TAALVERWERVINGSTHEORIEEN Er bestaan verschillende theorieën over hoe kinderen taal leren.

In de zestiger en zeventiger jaren was daaraan een fundamentele discussie tussen Skinner (theorie 1) en Chomsky (theorie 2) gewijd. Inmiddels zijn er weinig aanhangers meer van de extreme vorm van de eerste theorie, maar zie je bij onderzoekers wel accentverschillen tussen theorie 2 en 3. In sommige taalmethodes vind je theorie 1 nog wel terug.

1

De behavioristische theorie (Skinner) Alle leren en dus ook taal leren vindt plaats door imitatie, het stimulus-respons model. Wat een kind vaak hoort zal succesvol worden geïmiteerd. Hoe frequenter een kind een bepaalde vorm hoort des te sneller zal hij die vorm gaan gebruiken. Wat positief wordt beloond zal beklijven, wat wordt bestraft of ontmoedigd zal verdwijnen. Het kind is zelf niet creatief of actief, maar een soort spiegel. De mentalistische theorie (Chomsky) Elk kind heeft een aangeboren taalvermogen. Dit is de belangrijkste factor bij de taalverwerving. Elk kind heeft onbewuste kennis van taal, taalregels en mogelijke taalstructuren. Met deze kennis creëren kinderen hun taal. Hun fouten zijn noodzakelijke stappen in dat proces. Taalverwerving is een rijpingsproces. Het taalaanbod is slechts marginaal van belang. De interactionele theorie Kinderen leren taal in interactie met hun omgeving. Enerzijds hebben zij een aangeboren taalvermogen, waarmee zij hypotheses over taal opstellen Anderzijds gebruiken zij taalaanbod uit hun omgeving om deze hypotheses te testen. Zij zijn actief en creatief in het opstellen van deze hypotheses. De fouten die zij maken zijn noodzakelijke stappen in dat proces.

2

3

1

DE TAALONTWIKKELING VAN HET KIND IN FASEN Hieronder staat een indeling in fasen van de taalontwikkeling vn het kind. De leeftijden die genoemd worden zijn slechts een grove aanduiding van de leeftijden, waarop kinderen deze fase gemiddeld doorlopen. Er zijn grote verschillen tussen kinderen. Je moet de leeftijden dus niet als norm gebruiken. (De leeftijden worden aangeduid met jaar.maanden) De prelinguale fase (voortalige periode) van 0 tot 1.0 Daarbinnen zijn te onderscheiden Vocaliseren 0 tot 0.4 Baby’s maken geluidjes, veel klinkers, maar ook medeklinkerachtige geluiden beginnend achter in de keel (rrr, ggg), later wat meer naar voren (ttt, mmm). Alle baby’s over de gehele wereld maken dezelfde geluidjes. Brabbelen 0.4 tot 1.0 Kinderen gaan reeksen medeklinker-klinker produceren (dadada, tatata, mamama). Tussen acht en negen maanden kun je zo hele gesprekken met hen voeren. De klanken die in de moedertal niet voorkomen verdwijnen. De fase van de eenwoordzin van 1.0 tot 1.6 Kinderen leren nu woorden met een min of meer vaste vorm en min of meer vaste inhoud te gebruiken. Zowel de vorm als de inhoud wijkt vaak nog af van de volwassen taal. Ze praten over wat er is, wat verdwijnt en wat weer verschijnt. Wat ze bedoelen is te parafraseren als een korte zin. Weg (de poes is weg) Op (de pap is op) Nogge (Ik wil nog een keer springen) Boet (Ik wil boekje lezen) De fase van de twee- en meerwoordzin van 1.6 tot 2.6 In deze fase leren kinderen hoe ze woorden kunnen combineren tot zinnen. Ze gebruiken nog geen lidwoorden en voornaamwoorden en verbuigen en vervoegen ook nog niet. Het wordt daarom ook wel de telegramstijlfase genoemd. In de eerste tweewoordzinnen drukken ze nog hetzelfde uit als in de eenwoordfase. Poe weg (de poes is weg) Jas uit (mijn jas moet uit) Later komen er ook zinnen waarin echte syntactische verschillen te ontdekken zijn. (NB het onvervoegde werkwoord staat achteraan) Toel pakken (je moet de stoel pakken) Papa pakken (jij/papa moet de stoel pakken) Snel daarna komen de eerste driewoordzinnen Papa toel pakken (papa moet de stoel pakken)

2

De differentiatiefase van 2.6 tot 5.0 De kinderen leren nu ook functiewoorden en gaan vervoegen en verbuigen. Daarmee maken ze regelmatig fouten. Ze gaan overregulariseren, ze ontdekken een regel en passen die overal toe. De gemiddelde zinslengte blijft stijgen. Ze beginnen samengestelde zinnen te gebruiken. Ze worden beter verstaanbaar voor buitenstaanders. Ze worden zich bewust van taal en kunnen daarover praten. De woordenschat blijft groeien, zowel wat betreft omvang als wat betreft onderlinge verbanden en hiërarchieën. Als ik groot ben, ga ik met oma trouwen. Mijnese is veel beterder. (de mijne is veel beter)

De voltooiïngsfase van 5.0 tot ??? Hoewel een vijfjarige al heel veel met taal kan, moet hij na zijn vijfde levensjaar nog veel taal leren. Misschien is het belangrijkste wel dat hij het handelen en redeneren op grond van waarnemen gaat vervangen door handelen en redeneren op grond van taal. De woordenschat blijft zich het gehele leven uitbreiden. De klankontwikkeling sluit hij rond het zevende levensjaar af. De grammaticale ontwikkeling is in de vroege puberteit voltooid. Hoe je taal kunt gebruiken in verschillende situaties blijft ook een levenslange ontwikkeling. De verschillen tussen mensen zijn enorm.

