Ik heb inmiddels 6 modellen naast elkaar gezet die zich richten op ICT-competenties.

Bij deze vergelijking van modellen heb ik gebruik gemaakt van de structuur zoals die door de Pabotool is opgezet. Deze structuur volgt de SBL-competenties die beschrijven wat een leraar allemaal zou moeten kunnen. Dit is gebaseerd op de wet BIO. De laatste twee modellen in de tabel, digitale didactiek en Eindtermen ICT van Vlaanderen gaan niet zo zeer over wat een leraar zou moeten kunnen maar wat een leerling met ICT zou kunnen doen. Ze vertellen indirect daarmee natuurlijk wel wat een leerkracht moet kunnen om dit mogelijk te maken. De vraag is hoe we na dit overzicht komen tot kernconcepten die ingebracht kunnen worden in de generieke kennisbasis van de pabo. Op welke manier kunnen we hierin te werk gaan? Om antwoord te geven op die vraag moet ik op een rijtje zetten wat kernconcepten zijn. Bij de uitleg van de kennisbasis (www.paboweb.nl/themes/24-Redactieteams-kennisbasesoverige-vakken) werden 6 stappen benoemd om te komen tot de kernconcepten op een rijtje gezet: 1. bepaal wat de unieke bijdrage van het vak- of vormingsgebied is in de ontwikkeling van kinderen. 2. Als tweede stap worden daaronder de meest centrale concepten (de big ideas) gegroepeerd. 3. Als derde stap kan het nodig zijn om de concepten die onder de hoofdconcepten hangen weer verder onder te verdelen. 4. Als vierde stap worden contexten beschreven die van belang zijn voor het laten 5. Als vijfde stap wordt een beschrijving gegeven van de ontwikkelingsfasen die een kind doormaakt, toegespitst op het vak- of vormingsgebied (zie paragraaf 5) en implicaties voor de sequentering, inzicht in de voorwetenschappelijke concepten waarmee leraren in dat vak of leergebied geconfronteerd kunnen worden en welke misconcepties daaruit kunnen ontstaan. 6. Als zesde stap wordt aandacht besteed aan representaties van een vak- of vormingsgebied die van belang zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Dit is als voorbeeld uitgewerkt voor een aantal vakken. Voor aardrijkskunde zien de stappen er bijvoorbeeld zo uit: 1. Geografisch besef 2. Kennis/inzicht in ruimtelijke vraagstukken 3. Theorie Centrale Plaatsen 4. Voorzieningen in de buurt in kaart brengen 5. Fasen Piaget (werkelijkheid is 3D, kaart is 2D) 6. Mental map van een wijk Als we kijken naar stap 1 dan moeten we dus eerst iets zeggen over de unieke bijdrage die ICT levert aan de ontwikkeling van kinderen. De modellen die ik tot nu toe op een rijtje heb gezet gaan vooral over wat een leerkracht zou moeten kunnen. Pas bij digitale didactiek en de Eindtermen ICT van Vlaanderen komen pas de leerlingen aan bod. Hoe zit dit? Daarvoor kijken we naar wat wordt gezegd over de relatie tussen de kennisbasis voor de schoolvakken en de generieke kennisbasis:

“Zoals uit vorenstaande blijkt behoort op basis van de PCK-benadering de gedifferentieerde ontwikkelingspsychologische kennis tot de kennisbasis van een vak- of vormingsgebied om ‘systeemscheiding’ tussen het generieke en specifieke te voorkomen. Deze kennis zal ook onderdeel van de generieke kennisbasis (kunnen) uitmaken. Het opnemen van op het vak- vormingsgebied toegesneden ontwikkelingspsychologische kennis betekent niet dat getreden wordt in de vrijheid en verantwoordelijkheid van elke opleiding om zelf te bepalen hoe het opleidingsprogramma wordt vormgegeven.” Met andere woorden, de generieke kennisbasis ligt onder de kennisbasissen van de vak- of vormingsgebieden. Of om het in mijn eigen woorden weer te geven: wat is er vanuit de generieke kennisbasis voor nodig om goede vakinhoudelijk onderwijs te kunnen verzorgen? Daarmee kunnen we volgens mij verder op de ingeslagen weg: vaststellen wat de kernconcepten zijn vanuit ICT. Welke kennis en vaardigheden heeft een leerkracht nodig? Bij het vaststellen van de kernconcepten ga ik uit van de volgorde van de onderwerpen zoals ze in de Pabotool aan bod komen. Dit om het enigszins werkbaar te houden. Niet omdat dit het beste model zou zijn. Blok 1: • De student kan een bewuste keuze maken uit diverse ict-middelen en deze inzetten bij het begeleiden en leiden van leerlingen. • zelfstandig, creatief, maar kritisch gebruik maakt van mogelijkheden van ICT in het onderwijs; (attitude) • flexibel is in het gebruik van ICT en onderwijs; (attitude) • in staat is om binnen zijn concrete werksituatie te reflecteren op zijn eigen handelen en de vorderingen van leerlingen. (attitude) • Ik vind ICT meerwaarde geven aan mijn onderwijs (didactiek) • hebben een positieve houding tegenover ict en zijn bereid ict te gebruiken om hen te ondersteunen bij het leren. De punten die hierbij naar voren komen zijn het hebben van een bepaalde houding ten op zichte van het gebruik van ICT en in staat zijn om kritisch te kijken naar het gebruik van ICT. De twee kernwoorden die ik hier uit haal zijn: attitude en reflectievaardigheden. Blok 2: • De student kan digitale leeromgevingen inzetten waarin kinderen kunnen samenwerken • diverse manieren kent om op afstand samen te werken aan producten (bijvoorbeeld elektronische leeromgeving, Wiki, Googledocs); (samenwerken en communiceren) • Samenwerkend leren (relaties leggen) • Rollen verdelen (relaties leggen) • kan werken met de elektronische leeromgeving, (leerling gerelateerde) administratieve systemen, (educatieve) software, portfoliosoftware, toetsservicesystemen; (vaardigheden) • leerlingen kan begeleiden bij het onderzoek doen naar en analyseren van onderwerpen met behulp van een digitale leeromgeving; (begeleiden en evalueren) •

