You are on page 1of 18

DE DIEREN SPREKEN NOG

Freddy Schroeven
02-12-1987

Eerste hoofdstuk
Opa zou een sprookje voorlezen ! Waaw !
De kleine Christophe (Kristoffeltje noemde papa hem altijd) had moeite
om stil te blijven zitten, want opa was de beste voorlezer van de hele
wereld. Nou ja, helemaal zeker was Kristoffeltje daar niet van maar hij had
er in ieder geval nog nooit een betere gehoord.
Opa opende plechtig het boek en schraapte de keel. Hij keek zwijgend
naar het papier, hl lang, alsof hij de tekst wou van buiten leren.
Dan begon hij eindelijk, met zijn rustige, diepe stem : In de tijd toen de
dieren nog spraken
Hij zweeg.
Zou hij geen zin hebben om voor te lezen ?
Maar plots keek hij op van het boek en er stonden twee lichtjes in zijn
ogen.
In de tijd dat de dieren nog spraken ? Wat een onzin ! zei hij, grijnzend
over de hele breedte van zijn gezicht, ze spreken nu nog !
Kristoffeltje keek hem argwanend aan. Als opa die lichtjes in zijn ogen en
die blos op zijn wangen kreeg moest je heel goed opletten, dat wist hij uit
ervaring, want dan kon hij de gekste dingen vertellen met zon ernstig
gezicht dat zelfs de spiegel hem soms geloofde.
Toe nou opa zei hij aarzelend je weet dat mama het niet zo leuk vindt
als je mij leugens vertelt.
Maar ik lieg niet zei de man en hij trok een gezicht alsof die opmerking
hem veel verdriet deed. Opa keek hem heel doordringend aan en
Kristoffeltje wist niet meer op welke bil hij moest gaan zitten. Het leek wel
alsof die ogen tot tegen de achterkant van zijn hoofd keken.
Als je me niet gelooft, kom dan maar eens mee !
En samen stapten ze naar buiten.
Opa liep voorop met grote, jonge passen en zijn openstaande zomerjasje
wapperde als een vaandel van een leger dat ten strijde trekt.
Kristoffeltje dribbelde opgewonden achter hem aan.

Hij had zon voorgevoel dat ze een heel bijzonder avontuur gingen
beleven.
Het was warm die dag. In het ongeschonden blauw van de lucht dreef
slechts af en toe een onschuldig wolkje voorbij. De vogels kwetterden en
zongen van geluk en fladderden vrolijk rond, alleen al om te tonen hoe
mooi hun kleurige lijfjes de hemel wel versierden. De zon, die blijkbaar
nog nooit van besparingen had horen spreken, gooide kwistig met haar
stralen die gretig door plant, dier en mens werden opgeslokt.
Kristoffeltje liep dan ook te puffen nog voor ze de rand van het kleine bos,
dat nochtans niet zo ver van hun huis lag, hadden bereikt.
Opa had al heel gauw zijn jas uitgedaan en die losjes met de mouwen rond
zijn middel gebonden. Terwijl hij dat deed had hij gezien dat Kristoffeltje al
zweet parels op zijn voorhoofd kreeg en daarom was hij daarna iets trager
gaan stappen.
Zo kwamen ze dan zij aan zij in de welgekomen koelte van de neurinde
bomen.
Waar gaan we eigenlijk naartoe opa ? Nu pas had hij de kans om dat te
vragen.
Weet je die oude, bijna helemaal kale boom staan ?
Ja die staat bijna in het midden van het bos, ik ben er verleden week nog
langs geweest, toen ik met papa mee paddenstoelen mocht gaan zoeken.
Welnu, dat is een betoverde boom, het is de geheime ingang van
Bommarije, het land waar de dieren en de planten spreken.
Hoe kan dat nou, ik ben nu al zes jaar en niemand heeft mij dat ooit
verteld. En waarom heeft papa dat verleden week dan niet gezegd ?
Heel eenvoudig, omdat geen mens het weet ! Alleen de dieren weten het
maar omdat die hier niet kunnen spreken, kunnen ze het ook niet verder
vertellen.
Al pratend waren ze intussen bij de bijna dode boom aangekomen. Door
de koelte van het bos was Kristoffeltjes zweet gaan opdrogen en dat deed

een kleine rilling langs zijn ruggengraat naar beneden tuimelen. Of was hij
een beetje bang nu hij de eik met heel andere ogen bekeek ?
Bewoog die kromme tak nu niet ?
Het was net een akelige grijparm die zich in zijn richting uitstrekte.
WAAAAA !
Hij schrok zich een aap toen opa zijn hand plots op zijn schouder legde.
Toe toe, je moet niet bang zijn joh suste opa.
Kristoffeltje antwoordde eerst niets maar toen hij weer op adem was,
vroeg hij plots maar zeg eens, opa, als niemand van het bestaan van dat
land afweet, hoe komt het dan dat jij het wl kent ?
Hij keek hem minutenlang zwijgend aan.
De tijd is gekomen, hoop ik, om je dat te vertellen. Zet je hier maar in het
gras want het wordt een heel verhaal.

Tweede hoofdstuk
Veel, hl veel eeuwen geleden leefden er twee tovenaars, Kosmos en
Ferno.
De eerste was een goede, brave man die hield van alles wat hem
omringde. Hij verzorgde de bloemetjes en snoeide de struiken, hij kleurde
het gras en beschermde de jonge bomen. Hij zorgde ook dat oude,
versleten bomen op een rustig plekje konden sterven en bracht dan de
humus die zo ontstond weer naar de nieuwe planten.
Met een dagelijkse toverspreuk hield hij alles in evenwicht.
Natuurlijk was het bos hem dankbaar.
Als het regende werd hij bijvoorbeeld nooit nat, want dan gingen de
bladeren boven zijn hoofd zo dicht bijeen staan dat er geen druppel
doorkwam. Als het heet was, wuifden de takken hem koelte toe. De
bloemen waren voor hem altijd op hun mooist, de vruchten die in zijn
schoot vielen waren altijd de lekkerste.
De vriendschap was zo innig dat in de lente vaak de jonge twijgjes verliefd
op hem werden. Maar dan deed hij alsof hij niets merkte en dan ging het
wel vanzelf over.
De andere tovenaar was een levend gif.
Steeds dwaalde hij door de donkerste delen van het woud of in de akelige,
duistere grotten van de Zwarte Bergen. Altijd was hij op zoek naar
witgebleekte beenderen van jakhalzen, naar addervel of giftige
paddenstoelen. Daarmee brouwde hij een smerig toverzalfje waarvan hij
beweerde dat het hem eeuwig jong zou houden. Nou ja, mooier maakte
het hem in elk geval niet.
Zijn hart zou eigenlijk met een d moeten geschreven worden en zijn lach
was dan ook zo koud dat hij de regen kon doen verstijven tot hagelbollen.
De slechterik haatte alle dieren en planten en het liefst van al zou hij ze
allemaal met zijn blote handen hebben doodgeknepen.

Gelukkig maar dat de goede tovenaar er was om hen te beschermen.


Kosmos kon echter niet overal tegelijk zijn en daar profiteerde Ferno de
laatste tij steeds meer van.
Zo lag Kosmos op een heerlijke lentedag een dutje te doen na een rijkelijk
maal van bosbessen, overvloedig besprenkeld met rozenwater. Hij had
zich loom gevoeld van het zware middagmaal (en een beetje draaierig van
het rozenwater) en daarom had hij zich neergevleid onder een
wilgenstruik met geurende katjes vlakbij een beekje dat met een kristallen
stemmetje wiegenliedje voor hem zong.
Eventjes maar zuchtte hij en hij sliep zijn zorgeloze slaap.
Stommerd ! In de lente zijn er toch geen bosbessen ! riep Kristoffeltje en
hij schrok zelf van zijn heftige reactie.
Nee zei opa hier niet maar in Bommarije kan dat wl. In dat heerlijke
land wordt het immers alleen maar lente en zomer. Herfst en winter
bestaan daar gewoon niet en daarom dragen de planten en bomen hun
bloemen en vruchten wanneer ze daar zelf zin in hebben.
De zon schoof telkens een beetje op om haar geliefde tovenaar met haar
stralen te kunnen verwennen maar de struik die wel voelde dat de zon een
beetje te enthousiast was en die eigenlijk vond dat schaduw beter was
voor Kosmos, spreidde zich zo breed hij kon en draaide zijn bladeren
telkens een beetje mee met het zonlicht. Zo deden zij, ongemerkt, de tijd
vlugger vooruitgaan dan Kosmos vermoedde.
Plots kwam met veel kabaal Roep de zwaluw aangestoven.
Kosmos schreeuwde hij K O S M O O O S !!
De goede man sprong geschrokken op en stootte zich daarbij het hoofd
tegen een laaghangende tak.
AUW ! zei hij eerst en dan pas, slaperig nog Wat gebeurt er ?
Kom gauw Kosmos want Ferno is weer bezig !
Zeg eens, het lijkt wel alsof jij betoverd bent, je kakelt als een kip. Vertel
eens rustig wat er aan de hand is !

De tovenaar had een ietsje strenger gesproken dan Roep van hem gewoon
was.
Wel .. wel ..wel.. Hij was t opgewonden. Roep slikte even, ademde diep
in en herbegon : wel, Moef de hond en Mauw de kat zijn bovenop de
Vriendschapsheuvel aan het vechten, op leven en dood.
Wt zeg je daar ? Kosmos kon zijn oren niet geloven.
Dat Moef de h
Jaja Roep, ik had je wel verstaan
Moef en Mauw waren altijd al de beste vrienden geweest. Heel de dag
speelden ze samen en als ze te moe werden gingen ze, dicht tegen mekaar
aan, op een lekker plaatsje liggen slapen. Tegen anderen beweerden ze
vaak dat ze broer en zus waren (en iedereen deed natuurlijk alsof ze hen
geloofden).
Snel zei hij hier moet opgetreden worden voor het te laat is.
Hij wreef over zijn toverstaf, trok zijn hoed wat vaster op zijn hoofd en
sloot zijn mantel rond zijn lichaam.
Nu ! zei hij en terwijl hij hier verdween, verscheen hij alweer aan de
Vriendschapsheuvel.
Jij vuile schurfthond ! hoorde hij Mauw nog schreeuwen. Mauw kon heel
gemeen doen als ze kwaad was.
Moef gromde alleen maar, van diep uit zijn buik, en hij liet zijn tanden
vervaarlijk blikkeren.
Stop ! Onmiddellijk ! klonk het metaalhard.
De twee vechtersbazen keken verrast naar Kosmos.
Wat gebeurt er hier ?
Die stinkerd heeft gedroomd dat hij me aan het opeten was ! blies
Mauw, met al haar haren nog recht overeind.
En dat valse kreng heeft me in dr slaap opmijn neus gekrabd ! blafte
Moef.
En voor zoiets maken zulke goede vrienden als jullie ruzie ?
Vrienden ? Pfoe ! zeiden de twee tegelijk.
Kosmos begreep dadelijk dat Roep gelijk had en dat inderdaad Ferno hier
een hand moest in hebben.

Hij keek hen beide, tegelijk, in de ogen Kosmos kon zoveel ogen tegelijk
aankijken als hij zelf wilde en er kwam een heel fel licht om zijn hoofd.
Jullie zullen terug jonge diertjes worden sprak hij met een vreemde stem
jullie zullen terug spelen met elkaar en deze ruzie voor altijd vergeten
zijn.
Toen Roep hijgend aankwam was het licht verdwenen en Kosmos stond
glimlachend te kijken naar de twee stoeiende jonkies.
Oef, je hebt het weer eens opgelost en Roep klepperde met zijn vleugels
van blijdschap.
Ja zei de tovenaar ernstig maar ik vrees dat het maar een tijdelijke
oplossing is.
Hoezo ?
Ferno en ik zijn ongeveer even sterk en de een kan de tovenarij van de
ander slechts tijdelijk uitschakelen, verdoven zou je kunnen zeggen. Maar
in volgende generaties of buiten Bommarije, zal de oude betovering
steeds weer uitbreken.
Betekent dat, dat honden en katten ?
nog vaak zullen vechten, ja. Kosmos keek hl verdrietig.
De volgende dag werd de goede tovenaar wakker van de kou.
Toen hij zijn ogen opende, zag hij dat hij ook doorweekt was van kop tot
teen.
Oei dacht hij zou ik hardop gedroomd hebben en de regenspreuk
geroepen hebben in mijn slaap ?
Neen, dat was onmogelijk, als hij het deed regenen was het altijd warm.
En dan besefte hij dat dit weer een nieuwe pesterij was van Ferno.
De lucht was volgepropt met dreigend zwarte wolken en het bliksemde en
rommelde alsof men in de hemel vuurstenen van de trappen keilde. Hagel
en ijzige, geselende regen kolkten naar beneden. Hoe dicht de bomen ook
bij mekaar drumden om Kosmos te beschermen, zij slaagden er niet in het
kletterende water tegen te houden. De akkers hapten naar lucht want ze
konden de stroom niet meer slikken. Langzaam verdronk het land terwijl
het kermend om hulp smeekte.

k o s m o s klonk het zwak en wanhopig.


Wat moest hij doen ? Hij kende geen spreuk om regen te doen stoppen
want zijn regen stopte altijd vanzelf als het land genoeg gedronken had.
Hoe moest hij deze keer de booswicht tegenhouden ?
Kosmos keek toe met tranen in de ogen.
Maar plots wist hij raad !
Hij zette zich dwars in de koude noordenwind en zijn vastberaden blik en
wapperende haren gaven hem een krijgshaftig uitzicht.
Hij spreidde de armen en hief ze, heel langzaam, boven zijn hoofd tot zijn
handpalmen elkaar raakten. Terwijl hij dat deed, verscheen aan de
horizont een brede, veelkleurige baan die hoog opsteeg tot vlak onder de
wolken om dan weer te dalen naar de andere einder.
De regen werd bang en aarzelde, maar de zon kreeg weer moed door deze
onverwachte bondgenoot en begon dapper te schijnen.
Het overvloedig gevallen water droogde op en het land werd weer
opgewarmd.
De smerige wolken moesten machteloos afdruipen.
Bijna tegelijkertijd begonnen alle vogels te jubelen om de overwinning van
Kosmos en de bloemen en planten lachten van opluchting.
Hoelang nog Ferno, hoelang kan dit zo nog blijven duren ? fluisterde
Kosmos die niet in de algemene vreugde kon delen.
Toch had deze nederlaag de boze Ferno diep geraakt want er gebeurde
gedurende enkele weken helemaal niets.
Maar dan hield hij het niet meer uit. Hij mengde een heel sterk gif en
sloop daarmee op de toppen van zijn tenen naar de wei waar de konijntjes
altijd tikkertje kwamen spelen. Daar aangekomen gooide hij het zoeterig
geurende poeder in de lucht en blies het open over het hele grasland. Het
bleef kleven aan de boterbloempjes die de keuntjes zo graag aten.
De engerd keek schichtig rond om te zien of niemand hem gezien had. Hij
grijnsde zelfvoldaan en verdween toen snel met spitse bokkenpasjes.
De volgende dag al werd het akelige resultaat van Fernos werk duidelijk.
Alle konijnen waren dodelijk ziek en ze stierven dan ook bij bosjes.

Kosmos kreeg het moeilijk toen hij zijn favoriete diertjes zo zag lijden. Hij
boog het hoofd en er rolde een traan uit ieder oog.
Maar hij mocht zich niet laten gaan ! Zijn lievelingen hadden hem meer
dan ooit nodig.
Hij riep de bijenkoningin en vroeg haar om met haar legertje werksters
zoveel mogelijk honing aan te brengen. De koeien moesten grashalmpjes
verzamelen van niet meer dan n dag oud. Hijzelf zocht intussen zeven
klavertjes-vier. Elk gooide zijn deel in een reuzengrote ketel die verwarmd
werd met een stukje van de zon dat Kosmos van haar had gekregen.
Daarna hielp iedereen mee olm het drankje aan de arme, zieke beesten
toe te dienen.
Toen de konijntjes snel weer genazen werd er een groot feest ingericht.
Het kikkerkoor zong liederen over de roemrijke geschiedenis van het land.
Tot slot brachten zij hun nieuwste hit die de pas gebeurde ramp vertelde
en, vooral, de goede afloop.
Tijdens de pauze hield Koppie de papegaai, die voorzitter was van het
feestcomit, een toespraak waarin hij de aanwezigen aanmaande om
nooit meer boterbloempjes te eten. Dan opende hij met juffrouw Knapje,
de paradijsvogel, officieel het bal en er werd gedanst tot diep in de nacht
op de tonen van het krekelorkest.
Heel Bonnarije deelde in de feestroes, behalve Kosmos, want die zat in
een hoekje stilletjes te treuren over de vele diertjes die gestorven waren.

Derde hoofdstuk
En het ging met Ferno van kwaad naar nog veel erger.
Toen Kosmos op een morgen de fruitbomen aan het snoeien was keek hij,
denkend aan Ferno, in de richting van de Zwarte Bergen.
Hij schrok.
Uit elke grauwe heuveltop kwamen grijze, groene, gele of zwarte
rookslierten omhoog geslopen. Je kon van ver wel zien dat ginder in de
bergen een kwalijke stank moest hangen.
Hoewel hij Ferno nooit vertrouwde, haalde Kosmos niet begrijpend de
schouders op.
Hij is misschien aan het proberen om een schoonheidszalf te brouwen.
giechelde Kosmos dat zou hij best kunnen gebruiken.
Maar de walmen bleven opstijgen, dag en nacht.
Kosmos wist s anderendaags niet meer wat hij ervan moest denken.
Hij schudde die zorg echter van zich af en wijdde zich aan een heerlijke
taak. Vandaag moest het immers regenen. Het was nu volop zomer en de
plante en dieren hadden verfrissing en drinken nodig. Hij zette zich schrap,
met de benen een ietsje gespreid en strekte de armen naar de hemel . De
blauwe lucht grommelde weerspannig.
Dan sprak hij de regenspreuk :
Laat de regen dalen zacht
Daar de aarde dorstig wacht
Hij sloot de beide handen tot vuisten en kneep zo hard dat hij er rood van
aanliep. Nog wat aarzelend omdat ze net zo leuk aan het spelen waren,
begonnen de watten schapenwolkjes zich te verzamelen tot n grote
regnwolk.
Dan richtte Kosmos plots zijn wijsvinger en een omgekeerde
bliksemschicht flitste omhoog en trof de wolk in de donkere buik. Krakend
als een donderslag scheurde deze open en het water streelde neer en
laafde het hele volkje daar beneden.
Hh Kosmos genoot en liet de regen over zijn aangezicht stromen.

10

Maar wat gebeurde er ? Elke druppel brandde door de bladeren van de


bomen heen, hun schors verschrompelde en deden hen op oude
mannetjes lijken.
Dieren, die gulzig van de weer gevulde beekjes dronken, voelden zich
ellendig en kregen kale plekken in hun pels of pluimen.
Nu begreep Kosmos wat Ferno deed : hij stuurde voortdurend gif in de
lucht en telkens als Kosmos het zou doen regenen kwam dat gif met de
druppels naar beneden !
Na korte tijd vielen de zwakste planten en dieren als eerste slachtoffers,
terwijl de vroegere gezonden gingen zienderogen achteruit gingen.
Kosmos was machteloos. Als hij het niet liet regenen stierven zijn
beschermelingen van dorst en als hij het wl deed, kregen ze telkens een
portie gif binnen.
Hij wist dat Ferno hem deze keer te slim was af geweest.
Kosmos liet zich op de knien vallen en weende hardop.
Een hele trieste tijd later kwam Roep het moedige ding kon bijna niet
meer vliegen omdat Ferno hem bijna te pakken had en daarbij zijn staart
had uitgetrokken kwam Roep dus, verslag uitbrengen van zijn laatste
spionnagevlucht boven het gebied dat Ferno had ingepalmd.
Hij wachtte niet op een reactie van Kosmos, die droevig voor zich uit zat te
staren, maar stak na een kuchje meteen van wal.
Ik breng helaas voor de zoveelste maal slecht nieuws. Ferno heeft een
legertje knechten om zich heen verzameld. Het zijn wrede, haarloze
beesten die hij heeft leren om op hun achterpoten te lopen. Ze zijn ergens
familie van de apen en ze proberen dan ook steeds om hem zo goed
mogelijk na te bootsen.
We zouden om dat alles eens lekker kunnen lachen God weet dat we dat
eens dringend nodig hebben als het niet was dat Ferno hen vuurstokken
heeft gegeven waarmee ze alles, behalve tovenaars, kunnen vernietigen !
Ze jagen en schieten op alles wat ze tegenkomen. Ze doden weerloze
dieren in bos en veld en noemen dat jachtfeesten.
Help ons Kosmos, alsjeblieft !

11

Die voortdurende strijd en het vele verdriet hebben mij danig uitgeput
Roep. Maar iets kan ik wel doen om jullie een beetje te beschermen. In
plaats van jullie mooi e felle kleuren, zal ik jullie kleedjes veranderen in
schutkleuren, dat betekent kleuren waardoor jullie minder opvallen in de
omgeving waar jullie wonen.
Fernos knechten zal ik verdwazen, zodat hun oren, ogen en neus veel
minder scherp zullen zijn dan die van normale dieren. Ik moet je echter
wl verwittigen dat daardoor de dwaasten onder hen ook nooit meer
zullen kunnen zien hoe mooi jullie zijn en de natuur waarin wij allen
leven.
Ik begrijp het zei Roep spijtig maar het is een kwestie van overleven.
Kosmos nam een groot, doorschijnend doek en schilderde daar alle
kleuren op die in de natuur voorkomen : de kleur van takken en bladeren,
van gras en grond, van koren en vruchten. Toen dat klaar was sprak hij een
toverspreuk en wuifde met zijn rechterhand de kleuren op de dieren.
Hij maakte een houten popje dat op de helpers van Ferno leek en stopte
modder in de ogen, oren en neus van het beeldje. Hij zette zich in
kleermakerszit voor de pop en begon al zijn krachten te verzamelen. Aders
spanden zich als koorden op zijn slapen en dikke zweetdruppels
verschenen over heel zijn gelaat. Eerst zijn handen, maar spoedig ook zijn
armen en benen, begonnen te trillen. Steeds heftiger werd het en weldra
zat hij over heel zijn lijf te schokken alsof hij van de duivel bezeten was.
Plots viel alles stil en hij verstijfde tot in de toppen van zijn tenen. Dan
werd hij lijkbleek en zakte als een zoutzak achterover.
Kosmos opende de ogen en voelde zich totaal uitgeput. Hij wist echter dat
zijn belofte aan de dieren volbracht was.
Zo waren zijn vrienden dan toch wat beter beschermd tegen de
booswichten. Maar de oplossing was niet perfect want onvoorzichtigen of
overmoedigen bleven sneuvelen onder hun genadeloze schoten.
En toen op een dag de bende de hele mamoetfamilie uitmoordde, was
Kosmos tot zijn grote woede, machteloos.

12

En dan kwam de dag die Kosmos al eeuwen met angst tegemoet had
gezien. Als vogels of bloemen in de goede tijden al eens vroegen waar om
hij soms zo stil was op het zomerfeest, had hij nooit geantwoord om hun
zorgeloze pret niet te bederven. Maar deze vervloekte dag was het die hij
dan in gedachten zag aanbreken.
Gekleed in zijn zware, zwarte oorlogsuitrusting, op zijn valse kop een
pronkerige helm met uitdagend wuivende pluimen, verscheen Ferno in de
poort van zijn burcht. Tussen zijn gordel stak een zwaard van likkend vuur
en aan zijn arm droeg hij een schild van dampend ijs. Voorafgegaan door
zijn gluiperige dienaars trok hij de grens over van zijn gebied en rukte op
naar de Liefdesvallei waar Kosmos woonde.
Trommeltje de haas was de eerste die alarm sloeg. Hij sprong bovenop
een holle stam en trommelde zo luid dat zelfs de douaniers van Bonnarije
het hoorden.
Kosmos moest natuurlijk aan niemand vragen wat hij al lang wist.
Met een somber gezicht maakte hij zich klaar voor de laatste strijd met
zijn rivaal. Hij trok zijn mooiste pak aan, met bijpassende schoenen en
zijden handschoenen, zette zijn hoge hoed op en bevestigde zijn
kapmantel aan zijn schouders. Zo, helemaal in verblindend wit, een
schitterende toverstaf versierd met goud en edelstenen in de hand, leek
hij onoverwinnelijk in de ogen van zijn vriendjes.
Kosmos keek om zich heen en kreeg een krop in de keel. Ze waren er
allemaal ! Geen enkele van zijn vrienden wou hem op deze dag in de steek
laten.
Vandaag moet er voorgoed een einde komen aan zijn akelige praktijken!
donderde hij en juichend trokken ze op naar de zonnigste heuvelrug van
de vallei.
Toen het gespuis aan de overkant op de andere heuveltop verscheen, reed
Ferno op een donkergrijze wolk. Joelend en scheldend toonden zijn
knechten hun wapens aan de zenuwachtige dieren.

13

Kosmos brulde Ferno het moet nu maar eens gedaan zijn met jouw
weekhartig bestuur ! Jij en je bibbersoldaatjes zullen hier en nu mijn
slaven worden en dit land zal geregeerd worden met ijzeren hand. Ferno
sloeg zich met de volle vuist op de geharnaste borst. Het klonk als de gong
van het Laatste Oordeel.
Kosmos zei niets maar richtte zijn linkerhand alsof hij een pistool vasthield.
Een omgekeerde bliksemschicht flitste knetterend door de wolk en Ferno
tuimelde dwars door zijn voertuig heen, pardoes met zijn achterste op de
grond.
De beren moesten hun buik vasthouden van het lachen en de herten
rolden gierend op hun rug. Daarbij raakten ze echter met hun gewei in de
struiken verstrikt en Kosmos moest hen helpen om weer los te komen.
Schuimend van woede was Ferno intussen recht geklauterd en profiterend
van de verwarring aan de overkant, trok hij zijn zwaard en slingerde dat
met vernietigende kracht in de richting van zijn gehate vijand.
Hij trof Kosmos, die net het laatste hert bevrijdde, in de rechterbil. Het
gloeiende wapen ging er dwars doorheen en bleef zowat halverwege het
lemmer in het been van de arme tovenaar steken. Zonder geluid te maken
maar met grote ogen van verbazing, zakte deze in mekaar.
Binnenin de wonde beten de vlammen van het tovenaarszwaard in het
opengescheurde vlees. Scherpe flitsen van bijna ondragelijke pijn schoten
omhoog in zijn keel. Hij gooide het hoofd in de nek en gromde als een
stervende tijger.
Ferno en zijn kornuiten hielden honend en spottend een woeste
rondedans.
Met een wilde schreeuw trok Kosmos het wapen terug uit zijn schrijnende
been. Een stevige beuk tilde hem voorzichtig op de rug van Galop, het
beste paard van Bonnarije.
Vooruit Kosmos hinnikte Galop laat je niet doen door die lafaard.
De ogen van de anders zo zachtmoedige man schoten vuur. Hij trok zijn
staf en hield hem recht in de zonnestralen. De enorme diamant in het
midden ving de zon en vuurde het felle licht te midden van de troepen die
zich klaarmaakten om door de vallei op het Kosmosleger af te stormen.

14

Toen de verblinding uit eenieders ogen trok, zagen ze Ferno alleen staan
op de heuvel. Paniekerig keek deze om zich heen.
Je knechten zijn weg Ferno ! Ik heb ze voor altijd uit Bonnarije
weggetoverd !
De dieren juichten. Kosmos had gewonnen !
Zij namen elkaars voorpoot vast en begonnen zingend een polonaise te
dansen.
Maar Ferno gaf zich niet gewonnen.
Ook hij trok zijn toverstaf, prevelde nijdig een toverspreuk en gooide de
staf recht omhoog.
Dood hem. Nu en voorgoed siste hij en het opperste tovenaarswapen
vertrok alsof een reus het afschoot uit zijn boog.
Normaal kan zon staf zijn doel nooit missen maar Kosmos was ook een
tovenaar en hij kon zich nog net op tijd van Galop op de grond laten
vallen. Galop schrok en sprong opzij. Aan die reactie dankte hij zijn leven.
Want hoewel de staf van Ferno zijn eerste doel miste, voerde hij toch zijn
opdracht uit.
Hij klapte met de kracht van een bom tegen de rotsen die zich vlak achter
Kosmos bevonden. Met donderend geraas stortten de enorme brokken
steen naar beneden en bedolven de goede tovenaar.
Er schoof een loodzware stilte over Bonnarije. Geen krekel kuchte, geen
blaadje ritselde.
Dan, in paniek, nog opgejaagd door het scherpe gemekker van Ferno,
renden de dieren blindelings weg en lieten hun arme vriend voor dood
onder de rotsblokken achter.
Knielt nu allen riep Ferno want hier is jullie koning !
De zon ging zich verstoppen en de wolken begonnen te huilen. Een wilg
boog treurend zijn takken naar beneden en zwoer dat hij zo voor altijd zou
blijven staan.

15

Hier knielt niemand en zeker ik niet ! kreunde het plots onder n van
de brokstukken.
Kosmos, hoewel zwaar gewond, leefde nog en kroop nu heel langzaam
recht.
Ferno jankte van woede en spijt.
Ja vloek nu maar. In je allesvergetende haat heb je je toverstaf
weggestuurd en nu sta je machteloos aan mij overgeleverd !
Kosmos schouderde zijn staf als een gewwer en richtte op de trillende
Ferno.
Maar dan liet hij zijn wapen zakken en sprak tot de booswicht :
Ik kan je lichaam vernietigen maar jouw geest van kwaad en haat zou
blijven dwalen door Bonnarije. Ik weet dan ook een betere oplossing : als
straf voor het onnoemelijk vele kwaad dat je hebt aangericht, verban ik je
naar de wereld waar ook je knechten zijn. Zij zullen zich echter niks
herinneren en vermits je ginder geen toverkracht hebt, zal je leven als n
van hen. Velen onder hen zijn boosaardig gebleven zoals jij ze had
gemaakt en je zal machteloos toezien hoe zij alles vertrappen wat ze
eigenlijk zouden moeten liefhebben.
Pas na vele eeuwen dolen, als je tot inkeer gekomen bent, zal je opnieuw
de halfdode eik vinden die de ingang is van Bonnarije.
De deur zal echter slechts open gaan nadat je aan een onbedorven mens
je fouten hebt bekend en er vergeving hebt voor gekregen.
Ga nu Ferno en kom terug als je schande uitgewist is !

16

Vierde hoofdstuk
Kristoffeltje ziet grote, dikke tranen opwellen uit de om genade smekende
ogen van de oude man.
Hij hoort zichzelf zeggen : Huil nu maar niet meer, Ferno, je hebt heel
veel spijt van wat je hebt misdaan. Daarbij heb ik in mijn korte leven al
gemerkt dat je van alles en iedereen houdt en dat je altijd goed wil doen.
Hoe kan het anders dan dat alles je vergeven is.
De stam van de eik kraakt wijd open en een gouden trap wordt zichtbaar
met daarachter een poort van wenkende takken, versierd met zingende
bloemen.
Midden in de poort staat met opengespreide armen een man die er zo
oneindig lief uitziet dat Kristoffeltje er kippenvel van krijgt.
Opa drukt hem aan zijn natgetraande wangen en geeft hem nog een dikke
zoen. Dan stapt hij in de eik en gaat de weg op van het volmaakte geluk.
Met een nooit gevoelde voldoening wordt Christophe wakker.
Wat trekken jullie een treurig gezicht zegt hij als hij zijn ouders met
hangende hoofden aan zijn bed ziet staan .
Jongen zegt papa moeilijk Opa is zonet gestorven.
Maar neen lacht hij, blij dat het om een misverstand blijkt te gaan die is
terug naar Bonnarije !
Mama en papa kijken mekaar aan met pijn in hun blik.
Laat maar zegt mama hij is nog te klein om het te begrijppen.

17