3

OBSERVATIESCHEMA MONDELINGE TAAL In het onderstaande schema staat de indeling van de verschillende taalaspecten. Op al deze gebieden kun je zowel de receptie (begrip) als de productie (het actieve gebruik) onderzoeken. Op de volgende pagina staan de vragen die je erbij kunt stellen. ONDERDELEN TAALGEBRUIK taalfuncties context communicatie VOORBEELDEN vragen, verzoeken, vertellen, bevelen, becommentariëren enz. - hier en nu/ buiten hier en nu; - aansluiten bij onderwerp - oogcontact - initiatief - vlot/ moeizaam - inhoudswoorden - ruimte - tijd - causaal - tegenstelling - modaal - begrijpen - gestructureerd vertellen - weglaten klanken / lettergrepen - vereenvoudiging clusters - assimilatie - fronting - stopping - gliding - meervouden - verkleinwoorden - bijvoeglijk naamwoord. - vervoeging werkwoord - voorzetsels - voornaamwoorden - voegwoorden - correctheid - complexiteit - verbanden tussen zinnen - verwijswoorden

TAALINHOUD

woordenschat zinsrelaties

verhalen TAALVORM fonologie (klankniveau)

morfologie en functiewoorden (woordniveau)

syntaxis (zinsniveau) tekst/gesprek (tekstniveau)

4

VRAGEN DIE MEN KAN BEANTWOORDEN BIJ HET OBSERVEREN

1

TAALGEBRUIK/PRAGMATIEK/COMMUNICATIE Waarvoor gebruikt het kind zijn taal vooral? Om te informeren/ iets gedaan te krijgen/ vragen enz Gebruikt het kind nog veel nonverbaal gedrag om iets gedaan te krijgen? Begrijpt het kind nonverbale signalen en gebruikt het deze zelf bij het spreken? Maakt het kind oogcontact als het luistert? Neemt het kind graag deel aan gesprekken? Neemt het kind zelf initiatief voor een gesprek? Luistert het kind aandachtig in het kringgeprek? Sluit het kind aan bij het onderwerp van gesprek? Reageert het kind adequaat op vragen? Kan het kind taal buiten het hier-en-nu begrijpen en zelf gebruiken? Spreekt het kind vlot of moeizaam? Is er regelmatig sprake van communicatiestoornissen?

2

TAALINHOUD Is het kind in staat eenvoudige opdrachten adequaat uit te voeren? Kan het de strekking van een verhaal begrijpen zonder steun van de situatie of plaatjes? Kan het kind gestructureerd een verhaal vertellen? Heeft het kind een grote woordenschat (gevarieerd gebruik van woorden, ook abstracte)? Spreekt het kind expliciet of gebruikt het kind veel 'lege woorden' (dat, dinges, wat, daarin, zo), zodat zijn uitingen buiten de situatie niet te interpreteren zijn? Welke verbanden kan het kind begrijpen en in taal uitdrukken? (ruimtelijke, hoeveelheden, modale, tijd, causale, tegenstelling) Worden deze expliciet of impliciet uitgedrukt in taal?

5

3 3.1

TAALVORM KLANKEN/FONOLOGIE Spreekt het kind duidelijk en verstaanbaar? Maakt het kind nog fonologische vereenvoudigingen die niet meer bij zijn leeftijd passen? weglaten onbeklemtoonde lettergrepen, weglaten eindconsonant, clusterreductie, fronting, stopping, gliding? Kan het kind klanken goed onderscheiden? Hapert/stottert het wel eens? Wanneer? Spreekt het kind niet te zacht/hard, te langzaam/snel? WOORDEN/MORFOLOGIE + FUNCTIEWOORDEN Gebruikt het kind meervouden van zelfstandige naamwoorden? Welke en welke correct? Verbuigt het kind het bijvoeglijk naamwoord correct? (NB. vergelijk dit met zijn lidwoord gebruik.) Gebruikt het kind lidwoorden correct (zowel een, de als het) of laat het die nog regelmatig weg? Gebruikt het kind voorzetsels? Welke? Gebruikt het kind persoonlijke voornaamwoorden? Welke? Worden deze verwisseld? Gebruikt het kind bezittelijke voornaamwoorden? Welke? Vervoegt het kind de persoonsvorm voor persoon en getal? Maakt het daarbij nog fouten? Gebruikt het kind al voltooid deelwoorden? Welke vormen en welke fouten? Gebruikt het kind al de verleden tijd? Bij welke werkwoorden? Welke fouten? Gebruikt het kind voegwoorden? Welke? ZINNEN/SYNTAXIS Zijn de zinnen van het kind meestal volledig? Wat wordt wel eens weggelaten? Welke syntactische fouten maakt het kind? Verklaar deze. Zijn er samengestelde zinnen (zie ook voegwoorden)? Welke (nevenschikking/onderschikking)? Zijn de zinsdelen wel eens langer dan drie woorden? Wat is de gemiddelde zinslengte? TEKSTEN/GESPREKKEN Hoe legt het kind verbanden tussen zinnen? Hoe maakt het kind gebruik van verwijswoorden?

