You are on page 1of 15

§ 4.

1 Introductie
“Er kwamen enkele leerlingen uit Judea, die betoogden dat de broeders zich moesten laten besnijden, overeenkomstig het door Mozes overgeleverde gebruik, omdat ze anders niet konden worden gered. Dit leidde tot grote onenigheid met Paulus en Barnabas en mondde uit in een felle woordenstrijd. Besloten werd dat Paulus en Barnabas, samen met enkele andere leerlingen, naar Jeruzalem zouden gaan om deze kwestie voor te leggen aan de apostelen en de oudsten. Nadat de gemeente hun uitgeleide had gedaan, gingen ze op weg en trokken ze door Fenicië en Samaria. Daar verhaalden ze uitvoerig over de bekering van de heidenen, iets dat bij alle gelovigen grote vreugde wekte. Bij hun aankomst in Jeruzalem werden ze verwelkomd door de apostelen en de oudsten en door de rest van de gemeente. Ze brachten verslag uit van alles wat God door hen tot stand had gebracht. Enkele gelovigen die tot de partij van de farizeeën behoorden, gaven echter te verstaan dat ook de niet-Joodse gelovigen dienden te worden besneden en opdracht moesten krijgen zich aan de wet van Mozes te houden. De apostelen en de oudsten kwamen bijeen om nader op deze zaak in te gaan.” - Handelingen 15:1-6 De onenigheid over de besnijdenis van niet joodse christenen – een zaak die dus eigenlijk het volgen van de joodse wet door christenen aanging – heeft volgens de Bijbel geleid tot de samenkomst in Jeruzalem van het eerste oecumenische concilie. Daarmee heeft de conciliaire beweging een Bijbelse autoriteit. Volgens het Nieuwe Testament waren het de apostelen Petrus, Paulus, Barnabas en Jakobus die uiteindelijk tot de slotsom kwamen dat besnijdenis niet noodzakelijk was voor christenen. In Handelingen 15:28 keerden de apostelen zich niet alleen af van de joodse religie maar legden ook de basis voor de claim van conciliaire onfeilbaarheid: “In overeenstemming met de heilige Geest hebben wij namelijk besloten u geen andere verplichtingen op te leggen dan wat strikt noodzakelijk is”. Met deze stelling werden de besluiten tot Gods wil verheven. Na de vergadering in Jeruzalem, die in ongeveer 50 na Chr. samenkwam, volgden tot op heden nog 21 concilies, waarvan de laatste, het tweede Vaticaanse concilie, tussen 1962 en 1965 in vier zittingen bijeenkwam. In dit document zal ik de concilies na de opheffing van Basel in 1449 verder buiten beschouwing laten.

§ 4.2 De eerste concilies en de vestiging van pauselijke macht
Als de Bijbelse vergadering in Jeruzalem daadwerkelijk plaats heeft gevonden, dan was het de eerste in een reeks van negen vergaderingen die gezien worden als de concilies van de vroege kerk. Vanaf het eerste concilie van Nicaea in 325 is er historisch bewijs voor de vergaderingen en in de literatuur wordt er dus ook regelmatig gesproken van de eerste acht oecumenische vergaderingen. De laatste in deze serie was het vierde concilie van Constantinopel in 869-870. Daarna scheurde de vroeg christelijke kerk in een Grieks en Rooms deel in het schisma van 1054 en is

tot op heden geen enkele vergadering meer algemeen, universeel christelijk geweest. Het is niet toevallig dat alle acht concilies samenkwamen in het oostelijke deel van Europa. Daar was immers het Romeinse keizerrijk blijven bestaan en de, nu Byzantijnse, Keizers speelden een essentiële rol op de vergaderingen. De Keizer deed de oproep uitgaan en was degene die besluiten ratificeerde. Op vrijwel alle vroeg christelijke concilies was fundamentele geloofsdoctrine het onderwerp van debat. De kerk bepaalde, onder gezag van de Keizer, standpunten die vandaag de dag in de Rooms Katholieke Kerk nog steeds gehandhaafd worden. Een goed voorbeeld daarvan was de discussie rondom de verhouding tussen Christus en God die het onderwerp was op het eerste concilie van Nicaea en het eerste concilie van Constantinopel. De kerk nam er een standpunt in tegen de ariaanse en sabelliaanse visies.1 Ook de concilies daarna stonden in het teken van het formuleren van de katholieke theologie. De nestoriaanse- en de monofysitische leer werden beiden als onorthodox bestempeld en later verketterd.2 Concreet betekende dit bijvoorbeeld dat de formulering van het katholieke Credo tot stand kwam waarin men vaststelde dat God een drie-eenheid was van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De concilies stelden als orthodoxie dat de elementen in de drie-eenheid niet gelijk maar wel gelijkwaardig waren. Daarnaast werd definitief bepaald dat Maria de moeder van God genoemd mocht worden omdat Jezus zowel God als mens was. Als mens vormde Hij de verpersoonlijking van Gods woord. Deze en nog talrijke andere discussies vormden zo de basis van de christelijke leer. In de conciliaire vergaderingen was er nog geen sprake van pauselijke autoriteit voor de bisschop van Rome. Hoewel keizer Justinianus I het primaat van Rome over de andere vier patriarchaten – die van Constantinopel, Antiochië, Alexandrië en Jeruzalem – officieel erkende, bleef het centrale gezag de Keizer toevallen.3 De paus bekleedde uiteraard wel een vooraanstaande rol. De invloed van de Romeinse patriarch groeide gestaag en kwam regelmatig in conflict over het primaatschap en de rol die Constantinopel voor zichzelf zag weggelegd. Feitelijk werd het christendom, net als het Romeinse rijk, opgedeeld. Het oostelijke deel van het rijk volgde de patriarch van Constantinopel, het westelijke deel die van Rome. In deze machtspolitiek waren beiden nog steeds ondergeschikt aan de Byzantijnse Keizer, een invloed waar de bisschop van Rome zich langzaam onafhankelijk van wist te maken. Paus Gelasius schreef al in 492 een brief aan de Keizer waarin hij stelde dat er een wereldlijke en kerkelijke macht was. Het zwaard van de kerkelijke macht stond boven het zwaard van de wereldlijke macht omdat de bisschoppen tijdens het laatste oordeel ook verantwoording af zouden moeten leggen over de daden van de vorst.
1

E. Meijering, Geschiedenis van het vroege Christendom. Van de jood Jezus van Nazareth tot de Romeinse keizer Constantijn (Amsterdam 2004) 397. 2 P. Brown, The Rise of Western Christendom (tweede editie, Oxford 2003) 120-121. 3 W. Blockmans & P. Hoppenbrouwers, Eeuwen des onderscheids. Een geschiedenis van middeleeuws Europa (Amsterdam 2002) 76.

Deze Gelasiaanse ‘twee-zwaardenleer’ werd fundamenteel voor de plaats die de paus voor zichzelf in de wereld zag weggelegd. De Gothen hielden in de 6de eeuw grote delen van het Italiaanse schiereiland bezet. Ondanks het herstel van een significant deel van het keizerrijk door Keizer Justinianus I tussen 534 en 565 verzwakte de keizerlijke grip op de streek rondom Rome steeds meer. Dit gaf de Romeinse bisschop de gelegenheid om ernst te maken met zijn ambities en de basis te leggen voor een eigen staat. Het oorspronkelijke Patrimonium Petri, dat de paus in eigendom hield, bestond uit grote graangronden in Sicilië. De opbrengsten lieten de bisschoppen naar Rome verschepen waaruit de bevolking gevoed werd.4 Steeds meer wierp de paus zich op als wereldlijk heerser over de stad en omliggende streken. In 711 weigerde de Romeinse aristocratie de Byzantijnse hertog te accepteren en rond 725 was de keizerlijke invloed zo goed als verdwenen. Samen met Venetië kwam Rome in 727 in opstand en werd de Byzantijnse exarch in Ravenna vermoord. De situatie rond die stad bleef chaotisch. Met de opkomst van de Lombarden in het noorden van Italië viel dit laatste bolwerk uiteindelijk in 751 en verdween de keizerlijke invloed uit Italië. Met de val van Ravenna verloren de Byzantijnse keizers wel de seculiere controle over het territorium maar niet over de kerk. Het conflict tussen de patriarchen van Rome en Constantinopel liep verder op door het wegvallen van de invloed van Antiochië, Alexandrië en Jeruzalem. Zij hadden in de 7de eeuw hun patriarchaten onder Islamitisch bewind zien vallen en gedurende de 8ste eeuw begon een langzaam proces van assimilatie aan het nieuwe bewind. De Arabische taal ging de streek beheersen en daarmee boetten de oude patriarchaten een flink deel van hun invloed in.5 Het gezag van de paus richtte zich in de 8ste eeuw steeds meer op het westen. Er was een grote behoefte aan bondgenoten die de opkomende pauselijke territoriale macht in bescherming konden nemen tegen de grote dreiging die van de Lombarden uitging. Na de val van Ravenna hadden zij zich gericht op de gebieden onder pauselijk gezag. De Frankische vorst Pepijn de Korte had enkele jaren daarvoor de heersende Merovingische dynastie afgezet en zich als eerste Karolingische koning laten kronen. In ruil voor bevestiging van de koninklijke waardigheid door paus Stephanus II voerde Pepijn tussen 754 en 755 een succesvolle veldtocht tegen de Lombarden. Ravenna viel opnieuw en werd door de Frankische vorst aan de paus geschonken. Uit deze Donatio Pipini werd in 756 het pauselijke domein gevormd; het Patrimonium Petri.6 In 799 had paus Leo III opnieuw de steun van de Karolingische dynastie nodig in het onderdrukken van opstand in Rome. De zoon van Pepijn de Korte, Karel, trad in de voetsporen van zijn vader en liet zich, in ruil voor zijn steun, op kerstavond 800 door de paus tot Keizer van het Romeinse Rijk kronen. Daarmee keerde na een
4 5

Brown, Rise of Western Christendom, 206. Brown, Rise of Western Christendom, 315. 6 ‘States of the Church’ in: New Advent Catholic http://www.newadvent.org/cathen/14257a.htm (versie 22 februari 2008)

Encyclopedia,

kleine drie en een halve eeuw het keizerschap in het westelijke deel van het rijk terug waar het tot 1806 onderdeel van het politieke bestel zou blijven.

§ 4.3 Ontwikkeling van pauselijke en imperiale macht
Feitelijk had de Heilige Stoel in 800 de ene keizerlijke autoriteit verruild voor de andere. Het is bijvoorbeeld opvallend dat tot dat jaar toe, alle pauselijke documenten aan de westerse diocesen waren verzegeld door de paus maar nog steeds onder vermelding gingen van het regeringsjaar van de Byzantijnse keizer.7 De stoelendans had geen gunstig effect op de invloed van de bisschop van Rome. De 9de en 10de eeuw waren in veel opzichten het dieptepunt van zijn macht. Onder Keizer Otto I kwam het tot de vorming van de keizerlijke rijkskerk. De vorst als oudtestamentische wetgever was heerser aan de plaats van God en had een doorslaggevende stem in de benoeming van bisschoppen en abten. Dit was het gevolg van de wereldlijke macht die veel abten en bisschoppen op hun beurt weer uitoefenden over territoriale domeinen. Naast zijn rol in geestelijke benoemingen –de investituur – die de Keizer voor zichzelf ook betrok op de benoeming van de paus, zag hij het als zijn taak om als beschermheer van Rome en het Patrimonium Petri op te blijven treden. Deze taak vloeide rechtstreeks voort uit de aanvaarding van de Donatio Pipini.8 De Romeinse adel zag dit echter steeds meer als de inmenging van een vreemde, Duitse, cultuur in lokale aangelegenheden. Zolang de keizer de status quo respecteerde en zich niet teveel in de stedelijke politiek mengde was men over het algemeen bereid de nieuwe keizers te respecteren. Het Roomse keizerschap impliceerde leiderschap over de gehele christenheid waarbij er weinig ruimte was voor de paus. Onder keizer Otto III ontwikkelde de ene rijkskerk zich nagenoeg tot een twee-eenheid van kerk en staat in het Heilige Roomse Rijk. De imperiale macht reikte zover dat de Keizer in staat was niet-Romeinen en zelfs niet-Italianen tot paus aan te stellen. 9 Daarmee werd de pauselijke waardigheid boven de Romeinse adel uitgetild. Dit tot grote ergernis van de lokale aristocratie die tot dan toe vrijwel ongestoord de pauselijke macht onder zich had kunnen verdelen. Otto III installeerde bijvoorbeeld in 999 een vertegenwoordiger van het rijk, Gerbert van Aurillac, als paus Silvester II. Deze spiegelde zijn relatie met de keizer aan de illustere voorgangers Silvester I en Constantijn de Grote. Hij schreef: ‘Ons, ons behoort het Romeinse Rijk. Onze keizer der Romeinen zijt gij, Caesar, gij die van de edelste Griekse afkomst zijt, die in keizerschap de Grieken overtreft, die krachtens het erfrecht heerst over de Romeinen en beide volken in geest en welsprekendheid achter U laat...’.10 Niet alleen blijkt hieruit de ondergeschiktheid van de paus aan de keizer maar ook hoe diep de nieuwe keizers zich identificeerden met het
7 8

Brown, Rise of Western Christendom, 179-180. U. Blumenthal, The investiture controversy. Church and Monarchy from the ninth to the twelfth century (Philadelphia 1988) 39. 9 M. Miles, The Word Made Flesh. A history of Christian Thought (Oxford 2005) 134. 10 P. Leupen, Gods stad op aarde, eenheid van Kerk en Staat in de het eerste millennium na Christus (Amsterdam 1996) 116.

Romeinse Rijk. De Ottonen zagen zichzelf niet alleen als Romanorum Imperator Augustus maar daarnaast ook als Servus Jesu Christi Servus Apostolorum.11 ‘Dienaar van de Apostelen’ was daarbij bewust als meervoud gekozen. Enkelvoud zou de keizer tot directe ondergeschikte maken van de paus en daarvan was geen enkele sprake. Onder druk van de enorme lekeninvloed op de Kerk, ontstond in de elfde eeuw een sterke drang tot hervorming. Over het principe van hervorming schrijven Blockmans en Hoppenbrouwers in hun boek Eeuwen des Onderscheids dat de Kerk altijd al een groot zelfreinigend vermogen aan de dag heeft gelegd. Het streven naar hervorming was, ook vóór de Reformatie, een blijvend onderdeel van het kerkelijk leven.12 Erich Meuthen stelt hetzelfde in zijn voordracht aan de Rheinisch-Westfälische Akademie der Wissenschaften in 1983. Hij zegt daar dat het hervormingstreven niet typisch laat middeleeuws conciliair is. Nadat het conflict tussen keizer en paus – de investituurstrijd – min of meer ten einde komt in 1122 met het concordaat van Worms, staan vrijwel alle westerse oecumenische concilies in het teken van hervomingen.13 De macht en positie van Otto III gingen in tegen de Gelasiaanse ambities van de Heilige Stoel. Vanuit de invloedrijke kloosterorde van Cluny kwam een hervormingsbeweging op gang die streefde naar uitschakeling van iedere vorm van lekeninvloed – dus zowel de imperiale invloed als die van de Romeinse adel – op met name de investituur. De keizer raakte daarmee tussen twee vuren. Enerzijds kon hij niet veel toegeven aan de Romeinse adel zonder zijn grip op de pauselijke benoemingen te riskeren. Anderzijds gold dat ook voor de hervormers. Zij behoorden echter tot de intellectuele elite en van hen was lang niet altijd duidelijk waar hun loyaliteit lag. Bij de verkiezing van de paus Nicolaas II in 1059 werd de gebruikelijke procedure door de twee partijen totaal uitgehold. De verkiezing werd een verlies voor zowel Keizer als Romeinse adel want Nicolaas bleek een overtuigd hervormer. Hij riep de Synode van Lateranen in het zelfde jaar nog samen en paste de verkiezingsprocedure aan. Een college van kardinalen zou vanaf dat moment in conclaaf de pausverkiezing regelen.14 Sindsdien wordt de paus bij zijn wijding omhangen met de Romeinse purperen mantel. Een meer symbolisch herstel van de pauselijke macht is eigenlijk niet denkbaar. Niet alleen bevestigde de paus hiermee zijn rol in de kroning van de keizer. Hij stelde ook dat hij in de positie was om die waardigheid weer af te nemen.15 Nicolaas II ontpopte zich als een geraffineerde kerkvorst die zonder omhaal zichzelf als leenheer boven alle vorsten plaatste. De Normandiër Robert Guiscard was de eerste die als vazal trouw aan de paus

11 12

Blumenthal, The investiture controversy, 41. Blockmans & Hoppenbrouwers, Eeuwen des Onderscheids, 178. 13 E. Meuthen, Das Basler Konzil als Forschungsproblem der europäischen Geschichte (Düsseldorf 1987) 7. 14 Leupen, Gods stad op aarde, 125. 15 Leupen, Gods stad op aarde, 134.

zwoor en daarmee Sicilië en zuid Italië onder Roomse invloedssfeer bracht.16 De machtsstrijd tussen keizer en paus ontbrandde in alle hevigheid onder keizer Hendrik IV en de hervormingsgezinde Gregorius VII. Na herhaalde pogingen van de keizer om Gregorius tot aftreden te dwingen voelde de paus zich sterk genoeg om Hendrik de keizerlijke waardigheid af te nemen en hem in de ban te doen. Dit was een revolutionaire maatregel. Volgens Gregorius VII stond de wereldlijke macht onder en in dienst van God en dus in dienst van de kerk en de paus. Hendrik IV kreeg met zoveel verzet in zijn rijk te maken dat hij in februari 1077 in de sneeuw voor de pauselijke verblijven te Canossa de paus om vergiffenis smeekte. Hendrik IV ontving vergeving en erkende daarmee impliciet dat de paus boven de keizer stond.17 Het feit dat hij later met troepen terugkeerde naar Rome om orde op zaken te stellen kon daar niets meer aan veranderen. Gregorius VII werd vastgezet in zijn burcht en vroeg Robert Guiscard om hulp. De Normandiërs veroverden Rome op de keizer en plunderde de stad. De positie van Gregorius VII was daarmee onhoudbaar geworden. Hij vluchtte met zijn Normandische vazal terug naar Sicilië en stierf daar in ballingschap.18 Door toedoen van Gregorius kwam er een einde aan de ene keizerlijke rijkskerk waar de keizer zo’n grote invloed over had uitgeoefend. Daarvoor in de plaats ontstonden in heel Europa landskerken waarbinnen de lokale vorsten hun eigen invloed hadden. Paus Calixtus II beëindigde in 1122 de Investituurstrijd met het Concordaat van Worms. Er werd in dit verdrag onderscheid gemaakt tussen de wereldlijke invloed van de bisschop en zijn geestelijke functies. Over de verkiezing van de bisschoppen kwam het tot een compromis waarbij de vorst de wereldlijke macht schonk en de kerk de geestelijke. In de praktijk betekende Worms dat de invloed van de Keizer sterk werd beperkt. De ‘twee-zwaardenleer’ ontwikkelde zich tot een visie waarin de paus, in naam van God, beide zwaarden bezat. Het geestelijk zwaard behield hij en het wereldlijke zwaard schonk hij in leen. Het jaar na het concordaat kwam het tot het eerste oecumenische concilie van de westerse Kerk. Hiermee werd een nieuwe conciliaire periode ingeluid. Hoewel men op deze nieuwe concilies nog steeds het oorspronkelijke idee erkende dat kwesties van doctrine alleen door een algemeen concilie konden worden beslist, waren er grote verschillen met de eerste acht vergaderingen. Afgezien van het feit dat de Griekse Kerk niet meer aanwezig was, was één van de belangrijkste wijzigingen dat vanaf het eerste concilie van Lateranen in 1123, de vergaderingen bijeen werden geroepen door de paus en niet langer door de keizer. Besluiten die op het concilie genomen werden moesten ook door hem worden geratificeerd. Hiermee leek het alsof de hervormingsbeweging de Gelasiaanse en Gregoriaanse ambities totaal had gerealiseerd. Paus
16 17

Blockmans & Hoppenbrouwers, Eeuwen des Onderscheids, 184-185, Blockmans & Hoppenbrouwers, Eeuwen des Onderscheids, 181, 183, 18 H.P.H. Jansen, Geschiedenis van de Middeleeuwen (dertiende herziene druk, Utrecht 2005) 232.

Innocentius III hield nagenoeg heel christelijk Europa vanuit Rome onder controle en vierde het summum van pauselijke macht op het vierde concilie van Lateranen in 1215. De door de paus opgeroepen clerus vergaderde langdurig en paste op ingrijpende wijze de christelijke geloofstraditie aan. Dit alles onder het toeschouwende oog van de wereldlijke vorsten.19 De besluiten die het vierde concilie van Lateranen nam waren verstrekkend. Zo kon de clerus niet langer strafrechtelijk vervolgd worden door een seculiere rechtbank. Aan de clerus werden nieuwe eisen gesteld wat betreft opleiding en celibaat en daarnaast werd het hen verboden alcohol te misbruiken of bijvoorbeeld deel te nemen aan toneelstukken. De procedures voor klerikale verkiezingen werden opnieuw vastgelegd en bisschoppen en abten werden verplicht minimaal één keer in de drie jaar samen te komen met de kapittels. Ook gelovigen werden met nieuwe regels geconfronteerd. Zo verwachtte de Kerk dat men minimaal eenmaal per jaar, in ieder geval voor Pasen, ter biecht ging en werden er maatregelen getroffen rondom het huwelijk.20 Toch begon de nieuw gerealiseerde pauselijke wereldvisie te worden ingehaald door de opkomst van de steeds meer gecentraliseerde macht van de westerse vorsten. Terwijl Innocentius III in 1215 nog vorsten kon oproepen om als toehoorder het concilie bij te wonen, moest zijn naamgenoot Innocentius IV daar voor het eerste concilie van Lyon in 1245 veel meer moeite voor doen. Keizer Frederik II accepteerde niet langer dat hij was gedegradeerd tot een plek die gelijk stond aan de vorst van Frankrijk of Engeland. Hij streefde opnieuw de vestiging van de Roomse Keizer als door God gegeven heerser over het christendom na. Opnieuw liet de Keizer daarbij weinig ruimte voor de paus. Op het eerste concilie van Lyon vergaderde men over de Keizer en excommuniceerde hem. 21 Innocentius stelde dat de keizer een direct bedreiging voor Rome was en dat ongehoorzaamheid aan de kerk een groter gevaar was dan de Islam in het Heilige Land. Hij ging zelfs zover om tot een kruistocht op te roepen tegen een westerse vorst. De andere vorsten in Europa prefereerden zich buiten het conflict te houden.22 Zij streefden ondertussen naar geleidelijke vergroting van de controle over de landskerk in hun eigen domein. Deze controle werd uiteindelijk zo groot dat de paus niet langer effectief in staat was tegen de wereldlijke macht op te treden. Het ontbrak aan machtsmiddelen; excommunicatie en banvloek begonnen aan invloed in te boeten. 23 De toegenomen macht van de westerse vorsten bleek aan het begin van de 14de eeuw. De Heilige Stoel kwam onder paus Bonifatius VIII opnieuw in conflict met twee seculiere vorsten. Koning Filips de Schone van Frankrijk was in oorlog geraakt met Edward I van Engeland en beide koningen legden voor het eerst bedes op aan de respectievelijk de Franse
19 20

Blockmans & Hoppenbrouwers, Eeuwen des Onderscheids, 187-188. ‘Fourth Lateran Council (1215)’ in: New Advent Catholic Encyclopedia, http://www.newadvent.org/cathen/09018a.htm (versie 22 februari 2008) 21 Jansen, Geschiedenis van de Middeleeuwen, 311. 22 De Jong, Handboek der kerkgeschiedenis. Tweede deel: de Middeleeuwen (692-1517) (vierde herziene druk, Utrecht 1947) 213. 23 Blockmans & Hoppenbrouwers, Eeuwen des Onderscheids, 221.

en Engelse geestelijkheid. De paus verzette zich echter tegen deze afroming van zijn inkomsten en verbood alle wereldlijke vorsten om zonder pauselijke dispensatie de Kerk te belasten. Daarnaast was Bonifatius één van de laatste pausen die de ambities van de Heilige Stoel, de pauselijke plenitudo potestatis – de volheid van de macht –, tot het uiterste na streefden. De morele macht van de paus gold al over de hele wereld maar Bonifatius breidde die uit tot het directe gezag over zowel wereldlijke als geestelijke macht. 24 Een reactie van de vorsten kon niet uitblijven. Koning Edward hief de bescherming op voor geestelijken die geen belasting betaalden, waardoor ze feitelijk onverdedigd achterbleven. Filips verbood de export van geld uit Frankrijk en beroofde daarmee de Heilige Stoel van een enorme bron van inkomsten. Het nationale bewustzijn in de landskerk bleek in Frankrijk waar de bisdommen en abdijen in meerderheid eigenlijk helemaal geen bezwaren tegen deze belasting hadden. Het betrof immers een zaak van nationaal belang. Desondanks herhaalde Bonifatius nogmaals de belastingmaatregelen en stelde daarna, in zijn bul Unam Sanctam van 1302, voor de goede orde nog eens de pauselijke ideeën over wereldlijke macht en haar dienstbaarheid aan de kerk. Bondgenoten van Filips de Schone zetten daarop in 1303 de paus gevangen maar moesten hem door Italiaans verzet weer vrijlaten. De gevangenschap had het gestel van de bejaarde paus echter zo aangetast dat hij binnen drie weken stierf.25

§ 4.4 Ballingschap en schisma
Na de dood van Bonifatius VIII leek het even of de Heilige Stoel het conflict met Frankrijk nog kon winnen. Zijn opvolger stierf echter te snel waarna Koning Filips de Schone van Frankrijk een fransman op de Heilige Stoel kon laten benoemen. Onder Clemens V trad een verval op in de uitoefening van de plenitudo potestatis en raakte de paus ondergeschikt aan de Franse vorst. In 1309 verhuisde Clemens de Heilige Stoel van Rome naar Avignon; nominaal een zelfstandige stad in het Heilige Roomse Rijk maar in de praktijk ondergeschikt aan de Franse troon. Clemens draaide de belastingmaatregelen van zijn voorgangers terug en wist in ruil voor de veroordeling en verkettering van de Orde der Tempeliers op het concilie van Vienne in 1312 het postume proces tegen Bonifatius in Avignon te staken.26 Met de vestiging van de Heilige Stoel in Avignon begon een periode die door de Italiaanse humanist Petrarca de ‘babylonische ballingschap’ werd gedoopt. Petrarca aanschouwde met lede ogen de verregaande centralisering van de Kerk. Door het verlaten van Rome had de Heilige Stoel de inkomsten uit het Patrimonium Petri verloren en de nieuwe bureaucratie richtte zich primair op de inning van kerkelijke belastingen en de uitbreiding van inkomsten voor uitspraken van rechtbanken, pauselijke dispensaties, benoemingen in geestelijke posities etc. Uiteindelijk kwam
24 25 26

De Jong, Handboek der kerkgeschiedenis, 220. Jansen, Geschiedenis van de Middeleeuwen, 424-425. De Jong, Handboek der kerkgeschiedenis, 229.

het onder Johannes XXII zelfs tot veroordeling en verkettering van een deel van de Fransiscaner orde. De paus keerde zich hiermee af van Vita Apostolica die deze groepering nastreefde; het in dezelfde armoede nastreven van het leven van Christus. Dit heeft de paus enorm aan prestige gekost. Petrarca schreef aan een vriend het volgende: “Nu woon ik in Frankrijk, het Babylonië van het westen. Op zijn reis ziet de zon niets verschrikkelijkers dan deze plaats aan de oever van de wilde Rhone, die me herinnerd aan de helse stromen van Cocytus en Acheron. Hier heersen de opvolgers van de arme vissers uit Galilea; het is vreemd hoe zij hun afkomst hebben vergeten. Ik sta versteld, als ik me hun voorgangers herinner, en zie dat deze mannen beladen zijn met goud en gehuld in purper, opscheppend over hun gewonnen inkomen ten koste van prinsen en naties. Om hun luxe weldadige paleizen en heuvels bekroond met forten; in plaats van een omgedraaide boot om onder te schuilen.”27 De weelderige hofhouding van de pausen bereikte onder paus Clemens VI een absoluut hoogtepunt. Toen hij op zijn rijkdom werd aangesproken zou het legendarische antwoord hebben geluid: “Mijn voorgangers wisten niet hoe ze paus moesten zijn”.28 Het imago van de Kerk werd nog verder aangetast door het uitbreken van de eerste pestgolf in de jaren veertig en vijftig van de 14de eeuw. Een derde, en in sommige streken de helft, van de Europese bevolking kwam hierbij om het leven. Men zag dit als een door God opgelegde straf voor de zondige maatschappij.29 De blik werd daarbij al snel op de rijkdom van de Kerk gericht. Het is belangrijk om te realiseren dat het hier om een imago probleem ging. Feitelijk vormde Clemens VI een uitzondering op de regel. Om de pausen van Avignon te bestempelen tot ‘stuk voor stuk vrome, hardwerkende bureaucraten’, zoals H.P.H. Jansen doet in zijn standaardwerk Geschiedenis van de Middeleeuwen, is misschien iets teveel van het goede.30 Toch kan niet worden beweerd dat de grote problemen in de Kerk en de groeiende onverschilligheid van de bevolking volledig aan hen toe zijn te rekenen. Ook de financiële problemen waren maar ten dele te wijten aan de extravagante levenswijze van één of twee pausen. De anderen hadden een aantoonbaar ander karakter of het ontbrak hen simpelweg aan de middelen om er een luxueus hof op na te houden. De pauselijke schatkist was het grootste deel van de ballingschap nagenoeg leeg. Niet alleen door de ontbrekende inkomsten uit het Patrimonium maar ook door de militaire campagnes die de pausen voerden om de domeinen weer in handen te krijgen.31 Er was in de pauselijke politiek in de Avignonese periode sprake van een omschakeling. De machtsambitie was tot dan toe altijd gericht geweest op het verwerven en beheersen van wereldlijke macht. Nu dit door toedoen
27

Mijn vertaling uit het Engels van Petrarca’s brief zoals die op 23 februari stond op: http://www.fordham.edu/halsall/source/14cpetrarch-pope.html 28 De Jong, Handboek der kerkgeschiedenis, 361. 29 Miles, Word made Flesh, 187. 30 Jansen, Geschiedenis van de Middeleeuwen, 425. 31 Oakley, Conciliarist Tradition, 28-30.

van de Franse vorst onmogelijk was geworden richtte de paus zich volledig op zijn gezag over de geestelijkheid. Dit, gecombineerd met het verlies aan imago en prestige leidde binnen de Kerk tot een sterke nieuwe roep om hervorming. Geleerden als Willem van Ockham en Marsilius van Padua stelden zich op het standpunt dat alleen de staat de Kerk nog kon redden en verdedigden de stelling dat de vorst de door God gezonden verdediger van het geloof was. De vrede was volgens Marsilius verstoord door het streven van de paus zich boven alle bisschoppen te plaatsen. 32 Beiden streefden naar een terugkeer naar de vroege Kerk waarin de discipelen en apostelen in armoede en gelijkheid een eenvoudig leven leidden. Verschillen tussen geestelijkheid en leken moesten in die opvatting zo klein mogelijk zijn. De hele christelijke gemeenschap zou zich moeten kunnen uitspreken in zaken van geloofsdoctrine en gezamenlijk de paus kunnen kiezen. De paus stond daarbij niet boven de gelovigen. Beiden ontkenden de speciale macht die hij dankzij zijn positie zou hebben ontvangen. De paus, stelden ze, was niet minder gevoelig voor zonde en machtsmisbruik dan andere mensen. Het mag duidelijk zijn dat deze ideeën niet populair waren aan het pauselijke hof. Marsilius van Padua werd geëxcommuniceerd en Ockham moest vluchten en vond bescherming bij de Keizer. Beiden stierven ironisch genoeg in de jaren veertig van de 14de eeuw aan de gevolgen van pest.33 Een begin van het herstel van het pauselijke imago was alleen mogelijk door terugkeer naar Rome. Dit stond hoog op de agenda van vrijwel alle Avignonese pausen. Verschillende legaten en kardinalen zijn tevergeefs met troepen naar het Patrimonium gezonden om de macht van de Romeinse adel te breken.34 In 1367 was het uiteindelijk paus Urbanus V die op veler verzoek de stap zette om naar Rome terug te keren. De stad bleek totaal in anarchie en verval te zijn geraakt en het aantal inwoners was sterk afgenomen. Na drie jaar keerde hij in Avignon terug waar hij stierf. Gregorius XI deed in 1376 opnieuw een poging het pauselijke domein definitief in handen te krijgen. In Rome belandde hij midden in de burgeroorlog tussen kardinaal Robert van Genève en rebellen gesteund door Florence. De paus overleed er in 1378. Even leek het ballingschap ten einde zijn gekomen omdat besloten werd het conclaaf toch in Rome te organiseren.35. De ontwikkelingen die op het conclaaf zijn grotendeels in nevelen gehuld. De precieze gang van zaken is dan ook vrijwel niet meer te reconstrueren. Het college van kardinalen was in ieder geval niet compleet, een deel van de hen bevond zich nog in Avignon. Rellen en opstandjes in Rome waren aan de orde van de dag en eenmaal onderbraken de rebellen zelfs het conclaaf. Er werd grote druk uitgeoefend om een Romein op de Heilige Stoel te krijgen en zo een garantie af te dwingen dat de pausen zich weer in de stad vestigden. Alleen dat kon voor een terugkeer van de inkomsten zorgen en de wederopbouw van Rome
32 33 34 35

De Jong, Handboek der kerkgeschiedenis, 358. Miles, Word made Flesh, 210. Blockmans & Hoppenbrouwers, Eeuwen des Onderscheids, 425. De Jong, Handboek der kerkgeschiedenis, 364-365.

mogelijk maken. Uiteindelijk besloot het conclaaf tot een compromis. Voor het eerst sinds lange tijd was het geen Fransman, maar óók geen Romein, die tot paus werd aangewezen. Urbanus VI was een Italiaan afkomstig uit Napels en als zodanig acceptabel voor de Romeinen. Uit zijn carrière tot dan toe zou ook hebben gebleken dat hij gevoelig was voor de wensen van het overwegen franse kardinaalscollege. Dit bleek een vergissing. Zijn gedrag was onvoorspelbaar en gewelddadig en de paus bedreigde het college verschillende keren. In de zomer van 1378 waren vrijwel alle kardinalen uit Rome vertrokken en verzamelden zich in Anagni waar een nieuw conclaaf werd belegd. Dit conclaaf koos Robert van Genève als paus Clemens VII in de plaats van Urbanus VI. De kardinalen claimden de ongeldigheid van de beslissing in Rome omdat het onder ernstige bedreiging tot stand zou zijn gekomen. Clemens VII probeerde in eerste instantie Rome met geweld in te nemen maar moest deze campagne in de zomer van 1379 staken, waarna hij terugkeerde naar het hof in Avignon. Geen van beide legde zich neer en vanaf 1379 kende de christelijke wereld twee pausen.36 In tegenstelling tot eerdere schisma’s en tegenpausen was het voor het eerst dat beide pausen gekozen waren in conclaaf en niet naar voren geschoven door een wereldlijk vorst. De katholieke wereld moest dus de keuze van obediëntie gaan maken. De problemen werden vergroot door het ontstaan van twee kardinaalscolleges en uiteindelijk zelfs twee pauselijke hoven. Met de dood van eerst Urbanus in 1389 en vervolgens Clemens in 1394 koos ieder college in eigen conclaaf opvolgers. De twee lijnen van Rome en Avignon begonnen daarmee ernstig uit elkaar te groeien.37

§ 4.5 De conciliaire beweging
De vraag hoe het schisma moest worden beëindigd heeft sinds het begin een centrale rol gespeeld. Daarbij zag men vier mogelijkheden: de via facti, de via compromissi, de via concilii en de via cessionis.38 De via facti betekende het oplossen van het schisma met een succesvol militair offensief. Dit is verschillende keren geprobeerd maar leidde nooit tot een bevredigend resultaat. Daarnaast faalde ook de via compromissi. Beide pausen claimden de plenitudo potestatis en weigerden arbitrage in hun zaak. De Heilige Stoel had zich immers al sinds de Gregoriaanse hervormingen op het standpunt gesteld dat geen menselijke autoriteit hen kon berechten of veroordelen. Voor de via concilii als oplossing was al vroeg steun vanuit intellectuele kringen in Parijs. Kardinalen Orsini en d’Ailly maar ook een aantal Duitse theologen gaven dit al in 1379 aan. Ook de conciliaire weg botste met de canonieke ideeën over plenitudo potestatis en veel wetenschappers hebben zich dan ook beziggehouden met het zoeken naar een rechtmatige theologische uitweg voor dit conflict.39 Voor de via cessionis bleek internationaal echter de meeste steun. Ook de vorsten ondervonden last van de administratieve en
36 37 38 39

Oakley, Conciliarist tradition, 32-33. Jansen, Geschiedenis van de Middeleeuwen, 427 Oakley, Conciliaris tradition, 36. Blockmans & Hoppenbrouwers, Eeuwen des Onderscheids, 426.

spirituele chaos in de kerk. Frankrijk zette druk op de Avignonese lijn en de Roomse Keizer op de Romeinse lijn om toch vooral af te treden zodat een nieuwe algemeen aanvaarde paus kon worden gekozen. De via concilii en via cessionis kwamen uiteindelijk in 1408 samen na een opnieuw mislukt offensief van diplomatie. Kardinalen uit beide kampen braken met de pausen en ook de Franse clerus gaf de steun aan de Avignonese lijn op. Dit resulteerde in de lente van 1409 tot het concilie van Pisa waar meer dan ooit de clerus van het hele westerse christendom zich verzamelde. Het concilie voerde een uitgebreid juridisch proces en zette uiteindelijk zowel de Avignonese als de Romeinse paus af. Daarna kwamen de kardinalen in conclaaf samen en kozen unaniem Alexander V tot paus.40 Alexander wist het grootste deel van het christendom achter zich te verzamelen en hoewel hij geconfronteerd werd met twee pausen die weigerden op te stappen ging men er algemeen vanuit dat het schisma was beëindigd. Voordat de Pisaanse paus echter in Rome aankwam stierf hij en werd Johannes XXIII tot paus gekozen. Een man die door kardinaal de Jong in zijn Handboek der Kerkgeschiedenis beschouwd wordt als sluw en eerzuchtig: “Voor het heil der Kerk was van hem niets te verwachten”.41 De consequentie van deze keuze was dat vanaf 1409 er feitelijk drie pausen in het katholieke christendom streden om de Heilige Stoel. De enige macht die in het christendom nog voor een oplossing in deze onmogelijke situatie kon zorgen was de Keizer van het Heilige Roomse Rijk. Ook al viel zijn rol als beschermheer van de Kerk, na eeuwen van conflict met de paus, bijna traditioneel te noemen, individuele keizers konden nog steeds een flinke invloed uitoefenen op de internationale politiek. Zo ook keizer Sigismund, koning van Hongarije en Bohemen. Hij zette Johannes XXIII dusdanig onder druk dat deze weinig mogelijkheden had dan een nieuw concilie bijeen te roepen. Hij stemde waarschijnlijk toe in de veronderstelling dat degene die het concilie bijeen riep ook de besluiten zou ratificeren en daarmee de gang van zaken kon beïnvloeden. Daarnaast had hij nog een enorme aanhang onder de Italiaanse bisschoppen die indien nodig de stemronden volledig konden beheersen. Sigismund en de conciliaristen zagen dit gevaar in en gingen over tot een revolutionair kiessysteem. Het concilie werd opgedeeld in naties die ieder, ongeacht het aantal geestelijken dat deel uitmaakte van de natie, één stem hadden in de algemene vergadering.42 Deze naties hadden weinig van doen met moderne staten maar werden ingericht naar de invloedssferen van de grote universiteiten. Zo bestond de Duitse natie uit het Heilige Roomse Rijk, Polen, de katholieke territoria op de Balkan maar ook Scandinavië. Naast de Duitse natie waren de Engelse, Italiaanse, Franse en Spaanse naties aanwezig.43 De grote meerderheid van Italiaanse geestelijken werd zo geneutraliseerd.
40 41

Oakley, Conciliaris tradition, 37-38. De Jong, Handboek der kerkgeschiedenis, 396. 42 Oakley, Conciliarist tradition, 38. 43 H. Jedin, Bischöfliches Konzil oder Kirchenparlement? Ein Beitrag zur Ekklesiologie der Konzilien von Konstanz und Basel (Basel 1965) 18-19.

Het concilie kwam uiteindelijk in 1414 bijeen en om buiten de invloed van alle pausen te blijven werd voor de rijksstad Konstanz gekozen, ten noorden van de Alpen, onder bescherming van de keizer. Konstanz groeide uit tot de grootste vergadering tot dan toe. Talloze geestelijken van hoge en lage rang, geleerden, diplomaten en vorsten verzamelden zich in de stad. Johannes XXIII begon zich te realiseren dat hij nooit het concilie onder controle kon blijven houden en begon tijd te rekken. Hij stelde de vergadering gerust met het bericht dat hij bereid was om voor de eenheid van de Kerk af te treden. In plaats daarvan vluchtte hij in 1415 weg van het concilie en stortte het daarmee in grote verwarring. Door daadkrachtig optreden van Keizer Sigismund en de vooraanstaande geleerde Jean Gerson werd voorkomen dat het concilie uiteen brak. Met het ontbreken van de paus konden besluiten immers niet meer geratificeerd worden. Troepen van Sigismund wisten Johannes XXIII te arresteren en terug te brengen naar Konstanz.44 Gerson kwam tegelijkertijd met de conciliaire theorie die stelde dat het christendom, het mystieke lichaam van Christus, gevormd werd door de gelovigen en de pauselijke plenitudo potestatis voorbij ging.45 Dat mystieke lichaam werd in Konstanz door de verzamelde deelnemers van het concilie gerepresenteerd. Het concilie ging over tot het aannemen van het decreet Haec Sancta waarin werd gesteld dat het concilie, zonder de paus aan het hoofd, legitiem was en zijn autoriteit over de kerk direct van Christus had ontvangen. De zaken raakten daarna in een stroomversnelling. Binnen twee weken was Johannes XXIII berecht en door het concilie veroordeeld voor ketterij en afgezet als paus. Gregorius XII, de Romeinse paus, kreeg van het concilie de gelegenheid om zelf af te treden en daarmee zijn claim nog enige validiteit te geven. Hij gaf daar binnen twee maanden gehoor aan. Benedictus XIII uit Avignon vertrok niet op eigen gelegenheid maar had ondertussen de steun van Frankrijk en de Spaanse koninkrijken verloren. Het concilie zette hem in 1417 af. Hoewel hij tot zijn dood zijn rol bleef volhouden was zijn invloed totaal gemarginaliseerd. Op St. Maarten 1417 kozen de kardinalen in conclaaf Martinus V als nieuwe paus waarmee het schisma definitief werd beëindigd.46 Het einde van het schisma betekende niet het einde van de conciliaire beweging. De vergadering claimde voor zichzelf binnen de kerk een eigen vertegenwoordigende rol tegenover de paus. De druk was echter van de ketel. Figgis merkte daar terecht over op: “The circumstances which made it possible to make the attempt [conciliaire medezeggenschap] were the scandal of the great schism, and the spectacle of a divided church. But the moment the Council had put an end to the schism its real hold on public opinion was lost.” 47 Het concilie poogde maatregelen te nemen tegen misbruik van de pauselijke plenitudo potestatis, verdere centralisatie en
44 45

Oakley, Conciliarist tradition, 39-40. Nederman, Conciliarism and constitutionalism, 197. 46 Oakley, Conciliarist tradition, 41. 47 J.N. Figgis, Studies of political thought. From Gerson to Grotius 1414-1625 (Cambridge 1907) 38.

absolutisme. In het decreet Frequens werd de paus verplicht om met regelmatige intervallen nieuwe concilies bijeen te roepen. De eerste na vijf, de tweede na zeven en ieder volgende concilie om de tien jaar. Het concilie zelf bepaalde de locatie en het tijdstip en alleen onder zeer strikte regels kon de paus daar van afwijken. Ingeval van een nieuw schisma stelde de vergadering moest binnen een jaar een concilie bijeen worden geroepen. Een tweede gevolg van de conciliaire ambitie was de verklaring dat tegen ieder pauselijk oordeel of decreet beroep mocht worden aangetekend op het volgende concilie. Het concilie van Konstanz werd op 22 april 1418 is gezamenlijke zitting afgesloten door de paus. 48 Geheel volgens schema riep Martinus in 1423 een nieuw concilie samen in Pavia. De verhoudingen tussen paus en concilie begonnen tegen die tijd sterk te bekoelen. Martinus V had zijn residentie weer in Rome gevestigd en trad stevig op om het Patrimonium weer geheel onder zijn bewind te brengen. Vanwege een uitbraak van pest werd het concilie van Pavia verplaatst naar Siena en uiteindelijk door de zeer lage opkomst van geestelijkheid opgeheven.49 Vlak voor zijn dood riep de paus in 1430 het volgende concilie bijeen. Ditmaal opnieuw onder bescherming van de keizer ten noorden van de Alpen in Basel. Als pauselijke vertegenwoordiger en voorzitter wees hij Kardinaal Cesarini aan. Kort daarna stierf Martinus. In Rome werd in conclaaf Eugenius IV gekozen die in tegenstelling tot Martinus weigerde samen te werken met het concilie en het in januari 1432 al sloot. Tot dan toe was de opkomst voor ook dit concilie zeer matig.50 Maar door de opheffing was de verontwaardiging zo groot dat het aantal deelnemers snel toenam. Cesarini omarmde het conciliarisme waardoor de relatie tussen concilie en paus een centraal thema werd. In een poging de macht van de hogere geestelijkheid te breken werd de stemprocedure in Basel opnieuw gewijzigd. Alle aanwezigen met een geestelijke rang verkregen een stem in de algemene vergadering waardoor machtsbalans verschoof van de ongeveer twintig bisschoppen naar de vijf tot zeshonderd lagere geestelijken en wetenschappers die aanwezig waren.51 Gevolg van deze machtsverschuiving in Basel was een serie decreten die de macht van de pauselijk rechtbanken inperkten en de jurisdictie bij de bisschoppelijke rechtbanken neerlegden. Daarnaast werden een aantal maatregelen genomen die de centralisatie politiek van de Avignonese pausen terugdraaiden. Hierdoor kwamen niet alleen meer verantwoordelijkheden bij de regionale kerken te liggen maar het concilie ontnam de paus hiermee een significant deel van zijn inkomsten. 52 Het concilie van Basel verliep daarna steeds stroever. De vergadering verzandde steeds vaker in ellenlange discussies tussen de verschillende
48 49 50 51 52

Oakley, Conciliarist tradition, 42-43. De Jong, Handboek der Kerkgeschiedenis, 402. De Jong, Handboek der Kerkgeschiedenis, 404. De Jong, Handboek der Kerkgeschiedenis, 404-405 Oakley, Conciliarist tradition, 45.

partijen waarbij de dreiging van een nieuw schisma steeds in het verschiet lag. Hierdoor verloor het concilie veel aan zijn oorspronkelijke populariteit. Eugenius begon halverwege de jaren dertig van de 15de eeuw een campagne om het concilie te verhuizen naar Italië en daar de kiesprocedure weer te beperken tot de bisschoppen. Deze opzet slaagde in 1439. Het officiële concilie verhuisde naar Ferrara en uiteindelijk, onder dreiging van de Pest, naar Florence. Een minderheid aan vooral Italiaanse bisschoppen verliet Basel en vertrok naar Florence. Bij hen voegden zich enkele hooggeleerde geestelijken waaronder Cesarini. Waarom Blockmans en Hoppenbrouwer stellen dat in Basel slechts een ‘rompgroep van radicalen’ achterbleven is mij niet geheel duidelijk.53 Zowel Oakley als kardinaal de Jong stellen dat de meerderheid van geestelijken in Basel bleef en dat het Concilie van Ferrara-Florence maar matig bezocht werd.54 Afgezien van een kortstondige aansluiting met de Grieks orthodoxe kerk en een verkettering van de stelling van Basel dat de Haec Sancta tot de katholieke geloofsdoctrine behoorde heeft het weinig betekend en stierf Ferrara-Florence een stille dood. Het concilie te Basel beging later dat jaar een grote blunder die het einde betekende van d steun die het tot dan toe nog had genoten. Men ging over tot de berechting en veroordeling van Eugenius IV en uiteindelijk de verkiezing van Felix V als nieuwe paus. Zelfs bondgenoten als Frankrijk en het keizerrijk stelden zich zeer neutraal op tegenover deze ontwikkeling. Langzaam maar zeker begon radicalisme de vergadering in Basel te domineren. In 1447 stierf Eugenius IV en onder zijn opvolger Nicolaas V gingen zowel Frankrijk als het keizerrijk over tot erkenning van de positie van de paus te Rome. Dit betekende het einde van de conciliaire beweging als effectieve kracht in de kerk. Felix V trad af en het concilie van Basel hief zichzelf op. De macht van de paus wist zich in de periode daarna te herstellen waardoor het met hervormingen binnen de kerk was gedaan. 55 De volgende ronde zou zestig jaar later in het Duitse Wittenberg beginnen en een tot op heden definitieve scheuring van het christendom betekenen.

53 54 55

Blockmans & Hoppenbrouwers, Eeuwen des Onderscheids, 427. Oakley, Conciliarist tradition, 48 en De Jong, Handboek der Kerkgeschiedenis, 406. Oakley, Conciliarist tradition, 50-51