You are on page 1of 14

Apologie van een wiskundige

G.H. Hardy
Met een voorwoord van C.P. Snow

Oorspronkelijke titel: A Mathematician’s Apology. With a Foreword by C.P. Snow, Cambridge University Press, Cambridge:
1967.
Uitgegeven door: Uitgeverij Nieuwezijds, Amsterdam
Vertaling: Josephine Ruitenberg, Den Haag
Omslag: Marjo Starink, Amsterdam
Foto omslag: G.H. Hardy, ca. 1927
Zetwerk: CeevanWee, Amsterdam
© 1940, G.H. Hardy (oorspronkelijke editie)
© Voorwoord 1967, C.P. Snow
© Nederlandse vertaling 2011, Uitgeverij Nieuwezijds
isbn 978 90 5712 333 7
nur 918
Het fragment op pagina 77 uit Smooth Between Sea and Land
van A.E. Housman is afkomstig uit M. Fondse, Dit dwangbestel van mens en god: van en over de dichter A.E. Housman
(1988) en is overgenomen met toestemming van Uitgeverij
Van Oorschot.

Bij de productie van dit boek is gebruikgemaakt van papier
dat het keurmerk van de Forest Stewardship Counsil (fsc)
mag dragen. Bij dit papier is het zeker dat de productie niet
tot bosvernietiging heeft geleid.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze ook en evenmin in een retrieval system worden opgeslagen zonder
voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voorwoord
door C.P. Snow

Het was een heel gewone avond in de eetzaal van
Christ’s College, behalve dat Hardy te gast was. Hij was
net als Sadleirian professor teruggekeerd naar Cambridge, en ik had enkele jonge Cambridge-wiskundigen
over hem horen praten. Ze waren opgetogen dat hij terug was: hij was een echte wiskundige, zeiden ze, niet zoals die Dirac en Bohr waar de natuurkundigen hun
mond van vol hadden; hij was zuiverder dan zuiver.
Ook was hij onconventioneel, excentriek en radicaal, en
kon je over elk onderwerp met hem praten. Het was
1931 en het was toen nog geen gebruikelijke uitdrukking, maar in later jaren zouden ze hebben gezegd dat
hij op een ondefinieerbare manier sterallure had.
Daarom nam ik hem van een stukje verderop aan de
tafel nauwlettend op. Hij was toen begin vijftig; zijn
haar was al grijs, boven een huid die zo zongebruind was
dat hij het hele jaar door de gelaatskleur van een indiaan
had. Hij had een mooi gezicht: hoge jukbeenderen, een
smalle neus, scherpzinnig en streng, maar die strengheid
kon worden doorbroken door een vlaag van kwajon-

5

gensachtige binnenpret. Hij had donkerbruine ogen, zo
alert als van een vogel; het soort ogen dat mensen met
de gave abstract te denken vaker hebben. Indertijd zag
je in Cambridge veel bijzondere en karakteristieke gezichten, maar desondanks vond ik dat van Hardy die
avond opvallend.
Ik weet niet meer wat hij aanhad. Het is heel goed
mogelijk dat hij een sportjasje en een grijze flanellen
broek onder zijn toga droeg. Net als Einstein kleedde
hij zich zoals het hem zinde, maar in tegenstelling tot
Einstein droeg hij naast vrijetijdskleding ook graag dure
zijden overhemden.
Toen we na het eten in de zitkamer voor de Fellows
rond de tafel wijn zaten te drinken, zei iemand dat Hardy met me over cricket wilde praten. Ik was nog maar
een jaar eerder tot Fellow gekozen, maar Christ’s was
destijds een klein College en zelfs van de ‘junior Fellows’ waren de hobby’s snel bekend. Iemand nam me
mee om bij hem te gaan zitten. Ik werd niet voorgesteld.
Hij was, zoals ik later ontdekte, verlegen en onbeholpen
bij alle beleefdheidshandelingen en had een afschuw
van formele kennismakingen. Hij knikte alleen even, als
een soort kopstoot bij wijze van begroeting, en viel zonder enige inleiding met de deur in huis.
‘U schijnt verstand van cricket te hebben, niet waar?’
Ja, zei ik, ik wist er wel iets van.
Onmiddellijk onderwierp hij me aan een tamelijk
pittige overhoring. Speelde ik zelf? Wat voor soort speler
was ik? Ik vermoedde dat hij een afkeer had van men-

6

sen, destijds in groten getale aanwezig binnen de universitaire gemeenschap, die zich met overgave stortten
op de theorie, maar het spel zelf nooit hadden gespeeld.
Ik somde mijn wapenfeiten op, voor zover ik die had.
Kennelijk vond hij mijn antwoord enigszins bevredigend, want hij ging over tot het stellen van vragen over
tactiek. Wie zou ik als captain hebben gekozen voor de
laatste testmatch van het voorgaande jaar (1930)? Als de
selectiecommissie had besloten dat Snow de man was
om Engeland te redden, welke strategie zou ik dan hebben gekozen en wat zou mijn tactiek zijn geweest? (‘Als
je daar bescheiden genoeg voor bent, mag je de rol van
niet-spelende captain op je nemen.’) En zo ging hij verder, zich totaal onbewust van de andere aanwezigen. Hij
ging er helemaal in op.
Zoals ik later maar al te vaak zou merken, had Hardy
geen vertrouwen in intuïtie of eerste indrukken, of die
nu van hemzelf waren, of van anderen. De enige manier
om iemands kennis te beoordelen was volgens Hardy
door hem uit te horen. Dat gold voor wiskunde, literatuur, filosofie, politiek, alles wat je kon bedenken. Als
iemand had gebluft en vervolgens verschrompelde onder de vragen, was dat zijn eigen schuld. Wat het
zwaarst was moest het zwaarst wegen, in zijn briljante
en scherpe geest.
Die avond in de zitkamer voor de Fellows was het
noodzakelijk vast te stellen of ik ermee door zou kunnen als gezelschap tijdens cricketwedstrijden. Niets anders deed ter zake. Ten slotte glimlachte hij met immen-

7

se charme en een kinderlijke oprechtheid, en zei dat het
misschien het volgende seizoen toch uit te houden zou
zijn aan de rand van Fenner’s (het cricketveld van de
universiteit), met het vooruitzicht op wat aardige conversatie.
En zo, net als ik mijn bekendheid met Lloyd George
te danken had aan zijn passie voor frenologie, had ik
mijn vriendschap met Hardy te danken aan het feit dat
ik een onevenredig groot deel van mijn jeugd aan cricket had verspild. Ik weet niet welke les daaruit te trekken valt, maar voor mij was het een groot geluk. Het is
intellectueel gezien de meest waardevolle vriendschap
van mijn leven geweest. Zijn geest was, zoals ik eerder
heb opgemerkt, briljant en scherp, zelfs in die mate dat
die van alle anderen in vergelijking ermee een beetje
troebel leken, een tikje sloom en verward. Hij was geen
groot genie, zoals Einstein en Rutherford dat waren.
Met zijn kenmerkende helderheid zei hij dat als het
woord ook maar enige betekenis had, hij absoluut geen
genie was. Op z’n best, zei hij, was hij korte tijd de op
vier na beste theoretisch wiskundige ter wereld geweest.
Aangezien zijn karakter net zo goed en ongekunsteld
was als zijn geest, bracht hij altijd nadrukkelijk naar voren dat zijn vriend en collega Littlewood een aanzienlijk
betere wiskundige was dan hij, en dat zijn protegé Ramanujan een geboren genie was in de zin waarin de
grootste wiskundigen dat waren (hoewel niet in dezelfde mate en bij lange na niet met dezelfde doeltreffendheid).

8

Mensen vonden soms dat hij te bescheiden was als hij
het over deze vrienden had. Het is waar dat hij grootmoedig was en dat afgunst hem volkomen vreemd was,
maar ik denk dat men zijn inschattingsvermogen tekort
doet als men zijn oordeel niet aanvaardt. Zelf geloof ik
liever in zijn eigen, zo trotse en tegelijk zo bescheiden
verklaring in Apologie van een wiskundige: ‘Als ik neerslachtig ben en gedwongen te luisteren naar pretentieuze en vervelende mensen, zeg ik nog steeds tegen mezelf:
“Ik heb in elk geval één ding gedaan dat jij nooit zou
hebben gekund, en dat is min of meer op voet van gelijkheid samenwerken met Littlewood en Ramanujan.”’
Hoe dan ook, zijn precieze classificatie moet worden
overgelaten aan de geschiedschrijvers van de wiskunde
(hoewel dat een vrijwel onmogelijke taak zal zijn, omdat hij veel van zijn beste werk in samenwerking met
anderen heeft gedaan). Er is echter iets waarin hij duidelijk beter was dan Einstein, Rutherford of enig ander
groot genie: hij maakte elke intellectuele prestatie, of
die nu groot, minder groot of maar een spelletje was, tot
een kunstwerk. Het was vooral die gave, denk ik, waardoor hij anderen bijna onbewust zoveel intellectueel genoegen leverde. Toen Apologie van een wiskundige net
was gepubliceerd, schreef Graham Greene in een recensie dat dit, samen met de notitieboekjes van Henry
James, de beste beschrijving was van wat het betekende
om scheppend kunstenaar te zijn. Als ik denk aan de uitwerking die Hardy had op iedereen die hem kende, geloof ik dat het daarom draait.

9

Apologie van een wiskundige

1
Voor iemand die werkzaam is als wiskundige is het een
weemoedig stemmende gewaarwording om óver wiskunde te schrijven. Het is de taak van een wiskundige
om iets te doen, nieuwe stellingen te bewijzen, iets toe
te voegen aan de wiskunde, en niet om te vertellen over
wat hij of andere wiskundigen in het verleden hebben
gedaan. Staatslieden verachten journalisten, schilders
verachten kunstcritici, en fysiologen, natuurkundigen
en wiskundigen hebben meestal soortgelijke gevoelens:
er bestaat geen diepere, of over het geheel genomen gerechtvaardigder minachting dan die van de mensen die
maken voor de mensen die uitleggen. Verklaring, kritiek, beoordeling: het is werk voor tweederangs denkers.
Ik kan me herinneren dat ik dit betoogde tijdens een
van de weinige serieuze gesprekken die ik ooit met
Housman heb gehad. Housman had in zijn Leslie Stephen-lezing The Name and Nature of Poetry zeer nadrukkelijk ontkend ‘criticus’ te zijn, maar hij had dat

63

gedaan op wat ik een buitengewoon onaangename manier vond en had blijk gegeven van een eerbied voor de
literatuurkritiek die me alarmeerde en schokte.
Hij was zijn lezing begonnen met een citaat uit zijn
inaugurele rede, die hij tweeëntwintig jaar eerder had
uitgesproken.
Of het talent voor de literatuurkritiek de mooiste gave
is die de hemel in zijn schatkamers herbergt, zou ik
niet weten, maar de hemel schijnt te vinden van wel,
want het is zonder twijfel een gave die uiterst spaarzaam wordt verleend. Redenaars en dichters [...], weliswaar zeldzaam in vergelijking met zandkorrels in de
woestijn, zijn talrijker dan de keren dat de komeet
Halley terugkeert; literair critici zijn schaarser [...]

En hij had vervolgd:
In de afgelopen tweeëntwintig jaar ben ik in sommige
opzichten vooruitgegaan en in andere achteruit, maar
ik ben niet zoveel vooruitgegaan dat ik literatuurcriticus ben geworden, noch zoveel achteruit dat ik me inbeeld er een te zijn.

Ik vond het betreurenswaardig dat een groot geleerde en
voortreffelijk dichter zoiets schreef, en toen ik een paar
weken later in de eetzaal van Trinity College toevallig
naast hem zat, waagde ik de stap en vertelde hem dat.
Wilde hij echt dat we zijn woorden volkomen serieus

64

namen? Leek het leven van de beste criticus hem echt
vergelijkbaar met dat van een geleerde en dichter? We
discussieerden gedurende de hele maaltijd over deze
vragen, en ik geloof dat hij het uiteindelijk met me eens
was. Het zou niet juist zijn hier aanspraak te maken op
een dialectische overwinning op een man die me niet
meer kan tegenspreken, maar zijn antwoord op de eerste vraag luidde uiteindelijk ‘Misschien niet helemaal’,
en op de tweede ‘Waarschijnlijk niet’.
Er kan enige twijfel bestaan over Housmans gevoelens, en ik wil niet beweren dat hij volledig aan mijn
kant stond, maar er is geen enkele twijfel mogelijk over
de gevoelens van wetenschappers in het algemeen, en
die deel ik volledig. Als ik dus geen wiskundige formules aan het papier toevertrouw, maar een betoog óver
wiskunde, is dat een zwaktebod waarom ik terecht mag
worden geminacht of beklaagd door jongere en energiekere wiskundigen. Ik schrijf over wiskunde omdat ik,
net als elke andere wiskundige van over de zestig, niet
meer over de frisheid van geest, de energie of het geduld
beschik om mijn eigenlijke werk doeltreffend voort te
zetten.

2
Ik heb me ten doel gesteld een apologie van de wiskunde te schrijven. Men zal misschien zeggen dat dat niet
nodig is, aangezien er tegenwoordig maar weinig weten-

65

schappelijke disciplines zijn die, met goede reden of
niet, zo algemeen als nuttig en lofwaardig worden beschouwd. Dat is misschien waar; het is zelfs waarschijnlijk dat, sinds de sensationele triomfen van Einstein, de
astronomie en de atoomfysica de enige wetenschappen
zijn die door het publiek hoger worden aangeslagen.
Een wiskundige hoeft in deze tijd geen verdedigende
houding aan te nemen. Hij hoeft niet het soort tegenstand het hoofd te bieden dat door Bradley wordt beschreven in de uitstekende verdediging van de metafysica die de inleiding vormt tot Appearance and Reality.
Een metafysicus, zegt Bradley, zal te horen krijgen
dat ‘metafysische kennis volkomen onbestaanbaar’ is, of
dat ‘zelfs als ze tot op zekere hoogte kon bestaan, ze feitelijk het woord “kennis” niet verdient.’ ‘Steeds dezelfde
problemen,’ zal hij horen, ‘dezelfde discussies, dezelfde
totale mislukking. Waarom zou je er niet van afstappen
en het opgeven? Is er dan niets anders wat je inspanningen meer verdient?’ Niemand is zo dom dit soort dingen te zeggen over wiskunde. De overweldigende waarheid van de wiskunde is duidelijk en indrukwekkend
aanwezig: de praktische toepassingen, de bruggen,
stoommachines en dynamo’s, dringen zich zelfs aan de
meest beperkte geest op. De mensen hoeven er niet van
overtuigd te worden dat er wel iets in die wiskunde zit.
In zekere zin is dit alles zeer troostrijk voor wiskundigen, maar het is nauwelijks denkbaar dat een ware wiskundige er tevreden mee is. Iedere ware wiskundige zal
van mening zijn dat het werkelijke pleidooi voor de wis-

66

kunde niet op die praktische resultaten, hoe nuttig ook,
is gebaseerd, dat de wijdverbreide reputatie van de wiskunde voornamelijk stoelt op onwetendheid en misverstanden en dat een meer intellectuele verdediging mogelijk is. Ik wil in elk geval graag proberen die te leveren.
Dat zou eenvoudiger moeten zijn dan de lastige taak die
Bradley ten deel viel.
Ik zal me dan ook afvragen waarom het eigenlijk de
moeite waard is een serieuze studie van de wiskunde te
maken. Hoe is het bestaan van een wiskundige te rechtvaardigen? En mijn antwoorden zullen grotendeels overeenstemmen met hetgeen van een wiskundige wordt
verwacht: ik vind dat het de moeite waard is, dat er
ruim voldoende rechtvaardiging is. Maar ik moet hier
meteen zeggen dat mijn verdediging van de wiskunde
tevens een verdediging van mijzelf zal zijn en dat mijn
apologie beslist zal worden gekenmerkt door een zekere
mate van zelfingenomenheid. Ik zou het niet de moeite
waard vinden me voor mijn vak te verontschuldigen als
ik mezelf beschouwde als een van de mislukkelingen die
het heeft voortgebracht.
Enige zelfingenomenheid is dus onvermijdelijk, en ik
geloof niet dat die rechtvaardiging nodig heeft. Goed
werk wordt niet verricht door ‘bescheiden’ mensen. Zo is
het een van de eerste taken van bijvoorbeeld een hoogleraar, in welk vak dan ook, om zowel het belang van zijn
vak als dat van zijn eigen rol daarin enigszins te overdrijven. Iemand die altijd vraagt ‘Is wat ik doe de moeite
waard?’ en ‘Ben ik de juiste persoon om het te doen?’ zal

67

zelf zonder uitzondering incompetent zijn en anderen alleen ontmoedigen. Hij moet zijn ogen een beetje sluiten
en zijn vak en zichzelf wat hoger aanslaan dan ze verdienen. Dat is niet al te moeilijk; hij moet zich er eerder voor
hoeden dat hij zijn ogen helemaal sluit en daarmee zijn
vak en zichzelf belachelijk maakt.

3
Iemand die zich ten doel stelt zijn bestaan en bezigheden te rechtvaardigen, moet twee verschillende vragen
onderscheiden. De eerste is of het werk dat hij doet de
moeite waard is, en de tweede is waarom hij het doet,
afgezien van de waarde die het heeft. De eerste vraag is
vaak heel moeilijk en het antwoord zeer ontmoedigend,
maar zelfs dan vinden de meeste mensen de tweede tamelijk gemakkelijk. Als ze eerlijk zijn, nemen hun antwoorden over het algemeen de vorm aan van een van
twee varianten, en de tweede variant is alleen een bescheidener versie van de eerste, het enige antwoord waar
we serieus op in hoeven te gaan.
(1) ‘Ik doe wat ik doe omdat dat het enige is wat ik tamelijk goed kan. Ik ben advocaat, effectenmakelaar of
profcricketer omdat ik werkelijk talent heb voor dat
vak. Ik ben advocaat omdat ik welbespraakt ben en
geïnteresseerd in juridische subtiliteiten; ik ben effectenmakelaar omdat ik de markt snel en goed kan inschatten; ik ben profcricketer omdat ik bijzonder goed

68