3.2

3.3

3.4

6

TOELICHTING BIJ HET OBSERVEREN VAN DE TAALVORM FONOLOGIE Een Nederlands kind, dat de basisschool binnenkomt, beheerst in het algemeen het Nederlandse klanksysteem, al zal het soms met enkele klanken of klankcombinaties nog moeilijkheden hebben. Meerlettergrepige woorden leveren ook nog regelmatig problemen op. De volgende verschijnselen komen in kindertaal voor. In het schema van Grunwell (1981), dat op de volgende pagina staat, kun je zien tot op welke leeftijd de verschijnselen meestal voorkomen. weglaten van onbeklemtoonde lettergrepen Kinderen hebben moeite om de structuur van lange woorden te doorzien. Ze letten vooral op de beklemtoonde lettergrepen en laten de onbeklemtoonde weg. Bram (2.3) naan eten. (banaan) Pieter (3.4) kijk, bouter daar (kabouter) Natascha(2.3) mama, foon. (telefoon) Eva (3.3) isse pot (is kapot) weglaten eindmedeklinker Het weglaten van de eindmedeklinker komt vooral bij jonge kinderen voor. Dorien (2.3) daa baby in Eva (3.1) poe (daar) (poes)

NB. De slot -n in infinitieven en meervouden worden in het standaardnederlands niet uitgesproken. Wij zeggen We lope, twee huize. reduplicatie Bij meerlettergrepige woorden spreken jonge kinderen vaak twee keer dezelfde lettergreep uit. Soms maken ze ook van een eenlettergrepig woord een woord met twee identieke lettergrepen. Thijs (1.8) Tim (1.6) titi kaka (kindje) (pindakaas)

medeklinker harmonie (assimilatie) Soms worden de medeklinkers in een woord aan elkaar gelijk gemaakt. Sandra (2.4) moem Tim (1.6) taat (bloem) (paard)

7

clustervereenvoudiging Medeklinker combinaties (clusters) aan het begin of het eind van het woord vereenvoudigt het kind tot een enkele medeklinker. Dit komt ook bij kleuters nog wel een enkele keer voor. divers Eva (3.6) Tim (1.9) toel is mij boerte, Tim mama soen (stoel) (broertje) (schoen)

fronting De medeklinker wordt meer voor in de mond gerealiseerd. Veel komt voor dat de k door een t vervangen wordt. Janna (1.11) toetje (koekje) Tim (1.9) taat (klaar = fronting + assimilatie) stopping De fricatieve medeklinker (een niet nasale medeklinker die je aan kunt houden: z, s, g/ch, f) wordt vervangen door een op dezelfde (of bijna dezelfde) plaats gearticuleerde occlusieve medeklinker (waarbij de lucht geheel wordt tegengehouden: d, t, k, p). divers Tim (2.4) piets (fiets) toon (schoon)

gliding Dit is het vervangen van l en r door halfvocalen: j en w. Dit komt ook in clusters met l en r voor. divers pjate (praten)

Bij kleuters kun je dit verschijnsel nog regelmatig opmerken, omdat dit de laatste klanken zijn die verworven worden. stemhebbend/stemloos wisseling De stemhebbende medeklinker wordt vervangen door de stemloze variant of andersom. Het gaat daarbij dus om de volgende paren: stemloos stemhebbend p b f v t d s z Soms wordt voor beide een medeklinker gerealiseerd die het midden houdt tussen de stemhebbende en stemloze variant, m.a.w. het kind maakt geen duidelijk onderscheid.

8

Ontwikkeling van de fonologie Overzicht van Grunwell, 1981 Donkergrijs: simplificatie is nog volledig aanwezig. Lichtgrijs: simplificatie begint te verdwijnen. leeftijd 2.0 2.5 3.0 3.5 4.0 weglaten onbeklemtoondelettergreep apekop > akop weglaten eindmedeklinker kaas > kaa reduplicatie (herhaling) koek > koekoe medeklinkerharmonie iedereen > ieneneen clustervereenvoudiging medeklinker + l/r plas > pas clustervereenvoudiging s + medeklinker stoep > toep fronting (naar voren brengen van de medeklinker) k,n,ng > t,d,n stopping f>p stopping v>b stopping s>t stopping z>d stopping sj > t stopping tsj > t gliding (vervangen door halfklinker) l,r > j, w stemwisseling (stemhebbend > stemloos en omgekeerd) tong > dong In het algemeen beginnen kinderen met het weglaten van clusters (paard > paa). De tweede fase is het verkorten van de clusters (wolk > wok). De derde fase is soms het vervangen van medeklinkers in een cluster (ventje > ventse). Bij tweetalige kinderen tref je voor een deel dezelfde fouten aan: clustervereenvoudiging en weglaten eindmedeklinkers (bijv. Chinezen), verwisseling stemhebbend en stemloos (Turken). Daarnaast tref je bij hen ook heel andere fouten, bijv. met klinkers, die veroorzaakt worden door interferentie met het fonologisch systeem van hun moedertaal. De leeftijden die in het schema staan gelden natuurlijk niet voor tweetalige kinderen!

9

MORFOLOGIE EN FUNCTIEWOORDEN Bij morfologie gaat het om flexie (verbuigingen en vervoegingen) en woordvorming (hoe zijn woorden opgebouwd met voor- en achtervoegsels, of door samenstelling van twee woorden). In het meerwoordstadium waren er nauwelijks verbuigingen en vervoegingen en ook kwamen er nog maar zelden functiewoorden als onderdeel van een zinsdeel voor. Juist in de differentiatiefase zien we op dit gebied een grote ontwikkeling. Vaak zien we dat een verschijnsel eerst incidenteel goed wordt gedaan. Dan wordt een regel ontdekt en altijd toegepast, ook waar die regel niet van toepassing is: overgeneralisatie. Tenslotte worden ook de uitzonderingen geleerd. Kleuters zitten nog middenin dit proces. Dus overgeneralisaties zul je nog regelmatig aantreffen. meervoud zelfstandig naamwoord Kinderen ontdekken al snel, dat er een verschil is tuseen een en meer dan een. Aanvankelijk drukken ze dat nog niet uit met het meervoud, maar met woorden, bijvoorbeeld: auto, nogge auto, nogge auto, allemaal auto. Al bij tweejarigen zijn de meervoudsvormen -s en -en regelmatig te observeren. Soms overgeneraliseren ze een van beide vormen dan nog. Vierjarigen maken haast geen fouten meer met de regelmatige vormen. Ze hebben nog wel moeite met de onregelmatige vormen (stemhebbend-stemlooswisseling en eren), bijvoorbeeld: statten (steden) paarten (paarden) kinten (kinderen) verbuiging bijvoeglijk naamwoord In het Nederlands krijgt het bijvoeglijk naamwoord voor een zelfstandignaamwoord een uitgang -e, behalve bij onzijdige woorden met het onbepaalde lidwoord een. Bijvoorbeeld: de aardige mevrouw een aardige mevrouw de grote kerk een grote kerk het witte paard een wit paard Kleuters overgeneraliseren deze regel regelmatig. Ze verbuigen het bijvoeglijk naamwoord ook bij onzijdige zelfstandige naamwoorden, soms verbuigen ze ten onrechte niet. Om de verbuiging correct toe te passen moet het kind weten of het een de-woord of een het-woord is. Het hangt dus samen met het verwerven van het woordgeslacht (de- of het-woord) en onbepaald en bepaald. Zie daarvoor bij de lidwoorden. Ik heb ook een zwarte potlood. Nemen we een lekkere bakje thee.

10

lidwoorden Voorafgaand aan een zelfstandig naamwoord staat veelal een lidwoord. Het Nederlands kent bepaalde lidwoorden de en het, en een onbepaald lidwoord een. Aanvankelijk gebruiken kinderen helemaal geen lidwoorden. Het eerste lidwoord dat verschijnt, is het lidwoord een. Eerst nog in rudimentaire vorm: eh (schwa). Bijv. Isse koe. Het lidwoord blijft dan ook nog regelmatig weg. Ook bij kleuters is het niet ongebruikelijk dat in moeilijke constructies wel eens een lidwoord wordt weggelaten. Bij normale kinderen is de frequentie daarvan echter niet erg hoog. Na het onbepaalde lidwoord een wordt het lidwoord de geleerd. Het kind heeft nu dus de keuze tussen een onbepaald en een bepaald lidwoord. De keus tussen bepaald en onbepaald is afhankelijk van de gesprekssituatie: of de hoorder wel of niet geacht wordt te weten waarnaar de spreker verwijst. Kleuters hanteren deze regel nog niet feilloos. Soms gebruiken ze een bepaald lidwoord, zonder dat het onderwerp eerst bij de luisteraar is geïntroduceerd. Om deze regel goed te hanteren is het noodzakelijk dat het kind zich verplaatst in de situatie van de luisteraar. Dat kunnen wij van jonge kinderen nog nauwelijks verwachten. Bovendien gaan kinderen er vaak van uit dat volwassenen alles weten. Bijv. K: De auto is stuk. V: Welke auto, die van je vader? K: Nee, de raceauto van Jerry. (broertje) V: Een speelgoedauto? K: Ja, hattie van oma gekregen. En nou issie stuk. Ging me vader d'r zo op staan. KRRRRAK. Allemaal kapot. Verwisselingen tussen bepaalde en onbepaalde lidwoorden zijn niet zo opvallend, omdat het niet noodzakelijk een ongrammaticale zin oplevert. Verwisselingen tussen de en het zijn veel opvallender, omdat dit wel een ongrammaticale zin oplevert. Een woord is of een het-woord (onzijdig) ofwel een dewoord (mannelijk of vrouwelijk). Aan de vorm is meestal niet te zien tot welke categorie een woord behoort. NB. Het gaat hier niet om natuurlijk geslacht (man/vrouw/ding), maar om grammatisch geslacht (de/ het). Als kinderen lidwoorden gaan gebruiken, maken zij aanvankelijk nog geen onderscheid tussen de en het; zij gebruiken de voor zowel de- als het-woorden. Bij een deel van de kinderen verschijnt het lidwoord het rond hun derde verjaardag (Van Ginneken 1917, Schaerlaekens 1987), bij anderen wat later (Verhulst-Schlichting 1987), maar op vierjarige leeftijd zullen de meeste kinderen het gebruiken. De frequentie van het gebruik van het ten opzichte van de is ook bij vierjarigen nog niet in overeenstemming met de frequentie-verdeling bij volwassenen (Beijk en Aan de Wiel 1978, De Jong 1979). Bij kleuters kan men fouten met grammatisch geslacht dan ook nog regelmatig aantreffen (Schaerlaekens 1987), ook bij voor de kinderen bekende woorden (Extra,1978). Waarschijnlijk komt deze fout ook bij oudere kinderen nog wel voor, bijvoorbeeld bij nieuw geleerde zelfstandige naamwoorden. Immers van elk nieuw woord moet ook geleerd worden tot welke categorie het behoort. Is het een dewoord of een het-woord? NB. De verwisseling van dat/dit met die/deze is dezelfde fout tegen het geslacht. Die moet ze in de kleine potje doen.

