Kafka en metamorfose in de maatschappij

Lilith van Assem

Colofon

naam: Lilith van Assem 1186949 studierichting: Technische Universiteit Delft Bouwkunde Architectuur docent: Otakar Máčel datum: 6 maart 2009

Voorwoord

Dit betoog is niet alleen tot stand gekomen als geschiedenisscriptie voor de faculteit Bouwkunde maar is tevens geschreven als onderdeel van een onderzoek naar metamorfose en haar betekenis voor de architectuur. Het onderzoek vormt de these voor het gezamenlijk afstudeerproject van Lieke van Hooijdonk, Elsbeth Ronner en Lilith van Assem en de onderlinge samenwerking is dan ook een voedingsbodem geweest voor het tot stand komen van deze scriptie. De volledige onderzoeksthese heeft als doel om vanuit meerdere perspectieven op metamorfose een zelfde notie te verkrijgen die intrinsiek een uitspraak doet over de ontwikkeling van fenomenen. Als eerste wordt het begrip geworteld in de geschiedenis door de verandering in de weergave van verhalen over metamorfosen in de beeldende kunst te bestuderen. Het uitgangspunt hierbij is het verhaal van Diana en Actaeon uit boek III van Metamophosen van Ovidius. Daarna wordt ingegaan op de betekenis van metamorfose in de context van architectuur naar aanleiding van Die Metamorfose der Pflanzen. Goethe’s theorie was rond 1800 aanleiding voor expressionistische architecten tot het verkrijgen van vorm en is ook later nog te herkennen in de architectuur van Oswald Mathias Ungers. Tenslotte vormt dit schrijven over Kafka en metamorfosen in de maatschappij het laatste gedeelte van de these en dient dus te worden beschouwt als onderdeel van een groter geheel, hetgeen niet wegneemt dat de tekst op zichzelf een entiteit vormt.

Inhoudsopgave

Inleiding Metamorfose Metamorfose van de Épistémè Metamorfose in de Maatschappij Metamorfose van de Metropolitaanse Mens Het model van Kafka Bibliografie

1 2 3 4 5 6 7

Inleiding

1.1
Sinds Ovidius het begrip metamorfose in zijn epos Metamorphosen heeft gefundeerd in de literatuur is voor lange tijd het gebruik van het stijlmiddel ongewijzigd gebleven. Ovidius gebruikte de metamorfose als methode om onder andere verschijnselen in de natuur op een metafysische manier te verklaren. Pas rond 1900, met de novelle Die Verwandlung van de Praagse schrijver Franz Kafka, is het begrip literair op een nieuwe manier ingevuld. Kafka gebruikte de metamorfose niet als een verklarend middel maar zette het in om de veranderingen in een omgeving ten gevolge van een gedaanteverwisseling te kunnen beschrijven. Hiermee verschoof de nadruk van de eerste daadwerkelijke gedaanteverwisseling naar een tweede metamorfose, namelijk die van de reactie van de omgeving op de eerste verandering. De vraag die in dit betoog zal worden beantwoord is op welke manier de metamorfose van Kafka kan worden begrepen als een model voor sociologische of maatschappelijke veranderingen rond 1900. Hiertoe zullen een drietal teksten worden besproken te beginnen bij het boek Les Mots et les Choses van de Franse filosoof Michel Foucault uit 1966, gevolgd door een bespreking van Die Verwandlung van Kafka uit 1912, om te eindigen met een essay van de Duitse socioloog Georg Simmel, Die Großstädte und das Geistesleben uit 1903. De bespreking van deze teksten zal vooraf worden gegaan door een bondige introductie over het begrip metamorfose waarin de geschiedenis van het begrip wordt aangehaald en een definitie wordt gegeven waarmee in dit betoog wordt gewerkt. Tenslotte zullen de teksten elkaar treffen in de beantwoording van de centrale vraag. De volgorde van dit schrijven kent een dubieuze opzet. Vanuit chronologisch oogpunt

1.2
zou het vanzelfsprekend zijn te beginnen met de metamorfose van de metropolitaanse mens van Simmel om te vervolgen met de gedaanteverwisseling van Kafka waarna kan worden afgesloten met Foucault, ware het niet dat de bijdrage van Foucault in dit betoog dualistisch van karakter is. Enerzijds kan zij ons iets leren over metamorfoses in een collectief denken, waarmee zijn plaats achteraan in de chronologie gerechtvaardigd zou zijn; anderzijds draagt de kennis van Foucault bij aan het begrijpen van de teksten van Kafka en Simmel. Voor deze laatste benadering is gekozen waarmee de klassieke opbouw van een tekst is opgeheven en wordt vervangen door een integraal betoog waarin het eerste hoofdstuk niet kan worden gelezen zonder ook het laatste in ogenschouw te nemen, en andersom. Zo wordt de essentie van Kafka reeds onthuld voordat de tekst waarop die essentie is gebaseerd is besproken. De basis van de interpretatie bevindt zich in het gedachtegoed van Foucault en is daarmee onontbeerlijk voor een goed begrijpen van Kafka en Simmel.

Figuur 1. Tijdbalk met épistémès en plaatsing van Simmel, Kafka en Foucault in de tijd

Metamorfose

2.1
Het woord metamorfose is afgeleid van het klassiek Griekse μεταμόρφωσις. ‘Morphè’ betekent vorm en ‘meta’ betekend tussenin, aan de andere kant of na. Metamorfose gaat hiermee over een verandering van vorm, structuur, karakter, verschijning of omstandigheid, in een ontwikkeling. Kijkend naar de geschiedenis van metamorfose is een betekenisverandering van het begrip door de eeuwen heen waarneembaar. De importantie van een metamorfose of het gebruik daarvan is afhankelijk van de context waarin de term wordt gebruikt, zowel historisch gezien, vanuit een veranderende tijdsgeest, als door het gebruik van de term in verschillende disciplines zoals de sociologie, de exacte wetenschap, de poëzie, de architectuur of de beeldende kunst. In de klassieke oudheid komt de term metamorfose veelvuldig voor in literaire werken zoals in het epos Metamorphosen van de Romeinse dichter Ovidius (ca. 1-8 na Chr.).• Het werk van Ovidius, een ge- • Een tweede beklassieke schiedschrijving van de wereld langrijke literaire aanvulaan de hand van een sequentie ling is het boek , van gedaanteverwisselingen Metamorphosen ook wel bekend als met als conclusie de vergodde- De Gouden Ezel, van Lucius Apulijking van Julius Caesar, geeft leius, waarin de een overzicht van de Griekse hoofdpersoon experimenteert met mythologie die indertijd de ba- toverkunst en dan ongeluk versis vormde van het denken en per andert in een ezel het geloof in het Romeinse rijk. (tweede eeuw na Christus). Metamorphosen is niet alleen een geschiedschrijving maar geeft tevens verklaringen voor natuurverschijnselen, de astrologie, de filosofie of de ontstaansgeschiedenis van de aarde. Dit is het deel van het epos waarin het stijlmiddel van de metamorfose haar volle betekenis krijgt in het straffen of belonen van gedrag met een gedaanteverwisseling door de Griekse goden. Deze metamorfosen dienen enerzijds

2.2

als verklaring voor de wezenlijke vragen, zoals het ontstaan van een sterrenbeeld•, en anderzijds ter illustratie van de filosofie van • De filosofie van Pythagoras Omnia Mutantur, Nihil Interit gaat uit van Pythagoras• (Ovidius 2008 66). onvergankelijkheid waarbij alles in de voortdurend in beweging is Metamorphosen heeft het be- kosmos waardoor niets gelijk blijft maar ook grip als stijlmiddel in eerste in- niets volledig zal vergaan. stantie sterk beïnvloed en het gebruik van metamorfose is voor lange tijd gebaseerd geweest op de toepassing van Ovidius. In 1790 publiceerde Goethe zijn natuurwetenschappelijke theorie Die Metamorphose der Pflanzen, waarin hij aan de hand van het begrip metamorfose de groei en ontwikkeling van planten beschrijft. Zijn benadering kenmerkt de overgang van het Verlichtingsdenken, waarin de natuurwetenschap vooral geleid had tot het registreren van zo veel mogelijk verschillende soorten zoals door Linnaeus werd gedaan, naar de wetenschap van de Romantiek die zich meer kenmerkt door een poëtisch benadering (Tompkins 1973, 101). In de inleiding stelt hij dat de verscheidene buitenste delen van de plant, zoals de bladeren, de kelk, de kroon en de meeldraden slechts tot één orgaan behoren dat zich voordoet in verschillende gedaanten (Goethe 1790, 13). De groei van dat orgaan noemt hij de metamorfose van de plant zonder daarmee de ‘kracht’ achter deze modificatie te duiden. Deze theorie over de Ur-pflanze is later door verschillende architecten gebruikt, onder andere door Rudolf Steiner ten tijde van het Duitse expressionisme en later ook door Oswald Mathias Ungers in de begindagen van het postmodernisme. Echter een ware verandering in de betekenis van het begrip is gekomen met het boek Die Verwandlung van Kafka uit 1912 dat handelt over een verkoper die wakker wordt als wandluis. In dit verhaal gaat het

Zoals in het verhaal Callisto uit boek 2 van Metamorphosen van Ovidius waarin Callisto wordt gestraft vanwege haar verboden zwangerschap door haar te veranderen in een beer om vervolgens te worden vermoord door haar eigen zoon. Als troost worden zij samen verenigd in de sterrenbeelden van de grote en de kleine beer.

Metamorfose

2.3

2.4

niet meer om de oorzaak van de gedaantezijn. Al deze partijen spelen een rol in het verwisseling en de metamorfose zelf, maar spel van de metamorfose en de vraag is dan veeleer over het effect daarvan op de omgewie of wat speelt de hoofdrol, en wie of wat ving. Bezien vanuit de context van Kafka, maakt deel uit van de context waarin de begin 20ste eeuw, is hierin het reflexieve kametamorfose plaatsvindt, en wat is de rol rakter van die tijd waarneembaar: de eerste van de toeschouwer. De aard van de mereactie van de omgeving (de familie) wordt tamorfose kan zowel materieel zijn, zoals ook weer omgezet in een verandering, een wij kennen uit de klassieke manuscripten tweede metamorfose zo gezegd. Tegenwoorwaarbij de uiterlijke gedaante van een subdig heeft het effect van een metamorfose op ject wijzigt, alsook immaterieel of ideëel, de omgeving in relevantie afgenomen en wanneer het een maatschappelijke of peris de nadruk weer verschoven naar veransoonlijke verandering betreft. In beide gederingen die de mens zelf ondergaat. In de vallen is er sprake van een subject dat de architectuur heeft dit egocentrisme vorm metamorfose ondergaat en een vaststaande gekregen door de invloed van het digitale essentie die in beide gedaantes ongewijzigd tijdperk te integreren in het blijft. De essentie is dus tegenontwerp terwijl in de beeldende overgesteld aan de aard van de kunst en de populaire cultuur metamorfose: in het geval van de persoonlijke verandering een materiële metamorfose ligt centraal is komen te staan. In de essentie van het subject in de kunst heeft dit geleid tot een het immateriële, bij een immakleinschalige geëngageerdheid teriële metamorfose is de esvia de eigen beleving (Warner sentie juist de fysiek aanwezige 2004, 22). Dit individuele kadrager. Daarnaast speelt tijd een rakter is ook terug te vinden cruciale rol; het gaat immers om in de populaire cultuur die de een transformatie tussen twee metamorfose inzet als expositie stadia in de tijd. Tegelijkertijd is van de maakbare samenleving Figuur 2. De essentie van de materi- de periode tussen het zich voorin televisieprogramma’s als Ex- ële en de immateriële metamorfose doen van de twee gedaantes van treme Home Makeover of Extreme Makehet subject beslissend in de ervaring van de over. metamorfose voor de toeschouwer. WanDit historisch overzicht leert ons dat de omneer het proces van een verandering van standigheden waaronder een metamorfose nabij wordt ondergaan wordt de gedaantezich voordoet van grote invloed zijn. Toch verwisseling nagenoeg niet herkend als een zijn er parameters te benoemen waaraan, metamorfose echter dezelfde verandering onafhankelijk van de context, een metabezien vanaf een zekere distantie, in plaats morfose moet voldoen. Een metamorfose of in tijd, kan de toeschouwer de verandekan alleen passief worden ondergaan door ring als metamorfose laten waarderen. Zo het betrokken subject. Het woord metazal de grote bouwdrift op de Potsdamer Platz morfose kan niet worden gebruikt in acin Berlijn na de val van de muur door de intieve vorm, wat impliceert dat er meerdere woners van de stad niet worden ervaren als partijen bij de handeling betrokken moeten een metamorfose terwijl naar de percep-

Metamorfose

2.5
tie van een toerist, die het proces niet van dichtbij heeft meegemaakt, dezelfde plaats na een aantal jaar wel degelijk een gedaanteverwisseling heeft ondergaan. Als laatste toevoeging is het belangrijk, gezien het veranderende karakter van metamorfose door de tijd heen, een onderscheid te maken tussen de creator van de metamorfose en de auteur van de metamorfose. De auteur is in de meeste gevallen de artiest die het werk waarin de metamorfose is vastgelegd heeft voortgebracht. De creator is de kracht die de gedaanteverwisseling tot stand brengt. Dit is een diffuser en in veel gevallen lastiger te definiëren aspect omdat het raakt aan het metafysische karakter van een me- Figuur 3. Positie van de auteur en de creator tamorfose. In de metamorfose van de plant bijvoorbeeld, beschreven door Goethe, is de creator van de verandering een ‘godheid’, een onbenoembare kracht die de groei laat plaatsvinden terwijl de auteur van de metamorfose Goethe zelf is. Samengevat is er bij een metamorfose sprake van een auteur en een creator die de metamorfose vorm geven. De metamorfose zelf wordt ondergaan door een subject, materieel of immaterieel, met een essentie die tijdens het proces ongewijzigd blijft. Als laatste is er het aspect van de tijd die, afhankelijk van de perceptie van de toeschouwer, de verandering maakt tot een ontwikkeling of een metamorfose.

Metamorfose van de Épistémè

3.1
In het boek van Foucault, Les Mots et les Choses, uit 1966 wordt een archeologische beschrijving gegeven van drie elkaar opvolgende historische periodes waarin het algemene denken was gebaseerd op een specifieke orde die daarmee bepaalde wat wel en wat niet kon worden gedacht. Foucault noemt een dergelijke periode épistémè. In dit hoofdstuk zal eerst een filosofisch kader worden gegeven waarbinnen het boek is ontstaan waarna de inhoud van het boek uitvoerig aan bod komt. In het laatste deel zal de overgang van de ene in de andere épistémè worden bekeken vanuit metamorfose. In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog werd het existentialisme, waarin het bestaan van het menselijk subject – en dan niet het denkend subject maar het handelende, voelend en levend subject – als uitgangspunt van het denken diende, een belangrijke filosofische en culturele stroming. In Frankrijk werd deze richting vertolkt door de geschriften van Jean-Paul Sartre, Albert Camus en Maurice Merleau-Ponty. Ook buiten Frankrijk stond het existentialisme in de belangstelling, zoals in Nederland en in Duitsland waar al in 1927 Sein und Zeit van Martin Heidegger was verschenen. In de jaren zestig verdwijnt de nadruk op het subject door de opkomst van het structuralisme. Deze overgang is al waarneembaar in de laatste notities uit 1959 en 1960 van Merleau-Ponty (Sperna Weiland 2002, 311). Echter de oorsprong van het structuralisme wordt algemeen gekoppeld aan Ferdinand de Saussure, een Zwitserse linguïst die van 1909 tot 1913 colleges ‘algemene taalkunde’ in Genève doceerde. Zijn colleges zijn na zijn dood gebundeld in Cours de

3.2
Linguistique Générale, uitgegeven in 1916. De ideeën van De Saussure gaan over taal. De taal (langage) is in twee categorieën te verdelen. Enerzijds de taal (parole) in zijn gesproken of geschreven vorm waarbij vragen als waarom iets gezegd wordt, wat mensen zeggen, hoe mensen het zeggen en onder welke voorwaarden communicatie effectief is, relevant zijn. Het gaat hierbij om de betekenis van de taal in relatie tot de mens die de taal gebruikt. Daarnaast kan de taal (langue) in zijn pure vorm worden bezien. Hierbij wordt de taal onderzocht die aan alle woorden vooraf gaat. De nadruk ligt op de grammaticale en syntactische regels die het collectieve erfgoed van een taalgemeenschap vormen. Dit aspect van taal werd in de tijd van De Saussure door taalkundigen onderzocht vanuit een reflexief kader dat de taal plaatste in functie van de tijd. Dit is de diachronische manier van onderzoeken. De Saussure hanteerde in plaats van de diachronische methode het synchronische onderzoek. Hij beperkte zich met zijn studie tot het taalsysteem en de regels die daarbij horen op het moment X, het moment waarop de onderzochte taal is aangetroffen. Ieder taalteken en ieder woord in een zin heeft, in het moment, een specifieke functie ten opzichte van het volledige systeem en dat is wat De Saussure functioneel ontleedde (Sperna Weiland 2002, 314). Met deze aanpak verschoof de nadruk van het schrijvend en sprekend subject naar het systeem dat aan het schrijven en spreken voorafgaat. Deze verschuiving is ook herkenbaar in uitspraken van Merleau-Ponty over taal: wat in de ene taal niet gedacht kan worden laat zich wel denken in een andere taal. De Franse etnoloog Claude Lévi-Strauss breidt in de publicatie Antropologie Struc-

Metamorfose van de Épistémè

3.3
turale uit 1958 het synchronisch denken van De Saussure uit met het funderen van taal in andere structuren. Dé taal bestaat niet, taal is geen entiteit op zich maar is verweven met het volledige spectrum van een cultuur. Niet door het onderzoeken van het subject zelf maar door het vaststellen van de logica die in de regels besloten ligt kan inzicht worden verkregen in het gedrag van een bepaalde cultuur. Met deze ontkoppeling van taal en haar ontwikkeling ontstaat een nieuw denken over de waardering van verschillende culturen. Het primitieve denken bijvoorbeeld is niet langer een denken dat zich nog niet heeft ontwikkeld tot de logica van latere culturen maar het heeft een eigen structuur waarbinnen het functioneert en beoordeeld kan worden. Foucault wordt vaak beschouwd als één van de structuralisten terwijl hij dit zelf altijd heeft ontkend. Beide gedachten hebben een relevantie. In het vroege werk van Foucault is het structuralistische denken duidelijk aanwezig zoals in de structuur van het betoog in Les Mots et les Choses. Echter in de laatste twee hoofdstukken is reeds een postmoderne of poststructuralistische inslag te herkennen. Vanaf zijn boek Surveiller et Punir, uit 1975, heeft hij het structuralistische idee dat er één, de hele cultuur bepalende structuur is, voorgoed achter zich gelaten. Met de politieke opwinding van mei 1968 en de algemene stakingen in Frankrijk, ontstaat vanuit een algemene teleurstelling in het orthodox marxisme, versterkt door het standpunt van de Franse communistische partij en diverse alternatieve filosofieën zoals het feminisme, een hernieuwde belangstelling

3.4
voor het vroege werk van Marx, de fenomenologie en ook een stroming die niet zozeer geënt was op een eigen inhoud maar meer bestond uit een reactie op het structuralisme, het poststructuralisme. Deze aanduiding moet dan ook meer gezien worden als een chronologische dan als een inhoudelijke indicatie. Gemeenschappelijk met het structuralisme heeft het poststructuralisme zijn interesse voor de interne structuur van taal. In het structuralisme heeft zich dit ontwikkeld, zoals al eerder beschreven, tot één systeem van waaruit taal functioneert. De poststructuralisten ontrafelen dit systeem door te stellen dat teksten nooit op zichzelf staan maar altijd behoren tot een netwerk van associatieve teksten oftewel de context. Het structuralistische idee van een onafhankelijke ‘betekenaar’ superieur aan het geduide, wordt bij de poststructuralisten ontmanteld en niet langer gezien als één ding (Harrison 2006, 122-135). Roland Barthes laat dit zien in La Mort de l’Auteur waarin hij de betekenis van een tekst separeert van de intenties van de schrijver. De centrale plaats van ‘subject’ en ‘rede’ wordt vervangen door termen als ‘pluralisme’ en ‘onbeslisbaarheid’. Het postmodernisme heeft een nauwe verwantschap met het poststructuralisme maar kent een duidelijker te • De term postmoderonderscheiden inhoud. Dit is nisme wordt voor de eerste maal gebruikt mede te danken aan Jean-Fran- door Charles Jencks The Language of çois Lyotard die met zijn tekst in Post-Modern Aruit 1979, La Condition Postmo- chietecture uit 1977, een document tegen derne•, een antwoord gaf op de het modernisme in vraag die Foucault aan het einde de architectuur. van Les Mots et les Choses maar half beantwoordde: op het tijdperk van de moderniteit volgt het postmodernisme. Het postmodernisme kan kort worden samengevat in vier karakteristieken. In de eerste plaats

Figuur 4. Michel Foucault, 1926 - 1984

Metamorfose van de Épistémè

3.5
hebben ‘de grote verhalen’ (bijvoorbeeld het vooruitgangsgeloof, maar ook religieuze verklaringen) hun geloofwaardigheid verloren door toedoen van de gebeurtenissen, waaronder de twee wereldoorlogen, Auschwitz en Hirosjima, waarmee het modernisme in het postmodernisme is overgegaan. Daarnaast verdwijnt het autonome subject waarmee het niet alleen is gedecentraliseerd, maar ook uit elkaar valt en niet langer één is met zijn eigen naam. De derde karakteristiek is al een eeuw eerder door Nietzsche verwoord: ‘Er is geen waarheid’, in ieder geval geen enkelvoudige waarheid. Als laatste kenmerk is er het oplossen van de werkelijkheid door de komst van de virtuele wereld van het digitale tijdperk (Sperna Weiland 2002, 347). De latere teksten van Foucault hebben met beide filosofische stromingen overeenkomsten. Thema’s als het verdwijnen van het subject, al aanwezig in Les Mots et les Choses, en de loskoppeling van de ‘betekenaar’ van het object van het object zelf, zijn veelvuldig • In 1973 is Les Mots et les Chose; aanwezig. une ArchéoloHet boek Les Mots et les Choses• van Foucault uit 1966 heeft als ondertitel Une Archéologie des Sciences Humaines. Met ‘archeologie’ refereert Foucault hierbij niet aan de hedendaagse betekenis van het woord, de kennis en studie naar de overblijfselen van het verleden, maar hij verwijst naar de Griekse betekenis van αρχή, archè dat verschillende betekenissen heeft. Archè betekend ‘begin’ maar ook ‘beginsel’, dat wat ten grondslag ligt of van waaruit is ontstaan. Een archeologie van de menswetenschappen gaat hiermee over de grondslag en het ontstaan van de menswetenschappen.
gie des Sciences Humaines in het Nederlands vertaald met de titel De Woorden en de Dingen; Een Archeologie van de Menswetenschappen door C. P. Heering-Moorman.

3.6
In het algemeen gaat het boek over de structuur van het denken, maar Foucault heeft de geschiedenis van de wetenschap als basis gebruikt voor zijn betoog. In het voorwoord gebruikt Foucault twee voorbeelden waarmee hij de basis van het denken illustreert. Hij begint met een taxo- • Het gaat hier om een opsomming nomische opsommingen uit een van een Chinese encyclopedie uit El idioma analítico de John Wilkins van ‘zekere Chinese encyclopedie’ Jorge Luis Borges (1899-1986), Argenafkomstig uit een tekst van Bor- tijn en surrealistisch schrijver. ges• (Foucault 1973, 14). Het gaat om een categorisering van dieren in onder andere a) die de keizer toebehoren, c) tamme of g) loslopende honden waarmee Foucault een denken illustreert dat is gebaseerd op een afwijkende logica. Door de surrealistische samenstelling schetst het tevens de grenzen van ons eigen denken door de onmogelijkheid om ons in deze logica te verplaatsen. Dit komt door het ontbreken van een lieu commun, een gemeenschappelijke plek van waaruit deze logica is ontstaan. • Deze zin is afkomstig uit de gedichtenbundel Deze gemeenschappelijke ruim- Chants de Maldoror uit 1869 van Comte de Lautréamont. te wordt door Foucault verduidelijkt met een citaat van de dichter Comte de Lautréamont•: "hij is zo mooi als de toevallige combinatie van een naaimachine en een paraplu op een operatietafel". Voor Foucault is de operatietafel een metafoor voor de gezamenlijke ruimte waarin verschillende eenheden elkaar ontmoeten. In de opsomming van Borges zit het onmogelijke niet in de onderlinge elementen als wel in het ontbreken van een gemeenschappelijke ruimte waar zij naast elkaar kunnen bestaan. Met deze introductie komt Foucault tot de vraag op welke vaste grond wij onze indelingen funderen, met andere woorden, wat is de lieu commun van Europa rond 1965. Deze gezamenlijke ruimte bestaat uit de fundamentele code, die van de taal, de ruilmogelijkheden of de techniek, van een

Metamorfose van de Épistémè

3.7
cultuur die voor ieder individu een empirische ordening vaststelt waarbinnen hij of zij zich kan bewegen. Aan de andere zijde van het denken bevinden zich de wetenschappelijke theorieën die verklaren waarom er een zekere orde is. Het is juist tussen deze twee regionen dat de orde haar transparantie verliest en verwordt tot een vanzelfsprekendheid, een op zichzelf staande logica die aan de woorden, de perceptie en de beweging voorafgaat. “Zo bestaat er binnen elke cultuur, tussen het gebruik van wat men de ordeningscodes en het nadenken over orde noemt, de ervaring-zonder-meer van de orde en van de zijnswijze van die orde.” (Foucault 1973, 20). Dit a priori van het denken is wat Foucault beschrijft in Les Mots et les Choses voor de westerse cultuur vanaf de 16de eeuw. Het gaat hierbij niet om het • Met het woord ‘positiviteit’ verwijst vormen van kennis vanuit een Foucault naar het positivisme, het gebied van de wetenschap dat zich be- voortschrijdend inzicht maar perkt tot wat met de zinnen kan wor- om het beschrijven van een episden waargenomen. ‘Positiviteit’ doelt dus op de verzameling van waarheden temologisch veld waarop kennis die in een bepaalde periode bestaan. haar ‘positiviteit’ • baseert. Dit noemt Foucault een épistémè. Épistémè komt van het Griekse woord επιστήμη dat kennis of wetenschap betekent. In de wijze van gebruik bij Foucault heeft het woord een bredere interpretatie, namelijk die van de orde waardoor het discour van de mensen in een bepaalde tijd wordt bepaald (Sperna Weiland 2002, 318). Daarnaast onderzoekt hij door middel van zijn ‘archeologische enquête’ welke configuraties de verschillende vormen van de gemeenschappelijke ruimte hebben bepaald, want de archeologie heeft vanaf de 16de eeuw een discontinuïteit in de épistémè aangetoond. Hierdoor zijn drie épistémès te onderscheiden, die van de Renaissance, lopend vanaf het begin van de 16de eeuw tot rond 1650, de klassieke periode vanaf 1650 tot aan het begin van de 19de

3.8
eeuw en de moderne periode (zie Figuur 1). In deze verschillende periodes is de orde van waaruit men denkt niet dezelfde. Algemeen gold het idee van een ononderbroken ontwikkeling van het denken en daarmee van de wetenschap waarbij er sprake is van een, zij het niet constante, verbetering van het voorgaande. Foucault weerlegt dit door te stellen dat het stelsel van ‘positiviteiten’ rond 1800 op het archeologisch vlak als geheel is veranderd. Hij geeft een beknopte inleiding betreffende de orde van de klassieke periode die is gebaseerd op een representatie van de dingen en de omslag naar de moderne periode waarin de theorie van de reflexiviteit ontstaat gebaseerd op een indringend historisch besef waardoor dingen worden geplaatst in de voortgang van de tijd. In deze periode is ook de mens centraal komen te staan in het westerse denken en het ontstaan van de menswetenschappen is daar het gevolg van. Door de belangstelling voor de mens te koppelen aan de configuratie in de épistémè wordt zij een zeer recente uitvinding die met de komst van een nieuwe orde evenzogoed weer zal verdwijnen (Foucault 1973, 23). Dit is wat Foucault in de laatste zin van het voorwoord suggereert. Het boek zelf is opgedeeld in tien hoofdstukken. Zes gaan over de Renaissance en de klassieke periode. Twee behandelen de overgang van de klassieke naar de moderne tijd tussen 1775 en 1825 en tot slot zijn twee hoofdstukken gewijd aan de moderne periode en de veronderstellingen over het aanbreken van een nieuwe tijd. In het tweede hoofdstuk, Het Proza der Wereld, beschrijft Foucault de épistémè van de Renaissance welke is gebaseerd op overeenkomst: men dacht in termen van gelijkenissen. Alles kon met elkaar in verband worden gebracht in het denken van de Renaissance en ken-

Metamorfose van de Épistémè

3.9
nis werd opgedaan door het samenvoegen van dingen. Daarbij zijn vier vormen aan te wijzen die accenten in de kennis aanbrengen. Ten eerste is er de convenientia die gaat over het bijeenpassen, het samenvoegen of het nabij zijn van dingen. Door het bij elkaar brengen van overeenkomstigheid komt alles wat op elkaar lijkt naast elkaar te staan waarmee uiteindelijk de hele wereld kan worden omvat in een volledig systeem. De tweede vorm van gelijkvormigheid is de aemulation die ook gaat over verwantschap, maar die deze eigenschap loskoppelt van plaats, waardoor gelijkenissen over de wereld verspreid een relatie met elkaar aangaan. Als derde vorm is er de analogie waar de convenientia en de aemulation elkaar raken en waardoor niet alleen de overduidelijke overeenkomst tussen de dingen leidt tot kennis maar ook de minder voor de hand liggende gelijkenissen, groot en klein, aan elkaar kunnen verbinden, zoals de sterren aan de hemel met het gras van de aarde. Als laatste noemt Foucault de sympathia waarmee op een nog grotere schaal de overeenkomst in gang kon worden gezet: alle delen van de realiteit worden op elkaar betrokken waarbij elk verschil wordt ontzien. Om hier niet in te verdwalen werd ook gebruik gemaakt van de antipathia die het tegendeel vormden van de sympathia. De afwisseling tussen beiden zorgde voor het ritme van overeenkomsten. Met deze middelen was kennis in de Renaissance het interpreteren van de dingen om ze vervolgens in te passen in de keten van gelijkenissen waarmee de wereld aan zichzelf gelijk bleef (Foucault 1973, 46). Hierna schetst Foucault de overgang van de Renaissance naar de klassieke tijd en hij begint het betoog over de verandering in épistémè met een analyse van de avonturen

3.10
van Don Quichotte van Miguel de Cervantes Saavedra uit 1605. Foucault introduceert dit verhaal als een eerste illustratie van het verdwijnen van het gelijkheidsdenken van de Renaissance. De waarheid van Don Quichotte bevindt zich niet in de relatie tot de wereld, maar uitsluitend in de relatie tot het verhaal zelf, waarmee de verwantschap met de echte wereld wordt losgelaten (Foucault 1973, 70). In het begin van de 17de eeuw is deze schizofrene benadering van de gelijkenis op meerdere fronten herkenbaar waarmee het tijdperk van het ‘gelijkende’ bezig is zichzelf af te sluiten. In de schilderkunst is de trompe-l’oeil in zwang. Het is de tijd van de komische illusies, van de dromen en van de visioenen, én het is de tijd waarin metaforen, vergelijkingen en allegorieën de poëtische ruimte van de taal bepalen. De gelijkenis is niet langer een waarheid, men weet dat het sprookjesbeelden zijn. Ook in de wetenschap en de filosofie is • Het gaat hier om de eerste regels uit Regulae ad directionem de verandering waarneembaar. ingenii van René Descartes uit Foucault citeert Descartes•: 1626–1628. “Wanneer men enige overeenkomstigheden ontdekt tussen twee dingen, dan heeft men vaak de gewoonte, om aan die beide dingen (…) toe te schrijven wat men aan één van beiden slechts waar heeft bevonden, en zelfs op de punten waar zij in werkelijkheid van elkaar verschillen.” (Foucault 1973, 73). De overeenkomst als fundamentele ondervinding wordt uitgesloten en vervangen door een orde waarin identiteit en verschil de maat voeren. Daarnaast wordt in de 17de eeuw de analyse in de plaats gesteld van de analoge hiërarchie, zo goed als de onbegrensdheid van de gelijkenissen van de Renaissance overgaat in de mogelijkheid tot een complete optelling der dingen. Pas is het tweede deel, in hoofdstuk vijf, De Grenzen van de Voorstelling, komt de

Metamorfose van de Épistémè

3.11
overgang aan bod van het klassieke naar het moderne denken aan de hand van drie disciplines. Eerst worden de veranderingen in het economisch stelsel besproken. In de klassieke economische structuur verkregen goederen hun waarde door het vergelijken van de te ruilen objecten, waarmee de waarde werd gebaseerd op de representatie van het object zelf. Hierbij was de behoefte aan bepaalde producten maatgevend in de uitwisseling van koopwaar. Met de veranderingen in de productiewijze van goederen door de opkomende Industriële Revolutie en het langzaam verdwijnen van de ruilhandel ontstond een ander systeem voor de waardering van goederen. Deze wijzigingen in het denken werden in eerste instantie vertolkt door de politiek-econoom Adam Smith. Smith laat de ruilwaarde van de dingen samengaan met de hoeveelheid arbeid die nodig is om het product de produceren: “De waarde van een willekeurig goed is voor degene die het bezit (…) gelijk aan de hoeveelheid arbeid die hem in staat • Dit is een van de eerste regels uit An Inquiry zou stellen hetzelfde goed te kointo the Nature and Causes of the Wealth of pen of te bestellen.” • (Foucault Nations van Adam Smith uit 1776. 1973, 242). Goederen representeren niet langer het begeerde voorwerp maar arbeid, dat wil zeggen de inspanning en de tijd die nodig waren om het product te maken. Na de veranderingen in het economisch denken beschrijft Foucault de natuurwetenschap die zich bezig houden met de organisatie van het levend wezen en waar tussen de jaren 1775 en 1795 veranderingen van hetzelfde type waarneembaar zijn. Classificatie was voordien gebaseerd op de representatieve functies die de zichtbare elementen ten opzichte van elkaar uitoefenden. Vanaf Jussieu, Lamarck en Vicq d’Azyr worden de specifieke kenmerken van de te classificeren planten of dieren gegrond op

3.12
elementen die buiten de zichtbare dingen liggen; classificatie wordt gebaseerd op beginselen van interne aard en niet langer op representatie. Dat beginsel is de organisatie, zoals in de economische wereld de orde is gebaseerd op de arbeid. Als derde discipline noemt Foucault de taalanalyse welke eveneens veranderde, zij het in een langzamer tempo en minder opvallend dan in de economie en de natuurwetenschap. De reden hiervoor was dat de taal in de klassieke periode een ondergeschikte rol speelde als discours van de voorstelling, het bedachte of de wetenschap. In 1787 verscheen in Petrograd, het huidige Sint-Petersburg, het eerste deel van het Glossarium Comparativum Totius Orbis waarin 279 talen werden opgenomen. Dit werk is nog gebaseerd op het representatieve karakter van woorden maar het plaatst al wel de verschillende talen in een groter systeem. Door het inzicht dat hiermee was verkregen werd het ook mogelijk het verband tussen de veranderingen van de basis en de functie van de grammatica te doorzien. Men ontdekte dat er in twee verschillende talen een constante overeenkomst bestond tussen een reeks van vormelijke veranderingen en een eveneens vaststaande grammaticale functie (Foucault 1973, 256). De nadruk verschoof van de representatie naar de innerlijke bouw, de architectuur, van de taal. Samenvattend vormt het reflexief denken vanuit een historisch besef, waarmee de mens centraal kwam te staan, de basis van de moderne épistémè. Met de beschrijving van de verschillende épistémès heeft Foucault het archeologisch onderzoek naar de orde die aan het denken vooraf gaat voltooid. In de laatste hoofdstukken van Les Mots et les Choses doet hij een aanzet tot het formuleren van

Metamorfose van de Épistémè

3.13
de omslag van de moderne periode naar een nieuwe épistémè. Hij maakt daarbij de kanttekening dat pas op enige afstand in de tijd een daadwerkelijke definitie van een épistémè kan worden gegeven. Foucault zoekt de komende discontinuïteit in het reflexieve karakter van het moderne denken en de opkomst van de menswetenschappen die daar een gevolg van zijn geweest en hij voorspelt dat de recente uitvinding van ‘de mens’ in de moderne periode ook weer tot een einde zal komen zoals het representatieve denken verdween aan het begin van de 19de eeuw (Foucault 1973, 419). Het waarom van de discontinuïteiten in de epistemologische schikking is volgens Foucault niet uit te leggen of in een terminologie te vatten. Wel kan, zoals hij ook daadwerkelijk doet in Les Mots et les Choses, met de archeologie van het weten de verandering in épistémè worden onderzocht en geanalyseerd (Foucault 1973, 73, 237). Naar aanleiding van de epistemologische orde van Foucault en de centrale vraag van dit betoog is het relevant de betekenis van de verandering in épistémè te bezien vanuit metamorfose. Het is noodzakelijk vast te stellen in hoeverre de overgang van bijvoorbeeld de klassieke naar de moderne periode kan worden gezien als een gedaanteverwisseling van de a priori van ons denken. Zoals al eerder is vastgesteld is er geen sprake van een metamorfose zonder een subject én een context om aan het tijdsaspect, dat altijd aanwezig is, te kunnen voldoen. Wat is in dit geval dan het subject en is er eigenlijk wel sprake van één subject, en wat is hierbij de context? Is er sprake van een auteur of van een creator? Is het misschien zo dat we hier te maken hebben met een metamorfose die zichzelf in gang zet, een metamorfose

3.14
die niet langer een creator nodig heeft om een verandering te laten ontstaan? Hebben we hier misschien zelfs te maken met een nieuwe vorm van metamorfose ontstaan vanuit de filosofische context van de jaren ’60? Deze vragen zijn diffuser en minder eenduidig te beantwoorden dan de metamorfosen in het epos van Ovidius waar de gedaanteverwisseling op zichzelf staat. Tevens is er geen afgebakend en evident kader van de metafoor voorhanden, zoals die is gebruikt bij Kafka die een dubbele metamorfose toepast om daarmee de veranderingen van de omgeving aan te halen. Sterker nog, Foucault gebruikt het begrip metamorfose geen enkele keer. Toch is het relevant de metafoor van de metamorfose te gebruiken om de tweezijdige relatie tot de context, namelijk die van Foucault zelf tot zijn archeologie van het denken en die van de huidige context tot de door Foucault beschreven metamorfose, te ontrafelen. Laten we de metamorfose van het denken, met als voorbeeld de overgang van de klassieke naar de moderne periode, bekijken. Tijd is in het herkennen van een metamorfose van wezenlijk belang en de omslag in de orde van het denken kan enkel met een zekere distantie in tijd, afhankelijk van de persoon die de verandering opmerkt, worden bezien. Kennelijk heeft 1966, het jaar waarin Foucault Les Mots et les Choses schreef, voor hem voldoende afstand gecreëerd om de grote modificatie in de archeologie van het denken te herkennen. Door zijn uitleg en toelichting blijkt de verandering inderdaad groot, wezenlijk en volledig en kan zij gezien worden als een metamorfose. Tijdens een dusdanig proces, zoals ook Foucault al aangeeft, is het onmogelijk om een verandering met een dergelijke omvang te herkennen zoals ook een individu op de

Metamorfose van de Épistémè

3.15
aarde het ronde karakter van de wereld niet kan zien en deze alleen kan aanschouwen door te kijken vanuit de ruimte, op een zekere afstand. De overgang van de klassieke naar de moderne periode is een immateriële metamorfose met als subject de a priori van het denken, de épistémè zelf. Dit grote begrip ondergaat een modificatie van het denken vanuit representatie naar een reflexief denken. Eerder is gezegd dat bij een immateriële metamorfose de essentie materieel van karakter is, gebaseerd op de perceptie van de waarnemer. Hier is dat niet het geval. De essentie van de metamorfose is de épistémè zelf omdat het hier gaat over een gemeenschappelijke plek waarop het denken is gebaseerd en die de orde van het denken der mensen bepaald. Het gaat hier om een verandering op een metaniveau, een metamorfose waarbij in eerste instantie het subject geen vaste vorm heeft aangenomen waardoor ook de essentie per definitie immaterieel blijft. Dit impliceert de mogelijkheid van een metamorfose zonder de aanwezigheid van een fysieke drager en kan wellicht worden beschreven als een filosofische metamorfose. De veranderingen in het denken worden door Foucault weergegeven, hij is de auteur van het boek en daarmee ook de auteur, de beschrijver van het veranderende fenomeen. Volgens Foucault is de oorzaak van de gedaanteverandering, en daarmee de creator, niet te bepalen en gaat het om een systeem dat, zij het niet parallel of synchroon, collectief veranderd. Hierin herkennen we het metafysische karakter van de metamorfose die niet zo zeer aanwezig is in de gedaantes van het subject, maar die zich manifesteert in de verandering op zich. Toch kan de metamorfose van een épistémè

3.16
nauwkeurig in kaart worden gebracht zoals Foucault heeft gedaan in zijn archeologisch onderzoek naar het denken, waarbij het onderzoek zich niet richt op het onzichtbare a priori van het denken maar op denkers die met het formuleren van concrete theorieën de verandering in gang hebben gezet. Is in dit geval het proces van de metamorfose passief te noemen? De creator is onbekend en de auteur heeft alleen, door middel van archeologisch onderzoek, de metamorfose beschreven. Ook de denkers formuleerden theorieën zich onbewust van de omslag die ze teweegbrachten. Wie of wat is dan de activator van het proces? Het tot stand komen van het proces is wellicht te omschrijven als een soort collectiviteit die te vergelijken is met de uitvinding van de boekdrukkunst in de westerse wereld die • De uitvinding van de boekdrukkunst aan een aantal mensen tegelijk rond 1450 wordt • aan een aantal per- wordt toegeschreven of met de sonen toegeschre- bevindingen van Foucault zelf, ven. Als mogelijke uitvinders worden die in 1962 vooraf waren gegaan genoemd: de Duit- door het boek The Structure of ser Johannes Gutenberg, de Ne- Scientific Revoluti- • Kuhn beschrijft in zijn derlander Laurens boek The Structure ons van Thomas S. of Janszoon Coster en Scientific Revolude Vlaaming Dirk Kuhn waarin Kuhn tions net als Foucault Martens. verschillende tijdspehet paradigma van rioden met een eigen de wetenschap beschrijft •. De paradigma. Bij Kuhn gaat het niet om het alcollectiviteit is dus zeer nauw- gemene denken maar de basis voor de keurig te beschrijven echter het om wetenschap, hij noemt is onmogelijk daarin volledig dit het paradigma. Zouden we het begrip te zijn. Alleen het besef van de paradigma vervangen veelsoortigheid raakt het wezen voor Foucault’s épistémè dan zijn er grote van de filosofische metamor- overeenkomsten waarneembaar. fose. Juist hier speelt de context waarin Foucault zijn boek schreef en de huidige context, die van het begin van de 21ste eeuw, een rol. De reden of de oorzaak van de verandering in het denken is volgens Foucault onbepaalbaar. Foucault bevindt zich met deze stel-

Metamorfose van de Épistémè

3.17
ling op de grens van het structuralisme, waar de Industriële Revolutie bijvoorbeeld de drijvende kracht achter de omslag van de klassieke naar de moderne periode zou kunnen zijn, en het poststructuralisme waar wordt uitgegaan van een pluralistisch karakter. Een ‘meervormig’ organisme als denkbeeldig kader ligt rond 1966, overeenkomstig met de tijdsgeest, nog niet binnen de ratio van de schrijver waarmee een dergelijke gedachtegang ook nog niet mogelijk was. In het latere werk van Foucault is deze pluriformiteit wél herkenbaar en dit uitgangspunt is ook terug te vinden in de hier beschreven collectiviteit die aanzet tot verandering. Het poststructuralisme is blijkbaar verworden tot de huidige context en kleurt daarmee ook deze interpretatie.

Metamorfose in de Maatschappij

4.1
In dit hoofdstuk over Kafka en zijn novelle Die Verwandlung zal de waarde van de metafoor van de metamorfose, zoals die door Kafka wordt gebruikt en de invloed van de context op het gebruik van de metamorfose worden besproken. Dit gebeurt aan de hand van een historische introductie over Oostenrijk-Hongarije en de staat waarin Europa zich aan het eind van de 19de eeuw bevond. Vervolgens wordt een beschrijving gegeven van de novelle zelf en de structuur die aan het verhaal ten grondslag ligt om zodoende de vragen aangaande metamorfose te kunnen behandelen. Ten tijde van Franz Kafka’s geboorte in 1883 is Praag de hoofdstad van Bohemen in de Dubbelmonarchie. Zijn vader, Hermann Kafka, eigenaar van een winkel in galanteriewaren (garen en band), was geëmigreerd van Osek, een Tsjechischtalig dorp in het zuiden van Bohemen, naar Praag. Kafka’s moeder, Julia Löwy, was afkomstig uit een familie van rabbijnen. Opgegroeid in een Joods gezin in Praag sprak Kafka Duits, Tsjechisch en Hebreeuws (Molitor 1979, 25). Na zijn dood in 1924 heeft dit geleid tot verschillende kwalificaties: Kafka wordt gezien als één van de grootste modernistische prozaschrijvers binnen de Duitse taal, echter ook als één van de opmerkelijkste Joodse auteurs van zijn tijd en sinds de val van het ijzeren gordijn wordt hij tevens erkend als Tsjechisch auteur. Het Europa aan het begin van de 20ste eeuw is inmiddels niet meer herkenbaar in de tegenwoordige constellatie dankzij de ingrijpende gebeurtenissen rond de twee wereldoorlogen. Ook het ‘Joodse Europa’ van toen is niet alleen drastisch veranderd maar is zelfs grotendeels verdwenen, evenals het meertalige Habsburgse rijk dat is

4.2
vervangen door nationale staten die veelal zijn gebaseerd op etniciteit. Terwijl rond 1900 Amerika klaar stond om de machtigste staat ter wereld te worden was de Europese invloed, dankzij koloniën en migratie, nog wereldwijd aanwezig. Deze migratie was het gevolg van de politieke macht én van de grote bevolkingstoename door de snelle industrialisatie. De 19de eeuw was gepaard gegaan met grote technologische ontwikkelingen die op hun beurt ontwikkelingen in de economie tot gevolg hadden. De handel beperkte zich niet alleen tot de voedingsproducten maar leverde ook volop grondstoffen voor de industrie. Om de bevoorrading te optimaliseren werd veel geld gestoken in de infrastructuur, zowel in Europa zelf als in de overzeese koloniën. Naast het economische belang van de wereldwijde handel verspreidde Europa ook haar cultuur geestdriftig over de aarde. In de wingewesten werd bestuur, cultuur, recht, handel en technologie onderwezen zonder veel aandacht te hebben voor de inheemse beschaving. De ambities aangaande de natuur en de wetenschap waren eveneens hooggespannen en vooral in Figuur 5. Franz Kafka, 1883 - 1924 het noordwesten van Europa werden grote ontdekkingen gedaan. Nieuwe vormen van energie (elektriciteit, efficiënte stoommachines, turbines en verbrandingsmotoren), nieuwe materialen (zoals legering, kunstmest en explosieven) en communicatie (telegraaf, telefoon en radio) werden uitgevonden (Haywood 2001, 5.09). Deze grote hoeveelheid aan vernieuwingen en de daarmee gepaard gaande veranderingen wereldwijd maakten rond 1900 de eerdere zekerheden

Metamorfose in de Maatschappij

4.3
op het Europese continent niet langer vanzelfsprekend hetgeen uiteindelijk in 1914 zou culmineren in een onderling conflict waarbij de verhoudingen drastisch zouden wijzigen. Ook rondom Praag waren de veranderingen aanzienlijk. Hoewel al aan het begin van de 19de eeuw als reactie op Napoleons gezag over Europa het nationalisme was opgekomen, resulterend in vier nationale staten gebaseerd op een gemeenschappelijke identiteit, werd op het Congres van Wenen (1814-1815) de erfelijke monarchie hersteld en kreeg, nadat duidelijk werd dat het Heilige Roomse Rijk zou worden verdeeld, Oostenrijk Milaan, Venetië, Lobardije en Toscane erbij (Haywood 2001, 5.11). In 1848, het jaar van de revoluties, ontstond ook onrust in Hongarije, Kroatië en het Tsjechisch gebied en alleen met behulp van de Russen was Oostenrijk in staat deze onrust te keren. Toch bleven de Hongaren erkenning eisen voor een apart koninkrijk onder de heerschappij van de Habsburgers. Door de opkomst van Bismarck in Duitsland en de nederlaag tegen de Pruisen in 1866, waardoor de Italianen Venetië konden annexeren en Italië een nationale staat werd, zag Oostenrijk zich in 1867 genoodzaakt Hongarije een gelijkwaardige status te verlenen. Hiermee ontstond de Dubbelmonarchie. Binnen de grenzen van Oostenrijk-Hongarije was de macht in handen van een nationale minderheid, de Oostenrijkers, en in mindere mate van de Hongaren en de Duitsers. De meerderheid, de Slavische (Tsjechen, Slowaken en Polen), Italiaanse en Roemeense bevolking stond in dienst van de adel en de geestelijkheid: de aristocratisch-klerikale ambtenarenwereld. Deze entiteit zou pas worden opgehe-

4.4
ven na de Eerste wereldoorlog als in 1918 de Donau-monarchie uiteenvalt in verschillende nationale staten. Dan ontstaat ook de zelfstandige republiek Tsjecho-Slowakije met hoofdstad Praag, de stad waar Kafka na zijn dood in het sanatorium Kierling bij Wenen in 1924 zou worden begraven. Kafka leefde in een tijdperk waarin de definitieve breuk met het ‘oude’ Europa, het Europa van de grote monarchale staten, bezig was zich te voltrekken. Hij was de zoon van Joodse migranten die zich, door de verhuizing van het platteland naar de stad, hadden ontwikkeld van ongeëmancipeerde tweederangs Joden van het keizerrijk tot semi-geassimileerde bourgeois. Deze integratie in het Praagse leven was geslaagd doch toonde zich ook fragiel en met name voor de Duitse en Tsjechische bevolking was de Joodse gemeenschap een vreemde en moeilijk te accepteren onderdeel van de Praagse maatschappij. Kafka bezocht een Duitstalige Joodse school, leerde daar Latijn en Grieks en maakte kennis met de Europese cultuur die toen zowel bestond uit Grillparzer (Oostenrijk), Goethe en Kleist (Duitsland) alsook uit Dickens (Engeland), Flaubert (Frankrijk) en Dostojevski (Rusland) (Preece 2002, 5). Ook na zijn schooltijd was Kafka’s wereld groter dan het Habsburgse Rijk door de reizen die hij ondernam en de internationale contacten die hij onderhield, waardoor hij ook te maken kreeg met de vele, vaak tegengestelde bewegingen, die zich in alle lagen van de Europese maatschappij voordeden. Binnen de grenzen van de Dubbelmonarchie was de macht in handen van een nationale minderheid, de Oostenrijkers, en in mindere mate van de Hongaren en de Duitsers. De meerderheid, de Slavische (Tsjechen, Slowaken en Polen), Italiaanse en Roemeense

Figuur 6. De Dubbelmonarchie en het Duitse Rijk rond 1871

Metamorfose in de Maatschappij

4.5
bevolking stond in dienst van de adel en de geestelijkheid: de aristocratisch-klerikale ambtenarenwereld. De perceptie van Kafka op dit systeem is terug te vinden in zijn beschrijving van personages die zoeken naar volledigheid en die autoriteit beleven als iets dat los staat van verantwoordelijkheid (Preece 2002, 3). Het absurde in veel situaties en structuren van Kafka’s werk representeert vaak het onzinnige van het systeem waarin hij zich bevond. Hij schreef vanuit het standpunt van de burger die zich uitgeleverd wist aan een ondoordringbaar bureaucratisch apparaat dat gecontroleerd werd door instanties die onzichtbaar bleven voor de uitvoerende organen. Kafka leverde hiermee kritiek op het staatsapparaat zoals dat was ontstaan vanuit de grote veranderingen van de 19de eeuw zoals de bevolkingsgroei en de industriële revolutie. De staat vormde een anonieme machinerie, onpersoonlijk en vervreemdend van karakter, een autonoom bureaucratisch systeem, dat een doel op zich geworden was. Wat hem obsedeerde was de angst voor massaliteit, de wijze waarop de mens zichzelf vervreemdt van de vorm van het gemeenschappelijk leven. Na een eerste semester germanistiek en kunstgeschiedenis, studeerde Kafka rechten waarna hij tot aan zijn vervroegd pensioen in 1922 als semi-ambtenaar voor een verzekeringsmaatschappij werkte. In 1908 publiceerde hij voor het eerst teksten in een literair tijdschrift. In 1912 schreef hij Das Urteil, Die Verwandlung en het grootste gedeelte van Der Verschollene. In 1914, ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, maakte hij een begin met Der Prozeß, een boek dat hij pas zou voltooien in 1925. In 1926 schreef hij Das Schloß.

4.6
Kafka’s Die Verwandlung, uit 1912, verhaalt over een zoon wiens gedaanteverwisseling in een onmenselijk creatuur, een soort van tor, zorgt voor een verbanning uit de maatschappij en een verwijdering van zijn familie. De transformatie van de handelsreiziger in stoffen Gregor Samsa in een insect, heeft al plaats gevonden vóór de eerste zin van de novelle en de lezer wordt daar direct van op de hoogte gebracht: “Toen Gregor Samsa op een ochtend uit onrustige dromen ontwaakte, bleek hij in zijn bed in een reusachtig monster te zijn veranderd.” (Kafka 1999, 7). De vragen over het waarom of de schuld van de verandering worden niet gesteld of beantwoord en ook Gregor zelf neemt de situatie zoals die zich voordoet om van daaruit zijn vervolgstappen te overwegen. Zijn eerste zorgen betreffen zijn werk waarvoor hij, bij het ontwaken, reeds te laat is. Het eerste deel van het verhaal is dan ook te lezen als vertellend over de relatie van Gregor tot zijn professie. Het tweede deel gaat over Gregor en zijn relatie tot zijn familie en het laatste deel over de relatie tot hemzelf (Politzer 1962, 65). De drie delen volgen elkaar chronologisch op en zijn met elkaar verbonden door de lotsbestemming van Gregor, die tot het einde van het verhaal een raadselachtige figuur blijft. Het eerste deel wordt beheerst door de ruimte, de kamer van Gregor zelf, en de tijd. De tijdspanne vormt vanaf pagina één een leidende structuur voor de gebeurtenissen van net na zijn gedaanteverandering, weergegeven door de wekker op het nachtkastje. Hiermee wordt zowel het professionele leven gesymboliseerd dat is verbonden met de structuur van de tijd alsook het fatalistische karakter van de situatie (Politzer 1962, 66). “Hij keek op de wekker die op zijn nachtkastje tikte. (…) Het was halfzeven en de

Metamorfose in de Maatschappij

4.7
wijzers liepen rustig verder.” Hier vertelt de tijd zichzelf en ieder handelen van het insect wordt begeleid met mededelingen over de tijd. “Voor het kwart over zeven slaat, moet ik beslist helemaal uit bed zijn. Bovendien zal tegen die tijd ook wel iemand van de zaak komen om naar me te vragen (…) want over vijf minuten was het kwart over zeven – toen er aan de voordeur werd gebeld. ‘Dat is iemand van de zaak.’” (Kafka 1999, 12). Hier verschijnt de procuratiehouder van het bedrijf aan de deur van het appartement, waarmee de onmenselijke stiptheid van het werk én het veranderende tijdperk wordt geïllustreerd. Aan de ene kant is de betrokkenheid van de baas te interpreteren als een patriarchale houding, terwijl Gregor aan de andere kant te lijden heeft onder de uniformiteit die inherent is aan de organisatie van het kapitalisme. Gregor werkt als verkoper voor deze zaak omdat zijn vader een schuld heeft bij dit bedrijf. Deze verbintenis geeft een menselijke verhouding aan het werk van Gregor, maar maakt hem ook tot slaaf van de omstandigheden waar hij alleen aan kan ontsnappen door gedaanteverwisseling. In het eerste deel van het verhaal zou de metamorfose nog een imaginaire vlucht kunnen voorstellen maar, wanneer het Gregor lukt de deur van zijn slaapkamer te openen en hij oog in oog staat met zijn familie en de procuratiehouder, wordt deze optie door de reactie van de omgeving tenietgedaan. Al eerder is gebleken dat het stemgeluid van Gregor, hoewel hij zelf nog in staat is zijn eigen spreken te verstaan, door de buitenwereld niet langer wordt begrepen. In eerste instantie had dit bij zijn familie een ongerustheid veroorzaakt over zijn welzijn, maar bij het zien van het insect in de deuropening slaat de bezorgdheid om in ontzetting en angst jegens het ongedierte

4.8
en zijn vader drijft hem met geweld terug tussen de vier muren van zijn kamer. De segregatie van de wereld is hiermee een feit geworden. Het tweede deel wordt gekenmerkt door de het langzaam verdwijnen van de tijd. Het eerste deel beschrijft een enkel uur, vanaf het ontwaken van Gregor tot aan het moment dat hij buiten bewustzijn raakt door de hardhandige behandeling van zijn vader. Nu wordt er alleen nog gesproken over ‘later’, ‘snel’ en ‘dagelijks’ en de wekker op het nachtkastje lijkt te zijn verdwenen. Zijn hele leven ondergaat een metamorfose: zijn onmiskenbare ritme, gedicteerd door het professionele leven, is vervaagd tot de vormeloze tijd van een gevangene in zijn cel en de sleutel, die zich aan het begin van de episode nog aan de binnenkant van de kamer bevond wordt nu door de familie gebruikt om Gregor in zijn kamer op te sluiten. Vanaf de confrontatie met de hele familie op de eerste dag is het alleen nog de zuster van Gregor die zich in zijn kamer waagt. Hoewel ook zijn moeder de wens heeft hem te bezoeken wordt zij daarvan weerhouden door zijn zuster en zijn vader. De kokkin heeft ontslag genomen en de familieleden zorgen ervoor niet alleen met het insect in huis te zijn. Gregor zelf wordt gezien als de schuld van al het onheil en met zijn fysieke aanwezigheid verwordt hij tot de uitwas van het gezin dat moet worden geïsoleerd en afgeschermd van de buitenwereld. Via een spleet in de deur volgt Gregor de reactie van de familie op zijn metamorfose en het blijkt dat zijn vader ondanks de schulden van de familie geld, door Gregor verdiend, apart heeft gelegd (Kafka 1999, 29). Tot het moment van escalatie, wanneer zijn zuster besluit het meubilair uit de kamer te verwijderen om Gregor meer ruimte te geven over

Metamorfose in de Maatschappij

4.9
de muren te kruipen, hebben de verhoudingen in het huis zich tot een zeker evenwicht gevormd. De zuster heeft de verzorging van het insect op zich genomen en hij probeert haar taak te verlichten door zich zo goed mogelijk te verbergen. In eerste instantie apprecieert Gregor het plan van zijn zus de kamer leeg te halen, echter door de betrokkenheid van zijn moeder, die het leeghalen van de kamer herkent als het wegnemen van menselijkheid, ontstaat een keerpunt in de houding van Gregor naar zijn familie. De zus van Gregor is niet langer de zuster maar wordt Grete en de bedoelingen van de omgeving worden niet langer vanuit een positieve perceptie geïnterpreteerd. Dit brengt de gebeurtenissen in een stroomversnelling en met de thuiskomst van de vader, die voor Gregor een nauwelijks te herkennen verandering heeft ondergaan, ontaardt de ontmoeting voor de tweede maal in een gewelddadige situatie. In dit deel blijken alle familieleden een eigen metamorfose te hebben ondergaan in reactie op de aanwezigheid van een levensgroot insect in huize Samsa. Als eerste heeft de zuster, Grete, door de verantwoordelijkheid die zij op zich heeft genomen ten aanzien van de verzorging van Gregor, als een ‘zuster’ in de Christelijke zin van het woord, waardering verkregen van haar ouders die haar voorheen zagen als een ‘enigszins nutteloos meisje’ (Kafka 1999, 33). Deze waardering maakt haar zelfverzekerd en gretig haar autoriteit te gebruiken en zij verandert van de zuster in de dochter van de vader. De moeder, in het begin nog symbool van de hoop, wordt gaandeweg het verhaal steeds meer een verlengstuk van de vader, waarmee ze verwordt van moeder tot mevrouw Samsa (Politzer 1962, 69). In de vader is de gedaanteverwisseling zelfs uiterlijk herkenbaar: “Nu

4.10
stond hij anders behoorlijk rechtop, gekleed in een stram blauw uniform met gouden knopen (…); boven de hoge, stijve kraag van zijn jas puilde een stevige onderkin uit; onder zijn borstelige wenkbrauwen schitterde een sterke en oplettende blik in zijn zwarte ogen; zijn anders zo verwarde witte haar was in een pijnlijk precies, glanzend model met scheiding gekamd.” (Kafka 1999, 40). Door het wegvallen van de kostwinner heeft de heer Samsa zich genoodzaakt gezien, na vijf jaar werkeloos thuis zitten, weer een baan te zoeken waardoor hij geestelijk en fysiek een grote verandering heeft ondergaan. Na de tweede confrontatie met de familie begint het derde deel dat eveneens zal eindigen in een climax, namelijk die van Gregor’s dood. Dit gedeelte verhandelt over de relatie tussen Gregor en zijn familie vanuit de perceptie van Gregor zelf. De dagelijkse verzorging van Grete wordt beperkt tot het minimum en de leeggehaalde kamer wordt nu gebruikt voor alle overbodige spullen in het huishouden. De kamer van Grete wordt verhuurd aan drie onderhuurders en de dienende positie die de familie aanneemt ten aanzien van de onderhuurders maakt hun ongeluk compleet. Gregor trekt zich in dit deel terug in een eigen gedachtewereld, gebaseerd op karige herinneringen uit het verleden en fantasieën over een verbondenheid met zijn zuster en wrok jegens zijn familie. Hij krijgt steeds minder belangstelling voor de gebeurtenissen in het huishouden. Hierdoor mist hij ook zijn laatste gelegenheid tot het hebben van menselijk contact, geboden door de nieuwe werkster die door de familie is aangesteld. Nadat opnieuw een ongedefinieerde tijd is verstreken komt Gregor op een avond voor de derde maal oog in oog te staan met de familie in het bijzijn van de onderhuurders. Er is net gegeten en Grete

Metamorfose in de Maatschappij

4.11
fêteert de onderhuurders op vioolspel. Aangetrokken door de muziek waagt Gregor zich in de woonkamer, waarmee de verhoudingen in het gezin pijnlijk duidelijk worden. Grete is degene die de situatie onder woorden brengt: “Ik wil ten overstaande van dit ondier niet de naam van mijn broer uitspreken en zeg daarom alleen: we moeten proberen ervan af te komen.” (Kafka 1999, 53). Met deze totale ontkenning door zijn familie is Gregor in staat zijn eigen verlangens, die zich nog altijd richten op zijn zuster, te onderkennen. De daaropvolgende dood van Gregor, gecrepeerd door gebrek aan voedsel en uitputting, moet niet worden gezien als een heroïsche opoffering voor het gezin of als een vredig einde, maar veeleer als leeg en inhoudsloos: het einde van de episode (Politzer 1962, 79). De epiloog toont de familie Samsa de dag na Gregor’s dood. Ze ondernemen een uitje met de tram - sinds de metamorfose zijn ze niet meer gelijktijdig van huis geweest - en bespreken de toekomst die hen opeens veel lichter toeschijnt. Het insect is verwijderd, de werkster ontslagen en de onderhuurders de huur opgezegd. De natuur lijkt zich bij hun lichtzinnigheid aan te sluiten en voor het eerst in de novelle schijnt de zon. Een sinistere tijd lijkt te hebben plaatsgemaakt voor een blijde en vrije toekomst. Het verhaal dat begon met Gregor’s onrustige dromen wordt afgesloten met nieuwe dromen waarin de ouders vooruitlopen op een bourgeois leven in een beter appartement dan het oude, nog door Gregor uitgezocht. De verandering van Grete lijkt echter de meest opvallende en het is alsof haar metamorfose wordt voltooid door de krachten van de vroege lente. Voor Kafka was het onbespreekbaar het uiterlijk van het insect in beelden te verta-

4.12
len. In de oorspronkelijke tekst wordt het woord ‘Ungeziefer’ (ongedierte) gebruikt, in het Engels is dit vertaald met ‘bug’ (insect) terwijl de Nederlandse vertaling ‘monster’ gebruikt. Voor Kafka was het lot van Gregor een ‘on-gebeurtenis’, niet te vangen in een tekening of een exacte omschrijving van het soort insect. De donkere kamer en het vervreemdende creatuur daarbinnen vormen enerzijds het centrum van het verhaal en anderzijds de onvatbaarheid van de kracht die de metamorfose tot stand bracht. Het vervreemdende karakter stijgt hiermee uit boven het subject in zichzelf. Er is een overweldigende hoeveelheid secundaire literatuur over Kafka beschikbaar, zowel biografisch, bibliografisch als beschouwend, ten aanzien van zijn leven en schrijven. Ook over de novelle Die Verwandlung is uitputtend geschreven, zoals al in 1973 geïllustreerd door Stanley Corngold in het boek The Commentator’s Despair en het verhaal leent zich voor een diversiteit aan interpretaties. Zoals de tekst kan worden gelezen vanuit het leven van de schrijver zelf (Corngold 1973, 83) of als een voortdurende hallucinatie van Gregor Samsa (Corngold 1973, 84) wordt in deze verhandeling de waarde van de metamorfose als zodanig en de toepassing ervan als metafoor benadrukt. Om deze waarde te kunnen bepalen zal eerst de essentie van de metamorfose, zoals die door Kafka is toegepast, moeten worden ontleed. De meest in het oog springende analyse is de vorm van metamorfose, zoals al kort beschreven in het eerste hoofdstuk, die zich laat opdelen in twee opeenvolgende veranderingen. De eerste, de gedaanteverwisseling van Gregor in een insect, is aan te duiden als een verandering van het subject

Metamorfose in de Maatschappij

4.13
van a naar b, waarbij a de beginvorm representeert en b de gedaante van het subject na de modificatie. Deze overgang van a naar b is een vervreemdende metamorfose, geënt op de klassieke vorm waarin het subject in het b stadium op zich geen vreemd element is, maar gekoppeld aan de overgang van het subject vanuit stadium a het metafysisch karakter heeft verkregen. Het buitengewone zit niet besloten in de vormen van a en b afzonderlijk, maar onthult zich juist in de opeenvolging van de twee stadia en de essentie die beiden doet behoren tot hetzelfde subject. Het vervreemdende karakter van de eerste metamorfose zorgt voor een deregulatie van de omgeving waarin de gedaanteverwisseling zich voltrekt. Deze omgeving wordt bij Kafka belichaamd door de vader, de moeder en de zuster. Zij worden gedwongen tot een aanpassing aan de omstandigheden en zullen in het kielzog van de eerste metamorfose zelf ook een metamorfose ondergaan, zij het niet alleen in uiterlijke vorm, zoals bij Gregor, maar ook in houding en karakter. De wijzigingen in de omgeving kunnen, in navolging van de eerste metamorfose, vóór de verandering worden benoemd als Xn en vervolgens in het nieuwe stadium Yn. Iedere verandering van de omgeving behoort tot dezelfde verzameling Xn in Yn, maar binnen de verzameling is er sprake van een reeks van separate alteraties. Als metamorfose x1 in y1 definiëren we de mentale verandering en het uiterlijke opbloeien van de zuster van Gregor. In eerste instantie is zij niet meer dan de-zuster-van, de ‘zuster’ in de christelijke zin van het woord. Voor haar ouders is ze onopvallend en onbeduidend, nutteloos zelfs, en ze bestaat uit de gedachten die Gregor over haar heeft. Door de metamorfose van Gregor

4.14
ontstaat de taak het insect te verzorgen en Grete neemt deze taak op zich. Door deze gedwongen verantwoordelijkheid worden haar potenties zichtbaar en is ze in staat deze verder te ontwikkelen door eerst een baan te zoeken, in de avonduren te studeren en uiteindelijk in de epiloog, aan haar ouders te verschijnen als een volwassen en huwbare jonge vrouw. De metamorfose x2 in y2 is de verandering van de vader die hij ondergaat door het wegvallen van de kostwinner. Het geld werd voorheen door Gregor verdiend en de heer Samsa had zich in zijn toestand van oude en zwakke man laten sterken. Wanneer duidelijk wordt dat met het continueren van deze houding de familie na twee jaar op straat zal staan, arm en behorend tot het overschot van de samenleving, treedt er een kentering op, zoals gesymboliseerd in het pak en de houding van de man, en gaat de heer Samsa weer aan het werk als bankbediende. De metamorfose van de moeder, x3 in y3, is de minst zichtbare. De moeder volhardt lange tijd, zich daarmee kerend tegen de mening van de vader en de zuster, in het idee dat het insect in de kamer van Gregor, Gregor zelf is. Zij vormt daarmee het contact van Gregor met de menselijke wereld en wanneer zij haar verzet opgeeft en een verandering ondergaat van moeder in mevrouw Samsa wordt ook de metamorfose van Gregor onomkeerbaar. Naast de persoonlijke alteratie die ieder familielid ondergaat is er ook een algemene houding ten aanzien van het ongedierte waarneembaar. In eerste instantie, als de metamorfose van Gregor nog niet zichtbaar is voor de familie, heerst er onrust over de verstoring van het dagelijks ritme in het appartement van de familie Samsa, maar is er ook nieuwsgierigheid naar de aard van het

Metamorfose in de Maatschappij

4.15
gebeuren en bezorgdheid over de fysieke gesteldheid van Gregor. Deze bezorgdheid richt zich op Gregor zelf, maar ook op de vraag of hij wel in de gelegenheid zal zijn om naar zijn werk te gaan. De procuratiehouder kan immers ieder moment op de stoep staan en de hele familie is afhankelijk van het loon van Gregor. Maar bij de eerste confrontatie met het insect slaat deze bezorgdheid om in ontzetting, ontreddering en afschuw. De inmiddels gearriveerde procuratiehouder vlucht weg bij de aanblik van deze onmenselijke situatie en komt in de loop van het verhaal ook niet meer terug. Het gebeuren is zo vervreemdend dat men lijkt te hebben besloten het bestaan van Gregor te vergeten. De aanvankelijke nieuwsgierigheid van de familie naar hetgeen zich achter de gesloten deur afspeelde slaat om en men doet er nu alles aan om Gregor weer in zijn kamer te krijgen om hem zo aan het zicht te onttrekken en zijn bewegingsvrijheid te beperken. Vanaf de ontdekking van het ongedierte wordt het hele huishouden ingericht op het verbergen van het insect voor de buitenwereld. De familieleden zorgen ervoor dat er altijd twee mensen in het appartement aanwezig zijn waardoor het gezin niet alleen Gregor gevangen houdt, maar ook de eigen vrijheid beperkt. Met het verlopen van de tijd wordt hij niet alleen afgeschermd maar ook ingekapseld en uiteindelijk langzaam verstikt in stof, afval en restspullen. Echter pas op het moment dat de familie de gedachte aan Gregor niet langer verbindt met het insect in de kamer, verdwijnt Gregor volledig en sterft hij, de familie in haar nieuwe gedaante achterlatend. Dat Gregor sterft komt niet alleen voort uit het gedrag van het gezin maar is ook terug te voeren op zijn eigen reflectie. Gespeend van enig menselijk contact wordt

4.16
de buitenwereld steeds minder belangrijk en doorziet hij uiteindelijk de leegte van zijn eigen leven waardoor hij sterft. De auteur van Die Verwandlung is Kafka, echter degene die de eerste metamorfose toedient is overduidelijk onbekend. De oorzaak van de tweede metamorfose, de veranderingen van Xn in Yn, is wel te definiëren. Deze modificaties vinden plaats door de drastische situatiewijziging die de eerste metamorfose veroorzaakt en die de familie dwingt tot verandering. Kafka schrijft binnen de context van zijn tijd, de Dubbelmonarchie, en hij staat kritisch tegenover de maatschappelijke situatie waarin hij zich bevindt. In het literaire werk van Kafka komt deze maatschappijkritische houding bijna zonder uitzondering naar voren, bijvoorbeeld in de manier waarop hij schrijft over het rechtssysteem, over autoriteit en over het bureaucratisch appa- • De Spaande filmreLouis Buñuel, raat. In Die Verwandlung stelt gisseur die leefde van 1900 tot Kafka op een bijna Beñuel-ach- 1983, leverde in zijn werk op surrealistische tige• wijze de kleinburgerlijk- wijze kritiek op de burheid van de hem omringende gerlijke maatschappij. samenleving aan de kaak. Kafka gebruikt als het ware de tweede metamorfose om commentaar te leveren op de hem omringende maatschappij. Thema's als arbeidsverhouding, autoriteitsgevoeligheid, status, het ophouden van schone schijn: ze passeren allemaal de revue. Het gaat hierbij niet om een bepaalde politieke doctrine, maar om een geestestoestand en een kritische sensibiliteit ten aanzien van het apparaat. Gregor is geen positieve held en de verandering van de familie is geen toekomstutopie: wat Kafka laat zien is de toestand van ontbinding van zijn tijd. Kafka plaatst een zijnstoestand in het perspectief van een groter geheel en hij positioneert het individu tegenover de soevereine machten.

Metamorfose van de Metropolitaanse Mens

5.1
Om het essay van Simmel, Die Großstädte und das Geistesleben, over de verandering van de metropolitaanse mens vanuit de metafoor van de metamorfose te kunnen bekijken is een korte introductie over Berlijn aan het eind van de 19de eeuw en de Industriële Revolutie in het algemeen gewenst. Hierna volgt een toelichting op het essay zelf met een beschrijving van de belangrijkste bevindingen van Simmel om deze bevindingen vervolgens te staven aan metamorfose.

5.2

gaf een grote impuls aan de economie. In het Ruhrgebied, Saksen en rondom Berlijn ontstonden industriegebieden met talrijke nieuwe fabrieken. Aan goedkope arbeidskrachten, afkomstig van het platteland, was geen gebrek. De doorbraak van Duitsland als een moderne industriestaat kwam aan het einde van de negentiende eeuw met de zogenaamde tweede Industriële Revolutie. In de periode 1890-1914 verdubbelde de industriële productie in Duitsland. Bedrijven als Siemens, Bayer en Hoechst zijn in deze jaren groot geworden. De bevolking groeide Georg Simmel leefde van 1858 tot 1918 en hij publiceerde de tekst waar het hier om explosief, van 49 miljoen in 1890 naar 67 zal gaan in 1903, negen jaar vóórdat Kafka miljoen in 1914. Tevens vond er een grote Die Verwandlung schreef. Het trek van het platteland naar de steden plaats. tijdsbeeld dat in het hoofdstuk over Kafka wordt geschetst Ook in Berlijn was deze groei geldt grotendeels ook voor Simvan de bevolking overweldigend en in 1900 telde de stad ommel, opgevoed door een tot het christendom bekeerde Joodse streeks twee miljoen inwoners. moeder en een Duitse vader, Simmel maakte deze overgang echter Simmel werd geboren van stad naar metropool bewust in Berlijn, toentertijd één van mee. Berlijn was in het begin van de 20ste eeuw de stad van het de meest levendige steden van Europa. Na de Frans-Pruisische nieuwe rijken die hun geld veroorlog wordt in 1871 Wilhelm I dienden dankzij de industrialivan Pruisen in Versailles uitgesatie. Onder aanvoering van Der roepen tot Keizer van Duitsland Kaiser was Duitsland bezig zijn Figuur 7. Georg Simmel, 1858 - 1918 achterstand op de oude rijken met Bismarck als rijkskanselier waarbij Berlijn de rijkshoofdstad wordt van Engeland en Frankrijk in te lopen. Keizer het Duitse Rijk (Haywood 2001, 5.11) (zie Wilhelm II (1890 – 1918) wilde Londen en Figuur 6). De Industriële Revolutie, begonParijs naar de kroon steken in zijn tomeloze nen aan het eind van de 18de eeuw in het drang om van Berlijn het centrum van de wereld te maken. Talloze monumenten vernoorden van Groot-Brittannië dankzij de grote voorraden steenkool aldaar, had in rezen met verwijzingen naar de Gotiek en het midden van de 19de eeuw ook rondom Barok in een zwaar geromantiseerde vorm, Berlijn en Frankfurt zijn intrede gedaan. In zoals in de Wilhelms Dom die werd voltooid 1835 werd de eerste spoorweg in Duitsland in 1905. De hele Europese bouwgeschiedeaangelegd tussen Nürnberg en Fürth en nis werd in een paar jaar binnengehaald. dertien jaar later lag er 5000 kilometer rails. Sommige buurten leken een Europese Het ontstaan van een goede infrastructuur koortsdroom: villa’s in Assyrische stijl, Ve-

Metamorfose van de Metropolitaanse Mens

5.3
netiaans, Parijs of stijlen uit München. Het Pruisische Rijk strekte zich uit van de Elzas tot aan de Zwarte Zee en de bedrijvigheid die door de overactieve Wilhelm II in gang was gezet uitte zich niet alleen in een grote impuls voor de ontwikkeling van kunst en cultuur, maar ook in een razendsnelle opbouw van een Duitse leger- en zeemacht. Door de vele economische vluchtelingen die van het Oost-Europese platteland naar Berlijn trokken ontstond een smeltkroes van politieke en ideologische bewegingen. De volksbuurten waren overbevolkt en gemiddeld leefden er vijf personen op één kamer. Toch leek alles en iedereen omhoog te streven, slechts weinigen keken naar beneden. Binnen deze consternatie konden zich enerzijds allerlei uitingen van de klassenstrijd en anderzijds sterk nationalistische tendensen ontwikkelen. Het beeld van Simmel over de metropool is op deze onstuimige ontwikkelingen in Berlijn gebaseerd. Voor Simmel was de grootstad een web of netwerk van kruisende sferen waarin werkgelegenheid, distributie, communicatie, economie, handel en het intellectuele- en culturele leven elkaar voortdurend raken. Simmel studeerde geschiedenis, volkerenpsychologie, kunstgeschiedenis en wijsbegeerte. Hij is bekend geworden als socioloog en dan vooral als grondlegger van wat men de formele sociologie is gaan noemen. Maar zijn invloed reikt ook buiten het sociologische kader en doet zich gelden in de psychologie, de filosofie, de mentaliteitsgeschiedenis en zelfs in de architectuur (Claes 1998, 1). Echter wat hem uitzonderlijk maakt is zijn betrokkenheid bij de ontwikkeling van een 20ste eeuwse doctrine over de moderniteit (Berman 1993, 28). Deze betrokkenheid toont ideeën die Sim- zich in de theoretische weerslag

5.4
van ervaringen die Simmel in veel van zijn werken vastlegt en waarin de kenmerken van de moderne periode blijken. In de tekst Die Großstädte und das Geistesleben•, in 1903 verschenen in het Jahrbuch der Gehe-Stiftung, geeft Simmel antwoord op de vraag hoe het individu zich verhoudt tot de cultuur van het moderne leven. De mens, zo stelt hij aan het begin van zijn essay, heeft als individu altijd in conflict verkeerd met het generieke van de natuur en in het moderne leven kan dit worden gezien als de houding van het individu ten opzichte van de soevereine machten (Simmel 1997, 175). In de 19de eeuw werd naast eigen vrijheid ook gezocht naar de individualiteit van de mens, waarmee vanzelfsprekend ook de status van de ander moest worden bezien; alleen via de complementaire activiteit is de eigen individualiteit te beschouwen. Met de industrialisatie van het arbeidsproces neemt het persoonlijk verzet tegen het sociaaltechnologisch mechanisme dat de individualiteit van de mens neerhaalt, toe. Om de moderne aspecten van het contemporaine leven te onderzoeken moet de relatie tussen de persoonlijke hoedanigheid en die welke deze individualiteit overstijgt worden bekeken. De psychologische achtergrond waartegen de metropolitaanse individu zich aftekent is de intensivering van het emotionele leven in de grootstad. Het brein van de mens functioneert door het registreren van verschillen tussen elkaar opvolgende stimuli van buitenaf. Indrukken die voortdurend aanhouden met weinig verandering, stimuli die zich gewoontegetrouw en regelmatig voordoen, zoals in een rurale omgeving, kosten minder mentale energie dan de snel wisselende indrukken die zich naar binnen

De mel in Die Großstädte und das Geistesleben introduceert zijn grotendeels gebaseerd op zijn werk Philosophie des Geldes uit 1900.

Metamorfose van de Metropolitaanse Mens

5.5
dringen in de psychologische conditie van de metropool. Hiermee maakt Simmel een indringend onderscheid tussen het niveau aan indrukken in de grootstad en het meer soepele ritme van de zintuiglijke indrukken in de stad of in het rurale bestaand (Simmel 1997, 175). In de kleine stad is het karakter van het mentale leven gebaseerd op emotionele relaties, gerelateerd aan het onderbewuste deel van het verstand dat werkt naar aanleiding van ononderbroken gewoonten. De rede, de meest aanpasbare van onze innerlijke krachten, bevindt zich in het bewuste deel van het verstand en wordt aangesproken op het moment dat indrukken zich in een hoog tempo gaan voordoen. Hierdoor creëert het metropolitaanse type een beschermende uiterlijkheid tegen de vele indrukken vanuit het externe milieu en in plaats van emotioneel, reageert de grootstedeling in hoofdzaak op een rationele manier die meer afstaat van zijn persoonlijkheid. Deze intellectuele reactie schermt zo het innerlijke leven af van de dominantie van de metropool. Simmel ziet de metropool als het centrum van de kapitalistische geldeconomie, die door de noodzaak van een concentratie van commerciële activiteiten niet op het platteland had kunnen ontstaan (Simmel 1997, 176). Eveneens is er een overeenkomst vast te stellen tussen de geldeconomie en het overwicht van het intellect in de metropolitaanse mens in de formele waardering van goederen, mensen en situaties. Iedere emotionele relatie tussen personen is gebaseerd op individualiteit, terwijl een intellectuele verstandhouding de ander benaderd als één van velen, als een nummer, zoals ook de directe verhandeling van goederen is gebaseerd op een emotionele basis, terwijl de metropool wordt voorzien door een anonie-

5.6
me marktgerichte productie. De psychologisch-rationele houding en de geldeconomie zijn zo nauw aan elkaar verwant dat niet is uit te maken of het ene aanleiding gaf tot het ander of juist andersom. Het wegen en tellen van de economie is ook in het verstand van de mens opgenomen, zoals zichtbaar in de telbare exactheid van de tijd. Deze exactheid heeft weer zijn weg gevonden naar het ideaal van de natuurwetenschappen, namelijk het transformeren van de wereld in formules en een telbaar geheel. Dezelfde factoren die deze exacte en precieze manier van leven teweeg hebben gebracht, hebben tevens geleid tot een structuur van onpersoonlijkheid: het psychische fenomeen van de ‘blasé outlook’, de afgestompte- en ongevoelige houding, de blasé zienswijze (Simmel 1997, 178). Een leven gebaseerd op constante indrukken maakt een mens blasé doordat de voortdurende stimulatie van de zintuigen en de reactie daarop van het verstand, uiteindelijk leiden tot het afnemen van de reactiviteit zelf. Door aanhoudend in een dergelijk milieu te verblijven ontstaat een onvermogen om met de gewenste energie te kunnen reageren op nieuwe situaties. Dit kan worden gezien als de psychologische bron van de blasé zienswijze. Daarnaast is er de invloed van de geldeconomie die ervoor zorgt dat de verschillende waarden van dingen niet langer kunnen worden beoordeeld op een emotionele basis, waardoor alles wordt ervaren als onecht en allen aan elkaar gelijk. Het kleurloze en alles gelijkmakende geld wordt dan het middel waarmee de dingen hun betekenis verkrijgen (Claes 1998, 93). Dit is wat Simmel de blasé zienswijze van de metropolitaanse mens noemt. Om als mens in de metropool, ondanks dit psychisch fenomeen, toch te kunnen functioneren is er

Metamorfose van de Metropolitaanse Mens

5.7
vanuit zelfbehoud een ‘reserve’ ontstaan die stimuli al bij voorbaat tegenhoudt. Het is deze reserve die er voor zorgt dat contacten niet langer zijn gebonden aan de directe leefomgeving, maar worden gebaseerd op een hiërarchie van sympathie en verschillen. Simmel beschrijft hiermee een nieuw soort individualisme dat is ontstaan door de grote hoeveelheid aan kwantitatieve relaties in de metropool. Er is zowel aandacht voor individuele vrijheid alsook voor de individualiteit zelf. Vanuit historisch oogpunt kan individualiteit in de 18de eeuw gezien worden als het verschil tussen tegenovergestelde verbintenissen, politiek, agrarisch of religieus van karakter, waarbij de ene identiteit staat tegenover de ander. In de 19de eeuw ontstaat door de classificatie van arbeid, zoals ook Foucault later zou beschrijven, een reflexiviteit die het individu onthult ten overstaan van het grotere geheel (Simmel 1997, 185). De metropool blijkt, volgens Simmel, de condities te bezitten waarin dit nieuwe individualisme kan bestaan. Net als Foucault maakt ook Simmel geen gebruik van de term metamorfose om de veranderende mens in de metropool te beschrijven. Toch is hij vanwege de beschrijving van juist deze omslag in de geschiedenis van de mens opgenomen in dit betoog over metamorfosen in de maatschappij. Wat Simmel beschrijft is een immateriële metamorfose van het subject mens: van een emotioneel reagerend wezen in een intellectueel of rationeel reagerend wezen, de blasé zienswijze. De essentie van het subject zit, zoals in het eerste hoofdstuk beschreven, in het materiële karakter, in de fysieke mens, het lichaam zelf. De toedracht van de metamorfose ligt ver-

5.8
borgen in de explosieve groei van de steden en de ontwikkelingen in de geldeconomie. Deze sociale veranderingen zijn terug te voeren op de industrialisatie en de uitvinding van de stoommachine die op zijn beurt weer leidde tot de aanleg van de spoorwegen en een enorme impuls voor de infrastructuur. Is hier sprake van een kracht, een creator die de metamorfose in gang heeft gezet? Is misschien de groei van de stad de creator geweest of moeten we juist zeggen dat de Industriële Revolutie, als overkoepelende term de aanleiding was voor de verandering. Om hierover een uitspraak te doen is het niet langer de context van Simmel die van belang is, maar onze eigen context, die van het begin van de 21ste eeuw. Deze context bepaalt de interpretatie van de gedaanteverwisseling zoals dat ook bij Foucault het geval was. Wordt deze vraag over de creator vanuit een structuralistisch standpunt bekeken dan zal het antwoord inderdaad zijn dat de oorzaak van de metamorfose moet worden gezocht in dé Industriële Revolutie die dan moet worden gezien als één, de cultuur bepalende, structuur. Bezien we de metamorfose van de metropolitaanse mens echter vanuit het poststructuralisme of vanuit het postmodernisme dan ontkennen we het bestaan van dé Industriële Revolutie en kan alleen het pluralisme van de gebeurtenissen hebben geleid tot een gevolg in de menselijke psyche die op zijn beurt weer aanleiding geeft tot vele daarop volgende veranderingen. Vanuit dit standpunt is er geen eerste en op zichzelf staande metamorfose van a in b en een daarop volgende modificatie van de omgeving te onderscheiden omdat geen enkel voorval zonder zijn context kan worden bezien (vanuit het structuralisme kan de Industriële Revolutie wel als zodanig

Metamorfose van de Metropolitaanse Mens

5.9
worden omschreven). Ook kan de verandering van de psyche van de mens zelf niet als dé vervreemdende metamorfose worden gezien die daarmee een omslag in de omgeving teweegbrengt. Het is realistischer in dit geval te spreken over een verzameling van metamorfosen waarbij nog steeds de ene verandering aanleiding is voor een reagerende verandering in een constante samenhang van gebeurtenissen. Een dergelijke maatschappelijke metamorfose laat zich omschrijven als een A nBn-XnYn model. Als we het hebben over ‘distantie-in-detijd’, zoals dat eerder gedaan is bij Foucault, dan lijkt Simmel de genoemde distantie tot het onderwerp helemaal niet nodig te hebben om een adequate beschrijving te geven van de metamorfose. Echter waar het bij Foucault gaat om een cultuur omvattende orde die een periode volledig doordrenkt gaat het bij Simmel om een fenomeen dat zich plaatsgebonden, namelijk in de grootstad, voordoet, waardoor de afstand tot de metamorfose niet is gelegen in de tijd, maar in het verschil dat zich aftekent tussen de mens die wél een metamorfose ondergaat en de mens die geen metamorfose ondergaat. Evenzogoed is de registratie van Simmel en zijn vermogen de observatie reflexief te benaderen bewonderenswaardig. In het eerste deel van dit hoofdstuk werd gesproken over de bijdrage van Simmel aan de theorievorming over de moderniteit en uit verschillende delen van Die Großstädte und das Geistesleben blijkt deze sensitiviteit voor de moderne épistémè opnieuw. Het belang van arbeid, door Smith aan het eind van de 18de eeuw geïntroduceerd, wordt door Simmel overgenomen en als basis gebruikt voor zijn gedachten over de invloed van de geldeconomie op de metropolitaanse mens. Zowel in zijn gedachtebepaling als in het omgaan met zijn eigen context plaatst Simmel de verschillende onderwerpen steeds in een wijder verband waardoor hij via reflectie zijn uitspraken formuleert.

Het model van Kafka

6.1
In de voorafgaande drie hoofdstukken zijn achtereenvolgens drie auteurs besproken die elk een visie vertegenwoordigen op bepaalde vormen van maatschappelijke verandering: een filosofische (Foucault), een literaire (Kafka) en een sociologische (Simmel). Twee van hen, Kafka en Simmel, schreven hun teksten net na 1900 in het noorden van Europa (respectievelijk Praag en Berlijn), nog vóór het uitbreken van de eerste wereldoorlog. Foucault vormde zijn gedachten aangaande de verschillende épistémès in de roerige jaren ’60 in Parijs ten tijde van het opkomende poststructuralisme en postmodernisme in de filosofie. Per auteur is in eerste instantie een beschrijving gegeven van zijn specifieke context, het tijdsbeeld waarin de gedachten werden gevormd, om vervolgens de teksten te bespreken waar dit onderzoek zich op heeft gebaseerd. Het is nu van belang om nogmaals de kern en de onderlinge verschillen van de drie teksten te definiëren om al doende het kader te ontwerpen waarbinnen de conclusie zich kan vormen. Het deel waarin de archeologie van het denken van Foucault wordt besproken dient, zoals al in de inleiding is aangegeven, een tweezijdig doel. Enerzijds vormt het gedachtegoed van Foucault, zoals hij dat ventileert in zijn boek Les Mots et les Choses, de eerste basis voor het begrijpen van het a priori van het denken rond 1900. De moderne épistémè is dan ook een uitgangspunt, het kader, in dit betoog. Een épistémè beschrijft de orde die ten grondslag ligt aan het denken in een bepaalde periode en is daarmee cruciaal voor de richting die ontwikkelingen in wetenschap en cultuur, in het hele discours van de maatschappij, ondergaan. Voor de moderne periode is deze orde gebaseerd op een reflexief denken vanuit een historisch

6.2
besef, waarmee de mens centraal is komen te staan. Deze basis is terug te vinden in het werk van Kafka en Simmel en als zodanig dient Foucault hier dan ook een secundair doel. Anderzijds beschrijft Foucault met de verandering in het denken ook een diepgewortelde maatschappelijke metamorfose, een modificatie die niet concreet te beschrijven is, maar die definitiever is dan de maatschappelijke verschijnselen die zich naar aanleiding van een épistémè voordoen. De épistémè bezien vanuit de metafoor van de metamorfose is, in tegenstelling tot de moderne épistémè als denkkader, een primaire interpretatie van een maatschappelijke omslag. Het gaat hierbij om een filosofisch metamorfose, waarbij de aard van de metamorfose immaterieel is, met tevens een immateriële essentie. Hiermee vormt deze metamorfose een uitzondering op de in het eerste hoofdstuk geformuleerde eigenschappen van metamorfose door het ontbreken van een fysiek aanwezig subject dat de verandering ondergaat. Die Verwandlung van Kafka is de enige primaire bron, hier beschreven, die metamorfose als stijlmiddel toepast en het begrip metamorfose als zodanig bezigt. Het gaat hier dan ook, in tegenstelling tot de twee andere besproken teksten die zijn ontstaan vanuit een analytische denkwijze, om een literair werk, een culturele uiting, waarbij stijl, kundigheid en originaliteit van de schrijver voorop staan. Zoals in het eerste hoofdstuk al werd aangegeven heeft Kafka met zijn aandacht voor de veranderingen in de omgeving, na de metamorfose van Gregor, de betekenis van het begrip metamorfose opnieuw geïnterpreteerd. Op een eerste vervreemdende metamorfose a in b, van Gregor in een insect, volgt een reactie van de familie als een verzameling

Het model van Kafka

6.3
van metamorfosen Xn in Yn. Dit model is typerend voor de moderne periode waarin het werk is geschreven en het toont een bespiegelend karakter en een positionering in een groter geheel: kenmerken van de heersende épistémè. De novelle beschrijft het verhaal van een familie, maar raakt in feite aan de maatschappelijke veranderingen die zich vlak voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog manifesteren. Deze veranderingen waren uiterlijk nog onherkenbaar, maar zorgden in de interne verhoudingen van de maatschappij al voor verschuivingen in het denken. Bij Simmel is, net als bij Foucault, de metafoor van de metamorfose pas in dit betoog gekoppeld aan de verandering van de psyche van de metropolitaanse mens. Simmel beschrijft in het sociologisch essay Die Großstädte und das Geistesleben de modificatie van de mens die naar aanleiding van de explosieve groei van de steden een andere manier van reageren ontwikkelt ten aanzien van de toegenomen stimuli uit de omgeving. De metamorfose is hier ingebed in een verzameling alteraties die zich voordoen in de grootstad als gevolg van het industrialisatieproces dat zich in heel Europa aftekent. Deze veranderingen zijn allen onderdeel van een verzameling van gedaanteverwisselingen, het A nBn-XnYn model. In deze pluralistische reeks van metamorfosen is geen sprake van een definieerbare en vervreemdende gebeurtenis zoals zich in het model van Kafka voordoet. In het voorgaande is de wijze van interpreteren van een maatschappelijke verandering als een metamorfose gedemonstreerd. Het betreft bij een maatschappelijke verandering echter nimmer één subject maar altijd een groep van mensen, een maatschappij of een tijd. Deze observatie komt overeen met

6.4
het generieke karakter van sociologische, filosofische of andersoortige wetenschappelijke waarneming. Wetenschap interesseert zich voor algemeen geldende wetmatigheden en probeert juist het individuele karakter van een zeker verschijnsel te vermijden. Het wetenschappelijke onderzoek naar maatschappelijke veranderingsprocessen is onderdeel van een bredere context met een subject dat zich alleen collectief kan manifesteren en een metamorfose die onderdeel is van een verzameling van veranderingen, het A nBn-XnYn mode. Deze maatschappelijke metamorfose, geïllustreerd aan de hand van het essay van Simmel, heeft alleen kunnen ontstaan in de moderne épistémè waarin het reflexieve a priori van het denken tot de menswetenschappen, de wetenschap waar ook de sociologie onder valt, heeft geleidt. De nadruk op de context, de coherentie waarin de dingen zich voordoen, verklaard tevens de pluriformiteit van het A nBn-XnYn model waarbij veranderingen zich altijd verhouden tot volgende en voorgaande veranderingen. Bij een dergelijke verandering is geen creator die het proces in gang zet te definiëren doordat de reden van de modificaties ligt in de voorgaande metamorfosen. Het generieke karakter van de maatschappelijke metamorfose is in contradictie met culturele uitingen waar individuele veranderingen wél relevant zijn. Dit is geïllustreerd aan de hand van de novelle van Kafka en het ab-XnYn model dat hij als structuur van het verhaal hanteert. De individuele a in b verandering, de vervreemdende metamorfose van Gregor, wordt hier gebruikt om een verandering op micro niveau te doen ontstaan. Deze enkele gebeurtenis a in b is binnen een wetenschappelijk kader niet denkbaar en daarmee ook

Het model van Kafka

6.5
irrelevant. Bij Kafka stelt dit hypothetische model de auteur in staat de potenties en de zwaktes van de omgeving te beschrijven en daarmee in de vorm van een eigen gecreëerd laboratorium, een soort ‘speeltuin’, zelf gekozen thema’s met een maatschappelijk karakter te onderzoeken. De a in b metamorfose functioneert hiermee als initiator van de verzameling van veranderingen Xn in Yn waarmee het maatschappelijke model tot een werkbaar en manipuleerbaar model wordt omgevormd. Kafka biedt met zijn gehanteerde structuur de mogelijkheid als auteur maatschappelijke veranderingen te simuleren binnen de kaders van het abXnYn model door de toevoeging van de vervreemdende metamorfose. De veranderingen in het a priori van de épistémè zijn eerder gedefinieerd als een filosofische metamorfosen. In strikte zin is deze gedaanteverwisseling onderdeel van het A nBn-XnYn model van de maatschappelijke metamorfose echter de filosofische metamorfose beschrijft een alteratie op een metaniveau zonder een aanwijsbaar subject (individu of groep). De épistémè gaat over de lieu commun van het denken, iets dat aanwezig is nog voordat individuele gedachten bepaald worden, waardoor ook de drager van de épistémè niet als fysieke entiteit kan worden omschreven. De filosofische metamorfose is hiermee immaterieel van karakter en heeft tevens, zich distantiërend van de gestelde kenmerken van metamorfose door het ontbreken van een fysiek aanwezig subject, ook een immateriële essentie. Zoals eerder aangegeven zijn maatschappelijke modificaties waarneembaar vanuit een zekere distantie, dan wel in tijd dan wel in plaats. Bij de waarnemingen van Foucault aangaande de veranderingen in het denken was een zekere afstand in tijd noodzake-

6.6
lijk om de allesomvattende modificatie te definiëren dewijl bij Simmel de distantie voortkomt uit de beperkte manifestatie van de metamorfose. Dit stelt Simmel in staat vanuit de vergelijking van verschillende groepen mensen de metamorfose van de metropolitaanse mens te beschrijven. Het literaire model van Kafka marginaliseert de distantie tot een eigen creatie, een eerste vervreemdende metamorfose a in b die het mogelijk maakt de volgende reacties van de omgeving nauwkeurig te beschrijven. De afstand, die voor de auteur tot de verandering niet langer noodzakelijk is, wordt door Kafka vertaald in het gebruik van tijd in de drie delen van de novelle. In het eerste deel van het verhaal wordt de tijd minutieus beschreven en is ieder detail van het gebeuren van belang terwijl in het tweede en derde deel het besef van tijd steeds meer lijkt op te lossen. De sequentie van gebeurtenissen volgt elkaar in een steeds lager tempo op tot deze helemaal stil komt te staan met het creperen van Gregor. Resumerend zijn hier drie metamorfosen beschreven, de maatschappelijke metamorfose, de filosofische metamorfose en de metamorfose van Kafka. Zowel de filosofische metamorfose als de metamorfose van Kafka zijn een specificatie van de maatschappelijke metamorfose.

Bibliografie

7.1
Boeken: Berman, M. All that is Solid Melts into Air; The Experience of Modernity. London: Verso, 1993 (1ste druk: 1982) Claes, T. Georg Simmel; Moraalfilosofie van de Moderniteit. Assen: Van Gorcum & Comp, 1998 Deleuze, G. & Guattari, F. Kafka: Towards a Minor Literatur. vert. D. Polan. Minnesota: University of Minnesota Press, 1986 (1ste druk: 1975) Foucault, M. De woorden en de Dingen; een Archeologie van de menswetenschappen. vert. Heering-Moorman, C. P. Bilthoven: Uitgeverij Ambo bv, 1973 Goethe, J.W. von. & Schuster, J. (ed.). Die Metamorphose der Pflanzen. 1790. Berlijn: Junk, 1924 Haywood, J. (red.) Altas van de Wereldgeschiedenis. vert. Ridder, de R. Abcoude: Uitgeverij Unipers, 2001 Kafka, F. Metamorfose; Vertellingen. vert. Boesten, W. Groningen: BoekWerk, 1999 Molitor, J. Franz Kafka; Zijn Tijd en Zijn Werk. ’s Gravenland: Uitgeverij De Driehoek, 1979 (1ste druk: 1951) Ovidius, Metamorphosen. vert. D’HaneScheltema, M. Amsterdam, Atheneum-Polak & Van Gennep, 2008 (1ste druk: 1993) Politzer, H. Franz Kafka; Parable and Paradox. Ithaca: Cornell University Press, 1962 Preece, J. (ed.) The Cambridge Companion to Kafka. Cambridge: Cambridge University Press, 2002 Sperna Weiland, J. De Mens in de Filosofie van de Twintigste Eeuw. Amsterdam: Meulenhof, 2002 (1ste druk: 1999)

7.2
Tompkins, P. & Bird, C. The secret life of plants. 1973. Londen: Allen Lane, 1974 Artikelen: Harrison, P. “Post-structuralist Theories”. in: Aitken, S. & Valentine, G. (ea.), Approaches to Human Geography. London: Sage, 2006 Simmel, G. “The Metropolis and Mental Life”. in: Featherstone, M. &Frisby, D. (red.) Simmel on Culture: Selected Writings. London: SAGE Publications Ltd, 1997 Warner, M. “Metamorphosis”. in: Metamorph 9; International Architecture Exhibition. Venetië: Fondazione La Biennale di Venezia, 2004

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful