in het totaal lager dan de andere gemeenten. Voor een belangrijk deel is dit te verkla-
ren uit het geringe aantal inwoners in de kern en het grote gemeentelijk grondgebied en uit het feit dat
Steenwijk voor Zwolle en Heerenveen als suburbanisatiekern functioneert.

Uit het totaal van de locatiequotiënten blijkt dat Meppel en Hoogeveen iets hoger scoren dan het Ne-
derlandse gemiddelde (=100) en dus als een stabiel gebied kunnen worden gerekend aangemerkt,
terwijl Emmen, Coevorden en Hardenberg veel meer als onderdrukgebied moeten worden getypeerd.

Ter toelichting op deze laatste conclusie nog het volgende:
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 18

Typologie van Gebieden

We maken een onderscheid in een drietal gebieden:
a gebieden met een grote overdruk
b gebieden met een stabiele druk
c gebieden met een onderdruk





















































weerslag leidt soms tot verval
Figuur 6a: gebieden met een grote overdruk
maatschappelijke
ontwikkelingen
ruimtelijke behoefte (kwantitatief
& kwalitatief)
ruimtelijke vraag
(= effectieve vraag)
neerslag = toevoeging
voorraad bouwwerken
veranderingen
weerslag
maatschappelijke
ontwikkelingen
ruimtelijke behoefte (kwalitatief) ruimtelijke vraag

neerslag = transformatie
voorraad bouwwerken
Figuur 6b: gebieden met een stabiele druk
weerslag
veranderingen
maatschappelijke
ontwikkelingen
ruimtelijke behoefte ruimtelijke vraag
neerslag = vaak leegstand
met eventueel sloop
Figuur 6c: gebieden met een onderdruk
veranderingen
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 19

Deze drie typen leveren ook een drietal modellen op in de sfeer van aanbod- en vraagplanologie.
Bij het eerste model zijn de maatschappelijke ontwikkelingen van dien aard dat er sprake is van ruim-
telijke behoefte – zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin - waardoor een druk op de woning– en
gebouwenmarkt ontstaat. De effectieve vraag is vaak kleiner en dat leidt tot het realiseren van bouw-
werken die toegevoegd worden aan de bestaande voorraad. Deze ‘neerslag’ beïnvloedt op zijn beurt
maatschappelijke ontwikkelingen en de ruimtelijke behoefte; een cyclisch proces met divergerende
ruimtelijke consequenties op de vorm van bijvoorbeeld suburbanisatie. In dit eerste model functioneert
de aanbodplanologie en het betreft vaak de Randstad of de centralezones in Nederland. Het traditio-
neel ruimtelijke ordeningsinstrumentarium, met onder meer bestemmingsplannen, is vanuit deze in-
valshoek ontwikkeld en kan in die situaties nog steeds effectief zijn (zie figuur 6a)
In model II is er sprake van een grote ruimtelijke kwalitatieve behoefte. Theoretisch zou daarbij voor
iedere nieuwe woning of nieuw kantoorgebouw, een oud gebouw gesloopt moeten worden. In de prak-
tijk ontstaat er een proces waarbij het oude gebouw gevuld wordt met andere (minder kapitaalkrachti-
ge) functies. Dit leidt ook tot ruimtelijke veranderingen. Alleen is er sprake van een evenwicht in de
vraag- en aanbodsituatie en de gebouwde omgeving transformeert geleidelijker. Behoefte aan nieuwe
gebouwen ontstaat vooral vanuit verplaatsingsbehoeften uit de regio. Er wordt uiteindelijk qua volume
evenveel gebouwd als er gesloopt moet worden, maar het accent ligt in de verbetering van kwaliteit..
Grote delen van Nederland buiten de Centrale Zone (Randstad, Brabantse Stedenrij en Arn-
hem/Nijmegen) kunnen onder dit tweede model worden gebracht. Men kan dit model typeren als
vraagplanologie in stabiele of intermediaire zones. Men kan nog steeds de traditionele ruimtelijke or-
deningsinstrumentarium gebruiken, maar men moet de dynamiek opsporen en de initiatieven koeste-
ren en bundelen…….
Daarmee komen we bij het derde model, waarin sprake is van een stagnatie in de regio. De economi-
sche perspectieven zien er niet goed uit en de maatschappelijk ontwikkelingen werken negatief uit op
de omgeving. De werkloosheid is structureel en er is sprake van leegloop van de bevolking. De gevol-
gen zijn ruimtelijk te zien, er ontstaat leegstand in de bebouwingen en verwaarlozingen van de gebie-
den. In uiterste situatie leiden dit soort processen tot een neergang: verval en sloop van de bebouwing
en verbrokkeling van de structuur van de samenleving en haar gebouwde omgeving. Deze situatie
van stagnatie vindt in Nederland plaats met name in wat men vroeger de ‘perifere gebieden’ noemde.
Onderdrukgebieden vinden wij in de Kop van Noord-Holland, Zeeuws-Vlaanderen, delen van Fries-
land, Groningen, Drenthe, Overijssel en Zuid-Limburg.
Uit: De Stad als Uitdaging
Yap Hong Seng, sept. 2000







Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 20

4 MOGELIJKE ONTWIKKELINGEN PRODUCTIESTRUCTUUR 2001-2030


In dit hoofdstuk worden mogelijke toekomstige ontwikkelingen geschetst van de economie van
Hoogeveen. Hoogeveen wordt hierbij allereerst in de bredere context van het Stedelijk Netwerk bezien
(paragraaf 4.1). In paragraaf 4.2. worden vervolgens de beleidsintenties voor de regio beschreven.
Daarna worden te verwachten ontwikkelingen harder gemaakt aan de hand van prognoses voor werk-
gelegenheidsontwikkelingen op basis van verschillende scenario’s tot 2030 (paragraaf 4.3). Daarbij
wordt uitgegaan van een autonome ontwikkeling. Hierbij is dus geen sprake van ingrijpende nieuwe
beleidsmaatregelen. In paragraaf 4.4 worden de consequenties doorgerekend van een situatie waarbij
sprake is van een sterkere groei van het aantal inwoners. Daarbij zijn twee scenario’s onderscheiden.


4.1 Hoogeveen in het Stedelijk Netwerk Zuid-Drenthe

Hoogeveen maakt deel uit van het Stedelijk Netwerk Zuid-Drenthe. Deze regio heeft een westelijke
driehoek (Hoogeveen, Meppel en Steenwijk) waar de druk op de ruimte merkbaar hoger wordt, en de
‘overloop’ vanuit de Randstad via Zwolle op het gebied afkomt, zij het in lichte mate. In de oostelijke
driehoek (Hoogeveen, Emmen, Coevorden en Hardenberg) is meer sprake van een onderdruk situa-
tie. Hoogeveen maakt dus deel uit van beide driehoeken en fungeert als een scharnierpunt. De dyna-
miek in Hoogeveen lijkt op die van een ‘stabiele zone’.





4.2 Beleidsintenties

Relevante plannen en beleidsvoornemens voor Hoogeveen en de omliggende regio zijn onder meer
het ‘Kompas voor het Noorden’, het Provinciaal Omgevingsplan van Drenthe en de ambitie die zijn
geformuleerd voor het Stedelijk Netwerk Zuid-Drenthe.


Kompas voor het Noorden
In het ‘Kompas van het Noorden’ hebben de noordelijke overheden een inhoudelijke koers uitgezet
om te werken aan een economisch gezond, leefbaar en aantrekkelijk Noord-Nederland. Om die sa-
menhang ook in de uitvoering te bewaken is een groot aantal bestaande subsidiebronnen (zoals
EZ/Kompasmiddelen, Leader +, Doelstelling 2 en 3 middelen, etc.) onder de paraplu van Kompas
gebracht. Voor de uitvoering hebben de noordelijke provincies een gezamenlijke Kompas-
uitvoeringsapparaat ingesteld.

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 21
De extra investeringen in de ruimtelijk-economische structuur zoals die op basis van het Kompaspro-
gramma worden ingezet, moeten het vestigingsklimaat bevorderen. Op die manier moeten investe-
ringen bijdragen aan het ontstaan van een ontwikkelingsas en aan het inlopen van de werkgelegen-
heidsachterstand. Het Kompas voor de Toekomst bevat een integrale ontwikkelingsstrategie voor
Noord-Nederland voor de periode 2000-2010, tegen de achtergrond van een visie op de (in-
ter)nationale ruimtelijke ontwikkeling voor de periode tot 2030.

De ontwikkelingsstrategie is nader uitgewerkt in drie deelprogramma’s:
1. de ontwikkeling van economische kernzones en de versterking van de marktsector
Hoogeveen behoort tot de economische kernzone (Zwolle)-Meppel-Hoogeveen-Coevorden/Em-
men. De volgende thema’s vallen onder dit deelprogramma:
- verbetering van de vestigingsvoorwaarden ten behoeve van bestaande en nieuwe bedrijvig-
heid
- versterking van de marksector in Noord-Nederland
- versterking van het arbeidsaanbod in Noord-Nederland
- optimalisering internationale transportassen en verbetering van bereikbaarheid
2. de ontwikkeling van stedelijke centra
Voor het deelprogramma stedelijke centra wordt een onderscheid gemaakt in de prioritaire VI-
NEX/VINAC-steden Groningen, Assen, Leeuwarden en Emmen en in overige steden in de eco-
nomische kernzone waartoe Hoogeveen behoort samen met nog 12 andere steden. Uitwerking
van de diverse maatregelen zal voor deze steden naar aard en omvang verschillen van plaats tot
plaats. De volgende thema’s worden onderscheiden:
- vroegtijdige ontwikkeling van stadslandschappen voor wonen en werken
- bestaande werkgebieden in de stedelijke centra op peil houden en versterken
- versterking stedelijke voorzieningen en een kwaliteitsimpuls voor binnensteden
- versterking hoger onderwijs en aanwezige kennis productief maken
- bereikbaarheid van de (binnen)steden waarborgen
3. de ontwikkeling van het landelijk gebied
Voor het deelprogramma landelijk gebied gelden als belangrijke speerpunten: verbreding, verster-
king en vernieuwing van de landbouwsector, verbetering van de regionale economie, leefbaarheid
en omgevingskwaliteit, instandhouding en ontwikkeling van de woonfunctie en voorzieningen, ver-
sterking van toerisme en recreatie


Provinciaal Omgevingsplan Drenthe (POP)
Het POP Drenthe bevat een strategische samenhangende visie op de ontwikkeling van de fysieke
leefomgeving op de korte, middellange en lange termijn. Het POP treedt formeel juridisch in de plaats
van het Provinciaal Milieubeleidsplan, het provinciaal waterhuishoudingsplan en het Streekplan Dren-
the. Het vigerende POP wordt momenteel herzien. In het POP is als doelstelling voor het gebied
Zuidmidden Drenthe, waaronder de gemeente Hoogeveen valt, geformuleerd:

‘De regionale centrumpositie van Hoogeveen wordt uitgebouwd. In de regiovisie Zuid-Drenthe en
Noord-Overijssel heeft Hoogeveen de positie van stedelijk netwerk gekregen naast Emmen en Zwolle.
Bedrijvigheid en wonen worden zoveel mogelijk hier geconcentreerd. Voor het beekdal van de Reest
staat behoud en versterking van de natuurwaarden voorop. Voor het beekdal van het Oude Diep
wordt gestreefd naar een verbrede ontwikkeling waarbij landbouw, natuur, landschap en recreatie
elkaar wederzijds ondersteunen. In het overig deel van het landelijk gebeid blijft de landbouw de be-
langrijkste economische factor; wel moet hier rekening worden gehouden met landschap en cultuur-
historie. In het Gouden Hart worden recreatie en toerisme verder ontwikkeld.’

Specifiek voor de gemeente Hoogeveen bevat het POP voorts tal van uitspraken over de koers van de
ontwikkeling van het stedelijk en landelijk gebied en geeft het criteria waaraan eventuele ontwikkelin-
gen door de provincie getoetst zullen worden.


Stedelijk Netwerk Zuid-Drenthe
De gemeente Hoogeveen maakt deel uit van het Stedelijk Netwerk Zuid-Drenthe, evenals de gemeen-
ten Emmen, Coevorden, Hardenberg, Steenwijk en Meppel. De volgende ambities zijn geformuleerd
voor het stedelijk netwerk Zuid-Drenthe:

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 22
‘Het Regionaal Stedelijk Netwerk “Zuid-Drentse Stedenband” streeft ernaar om de regio verder te
ontwikkelen op basis van de eigen kwaliteiten en op basis van de schakelfunctie van de regio tussen
de Randstad en Noord-Nederland en Oost-Nederland en Duitsland. Ingezet wordt op een betere infra-
structurele ontsluiting van het gebied, het diversifiëren van de structuur van de economische bedrij-
vigheid, het versterken van de kwaliteiten van landschap, natuur en water, en het benutten daarvan
voor woonfuncties en recreatie en toerisme. Het is de ambitie om de economie te vitaliseren, de po-
tenties van de gebieden met grote druk op de ruimte op zorgvuldige wijze te ontwikkelen in nauwe
samenhang met de versterking van omgevingskwaliteiten, waardoor een evenwichtige ontwikkeling
van “groen/blauw” en “rood” vorm krijgt’.

4.3 Ontwikkeling werkgelegenheid tot 2030 volgens drie scenario’s

De ontwikkeling, naar aantal en aard, van economische activiteiten is mede bepalend voor ontwikke-
lingen op de arbeidsmarkt en voor ruimtelijke en verkeers- en vervoersvraagstukken. Zo zal de eco-
nomische ontwikkeling vraag naar ruimte met zich meebrengen en zullen mogelijk aanpassingen in de
infrastructuur nodig worden.

Om tot werkgelegenheidsprognoses voor Hoogeveen, de regio en de soortgenoten te komen is uitge-
gaan van de drie Lange Termijn scenario’s van het Centraal Planbureau. Het gaat hierbij om zoge-
naamde ‘omgevingsscenario’s’, waarbij trends op velerlei terreinen, waaronder demografische en
economische ontwikkelingen, zijn gecombineerd tot een toekomstbeeld. Divided Europe (DE) is een
scenario van een stagnerende economische ontwikkeling. In Global Competition (GC) is juist sprake
van zeer hoge economische groei. European Coordination (EC) is het middenscenario, hoewel het
dichter ligt bij Global Competition dan bij Divided Europe.
Daarnaast is uitgegaan van de recente PRIMOS-prognoses (PRIMOS 2002) voor de bevolkingsont-
wikkeling. Volgens dit prognosemodel zal het aantal inwoners in Hoogeveen toenemen met 0.2% per
jaar tot 2015 (van 52.8 duizend inwoners in 2001 tot 54.7 duizend inwoners in 2015) en in de periode
2015-2030 met nog eens 300 personen. Voor Nederland als geheel bedragen de gemiddelde jaarlijk-
se groeicijfers voor 2001-2015 en 2015-2030 respectievelijk 0.5 en 0.3%. Hoogeveen blijft daar dus
iets bij achter, met een zelfde percentage als in de afgelopen twintig jaar. Deze groei naar 55.000
inwoners per 2030 zal verder worden aangeduid als het ‘PRIMOS scenario’. De regio en de soortge-
noten groeien ongeveer in hetzelfde tempo als het nationaal gemiddelde.

Om de ontwikkeling van het aantal arbeidsplaatsen te bepalen is een prognosemodel opgesteld. De
hoofdlijnen van het prognosemodel worden hier besproken.
Allereerst is ten behoeve van het prognosemodel een zogenaamd ‘differentieel effect’ bepaald voor
ontwikkelingen in het verleden (1973-2000). In tabel 4.1 is dit ‘differentieel effect’ weergegeven. Bij het
bepalen van een differentieel effect wordt eerst berekend hoe hoog binnen een brede economische
sector de groei in een gebied zou zijn indien voor elke deelsector binnen die brede sector de procen-
tuele ontwikkeling gelijk zou zijn geweest aan de nationale groei voor die sector in de periode 1973-
2000; het zogenaamde ‘structuur effect’. Het verschil tussen de feitelijk gerealiseerde groei in een
gebied en het structuur effect voor dat gebied is het ‘differentieel effect’. Het geeft aan of een gebied,
na correctie voor de sectorstructuur, relatief goed of slecht heeft gescoord in de beschouwde periode.
In de tabel is dit differentieel effect weergegeven voor alle gemeenten die in de regio vallen of tot de
soortgenoten zijn gerekend (het ‘relevante referentiegebied’). Weergegeven is de groei in procenten
per jaar, in afwijking van het nationaal gemiddelde. Daarnaast is de prestatie van Hoogeveen bepaald
op exact dezelfde wijze, maar deze keer niet ten opzichte van het nationaal gemiddelde, maar ten
opzichte van het gemiddelde voor het relevante referentiegebied.

Tabel 4.1 Relatieve prestaties Hoogeveen en relevant referentiegebied
Brede economische
sector
Differentieel effect relevante referen-
tiegroep t.o.v. Nederland (% per jaar)
Differentieel effect Hoogeveen ten opzichte
van relevante referentiegroep(% per jaar)

Landbouw -0.4 0.3
Industrie 0.2 -0.5
Bouwnijverheid -0.5 0.5
Distributie 0.6 1.9
Kennisdiensten 0.6 1.7
Non-profit 0.0 -0.5
Consumentendiensten 0.3 -0.3
Toelichting: Relevante referentiegroep is groep gemeenten die behoort tot regio of soortgenoten.
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 23
In het kort komt de methodiek voor het prognosemodel vervolgens op het volgende neer:
• Er is een onderscheid gemaakt in 39 economische sectoren. Eerst is nagegaan welke groei zou
resulteren indien het aantal arbeidsplaatsen in elke economische sector zich volgens deze groei
zou ontwikkelen.
• Voor zeven brede economische sectoren, elk bestaande uit een aantal van de 39 onderscheiden
economische sectoren, is nagegaan hoe de werkgelegenheidsontwikkeling geweest is in het ver-
leden (de periode van ultimo 1973 tot en met ultimo 2000). Nagegaan is of relatief goed of slecht
is gepresteerd in vergelijking tot het nationaal gemiddelde. Daarbij is voor Hoogeveen in eerste in-
stantie niet de prestatie van de gemeente zelf centraal gesteld, maar de gemiddelde prestatie van
de relevante referentiegroep van Hoogeveen. Een betere of slechtere prestatie van deze groep
wordt doorgetrokken naar de toekomst. Dat is gedaan met behulp van de differentieel effecten
voor de relevante referentiegroep uit tabel 4.1. Indien Hoogeveen voor een bepaalde economi-
sche sector in het verleden duidelijk beter of slechter heeft gepresteerd dan de regio en de soort-
genoten, dan wordt dit effect ook doorgetrokken naar de toekomst. Dat is alleen gedaan indien er
sprake was van een duidelijke afwijking van het groepsgemiddelde. Anders kan sprake zijn ge-
weest van toeval en wordt het gemiddelde van de referentiegroep als een meer structurele factor
voor de concurrentiekracht van een plaats als Hoogeveen beschouwd.
Voor vijf van de zeven brede economische sectoren blijkt het differentieel effect van Hoogeveen
ten opzichte van de relevante referentiegroep een half procent per jaar of minder te zijn. Voor die
economische sectoren wordt het groepsgemiddelde representatief geacht. Voor twee brede eco-
nomische sectoren is het differentieel effect voor Hoogeveen aanzienlijk hoger. Aldus is aan dis-
tributie-activiteiten in Hoogeveen een extra groei van 1.5% per jaar toegekend. Hier lijken structu-
rele kenmerken van het productiemilieu een belangrijke rol te spelen. Hoogeveen ligt zeer gunstig
in het wegennet (langs de A28) en zal de positie mogelijk nog zien versterken na het doortrekken
van de A37, waardoor niet alleen in noord-zuid richting, maar ook in west-oost richting de ligging
vergeleken met veel van de ‘soortgenoten’ uitstekend is. Ook voor kennisdiensten heeft Hooge-
veen in de periode 1973-2000 een hoge procentuele groei gekend. Dat was echter vanaf een zeer
lage basis in 1973. Bovendien is de groei in de jaren negentig niet meer hoger dan het nationaal
gemiddelde. Voor kennisdiensten is daarom geen extra groei verondersteld voor de toekomstige
ontwikkeling. Wel is in hoofdstuk 5 een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd voor de extra vraag naar
kantoorruimte indien die hoger dan gemiddelde groei toch gerealiseerd zou worden.
• Tenslotte is het effect van de bevolkingsontwikkeling op de werkgelegenheidsontwikkeling be-
paald. Dat is voor elk van de zeven brede economische sectoren gebeurd (met binnen de distribu-
tie-activiteiten bovendien een onderscheid tussen groothandel en transport). Economische secto-
ren reageren (op lange termijn beschouwd) op uiteenlopende wijze op groei van het aantal inwo-
ners. Niet alleen de koopkrachtige vraag die uitgaat van nieuwe inwoners is daarbij bepalend,
maar ook het feit dat met groei van het aantal inwoners het aantal arbeidskrachten toeneemt. In
paragraaf 4.4 zijn de parameterwaarden en nog een nadere toelichting opgenomen. In tabel 4.4 in
paragraaf 4.4 staat per sector het effect van groei van het aantal inwoners op het aantal arbeids-
krachten.

Een resultaat van het prognosemodel, de ontwikkeling van het totaal aantal arbeidsplaatsen, onder-
scheiden naar twee tijdsperioden en drie macro-economische scenario’s, is weergegeven in tabel 4.2.
Daarin staat de ontwikkeling volgens het PRIMOS scenario (bevolkingsgroei naar 55.000 in 2030).

Tabel 4.2 Ontwikkeling arbeidsplaatsen 2001-2030 volgens drie CPB-scenario’s
Hoogeveen Nederland Regio Soortgenoten
Groei in procenten per jaar
Inwoners (PRIMOS)
2001-2015 0.2 0.5 0.5 0.6
2015-2030 0.0 0.3 0.3 0.3

Arbeidsplaatsen
DE 2001-2015 0.3 0.3 0.3 0.6
DE 2015-2030 0.1 0.0 0.1 0.4

EC 2001-2015 1.0 0.9 1.0 1.2
EC 2015-2030 0.3 0.2 0.3 0.6

GC 2001-2015 1.2 1.1 1.3 1.5
GC 2015-2030 0.3 0.2 0.4 0.7

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 24
Het aantal arbeidsplaatsen in Hoogeveen zal vrijwel exact volgens het nationaal gemiddelde toene-
men. Dat terwijl de ontwikkeling van het aantal inwoners volgens dit scenario achterblijft bij de natio-
nale trend. Het aantal arbeidsplaatsen per inwoner ontwikkelt zich dus gunstig. Dat kan gepaard gaan
met een relatief gunstige ontwikkeling van de werkloosheid en/of een relatief sterke toename van de
participatie op de arbeidsmarkt en/of van een toenemend pendelsaldo.
Gemeten naar de ontwikkeling van het aantal arbeidsplaatsen zullen Hoogeveen en het Stedelijk
Netwerkgebied als geheel in vrijwel dezelfde mate groeien. Gemeten naar het aantal inwoners groeit
de regio naar verwachting wat sterker.
Zowel de groei van het aantal inwoners als de groei van het aantal arbeidsplaatsen blijft naar ver-
wachting ongeveer 0.3% per jaar achter bij het gemiddelde van de soortgenoten (d.i. ongeveer 150
inwoners en 75 arbeidsplaatsen per jaar). Bij het vaststellen van een ambitieniveau om hogere groei
te realiseren lijken de prestaties van de soortgenoten in ieder geval een goed richtpunt te vormen. Dat
correspondeert met een aantal inwoners van 60.000 (in plaats van de 55.000 uit het PRIMOS model)
in 2030. Dat komt exact overeen met de taakstelling vanuit het POP. De groei naar 60.000 inwoners in
2030 zal daarom worden aangeduid als het ‘POP scenario’ (zie paragraaf 4.4).

De ontwikkeling van het aantal arbeidsplaatsen, onderscheiden naar zeven brede economische secto-
ren volgens het PRIMOS scenario en het European Coordination scenario voor de macro-
economische ontwikkeling, staat in tabel 4.3.