11

voorzetsels Tussen 2 en 2.6 jaar gaan kinderen voorzetsels gebruiken.De eerste die voorkomen zijn in, op, van, naar, met, uit en af (Van Geert 1985). Deze behoren ook tot de vijf meest frequente voorzetsels in de taal van 3- en 4-jarigen (Beijk en Aan de Wiel 1978). Bij vierjarigen worden daarnaast bij, aan, naast, onder, over, tegen, tot, voor met enige regelmaat aangetroffen. In de kleuterleeftijd valt er dus nog veel te leren, bijvoorbeeld: langs, na, zonder. Kleuters laten nog wel eens een voorzetsel weg, of vervangen het. Ik heb een gat op m'n hoofd gehad. Deze kwam toch niet uit de middelste plank? Ik heb het aan niemand geleerd, ik kon het zomaar. persoonlijke voornaamwoorden Aanvankelijk gebruiken kinderen nog geen persoonlijke voornaamwoorden. Ze benoemen iedereen met de eigennaam, of mama enz. Tussen twee en drie jaar verschijnt ik en dat wordt dan onmiddellijk het meest frequent gebruikte woord. Drieen vierjarigen gebruiken ook (in aflopende frequentie) jij, het , hij, wij, mij, hem, zij (vr,e.v.), jou (incl.je in 3e en 4e naamval), u, zij (meervoud, onderwerp), ons, jullie, ze (meervoud, 4e naamval), hun, haar( 3e en 4e naamval). Persoonlijke voornaamwoorden zijn lastig om drie redenen: 1 - de wisselende sprekersrol bij ik en jij; (Sommige kinderen noemen zichzelf wel eens jij, omdat ze zo worden aangesproken door anderen); 2 - de naamvalverschillen; (Sommige kinderen gebruiken voor ik soms een tijdlang mij). 3 - de geslachtsverschillen tussen hij/hem en zij/haar. In spontane taal kunnen kinderen twee typen fouten maken met persoonlijke voornaamwoorden: vervangen en weglaten. Bij vervanging wordt meestal een minder frequente vorm vervangen door een meer frequente. Dan beheerst het kind dus nog niet de regels welke vorm wanneer te gebruiken. Dit heeft inderdaad te maken met de verwerving van persoonlijke voornaamwoorden. Bijvoorbeeld: Hij heet Monique. Dik, mag hem met de auto? Bij weglating hoeft dit niet noodzakelijk te maken te hebben met de verwerving van voornaamwoorden. Weglating kan men beter verklaren als een syntactische fout : het spreken in onvolledige zinnen. Dat wil zeggen: spreken in zinnen waarin niet alle noodzakelijke zinsdelen zijn gerealiseerd. Dit betreft niet alleen persoonlijke voornaamwoorden, maar ook aanwijzende, zoals dat, die, deze.

12

bezittelijke voornaamwoorden De bezittelijke voornaamwoorden worden iets later geleerd dan de persoonlijke. Volgens Schaerlaekens (1987) is de volgorde :'eerst de eerste persoon mijn, gevolgd door jouw of uw en iets later zijn,haar en ons.' Het woord mijn wordt door driejarigen beheerst. Bol en Kuiken (1986) troffen zijn wel aan bij driejarigen, maar haar nauwelijks. Dit komt overeen met de frequenties van deze woorden bij peuters en kleuters (Beijk en Aan de Wiel 1978) : de driejarigen gebruikten zowel zijn als haar slechts sporadisch; de vierjarigen gebruikten wel zijn frequent, maar haar in veel mindere mate. Zelfs als kinderen zowel zijn als haar kennen gebruiken zij deze lang niet altijd voor het juiste geslacht. Deze fout kan men waarschijnlijk ook bij vijfjarigen nog aantreffen. Je zit op Tanja zijn plaats. Eet u jouw fles maar op. Niet van mijn! Niet mijnese stukmaken! de vervoeging van het werkwoord: persoon, getal en tijd In het Nederlands wordt het werkwoord vervoegd naar persoon,getal en tijd. Dat wil zeggen: de vorm van de persoonsvorm moet in overeenstemming zijn met het onderwerp wat betreft persoon en getal en aan de vorm van de persoonsvorm is te horen/zien in welke tijd de zin staat. Bijvoorbeeld: Ik loop is 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd Hij liep is 3e persoon enkelvoud verleden tijd Jullie hebben gelopen is 2e persoon meervoud voltooid tegenwoordige tijd Kinderen gebruiken werkwoorden eerst onvervoegd (infinitief). Het werkwoord staat dan meestal achter in de zin. Bijvoorbeeld: Papa toren bouwen. Wij interpreteren dergelijke zinnen meestal als zinnen in de tegenwoordige tijd: Papa bouwt een toren/moet een toren bouwen. Daarnaast komen al vroeg enkele rudimentaire voltooid deelwoorden voor nog zonder hulpwerkwoord. Zij geven meestal het resultaat van een handeling aan die relevant is voor het heden. Bijvoorbeeld: Papa daan. Nogge poppetje maakt. (Dat heeft papa gedaan.) (Ik heb nog een poppetje gemaakt)

Bij tweejarigen verschijnen de eerste vervoegingen. Eerst uitsluitend van koppelwerkwoord (meestal is) en hulpwerwoorden (of werkwoorden die ook als hulpwerkwoord kunnen voorkomen ook al staan zij wel als enige werkwoord in de zin). (Soms ontbreekt het onderwerp waarmee de persoonsvorm moet congrueren.) Is allemaal ziek. Gaat-ie zo. Mag mama niet doen, hoor. Moet e pleister op.

13

Dit zijn altijd zinnen in de tegenwoordige tijd. Pas later verschijnt de vervoeging van zelfstandige werkwoorden. Zo zal men eerder kunnen aantreffen: Papa gaat werken, dan de op het oog simpeler zin: Papa werkt. Sommige kinderen blijven steken in dit stadium van vervoeging. Ze gebruiken bij voorkeur een vervoeging van gaan/doen in plaats van het zelfstandige werkwoord te vervoegen. Dit treft men eveneens aan in een later stadium als de verleden tijd gebruikt gaat worden. Ik ga binnenblijven. En toen was ik bij het winkelcentrum en toen ging Zwarte Piet mij optillen. Na dit eerste stadium moet het kind de preciese vormen leren voor persoon, getal en tijd. Deze komen nu achtereenvolgens aan de orde. persoon De vervoeging naar persoon is vooral in het enkelvoud van belang. In het meervoud is deze vorm ongeacht persoon immers steeds gelijk aan de infinitiefvorm. Voor een juiste vervoeging naar persoon moet het kind onderscheid maken tussen ik/jij/hij,zij,het. Deze woorden moet hij dus ook beheersen. Zie de verwerving van de persoonlijke voornaamwoorden. In de spontane taal van kinderen kan men nogal wat fouten aantreffen tegen de vervoeging naar persoon. Het is echter moeilijk uit te maken of dit dan taalontwikkelingsfouten betreft, of dialectische varianten. Immers, als het kind om zich heen steevast hoort Hij heb, ik gaat ,enz., dan is dit geen taalontwikkelingsfout, maar gewoon het correct leren spreken van het dialect van zijn omgeving. Juist omdat er op dit punt zoveel dialectische varianten zijn is het moeilijk deze vormen goed in te schatten. Waarom tekent jij auto? Weet je waar ik woont? Zij ben de winkel. Als jij het niet gedaan heeft, dan heeft zij. getal In de spontane taal van peuters tussen 2.6 en 3 jaar wordt de meervoudsvervoeging al aangetroffen (Verhulst-Schlichting, 1987). Vierjarigen beheersen deze regel met uitzondering van de onregelmatige vormen (Schaerlakens, 1987). Vierjarigen hebben waarschijnlijk nog wel moeite met het begrip van deze regel: ze beseffen niet altijd dat de meervoudsuitgang van het werkwoord betekent dat het onderwerp een meervoud is (Keeney en Smith 1971, Keeney en Wolfe 1972). Men kan dus bij vierjarigen op de vraag: "Wie hebben dat gedaan?" nog een antwoord in het enkelvoud verwachten. In hun taalproductie maken kleuters nog wel eens fouten wat betreft 'getal, zeker wanneer het onderwerp achter de persoonsvorm staat, of ver van de persoonsvorm verwijderd is. Juf, hier is nog rietjes. In de bouwhoek zit Kelly en Arjan. Hier zitten nog helemaal niks in.

14

tijd Voordat kinderen de verleden en voltooide tijd kunnen gebruiken moeten ze enig tijdsbegrip hebben (Weist 1986). Kinderen van 2 jaar blijken naar het verleden te kunnen verwijzen zonder dat ze daarbij hun taalvormen aanpassen. Daarna gaan ze de voltooide tijd gebruiken en nog later de verleden tijd. In het Nederlands gebruiken ook volwassenen vooral de voltooide tijd om naar het vereleden te verwijzen. Het voltooid deelwoord wordt al aangetroffen in de spontane taal van 2-jarigen (Van Ginneken 1917, Verhulst-Schlichting 1987, Bol en Kuiken 1988). Veelal blijft het voorvoegsel "ge" dan nog helemaal of ten dele achterwege, bijv. "maakt", "evonden". Dit is ook bij driejarigen nog regelmatig het geval (Extra 1978). De verleden tijd komt voor het eerst in het taalgebruik van driejarigen voor. Deze is dan nog niet erg frequent en betekent vaak "niet-nu", "niet-echt" (Kaper 1980). Bijvoorbeeld in een rollenspel : "Ik was de dokter, en jij was ziek." Dit verschijnsel wordt ook aangetroffen in andere talen en houdt verband met de wijze waarop kinderen het tijdsbegrip verwerven (Antinucci and Miller 1976). Het leren gebruiken van de verleden tijd in diverse situaties is waarschijnlijk een ontwikkeling die plaats vindt tussen 4 en 6 jaar. Dan wordt een toename in het gebruik van de verleden tijd geconstateerd (Van Ierland 1980). De vormen van voltooid deelwoord en verleden tijd kennen een typisch ontwikkelingsverloop. GEHEUGENSTEUNTJE Wij onderscheiden: zwakke,sterke en onregelmatige werkwoorden: zwak: fietsen fietste gefietst tekenen tekende getekend sterk: zwemmen lopen breken zwom liep brak kwam ging was at gezwommen gelopen gebroken gekomen gegaan geweest gegeten

onregelmatig:komen gaan zijn eten

Bij de vroege voltooid deelwoorden zijn de sterke en onregelmatige werkwoorden vaak correct, terwijl ze even later incorrect met een zwakke overgeregulariseerde vorm gerealiseerd worden (Schaerlaekens 1987). Bijv. eerst gekomen en later gekomt. Verhulst-Schlichting constateert deze overregularisering pas rond 4 jaar. In elicitatietaken blijken 4-jarigen bijna alle zwakke voltooide deelwoorden goed te vormen (Extra 1978). Van Besien vindt in een andere elicitatietaak dat 6-jarigen bijna 80% van de zwakke voltooid deelwoorden beheersen (Van Besien e.a. 1983, Van Besien 1985).

15

De sterke voltooid deelwoorden worden door 4-jarigen slechts voor ongeveer 30% correct gevormd (Extra 1978) en door 6-jarigen slechts voor 50% (Van Besien e.a.1983, Van Besien 1985). Foutief gevormde voltooid deelwoorden kan men dan ook nog aantreffen in de taal van basisschoolleerlingen en zelfs van middelbare scholieren (Schaerlaekens 1987). De onvoltooid verleden tijd komt later voor in de spontane taal dan het voltooid deelwoord. Bol en Kuiken (1988) constateren het eerste voorkomen tussen 2.6 en 3 jaar. In het onderzoek van Verhulst-Schlichting (1987) wordt het veel later gesitueerd, tussen 3.6 en 4.0 en blijkt het slechts om enkele werkwoorden te gaan : koppelwerkwoord, hulpwerkwoord en soms een onregelmatig zelfstandig werkwoord. Bij een elicitatietaak in het eerste en tweede leerjaar (gemiddelde leeftijd 6.2) bleek er een enorme toename in het aantal correcte antwoorden van de zwakke verledentijdsvorm : van 22% naar 75 % ( Van Besien 1985). Bij de sterke ovt-vormen bleek er nauwelijks toename te zijn van het aantal correcte antwoorden; zowel in het eerste als in het tweede leerjaar werd minder dan 20% goed gevormd. Ook voor de sterke ovt-vormen geldt dus dat deze pas in een later stadium geleerd worden. De verwervingsvolgorde is dus : 1 zwak voltooid deelwoord 2 zwakke onvoltooid verleden tijd 3 sterk voltooid deelwoord 4 sterke onvoltooid verleden tijd Bij dit alles dient men zich te realiseren dat zeker bij de sterke en onregelmatige werkwoorden de frequentie van een werkwoord mede van invloed zal zijn op het al of niet correct vormen van voltooid deelwoord en verleden tijd. Immers uit de genoemde onderzoeken blijkt dat ook voordat er een stijgende lijn komt in het aantal goede antwoorden er steeds een klein percentage werkwoorden wel goed wordt gerealiseerd. Dat zijn waarschijnlijk hoogfrequente werkwoorden. Toen had de stoomboot geblaasd en... Ik heb ze d'r allemaal afgetrokt. Ik ook een baby weest. Heeft juffie gekoopt. Ik heb een bulldozer meegenemen. Heb jij dat meeneemd? Hij zegt dat het niet moet opgevouwd, maar het moet opgevouwd.

16

voegwoorden Voegwoorden worden soms gebruikt om een enkelvoudige zin in te luiden. En jij was de dokter. Maar dat mag niet. Interessanter wordt het gebruik van voegwoorden wanneer kinderen samengestelde zinnen gaan vormen. De eerste samengestelde zinnen komen voor in de spontane taal van kinderen tussen 2.6 en 3 jaar; dat zijn dan alleen nog nevenschikkingen met en (Verhulst-Schlichting 1987, Bol en Kuiken 1988). Rond 3.6 jaar komen de eerste andere nevenschikkingen en een enkele onderschikking (Bol en Kuiken 1988 situeren dit tussen 3 en 3.6, Verhulst-Schlichting constateert deze vormen alleen bij de hoger milieugroep tussen 3.6 en 4, dus voor de lagere milieugroep na 4 jaar). Beijk en Aan de Wiel troffen bij 3jarigen nauwelijks andere voegwoorden aan dan en, terwijl er bij 4-jarigen, naast en,ineens een aantal andere redelijk frequent gebruikt worden : als, maar, want, dat, of (zowel het nevenschikkende als het onderschikkende voegwoord) en in iets mindere mate (door minder dan 1% van de proefgroep) toen en omdat. Afhankelijke vraagwoorden zoals hoe, waar en wat komen eveneens bij vierjarigen voor. Nevenschikkingen nemen tussen 4 en 6 jaar toe in frequentie in de spontane taal , terwijl er bij onderschikkingen van toename nauwelijks sprake is : minder dan 10% van de uitingen bij 7-jarigen (Van Ierland 1980). Waarschijnlijk vindt het volledig leren beheersen van onderschikkende zinnen pas na 7 jaar plaats. Het begrip van bepaalde constructies met onderschikkingen bleek in een aantal studies tot 10 jaar problemen op te leveren (Chomsky 1969, Karmiloff-Smith 1986). Als een leerling geen fouten maakt met voegwoorden mag men niet concluderen dat hij dus samengestelde zinnen en voegwoorden beheerst. Er moeten nog heel wat voegwoorden later worden geleerd, zoals : hoewel, tenzij, ofschoon. Daarnaast moeten bepaalde constructies zelfs receptief nog geleerd worden door kinderen tussen 5 en 10 jaar, zoals bepaalde betrekkelijke bijzinnen (Fluck 1978).

SYNTAXIS Bij kinderen tot een jaar of vier beschouwen we de taalontwikkeling meestal van de positieve kant: wat komt al wel voor en hoe veel kan het kind al in een zin realiseren? Vanaf de kleuterleeftijd kijken we meestal vanuit het perspectief: wat ontbreekt er nog en waarmee maakt het kind fouten? In je observatie van de spontane taal van kleuters is het echter ook goed om te letten op de complexiteit van de taal. Dat wil zeggen: hoeveel tegelijk kan het kind al verwoorden in een zin? Op het syntactische niveau zijn voor kleuters derhalve de volgende observatiepunten te onderscheiden: - VOLLEDIGHEID: Blijven er nog regelmatig woorden/zinsdelen weg? Zo ja, welke? - CORRECTHEID : Welke fouten worden gemaakt? Volgordefouten, verkeerde functiewoorden? - COMPLEXITEIT: Hoe ingewikkeld zijn de zinsdelen en de zinnen?

17

volledigheid Driejarigen zijn in staat om een volledige zin te maken met een eenvoudige structuur, maar laten in moeilijker constructies of onder moeilijker omstandigheden (bijv. zinnen met pas geleerde woorden of zonder steun van context en situatie (Bloom and Lahey 1978)) regelmatig zinsdelen weg. Ditzelfde proces kunnen wij waarschijnlijk ook bij oudere kinderen aantreffen : constructies die volledig worden beheerst worden steeds in volledige zinnen gerealiseerd; constructies die in ontwikkeling zijn worden onder gunstige omstandigheden wel en onder ongunstige niet in volledige zinnen gerealiseerd. In ieder geval treft men ook bij zesjarigen in de spontane taal nog wel eens zinnen aan waarin een zinsdeel is weggelaten.
NB. Volwassenen spreken ook niet altijd in volledige zinnen. Zo zijn antwoorden op vragen meestal zinnen waarin is weggelaten wat in de vraag al stond. Dat is correct taalgebruik. Volwassenen laten in spreektaal ook vaak het eerste zinsdeel weg. Dat doen zij als in de context duidelijk is wat dit eerste zinsdeel is (Jansen 1981); bijv.: Weet ik niet, als in de situatie duidelijk is wat de spreker niet weet. Toch laten kleuters nog meer weg dan in de spreektaal van volwassenen gebruikelijk is. Het gaat om het constateren van dat verschil. Jij even dit maken mij Deze keihard Jij moet dit even voor mij maken. Deze is keihard.

correctheid Kinderen maken diverse fouten in hun zinnen. Het is onmogelijk daarvan een complete opsomming te geven. Veel voorkomend zijn volgordefouten, fouten met negatie (ontkenning), en fouten met er en voornaamwoordelijke bijwoorden. Probeer zelf steeds een verklaring te geven van de fout. Ik heb het naar dat geveegd Helemaal moet je de plaksel smeren Die kan er niet allemaal erin doen Want jullie mogen niet horen mijn liedje. Heb je wat vandaag nodig? Ik heb het daarnaartoe geveegd. Je moet het helemaal met plaksel insmeren. Die kan ik er niet allemaal in doen. Heb je vandaag wat nodig?

complexiteit De complexiteit van taal is tot ongeveer vijf jaar goed te onderzoeken met de gemiddelde zinslengte (het aantal woorden gedeeld door het aantal zinnen). Voor vierjarigen ligt die rond de 4.5 woorden per zin, tenminste als je de antwoorden e.d. niet meetelt en nevengeschikte samengestelde zinnen apart telt. Zinsdelen kunnen bestaan uit een of meer woorden. Hoe meer woorden een zinsdeel heeft dest te complexer het taalgebruik. 1 woord: Ik ken hem 2 woorden: Ik ken de jongen 3 woorden: Ik ken die blonde jongen 4 woorden: Ik ken die leuke blonde jongen enz.: Ik ken die jongen met dat korte blonde haar Het zinsdeel kan ook een hele zin zijn. Dan spreken we over onderschikkende samengestelde zinnen. Op zinsniveau kan het kind zijn taal complexer maken door samengestelde zinnen te gebruiken: nevenschikkende of onderschikkende. Zie voor de ontwikkeling daarvan onder voegwoorden.

18

FRAGMENTEN OM HET OBSERVEREN TE OEFENEN Mieke (3.2) tekenend en spelend met klei op de peuterspeelzaal Mieke parafrase Wil ook sijfen Jij efe toen Mag ik ook ? Omstebeurt Nou mag jij Pak dat rode Nou pak ik efe rode Nou mag ik weer Heb je ook? Dis voor papa Efe wachte, hoor Annemiek geve Seurt-ie weer af Jij efe toen Aan Annemiek geven Kleie Nou issie weer stuk Jij efe gote make Kijke Ik heb een mus op me jas hangen Nog eentje Jij weer bal make. Hij heb mij pakt. Efe kleie. Dit ook stukmake? Heb stukmaakt. Nog bal make. Eet-ie dat op? Nog een make. Moet efe zo toen. Niet toen! Ik stukmake. Pannekoek efe zo make. Ik wil ook schrijven Dat moet jij even doen Mag ik ook (met jouw pen schrijven)? Om de beurt Ik pak dat rode (krijtje) Nou pak ik even de rode Heb jij ook een pen? Dit is voor papa. Ik ga dit aan Annnemiek geven Nou scheurt hij weer af. Dat meot jij even doen. Ik ga dit aan Annemiek geven. Ik ga kleien Jij moet even een grote maken. Laat eens kijken. Ik heb een muts aan mijn jas hangen Maak er nog eentje! Jij moet weer een bal maken. Hij heeft klei van mij gepakt. Ik ga even kleien. Zal ik id. Ik heb het stukgemaakt. Jij moet nog een bal maken. Jij moet er nog een maken. Dit moet ik even zo doen. Ik ga het stukmaken. Een pannenkoek ga ik even zo maken.

19

Ernst 2.0 fesje (= flesje) fesje naar baby ---baby Tam (=tim) èè (=ernst) ---hie vinnes (hier vlinders) vinnes Hie? Hie? e auto hie hie paajt ---nja e baby? Claudia 3.3 Magge ook meespelen? Mag ik ook meespelen? Ik ook inne stoomboot doen. Is bijna vol, hè? Nou! Koud water. Is koud. Nou hoor! Ga jij afwassen jij? Jij afwassen! Beetje suiker in. Zo, klaar. Zo issie weg. Ik wil zelf springen. Nee, jij weg! Ikke ook e lange broek. Mijn chocolade. Is van mij!. Op! Opdoen! Ik wil oppe klimrek, hoor. Kan niet eruit meer. Ik was hier. Jij eruit! Ben ik hoog hè? Ik zat oppe scooter. Ik mag ook een hebben, slingers. Heeft kindje gemaakt.

Ja, dit flesje is voor de baby. Hoe heet de baby? En hoe heet jij? En hoe heet jij? Ja, Ernst. En hoeveel jaar ben jij? Daar zijn plantjes, of wat zie je daar? Een vlinder En wat is dat? Een auto ja. Mooie plaatjes Wat doet het paard? Gaat springen, hè? Ja, dat is het flesje voor de baby.

20

divers 4 jaar Moet ze dat niet opruimen,dat ze gespeeld had? Zit op Tanja z'n plaats. Laat ik voelen hoe zwaar. Nog een moet ik luisteren. Jouwes wordt nog langerder. Jij heb railsen. Nee, daar komme de treinen. Zo kleintje autootje. Ik ben een politie. Ik ben een timmer. Maar dit is de huis. Ik heb deze popje. Ik nu samen met dit. Das echte broekje. Wat een klein dekens. Is een oud jas van die oute kind. Die letten op de krokodillen dat ze niemand opeten. Ik besterf van 't koud. Is regen tegen de raam gevallen. Vanavond was papa z'n band lek. Ik was aan glas gekomt, kreeg ik geen bloed. Ikke hè, ik heb twee tanden uit mijn kiezen. Hij heb zo letter daan.

21

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful