You are on page 1of 7

1

Methode van Copi

De methode Copi is een uitbreiding van de natuurlijke deductie voor predikaten


en kwantoren.
We gebruiken al de regels van de natuurlijke deductie voor propositielogica en
voegen daar 4 regels aan toe:

Universele Instantiatie:

Een universeel gekwanticeerde zin kan vervangen worden door eender welke van
zijn instanties. Dat betekent bvb dat we uit

M s Ss.

De letter

(x)[M x Sx] mogen besluiten tot

staat hier voor een speciek individu. We lezen: 'Alle

mensen zijn sterfelijk.' dus 'Als Socrates een mens is dan is Socrates sterfelijk.'
Verder berust de methode van Copi erop dat we een instantiatie (zoals

s)

ook

mogen behandelen als een 'ambigue' naam. Vb:

1.
2.

(x)[M x Sx]
M y Sy

UI op 1

Hier hebben we ook weer gewoon geinstantieerd naar een individu (y ). We mogen zulke individuen echter ook behandelen alsof ze verwijzen naar een algemeen
individu. We lezen: 'Voor eender welk individu y geldt dat 'als y menselijk is
dan is y ook sterfelijk'. Merk op dat deze regel alleen mag toegepast worden op
universele uitspraken. In het bijzonder mag je UI niet toepassen op de ontkenning van een universele uitspraak.

Een ontkende universele uitspraak maakt

immers in wezen een existentiele claim.


Wanneer je UI toepast voor je steeds een symbool in (y in dit voorbeeld) dat
staat voor een ambigue individu. Je mag zelf kiezen welk symbool je kiest (y, z,
a, b , etc...). Vaak zal je een symbool willen kiezen dat reeds in een vorige stap
is ingevoerd. Dan kan je immers veel meer propositielogische gevolgtrekkingen
maken. Universele instantiatie mag naar eender welk eerder ingevoerd symbool,
onafhankelijk van de vraag of dat een vaag, een ambigu of een speciek symbool
is (immers een universele uitspraak geldt voor elk individu afzonderlijk).

Existentiele Instantiatie:

Voor

Ex

(de existentiele kwantor) bestaat er ook een instantiatie regel.

Vb:

1.
2.

(Ex)[M x Sx]
M z Sz

EI op 1

Het individu z kan een concreet individu zijn ('Zorro') of een niet nader benoemd
individu. In dat laatste geval spreken we van een 'vaag individu'. Dat betekent
dus niets meer dan dat we geen naam hebben voor dit individu.

Je kan bvb

zeggen dat er een student bestaat die de jongste van de klas is zonder die student
te benoemen. In dat geval blijft die student dus een 'vaag' individu. Het verschil
tussen het vage individu en het ambigue individu is een vaag individu steeds
1 bepaald individu is.

Regel 2 hierboven betekent dus 'Er is een niet nader

benoemd individu z dat zowel M als S is.' Was nu z hier ingevoerd door UI (en
dus een ambigu individu), dan lazen we voor 2: 'Elk individu z is zowel M als
S'.
De methode van Copi houdt in dat we alle universele uitspraken zullen vertalen
naar uitspraken over concrete individuen (zoals Socrates) of naar uitspraken
over 'ambigue' individuen of naar uitspraken over 'vage' individuen. Op deze
manier houden we uiteindelijk alleen maar proposities over waar geen kwantoren
meer in voorkomen. En die kunnen simpelweg behandeld worden met de regels
van de natuurlijke deductie voor propositielogica. Eventueel kan er dan op het
einde terug een vertaling gebeuren naar uitspraken met kwantoren erin.
Die vertaling gebeurt dmv de regels voor generalisatie:

Universele Generalisatie:

Het omgekeerde van UI. Hier vertalen we een uitspraak over een ambigue naam
naar een universele uitspraak.
Vb:
1.
2.
3.
4.

(x)[M x Sx]
M y Sy
Sy M y
(x)[Sx M x]

Prem.
UI op 1
Contrapositie op 2
UG op 3

Hierbij is het heel belangrijk op te merken dat UG alleen mag toegepast worden
op uitspraken over ambigue individuen. Anders gezegd, UG mag alleen op een
symbool dat ooit door UI is ingevoerd. Uit een uitspraak over een concreet of
een onbenoemd individu volgt immers niets universeels.

Existentiele generalisatie:

Hier vertalen we een uitspraak zonder kwantoren naar een existentiele uitspraak.
EG mag toegepast worden op concrete individuen en op vage individuen, maar
ook op ambigue individuen.
In het bovenstaande voorbeeld mochten we dus ook besluiten:
4.

(Ex)[Sx M x]

EG op 3

Om de oefeningen op te lossen zal je meestal moeten instantieren naar een naam


die reeds werd ingevoerd door een eerdere instantiatiestap. Hierbij, en ook bij

het generaliseren achteraf, moet je steeds rekening houden met het verschil
tussen ambigue individuen, vage individuen en concrete individuen. Een goede
manier om dit te bereiken is om steeds eerst alle EI stappen uit te voeren voor
de eerste UI stap, en door bij elke EI een nieuw symbool te kiezen.

Concreet individu

Ambigu Individu

s=Socrates

s=een algemeen individu

Vaag individu

s=een naamloos concreet individ

Ingevoerd door UI of EI

Ingevoerd door UI

Ingevoerd door EI

Mag veralgemeend door EG

Mag veralgemeend door UG of EG

Mag veralgemeend door EG

Vs betekent 'Socrates is V'

Vs betekent 'elk individu s is V'

Vs betekent 'Er is een individu s dat

Samenvatting:
1. Quantorenverwisseling indien nodig (i.e. voor gekwanticeerde uitspraken
met een negatieteken voor de kwantor)
2. Elimineer alle existentiele kwantoren uit de premissen door middel van EI,
kies een nieuwe variabele voor elke EI.
3. Elimineer alle universele kwantoren uit de premissen door middel van UI,
kies zo mogelijk een variabele die al bestaat (als er al meerdere bestaande
variabelen aanwezig zijn mag je voor elke variabele een nieuwe UI doen).
4. Leid de conclusie (in kwantorvrije vorm) af door middel van de regels van
de propositielogica
5. Vertaal de conclusie terug naar predikaatlogische vorm door middel van
UG en EG

Methode van Bochenski (niet kennen)

Deze methode is algemener dan de methode van Copi (ie kan de geldigheid
van redeneringen bewijzen die Copi niet kan bewijzen).

Ze is gebaseerd op

het principe dat we de regels die we gebruikten in de propositielogica kunnen


vertalen naar regels voor predikaatlogische uitpsraken. Daarbij worden er twee
extra regels ingevoerd:

kwantorenverwisseling (QV)

het devies van Albert.

De regels die je mag gebruiken zijn dus gewoon de 21 regels van de methode van
de elementaire redeneervormen, waarbij je de variabelen p,q,etc...
als Fx,Gx,etc... Vb: Ponendo Ponens wordt
betekent 3 dingen:

mag lezen

(x)[(F x Gx) F x] Gx.

Dat

F a Ga
Fa
Ga

1.

2.
3.

2.
3.

Prem.
Prem.
P.P. 1,2

(Ex)[F x Gx]
(Ex)[F x]
(Ex)[Gx]

1.

P.P. 1,2

(x)[F x Gx]
(x)[F x]
(x)[Gx]

1.

Prem.
Prem.

2.
3.

Prem.
Prem.
P.P. 1,2

Met andere woorden: je mag de 21 regels toepassen op predikaatlogische uitpsraken die binnen de haakjes van een kwantor staan, en ook op predikaatlogische
uitpsraken die al geinstantieerd zijn (dus zonder

x'en).

Die laatste zijn immers

in feite gewoon propositielogische uitspraken.

Kwantorenverwisseling:

(Ex)(...)

(x)(...)

is equivalent met

Deze regel kan je gebruiken om uitspraken met


met

(Ex)

(x)

te vertalen naar uitspraken

en omgekeerd.

Devies van Albert:

We kunnen nu arbitraire formules binnen de haakjes van een kwantor omvormen (dmv de omgevormde regels van de propositielogica) en vertalen tussen
en

(Ex).

(x)

Blijft nog over om te vertalen tussen geinstantieerde uitspraken (uit-

spraken met

a,b,

x). Dat
(x) uitspraak kan
een (Ex) uitspraak

etc...) en gekwanticeerde uitspraken (uitspraken met

kan dmv het devies van Albert. Diens inzicht was dat je een
zien als een conjunctie van geinstantieerde uitspraken, en
als een disjunctie van uitspraken.
Vb:

(x)(V x)

betekent hetzelde als

V a V b V c ...

(Waarbij de a,b,c,... het hele

universum bestrijken)

(Ex)(V x)

betekent hetzelfde als

V a V b V c ...

Op deze manier kan je hetzelfde bereiken als bij UI door simpelweg de regel van
simplicatie toe te passen:
1.
2.
3.

(x)(V x)
V a V b V c ...
Vc

Prem.
Devies van Albert op 1
Simplicatie op 2

In de oefeningen mag je ook onmiddellijk schrijven:

1.
2.

(x)(V x)
Vc

Prem.
Devies van Albert op 1

Analoog hieraan kan je hetzelfde bereiken als EG door de regel van additie toe
te passen:
1.
2.
3.

Vc
V a V b V c ...
(Ex)(V x)

Prem.
Additie op 1
Devies van Albert op 2

Of onmiddellijk:
1.
2.

Vc
(Ex)(V x)

Prem.
Devies van Albert op 1

Omdat de methode van Bendarchef geen gebruik maakt van vage en ambigue
individuen (alleen van specieke) zijn er voor UG en EI geen soortgelijke substituten nodig.

Meerplaatsige predikaten

De geziene methodes kunnen allemaal eenvoudig worden uitgebreid naar uitspraken met meerplaatsige predikaten.
Notatie:

(x, y) f (x, y)
(Ex, y) f (x, y)
(x)(Ey) f (x, y)
(Ex)(y) f (x, y)

betekent
betekent
betekent
betekent

(x)[(y) f (x, y)]


(Ex)[(Ey) f (x, y)]
(x)[(Ey) f (x, y)]
(Ex)[(y) f (x, y)]

Je past dus gewoon steeds de kwantoren van rechts naar links toe op de uitspraak
met de tweeplaatsige predikaten (hier

f (x, y) om (y) f (x, y)


(x)[(y) f (x, y)] te bekomen.

toepassen op
om

f (x, y)).

In het eerste vb is dat dus:

te krijgen en daarop nog eens

(x)

(y)

toepassen

Op deze manier kan je uitspraken uit de eerste kolom steeds terugvertalen naar
uitspraken uit de tweede kolom. En op die uitspraken kan je gewoon de methoden toepassen voor uitspraken met enkel eenplaatsige predikaten.
Er komt echter wel een regel bij: je mag twee opeenvolgende kwantoren wisselen
als ze beide universeel zijn, of beide existentieel. In de standaardnotatie (die van
de eerste kolom) betekent deze regel simpelweg dat je variabelen mag omwisselen
binnen de haakjes, maar niet buiten de haakjes.
Vb:

(Ex, y) f (x, y)

niet equivalent aan

is equivalent aan

(Ey, x) f (x, y),

(Ey)(x) f (x, y).

maar

(x)(Ey) f (x, y)

is

Identiteit

De identiteit is volledig gekarakteriseerd door drie eigenschappen: reexiviteit,


symmetrie en transitiviteit. Je hebt dus genoeg aan de volgende regels om te
redeneren met predikaatlogische uitspraken die gebruik maken van identiteit.
Wet

Regel

Eigenschap van identiteit

(x)(x = x)
(x, y)[(x = y) (y = x)
(x, y, z) (((x = y) (y = z)) (x = z))

Identiteitsbeginsel

Reexiviteit

Commutatie

Symmetrie

Vergelijkend H.S.

Transitiviteit

Waarheidsbomen voor predikatenlogica

De methode van de waarheidsbomen is steeds gebaseerd op het idee dat je alle


mogelijke toestanden van de wereld waarin er een tegenvoorbeeld mogelijk is
(dwz alle toekenningen van waarheidswaarden aan p,q,r,... waarvoor de premissen waar zijn en de conclusie onwaar) op een automatische manier slim opdeelt
in groepen. Als er voor elke groep van zulke werelden (elke 'tak' van de boom)
een contradictie te vinden is dan is geen enkel tegenvoorbeeld mogelijk.

De

redenering is dan geldig. Als er, na uitwerking van alle complexe formules, nog
een tak openblijft dan is de redenering ongeldig. Omdat we in de predikatenlogica complexe formules kunnen hebben met kwantoren in, moet de methode
iets uitgebreid worden.

Immers, wanneer we EI of UI toepassen kunnen we

steeds kiezen naar welke variabele we instantieren. In principe zijn er oneindig


veel variabelen waarnaar we zouden kunnen instantieren. Ook die zullen we dus
slim in groepen moeten opdelen. Hierbij zullen we rekening houden met welke
variabelen reeds voorkomen in het deel van de boom dat we reeds geconstrueerd
hebben. Bij een nieuwe instantiatie is het relevant of de variabele waarnaar we
instantieren al dan niet gelijk is aan de reeds bestaande variabelen.
Dat betekent, in het geval van EI, dat we voor elke nieuwe EI een nieuwe
variabele invoeren (zoals bij de methode van Copi) en dat we, indien nodig,
de boom hier opsplitsen in gevallen waarin die nieuw ingevoerde variabele gelijk
is aan een reeds ingevoerde variabele, en gevallen waarin de nieuw ingevoerde
variabele niet gelijk is aan een reeds ingevoerde variabele.
In het geval UI betekent het dat we voor elke universele uitspraak een UI uitvoeren naar elke reeds bestaande variabele. In een boom die reeds drie verschillende
variabelen bevat zal elke universele uitspraak dus drie UI's tot gevolg hebben.
Verder is er ook een speciale regel voor de identiteit ('='): in een tak waarin
een uitspraak van de vorm 'a = b' voorkomt, schrijf je voor elke uitspraak die in
die tak onder 'a=b' staat dezelfde uitspraak opnieuw, maar dan met alle 'a's
vervangen door b's (of, indien van toepassing alle b's vervangen door a's).

Stappenplan:
1. QV waar nodig

EI voor elke (Ex), kies telkens een nieuwe variabele (die zelfs niet voorkomt in de premi
Splits op in gevallen als reeds bestaande variabelen zijn:

In dat geval ga je alle combinaties van bestaande variabelen af waar de EI variabele wel en niet gel

Je kan een hulptabel maken: als de nieuwe variabele 'z' is en 'u' en 'v' bestaan al dan krijg je:
2.
z
Meestal zal er hoogstens 1 reeds bestaande variabele zijn:

=
6
=

(Ex)(V x)
Dit levert een opsplitsing in twee gevallen:


z=u
Vz

3. UI voor elke (x), doe dit voor ALLE reeds bestaande variabelen (dus
eventueel meerdere keren UI op dezelfde propositie)
4. Werk alle complexe uitspraken uit dmv de boomregeltjes en de regels voor
= en !=
(a) regel voor =: in een tak met a=b moet je alle proposities die a en
b tegelijk vermelden uitschrijven met a vervangen door b, EN met b
vervangen door a.
(b) regel voor !=: een tak met a!=a mag je afsluiten
5. als alle takken afgesloten zijn na volledige uitwerking, dan is de redenering
geldig. Anders is er een tegenvoorbeeld


z=
6 u
Vz