You are on page 1of 11

VOORBEELDEN van SPOREN

Sporen van tekentuig

Een ploeg laat een tekening achter, een spoor, op het land. Zo is het ook met een eg, met de banden
van een tractor en het tracé van een wals. Niet met de hand aangeraakte vormen. Ditmaal niet het
gevolg van een proces, maar van een instrument, een bewerkingswijze.
Maar bewerking hoeft er niet persé aan te pas te komen. Je kunt volstaan met door de vers gevallen
sneeuw te wandelen. Een Japanse schilder gebruikte dit beginsel, toen hij een kip eerst met haar
poten door een plas inkt liet lopen en daarna over een stuk papier. Het werd een mooi behangetje of
een schutblad van een boek, verpakkingspapier of wat je maar wilt.
De schilder Yves Klein gebruikte het, toen hij een naakte meisjes door de verf rolde en ze daarna
afdrukte op linnen. Volgens Jackson Pollock zat hier toch nog te veel de menselijke intentie achter,
tóch nog de hand. Hij wilde weer meer naar het proces en wierp daarom zijn verf vanuit de druipende
tube op het doek.
Jack de Dripper. Men noemde dat action-painting. De critici dachten dat Pollock met iets geheel
nieuws kwam, wat natuurlijk niet waar was. Wat Pollock deed was het toepassen van een principe dat
op zich zelf zo oud is als de weg naar Rome: het achterlaten van sporen door iets wat beweegt.
Mensen laten graag sporen achter. Nog jaren na de Tweede Wereldoorlog vond je overal in Europa
op plaatsen waar het Amerikaanse leger gepasseerd was het opschrift Killroy was here.
De Russische beeldhouwer Ossip Zadkine zei het heel mooi: “Met het zweet van een leven wil ik een
spoor uitbijten in de rots der tijden.”
In de grotten van Altamira en Lascaux vind je herhaaldelijk plekken waar mensen hun handafdrukken
hebben achtergelaten. Zij gebruiken hun hand niet om er een penseel of potlood mee te sturen, maar
gewoon als stempel.
Yves Klein (1960) Jean Paul Riopelle (1952)
Anthropométrie waterlelies 1
Préhistorische grot Cabrerets (Lot, Frankrijk) negatieven van paarden en handen
Andere sporen

Wie een pen over het papier laat gaan en daarmee schrijft of tekent, veroorzaakt een proces dat zich
afspeelt tussen schrijftuig, de toegevoegde inkt en het door inkt absorberende papier. Hij is
tegelijkertijd de bestuurder van het proces, dat hij niettemin niet geheel en al in eigen hand heeft.
Wanneer ik schrijf met een balpen veroorzaak ik een andere vorm dan wanneer ik schrijf met een
vulpen. Het bereikte resultaat is weer anders, wanneer ik glad papier vervang door ruw papier,
wanneer ik in plaats van een pen houtskool gebruik of een penseel, of wanneer ik het papier vervang
door een etsplaat en de pen door een naald. Ik kan met een stokje in het zand schrijven of met mijn
vinger op een beslagen ruit.
Vandaar dat studenten op een academie beginnen met arceren en met het schrijven van letters.
Ontdekken wat een bepaalde afgevende stof doet op een andere stof. Ontdekken wat een beitel doet
met hout of een slijpsteentol op een metalen plaat.
Leonardo da Vinci schreef in zijn geheime dagboek dat hij de toekomstige kunstenaar onder zijn
leerlingen kon herkennen aan de mate waarin deze het geduld opbracht om schaduwpartijen aan te
brengen, om te arceren dus.
Paul Citroen, een legendarische leraar aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Den
Haag, wijdde daar zijn hele “Tekenles” (een boekje over het tekenen) aan. Volgens Citroen bracht je
een tekening niet aan op papier. Wat je op het papier zette waren lijnen, stippen, vlekken, vegen, en
uit het samenstel van al die elementen kwam de tekening vanzelf te voorschijn. Zo was dat bij Citroen.
En zo is het nú nog.

Lucebert (1964) Jacqueline (1968)
omslag catalogus een stuk muur in Bretagne
Het spoor als ornament

Een pottenbakker houdt zijn vinger tegen de vaas die op zijn draaiende schijf staat; er ontstaat een
lijn. Hij doet het nog een keer, ditmaal iets lager; er ontstaat een ornament. Een steenhouwer slaat
met de platte beitel op de hardstenen plaat; er ontstaat een groef. Hij herhaalt die beweging; er
ontstaat een ornament.
Er bestaat een grote mate van visueel bewustzijn bij steenhouwers. Iedere slag met een beitel is apart
benoemd. Vaklieden zien de verschillen tussen de scharreerslag en de frijnslag, tussen ruwen en
boucharderen, en - als het op gladmaken aankomt - tussen zoeten en polijsten.
Eens werd een directeur van een zilverwarenfabriek, die eens wat anders wilde dan het eeuwige
straatje van Vermeer op zijn bonbonnières, voorgehouden dat je met een moderne slijptol de mooiste
ornamenten kon laten ontstaan op zilver, ornament uit bewerkingssporen. Een jaar later kwam hij
terug met de mededeling dat hij na die les drie eeuwen gevorderd was. Hij vervaardigde nu
landschappen van Vincent van Gogh in zilver. Hij had het niet begrepen. Wie de kunst wil vernieuwen,
moet bij het begin beginnen. Bij de beginselen, niet bij het plaatje.

Uit: “Zo doe je dat” (grondbeginselen van vormgeving), J.J. Beljon

Constantin Brancussi Hans de Jong
De kus, 1925 Beest, 1961
Hans Coper oorlogsklok van Typ Yong
grote vaas, 1967
Muur bij okermijnen in Roussillon (Frankrijk) Muur bij okermijnen in Roussillon (Frankrijk)

Muur bij okermijnen in Roussillon (Frankrijk)
Giudo Lippens Paul Klee (1879-1940)
Systeem of verbeelding, 1971-1988 Relatief weegbaar, 1930
Factuur van schilderij Factuur van schilderij

Factuur van schilderij Factuur van schilderij
Wim van der Meij Kathy Hoyer
“sporen” ets Vilt and vine, 1979
Mimmo Rotella Sam Francis (1923-)
Grande Comp., 1961 Bright jade gold ghost, 1960

Daniel Spoerri (1930) Antoni Tapies (1923-)
Table du restaurant de la galerie, 1965 Meuble rose, 1972

Franz Kline (1956-) Har Sanders (1929-)
Olie op canvas, 1978 Het slipje van de markiezin, 1977-78