Tabel 4.3 Ontwikkeling arbeidsplaatsen per sector, European Coordination tot 2030
Hoogeveen Nederland Regio Soortgenoten

2001-2015
Landbouw -1.3 -0.9 -1.2 -1.1
Industrie -0.6 -0.6 -0.2 -0.3
Bouwnijverheid -0.4 0.3 -0.3 -0.1
Distributie 2.9 0.8 1.8 1.6
Kennisdiensten 2.3 1.9 2.6 2.8
Non-profit 1.0 1.2 1.2 1.5
Consumentendiensten 0.8 0.7 1.0 1.2

2015-2030
Landbouw -1.5 -1.0 -1.3 -1.3
Industrie -2.0 -2.0 -1.6 -1.7
Bouwnijverheid -1.0 -0.4 -0.9 -0.8
Distributie 1.5 -0.5 0.4 0.2
Kennisdiensten 1.4 0.9 1.6 1.8
Non-profit 1.0 1.1 1.2 1.5
Consumentendiensten -0.5 -0.4 -0.1 0.1


Conform de trends uit het verleden zal het aantal arbeidsplaatsen bij distributie-activiteiten (groothan-
del en transport) relatief sterk toenemen. Ook het aantal arbeidsplaatsen in kennisdiensten (globaal
gezien de commerciële kantorensector) neemt toe, maar dat geldt ook voor Nederland totaal. Boven-
dien is de groei in de regio en met name onder soortgenoten nog iets hoger.
Ten opzichte van de soortgenoten is de verwachte groei in Hoogeveen in de meeste sectoren wat
lager. Er lijken dus nog mogelijkheden tot verbetering, met name indien er in wordt geslaagd om een
hogere groei van het aantal inwoners te realiseren dan volgens het PRIMOS-model voorzien.


4.4 Een groeiscenario: extra groei van het aantal inwoners

Wat zou er gebeuren indien Hoogeveen zou doorgroeien naar een stad met meer dan 55.000 inwo-
ners in 2030? Die consequenties zijn er wat betreft de omvang en aard van de extra werkgelegenheid,
wat betreft de extra vraag naar bedrijventerreinen en wat betreft de extra vraag naar kantoorruimte. In
de offertevraag werd voor deze rekenexercitie een bevolkingsomvang van 85.000 gesuggereerd. De
waarschijnlijkheid dat Hoogeveen uit zal groeien naar een stad met 85.000 inwoners moet echter zeer
gering worden geacht. Daarvoor zou een gemiddelde groei van 1.8% per jaar nodig zijn. In de periode
1973-2000 is er in Noordoost-Nederland geen enkele gemeente geweest met een dergelijke omvang-
rijke procentuele groei. Er is daarom voor gekozen van twee meer gematigde groeiscenario’s uit te
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 25
gaan. Ten eerste een groei naar 60.000 inwoners in 2030 (het POP scenario). Dat wordt gerealiseerd
wanneer de gemiddelde bevolkingsgroei van de soortgenoten zou worden gehaald. En ten tweede
een groei naar 70.000 inwoners in 2030 (het ‘ambitieuze scenario’). Daartoe is in alle jaren tot en met
2030 nog steeds een extra groei van het aantal inwoners van respectievelijk 0.3% (60.000 inwoners
scenario) en 0,9% (70.000 inwoners scenario) boven de PRIMOS-prognose nodig. Het gaat hierbij
nadrukkelijk om een scenario, waarbij de mogelijke consequenties van extra bevolkingsgroei worden
doorgerekend. Over het realiteitsgehalte wordt verder geen uitspraak gedaan. In ieder geval zal
Hoogeveen zich op een of andere wijze in positieve zin moeten kunnen profileren ten opzichte van
andere gemeenten in de omgeving, met name bij het 70.000 inwoners scenario.
Voordat de resultaten worden besproken, wordt eerst ingegaan op de gevoeligheid van de verschil-
lende brede economische sectoren voor een extra groei van het aantal inwoners. Daartoe is berekend
met hoeveel procent extra het aantal banen zal toenemen bij een extra groei van 1%. Deze ‘elasticitei-
ten’ staan in tabel 4.4. Voor distributie-activiteiten is een onderscheid gemaakt tussen groothandel en
transport.


Tabel 4.4 Effect op werkgelegenheidsgroei van extra bevolkingsgroei
Brede economische sector Effect van 1% groei van de bevolking

Landbouw 0
Bouwnijverheid 0.5
Industrie 0.75
Distributie
Waarvan: Groothandel 1.15
Waarvan: Transport 0.5
Kennisdiensten 1.1
Non-profit sector 1.15
Consumentendiensten 1.1


De elasticiteiten verschillen sterk tussen de economische sectoren. Voor landbouw is niet bevolking
maar beschikbaarheid van land de bepalende factor. Voor industrie, transport en in mindere mate
bouwnijverheid geldt dat een toename van het aantal inwoners wel gepaard gaat met een groei van
het aantal banen, maar minder dan evenredig. Deze sectoren zijn slechts beperkt op de lokale markt
gericht en profiteren dus nauwelijks van de extra koopkracht. Wel is sprake van een licht effect van
het grotere aantal arbeidskrachten en zal groei bij de andere sectoren een licht effect hebben (via
relaties van toeleveren en uitbesteden).
Voor een aantal dienstensectoren geldt dat zij in lichte mate meer dan evenredig groeien bij een toe-
name van het aantal inwoners. Daaraan kunnen verschillende redenen ten grondslag liggen. Ten eer-
ste geldt in het algemeen dat dienstensectoren belangrijker worden in de lokale economie naarmate
een plaats groter wordt. Dit staat bekend als de ‘centrale plaatsen theorie’. Naarmate een plaats gro-
ter wordt, zullen er zich steeds meer diensten vestigen die een bovenlokaal verzorgingsgebied heb-
ben. Daarnaast geldt in het algemeen dat gemeenten met een hoge bevolkingsgroei ook een kwalita-
tieve impuls zullen ondergaan. Indien een plaats aantrekkelijk is om te wonen, zullen er in relatief
sterke mate welgestelden naar toe verhuizen. Zij leveren meer dan gemiddelde koopkracht, iets waar
bijvoorbeeld consumentendiensten van profiteren. Ook gaat het vaak om mensen met een meer dan
gemiddeld opleidingsniveau. Dat is voor sectoren als kennisdiensten en de non-profit sector een gun-
stige vestigingsvoorwaarde.

De resultaten van het POP-scenario (60.000 inwoners scenario) en het ambitieuze scenario (70.000
inwoners scenario) zijn cijfermatig samengevat in tabel 4.5 (absolute aantallen) en 4.6 (groeicijfers).
Daarin is ook een vergelijking gemaakt met het PRIMOS-scenario (55.000 inwoners scenario).
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 26

Tabel 4.5 Kengetallen voor drie scenario’s voor bevolkingsontwikkeling
Brede economische sector PRIMOS scenario POP scenario Ambitieuze scenario
2001 2015 2030 2015 2030 2015 2030

Bedrijventerreinen (hectares) 310.6 410.7 481.1 424.1 518.1 453.8 599.7
Kantoorruimte (m2 * 1000) 61.6 82.6 100.5 86.3 110.0 94.1 132.1

Arbeidsplaatsen (* 1000)
Totaal 25.4 29.1 30.4 30.3 33.2 32.9 39.5
Landbouw 1.0 0.8 0.6 0.8 0.6 0.8 0.6
Industrie 4.8 4.4 3.3 4.5 3.4 4.7 3.7
Bouwnijverheid 1.8 1.7 1.4 1.7 1.5 1.9 1.8
Distributie 2.4 3.6 4.5 3.8 4.9 4.1 5.8
Kennisdiensten 4.6 6.3 7.8 6.6 8.6 7.3 10.4
Non-profit 5.1 5.8 6.8 6.1 7.5 6.7 9.1
Consumentendiensten 5.8 6.5 6.0 6.8 6.7 7.5 8.1


Tabel 4.6 Ontwikkelingen per jaar voor drie scenario’s voor bevolkingsontwikkeling
PRIMOS scenario POP scenario Ambitieuze scenario
2001-2015 2015-2030 2001-2015 2015-2030 2001-2015 2015-2030

Bedrijventerreinen (hectares) 7.1 4.7 8.1 6.3 10.2 9.7
Kantoorruimte (m2 * 1000) 1500 1200 1800 1600 2300 2500
Arbeidsplaatsen 260 90 350 190 540 440
Arbeidsplaatsen (%) 1.0% 0.3% 1.3% 0.6% 1.9% 1.2|%


Op langere termijn beschouwd (2030) zal een extra groei met 15.000 inwoners (ambitieuze scenario)
uiteindelijk in 9.000 extra banen resulteren, in 120 hectare extra bedrijventerrein (gemiddeld 4 hectare
per jaar) en 30.000 vierkante meter kantoorruimte extra (gemiddeld 1000 vierkante meter per jaar). Bij
het wat gematigder groeiscenario tot 60.000 inwoners (POP scenario) ligt het aantal extra banen,
extra hectares en extra vierkante meters lager.
Het aandeel van kennisdiensten en de non-profit sector (de twee brede sectoren met het grootste
aandeel hoog opgeleiden) zal in 2030 in het ambitieuze scenario iets hoger zijn (49.4%; te berekenen
uit de tabel) dan in het PRIMOS scenario (48.0%). Dit verschil is overigens relatief klein ten opzichte
van de ontwikkeling die dat aandeel ook al volgens het autonome scenario doormaakt (van 38% naar
48%). Wanneer dat niet resulteert in sterk toenemende inkomende pendel, dan zal in Hoogeveen ook
woningbouw in de duurdere segmenten aangeboden moeten gaan worden.

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 27
5 ONTWIKKELINGEN VAN DE KANTORENMARKT: VERLEDEN EN TOEKOMST


De dienstensector is een belangrijke pijler van de Nederlandse economie. Hoogeveen heeft verschil-
lende transformaties doorgemaakt - van veenontginning naar landbouw naar industrie naar logistieke
dienstverlening – waarbij de laatste omslag naar zakelijke- en non-profit dienstverlening nog slechts
voor een deel heeft plaats gevonden. De historische analyse (hoofdstuk 2) heeft een deel van dit
transformatieproces al laten zien. Hoogeveen is geen kantorenstad.
Steden als Zwolle, Groningen en ook Assen presteren aanzienlijk beter dan Hoogeveen. Grote spe-
lers op de kantorenmarkt richten zich vooral op die steden en ook iets meer op de soortgenoten.
Hoogeveen en de plaatsen waarmee Hoogeveen vergelijkbaar is, worden gekenmerkt door een kanto-
renmarkt waarin vooral het midden- en kleinbedrijf sterk is vertegenwoordigd. Overigens gaat het om
het algemene beeld. Dat betekent niet dat grote bedrijven per definitie ontbreken. Zo zijn er in Hooge-
veen bijvoorbeeld twee vrij grote verzekeringsbedrijven gevestigd.

In dit hoofdstuk wordt nagegaan welke vraag naar kantoorruimte verwacht kan worden. Dat gebeurt
door de prognoses voor de werkgelegenheid te ‘vertalen’ naar vierkante meters kantoorruimte. Daarbij
moet worden opgemerkt dat voor ‘kantoor’ hier de definitie van Bak wordt gehanteerd (zie R.L. Bak
2001, Kantorenatlas Nederland 2001). Onder een kantoorpand verstaat hij een gebouw dat groten-
deels in gebruik is of te gebruiken is voor bureaugebonden werkzaamheden en ondersteunende
werkzaamheden. Het kantoor is dus een ruimtelijk zelfstandige eenheid. Kantoren in fabriekscom-
plexen, bedrijfshallen, ziekenhuizen en universiteiten zijn daarom buiten beschouwing gelaten. Deze
ruimten worden niet tot de kantorenmarkt gerekend. Tevens wordt door Bak een minimumgrens van
600 vierkante meter bruto vloeroppervlak (bvo) gehanteerd.


5.1 Autonome vraag naar kantoorruimte tot 2030 volgens drie scenario’s

Om de vraag naar kantoorruimte te bepalen is allereerst via het in hoofdstuk 4 uiteengezette progno-
semodel het aantal te verwachten arbeidsplaatsen bepaald. Daarbij is een onderverdeling in 39 eco-
nomische sectoren gebruikt. Per economische sector is vervolgens het percentage bepaald van het
aantal werknemers dat in een kantoor werkt. En tenslotte is dit aantal werknemers vermenigvuldigd
met het gemiddeld voor die sector geldende aantal vierkante meters bvo. Het aldus berekende aantal
vierkante meters is vervolgens voor het basisjaar (2001) vergeleken met het feitelijk areaal aan kan-
toorruimte. Die ratio is ook gehanteerd om de prognoses bij te stellen.
Tenslotte is ook uitgegaan van een zekere mate van onttrekking van verlaten kantoorpanden aan de
voorraad. Er kan sprake zijn van sloop, maar ook van omvorming tot woningen. Per saldo zal nieuw-
bouw zowel plaatsvinden voor uitbreiding van bedrijvigheid als voor vervanging van de aan de voor-
raad onttrokken kantoorpanden. Er is uitgegaan van een onttrekkingspercentage van 0.3% per jaar
voor Divided Europe, 0.4% per jaar voor EC en 0.5% per jaar voor GC. Ook het Centraal Planbureau
hanteert onttrekkingspercentages van deze orde van grootte. Met hogere groei zal eerder verplaatsing
optreden en zal men zich gemiddeld ook kwalitatief hoogwaardiger kantoorpanden kunnen permitte-
ren. Om die reden zijn de onttrekkingspercentages in GC hoger dan in DE.


Tabel 5.1 Ontwikkeling kantoorruimte tot 2030 volgens drie scenario’s
Vierkante meters bvo per jaar Idem, per duizend inwoners 20-64 jr.
Hoogeveen Regio Soortgenoten Hoogeveen Regio Soortgenoten

DE 2001-2015 1100 5000 10400 35 25 54
EC 2001-2015 1500 6800 13800 48 35 71
GC 2001-2015 2000 9000 18000 64 46 93

DE 2015-2030 1000 5400 10800 33 27 55
EC 2015-2030 1200 6500 12200 40 33 62
GC 2015-2030 1800 8600 18600 59 43 94


Uit tabel 5.1 blijkt dat tot 2015 wordt uitgegaan van een uitgifte van gemiddeld 1500 vierkante meter
bvo per jaar volgens het middenscenario (EC). De economische ontwikkeling in de afgelopen jaren
kwam meer overeen met het hoge scenario (GC). Daarvoor wordt nieuwbouw van 2000 meter bvo
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 28
verwacht. Volgens gegevens van Bak is in de laatste tien jaar gemiddeld 1700 vierkante meter kan-
toorruimte per jaar gebouwd.
Verder blijkt dat, berekend per duizend inwoners, Hoogeveen iets meer kantoorruimte nodig heeft dan
het gemiddelde voor het Stedelijk Netwerkgebied. Vergeleken met de soortgenoten scoort Hoogeveen
ongeveer een derde minder. Een prestatie gelijk aan die van de soortgenoten zou resulteren in onge-
veer 2300 vierkante meter kantoorruimte per jaar (in het EC scenario).


5.2 Gevoeligheidsanalyses voor nieuwbouw van kantoorruimte

Naast de autonome ‘business-as-usual’ benadering (PRIMOS-scenario) kan nog een aantal ‘gevoe-
ligheidsanalyses’ worden uitgevoerd. Daardoor wordt duidelijk hoe sterk de ontwikkeling van de
nieuwbouw van kantoren reageert op veranderingen in veronderstellingen in het rekenmodel.
Ten eerste is in hoofdstuk 4 aangenomen dat de hogere groei in het verleden in Hoogeveen van ken-
nisdiensten (met bijna twee procent per jaar boven het gemiddelde voor de referentiegroepen ‘regio’
en ‘soortgenoten’) in de toekomst niet voortgezet zal worden. Er lijkt met name in de jaren zeventig en
tachtig sprake te zijn geweest van een gedeeltelijke inhaalslag vanuit een zeer lage basis. In de jaren
negentig echter was de groei niet meer hoger dan in de referentiegroepen. We kunnen er echter ook
van uitgaan dat een voortgaande groei van het aantal arbeidsplaatsen (1.5% per jaar meer in Hooge-
veen dan in de referentiegroepen) wel plaatsvindt. Dan zal in het EC-scenario de benodigde kantoor-
ruimte toenemen tot 2250 vierkante meter bruto vloeroppervlak per jaar in de periode 2001-2015 (was
1500 vierkante meter) en tot 2600 vierkante meter per jaar in de periode 2015-2030 (was 1200 vier-
kante meter). Er zij echter op gewezen dat Hoogeveen er in dat geval in moet slagen zich duidelijk als
kantorenstad te profileren in vergelijking tot andere gemeenten in de regio en ten opzichte van soort-
genoten.

Een tweede type gevoeligheidsanalyse betreft de ontwikkeling van het ruimtebeslag per werknemer.
Bij de berekeningen is er van uitgegaan dat de hoeveelheid kantoorruimte per werknemer niet zal toe-
of afnemen in de tijd. Er zijn echter zowel situaties denkbaar waarbij het ruimtebeslag per werknemer
toeneemt als situaties waarbij het ruimtebeslag per werknemer juist afneemt. Voor het European Co-
ordination scenario is nagegaan welke effecten een (vrij geringe) jaarlijkse toename van een half pro-
cent of een afname van een half procent van het ruimtebeslag per werknemer zal hebben.


Tabel 5.2 Effect veranderend ruimtebeslag per werknemer op ontwikkeling kantoorruimte
Hoogeveen Regio Soortgenoten
Vierkante meters bvo per jaar (EC scenario)

2001-2015
-0.5% per jaar 1100 5000 10300
Gelijk 1500 6800 13800
+0.5% per jaar 1800 8800 17700

2015-2030
-0.5% per jaar 700 3100 7400
Gelijk 1200 5500 12200
+0.5% per jaar 1800 8300 17800


Het blijkt dat zelfs een kleine verandering van het ruimtebeslag per werknemer (0.5% per jaar komt bij
een gemiddeld ruimtebeslag van 30 vierkante meter per kantoormedewerker neer op 1500 vierkante
centimeter per werknemer per jaar; oftewel iets meer dan het oppervlak van een tegel) al aanzienlijke
effecten heeft op de hoeveelheid nieuwbouw aan kantoorruimte (tabel 5.2.).
Dit verschil zal op langere termijn sterker doorwegen. Omdat op die termijn de economie in het alge-
meen minder sterk gaat groeien, wordt ook de procentuele groei van vraag naar kantoorruimte lager.
De ontwikkeling van het ruimtebeslag per werknemer gaat dan relatief meer gewicht in de schaal leg-
gen.

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 29
Een gevoeligheidsanalyse voor het effect van ICT op de kantoorontwikkeling is helaas niet (op kwanti-
tatieve wijze) mogelijk. Wel kan hier in kwalitatieve zin een aantal opmerkingen over worden gemaakt.
(Zie uitvoeriger: Louter, P.J. (2001) Ruimte voor de digitale economie.)
ICT-ontwikkelingen spelen een rol in de kantorenmarkt omdat met de grotere bandbreedte van tele-
communicatie-infrastructuur de snelheid en omvang van digitale informatiestromen groter wordt. Fy-
sieke nabijheid zou daardoor, volgens sommigen, van steeds minder belang worden. Dat heeft twee
soorten mogelijke effecten die vooral voor de kantorensector van belang zijn.

Ten eerste het vertrek van kantoren uit gebieden met hoge dichtheden en congestie. Door ICT-
infrastructuur zouden deze kantoren eerder geneigd zijn zich buiten de stad te vestigen. In de praktijk
blijkt juist het tegenovergestelde op te treden. Steden als Amsterdam en Utrecht hebben recentelijk
een zeer sterke groei van de kantorensector gekend. En een sterke opkomst van gebieden buiten de
Randstad valt nauwelijks te constateren. Buiten de Randstad zijn het vooral de middelgrote steden die
(in toenemende mate) als magneten voor kantoorontwikkeling gaan dienen. Binnen de Randstad profi-
teren sommige kleine plaatsen wel van een zekere uitwaaiering van kantooractiviteiten vanuit de grote
steden, maar dan betreft het vooral stadsrandlocaties, op goed ontsloten locaties langs de ringweg en
plaatsen tussen grote steden met een goede aansluiting op het snelwegennet. Voor zover deze uit-
waaiering al is opgetreden gaat het dus om verplaatsingen binnen het stadsgewest en is het zeer
twijfelachtig of de betere telecommunicatie-infrastructuur wel de drijvende kracht is. Van een leegloop
van de centrale steden is zeker geen sprake. Integendeel, sommige centra van steden presteren nog
uitstekend als kantoorlocatie. Wel lijkt er een heel lichte tendens te bestaan dat er een zekere vorm
van specialisatie op gaat treden. De ‘front offices’, kantooractiviteiten met hoge bezoekfrequenties en
veel behoefte aan directe persoonlijke contacten, lijken zich eerder te concentreren in de steden (in
ruime zin, dus inclusief de stadsranden). Daarentegen lijken ‘back offices’, waar kantooractiviteiten
worden verricht waarvoor geen directe persoonlijke contacten nodig zijn (in de vakliteratuur ook wel
aangeduid als ‘face-to-face contacten), wat meer verspreid over het land voor te komen. Te denken
valt bijvoorbeeld aan call-centra of administratiekantoren van grote ondernemingen. Maar ook indien
deze bedrijven zich buiten de Randstad vestigen, geldt dat die bedrijven een zekere ‘kritische massa’
vereisen van de plaats waar zij vestigen. De kwaliteit van de telecommunicatie-infrastructuur moet op
orde zijn en een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer is van belang, omdat een relatief groot
deel van het personeel niet over een auto beschikt.

Het is dus vooral de vraag of Hoogeveen wel genoeg massa in de schaal legt. Op het niveau van
Noord-Nederland zal waarschijnlijk eerder voor Groningen, Zwolle of Leeuwarden worden gekozen,
ook voor back office activiteiten. Een goede ICT-infrastructuur zal dus niet direct tot een sterke verbe-
tering van de concurrentiepositie van plaatsen als Hoogeveen leiden.

Ten tweede wordt aangenomen dat als gevolg van ICT het aantal telewerkers sterk zal toenemen. Dat
heeft niet in eerste instantie betrekking op de vestigingsplaatskeuze van kantoren, maar op de totale
hoeveelheid kantoorruimte. In termen van gevoeligheidsanalyses zou dus gesteld kunnen worden dat
een afname van het ruimtebeslag per werknemer een gevolg kan zijn van het invoeren van telewer-
ken. Vooralsnog treedt telewerken nog steeds niet op grote schaal op. En op het moment dat het op
grote schaal op zou gaan treden, zou dat waarschijnlijk vooral in stedelijke gebieden zijn, om zodoen-
de verkeerscongestie te mijden. Daar is in de omgeving van Hoogeveen nauwelijks sprake van. Op-
vallend aan het fenomeen van telewerken, flexplekken, D-offices (te huren kantoorruimte om te wer-
ken of te vergaderen, veelal gesitueerd net buiten de gebieden met de hoogste congestie) is dat de
totale hoeveelheid ruimte voor kantoorwerkzaamheden eerder toe zal nemen dan af zal nemen. In de
traditionele kantoren zal bijvoorbeeld meer algemene vergaderruimte moeten komen op het moment
dat mensen geen vaste werkplek meer hebben. Daarnaast nemen D-offices ook ruimte in, ruimte die
niet altijd volledig bezet zal zijn. En tenslotte zal bij een grootscheeps optreden van telewerken een
trend naar grotere woningen ontstaan (standaard een of twee werkkamers erbij). Vooralsnog zijn de
trends te onduidelijk om een duidelijk drukkend effect op het ruimtebeslag per werknemer te bewijzen.
De constatering aan het einde van de jaren negentig dat het ruimtebeslag per werknemer afnam had
achteraf vooral te maken met het feit dat bedrijven onder invloed van de hoogconjunctuur sterk gingen
uitbreiden (in termen van personeel), maar nog niet gingen verhuizen, hetzij omdat men de ontwikke-
lingen nog even wilde afwachten hetzij omdat er onvoldoende aanbod was. Inmiddels is aan deze
dalende trend al weer een halt toegeroepen. Het is zelfs niet onwaarschijnlijk dat het gemiddeld ruim-
tebeslag per werknemer gedurende de huidige laagconjunctuur weer gaat toenemen. Bedrijven krim-
pen in qua personeel, maar blijven vooralsnog in dezelfde ruimte gehuisvest.

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 30
Deze nuanceringen zijn niet bedoeld om aan te geven dat het om een onbelangrijk vraagstuk gaat.
Integendeel, uit de gepresenteerde gevoeligheidsanalyse in tabel 5.2 blijkt dat de hoeveelheid nieuw-
bouw van kantoren in sterke mate gevoelig is voor de ontwikkeling van het ruimtebeslag per werkne-
mer. Wel kan worden geconstateerd dat er nog te veel onduidelijkheden zijn om robuuste trends te
identificeren.


5.3 Kantoorlocaties in Hoogeveen

De gemeente Hoogeveen heeft in 2000 de kantorennota ‘De kantorenmarkt in Hoogeveen’ opgesteld
waarna een second opinion volgde door KOLPRON consultants. Door de huidige ontwikkelingen in de
kantorenmarkt in Nederland, er is sprake van verzadiging, moet bij de plannen voor kantoorontwikke-
ling in Hoogeveen een aantal kanttekeningen worden geplaatst. We gaan hier in op twee kantorenlo-
caties: het stationsgebied en de Grittenhof.

