ONHANDELBARE EN CRIMINELE JEUGD

cursus orthopedagogiek

prof.dr. juliaan van acker
www.ministrando.org
2015

© juliaan van acker
Deze tekst mag gekopieerd en verspreid worden, met
vermelding van auteur en website www.ministrando.org
e-mail: juliaan.vanacker@gmail.com

3
INHOUD

les 1: Hulpverlenen een kwestie van bezieling

4

les 2: Een positief stimulerende behandeling

10

les 3: Het netwerk van solidariteit

17

les 4: Als niets helpt: een onhandelbare adolescent

25

les 5: Repressie en/of zorg? Hard en/of soft?

31

les 6: De behandelingsmethodiek in praktische richtlijnen

45

les 7: Een uitgebreide casusbeschrijving: Twee kutmarokkanen

60

4
Orthopedagogiek les 1: „Hulpverlenen een kwestie van bezieling”
1.1Definitie: orthopedagogiek is de wetenschap die zoekt naar hoe kinderen
die risico lopen hun talenten en goede eigenschappen zo optimaal mogelijk
kunnen ontplooien, zodat ze leren zich verantwoordelijk voor anderen te
gedragen. Deze wetenschap is onlosmakelijk verbonden met de klinische
praktijk.
1.2 Toelichting: het begrip ’kinderen die risico lopen’ is hier zeer breed
gedefinieerd. Het kan bijvoorbeeld gaan om kinderen met zintuiglijke of andere
lichamelijke beperkingen, kinderen die mentaal gehandicapt zijn1, kinderen
met een moeilijk temperament, jongeren die het criminele pad opgaan, maar
ook kinderen die verwaarloosd, mishandeld of seksueel misbruikt worden. Vaak
is er een overlap tussen een gebrekkige opvoeding en het ontwikkelen van
probleemgedrag. Soms worden gehandicapte kinderen mishandeld,
verwaarloosd of misbruikt.
In deze lessen gaat het om kinderen met gedragsproblemen en om kinderen
die zich in een problematische opvoedingssituatie bevinden.
In deze definitie komt de essentie van mijn visie reeds tot uiting. Ten eerste
wordt in plaats van uit te gaan van de handicap of de stoornis van het kind,
het accent gelegd op de talenten en de goede eigenschappen van het kind. Ten
tweede wordt gekozen voor een pedagogische aanpak: het gaat niet zozeer om
het afleren van gedrag, maar vooral om het op een positieve wijze stimuleren
van het kind, zodat het kind zijn verantwoordelijkheid leert op te nemen.
Positieve verwachtingen kunnen het kind het best inspireren.
Met kinderen wordt hier bedoeld: kinderen van 0 tot 12 jaar en adolescenten
van 12 tot 18 jaar. Indien nodig kan de orthopedagogische behandeling
doorgaan tot in de beginjaren van de volwassenheid. De grens leggen we
arbitrair bij 23 jaar.
1.3 Wetenschappelijke visie: wij beperken ons niet tot het empirisch
wetenschappelijk model omdat het in de opvoeding ook gaat over de
mensvisie, over waarden en normen. Empirisch onderzoek is uiteraard van het
grootste belang omdat objectieve waarnemingen de basis zijn om
wetmatigheden te ontdekken en om te evalueren wat de effecten zijn van
interventies. De interventies zelf worden door het empirisch onderzoek slechts
oppervlakkig onderzocht. Het gaat in de pedagogiek vooral om zingeving,
bezieling, onvoorwaardelijke inzet.
De mens is geen robot die mechanisch reageert op prikkels vanuit de
omgeving of op biologische prikkels. Het kind is geen ’object’ dat zomaar
gemanipuleerd mag of kan worden, bijvoorbeeld met gedragstherapeutische
1

Een diep mentaal gehandicapt kind maakt door zijn glimlach bij een liefdevolle verzorging de
wereld een beetje beter. Op zijn manier draagt hij zijn verantwoordelijkheid.

5
gedragsveranderingstechnieken. In de opvoeding gaat het in de eerste plaats
om bezieling, om zomaar ’geven’ voor het kind, onbaatzuchtig en
onvoorwaardelijk.
Eerst moet de vraag worden beantwoord welk gedrag we willen stimuleren en
welk gedrag afgeleerd moet worden. Daarnaast moeten we oog hebben voor
de relatie tussen de opvoeder en het kind. De essentie van deze relatie is dat
het kind ’geïnspireerd’ wordt door de volwassene die om het kind geeft en aan
wie het kind gehecht is. Het gaat om bezieling en dit staat oneindig ver van
manipulatie.
Menselijkheid ontspringt daar waar de volwassene zich onbaatzuchtig en
onvoorwaardelijk inzet voor het kind. Liefde of goedheid is de basis van de
opvoeding en dit laat zich niet empirisch analyseren omdat liefde geen oorzaak
heeft en ook geen doel. Liefde is onbaatzuchtig en onvoorwaardelijk. Hier
komen geen empirische wetmatigheden aan te pas. Ergo, indien liefde aan
voorwaarden of wetmatigheden gebonden zou zijn, is er geen sprake meer van
liefde. Een belangrijk orthopedagogische principe die ik vaak aan ouders
adviseer is hun kind altijd met veel warmte en liefde op te vangen, wat er ook
is gebeurd. Zonder hem uit te vragen of zonder te zeggen: ’Had je maar naar
ons geluisterd’. Opvoeding is een kwestie van vergeven en vergeten.
Deze visie betekent ook dat ik weinig of geen belang hecht aan labels om
stoornissen te duiden. Welke stoornis het kind ook moge hebben, als
orthopedagoog probeer ik daar doorheen te kijken om vooral te ontdekken hoe
dat kind zijn talenten en mogelijkheden kan ontplooien. Elk kind heeft de
wereld veel te bieden.
Het doel van de opvoeding wordt hier om die reden gedefinieerd als ’het
kind zodanig inspireren dat hij een goed mens wordt’. Een goed mens is
iemand die zich verantwoordelijk voelt voor anderen, in zo’n sterke mate dat
het belang van de Ander prioriteit heeft op het eigenbelang. Om zijn
verantwoordelijkheid te kunnen opnemen moet het kind zijn talenten
ontplooien, zodat hij zich goed voor de anderen kan inzetten. Je moet iets
hebben om te kunnen geven.
Met de Ander wordt hier bedoeld de naasten die nabij zijn, de mensen ver weg
bijvoorbeeld in ontwikkelingslanden en de toekomstige generaties die zullen
moeten leven op de planeet die we voor hen achterlaten. Gezien de
uitdagingen waarvoor we in deze 21ste eeuw staan (bijvoorbeeld de
toenemende kloof tussen arm en rijk, de klimaatperikelen,…) is het te
begrijpen dat we eerst en vooral mensen nodig hebben die zich
verantwoordelijk gedragen, die goed zijn voor anderen, wie het ook moge zijn.
Deze ethisch-filosofische visie, die bij mij sterk beïnvloed is door de filosofie
van Emmanuel Levinas, is richtinggevend voor de orthopedagogiek als
wetenschap. Orthopedagogiek is een echte geesteswetenschap en hoort eerder
thuis bij de faculteit der wijsbegeerte. Dit is belangrijk omdat de hedendaagse

6
psychologie helaas geen psychologie meer is, want de psyche kan niet
empirisch onderzocht worden2. Dank zij de filosofie ontdekken we als
orthopedagogen opnieuw wat bezieling in de opvoeding is en kunnen we
zoeken naar hoe de hulpverlener de opvoeders kan inspireren om hun kinderen
tot goede mensen op te voeden.
Deze basisprincipes van mijn orthopedagogische visie wil ik illustreren met een
casus3 uit mijn klinische praktijk. Het gaat om een adolescent die op
schromelijke wijze ernstig psychisch mishandeld is geweest door zijn
stiefvader.
1.4 De casus Ronaldo4
Ronaldo is een jongen van 17 jaar die al sinds drie jaar voor veel overlast
heeft gezorgd in de wijk. Op zijn strafregister staan al een paar overvallen
vermeld, enkele diefstallen, heling en ook op het gebied van de leerplicht
zijn er problemen. Op het moment van de aanmelding viel hij onder de
jeugdreclassering.
Tot nog toe is niemand erin geslaagd het vertrouwen van deze jongen te
winnen. De jeugdreclasseerder zegt er geen idee van te hebben hoe deze
jongen te bereiken. Hij antwoordt met ja of nee en hij komt zijn afspraken
vaak niet na. Ook op de school loopt Ronaldo de kantjes ervan af. Hij laat
tijdens de lessen geen interactie zien. Hij houdt zich rustig, maar reageert
totaal niet op vragen van de leerkracht. Thuis maakt hij nooit huiswerk.
1.4.1 De gezinssituatie
Het fundamenteel wantrouwen van deze jongen is te wijten aan de wel
zeer ongelukkige gezinssituatie waarin hij is opgegroeid. Zijn moeder leeft
al 17 jaar samen met een oudere man die alleen maar kritiek heeft op
Ronaldo. Als deze stiefvader voor de anderen iets bakt of kookt, dan zorgt
hij ervoor dat Ronaldo er geen deel van krijgt, want ‘hij is een straatkind
en hij moet maar uit de prullenbakken eten’. Omgekeerd wordt de
stiefvader tijdens bezoeken van de hulpverlener door de moeder en
Ronaldo volledig genegeerd.
In het gezin leeft iedereen naast elkaar. Haar relatie met de stiefvader
stelt volgens moeder niks voor. Zij blijft bij hem om financiële redenen.

2

Zie mijn tekst ’De psychologie is geen empirische wetenschap’ LINK: https://www.academia.edu/
7089726/Psychologie_is_geen_empirische_wetenschap
3

alle casussen in deze cursus komen uit mijn eigen klinische praktijk in projecten voor
recidiverende en gewelddadige jonge criminelen en in mijn online-adviesdienst. Bij de eerste
projecten hebben mijn medewerkers een belangrijke rol gespeeld in de begeleidingen.
4

namen en identificatiegegevens zijn gewijzigd. Gelijkenissen moeten aan het toeval zijn te wijten.
Dit geldt voor de gehele cursus.

7
De biologische vader van Ronaldo laat niets van zich weten, ook niet op
zijn verjaardag. Ronaldo was erg teleurgesteld dat zijn vader tijdens zijn
detentie hem niet had bezocht. Vroeger had Ronaldo een goed contact
met zijn opa, maar die is overleden.
De moeder heeft geen enkele vat op haar zoon. Zij weet niet waar hij de
hele dag uithangt. Ronaldo is praktisch nooit thuis overdag.
Deze opvoedingssituatie waar Ronaldo al van kleins af in leeft, heeft een
verwoestend effect gehad op zijn zelfbeeld en zijn zelfvertrouwen. Ronaldo
weet niet welke opleiding hij volgend jaar gaat doen. Hij zegt dat hij niks
kan en dat hij niks leuk vindt. Ook gelooft hij niet dat mensen hem zullen
aannemen voor een bijbaantje.
1.4.2 Hoe kan de hulpverlener deze jongen proberen te bereiken?
Ronaldo heeft aan zijn moeder gezegd dat ‘alles wat je tegen een
hulpverlener zegt, kan tegen je gebruikt worden’.
Ronaldo zegt regelmatig aan de hulpverlener dat hij geen zin heeft om af
te spreken. Als er toch een gesprek is geweest, wil hij geen volgende
afspraak maken, of als een paar opties worden genoemd om ergens af te
spreken zegt hij er eerst over te moeten nadenken. Tijdens een gesprek
kan hij plotseling opstaan en zeggen genoeg gepraat te hebben.
Zijn moeder zegt dat hij met verkeerde vrienden omgaat. Onlangs kreeg
hij een bekeuring voor baldadig gedrag tegen de politie. Moeder voegt er
onmiddellijk aan toe dat het geen zin heeft hem ervoor te straffen, want
hij luistert toch niet naar haar. Zij vreest dat Ronaldo criminele activiteiten
zal uitvoeren als hij straks geen vervolgopleiding zal volgen. Ronaldo zegt
zelf dat hij overal in de gaten wordt gehouden door de politie. Hij heeft
het idee dat iedereen hem wil pakken en vast wil zetten. De vorige keer
was hij in detentie geplaatst wegens een terugmelding van leerplichtzaken
want er was te veel verzuim geweest.
Als de hulpverlener hem een complement geeft, dan reageert hij daar niet
op. Bijvoorbeeld toen hij bij het mooie weer direct na school naar de
afspraak kwam.
Twee maanden na het eerste huisbezoek raakt Ronaldo betrokken in een
zwendel met telefoonabonnementen. Volgens hem is hij erin getrapt. De
hulpverlener doet grote inspanningen om hem uit de nesten te helpen. Hij
werkt niet altijd goed mee, laat het aan de hulpverlener over en is alles
behalve dankbaar. Terwijl de hulpverlener bij hem thuis zit te bellen om
een en ander te regelen, gaat hij plotseling zomaar weg.
Er is nu een grote schuld van minimaal 2000 euro. Zijn moeder maakt
zich grote zorgen hierover. De stiefvader zegt dat Ronaldo nu moet gaan
werken om die schulden af te betalen.

8
1.4.3. Hoe kan nieuw crimineel gedrag hier worden voorkomen?
Ronaldo is al te oud om nog iets aan de opvoedingssituatie te kunnen
veranderen. Twee zaken kunnen hem helpen om op het rechte pad te
blijven:
1. het voltooien van de schoolopleiding en het vinden van werk
2. een goede sociale band met mensen die hij vertrouwt en die om hem
geven.
De hulpverlener kan op haar eentje hier niet veel bereiken. Het gaat er
vooral om dat op de school men met heel veel geduld met deze jongen
omgaat en dat hij in zijn eigen omgeving mensen ontmoet met wie hij een
goede sociale band kan ontwikkelen.
De rol van de hulpverlener is hier vooral een van bemiddelaar. Als er
conflicten zijn op de school, dan kan zij bemiddelen om het goed op te
lossen. Ook slaagt zij erin hem het volgend schooljaar op een
vervolgopleiding te krijgen. Dat liep niet van een leien dakje, want toen
een van de scholen werd opgebeld, zei de directeur dat Ronaldo de
grootste ramp was die ze ooit op hun school hebben gehad.
De hulpverlener kan, naast deze bemiddelende rol Ronaldo sociale
vaardigheden aanleren om nieuwe conflicten te voorkomen. Verder kan zij
proberen een werkgever te vinden die deze jongen een kans wil geven, zo
mogelijk al met een vakantiebaantje zodat hij wat kan bijverdienen. Een
werkgever waar Ronaldo al eens heeft stage gelopen, heeft aan de
hulpverlener gezegd dat het een heel goede werker was. Dit is tot nog
toe de enige persoon die iets positiefs over deze jongen heeft gezegd.
Om deze doelen (goede schoolprestaties, een geschikte vervolgopleiding
vinden, sociale vaardigheden aanleren, hem aan werk of een bijbaantje
helpen) te bereiken zal de hulpverlener heel voorzichtig en met oneindig
veel geduld tewerk moeten gaan. De reguliere hulpverlening zal deze
jongen wellicht nooit kunnen bereiken en dus ook nooit echt kunnen
helpen.
Door de heel intensieve contacten met Ronaldo en met zijn moeder kan de
hulpverlener stilaan hun vertrouwen winnen. Wil je hier ooit resultaten
bereiken dan moet er veel tijd uitgetrokken worden om een
vertrouwensrelatie op te bouwen. Dit is een noodzakelijke voorwaarde om
tot echte en duurzame gedragsveranderingen te komen.
Na enkele maanden zijn er al enkele lichtpuntjes zichtbaar. Op de school
gaat het de laatste tijd stukken beter. Hij zal wellicht dit jaar slagen.
Ronaldo werkt nu samen met de hulpverlener om uit de problemen met
die zwendel te geraken: hij is samen met haar naar de wijkagent geweest
om een en ander te overleggen. Hij is thuis als zij op bezoek komt. Ook
zijn moeder heeft heel veel vertrouwen in de hulpverlener. Zij voelt zich

9
stilaan krachtig genoeg om haar man te verlaten, zodat haar kinderen uit
de ellende van dit gezinsleven worden gehaald. Op het einde van de
begeleiding heeft moeder haar vriend verlaten. Zij woont nu samen met
haar kinderen in een andere wijk. De hulpverlener heeft hier hard voor
moeten bemiddelen. Ook de financiële situatie is stukken beter.
Ronaldo is een jongen met capaciteiten. Hij is intelligent en zou best een
hogere opleiding aankunnen. Nu het vertrouwen toeneemt en hij ervaart
dat anderen te vertrouwen zijn (ook de wijkagent!), zal hij wellicht
definitief van het criminele pad worden afgeleid. Bij het afsluiten van de
behandeling had hij al twee jaar geen nieuwe delicten meer gepleegd.
Twee jaar na het beëindigen van de begeleiding stuurt de hulpverlener die
nog af en toe contact met hem heeft, mij het volgende bericht: „Met
Ronaldo zijn we nu bezig aan de afronding. Het gaat goed met hem en hij
heeft een netwerk van solidariteit om zich heen gecreëerd. Hij werkt nu
vier dagen in de week, iets wat we niet hadden durven hopen. Jammer is
wel dat de schulden van de oplichtingszaak hem nog steeds blijven
achtervolgen”.
1.4.4 Commentaar
In een volgende les zullen we ingaan op deze vorm van intensieve
gezinsbegeleiding. Hier wil ik mij beperken tot de houding en de taak van de
hulpverlener. Zij is zeer intensief betrokken geweest bij dit gezin en heeft
hemel en aarde verzet om deze jongen op een vervolgopleiding te krijgen.
Ondanks zijn vaak onbeschoft gedrag, bleef zij geduldig en volhardend. Zij
mag uiteraard niet over zich heen laten lopen. Bij onacceptabel gedrag zegt ze
gewoon waar het op staat en wat ze van hem verwacht. Dank zij deze
basishouding kan zij eindelijk, en als eerste hulpverlener, het vertrouwen van
deze jongen winnen. Deze hulpverlener inspireerde deze jongen om zijn
verantwoordelijkheid op te nemen, namelijk naar school gaan en een slechte
vriendenkring ontwijken. Ook zijn moeder werd door haar geïnspireerd om
opnieuw vertrouwen in haar zoon te schenken en een nieuw leven te beginnen
weg van haar tirannieke man.

10
Orthopedagogiek les 2: „Een positief stimulerende benadering”

2.1 Alle gedrag is aangeleerd
Het doel van een orthopedagogische behandeling is altijd gedragsverandering
bij het kind. We moeten daarom eerst de oorzaken van het gedrag leren
kennen. Alle gedrag wordt aangeleerd. Een probleemgedrag is een
interactieprobleem. Dit wil zeggen dat als we het gedrag van het kind willen
veranderen, ook het gedrag van de opvoeders moet veranderen. Meer in het
algemeen: het gedrag van het kind moeten we zien in functie van het gehele
systeem waarin hij zich bevindt. Een systeemgerichte benadering is een
conditio sine qua non voor de orthopedagoog.
De oorzaken van probleemgedrag zijn talloos: biologische factoren, ervaringen
vanaf de eerste levensjaren, sociale factoren, prikkels in het hier en nu, de
verwachtingen die het kind heeft, enzovoorts. De manier waarop de opvoeder
reageert op het kind, zijn opvoedingsmethoden en zijn opvoedingsstijl
bijvoorbeeld, is ook afhankelijk van talloze factoren zoals de eigen ervaring als
kind, het temperament van de ouder, zijn levenservaringen, de concrete
situatie waarin hij zich nu bevindt, de verwachtingen die hij heeft van het kind,
enzovoorts.
Het is onmogelijk om al deze oorzaken precies vast te stellen. Bovendien heeft
het kind nog een vrije wil. Zelfs met de meest geavanceerde computers zullen
we nooit op basis van alle data die we er in stoppen, het gedrag van het kind
en van de opvoeder kunnen voorspellen of zullen we kunnen vaststellen welke
interventie bij dit kind tot welke effecten kunnen leiden. Wat het empirisch
onderzoek hierover zegt is altijd een waarschijnlijkheid of een gemiddelde. We
kunnen een therapeutische methode niet zomaar toepassen op een kind, dat
zoals elke mens altijd uniek is. Alleen een casuïstische benadering is
wetenschappelijk en ook ethisch verantwoord.
2.2 Een casuïstische benadering
Als orthopedagoog moeten we, net als de opvoeders, handelen in het belang
van het kind. Om ons gebrek aan kennis over het gedrag van het kind en zijn
opvoeders enigszins te omzeilen, hanteren we een casuïstische benadering. Dit
wil zeggen dat we voor dit specifieke kind zo goed mogelijk het gedrag en zijn
opvoedingssituatie in kaart proberen te brengen. Al deze data zijn ons
diagnostisch materiaal. Onze diagnose eindigt pas als de behandeling is
beëindigd, want we moeten de diagnose steeds met nieuwe data bijstellen. In
mijn opvatting is het evident dat de diagnosticus ook de behandelaar is.
Bovendien is voor een goede diagnose een vertrouwensrelatie noodzakelijk. Dit
vertrouwen wordt gebroken als de diagnosticus voor de feitelijke behandeling
het kind en het gezin doorverwijst. Aparte observatiecentra passen niet in deze
orthopedagogische visie.

11
Gebruik van diagnostische tests is bij mij uit den boze. Dit is logisch omdat ik
mijn strategieën zoveel mogelijk wil baseren op observaties. Die observaties
geven mij een completer beeld van de specifieke situatie van dit kind.
Met een voorbeeld uit mijn online-adviespraktijk wil ik illustreren hoe
gedragsverandering bij de kinderen bereikt kan worden door een andere
houding van de ouder. Hierbij worden richtlijnen gegeven die de ouder gewoon
kan toepassen in de dagelijkse omgang met de kinderen. In de volgende casus
lijkt het alsof een verandering van houding voldoende was om de
opvoedingssituatie te herstellen. De moeder die haar kind het best kent, levert
de observaties. Zij is als het ware de diagnosticus. Daarna lijkt het voldoende
te zijn dat de hulpverlener inzicht verschaft in de houding die zij het best kan
aannemen om de problemen te voorkomen.

2.3 Een radeloze moeder
Deze moeder heeft twee kinderen, een zoon van twaalf en een dochter
van veertien. Met beiden zijn er problemen. Over haar zoontje schrijft ze
(ik vat het korter samen): hij is zeer moeilijk van gedrag op school; hij
stoort constant de lessen door geluiden te maken, te zingen en te roepen;
hij is helemaal niet geïnteresseerd en schrijft niets op. De school is nu
gestart met een leswaarderingskaart, maar volgens de moeder is dit
bedoeld om een argument te hebben om hem van school te schoppen.
Gesprekken met de leerlingenbegeleider en met de directeur hebben niet
geholpen. Hij heeft dit school jaar al tien strafstudies gekregen en hij is
pas twaalf jaar. De directrice heeft gezegd dat hij waarschijnlijk ADHD
heeft en dat indien de moeder geen medicatie laat opstarten, zij al de
kansen van haar zoon op een normaal leven afneemt. De moeder zegt dat
zij hierdoor erg geschokt was.
Door zijn zeer moeilijke contact met de leerkrachten, de slechte
schoolresultaten en de dagelijkse strijd om zijn huiswerk te doen maken,
denkt moeder dat hij niet op die school past, ondanks zijn goede
intelligentie.
De moeder schrijft zelf dat ze het heel moeilijk heeft om nog positieve
zaken te vinden bij haar zoontje. Hij interesseert zich alleen voor skaten
en playstation. Ook eet hij veel achter hun rug, waardoor hij overgewicht
heeft. De schoolarts heeft moeder hiervoor opgebeld.
Met de dochter van veertien zijn er eveneens forse problemen. Zij zit op
internaat en op kunstonderwijs. Daar heeft ze haar ding gevonden en ze
doet goed haar best. Maar in het weekend wil ze absoluut uitgaan. Ze
rookt joints, ze drinkt en ze verbergt niet meer dat ze sigaretten rookt. Op
school is ze net betrapt bij het snuiven van geplette ritalinpillen. Als de
moeder haar aanspreekt op haar gedrag wordt ze razend. Ook bij haar
dochter vindt de moeder het moeilijk iets positiefs te vinden. Moeder

12
schrijft in haar mail dat ze rondloopt met het idee ’Had ik maar nooit
kinderen gehad!”.
De moeder vraagt mij hoe dit aan te pakken.
2.3.1 Wat valt bij dit voorbeeld op?

-

over de vader wordt met geen woord gerept
er zijn problemen met beide kinderen die nu in de puberteit zitten
er zijn problemen thuis en buitenshuis (op school)
de moeder is radeloos; ze ziet geen uitweg meer. Ze kan ook niet meer de
goede kanten van haar kinderen zien
de school heeft al een diagnose gemaakt en heeft een advies voor de zoon
(adhd en rilatine)
beide kinderen lopen veel risico (mislukte schoolcarrière, verslaving en de
slechte invloed van de vriendenkring die daarmee samenhangt). Ze zijn
bovendien nog erg jong.

2.3.2 Mijn advies
Jouw mail heb ik aandachtig gelezen. Het is voor mij niet eenvoudig om
hier al een eerste advies te geven. Bij jouw zoon zijn er al heel wat
hulpverleners betrokken en de school is er ook al een hele tijd mee bezig.
Met jouw dochter zijn er ook problemen en beiden zijn nog erg jong. Paul
is behoorlijk lastig op school, wat de leerkrachten wellicht radeloos maakt.
Jullie zitten er ook bovenop om hem te dwingen huiswerk te maken. Al die
inspanningen lijken weinig of niets uit te halen. Annie is een vrijgevochten
meid, die gewoon doet waar ze zin in heeft. Dit houdt veel risico's in. Je
probeert tot haar door te dringen om achter de waarheid te komen en
haar tot rede te brengen. Allemaal vruchteloze pogingen. Annie verbergt
zelfs niet meer dat ze rookt en dergelijke.
Het is nu zover gekomen dat je voor jezelf zegt 'had ik maar geen
kinderen' gehad. Inderdaad, als ouder heb je andere verwachtingen.
Wat kan ik hier aanbevelen? Adviezen geven op basis van één e-mail is in
dit geval onmogelijk en bovendien zou dit het werk van de andere
hulpverleners kunnen verstoren (in het geval van Paul). Je wilt weten hoe
dit aan te pakken? Een ding kan ik alvast zeggen: alles waarvan je weet
dat het toch tot ruzie zal leiden of alles waarvan je vooraf weet dat het zal
mislukken, heeft geen enkel zin. Je verpest hiermee het leven van je
kinderen en van jezelf. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat je alles zomaar
moet toelaten. We moeten echter vermijden dat beide kinderen ook het
gevoel krijgen dat hun ouders, net zoals de leerkrachten bij Paul, hen
liever kwijt dan rijk zijn. Hun zelfwaardegevoel wordt door al die
mislukkingen, al die ruzies en al die kritiek steeds verder aangetast.
Terwijl een positieve zelfwaardering voor pubers de motor is van hun

13
ontwikkeling. Wie een lage zelfwaardering heeft, loopt het risico steeds
dieper in de put te geraken!
Als je het met bovenstaande eens bent, dan is het van het grootste belang
dat beide kinderen in elk geval thuis veel warmte en steun vinden, wat er
ook gebeurt. Een heel moeilijk advies want je wilt dat ze beiden het goed
doen op school en zich netjes gedragen buitenshuis. Ik kan van hieruit
geen advies geven om het gedrag op school en in hun vrije tijd te
verbeteren. Daar ligt de taak van het CLB (centrum voor
leerlingenbegeleiding) en de andere betrokken hulpverleners. Ik wil mij
daarom beperken tot een advies voor de houding van jullie als ouders.
Je wilt bijvoorbeeld per se weten of Annie gesnoven heeft. Nou, vergeet
dat maar. Wat is het nut daarvan? Hoeveel energie zal je daaraan nog
besteden en hoeveel ruzie zal er het gevolg van zijn? Precies de dingen
die je moet vermijden om het zelfbeeld van Annie nog verder de grond in
te boren. Mijn advies: als er een probleem is geweest zeg je eenmaal welk
gedrag je van haar verwacht en daarna houden we het weer gezellig.
Begin dus nooit meer over wat er is gebeurd. Begin elke dag vol hoop met
een nieuwe lei. Wees blij als Paul van school thuiskomt of als Annie weer
thuis is van het internaat. Vraag hen niet uit. Drink samen een kopje thee
of zoiets. Laat hen zelf aan het woord. Toon belangstelling en vermijdt hen
de les te spellen of te zeuren. Als je dit volhoudt, wordt de sfeer thuis een
stuk gezelliger en de kinderen zullen dan misschien bijdraaien.
Ook al komt het probleemgedrag voor de tiende of twintigste keer weer
voor, dan begin je toch telkens opnieuw met een nieuwe lei, vol goede
hoop. Ik weet dat dit een bijna onmogelijke opgave is, maar op die manier
bewijs je wel dat je alles voor jou kinderen over hebt. Uiteindelijk zal dit
hen inspireren want 'de liefde overwint alles'...
Als ouder zou ik het natuurlijk ook anders willen. Maar om erger te
voorkomen is het beter alle ruzie en kritiek te voorkomen. Dit zal lukken
als jij en jouw man beide kinderen met veel warmte en liefde opvangen,
wat er ook moge gebeuren. Dus als je van school weer slechte berichten
krijgt of als Paul met geen stok aan zijn huiswerk is te krijgen, beperk je
tot een enkele opmerking (positief geformuleerd) en geef hem een dikke
knuffel van een zeer liefhebbende moeder. Doe nu hetzelfde als jouw
dochter thuis komt: geef haar het gevoel dat ze heel erg welkom is. Als in
dit lange weekend ze weer heel nare dingen doet, zeg dan eenmaal op
positieve wijze wat je van haar verwacht en direct daarna maak je het
weer gezellig met haar.
Ik hoop dat je begrip hebt voor mijn standpunt.
Vriendelijke groet

14
2.3.3 Evaluatie
Twee maanden later evalueert de moeder mijn adviezen als volgt
1. Het advies heeft mij goed geholpen: cijfer 10
2. De problemen met mijn zoon/dochter zijn nu afgenomen: cijfer 9
3. Dank zij het advies voel ik mij nu zelfzekerder in de opvoeding van mijn
kind: cijfer 9.
De moeder schrijft hieronder: ’De raad om altijd opnieuw terug met een
propere lei te beginnen nadat je één keer duidelijk hebt gezegd wat niet
kan/mag/moet is heel moeilijk om toe te passen. Maar iets wat ik per
geluk bijna elke keer nu toepas omdat het echt de enige manier is die
werkt. Bedankt!

Ik probeer meer te genieten van mijn kinderen en dat begint te
lukken ;-)
Hartelijk bedankt!’.
2.4 Commentaar: een orthopedagogische aanpak
Eerst en vooral was ik zelf uitermate verbaasd over deze zeer positieve
evaluatie van de moeder. Hoe is het mogelijk dat bij de eerder geschetste
problematiek na één email de opvoedingssituatie zo gunstig is geëvolueerd? Ik
meen dat dit te maken heeft met de grondhouding die ik de ouder
aanbeveel.
Een mogelijke verklaring van het effect van een eenmalig advies zou kunnen
zijn dat het in de behandeling niet zozeer aankomt op therapeutische
technieken. Wezenlijk is een verandering van houding van mensen uit
de omgeving ten aanzien van diegene die zich problematisch gedraagt.
Dan is therapie eerder een kwestie van bezieling. Door zijn adviezen kan de
hulpverlener de opvoeders inspireren een andere houding aan te nemen. Dit
lukt het best als ze, in de gewone dagelijkse omgang, op een positieve manier
leren te kijken naar het kind. Therapie wordt hier in essentie een positief
stimulerende benadering van het kind.
In plaats van ingewikkelde en diepgaande psychotherapie probeerden we
afspraken te maken over de gewone dagelijks omgang, bijvoorbeeld:

- bij een probleemkind nu ook eens en vooral aandacht geven als het eens
goed gaat en dan een knuffel geven of een compliment. Je waardering laten
blijken. Opvoeders gaan er te gemakkelijk van uit dat normaal gedrag
vanzelfsprekend is. Er extra aandacht aan geven is makkelijker gezegd dan
gedaan, want het vereist een fundamentele verandering in de houding van
de opvoeders: in plaats van alert te zijn op wat er fout gaat, in plaats van bij
een moeilijk kind te kijken naar wat dat negatieve beeld van het kind
bevestigt, nu eens vooral gaan kijken naar wat er positief is aan dat kind

15

- probleemgedrag negeren zodat het geen aandacht meer oplevert (een
moeilijk advies want het wordt dan eerst nog erger en hoe ver kan je hierin
gaan, bijvoorbeeld als het kind een zusje of broertje hard slaat?)

- niet zoeken naar oorzaken in het verleden, maar gewoon kijken in het hier
en nu naar hoe gedrag ontstaat in de interactie tussen ouder en kind. Dat
levert dan heel concrete richtlijnen op over hoe om te gaan met het kind.
Het verleden kunnen we niet terugdraaien. Als opvoeders hebben we wel
controle over wat er nu gebeurt. Dit betekent niet dat we de invloed van het
verleden ontkennen en dat verleden kan de behandelingsmogelijkheden
beperken, toch reageert een mens niet als een robot die geprogrammeerd is
in het verleden. De actuele invloeden spelen een doorslaggevende rol en er
is ook nog zoiets als de vrije wil.
Dit zou er kunnen op neer komen dat kleine veranderingen in de manier
waarop de gezinsleden met elkaar omgaan, leiden tot een betere sfeer thuis.
Zij hebben meer positieve ervaringen met elkaar. Hierdoor krijgen ze de kracht
om ook andere problemen zelf op te lossen.
Het lijkt alsof het voldoende is dat de hulpverlener een eerste stapje in de
goede richting mogelijk maakt en daarna gaat het vanzelf verder zonder dat de
hulpverlener nog verder moet tussenkomen.
Nu zullen niet alle problemen zo makkelijk opgelost kunnen worden. Er blijven
uitzonderingen bestaan. Maar als ik kijk naar de evaluatie van de online
adviezen, dan wijzen de resultaten in die richting. Bij deze gezinnen gaat het
meestal niet om erg problematisch gezinnen, maar toch komen er ouders die
al heel veel hulp gehad hebben en ten einde raad zijn.
2.4.1. Een andere grondhouding
Het gaat hier eigenlijk om een andere grondhouding ten aanzien van
psychische problemen. Na 60 jaar wetenschappelijk onderzoek komen de
wetenschappers nog steeds tot de conclusie dat er voor de ernstige
gedragsstoornissen geen effectieve behandelingsmethoden bestaan. Ik heb
daar mijn conclusie uit getrokken. Bepaalde vanzelfsprekendheden en
denkgewoonten moeten we durven afwerpen. Bijvoorbeeld:

- gedragsproblemen wijzen op een stoornis in het kind. Er wordt gezegd dat
het kind autistisch is of dat het een adhd-kind is. Het kind wordt zijn
stoornis. Terwijl overduidelijk blijkt dat gedrag altijd het resultaat is van een
interactie met de opvoeders. Alle gedrag wordt aangeleerd en dat geldt ook
voor probleemgedrag

- dat het probleemgedrag het resultaat is van een leerproces betekent niet dat
ouders schuldig zijn. Die leerprocessen verlopen onbewust. Het gaat erom
dat de ouders inzicht krijgen in hoe zij het gedrag van het kind beïnvloeden
en let op: hoe het kind hun gedrag beïnvloedt. Via dit inzicht krijgen de

16
ouders terug controle over het gedrag van hun kind. De hulpverlener kan
aldus het zelfvertrouwen van de ouder herstellen. Dit laatste is zeer
belangrijk voor alleenstaande moeders

- als we het kind een label geven, dan doen we dat kind groot onrecht aan.
Dat kind kan bijzondere talenten hebben. Het kind is oneindig veel meer dan
zijn stoornis. De beste behandeling bestaat erin een kind, dat als
problematisch of gestoord wordt gezien, de kans te geven zijn eigen talenten
en vaardigheden zo goed mogelijk te ontplooien

- een andere kijk op de rol van de hulpverlener: hij is niet iemand die het
beter weet of iemand die over een middel beschikt om het probleemgedrag
bij het kind op te lossen. De hulpverlener zien we als een bemiddelaar die de
ouders leert hoe het gedrag van het kind te beïnvloeden. Dit is een
belangrijk principe want de hulpverlener is er maar tijdelijk en de ouders zijn
er altijd bij voor de volgende jaren. Dus niet denken dat je als hulpverlener
veel kunt bereiken. Het zijn diegenen die dagelijks uren contact hebben met
het kind en dit gedurende vele jaren die invloed kunnen hebben op het
gedrag van het kind. Dit geldt ook voor de school: tussen vier en achttien
jaar brengt een kind 16.000 uur door op school tijdens de belangrijkste uren
van de dag. Alle reden dus om ook de school bij de behandeling te
betrekken.

2.4.2 Een verkeerd psychologisch model
Ik wil nog even terugkomen om wat ik daarnet zei over het ontbreken van
effectieve behandelingsmethoden voor ernstige gedragsproblemen. Ik kreeg
meer en meer het vermoeden dat we een verkeerd psychologisch model
hanteren en dat dit de oorzaak is waarom het zo moeilijk is om gedrag in de
goede richting te veranderen. De mens wordt te veel gezien als een object dat
manipuleerbaar zou zijn. Dat is het laatste wat jij en ik willen.
Ik zie de noodzaak van een psychologie die terug psychologie wordt. Wat
bedoel ik hiermee: psychologie gaat over de menselijke psyche, over de geest.
De vraag is of we de psyche, iets geestelijks, op een objectieve wijze kunnen
bestuderen. De hedendaagse psychologie zoekt naar wetmatigheden. De mens
wordt bestudeerd als een object en het doel is technieken te vinden om dit
object te manipuleren. In deze tijd is het hersenonderzoek in de mode, want
daar zou de sleutel liggen om gedrag te begrijpen en te manipuleren.
De fout bij dit psychologisch model is dat de mens bestudeerd wordt als een
ding. De mens beschouwen als een te manipuleren object is het meest
onmenselijke wat er is. Zou de hedendaagse psychologie ons niet rechtstreeks
kunnen leiden naar de ultieme totalitaire staat?
In de volgende les wordt dieper ingegaan op het psychologische model dat de
orthopedagoog het best kan hanteren.

17
Orthopedagogiek les 3: Het netwerk van solidariteit

Als iedereen voor zichzelf eens bepaalt wat zijn gedrag drastisch kan
veranderen? Bijvoorbeeld dat we willen proberen meer rekening te houden met
onze partner. We willen ons in elk geval niet laten manipuleren. We willen in
vrijheid kunnen beslissen.
Ons gedrag verandert door contact met andere mensen die ons weten te
inspireren, die ons op een of andere manier raken door wat ze zeggen en
vooral door wat ze doen, door welk model ze zijn. Paus Franciscus zou mensen
bijvoorbeeld kunnen inspireren om arme mensen te helpen of Geert Wilders
kan mensen inspireren om zwarte Piet zwart te laten zijn.
3.1 Het echte doel van de opvoeding
De volwassenen hebben een grote verantwoordelijkheid om kinderen te
inspireren. Opvoeding en hulpverlening definieer ik daarom graag als een
kwestie van het kind te inspireren om zich goed te gedragen. Het doel van de
opvoeding is dat het kind een goed mens wordt.
Welke ouder kan het kind het best inspireren voor het goede? Dat is wat in
vrijwel alle casussen van mijn vakboeken tussen de regels door is te lezen:

- de ouder die nooit de moed verliest
- de ouder die altijd blijft hopen dat het weer goed komt
- de ouder die in staat is bij een heel moeilijk kind ook die momenten te zien
waar het kind zich goed gedraagt

- de ouder die wat er met de adolescent ook gebeurt, hem of haar altijd met
veel liefde en warmte opvangt, zonder uit te vragen en zonder te zeggen:
’Had je maar naar mij geluisterd’.
Dit geldt voor alle opvoeders, ook leerkrachten moeten die houding uitstralen,
vooral naar die kinderen die voortdurend ervaren dat ze misprezen of
afgewezen worden.
[Ik wil hierbij even op het volgende wijzen: stel eens voor dat volwassenen in
hun economische en politieke activiteiten ook deze principes respecteren, dan
wordt economie een middel om armoede en miserie uit de wereld te helpen en
politiek een gezamenlijk project om vrede en welvaart te brengen. Economen
en politici kunnen dus wat leren van pedagogen … vandaar dat ik essays schrijf
over maatschappelijke kwesties … maar dat is een ander verhaal, waar ik nu
niet verder op inga. Wel is belangrijk dat alle volwassenen in de maatschappij
voor de jeugd een opvoedende rol spelen. Hoe de bedrijfsleiders met hun

18
mensen omgaan en hoe zij de winsten rechtvaardig verdelen en hoe politici
met elkaar omgaan, bepalen in sterke mate het pedagogisch klimaat van een
samenleving.]
Mijn kritiek op de hedendaagse psychologie betekent niet dat ik de empirisch
wetenschappelijke benadering afwijs. Maar die benadering is naast de kwestie.
De essentie van de psychologie van de mens is inzicht in zijn psyche en dat is
meer een kwestie van filosofische contemplatie dan van meten en
experimenteren. De studie van de psychologie moet daarom opnieuw
onderdeel worden van de faculteit der wijsbegeerte.
3.2 De noodzaak van een ’netwerk van solidariteit’
De verantwoordelijkheid om het kind te inspireren voor het goede vergt
natuurlijk heel veel van de ouders en van andere opvoeders. Ik kan het niet
makkelijker maken, wel leuker.
Maar omdat sommige ouders zo radeloos zijn en zo gestrest raken, is het van
wezenlijk belang dat ze door anderen worden gesteund. Opvoeding is een
gezamenlijke verantwoordelijkheid van de samenleving.
Een eenvoudige manier om die solidariteit met de ouders mogelijk te maken is
op de scholen te verwezenlijken. Op de school komen alle kinderen, ook
diegenen die thuis mishandeld en seksueel misbruikt worden, ook die kinderen
waarvan de ouders de opvoedingsvaardigheden missen.
Stel je nu eens voor dat op de school er gedragsdeskundigen zijn die bij de
eerste signalen van problemen de leerkrachten en de ouders de juiste adviezen
geven en hen daarbij flink ondersteunen. Stel dat de school beschikt over
vrijwilligers, bijvoorbeeld gepensioneerde leerkrachten of andere betrokken
mensen, die extra begeleiding kunnen geven aan kinderen die het nodig
hebben, die eventueel de kinderen even kunnen opvangen om de ouders ook
wat vrije tijd te geven.
Dat is wat ik bedoel met een netwerk van solidariteit rondom de school.
Dat is de beste preventie en veel problemen kunnen dan in de gewone
opvoedingssituatie worden opgelost.
Hiermee kom ik aan een ander belangrijk principe: ik wil ook voor kinderen
met ernstig probleemgedrag de opvoedingssituatie zo normaal mogelijk
houden. Dus geen apartheidspolitiek in hulpverleningsland! In mijn visie zou
om die apartheid te voorkomen de jeugdhulpverlening gevestigd moeten
worden op de scholen. In achterstandswijken zou extra geïnvesteerd moeten
worden in orthopedagogische hulpverlening in de scholen zelf. De
hulpverleners hebben in dit geval dagelijks contact met de ouders en met de
leerkrachten. Daarnaast zou rond elke school een netwerk van solidariteit
worden opgebouwd, dat samenwerkt met de jeugdhulpverleners.

19
Ik denk dat met dit voorstel tachtig procent van de verwijzingen naar het
buitengewoon onderwijs voorkomen kan worden. De problemen worden bij de
eerste signalen aangepakt en leerkrachten en ouders krijgen van de
deskundigen de juiste adviezen en worden ondersteund door mensen uit het
netwerk van solidariteit.
3.3 Discriminatie verhindert solidariteit: een Turkse crimineel
In de volgende casus wordt geïllustreerd hoe discriminatie in het onderwijs de
hulpverlening danig kan belemmeren. De hulpverlener doet er dan ook alles
aan om de kwetsbare positie van deze jongen te verbeteren.
Furkan, de oudste zoon van een Turks gezin, is 17 1/2 als hij bij ons wordt
aangemeld. Hij zit dan nog in de jeugdgevangenis. Hij heeft twee zware
misdrijven met geweld en gebruik van wapens gepleegd. Binnenkort komt hij
vrij.
In de jeugdgevangenis werd Furkan psychologisch getest. Hij heeft een verbaal
IQ van 83 en een performaal IQ van 94. Hij zou zijn gevoel moeilijk onder
woorden kunnen brengen en geeft sociaal wenselijke antwoorden. Opvallend is
ook de wijze waarop hij zijn laatste delict goedpraat. Hij zegt dat hij
medelijden had met de mededader en hij geld nodig had om zijn schulden af te
betalen.
Ook de ouders verontschuldigen op een vreemde manier hun zoon. De
supermarkt waar de laatste overval werd gepleegd, was al eerder een paar
keer overvallen geweest. Volgens de ouders hadden ze daar betere
beveiligingsmaatregelen moeten nemen.
Als hulpverleners gaan we niet in op dit soort argumenten om het delict goed
te praten. We zien dit eerder als defensiemechanismen van mensen die weinig
ontwikkeld zijn en die moeite hebben om zich aan te passen aan onze
samenleving. We vinden het belangrijker om naast hen te staan en hun
vertrouwen te winnen. Als dank zij de behandeling deze jongen weerhouden
wordt van crimineel gedrag, een opleiding voltooit en werk vindt, dan spelen
die argumenten verder geen rol meer.
Het gezin is bereid met ons mee te werken. Vader werkt al dertig jaar als
bouwvakker. Hij komt altijd naar de afspraken. De moeder spreekt geen
Nederlands. Zij heeft een cursus gevolgd, maar dit was voor haar te hoog
gegrepen. De ouders zorgen zelf voor tolken en ze hebben een goed netwerk
in hun gemeenschap.
De school is een moeilijke kwestie. Furkan heeft zijn diploma behaald bij het
VMBO-basis, daarna is hij begonnen aan een ICT-opleiding. Na tien weken
werd hij echter opgepakt door de politie. Die school wil hem niet meer terug.

20
3.3.1 Het gezichtspunt van de ouders
Tijdens het eerste gesprek met de ouders, op een moment dat hun zoon nog in
de gevangenis zit, geven ze aan bang te zijn hoe het straks verder moet.
Furkan schaamt zich heel erg over wat er is gebeurd en ze vrezen dat hij
vanwege zijn strafblad geen kansen meer zal krijgen in de maatschappij. Zij
zeggen dat Furkan een goede jongen is, maar erg beïnvloedbaar. Hij wil andere
jongens van zijn leeftijd die het moeilijk hebben helpen. Zo is de
medeverdachte een paar keer bij hen thuis geweest om te slapen. Die kerel
heeft slechte ouders en kan af en toe nergens heen. Op de dag van de overval
had Furkan eigenlijk met die jongen naar de moskee willen gaan, maar hij ging
niet mee. Furkan wilde hem niet alleen laten en toen kwam die jongen met het
idee voor een overval.
Op de vraag of ze een hulpvraag hebben geven de ouders aan dat ze een
school willen voor Furkan, dat hij moet leren om te gaan met het feit dat hij
vast heeft gezeten en een strafblad heeft. De ouders waren tijdens dit gesprek
heel open en gastvrij. Zij zijn heel betrokken bij hun kinderen. Furkan heeft
nog een jonger broertje. De ouders vragen vaak om verduidelijking als ze iets
niet goed begrijpen.
Furkan is door zijn jeugdreclasseerder ervan op de hoogte gebracht dat wij de
begeleiding zullen overnemen. We bezoeken hem in de jeugdgevangenis. Hij
vertelt in feite hetzelfde als zijn ouders. Hij wil graag terug naar zijn oude
school, maar hij is bang dat hij daar geen kans meer krijgt. Op basis van een
beroepskeuzetest zou hij nu graag de richting Zorg gaan doen. Dit wordt
echter door iedereen afgeraden want zonder bewijs van goed gedrag zal hij
niet in aanmerking komen voor een stageplaats in de zorgsector. Tijdens dit
eerste gesprek maakt Furkan een verlegen indruk. Hij is een forse jongen van
zeventien jaar. Hij is terughoudend, maar geeft correct antwoord op de
gestelde vragen. Hij staat open voor hulpverlening. De school is voor hem het
belangrijkste. Hij wil ook een excuusbrief schrijven naar de cassière van de
supermarkt die hij met een wapen heeft bedreigd.

3.3.2 Bemoeienis van meerdere instanties
Onze behandeling wordt gecompliceerd doordat ook andere instanties zich
verder blijven bemoeien met deze jongen. De jeugdreclasseerder zal een
delictanalyse doen samen met Furkan en met zijn ouders. De Raad voor de
Kinderbescherming zal nog een sociale vaardigheidstraining verzorgen. Verder
moet hij nog een werkstraf en een leerstraf voltooien en er is nog een
adoptieagent voor dit gezin aangesteld. De werk- en leerstraf zullen door een
aparte trainer worden begeleid. Wij vinden dat al deze aanvullende interventies
overbodig zijn, maar we kunnen ons daartegen niet verzetten omdat het
maatregelen zijn die door de rechtbank zijn bevolen.

21
Om te voorkomen dat Furkan na zijn vrijlating in een gat valt, contacteren we
allerlei instanties, zoals de school en leerplichtzaken, om een inschrijving
geregeld te krijgen. Furkan komt echter vrij in de maand maart en geen enkele
opleiding vindt het wenselijk om dan nog een nieuwe leerling in te schrijven.

3.3.3 Een buurtfeest!
Op de dag dat Furkan vrijkomt wordt een buurtfeest georganiseerd. Buren en
bekenden kwamen langs en zijn moeder had allerlei lekkers klaargemaakt. Zijn
ouders hebben met hem de afspraak gemaakt dat hij om het half uur even zal
bellen als hij naar buiten gaat. Hij moet nu eerst werken om het vertrouwen
van zijn ouders terug te krijgen. Omdat we dit een onzinnige afspraak vinden
komen we met de ouders tot de afspraak dat het voldoende is als Furkan zegt
waar hij heen gaat en wanneer hij thuis zal komen.
Korte tijd later is er een incident in de werkplaats waar Furkan zijn werkstraf
moet uitvoeren. Hij heeft namelijk last van hooikoorts en omdat hij zijn
medicijnen niet bij zich had vroeg hij aan een van de medewerkers of hij naar
huis mocht. De volgende dag werd hij geschorst omdat hij dit niet had gemeld
bij de werkmeester. Wij beleggen een bijeenkomst met alle betrokkenen.
Helaas wordt Furkan erg hard aangepakt. Zij vinden hem niet gemotiveerd en
noemen hem onbetrouwbaar. Furkan begint te huilen in het gesprek. Wij
slagen erin het gesprek een andere wending te geven. Dit lukt omdat de
anderen moeten toegeven dat Furkan zich wel netjes had gemeld bij een
collega van de werkmeester. Achteraf zegt Furkan dat hij normaal gezien
geweld zou gebruikt hebben toen zij zeiden dat hij onbetrouwbaar was. Nu
heeft hij zich kunnen beheersen.
De volgende week is er opnieuw een incident omdat de werkmeester Furkan
had gestuurd naar een plek waar ze nergens van wisten. Hij moest pas de
volgende week komen. Gelukkig kunnen we voorkomen dat dit escaleert en de
werkmeester excuseert zich voor deze slordigheid. We vragen ons af hoe dit
zou zijn afgelopen indien er geen intensieve begeleiding voor Furkan was
geweest. Furkan heeft namelijk voldoende reden om achterdochtig te zijn.

3.3.4 Doelen van de behandeling
In deze fase van de behandeling stellen wij de volgende doelen:
- zich leren beheersen als hij boos wordt. Furkan zegt dat hij vaak boos wordt
en dat hij dit oplost met geweld, zoals slaan of schelden. Vooral als hij als
onbetrouwbaar wordt omschreven, wordt hij erg kwaad;
- hem aanmelden bij een opleiding en nog voor de zomervakantie ermee
starten;

22
- vinden van een bijbaantje.
Dit willen we bereiken door te bemiddelen tussen Furkan en de school, door
samen met hem een cv op te stellen om te solliciteren voor een bijbaantje.
Daarnaast hebben we ondersteunende gesprekken met de ouders zodat zij
hem leren zien als een volwassen man en de nadruk blijven leggen op zijn
kwaliteiten. Het probleem van het boos worden pakken we vooralsnog niet aan
op een gerichte manier: een sociale vaardigheidstraining lijkt overbodig omdat
hij zich meestal heel sociaal vaardig opstelt. Zijn boosheid komt nauwelijks
voor en heeft vooral te maken met frustraties als hij zich onrechtvaardig
behandeld voelt. Dat gevoel was terecht in de situaties die hierboven staan
beschreven. Nu hij samen met ons gaat bemiddelen en eventuele conflicten
gaat uitpraten, verwachten wij dat Furkan hier voldoende van leert. Als hij
naar school gaat en eventueel wat bijverdient, dan is hij handig genoeg om
niet meer in de problemen te komen.
Deze laatste voorspelling komt uit. De volgende zes maanden komen er geen
problemen meer voor. Een belangrijke meevaller is dat Furkan kan starten met
een opleiding. De jeugdhulpverlener regelt samen met hem nog de
zorgverzekering en een zorgtoeslag. De zorgtoeslag bedraagt 69 euro per
maand; dit bedrag komt in de plaats van het zakgeld dat de ouders hem tot
nog toe elke maand gaven. Ook andere praktische zaken worden geregeld,
zoals het bestellen van de boeken voor zijn opleiding en de formulieren voor
tegemoetkoming studiekosten. Furkan heeft een aantal van deze zaken in zijn
eentje geregeld. Hiervoor krijgt hij van ons een dik compliment! De ouders
werken heel goed met ons mee en zijn zeer betrokken bij hun zoon. Nu zoveel
geregeld is, gaat het gehele gezin voor vijf weken op vakantie naar hun familie
in Turkije.
Een vervelende bijkomstigheid is dat de man van de Raad van de
Kinderbescherming, die al een paar keer heeft bewezen erg slordig te zijn in
het maken van afspraken, zich negatief blijft uitspreken over Furkan. Ook eist
hij dat Furkan de leerstraf, die vijftien sessies zal behelzen, zal uitvoeren.
Furkan had al iets gelijkaardigs gehad in de jeugdgevangenis en wij vinden het
op dit moment, na de succesvolle stappen die zijn genomen, volstrekt
overbodig. We kunnen Furkan ervan overtuigen toch maar mee te doen, want
het is door de rechter opgelegd en anders komt hij opnieuw in de problemen.
Als die training in het kader van de leerstraf start blijkt dat de trainster het erg
onhandig aanpakt. Tijdens de eerste sessie heeft zij het er voortdurend over
dat Furkan het nu goed moet gaan doen en dat zij gaat kijken waar hij hulp bij
nodig heeft. De jeugdhulpverlener die er tijdens het eerste uur bij zat, gaf aan
dat hij het nu al zes maanden goed doet. Furkan zelf zat er heel
ongemotiveerd bij. Hij luisterde wel en gaf netjes antwoord, maar nam zelf
geen enkel initiatief. Hij liet duidelijk blijken dat hij het allemaal al weet.

23
3.3.5 Tevergeefse bemiddeling op de school
De jeugdhulpverlener concentreert zich nu op huiswerkbegeleiding, zodat
Furkan een goede start maakt op de opleiding. Zij moet hem vooral helpen bij
het duidelijk plannen zodat hij op tijd zijn werkstukken af geeft en de
overhoringen goed voorbereidt. Furkan heeft aan dat hij nog nooit iets voor
school heeft gedaan, zoals thuis iets studeren of zijn huiswerk maken. Vandaar
dat in onze behandeling hier hard aan wordt gewerkt. Gelukkig luistert hij goed
naar de jeugdhulpverlener en doet hij ook iets met de adviezen die hem
worden gegeven. Zij heeft samen met hem een leerschema gemaakt en
hierover zegt Furkan dat het echt goed werkt en dat hij er zich ook aan houdt.
De vertrouwensrelatie die in de loop van de voorbije maanden werd
opgebouwd, en in feite al startte toen Furkan nog in detentie zat, is
doorslaggevend geweest om tot dit resultaat te komen.
In overleg met Furkan hebben we ook een afspraak met zijn mentor op school.
Deze geeft aan dat de leraren tevreden zijn over het gedrag van Furkan en dat
hij altijd op tijd is. Hij heeft tijdens de laatste examenweek geen al te goede
cijfers gehad, maar er is nog geen man overboord. Zijn laagste cijfer was een
4,4. Hij heeft vooral moeite met natuurkunde. Daar snapt hij niets van. Er
wordt gezorgd dat hij voor dit vak op school bijlessen krijgt. De leerkrachten
hebben daar geen tijd voor, maar twee leerlingen die hoge cijfers voor dit vak
hebben gehaald, zouden Furkan best kunnen helpen. Ook krijgt Furkan het
advies met concrete vragen naar de leraar te gaan in plaats van alleen maar te
zeggen dat hij er niks van snapt.
In de achtste maand van onze begeleiding zijn er twee incidenten op school.
Bij een ervan heeft Furkan ruzie gemaakt met de conciërge. Deze laatste had
in de kantine Furkan willen dwingen een tafel af te ruimen waaraan hij zelf niet
gezeten. Toen Furkan weigerde ontstond een heftige woordenwisseling. Furkan
had onder andere gezegd dat de conciërge buiten de school niks was. De
conciërge zegt hierover dat hij had begrepen dat Furkan hem buiten zou
opwachten. De conciërge had ermee gedreigd dat hij een hoop problemen voor
Furkan zou veroorzaken want volgens hem ‘was het echt niet normaal hoe
Furkan reageerde’.
Helaas wordt Furkan na dit incident verwijderd van school. De conciërge zou
Furkan na de verwijdering op straat hebben uitgelachen.
De jeugdhulpverlener probeert te bemiddelen, maar alles is tevergeefs.
Volgens de conciërge zitten er op de school ‘nog van die jongens waar niemand
iets mee kan’. De directeur zei tot de jeugdhulpverlener dat ze al blij mocht
zijn dat hij tijd voor haar had willen vrijmaken.

3.3.5 Leren omgaan met racisme en discriminatie
Uit het verslag van de laatste incidenten op school blijkt dat op die school
gediscrimineerd wordt. Ten aanzien van allochtonen heersen nogal wat

24
vooroordelen, wat tot gevolg heeft dat men weinig geduld heeft en niet bereid
is tot compromissen. De vraag is of we hier iets aan kunnen doen. Met de
bewuste school hebben we al vaker problemen gehad, dus is daar iets
structureel fout. We moeten hier echter heel voorzichtig opereren en de school
met fluwelen handschoenen aanpakken, anders verpesten we het voor andere
jongens die door ons worden begeleid en daar op school zitten. Het is ook zo
dat voor de overgrote meerderheid van de leerlingen deze school haar uiterste
best doet. Helaas vallen enkelen steeds buiten de boot en is men ze liever
kwijt dan rijk.
Het zijn vaak jongeren die al in een kwetsbare positie zitten die geviseerd
worden. Het lijken wel makkelijke slachtoffers te zijn omdat velen toch al zo
negatief over hen denken. Als deze hypothese juist is, dan zou de samenleving
samen met niet-westerse allochtonen in een vicieuze cirkel terecht zijn
gekomen: een kleine minderheid van deze allochtone jongeren pleegt
geweldsdelicten of veroorzaakt ergerlijke overlast. De bevolking krijgt hierdoor
een zeer negatief beeld van de allochtonen. Dit beeld wordt geprojecteerd naar
andere jongeren die op hun beurt gefrustreerd reageren op het racisme en de
discriminatie die zij ervaren, ook al hebben ze zelf nooit voor overlast gezorgd.
Op die manier is de cirkel rond en wordt zowel het racisme als de
daadwerkelijke overlast versterkt.
Furkan heeft al twaalf maanden geen delicten meer gepleegd en geen overlast
veroorzaakt. Buiten school gaat het prima en het gezin werkt heel goed mee
met de jeugdhulpverlener. De problemen hebben dus duidelijk te maken met
de schoolsituatie. Onze begeleiding eindigt als de hulpverlener met veel moeite
Furkan heeft kunnen inschrijven in een ROC. Daar volgt hij nu een opleiding
die hem echt interesseert.
Een belangrijk behandelingsdoel (voor veel van onze allochtone jongeren) is
leren om te gaan met racisme en discriminatie. Er is nu eenmaal racisme en
discriminatie, dus moeten ze daar op kunnen reageren zonder dat ze zelf nog
meer in de problemen komen. Net zoals in het New Yorkse project
Brotherhood/Sister Sol moeten zij bijvoorbeeld leren stoïcijns te blijven als de
politie hen zomaar controleert of als mensen racistische opmerkingen maken.
Als ze dit niet leren komen ze terecht in een vicieuze cirkel want diegenen die
discrimineren worden bevestigd in hun vooroordelen door de reacties van die
jongeren. Een duivelse cirkel ...

25

Orthopedagogiek les 4: Als niets helpt: een onhandelbare adolescent
In de volgende casus, uit mijn online-praktijk, gaat het om een onhandelbare
adolescent bij wie niets heeft geholpen. Ook een psychiatrische opname van
twaalf maanden leidde niet tot enig resultaat. Iedereen zit met de handen in
het haar, zowel ouders, grootouders als de school. Dergelijke gevallen komen
regelmatig voor in mijn praktijk. Online geef ik hetzelfde advies als bij zeer
intensieve gezinsbegeleidingen. Mijn doel is een minimale opvoedingssituatie
te creëren waarbij het zelfbeeld van de adolescent niet verder wordt aangetast.
Als een beetje wederkerig vertrouwen ontstaat en de adolescent in elk geval
over basale voorzieningen (een dak boven zijn hoofd en eten) beschikt, is de
kans groter dat een uiterst moeilijke periode in zijn ontwikkeling geen
dramatische ontknoping heeft.

4.1 Een onhandelbare adolescent
De grootmoeder mailt mij het volgende:
Door te blijven zoeken op internet voor hulp ben ik op jouw website terecht
gekomen. Er is een huizenhoog probleem met onze oudste kleinzoon die
vijftien jaar en zes maanden oud is. Hij is nooit het gemakkelijkste kind
geweest en viel graag op met negatief te zijn, plagen, iets stuk maken,
enzovoorts.
Hij ging niet graag naar school en ondanks dat zijn mama (onze
schoondochter) én onze zoon (zijn papa), veel met hem bezig was, kon je zijn
interesse moeilijk wekken. Ik heb er zelf ook mee bezig geweest, met
engelengeduld en héél veel liefde. Hij heeft geen getuigschrift behaald van het
basisonderwijs.
Hij is naar een school voor beroepsonderwijs gegaan. Niemand van ons heeft
hier ooit neerbuigend over gedaan, want een goeie vakman is zijn geld waard!
Daar is het helemaal verkeerd gelopen met vooral allochtone klasgenoten. Wij
zijn geen racisten hoor. Ze gaan snoep en sigaretten stelen in de supermarkt.
Ze laten een oorbel schieten. Ze roken zelfs al eens wiet en ze hebben seks
met een meisje van dertien, waar hij dan ook heel trots op is. Hij spijbelt en
wil vaak niet opstaan.
Hij is heel agressief geworden, vooral tegen zijn mama. Zij kon niets goed
doen voor hem. Wij zijn dikwijls opgebeld om tot bij hen te komen, toen zijn
papa was gaan werken, om hem tot reden te brengen. Naar mij en mijn man
luisterde hij nog al eens, ook al was hij heel vergeetachtig met de afspraken
die we dan maakten met hem. We namen onze kleinzoon dan mee naar ons en
trachtten hem met een positieve ingesteldheid terug tot rust en rede te

26
brengen. We moesten al heel ver zoeken om iets positief over hem te kunnen
zeggen en om daar aandacht aan te geven.
Het ging van kwaad tot erger. Zijn ouders hadden ondertussen een goed
contact met iemand van Leerlingenbegeleiding. Zij ging hem komen oppikken
om hem mee naar school nemen, maar hij wou gaan lopen. De papa van onze
schoondochter was daar ook en heeft hem tegengehouden. Onze kleinzoon
werd héél agressief en de mevrouw van de Leerlingenbegeleiding heeft naar
de politie gebeld. Ze hebben hem meegenomen en zo is hij opgenomen
geweest in de psychiatrie en is hij onder begeleiding van een psychiater na
bijna een jaar weer naar huis gegaan met nog nazorg.
Hij heeft dan gekozen om naar een andere school te gaan. Daar ging het na
een paar dagen al mis. Hij kwam daar mannen tegen die samen met hem in de
psychiatrische kliniek waren geweest en hij vond er medestrijders. Hij droeg de
verplichte werkkledij niet, nam geen boeken mee en rookte in school. Hij bleef
zomaar wat langer rondhangen in de stad. Hij had conflicten met leerkrachten.
Het ging weer verkeerd aflopen. Hij is dan bij ons op kamer komen wonen in
samenspraak met zijn ouders en zijn begeleider. We maakten samen met hem
een kamercontract op en dat liep een paar weken goed. De zondagavond
brachten ze hem en de vrijdagavond deden wij hem terug naar huis. Hij begon
weer te spijbelen en had de ene uitsluiting na de andere. We werden steeds
onmiddellijk op de hoogte gebracht door de school omdat we dat gevraagd
hadden.
De school had al gewaarschuwd om een andere school te zoeken omdat hij
onbeleefd was en niet in de school paste. Mijn man die zelf leerkracht is
geweest, heeft dan steeds in samenspraak met de ouders, naar allerlei
oplossingen gezocht want onze kleinzoon mocht niet meer terugkomen na de
vakantie. Als hij dat te weten gekomen is, heeft hij op de verjaardag van zijn
mama zich zat gezopen en hij is met een meisje en haar al even zatte moeder
mee naar huis gegaan. Wij hebben hem toen bijna honderd keer gebeld.
Uiteindelijk heeft dat meisje opgenomen en gezegd dat hij te dronken was om
op zijn benen te staan. Er lag heel veel sneeuw en we durfden niets tegen onze
kinderen zeggen. Hij had ‘s morgens per sms verjaardagswensen gestuurd
naar zijn mama. ‘s Morgens heb ik hem opgebeld en is hij met een bus naar
hier gekomen. Hij zag eruit, om nog maar te zwijgen van wat hij gerookt had.
Ook de waterpijp kwam nu op zijn programma, en de meisjes met wie hij,
zonder voorzorgen, in bed duikt.
Zijn ouders werken allebei, dus ging mijn man weer op pad voor hem zodat hij
op leercontract kon gaan. Het lukte om hem wat gemotiveerd te krijgen. Hij
woont terug thuis en gaat nu van woensdag tot zaterdag werken en tot
hiertoe gaat dat werken goed. Hij denkt al dat hij daar onmisbaar is en er dè
man is, zo zegt hij ons. De maandag moet hij naar school gaan. Maar vorige
week ging hij niet naar school. De school heeft ons opgebeld en wij hebben
gezegd dat hij ziek was. Maandag is hij weer niet geweest want hij had pijn in
zijn rug. Hij heeft een brommer gekocht en rijdt zonder rijbewijs en zonder

27
verzekering. De motor is opgedreven. Hij rijdt soms met een meisje achterop.
Hij vindt dat hij met de bus te lang onderweg is.
We zijn allemaal ten einde raad. Onze kinderen zijn op van bezorgdheid. Wij
hebben acht kleinkinderen, maar zitten vol zorgen met die oudste. Het is niet
vol te houden en we proberen altijd maar opnieuw om hem te laten inzien hoe
hij zijn leven in de vernieling gooit. We vinden niets positiefs meer om daar op
voort te bouwen. Als we hem laten vallen is hij helemaal verloren. Het is zo
vermoeiend en we zien geen toekomst op die manier. Wij zijn bezorgd voor zijn
ouders. Ze zijn ‘op’. Geen mens houdt dat vol, ook wij zien de toekomst erg
somber in.
Samengevat: hij rijdt met een brommer, wat niet mag, niet in orde is, duikt
wekelijks met andere meisjes in bed en doet niks voor school, rookt en
verveelt zich.Hij doet aan geen enkele sport en hij heeft geen enkele goeie
vriend. Ik ben niet zoals jullie is zijn antwoord als wij vragen waarom hij dit
allemaal doet.
Het is een lange mail geworden maar eigenlijk is het een noodkreet van
mensen die deze jongen niet willen lossen omdat hij anders helemaal verloren
is. Soms zeggen we dat hij weer moet opgenomen worden, maar de ervaring
heeft geleerd dat hij overal mannen kent die met hem in die instellingen zijn
geweest en van al die mannen heeft hij allerlei verkeerde dingen geleerd.
Kan jij ons helpen alstublieft? Kan jij ons een wegwijzer tonen? Geen enkele
inspanning is ons teveel, maar onze reserves zijn ook bijna op.
Een bezorgde liefdevolle grootmoeder.
4.2 Mijn antwoord en advies
Het is goed dat je uitvoerig de problemen met jouw oudste kleinkind hebt
beschreven. Op die manier krijg ik een goed beeld van wat er gaande is en van
wat jullie als grootouders en de ouders zelf al allemaal hebben gedaan. Deze
problematiek is mij goed bekend, maar je zult begrijpen dat ik niet zomaar een
advies uit mijn mouw kan schudden. Ik zal enkele suggesties doen en dan
moeten jullie zelf beslissen wat bruikbaar is, want elke situaties is anders en
omdat jullie deze jongen het best kennen zijn jullie de experts.
Ik geef mijn reacties puntsgewijs voor de duidelijkheid:
1. Hij is altijd al een moeilijk kind geweest; dit betekent dat er iets in zijn
persoonlijkheid zit dat de problemen mede veroorzaakt. Een jongen die pas in
de puberteit lastig wordt, wil in feite vooral zijn vrijheid en privacy veroveren;
die problemen gaan dan vanzelf wel over. Bij jouw kleinzoon is dit niet het
geval. Erfelijke of biologische factoren spelen een rol.

28
Dit verklaart ook de moeilijkheid of de onmogelijkheid voor jullie om invloed op
hem uit te oefenen. Jullie hebben alles al geprobeerd, vooral een heel
liefdevolle benadering. Allemaal tevergeefs. Hij kan ook heel agressief worden
tegenover zijn ouders als hem iets in de weg wordt gelegd.
2. Vanaf de basisschool is het leren voor hem een fiasco geweest. Geen enkele
school is er dus in geslaagd zijn gedrag ten goede te keren. De leerkrachten
waren even machteloos als de ouders en grootouders.
3. Werken met leercontract ging aanvankelijk goed, maar het spijbelen begint
alweer.
4. Hij verveelt zich, schrijf je, maar hij heeft best een spannend leven met veel
drank, softdrugs wellicht en seks. Hij rijdt met een brommer zonder rijbewijs
(ik hoop dat de ouders een goede familiale verzekering hebben).
5. Hij is al onder psychiatrische behandeling geweest, maar de problemen
blijven voortduren. Hem opnieuw ergens plaatsen vind je zelf geen optie meer,
want daar ontmoet hij precies de mensen met wie hij het best geen omgang
heeft.

4.2.1 Wat kan ik hier nu adviseren?
Het zal duidelijk dat hier gezocht moet worden naar onorthodoxe methoden.
Dit wil zeggen dat enkele radicale ingrepen noodzakelijk zijn:
1. Alles wat jullie doen om hem van gedachten te doen veranderen of om hem
op het rechte pad te brengen is verloren moeite. Op hem inpraten, hem
proberen van iets te overtuigen, hem verwijten, hem veel beloven: dat is
allemaal flauwekul en het zet geen zoden aan de dijk. Jullie weten zelf uit
ervaring dat dit juist is. Ergo, als jullie dit blijven doen, wordt het alleen maar
erger.
2. Over 2 1/2 jaar is hij een jonge, volwassen man die voor zijn eigen leven
verantwoordelijk zal zijn. Hoe kan je die periode nu het best overbruggen? Mijn
advies is hem gewoon zijn gang te laten gaan, maar hem altijd met veel
warmte en liefde op te vangen als hij in de put zit of met hangende pootjes
terug naar huis komt; zonder hem uit te vragen of hem te zeggen: 'had je
maar naar ons geluisterd'. Neen, gewoon opvangen zodat hij weer tot rust kan
komen en zich lichamelijk kan herstellen. Dus wat er ook is gebeurd, laat hem
nooit vallen.
3. Het bovenstaande betekent absoluut niet dat ze zomaar alles moet
aanvaarden: wat buitenshuis gebeurt is vanaf nu volledig zijn zaak, maar bij
zijn ouders thuis of bij jullie moet hij wel respect tonen. Is hij brutaal of
agressief, dan zeg je gewoon dat dit je pijn doet en je negeert hem verder
door naar een andere kamer te gaan of een blokje om te lopen, desnoods tien

29
keer op een avond. Zodra hij weer beleefd of vriendelijk is, ben je weer even
liefdevol naar hem toe, zonder terug te komen op wat daarnet is gebeurd,
want dan begint de ruzie weer opnieuw.
4. Het beste zou zijn moest hij met een meisje gaan samenwonen. Zorg dan
dat zijn huur wordt betaald en dat hij te eten heeft. Een radicale
noodmaatregel is een kamer voor hem te huren en een maandelijks minimum
bedrag voor het eten.
De gedachte achter deze vier adviezen is dat jullie vooral moeten oppassen dat
zijn zelfbeeld of zelfvertrouwen, dat wellicht heel laag is, nog dieper inzakt.
Dan gaat hij namelijk steeds extremer reageren en raakt hij nog dieper in de
put. Als hij weet dat zijn ouders en zijn grootouders hem altijd blijven
liefhebben, wat er ook moge gebeuren, dan vindt hij daar ten minste
waardering die hij zo nodig heeft.
Wat ik voorstel is niet iets om echt vrolijk van te worden. Als ouder zou ik het
ook anders willen. Maar als niets heeft geholpen, dan moet je hem nemen
zoals hij is en er het beste proberen van te maken. Als jullie nu zeggen: ’Kijk
wij hebben alles gedaan wat we konden, maar het helpt toch niet. Ons valt
niets te verwijten. Wij nemen hem zoals hij is en tonen altijd dat wij hem als
persoon echt graag zien’, dan zal hij zeker op een of andere manier 'geraakt'
worden door die onvoorwaardelijke liefde van jullie. Het duiveltje in hem zal
dan misschien bezworen worden.
Ik wens jullie allemaal veel sterkte toe!
4.2.3 Commentaar
Bij deze casus heb ik helaas geen evaluatie omdat de grootouders niet
gereageerd hebben op twee verzoeken om een korte vragenlijst in te vullen. In
gelijkaardige situaties werden met deze adviezen vrijwel altijd goede
resultaten geboekt. Het is eenmaal helemaal fout gelopen toen de vader, een
oud-militair, van geen compromissen wilde weten en zijn zoon altijd de deur
uitwees. Deze jongen bracht zijn nachten door in verlaten treinstellen. De
volgende ochtend kwam hij regelmatig bij mij op de universiteit een kopje
koffie drinken en kon hij in de kantine ontbijten. De moeder had thuis niets te
zeggen en was doodsbang van haar man. Hij had ook, via mijn bemiddeling,
contact met een instelling voor verslavingszorg, maar ook daar stonden ze
machteloos. Enkele jaren later is deze jongen aan een overdosis gestorven.
Waarom helpen deze adviezen meestal wel? In de eerste plaats wordt de reeds
besproken onvoorwaardelijke grondhouding in de adviezen sterk benadrukt. De
ouders en de grootouders hadden in feite die houding altijd al aangenomen.
Het was dan voldoende hen te adviseren hoe zij hun rol anders konden invullen
om verlost te worden van alle ellende en ruzies, die ook op hun zoon en
kleinzoon een destructieve invloed hebben. Hoe hun rol anders wordt ingevuld,
wordt in de volgende twee alinea’s toegelicht.

30
Ten tweede wordt door die adviezen de rust enigszins hersteld. De ouders en
grootouders moeten niet meer van alles gaan proberen om zijn gedrag te
veranderen. Het is voldoende dat ze ervoor zorgen dat hij een dak boven zijn
hoofd heeft en te eten heeft. Verder kunnen zij zich beperken tot hem met veel
warmte en liefde opvangen zodra hij weer in nesten zit. Komt hij bij hen op
bezoek, dan wordt hij gewoon hartelijk opgevangen zonder hem uit te horen.
Het is voldoende belangstelling te tonen voor wat hij uit zichzelf te vertellen
heeft. Niet uitvragen, maar doorvragen is het devies. Doorvragen betekent dat
hij verder kan uitweiden over de dingen die hij belangrijk vindt. Aan mijn
studenten gaf ik vaak het advies om vijftien minuten te luisteren om zelf drie
minuten aan het woord te zijn: zo creëer je een goede basis om de ander te
motiveren om ook naar jou te luisteren.
Worden deze adviezen opgevolgd, dan wordt deze onhandelbare zoon als een
volwassene behandeld. Hij is zelf verantwoordelijk voor zijn daden, maar als hij
in de problemen zit, is hij altijd welkom. Ten koste van alles moet worden
vermeden dat hij weer verwijten naar zijn hoofd krijgt geslingerd of dat zijn
ouders hem kritiseren en de les willen spellen. Als dit hen lukt, dan zullen in
zijn beleving zijn ouders en grootouders de hartelijke mensen zijn bij wie hij
altijd terecht kan.
Risico’s zullen er zeker blijven. Dat geldt trouwens voor alle kinderen. In deze
casus proberen we de risico’s te verminderen door een minimum aan veiligheid
te creëren, namelijk een dak boven zijn hoofd, voeding en mensen bij wie hij
altijd terecht kan. Wie wordt hierdoor niet geraakt?

31
Orthopedagogiek les 5: ’Repressie en/of zorg?’ Hard en/of soft?
De vraag of repressie en zorg kunnen samengaan, illustreren we eerst aan de
hand van een casus. Daarna gaan we meer in het algemeen in op deze
kwestie.
5.1 Casus: Een Iraakse jongen die niets meer wil
5.1.1 Zestien maanden huisarrest!
Haran is een typisch voorbeeld van een allochtone jongen uit een arm gezin,
die keihard wordt aangepakt door justitie voor zes niet ernstige delicten,
gepleegd in de loop van vijf jaar. Hij was 13 jaar toen hij voor het eerst in
aanraking kwam met de politie. Bij de aanmelding bij ons project is hij net
zeventien geworden. Voor die zes delicten in vijf jaar tijd wordt hij
geprioriteerd als veelpleger en krijgt hij in totaal zestien maanden huisarrest.
Dit laatste betekent dat hij alleen naar buiten mag om naar school te gaan.
Een jongen van zijn leeftijd houdt dit natuurlijk niet vol, loopt tegen de lamp
en wordt als straf voor een half jaar in een jeugdgevangenis geplaatst, waar hij
met echte criminelen dagelijks in aanraking komt. Deze ongelukkige aanpak
leidt er toe dat Haran een verbitterde jongen is geworden die vol haat zit
tegenover de blanke buitenwereld. De gerechtelijke aanpak lijkt hier de
omgekeerde wereld: oorspronkelijk was de kinderbescherming bedoeld om
kinderen anders dan volwassenen te behandelen en ook meer nadruk te leggen
op educatieve maatregelen. Deze allochtone jongen wordt veel repressiever
aangepakt dan een volwassene die dezelfde overtredingen zou begaan.
5.1.2 Een zeer begane vader
Deze repressieve aanpak is des te jammer omdat het gezin goed functioneert.
De vader is een sociaal voelende man die erg gemotiveerd is om met ons mee
te werken. In eerste instantie wil hij niet dat wij hulp gaan bieden in de
gezinssituatie. De vader vindt dat zijn zoon te veel gecontroleerd wordt. Hij wil
dat de hulp beperkt wordt tot de school, want daar liep het tot nog toe fout
met Haran. De jongere zusjes van Haran doen het goed op school en met een
andere broer is er niets aan de hand. Het gezin leeft van een uitkering en de
vader is ziekelijk. Vader betaalt ook nog een schadevergoeding af voor Haran;
dit is per maand 35 euro.
Een probleem is wel dat vader zich vaak gedraagt als een verwend kind. Hij wil
de hulpverlener dingen laten doen, die hij best zelf kan. Hij vroeg bijvoorbeeld
eens op zij de intakeformulieren voor de school naar de school kon brengen.
Ook worden zeer belangrijke afspraken zomaar vergeten. Het lijkt alsof hij het
normaal vindt dat allerlei mensen en diensten zijn eigen verantwoordelijkheid
overnemen. In Irak had hij destijds twee bedrijfjes. Nu doet hij al jaren niets
meer. Terugkeer naar Irak is geen optie want daar zou hij geen uitkering
krijgen.
De hulpverlener bezoekt Haran een maand voordat hij vrij zal komen. Hij
vraagt meteen waarom hij deze nieuwe begeleiding krijgt opgelegd en door

32
wie. Als hij hoort dat onze hulp op vrijwillige basis plaatsvindt en dat we hem
willen helpen met school, klaart hij op en geeft aan dat hij de richting Handel
en Verkoop zou willen volgen. Voor die opleiding moet echter informatie
opgevraagd worden bij zijn vorige school en daar is hij niet blij mee.
Bij de volgende afspraak met de vader is hij niet thuis. De moeder komt even
later aanlopen en de hulpverlener heeft met haar een gesprek. De moeder
volgt een cursus Nederlands en begrijpt al min of meer wat er wordt gezegd.
Ook de moeder vindt dat haar zoon erg onrechtvaardig is behandeld. In de
periode van het huisarrest had hij eens op straat met een vriend, met wie hij
geen contact mocht hebben, staan praten. Voor die overtreding werd hij zes
maanden in een jeugdgevangenis geplaatst. Met de andere kinderen gaat het
goed.
Tijdens de volgende afspraak geeft de vader opnieuw aan dat hij vreest dat er
weer zware controle op Haran komt. De hulpverlener stelt hem gerust en zegt
eerst de intake op de nieuwe school met Haran voor te bereiden. Daarna zal zij
hem bijlessen geven5 in de vakken waar hij moeite mee heeft. Ook wil zij hem
leren hoe te reageren als verkeerde jongens met hem contact zoeken. Als er
verder niet gebeurt, kan de begeleiding hiertoe worden beperkt.
Dit Iraaks-Koerdisch gezin heeft nog veel contacten met de familie in Irak. Om
de twee jaar gaan zij er op vakantie. De grootmoeder is pas 61 want ze was 13
toen zij werd uitgehuwelijkt en ze werd direct zwanger. Zij heeft 12 kinderen
verwekt. De meesten wonen nog in Irak. Het gezin is zeer gastvrij en de
kinderen zijn netjes en beleefd opgevoed.
5.1.3 Pogingen om hem op een school te krijgen
Op grond van deze eerste contacten geef ik de hulpverlener het advies de
begeleiding niet al te intensief te starten. Wellicht heeft Haran nu zijn lesje
geleerd. Er zijn voldoende protectieve factoren zoals een hecht gezin en een
oudere broer die het goed doet op school. Onze begeleiding kan worden
voorgesteld als ‘huiswerkbegeleiding en bijlessen’. Dit biedt ook de kans om
het gezin regelmatig te bezoeken zonder dat zij het gevoel hebben ‘in therapie’
te zijn. Op die manier kan er ook makkelijker een vertrouwensband met Haran
ontstaan en zal hij het gevoel hebben dat de jeugdhulpverlener echt naast hem
staat.
Bij een bezoek in de jeugdgevangenis, één week voor zijn vrijlating, is Haran
erg nerveus. Na twintig minuten vraagt hij het gesprek verder te zetten als hij
thuis is. Hij heeft te veel aan zijn hoofd en kan zich niet concentreren. Op de
vraag waar hij het zo druk mee heeft, kan hij geen antwoord geven.
In het eerste gesprek na zijn vrijlating wil de hulpverlener hem voorbereiden
op het intakegesprek op school. Haran is echter totaal niet gemotiveerd. Hij
houdt zijn petje op en gaat geheel onderuit zitten. Thuis heeft hij ook niets
5

Bijlessen geven zien we vaak als een belangrijk onderdeel van de behandeling. Ook hulp bij het
vinden van werk of sanering van schulden hoort daarbij. Dit wordt verder toegelicht in les 6.

33
voorbereid. De hulpverlener had hem gevraagd op de website van de school
informatie op te zoeken over de opleidingen. Wat hem nu tijdens het gesprek
wordt gezegd lijkt niet tot hem door te dringen. Het enige positieve dat hier
gezegd kan worden is dat hij, ondanks de vrijwilligheid van de hulpverlening,
op zijn afspraken komt.
De school wordt een groot probleem. Op basis van de informatie die de school
heeft gekregen, willen zij in feite niet met Haran in zee gaan. Er wordt een
school voor speciaal onderwijs voorgesteld. Die kennen we als een goede
school, waar Haran de kans zou krijgen zich goed voor te bereiden op de
opleiding Handel en Verkoop. De vader en Haran willen dit echter absoluut
niet. Het zal acht maanden duren vooraleer Haran uiteindelijk inziet dat er
geen andere mogelijkheid is. Hij zit al die maanden gewoon te niksen, ondanks
de leerplicht. De vader stuurt zijn zoon nog even naar een broer in Duitsland,
maar na veertien dagen is Haran weer thuis. De reden hiervan blijft
onduidelijk.
5.1.4 Alleen met vrienden rondhangen en niksen
Opvallend is dat achteraf blijkt dat tijdens de vakantie in Irak Haran hetzelfde
moeilijke en ongemotiveerde gedrag vertoonde. Volgens zijn vader denkt
Haran niet aan zijn familie en hij denkt ook niet na over zijn toekomst. Het was
niet erg gezellig met hem. Hij had het er alleen maar over wanneer ze terug
zouden gaan naar Nederland. Hij wilde gewoon terug bij zijn vrienden zijn. De
vader heeft aan al jaren met de jeugdhulpverlening bezig te zijn en dat hij
geen verandering ziet. De vader heeft er geen vertrouwen meer in. Volgens
hem zal Haran nooit veranderen.
Op het einde van de zomervakantie heeft de vader weer een andere oplossing
gevonden: het gehele gezin zal verhuizen naar Engeland, waar een broer van
vader woont. Korte tijd later blijkt dat dit plan toch niet door zal gaan. De optie
om Haran naar een familielid te sturen is niet aan de orde: vroeger was dit wel
mogelijk, maar nu is de familie te verwesterd.
Ondanks alle tegenstand, zowel van de vader als van Haran, wordt toch een
kennismakingsgesprek georganiseerd op de school voor speciaal onderwijs.
Dat verloopt goed. Haran luisterde goed en vertelde ook meer dan hij gewend
was. Op het einde gaf hij aan het te willen proberen op deze school. Hij kan
daar een diploma niveau 1 halen en daarna doorstromen naar het ROC. Hij kan
er een stage lopen in een kledingzaak. Er volgt ook nog een intakegesprek op
het ROC. Tijdens de voorbereiding op dit gesprek stelt de jeugdhulpverlener
vast dat deze optie wellicht te hoog gegrepen is voor deze jongen. Hij is zwak
in zijn sociale vaardigheden. Hieraan worden gewerkt tijdens dit schooljaar. Hij
wordt op het ROC afgewezen.
Samen met de vader gaat de jeugdhulpverlener naar de vorige school van
Haran. De vader is namelijk kwaad dat het negatieve dossier over zijn zoon
overal meegaat, waardoor het zo moeilijk wordt hem ergens ingeschreven te
krijgen. Deze school zegt heel positief te zijn over de vader die opkomt voor

34
zijn kinderen, maar Haran doet niks. Zij vinden hem onhandelbaar. Met een
knipoog kan hij anderen voor zich doen lopen. Hij was brutaal en hield zich niet
aan afspraken. Het enige positieve was de stage die hij heeft gelopen. Het is
onduidelijk waarom het daar goed liep en niet op school. Zij denken dat Haran
het niet kan halen op het ROC. Voor de vader is nu duidelijk dat speciaal
onderwijs de enige optie is. Haran is echter heel teleurgesteld hierover en wil
nu toch niet meer naar die school. De jeugdhulpverlener kan hem toch
bepraten met als argument dat als hij van deze school een goed rapport krijgt,
later niemand meer zal vragen naar het dossier van de vorige school.
De jeugdhulpverlener verzet nu heel wat werk om de financiële aspecten te
regelen: schoolkosten, tegemoetkoming in de studiekosten, zorgtoeslag.
Samen met de vader brengt ze alle papieren in orde.
De eerste dagen op zijn nieuwe school verlopen helaas niet goed. Haran is niet
gemotiveerd en doet nergens aan mee. Op verzoek van de school wordt een
nieuw gesprek georganiseerd. Nu zegt Haran dat hij liever wil gaan werken. De
school stelt voor gesprekstechnieken met hem te oefenen en ondertussen kan
hij zich inschrijven bij diverse uitzendbureaus. De volgende weken gaat het
redelijk met hem op school. Huiswerkbegeleiding volgt hij met tegenzin, maar
hij maakt wel de opdrachten.
5.1.5 Opnieuw de pineut
Eind oktober is er nog een akkefietje met de politie. Hij wordt op straat door
de politie opgepakt en naar de politiecel gebracht. Tien minuten later komt hij
weer vrij want de politie had een verkeerde naam doorgekregen. Zijn vader
belde heel emotioneel de jeugdhulpverlener op. Het gezin was er
ondersteboven van. Achteraf zorgt een wijkagent ervoor dat er een gesprek
komt met de vader en Haran. De politie zegt te hopen dat zij het vertrouwen in
hun niet verliezen en dat ze zullen helpen waar ze kunnen. Het loopt met een
sisser af.
Even later is er weer een incident. Iemand van Stadstoezicht heeft gezien dat
Haran met een paar jongens bezig was met een scooter zonder kenteken.
Haran kwam toen naar hem toe rijden en reed toen snel weg. Die man vindt
dat Haran met de verkeerde jongens omgaat. Haran ontkent in alle toonaarden
dat hij het was. Zijn vader is heel boos op Haran en is erg aangedaan. Er wordt
een gesprek georganiseerd met Stadstoezicht, die dit incident buiten de politie
wil houden. Haran is tevreden over dit gesprek en heeft het nummer van die
man gekregen om indien nodig contact op te nemen. Drie weken later wordt
Haran door Stadstoezicht opnieuw gezien op een gestolen motor. Als de
jeugdhulpverlener hem hierop aanspreekt, is hij zo geïrriteerd en kwaad dat hij
begint te stotteren. Hij ontkent dat het een gestolen motor is. Achteraf blijkt
dat Stadstoezicht ook niet zeker wist dat het om een gestolen motor ging; het
was een rode scooter en ‘er worden tegenwoordig vooral rode scooters
gestolen’…

35
5.1.6 Een school met eindeloos geduld
Ook vanuit de school zijn er weeral klachten. Haran heeft gezegd het nog uit
de zitten tot hij achttien wordt. Hij wil niet gaan werken en wil dan ook niet
terug naar school. Hij wil niks. De school vindt dat Leerplichtzaken
gewaarschuwd moet worden. Tegen de hulpverlener zegt hij dat hij gewoon
elke dag lekker met zijn vrienden buiten wil hangen. Hij moest voor school een
plan van aanpak maken, maar dat wilde hij niet. Hij wist niet eens of hij de
komende maandag wel naar school zou gaan. Zijn vader snapt het niet en zegt
dat als Haran niet naar school wil en niet wil gaan werken, dat hij dan het huis
uit moet.
Drie dagen later is het weer anders. Als de jeugdhulpverlener samen met
vader een gesprek heeft op school, zegt Haran dat hij van gedachten is
veranderd. Hij wil nu graag naar school en wil tijdens die periode gaan werken
zodat hij volgend jaar de andere opleiding kan starten. Voor dit laatste moet
hij echter voor bepaalde vakken toetsen doen, waar hij volgens de school ‘niet
voor hoeft te leren’ (?). Haran gaat met alles akkoord.
Begin januari volgt het zoveelste gesprek op school, waarbij ook de vader en
de jeugdhulpverlener aanwezig is. Opnieuw gaat het over de vraag wat Haran
nu eigenlijk wil. De laatste resultaten waren bar slecht; als dit zo doorgaat zal
hij volgend jaar op de andere opleiding opnieuw niet aanvaard worden. De
jeugdhulpverlener verzucht dat het zo jammer is dat Haran nergens voor te
motiveren te krijgen is.
De maanden daarop herpakt Haran zich enigszins. Uiteindelijk behaalt hij op
zijn school enkele certificaten, maar hij is veel afwezig geweest en valt vooral
op door zijn enorm gebrek aan motivatie. Hij wil gewoon niet op deze school
voor speciaal onderwijs zitten. Na dit schooljaar volgt dan een intakegesprek
bij het regulier onderwijs. De eerste afspraak zijn vader en zoon glad vergeten
(!). Daarna gaat een nieuwe afspraak door. De vorige school van Haran moet
echter doorgeven dat hij een leerling is die nauwelijks gemotiveerd is en vaak
afwezig was. De school weigert Haran. De redenen die hiervoor worden
opgegeven zijn dat Haran het cognitief niet zal halen en dat er al jaren
gedragsproblemen zijn. Daarom wordt gedacht dat het niet zal lukken.
Na de afwijzing neemt de hulpverlener contact op met de school. Zij geeft aan
dat zij het niet eens is met het besluit van de intakecommissie. Zij heeft het
idee dat alleen maar naar oude stukken wordt gekeken en dat daarop het
besluit werd genomen. Haran is al twee jaar niet meer met politie in aanraking
is geweest. Hij is ouder geworden en heeft van zijn fouten geleerd. Hij is nu
erg gemotiveerd voor die opleiding. LDe hulpverlener zegt ook dat met de
wijkagent en straatcoach contact opgenomen kan worden want deze zijn zeer
positief over hem. De hulpverlener geeft aan dat volgens haar deze jongen een
kans verdient. Men zou eventueel eerst een proeftijd van bijvoorbeeld zes
weken kunnen instellen en als blijkt dat het echt niet werkt dat het dan ook
duidelijk is.

36
Een gelijkaardige school dichter in de buurt vindt de hulpverlener geen optie.
Haran heeft daar vorig jaar een intake gehad en dit was een zeer vervelend
gesprek geweest. Haran en vader willen niet meer naar die school. Zijn broer
zal volgend jaar ook in die zelfde stad gaan studeren en gezien deze broer een
goede invloed op hem heeft was dat ook een reden om hem in die school in te
schrijven.
De school zegt toe dat de intakecommissie de aanvraag opnieuw zal bekijken,
maar de hulpverlener moest ervan uitgaan dat ze niet op hun besluit terug
komen. De begeleiding wordt beëindigd op het moment dat Haran werk heeft
gevonden en al meer dan twee jaar geen delict meer heeft gepleegd.
5.2 Commentaar bij deze behandeling
Aan de ene kant is het te gek voor woorden dat dit gezin asiel krijgt en kan
blijven wonen in Nederland. Zij blijven omwille van de uitkering en, dank zij de
vele subsidies, kunnen ze genoeg overhouden om op vakantie te gaan naar het
land van herkomst. Aan de andere kant zijn er in dit gezin kinderen die goed
studeren en die later hun bijdrage zullen leveren aan onze samenleving. Het is
hier niet de plaats om dieper in te gaan om deze kwestie. Ik beperk me hier
tot twee hypothesen met betrekking tot de oorzaken van de
gedragsproblemen.
Mijn hypothese is dat door zeer ongelukkige en repressieve gerechtelijke
maatregelen, in het bijzonder het zestien maanden durende huisarrest, Haran
zo verbitterd is geraakt dat hij nergens meer voor te motiveren is. Dit is zijn
vorm van verzet tegen diegenen die hem dit onrecht hebben aangedaan.
Haran heeft al meer dan twee jaar geen delict meer gepleegd. Hij is ook niet
gewelddadig of agressief geweest. Hij kijkt somber, lijkt vaak afwezig, is
passief en zegt meestal heel weinig. Dit lijken kenmerken van depressiviteit,
maar hier zou een psychiater moeten over oordelen.
Zelfs in Irak vertoonde hij hetzelfde gedragspatroon. Als Haran depressief zou
zijn, dan is het heel diep geworteld.
De vader weet geen raad met zijn zoon. Hij kan ook geen kant op: terug naar
Irak is geen optie want hij kan niet meer werken en hier heeft hij een
uitkering. Naar familie in het buitenland gaan kan ook niet, want die hebben de
westerse mentaliteit overgenomen om niet tot in het oneindige familieden in
de huiskring op te nemen.
Over deze jongen waren twee goede dingen te vermelden: hij heeft een tijdje
terug stage gelopen in een schoenenzaak en daar waren ze tevreden over
hem. Verder zou hij zeer goed kunnen voetballen toen hij vroeger in een club
voor zaalvoetbal was ingeschreven.
Het probleem bij deze casus is dat er nauwelijks aanknopingspunten zijn voor
een behandelingsplan. Het probleem is duidelijk en concreet: hij doet geen

37
inspanning voor school, hij wil ook niet gaan werken en hangt het liefst met
vrienden op straat rond. Hieruit kunnen makkelijk doelstellingen op een
concrete en positieve manier geformuleerd worden. Maar hoe krijgen we hem
gemotiveerd voor school. Of hoe krijgen we deze passieve jongen aan het
werk? Hoe vindt hij een kring van vrienden, bijvoorbeeld in een
voetbalvereniging?
Het gezin is arm en er zijn nog drie andere kinderen. De vader heeft daarom
geen enkele armslag en een zoon die wat bijverdient zou erg welkom zijn.

5.2.1 Twee hypothesen
Het is verleidelijk om te stellen dat we hier aan het einde zijn gekomen van
onze behandelingsmogelijkheden. Bijvoorbeeld door te veronderstellen dat
Haran lijdt aan chronische depressiviteit en daarom psychiatrische hulp nodig
heeft. Alleen een psychiater kan hierover oordelen. Wij houden twee
hypothesen over:
Hypothese 1 is dat Haran lijdt aan depressiviteit.
Een vroegere school was heel negatief over hem. Hij werd er als onhandelbaar
omschreven. Hij was brutaal en hield zich niet aan afspraken. Het was wel op
deze school dat de stage zo goed verliep. Er is in deze periode duidelijk iets
fout gegaan. Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat die opleiding voor hem te
hoog gegrepen was. Hij is niet erg intelligent en mist sociaal vaardigheden. Om
gezichtsverlies te voorkomen, vervalt hij dan ofwel in brutaal gedrag of in
passiviteit. Ik hou het bij deze hypothese.
Hypothese 2 is dat zijn passief gedrag gezichtsverlies moet voorkomen.
Als dit laatste klopt, dan moet Haran in een situatie gebracht worden waar hij
wel succeservaringen en waardering kan opdoen. Dat moet dan een situatie
zijn waarin hij niet wordt overvraagd. Waarom slaagt een zeer flexibele en
humane school als de school voor speciaal onderwijs waar hij een jaar was
ingeschreven daar niet in? Ligt de oplossing in het zaalvoetbal? Het zou
bijvoorbeeld mooi zijn als hij stage loopt in de voetbalvereniging: overdag
allerlei klussen doen, helpen bij de administratie, activiteiten organiseren voor
kinderen en uiteraard zelf meedoen aan de trainingen en wedstrijden. De
situatie is op het einde van de begeleiding gestabiliseerd omdat Haran werk
heeft gevonden.

5.2.2 Repressie of zorg?
Straf en zorg zijn geen vergelijkbare grootheden. Straf is toepassing van de
wet en zorg is een ethische plicht. Straf is een duidelijk omschreven maatregel
die door de wet wordt bepaald. Zorg een zaak is van persoonlijke

38
verantwoordelijkheid. Zorg vereist persoonlijke inzet die niet afhankelijk
gesteld kan worden van bepaalde eigenschappen van de dader. De wet kan
niemand dwingen tot deze inzet.
Vergelijk dit met een huisarts: een goede huisarts is iemand die mensen graag
ziet en al zijn patiënten de beste zorg biedt, ook lelijke mensen,
onsympathieke mensen en ongewassen Tokkies die slecht ruiken. Jongeren die
in een project voor zeer intensieve begeleiding in behandeling worden
genomen, behoren tot die groep waar niemand op zit te wachten. De meesten
hebben een lang strafblad en hebben alle vormen van jeugdhulpverlening, van intensieve gezinsbehandeling tot detentie - al gehad. In de wijk waar ze
wonen leven ze in een permanente oorlogstoestand met aan de ene kant het
leger van wijkagenten, jeugdagenten, adoptieagenten, straatcoaches,
stadstoezicht, jeugdreclasseerders, leden van het wijkteam en aan de andere
kant een kleine groep hangjongeren die elkaar opzoeken, elkaar waarschuwen
als de vijand in aantocht is en dreigen en schelden als een autoriteit in hun
buurt komt. Als een van mijn medewerkers met een jongere in zijn auto door
de wijk reed, volgde telkens een politieauto in de buurt komt een eindeloze
scheldpartij.
Daartussen moeten we manoeuvreren om zorg te bieden aan jongeren die er
de pest aan hebben en hun zaakjes het liefst onderling regelen, terwijl we ook
rekening mee moeten houden met de harde aanpak die de samenleving nu
eenmaal eist ten aanzien van recidiverende en vaak gewelddadige criminelen.
Hoe kunnen we voorkomen dat we gezien worden als softe hulpverleners die
alleen maar praten en weinig bereiken?
Als hulpverleners hebben we hetzelfde doel als diegenen die een harde aanpak
voorstaan: hoe kunnen misdrijven worden voorkomen, hoe kunnen we recidive
verminderen? Straf of repressie is het logisch antwoord. Ik heb het hier niet
over straf als vergelding, als wraak, als een gevolg op de roep vanuit de
samenleving voor een harde aanpak, maar over straf als middel om criminelen
af te schrikken.
Gedrag dat leidt tot een negatief gevolg, straf bijvoorbeeld, zal in de toekomst
minder voorkomen. Dat is het algemeen principe. Ik wil het hier niet hebben
over de complexe vragen die dit principe oproept. Bijvoorbeeld: misdrijven
leveren meestal directe positieve gevolgen op en de straf volgt pas veel later;
de pakkans is slechts 15 procent. Dit betekent dat bij een diefstal je 7 keer
“beloond” wordt en 1 keer gestraft.
Ik heb jongeren in behandeling gehad die al jarenlang ongestraft op het
dievenpad gaan en voor hun familie en buren stelen op bestelling. Het
schuurtje in de achtertuin is hun winkeltje waar alle gestolen spullen liggen
opgestapeld.

39
Voor sommigen werkt straf in hun milieu statusverhogend. In een geval werd
een buurtfeest georganiseerd toen de zoon uit de jeugdgevangenis kwam. Bij
hun soortgenoten worden ze als helden verwelkomd.
Ik hou het hier wat principiëler: kan straf misdrijven voorkomen en recidive
verminderen? Als de vraag zo gesteld wordt, dan is het antwoord: nee. Moest
het wel zo zijn, dan zou de misdaad al lang tot het verleden behoren: je hoeft
slechts steeds strenger te gaan straffen totdat de laatste crimineel zijn lesje
heeft geleerd. Dit werkt echter niet. Natuurlijk is het zo dat zolang ze
opgesloten zijn zij geen misdrijven kunnen plegen. Om die reden ben ik er
voorstander van dat jongeren die gemene geweldsdelicten plegen tegen
weerloze slachtoffers, zoals een tasjesroof, direct tien jaar gevangenisstraf
krijgen. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan een gewelddadige beroving van een
bejaarde dame, die haar heup breekt, de laatste jaren van haar leven de straat
niet meer op durft en moeite heeft met lopen. Maar de meeste jonge
criminelen plegen minder ernstige delicten en komen snel weer vrij. Voor hen
is het belangrijk om naar alternatieven te zoeken.
We moeten de feiten onder ogen durven te zien: de recidive na een
gevangenisstraf is enorm ondanks het feit dat in de gevangenissen toch wel
humaan wordt omgegaan met de gedetineerden. In de jeugdgevangenissen
hebben de jongeren die ik daar bezoek meestal een fijne tijd en worden grote
inspanningen gedaan om hen vaardigheden aan te leren en kennis bij te
brengen. Er wordt daar structuur geboden, iets wat ze thuis meestal gemist
hebben, zodat zij er zich veilig voelen.
Als je echter een groep criminelen een jaar lang samen opsluit dan is de
negatieve invloed op elkaar veel groter dan die van therapeuten en andere
behandelaars. Onze jongeren komen uit de jeugdgevangenissen terug met
sterke verhalen over roofovervallen die ze van anderen hebben gehoord.
Straf moet altijd gecombineerd worden met zorg. Bij enquêtes onder gewone
burgers blijkt dat zelfs diegenen die pleiten voor een keiharde aanpak ook
vinden dat die aanpak met educatieve maatregelen moeten samengaan.

5.2.3 Twee buffers tegen recidive
Welke zorg is nodig?
Er zijn twee belangrijke buffers om criminaliteit en recidive te voorkomen:
1. het volgen van een opleiding of het vinden van werk
2. een band hebben met volwassenen die goede sociale modellen zijn en om
de jongere geven. Bindingen hebben in de samenleving. Trots zijn op jouw
wijk.

40
Dit is echter makkelijker gezegd dan gedaan. Het vergt namelijk een
bovenmenselijke inspanning om deze jongeren nog te motiveren voor een
opleiding. Als ze makkelijk geld kunnen verdienen met helen en drugs hebben
ze ook weinig zin om voor het minimumloon te gaan werken.
Het is zeer moeilijk om die buffers te stand te brengen:

- de leerachtstanden zijn enorm. Op 17 jaar staan ze wat betreft taal en
rekenen op het niveau van een elfjarige en een derde van hen op het niveau
van een achtjarige. Dit is nooit meer in te halen. Verbaal zijn ze ernstig
sociaal gehandicapt: conflicten moeten dus via agressie worden opgelost. In
het gewone dagelijkse leven lopen ze continu frustraties op (ik ging eens
met een jonge kerel mee naar een uitzendbureau. Hij ging naar een
medewerkster, spreidde zijn beide handen over haar bureau en zei: ‘Werk’.
Nu zijn ze daar wel wat gewend, maar zich goed kunnen introduceren
verhoogt de kansen).

- de helft van de aangemelde jonge recidiverende delinquenten in mijn
klinische praktijk zit soms drie of vier maanden thuis omdat geen enkele
school ze nog wil opnemen. Of als we hen kunnen motiveren om een
opleiding te volgen dan wordt hun keuze beperkt doordat ze geen verklaring
van goed gedrag kunnen voorleggen; of ze worden geweigerd op de
stageplaats.

- als ze opnieuw delicten plegen en ze worden geplaatst in detentie, dan wordt
hun opleiding onderbroken of ze verliezen hun baan. Dit wil niet zeggen dat
criminelen niet gestraft mogen worden of niet geplaatst in detentie, maar ik
wil slechts constateren hoe straf de buffers tegen recidive verhindert en waar
we een oplossing moeten voor vinden. Het gaat niet om een harde versus
een softe aanpak, maar om wat efficiënt is en wat niet.

- ze hebben een eigen kring van asociale mensen, staan afwijzend tegenover
instanties en worden met minachting bekeken. In sommige gevallen kunnen
zelfs hun ouders niets meer positiefs over hun zoon zeggen. Een van onze
jongens werd al acht jaar ernstig psychisch mishandeld door zijn stiefvader
die hem de hele dag door bekritiseerde en er bijvoorbeeld voor zorgde dat al
het eten op was als zijn stiefzoon thuiskomt (casus les 1).
Kortom: die leerachterstanden, het gebrek aan toekomstperspectief, de
gevolgen van een zeer gebrekkige opvoeding, traumatiserende ervaringen, de
dagelijkse omgang met andere criminele jongeren vormen samen een waslijst
van risicofactoren waar we als hulpverleners een oplossing voor moeten
zoeken.
Bij deze groep is dit een onmogelijke opgave. We kunnen wel zeggen dat hier
een multisystemische behandeling noodzakelijk is, maar wie is in staat om de
zojuist genoemde problemen goed op te lossen? Zelfs met vijf uur per week en
per jongen kom je er nog niet. De zorg die bij deze complexe en

41
diepgewortelde problematiek nodig is, is onbetaalbaar. Wie is er trouwens
voldoende opgeleid om op al die terreinen hulp te kunnen bieden? We kunnen
die jongeren toch niet met een vijftal verschillende hulpverleners opzadelen?
Een project zoals ik heb geleid, houdt altijd een groot risico in: de kans dat het
met een van de jongere heel erg fout loopt tijdens de behandeling zit er altijd
in. Als de overheid geen vertrouwen in ons heeft, is het snel afgelopen.
Gelukkig hebben we een belangrijke troef in handen: alle andere hulpverleners
laten het hier afweten. Wie het beter weet, mag het zeggen. De vraag is dus of
we bereid zijn tot onbegrensde zorg en volledige inzet tot de jongere terug op
het juiste spoor zit?
5.2.4 Behandeling: een zaak van de samenleving
Wat kan de hulpverlener hieraan doen? Kan zij de jongere een opleiding
bieden? Kan zij hem helpen bij het inhalen van zijn leerachterstanden? Kan zij
met hem een binding aangaan die niet aan tijd is gebonden?Neen dus, en dat
is precies de reden waarom de jeugdhulpverlening bij deze groep faalt en altijd
zal blijven falen als er niets fundamenteel verandert.
Het gaat om een antwoord op de volgende vragen:
1. Wie is er in staat deze jongeren een opleiding te geven die hen aanspreekt
op hun talenten en mogelijkheden? Ondanks de leerachterstanden is dit niet
onmogelijk. Er zijn kortdurende, zeer praktijkgerichte opleidingen die jongeren
goede kansen kunnen geven op de arbeidsmarkt. Welke school krijgt de totale
vrijheid om naar eigen inzicht zo’n programma op te zetten in overleg met de
werkgevers?
Ik heb nagenoeg alle leerkrachten in het lager beroepsonderwijs in Curaçao en
Bonaire een training gegeven in het leren omgaan met agressie. Daar zag ik
voor mijn ogen gebeuren waarom het zo fout kan gaan met Antilliaanse
jongeren in Nederland: bij gebrek aan materiaal en een geschikt programma
wordt aan die leerlingen nauwelijks toekomstperspectief geboden. Nochtans
liggen de kansen voor het grijpen: een school voor beroepen in de horeca,
biologische landbouw voor levering aan cruiseschepen en de toeristenindustrie.
Veel souvenirs die ze op die eilanden verkopen, dragen het etiket ‘made in
China’: waarom aan de bezoekers van deze mooie eilanden geen souvenirs van
eigen fabrikaat verkopen?
2. Welke werkgever is bereid om met oneindig geduld die jongeren een kans te
geven? Hoe kunnen we hen aan een baan helpen, ook al hebben zij geen
verklaring van goed gedrag?
3. Welke volwassenen in de eigen omgeving van de jongere zijn bereid om
onvoorwaardelijk naast hem te staan, om altijd een toevlucht te zijn, om altijd
te blijven geloven in zijn positieve mogelijkheden en om hem steeds opnieuw
een kans te geven?

42
Er is geen reden tot pessimisme: die leerkrachten, die werkgevers, die
volwassenen zijn overal te vinden. Het is de taak van de hulpverlener om hen
te mobiliseren, zodat rondom de jongeren een soort NETWERK VAN
SOLIDARITEIT ontstaat.

5.2.5 Jeugdhulpverlening vestigen op de scholen
Ik wil hier een paar praktische voorstellen aan koppelen:
De jeugdhulpverlening moet worden gevestigd op scholen. Op het
basisonderwijs zodat problemen vroegtijdige gesignaleerd worden en preventie
mogelijk wordt. Op het middelbaar onderwijs voor vroegtijdige hulpverlening.
Door wijkgericht te werken kom je als jeugdhulpverlener automatisch in
contact met de scholen.
De jeugdhulpverlening moet samenwerken met werkgevers, zodat de jongeren
na hun praktijkgerichte opleiding een baan kunnen vinden. De hulpverlener
kan hen daarbij een tijdje begeleiden.
Om het wat scherp te stellen: een jeugdreclasseerder moet niet zozeer contact
hebben met de jongere zelf, moet niet zozeer praten met de jongere, maar hij
moet vooral contacten leggen met mensen die iets voor deze jongere kunnen
betekenen, Hij moet een bemiddelaar zijn tussen de jongere en de
samenleving. Hij moet dus een netwerk van solidariteit rondom de jongere
tot stand brengen.
Als dit lukt, dan zal dit netwerk van solidariteit in de wijk ook voor andere
jongeren haar nut kunnen bewijzen en wordt de jeugdhulpverlening in zekere
zin overbodig. De burgers nemen het van ons over en dat is een goede zaak.

5.2.6 Hoe straf en zorg met elkaar combineren?
Wat betekent dit alles voor onze vraag: hoe is straf en zorg met elkaar te
verbinden?
Een voorbeeld kan mijn visie het best verduidelijken. Vijf van de jongeren die
bij mijn laatste project werden aangemeld, zijn slachtoffer geworden van een
zwendel met telefoonabonnementen. Zoals bekend zijn in deze kringen de
daders nu eens slachtoffer en dan weer dader. Door twee bekende boeven
werden ze min of meer gedwongen bij diverse maatschappijen een
telefoonabonnement af te sluiten. Zij kregen elk 150 euro. Dat was heel slim
van deze boeven want de jongeren kunnen moeilijk een klacht indienen omdat
ze ervoor zijn betaald. De advocaat die we op deze zaak hebben gezet heeft
dan ook geen vertrouwen in een goede afloop. Na een maand kwamen de
rekeningen binnen. Bij sommigen is dat tot 5000 euro opgelopen. Een van hen,

43
een Turk, was tijdens de herfstvakantie naar Turkije geweest en had een
pistool meegebracht; verstopt achter de bumper van de auto zonder dat zijn
vader het wist. Aan mijn medewerkster vertelde hij dit en zei dat hij die twee
boeven zou neerknallen. Zij vroeg mijn advies. Ik twijfelde geen seconde en
zei dat zij onmiddellijk naar de officier van justitie moest gaan en haar het
probleem voorleggen. Misschien was het mogelijk dat hij het wapen kon
inleveren zonder verdere gevolgen. Ik zei er wel bij dat zij open kaart moest
spelen naar de jongen toe.
De volgende dag zijn ze samen naar de politie geweest en de vader werd er
buiten gehouden. De vertrouwensrelatie werd er niet door aangetast.
Er was nauwelijks een kans dat de politie dit tijdig ontdekt zou hebben. Dank
zij de vertrouwensrelatie met de hulpverlener werd hier misschien een zwaar
misdrijf voorkomen.
In dit voorbeeld is er weliswaar geen sprake van straf, maar het bewijst dat
justitieel ingrijpen best gecombineerd kan worden met zorg. Straf of het
inleveren van wapens is best uit te leggen. Straf kan worden toegekend terwijl
de dader toch met respect wordt behandeld. De politie kan best streng
optreden zonder dat de jongere zich vernederd voelt.
Voor de meeste gearresteerde jongeren maakt het niet zo veel uit als diegene
die moet toezien op de strafmaatregelen ook de hulpverlener is. Wij hebben
echter te maken met recidiverende en vaak gewelddadige criminelen die een
enorme haat hebben ontwikkeld tegenover de instanties en die al veel
hulpverleners over de vloer hebben gehad. Vooral bij niet-westerse allochtonen
zien we soms dat ze ‘de hele wereld’ haten.
Met deze jongeren kan er nooit een vertrouwensrelatie ontstaan als de
hulpverlener tegelijkertijd een verlengstuk is van justitie. De jongere zelf zal
slechts veranderen als hij op een of andere manier geraakt wordt door de inzet
en het vertrouwen van mensen die om hem geven. Ze hebben in onze
samenleving vaak al zoveel negatieve, frustrerende en discriminerende
ervaringen opgedaan, soms al vanaf de basisschool, dat zij in ons project soms
voor het eerst weer ervaren dat er volwassenen zijn die in hen geloven.
Wie stelt dat de hulpverlener ook verantwoordelijk moet zijn voor de uitvoering
en het toezicht op de strafmaatregelen plaatst de hulpverlener in het kamp van
diegenen die door de jongeren worden gehaat en maakt het opbouwen van een
vertrouwensrelatie onmogelijk. Laat ieder zijn deskundigheid en bevoegdheid.
De hulpverlener moet zich ten volle kunnen concentreren op zijn taak en zich
niet laten afleiden door de afschuw over de daden van de jongere.
De hulpverlener moet bij deze jongeren, tegen de stroom in, tegen de
overtuiging van de bevolking, er blijven van uitgaan dat zij de moeite waard
zijn, dat ook zij oneindig meer zijn dan de misdrijven die ze hebben gepleegd.
Ik pleit ook voor een harde aanpak, maar voor de ergste crimineel moet er ook
een uitweg zijn: het netwerk van solidariteit staat voor hem klaar.

44
Om straf en zorg goed te kunnen combineren moeten politie, justitie en
hulpverleners zelf het voorbeeld geven dat zij respectvol met elkaar omgaan,
elkaars terrein respecteren en via regelmatig overleg zoeken naar hoe de
belangen van de samenleving en van de jongeren het best gediend kunnen
worden.
Krijgen de hulpverleners in de jeugdbescherming voldoende ruimte om naast
de repressieve maatregelen zich maximaal en onvoorwaardelijk in te zetten
voor de jongeren? Is scheiding van straf en zorg mogelijk, zodat ze goed
verbonden kunnen worden?
Stellingen voor een discussie:
1. Het is niet zozeer de jonge crimineel die behandeld moet worden, maar er
moeten mensen in zijn eigen omgeving gemobiliseerd worden die zich voor
hem willen inzetten (discussie over netwerk van solidariteit: hoe is dat te
realiseren?)
2. Een harde aanpak: ja, op voorwaarde dat de talenten en goede
eigenschappen van de crimineel ook een kans krijgen. Wat betekent dit voor
de opleiding van de jongere en voor het verbeteren van zijn
toekomstperspectief? Hoe kan je ervoor zorgen dat de strafmaatregelen geen
barrière zijn tegen positieve ontwikkelingen? Wat kan in de jeugdgevangenis
worden gedaan om de jonge crimineel betere kansen te bieden?

45
Orthopedagogiek les 6: ’De behandelingsmethodiek in praktische
richtlijnen’
SYNTHESE methodiek: ’Intensieve Multisystemische Orthopedagogische
Behandeling’ in de vorm van praktische richtlijnen
Een uitgebreide versie van deze behandelingsmethode in de vorm van een
stappenplan, is gepubliceerd, ook als e-book: ’Acker, J.C.A. van (2013). Jeugdzorg en
reclassering: harde kern jongeren en Marokkaanse relschoppers. Antwerpen:
Ministrando. 2de herziene druk. (voor bestellen zie mijn website: www.ministrando.org )

In de volgende les (nummer 7) volgt een uitgebreide casusbeschrijving waarin
de richtlijnen duidelijk worden toegepast.
6.1 Voorwoord
Het is geenszins de bedoeling dat je je op krampachtige wijze moet
conformeren aan bepaalde instructies. Iedereen heeft zijn eigen persoonlijke
stijl en manier van omgaan met mensen. Belangrijk is dat elk contact met de
cliënt wordt voorbereid: wat moet ik doen volgens de methodiek en hoe zal ik
dat in praktijk brengen? en dat na elk contact verslag wordt opgemaakt en het
contact wordt geëvalueerd.
Zonder een goed dossier over de jongere is een effectief hulpverleningsproces
vrijwel onmogelijk. Zonder goede dossiervorming blijft het meestal bij
improviseren zonder kennis van de specifieke noden van de jongere en het
systeem waarin hij opgroeit. Zonder een systematische verslaglegging is het
onmogelijk de behandeling te evalueren en bij te stellen. Een goed dossier is
daarom een professionele plicht. Op de dossiervorming komen we verder
terug.
Schematisch:
wat vereist de methodiek?

contact met
➜➜➜

verslaglegging

➜➜➜
de cliënt

hoe zal ik dat toepassen?

evaluatie

Tijdens het contact met de cliënt ben je dus gewoon jezelf, maar je hebt je wel
goed voorbereid om als een expert te handelen. Daarna ben je kritisch over
jouw optreden en je evalueert dit om te kijken hoe je in een volgend contact
het best verder gaat.
Met cliënt wordt hier bedoeld: de jongere, de gezinsleden, andere personen die
dichtbij de jongere staan. De cliënt is in feite het gehele netwerk. Het
voornaamste doel van de behandeling is trouwens het tot stand brengen van

46
een ’netwerk van solidariteit’. Dat is een netwerk van mensen die om de
jongeren geven en hem standvastig en onvoorwaardelijk kansen blijven
bieden.

6.2 De basishouding typeert alle fasen of stappen in het hulpverleningsproces
Wij zijn er voor de cliënten. Dit wil zeggen dat zij samen met ons positieve of
succesvolle ervaringen moeten opdoen, kleine stapjes in de goede richting.
Alles wat de cliënt dwingt, heeft slechts tijdelijk effect; de cliënt zal zich
hoogstens een tijdje conformeren om van ons af te zijn. Wij willen een einde
maken aan de steeds terugkerende cyclus van mislukkingen, misprijzen,
sancties, verwerping. Om een nieuw proces op gang te brengen moeten we
eerst en vooral open staan voor de cliënt: wat hij heeft te zeggen is belangrijk.
Wij willen zijn noden en behoeften leren kennen. Wij geven hem alle aandacht.
Neem de tijd en forceer niets. Door op de juiste wijze door te vragen,
stimuleren we hem om zelf tot inzicht te komen. De cliënt leert op die manier
vragen te stellen: Waarom gedraag ik mij op die manier? Wat kan ik ermee
bereiken? Zijn er andere manieren om meer succes te behalen?
Dat de cliënt alle prioriteit heeft betekent nog iets heel belangrijk: hij is in
zekere zin zijn eigen hulpverlener! Hij moet zelf de diagnose stellen, de
behandelingsdoelen bepalen, een plan van aanpak bedenken, het uitvoeren en
evalueren. Het is de taak van de hulpverlener om hem hierbij de begeleiden, te
ondersteunen, om suggesties te doen, om aan te moedigen en om waardering
uit te spreken.
Dit kan allemaal erg utopisch lijken bij cliënten die zwakbegaafd zijn, over
weinig verbale vaardigheden beschikken en vol weerstand zijn tegenover
bemoeienis van buitenaf. Sommigen zijn al van kleins af eraan gewend dat
agressie de beste tactiek is om hun zin te krijgen en dat is heel moeilijk door
iets anders te vervangen. Sommigen zitten vol haat, vooral tegenover
diegenen die tot de dominante sociale klasse of tot een andere etnische groep
behoren.
Toch is het aan de hulpverlener om door zijn inzet en volharding te cliënt te
inspireren voor goed gedrag tegenover de anderen en voor het opnemen van
verantwoordelijkheid. Liever een heel klein concreet stapje in de goede
richting, dan oeverloos gepraat om de ander tot inzicht te brengen.
Respect, samenwerking en solidariteit typeren de juiste
hulpverlenende relatie. Zoek steeds naar de positieve
mogelijkheden van de cliënt en zorg dat anderen die
mogelijkheden en talenten leren te waarderen.
Is er iemand die echt geeft om de cliënt? Alleen zo’n iemand
kan positieve invloed uitoefenen.
6.2.1 Het eerste gesprek

47
De eerste indruk is o, zo belangrijk. Hoe heb je dat in de hand? Bijvoorbeeld
door in jouw voorbereiding niet alleen die crimineel te zien, die verwerpelijke
feiten heeft gepleegd, maar hem ook te zien als die jongere die in die en die
omstandigheden is opgegroeid, die weinig anders heeft dat zijn criminele
vrienden en goed beseft dat hij in de gewone samenleving nauwelijks een kans
maakt.
Beschuldiging heeft hier geen zin (dat is de zaak van de rechter en de politie).
Onze instelling is vanaf het begin constructief: wat kunnen we er samen met
hem van maken? Waar is een kans om een succesje te behalen? Hoe en waar
kan de jongere waardering krijgen? Dit heeft niets te maken met een softe
aanpak. We weten gewoon, en de feiten bevestigen dit onomstotelijk, dat een
harde aanpak alleen vrijwel altijd tot recidivisme leidt. Een harde aanpak moet.
Zolang een gevaarlijke jonge crimineel in de gevangenis zit, kan hij geen
nieuwe delicten plegen. Maar eenmaal komt hij vrij, want de rechter moet zich
houden aan het Wetboek van Strafrecht, die door onze
volksvertegenwoordigers is goedgekeurd. Het is de taak van de orthopedagoog
om via een goed doordachte aanpak recidivisme te voorkomen.
Niet soft, maar goed doordacht
Zorg vooral voor een sfeer van samenwerking: je hebt de cliënt echt nodig.
Niets kan worden opgedrongen of afgedwongen.
Het kan soms heel moeilijk zijn om de cliënt actief te laten zijn, maar iedereen
is gevoelig voor aandacht. Zoek naar wat hem interesseert.
Heb je een gesprek met het gezin: zorg dat iedereen aan het woord kan
komen; geef iedereen aandacht.
Stel je meteen op als de expert: maak notities en zeg waarom je dat doet. Leg
ook de nadruk op de vertrouwelijkheid.
Op de juiste manier doorvragen is een belangrijk tactiek: zonder waardeoordelen, geen waarom-vragen, gewoon om meer informatie vragen (i.p.v.
‘waarom ben je niet naar school geweest?’, liever: ‘Je bent deze week niet naar
school geweest. Kan je daar iets meer over zeggen?’). Dit laatste klinkt niet zo
beschuldigend als een waarom-vraag en de cliënt gaat dan niet in de
verdediging. Hij zal dan eerder bereid zijn om ook naar jou te luisteren.
stel geen waarom-vragen, maar informatieve vragen
Maak een vervolgafspraak en geef aan wat de volgende stappen zullen zijn (zie
verder).
6.2.2 Je bent iemand die observeert
Doordat je vooral aandacht hebt voor wat de cliënt zelf zegt, denkt en doet en
dus voor hem open staat, heb je alle gelegenheid om hem goed te observeren.
Je bent echter geen koele waarnemer: je wordt geleid door jouw warme

48
belangstelling voor de ander. Die ander voelt dit aan en krijgt hierdoor meer en
meer vertrouwen in jou.
Observeren is meer dan een indruk krijgen: je hebt oog voor wat het gedrag
van de ander uitlokt (of je vraagt door om te weten te komen wat de
aanleiding was van het gedrag) en je kijkt ook wat de effecten zijn van dat
gedrag. Jouw observaties leiden dus tot inzicht in gedragsketens. Als je in
het gezin bent bijvoorbeeld krijg je op die manier inzicht in wie welk gedrag
uitlokt bij anderen en hoe er wordt gereageerd op dat gedrag. Dit is echt iets
om daarna op een precieze manier verslag over te doen.
heb vooral oog voor de interacties: wie lokt wat uit? hoe
reageren de anderen op het gedrag? welk effect heeft die
reactie?
Aangezien we over verschillende terreinen informatie willen inwinnen, sturen
we in de mate van het mogelijke de gesprekken en de gelegenheden om te
observeren. Wij hanteren hiervoor het raamwerk van de risicofactoren en
protectieve factoren (zie verder).
6.2.3 Concrete gedragsbeschrijvingen zijn de bouwstenen van de behandeling
De behandeling moet altijd leiden tot gedragsveranderingen, maar dan moeten
we wel eerst weten welk gedrag precies we willen veranderen (liever: welk
gedrag de cliënt zelf moet willen en leren veranderen).
Let op: zoals bij elke stap doe je dit samen met de cliënt. Je vraagt naar
concrete voorbeelden en je vraagt hierop door. Dat is ook een vorm van
aandacht geven. We hebben belangstelling voor wat hij zelf dagelijks concreet
meemaakt.
Elke uitspraak die je opschrijft over een cliënt moet
gebaseerd zijn op concrete voorbeelden
Bij alles wat je over jouw cliënt leest in een ander dossier of
in een psychologisch verslag: zelf nagaan of dit wordt
bevestigd door jouw eigen concrete observaties
Op die manier leer je de cliënt de problemen in perspectief te zien. Hij leert te
relativeren en verkrijgt inzicht in de gedragsketens (dit kan een zeer belangrijk
therapeutisch effect hebben!).
Wij doen niet zoals iedereen: onze cliënten labelen of er een
stereotype op plakken. Integendeel: we kijken gewoon hoe
zijn gedrag in de gewone dagelijkse omgang tot stand komt
De werkzame strategie hierbij is dat de hulpverlener de cliënt leert van op
een afstand naar de problemen te kijken. Dat is vaak het begin van de
oplossing: leren naar jezelf te kijken en zien waarmee je eigenlijk bezig bent.

49
6.4 Dossiervorming
rommelig dossier = verwarde hulpverlener
Het dossier kan je het best opbouwen rondom de risicofactoren en de
protectieve factoren waarvan op wetenschappelijke wijze is aangetoond dat er
een verband is met crimineel gedrag. Dit wil zeggen dat de behandeling gericht
moet zijn op deze factoren. Door systematisch hierover informatie te
verzamelen en op te schrijven wordt het mogelijk planmatig te werken en jouw
interventies regelmatig te evalueren. Gebruik bij de rapportage daarom steeds
het onderstaande raamwerk (eerst en vooral win je informatie in over deze
factoren, daarna kan je bij elke factor aangeven of het aanwezig is, wat de
intensiteit is, hoe je dat wilt aanpakken, wat het resultaat ervan is). Elk
contactverslag moet in principe enige informatie bevatten over een of
meerdere factoren (bijv. concrete voorbeelden die het illustreren, de invloed
ervan op het gedrag van de betrokkenen, hoe je hen inzicht bijbrengt, wat je
met hen overlegt om het aan te pakken, welke veranderingen zijn
opgetreden,...).
de risicofactoren en protectieve factoren vul je in de loop
van de behandeling steeds verder aan: op die manier kan je
de focus richten op wat van grote invloed is op crimineel
gedrag, kan je de interventie systematisch plannen.
Wijzigingen in die factoren maken evaluatie mogelijk.
In mijn eigen praktijk bleek vaak dat bij behandelingen die dreigen te
mislukken of die vastlopen het herlezen van het dossier van begin tot
einde meestal tot nieuwe ideeën leidt. Als je de verslagen goed hebt
bijgehouden vindt je daarin nieuwe mogelijkheden om de behandeling
een nieuwe wending te geven. Bij herlezen zal je vrijwel altijd opmerken
dat je belangrijke dingen over het hoofd hebt gezien of dat je een andere
invalshoek hebt verwaarloosd. Besteed dus veel aandacht aan een goed
dossier: het zal jouw professionaliteit ten goede komen.
Ik ben mij er goed van bewust dat de opdracht een goed dossier bij te
houden, kan leiden tot te veel administratief werk. In mijn eigen praktijk
werd ik altijd vergezeld door stagiaires die het gespreksverslag
opmaakten. Samenwerking met een universiteit of hogeschool kan een
oplossing bieden en voor de studenten is het interessant of van zo nabij
een behandeling mee te maken. Is die samenwerking niet mogelijk,
probeer dan zo goed mogelijk het dossier bij te houden. Het belang van de
cliënt is ermee gediend en je leert er zelf ontzettend veel van.

50
BELANGRIJKSTE RISICOFACTOREN

(*) belangrijk wil zeggen dat bewezen is dat ze van grote invloed zijn op
herhaling van delinquent gedrag

persoonlijkheidsfactoren
- hyperactiviteit en impulsiviteit
- een positieve houding ten aanzien van crimineel gedrag
- drug- of alcoholgebruik
- optrekken met delinquente leeftijdgenoten
gezinsfactoren
- laag inkomen, slechte behuizing, een groot gezin
- gezinsconflicten
- onvoldoende toezicht op de kinderen
- ouders staan passief of tolerant ten aanzien van antisociaal en crimineel
gedrag
- ouders of andere kinderen in het gezin zijn crimineel
schoolfactoren
- al in de basisschool leerachterstand opgelopen in taal en rekenen
- weinig binding met de opleiding
- zwakke schoolorganisatie
- pesten en/of gepest worden
samenlevingsfactoren
- gebrek aan bindingen of sociale cohesie in de buurt
- drugs zijn makkelijk te verkrijgen
- de buurt ziet er armoedig en verwaarloosd uit
- de lokale bevolking wisselt vaak

51
BELANGRIJKSTE PROTECTIEVE FACTOREN
(*) belangrijk betekent hier dat zij recidive helpen voorkomen
- veerkracht: goed kunnen reageren op ongunstige omstandigheden. De veerkracht van een
kind kan echter beperkt worden als die ongunstige omstandigheden persistent zijn, extreem
zijn en niet afnemen;
- goed kunnen plannen;
- goede ervaringen en prestaties op school;
- positieve relaties met leeftijdgenoten;
- een behoorlijke vrijetijdsbesteding;
- het vinden van werk.

De bovenstaande lijst is ons belangrijkste diagnostisch instrument.
Verzamel daarom de informatie om al die factoren goed te omschrijven voor de
specifieke casus. Op basis van al deze informatie kan je het plan van aanpak
bepalen en kan je de ontwikkeling van de cliënt volgen.
6.5 Wat moet je doen om de hulpverlening te doen mislukken?
- het blijft bij praten, proberen te overtuigen, proberen inzicht te bieden
- het dossier blijft beperkt tot een wat rommelige opeenstapeling van notities,
in plaats van een systematische inventarisatie van risicofactoren en protectieve
factoren, de wijze waarop deze factoren evolueren in de loop van de
behandeling en een plan van aanpak dat goed onderbouwd is en regelmatig
wordt bijgesteld (zonder goed dossier is planmatig werken onmogelijk).
- er wordt niets gedaan om de jongere te leren beter te presteren op school,
om werk te zoeken en om zich te leren aanpassen aan de werksituatie
- er is geen of nauwelijks contact met personen uit de eigen omgeving van de
jongere en die jouw betrokkenheid kunnen overnemen en voortzetten
- de jongere en de gezinsleden komen niet onder de indruk van jouw positief,
opbouwend en doelgericht handelen en van jouw oprecht geloof in hun
talenten en goede eigenschappen
- de diagnose is destructief, dit wil zeggen dat steeds opnieuw het negatieve
en de tekorten op de voorgrond worden geplaatst. Er worden diagnostische
middelen en labels gebruikt waarbij onze cliënten altijd in het nadeel zijn
- er wordt te snel een appel gedaan op externe deskundigen of de cliënt wordt
voor de zoveelste keer doorverwezen

52
****************
MAAK ALLES CONCREET
Elke uitspraak die je doet over de cliënt moet bewezen kunnen worden met
concrete voorbeelden.
“Piet is een agressieve kerel”: wat doet hij dan wel? tegenover wie? hoe vaak
komt dat voor? in welke omstandigheden? als reactie op wat? hoe wordt er op
gereageerd? Is dat al lang het geval? reageert hij soms op een niet agressieve
manier? ... De antwoorden op deze vragen bepalen of de agressie moet
behandeld worden en hoe je moet behandelen (als Piet bijvoorbeeld alleen
agressief is tegenover zijn vader omdat die laatste zo kwetsend is, dan moet
de vader aangepakt worden).
Als Piet ook aardig en niet agressief kan zijn, dan moeten we hem dat niet
meer leren, maar moet hij leren beter om te gaan met die situaties die bij hem
agressie uitlokken. Maar dan moet je dus eerst weten welke situaties dat zijn.
Veel trainingen is sociale vaardigheden of asserviteitstrainingen zijn overbodig
omdat de noden van de cliënt elders liggen.
Huisbezoeken, de cliënt zien in zijn eigen omgeving, doorvragen over
hoe hij met anderen omgaat en hoe de anderen hem behandelen:
hierop baseren we straks onze diagnose.
Bij alles wat je hoort en observeert voortdurend de vragen
stellen:
Wat deed of zei hij precies?
Waar gebeurde het?
Wanneer?
Wat was de aanleiding of de prikkel?
Wie reageerde erop en hoe?
Wat was het effect hiervan op de jongere?

Omdat de cliënt in zijn gewone dagelijkse leven zich anders moet leren
gedragen, is dat gewone dagelijkse leven ook datgene waarin we
inzicht moeten verkrijgen en waar de behandeling moet plaatsvinden.
Het aardige van deze strategie is dat we waarde-oordelen achterwege kunnen
laten. Weerstand wordt dan niet uitgelokt. Samen met de cliënt kijken we naar
wat er gaande is, Dit heeft een niet te onderschatten therapeutisch effect:

53
- zo leren we samen met de cliënt van op een afstand naar de problemen te
kijken (het begin van de oplossing)

- zo leren we samen met de cliënt de problemen te relativeren of in
perspectief te zien. Let op: de cliënt moet hier zelf achter komen

- je kan de problemen wel duidelijk benoemen, maar het lokt weinig of geen
weerstand uit. Een relatie van samenwerking blijft gehandhaafd.
**********************
REGELMATIG SAMENVATTEN EN INVENTARISEREN
Ook dit is een onderdeel van onze systematische en deskundige werkwijze.
Door in elk gesprek regelmatig samen te vatten wat er is gezegd, tonen we
hoe serieus we de cliënt nemen. Tevens krijgt hij de gelegenheid te controleren
of wij hem goed hebben begrepen. Hij kan het verder aanvullen of bijstellen.
Als we voldoende concrete informatie verzameld hebben (raadpleeg de lijst van
risicofactoren en protectieve factoren regelmatig) kunnen we een eerste
inventarisatie maken: we plaatsen alles op een rijtje, zowel datgene wat er
fout gaat, als datgene wat goed gaat. Dit is een noodzakelijk moment om te
bepalen waarmee we zullen beginnen en wat de planning zal zijn om de
verschillende problemen achtereenvolgens aan te pakken.
Bij deze inventarisatie moet je kijken of je nu voldoende weet over:
- het hier en nu waarin de cliënt leeft
- over zijn concrete gedrag in diverse omstandigheden (thuis, op straat, op
school, bij zijn vrienden, in de sportclub,...)
- over zijn gezin, zijn vriendenkring, de mensen met wie hij een zekere binding
heeft
- zijn schoolprestaties, opleidingsmogelijkheden, perspectief op werk
*******************
INTERACTIES ANALYSEREN
Hulpverlening heeft tot doel het gedrag van de cliënt tegenover anderen te
veranderen. Dit wil zeggen dat de gewone dagelijkse omgang met anderen
moet veranderen. Wil dit lukken, dan moeten we eerst weten hoe hij concreet
met anderen omgaat en de behandeling moet gericht worden op de
dagdagelijkse interacties. Meestal zal hieruit blijken dat ook de anderen hun
houding tegenover de jongere moet veranderen.
Heb je in deze fase voldoende concrete informatie om inzicht te krijgen in het
volgende:

54
- hoe wordt het gedrag van de cliënt beïnvloed door anderen?
- hoe wordt het gedrag van de anderen beïnvloed door de cliënt?
- wat levert zijn gedrag voor hem op?
Het antwoord op deze vragen geeft inzicht in hoe het gedrag werd aangeleerd
en wat het gedrag in stand houdt.
Inzicht in hoe de cliënt en andere personen in zijn omgeving
elkaars gedrag beïnvloeden biedt inzicht in wat veranderd
moet worden en hoe dat veranderd kan worden
In de volgende stap kunnen we op basis hiervan bepalen hoe we het
tegenovergestelde wenselijk gedrag kunnen aanleren (in samenwerking
met de cliënt èn de anderen die een invloed uitoefenen) en hoe we dat sociaal
aangepaste gedrag in stand kunnen houden, zodat duurzame resultaten
worden bereikt. Ook bij dit laatste spelen de anderen met wie de cliënt een
binding heeft een sleutelrol.
Het is niet de hulpverlener die echte invloed heeft op het
gedrag van de cliënt: het zijn de anderen uit zijn eigen
omgeving met wie hij een binding heeft
De hulpverlener speelt natuurlijk ook een zeer belangrijke rol, maar dan
meer op indirecte wijze: hij zet de anderen aan een andere houding
tegenover zijn cliënt aan te nemen en hij ondersteunt zijn cliënt. Hij is een
model van iemand die om de anderen geeft, die zich onvoorwaardelijk
voor hen inzet en hen daardoor inspireert voor het goede in de omgang
met de anderen.
In deze fase helpt hij in eerste instantie de cliënt en de anderen om inzicht
te verkrijgen. Dat gebeurt via het diagnostisch gesprek en zo mogelijk
via de adviesbrief die daarop volgt. In de volgende fase zal de
hulpverlener laten blijken hoe hard hij zich wil inzetten om resultaat te
behalen.
Een zinvolle diagnose is een diagnose die begrepen en geaccepteerd wordt
door de cliënt. Deze diagnose is het resultaat van het samen onderzoeken
van wat er gaande is. Het diagnostisch gesprek (zie handleiding blz.
71-74) en de adviesbrief (blz. 74-77) die daarop volgt moeten daarom
het resultaat zijn van goed overleg met de cliënt die het met de diagnose
eens is.

55
Een diagnose kan meer kwaad dan goed doen
- een diagnose is altijd in zekere mate subjectief (wat waar
is voor jou, is het daarom niet voor de cliënt)
- er ligt te veel nadruk op het negatieve
- de informatie is niet altijd volledig en betrouwbaar
- er is onvoldoende update (de cliënt kan veranderd zijn; hij
moet niet eeuwig het etiket meedragen)
- er is in de diagnose te weinig aandacht voor de eigen
behoeften van de jongere
- de voorspelling heeft een stigmatiserende werking,
waardoor het een selffulfilling prophecy wordt
- er wordt te weinig rekening gehouden met de complexiteit
van gedrag en van de oorzaken
- de diagnose is een product van een controle-cultuur
Daarom moet de diagnose altijd een proces zijn dat je
samen met de cliënt doorloopt, waarbij je altijd open
blijft staan voor nieuwe informatie en dat pas eindigt
als de behandeling is beëindigd.

*****************************

EEN GOED DOORDACHT PLAN VAN AANPAK
De tabel van risicofactoren en protectieve factoren geeft al aan hoe
gevarieerd het plan van aanpak voor onze cliënten moet zijn. Er is meestal
een cumulatie van risicofactoren die allemaal aangepakt moeten worden
willen we een goed resultaat bereiken.
Voor elke cliënt moet een specifiek plan van aanpak opgesteld worden. In
ons project zijn er echter vier therapeutische middelen die meestal
gebruikt zullen worden:

56
- het gedragscontract
- trainingen in sociale vaardigheden
- een activiteitenprogramma om leerachterstanden in te
halen, om beter te presteren op school, om
beroepsvaardigheden aan te leren
- het opbouwen van een netwerk van solidariteit

We verwijzen hier naar hoofdstuk 5 van de handleiding. Een bijzonder
belangrijk punt betreft het maken van goede afspraken. Het gaat hier om
afspraken met de cliënt betreffende zijn gedrag dat moet veranderen. Hij
zal slechts gemotiveerd zijn om zich te houden aan de afspraak als die
afspraken met hem samen tot stand zijn gekomen. Hij zal zich slechts
kunnen houden aan die afspraken als ze voor hem duidelijk zijn en
haalbaar. Kortom, de principes van onze behandelingsmethodiek moeten
gerespecteerd worden. Dit blijkt uit de criteria voor een goede afspraak,
die we hier nog eens kort samenvatten (volledige lijst, handleiding blz.
85-86):
- de afspraak moet gaan over concreet, waarneembaar gedrag
- niet alles tegelijkertijd willen veranderen of meteen een heel
grote stap. Liever: verdeel de afspraak in kleine, haalbare
stappen
- de relevante anderen erbij betrekken, want een afspraak is vooral
bedoeld om de interacties te veranderen: voor elke betrokkene
moet precies duidelijk zijn wat van hem wordt verwacht.
- zodra de cliënt zich heeft gehouden aan de afspraak moet
onmiddellijk een beloning of positieve reactie volgen
- de afspraken zijn positief opgesteld
- hoe de afspraak tot stand komt is in zekere zin belangrijker dan
de afspraak zelf
- de hulpverlener biedt ondersteuning waar nodig
Een ander wezenlijk punt is de vorming van een netwerk van solidariteit
rondom de cliënt. Als zo’n netwerk niet tot stand komt is de interventie

57
gedoemd te mislukken: we gedragen ons slechts sociaal aangepast als we
ons verbonden weten met onze medemensen.
Een punt dat niet expliciet werd besproken is het belang van de
gedachten, gevoelens en verwachtingen van de cliënt6. Cognitieve
gedragstherapie, waarbij die cognities worden veranderd, behoort bij de
evidence-based interventies. In onze behandelingsmethodiek zullen
veranderingen in de cognities een centrale plaats krijgen. De
hulpverleningsrelatie zien we vooral als een pedagogische relatie; dit wil
zeggen dat de hulpverlener door zijn optreden de anderen inspireert voor
goed, verantwoordelijk en sociaal aangepast gedrag. De betrokkenheid die
altijd de kern vormt van de pedagogische relatie raakt de cliënt in zijn
diepste gevoelens: dat maakt een fundamentele wijziging in zijn houding
en gedrag mogelijk. In mijn visie worden verkeerde cognities het best
veranderd als de jongere en zijn opvoeders op een of andere manier
geraakt worden door de hulpverlener. Gedragstherapie zonder
pedagogisch engagement is inhoudsloos.
Misschien is de methodiek als zodanig niet zo belangrijk en is het vooral
onze betrokkenheid met het wel en wee van de cliënt die hem inspireert
voor het goede. Onze betrokkenheid is echter tijdelijk en moet
overgenomen worden door het netwerk van solidariteit.
**********************
AFBOUWEN EN BEËINDIGEN
Elke behandeling moet eens beëindigd worden, liefst binnen een redelijke
termijn want andere cliënten wachten en te veel hulpverlening kan de
cliënt afhankelijk maken van de hulpverlener. Op tijd beëindigen met
redelijke zekerheid op een goed vervolg wordt het best vanaf de start van
de interventie voorbereid. Ook moeten we objectief kunnen vaststellen of
de doelen zijn bereikt.
Voorbereiden van af de start van de interventie:
- het accent leggen op samenwerking
- de cliënt helpen zelf de diagnose te stellen
- de cliënt helpen zelf de behandelingsdoelen vast te stellen
- continu er op letten waar de cliënt zelf zijn verantwoordelijkheid kan
opnemen
- zijn zelfvertrouwen stimuleren door een continue stroom van
succeservaringen
6

Ten overvloede: met cliënt wordt hier niet alleen de jongere bedoeld, maar alle volwassenen met wie hij
een binding heeft of kan hebben. Ook zij moeten hun gedachten, gevoelens en verwachtingen over de
jongere leren te veranderen. Verwaarlozen veel hulpverleners juist niet dit belangrijke aspect?

58
Objectief kunnen vaststellen of de behandelingsdoelen zijn bereikt:
Een eerste vereiste is uiteraard dat de behandelingsdoelen concreet zijn
en dus waarneembaar. Onze methodiek schrijft dit duidelijk voor.
Vervolgens kunnen het bereiken van de doelen in twee vragen formuleren:
1. Zijn de doelen bereikt?
- het gaat altijd om gedragsveranderingen (bijv. geen delicten meer
plegen)
- functioneert de cliënt nu beter op belangrijke leefgebieden: gezin,
wonen, school, werk, vrijetijdsbesteding, sociale contacten,...)
- neemt het netwerk van solidariteit het over van de hulpverlener?
2. Kan de cliënt bij nieuwe conflicten of problemen:
- zelf tot inzicht en verklaring komen?
- zelf steun zoeken bij zijn netwerk?
- met zelfvertrouwen die conflicten of problemen aanpakken?
- zelf bepalen hoe je dit goed en planmatig kunt aanpakken?
Kortom: de cliënt is deskundig geworden in onze methodiek!
**************************
EVALUATIE
Evalueren van onze behandelingen is een ethische plicht. We moeten
voorkomen dat we steeds dezelfde fouten maken, maar vooral: als we
effectief werken, moeten wij en anderen ervan leren.
Het gaat er zeker niet alleen om dat we na de behandeling onderzoeken of
het nu beter gaat met de jongere; we moeten vanaf de start ‘metingen’
kunnen uitvoeren, zodat we de behandeling steeds kunnen bijstellen.
Criteria om te evalueren:
- afname ernst en frequentie van de misdrijven
bron: strafregister, politiedossiers
- vermindering kracht van de risicofactoren
bron: informatie bij ons diagnostisch instrument, de lijst van
risicofactoren
bij risicofactoren denken we voornamelijk aan:

59
# gebrek aan sociale vaardigheden
# leerachterstanden
# drug- en alcoholgebruik
# slechte, criminele vrienden
# gebrek aan motivatie om te veranderen
- versterken protectieve factoren
bron: informatie bij lijst protectieve factoren
- vorming van een netwerk van solidariteit
bron: dossier
In de volgende les illustreren we de toepassing van deze
behandelingsmethodiek aan de hand van een uitgebreide casus.

60
Orthopedagogiek les 7: ’Een uitgebreide casusbeschrijving: Twee
kutmarokkanen’
Zoals bij al mijn publicaties neem ik niet alleen succesverhalen op. In deze
casus pleegt een van de broers na twee jaar intensieve begeleiding door een
van mijn beste medewerkers ooit, een ernstig geweldsdelict. Hierbij werd een
toevallige passant met een messteek levensgevaarlijk gewond omdat hij
weigerde een sigaret te geven.
Met deze casus worden de grenzen van de orthopedagogische hulpverlening
aangegeven. Ik hoop dat de lezer hiermee bewust wordt van de enorme
hindernissen en uitdagingen waarvoor de hulpverlener zich gesteld ziet. Ik zie
het als een taak van een multidisciplinair Academisch Centrum om
hulpverleners die de moeilijkste gevallen aandurven, zo goed mogelijk te
begeleiden. Net zoals in de medische faculteit zou de faculteit sociale
wetenschappen moeten beschikken over een Academisch Centrum waar de
moeilijkste gevallen naar verwezen kunnen worden. Het liefst had ik een
jeugdgevangenis op de campus willen leiden ;-)
Amal en Said
Het gaat om een gezin met een alleenstaande moeder en twee zonen van
vijftien en zestien jaar oud, Amal en Said. De moeder, Lisa, is Nederlandse. De
vader is een Marokkaan die kort na de geboorte van de jongste met de
noorderzon is verdwenen. Die man zou nog regelmatig in de stad zijn waar dit
gezin woont. De jongens weten dat, maar ze hebben geen contact met die
man. De moeder werkt voltijds als schoonmaakster bij een bedrijf.
Lisa is een echte volksvrouw. Communicatie gaat, zodra het gaat over
problemen met haar zonen, vrijwel uitsluitend via roepen en schelden. Ze heeft
niettemin met heel veel mensen goede contacten. Op straat groet zij iedereen
en maakt graag een babbel. Zij heeft met haar zonen een warme, affectieve
band, maar de opvoeding is compleet chaotisch zodat de jongens geen enkele
discipline kennen. Het zijn gewoon straatkinderen die doen waar ze zin in
hebben en die een enorme haat tegen de politie hebben opgebouwd. Ze zijn
hondsbrutaal tegen straatcoaches en andere functionarissen. In huis luisteren
ze wel naar hun moeder en ze komen op tijd thuis om te eten, want als ze op
etenstijd niet thuis zijn, gooit moeder het eten gewoon in de vuilnisbak. Af en
toe scheldt ze haar zonen, die qua uiterlijk sterk op hun vader lijken, uit voor
kutmarokkanen.
De twee broers krijgen elke week twintig euro zakgeld en als de kinderbijslag
binnenkomt, dan krijgen ze dat volledig in handen. Hiermee kopen ze een
nieuwe smartphone of andere dure gadgets. Ze willen sparen voor een
brommer en voor hun rijbewijs, maar daar komt niets van terecht.
Beide jongens trekken op met een groep die door de overheid ten onrechte als
een criminele jeugdbende wordt gezien. Het zijn hangjongeren die vaak een

61
spoor van vernieling in de wijk achterlaten. Bushaltes worden vernield, ramen
van overheidsgebouwen worden ingegooid, politieagenten en andere
functionarissen worden uitgescholden en ze hangen wat rond bij de
supermarkt zodat het winkelende publiek zich door hen bedreigd voelt.
Geweldscriminaliteit tegen personen komt bij hen echter niet voor.
7.1 Complete chaos
Het gezin heeft al heel wat hulpverlening gehad, waaronder multisystemische
therapie. Dit is een vorm van hulpverlening waarin een hulpverlener gedurende
zes maanden meerdere uren per dag contact heeft met het gezin. Al die
hulpverlening heeft tot nog toe niets uitgehaald en de moeder zegt geen
vertrouwen meer te hebben in de hulpverleners. Ook de school is een ramp.
De oudste zit in een speciale afdeling voor leerlingen die te moeilijk zijn om in
het buitengewoon onderwijs te blijven en de jongste kan elk moment uit de
school verwijderd worden. Een probleem is dat voor de leerlingen van die
speciale afdeling de lessen al om 12.15 eindigen, zodat ze de rest van de dag
op straat rondzwerven of ergens zitten te ‘chillen’ met elkaar.
Gesprekken met de moeder verlopen altijd chaotisch. Ze springt van de hak op
de tak en er komen ook voortdurend mensen binnen. Die personen mengt ze
dan in het gesprek met de hulpverlener of zij begint een lang verhaal over iets
dat volstrekt irrelevant is. Ze heeft vaak lichamelijke klachten. Zo vertelt zij
bijvoorbeeld dat haar bloedspiegel te hoog is. Zij was pas negen toen bij haar
diabetes werd vastgesteld. Ze haalt in aanwezigheid van de hulpverlener een
prikpen boven om haar bloedspiegel te meten. Lachend vertelt zij dat een
normale glucosespiegel tussen de vijf en de acht ligt. Nu meet ze 25. Op de
vraag of zij bij deze hoge uitkomst geen actie moet ondernemen, geeft ze aan
dat dit niet nodig is. Tijdens dit gesprek kwam een buurman binnen met wie ze
had afgesproken samen boodschappen te gaan doen. Zij wimpelt hem nog
even af, maar na enige tijd klopt hij op het raam en schreeuwt dat ze nu
moeten gaan. Als Lisa naar buiten gaat, reageert ze meteen op jongeren die
passeren. Toen een meisje met een hoofddoek voorbijreed, riep Lisa dat ze op
moest letten dat zij door die zware hoofddoek niet van haar fiets viel. Een
jongen die ze groette toen hij voorbij fietste, schold zij uit omdat hij niet
reageerde. Elk bezoek verloopt op dezelfde manier en als de hulpverlener eens
samen met de moeder boodschappen gaat doen in de supermarkt, dan
verloopt dit heel chaotisch. Ze weet niet waar de spullen staan en loopt rond
tot ze iets ziet dat ze wil kopen. Ondertussen groet ze heel veel mensen en
maakt hier en daar een praatje.
In hun buurt zijn er ook vaak rellen op straat. In een woning verderop is het
een komen en gaan van jongens en meisjes. Een Turkse jongen reed eens met
hoge snelheid op een brommer, ook op één wiel. Hierbij reed hij bijna een kind
omver. Lisa was toen heel boos geworden en was naar de betreffende woning
gelopen om die jongen aan te spreken op zijn gedrag. Die jongen trok echter
zijn pistool. Lisa belde meteen de politie, maar die weigerde te komen. De
politie werd namelijk al vaker door deze moeder gebeld en meestal bleek niets
van haar verhaal te kloppen. Als de moeder dit vertelt aan de hulpverlener

62
schreeuwt ze heel hard en slaat met de armen heen en weer. Even later is ze
gekalmeerd en gaat lachend achter haar computer zitten om een spelletje te
spelen.
7.2 Een typisch gesprek
Om aan te geven hoe een gesprek met de moeder meestal verloopt, volgt hier
een kort verslag van een bezoek twee maanden na de aanmelding: ‘Lisa zat
achter de computer bij binnenkomst. Zij moest even een spelletje afmaken.
Toen zij dit spelletje klaar had, vroeg ik hoe het met haar ging. Ze vertelde dat
het redelijk ging, maar ze maakte zich veel zorgen over haar vriendin die
tijdens de bevalling een hersenbloeding had gekregen. Hierna volgt een lang
verhaal over die vriendin en haar drie kinderen die de moeder een tijdje bij
haar thuis heeft genomen. Die kinderen staan trouwens onder toezicht van
Bureau Jeugdzorg. Gevraagd naar haar zonen, zegt ze dat ze al een hele week
spijbelen. Zij is van mening dat als zij niet op school zijn, dat ze dan ook niet
thuis mogen zijn. Dus schopt ze hen dan gewoon de straat op. Lisa werd
afgeleid door mijn schoenen en vertelde dat ze dezelfde schoenen in een
reclamefolder had gezien. Ze zou die nu gaan halen in de stad. Toen ik vroeg
of ze niet voor het eten moest zorgen, zei ze geen honger te hebben. Op dat
moment kwamen haar beide zonen thuis. Amal schreeuwde dat hij erg slechte
zin had omdat hij stage moest lopen en hij schold op een bepaalde docent. Zijn
moeder schreeuwde terug dat ze allebei naar boven moesten gaan, want ze
was kwaad. Ze schreeuwde wie van hen haar sigaretten had gestolen. Hierop
kwam geen reactie. Toen schreeuwde ze naar boven dat ze de stofzuiger
moesten brengen zodat zij kon stofzuigen. Ze heeft meerdere malen deze
opdracht geschreeuwd zonder gevolg. Daarna schreeuwde ze dat ze naar de
shoarma tent mochten om een pizza te halen. Zij legde voor beiden zeven euro
klaar. Ook bij deze opdracht kwam er geen reactie van boven. Lisa haalde haar
schouders hierbij op en ging lachend weer achter de computer zitten om een
nieuw spelletje te spelen’.
7.3 De politie treiteren
De jongens zelf weigeren aanvankelijk contact met de hulpverlener. Als de
hulpverlener eens aanbelt als de moeder niet thuis is, doet de oudste boven
het raam open. Als zij hem vraagt of ze binnen mag komen om met hem even
te spreken, zegt hij van niet en doet het raam weer dicht. De gesprekken
komen pas op gang nadat ze een misdrijf hebben gepleegd waarvoor zij korte
tijd in de gevangenis zijn terechtgekomen. Said had de politie wat getreiterd
door steentjes tegen de ramen van het politiekantoor te gooien. Na een
tweede waarschuwing werd hij door de politie opgepakt. Er ontstond een
vechtpartij waarbij Amal een agent een mep verkocht. Toen ze geboeid in de
politieauto zaten, zagen ze nog de kans om de autoramen stuk te trappen en
weg te vluchten. Vervolgens werden ze weer opgepakt door de politie.
De jongens zitten in de politiecel als het moederdag is. Een agent had een
ruiker gekocht en ze hadden beiden op een kaartje iets geschreven voor hun
moeder. Kort daarop komen ze vrij, maar met huisarrest. De oudste moet

63
logeren bij zijn oma en de jongste bij de moeder. De spanningen lopen echter
op. Beide jongens zijn niet gewend thuis te zijn en Lisa wordt knettergek als
haar jongste zoon constant in huis is. Ook voor de oma is dit een hele opgave,
alhoewel Said doet wat zij zegt en heel anders reageert dan bij zijn moeder.
7.4 Op school
Op de school is het gedrag van beide jongens alles behalve voorbeeldig. Ze zijn
totaal ongemotiveerd, verstoren vaak te lessen en zijn soms agressief
tegenover medeleerlingen. In een gesprek op school geeft de leerkracht enkele
voorbeelden van het probleemgedrag van Amal: hij zit in de klas met zijn
hoofd op tafel. De leraar vraagt of hij zijn boek op tafel wil leggen. Amal zegt:
dat heb ik toch. Het boek ligt inderdaad op tafel, maar het is niet open en hij
ligt er met zijn hoofd op. De leraar moet hem meerdere keren vragen zijn
hoofd op te tillen en zijn boek open te slaan. Een ander voorbeeld: na de les
techniek vraagt de leraar aan Amal om zijn spullen op te ruimen. Amal luistert
niet en loopt in de richting van het raam. De leraar geeft aan dat hij het raam
dicht moet doen. Amal maakt het raam helemaal open en begint te praten met
de meisjes die buiten staan. Als Amal een onvoldoende haalt voor een
proefwerk en er wordt hem gevraagd in de klas of hij wil herkansen, zegt hij
nee, het is niet nodig. Als het hem wordt gevraagd na de les, als de andere
leerlingen er niet bij zijn, dan zegt hij wel te willen herkansen.
De vechtpartij met de politie komt voor de jeugdrechter en die schrijft Amal
een merkwaardige brief. Hij brengt deze brief mee naar school en vraagt aan
verschillende leerkrachten of zij het eens zijn met de inhoud van die brief. In
die brief van de jeugdrechter staat letterlijk het volgende: ‘Overwegende, dat
gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid bestaan, welke de
onverwijlde vrijheidsneming van verdachte vorderen, te weten: dat er ernstig
rekening mede moet worden gehouden, dat de verdachte een misdrijf zal
begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes of
meer jaren is gesteld en/of waardoor de gezondheid of veiligheid van personen
in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan
bestaan, .... verdachte zoals bij het plegen van het onderhavig delict naar
voren is gekomen kennelijk een onberekenbaar karakter heeft en kennelijk
beschikt over een naar ernstige agressie neigende mentaliteit en een gebrek
aan normbesef, nu het geweld is gericht tegen opsporingsambtenaren, zodat
ernstig gevreesd moet worden dat hij zich na zijn invrijheidstelling wederom
schuldig zal maken aan een ernstig geweldsdelict’. De jeugdrechter beveelt
hierop een voorlopige hechtenis van veertien dagen in een jeugdgevangenis.
Ook de school vindt dat hier met een kanon op een mug wordt geschoten. We
moeten echter voorzichtig opereren want de jeugdrechter heeft het voor het
zeggen en in dit geval bemoeit zij zich helaas met de inhoud van de
behandeling; een terrein waarover de jeugdrechter in feite niet bevoegd is.
Uiteindelijk willen we haar zover krijgen om repressieve maatregelen te
vervangen door een behandeling waar de jongens en hun omgeving echt baat
bij hebben. Wat ik hiermee bedoel wordt het best geïllustreerd door de

64
volgende tekst die diende als basis voor een overleg met het Openbaar
Ministerie en de jeugdrechters.
7.5 Repressie of hulpverlening7?
Het gaat mij hier niet om een harde aanpak versus een softe aanpak, maar om
een efficiënte aanpak versus een beleid dat niets oplost of het nog erger
maakt.
Aan de ene kant kan je de veiligheid in de wijken verbeteren door heel gericht
de groep van notoire overlastgevers en criminelen te volgen, voortdurend
toezicht houden, onmiddellijk ingrijpen, in detentie plaatsen na een misdrijf,
huisarrest om ze een tijd uit de wijk te houden, hen het gevoel geven dat ze
goed in de gaten gehouden worden door straatcoaches, wijkteam,
jeugdreclasseerders en wijkagenten. Hier werkt iedereen samen om die groep
in het gareel te houden en zo nodig op te pakken en te plaatsen in een
gesloten instelling. Zodra ze recidiveren worden ze opnieuw uit de wijk
verwijderd.
Met deze stringente, repressieve aanpak kan de veiligheid in de wijk wellicht
verbeterd worden. Er komt weliswaar elk jaar een nieuwe aanwas van
overlastplegers bij, maar als men dit beleid volhoudt, wordt ook die groep
aangepakt. Over dit luik van het veiligheidsprogramma hoeven wij geen kritiek
te hebben en daarmee moeten we ons ook niet gaan bemoeien.
Aan de andere kant kan je voor die groep kijken of ze ook nieuwe kansen
kunnen krijgen. Het gaat om minderjarigen en jongvolwassenen, die meestal
weinig kansen in hun leven hebben gekregen door een gebrekkige opvoeding,
verwaarlozing en soms mishandeling, falen op school, leven in armoede, veel
slechte voorbeelden in hun eigen omgeving, aangeboren karaktertrekken zoals
impulsiviteit en concentratiestoornissen, en dergelijke. Voor deze jongeren
willen wij een intensief programma aanbieden om ze alsnog nieuwe kansen te
bieden. Gezien de voorgeschiedenis en de vele risicofactoren die hun omgeving
kenmerken vereist dit een zeer zorgvuldige, intensieve en langdurige aanpak.
Sleutelbegrippen bij die aanpak zijn: de basishouding, samenwerking met de
jongere en zijn ouders, het creëren van bindingen met sociaal aangepaste
mensen, werken aan concrete kleine stapjes zodat ze leren successen te
behalen, het verbeteren van de opleiding of het vinden van werk, het saneren
van de schulden die ze vaak hebben.
Onze aanpak wordt belemmerd door uiteraard de detentie, door huisarrest,
door het hebben van een strafblad, door misprijzen en wantrouwen die ze
ervaren bij de politie of bij anderen, door de slechte naam die ze in de buurt
hebben en waar ze moeilijk van af komen. Dit wil niet zeggen dat deze
maatregelen niet mogen worden genomen. Het is aan het Openbaar Ministerie

7

Deze tekst heb ik met opzet voor mijn medewerkers geschreven om hen goed voor te bereiden
op de vaak moeizame contacten met de jeugdrechters en de officieren van justitie. In de meeste
andere projecten verliepen die contacten prettig en constructief.

65
en de jeugdrechter om hierover te oordelen. Het gaat hier om de vraag hoe
kunnen we naast al die maatregelen ons doel bereiken: integratie van de
jongere in de samenleving. Met alleen repressie kan dit doel niet bereikt
worden. Voortdurend opsluiten is ook niet de beste optie.
Wij willen de jongeren gewoon op school krijgen, aan werk helpen, in contact
brengen met mensen die om hen geven zodat zij er ook bij horen; hen de
vaardigheden aanleren om hierin te slagen en hen het nodige zelfvertrouwen
en een positief zelfbeeld bijbrengen. Onze methodiek is hierop gebaseerd en
de hulpverlener die deze aanpak probeert waar te maken kan niet tegelijkertijd
diegene zijn die repressieve maatregelen neemt of mee helpt uitvoeren en
controleren.
Om uit dit dilemma te komen zou het Openbaar Ministerie en de jeugdrechter
op een gegeven moment in de levensloop van de jongere hem voor de keuze
kunnen stellen: ofwel gaan we door met de repressieve aanpak, ofwel werk je
samen met de hulpverleners en dan blijven onze maatregelen voorwaardelijk.
Alle andere bemoeienissen worden opgegeven, zolang je goed samenwerkt
met de jeugdhulpverleners. Pleeg je opnieuw een delict of zorg je toch nog
voor overlast, dan zullen die maatregelen alsnog van kracht worden. Als de
straf beëindigd is, dan kunnen we je weeral een nieuwe kans geven.
Kortom, het gaat niet alleen om de toepassing van de wet, maar vooral om het
welzijn van het individu. Jeugdbescherming kan nooit alleen een kwestie zijn
van toepassing van de wet: het gaat eerst en vooral om barmhartigheid want
dat is de basisvoorwaarde voor opvoeding.
Het ware individualisme is kunnen staan boven de wet, zelf een oordeel vellen
over de wet of de moraal voorrang geven op de rechtszekerheid en handhaving
van de rechtsorde. De moraal en de wet zullen elkaar in de meeste gevallen
niet in de weg staan. Dit individualisme is de onvervangbare roeping van de
westerse beschaving tegenover de primitieve culturen waar de groep elk
individu tiranniseert.
7.6 Het huisarrest doet de spanning oplopen
De hulpverlener wordt na de rechtszaak door de jongens meer en meer gezien
als een medestander. Het huisarrest is echter een groot probleem. Lisa zegt
dat zij en Amal voortdurend ruzie maken. Amal eet bijna niks en ligt bijna de
hele dag te slapen. Zodra hij thuis komt van school trekt hij zijn pyjama aan
en gaat voor de computer of de tv liggen. Volgens haar kan dit zo niet
doorgaan. Amal mag onder de ‘schorsende voorwaarden’ van de jeugdrechter
slechts naar buiten als zijn moeder meegaat. Ze is ook heel boos op de
jeugdrechter en zegt dat zij haar kinderen de stempel in de nek heeft gegeven
van moordenaars.
Er is gelukkig een wijkagent die onze kijk op dit gezin deelt. Hij vindt Lisa een
vrouw met beperkingen, die opgegroeid is in de wijk waar ze nog steeds
woont. Zij zal altijd blijven schelden en schreeuwen omdat dit haar manier is

66
van communiceren. De wijkagent denkt dat haar zonen slimmer aan het
worden zijn dan hun moeder en dit baart hem zorgen. Volgens hem zou slechts
één persoon zich moeten bemoeien met dit gezin, zodat het voor moeder
allemaal wat duidelijker wordt. Die persoon kan haar dan waar nodig
ondersteunen. Hij vindt Lisa een zeer prettig en positief persoon die het graag
goed wil doen bij iedereen. Ze staat altijd open voor een praatje. De wijkagent
is zelfs positief over haar zonen, alleen moeten zij een dagbesteding gaan
vinden zodat ze geen tijd meer hebben om op straat rond te hangen. Hij vindt
het erg zonde dat Lisa deze ellende nu moet meemaken met haar zonen. Wij
spreken met de wijkagent af de lijnen kort te houden en zodra er iets gebeurt
zal hij ons bellen.
Het huisarrest dat al zes weken duurt heeft ook repercussies op het gedrag
van de jongens op school. De mentor van Amal zegt dat hij op school
rondloopt als een gespannen veertje. Als iemand een verkeerde opmerking
maakt, wordt Amal direct erg boos, begint te schelden en loopt dan weg uit de
les. Ook tijdens een huisbezoek heeft de mentor gezien dat het niet goed gaat
met Amal. Hij eet bijna niet en slaapt erg veel. Ook was er constant ruzie
tussen moeder en zoon. Op alles wat moeder zei had Amal kritiek. Lisa had de
mentor gezegd het niet meer vol te houden en dat de straf nu lang genoeg
geduurd had.
We bemiddelen met de school zodat de leerkrachten Amal wat meer met rust
laten. Ook moet hij slechts halve dagen naar school komen. Amal is opener
geworden naar ons toe. Hij maakt oogcontact en geeft antwoord. Hij reageert
op grapjes en af en toe moet hij lachen.
Tijdens het huisarrest verblijft Said bij zijn oma. Oma heeft met hem geen
problemen. Als beide broers uit elkaar zijn, gaat het beter en oma is ook
consequenter dan hun moeder. In het eerste gesprek dat de hulpverlener nu
met hem kan hebben blijkt zijn wantrouwen tegen de hulpverleners in het
algemeen. Volgens Said werkt iedereen met elkaar samen en vermoedens
worden onmiddellijk doorgegeven. Zijn jeugdreclasseerder had hem verteld dat
in de wijk wel twintig mensen hem in de gaten hielden. Hij enige wat hij mag
doen is zelfstandig naar de school lopen. Als de school uit is, moet hij direct
naar huis. Houdt hij zich niet aan die voorwaarden, dan gaat hij terug naar de
jeugdgevangenis.
Said is een jongen die zich heel moeilijk kan aanpassen aan de school. In een
gesprek op de school geeft zijn mentor bijvoorbeeld aan dat Said geen
schooltas heeft. Hij stopt zijn spullen in een plastic zak die overal rondslingert.
Zijn moeder heeft al vaak een schooltas willen kopen, maar hij wil gewoon
geen tas. Ook aanvaardt hij van sommige leerkrachten die hem niet liggen
geen enkele opdracht. Zijn mentor vertelt verder dat als Said een half uur
moet wachten voor een gesprek, hij wel zes keer vraagt of hij wel bij dat
gesprek moet zijn en of hij niet naar huis mag.
Om een einde te maken aan het heilloze huisarrest, dat in principe zes
maanden kan duren, stellen we een behandelingsplan op voor de jeugdrechter.

67
We verzoeken haar om tijdens de volgende zitting de schorsende voorwaarden
op te heffen zodat wij dit plan op een goede manier kunnen uitvoeren.
Hieronder volgt het behandelingsplan.
7.7 Het behandelingsplan
In het hier voorgestelde behandelingsplan voor Amal en Said krijgen ze samen
met hun moeder tien uur per week begeleiding. Onze behandelingen duren
gemiddeld acht maanden.
Omdat alle hulpverlening tot nu toe niet tot de gewenste effecten heeft geleid
is een zeer consequente en systematische aanpak noodzakelijk. Dit betekent
dat via gedragstherapeutische technieken discipline wordt bijgebracht:
belangrijke sociale regels worden één voor één aangeleerd. Om duurzame
resultaten te behalen worden de moeder, oma en ook de leerkrachten bij deze
aanpak betrokken. Essentieel bij deze aanpak is dat de nadruk niet ligt op straf
als het fout gaat, maar op beloning als het goed gaat. Via deze positief
stimulerende behandeling kunnen we deze jongens en hun omgeving uit de
vicieuze cirkel van steeds nieuwe mislukkingen halen. Na deze
conditioneringsfase in de behandeling (geschatte duur drie maanden) zal
worden gewerkt aan het verbeteren van het netwerk rondom deze jongens
middels een bijbaantje, lidmaatschap bij een sportclub of iets dergelijk.
Een systematische aanpak
7.7.1. De opvoedingssituatie
Amal is vijftien jaar en Said zestien. Zij wonen bij hun alleenstaande moeder.
Het gezin heeft een chaotische levensstijl, maar de moeder wordt omschreven
als een sociaal voelende vrouw die begaan is met het lot van haar
medemensen. Zij is geboren en getogen in de wijk waar ze woont, in een gezin
met zes kinderen en zij is een echte volksvrouw. Ze houdt heel duidelijk van
haar twee zonen. Op haar manier biedt zij veel affectie en warmte in het gezin.
Voor moeder is in de huidige situatie de draaglast zwaarder als de draagkracht.
Daarom is van belang om hierin samen met moeder een balans te gaan
vinden.
Said en Amal zijn pubers die verantwoordelijk zijn voor veel overlast in de wijk.
Ze worden alom gevreesd voor hun opvliegend karakter, hun bedreigingen, de
vernielingen die zij aanrichten. Ze geven de indruk aan iedereen en alles lak te
hebben. Ze komen naar huis als het hen schikt, hun schoolcarrière gaat met
ups en downs, ze hebben veel gespijbeld en hangen veel op straat rond.
Meerdere leraren van Amal willen hem volgend schooljaar niet meer in de klas:
bij de minste opmerking begint hij te schreeuwen en te schelden. Hij moet
eerst leren zich te beheersen.
Alle hulpverlening tot nog toe, heeft weinig tot geen verandering kunnen
aanbrengen in de situatie. De moeder is van goede wil, maar is niet in staat
om consequent gezag uit te oefenen. Binnen het gezin moet gewerkt worden
aan de communicatieve vaardigheden. Tegenover de straatcoaches zijn de

68
jongens brutaal en ook tegenover de politie durven ze zich fel te verweren.
Sommige leerkrachten en politieagenten zijn erg begaan met deze jongens en
dragen hen, naar eigen zeggen, een warm hart toe.
De moeder werkt, maar meldt zich vaak af wegens ziekte als zij zich
overspannen voelt door alles wat haar overkomt. De jongens krijgen elk
twintig euro zakgeld per week, alsmede de kinderbijslag. Ook van oma krijgen
ze af en toe zakgeld. De oma is een stabiliserende factor. Said verblijft sinds
zijn huisarrest bij oma en hij gedraagt zich onder haar invloedssfeer goed.
7.7.2. Behandelingsmogelijkheden
De behandelingsmogelijkheden in dit gezin zijn uitermate beperkt. Het is lastig
om moeder inzicht bij de brengen om consequent normen en waarden te
handhaven binnen het gezin. De jongens houden alle bemoeienis af, tenzij het
echt niet anders kan en ze de hulpverlener nodig hebben.
De moeder wordt tureluurs van alle brieven die zij krijgt van instanties. Ze
begrijpt er geen snars van of legt het uit op haar manier. Na een bijeenkomst
die in de wijk werd georganiseerd voor ouders van overlast gevende jongeren
had zij alleen onthouden dat een straatcoach had gezegd dat ze twee heel
leuke jongens had. Moeder voelt zich betrokken en verantwoordelijk om deel te
nemen aan dergelijke overleggen.
Said vertelde over zijn kort verblijf in de jeugdgevangenis dat hij onder de
indruk was van verhalen van sommige jongens die echte overvallen hadden
gepleegd. Tijdens het bezoek liet Said zien aan zijn broer hoe zij daar
gefouilleerd worden. Na het bezoek merkt de jeugdhulpverlener op dat Said
daar leert op welke manier hij een succesvolle crimineel kan worden.
Kortom, deze jongens kan je niet zomaar bij het handje nemen. Van huisarrest
worden ze gefrustreerd en hun moeder wordt knettergek als deze jongens
continue thuis zitten. Sluit je hen op, dan leggen ze daar de contacten met
jongens waarmee ze later het criminele pad zullen opgaan. Stel je je tolerant
op, dan beginnen ze te schreeuwen en te schelden zodra hen iets in de weg
wordt gelegd. Wat blijft dan nog over in dit geval? Wat staat ons hier nog te
doen?
7.7.3. Mogelijke invalshoeken
De titel van deze paragraaf zegt het al: het blijft bij zoeken en tasten naar een
mogelijke strategie om Said en Amal te weerhouden van misdadig gedrag. Ik
denk dat dit best mogelijk is: in hun gezin hebben ze altijd al die warme
affectie gehad die zo wezenlijk is voor de persoonlijkheidsontwikkeling. Hun
moeder is een voorbeeld van een sociaal voelende vrouw die zich inzet voor
het lot van de anderen. Hoe kunnen we deze jongens stimuleren dit zelfde
voorbeeld te volgen?
Beide jongens zitten nu samen met de mensen die met hen te maken hebben
in een vicieuze cirkel. Leerkrachten, straatcoaches, politiemensen en anderen

69
hebben een bepaald beeld van hen dat voortdurend wordt bevestigd, niet
alleen door het gedrag van deze kerels, maar ook doordat vanuit dat beeld op
de jongens wordt gereageerd. Nu zou gezegd kunnen worden dat al die
volwassenen het goed bedoelen en al veel water bij de wijn hebben gedaan
zodat het aan de jongens is om hun gedrag te veranderen. Met dit standpunt
schieten we niets op: van discipline is in het gezin geen sprake.
Straf en repressie alleen brengen hier geen oplossing. Dat werkt op hen als
een kat in een zak. Een aanpak waar de nadruk ligt op repressie maakt het
gewoon nog erger en het risico op ernstig crimineel gedrag nog hoger. Dat
moeten we als een vanzelfsprekendheid onder ogen durven zien.
Wat blijft dan nog over als behandelingsmogelijkheid? Het gaat om het
bijbrengen van discipline binnen het gehele gezin. Een jongen leert discipline
als er duidelijke regels zijn, als het niet opvolgen van de regels leidt tot
onaangename gevolgen en het wel volgen ervan beloond wordt. Kortom: Amal
en Said moeten eerst en vooral geconditioneerd worden om de belangrijkste
sociale regels te respecteren. Dit disciplineringsproces leidt tot blijvende
resultaten als het plaatsvindt in een context van warmte, liefde en respect.
Belangrijke regels die ze moeten aanleren zijn:
- rustig antwoorden op een opmerking in plaats van de schelden en te
schreeuwen
- respect tonen voor leerkrachten, politiemensen en andere autoriteitsfiguren
- vriendelijk zijn in de omgang met anderen
- naar school gaan en zich inspannen als een opdracht wordt gegeven.
7.7.4 Hoe wordt dit aangeleerd?
Bij deze jongens moet in een eerste fase met conditionering worden gewerkt,
totdat ze leren dat door zich te houden aan de regels het leven voor hen een
stuk aangenamer wordt. Ook de mensen met wie ze te maken hebben krijgen
dan een ander beeld van hen, wat positief gedrag dan weer versterkt.
Conditionering wordt mogelijk als heel strikte voorwaarden worden gekoppeld
aan de afgesproken regels en als het zich houden aan de regels heel concreet
wordt beloond. Het zakgeld en de kinderbijslag bieden hier een oplossing. Met
de moeder en de oma wordt de afspraak gemaakt dat het wekelijks zakgeld en
de kinderbijslag bij de oma terecht komt. De jeugdhulpverlener maakt samen
met hen en met beide jongens een gedragscontract waarin bepaald wordt hoe
zij dat geld kunnen verdienen door zich aan bepaalde, heel concrete afspraken
te houden (van gedragscontracten is in het Verenigd Koninkrijk en de
Verenigde Staten aangetoond dat zij zeer effectief zijn bij jeugdige
delinquenten; de toepassing ervan vereist echter een gespecialiseerde
begeleiding). De jeugdhulpverlener controleert meerdere dagen in de week hoe
dat is verlopen en geeft dan aan oma door hoeveel zakgeld de jongens hebben
verdiend. Als ze terug naar school gaan, gaat de jeugdhulpverlener met de
leerkrachten vooraf overleggen om hen bij dit conditioneringssysteem te

70
betrekken. De goede punten die zij voor hun gedrag in de klas verzamelen, zal
bepalen hoeveel zakgeld zij op het einde van de week zullen krijgen.
We kunnen ons voorstellen dat dit gedragscontract met veel geroep en getier
gepaard zal gaan. De jeugdhulpverlener laat hen dan even uitrazen en begint
opnieuw met het overleg, totdat alles glashelder is afgesproken. Hier kunnen
meerdere dagen en zelfs weken overheen gaan vooraleer het contract echt
goed is vastgelegd. Ook staat vast dat we met moeder aan de slag moeten om
dit systeem goed te kunnen toepassen. Zij zal moeten leren om niet
onmiddellijk toe te geven en controle uit te oefenen op het gedrag van de
jongens. Vandaar dat we oma erbij moeten betrekken en ons voorstel zal zijn
dat zij het geld moet gaan beheren.
Kortom, met dit systeem worden de jongens heel strikt in het gareel
gehouden. Doen ze niet wat van hen wordt verwacht, dan geen zakgeld. Doen
ze het wel, dan krijgen ze niet alleen de centen, maar ook veel waardering en
aandacht. Maar dit systeem heeft ook effect op de volwassenen: de
familieleden, de leerkrachten en anderen moeten nu kijken wat er goed gaat
en dat wordt genoteerd en uiteindelijk beloond. Op die manier worden alle
betrokkenen uit de vicieuze cirkel gehaald en komen de positieve
eigenschappen van de jongens centraal te staan. Dit is het wezen van
opvoeding.
7.7.5 Besluit
Tot nog toe hebben de maatregelen en de interventies niet geleid tot het
gewenste effect. Huisarrest heeft een desastreus effect op deze jongens en
moeder. Een anti-agressietraining heeft hier geen zin omdat hun omgeving
mee moet veranderen. Om te voorkomen dat ze echt het criminele pad opgaan
is een behandelingsvorm nodig die deze jongens en hun moeder op een of
andere manier weet te raken. Dit lukt slechts als de hulpverlener zich
onvoorwaardelijk voor hen inzet en voortdurend blijft zoeken naar het goede in
deze mensen. Ons project biedt die mogelijkheid, maar dit behandelingsplan
heeft slechts kans op slagen als de nadruk kan komen te liggen op een positief
stimulerende aanpak. De repressieve maatregelen zouden daarom beperkt
moeten worden tot het strikt noodzakelijke en liefst van korte duur zijn.
Het hier voorgestelde behandelingsplan vereist een strikte toepassing van
conditioneringsprincipes met de nadruk op positieve bekrachtiging van goed
gedrag. Deze jongens moeten anderen leren waar te nemen als mensen die
hen waarderen als ze zich goed gedragen. In een eerste fase moet dit
geconditioneerd worden met behulp van zakgeld dat ze ermee kunnen
verdienen. Als het eenmaal op die manier is ingeprent en als de conditionering
plaatsvond in een klimaat van respect en warmte, zullen zij zich conform de
regels gedragen zonder dat er nog behoefte is aan de conditionering met
zakgeld.
Aangezien voor beide jongens terugkeer naar hun oude school problematisch
is, zou voor het nieuwe schooljaar begint de scholen op de hoogte gebracht

71
moeten worden van het nieuwe behandelingsplan. Hen kan dan ook gevraagd
worden of zij ons een kans willen geven en willen meewerken aan het contract
dat met deze jongens zal worden gemaakt.

7.8 Straf en zorg: geen compromis blijkt hier mogelijk
De zaak escaleert als de advocaat ons behandelingsplan aan de jeugdrechter
wil voorleggen. Op de zitting weigert deze laatste de toegang aan de
jeugdhulpverlener. In bijzijn van de moeder en de jongens zegt zij dat de
jeugdhulpverlener ‘geen toegevoegde waarde heeft’. Achteraf blijkt dat de
jeugdrechter nogal gepikeerd is omdat wij in een andere zaak de misdrijven
van de minderjarige daders hadden gebagatelliseerd. In een overleg met mij
op een later tijdstip zegt zij dat nu eenmaal vijf procent van de bevolking
crimineel is en het altijd zal blijven. Ik ben erover verbijsterd dat twee jongens
van vijftien en zestien jaar voor haar blijkbaar definitief zijn afgeschreven.
Het langdurige huisarrest werkt zo op de zenuwen van beide jongens dat zij
zich onmogelijk gedragen op school. Amal heeft ook voortdurend ruzie met zijn
moeder. Ook de mentor van Amal vindt dat de straf nu lang genoeg heeft
geduurd. Said valt op school de directeur aan omdat hij werd beschuldigd van
iets waarvan hij beweert het niet gedaan te hebben. Hij wordt definitief van
school verwijderd. Ook Amal moet van school veranderen. Het duurt maanden
vooraleer voor beiden een andere school is gevonden. Amal wordt
ingeschreven in een school voor speciaal onderwijs. In de folder die hij heeft
gekregen en op de website die hij heeft geraadpleegd staat dat het een school
is voor gedragsgestoorde leerlingen. Amal zegt dat hij daar tussen criminelen
zal zitten. Hij zou het liefst naar een reguliere school gaan.
Al de spanningen die beide jongens de laatste maanden hebben meegemaakt
leiden tot een nieuw dieptepunt. Said wordt aangehouden als verdachte van
een zeer ernstig geweldsdelict. Een groep van zes jongeren heeft op een nacht
een jonge man overvallen en een van hen heeft met een mes die man bijna
doodgestoken. Zij lieten hem hevig bloedend liggen. Het slachtoffer kon nog
naar een huis strompelen en op het nippertje werd hij gered. Said is
hoofdverdachte, maar geen van de zes bekent. Voor Said wordt een Pijmaatregel (Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen, ook wel jeugd-tbs
genoemd) uitgesproken. Na een verblijf van twee jaar in de jeugdgevangenis
komt hij voorwaardelijk vrij.
7.9 Evaluatie
De behandeling is in dit gezin niet goed op gang gekomen. Om te evalueren
moeten twee vragen worden beantwoord:
1. Wat is er in feite gebeurd om het gedrag van de jongere te veranderen?
2. Wat heeft die gedragsveranderingen in de hand gewerkt of belemmerd?

72

7.9.1 Wat is er in feite gebeurd om het gedrag van de jongere te veranderen?
Aanvankelijk was er nauwelijks of geen contact mogelijk met de jongens. Dit is
radicaal verbeterd toen zij inzagen dat de jeugdhulpverlener naast hen staat
en voor hun belangen opkomt.
Het belangrijkste in deze casus is dat gewerkt werd aan het netwerk van
solidariteit. Een leerkracht, de jeugdreclasseerder, leerplichtzaken en de
wijkcoördinator werden ingeschakeld om oplossingen te zoeken en om zich
positiever naar dit gezin op te stellen.
De jeugdhulpverlener heeft een constructief en intensief contact met de
moeder en oma. De moeder belt haar nu ook zelf op om raad te vragen of om
haar gevoelens te kunnen uiten.
We zouden durven te stellen dat het bij deze casus niet zozeer gaat om
gedragsveranderingen bij de jongens, maar eerder op het creëren van een
omgeving die positiever met hen omgaat.

7.9.2 Wat heeft die gedragsveranderingen in de hand gewerkt of belemmerd?
Er is veel gebeurd dat de behandelingsmethodiek heeft belemmerd. In het
bijzonder het langdurig huisarrest en te veel hulpverleners die met dit gezin
bezig zijn. Ook het feit dat de jongens maanden lang niet naar school konden
gaan, werkte zeer negatief en heeft tot heel veel stress geleid.
Negatief was ook dat de hulpverlener door de jeugdrechter min of meer buiten
spel werd gezet. Hierdoor zagen de jongens en hun moeder dat zij weinig
invloed op de instanties kon uitoefenen.
De moeder is vaak zo zeer overstelpt door alles wat op haar afkomt, dat ze het
laat afweten. Ze gaat dan bijvoorbeeld niet naar het intakegesprek op de
school, waardoor het steeds langer duurt vooraleer de jongens op een school
kunnen worden ingeschreven.

7.10 Twee jaar later
De hulpverlener mailt mij twee jaar na het beëindigen de intensieve
behandeling het volgende over deze twee jonge mannen: ’Ik ben nog steeds
betrokken bij de broers. Beiden hebben na de afsluiting geen heftige delicten
meer gepleegd. Amal is helemaal niet meer in aanraking gekomen met politie
en heeft inmiddels een vriendin. Om te participeren binnen de maatschappij
repareert hij radio’s, tv’s en dat soort dingen voor een tweedehands winkel.

73
Said is nog wel eens opgepakt voor kleine zaken zoals een vechtpartijtje, maar
niks ernstigs meer. Volgende maand loopt zijn voorwaardelijke PIJ af en is hij
eindelijk van een verplicht kader af, waarin hij nu al vier jaar loopt. Het traject
met Said gaat met vallen en opstaan. Hij heeft last van narcistische trekken
waardoor de behandeling soms stagneert. Rondom Said ben ik de enige
volwassene die positief en neutraal met hem om blijft gaan. Ik blijf me inzetten
voor deze jongen!!!’.
Amal heeft al vier jaar geen delicten meer gepleegd. Said zat twee jaar vast en
de daarop volgende twee jaren heeft hij ook geen noemenswaardige delicten
meer gepleegd. Gezien de achtergrond van deze jongens, wat er destijds
allemaal gebeurd is en de negatieve voorspelling van de jeugdrechter, is het
uiteindelijk toch goed gekomen. Hulde aan de jeugdhulpverlener, de
politieagent die een ruiker kocht om aan hun moeder te geven op moederdag,
de straatcoach die ook de leuke kanten van de jongens zag en de vele anderen
die hun betrokkenheid lieten blijken voor deze volksvrouw en haar twee zonen.
Mijn gedachten gaan vooral uit naar het slachtoffer, een bedeesde jongen en
enig kind van een alleenstaande moeder, die door zes jongeren werd belaagd
en door Said levensgevaarlijk werd verwond. Hij zal er zijn leven lang een
trauma aan overhouden. Zou hij evenveel ondersteuning en begeleiding gehad
hebben als de dader? Wellicht helemaal niets8.
=========================================
Dit was voorlopig de laatste les van deze online-cursus. Misschien komt in
oktober 2015 een vervolg. Dat is afhankelijk van de reacties die ik op deze
cursus zal krijgen.
Wenst u bericht te krijgen als nieuwe lessen verschijnen, stuur dan een mailtje
met vermelding ’cursus’ naar juliaan.vanacker@gmail.com

8

Het eerder voorgestelde ’Netwerk van solidariteit’ zou hier een oplossing kunnen bieden.

74