You are on page 1of 3

Energieke

Terwijl bedrijven en consumenten in Vlaanderen bang
het wel en wee van verre gas- en olieproducenten
volgen, beginnen her en der coöperatieven hun
energie alvast dichter bij huis te zoeken: langs een
veldrand, bijvoorbeeld. Een lichtend voorbeeld
voor onze verwarmingstoekomst? Allicht. Maar
voor deze (ver)nieuw(d)e vorm van energiewinning
is samenwerking wel van primordiaal belang.

LANDSCHAPPEN IS EEN WERKWOORD > ENERGIEWINNING

de return van betrokkenheid
O S W A L D D E V I S C H   [  H O O F D D O C E N T FA C U LT E I T A R C H I T E C T U U R E N K U N S T , U N I V E R S I T E I T H A S S E LT  ]
H A N S J O C H E M S   [  P R O J E C T M A N A G E R T W E C O M , R E G I O N A L E L A N D S C H A P P E N L A G E K E M P E N  ]

Landschap, of landschappen?
Ons landschap produceert voedsel, energie en grondstoffen. Die
functies liepen van oudsher door elkaar heen, maar vandaag
zijn ze veelal - geografisch en juridisch - gescheiden. Een stuk
land produceert nu óf voedsel óf energie óf grondstoffen. In de
plaats van één landschap kwamen er vele landschappen, elk met
zijn eigen ecosystemen, beheerd door eigen actoren, met eigen
verdienmodellen, et cetera. Ruimtegebruik
is echter dynamisch. Zo zijn de energie- en
grondstoffuncties de voorbije decennia
sterk afgenomen door het aanboren van
goedkope en gemakkelijke brandstof als
aardolie en aardgas. Om plaats te maken
voor functies als biodiversiteit en natuurbeleving. Binnen de filosofie van het gewestplan moet aan elk
nieuw grondgebruik een specifieke ruimte worden toegewezen.
Omdat ruimte schaars is, betekent elke nieuwe toewijzing automatisch ook het schrappen van bestaand gebruik. Met andere
woorden, de verschillende landschappen beconcurreren elkaar.
Dit gaat niet enkel ten koste van de kwaliteit van het landschap
als geheel, maar ook van de individuele landschappen. De uitdaging is dan ook niet enkel het betrekken van actoren bij het
maken van landschap, maar ook het betrekken van actoren op
elkaars landschap.

knoteiken) of tot vlak bij de grond (bij hakhout zoals hazelaar). Dit
verhoogde de houtproductie, beperkte de hoeveelheid schaduw
en optimaliseerde de wateropname. Uit de stronken die overbleven, ontsproten nieuwe twijgen die uitgroeiden tot dikkere
takken, tot ze opnieuw gekapt konden worden.
Samen met de grachten en poelen in de buurt, vormden de
houtkanten een compleet landbouwkundig systeem dat zeer
efficiënt werkte van de dertiende tot de negentiende eeuw.
Niet alleen verhoogden ze de opbrengst
van de landbouw, leverden ze energie en
produceerden ze grondstoffen, ze kenden
bovendien ook een erg hoge biodiversiteit.
Of hoe één landschappelijk element alle
landschapsfuncties kon integreren.
In Vlaanderen werden duizenden kilometers
houtkanten en houtwallen aangelegd rondom landbouwpercelen.
Met de modernisering van de landbouw en de beschikbaarheid
van andere energiebronnen kwam een aantal functies van houtkanten echter onder druk te staan. In de provincie Limburg staat
vandaag nog maar ongeveer de helft overeind. Ook zijn ze niet
altijd meer herkenbaar. Omwille van gebrekkig onderhoud zijn
heel wat houtkanten uitgegroeid tot stroken bos.
De zoektocht naar duurzame energiebronnen heeft de houtkant
terug in het vizier gebracht. Biomassa is immers de enige vlot
toegankelijke (vernieuwbare) energiebron van Europa. Wind is
enkel interessant voor kustgebieden en water enkel voor berggebieden. Zonne-energie is dan weer seizoensgebonden. Zonder
het zelf te beseffen, zwemmen we in de biomassa. Wat nu nog
ontbreekt is de kennis en de infrastructuur om deze efficiënt te
ontginnen. Heel wat organisaties in binnen- en buitenland voeren
eerste experimenten. Zo ook rond het inzetten van houtkanten in
de productie van biobrandstof. Deze tonen aan dat houtsnippers
een ideale energiebron zijn voor zogenaamde ‘middenschalige’
projecten: landbouwbedrijven, openbare gebouwen, zwembaden,
gevangenissen of scholen. Maar ook voor woningen. Zo kan je
met het snoeihout van 150 meter houtkanten een standaardgezinswoning één jaar lang van energie voorzien. In een cyclus
van tien jaar heb je dus anderhalve kilometer houtkanten nodig.
Omdat heel wat gemeenten behoorlijk wat openbaar groen bezitten, is dit haalbaar. Zo beschikt Bocholt over honderd kilometer
houtkanten. Hier kan je 65 gezinswoningen mee verwarmen (en
zo 165.000 liter stookolie per jaar uitsparen). Lummen heeft rond
de zeshonderd kilometer houtkanten, Paal-Beringen nog meer. Er

ZONDER HET
ZELF TE BESEFFEN,
ZWEMMEN WE IN
DE BIOMASSA.

Comeback van de
productieve houtkant

22 |

Een interessante case in dit verband is de herontdekking van een
stuk landschapserfgoed: de houtkanten. Dit zijn bomenrijen en
struiken met aan één of weerszijden een greppel, typisch aangelegd in een rasterpatroon rond een reeks akkers. Samen vormden
deze rijen een draineringssysteem dat de grondwatertafel deed
zakken , waardoor het mogelijk werd om ook in drassige gebieden
aan landbouw te doen. Daarnaast fungeerden houtkanten ook
als windscherm, beschermden ze gewassen tegen vorstschade
en voorkwamen ze erosie. Ten slotte werd het hout gebruikt om
broodovens te stoken, als geriefhout (stelen, rijshout), om de
assen van molens of karren te vervaardigen, enzovoort.
Houtkanten werden om de tien jaar gesnoeid, tot een hoogte
van ongeveer twee meter (bij knotbomen zoals knotwilgen,

| 23

© www.RLLK.be

© www.RLLK.be

LANDSCHAPPEN IS EEN WERKWOORD > ENERGIEWINNING

zit dus heel wat energie in het Limburgse landschap, zonder dat dit
ten koste hoeft te gaan van de bestaande landschappen. Omdat
eenzelfde landschapselement terug meerdere functies opneemt,
als bron van energie, als ecosysteem en als stuk erfgoed.

Coöperaties en beheerplannen

24 |

Door terug te kijken naar vroegere gebruiken kan het evenwicht
tussen de landschappen dus hersteld worden, maar eerst moeten
enkele hindernissen genomen worden. Zo is er de laatste dertig
jaar niet meer omgekeken naar heel wat houtkanten, waardoor
deze tot bossen zijn uitgegroeid of gekoloniseerd zijn door exotische soorten. Dit vraagt om het verwijderen en vervangen van
de bestaande beplanting, en dus om zware, zij het eenmalige,
investeringen. Zeker omdat nieuwe houtkanten pas na tien jaar
beginnen te renderen. Ten tweede is er het reguliere cyclisch
hakhoutbeheer. Snoeien en kappen is erg arbeidsintensief en
wordt pas rendabel als het machinaal kan gebeuren. Om het
rendement van de verbranding te optimaliseren moet het geoogste hout versnipperd en gedroogd worden. Al deze handelingen
vragen om specifieke machines en gebouwen — opnieuw een
zware investering. Ten derde is er de opwekking en verdeling
van energie. Hier zijn een aangepaste verbrandingsinstallatie en

een warmtenet voor nodig. En dus opnieuw een investering. Ten
slotte moet elke stap in dit proces aan specifieke kwaliteitseisen
voldoen, uitgeschreven door verschillende sectoren. Zo mag
de biodiversiteit van bestaande houtkanten niet achteruitgaan,
mag het snoeien geen schade aanbrengen aan de aanpalende
landbouwgronden, moeten de houtsnippers aan een minimum
kwaliteit voldoen en moet ook de verbrandingsinstallatie voldoen
aan een reeks normen.
Het beheer van houtkanten is vandaag dan ook geen zaak meer
van één landbouwer, die het snoeien en hakken er gewoon bijneemt. De grote investeringen, de minimale lengte aan houtkanten
en de noodzakelijke expertise vragen om samenwerking tussen
meerdere actoren. En omdat niemand zomaar van energiebron
wisselt, moet deze samenwerking geformaliseerd worden, bijvoorbeeld in een coöperatie. De schaalvergroting vraagt daarnaast
ook om een planning, om zogenaamde houtkantbeheerplannen, die aangeven welke houtkanten wanneer gesnoeid moeten
worden en op welke manier. Men moet er daarbij over waken
dat de energiefunctie van de houtkant de andere landschapsfuncties niet onder druk zet. Het uitwerken van zo’n beheerplan
veronderstelt dan ook dat er onderhandeld wordt met andere
landschapsgebruikers. Om samen terug het systeemkarakter van
landschapselementen te herontdekken. En dit allemaal aangestuurd door economische overwegingen. Samen aan landschap

werken om het financiële plaatje rond te krijgen.
Een voorbeeld van zo’n samenwerking is Bois Bocage Energie1,
een coöperatie opgericht in 2006 in Normandië, Frankrijk. Stap
voor stap heeft deze coöperatie actoren bij elkaar gebracht en
een productieketen ontwikkeld die van houtkanten terug een
energiebron maakt die kan concurreren met andere energiebronnen. Zo hebben ze eigen machines ontwikkeld voor het oogsten
en lokaal verhakselen van hout, hebben ze een eigen techniek
uitgewerkt voor het drogen van houtsnippers en een eigen verbrandingsoven ontworpen. Verder staat de organisatie in voor
het uittekenen en opvolgen van oogstplannen, voor het beheer
van het machinepark, voor kwaliteitszorg en voor een constante
afname van houtsnippers. Die volgehouden inspanning heeft
1 http://www.boisbocageenergie.fr/

ertoe geleid dat een historisch bocagelandschap aan een tweede
leven begonnen is zonder dat het eerst erkend moest worden als
werelderfgoed. Een tweede voorbeeld zijn de biomassawerven in
Oostenrijk2 die instaan voor de verwerking van geoogst hout tot
bruikbare brandstof. Ze garanderen een continu aanbod van een
minimale kwaliteit tegen een vaste prijs. Ook dit zijn coöperaties
waarvan zowel producenten als consumenten deel uitmaken. De
biomassawerven zijn opgestart met overheidssubsidies, maar
draaien vandaag op eigen kracht.
Vlaanderen verleent al jarenlang subsidies voor het beheer van
landschapselementen zoals houtkanten. Toch staat dit systeem
onder druk: subsidies zijn beperkt en vaak enkel beschikbaar
voor eenmalige achterstallige ingrepen. Het beheer daarentegen
is zeer duur en gesubsidieerde eenmalige ingrepen garanderen
niet automatisch de verderzetting van het reguliere beheer. Het
hout dat vrijkomt bij beheer van landschapselementen is voor
het grootste deel een reststroom of ‘afval’, afgezien van een
kleine fractie die als brandhout wordt aangewend. Het project
‘Energiek landschapshout’3, een initiatief van Samenwerking voor
Agrarisch Landschap, probeert het anders aan te pakken. Het
zet in op het sensibiliseren van individuele burgers en begeleidt
hen bij het aanplanten, beheren en oogsten van houtkanten. Het
verhuurt machines, geeft advies over verbrandingsinstallaties,
en het helpt bij het aanvragen van subsidies en het ontwarren
van de regelgeving. Een tweede initiatief in Vlaanderen is het
project TWECOM (Towards eco-energetic communities)4, onder
leiding van het Regionaal Landschap Lage Kempen. Dit project
2 Zie video op: http://www.rllk.be/publicaties/videos/22/
3 http://energieklandschapshout.be/
4 TWECOM is een Interreg IVB NWE project gesteund door de Europese
Unie dat gestart is op 1 januari 2013 en nog loopt tot 31 december 2015.

| 25

© www.RLLK.be

© www.RLLK.be

LANDSCHAPPEN IS EEN WERKWOORD > ENERGIEWINNING

zet in op sensibiliseren en adviseren, maar investeert ook in
concrete proefprojecten. De finale ambitie van het project is
het oprichten van een biomassawerf, in navolging van het Oostenrijkse voorbeeld.

