De Donkere Kamer

I - Het Negatief

De Film
Als je een belichte film uit een fotocamera zou haalt, is het beeld al wel aanwezig maar nog niet zichtbaar. Het is met andere woorden latent; je krijgt het te pas zien na ontwikkeling in een ontwikkelaar. Wanneer een film wordt belicht verkleurt in feite de emulsie. De plaats waarop het meeste licht valt zal het donkerst worden. Dit verkleuren noemt men eigenlijk zwarten. Bekijken we een belichte en ontwikkelde film, dan valt op dat in ieder geval de randen en de ruimtes tussen de opnamen (de spaties) min of meer doorzichtig zijn. Daar is immers geen licht op gevallen. De delen waarop het meeste licht viel zullen het donkerst zijn en die waar een gemiddelde hoeveelheid licht bijkwam zullen daar ergens tussenin zitten. In het kort komt het ontwikkelen van een film op het volgende neer: 1. 2. 3. 4. 5. Ontwikkelen in een ontwikkelaar Stoppen van de ontwikkeling in een stopbad Fixeren (houdbaar maken) in een fixeerbad Spoelen in water (om de chemicaliën te verwijderenen) Drogen

Na verloop van tijd moet de ontwikkeling worden gestopt. Doe je dat niet, dan wordt de film te intensief ontwikkeld waardoor de kwaliteit van het negatief - en daarmee die van de afdruk achteruit gaat. Op welk moment je moet stoppen hangt af van de film en van ontwikkelaar die je gebruikt en van het gewenste resultaat. Na ontwikkeling blijven altijd niet belichte - en dus niet gezwarte - zilverhalogeniden over. Omdat die nog steeds lichtgevoelig zijn zouden ze op den duur het negatief doen verkleuren en ‘bederven’. Door het fixeer worden zij eerst omgezet in een kleurloze en daarna in een oplosbare stof. Het spoelen is nodig om die stof (en de fixeerresten) kwijt te raken zodat de negatieven op den duur niet toch verkleuren. Een film wordt trouwens pas halverwege het fixeren helder. Ten slotte moet de film worden gedroogd. Dit moet gebeuren in een stofvrije ruimte. Eenmaal ingedroogde stofdeeltjes kunnen niet meer verwijderd worden; de film zou daardoor beschadigen.

1

Voor het ontwikkelen van een zwart/wit film is het volgende nodig: ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! lichtdichte ruimte ontwikkeltank schaar ontwikkelaar, stopbad, fixeer, antivlekmiddel water thermometer maatbekers voorraadflessen klok (stopwatch) filmklemmen stofvrije ruimte negatiefbladen

Op CREA zijn al deze spullen natuurlijk aanwezig. Je moet echter zelf zorgen voor een map of een ordner waarin je de negatiefbladen kunt opbergen.

Wat te doen
Wat nu volgt is niet bedoeld als een volledige handleiding voor het ontwikkelen van films. Het moet veeleer beschouwd worden als een aanvulling op wat tijdens de lessen uitvoerig wordt behandeld. Het kan bovendien handig zijn als je na verloop van tijd eens geheel zelfstandig een film wilt ontwikkelen. Een film wordt ontwikkeld in een ontwikkeltank. Daarin zit een spiraal waarop we vrij gemakkelijk de film kunnen spoelen. Dat moet in het donker gebeuren. Als dat is gelukt en als de film eenmaal op de juiste manier in het tankje zit kan het licht gelukkig weer aan. De tanks zijn namelijk zo geconstrueerd dat je de chemicaliën in en uit kunt gieten, zonder dat er licht bij de film kan komen. Een film wordt ontwikkeld in een ontwikkeltank. Daarin zit een spiraal waarop we vrij gemakkelijk de film kunnen spoelen. Dat moet in het donker gebeuren. Als dat is gelukt en als de film eenmaal op de juiste manier in het tankje zit kan het licht gelukkig weer aan. De tanks zijn namelijk zo geconstrueerd dat je de chemicaliën in en uit kunt gieten, zonder dat er licht bij de film kan komen. Controleer voordat je met het inspoelen gaat beginnen of de spiraal droog is. De film gaat onherroepelijk vastzitten als dat niet het geval is. Het is verstandig alle onderdelen van de ontwikkeltank zodanig te plaatsen, dat je ze in het donker gemakkelijk kunt vinden. Het inspoelen doe je met rustige bewegingen van slechts een helft van de spiraal. Trek nooit meer dan 25-30 cm film uit de cassette en houd de spiraal verticaal; zo wordt voorkomen dat de film ‘ontspoort’ en ondanks alle voorzorgsmaatregelen toch vast komt te zitten. Vrijwel alle fotochemicaliën moeten voor gebruik worden verdund met water. De ontwikkelaar is meestal eenmalig terwijl in een liter stopbad en fixeer maximaal 10 films kunnen worden behandeld. Het is het beste de ontwikkelaar pas vlak voor gebruik aan te maken.

2

De gebruiksoplossingen van het stopbad en fixeer blijven ongeveer zes weken goed. Raadpleeg eventueel de gebruiksaanwijzing van de chemicaliën. De temperatuur van ale baden moet 200 Celsius zijn, dus ook die van het spoelwater. Temperatuurverschillen tussen de baden onderling moeten worden vermeden om beschadiging van de film (reticulatie) te voorkomen. Bovendien is de werking van de baden sterk afhankelijk van de temperatuur. De ontwikkelaar moet snel in de tank worden gegoten. Reken daarvoor, net als trouwens voor de andere chemicaliën, 5 tot 10 seconden. Op het moment dat de vloeistof in de tank is verdwenen gaat de ontwikkeltijd in. Klop de tank nu enige malen op het aanrecht om luchtbelletjes, die door het ingieten onvermijdelijk ontstaan, te verwijderen; op de plaats waar een luchtbelletje zit kan de ontwikkelaar de film niet bereiken. De tank wordt nu volledig gesloten, de lucht die er in zit laat je ontsnappen en gedurende een halve minuut wordt constant gekiept. Dat kiepen (ook wel agiteren genoemd) is nodig om er voor te zorgen dat de film op alle plaatsen met de ontwikkelaar in aanraking komt. Zet daarna de tank met het inmiddels bekende klopje op het aanrecht. Afhankelijk van de gebruikte ontwikkelaar moet de tank gedurende de hele ontwikkeltijd een keer per halve, of een keer hele minuut worden gekiept. Dat is nodig om de ontwikkelaar, die in de buurt van de film uitgeput raakt, te verversen. Tien seconden voordat de ontwikkeltijd is verstreken giet je de ontwikkelaar uit de tank. Het stopbad dient ervoor de ontwikkeling te beëindigden. Direct nadat de ontwikkelaar is weggegoten moet je de tank vullen met stopbad. Dat is een vrij sterk zuur dat de werking van de basische ontwikkelaar stopt. Even kloppen, drie maal kiepen en na de 15 seconden die dan verstreken zijn ben je ermee klaar. In principe zou je ook met water kunnen ‘stoppen’ in plaats va met stopbad. Bedenk wel dat het dan wat langzamer gaat zodat je de ontwikkelaar eerder uit de tank moet gieten. Bij bepaalde soorten fixeer is een echt stopbad noodzakelijk om de zuurgraad van dat bad op peil te houden. Aansluitend moet de film worden gefixeerd. Het ingieten gaat volgens dezelfde procedure als bij de voorgaande baden: snel ingieten, kloppen, tank sluiten, lucht eruit. Het bewegingsritme is als bij het ontwikkelen. Dus de eerste halve minuut constant en daarna een keer per halve minuut, gedurende de gehele fixeertijd. Tot slot moet je spoelen. Dat kan op twee manieren. 1. Met stromend water. Dit is een goede manier als het leidingwater niet te koud is. De tank wordt hierbij onder de kraan geplaatst en het water wordt - bij voorkeur met behulp van een rubber slang - door het midden van de spiraal gericht. De spiraal blijft in de tank staan. Heeft het water een lagere temperatuur dan 200 Celsius, dan moet de temperatuur in de tank geleidelijk worden teruggebracht. Hoe kouder het water is, hoe minder effectief de spoeling zal zijn. Bij 200 Celsius moet je uitgaan van minimaal 20 minuten spoelen. 2. Met water dat van tevoren wordt klaargezet. Na het fixeren spoel je de tank - met inhoud - drie maal kort met water. Dan giet je er voor de vierde keer water in waarna je 15 maal op de bekende manier kiept. Dit wordt, steeds me vers water, twee maal herhaald. In totaal kom je zo dus op 45 maal kiepen. Het voordeel van deze werkwijze is dat de temperatuur

3

beter beheerst kan worden en dat er in totaal minder water nodig is. Om praktische redenen zullen we tijdens de cursus van deze methode gebruikmaken. Een antivlekmiddel is gewenst om te voorkomen dat de film na droging ontsierde wordt door droogstrepen of vlekken. Deze worden veroorzaakt door kalkdeeltjes die nu eenmaal in water aanwezig zijn. In Amsterdam is het leidingwater zacht, zodat de kans erop niet eens zo groot is. Om helemaal zeker te zijn gebruiken we niettemin een dergelijk middeltje. Het zorgt er geval voor dat het water gemakkelijker van de film kan glijden waardoor het probleem zich vrijwel niet zal voordoen. De film zal bovendien wat sneller drogen. Zoals gezegd moet het drogen gebeuren in een stofvrije ruimte. De film wordt aan een filmklem eigenlijk een brede knijper - opgehangen. Onder aan de film komt er ook een die meestal wat zwaarder is uitgevoerd; de film hangt dan mooi strak. In een verwarmde droogkast is een film na een kwartiertje droog. Zonder verwarming duurt het natuurlijk wat langer. Overigens is het helemaal niet zo slecht als een film langzaam droogt; het water krijgt dan mooi de tijd naar beneden te glijden. Kalk krijgt zo nog minder kans zijn sporen na te laten. Is de film eenmaal droog, dan wordt zij in stukken van maximaal zes en minimaal vier opnames geknipt. Een film van 36 opnames levert zo zes negatiefstroken op die worden bewaard in speciale negatiefbladen. Schematisch levert dat alles het volgenden beeld op:

ontwikkelen

temperatuur: 20 0 Celsius kiepen: ½ minuut constant, daarna een maal per hele (of halve) minuut duur: afhankelijk van ontwikkelaar en film temperatuur: 20 0 Celsius kiepen: drie maal duur: minimaal 15 seconden temperatuur: 20 0 Celsius kiepen: ½ minuut constant, daarna een maal per halve minuut duur: 5-8 minuten (snelfixeer: 3-5 minuten) temperatuur: 20 0 Celsius duur: drie maal kort, drie maal lang (zie boven) temperatuur: 20 0 Celsius duur: 30 seconden kiepen: niet

stoppen

fixeren

spoelen

antivlek

Het resultaat van de ontwikkeling is afhankelijk van vier variabelen: 1. 2. 3. 4. Tijd Temperatuur Concentratie Agitatie

4

Daarover nog even het volgende: een langere ontwikkeltijd, een hogere temperatuur of concentratie en een al te hartstochtelijke agitatie hebben ieder een intensievere ontwikkeling tot gevolg. Een te intensieve ontwikkeling geeft een negatief met een te hoog contrast en/of een te hoge dekking. Bovendien zal de korrel grover en de scherpte lager zijn. Wat dit betekent komt in het volgende hoofdstuk aan de orde. Om bijvoorbeeld het negatiefcontrast enigszins te temperen of juist te verhogen - wordt in het algemeen de ontwikkeltijd aangepast; het is de variabele die het gemakkelijkst in de hand is te houden. Het heeft echter pas zin dat te doen, als je zeker weet dat de overige variabelen constant waren. Ergo: nauwkeurig werken!
Waarom zou je eigenlijk zelf een zwart/wit filmpje ontwikkelen als je het bij een willekeurige fotowinkel, of zelfs bij de supermarkt, voor een paar euro kunt laten doen? Iedere kleurenfilm, van welk merk of welke gevoeligheid dan ook, word t op dezelfde manier, in dezelfde chemicaliën ontwikkeld. Het is het procédé dat de dichterlijke naam ‘C -41’ heeft gekregen. Aan die ontwikkelmethode valt niet te tornen; zou je bijvoorbeeld de ontwikkeltijd willen aanpassen, dan krijg je een film die een kleurzweem vertoont, die bij het printen niet meer valt te corrigeren. Tenzij je juist streeft naar een foto met een wat afwijkende kleurstelling, zal dat niet de bedoeling zijn.

Bij een zwart/wit film daarentegen, is het zeer goed mogelijk het resultaat te beïnvloeden door de wijze van ontwikkelen. Er zullen zich bijvoorbeeld situaties kunnen voordoen waarin het wenselijk is te doen alsof een film een andere gevoeligheid heeft dan de nominale. Je zult dan in vrijwel alle gevallen moeten ingrijpen in het ontwikkelproces. Dat kan door de ontwikkeltijd aan te passen, maar ook door te kiezen voor een ontwikkelaar met bepaalde, karakteristieke, eigenschappen. Breng je een film naar ‘Fotoshop-X’, dan weet je nooit hoe, en in welke ontwikkelaar deze ontwikkeld zal worden. Als je streeft naar perfectie, zal je dus zelf de Donkere Kamer moeten intrekken!

5

II - Het Positief

Algemeen
Het ontwikkelen van een film is een tamelijk abstracte gebeurtenis. Het opkomen van het (negatieve) beeld, gaat geheel buiten de waarneming om. Het wordt dan ook meestal gezien als een noodzakelijk, maar weinig inspirerend klusje. Aan het zien opkomen van het beeld ontleent het afdrukken waarschijnlijk zijn magische uitstraling. Hoe gelukkig moet een echte fotograaf toch zijn! Net als filmmateriaal dankt fotografisch papier zijn lichtgevoeligheid aan de bekende zilverhalogenide kristallen. Licht veroorzaakt dus ook hier een zwarting in de emulsie, die zichtbaar wordt na ontwikkeling in een ontwikkelaar. Om van een negatief een afdruk (positief) te maken, hebben we een vergrotingsapparaat nodig. Dat is een apparaat waarin het negatief van boven wordt beschenen door een lamp. Als het licht door het negatief is gegaan wordt het beeld, net als tijdens het fotograferen, gevormd door een objectief. Dat is een speciaal objectief; een objectief zoals dat in een fototoestel zit is daarvoor niet geschikt. Ook een vergrotingsobjectief is voorzien van een diafragma, dat bepaalt hoeveel licht er door kan. Toch wordt bij het vergroten vooral de belichtingstijd gebruikt om ervoor te zorgen dat het papier de juiste hoeveelheid licht krijgt. De belichtingstijd wordt hier geregeld met een belichtingsklok, die de lamp in de vergroter aan- en op tijd weer uitschakelt. De gewenste belichtingstijd wordt van tevoren ingesteld (vergelijk de sluiter van een fototoestel). Een vergrotingsobjectief wordt eigenlijk altijd gebruikt met diafragma f/8; het levert dan de beste prestaties. De volle lensopening - dus het grootst mogelijke diafragma - wordt uitsluitend gebruikt om bij scherp te stellen. Dat is net als bij het fotograferen steeds nodig. Door de volle opening kan het meeste licht, dus het beeld op het vergrotingsbord of op de grondplank van de vergroter is dan het helderst. Ook omdat de scherptediepte bij de volle lensopening het kleinst is, kan men zo nauwkeurig scherpstellen. Bij het vergroten moeten het negatief en het fotopapier vlak liggen; dat is nodig om een afdruk te krijgen die van hoek tot hoek scherp is. Je zou dus kunnen denken dat de grotere scherptediepte bij f/8 van geen enkel belang is. Het komt echter maar al te vaak voor dat, bijvoorbeeld door de warmte van de vergrotingslamp, het negatief enigszins bol gaat staan. Maak je geen gebruik van een vergrotingsbord, dan is bovendien de vlakligging van het papier niet altijd gegarandeerd. Wat extra scherptediepte is dus mooi meegenomen. De donkere delen in het negatief - waarop dus het meeste licht was gevallen - laten weinig licht door en zullen om die reden weinig zwarting veroorzaken in het papier dat eronder ligt; het behoudt zijn oorspronkelijke kleur. In de meeste gevallen is dat wit. De transparantere delen later echter meer licht door, met als gevolg een hogere zwarting in het papier.

6

Je begrijpt nu ook waar de naam ‘negatief’ vandaan komt; hierin zitten alle grijstinten als het ware omgekeerd. Als we in onze camera, in plaats van een film, een stukje fotopapier hadden gedaan, zou op dat papier dus ook een negatief beeld zijn ontstaan. Wat in werkelijkheid licht was, werd dus in eerste instantie vertaald in donkere tinten. Alles wat nodig is voor het vergroten staat in de donkere kamer van CREA gereed. Niettemin hieronder een lijstje. < < < < < < < < < < < < zwart/wit negatief vergrotingsapparaat dokalamp vergrotingsbord (kan eventueel zonder) belichtingsklok fotopapier chemicaliën (ontwikkelaar, stopbad, fixeer) drie ontwikkelschalen/voorraadflessen drie papiertangen spoelbak stromend water voorziening om foto’s te drogen

Problemen

Voordat we op zinvolle wijze kunnen bespreken hoe we een negatief gaan vergroten, moeten we eerst weten waar een ‘perfecte’ afdruk aan moet voldoen. Het is een hachelijke zaak te beweren dat er normen zijn voor zo’n druk; een foto is immers perfect als die voldoet aan de verwachtingen, als die dus is geworden zoals we haar voor ogen hadden tijdens het bedenken en maken ervan. Ten dele zal het dus een kwestie van smaak zijn hoe een afdruk wordt beoordeeld. Iedere zwart/wit foto is in feite een abstractie van de werkelijkheid, al is het maar omdat afstand werd gedaan van kleur. Niettemin zullen veel fotografen er naar streven die werkelijkheid zo dicht mogelijk te benaderen, zodat gezegd kan worden: ‘het ziet er toch heel natuurlijk uit’. Dat laatste zal voorlopig het uitgangspunt zijn. Alle artistieke overwegingen om van die norm af te wijken zijn natuurlijk toegestaan, maar spelen pas later een rol. Het menselijk oog is in staat zeer grote helderheidsverschillen te onderscheiden. Een film, en in nog sterkere mate papier, is wat dat betreft veel gebrekkiger. Zagen wij in een scène die werd gefotografeerd bijvoorbeeld nog volop detaillering in de schaduwen, dan is daar op de foto niets meer van over; het diepste zwart lijkt al bereikt. Het kan voorkomen dat de contrasten in het gefotografeerde onderwerp zó hoog zijn, dat de film, en al helemaal het papier, niet in staat zijn ze goed weer te geven. De z.g. contrastomvang van het materiaal is daarvoor te beperkt. We spreken dan van een hard negatief. Het is daarentegen ook mogelijk dat het onderwerp slechts kleine helderheidsverschillen vertoont, die op zich gemakkelijk door de film verwerkt kunnen worden. Een negatief dat in dat opzicht niet volledig werd aangesproken, noemen we zacht. Een normaal negatief zal de helderheidsverschillen goed hebben weergegeven, zonder uitschieters.
7

Het negatiefcontrast is in hoge mate te beïnvloeden door de ontwikkeling. Afhankelijk van het onderwerpscontrast en van het gewenste resultaat kunnen we die aanpassen. Om een normaal negatief te krijgen zou eigenlijk ieder stukje film een individuele behandeling moeten krijgen. Bij een kleinbeeldfilm van 36 opnames is dat natuurlijk uitgesloten. De hele film zal dus in één keer zo ontwikkeld moeten worden, dat zo veel mogelijk bruikbare negatieven ontstaan. Gelukkig kunnen we afwijkingen van de ideale weergave tijdens het vergroten corrigeren. Er bestaat namelijk papier dat de contrasten in het negatief kan verkleinen en papier dat ze juist kan vergroten. In het eerste geval spreken we van zacht, in het tweede geval van hard papier. Is er sprake van een hard - of contrastrijk - negatief, dan kan je toch een acceptabele afdruk maken op zacht papier. Daarom het volgende schema:

negatief zacht normaal hard

+ + + +

papier hard normaal zacht

In feite hebben we het hier over een typisch zwart/wit probleem. Kleurenpapier bestaat slechts in één gradatie terwijl het contrast van een kleurenfilm nauwelijks te beïnvloeden is. Tegenwoordig wordt veel gebruik gemaakt van PE-papier. PE is de afkorting van Polyethyleen. Tussen twee zeer dunne laagjes van deze kunststof zit een laagje echt papier, dat voor wat stevigheid zorgt. Op de bovenste laag PE wordt de emulsie gegoten. Daarover komt nog een beschermlaag die bovendien bepalend is voor het uiterlijk van de foto. Er is bijvoorbeeld glanzend, parel glanzend of mat papier. Welke soort men kiest is een kwestie van smaak, maar het glanzende oppervlak geeft de scherpste en briljantste foto’s. Het grote voordeel van dit plastic ‘papier’ is de snelheid waarmee het verwerkt kan worden. Daarover later meer. Zoals de meeste fotografen, gebruiken we ook op CREA variabelcontrast papier. Dat is papier waarvan de contrastomvang - of gradatie - veranderd kan worden met behulp van gekleurde filters. Iedere moderne vergroter beschikt over een filterlade waarin er een geplaatst kan worden. In tegenstelling tot wat nog niet zo lang geleden gebruikelijk was, is nog maar één pak papier nodig. Als je bedenkt dat de meeste papierfabrikanten wel zes gradaties leverden, is het duidelijk dat dit een belangrijke financiële verlichting betekent. De verschillende gradaties worden op de filters aangegeven met cijfers van 00 t/m 5, in halve stappen. Er is dus bijvoorbeeld ook gradatie 2½. Dit betekent dat het contrast zeer nauwkeurig aangepast kan worden. Net als film moet fotopapier zó lang worden belicht, dat het niet te donker en niet te licht wordt. Op elk afzonderlijk velletje papier zal daarom, ook weer gemiddeld, dezelfde hoeveelheid licht moeten vallen. De belichtingstijd van fotopapier moet proefondervindelijk worden bepaald en is afhankelijk van het merk papier, van de doorlaatbaarheid (de dichtheid) van het negatief en van de mate waarin dit wordt vergroot.

8

De volgende tabel laat zien wat de verschillende filters doen met de gradatie en met de belichtingstijd. In de meeste gevallen levert ongefilterd variablecontrast papier gradatie 2 op. Een negatief dat met filter 2 wordt afgedrukt ziet er dus hetzelfde uit, maar kwam tot stand na een twee maal langere belichtingstijd. Bedenk dat de optimale belichtingstijd kan afwijken van wat de tabel suggereert. De tijden in de voorbeeldkolom zijn in seconden.

gradatie zonder filter filters 0 - 3 ½ Filters 4 - 5 2 0-3½ 4-5

belichtingstijd × 2× 4×

voorbeeld 5 sec. 10 sec. 20 sec.

In principe wordt fotopapier belicht en ontwikkeld tot het maximale zwart. Dit betekent dat de volledig blanke delen in het negatief op de afdruk volledig en dus ongedetailleerd zwart moeten opleveren. Langer belichten en ontwikkelen heeft dan geen zin meer. De delen in een negatief die wel gezwart zijn zullen daarbij een evenredige zwarting in het papier veroorzaken. Net als film moet fotopapier zo lang worden belicht, dat het niet te donker en niet te licht wordt. Op elk afzonderlijk velletje zal daarom, ook weer gemiddeld, dezelfde hoeveelheid licht moeten vallen. Die belichtingstijd moet proefondervindelijk worden bepaald en is afhankelijk van het merk papier, van de doorlaatbaarheid (of dichtheid) van het negatief en van de mate waarin je dat vergroot. In hoofdstuk II hebben we gezien dat eigenlijk ieder van de 36 opnames gemiddeld dezelfde hoeveelheid licht moet ontvangen. Als gevolg daarvan zou de gemiddelde dekking van ieder negatief dus ook gelijk moeten zijn. In het ideale geval zouden we alle negatieven daarom met dezelfde belichtingstijd kunnen afdrukken (mits de vergrotingsmaatstaf dus gelijk zou blijven). Helaas is de praktijk anders. Ondanks de geavanceerde techniek van de meeste camera's blijkt het niet altijd verstandig te vertrouwen op hun belichtingsadviezen. Negatieven met zeer verschillende dekking zouden daarvan het gevolg zijn. (Zie ook de bijlage ‘De juiste belichting’). Voor ieder negatief moet om die reden de afdruktijd in veel gevallen opnieuw worden bepaald. Dat doe je door middel van proefstroken. Het papier wordt daarbij in min of meer gelijke stroken verdeeld die ieder een andere, gemakkelijk te herleiden belichtingstijd krijgen. Er zijn allerlei manieren om proefstroken te maken. Ze zijn allemaal goed als ze aan de volgende voorwaarden voldoen:

9

‚ ‚

de belichtingstijden moeten gemakkelijk te herleiden zijn iedere strook moet vergelijkbare informatie geven over < < < de detaillering in de schaduwen de detaillering in de lichten het contrast

De gemakkelijkste methode is die waarbij je een vel karton (of ander ondoorschijnend materiaal) boven de foto houdt en dat telkens, na iedere deelbelichting, een stukje opschuift; er komt zo steeds meer fotopapier vrij. De belichtingstijd van iedere volgende strook wordt opgeteld bij die van de vorige. Zo ontstaat een soort grijstrap waaruit een keuze gemaakt moet worden. Dat is soms lastig, omdat niet in alle stroken dezelfde (soort) informatie staat. Als je dat ziet aankomen, kan je beter een velletje fotopapier in stroken knippen en iedere strook afzonderlijk, op dezelfde plaats belichten.

Het procédé

Als je de donkere kamer binnenloopt, valt de rode verlichting op. Die is niet bedoeld om de sfeer te verhogen, maar om het werken te vergemakkelijken. Zwart/wit fotopapier hoeft niet voor alle kleuren licht gevoelig te zijn omdat in een zwart/wit negatief nu eenmaal geen kleur aanwezig is. Voor rood is het bijvoorbeeld niet gevoelig gemaakt, zodat met licht van die kleur gewerkt kan worden. Onder het objectief van een vergroter zit om die reden een roodfilter, dat het mogelijk maakt met ingeschakelde lamp het papier op de juiste plaats te leggen. Het papier dat wij op CREA gebruiken meet 12,7x17,8 (‘dertien bij achttien’) centimeter. Reken op een gemiddelde belichtingstijd van zo’n 10 seconden, uiteraard afhankelijk van de kwaliteit van het negatief en van de mate waarin je dat - eventueel gedeeltelijk - wilt vergroten.
Je zult trouwens merken dat de lengte-breedte verhouding van het kleinbeeldnegatief niet overeenkomt met die van het velletje fotopapier. Gevolg is dat als je het hele papier zou willen benutten, je links en rechts iets van het negatief gaat missen. Van oorsprong zijn de papierformaten inchformaten, toen vooral met het oog op het grote Engelstalige afzetgebied (met name Amerika). Het zou nu trouwens - vanwege het gebrek aan eenheid van de formaatsystemen in de huidige afzetgebieden - voor de fabrikanten ondoenlijke zijn voor ieder negatiefformaat het bijpassende papier te produceren. Het blijft in zekere zin dus behelpen.

Als je een negatief wilt afdrukken doe je het in de negatiefhouder van de vergroter, met de glimmende kant naar boven gericht. Je moet het wel 1800 draaien omdat anders het beeld omgekeerd op de grondplank zal verschijnen; licht plant zich immers rechtlijnig voort. Dan moet worden scherpgesteld en wel met de volle lensopening, voor het helderste beeld. Vervolgens wordt - met het roodfilter voor het objectief gedraaid - het fotopapier op de juiste plaats gelegd, vanzelfsprekend met de gevoelige zijde naar boven. Het is verreweg het handigst een z.g. vergrotingsbord te gebruiken. Als je dat eenmaal goed hebt ingesteld is het gemakkelijk het papier op de juiste plaats te leggen. Bovendien licht het ook nog eens mooi vlak.
10

Door het roodfilter mag overigens niet worden scherpgesteld. Iedere kleur licht heeft zijn eigen golflengte. Daarom moet een objectief, om scherpe foto’s te kunnen maken, licht van alle kleuren niettemin naar één punt kunnen buigen. Om dat mogelijk te maken moeten allerlei lensfouten worden gecorrigeerd die de prijs van een goed objectief flink opschroeven. Een objectief waarmee slechts zwart/wit negatieven vergroot worden hoeft daarom eigenlijk niet zo’n goede kleurcorrectie te hebben. Rood bijvoorbeeld, zal best achter het brandpunt terecht mogen komen. Door het roodfilter scherpstellen garandeert dus geen scherpe afdruk. Het filter absorbeert trouwens zoveel licht dat het beeld op de grondplank niet helder genoeg zou zijn om de scherpte goed te kunnen beoordelen. Voor het maken van de proefjes, en later van de uiteindelijke afdruk, diafragmeer je het objectief tot f/8. De meeste objectieven bij CREA hebben een volle lensopening van f/4,5. Om bij f/8 uit te komen moet je ze twee ‘stops’ sluiten. Dat is heel goed te voelen en te horen. De belichtingsklok wordt ingesteld op de gewenste tijd en de belichting kan worden uitgevoerd. Bedenk van tevoren hoe je de proefstroken gaat maken. Bestudeer daarvoor het negatieve beeld op de grondplank goed. Vergeet daarbij niet dat de donkere delen straks op de foto licht, en de lichte delen donker worden! Daarna moet je het papier ontwikkelen. Net als bij films wordt de ontwikkeling gestopt in een stopbad en wordt de foto houdbaar gemaakt in fixeer. Tot slot wordt gespoeld in water dat voor de verandering niet een temperatuur van 200 C hoeft te hebben. Een antivlekmiddel mag wel, maar is niet echt nodig en bovendien onpraktisch. De diverse chemicaliën staan gereed in open schalen. Met de beeldzijde naar boven wordt het papier snel in de ontwikkelaar ‘geschoven’ en gedurende de gehele ontwikkeltijd wordt gezorgd voor beweging. Dat is absoluut noodzakelijk om een goede en gelijkmatige ontwikkeling te krijgen. Vervolgens gaat de foto in het stopbad, met de beeldzijde naar beneden, waarbij opnieuw voortdurend wordt bewogen. Dan gaat de foto, ook weer met de beeldzijde naar beneden, in het fixeerbad en weer wordt gezorgd voor permanente beweging. De foto wordt tenslotte gespoeld in stromend water, afgestreken met een afstrijktang en gedroogd in de droogkast. Resumerend kom ik tot het volgende schema:

11

vergroten

negatief met glimmende kant naar boven, 180 0 gedraaid scherpstellen met de volle lensopening met roodfilter voor objectief het papier op de juiste plaats leggen objectief sluiten tot f/8 (twee of drie klikken) beeldzijde: naar boven duur: 1-1½ minuut agitatie: constant beeldzijde: naar boven duur: 15-30 seconden agitatie: constant beeldzijde: naar benden duur: 1½-3 minuten agitatie: constant beeldzijde: niet van belang duur: ca. 4 minuten (afhankelijk van temperatuur van spoelwater) agitatie: constant (gaat vanzelf)

ontwikkelen

stoppen

fixeren

spoelen

Anders dan bij films staat de ontwikkeltijd van (PE-) fotopapier vast. De variatie die in dat opzicht hierboven wordt gesuggereerd is slechts om uitputting van de ontwikkelaar, en van de andere baden, te compenseren. Voor verse chemicaliën gelden dan ook de kortste, voor gebruikte de langste tijden. Valt een foto wat licht uit, dan heeft het geen zin langer te ontwikkelen om haar donkerder te krijgen. Te lang ontwikkelen kan bovendien z.g. ontwikkelsluier geven, waardoor de helderste delen hun kracht verliezen; een grauwe foto zal het gevolg zijn. Kort ontwikkelen, omdat de foto te donker dreigt te worden, heeft grijze, streperige foto’s tot gevolg.

Nog een probleempje

Een afdruk is ‘ideaal’ als daarmee de voorstelling op de foto een natuurlijke indruk maakt, ondanks het gebrek aan kleur. In de schaduwen moet volop detaillering aanwezig zijn en de lichte delen mogen niet ‘uitgebleekt’ lijken. Slechts kleine delen mogen diepzwart zijn; bijvoorbeeld de schaduw onder een auto of de pupil in een oog. Eigenlijk moeten ze zelfs zo zwart zijn omdat een foto daaraan een deel van zijn kracht ontleent. Glimlichtjes, veroorzaakt door bijvoorbeeld het twinkeltje in een oog of door de glans in een sieraad, hebben op de film een zó hoge zwarting veroorzaakt, dat tijdens het vergroten het licht er op die plaatsen niet meer door kan. Daaronder blijft het papier dus volkomen wit maar omdat het om zulke kleine gedeelten gaat, is dat niet storend. Integendeel, een foto wordt daardoor veel briljanter; een fris en sprankelend plaatje is het gevolg.

12

Tussen die twee uitersten moet een rijke toonschaal aanwezig zijn, wat eigenlijk wil zeggen dat alle kleuren op een aannemelijke en genuanceerde manier in grijstinten werden vertaald. Maar zelfs als een negatief op het meest geschikte papier wordt afgedrukt, kan het volgende misgaan. a b de hoge lichten blijven ongedekt; ze zijn zo wit aks het papier zelf, zonder enig detail de schaduwpartijen lopen dicht; ze worden zo donker dat ook hierin niets meer te zien is.

Proberen we in geval a de lichten doortekend te krijgen door langer te belichten, dan zullen de schaduwen dichtlopen zodat in feite geval b ontstaat. Eigenlijk zou de foto dus plaatselijk langer (bij a) of plaatselijk korter (bij b) moeten worden belicht. Welnu, dat kan en dat wordt respectievelijk doordrukken of tegenhouden genoemd. Het is dan zaak de delen van de foto die daarbij niet betrokken mogen worden af te dekken. Als hulpmiddelen kunnen de handen en vingers dienen of ijzerdraadjes, met daarop bevestigd een in de juiste vorm geknipt stukje karton. Hoeveel langer of korter je moet belichten zullen proefjes moeten uitwijzen. Het is duidelijk dat men zich op deze manier ook in artistieke zin kan uitleven; dreigende luchten kunnen worden geschapen en storende elementen kunnen worden weggewerkt.

Attentie

Alle chemicaliën waarmee wordt gewerkt zijn giftig. Probeer contact met de huid dus te voorkomen. Daarom moet bijvoorbeeld fotopapier uitsluitend met speciale tangen worden beetgepakt; krijg je toch wat op je handen, was ze dan direct met water en zeep. Ook moet vermeld worden dat chemicaliën de meest schilderachtige vlekken op je kleren kunnen veroorzaken; zij hebben een permanent karakter. De speciale relatie van water met elektriciteit is natuurlijk bekend. Raak daarom elektrische apparaten, en dan vooral hun schakelaars, nooit met natte handen aan. Pak trouwens ook nooit fotopapier of filters met natte of door chemicaliën vervuilde vingers beet; beiden worden onbruikbaar. Na verloop van tijd zijn alle chemicaliën uitgeput. Wanneer dat zal zijn hangt o.a. af van de hoeveelheid films of papier die in de diverse baden is verwerkt en van de leeftijd van de gebruiksoplossingen. In één liter stopbad of fixeer kunnen gemiddeld 10 films van 36 opnames worden behandeld. Voor papier wordt het rendement der baden uitgedrukt in het aantal vierkante meters dat verwerkt kan worden. Voor films wordt een ander soort ontwikkelaar gebruikt dan voor papier terwijl het stopbad en fixeer gelijk zijn. Toch is het verstandig om de chemicaliën voor papier en films te scheiden. Uitgewerkte chemicaliën mogen nooit door de gootsteen worden weggespoeld! CREA zorgt ervoor dat ze op een fatsoenlijke manier worden verwerkt. In een liter fixeer kan na afloop trouwens wel 7-8 gram zilver zitten dat kan worden teruggewonnen. Heb je wellicht na verloop van tijd een eigen doka ingericht, onderzoek dan waar de Chemokar stopt, of waar zich bij jou in de buurt een chemisch afvaldepot bevindt. Er zijn wellicht nog fotozaken te vinden waar je met je chemicaliën terechtkunt.

13

De contactafdruk

Om een film goed te kunnen beoordelen en te archiveren is het verstandig een contactafdruk te maken. Dit is een 1 op 1 reproductie van de film. Om zo’n afdruk te maken breng je de film letterlijk in contact met het fotopapier. Je gaat als volgt te werk.
Stel eerst de vergroter zo in, dat een vel papier van minimaal 20x25 cm volledig wordt uitgelicht (denk daarbij om het roodfilter!). Knip vervolgens een stuk fotopapier af ter breedte en ter lengte van een negatiefstrook. Daarop leg je een negatiefstrook en - voor een goed contact en dus een goede scherpte vervolgens een glasplaat. Bij het maken van een contactafdruk is het natuurlijk niet nodig de negatieven om te draaien; het licht krijgt immers niet de kans het beeld om te keren. Het vergrotingsobjectief diafragmeer je in tot f/5,6. Een gradatiefilter is niet nodig maar mag natuurlijk wel. Ga in dat geval uit van gradatie 2. Vervolgens maak je proefstroken zodat de strook papier in de lengte, telkens met een verschil van 5 seconden wordt belicht. Zo ontstaan drie stroken die respectievelijk 5, 10 en 15 seconden licht hebben ontvangen. Maak je keuze, of corrigeer de tijden, en belicht vervolgens het hele vel papier op de beschreven wijze. Op een vel papier van 20x25 cm passen precies zes negatiefstroken van ieder zes opnames. Het is niet verstandig de volle lensopening van het vergrotingsobjectief te gebruiken. De kans bestaat dan namelijk dat de lichtverdeling niet gelijkmatig is; een stop diafragmeren rekent meestal af met die lensfout. Ten slotte: de belichtingstijd die bepaald werd voor de contactafdruk, zegt niets over de tijden die vervolgens nodig zijn voor de vergrotingen. De vergroter zal dan meestal weer met f/8 en op een andere hoogte worden gebruikt. Daardoor wordt de belichtingstijd natuurlijk beïnvloed.

14

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful