You are on page 1of 18

Kennisportfolio belastingrecht

Week 1
Waarom is er belasting?
- Financiering van uitgaven van de overheid
- Stimuleren / ontmoedigen gedrag
Wat voor soorten/manieren van belasting zijn er?
- Directe belastingen
Heel direct, confronterend, bijvoorbeeld ingehouden loonbelasting.
-Indirecte belasting
Sneaky, die heb je niet in de gaten, maar zo meteen loop je naar het
station en je koopt een mars maar daar zit toch 21 cent BTW in.
-Tijdvakbelastingen
Tijdvak, ik moet op uiterlijk 30 april 2015 moet ik BTW betalen over het
eerste kwartaal van 2015, en dat is een tijdvak. Dan moet je en de
aangifte gedaan hebben en betaald hebben.
-Tijdstipbelastingen
Als je je huis verkoopt dan moet je bijvoorbeeld 2% belasting betalen.
Maar ook bij het kopen van een huis 2% belasting betalen.
Mag dat zo maar wel?
Draagkracht: De goed verdienende Nederlanders betalen 51% en de AOW
betaald 0 euro inkomensbelasting.
Profijt: Jij hebt er voor gekozen een HBO studie te doen en jij hebt daar
profijt van, dus jij moet 1900 euro betalen.
Minste pijn: Mensen kijken altijd wat houd ik netto over? Dan voel je het
niet zo, als ze eerst zeggen bruto krijg je alles en het jaar erna betaal je
belasting dan komt het veel harder aan.
Bevoorrechte verkrijging: Belasting als je geld wint, dat je daar dan
belasting over moet betalen.
De overheid zoekt op allerhande manieren om belasting te heffen.

Loonbelasting:
Type dienstbetrekking + inhoudingsplichtige.
Loonbelasting is een voorheffing op de inkomensbelasting, dus na afloop
van het jaar gaan ze kijken of je te veel of te weinig hebt betaald.
Belangrijkste belastingplichtige voor de Loonbelasting is de werknemers
(Art 1 wet LB)
“Werknemer is de natuurlijke persoon die tot een inhoudingsplichtige in
privaatrechtelijk of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat” (Art 2 Wet
LB)
Wat voor dienstbetrekkingen?
Privaatrechtelijke dienstbetrekking → Art 7:610 BW (Niet in de
belastingbundel!!!)
Drie voorwaarden:
1. Gezagsverhouding (ondergeschiktheid): Je moet ondergeschikt zijn aan
iemand
2. Persoonlijk verrichten van arbeid: Je moet het zelf doen, dus niet je
vriendje sturen.
3. Loon: Er moet voor betaald worden, dus vrijwilligerswerk is niet voor
loonbelasting.
Fictieve dienstbetrekking → Art 3 en 4 Wet LB en Hoofdstuk 2
Uitvoeringsbesluit
Wie houdt dat LB in?
Art. 6 Wet LB: Inhoudingsplichtigen bij dienstbetrekking
1. Tegenwoordige dienstbetrekking
2. Vroegere dienstbetrekking tot hemzelf of tot een ander, bijvoorbeeld
pensioen van je vader daar over moet ook loonbelasting betaald
worden.
3. Uitkeringen of verstrekkingen uit een dienstbetrekking tot een
ander, mevrouw was getrouwd met meneer maar meneer ging dood,
toen kreeg mevrouw pensioen omdat zij echtgenoot was. Maar
belastingdienst wil daarover ook belasting.
Art. 7 Wet LB: Inhoudingsplichtige bij fictieve dienstbetrekking
Zie voor voorbeelden bladzijde 28 boek Belastingrecht
Waarover moet ik LB betalen? (1)
 Art. 9 Wet LB:
Belastbaar loon = gezamenlijke bedrag aan
loon
 Art. 10 Wet LB:
Loon al hetgeen uit (vroegere)
dienstbetrekking
wordt genoten!

Loonbegrip is ruim gedefinieerd, maar let op:
 Causaal verband met de dienstbetrekking
 Werkgever moet zich van de beloning bewust zijn
Causaal verband = Jij werkt ergens en je krijgt 1000 per maand voor je
werken. Dus niet dividend of wat dan ook.

Waarover moet ik LB betalen? (2)
Loon in geld, zoals
 Maandloon
 Vakantiegeld
Loon in natura, zoals
 Werkkleding (volgende week)
 Auto van de zaak (Art. 13bis LB)
Fictief loon
 Gebruikelijk loon voor groot aandeelhouder (Art. 12a Wet LB) – zelf
lezen in boek!
Vrijwel nooit loonbelasting (wél inkomstenbelasting):
 Fooien (Art. 12 Wet LB)

Hoe gaat dat met de leaseauto?
Stel:


Irma krijgt een auto van de zaak
Art 13bis Wet LB
Gebruik auto voor privé doeleinden.
Uitstoot van 140 gram per kilometer, de cataloguswaarde is €
12.440.
 Privé meer dan 500 kilometers buiten het woon-werkverkeer
gereden
 Eigen bijdrage van € 50 per maand

Bijtelling = het bedrag dat wordt opgeteld bij het belastbare loon.
En kan ik niks belastingvrij krijgen??
- Jawel (sowieso fooien die wel gezien hebben)
- Sommige andere dingen vrijgesteld of worden niet belast.
Dus samengevat:

Wie?

houdt
de
belasting van het loon in? → De inhoudingsplichtige!
De LB is een voorheffing op de inkomstenbelasting (dus later gaat dat van
de te betalen IB af). Zie voor de inhoudingsplichtige Art. 6 t/m 8a Wet LB
___
Waarover?
Loon (ruim begrip), zoals maandloon, vakantiegeld, lease-auto, …
Alle voordelen, als er maar een causaal verband is met de
dienstbetrekking en de werkgever op de hoogte is van de bevoordeling!

Loonbelasting
Looncomponenten + Af te dragen loonbelasting
Waarom wordt niet alles met LB belast?
Ruim loonbegrip in de Wet LB, maar niet alles wordt belast in de
loonbelasting!
Vind je het eerlijk om:
 Een vergoeding van een shirtje te belasten als dat shirtje kapot gaat
omdat je op je werk ergens achter bent blijven hangen? Nee. Artikel
1.1 wet LB

 Kleding die ik alleen maar op mijn werk kan aandoen, omdat er veel
logo’s op staan gedrukt. Nee. Artikel 3.7 uitvoeringsregeling LB
 Een door de werkgever betaalde maaltijd van €10. Artikel 3.8
uitvoeringsregeling LB. De waarde van de maaltijd wordt gesteld op
3,15 euro.
Werkkostenregeling:

Wat als ik oud ben?
Bij zuivere pensioenregeling (Art. 18 e.v. wet LB) voor premiebetaling geen
sprake van belast loon. Maar je betaald pas belasting als je het pensioen
krijgt.

Week 2

Nieuw deze les:
 Inleiding inkomstenbelasting (boxenstelsel)
 Winst uit onderneming (ondernemerschap)
 Start bepalen belastbare winst uit onderneming
Box 1: Werken en wonen, als je werkt heb je vrij grote kans dat je
met de inkomstenbelasting in aanraking komt. Als je een eigen
woning hebt trek je hypotheekrente af dan kom je in box 1.
Box 2: Als je vader aandeelhouder is dan val je in box 2
Box 3: Spaargelden
 Box 1: Inkomen uit werk en woning (Hoofdstuk 3 Wet IB).
Tarief: progressief. Schijventarief (Art. 2.10 Wet IB)
 Box 2: Inkomen uit aanmerkelijk belang (Hoofdstuk 4 Wet IB).
Aanmerkelijk belang: o.a. aandelenbezit van minstens 5% in een
BV/NV.
Tarief: 22% tot € 250.000, 25% vanaf € 250.000 (Art. 2.12 Wet IB)
 Box 3: Inkomen uit sparen en beleggen (Hoofdstuk 5 Wet IB).
Er wordt geacht 4% rendement te zijn behaald (zelfs bij verlies!) van

het vermogen op 1 januari minus het heffingsvrije vermogen. Tarief:
30% (Art. 2.13 Wet IB)
Onderneming kenmerken staan niet in je wettenbundel
Een onderneming is:
- Een duurzame organisatie (bedoeling)
- Van (Kapitaal en) arbeid
- Deelname economisch verkeer
- Winstoogmerk --> Gericht op het behalen van winst en op termijn een
redelijke verwachting van winst.
Ondernemer (Art. 3.4 Wet IB)
 Voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven
 Rechtstreeks verbonden voor verbintenissen → Aansprakelijk met
privévermogen

Commanditaire (of stille) vennoten à in principe geen ondernemer (want
niet verbonden voor
verbintenissen)!
 Ontvangen een deel van de winst
 Niet aansprakelijk met privévermogen (tenzij zij beheersdaden
verrichten)
Waarom wil je zo graag ondernemer zijn?
 Aftrek van kosten
 Ondernemersaftrek (Art. 3.74 Wet IB)
à Doen we later!
Grote nadeel van ondernemer in de IB:
 Hoofdelijke aansprakelijkheid
Winstbepaling Jaarwinst of totaalwinst:
Art. 3.8 Wet IB
Totaalwinst
 Zéér ruim begrip
 Voordelen kunnen ook negatief zijn
Art. 3.25 Wet IB Jaarwinst
 Goed koopmansgebruik
 Bestendige gedragslijn
 Balanscontinuïteit
Wat is Goed Koopmans Gebruik?
Drie beginselen (GKG staat genoemd in Art. 3.25 Wet IB)
 Realiteitsbeginsel (‘matchingprincipe’)
 Voorzichtigheidsbeginsel

 Eenvoudbeginsel
Wie bepaalt uiteindelijk wat goed koopmansgebruik is?
Wat mag en moet er op de balans komen?
Winst afhankelijk van begin- en eindvermogen balans, dus onderscheid
tussen
privévermogen en ondernemingsvermogen is belangrijk.
Drie categorieën voor vermogen (=vermogensetikettering):
 Verplicht privévermogen
Vermogen dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (= 90% of
meer) wordt
voor privé.
 Verplicht ondernemingsvermogen
Vermogen dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (= 90% of
meer) wordt
gebruikt binnen de onderneming.
 Anders ‘Keuzevermogen’
Vermogen dat zowel binnen de onderneming als privé gebruikt
wordt.
Zie sheets voor balans.

Week 3
Winst uit onderneming (Art 3.2 Wet IB -> dus Box 1 inkomen)
1. Kijken of er sprake is van een onderneming (Niet in de wet).
- Duurzaam
- Arbeid & Kapitaal
- Deelname economisch verkeer
- Winstoogmerk
2. Kijken of er sprake is van een ondernemer -> Art 3.4 Wet IB
- Onderneming wordt gedreven voor rekening van
- Privé aansprakelijk.
Balanscontinuïteit: Er mag geen verschil zitten in de balans van 31dec en
1 jan.
Bestendige gedragslijn: Je maakt een keuze, voor een bepaald soort
boekhouding en die keuze houd je vast.
Goed Koopmans gebruik (Art 3.25 wet IB): Realiteitsbeginsel: Je hebt een
gebouw gezet van 1miljoen euro en er is iemand die zegt dat hij zijn
gebouw gaat opwaarden aan 1,2 miljoen. Maar dat moet je niet doen,
want het realiteitsbeginsel zegt dat je er niet van uit mag gaan dat je 0,2
miljoen winst hebt. Maar tegenovergesteld, wanneer de waarde daalt wel
meteen afwaarderen, voorzichtig, realistisch.
Vrijstellingen:

 Bosbouwvrijstelling (Art. 3.11 Wet IB)
 Landbouwvrijstelling (Art. 3.12 Wet IB): De winst die voortkomt uit
verkoop van grond word niet belast.
 Kwijtscheldingsvrijstelling (Art. 3.13 lid 1 sub a Wet IB): Over de
"ontvangsten" van debiteuren die nooit betaald zijn, hoef je geen
belasting te betalen.
 MKB/winstvrijstelling (Art. 3.79a Wet IB)
Basis vermogensvergelijking:
Eindbalans – beginbalans à Balansposten volgens regels zojuist
besproken!
Stortingen
+
Onttrekkingen
+
Beperkt en niet aftrekbare kosten (Je hebt eerst volledig
afgetrokken en sommige dingen mogen niet volledig worden
afgetrokken dus dan wordt dit er bij opgeteld.
Vrijstellingen
Ondernemersfaciliteiten
= Belastbare winst uit onderneming voor Box 1
Urencriterium
Artikel 3.6 Wet IB
 Minimaal 1.225 uur werken in onderneming!
 Ondersteunende taken: Telt niet mee als je bijvoorbeeld partners
bent!
 Uitzondering als je starter bent ten aanzien van voorwaarde
tijdsbesteding 50%.
Ook zelf in het boek.
Ondernemingsfaciliteiten
Ondernemingsfaciliteiten brengen de winst waarover belasting betaald
moet worden omlaag.
Sommige faciliteiten zijn alleen voor ondernemers (let op in de
wettenbundel: je hoeft niet altijd
te voldoen aan het urencriterium) en sommige faciliteiten zijn voor
ondernemers en niet
ondernemers die winst uit onderneming hebben (zoals een commanditaire
vennoot!).
1. Willekeurige afschrijving (Art. 3.31 en 3.34 Wet IB)
2. Investeringsaftrek/desinvesteringsbijtelling (Art. 3.40, 3.41,
3.42, 3.42a en 3.47 Wet IB)
3. Fiscale reserves, waaronder de herinvesteringsreserve en de
oudedagsreserve (Art. 3.53, 3.54 en 3.67 t/m 3.73 Wet IB)
4. Ondernemersaftrek (Art. 3.74 e.v. Wet IB)
5. MKB-winstvrijstelling (Art. 3.79a Wet IB)
- Investeringsaftrek:

 Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (Art. 3.41 Wet IB)
 Energie-investeringsaftrek (Art. 3.42 Wet IB)
 Milieu-investeringsaftrek (Art. 3.42a Wet IB)
Bijvoorbeeld à Artikel 3.41 Wet IB à
Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
GEEN URENCRITERIUM!
- Fiscale reserves:
 Kostenegalisatiereserve
 Herinvesteringsreserve
 Fiscale oudedagsreserve (OR) à Deze behandelen we!
Bijvoorbeeld à Artikel 3.67 e.v. Wet IB à Oudedagsreserve
URENCRITERIUM!
- Fiscale oudedagsreserve (OR)
Werknemers zijn vaak (extra) verzekerd à pensioen
Directeur-grootaandeelhouder (BV/NV) vaak eigen
pensioen B.V.
Ondernemer in de IB: Moeilijk om geld uit de
onderneming te halen
voor later.
Mogelijke oplossing voor de IB-ondernemer: Opbouwen van een
oudedagsreserve
(Art. 3.67 t/m 3.73 Wet IB)
Doteren (= toevoegen) aan de oudedagsreserve mag met 10,9%
van de winst uit
onderneming met maximum van € 9.542 (Art. 3.68 Wet IB)
Voorwaarden
 Urencriterium.
 Jonger dan 65 jaar.
 Premies voor eigen oudedagsvoorzieningen komen in
mindering op (de maximale) toevoeging.
 Toevoeging mag niet groter zijn dan verschil tussen
ondernemingsvermogen op 31/12 en de stand van de totale
oudedagsreserve op 1/1
MKB winstvrijstelling:
Lastenverlichting à 14% van de winst (na vermindering met
ondernemersaftrek)!
Waarom ingevoerd? Vanuit het oogpunt van lastenverlichting.

Week 4
Loonbelasting:
 Belasting op loon van mensen met een dienstbetrekking
 Voorheffing op de inkomstenbelasting
Inkomstenbelasting:
 Belasting op het inkomen (3 boxen) van natuurlijke
personen.
 Hieronder valt ook de winst uit onderneming van
personenvennootschappen (eenmanszaak, v.o.f.,
commanditaire vennootschap)
Nu Vennootschapsbelasting:
 Belasting op de winst van vennootschappen zoals een BV
of NV.
Let op: Uitgekeerde dividend valt bij de aandeelhouder in Box 2
of 3!
De verschillen in belastingen zijn niet zo groot tussen BV en
eenmanszaak, je betaalt ongeveer evenveel belasting.
Vennootschapsbelasting:
Veelal zijn dezelfde regels als voor een IB-onderneming van belang
→ Schakelbepaling Art. 8 lid 1 Wet VPB
 Totaalwinst wordt belast
 Sommige activiteiten vrijgesteld
 Sommige kosten niet of beperkt aftrekbaar
 Regels van Goed Koopmans Gebruik gebruiken
 Bepaalde ondernemingsfaciliteiten (bijv. investeringsaftrek of
willekeurige afschrijvingen)
Zoals:
 Wat is vrijgesteld?
 Wat is aftrekbaar?
 Welke ondernemingsfaciliteiten dan?

Hoe werkt het voor de Directeur Groot Aandeelhouder?

Betalen vennootschapsbelasting over winst in
BV
Overgebleven winst uitkeren naar privé in
vorm van dividend
Betalen inkomstenbelasting over dividend (Box
2!)

Netto winst na belasting

Eindvermogen volgens balans (EV)
-/- Beginvermogen volgens balans (EV)
+ Onttrekkingen
+ Kapitaalterugbetalingen
-/- Kapitaalstortingen
VERMOGENSMUTATIE
-/- Objectieve vrijstellingen (landbouw enz.)
+ Niet of beperkt aftrekbare kosten
+ Giften
-/- Investeringsaftrek

+ / -/- Fiscale reserves
-/- Correctie deelnemingsvrijstelling
FISCALE WINST
-/- Aftrekbaar deel van de giften
BELASTBARE WINST
-/- Te verrekenen verliezen
BELASTBAAR BEDRAG
Een verkapte dividenduitkering --> Bijvoorbeeld een computer uit je
BV kopen voor veel te weinig, of geld "lenen" van je bv voor heel lage
rente.
Drie vormen van kapitaalstortingen:
 Nominaal gestort kapitaal
 Agio (Je koopt je eigen aandelen voor veel meer dan de
nominale waarde)
 Informeel kapitaal (fiscaal begrip)
Informele kapiteelstorting / verkapt dividend
Bij een willekeurige derde had de vennootschap/aandeelhouder nooit op
deze
manier gehandeld
 Verkapt dividend
De vennootschap verstrekt een voordeel aan de DGA /
aandeelhouder.
 Informele kapitaalstorting
De DGA / aandeelhouder verstrekt een voordeel aan de
vennootschap.
Aftrekbare kosten
Onder andere:
 Winstuitdelingen (tantième)
→ Art. 9 lid 1 letter a Wet VPB
 Oprichtingskosten vennootschap
→ Art. 9 lid 1 letter d Wet VPB
 Kosten van wijziging van kapitaal (emissie- en notariskosten)
→ Art. 9 lid 1 letter d Wet VPB
Let hierbij op de tegenprestatie!
Niet- of beperkt aftrekbare kosten
Niet-aftrekbaar, onder andere:
 Rentevergoedingen op bepaalde leningen (principe kennen!)
→ Art. 10 lid 1 letter d Wet VPB

Fictief loon, tenzij redelijk tarief
→ Art. 10 lid 1 letter g Wet VPB
Beperkt aftrekbaar, onder andere:
 Giften → Art. 16 Wet VPB
(aftrek ten hoogste 50% van de winst met een maximum van €
100.000)
 Commissarisbeloning voor een commissaris met aanmerkelijk belang

→ Art. 11 lid 1 Wet VPB

Week 5

Er is druk
verkeer
tussen de holdings en werkmaatschappijen stortingen en terugnemen van
aandeelkapitaal moet buiten de belasten sfeer blijven.
Deelnemingsvrijstelling: Dezelfde winst niet 2 x belast / hetzelfde
verlies niet 2 x aftrekbaar
= Deelnemingsvrijstelling (als er sprake is van een deelneming!)
à Artikel 13 lid 1 Wet VPB
Winst belast bij vennootschap die winst maakt!
Verlies aftrekbaar bij vennootschap die verlies lijdt!
Deelneming: Artikel 13 lid 2 Wet VPB → Geldt voor ‘deelnemingen’
 Binnenlandse deelneming
­ Minimaal 5% van nominaal gestort aandelenkapitaal
 Extra voorwaarden buitenlandse deelneming:
­ Aandelen worden niet ter belegging gehouden
­ Vennootschap moet winstbelasting betalen in buitenland
à dus geen belastingparadijs!
Liquidatieverlies
Zelfde winst / verlies niet 2 x belast / aftrekbaar
à Deelnemingsvrijstelling (artikel 13 lid 1 Wet Vpb)
Uitzondering:
Liquidatieverlies indien B.V. wordt opgeheven
 Toch aftrekbaar
 Art. 13d lid 1 Wet VPB

Fiscale eenheid
Art. 15 lid 1 Wet VPB:
Vanaf ingangsdatum wordt de belasting van de moedermaatschappij
geheven alsof de
werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappij onderdeel
uitmaken van de
werkzaamheden en vermogen van de moedermaatschappij.
Alsof moeder- en dochtermaatschappij één belastingplichtige zijn
à Geconsolideerde jaarrekening






Voorwaarden Fiscale eenheid:
Moeder bezit minimaal 95% aandelen in dochter
Zowel juridische als economische eigendom
Op verzoek beide belastingplichtigen (max. 3 maanden terug)
Boekjaren moeder / dochter zijn gelijk
Winstbepalingen moeder / dochter zijn gelijk
Moeder en dochter in Nederland gevestigd
Aandelen dochter niet gehouden als voorraad

Voor- en nadelen fiscale eenheid:
Voordelen:
• Slechts 1 aangifte VPB
• Onderling wegstrepen winsten/verliezen
• Interne levering onzichtbaar en dus onbelast
• Herstructureren kan belastingvrij
Nadelen:
• Elke vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor gehele
belastingschuld
• Liquidatieverliesregeling niet van toepassing
• 1 x tariefopstapje (20%)
• Lagere investeringsaftrek, vanwege het samennemen van
investeringen

Week 6
Omzetbelasting
 Algemene verbruiksbelasting
Verbruik wordt belast
Belasting drukt niet op specifiek goed --> Het is op alle
goederen, eigenlijk is de hoofdregel 21% maar er zijn
uitzonderingen 6 of 0%. Anders dan accijnzen op alcohol etc.
BTW zeggen we willen overal wel geld van hebben.

 Belasting over de Toegevoegde Waarde (sinds 1969)
Ingekocht voor 100, verkocht voor 200 dan is er 100 euro
toegevoegd en daar betaald hij BTW over.
 Indirecte belasting --> Consumenten betalen hem,
ondernemer is kassier.
Belasting wordt afgedragen door ondernemer i.p.v. verbruiker
 Gebaseerd op Richtlijn van de EU --> Het liefst de BTW
neutraal.
 Aangiftebelasting --> Iedere ondernemer moet hij zijn
aangifte doen over de BTW.
Art. 14 Wet OB
Tarieven:
 Algemene tarief: 21%
→ Art. 9 lid 1 Wet OB
 Verlaagd tarief: 6% (tabel I)
→ Art. 9 lid 2 sub a Wet OB
 Nultarief: 0% (tabel II)
→ Art. 9 lid 2 sub b Wet OB
Ondernemerschap (VOOR OB):
Art. 7 Wet OB Een ieder die een bedrijf of beroep zelfstandig
uitoefent.
Een ieder:
Rechtsvorm irrelevant
Zelfstandig: Niet in dienstbetrekking
Bedrijf/beroep:
Economische activiteit / winststreven niet
noodzakelijk
à Organisatie van arbeid en kapitaal die optreedt in het
economisch verkeer om daarmee duurzaam inkomen te
verwerven.
Normaal gesproken:
 Een ondernemer houdt omzetbelasting in en draagt dit af
aan de overheid.
 De ondernemer mag de voorbelasting (de betaalde
omzetbelasting) in aftrek brengen.

Uitzondering:
Vrijgestelde ondernemers hoeven geen omzetbelasting in te
houden en af te dragen, maar mogen de betaalde
omzetbelasting ook niet in aftrek brengen! (geen aftrek van
voorbelasting)
Wie?
Gaat om ondernemers waarbij de overheid niet wil dat de
kostprijs wordt verhoogd door BTW (medische diensten,
onderwijs, sportactiviteiten, musea, enz).
VRIJSTELLINGEN

Levering van onroerende zaken → Art. 11, 1, a Wet OB
Verhuur van onroerende zaken → Art. 11, 1, b Wet OB
 Medische diensten (BIG) → Art. 11, 1, g Wet OB
 Kredietverlening → Art. 11, 1, j Wet OB
 Verzekeringen → Art. 11, 1, k Wet OB
 Post → Art. 11, 1, m Wet OB
 Niet-commercieel onderwijs → Art. 11, 1, o Wet OB
Levering roerende zaak gebruikt voor vrijgestelde prestaties → Art. 11, 1, r Wet OB

Belastbare feiten
Art. 1 Wet OB
 Leveringen van goederen (sub a) →
door ondernemers in Nederland
Art. 3 Wet OB → Levering van goederen
 Overdracht (in juridische zin) à lid 1 sub a Wet OB
 Afgifte van huurkoopgoederen à lid 1 sub b Wet OB
 Oplevering van vervaardigde onroerende zaken à lid 1 sub
c Wet OB
door degene die het goed gemaakt heeft
gaat om zaken die nog niet bestonden
 Aanbrengen van een goed aan een ander goed à lid 1 sub f
Wet OB
montage/installatie
 Fictieve leveringen → Art. 3 lid 3 Wet OB
 Elektriciteit, gas, warmte, e.d. → Art. 3 lid 7 Wet OB
 Verrichten van diensten (sub a) →
door ondernemers in Nederland
 Levering van diensten → Art. 4 Wet OB
Begrip:

 Alle prestaties met uitzondering van levering van
goederen,
 die tegen vergoeding worden verricht
Vergoeding:
 Niet gratis en geen symbolische vergoeding
 Intracommunautaire verwervingen van goederen (sub b)
door ondernemers in Nederland
 Intracommunautaire verwervingen van nieuwe
vervoermiddelen (sub c)
door particulier in Nederland
 Invoer van goederen (sub d)
uit niet-EU-landen
Kleine-Ondernemersregeling (KOR) → Art. 25 lid 1 Wet
OB
 Voor ‘kleine’ ondernemers (door hoge kosten voor
administratie)
 Geldt voor natuurlijke personen (waaronder maatschap,
v.o.f. , CV en andere samenwerkingsverbanden)
• De KOR geldt per ondernemER (niet ondernemING)
• Verminderen 2,5 x (1.883 -/- per saldo te betalen OB)
• Vermindering maximaal het bedrag van OB
Bij minder dan € 1.345 à helemaal geen belasting meer
afdragen (OB)!