You are on page 1of 13

Algemene economie kennisportfolio

Marco-economie -> Bestudeert economische variabelen om op die manier
te begrijpen hoe de economie in zijn geheel (nationaal of mondiaal)
functioneert.
De economische kringloop:

Y inkomens bestaan uit, Loon, Pacht, Rente, Winst zijn primaire inkomen.
Dat betekend dat deze dingen zijn verdiend zonder dat de overheid daar
tussen is gekomen. Secundair inkomen is het inkomen waar de overheid
tussen heeft gezeten, bijvoorbeeld netto inkomen, uitkeringen.
- Kapitaal
- Arbeid
- Natuur
- Ondernemerschap
Conjunctuur = verandering van het groeipercentage van de economie of
productie op korte termijn. Deze groeipercentages volgen een golvend
patroon, doordat de bestedingen toe- en afnemen in de tijd.

1 = Recessie ( Bij een lang durige recessie, bijvoorbeeld 3 of 4 kwartalen
spreken we van een depressie. )
2=
3=
4=
Economische variabelen. Zie sheets voor uitleg bij Laagconjunctuur en wat
daarvan het gevolg is voor de winst van een bedrijf.
• Conjunctuur (ontwikkeling van de vraag)
• Wisselkoersen
• Olieprijzen (=prijzen grondstoffen)
• Lonen
• Rente
Week 2
Conjunctuur = de ontwikkeling van de economie.
De invloed van macro-economische bedrijven --> bijvoorbeeld wat
betekent de inflatie voor bedrijven.
Conjunctuurgevoeligheid, de mate waarop je bedrijf last heeft van de
verandering in de conjunctuur.

Hoe kun je op langere termijn conjunctuur ongevoeliger worden: Je
producten aanpassen, dus je assortiment ook uitbreiden naar conjunctuur
ongevoelige producten. (Product diversificatie)Ook kun je zorgen dat je
in verschillende markten actief bent, dus bijvoorbeeld Amerika en andere
landen in de wereld. Dan zal je er wellicht iets minder last van hebben.
(Geografische diversificatie)
Waaraan geeft de overheid geld uit? (het zijn overkoepelende
begrippen):
1. Overdrachtsuitgaven (uitkeringen, subsidie, toeslagen)
2. Overheidsinvesteringen (infrastructuur, gebouwen, dijken etc.)
3. Overheidsconsumptie (defensie, scholing)
Overheidsuitgaven: Stufi, uitkeringen etc.
Overheidsbestedingen: Infrastructuur, onderwijs etc.
Wat is economische groei: Heel concreet meten we de economische groei
met het BBP, bruto binnenlands product.
Wat groeit er dan? Alles wat we produceren, er is rekening gehouden met
prijsveranderingen dus het is altijd de reële groei.
BBP = Bruto binnenlands product is de productie die binnen de
landsgrenzen plaats vind. = Alles binnen de landsgrenzen. Dus ook
buitenlanders. Reële groei is de groei qua volume, dus hoeveelheden.
BNP = Bruto nationaal product dan kijk je naar wie het produceert,
bijvoorbeeld als een Nederlander in Duitsland produceert dan hoort hij wel
bij het BNP en niet bij het BBP. = Alle Nederlanders.
Week 3
Per persoon 35.000 euro per jaar.
3.000 per maand per persoon (bruto)
600 miljard bbp
Dus wanneer er in de krant staat er is een groei van 0,5% dan is dat een
groei van 3 miljard.
Inflatie = stijging van het algemeen prijspeil. -> Deze wordt gemeten van
het samengestelde pakket.
We zeggen vaak inflatie leid tot geld ontwaarding.

De collectieve sector:

Sociale fondsen --> De werknemers verzekeringen (UWV) en de
volksverzekeringen(SVB) Sociale verzekeringsbank.
De volksverzekeringen zijn voor iedereen, werknemers verzekeringen zijn
alleen voor werknemers. Werknemers zijn alle mensen die in dienst zijn bij
een bedrijf. Een eigenaar of een zelfstandige zijn bijvoorbeeld geen
werknemers. Een eigenaar kan zichzelf wel in dienst nemen (BV en NV)
De overheid bepaald wel wie er in aanmerking komt voor een verzekering
etc, maar het uitvoeren wordt gedaan door de UWV en SVB.

Er gaat meer uit dan dat erin komt, dus dan hebben ze een lening.
Deze miljoenennota pas precies binnen de norm van Europa namelijk 3%.
Deze lening zal meestal obligaties beslaan, dus overheidsobligaties
uitgeven.
Directe belastingen --> De ficus legt je direct deze belasting op,
loonheffing etc.
Indirecte belastingen --> Deze belasting legt de fiscus je niet direct
op, bijvoorbeeld BTW.


1)
2)
3)
4)

Geef voor de volgende overheidsuitgaven aan of er sprake is van:
Overheidsconsumptie --> De overheid bepaald hier waar het
geld aan besteed word, consumptie is bijvoorbeeld scholing,
zorg.
Overheidsinvestering --> De overheid bepaald hier waar het
geld aan besteed word, investering is bijvoorbeeld wegen.
Overdrachtsuitgave --> De overheid bepaald de ontvanger
wat hij met het geld doet. De overheid heeft daar geen
invloed op. Deze ontvangsten krijg je niet voor een
tegenprestatie maar omdat je daar recht op hebt.
De A2 wordt verbreed. Overheidsinvestering
De salarissen van leraren worden betaald. Overheidsconsumptie
AOW-uitkeringen worden voldaan. Overdrachtsuitgave
De bijdrage aan Europa wordt overgemaakt naar Brussel.
Overdrachtsuitgave

5) De koffievoorraad op het ministerie van defensie wordt aangevuld.
Overheidsconsumptie
6) Een deel van de staatsschuld wordt afgelost. Overdrachtsuitgave
7) Scholen krijgen extra geld om onderhoud aan de schoolgebouwen te
plegen. Overheidsinvestering
Alle uitgaven in de zin van subsidies, toeslagen en verplichtingen zijn
allemaal overdrachtsuitgave, en de rest of consumptie of investering.
Taken/functies van de collectieve sector:
1. Allocatiefunctie
Overheid oefent invloed uit op wat er in onze economie wordt
geproduceerd. --> Dan bepaald de overheid welke goederen en diensten
er met dit geld gekocht worden.
2. (Her)verdelingsfuctie
Overheid moet ervoor zorgen dat er een rechtvaardige verdeling van
inkomen is.
3. Stabilisatiefunctie --> De overheid vind dat de economie zich
gelijkmatig moet ontwikkelen.
Overheid streeft naar een stabiele economische
ontwikkeling à
dempen van de conjunctuurgolven
Allocatie functie:
Collectief goed --> Het product dat er is mag iedereen gebruikt van maken
bijvoorbeeld straatlantaarn, defensie, dijken. 1) Je kan er niemand van
uitsluiten. 2) Ze zijn niet rivaliserend; als ik gebruik maak van het ligt dan
kun jij daar net zo goed gebruik van maken zonder dat dat elkaar in de
weg zit. Collectieve goederen moeten door de overheid worden
aangeleverd anders regelt niemand het.
Quasi-collectief goed --> het is een individueel goed maar heeft ook
kenmerken van een collectief goed, waarvan de overheid zegt ik vind het
toch belangrijk en ik ga het toch produceren of aanbieden omdat er toch
collectieve kanten aan dat product zit.
Merit goederen --> Dit zijn individuele goederen waar van de overheid
stimuleert om ze aan te schaffen. Bijvoorbeeld, vervoerbedrijven, musea,
zonnepanelen.
Demerit goederen --> Dit zijn individuele goederen die de overheid wil
afremmen: uitlaatgassen, milieuvervuiling, tabak, alcohol.
(Her)verdeling HOE?:
­ Progressieve inkomstenbelasting
­ Inkomensoverdrachten (uitkeringen en subsidies)
Stabilisatie (van de conjunctuur) HOE?
De overheid probeert hier eigenlijk de pieken eruit te halen en de dalen
eruit te halen.

Macro-economische politiek: Rol van de overheid
Klassieke visie: De overheid moet zo min mogelijk doen, het moet zorgen
voor handhaven, regels etc. Maar de overheid moet zo min mogelijk doen,
ook zo min mogelijk invloed op de economie.
Keynesiaanse visie: De overheid moet wel sturen, dus heel er moet
ingrijpen op de economie. De keynesiaanse visie vindt dat de overheid
meer moet uitgeven aan collectieve goederen etc.
Keynesiaanse visie:
“Zij stelt dat de overheid verantwoordelijk is voor het bereiken van
de doelstellingen van de economische politiek en zich zeer met de
economie, vooral de conjunctuur, moet bemoeien. Zij zorgt voor volledige
werkgelegenheid en groei.”
Klassieke visie:
“De overheid dient een zo klein mogelijke rol te spelen. Zij moet zich
beperken tot het garanderen van veiligheid van de burgers, het
beschermen van bezit en zorgen dat burgers hun contract naleven.”
Wat kan de overheid (of centrale bank) doen --> de uitgaven stimuleren.
Laagconjunctuur
1) BTW
verhogen /
verlagen
2) Rente
verhogen /
verlagen
3) WW-uitkering
verhogen /
verlagen
4) Invoerheffingen
verhogen /
verlagen
5) Waarde munt
verhogen /
verlagen
6) Geldhoeveelheid
verhogen /
verlagen
7) Exportsubsidies
verhogen /
verlagen
8) Huursubsidie
verhogen /
verlagen
9) Accijnzen
verhogen /
verlagen
10)
inkomens
nivelleren /
denivelleren
Door nivellering zal er gemiddeld meer worden besteedt.
Week 5
Overheidsfuncties/taken:
Allocatiefunctie
Herverdeling
Stabilisatie
Productiefactoren
Arbeid --> Loon
Kapitaal --> Rente
Natuur --> Pacht
Ondernemerschap --> Winst

Het verschil tussen wat je verkoopt en wat je inkoop, wat je overhoudt is
de productie.
De welvaart is wat we met z'n allen verdienen. Welvaart meten we met de
groei van BBP.
Nationaal inkomen = Nationaal product.
Nationaal Inkomen = totaal verdiende inkomen in een land in één jaar.
Nationaal Product = waarde van alle goederen en diensten die in één jaar
door een bepaald land worden geproduceerd.
We meten het inkomen in geld, daarom is het nominaal.
Bij reëel kijken we naar aantallen, aantal fietsen etc. maar dat gaat niet
dus hoe doen we het dan wel reëel? Doormiddel van het doorbereken van
inflatie etc.
Welvaart: hoeveel wordt er geproduceerd en verdient? ( Materiele
goederen )
Welzijn: is niet uit te drukken in geld ( Niet materiele goederen )
Arbeid --> Dat is alles wat een bedrijf betaalt voor een werknemer.

WIG = Het verschil tussen bruto en nettoloon, dat is het voor werknemers.
Maar ook de werkgeverslasten hoort bij de WIG voor de bedrijven.

Week 6
Samen zijn loon, rente, pacht en winst het primaire inkomen, dit is het
inkomen dat je krijgt zonder dat de overheid heeft ingegrepen. Het
secundair inkomen is het inkomen na dat de overheid heeft ingegrepen
bijvoorbeeld belasting etc.
Waarom is het BBP (per hoofd) geen goede maatstaf voor de welvaart? -->
1. Het zegt niets over de spreiding. Het kan zijn dat er lage en hoge
inkomens bij zitten.
2. Ook laat het niet zien wat de koopkracht is van het BBP per hoofd,
dus wat kun je kopen met dat inkomen?
3. Het grijze of zwarte circuit wordt niet gemeten. Wanneer je heel
precies kijkt zou je dit ook kunnen noemen.
Arbeidsproductiviteit stijgt --> Minder werkgelegenheid, omdat er per
persoon meer wordt geproduceerd.
Productiecapaciteit stijgt --> Daalt de bezettingsgraad, want bedrijven
krijgen meer productiecapaciteit en zo zal de bezettingsgraad dalen.

Bezettingsgraad =Wat is de capaciteit van een vliegtuig, bijvoorbeeld je
kan 300 mensen vervoeren. Stel er zitten 200 mensen in dan is de
bezettingsgraad 2/3. ( productie / productiecapaciteit x 100% )
Productie stijgt --> Bezettingsgraad stijgt, want ze gaan meer produceren
met dezelfde productiecapaciteit.
Arbeidsproductiviteit stijgt --> stijgt, want er wordt meer geproduceerd
per uur. (je veronderstelt even dat er evenveel mensen blijven werken.)
Wat is conjunctuur --> De golfbeweging in de economie, dus hoe
de economie zich ontwikkelt. Met ups en downs.
Economische groei = Toename van de productie (reëel BBP)
Vraag zorgt niet automatisch voor een verandering in de
productie.
Is er sprake van economische groie bij de volgende situaties?
De vraag naar BMW's stijgt --> De productie stijgt nog niet, want dan
leveren ze nog uit vooraad.
Bij BMW rollen dit jaar meer auto's van de band dan vorig jaar --> Ja, want
de productie van BMW stijgt. En daarmee ook het BBP
BMW bouwt een nieuwe fabriek waar auto's worden geassembleerd -->
Nee, want productie zelf stijgt niet. Maar de bouwbedrijven zorgen wel
voor economische groei door het bouwen van de fabriek.
De vraag naar BMW's valt dit jaar lager uit dan verwacht --> Als er minder
vraag is zal er ook minder worden geproduceerd. Echter de auto's die in de
showroom staan worden nog steeds geproduceerd. Of BMW begint aan
voorraad vorming.
Overheid probeert de economische groei te stimuleren!
Hoe kan de overheid de productiecapaciteit vergroten? --> Zorgen dat
mensen beter geschoold worden, zodat deze mensen meer producten
kunnen produceren en zo stijgt toch de productie capaciteit. Dus het
stimuleren zal vooral via subsidiëren en reclame.
Kwaliteit en kwantiteit van arbeid en kapitaal verhogen.
Hoe kan de overheid de productie vergroten? --> De overheid zelf laten
bouwen, de btw verlagen. Want door de BTW te verlagen stimuleer je de
consumptie. Ook kan de overheid de bedrijfsinvesteringen te stimuleren
door bijvoorbeeld vennootschapsbelasting te verlagen.
De bestedingen stimuleren
Betalingsbalans

Wanneer gaat de Nederlandse export omhoog?
Inflatie -->
BBP Nederland --> Geen invloed.
Arbeidsproductiviteit --> Als de arbeidsproductiviteit stijgt dan zijn er
minder mensen nodig voor de productie, daarmee ook minder loonkosten,
dus de prijzen van de producten kunnen dalen en dus meer export.
BBP Duitsland --> Als Duitsland meer gaat produceren zullen zij ook meer
met Nederland te maken krijgen. En dus stijgt dan de export van
Nederland.
Innovaties --> Wanneer in Nederland nieuwe dingen worden uitgevonden
dus geïnnoveerd worden. Dan stijgt de export in Nederland.
Staatsbezoekenkoning --> De export zal stijgen als er meer bezoeken
worden gedaan, want vaak gaat er met de koning of koningin een
handelsdelegatie mee.
Macht vakbonden --> Wanneer de macht van de vakbond stijgt, dan
stijgen waarschijnlijk de lonen ook, en dan stijgen de prijzen. Dus dan
daalt de export. Dus het omgekeerde als de macht afneemt dan werkt het
positief op de export van Nederland.
Eurokoers --> Wanneer de eurokoers daalt wordt het aantrekkelijker om in
Nederland te gaan kopen voor landen buiten de euro.
Wanneer gaat de Nederlandse import omhoog?
Inflatie -->
BBP Nederland -->
Export -->
BBP Duitsland -->
Rentestand -->
Consumentenvertrouwen -->
Olieprijs -->
Eurokoers -->
Inflatie -->
Openheid economie = Mate waarin een land (intensieve)
handelsbetrekkingen onderhoudt met het buitenland.
Week 7
Week 1: De drie dimensies van de macro-economie: Productie =
eigenlijk toegevoegde waarde, de toegevoegde waarde is op zijn beurt
weer inkomen, (loon, rente, pacht, winst) en die besteden we vervolgens
weer.
Onder dit verhaaltje zit dat de conjunctuurbeweging met toppen en met
dalen gaat.

Economische kringloop: De banken staan er een beetje buiten, omdat
bij iedere geldstroom die er staat in de kringloop daar zit een bank tussen.
Dus bij alle stromen komt een bank bij kijken. Zij zorgen voor het
betalingsverkeer. Banken hebben een specifieke functie, zij kunnen
bepalen of bedrijven / consumenten geld kunnen lenen.

Belangrijke macro
economische
variabelen voor
bedrijfsbeleid(dit zijn ze niet allemaal, maar bijvoorbeeld ook inflatie):
• Conjunctuur
• Wisselkoers
• Olieprijs
• Loonsom per
Winsten van
werknemer
ondernemingen?
• Rente

Olie is op dit moment de belangrijkste bron voor energie. En een
belangrijke grondstof op dit moment.
Loonsom = alles wat een werkgever kwijt is aan een werknemer. Deze
loonsom is de laatste jaren heel erg weinig gestegen. De lonen staan
onderdruk door de ruime arbeidsmarkt.
Terugblik week 2 --> Zie sheets.
Terugblik week 3 --> Zie terug in kennisportfolio
Terugblik week 5 --> Hoe hangen de volgende begrippen samen?





Productie
Arbeidsproductiviteit (a.p.t.)
Bezettingsgraad
Werkgelegenheid
Wig
Netto loon

1) A.p.t. DAALT
à
Werkgelegenheid STIJGT
2) Productie DAALT
à
Bezettingsgraad DAALT
3) Wig STIJGT
à
Netto loon DAALT
WIG = wat er zit tussen de loonsom en het nettoloon. WIG geldt voor
werknemer en werkgever.
Terugblik week 6 --> Zie eerder in kennisportfolio.