Wat hier duidelijk uit naar voren springt is leerlingen online laten (samen)werken. Verder het werken met een digitale leer-, oefen- en toetsmiddelen. Blok 3: • • • • • • • • met leerlingen een (a)synchrone online discussie/debat/chat kan organiseren en modereren; (samenwerken en communiceren) kan omgaan met diverse (a)synchrone manieren om een expert op afstand in te zetten. (samenwerken en communiceren) peer feedback kan organiseren in een digitale omgeving; (samenwerken en communiceren) op afstand een samenwerkingsproces tussen leerlingen kan monitoren. (samenwerken en communiceren) digitaal kan samenwerken aan een document en bekend is met de voor- en nadelen hiervan (bijvoorbeeld Wiki, Googledocs). (samenwerken en communiceren) Communiceren via ICT met leerlingen Onderlinge feedback (relaties leggen) Samenwerkingspatronen zichtbaar maken voor lerenden en begeleiders (transparant maken)

Hieruit komen de volgende punten naar voren: online communiceren en digitaal feedback geven. Blok 4: De student is bekend met de leefwereld van kinderen en weet welke rol ict daarin speelt Komt in 1 model expliciet aan bod: kennis van digitale wereld van kind. Blok 5: • De student is in staat om eigen gedragsregels op te stellen en afspraken te maken rondom ict- en internetgebruik in de klas. • de regels kent die gelden voor computergebruik op school, samen met collega's ICT gedragscodes ontwikkelt en deze kan uit dragen richting leerlingen.(organisatie en didactiek) • de regels kent die gelden voor computergebruik op school en deze uitdraagt richting leerlingen;(begeleiden en evalueren) • Ik kan schoolbeleid voor gebruik van ICT vertalen naar afspraken in de les (organisatorisch) • Ik ken de regels die gelden voor computergebruik op school en pas ze ook toe • (organisatorisch) Punten die naar voren komen: regels en afspraken kennen rondom ICT gebruik. Blok 6: • • De student is bekend met literatuur en onderzoek over ict en communicatie en kan dit vertalen naar de klassenpraktijk. op de hoogte is van ontwikkelingen op het gebied van ICT en onderwijs; (attitude)

Punt uit dit blok: op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen rondom ICT. Blok 7: • • De student kan gebruik maken van digitale hulpmiddelen bij observaties en handelingsplannen in het basisonderwijs. de activiteiten, vorderingen en resultaten van alle leerlingen digitaal kan volgen; (begeleiden en evalueren)

Punt uit dit blok: leerlingen digitaal begeleiden. Blok 8: zie blok 4. Blok 9: • De student is in staat om eigen gedragsregels op te stellen en afspraken te maken rondom ict- en internetgebruik in de klas. • de regels kent die gelden voor computergebruik op school, samen met collega's ICT gedragscodes ontwikkelt en deze kan uit dragen richting leerlingen. (organisatie en didactiek) Punt uit dit blok: regels opstellen computergebruik. Blok 10: • De student kan ICT inzetten in zijn onderwijs waarbij hij rekening houdt met de verschillen in ICT-vaardigheden van de leerlingen. • Gebruik van de computer als didactisch hulpmiddel Punt uit dit blok: rekening houden met ICT-vaardigheden leerlingen. Blok 11: • • • De student kan een bewuste keuze maken uit diverse ict-middelen en deze inzetten bij het begeleiden en leiden van leerlingen. (educatieve) programma’s kent en gebruikt voor individueel werken;(individueel werken) Beoordelen bruikbaarheid educatieve programmatuur

Punten uit dit blok: kennis hebben van diverse ICT-middelen, beoordelen en inzetten educatieve programmatuur. Blok 12: • • De student kan digitale verwerkingsvormen (digiles, webwandeling) inzetten in de les en diverse verwerkingsvormen ontwikkelen gebaseerd op de onderwijscontext. gebruik maakt van diverse vindplaatsen van digitaal leermateriaal en in staat is om hieruit zijn eigen (digitale, interactieve) leereenheid te arrangeren; (arrangeren en ontwikkelen)

• • • • • • • • • • • •

leermateriaal ontwikkelt voor een digitale omgeving waarbij rekening gehouden wordt met verschillen in niveau, interesse en tempo en wijze van leren en ontwikkelprincipes voor digitaal leermateriaal; (arrangeren en ontwikkelen) Ik kan leerlingen begeleiding geven bij educatieve programma's (didactiek) Ik weet bij het geven van computeropdrachten rekening te houden met verschillen in niveau, interesse en tempo van mijn leerlingen (didactiek) Ik kan werkbladen voor de leerlingen maken met behulp van de computer (lesvoorbereiding) Ik kan presentaties maken op de computer voor uitleg aan mijn leerlingen (lesvoorbereiding) Ik kan plaatjes van internet kopiëren en plakken in een zelfgemaakt instructieblad (lesvoorbereiding) Organiseren van lessen waarin ICT wordt gebruikt Met de klas werken aan project met verschillende ICT-toepassingen digitaal lesmateriaal van internet aanpassen voor in de les

Punten uit dit blok: digitale leermaterialen kunnen vinden, arrangeren en ontwikkelen en inzetten om in te spelen op niveaus, interesse, tempo en wijze van leren van leerlingen. Blok 13: • De student kan heterogene groepen begeleiden bij onderwijsleersituaties waarbij gebruik wordt gemaakt van ICT. Dit blok wordt door punt uit blok 12 gedekt. Blok 14: • De student kan gebruik maken van diverse ICT-mogelijkheden (digitaal portfolio, leerlingvolgsysteem, ELO) bij het evalueren van activiteiten. • kan werken met de elektronische leeromgeving, (leerling gerelateerde) administratieve systemen, (educatieve) software, portfoliosoftware, toetsservicesystemen; (vaardigheden) • een elektronische leeromgeving kan inzetten om leerlingen te ondersteunen bij het zelfstandig leren, zo nodig tijd- en plaatsonafhankelijk. (individueel werken) • de juiste instructies aan een leerling kan geven om leerlingen in staat te stellen in een digitale leeromgeving hun leerproces zichtbaar te maken; (begeleiden en evalueren) • op de hoogte is van de mogelijkheden van digitale toetsprogramma's / toetsservicesystemen binnen een ELO of als zelfstandige applicatie; (toetsen) • Ik kan gebruikersgroepen aanmaken bij een programma voor mijn leerlingen • (lesvoorbereiding) • Ik kan leerlinggegevens invoeren in een leerlingvolgsysteem • (lesvoorbereiding) • Gebruik van leerlingvolgsysteem • Gebruik elektronische leeromgeving • Bijhouden en integreren van vorderingen (competenties centraal stellen) Punt uit dit blok: kunnen werken met een ELO en digitaal leerlingvolgsysteem.

Blok 15: • De student heeft kennis van ict-hulpmiddelen om in te zetten bij leerlingen met leerproblemen. • (educatieve) programma’s kent en gebruikt voor individueel werken;(individueel werken) • leerlingen die bij bepaalde onderdelen extra tijd of oefening nodig hebben remediërende programma’s kan aanbieden. (begeleiden en evalueren) • Kunnen zelfstandig oefenen in en door ICT ondersteunde leeromgeving Punt uit dit blok: digitale leermiddelen inzetten om in te spelen op leerproblemen. Blok 16: • De student kan ICT optimaal en gericht integreren binnen de verschillende vakgebieden. • Ik kan ICT-gebruik structureel inpassen in mijn les- en activiteitenplanning (organisatorisch) • Integreren van ICT in het onderwijs Punt uit dit blok: ICT structureel inzetten binnen vakgebieden. Blok 17: De student kan vanuit verschillende onderwijsvisies ict inzetten in het onderwijs. Kern spreekt voor zich: vanuit onderwijsvisie verantwoord ICT inzetten. Blok 18: De student maakt op een structurele manier gebruik van ICT om in te spelen op de actualiteit. Kern spreekt voor zich: ICT gebruiken om in te spelen op de actualiteit. Blok 19: De student kan op diverse manieren ICT inzetten om tegemoet te komen aan de verschillen bij leerlingen. (educatieve) programma’s kent en gebruikt voor individueel werken; (individueel werken) Kern: ICT inzetten om in te spelen op verschillen bij leerlingen. Blok 20: De student is zich bewust van de processen van identiteitsvorming bij kinderen en houdt hier rekening mee met het handelen in de digitale wereld. Kern: kennis hebben van gedrag van leerlingen in digitale wereld. Blok 21: • een digitale presentatie die voldoet aan de eisen van een goede digitale presentatie, kan maken en gebruiken; (presenteren) • Ik kan een fotopresentatie van een excursie via de computer laten zien (om het onderwijs) Kern: digitale presentatie kunnen maken.

Blok 22: • een digitaal schoolbord kan gebruiken bij diverse didactische werkvormen. (presenteren) Kern: kunnen werken met digitaal schoolbord. Blok 23: • ICT inzetten om leerlingen te motiveren (didactiek) Kern: ICT inzetten om leerlingen te motiveren. Blok 24: • Ik kan leerlingen begeleiding gegeven bij e-mailen (didactiek) Kern: leerlingen begeleiden bij e-mailen. Blok 25: Ik kan leerlingen begeleiding geven bij het werken met een ELO (didactiek) Kern: zie blok 14 Blok 26: • De student kan leerlingen op een veilige en verantwoorde manier de computer laten gebruiken. • Zijn leerlingen de regels van verantwoorde elektronische communicatie – één op één en in groepen - kan bijbrengen; (samenwerken en communiceren) Kern: veilig en verantwoord computergebruik. Blok 27: • De student kent het begrip mediawijsheid en past dit in zijn onderwijs toe. • voor leerlingen geschikte en betrouwbare digitale leerbronnen kan selecteren, passend bij hun leeftijd, sociaal-emotionele en morele ontwikkeling; (informatievaardigheden) • sites kan beoordelen op betrouwbaarheid en authenticiteit en het belang hiervan kan overbrengen op zijn leerlingen; (informatievaardigheden) • leerlingen kan leren om informatie doelmatig en doeltreffend te zoeken en te vinden; (informatievaardigheden) • leerlingen kan wapenen tegen de risico's van internetgebruik. (informatievaardigheden) • zijn leerlingen kan begeleiden bij het gebruik van internet zodat leerlingen in staat zijn relevante informatie te vinden en te beoordelen op kwaliteit en betrouwbaarheid; (begeleiden en evalueren) Ik kan mijn leerlingen zo begeleiden bij het gebruik van internet dat zij zelf relevante informatie leren vinden en beoordelen • Ik kan websites beoordelen op geschiktheid voor mijn onderwijs • (lesvoorbereiding) • Problemen oplossen (creëren) • Beslissingen nemen (creëren) • Onderzoek doen (creëren) • Ontwerpen (creëren)

• • • • • • • •

Betekenis construeren (creëren) Publiceren van producten (naar buiten brengen) Leren door te ontwerpen voor anderen (naar buiten brengen) Leren door problemen van anderen op te lossen (naar buiten brengen) Leren door onderzoek voor anderen te doen (naar buiten brengen) Leren door kritisch te reflecteren voor anderen (naar buiten brengen) Leren door adviezen te formuleren (naar buiten brengen) Gebruiken ICT op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier kunnen met behulp van ICT voor hen bestemde digitale informatie opzoeken, verwerken en bewaren

Kern: mediawijsheid en informatievaardigheden. Blok 28: De student maakt op een bewuste manier gebruik van verschillende ict-toepassingen bij zijn klassenmanagement. Kern: zie ook 12 en 17. Blok 29 • De student kan op een bewuste manier Office-programma´s, internettoepassingen, educatieve software en hardware inzetten voor instructie, verwerking en toetsing • over algemene kennis van ICT beschikt en de vaardigheden ten aanzien van bestandsbeheer beheerst; (vaardigheden) • diverse hardware (beamer, digitaal schoolbord, digitale foto/videocamera) kan bedienen en aansluiten op de computer; (vaardigheden) • kan omgaan met een tekstverwerker; (vaardigheden) • kan werken met een spreadsheetprogramma; (vaardigheden) • kan werken met presentatiesoftware; (vaardigheden) • foto’s, video’s en audio digitaal kan maken en bewerken; (vaardigheden) • op de hoogte is van regels die gelden voor copyright en bekend is met diverse copyrightmodellen (bijvoorbeeld: ©, public domain, creative commons, Wikimedia commons, GNU). (arrangeren en ontwikkelen) Ik weet welke educatieve programma's er voor mijn onderwijs beschikbaar zijn (didactiek) • Ik kan voor leerlingen die bij bepaalde onderdelen extra tijd of oefening nodig remediërende ICT-programma’s inzetten • (didactiek) • Ik kan internetpagina's vinden met relevante informatie voor mijn onderwijs • (lesvoorbereiding) • Ik kan educatieve software installeren op mijn lerarencomputer • (lesvoorbereiding) • Ik kan software beoordelen op de bruikbaarheid voor mijn lessen • (lesvoorbereiding) • Ik kan de notulen van de vergaderingen verwerken met een programma voor tekstverwerking • (rondom het onderwijs) • Ik kan mijn documenten via mappen en submappen gestructureerd opbergen op de computer

• • • •

(rondom het onderwijs) Gebruik van educatieve apparatuur kunnen ICT gebruiken om eigen ideeën creatief vorm te geven kunnen ICT gebruiken bij het voorstellen van informatie aan anderen

Kern: beschikken over algemene ICT-vaardigheden en kennis die van belang is voor het onderwijs. Blok 30: • kan werken met een arrangeertool voor digitaal leermateriaal.(vaardigheden) Kern: zie blok 29 Blok 31: • de benodigde hard- en software organiseert, rekening houdend met de procedures binnen de school; (organisatie en didactiek) • Ik kan opdrachten, lesmaterialen en bronnen klaarzetten op het netwerk (lesvoorbereiding) Kern: ICT-middelen organiseren en testen om les te kunnen geven. Blok 32: voor aanvang van een les de benodigde ICT middelen op juiste werking getest heeft; (organisatie en didactiek) Ik kan het ICT-gebruik in mijn lessen zodanig voorbereiden dat de benodigde computerprogramma's startklaar zijn (organisatorisch) Kern: zie kern 31. Blok 33: • bij storingen op de computer zodanig kan handelen dat de les er zo min mogelijk door wordt verstoord; (organisatie en didactiek) • Ik kan bij storingen op de computer zodanig handelen dat de les er zo min mogelijk door wordt verstoord (organisatie) Kern: flexibel reageren op storingen computer. Blok 34: • De student houdt in zijn lessen rekening met de gevaren van langdurig computeren. • Ik weet welke lichaamshouding mijn leerlingen moeten aannemen als ze achter de computer werken (organisatorisch) • Ik weet hoelang mijn leerlingen per dag in de klas achter de computer mogen werken (organisatorisch) Kern: kent gevaren van langdurig computeren. Blok 35: • De student kan vanuit verschillende onderwijsvisies ict inzetten in het onderwijs.

Kern: idem als blok 17 Blok 36: • fraude en plagiaat digitaal kan opsporen en voorkomen; (begeleiden en evalueren) • de voor- en nadelen kent van digitaal toetsen; (toetsen) • elektronische toetsen kan inzetten en kan motiveren waarom een keuze gemaakt wordt voor een zelfbeoordelende-, voorwaardelijke-, voortgangs-, diagnostische-, instapen/of beoordelende toets; (toetsen) • kan beoordelen welke domeinen/onderwerpen geschikt zijn om digitaal te toetsen; (toetsen) • verschillende typen gesloten toetsvragen kan maken (multiple-choice, multipleanswer, ja/nee, rangorde, matching, point & click, fill in the blanks, numeriek); (toetsen) • een digitale toets kan organiseren (rondom afname, organisatie toetsmoment, informatie leerlingen, capaciteit, back-up). (toetsen) Kern: Verantwoord een digitale toets maken, organiseren en inzetten. In staat om fraude en plagiaat op te sporen. Blok 37: Ik kan de tijd waarin leerlingen gebruik maken van ICT optimaal organiseren door bijvoorbeeld een rooster of roulatieschema te maken (organisatorisch) Kern: Komt terug in andere kernen. Blok 38: • De student kan informatie met behulp van ict delen met collega's. • samenwerking zoekt met collega’s die in een vergelijkbare situatie rondom ICT en onderwijs verkeren; (attitude) • Ik kan een e-mail sturen naar een collega om hem advies te vragen over een project • (lesvoorbereiding) • Ik kan gebruik maken van ICT voor samenwerking (organisatorisch) • Ik kan het verslag van een leerlingbespreking naar een collega e-mailen • (rondom het onderwijs) • Ik kan gebruik maken van een adressenboek bij e-mailen • (rondom het onderwijs) • Ik deel mijn eigen ervaringen met ICT in het onderwijs graag met mijn collega's • (rondom het onderwijs) Kern: Kan voor de samenwerking met collega’s ICT inzetten. Blok 39: • De student weet via internet diverse professionele bronnen te vinden, raadplegen en beoordelen. • zijn weg kan vinden op het web (internet) en kan omgaan met digitale communicatiemiddelen (bijvoorbeeld mail en web 2.0 toepassingen als Wiki, weblog, Googledocs); (vaardigheden)

• Ik kan onderwijskundige informatie op internet zoeken voor mijn eigen professionaliteit als leraar (rondom het onderwijs) Kern: ICT inzetten en beoordelen om zichzelf te professionaliseren. Blok 40: • De student kan gebruik maken van samenwerkingsomgevingen op internet. • zijn weg kan vinden op het web (internet) en kan omgaan met digitale communicatiemiddelen (bijvoorbeeld mail en web 2.0 toepassingen als Wiki, weblog, Googledocs); (vaardigheden) • Lerenden met elkaar en anderen in contact brengen (relaties leggen) • kunnen ICT gebruiken om op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier te communiceren Kern: kan zelf en leerlingen online laten samenwerken en communiceren. Blok 41 • De student kan advies en feedback geven en ontvangen met behulp van ict. • feedback kan geven in een digitale omgeving;(begeleiden en evalueren) • Ik kan leerlingen feedback geven na het werken op de computer (didactiek) Kern: feedback geven in een digitale omgeving. Blok 42: • De student kan ict op een dusdanige manier invoeren, dat het door collega's als een meerwaarde wordt beschouwd. Kern: verantwoord ICT inzetten. Blok 43: • De student kan een digitaal leerlingvolgsysteem hanteren en daarnaast zijn eigen gegevens via de computer ordenen. • kan werken met de elektronische leeromgeving, (leerling gerelateerde) administratieve systemen, (educatieve) software, portfoliosoftware, toetsservicesystemen; Kern: kan werken met een digitaal leerlingvolgsysteem. Blok 44: • De student kan met behulp van ict ouders en andere belanghebbenden informeren. Kern: ICT inzetten met communicatie met derden. Blok 45: • De student maakt gebruik van digitale communicatie en samenwerkingsmiddelen om te overleggen met mensen en instellingen buiten de school. Kern: zie blok 44 Blok 46:

• De student kan voorlichting en advies geven aan ouders over het gebruik van ICT door de leerlingen. Kern: advies geven aan ouders over ICT-gebruik leerlingen. Blok 47: • De student weet op welke manier scholen samenwerken met instellingen op het gebied van ICT. Kern: kennis van onderwijsveld en ICT. Blok 48: • De student houdt zich op de hoogte van ict en onderwijsontwikkelingen. • op de hoogte is van ontwikkelingen op het gebied van ICT en onderwijs; (attitude) • Het lukt me aardig de ICT-ontwikkelingen op mijn vakgebied bij te houden (rondom het onderwijs) Kern: op de hoogte van ICT en onderwijsontwikkelingen. Blok 49: • De student kan gebruik maken van internettools bij het begrijpen en analyseren van eigen gedrag en dat van anderen. • ICT kan gebruiken om metacognitie tot stand te brengen en het leren van elkaar te stimuleren, bijvoorbeeld in een digitaal portfolio of een weblog; (begeleiden en evalueren) • Denkprocessen zichtbaar maken (transparant maken) • Zichtbaar maken van leerprocessen (leren leren) • Onderlinge feedback op leren (leren leren) • Zelfreflectie (leren leren) • Feedback door begeleiders op leren (leren leren) • Leercompetenties als uitgangspunt (leren leren) • Digitaal portfolio (Competenties centraal stellen) • Showdossier (Competenties centraal stellen) • Examendossier (Competenties centraal stellen) • Selfassessment (Competenties centraal stellen) • Peerfeedback en –beoordeling (Competenties centraal stellen) Kern: ICT inzetten om leerlingen te begeleiden, denkprocessen zichtbaar te maken, te reflecteren, feedback te geven en te toetsen. Blok 50: • De student weet via internet diverse professionele bronnen te vinden en raadplegen om te werken aan eigen ontwikkeling. • in staat is om actief deel te nemen aan een digitale Community of Practice (CoP); (samenwerken en communiceren) • Ik kan kennis en ervaringen uitwisselen met lerarenin een communitie/gebruikerskring op internet (rondom het onderwijs) • Community building (relaties leggen)

Kern: ICT inzetten om te werken aan eigen ontwikkeling: zelfstandig of in online samenwerkingsverband. Blok 51: • Visualiseren en schematiseren (transparant maken) Kern: ICT inzetten om te visualiseren en schematiseren. Alle kernpunten op een rijtje: 1. Attitude en reflectievaardigheden 2. Leerlingen online laten (samen)werken. 3. Het werken met een digitale leer-, oefen- en toetsmiddelen. 4. Online communiceren en digitaal feedback geven. 5. kennis van digitale wereld van kind. 6. Regels en afspraken kennen rondom ICT gebruik. 7. Op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen rondom ICT. 8. Leerlingen digitaal begeleiden 9. Regels opstellen computergebruik 10. Rekening houden met ICT-vaardigheden leerlingen 11. Kennis hebben van diverse ICT-middelen, 12. Beoordelen en inzetten educatieve programmatuur. 13. Digitale leermaterialen kunnen vinden, arrangeren en ontwikkelen en inzetten om in te spelen op niveaus, interesse, tempo en wijze van leren van leerlingen. 14. Kunnen werken met een ELO en digitaal leerlingvolgsysteem 15. Digitale leermiddelen inzetten om in te spelen op leerproblemen. 16. ICT structureel inzetten binnen vakgebieden. 17. Vanuit onderwijsvisie verantwoord ICT inzetten. 18. ICT gebruiken om in te spelen op de actualiteit. 19. ICT inzetten om in te spelen op verschillen bij leerlingen. 20. Kennis hebben van gedrag van leerlingen in digitale wereld. 21. Digitale presentatie kunnen maken. 22. Kunnen werken met digitaal schoolbord. 23. ICT inzetten om leerlingen te motiveren. 24. Leerlingen begeleiden bij e-mailen. 25. Veilig en verantwoord computergebruik. 26. Mediawijsheid en informatievaardigheden. 27. Beschikken over algemene ICT-vaardigheden en kennis die van belang is voor het onderwijs. 28. ICT-middelen organiseren en testen om les te kunnen geven. 29. Flexibel reageren op storingen computer. 30. Kent gevaren van langdurig computeren. 31. Verantwoord een digitale toets maken, organiseren en inzetten. 32. In staat om fraude en plagiaat op te sporen. 33. Kan voor de samenwerking met collega’s 34. ICT inzetten. ICT inzetten en beoordelen om zichzelf te professionaliseren. 35. Kan zelf en leerlingen online laten samenwerken en communiceren. 36. Feedback geven in een digitale omgeving. 37. Verantwoord ICT inzetten. 38. Kan werken met een digitaal leerlingvolgsysteem. 39. ICT inzetten met communicatie met derden.

40. Advies geven aan ouders over ICT-gebruik leerlingen. 41. Kennis van onderwijsveld en ICT. 42. Op de hoogte van ICT en onderwijsontwikkelingen. 43. ICT inzetten om leerlingen te begeleiden, denkprocessen zichtbaar te maken, te reflecteren, feedback te geven en te toetsen. 44. ICT inzetten om te werken aan eigen ontwikkeling: zelfstandig of in online samenwerkingsverband. 45. ICT inzetten om te visualiseren en schematiseren. Een volgende stap is deze kernpunten ordenen om zaken die bij elkaar horen ook bij elkaar te zetten. Digitaal samenwerken 1. Leerlingen online laten (samen)werken. 2. Kan leerlingen online laten samenwerken en communiceren. Digitaal feedback geven 3. Online communiceren en digitaal feedback geven. 4. Feedback geven in een digitale omgeving. Digitaal begeleiden 5. ICT inzetten om leerlingen te begeleiden, denkprocessen zichtbaar te maken, te reflecteren, feedback te geven en te toetsen. 6. Leerlingen digitaal begeleiden 7. Leerlingen begeleiden bij e-mailen. Digitaal volgen 8. Kunnen werken met een ELO en digitaal leerlingvolgsysteem 9. Kan werken met een digitaal leerlingvolgsysteem. Professionele attitude 10. Op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen rondom ICT. 11. Kennis van onderwijsveld en ICT. 12. Op de hoogte van ICT en onderwijsontwikkelingen. 13. ICT inzetten om te werken aan eigen ontwikkeling: zelfstandig of in online samenwerkingsverband. 14. Attitude en reflectievaardigheden 15. ICT inzetten en beoordelen om zichzelf te professionaliseren. 16. Flexibel reageren op storingen computer. 17. ICT inzetten met communicatie met derden. 18. Kan voor de samenwerking met collega’s ICT inzetten 19. Kan zelf online samenwerken en communiceren. Mediapedagogiek 20. kennis van digitale wereld van kind. 21. Kennis hebben van gedrag van leerlingen in digitale wereld. 22. Rekening houden met ICT-vaardigheden leerlingen 23. Advies geven aan ouders over ICT-gebruik leerlingen. Digitale regels en afspraken

24. Regels en afspraken kennen rondom ICT gebruik. 25. Regels opstellen computergebruik 26. Veilig en verantwoord computergebruik. 27. Kent gevaren van langdurig computeren. Mediadidactiek 28. Digitale leermaterialen kunnen vinden, arrangeren en ontwikkelen en inzetten om in te spelen op niveaus, interesse, tempo en wijze van leren van leerlingen. 29. Digitale leermiddelen inzetten om in te spelen op leerproblemen. 30. Kennis hebben van diverse ICT-middelen, 31. Beoordelen en inzetten educatieve programmatuur. 32. Het werken met een digitale leer-, oefen- en toetsmiddelen. 33. ICT structureel inzetten binnen vakgebieden. 34. ICT gebruiken om in te spelen op de actualiteit. 35. ICT inzetten om leerlingen te motiveren. 36. Mediawijsheid en informatievaardigheden. 37. ICT inzetten om in te spelen op verschillen bij leerlingen. 38. Vanuit onderwijsvisie verantwoord ICT inzetten. 39. ICT-middelen organiseren en testen om les te kunnen geven. 40. ICT inzetten om te visualiseren en schematiseren. 41. Verantwoord een digitale toets maken, organiseren en inzetten. ICT-vaardigheden 42. Digitale presentatie kunnen maken. 43. Kunnen werken met digitaal schoolbord. 44. Beschikken over algemene ICT-vaardigheden en kennis die van belang is voor het onderwijs. 45. In staat om fraude en plagiaat op te sporen. We kunnen nog een stap verder gaan en duidelijke dubbelingen eruit halen. Digitaal samenwerken 1. Kan leerlingen online laten samenwerken en communiceren. Digitaal feedback geven 2. Kan leerlingen feeback geven in een digitale omgeving. Digitaal begeleiden 3. Kan ICT inzetten om leerlingen te begeleiden, denkprocessen zichtbaar te maken, te reflecteren, feedback te geven en te toetsen. Digitaal volgen 4. Kan gebruik maken van een ELO en digitaal leerlingvolgsysteem om leerlingen te volgen. Professionele attitude 5. De student is op de hoogte van nieuwste ontwikkelingen rondom ICT en onderwijs. 6. De student kan ICT inzetten om zichzelf te professionaliseren: zelfstandig of in online samenwerkingsverband.

7. De student kan ICT inzetten om samen te werken en te communicatie met collega’s en derden. 8. De student kan ICT inzetten om te reflecteren. 9. De student kan flexibel reageren op storingen computer. Mediapedagogiek 10. De student heeft kennis van de digitale wereld van de leerling en de manier waarop de leerling zich hierin gedraagt. 11. De student kan rekening houden met de ICT-vaardigheden van leerlingen 12. De student kan advies geven aan ouders over het ICT-gebruik van leerlingen. Digitale regels en afspraken 13. De student kent de regels en afspraken rondom ICT gebruik op school en kan hier een bijdrage aan leveren. 14. De student kan leerlingen veilig en verantwoord de computer laten gebruiken en kent de gevaren van langdurig computeren. Mediadidactiek 15. De student kent het begrip mediawijsheid en kan leerlingen hierin begeleiden. 16. De student kent het begrip informatievaardigheden en kan leerlingen hierin begeleiden. 17. De student weet waar digitale leer-, oefen en toetsmiddelen te vinden zijn. 18. De student kan digitale leer-, oefen- en toetsmiddelen beoordelen op kwaliteit. 19. De student kan digitale leer-, oefen- en toetsmiddelen arrangeren, ontwikkelen en structureel inzetten binnen verschillende vakgebieden. 20. De student kan vanuit zijn onderwijsvisie digitale leer-, oefen- en toetsmiddelen verantwoord inzetten. 21. De student kan digitale leer en oefenmiddelen inzetten om in te spelen op de niveaus, interesses, tempo en wijze van leerlingen van leerlingen. 22. De student kan digitale leer- en oefenmiddelen inzetten om te visualiseren en schematiseren. 23. De student kan digitale leer- en oefenmaterialen inzetten om in te spelen op leerproblemen. 24. De student kan digitale leermiddelen inzetten om in te spelen op de actualiteit. 25. De student kent diverse ICT-middelen om in te zetten voor het onderwijs. ICT-vaardigheden 26. De student beschikt over algemene ICT-vaardigheden en kennis die van belang zijn voor het onderwijs. 27. De student kan het digitaal schoolbord en andere ICT-middelen inzetten voor het onderwijs. 28. De student is in staat om fraude en plagiaat op te sporen. Tot slot kunnen we de onderwerpen die verwant zijn met elkaar meer groeperen. Mediapedagogiek 1. De student heeft kennis van de digitale wereld van de leerling en de manier waarop de leerling zich hierin gedraagt. 2. De student kan rekening houden met de ICT-vaardigheden van leerlingen 3. De student kan advies geven aan ouders over het ICT-gebruik van leerlingen.

Digitale regels en afspraken 4. De student kent de regels en afspraken rondom ICT gebruik op school en kan hier een bijdrage aan leveren. 5. De student kan leerlingen veilig en verantwoord de computer laten gebruiken en kent de gevaren van langdurig computeren. Mediadidactiek 6. De student kent het begrip mediawijsheid en kan leerlingen hierin begeleiden. 7. De student kent het begrip informatievaardigheden en kan leerlingen hierin begeleiden. 8. De student weet waar digitale leer-, oefen en toetsmiddelen te vinden zijn. 9. De student kan digitale leer-, oefen- en toetsmiddelen beoordelen op kwaliteit. 10. De student kan digitale leer-, oefen- en toetsmiddelen arrangeren, ontwikkelen en structureel inzetten binnen verschillende vakgebieden. 11. De student kan vanuit zijn onderwijsvisie digitale leer-, oefen- en toetsmiddelen verantwoord inzetten. 12. De student kan digitale leer en oefenmiddelen inzetten om in te spelen op de niveaus, interesses, tempo en wijze van leerlingen van leerlingen. 13. De student kan digitale leer- en oefenmiddelen inzetten om te visualiseren en schematiseren. 14. De student kan digitale leer- en oefenmaterialen inzetten om in te spelen op leerproblemen. 15. De student kan digitale leermiddelen inzetten om in te spelen op de actualiteit. 16. De student kent diverse ICT-middelen om in te zetten voor het onderwijs. Digitaal samenwerken 17. Kan leerlingen online laten samenwerken en communiceren. Digitaal feedback geven 18. Kan leerlingen feeback geven in een digitale omgeving. Digitaal begeleiden 19. Kan ICT inzetten om leerlingen te begeleiden, denkprocessen zichtbaar te maken, te reflecteren, feedback te geven en te toetsen. Digitaal volgen 20. Kan gebruik maken van een ELO en digitaal leerlingvolgsysteem om leerlingen te volgen. Professionele attitude 21. De student is op de hoogte van nieuwste ontwikkelingen rondom ICT en onderwijs. 22. De student kan ICT inzetten om zichzelf te professionaliseren: zelfstandig of in online samenwerkingsverband. 23. De student kan ICT inzetten om samen te werken en te communicatie met collega’s en derden. 24. De student kan ICT inzetten om te reflecteren. 25. De student kan flexibel reageren op storingen computer. ICT-vaardigheden

26. De student beschikt over algemene ICT-vaardigheden en kennis die van belang zijn voor het onderwijs. 27. De student kan het digitaal schoolbord en andere ICT-middelen inzetten voor het onderwijs. 28. De student is in staat om fraude en plagiaat op te sporen.