Stationsgebied
De gemeentelijke plannen (gebaseerd op de kantorennota) voorzagen in herinrichting van het stati-
onsgebied en ontwikkeling van 40.000 m² kantoorruimte. Uit interviews met betrokkenen van NS
Vastgoed kwam het volgende beeld naar voren met betrekking tot de kantoorontwikkeling van het
stationsgebied.
NS Vastgoed gaat onder de huidige laagconjunctuur niet investeren in Hoogeveen. Bovendien heeft
Hoogeveen te weinig grote bedrijven waaruit zakelijke dienstverlening voortvloeit. Daarnaast dreigt
momenteel een oorlog in het Midden Oosten waardoor de dip in de kantorenmarkt nog langer kan
aanhouden. Alleen wanneer zich een (semi)overheidsinstelling aandient voor de huur van 2 x 15 jaar
zal NS Vastgoed serieus overwegen te investeren waarbij het station een entrée moet worden van de
stad. Wel wil NS Vastgoed investeren in woningbouw (gecombineerd met kantoren) bij het station,
omdat dit de sociale veiligheid ten goede komt.

Aanbeveling: Ondanks de huidige economische malaise en de dip in de kantorenmarkt zal de ge-
meente Hoogeveen moeten blijven streven naar kantoorontwikkeling bij het station en de daarbij be-
horende acquisitie van bedrijven in de zakelijke - en non-profit dienstverlening. Op die manier kan de
gemeente inspelen op - en klaar zijn voor - een opleving in de kantorenmarkt die op termijn zeker zal
plaatsvinden.

Terzijde: Bij de langere termijn ontwikkelingen in het stationsgebied speelt op ruimtelijk niveau een
eventuele aanleg van de Hanze-lijn plus waarvoor een bochtafsnijding bij Hoogeveen noodzakelijk is.
Het spoor moet dan circa honderd meter naar het noorden opschuiven richting Oude Diep (aangewe-
zen als Ecologische Verbindingszone) waardoor nieuwe ruimte nabij het station ontstaat.

Grittenhof: zorggelieerde bedrijvigheid
Hoogeveen vervult in lichte mate een regionaal verzorgende functie op het gebied van gezondheids-
zorg. Het ziekenhuis Bethesda en een verpleeghuis zijn gevestigd op een locatie grenzend aan de
Grittenhof. De thuiszorg is ook sterk vertegenwoordigd, maar dat komt door een samenwerkingsver-
band tussen een aantal thuiszorginstellingen met een werkgebied in de wijde omtrek waarbij voor
Hoogeveen is gekozen voor de min of meer administratieve werkzaamheden.
De verschillende zorgaanbieders, van ziekenhuis tot verpleeghuis tot huisarts tot thuiszorg tot com-
merciële zorgactiviteiten, gaan steeds meer met elkaar samenwerken waarbij de patiënt centraal
staat. Deze integratie in de zorgverlening heeft als gevolg dat verschillende zorgaanbieders graag
dicht bij elkaar gevestigd willen zijn. Dit is ook te zien bij locatie de Grittenhof. De regionale gezond-
heidsvoorzieningen hier blijken een aantrekkende werking te hebben op andere zorggelieerde bedrij-
ven. Gemeente en ziekenhuis Bethesda hebben afgesproken dat De Grittenhof bestemd wordt voor
uitsluitend zorggelieerde bedrijvigheid.
Het is goed dat de gemeente Hoogeveen een pro-actieve rol aanneemt is in het creëren van een goed
vestigingsklimaat voor zorggelieerde bedrijven. Toenemende vergrijzing en een toenemende vraag
naar zorg onderstrepen het belang hiervan. In het algemeen leveren 3 huishoudens gemiddeld 1 ar-
beidsplaats op. Voor vergrijsde huishoudens ligt dit hoger, circa 1,5 arbeidsplaats.
In met name de oude kern van Hoogeveen (ten oosten van de A28) is sprake van vergrijzing (18,8%)
in vergelijking tot het Nederlands gemiddelde (13,6%). Ouderen willen graag in de buurt van allerlei
voorzieningen wonen, waaronder ook zorgvoorzieningen; de Grittenhoflocatie ligt wat dat betreft dus
zeer gunstig ten opzichte van de vraag naar zorg.
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 31
6 ONTWIKKELING BEDRIJVENTERREINEN: VERLEDEN EN TOEKOMST


In hoofdstuk 1 (tabel 1.2) is aangegeven dat Hoogeveen in de periode 1996-2001 een hoge uitgifte
van bedrijventerreinen heeft gekend. Daarvan was overigens ook sprake bij de groep soortgenoten en
(in iets minder mate) in het Stedelijk Netwerkgebied als geheel. Het ging echter om een periode van
ongekende hoogconjunctuur. De vraag is nu welke uitgifte aan bedrijventerreinen voor de komende
decennia verwacht mag worden. Daarbij is in paragraaf 6.1 uitgegaan van een scenario waarbij het
vestigingsplaatsgedrag van bedrijven gelijk blijft aan dat van het verleden. Daarbij is echter wel reke-
ning gehouden met het feit dat de groeicijfers zoals in de laatste vijf jaar waren gerealiseerd niet tot in
lengte van dagen gehandhaafd kunnen blijven. Het laatste jaar is de kentering al waarneembaar en
ook voor de komende jaren wordt in het algemeen uitgegaan van een wat gematigder groeitempo.
Vooralsnog wordt hier de ontwikkeling volgens het middenscenario (het European Coordination sce-
nario) het meest waarschijnlijk geacht. Daarnaast echter zijn ook weer ontwikkelingen volgens het
Divided Europe en het Global Competition scenario doorgerekend. Tevens zijn in paragraaf 6.2 enige
‘gevoeligheidsanalyses’ uitgevoerd voor een situatie waarin het ruimtebeslag per arbeidsplaats minder
sterk of juist sterker toe zou nemen. In die paragraaf wordt tevens ingegaan op een grofmazige ‘seg-
mentering’ van de vraag naar bedrijventerreinen en is aangegeven wat de consequenties zijn indien
Hoogeveen er, in tegenstelling tot de verwachting, niet in zou slagen een bovengemiddelde groei van
distributie-activiteiten te realiseren.


6.1 Autonome vraag naar bedrijventerreinen tot 2030 volgens drie scenario’s

Om tot de vraag naar bedrijventerreinen te komen is een zelfde type benadering gevolgd als in de
BedrijfsLocatieMonitor (BLM) van het Centraal Planbureau (CPB). Daarbij is overigens wel van een
andere methode gebruik gemaakt dan het Centraal Planbureau om de verwachte ontwikkeling van het
aantal arbeidsplaatsen per economische sector te berekenen (zie hoofdstuk 4). In de BLM wordt de
vraag naar ‘formele’ bedrijventerreinen bepaald. Dat zijn terreinen die officieel, volgens een bestem-
mingsplan, de status van bedrijfslocatie hebben gekregen.
De benadering in de BedrijfsLocatieMonitor is een drietrapsraket, waarbij er drie ‘bronnen’ voor vraag
naar bedrijventerreinen zijn, namelijk groei van het aantal arbeidsplaatsen, verplaatsing van bedrijven
van ‘niet-formele’ locaties (in woonwijken of in het buitengebied) naar formele bedrijventerreinen en
toename van het ruimtebeslag per arbeidsplaats.

In tabel 6.1 is de te verwachten uitgifte weergegeven voor de drie scenario’s en voor twee tijdsperio-
den. Voor Hoogeveen zijn het variaties van het PRIMOS scenario waarbij wordt uitgegaan van een
groei tot 55.000 inwoners in 2030. Niet alleen het aantal hectares staat in de tabel, maar ook de uitgif-
te na correctie voor de omvang van de onderscheiden gebieden (door de hoeveelheid uitgegeven
terreinen te delen door het aantal inwoners).


Tabel 6.1 Uitgifte bedrijventerreinen tot 2030 volgens drie scenario’s
Hectares bedrijventerrein per jaar Idem, per 100.000 inw. 20-64 jaar
Hoogeveen Regio Soortgenoten Hoogeveen Regio Soortgenoten

DE 2001-2015 4.0 20.4 16.9 12.8 10.4 8.7
EC 2001-2015 7.1 40.8 36.5 22.8 20.8 18.8
GC 2001-2015 8.2 45.8 42.8 26.3 23.3 22.0

DE 2015-2030 2.7 6.2 7.6 8.8 3.1 3.8
EC 2015-2030 4.7 15.9 17.2 15.3 8.0 8.7
GC 2015-2030 5.2 13.8 20.0 16.0 6.9 10.2


Uit tabel 6.1 blijkt volgens het European Coordination scenario dat tot 2015 sprake zal zijn van een
uitgifte van 7 hectare bedrijventerrein in Hoogeveen. Daarna neemt het uitgiftetempo af. Ook volgens
het Global Competition scenario wordt de in de periode 1996 tot en met 2001 volgens IBIS gereali-
seerde uitgifte van 11.5 hectare per jaar niet gehaald. In bijlage 10 is aangegeven welke ‘bronnen’ er
achter de uitgifte van bedrijventerreinen schuil gingen in de periode 1996-2001.
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 32
Ondanks de wat lagere uitgiftecijfers dan in het recente verleden ligt de uitgifte na correctie voor de
grootte van de gebieden hoger dan in zowel de regio als bij de soortgenoten. Een drijvende kracht
achter deze hoge uitgiftecijfers vormen met name distributie-activiteiten.
Uit de tabel komt ook naar voren dat het gehanteerde macro-economische scenario een aanzienlijke
invloed heeft op de vraag naar bedrijventerreinen. In het hoge groei scenario (GC) wordt maar liefst
twee maal zo veel aan bedrijventerrein uitgegeven als in het lage groei scenario (DE).

Worden de resultaten van het prognosemodel vergeleken met een onderzoek van ETIN Adviseurs
(2000), getiteld ‘Behoefteraming bedrijventerreinen Hoogeveen nader bekeken’ dan kan het volgende
worden gesteld. Uit de passages onder aan pagina 10 van het genoemde rapport blijkt dat ETIN Advi-
seurs uitgaat van een gemiddelde jaarlijkse uitgifte van 7.3 tot 8.7 hectare tot 2015. Onze prognose zit
daar iets onder, maar niet veel. Voor de periode na 2015 gaat ETIN Adviseurs uit van een gemiddelde
jaarlijkse uitgifte van 6 hectare per jaar. Onze prognose is iets lager (4.7 hectare). Wij onderschrijven
de mening van ETIN Adviseurs dat de prognose van de gemeente (11 hectare per jaar tot 2030) te
optimistisch lijkt. Dat geldt in ieder geval voor de periode na 2015.

In de ‘Nota Bedrijventerreinen in Drenthe tot 2015: lessen uit het verleden en consequenties voor de
toekomst’ van de Provincie Drenthe (2002) wordt de noodzaak tot aanleg van bedrijventerreinen in
Zuidwest Drenthe onderschreven. Hoewel geen afzonderlijke schattingen worden gegeven voor
Hoogeveen, kan uit de berekeningen voor Zuidwest Drenthe worden afgeleid dat de prognose van de
Provincie voor de vraag naar bedrijventerreinen in dezelfde orde van grootte ligt als onze prognoses
en de prognoses van het ETIN. De Provincie geeft aan dat aanleg van 75 hectare in de vorm van een
bedrijventerrein als Buitenvaart II in Hoogeveen tot 2015 gewenst is (vanaf 2000). In onze prognoses
komen we tot 7 hectare per jaar. Dat is 105 hectare tot 2015. Inclusief een ijzeren voorraad van 3 tot 4
maal de gemiddelde jaaruitgifte zou de totale vraag uitkomen op 130 hectare netto bedrijventerreinen.
Dat komt bijna overeen met het totale areaal voor Buitenvaart I (48 hectare volgens opgaaf gemeente
Hoogeveen) en het voorgestelde areaal voor Buitenvaart II (75 hectare met status zacht plan volgens
de nota van de Provincie, de gemeente Hoogeveen geeft echter aan dat het inmiddels om 102 hecta-
re netto gaat).


6.2 Gevoeligheidsanalyses voor uitgifte van bedrijventerreinen

Evenals voor de vraag naar kantoren kunnen voor de uitgifte van bedrijventerreinen gevoeligheids-
analyses worden opgesteld. Een eerste gevoeligheidsanalyse gaat uit van de situatie dat Hoogeveen
er niet in zou slagen het hoger dan gemiddelde groeitempo van distributie-activiteiten vol te houden.
Er wordt dus van uitgegaan dat de extra groei van het aantal banen van 1.5% per jaar boven op het
gemiddelde voor de relevante referentiegroep niet gerealiseerd wordt. Volgens het European Coordi-
nation scenario zouden er dan in 2030 1600 banen minder zijn in distributie-activiteiten. Dat houdt in
dat het totaal aantal arbeidsplaatsen met 0.2% per jaar minder toeneemt en dat er in 2030 in Hooge-
veen niet 30.400 banen zijn, maar 28.800.
Berekend kan worden dat de uitgifte van bedrijventerreinen volgens het European Coordination sce-
nario in dat geval niet 7.1 hectare per jaar zal zijn, maar 5.1 hectare per jaar in de periode 2001-2015.
En in de periode 2015-2030 loopt de uitgifte van bedrijventerreinen zelfs terug naar 1.7 hectare per
jaar in plaats van 4.7 hectare per jaar. Geconcludeerd kan worden dat een relatief klein aantal banen
verantwoordelijk is voor een groot deel van de uitgifte van bedrijventerreinen, zeker in de periode na
2015 (met een veel lagere economische groei dan in de periode tot 2015).

Een tweede type gevoeligheidsanalyses betreft de ontwikkeling van het ruimtebeslag per arbeids-
plaats. Daartoe is zowel een extra groei van 0.5% per jaar van het ruimtebeslag per werknemer door-
gerekend als een afname met 0.5% per jaar, beide ten opzichte van de veronderstelde groei in het
European Coordination scenario, waarin voor de meeste sectoren een groei met 0.75% per jaar wordt
verondersteld. In tabel 6.2 staan de resultaten.
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 33

Tabel 6.2 Effect veranderend ruimtebeslag per werknemer op ontwikkeling uitgifte bedrijventerreinen
Hoogeveen Regio Soortgenoten
Hectares per jaar (EC scenario)

2001-2015
-0.5% per jaar 5.2 28.9 25.3
Gelijk 7.1 40.8 36.5
+0.5% per jaar 9.3 53.5 48.4

2015-2030
-0.5% per jaar 2.2 2.7 4.6
Gelijk 4.7 15.9 17.2
+0.5% per jaar 7.7 32.0 32.7


Uit de tabel blijkt dat vrij kleine wijzigingen in het ruimtebeslag per werknemer aanzienlijke effecten
hebben. Dat geldt al voor de periode 2001-2015, maar zeker voor de periode 2015-2030, wanneer de
economische groei en de uitgifte van bedrijventerreinen lager is. In sommige deelgebieden binnen de
onderscheiden referentiegebieden zou dan zelfs sprake kunnen zijn van een afname van het areaal
aan bedrijventerreinen. Bij een situatie van lage economische groei en een gelijktijdige trend naar
intensivering van het ruimtegebruik geeft dat aanleiding tot een visie op de herontwikkeling van over-
bodig geworden bedrijventerreinen. Nu nog worden nauwelijks bedrijventerreinen aan de voorraad
onttrokken (zie onderzoek van het ETIN in CPB, 2002, De BLM: opzet en recente aanpassingen) en
tot 2015 zal dat ook niet drastisch veranderen, maar in de periode daarna zal het waarschijnlijk steeds
meer op gaan treden.
Voor Hoogeveen geldt dat, ook bij intensief ruimtegebruik en een matige economische groei na 2015,
nog een basisniveau aan bedrijventerreinen zal worden uitgegeven.


6.3 Verdeling naar segmenten

Een vraag is in hoeverre segmentering van bedrijventerreinen plaats moet vinden. In het geval van
Hoogeveen gaat het er daarbij vooral om hoe het eventueel aan te leggen Buitenvaart II binnen de
regio gepositioneerd zal kunnen worden. Binnen de gemeente is nauwelijks sprake van mogelijkheden
tot segmentering tussen bedrijventerreinen omdat het overgrote deel van de bedrijven in de toekomst
plaats zal moeten vinden op Buitenvaart II. Voor Buitenvaart I geldt dat de uitgifte daar al in een der-
mate ver gevorderd stadium is (het grootste deel van de kavels is al gereserveerd) dat aanbevelingen
voor de inrichting van dat bedrijventerrein inmiddels niet meer actueel zijn. Voor Buitenvaart II gaat het
dus vooral om een zodanige inrichting van het terrein dat invulling wordt gegeven aan de lokale vraag,
maar tevens profilering ten opzichte van bedrijventerreinen binnen de omgeving (met name het Stede-
lijk Netwerkgebied) plaatsvindt.
Vanuit de historische uitgifte in de laatste tien jaar, de uitkomsten van ons prognosemodel en de wens
tot profilering van het bedrijventerrein kan tot het volgende voorstel worden gekomen:
• Ga uit van ongeveer 50% van het uit te geven terrein voor distributie-activiteiten (groothandel
en transport). Hoogeveen heeft daarvoor een uitstekende marktpositie, met name gezien de
ligging. Het gaat daarbij vooral om weggebonden distributie. Vaarweggebonden distributie zal
vooral plaats moeten vinden in Coevorden en/of Meppel.
• Ga uit van ongeveer 20% van het uit te geven terrein voor industrie. In het verleden was dat
aandeel wat hoger, maar de prognoses wijzen uit dat binnen de industrie geen grote groei
meer te verwachten valt. Bovendien kan van de te herstructureren terreinen een deel van de
vrijkomende kavels voor industrie worden gereserveerd.
• Ga uit van ongeveer 10% voor specifieke woonwerk-kavels. Op Buitenvaart I verloopt de uit-
gifte van dit soort kavels uitstekend. Hier is bij uitstek parkmanagement in het geding, waarbij
diverse partijen in onderling overleg komen tot een goede en aantrekkelijke inrichting van het
terrein.
• De overige 20% kan worden toegewezen aan meer lokaal georiënteerde activiteiten. De vraag
komt hierbij bijvoorbeeld van activiteiten als bouwnijverheid en perifere detailhandel.
Wanneer een segmentatie van bedrijventerreinen in Hoogeveen wordt toegepast, zal de ijzeren voor-
raad ook moeten toenemen tot meer dan de gebruikelijke 3 tot 4 maal de gemiddelde jaarlijkse uitgif-
te.
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 34

Op basis van de provinciale bedrijventerreinennota heeft de gemeente Hoogeveen berekend dat in
Zuidwest Drenthe nog ruimte is voor 55 ha. bedrijventerrein na invulling van alle plancapaciteit. Vol-
gens de bovenstaande verdeling naar segmenten zou dat overeen komen met een vraag van 27,5
hectare voor distributie-activiteiten, 11 hectare voor industrie, 5,5 hectare voor woonwerk-kavels en 11
hectare voor lokaal georiënteerde activiteiten. (In hoeverre de gemeente tegemoet wenst te komen
aan de vraag, bijvoorbeeld ten aanzien van woonwerk-kavels is een beleidsmatige keuze.)

Tevens wordt gevraagd wat de invloed van aanleg van 55 hectare op de ontwikkeling van het aantal
inwoners zal zijn. In bijlage 11 is voor het beantwoorden van deze vraag een cijfermatige onderbou-
wing opgenomen, hier worden de conclusies daarvan weergegeven.
Ten eerste kan gesteld worden dat de 55 hectare extra volgens onze berekeningen pas na 2015 op
de markt kunnen komen in zowel het PRIMOS- als POP scenario. Op de lange termijn, tot 2030, kan
geconcludeerd worden dat de aanleg van Buitenvaart I en Buitenvaart II, aangevuld met 55 hectare
extra vanaf 2015, overeenstemt met een bevolkingsgroei volgens het PRIMOS scenario (naar 55.000
in 2030).
Het is dus onwaarschijnlijk dat er, bij aanleg van Buitenvaart I en Buitenvaart II, voor 2015 sprake zal
zijn van tekorten. Daarom zal (gegeven een gemiddelde doorlooptijd van planvorming tot uitgifte van
ongeveer acht jaar) pas in de tweede helft van dit decennium een besluit genomen hoeven te worden
over de hoeveelheid aan te leggen hectares bedrijventerrein na 2015

Opgemerkt moet worden dat in dit voorstel geen ruimte is gereserveerd voor een ‘kantorenstrook’ op
het bedrijventerrein. Op zich zou daar vraag naar zijn (in het algemeen gaat een toenemend deel van
uitgegeven bedrijventerreinen naar zakelijke dienstverlening). In de situatie van Hoogeveen, waar
sprake is van een dunne kantorenmarkt ligt concentratie in het stadscentrum echter meer voor de
hand, waarbij een locatie bij het station gepaard zou moeten gaan met een goede bereikbaarheid over
de weg en ruim voldoende parkeermogelijkheden. Dat komt de concurrentiepositie van Hoogeveen
ten goede. Bovendien is de locatie van Buitenvaart II minder gunstig voor kantoorontwikkeling dan
van Buitenvaart I, omdat de afstand tot de snelweg wat groter is en er dus in mindere mate sprake zal
kunnen zijn van zichtlocaties. Wij ondersteunen dan ook de bewuste beleidskeuze van de gemeente
Hoogeveen om op Buitenvaart II geen kantorenstrook te ontwikkelen.

Een tweede opmerking is dat de Provincie in haar ‘Nota Bedrijventerreinen in Drenthe tot 2015’ duide-
lijk maakt dat een al te ver doorgevoerde segmentering niet aan te bevelen is. Als redenen worden
aangegeven dat er vanuit de markt geen duidelijke behoefte bestaat aan segmentatie, dat het draag-
vlak van de Drentse economie te klein is om specifieke terreinen van enige omvang te ontwikkelen en
dat goede methodieken ontbreken om tot segmentatie te komen (met bestaande methodieken is het
bijvoorbeeld niet goed mogelijk de vraag naar woon-werklocaties op adequate wijze in te schatten,
aldus de Provincie). Het is daarbij wel zo dat deze (terechte) kanttekeningen betrekking hebben op
segmentatie tussen terreinen. Voor Buitenvaart II gaat het om segmentatie binnen het terrein; wellicht
is het dan beter te spreken over inrichting van het terrein. Duurzaamheidsmaatregelen zouden hierin
kunnen worden. Een duurzame inrichting - maar ook andere maatregelen zoals energie- en waterbe-
sparing, gebruik van duurzame energie, afvalpreventie en –scheiding en milieuvriendelijk vervoer en
gezamenlijk gebruik van materieel en diensten - is wellicht beter te verwezenlijken wanneer door
segmentatie soortgelijke bedrijven bij elkaar geclusterd zijn.
Een voorbeeld van segmentatie waarbij de gemeente goed heeft ingespeeld op wensen vanuit het
bedrijfsleven is de realisatie van een 18 hectare groot zuivelpark op Buitenvaart II met een bij het ge-
bruik passende inrichting.
Een zeker inzicht in de verhoudingen in de markt is dus zeker nuttig, maar monitoring van ontwikke-
lingen is noodzakelijk en een zekere mate van flexibiliteit bij de uitgifte van terreinen moet in de plan-
ningsprocedure worden ingebouwd.

Een derde opmerking is dat naast segmentatie naar economische sectoren ook nog segmentatie naar
oorsprong van bedrijven denkbaar is. In het recent verschenen conceptrapport ‘Samen werken aan
samenwerking’ (Lysias Advies, oktober 2002) wordt aangegeven dat voor zogenaamde ‘Lokale+ ter-
reinen’ op Buitenvaart II/ Riegmeer (de zichtlocaties langs de weg) 35 – 41.5 hectare wordt aangewe-
zen. Het zou dan gaan om ‘lokale bedrijven met een regionale uitstraling’, ‘regionale verplaatsers/
doorgroeiers’ en opvang van ‘bovenregionale bedrijven’. Wij achten het onmogelijk om objectief vast
te stellen of een bedrijf wel of niet tot een van deze categorieën gerekend kan worden (in tegenstelling
tot bijvoorbeeld een indeling naar economische sectoren). Dat blijft steeds een subjectieve inschatting.
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 35
Daarmee ontbreekt naar onze mening ook elke objectieve grond om tot een behoefteraming voor een
dergelijke typering te maken. Wij zijn overigens tot dezelfde conclusie gekomen als het conceptrapport
van Lysias Advies dat logistiek/ distributie/ VAL een belangrijk speerpunt vormt voor Hoogeveen. In de
volgende paragraaf komen we hier op terug.


6.4 Thema’s binnen bedrijventerreinen

Revitalisering bedrijventerreinen
In een door de provincie Drenthe verricht onderzoek in 1997 (Bedrijventerreinen Drenthe, steenpuis-
ten of schoonheidsvlekken?) onder ondernemers en betrokken gemeente-ambtenaren naar de kwali-
teit van bestaande bedrijventerreinen in de provincie is met name het oudere westelijk deel van bedrij-
venterrein De Wieken naar voren gekomen als een gebied waar zich problemen voordoen, vooral in
de A.G. Bellstraat, de A. Philipsweg en de Franklinstraat. Voor de omgeving van de Fabrieksweg zijn
vergevorderde plannen om de bodem te saneren. Gemeente en zes bedrijven participeren in dit pro-
ject. Deze sanering zou gepaard kunnen gaan met revitalisering. Het grootste deel van de bedrijven
dat hier gevestigd is, is tijdens en na de sanering voornemens op deze locatie te blijven. De sanering
gaat aanvangen binnen uiterlijk 4 tot 6 jaar nadat de beschikking (naar verwachting begin 2003) is
afgegeven.

Wanneer revitalisering wordt uitgevoerd, is de verwachting bij de gemeente dat dit op korte termijn
niet leidt tot een proportionele toename van bedrijventerreinoppervlakte. Alleen het eventueel vrijko-
men van de Philips bedrijfsgebouwen biedt mogelijkheden. Voor het overige kan op sommige plekken
op De Wieken de ruimte intensiever benut worden.
Uit de provinciale bedrijventerreinennota blijkt eveneens dat slechts een klein deel van de vraag naar
bedrijventerreinen door revitalisering opgevangen kan worden. In het algemeen stelt dit rapport dat
voor het scheppen van extra ruimte op bedrijventerreinen vormen van herverkaveling of uitplaatsing
van bedrijvigheid vereist zijn. Maar dit zijn zeer kostbare mogelijkheden die op zich ook weer nieuwe
ruimtevraag oproepen van de te verplaatsen bedrijven. In combinatie met intensivering van het ruim-
tegebruik kan weliswaar ruimtewinst geboekt worden. Ter illustratie voor wat betreft intensivering ruim-
tegebruik: in verhouding ligt de terreinquotiënt (aantal m² per werkzaam persoon) met 310 m² in Dren-
the (1995-1999) ruim drie keer zo hoog als in West-Nederland. Op De Wieken is de terrein- quotiënt
250 m² volgens het Ontwikkelingsprogramma Stedelijke Vernieuwing Gemeente Hoogeveen (juni
2000). Deels vloeien de hogere terreinquotiënten voort uit de lagere bebouwingspercentages en meer
ruimte voor groen.

Wanneer meer ingrijpende maatregelen als herverkaveling en uitplaatsing van bedrijven op het weste-
lijk deel van De Wieken worden doorgevoerd, gaat dit richting grootschalige herstructurering.

Aanbeveling: Op de langere termijn zou herstructurering het westelijke deel van De Wieken (globaal
ten westen van de Kanaalweg en de Marconistraat, circa 30 hectare) kunnen transformeren in een
gebied waarin het accent komt te liggen op een combinatie van wonen, werken en voorzieningen. Het
zou daarmee een overloopgebied kunnen worden van het centrum naar Stuifzand. Dit biedt een mo-
gelijkheid om aan de beknelde situatie van Hoogeveen - tussen snelwegen, spoor en bedrijventerrei-
nen - te ontkomen.


Door water ontsloten (natte) bedrijventerreinen
Hoogeveen heeft een spoorverbinding en is gelegen aan de snelwegen A28 en A37. De vraag is of
als aanvulling hierop een goede ontsluiting over het water met daarbij behorende natte bedrijfsterrei-
nen de economische ontwikkeling van Hoogeveen verder kan stimuleren?
Hierbij is de positie van Hoogeveen t.o.v. de waterinfrastructuur in de regio van belang. Zowel Meppel
als Coevorden hebben vaarverbindingen en een multimodaal overslagcentrum. Beide plaatsen stre-
ven naar opwaardering van hun vaarverbindingen (kanaal Almelo-Coevorden tot 600-800 ton en het
Meppelerdiep tot 1000 ton). De bedrijventerreinen Oevers aan de westkant van Meppel hebben een
overwegend natte functie. De overslag van water naar weg speelt hierin een belangrijke rol. Coevor-
den wil zich tot een internationaal distributiecentrum ontwikkelen met het door water, weg en internati-
onaal spoor ontsloten Europapark. Ook in het bereikbaarheidsprofiel Noord-Nederland worden Coe-
vorden en Meppel genoemd als Multimodale Transport en Overslag centra. Hoogeveen ligt tussen
beide centra in. De Hoogeveense Vaart, bevaarbaar voor schepen tot 600 ton, kan Hoogeveen met
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 36
zowel Meppel als Coevorden verbinden, maar Hoogeveen heeft geen eigen binnenvaartfaciliteiten
meer. De bedrijfsbebouwing aan de A. Philipsstraat die geschikt was voor bedrijven die over water
bulkproducten transporteerden is deels vervangen door functies met een intensiever ruimtegebruik.

Voldoende diepte en breedte en goede ontsluiting over het water van havens en industrieterreinen zijn
van belang voor de ontwikkeling van ‘natte’ bedrijvigheid. Meppel en Coevorden hebben wat dat be-
treft een voorsprong ten opzichte van Hoogeveen. Watergebonden bedrijven zullen zich daarom eer-
der vestigen in Meppel dan in Hoogeveen. Resteren de Hoogeveense bedrijven zelf. Hebben zij be-
hoefte aan door water ontsloten bedrijventerreinen? Deze behoefte blijkt niet uit het eerder genoemde
onderzoek onder ondernemers op De Wieken (Bedrijfsterreinen Drenthe, steenpuisten of schoon-
heidsvlekken, 1997) en eveneens niet uit de interviews.


Kaart 6.1 Infrastructuur en het Stedelijk Netwerk Zuid-Drenthe

Transport en logistiek
De N37/E233 wordt in zijn geheel tot de A31 (Meppen, Duitsland) verdubbeld tot A37. Tegelijkertijd
worden ook de laatste delen van de Emslandlinie (A31) verdubbeld; voorzien is gereedkomen vóór
2005. De A31 zal de noordelijke Duitse (haven)regio’s en het Ruhrgebied met elkaar verbinden. Hier-
door zal in 2005 een belangrijk knooppunt van autosnelwegen ontstaan. Over deze snelwegen zal het
goederentransport naar verwachting sterk toenemen (functie van doorvoerroute naar Duitsland en
verder; o.a. Oost-Europa, Scandinavië). Voor Hoogeveen, maar ook voor andere steden in het stede-
lijk netwerkgebied biedt dit extra kansen op het gebied van logistieke bedrijvigheid en overslag.
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 37

Hoogeveen heeft een zeer gunstige ligging voor de transport – en logistieke sector. De gemeente
heeft een 10 hectare groot Logistiek Centrum aan de A28. Dit Logistiek Centrum is vol. Daarnaast is
fase 1 van bedrijventerrein Buitenvaart gericht op onder andere logistieke bedrijvigheid. In de werkge-
legenheidscijfers is eveneens een sterke vertegenwoordiging van de sector te zien.

Maar binnen de transportsector zijn veranderingen gaande die van invloed kunnen zijn op de positie
van Hoogeveen. Door steeds beter uitgekiende logistiek worden vracht en routering steeds meer op
elkaar afgestemd. Door deze ritcombinaties vervoeren vrachtwagens langere tijd achtereen vracht
elders in Europa en hoeven ze minder vaak terug te keren naar de thuisbasis. Dat betekent dat de
ligging van die thuisbasis relatief minder van belang wordt en dat daarmee voor Hoogeveen een sterk
punt kan komen te vervallen.

Aanbeveling: Hoogeveen zou zich op deze ontwikkelingen in de transportsector kunnen voorbereiden
door risico’s te spreiden. Een sterke distributiesector is een goed uitgangspositie voor VAL-
bedrijvigheid oftewel Value Added Logistics: het scheppen van een hogere toegevoegde waarde in de
logistieke keten. Als VAL activiteiten kunnen worden beschouwd: assemblage, het klantspecifiek ma-
ken van producten, ompakken, labellen, kwaliteitscontrole, testen, reparatie en hergebruik. De ontwik-
keling van transport en distributie zonder deze waardetoevoegende activiteiten brengt het risico mee
van veel verkeersoverlast zonder substantiële economische activiteit. Wetend dat de A37 en de Ems-
landlinie in 2005 gereed zal zijn, zou het acquisitiebeleid zich nu al deze sector kunnen richten.
Hoogeveen zou zich samen met de partners uit het stedelijk netwerk Zuid-Drenthe, met name Emmen
en Coevorden, sterk moeten maken voor het binnenhalen van VAL-bedrijven.


6.5 Woon-werklocaties

Het MKB is sterk vertegenwoordigd in Hoogeveen. Binnen het MKB zijn er relatief veel kleine bedrij-
ven tot circa 5 werknemers. Voor kleine en startende bedrijven is het aantrekkelijk wonen en werken
te combineren. Wanneer de zolderkamer te klein is geworden, is een woon-werklocatie een aantrek-
kelijke vervolgstap. In de kern Hoogeveen, op kleine bedrijventerreinen in de dorpen Hollandscheveld
en Elim en in de linten zijn verschillende woon-werkvormen gemeengoed. Het gaat om administratieve
‘kantoorachtige’ werkzaamheden en om licht industriële bedrijfsactiviteiten als opslag, groothandel,
onderhoud/ reparatie en garages. Voor de eerste categorie wil de gemeente o.a. aan de Galileilaan
meer mogelijkheden gaan ontwikkelen. Voor de laatste categorie zijn er bestaande woon-
werkterreinen op De Wieken in Hoogeveen en in Elim en Hollandscheveld. Daarnaast komen op be-
drijventerrein Buitenvaart I in totaal 32 woon-werkkavels met een oppervlakte variërend van 1350 tot
3000 m2. Deze kavels zijn inmiddels allemaal gereserveerd voor vooral bedrijven uit de gemeente zelf
en enkele bedrijven van buiten de gemeente.

Om een beeld te krijgen van het belang van woon-werkkavels voor de Hoogeveense economie, zijn
enquêtes (zie bijlage 8) uitgezet onder bedrijven die een kavel hebben gereserveerd op Buitenvaart 1
en onder bedrijven die nu al wonen en werken combineren uitgezet. De uitkomsten zijn hieronder
samengevat:
- De belangrijkste motieven voor het combineren van wonen en werken zijn: toezicht op het bedrijf
willen houden, noodzaak om in directe nabijheid van bedrijf te wonen (vaak door onregelmatig
(nacht)werk) en tot slot gemak. Door geen van de respondenten wordt de lage kavelprijs als reden
genoemd.
- Bij de huidige woon-werkcombinaties gaat het veelal om kleine bedrijven tot 5 arbeidsplaatsen.
Voor Buitenvaart gaat het ook om enkele middelgrote bedrijven tot maximaal 50 arbeidsplaatsen.
- Veiligheid en parkmanagement worden genoemd als voorwaarden die het wonen en werken op
een bedrijventerrein nog aantrekkelijker maken. Verder worden voorzieningen genoemd als een
speelplek voor kinderen, groenvoorzieningen en een winkel.
- Wat betreft geluidsoverlast geven de meeste bedrijven die zich op Buitenvaart willen vestigen aan
dat er geen bedrijven komen die geluidsoverlast veroorzaken. De bedrijven op de bestaande
woon-werklocaties geven aan dat geluidsoverlast er nou eenmaal bij hoort op een bedrijventerrein
of dat ze er geen last van hebben.
- Vrijwel alle respondenten geven aan binnen een jaar geen uitbreidingsplannen te hebben. Voor de
bedrijven die naar Buitenvaart gaan, is de verhuizing al een uitbreiding. Het lijkt erop dat zij de
verhuizing naar Buitenvaart niet als tussenstap zien om later nog verder uit te breiden. De bebou-
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 38
wing is specifiek voor het bedrijf, zo’n investering maak je niet als je op korte of middellange ter-
mijn weer weggaat.
- Vrijwel alle respondenten geven aan op de woon-werklocatie te blijven totdat het bedrijf beëindigd
wordt of als ze stoppen met werken.
- Enkele respondenten die zich op Buitenvaart willen vestigen waren gefrustreerd over het functio-
neren van de gemeente: ‘Ambtenaren hebben geen gevoel voor commercie en communiceren
slecht’. Van de bedrijven die wonen en werken al combineren wilden sommigen meer medewer-
king van de gemeente en minder overheidsbemoeienis.

Aanbeveling: Gezien het relatief grote aantal kleine bedrijven en de grote vraag naar woon-werkkavels
op Buitenvaart 1, zou de gemeente de combinatie van wonen en werken kunnen blijven faciliteren,
maar wel door er bepaalde voorwaarden aan te stellen. Zo zouden de kavelprijzen gelijk getrokken
moeten worden met woonkavels. Ten tweede zouden duidelijke regels gesteld moeten worden ten
aanzien van geluidsoverlast en andere vormen van overlast. Zonering biedt hierin een oplossing. Ten
derde zouden voorwaarden gesteld moeten worden aan de groei van een bedrijf. Het is aan te beve-
len deze voorwaarden vooraf te stellen om zo conflictsituaties te voorkomen wanneer het bedrijf een-
maal gevestigd is (zie ook: Platteland Hoogeveen, Bureau PAU, 2002, waarin een voorstel voor de te
volgen aanpak is opgenomen). Voor bedrijven die op dit moment in dorpskernen gevestigd zijn en die
veel verkeer aantrekken waardoor bijvoorbeeld de verkeersveiligheid in het geding komt, zal per geval
bekeken moeten worden of verhuizing naar een woon-werkkavel (onder de vooraf gestelde voorwaar-
den) aan de rand van het dorp een oplossing biedt en tot de mogelijkheden behoort (veelal gaat het
om bedrijven die een sterke binding hebben met het dorp) of dat uitgeweken moet worden naar een
bedrijventerrein in de kern Hoogeveen.


Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 39
HOOFDSTUK 7: PRODUCTIEMILIEU

“Hoogeveen is geen stad, er is zelfs geen toren en tekengerei is nergens te krijgen”
(Vincent Van Gogh, 1883. Bron: Nederland Dichterbij, Drenthe).

Onder productiemilieu verstaan wij alle voor een bedrijf externe factoren die van belang zijn voor het
functioneren van het bedrijf en waarop de overheid haar invloed kan doen gelden. Daarbij kan ge-
dacht worden aan kenmerken van de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de beschikbaarheid en prijs van
bedrijfsruimte etc.. In dit hoofdstuk gaat het om de belevingswaarde van de fysieke omgeving, wonen
én voorzieningen in Hoogeveen.


7.1 Belevingswaarde van de fysieke omgeving

De kern van Hoogeveen is geen oude stadskern. Hoogeveen is ontstaan tijdens de periode van turf-
winning ten behoeve van de brandstofproductie in de 18
e
en 19
e
eeuw. Hiervoor werden zo efficiënt
mogelijk kanalen gegraven om de turf na het steken in platbodems te transporteren. Dit vertaalt zich in
de stedenbouwkundige structuur die in het Engels aangeduid wordt met ‘grid-system’. De maat en
schaal van het grid komen niet overeen met de lage bebouwingsdichtheid in de kern van Hoogeveen.
De kern van Hoogeveen is ruim opgezet en bezoekers ervaren dit als niet zo gezellig of knus als bij-
voorbeeld de binnenstad van Meppel of Groningen.
In de verdere ontwikkeling van de stad zijn met het dempen van de waterwegen en de omlegging van
het kanaal, de stedenbouwkundige aanpassingen van dien aard dat de gridstructuur niet meer her-
kenbaar is. De traditie om royaal om te gaan met de ruimte c.q. bouwkavels is gebleven. Een van de
geïnterviewde ondernemers concludeerde ietwat cynisch: ”Er zijn gelukkig niet zoveel monumenten in
Hoogeveen, dus je kunt rustig veel afbreken en de hoogte in gaan”.

De kern van de gemeente Hoogeveen is feitelijk opgesloten. Aan de westkant is er het spoor, de A28
en de ecologische verbindingszone, aan de zuidkant de A 37, aan de noordkant grootschalige en ruim
opgezette industrieterreinen en aan de oostkant het kanaal. Toch worden deze barrières steeds vaker
genomen, zoals bijvoorbeeld bij industrieterrein Buitenvaart 1. Het gevaar voor het ontstaan van onde-
finieerbare stadsrafelranden ligt op de loer. In de directe nabijheid van de kern van Hoogeveen liggen
Noordscheschut en Hollandscheveld. Het groene gebied tussen de kern van Hoogeveen en beide
dorpen is niet groot meer.

In de omgeving van Hoogeveen is een grote variatie aan landschappen te zien. In het onderzoek
‘Hoogeveen Platteland’ (Bureau PAU, 2002) is de ontstaansgeschiedenis, de vorm en structuur van
het landschap beschreven en zijn de gebruikers van het landelijk gebied, waarvan de landbouw een
belangrijke beeldbepalende is, beschreven. In dit hoofdstuk over productiemilieu gaat het vooral om
de belevingswaarde van het landelijk gebied rondom Hoogeveen. De omgevingskwaliteiten spelen in
deze belevingswaarde een belangrijke rol. Afwisseling in natuurgebieden en water, bos, akkers en
weilanden worden gewaardeerd door recreanten en bezoekers.
In Hoogeveen heeft de turfstekerij grote invloed gehad op het ontstaan van landschap, maar met de
gemeentelijke herindeling heeft Hoogeveen in het noorden aanzienlijk meer zandgebied gekregen,
waardoor de verscheidenheid van landschappen en culturen binnen de nieuwe gemeentegrens is
toegenomen. Deze diversiteit biedt voor recreanten een aantrekkelijk afwisselend decor. Ook uit de
interviews voor dit onderzoek blijkt de waardering voor het landelijk gebied rond Hoogeveen, waarbij
toch een voorkeur bestaat voor het typisch Drentse landschap in het noorden van de gemeente. De
belevingswaarde van het landelijk gebied van Hoogeveen is groter dan de kern van Hoogeveen.


7.2 Wonen

De gemeente Hoogeveen kan grofweg opgedeeld worden in drie woonmilieus: de kern zelf en veen-
en zanddorpen respectievelijk ten (zuid)oosten en ten noorden van de kern.

Door een sterke bevolkingstoename als gevolg van industrialisatie is de kern Hoogveen in de jaren 60
en 70 sterk gegroeid. Het resultaat van deze groei is nog steeds zichtbaar. In Hoogveen zijn relatief
veel ‘rijtjeswoningen’ gebouwd. In de jaren ‘80 en ‘90 is ten westen van de snelweg A28 De Weide,
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 40
verzamelnaam voor een aantal kleinere woonwijken, gebouwd. De jongste woonwijk van Hoogeveen
‘De Erflanden’ ligt ten zuiden hiervan aan de andere kant van de Hoogeveense Vaart.
De veendorpen en zanddorpen verschillen zozeer in ruimtelijk en historisch opzicht dat gesproken
mag worden van verschillende woonmilieus waarbij met name de zanddorpen de voorkeur genieten
van hoger opgeleiden en van ‘importbevolking’. De veendorpen zijn zeer geliefd bij de autochtone
bevolking. Er is in de gemeente Hoogeveen geen sprake van leegloop van de dorpen.

Welke vraag naar woningen is te verwachten naar aanleiding van de prognoses voor werkgelegenheid
tot 2030 uit hoofdstuk 4? Het blijkt dat het aantal arbeidsplaatsen in Hoogeveen vrijwel exact volgens
het nationaal gemiddelde toeneemt, maar dat de ontwikkeling van het aantal inwoners achterblijft bij
de nationale trend. Het aantal arbeidsplaatsen per inwoner ontwikkelt zich dus gunstig. Dit betekent
dat de vraag naar woningen vooral uit de autonome bevolkingsgroei zal komen en niet zozeer uit groei
in werkgelegenheid. In het onderzoek ‘Gedifferentieerd Wonen’ (Companen, 2002) wordt de vraag
naar woningen en het type woningen verder uitgewerkt.

Vanuit het perspectief van het productiemilieu zijn we in de interviews voor wat betreft het wonen ‘ta-
melijk anekdotisch’ het volgende tegengekomen:
Over het algemeen wordt het woningaanbod van Hoogeveen eenzijdig bevonden: er zijn teveel rij-
tjeswoningen en twee-onder-eenkappers en te weinig bijzondere vrijstaande huizen. Het woningaan-
bod zou zich volgens de geïnterviewde personen meer moeten richten op de volgende doelgroepen:
- Hoogopgeleiden van buiten de gemeente. Het is voor bedrijven moeilijk om hoogopgeleiden uit
andere delen van het land naar Hoogeveen te krijgen. Met name de grote ‘footloose’ bedrijven
kampen met dit probleem. Hoger opgeleid personeel kiest veelal óf voor steden als Groningen en
Zwolle óf voor de zanddorpen. Hoogeveen zou door bijzondere woningen in een bijzonder woon-
milieu aan te bieden deze mensen toch over de streep kunnen trekken.
- Ouderen die zich in luxe appartementen in/ nabij het stadscentrum willen vestigen omdat zij de
nabijheid wensen van allerlei voorzieningen op gebied van cultuur, winkels, en zorg; in feite gaat
het om drenteniers in de brede zin van het woord. Onder drenthenieren wordt in het algemeen
verstaan de trek van (vermogende) westerlingen die na het beëindigen van hun loopbaan willen
rentenieren in het rustige Drenthe. Maar hier gaat het ook om ‘eigen’ bevolking: ouderen die op
een gegeven moment besluiten het dorp in te ruilen voor de stad. Een projectontwikkelaar in vast-
goed gaf aan dat in vrijwel elke stad met een redelijk voorzieningenniveau luxe appartementen in
of nabij het centrum aftrek vinden.


7.3 Voorzieningen (winkels, onderwijs, congresfunctie)

Winkelvoorzieningen
Uit onderzoek door BRO (Hoogeveen, structuurvisie detailhandel (inclusief PDV)) blijkt dat het winkel-
aanbod in de kern Hoogeveen met 91.000 m² verkoopvloeroppervlak (vvo) aanzienlijk groter is dan
het landelijk gemiddelde in plaatsen met hetzelfde aantal inwoners van 37.700 (ca. 59.000 m² vvo).
De verklaring moet vooral gezocht worden in het feit dat de gemiddelde omvang van een winkel in
Hoogeveen 50% groter is dan het gemiddelde winkeloppervlak in Nederland. De grote winkels komen
voort uit de stedenbouwkundige gridstructuur van Hoogeveen. Ondanks de hoge koopkrachtbinding
en de relatief grote toestroom van winkelend publiek van buiten de gemeente (de gemeente gaat uit
van een verzorgingsgebied van 100.000 tot 120.000 personen) is de vloerproductiviteit door die groot-
schaligheid verhoudingsgewijs laag. Doordat winkelpanden veelal in eigendom zijn van de winkelier
zelf, kan de winkelier vaak met een lagere vloeromzet het hoofd boven water houden.
Toch is er leegstand te zien in met name de uiteinden van de Hoofdstraat, in de Schutstraat en in de
Tamboerpassage. Dit zijn tekenen dat het, ondanks de investeringen in de publieke ruimte van vijf jaar
geleden nog steeds niet optimaal gesteld is met het kernwinkelapparaat. Een makelaar in bedrijfson-
roerend goed gaf eveneens aan dat winkelpanden steeds moeilijker te verhuren zijn in Hoogeveen.
Winkeliers waren verdeeld over of er al dan niet sprake is van overbewinkeling. Dit kwam naar voren
tijdens een bijeenkomst waarin een sterkte-zwakte analyse voor het kernwinkelapparaat is gemaakt
(zie bijlage 12).

Aanbeveling: Het is op dit moment niet goed te zeggen of nu wel of niet sprake is van overbewinkeling
en hoe groot de kans op overbewinkeling is in de toekomst. Hier zou nader onderzoek naar gedaan
moeten worden als aanvulling op het onderzoek van BRO.

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 41
De winkels zijn vooral gericht op het lagere marktsegment. Van aanbod in het hogere segment is
nauwelijks sprake. Door geïnterviewde personen (zie bijlage 6) en tijdens de bijeenkomst met de win-
keliers (zie bijlage 12) wordt dit beeld bevestigd. Zij geven aan dat er geringe vraag is naar luxe goe-
deren, dat er sprake is van een door vraag gestuurd aanbod. De Hoogevener heeft is spaarzaam en
geeft niet makkelijk geld uit aan luxe producten. Hij is betrouwbaar in zijn bestedingen, zal niet snel
een nieuw product uitproberen maar wil wel waar voor zijn geld.





De Hoofdstraat met de kronkelende Cascade
(uit: Hoogeveen Markant, 1999)


Aanbeveling: Het kernwinkelapparaat is erg gericht op runshopping (snel de noodzakelijke bood-
schappen doen en dan weer op huis aan). De lange winkelstraat en het huidige betaald parkeren wer-
ken runshopping verder in de hand. Een maatregel die op korte termijn kan werken is aanpassing van
het parkeersysteem. Nu geldt nog een systeem van vooraf betalen. Achteraf betalen voor parkeren
draagt er toe bij dat winkelend publiek meer de tijd neemt om te kijken en te kopen, oftewel te fun-
shoppen. Een langer verblijf in het centrum draagt op zijn beurt weer bij aan een levendiger straat-
beeld en daarmee aan meer belevingswaarde.

Het aanpassen van de ruimtelijke structuur vergt aanzienlijk meer tijd en investeringen. De volgende
maatregelen zullen ons inziens op termijn moeten bijdragen aan een beter functioneren van het kern-
winkelapparaat:
- De parkeerterreinen aan de ‘achterkanten’ van de winkels kunnen verdicht worden met woning-
bouw waarbij het parkeren op of onder de grond c.q. uit het zicht verdwijnt. De nieuwe bewoners
brengen bestedingen in het kernwinkelapparaat met zich mee.
- De winkelstraat zal in de loop der tijd ingekort moeten worden door de winkelbestemming van
leegkomende winkels aan het uiteinde (het gedeelte tussen C&A en De Tamboer) op te heffen.
Mogelijk willen winkeliers in dit gedeelte nu al meewerken aan verplaatsing.
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 42
- Voor de (verkorte) winkelstraat moet een goed loopcircuit worden ontwikkeld. Dit kan door aan de
uiteinden grote publiekstrekkers te situeren zoals bijvoorbeeld de HEMA. Hierdoor ontstaat een
‘gedwongen’ loopcircuit. De Cascade waterkronkel kan zelfs op een positieve wijze dit ‘gedwon-
gen’ loopcircuit bevorderen. Hoewel ook wordt aangegeven door een aantal winkeliers dat de
Cascade als een barrière werkt die slenteren van de ene naar de andere winkel(zijde) bemoeilijkt.
- Ten noorden van de verkorte winkelstraat zou een verdere clustering op gang gebracht kunnen
worden van cultuur en horeca, langzaam overlopend in kantoren richting het station.
- Tot slot willen we opmerken dat het in de hand nemen van deskundigen op het gebied van win-
kelcentrumontwikkeling een goede investering is.


Onderwijs
In Hoogeveen is middelbaar beroepsonderwijs en volwassenenonderwijs te volgen in een aantal rich-
tingen, zoals gezondheidszorg, economie, educatie, welzijn en techniek.
Hoger beroepsonderwijs is in Drenthe geconcentreerd in Emmen, Assen en Meppel, maar niet in
Hoogeveen. Door interne strijd in de 19
e
eeuw tussen politieke partijen, maatschappelijke groeperin-
gen en geloofsgezindten zijn een groot aantal ontwikkelingen en initiatieven moeilijk van de grond
gekomen. Er kan gesteld worden dat Hoogeveen hierdoor de slag om het hoger beroepsonderwijs
heeft verloren. (uit: Geschiedenis van Hoogeveen 1815-1975, H. Gras, F. Nijstad e.a., 1995). Een
aantal ondernemers gaf tijdens de interviews aan het een gemis te vinden dat er geen hoger beroeps-
onderwijs is te volgen in Hoogeveen. Een HEAO werd als voorbeeld genoemd.

Het beleid van het Ministerie van OCSW is jarenlang gericht geweest op concentratie van het hoger
beroepsonderwijs, maar hierin is verandering te zien. Er worden door het ministerie verschillende initi-
atieven tot het oprichten van een studierichting in hoger beroepsonderwijs ondersteund.

Aanbeveling De gemeente Hoogeveen zou samen met het Hoogeveense bedrijfsleven een plan kun-
nen opstellen voor het oprichten van een of meer particuliere HBO studierichtingen.
Een tweede optie is het verwerven van MBO-plus opleidingen in Hoogeveen. MBO-plus is een tweeja-
rige beroepsopleiding (na HAVO/ VWO) in samenwerking met het bedrijfsleven en waarbij de praktijk
centraal staat. Na het volgen van MBO-plus is vaak een studieduurverkorting mogelijk in het HBO-
onderwijs. Een derde optie ligt in het met behulp van ICT aanbieden van studieprogramma’s via het
internet aan inwoners van Hoogeveen. Hierin zou de gemeente Hoogeveen samenwerking moeten
zoeken met HBO-instellingen en universiteiten die nu al colleges via internet aanbieden.


Congresfunctie
Alvorens de vraag te beantwoorden wat de slaagkansen zijn voor congresfuncties in Hoogeveen,
schetsen wij een beeld van de (Noord-Nederlandse) congresmarkt.

De congresmarkt kan opgedeeld worden in eendaagse en meerdaagse congressen. Bij meerdaagse
congressen is de economische betekenis voor de directe omgeving uiteraard groter dan bij eendaag-
se congressen. Door het Groningen Congres Bureau wordt de economische waarde per congresdeel-
nemer bij meerdaagse congressen in Noord-Nederland geschat op circa €225 per dag. Dit bedrag
wordt besteed aan overnachting, catering en vervoer e.d.. Voor eendaagse congressen geldt een
aanzienlijk lager bedrag van €40 per dag per deelnemer.

Voor meerdaagse congressen is - naast congresaccommodatie – voldoende hotelcapaciteit een abso-
lute vereiste. Daarnaast zijn stedelijke allure, voldoende cultureel aanbod en kwaliteitsrestaurants van
belang. In Noord-Nederland vindt negentig procent van de meerdaagse congressen in de stad Gro-
ningen (900 bedden) plaats. De aanwezigheid van instellingen als de Rijksuniversiteit, het Acade-
misch Ziekenhuis en enkele grote internationaal georiënteerde bedrijven vormen de belangrijkste aan-
jagers voor deze meerdaagse congressen.

Tabel 7.1 geeft voor Nederland weer in welke plaatsen de meeste meerdaagse internationale con-
gressen plaatsvinden.
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 43

Tabel 7.1 Top 10 plaatsen met meeste meerdaagse congressen, 2000 en 2001
Rangorde Aantal internationale congressen
2001 2000 Stad 2001 2000

1 3 Amsterdam 425 133
2 1 Noordwijk 178 201
3 4 Maastricht 106 116
4 5 Groningen 72 75
5 8 Regio Eindhoven 46 46
6 9 Utrecht 43 28
7 7 Noordwijkerhout 41 55
8 * Dalfsen 8 15
9 10 Enschede 6 18
10 * Tilburg (KUB) 4 5
Overig 10 71
2 Rotterdam Geen opgave 173
6 Den Haag Geen opgave 64
Toelichting: * kwam niet in het overzicht van 2000 voor. Voor Dalfsen zijn congressen toe te wijzen aan religieus
congrescentrum De Bron (Bron: Nederlands Congres Bureau, 2002)


Hoogeveen kan in de meerdaagse congresmarkt geen enkele rol van betekenis spelen, omdat er met
slecht 100 bedden onvoldoende hotelcapaciteit is. Voor eendaagse congressen biedt Theater-
Congrescentrum De Tamboer al een goed onderkomen. Congressen kunnen hier bovendien eenvou-
dig verrijkt worden met theater zodat een congres meer belevingswaarde krijgt.
In de omgeving van Hoogeveen, in met name de aantrekkelijke landelijke gebieden in Drenthe, Noord-
Oost Overijssel, het Vechtdal en Zuidwest Friesland, zijn een aantal congresaccommodaties vooral
ondergebracht in hotels. Nabij gelegen stedelijke congresaccommodaties zijn er in Emmen en in de
provinciale bestuursteden Zwolle en Assen.

Met een redelijke vertegenwoordiging van kennisintensieve industrie in Hoogeveen (en de regio) en
de aanwezigheid van non-profit kantoorfuncties met een regionaal werkgebied, zou er een geringe
vraag kunnen zijn naar eendaagse congresaccommodatie. Dit beeld kwam ook naar voren uit de in-
terviews waarbij werd opgemerkt dat er bovendien uitwijkmogelijkheden buiten Hoogeveen zijn.
Meer belang hechten de geïnterviewde personen aan goede vergaderruimte, overnachtingsmogelijk-
heden en kwaliteitsrestaurants in Hoogeveen.


7.4 Leisure

Om de marktpotentie voor leisure activiteiten en kansrijke ontwikkelingen voor Hoogeveen te onder-
zoeken, omschrijven we eerst het begrip leisure, afgezet tegen de traditionele “vrije tijdsactiviteiten”.
De wereld van “leisure” is breed en sterk in ontwikkeling, daarom zijn de praktijkervaringen van attrac-
ties en leisure-evenementen leerzaam.


Wat is leisure (spreek uit als liesjur)?
Het begrip leisure slaat op een groot aantal activiteiten in de vermaaksfeer. Leisure gaat uit van een
manier van ervaren en beleven, door een individu of een groep op een bepaald tijdstip (= de bele-
vingseconomie). Leisure moet in een presentatie of zakelijke lezing zitten om de aandacht van het
publiek vast te houden en de beddenfabrikant Auping maakt bijvoorbeeld reclame voor zijn bedden als
een onderdeel van leisure en lifestyle.
Het begrip “leisure” is breder en ruimer dan de strikte activiteiten in de vrije tijdsfeer. “Vrij besteedbare
tijd” slaat op de tijd die resteert na de tijd om te werken, de tijd om te slapen, het begrip is dus geba-
seerd op een tijdsindeling en -verdeling op een dag. Het scherpe onderscheid tussen werk- en vrije
tijd is aan het verdwijnen. Door de flexibilisering van de tijdbesteding, de veranderingen van winkel-
sluitingswet, openingstijden van musea en andere verzorgings - en voorzieningencentra, ontstaat er
meer bewegingsruimte om de dagelijkse en andere periodieke tijdsindelingen voor ieder individu of
groep te plannen.
Ook op het gebied van winkelen verdwijnt die scheiding: “verplichte” boodschappen doen (runshop-
ping) kan door aanvulling met voldoende leisure-elementen veranderen in ‘funshopping’.
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 44
De verandering van de winkeltijdenwet, waardoor het stadscentrum en het kernwinkelapparaat ook op
zondag open is, heeft dit versterkt. Winkelcentra hebben ontdekt dat zij als leisure centra geduchte
concurrenten zijn van elkaar en van pretparken en andere leisure activiteiten. De toename van brade-
rieën in buurtwinkelcentra om de aandacht van de klant te behouden, is een niet meer weg te denken
fenomeen. Na sport besteden de meeste mensen hun vrije tijd (en geld) het liefst aan winkelen.
Samenhangend met de trend van emancipatie en liberalisatie veranderen de normen en waarden. Er
is niet langere één overheersende opvatting over kunst, schoonheidsideaal of geloof en hoe een ten-
toonstelling moet worden beleefd (postmodernisme). Het grote verschil tussen kunst met een grote K
en die met een kleine k is in de afgelopen jaren sterk gereduceerd. De musea in Amsterdam en ande-
re grote steden zijn op zondag een belangrijke leisureplaats (cultuurpaleizen) geworden. Museumcu-
ratoren spelen in op die commerciële trend door thema’s te kiezen die verzekerd zijn van grote publie-
ke belangstelling.
Commercieel gezien is het verschil niet erg groot meer tussen een goed draaiende tentoonstelling,
een druk bezochte markt voor handarbeid en hobby of het bezoeken van een pretpark, en het verschil
in oorsprong (educatief, cultureel of commercie) speelt tegenwoordig nauwelijks meer een rol.


De leisure-markt
Tracy Metz heeft in haar boek ‘Pret!’ een palet van attractieparken en leisure evenementen beschre-
ven, zoals het Lowlandsfestival in Biddinghuizen, de Gay Parade in Amsterdam, de Uitmarkten, dan-
cefestivals en -parades in recreatiegebieden, op haventerreinen en in binnensteden, attractiepark Six
Flags, loungen op het strand in Bloemendaal, de Drie Dwaze Dagen in de Bijenkorf, bezinningscentra
in het landelijk gebied, theaterfestival Oerol op Terschelling, kunstskibanen en megabioscopen langs
snelwegen etc.. De formules zijn vaak gericht op bepaalde doelgroepen en slaan soms ook bij het
grote publiek aan.
Veel leisure-evenementen is echter geen lang leven beschoren, zoals bijvoorbeeld New Metropolis,
Show Bizz City, Miracle Planet in tussen Hengelo en Enschede (120 mln. gulden), Archeon in Alphen
aan de Rijn (tientallen mln. guldens), maar ook op iets kleinschaliger niveau is het Aquariom in Delfzijl
(5 mln. gulden) een voorbeeld van een mislukt project. Reinoud van Assendelft stelt: ‘Een veel ge-
maakte fout is dat er teveel gedacht wordt in thematisering: ‘gooi er een leuk sausje overheen en het
publiek komt wel! Er wordt teveel gedacht in vorm en niet aan emotie, aan belevingswaarde. Het pu-
bliek kiest juist voor die initiatieven die op iets echts zijn gebaseerd, op meer emotie en diepgang.
Natuurlijk met een steeds hogere perfectiegraad in de presentatie. Daarom zullen de musea in de
komende jaren aan bezoekers winnen als ze hun presentatie tenminste upgraden. Publiek kiest voor
diepgang en emotie. Natuurlijk als compensatie voor het jachtige materiële leven dat we met z’n allen
achterna hollen. Als gevolg daarvan zullen we de komende jaren ook beslist een toename van de
religieuze beleving meemaken.’
De concurrentie tussen leisure-activiteiten onderling is hevig en regelmatige investeringen zijn nodig
om ‘in’ te blijven bij het publiek. In bijlage 9 is een artikel uit het NRC Handelsblad opgenomen die
bovenstaande gevoeligheden in de leisuremarkt onderstreept. De vraag naar kansrijke leisure-
activiteiten in Hoogeveen is daardoor geen eenvoudige vraag.


Leisure in Hoogeveen
De aanleiding voor de onderzoeksvragen omtrent leisure is onder andere gelegen in aanvragen die
een aantal ondernemers heeft ingediend bij de gemeente Hoogeveen. De aanvragen betroffen het
initiëren van een breed scala aan leisure-activiteiten in Hoogeveen. Geclusterd naar soort activiteit
kwamen de aanvragen neer op sportvoorzieningen (squashcentrum, klimcentrum, indoorskibaan en
manege), horeca en uitgaan (discotheek en uitgaanscentrum) en een aantal zeer verschillende leisu-
re-voorzieningen zoals een jachthaven, een evenementenhal en een overdekte vrijmarkt. Deze leisu-
re-voorzieningen vergen ieder hun eigen ruimte en locatie. Naast deze ondernemersinitiatieven is het
zinvol om te inventariseren wat de bevolking in Hoogeveen en de omliggende regio zou wensen op
het gebied van leisure, zodat er een zeker draagvlak voor de activiteiten ontstaat. Rekening houdend
met dit potentiële aanbod en deze mogelijke vraag, zien wij mogelijkheden voor het concentreren en
verder ontwikkelen van leisure-voorzieningen op twee locaties aansluitend op de daar al aanwezige
voorzieningen: het centrum en het Bentinckspark.
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 45

… in het centrum
Het kernwinkelapparaat van Hoogeveen biedt een aanknopingspunt, bij upgrading profiteren zowel
bewoners als bezoekers daar van. Een gegeven is verder dat Hoogeveen door de ligging in een toe-
ristisch aantrekkelijk landelijk gebied, bij uitstek geschikt is voor het onderbrengen van een ‘slechtweer
accommodatie’. Beiden samengevoegd betekent dit dat men rondom de Tamboer waar men een cul-
tuurcluster zou kunnen formeren (met glasmuseum, museum De 5000 Morgen, bibliotheek, bioscoop),
een accommodatie in de leisuresfeer zou kunnen toevoegen. Hier kan gedacht worden aan bijvoor-
beeld een evenementenhal waarin 3D-games gespeeld kunnen worden gecombineerd met (andere)
lichte vormen van educatie. Het cultuurcluster en een divers en kwalitatief hoogwaardig aanbod van
horeca en uitgaansgelegenheden kunnen elkaar versterken.
Eveneens zou het goed zijn om in het centrum iets van de oude kanalen weer terug te laten komen.
De eens gedempte kanalen zouden weer voor een deel open gegraven kunnen worden. Er kan dan,
gecombineerd met een jachthaven, een aangenaam verblijfsklimaat ontstaan voor zowel bewoners als
bezoekers (vaarrecreanten). In het onderzoek naar recreatie en toerisme ten behoeve van de Struc-
tuurvisie door Bureau Van der Tuuk wordt op deze mogelijkheid nader ingegaan.


… in het Bentinckspark
Sport biedt eveneens aanknopingspunten voor het verder ontwikkelen van leisure-voorzieningen. Het
blijkt dat Hoogeveen een zeer actief sportverenigingsleven kent en relatief goede sportvoorzieningen.
Een groot aantal daarvan is geconcentreerd in het Bentinckspark. Uit een nog niet afgerond onder-
zoek naar sportvoorzieningen door Hopman Andres Consultants blijkt dat op het Bentinckspark enige
ruimte vrij kan komen. De verwachting van Hopman Andres Consultants is dat de behoefte-
ontwikkeling ten aanzien van de huidige (sportverenigings-)voorzieningen in het Bentinckspark in
2017 kan resulteren in een technische overcapaciteit van een aantal velden met een gezamenlijk
grondoppervlak van circa 1,5 hectare. Praktisch gezien zal hiervan slechts een deel kunnen worden
benut doordat de theoretisch “overbodige” velden zich verspreid over het sportpark bevinden. Wan-
neer de gemeente hier nog geen andere bestemming voor gevonden heeft, is het aan te bevelen deze
ruimte te vullen met een aantal van de eerder genoemde ondernemersinitiatieven, zoals een squash-
baan, een klimmuur en eventueel een indoorskibaan. Het park kan dan niet alleen voor bewoners
maar ook voor toeristen iets bieden, ook bij slecht weer. Met name een klimmuur en indoorskibaan
hebben een regionale aantrekkingskracht. Het is van belang dat de locatie niet alleen per auto, maar
ook per openbaar vervoer goed bereikbaar is. Een grote doelgroep, jongeren, is namelijk vooral aan-
gewezen op het openbaar vervoer. Met de auto is het Bentinckspark vanaf de A37 en A28 (en daar-
mee vanuit de aantrekkelijke toeristische gebieden in midden Drenthe) goed bereikbaar.

Geconcludeerd kan worden dat de gemeente Hoogeveen naar onze mening bij de verdere ontwikke-
ling van leisure in moet zetten op het verder uitbouwen en versterken – daarbij optimaal inspelend op
bewonerswensen - van de al aanwezige leisure-voorzieningen in het centrum en het Bentinckspark.
In het Casco-TROP meent de provincie Drenthe dat er in Drenthe nog ruimte en behoefte zou zijn
voor een (mega-)attractie. Hoogeveen wordt genoemd als een gemeente met een gunstige ligging
voor een dergelijke attractie en waar op dit moment bovendien nog weinig attracties te vinden zijn.
Wanneer Hoogeveen een (mega-)attractie naar zich toe wil trekken (het onderzoek naar recreatie en
toerisme door Bureau Van der Tuuk gaat hier nader op in), zal de gemeente Hoogeveen de risico’s en
de eerder beschreven ontwikkelingen op de leisure-markt goed in het achterhoofd moeten houden.


Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 46
HOOFDSTUK 8: CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN


8.1 Productiestructuur

1. Hoogeveen in zijn regio en soortgenoten
In het voorgaande hebben wij Hoogeveen vergeleken met de gemeenten uit het Stedelijk Netwerk
Zuid Drenthe (”de regio”) en met andere vergelijkbare gemeenten (”soortgenoten”). Daaruit blijkt dat
de werkgelegenheidsfunctie (het aantal banen per duizend inwoners van 15-65 jaar) van Hoogeveen
boven het nationaal gemiddelde ligt en ruim boven het gemiddelde van de regio (zie tabel 1.1). De
werkgelegenheidsfunctie van de soortgenoten is iets hoger dan van Hoogeveen, waarschijnlijk mede
doordat in Hoogeveen het aandeel landelijk gebied wat hoger is dan het gemiddelde van de soortge-
noten.
In de ruimtelijk economische termen van overdruk-, onderdruk- en stabiele gebieden moet Hoogeveen
tot de stabiele gebieden worden gerekend. In zulke gebieden gaat het met name om verbetering van
kwaliteit en ruimtelijke transformaties en veel minder om kwantitatieve gebiedsuitbreidingen voor wo-
ningbouw of bedrijven. In het Stedelijk Netwerk Zuid-Drenthe bevinden Hoogeveen en Meppel zich in
een gebied met stabiele druk (locatiequotiënten van 107 resp. 122), terwijl de gemeenten in de ooste-
lijke driehoek van het netwerk zich in een onderdruksituatie bevinden.


2. MKB
De werkgelegenheid van Hoogeveen is voornamelijk gebaseerd op het midden- en kleinbedrijf en wel
in de industriële en distributiesector. Binnen het MKB zijn er relatief veel kleine bedrijven tot 5 werk-
nemers. Het MKB vormt als het ware de ruggengraat van de Hoogeveense economie. De onderne-
merszin is sterk in Hoogeveen en er zijn bedrijven die onverwachts grote markten bedienen.
De grote, vaak internationaal opererende bedrijven die hun hoofdkantoren elders hebben, zijn in prin-
cipe ‘footloose’ (niet aan Hoogeveen gebonden), maar door hun aandeel in de werkgelegenheid van
Hoogeveen, zijn zij wel heel belangrijk. Dat dergelijke bedrijven er misschien voor kiezen om hun pro-
ductiewerkzaamheden op langere termijn naar elders te verplaatsen, is een risico dat elke gemeente
in Nederland moet nemen. Wanneer bij dergelijke bedrijven sprake is van een afdeling voor Research
en Development (R&D) dan zal Hoogeveen deze bedrijven extra moeten koesteren, gezien de moge-
lijke spin off die R&D ontwikkelingen met zich meebrengen voor de directe regio. Bovendien komt dit
het imago van Hoogeveen ten goede en worden hoger opgeleiden aangetrokken.


3. Prognoses bedrijfsterreinen
In de afgelopen 5 jaar lag de uitgifte bedrijfsterreinen van Hoogeveen bijna drie keer zo hoog als het
nationaal gemiddelde (36,9 netto ha. per duizend inwoners tegenover 13.0 netto ha. per duizend in-
woners.). Daarmee is de uitgifte van Hoogeveen hoger dan de gemiddelde van de regio (26,4 ha.) en
lager dan zijn soortgenoten (40,3ha.).
Deze zeer hoge uitgiftecijfers van de laatste jaren zullen niet over langere periode volgehouden kun-
nen worden, met name omdat al een groot deel van het Hoogeveense bedrijfsleven op bedrijventer-
reinen zit (en er dus minder verplaatsingen te verwachten zijn), een voortgaande verdere extensive-
ring van ruimtegebruik nauwelijks denkbaar is – ook al gegeven het langzamerhand opkruipen van de
prijzen - en tenslotte omdat geen spectaculaire groei in het verschiet ligt zoals bij sommige plaatsen in
de uitstralingszone van de Randstad. Hoogeveen is voor deze uitstralingseffecten niet gunstig genoeg
gelegen. Berekeningen op basis van een prognosemodel wijzen uit dat een uitgifte van 7 hectare per
jaar tot 2015 waarschijnlijk is bij een groei van het aantal inwoners tot 55.000 in 2030 (het PRIMOS
scenario), en daarna tot 2030 een uitgifte van iets minder dan 5 hectare per jaar. Volgens het POP
scenario (een groei van het aantal inwoners tot 60.000 in 2030) zal de uitgifte 8 hectare per jaar be-
dragen tot 2015 en ruim 6 hectare per jaar tot 2030.


4. Wonen op bedrijfsterreinen
De behoefte om te wonen in de directe omgeving van het eigen bedrijf, is een oude traditie in Hooge-
veen. Over het algemeen botst dit met de voorschriften van het bestemmingsplan voor bedrijventer-
reinen. Toch is, vanuit het perspectief van ondernemersschap en het faciliteren van het MKB bekeken,
een vorm van gedoogbeleid op zijn plaats. De woningen zullen in een aparte zone van het bedrijfster-
rein moeten worden gegroepeerd in verband met (geluids)overlast en het wonen en werken zal aan
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 47
bepaalde randvoorwaarden moeten voldoen. Ten eerste zal de prijs van de kavel gelijk getrokken
moeten worden met de prijs van een woonkavel en ten tweede moeten er voorwaarden gesteld wor-
den aan vorm /bebouwing en groeimogelijkheden. Het is beter vanaf het begin helder te zijn over de
beperkingen dan, wanneer het bedrijf al gevestigd is, in een conflictsituatie te raken.


5. VAL bedrijven
Gezien de ligging van Hoogeveen aan de kruising van de A28 en de A37 (momenteel nog voor een
deel N37), is het niet verwonderlijk dat bedrijven in de distributie- en transport sector goed vertegen-
woordigd zijn in Hoogeveen. Toch is het door veranderingen in de economie en in het transportwezen
in Europa van groot belang dat deze sector zich verder ontwikkelt in de richting van de zogenaamde
‘VAL- bedrijven’(het scheppen van een hogere toegevoegde waarde in de logistieke keten). Voor het
verkrijgen van VAL-bedrijven is een acquisitie-inspanning nodig waarbij de gemeente Hoogeveen zich
zou moeten profileren in het Stedelijk Netwerk.

In 2003 zal de A37 definitief gereed komen, en met de verdubbeling van de A31 (de Emslandlinie in
Duitsland) in 2005 ontstaat een belangrijk kruispunt. Het zou verstandig zijn om de voorbereidingen
van de Structuurvisie ook in dit perspectief te plaatsen. Met het voorbereiden van een publiciteitsof-
fensief om het (inter-)nationale bedrijfsleven te wijzen op de unieke vestigingsplaatsvoordelen, zal op
ruimtelijk gebied het een en ander op orde moeten komen (bedrijfsterreinen, kantoorlocaties, woning-
bouw). De publiciteitscampagne kan in het kader van het Stedelijk Netwerk worden gedaan. Hooge-
veen kan via dit vehikel tevens iets aan haar imago doen (zie verder punt 10)


6. Zakelijke Dienstverlening
Zo geleidelijk als de transformatie en diversificatie van de economie van Hoogeveen naar de trans-
port- en distributiesector is verlopen, zo moeizaam lijkt de overgang naar de zakelijke dienstverlening,
die over het algemeen profijtelijk is. Voor een deel kan dit worden verklaard doordat veel midden- en
kleinbedrijven niet voldoende vraag genereren naar zakelijke dienstverlening. Ook is dit deels een
uitvloeisel van het Rijks- en Provinciaal beleid, waarbij overheidsinstellingen zich met name in de
hoofdsteden van de provincies concentreren.
Het is spijtig dat een instelling als de Kamer van Koophandel uiteindelijk niet naar Hoogeveen is ver-
huisd, omdat het een begin had kunnen zijn voor de concentratie van kantoren rondom het station. In
het Stedelijk Netwerk Zuid-Drenthe wordt gewag gemaakt met de mogelijke spoor- en stationsaan-
passingen in het kader van de Hanzelijn-plus. Wanneer in Stedelijk Netwerkverband gepleit wordt
voor een intercitystop bij station Hoogeveen, kunnen de vestigingsvoordelen voor kantoren op die
locatie op basis van bereikbaarheid voor auto en openbaar vervoer- nog sterker naar voren komen.
In het verleden lag de uitgifte van kantoorruimte per jaar rond de 1.600 m². Hoogeveen scoort in de
periode 1996-2001 hoger dan de regio (49 m² versus 32 m² per 1000 inwoners van 15-64 jaar), maar
lager dan de soortgenoten en heel Nederland (77 m² respectievelijk 123 m²). De prognoses voor kan-
toren in Hoogeveen gaan uit van een uitgifte van 1500 m² per jaar tot 2015 (volgens het PRIMOS
scenario) of 1800 m² per jaar tot 2015 volgens het POP scenario.

Gezien de huidige ‘dip’ in de kantorenmarkt, zal een gerichte acquisitie moeten worden gevoerd om
zakelijke dienstverlening naar Hoogeveen te halen; daarbij hoort tevens de verdere voortgang in de
planvorming rondom de stationslocatie.


8.2 Productiemilieu

Het productiemilieu betreft in feite alles wat betrekking heeft en van invloed is op de productiestructuur
van een gemeente of stad.

7. Botsende ambities en culturen
Veel ondernemers zijn van mening dat Hoogeveen een goed begin heeft gemaakt met het tot stand
brengen van De Tamboer en dat op die lijn verder beleid moet worden gevoerd om zo Hoogeveen
verder ‘in de vaart der volkeren te kunnen opstoten’. Nu ontbreekt een wervend woonmilieu om hoog-
waardig personeel naar Hoogeveen te lokken, en het kernwinkelapparaat is van een te laag niveau
om te voldoen aan de eisen van mensen die werkzaam zijn in de zakelijke dienstverlening of werk-
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 48
zaam zijn bij internationaal georiënteerde bedrijven. Nieuwe bewoners in Hoogeveen zouden kunnen
bijdragen aan een groter draagvlak voor (culturele) vernieuwingen en een kwaliteitsslag.
Maar er zijn ook grote groepen bewoners in Hoogeveen en de dorpen die best tevreden zijn met
Hoogeveen zoals het nu is, zeker zolang het goed gaat met hun werk, familie, kerk of vereniging
waarmee zij zich verbonden voelen. Voor hen ‘hoeft het niet zo nodig’ en ‘doe maar gewoon dan doe
je al gek genoeg’. Hun ambities zijn veelal direct te relateren aan hun dagelijkse materiele en geeste-
lijke behoeften zoals een woning, een opleidingsmogelijkheid, een goed functionerende gezondheids-
zorg, de mogelijkheden van sport en vertier. Luxe goederen, luxe vormen van dienstverlening of cul-
tuur met een grote C hebben voor hen geen prioriteit.
Deze basale en functionalistische levenshouding botst met de huidige overheersende cultuur waarbij
iedere gemeente zich moet profileren ten opzichte van zijn wijdere omgeving, gevoelig is voor status
en uitstraling en sterke behoefte heeft aan projecten of prestaties waar ze haar identiteit aan kan ont-
lenen. Om deze botsende ambities te overbruggen zou gezocht moeten worden naar een gemeen-
schappelijke noemer zoals bijvoorbeeld de vestiging van een HEAO, een hogeschool voor de auto of
voor sport in Hoogeveen.


8. Fysieke omgeving
De kwaliteit van de gebouwde omgeving in Hoogeveen wordt in zijn algemeenheid niet positief be-
vonden. Het ontbreekt er aan een historische kern, het is wijdlopig en niet gezellig, de bedrijfsterreinen
vertonen vele gaten die nog verkocht moeten worden en het woonmilieu in de kern van Hoogeveen -
inclusief de pas gerealiseerde Erflanden - zijn geen toonbeelden van hoogwaardige architectuur, noch
van goed functionerende stedenbouwkundige concepten. Over de buitengebieden wordt veel positie-
ver geoordeeld door haar verschillen in landschapstypen. Een probleem vormen de stadsrandgebie-
den die door de toenemende uitdijing van de kern verworden tot rafelzones en onduidelijke over-
gangsgebieden met het landelijk gebied.


9. Het kernwinkelapparaat
Iedereen is het er over eens dat het kernwinkelapparaat een matige uitstraling heeft en dat er kwali-
teitswinkels ontbreken. Er is volgens onderzoek van BRO sprake van een overbewinkeling als men de
verkoopvloeroppervlakte als criterium neemt. Nader onderzoek hiernaar en naar de eigendomsver-
houdingen van winkelpanden is gewenst. Een ander aspect is het ontbreken van een winkelcircuit.
Op termijn zal men moeten streven naar een compacter winkelgebied, terwijl rond de Tamboer een
clustering kan komen van cultuur en horeca.


10. Leisure
De leisuremarkt is erg trendgevoelig – het is niet eenvoudig om ‘in’ te blijven bij het publiek, en de
concurrentie is hevig. Deze gevoeligheden vragen om een doordachte aanpak van leisure-
ontwikkeling in Hoogeveen. Er zal bij de ontwikkeling goed aangesloten moeten worden bij de wensen
van de bevolking om een breder draagvlak te verkrijgen. Naast de eigen inwoners, kunnen leisure-
voorzieningen in Hoogeveen ook toeristen trekken die veelal verblijven op de Drentse zandgronden.
Drenthe heeft relatief weinig te bieden aan slechtweer voorzieningen. Hoogeveen zou hierop in kun-
nen spelen met leisure-activiteiten.
Hiermee rekening houdend zien wij mogelijkheden voor het concentreren en verder ontwikkelen van
leisure-voozieningen op twee locaties, aansluitend op de daar al aanwezige voorzieningen: het cen-
trum en het Bentinckspark. In het centrum gaat het dan om upgrading van het kernwinkelapparaat, de
vorming van een cultuurcluster rondom de Tamboer en het weer uitgraven van een deel van de ge-
dempte kanalen in combinatie met een jachthaventje. In het Bentinckspark gaat het om het opvullen
van mogelijk beschikbaar komende ruimte met andersoortige sportfaciliteiten zoals squash, een klim-
centrum en eventueel een indoor skibaan. Een goede bereikbaarheid per auto en zeker met het
openbaar vervoer is een belangrijke voorwaarde.


11. Imago van Hoogeveen.
Uit zowel gesprekken met diverse personen in het kader van het onderzoek naar het Stedelijk Net-
werk Zuid Drenthe waar Hoogeveen als één van de zes gemeenten toe behoort, als uit interviews in
de gemeente Hoogeveen zelf, blijkt dat er sprake is van een negatief imago van Hoogeveen en een
negatief zelfbeeld. Dit wordt enigszins gelegitimeerd door de ‘rechte tellingen’ van CBS-statistieken
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 49
waaruit af te lezen is dat in Hoogeveen de scholingsgraad achterblijft bij het Nederlandse gemiddelde
en evenzo de inkomens. De ‘samengestelde’ statistieken, die gebruikt worden om tot conclusie 1 te
komen, geven een complexer, doch beter beeld hoe Hoogeveen functioneert ten opzichte van zijn
omgeving.
Een andere reden voor het negatieve imago van Hoogeveen kan uit de historie worden verklaard: de
veenarbeiders die uit traditie weinig scholing en een laag inkomen hebben of met protestgroepen ter
linker- en ter rechterzijde van het politiek firmament die tegen de ‘heren met de hoge hoed’ zijn. Het
non-gouvernementele gedrag van bevolkingsgroepen hoeft niet te betekenen dat er ‘geen land mee te
bezeilen is’, maar vergt van de lokale overheid een specifieke manier van communiceren en interactief
besturen.
Het is aan te bevelen om naast het traject van de Structuurvisie, ook een beleid te ontwikkelen dat
leidt tot imagoverbetering van Hoogeveen. Wellicht kan men dit koppelen aan de publiciteitscampagne
rond het gereed komen van het knooppunt A37 en de Emslandlinie in 2005 (zie punt 5).












Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 50
OVERZICHT BIJLAGEN

Bijlage 1: Methoden en technieken bij kwantitatieve analyse

Bijlage 2: Kwalitatieve analyse: Interviews en enquête

Bijlage 3: Indeling in gebieden en economische sectoren

Bijlage 4: Indeling in economische sectoren en clusters

Bijlage 5: Gehanteerde gegevens

Bijlage 6: Geïnterviewde personen

Bijlage 7: Interviewvragen voor onderdeel ‘werken’ t.b.v. Structuurvisie Hoogeveen

Bijlage 8: Vragen enquête woon-werkmogelijkheden in de gemeente Hoogeveen

Bijlage 9: Van hiphop naar heritage (bron: NRC, 7 september 2002)

Bijlage 10: Uitgifte bedrijventerreinen 1996-2001 nader geanalyseerd

Bijlage 11: Invloed aanleg bedrijventerrein (55 hectare) op ontwikkeling aantal inwoners

Bijlage 12: Uitkomsten SWOT-analyse kernwinkelapparaat Hoogeveen

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 51
Bijlage 1: Methoden en technieken bij kwantitatieve analyse

Om tot prognoses voor de ontwikkeling van het aantal arbeidsplaatsen, de nieuwbouw van kantoren
en de uitgifte van bedrijventerreinen te komen is eerst een prognosemodel voor het aantal arbeids-
plaatsen opgesteld. De resultaten daarvan dienden als basis om de te verwachten ontwikkeling van
de nieuwbouw aan kantoorruimte en de uitgifte van bedrijventerreinen te bepalen.

De methodiek voor het prognosemodel voor de werkgelegenheid en de vertaling daarvan naar de
nieuwbouw van kantoren staat in de hoofdtekst. Hier wordt specifiek ingegaan op de methodiek om
vanuit werkgelegenheidsprognoses te komen tot de vraag naar bedrijventerreinen. Daarvoor wordt
een zelfde type methodiek gehanteerd als in de BedrijfsLocatieMonitor van het CPB.

De vraag naar bedrijventerreinen wordt bepaald door drie componenten. Ten eerste door de ontwikke-
ling van de werkgelegenheid, ten tweede door het deel van de werkgelegenheid dat op formele bedrij-
venterreinen is gevestigd (‘effect verplaatsingen’) en ten derde door wijzigingen in het gemiddelde
ruimtebeslag per werknemer. De vraag naar bedrijventerreinen is daarbij steeds bepaald voor de drie
Lange Termijn scenario’s van het CPB (Divided Europe, European Coordination en Global Competiti-
on).
De eerste component, de ontwikkeling van het aantal arbeidsplaatsen, is in hoofdstuk vier bepaald. Er
wordt daarbij voor de vertaling naar vraag naar bedrijventerreinen een onderscheid aangebracht tus-
sen 26 economische sectoren.
De tweede component bestaat uit het bepalen welk deel van de werkgelegenheid op een formeel be-
drijventerrein is gevestigd. Bedrijven verplaatsen regelmatig uit woonwijken of uit het buitengebied
naar bedrijventerreinen. Het Centraal Planbureau heeft per provincie en per economische sector be-
paald welk deel van de bedrijvigheid nu en voor verschillende peiljaren in de toekomst, op bedrijven-
terreinen is gevestigd. Indien dat aandeel toeneemt, zal er dus zelfs bij gelijkblijvende werkgelegen-
heid vraag naar bedrijventerreinen zijn. Opgemerkt moet worden dat het CPB aanneemt dat het tem-
po van verplaatsing naar formele bedrijventerreinen toe zal nemen bij hogere economische groei. Dat
is in het model ingebracht door met verschillende toekomstige aandelen per Lange Termijn scenario
te werken (de hoogste aandelen van werkgelegenheid op bedrijventerreinen in GC en de laagste in
DE).
De derde component bestaat uit het effect van het veranderen van het gemiddeld ruimtebeslag per
werknemer. Per economische sector is door het CPB vastgesteld hoe sterk die wijziging is. Dat ver-
schilt niet alleen tussen sectoren, maar ook tussen de drie Lange Termijn scenario’s. Aangenomen
wordt door het CPB dat de toename van het ruimtebeslag per werknemer hoger zal zijn naarmate de
economische groei hoger is. Naast verschillen in groeitempo van het ruimtebeslag per werknemer (het
zogenaamde ‘terreinquotiënt’) zijn ook de huidige verschillen in terreinquotiënten tussen sectoren en
tussen provincies vastgesteld.

Via deze procedure kan voor een gemeente als Hoogeveen de vraag naar bedrijventerrein worden
bepaald op basis van de volgende informatie:
• Werkgelegenheid per economische sector (26 in totaal), nu en voor 2015 en 2030 voor de drie
LT-scenario’s.
• Het deel van de werkgelegenheid dat per economische op een formeel bedrijventerrein is ge-
vestigd, nu en voor 2015 en 2030 voor de drie LT-scenario’s. Daarbij wordt uitgegaan van
provinciale gemiddelden.
• Het ruimtebeslag per werknemer per economische sector, nu en voor 2015 en 2030 voor de
drie LT-scenario. Daarbij wordt uitgegaan van provinciale gemiddelden.

Nadat in eerste ronde op basis van provinciale gemiddelden per jaar en scenario de vraag naar be-
drijventerreinen is bepaald, vindt nog een ijking plaats. Dat gebeurt door de ratio te bepalen van de
feitelijk uitgegeven hoeveelheid bedrijventerreinen in Hoogeveen per 1 jan. 2001 (310.6 hectare netto)
en de berekende vraag. Met deze ratio worden de voor de toekomst berekende hoeveelheden bedrij-
venterrein vermenigvuldigd. Daardoor vindt dus een correctie plaats voor het feit dat het feitelijke deel
van de bedrijvigheid dat zich op een bedrijventerrein bevindt en/of het feitelijke ruimtebeslag per
werknemer in Hoogeveen af kan wijken van het provinciaal gemiddelde. Er wordt dus gecorrigeerd
voor verschillen in uitgangssituatie, maar voor de verdere ontwikkeling van verplaatsingen naar bedrij-
venterreinen en de groei van het ruimtebeslag per werknemer wordt aangenomen dat Hoogeveen een
zelfde ontwikkeling zal vertonen als het provinciaal gemiddelde.
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 52
Bijlage 2: Kwalitatieve analyse: interviews en enquête


Interviews
In samenspraak met de gemeente is een lijst aangelegd met te interviewen personen.
In de loop van het onderzoek zijn daar door geïnterviewde personen nog een aantal suggesties ge-
daan (zie bijlage 6: lijst geïnterviewde personen). Bij de interviews is gewerkt met een gestructureerde
vragenlijst (zie bijlage 7) waarbij per interview de accenten op de onderwerpen verschilden.

Enquête
De enquête is aanvullend ten opzichte van de diepte-interviews en is gericht op het inschatten van het
economisch belang van woon-werklocaties voor de economie van Hoogeveen. De vragenlijst (zie
bijlage 8) gaat in op motieven voor wonen naast het bedrijf, de hoeveelheid arbeidsplaatsen en de
bedrijfsactiviteit, belemmerende milieufactoren, etc.. Via telefonische contact is bij sommige respon-
denten dieper ingegaan op de motieven.
De enquête is gestuurd naar twee groepen ondernemers:
Ten eerste naar de directie van 30 bedrijven op typische door de gemeente aangegeven woon-
werklocaties op bedrijventerreinen, te weten de Pascalstraat en de Nobelstraat in Hoogeveen, de T.
Thalenstraat, de A. Niehuesstraat en de J.B. Slotstraat in Hollandscheveld en de G. Engelsstraat in
Elim. De adresgegevens uit het Kamer van Koophandel bestand zijn met veldwerk geactualiseerd. De
enquêtes zijn gestuurd naar de directie. Bij 7 bedrijven bleek dat de directie niet naast het bedrijf
woont.
Ten tweede is de enquête verstuurd naar 20 ondernemers die een woon-werkkavel hebben gereser-
veerd op Buitenvaart 1. De gegevens van deze bedrijven met contactpersonen zijn aangeleverd door
de gemeente.


Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 53
Bijlage 3: Indeling in gebieden en economische sectoren

Er worden verschillende typen indelingen gehanteerd, zowel wat betreft de onderscheiden gebieden
als wat betreft de onderscheiden economische sectoren. Eerst wordt ingegaan op de gebiedsindelin-
gen, daarna (in bijlage 4) op de indelingen in economische sectoren.

Er is onderscheid gemaakt in drie typen ‘referentiegebieden’, namelijk Nederland als geheel, het Ste-
delijk Netwerkgebied en een groep soortgenoten (met Hoogeveen vergelijkbare gemeenten).
Het Stedelijk Netwerk Zuid-Drenthe bestaat uit de zes gemeenten Coevorden, Emmen, Hardenberg,
Hoogeveen, Meppel en Steenwijk. Dit gebied zal verder als het Stedelijk Netwerkgebied of als ‘de
regio’ worden aangeduid.
Daarnaast is Hoogeveen nog vergeleken met ‘soortgenoten’. Het gaat dan om een benchmark van
gemeenten die wat de economische uitgangspositie betreft min of meer vergelijkbaar zijn met Hooge-
veen. Op basis daarvan kan worden nagegaan in hoeverre en voor welke aspecten Hoogveen afwijkt
van het groepsgemiddelde. Als criteria zijn gehanteerd:
• Vergelijkbare ligging binnen Nederland. Als zodanig zijn beschouwd gemeenten in het Noorden
van Nederland (inclusief het noordelijk deel van Overijssel).
• Omvang gemeente tussen 25000 en 75000 inwoners (Hoogeveen heeft 53000 inwoners).
• Omvang grootste woonkern minstens 20000 inwoners (om te voorkomen dat plattelandsgemeen-
ten die bestaan uit veel kleine kernen worden meegenomen).
• Geen bestuurszetel, in verband met de zeer specifieke kenmerken van de productiestructuur.
Concreet houdt dat in dat Assen buiten de benchmark is gehouden.

Geselecteerd op basis van deze criteria zijn Almelo, Heerenveen, Hoogezand-Sappemeer, Meppel
(ook onderdeel van Stedelijk Netwerkgebied), Smallingerland (met kern Drachten), Sneek, Stadska-
naal en Veendam.


Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 54
Bijlage 4: Indeling in economische sectoren en clusters

In tabel 1 staat de gehanteerde indeling in economische sectoren. In totaal zijn er 67 sectoren onder-
scheiden, die onderling sterk verschillen in omvang. Ze zijn samengevoegd tot zeventien mogelijke
clusters. De term ‘cluster’ is hier opgevat in de zin van typen economische activiteiten met onderling
vergelijkbare typen productieprocessen of diensten en ook min of meer vergelijkbare typen eisen aan
het vestigingsmilieu. Clusters worden ook wel gezien als door economische sectoren heensnijdende
combinaties van bedrijven die onderling veel lokale/ regionale relaties hebben. Daarover zijn echter
geen statistieken. Om er een goed beeld van te krijgen zou een grootschalige enquête nodig zijn.

Binnen de zeventien clusters kan nog onderscheid worden gemaakt tussen twaalf ‘algemene’ en vijf
(kleine) ‘specifieke’ clusters. Bij de industrie zijn daarbij de meest kennisintensieve sectoren onder-
scheiden, alsmede sterk kapitaalsintensieve sectoren. Voor kennisintensieve industrie is de beschik-
baarheid van technisch goed geschoold personeel van relatief groot belang, voor kapitaalsintensieve
industrie vooral de beschikbaarheid van grote kavels op bedrijventerreinen en goede aan- en afvoer-
verbindingen.
Groothandel en overig vervoer (hoofdzakelijk goederenvervoer over de weg) hebben baat bij een gun-
stige ligging en bij ruime kavels. Voor kennisintensieve diensten en non-profit kantoorfuncties is de
beschikbaarheid van kantoorruimte en goed opgeleid personeel van belang. Bij non-profit voorzienin-
gen en consumentendiensten is vooral het bevolkingsdraagvlak bepalend. Om te vestigen moet veelal
sprake zijn van een zeker minimum schaalniveau van de woonkern. Waar dat minimum niveau ligt
verschilt per type voorzieningen. Ook voor vrijetijdsactiviteiten is het bevolkingsdraagvlak van belang,
maar daarbij kan ook sprake zijn van een specifieke toeristische functie voor een bovenregionale
markt.

De indeling in maximaal 67 economische sectoren is toegepast voor ontwikkelingen in de periode
1996-2001. Gebruik is daarbij gemaakt van het LISA-bestand (met uitzondering van de land- en tuin-
bouw, waarvoor gegevens uit de CBS Landbouwtelling zijn gebruikt).
Voor de langere termijn (vanaf 1973) is deze gedetailleerde indeling in economische sectoren niet
beschikbaar. Daarvoor is gebruik gemaakt van (bewerkte) gegevens van het CBS. Er kunnen maxi-
maal 39 economische sectoren worden onderscheiden. Voor lange termijn ontwikkelingen zijn die
samengevoegd tot zeven brede economische sectoren. Om de ontwikkeling van het areaal aan be-
drijventerreinen te bepalen zijn die 39 sectoren weer samengevoegd tot de 26 sectoren uit de zoge-
naamde BedrijfsLocatieMonitor van het CPB.


Tabel 1 Fijnmazige indeling in economische activiteiten
Sector Naam Cluster (zie tabel I.2)
1 V&G industrie (niet-kapitaalsintensief) 1
2 Textiel, kleding, leer ind. 1
3 Houtindustrie 1
4 Drukkerijen 1
5 Synthetische garen- en vezelind. 1
6 Metaalproductenindustrie 1
7 Transportmiddelenind. Ex auto/vliegtuig 1
8 Sociale werkplaatsen 1
9 Overige traditionele ind. 1
10 Zoutwinning 2
11 V&G industrie (kapitaalsintensief) 2
12 Papierindustrie 2
13 Olieraffinaderijen 2
14 Chemie (ex basis en farmacie) 2
15 Basischemie 2
16 Kunststofverwerkende industrie 2
17 Bouwmaterialenindustrie 2
18 Basismetaalindustrie 2
19 Farmaceutische industrie 3
20 Machine-industrie 3
21 Electrotechnische industrie 3
22 Auto- en vliegtuigindustrie 3
23 Bouwnijverheid 4
24 Groothandel in auto's 5
25 Groothandel 5
26 Veilingen land- en tuinbouw 5
27 Vervoer door de lucht 6
28 Diensten voor vervoer door de lucht 6
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 55
29 Zeevaart 7
30 Diensten voor vervoer over water 7
31 Goederenvervoer over de weg 8
32 Binnenvaart 8
33 Diensten voor vervoer over de weg 8
34 Delfstoffenwinning 9
35 Uitgeverijen 9
36 Telecommunicatie 9
37 Bankwezen 9
38 Verzekeringswezen 9
39 Hulpbedrijven voor bankwezen 9
40 Hulpbedrijven voor verzekeringswezen 9
41 Handel in onroerend goed 9
42 Computersoftwarebedrijven 9
43 Research & Development 9
44 Kennisintensieve zakelijke diensten 9
45 Media 9
46 Overige zakelijke diensten 9
47 Openbaar nutsbedrijven 10
48 Openbaar bestuur 10
49 Belangenorganisaties 10
50 Openbare veiligheidsdiensten 11
51 Onderwijs 11
52 Gezondsheids- en welzijnszorg 11
53 Defensie/ militairen 12
54 Personenvervoer 13
55 Horeca-sector 14
56 Reisbureaus 14
57 Amusement, cultuur, sport 14
58 Hoveniersbedrijven 15
59 Detailhandel en reparatie auto's 15
60 Detailhandel 15
61 Postdiensten 15
62 Verhuurbedrijven 15
63 Milieudienstverlening 15
64 Overige consumentendiensten 15
65 Ambulante producentendiensten 16
66 Thuiszorg 11
67 Land- en tuinbouw


In tabel 2 zijn ‘labels’ aan de onderscheiden 17 clusters gehangen.

Tabel 2 Onderscheiden 17 clusters van economische activiteiten
Cluster Naam

1 Traditionele industrie
2 Kapitaalsintensieve industrie
3 Kennisintensieve industrie
4 Bouwnijverheid
5 Groothandel
6 Vervoer door de lucht
7 Zeevaart
8 Overig vervoer
9 Kennisintensieve diensten
10 Non-profit kantoorfuncties
11 Non-profit voorzieningen
12 Defensie/ militairen
13 Personenvervoer
14 Vrijetijdsactiviteiten
15 Consumentendiensten
16 Ambulante producentendiensten
17 Land- en tuinbouw

Voor zover de typering van de economische sectoren niet voor zichzelf spreekt, is hier een korte toe-
lichting gegeven.
De industrie is ingedeeld in drie typen, namelijk traditionele industrie, kapitaalsintensieve industrie en
kennisintensieve industrie. Er zijn meerdere manieren om de internationale concurrentie aan te gaan.
Een daarvan is zeer efficiënt produceren via hoge investeringen in procestechnologie. Sectoren waar
dat gebeurt zijn sterk kapitaalsintensief. Een andere manier van concurreren is innovatie: het beden-
ken en produceren van nieuwe of verbeterde producten. Dergelijke industriële sectoren kunnen wor-
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 56
den aangeduid als ‘kennisintensief’. Sectoren die beide typen concurrentiekracht ontberen zijn hier
aangemerkt als arbeidsintensief.
Arbeidsintensieve industrie kent van de drie typen industrie de laagste toegevoegde waarde per werk-
nemer en de laagste groei van de productiviteit sinds het midden van de jaren negentig. Diverse delen
ervan hebben te kampen met aanzienlijke buitenlandse concurrentie
Kapitaalsintensieve industrie kent van de drie typen industrie de hoogste toegevoegde waarde per
werknemer. Dat is ook noodzakelijk om de zeer hoge investeringen in deze sectoren mogelijk te ma-
ken. Juist door de grote hoeveelheid geïnvesteerd kapitaal hebben vestigingen in de kapitaalsinten-
sieve industrie (grote delen van de chemie, delen van de voedings- en genotmiddelenindustrie, ba-
sismetaal, papierindustrie, bouwmaterialenindustrie) veelal een lange levensduur. Er hoeft relatief
minder op loonkosten geconcurreerd te worden. Daardoor ligt het gevaar van wegconcurreren door
buitenlandse bedrijven op korte termijn wat minder op de loer. Er bestaat behoefte aan ruimte en goe-
de aan- en afvoermogelijkheden (liefst via verschillende modaliteiten). Kennisintensieve industrie
(elektrotechnische industrie, machine-industrie, delen van de transportmiddelenindustrie, farmaceuti-
sche industrie) tenslotte kende de afgelopen vijf jaar de sterkste groei van de bruto toegevoegde
waarde. Het opleidingsniveau van de werknemers en de R&D-intensiteit is in deze sectoren hoger dan
in arbeidsintensieve en kapitaalsintensieve industrie.
Overig vervoer bestaat uit wegvervoer en hulpbedrijven van het vervoer. Kennisintensieve diensten
bestaan uit allerlei soorten zakelijke dienstverlening, waarbij voornamelijk sprake is van kantoorwerk.
Bij non-profit kantoorfuncties gaat het met name om openbaar bestuur en belangenorganisaties. Ook
daarvoor is overheersend sprake van kantoorarbeid. Bij vrijetijdsactiviteiten gaat het om cultuur, sport,
recreatie, toerisme en recreatie. Consumentendiensten bestaan voornamelijk uit detailhandel Bij am-
bulante producentendiensten tenslotte gaat het activiteiten waarbij diensten voor bedrijven vooral bij
die locatie zelf worden verricht. Die diensten zijn veelal wel aan een vestiging toegewezen, maar het
gaat daarbij om de directie en wat administratief personeel (veelal een klein deel van het totale perso-
neelsbestand). Voorbeelden zijn schoonmaakbedrijven, catering en bewakingsdiensten.
Tenslotte moet worden opgemerkt dat uitzendkrachten niet in het gehanteerde gegevensbestand wor-
den meegenomen.

Tabel 3 Indeling van economische activiteiten naar 7 brede economische sectoren
Nummer Naam Brede economische sector

1 Landbouw & visserij 1
2 Delfstoffenwinning 1
3 Voeding & genotmiddelen 2
4 Textiel, kleding, leer 2
5 Hout 2
6 Papier 2
7 Uitgeverijen & drukkerijen 2
8 Aardolie 2
9 Basischemie 2
10 Chemie overig 2
11 Rubber & kunststof 2
12 Bouwmaterialen 2
13 Basismetaal 2
14 Metaalproducten 2
15 Machines 2
16 Electrische apparaten & instrumenten 2
17 Transportmiddelen 2
18 Overige goederen & recycling 2
19 Openbare nutsbedrijven 6
20 Bouw 3
21 Reparatiebedrijven 7
22 Groothandel 4
23 Detailhandel 7
24 Horeca 7
25 Vervoer over land 4
26 Vervoer over water 4
27 Vervoer door de lucht 4
28 Dienstverlening tbv vervoer 4
29 Post & communicatie 5
30 Financiele instellingen en dienstverlening 5
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 57
31 Verzekeringswezen & pensioen 5
32 Handel & verhuur onroerend goed 7
33 Overige zakelijke diensten 5
34 Research 5
35 Openbaar bestuur & belangen organisaties 6
36 Ondewijs 6
37 Gezondheidszorg & welzijn 6
38 Overige dienstverlening 7
39 Cultuur, sport & recreatie 7

Toelichting nummering “Brede economische sector”:
1 Land-en tuinbouw
2 Industrie
3 Bouwnijverheid
4 Distributie
5 Kennisdiensten
6 Non-profit sector
7 Consumentendiensten

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 58
Bijlage 5: Gehanteerde gegevens

• Het aantal banen is voor de periode 1996-2001 ontleend aan het LISA-bestand. De gegevens
bevatten wel de zelfstandigen en alle parttime banen, maar niet de werkgelegenheid in de land-
bouw en de uitzendkrachten.
• Voor de ontwikkeling op lange termijn (vanaf 1973) is gebruik gemaakt van een bewerking van
gegevens van het CBS (EWL en EBB). Voor de landbouw zijn gegevens uit de Landbouwtelling
van het CBS gebruikt.
• Informatie over bedrijventerreinen is ontleend aan het IBIS-bestand. Daarvoor zijn tussen ge-
meenten vergelijkbare gegevens beschikbaar. De uitgiftecijfers van de gemeente zijn wat lager
dan volgens IBIS. Mogelijk is een reden dat in de gegevens van de gemeente verkoop van kavels
door particulieren niet is meegenomen.
• Informatie over kantoren is ontleend aan gegevens van Rudolf Bak (Kantorenatlas 2001). Daar
waar in zijn gegevensbestand gegevens ontbraken is dat door de gemeente Hoogeveen aange-
vuld.
• In de tabellen 1, 2 en 3 (bijlage 4) zijn de verschillende gehanteerde indelingen in economische
sectoren weergegeven.
• Bij de indeling in gebieden is gecorrigeerd voor gemeentegrenswijzigingen. Hierdoor zijn ontwik-
kelingen in de tijd goed te volgen.



Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 59

Bijlage 6: Geïnterviewde personen


Brink Trekhaken BV, directeur de heer W. Rengelink

Stork Fokker Specials Products BV, directeur de heer ir. M.M. van Rooij

DOC Kaas, oud-directeur de heer B. Willigenburg

Unigarant, directeur de heer drs. R. Kamphuis

!Pet BV, directeur de heer B. van der Haar

Betech BV, directeur de heer W. van der Belt

Vermaas Bedrijfsmakelaardij, directeur de heer J. Vermaas

Rabobank Hoogeveen, directeur de heer H. Wemekamp

ING Bank, directeur de heer A. Hofmeijer MBA

NS Vastgoed, regiomanager Noord-Nederland de heer Thijs van Dam

Hanze Vast Development, directeur de heer H. Tijssen

VNO-NCW, secretaris de heer drs. P.J.M. Buurman

De Tamboer, directeur de heer G. Pastoor

Commerciële Belangen Hoogeveen, voorzitter de heer R.H. Slomp

Hoogeveense Ondernemingsvereniging, voorzittter de heer mr. J.H.F. Wilmink

Gemeente Hoogeveen, Sectordirecteur Bouwen en Wonen, de heer J. de Klein

Schelhaas Makelaardij, agrarisch makelaar de heer J. Tjeertsma

SWW, staffunctionaris projectontwikkeling de heer E. Staudt

Kamer van Koophandel Drenthe, de heer J. Weener

Groningen Congres Bureau, de heer J. Westerhuis

Lammert Huizingh

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 60
Bijlage 7: Interviewvragen voor onderdeel ‘werken’ t.b.v. Structuurvisie Hoogeveen


Inleiding
De gemeente Hoogeveen heeft besloten een structuurvisie voor 2015-2030 op te stellen. Een struc-
tuurvisie bevat de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid en geeft richting
aan de door het gemeentebestuur te nemen beslissingen. De structuurvisie kan opgedeeld worden in
vier hoofdcategorieën, te weten wonen, werken, voorzieningen en platteland.

Bureau PAU is door de gemeente gevraagd onderzoek te doen voor het onderdeel ‘werken’.
De vragen in dit interview hebben daarom vooral betrekking op de productiestructuur en het produc-
tiemilieu en de interactie hier tussen.

Omdat de vier categorieën uit de structuurvisie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, willen wij u
tijdens het interview ook enkele vragen stellen die gerelateerd zijn aan wonen, voorzieningen en plat-
teland in de gemeente Hoogeveen.

Bureau PAU gaat voor dit onderzoek personen met ieder hun eigen invalshoek op de Hoogeveense
economie interviewen, te weten vertegenwoordigers van respectievelijk Hoogeveense bedrijven, on-
dernemersverenigingen, banken, Kamer van koophandel, VNO-NCW, makelaars en vastgoedbeleg-
gers. Onderstaande vragen zijn daarom voor u op onderdelen meer of minder van toepassing. Wij
zullen in het interview zelf hiermee rekening houden

Vragen

Deel A: Productiestructuur

Met name voor vertegenwoordigers Hoogeveense bedrijven (vragen 1 t/m 8):

1. Kunt u aangeven wanneer uw bedrijf (of divisie) zich gevestigd heeft in Hoogeveen en waarom?

2. Kunt u de structuur / organisatie van uw bedrijf omschrijven? Onderverdeling in R&D, productie
etc.)

3. Waar zitten uw toeleveranciers, waar haalt u uw goederen vandaan?

4. Waar zijn uw afzetmarkten, nationaal / internationaal?

5. Hoe komt de toegevoegde waarde tot stand c.q. hoe vinden de bewerkingen plaats? Is daarbij
sprake van samenwerking met andere bedrijven in de regio, kan hierbij over clustering gesproken
worden? Hoe is de logistiek geregeld?

6. Heeft u concurrenten in de regio, in Nederland, in Europa?

7. Kunt u de relatie tot uw hoofdkantoor omschrijven (indien sprake is van footloose- en/of nevenvesti-
gingen). Kunt u aangeven welke relaties uw bedrijf heeft met Hoogeveen, de directe omgeving en hoe
afhankelijk bent u van uw werknemers hier? Heeft u investeringsplannen c.q. uitbreidingsplannen?

8. Heeft u gespecialiseerd personeel in dienst? Op welke markt richt u zich bij het aantrekken van
gespecialiseerd personeel? Heeft u veel moeite dit personeel te verwerven en vast te houden, om
welke redenen?

Algemene vragen m.b.t. productiestructuur (vragen 9 t/m 12):

9. Wat zijn belangrijke redenen waarom bedrijven zich vestigen in Hoogeveen?

10. Welke typen van economische activiteiten zijn vooral typerend voor Hoogeveen, nu en in de toe-
komst?

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 61
11. Hoe ziet u de economische positie van Hoogeveen in het omliggende stedelijk netwerk, d.w.z.
t.o.v. Meppel (en Staphorst), Steenwijk, Coevorden, Emmen, Hardenberg ?
En t.o.v. plaatsen als Almelo, Hoogezand-Sappemeer, Veendam, Stadskanaal, Drachten Heerenveen
en Sneek?

12. Wat zijn de sterke kanten van Hoogeveen, wat zijn de zwakke kanten, wat zijn kansen en bedrei-
gingen?

Bedrijfsterreinen:

13. Door welke typen economische activiteiten zal de grootste vraag naar bedrijventerreinen in
Hoogeveen worden uitgeoefend? Komen veel nieuwe bedrijven zich in Hoogeveen vestigen of gaat
het met name om zich verplaatsende bedrijven (bijv. i.v.m. herstructurering / revitalisering van bedrij-
venterreinen)

14. Bestaat er in Hoogeveen behoefte aan een onderscheid naar typen bedrijventerreinen? Indien dat
zo is, welke typen zijn dat dan (met een globale schatting van het aandeel per type op het totaal aan
bedrijventerreinen).

15. Zijn er in Hoogeveen bedrijventerreinen die geheel of gedeeltelijk in aanmerking komen voor her-
structurering? Om welke aandeel van de totale voorraad aan bedrijventerreinen gaat het? Voor welke
bedrijven is dit interessant en zijn zij bereid mee te financieren?

16. Is er in Hoogeveen vraag naar bedrijventerreinen die door water zijn ontsloten? Om welke typen
bedrijvigheid gaat het hierbij?

Kantoren:

Met name voor makelaars en vastgoedbeleggers (vragen 17 t/m 19):

17. Wat zijn geschikte locaties voor kantoorontwikkeling in Hoogeveen? Kan Hoogeveen sowieso een
rol van betekenis (gaan) spelen op de kantorenmarkt? Zo ja, wat is daar dan voor nodig?

18. Wat zijn belangrijke huidige kenmerken van de Hoogeveense kantorenmarkt en welke trends acht
u van belang voor toekomstige ontwikkelingen op de Hoogeveense kantorenmarkt?

19. Hoe is de kantoorontwikkeling in Hoogeveen verlopen de laatste jaren in relatie tot andere steden
in de regio?

Woon-werklocaties:

20. Hoe groot is naar uw inschatting momenteel het aantal ondernemers dat een huis heeft op een
bedrijventerrein? Om welke type bedrijven gaat het? Zouden naar uw inschatting meer ondernemers
gebruik willen maken van de mogelijkheid van dergelijke woon-werklocaties en welke voorwaarden
zijn daarbij van belang? Kan ‘wonen op bedrijventerreinen’ volgens u bijdragen aan een positief vesti-
gingsklimaat?

Met name vragen voor makelaars (vragen 21 t/m 23):

21. Kunt u een beeld schetsen van de woon-werklocaties in Hoogeveen en in de dorpen en linten?
Wat is daar aan bedrijvigheid?

22. Hoe groot is de behoefte aan woon-werkkavels in de dorpen en in de kern Hoogeveen?

23. Indien de grondprijs voor de bouwkavel (woningdeel) op woon-werklocaties omhoog gaat (richting
normale woonkavelprijzen), welke invloed heeft dit dan?

Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 62


De Hoogeveense landbouwsector en agribusiness:
Met name voor vertegenwoordigers banken en enkele bedrijven (vragen 24 t/m 26):

24. Wat is de economische structuur van de Hoogeveense landbouwsector, welke ruimtelijke differen-
tiatie is aan te brengen?

25. Hoe ziet u de toekomst van de akkerbouw, veeteelt, gemengde bedrijven. Is verbreding noodzake-
lijk en op welke terreinen (productbewerking en –verwerking, natuur- en landschapsbeheer, recreatie
en toerisme, zorgboerderijen etc.)?

26. Is er in Hoogeveen sprake van een concentratie van Agribusiness?

Deel B: Productiemilieu

27. Is er sprake van een actief acquisitiebeleid van de gemeente? Op welke typen economische activi-
teiten richt dat zich vooral? En in hoeverre wordt daarbij in concurrentie getreden met andere gemeen-
ten?

28. Welke rol kan het beleid van de gemeente spelen bij het stimuleren van de economische ontwik-
keling? Welke stimuleringsmaatregelen zijn er en hoe groot is hun invloed?

Thema’s zijn bijvoorbeeld:

Wonen: zowel binnen en buiten de kern Hoogeveen. Is er sprake volgens u van een voldoende gedif-
ferentieerd aanbod? Waar liggen kansen? (in het landelijk gebied in combinatie met water, in verdich-
ting lintbebouwing, door herstructurering van bestaande woonwijken in Hoogeveen zelf en de dorpen).
Welke aantrekkelijke en minder aantrekkelijke woongebieden zijn er volgens u in het landelijk gebied
van Hoogeveen te onderscheiden?

Onderwijs
Is er voldoende gedifferentieerd onderwijsaanbod in de gemeente en in de regio?

Sport, toerisme & recreatie.
Hoe is het aanbod van voorzieningen? Welke locaties zijn geschikt om verder te ontwikkelen tot vrije
tijds ‘leisure’ locatie (in landelijk gebied en in kern Hoogeveen, verspreiding of concentratie)? Hoe kan
de kern Hoogeveen zich in de toeristische markt profileren?

Winkels, horeca
Is er voldoende gedifferentieerd aanbod van winkels, horeca en uitgaansgelegenheid in het centrum
van Hoogeveen?

Congresfunctie: Wat is de vraag van Hoogeveense bedrijven naar congresfaciliteiten? Wat zijn de
kansen voor Hoogeveen voor de ontwikkeling van een congrescentrum (in relatie tot de omliggende
regio)? Waar zouden congresfuncties het beste gesitueerd kunnen worden of bij ondergebracht kun-
nen worden?

Cultuur
Hoe is het aanbod van culturele activiteiten (in relatie tot regio en Noord-Nederland)?

Platteland
Bent u bekend met het landelijke gebied c.q. het platteland van Hoogeveen?
Zo ja: wat is uw indruk, wat zijn de kansen voor dit platteland? Op welke ontwikkelingen zou het vol-
gens u moeten inspelen? (Wonen, recreatie en toerisme, natuurbeheer, rol voor landbouw, nevenacti-
viteiten in de landbouw, voorzieningen)
Zo nee, welk beeld heeft u er van?

Tot slot
29. Welke suggesties heeft u nog voor de structuurvisie van de gemeente?
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 63
Bijlage 8: Vragen enquête woon-werkmogelijkheden in de gemeente Hoogeveen


U woont naast uw bedrijf op een bedrijventerrein of u heeft een kavel gereserveerd op bedrijventerrein Buiten-
vaart.

1. Waarom wilt u naast uw bedrijf op een bedrijventerrein wonen?
(meerdere antwoorden mogelijk)

het is noodzakelijk om in de directe nabijheid van mijn bedrijf te wonen, omdat ………………..
ik wil graag toezicht houden op mijn bedrijf
de kavelprijs op een bedrijventerrein is laag
ik kan elders geen geschikte woning vinden
anders, namelijk …………………………………………………………………………………………

2. Hoeveel personen zijn bij uw bedrijf werkzaam?

……. (aantal) fulltime arbeidsplaatsen
……. (aantal) parttime arbeidsplaatsen

3. Onder welk type bedrijvigheid valt uw bedrijf?

kantoor
autoshowroom en garage
werkplaats /garage /atelier
onderhoud /reparatie
opslag /distributie
groothandel
productie
anders, namelijk ………………………………………………………………………………………….

4. Wat zou voor u het wonen en werken op een bedrijventerrein nog aantrekkelijker kunnen maken? Denkt u
hierbij aan de inrichting van het terrein (groenvoorzieningen, straatverlichting, fietspaden e.d.), openbare
voorzieningen (openbaar vervoer, winkel e.d.) en veiligheidsmaatregelen (bewaking, toegangshekken e.d.)

…………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………

5. Heeft u voor de woning een verklaring ondertekend, of gaat u die ondertekenen, dat u als bewoner geen
bezwaar maakt tegen geluidsoverlast en andere overlast van omliggende bedrijven?

Ja, want………………………………………………………………………………………………….. ..
Nee, omdat……………………………………………………………………………………………….. .
weet niet

6. Heeft u plannen om binnen een jaar uw bedrijf uit te breiden? Indien ja, om hoeveel vierkante meter vloerop-
pervlak gaat het en om hoeveel arbeidsplaatsen gaat het?

…….. (aantal) vierkante meters vloeroppervlakte
…….. (aantal) arbeidsplaatsen

7. Wanneer is wonen op een bedrijventerrein niet meer aantrekkelijk voor u?

…………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………

Toelichting:
………………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………………………………………
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 64
Bijlage 9: Van hiphop naar heritage (bron: NRC, 7 september 2002)

De 'leisure-consultant' vaart wel bij de massale hang naar pret in Nederland
Tracy Metz
Soms staan in een stedebouwkundig plan meters voor ‘leisure' ingetekend. ,,Maar wat is dat eigenlijk?
Een museum, fitness, een kartingbaan?'' Het antwoord komt van de leisure-consultant, een nieuwe
vrucht van de levendige vrijetijdscultuur in Nederland. Ondernemers willen aan onze vrije tijd verdie-
nen en gemeenten willen zich ermee profileren. De consultants staan hen bij, van een themapark voor
Kabouter Plop tot het uitbaten van een zwembad. ,,Wij weten waar behoefte aan is.''
Vrije tijd is big business. Steden en regio's raken in heftige concurrentiestrijd met elkaar verwikkeld
over de zoveelste megabioscoop of winkelcentrum terwijl exploitanten en investeerders hun knopen
tellen. De consument is even wispelturig als gretig. De wereld van de leisure, veelal commerciële vrije-
tijdsactiviteiten, is beschroomd en beweeglijk tegelijk. Midden jaren negentig openbaarde zich een
nieuwe niche in de adviesmarkt: die van de leisure-consultant. Het aantal is klein, maar hun inbreng
groeit snel. “In gebouwen uitgedrukt is het aandeel van leisure in Nederland nog maar klein'', zegt Han
Verheyden van het Bredase bureau ZKA, zeker in vergelijking met woningen en kantoren, maar in
omzet wordt dat aandeel steeds groter.''
Neem het Amsterdamse LAgroup. Stephen Hodes was hoofd toerisme, horeca en cultuur bij KPMG
totdat hij ruim vijf jaar geleden met vijf collega's LAgroup oprichtte. De naam geeft het specialisme aan
van het bureau dat inmiddels tegen de vijftien mensen telt: L=leisure, A=arts. Hodes zegt: ,,We zijn
gespecialiseerd in ondernemingsplannen, haalbaarheidsstudies, marketingplannen, projectmanage-
ment en conceptontwikkeling op het gebied van vrije tijd en cultuur.''
Soms pakt dat vervelend uit voor de klant. “Als een ondernemer krediet wil van de bank moet hij vaak
een haalbaarheidsstudie van een bureau als het onze overhandigen. Als wij het plan niet haalbaar
vinden, zeggen we dat. Of we geven de opdracht terug. Dan is die klant even heel boos, ja.''
Liever dan ‘consultant' noemt Reinoud van Assendelft de Coningh zich ‘iets tussen een verhalenver-
teller en een ideeënmakelaar'. Nadat hij bij Joop van de Ende en de Efteling had gewerkt begon hij in
1995 voor zichzelf. Met vier fulltime medewerkers is zijn bureau in Nijmegen gespecialiseerd in dagre-
creatie en attractieparken. Hij hielp de Belgische bedenkers van Kabouter Plop met de aankoop van
een themapark, bedacht het concept voor de paviljoen van Limburg op de Floriade en werkte mee aan
de invulling van het ‘Nederland Overzee', het nautisch themapark dat wordt gevestigd op de negen-
tiende-eeuwse Rijkswerf Willemsoord in Den Helder. Wat kan hij wat de klant niet zelf kan? Van As-
sendelft: “Wij hebben een frisse blik en letten op maatschappelijke ontwikkelingen. Bedrijven en ge-
meenten zijn vooral met zichzelf bezig. Meer dan ambtenaren denken wij vanuit de markt en weten
waar behoefte aan is”. Hodes van LAgroup: “Gemeenten roepen externen in omdat ze a. beseffen dat
ze zelf niet genoeg expertise hebben en b. omdat ze geen mensen in vaste dienst erop willen zetten.''
Waren het aanvankelijk vooral bedrijven die om advies en rapporten vroegen, in toenemende mate
zijn de opdrachtgevers gemeenten. Die vragen om een beleidsstuk, of om een plan voor vrijetijdsfunc-
ties in een nieuwe woonwijk, of voor de herontwikkeling van een stationsgebied -- of huren een con-
sultant in om namens de gemeente te onderhandelen met een projectontwikkelaar.
Ecorys/Kolpron uit Rotterdam, vrucht van een recente fusie tussen het Nederlands Economisch Insti-
tuut en vastgoedadviseur Kolpron, legt zich juist toe op `integrale' plannen, bijvoorbeeld een leisure-
nota voor Zoetermeer (zie kader) waarin winkelen, horeca, cultuur, amusement en recreatie in het
groen allemaal een rol spelen. Net zo belangrijk als het bouwen van nieuwe voorzieningen is het leg-
gen van verbindingen tussen de al bestaande, zeggen Arno Ruis en Eltje de Klerk, twee van de negen
leisure-consultants bij Kolpron. Gemeenten zien in dat een helder beleid in hun eigen belang is: “In-
vesteerders ervaren het ontwikkelen van leisure-voorzieningen als risicovol. Een visie wekt vertrouwen
in de markt. Gemeenten hebben ook duidelijke criteria nodig om ja of nee tegen de voorstellen van
ondernemers te kunnen zeggen.''
Stephen Hodes: “Het formuleren van een leisure-beleid dwingt je als gemeente ook om na te denken
over wat voor stad je bent, wat er wel en niet bij past, en wat je over twintig of vijftig jaar wilt zijn. Ook
vanwege de onderlinge concurrentie worden steden en regio's gedwongen keuzes te maken.'' Zo filo-
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 65
sofisch gaat het in de praktijk trouwens niet altijd toe: alle adviesbureaus kennen het paniekerige tele-
foontje van een gemeente of een projectontwikkelaar die zegt: `In het stedenbouwkundige plan staat
zoveel duizend vierkante meters ingetekend voor leisure. Maar wat is dat eigenlijk? Een museum,
fitness, een kartingbaan?'
Toch heeft het verhitte verlangen van gemeenten om zich met `leuke dingen voor de mensen' te profi-
leren, iets paradoxaals. Alle adviseurs zijn het erover eens dat de vrijetijdsmarkt en de consumenten
ervan zich niets aantrekken van bestuurlijke grenzen of van de traditionele bestuurlijke indeling in
sectoren als horeca, toerisme of detailhandel. Hodes: ,,Zeventig procent van de toeristen komt naar
Amsterdam voor de cultuur. Merkwaardig dat toerisme onder Economische Zaken valt en cultuur on-
der Cultuur. De overheid is nog steeds heel erg sectoraal georganiseerd, maar de markt is dat allang
niet meer.'' . Ook in een ander opzicht speelt de overheid steeds minder een rol in de huidige leisure-
trend. Verheyden van het bureau ZKA, die zich bezighoudt met leisure als stads- en gebiedsontwikke-
ling: “Vroeger waren het de lokale overheid en de vakbonden die uit oogpunt van algemeen belang
voor de vrijetijdsvoorzieningen zorgden, zoals sportvelden en zwembaden en vakantiedorpen. Nu zijn
die óf overbodig omdat teamsport uit is en particuliere sportscholen in, of de exploitatie wordt aan een
commerciële partij uitbesteed.''
De overheid moet evenwel niet alles aan de markt overlaten, vindt Van Assendelft. “Vrijetijdsvoorzie-
ningen zijn nu al heel bepalend voor het imago en de ontwikkeling van een stad of een regio, en dat
wordt alleen maar sterker. Bovendien gaat er veel gemeenschapsgelden met het uitvogelen van
nieuwe attracties. Kijk maar naar de Floriade, naar het New Metropolis in Amsterdam, naar het nauti-
sche themapark in Den Helder. De gemeente Haarlemmermeer zit enerzijds met een tekort van de
Floriade, anderzijds houdt ze er goede infrastructuur en een mooi recreatiegebied aan over. En als het
gaat om de nieuwe kathedralen als megabioscopen en shopping malls zal de gemeente betrokken
moeten zijn bij toekomstig hergebruik.'' Voor de gemeente Den Helder is de transformatie van het
cultureel erfgoed van de door Napoleon gestichte Rijkswerf Willemsoord een overlevingsstrategie, nu
de offshore-industrie terugloopt en de marine wegtrekt. En voor Lelystad is de ontwikkeling van de
IJsselmeerkust die met de komst van factory outlet Batavia Stad op gang is gekomen, een welkome
injectie.
Vrije tijd is geen geïsoleerd ruimtelijk fenomeen, zegt Arno Ruis van Kolpron, maar is vervlochten met
het wonen en werken. We wonen op de golfbaan, we fitnessen op het werk en bij leisure-ontwikkelaar
TCN in Nieuwegein kunnen de werknemers zelfs binnenshuis hun slag oefenen op een kleine golf-
baan. Ook op publieke plekken moet er iets te beleven zijn, in een stadscentrum of een woonwijk: die
zijn wat de wetten van de fun betreft aan dezelfde criteria onderworpen als een winkelcentrum of een
pretpark.'' Hij zou graag juist zien dat de politiek zich er harder voor inzette. ,,Voor de Olympische
Spelen gaat een burgemeester de hele wereld af om zijn stad te verkopen. Waarom doet hij dat niet
om van het nieuwe vrijetijdscentrum dat op de Arena-boulevard moet komen, een wereldsucces te
maken? Zonder politiek draagvlak kan de leisure niets beginnen.''
De commerciële vrijetijdswereld heeft een paar eclatante mislukkingen beleefd de laatste paar jaar.
Het schrikbeeld is nog steeds Miracle Planet, een ‘leisure-park' van grote dozen met veel elektronisch
vermaak tussen Hengelo en Enschede, dat na een investering van meer dan honderd miljoen gulden
binnen een half jaar failliet ging. Er en komen onvermijdelijk nog meer mislukkingen aan, zegt Reinoud
van Assendelft. “Er zijn te veel projecten die te weinig doordacht zijn en op hetzelfde publiek azen.''
Hij is het niet eens met de pessimisten die in de hectische commerciële pretcultuur de ondergang van
de ‘echte' cultuur zien. “De markt volgt de demografische ontwikkelingen. Het productaanbod zal met
de verouderende klant mee veranderen. Tot 2010 komen er één miljoen mensen bij van tussen de 45
en de 64. Veel mensen maken rond hun veertigste een cultuuromslag mee, dan herontdekken ze de
meer bedachtzame cultuur als musea. Van hiphop naar heritage, zeg maar.'' Merken zullen de cul-
tuur ontdekken, voorspelt hij: krijg je nu een kaartje voor Six Flags bij het wasmiddel, straks is het er
een voor het Concertgebouw of het Nederlands Danstheater. “De markt zal niet tot louter verplatting
leiden, maar zal ook zorgen voor een revitalisering van de cultuur.'' Intussen groeien de vroeger streng
gescheiden werelden van cultuur, attracties, natuur en entertainment naar elkaar. Zo hebben de Efte-
ling en het Openluchtmuseum allebei theaters gebouwd, en ook nog voor hetzelfde bedrag van 35
miljoen gulden. ,,Iedere gemeente maakt vrije tijd - recreatie, toerisme en straks ook cultuur - tot
speerpunt van het economisch beleid. Het is schoon, en leuk, en je kunt ermee scoren.''
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 66
Bijlage 10: Uitgifte bedrijventerreinen 1996-2001 nader geanalyseerd


Aan de hand van een aantal gegevensbronnen (IBIS, LISA, parameters uit de BLM) is hier berekend
uit welke ‘componenten’ de uitgifte van bedrijventerreinen bestaat. Ten eerste geldt dat volgens de
aandelen die in de BedrijfsLocatieMonitor die voor Drenthe gemiddeld worden aangehouden (speci-
fiek voor 26 sectoren) het aandeel van werkgelegenheid op bedrijventerreinen in Hoogeveen in 1996
en in 2001 respectievelijk 42.0% en 39.7% bedragen zou hebben. Dat wil zeggen: Indien voor elke
van de 26 economische sectoren geldt dat het aandeel van de totale werkgelegenheid dat op een
bedrijventerrein is gevestigd gelijk zou zijn aan het Drents gemiddelde. Feitelijk nam het aandeel toe
van 43.5% naar 45.8%. Ook na correctie voor de bedrijvigheidsstructuur blijkt dus dat in veel sterkere
mate dan het Drents gemiddelde sprake is geweest van een verplaatsing van bedrijvigheid naar be-
drijventerreinen (volgens de verwachtingen van het Centraal Planbureau).
Ten tweede geldt dat de toename van het ruimtebeslag hoger is geweest dan volgens de modelpara-
meters van het Centraal Planbureau verwacht mocht worden.

Opmerking:
De modelparameters van het Centraal Planbureau zijn enige jaren geleden vastgesteld. Dat geldt voor
de aandelen (per sector) van de werkgelegenheid op bedrijventerreinen en voor de ontwikkeling van
de terreinquotiënten. Het is dus zeer wel mogelijk dat de onderschatting van de verplaatsingsbewe-
ging naar bedrijventerreinen en de toename van het ruimtebeslag per werknemer niet alleen voor
Hoogeveen geldt, maar ook voor andere plaatsen in Drenthe. Dat zou een verklaring vormen voor het
feit dat het Centraal Planbureau stelselmatig de uitgifte van bedrijventerreinen in Drenthe (maar ook in
de twee andere provincies in het Noorden) onderschat. De analyse, zoals hier uitgevoerd voor
Hoogeveen, zou in principe ook voor Drenthe als geheel of voor het hele Noorden uitgevoerd kunnen
worden. Dat valt echter buiten het kader van dit onderzoek

In tabel 1 is de uitgifte van bedrijventerreinen uitgesplitst in vijf componenten. Eerst is daartoe bere-
kend hoeveel hectares netto bedrijventerreinen er tussen mei 1996 en mei 2001 (de peildata voor de
werkgelegenheid) is uitgegeven. Dat blijkt volgens het IBIS 58.5 hectare te zijn.

Component Hectares mei 1996- mei 2001

(1) Economische groei 13.3 ha.

(2) Verplaatsingen 26.5 ha.
(2a) Drents gemiddelde (CPB) 8.4 ha.
(2b) Extra verplaatsingen Hoogeveen 18.1 ha.

(3) Toename ruimtebeslag per werknemer 18.7 ha.
(3a) Nationaal gemiddelde (CPB) 8.2 ha.
(3b) Extra toename Hoogeveen 10.5 ha.

(3) Totaal 58.5 ha.

Per component volgt hier een korte uitleg:
• (1) Economische groei: Geeft aan hoeveel hectares het resultaat is van de groei van het aan-
tal arbeidsplaatsen indien het aandeel op bedrijventerreinen per sector en het ruimtebeslag
per werknemer per sector beide gelijk blijven.
• (2a) Verplaatsingen; Drents gemiddelde volgens CPB. Geeft aan hoeveel uitgifte van hectares
het gevolg zou zijn van verplaatsingen van niet-formele naar formele bedrijfslocaties indien
het verplaatsingsgedrag zou zijn verlopen volgens de verwachtingen van het CPB (met als
norm Drenthe gemiddeld).
• (2b) Verplaatsingen; Extra verplaatsingen Hoogeveen. Geeft aan hoeveel hectares er meer
zijn uitgegeven als gevolg van verplaatsingen dan volgens het CPB-gemiddelde (voor Dren-
the) verwacht mocht worden.
• (3a) Toename ruimtebeslag per werknemer; Nationaal gemiddelde (CPB). Geeft aan hoeveel
uitgifte van hectares het gevolg zou zijn van een toename van het ruimtebeslag per werkne-
mer volgens de veronderstellingen van het CPB (waarbij is uitgegaan van het Global Competi-
tion scenario met de hoogste verwachte groei van het ruimtebeslag per werknemer).
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 67
• (3b) Toename ruimtebeslag per werknemer: Extra toename Hoogeveen. Geeft aan hoeveel
hectares er meer zijn uitgegeven als gevolg van toename van het ruimtebeslag per werkne-
mer dan volgens het CPB-gemiddelde (voor Nederland als geheel) verwacht mocht worden.

Er kan nu berekend worden dat slechts 23% van de uitgifte van bedrijventerreinen te danken is aan
pure economische groei (zelfs in een tijd van economische hoogconjunctuur), dat maar liefst 45% het
gevolg is van verplaatsingen van niet-formele naar formele bedrijventerreinen en dat nog eens 32%
van de uitgifte samenhangt met een toename van het ruimtebeslag per werknemer.

Ook kan worden berekend dat volgens de CPB-veronderstellingen over het verplaatsingsgedrag en de
ontwikkeling van het ruimtebeslag per arbeidsplaats niet 58.5, maar 29.9 hectares zou zijn uitgege-
ven. Oftewel: slechts ruim de helft van wat er feitelijk in Hoogeveen is uitgegeven.
Het is opvallend dat ook de feitelijke uitgifte van bedrijventerreinen in Drenthe als geheel in de periode
1995-2000 slechts voor ruim de helft werd voorspeld door het GC-scenario volgens het Centraal
Planbureau (zie de Nota Bedrijventerreinen van de Provincie Drenthe). Het lijkt er dus inderdaad op
dat het hier voor Hoogeveen gesignaleerde fenomeen in het algemeen opgaat voor Drenthe.
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 68
Bijlage 11: Invloed aanleg bedrijventerrein (55 hectare) op ontwikkeling aantal inwoners

In tabel 1 op de volgende bladzijde is de ontwikkeling van vraag en aanbod volgens het European
Coordination scenario weergegeven. Alle daarin vermelde hectares zijn afgerond op hele getallen en
luiden in netto hectares.

In de periode 2001-2015 is er sprake van een aanbod van 150 hectare netto (48 hectare op Buiten-
vaart I en 102 hectare op Buitenvaart II). De vraag is volgens het Primos-scenario bijna 100 hectare
(veertien maal de jaarlijkse gemiddelde vraag), terwijl tevens een eenmalige opbouw van de ijzeren
voorraad van vier maal de gemiddelde jaarlijkse uitgifte -- ruim 28 hectare -- nodig is, omdat de voor-
raad uitgeefbaar bedrijventerrein anno 2001 vrijwel is opgedroogd. Dat zou dus betekenen dat, afge-
zien van een voor een flexibele ontwikkeling van de economie noodzakelijke ijzeren voorraad aan
bedrijventerreinen in 2015 nog 23 hectare uitgeefbaar is. Volgens het POP-scenario bedraagt de
vraag ruim 113 hectare (14 maal een gemiddelde jaarlijkse uitgifte van 8.1 hectare). Naast de op te
bouwen ijzeren voorraad van ruim 32 hectare is er dan in 2015 nog een uitgeefbare voorraad van 5
hectare. Ook in het POP-scenario komt de 55 hectare pas na 2015 in beeld.

De vraag bedraagt in de periode 2015-2030 volgens het Primos-scenario nog 71 hectare (vijftien maal
de gemiddelde jaarlijkse uitgifte van 4.7 hectare), terwijl er in 2015 nog 23 hectare (150 hectare Bui-
tenvaart I en II minus 127 hectare: vraag 2001-2015 plus opbouw ijzeren voorraad) beschikbaar is.
Dat wil zeggen dat de vereiste aanleg van bedrijventerreinen dus 48 (71 minus 23) hectare bedraagt.
Mocht het bedrijventerrein van 55 hectare dus worden aangelegd (na 2015), dan zou er per 2030 nog
7 hectare (55 minus 48) plus de opgebouwde ijzeren voorraad van 28 hectare uitgeefbaar zijn. Overi-
gens: in feite bedraagt de benodigde ijzeren voorraad in de periode 2015-2030 nog 19 hectare, dat wil
zeggen: vier maal de gemiddelde jaarlijkse uitgifte; bij deze berekening is er dus in 2030 sprake van
een aanbodoverschot bovenop de ijzeren voorraad van 17 hectare (7 hectare plus 10 hectare minder
behoefte aan een ijzeren voorraad). Over dertig jaar beschouwd gaat dat overigens om slechts een
halve hectare per jaar, een hoeveelheid die ruim binnen de onzekerheidsmarge valt. Er is dus in het
Primos scenario sprake van een vrij evenwichtige ontwikkeling (met wellicht een heel licht aanbo-
doverschot) bij extra aanbod van 55 hectare bedrijventerreinen na 2015. Geconcludeerd kan dus wor-
den dat aanleg van Buitenvaart I en Buitenvaart II, aangevuld met 55 hectare extra vanaf 2015, over-
eenstemt met een bevolkingsgroei volgens het Primos scenario (naar 55.000 in 2030).
Indien de ambitie bestaat het POP scenario te realiseren, dan zal de 55 hectare na 2015 niet vol-
doende zijn. Volgens het POP-scenario is er in de periode 2015-2030 sprake van een vraag naar ruim
94 hectare (vijftien maal de gemiddelde jaarlijkse uitgifte van 6.3 hectare). Afgezien van de ijzeren
voorraad bedraagt de hoeveelheid uitgeefbaar terrein in 2015 nog 5 hectare (en na correctie voor de
kleinere vereiste ijzeren voorraad in de periode 2015-2030 nog 12 hectare). Tegen een vraag van 94
hectare staat dan dus een aanbod van 67 hectare (12 hectare uitgeefbaar plus 55 hectare nieuw aan
te leggen). Dat is een vraagoverschot van 27 hectare. Op zich zou de ijzeren voorraad van 25 hectare
(vier maal de gemiddelde jaarlijkse uitgifte van 6.3 hectare) daarvoor gebruikt kunnen worden. Er is
dan nog sprake van een vraagoverschot (en dus een tekort aan bedrijventerrein in 2030) van 2 hecta-
re. Meer voor de hand ligt echter extra aanleg van ongeveer dertig hectare in de periode 2015-2030
om geen belemmeringen te hebben voor een bevolkingsontwikkeling volgens het POP scenario (naar
60.000 inwoners in 2030).

Uiteraard moet bedacht worden dat nuancering hier op zijn plaats is. De discussie gaat over kleine
marges van enkele tientallen hectares over een periode van dertig jaar. Het is aan te raden eerst de
uitgifte van Buitenvaart II te monitoren. Het is onwaarschijnlijk dat er, bij aanleg van Buitenvaart I en
Buitenvaart II, voor 2015 sprake zal zijn van tekorten. Daarom zal (gegeven een gemiddelde doorloop-
tijd van planvorming tot uitgifte van ongeveer acht jaar) pas in de tweede helft van dit decennium een
besluit genomen hoeven te worden over de hoeveelheid aan te leggen hectares bedrijventerrein na
2015






Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 69

Tabel 1 Vraag-aanbod confrontatie 2001-2030 volgens European Coordination scenario
Primos
scenario
bevolking
POP
scenario
bevolking

Periode 2001-2015

1. Op de markt komend aanbod (Buitenvaart I en II) 150 150

2a. Vraag (14 maal gemiddelde jaarlijkse uitgifte) 99 113
2b. Eenmalige opbouw ijzeren voorraad omdat huidige voorraad vrijwel nihil is (4 maal
gemiddelde jaarlijkse uitgifte)
28 32
2c. Behoefte inclusief eenmalige opbouw ijzeren voorraad 127 145

Situatie 2015

3a. Vraag/ aanbod balans 2015: Aanbod minus vraag exclusief behoefte opbouw ijzeren
voorraad (1 – 2a) = Voorraad bedrijventerrein 2015
51 37
3b. Vraag/aanbod balans 2015: Aanbod minus vraag inclusief behoefte opbouw ijzeren
voorraad (1 – 2c) = Voorraad bedrijventerrein 2015 afgezien van ijzeren voorraad
23 5

Periode 2015-2030

4. Aanleg bedrijventerrein na 2015 55 55

5a. Vraag (15 maal gemiddelde jaarlijkse uitgifte) 71 94
5b. Afname aan behoefte ijzeren voorraad doordat gemiddelde jaarlijkse uitgifte in perio-
de 2015-2030 lager is dan in periode 2001-2015 (4 maal jaarlijks verschil uitgifte). Dit kan
worden gebruikt voor uitgifte.
10 7
5c. Behoefte, rekening houdend met minder grote omvang vereiste ijzeren voorraad 61 87

Situatie 2030

6a. Vraag/aanbod balans 2030: Aanbod minus vraag exclusief behoefte opbouw ijzeren
voorraad minus aanbod (3a + 4 – 5a)
35 -2
6b. Vraag/aanbod balans 2030: Aanbod minus vraag rekening houdend met minder grote
omvang vereiste ijzeren voorraad (3b + 4 -5c)
17 -27
Gemiddelde jaarlijkse uitgifte:
Primos scenario 2001-2015: 7.1 hectare
Primos scenario 2015-2030: 4.7 hectare
POP scenario 2001-2015: 8.1 hectare
POP scenario 2015-2030: 6.3 hectare

Toelichting:
3a en 6a geven voorraad bedrijventerrein aan in 2015 respectievelijk 2030 (de -2 geeft aan dat er 2 hectare van de vraag niet
gerealiseerd kan worden)
3b en 6b geven voorraad bedrijventerrein aan in 2015 respectievelijk 2030 indien de wens bestaat de ijzeren voorraad in stand
te houden. Dat houdt dus in dat zonder aanleg van extra bedrijventerreinen extra ten opzichte van de 55 hectare, in het laatste
deel van de periode 2015-2030 slechts aan de vraag voldaan kan worden door de ijzeren voorraad volledig uit te geven (waar-
na nog een tekort van 2 hectare resulteert; zie 6a).
Werken in Hoogeveen Perspectieven tot 2030


www.pau.nl 70

Bijlage 12: Uitkomsten SWOT-analyse kernwinkelapparaat


Tijdens een bijeenkomst op 30 oktober 2002 is samen met de Hoogeveense middenstand, verenigd in
het HOV (Hoogeveense Ondernemersvereniging), een SWOT analyse gemaakt van het kernwinkel-
apparaat van Hoogeveen.

Als sterke punten kwamen naar voren:
- de omvang van het kernwinkelapparaat
- de goede parkeervoorzieningen
- de bereikbaarheid vanuit andere delen van de stad en vanuit de regio
- trouwe klanten
- de schouwburg
- goed winkelbestand t.o.v. de bevolking (weinig ketens)
- PDV (Perifere Detailhandel) aan de Griendtsveenweg versterkt het kernwinkelapparaat
- de markt
- de overzichtelijkheid door de ruime opzet
- de Cascade geeft identiteit, er zijn ook genoeg oversteekplaatsen
- Grote winkels met veel vloeroppervlakte

Als zwakke punten kwamen naar voren:
- vooraf betalen van parkeren bevordert het runshoppen
- de bereikbaarheid van de Tamboerpassage (buiten het loopcircuit)
- de routing (Schutstraat – Hoofdstraat)
- Oriëntatiepunten ontbreken
- Ondernemers geloven niet in hun eigen plaats (Hoogeveen is niet gezellig te maken)
- Te weinig kwaliteitswinkels
- Ontbreken van grote warenhuizen
- Te veel leegstand in met name de uiteinden van Hoofdstraat en aanlooproutes (is slecht voor
imago)
- Te lange straat leidt tot ongezelligheid, Cascade werkt ook als barrière voor het heen en weer
slenteren
- Rentabiliteit per vierkante meter te laag (door te diepe winkels) (zie opmerking 1)
- Te veel runshopping
- Slecht imago
- Te weinig samenwerking onder de ondernemers
- Geen gevoel voor stedelijkheid
- Je komt het kernwinkelapparaat binnen via de (lelijke) achterkanten
- Verbinding kernwinkelapparaat met Griendtsveenweg ontbreekt

Als kansen werden aangemerkt:
- Mogelijkheid voor compactere winkelrouting door achterkanten erbij te betrekken
- Bebouwing van het middendeel van de Hoofdstraat met kioskachtige bebouwing
- Versterken van het centrum door de regiofunctie verder te versterken
- Meer nieuwe bewoners aantrekken
- Meer funshopping en meer kwaliteitswinkels

Als bedreigingen werden genoemd:
- Overbewinkeling in relatie tot leegstand en de rentabiliteit per vierkante meter. (zie opmerking 1)
- Er is een te laag bestedingsniveau voor het aantrekken van grote warenhuizen.

Opmerking 1: Er is enige verdeeldheid over of er nu sprake is van overbewinkeling en of er kans is dat
dit in de nabije toekomst gaat spelen. Geconcludeerd wordt dat nader onderzoek (aanvullend op het
onderzoek door BRO) hiernaar zinvol is waarbij ook gekeken moet worden naar de eigendomsver-
houdingen van de winkelpanden.