De kracht van een DIPLA

26 |

Het project TWECOM wil aantonen dat het lokaal valoriseren van
houtige biomassa uit landschapselementen economisch haalbaar
is. Het wil deze biomassa als een product in de markt zetten,
met een specifieke eindbestemming en een zo hoog mogelijke
kwaliteit. Dat moet gebeuren zonder dat de andere functies van
een landschap – voedsel, grondstof, biodiversiteit en natuurbeleving – in het gedrang komen. Zoals eerder aangehaald kan dit
enkel door actoren te laten samenwerken, om samen één lokale
keten te vormen die instaat voor de inrichting en het beheer van
de houtkanten, het verwerken van geoogst hout tot biobrandstof,
het stockeren van deze brandstof, tot en met het creëren en het
leveren van de energie aan de eindgebruiker. TWECOM zet
hiervoor drie instrumenten in: lokale coöperaties, een regionale
biomassawerf en een (digitaal) houtkantenbeheerplan.
De lokale coöperaties staan in voor de organisatie van de oogst,
de verwerking en de afname. Zowel producenten (eigenaars van
landschapselementen zoals landbouwers en gemeenten) als
consumenten (afnemers van biomassa of warmte) zijn in deze
coöperaties vertegenwoordigd. Deze werken optimaal op de
schaal van een woonwijk, een school, een woonzorgcentrum,
of een landgoed. Binnen de coöperatie worden prijsafspraken
gemaakt.
De regionale biomassawerf beheert en verhuurt het machinepark.
Ze verzamelt biomassa, houdt de herkomst bij, droogt het en
kan zo garant staan voor de kwaliteit en beschikbaarheid van
de energiebron. Ze verenigt de lokale coöperaties, verdedigt hun
belangen en creëert kansen voor nieuwe lokale coöperaties.
Het houtkantenbeheerplan moet helpen om de oogst uit landschapselementen efficiënt te laten verlopen, in evenwicht met
de andere landschapsfuncties. Dit vraagt om samenwerking tussen sectoren zoals de Boerenbond, Natuurpunt en het Vlaamse
Agentschap voor Natuur en Bos. Om deze samenwerking te
faciliteren is een digitaal platform landschap (DIPLA) uitgewerkt,
een online geografisch informatiesysteem dat de specifieke
kennis van deze sectoren rond het beheer van onder andere
houtkanten verzamelt. Bijvoorbeeld rond de maximale toegelaten

hoogte van een houtkant naast een akker. Deze input vormt de
randvoorwaarden van het beheerplan. Daarnaast documenteert
het platform ook parameters zoals de geschatte opbrengst per
vierkante meter, de frequentie van beheer, het seizoen van beheer,
de aanwezige soorten, de huidige dikteklasse, enzovoort. Op
basis van deze gegevens en van de randvoorwaarden kan dan
een beheerplan uitgewerkt worden dat aangeeft waar, wanneer,
hoeveel en hoe geoogst moet worden. Een druk op de knop
levert de basis voor een bestek met details over het beheer. Het
resultaat is een geïntegreerd beheerplan, waarbij elke sector
expertise inbrengt, maar ook leert van de inbreng van anderen.
De applicatie laat bovendien toe om de rentabiliteit van beheeren aanplantingsscenario’s te berekenen. Het digitale karakter,
ten slotte, maakt dat het plan makkelijk aanpasbaar is aan ons
dynamisch ruimtegebruik.

Bocholt bijt de spits af
TWECOM is met een eerste proefproject gestart in de gemeente
Bocholt, Limburg. Het opzet is het oprichten van een lokale coöperatie en het uittesten van het digitaal platform. De gemeente heeft
zelf meer dan 75 kilometer houtkanten in eigendom. Daarnaast
zijn er ook heel wat landbouwers in Bocholt met houtkanten.
Allemaal samen herbergen deze voldoende biomassa om een
cluster van gebouwen te verwarmen, bijvoorbeeld een school. Zo
is binnen het proefproject gekozen om samen te werken met een
landbouwschool die concrete renovatie- en uitbreidingsplannen
had. De bereidheid om over te schakelen op biomassa was groot,
maar de school kon zelf niet investeren in een houtsnipperinstallatie. De prijs tegen dewelke de scholencampus aardgas kon
aankopen, was immers bijzonder laag. Hierdoor was het verschil
tussen de prijs van aardgas en die van houtsnippers niet groot
genoeg om de grote investeringskost op afdoende termijn terug
te verdienen. Binnen het project is daarom een lokale coöperatie
opgericht, met daarin de betrokken landbouwers, de gemeente,
de scholencampus en het Regionaal Landschap Lage Kempen.
Deze coöperatie neemt de investering in de snipperverbrandingsinstallatie en het warmtenet op zich, baat de installatie uit
en staat in voor het onderhoud en het verhelpen van storingen.

Binnen de coöperatie is de gemeente verantwoordelijk voor
het herinrichten van de houtkanten (verwijderen van exoten
en aanplanten van streekeigen soorten), de landbouwers voor
het cyclisch hakhoutbeheer en de school voor de afname van
gedroogde houtsnippers. Het Regionaal Landschap Lage Kempen helpt met het opstellen van het
beheerplan, in samenspraak met de
lokale landschapsbeheerders.
Ondertussen is de lokale coöperatie
opgericht, is het machinepark aangekocht (met Europese en provinciale
subsidies) en is een gedeelte van de
houtkanten opnieuw ingericht. Eerste
opbrengsten tonen aan dat de berekeningen kloppen en het
beheerplan financieel rendabel is. Daarnaast wordt ook aan
sensibilisering gewerkt omdat heel wat bewoners schrikken
van het – soms wel erg grondige – snoeien van hun vertrouwde
landschap.

aan subsidies of sensibilisering,
maar gewoon omdat het opbrengt.
Het verhaal hoeft hier echter niet
te eindigen. De onzekerheid die
er op dit moment leeft rond fossiele brandstoffen maakt dat het
in de nabije toekomst rendabel (en
misschien zelfs noodzakelijk) zal
worden om nieuwe houtkanten
aan te planten. En dus wordt een
landschap opnieuw aangemaakt,
waar het ooit stond, tussen de akkers. Waarom ook niet in woonwijken, op bedrijventerreinen,
langsheen wegen? En waarom zou dat per se ten koste moeten
gaan van bestaand grondgebruik? Een houtkant hoeft tenslotte
niet breder te zijn dan een meter.
Om het houtkantenverhaal economisch rond te krijgen, is er
nood aan samenwerking. Om de initiële investeringen te maken en om
voldoende biomassa te verzamelen.
Eigendomsstructuren zijn immers
versnipperd. Het operationaliseren
van deze samenwerking vraagt om
aangepaste structuren en instrumenten. Zo introduceert TWECOM een
digitaal platform om landschapsbeheerplannen uit te tekenen. Het
interactieve karakter van dit platform ondersteunt het coproductief en dynamisch uitwerken van geïntegreerde beheerplannen.
Daarnaast werkt TWECOM met een dubbele samenwerkingsstructuur. Enerzijds lokale coöperaties van producenten en
consumenten. En anderzijds regionale coöperaties die instaan
voor grotere investeringen, kwaliteitszorg en ondersteuning.
Het betrekken van actoren op elkaars landschap vraagt dus om
meer dan wat vrijblijvende infoavonden en natuurwandelingen.
Maar het resultaat is dan ook een erg directe betrokkenheid.
Eén die doet denken aan het principe van de gemene gronden;
overheidsgronden waarvan het vruchtgebruik voor de burger was.
Bijvoorbeeld om er vee op te laten grazen of om er brandstof uit
te verzamelen. Omdat het opbracht, werd er zorg voor gedragen.
Ook heel wat houtkanten zijn openbaar bezit en zouden beheerd
kunnen worden door de lokale gemeenschap, als gemeen bezit.
En dit in het verkavelde Vlaanderen. Of hoe een economisch
perspectief op ons landschap niet alleen tot meer betrokkenheid
kan leiden, maar ook tot ruimtelijke kwaliteit.

EERSTE OPBRENGSTEN
TONEN AAN DAT DE
BEREKENINGEN KLOPPEN
EN HET BEHEERPLAN
FINANCIEEL RENDABEL IS.

Van economie terug naar
betrokkenheid
Het verhaal van de houtkanten laat zien hoe een landbouwkundig systeem, gericht op voedsel, energie en grondstoffen, kan
transformeren naar een landschapselement waar bijkomend ook
met een ecologische en recreatieve bril naar gekeken wordt. Het
TWECOM-project richt de focus op energie en keert de transformatie hierdoor terug om. Door het cyclisch beheer te opnieuw
introduceren, neemt immers niet enkel de hoeveelheid biomassa
toe, maar verbetert ook de voedselopbrengst, stijgt de biodiversiteit en daardoor ook de natuurbeleving. En dit zonder nood

| 27