EEN EPISTEMOLOGIE VAN CROWDSOURCEN BINNEN DE OVERHEID

Vrijdag 16 oktober 2009

Master Informatiekunde (Bedrijfsinformatiesystemen) Faculteit Natuurkunde, Wiskunde en Informatica
Begeleider: L. Stolwijk

Universiteit van Amsterdam

Thesis

Roderick Simons

Opdrachtgever: Examencommissie:

Drs. Davied van Berlo Drs. Gijs van Schouwenburg Loek Stolwijk Dr. Ard Huizing

Ministerie van LNV Vellekoop en Meesters Universiteit van Amsterdam Universiteit van Amsterdam

Afbeelding voorpagina: Linz Douville, The Crowd (1998)

2

3

Samenvatting
In dit onderzoek is beschreven op welke manier crowdsourcen binnen de overheidssector effectief ingezet kan worden. Het crowdsourcemodel dat op de vorige pagina is weergegeven, is het resultaat van dit onderzoek. De zeven variabelen die het model telt, zijn de uitgangspunten die de ambtenaar ondersteunen tijdens het crowdsourcen. Het model is enkel een grafische representatie en dient ter verduidelijking en als hulpmiddel voor het weergeven van de relaties tussen de variabelen. In deze samenvatting beschrijf ik inhoudelijk de belangrijkste vier variabelen. Dit zijn de vraagstelling, incentives, regels en het platform. Een ambtenaar zou met crowdsourcen kunnen starten op het moment dat hij/zij een vraag of probleem heeft. Het crowdsourcen is een tool die in potentie een verbetering van het probleem kan bewerkstelligen en zodoende de kwaliteit van beleid kan verhogen. Onder de eerste variabele, de vraagstelling, beschrijf ik dat er twee verschillende soorten problemen zijn die beide op een andere manier gecrowdsourced moeten worden. Dit zijn de tamme en wicked problemen. Het verschil tussen tamme en wicked problemen zit in de belangen die er aan het probleem zijn verbonden. Een tam probleem heeft maar betrekking op een kleine groep mensen. Wicked problemen daarentegen kennen veel belanghebbenden. De oplossing voor een wicked probleem is dus van invloed op verschillende (sociale) groepen. Wicked problemen zijn hierdoor lastiger op te lossen omdat er bijna nooit één oplossing gevonden wordt die optimaal is voor alle groepen. Omdat problemen binnen de overheid vaak van invloed zijn voor een grote groep mensen, blijkt het dat het aantal wicked problemen vaak groter is dan het aantal tamme problemen. Een van de weinige manieren om deze wicked problemen aan te pakken, is door ze te benaderen vanuit verschillende perspectieven, door middel van groepsinteractie en discussie van deelnemers. Deze manier van crowdsourcen noem ik sociaal crowdsourcen. Tamme problemen kunnen worden gecrowdsourced op een manier die ik asociaal noem. Er vindt geen discussie plaats en deelnemers kunnen afzonderlijk van elkaar een oplossing voor het probleem geven.

-

Onder de variabele ‘incentive’ wordt beschreven wat mensen motiveert om een bijdrage te leveren. Mensen zullen op verschillende manieren worden gemotiveerd om deel te nemen. Ze kunnen plezier halen uit discussie met gelijkgestemden of door een beloning die ze in het vooruitzicht wordt gesteld. Mensen worden tijdens het sociaal crowdsourcen anders gemotiveerd dan bij het asociaal crowdsourcen. Bij sociaal crowdsourcen dient het contact dat mensen onderling hebben en de discussie die ze voeren als vervanging van een mogelijke beloning. Bij sociaal crowdsourcen zullen mensen een bijdrage leveren omdat ze er plezier uithalen, zichzelf identificeren met de communitie of vanuit altruïstische gedachten (intrinsieke motivaties). Bij asociaal crowdsourcen dienen de deelnemers een kans te hebben om iets van waarde te ontvangen. Dit kunnen producten of geld zijn, maar ook nieuwe carrièremogelijkheden (excentrieke motivaties).

In het onderzoek worden ook een aantal randvoorwaarden voor het crowdsourcen beschreven. Het moet voor deelnemers duidelijk zijn dat het crowdsourcen geen representatief proces is en wie uiteindelijk de keuze maakt. Er moet terugkoppeling zijn van het ministerie naar de deelnemers, ook op het moment dat het ministerie besluit niets met de inbreng van de deelnemers te doen. Het is essentieel om de

4

-

deelnemers ook voor een volgende keer gemotiveerd te houden door te laten zien dat er daadwerkelijk iets met de inbreng is gedaan. Daarnaast moet de ambtenaar zichtbaar zijn op het platform, zodat vragen beantwoord kunnen worden en de discussie gestuurd.

Onder de variabele ‘regels’ beschrijf ik dat het is af te raden om reacties van deelnemers te verwijderen, tenzij het gaat om inhoudloze, verstorende (spam) of tegenwerkende reacties. Tijdens het crowdsourcen kan het voorkomen dat er uitingen worden gedaan die niet overeenkomen met de denkwijzen van de minister. Uit dit onderzoek blijkt dat het verwijderen van deze reacties negatief van invloed kan zijn op de resultaten van het crowdsourcen. Een platform is de ruimte op het internet waar de vraag kenbaar wordt gemaakt en waar mensen een bijdrage kunnen geven voor de oplossing van het probleem. In dit onderzoek geef ik onder de variabele ‘platform’ verschillende overwegingen voor de ontwikkeling van een platform of voor het gebruikmaken van een bestaand platform. Daarnaast blijkt uit interviews met verschillende ministeries dat sommige al bezig zijn met de ontwikkeling van een eigen crowdsourceplatform. Ik adviseer ministeries om samen te werken om kennis en ervaring uit te wisselen en zo kosten voor ontwikkeling en implementatie te besparen.

5

Dankwoord
Hier zit ik dan, na een flink aantal jaren studie sluit ik straks met dit document mijn loopbaan als student af. Vanaf het MBO, het HBO en voornamelijk tijdens mijn studie aan de universiteit heb ik gesproken en te maken gehad met interessante mensen. Mijn vrienden, vriendin en familie hebben mij altijd ondersteund in de keuzes die ik heb gemaakt, ze hebben een belangrijke bijdrage geleverd in mijn ontwikkeling, maar zijn altijd kritisch gebleven op de resultaten die ik leverde. Deze mensen zou ik graag eerst bedanken, zonder hen had ik waarschijnlijk niet gestaan waar ik nu sta. Dit geldt in het bijzonder voor mijn ouders en mijn zus. Ze hadden tien jaar geleden niet verwacht dat ik nu de laatste hand zou leggen voor het verkrijgen van een Msc. Het uitvoeren van dit onderzoek en het schrijven van de scriptie waren een ontdekkingstocht. Ik heb genoten van de gesprekken met begeleiders, ambtenaren en anderen. Ik wil Loek Stolwijk (UvA) bedanken voor zijn inzet en begeleiding. De praktische adviezen hebben mijn onderzoek geholpen van waarde te blijven voor het ministerie. Ik wil Vellekoop & Meester bedanken voor de middelen die zijn vrijgemaakt om dit onderzoek te kunnen uitvoeren. In samenwerking met V&M en het ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit is deze opdracht tot stand gekomen. In de vorm van een afstudeerstage heb ik dit onderzoek uitgevoerd. Zonder V&M en LNV had ik nu een onderzoek gedaan met minder persoonlijke uitdaging en een kleiner maatschappelijk nut. Daarnaast wil ik Davied van Berlo (LNV & Ambtenaar 2.0) en Gijs van Schouwenburg (V&M) bedanken voor de begeleiding bij deze scriptie. Ik heb veel geleerd van de gesprekken en de feedback die ik van beiden heb mogen ontvangen. Dit resultaten van dit onderzoek sluiten aan bij de discussies en experimenten die worden gehouden op het Ambtenaar 2.0 netwerk. Voor meer informatie over Vellekoop & Meesters en Ambtenaar 2.0 zie bijlage V. Ik wil alle geïnterviewden bedanken voor hun inzet en tijd. De interviews met ambtenaren hebben me een duidelijk beeld gegeven hoe het er aan toe gaat binnen een ministerie. De experts en deelnemers hebben enorm bijgedragen aan mijn inzichten van het crowdsourcen binnen de overheidssector. Tenslotte wil ik mijn medestudenten, Paul, Stefan en Adriaan bedanken voor hun inzichten en adviezen. Ik heb veel gehad aan de gesprekken en de tips voor bepaalde literatuur, onderzoeksmethoden en al het ander dat tijdens een avondje in de kroeg ter tafel kwam.

Amsterdam, 16 oktober 2009 Roderick Simons

6

Inhoudsopgave
SAMENVATTING ............................................................................................................................................... 4 DANKWOORD .................................................................................................................................................. 6 INHOUDSOPGAVE ............................................................................................................................................ 7 INLEIDING ........................................................................................................................................................ 9 LITERATUURONDERZOEK ............................................................................................................................... 10 1. VRAAGSTELLING ..................................................................................................................................... 11 Tamme en Wicked problemen................................................................................................................. 11 Socialiteit ............................................................................................................................................... 12 De drie fases van de vraagstelling ........................................................................................................... 12 Conclusie en positie in model .................................................................................................................. 13 CONVERSATIE ........................................................................................................................................ 14 Sociale acties .......................................................................................................................................... 14 Conclusie en positie in het model ............................................................................................................ 15 AMBTENAAR .......................................................................................................................................... 16 Conclusie en positie in model .................................................................................................................. 16 INCENTIVES ........................................................................................................................................... 17 Motivatie open source software ontwikkeling ......................................................................................... 17 Overheidsspecifieke motivaties en Wikipedia .......................................................................................... 18 Communities .......................................................................................................................................... 19 CROWD ................................................................................................................................................ 22 Conclusie en positie in model .................................................................................................................. 23 REGELS................................................................................................................................................. 24 Censuur en zelfregulatie ......................................................................................................................... 24 Regels inzet social software .................................................................................................................... 25 Tegengaan van crowdslapping................................................................................................................ 25 Conclusie en positie in model .................................................................................................................. 26 PLATFORM ............................................................................................................................................ 27 Conclusie en positie in model .................................................................................................................. 27

2.

3. 4.

5. 6.

7.

METHODE....................................................................................................................................................... 29 CASE STUDIE .................................................................................................................................................. 29 Case studie protocol ............................................................................................................................... 29 Data collectie ......................................................................................................................................... 29 DATA ANALYSE ............................................................................................................................................... 32 RESULTATEN .................................................................................................................................................. 33 DEEL I .......................................................................................................................................................... 33 Case 1: Linkedin innovatie 2.0 ................................................................................................................. 33 Analyse: Case 1: linkedin innovatie 2.0 case. ........................................................................................... 38 Case 2: BZK prijsvraag web2.0 ................................................................................................................ 40 Analyse: Case 2: BZK web 2.0 prijsvraag .................................................................................................. 43 DEEL II ......................................................................................................................................................... 45 Vraagstelling .......................................................................................................................................... 45 Conversatie ............................................................................................................................................ 46 Incentives ............................................................................................................................................... 47 Regels en regulatie ................................................................................................................................. 48

7

Crowd .................................................................................................................................................... 49 Ambtenaar ............................................................................................................................................. 49 Platform ................................................................................................................................................. 51 DISCUSSIE EN CONCLUSIE ............................................................................................................................... 52 ONDERZOEKSVRAAG ........................................................................................................................................ 52 THEORETISCHE IMPLICATIES ............................................................................................................................... 54 AANBEVELINGEN VOOR DE PRAKTIJK, MINISTERIELE IMPLICATIES .................................................................................. 55 REFLECTIE...................................................................................................................................................... 56 BEPERKINGEN ONDERZOEK................................................................................................................................. 57 REFERENTIES .................................................................................................................................................. 58 BIJLAGE 1: UITWERKING INTERVIEWS ............................................................................................................ 61 INTERVIEW KRISPIJN BEEK, EZ, INNOVATIE 2.0 ....................................................................................................... 61 INTERVIEW WOUTER DEN DULK, DEELNEMER INNOVATIE 2.0 ..................................................................................... 66 INTERVIEW ARNOUT PONSIOEN , BZK, WEB 2.0 PRIJSVRAAG ..................................................................................... 72 INTERVIEW MICHEL SPEKKERS, DEELNEMER WEB 2.0 PRIJSVRAAG ................................................................................ 78 BIJLAGE II REGELS ........................................................................................................................................... 85 BIJLAGE III: INTERVIEWGUIDE ........................................................................................................................ 86 INTERVIEW MET EXPERTS/INITIATIEFNEMERS CROWDSOURCING................................................................................... 86 INTERVIEW MET DEELNEMERS EN AMBTENAREN OVER MOTIVATIES ............................................................................... 87 BIJLAGE IV: DISCLAIMER/ SPELREGELS INNOVATION 2.0 ................................................................................ 89 BIJLAGE V: VELLEKOOP & MEESTERS & AMBTENAAR 2.0 ............................................................................... 90 BIJLAGE VI: ONDERZOEKSOPZET..................................................................................................................... 91

8

Inleiding
Ambtenaren gebruiken verschillende bronnen van kennis, zowel binnen het ministerie als erbuiten. Nieuwe bronnen van kennis kunnen worden aangeboord om de kwaliteit van nieuw en bestaand beleid te verhogen. Uit interviews met ambtenaren blijkt dat de geïnterviewden de potentie zien voor het inzetten van het internet om de samenleving als nieuwe kennisbron te gebruiken. Dit wordt crowdsourcen genoemd. Het crowdsourcen sluit goed aan bij de ambitie van het ministerie om ‘excellent’ te zijn waarbij een zo hoog mogelijke kwaliteit wordt nagestreefd. Hierin passen andere moderne vormen van werken, kennisbronnen en communicatie. Onderzoek is echter schaars en verspreid en binnen het ministerie van LNV is weinig kennis beschikbaar over crowdsourcen. In dit document worden de methode en resultaten van dit onderzoek besproken. De onderzoeksvraag is als volgt: Op welke manier kan de ambtenaar crowdsourcen effectief en gericht inzetten om de kwaliteit van het beleid te verhogen en hoe kan de samenleving vooraf of tijdens het crowdsourcen gestimuleerd worden tot het deelnemen aan deze vorm van collectieve actie? In het document dat de opzet van dit onderzoek beschrijft, worden verschillende variabelen beschreven die van invloed zijn tijdens het crowdsourcen (zie Bijlage VI). Hoe deze verschillende variabelen zich tot elkaar verhouden en wat de invloed van de variabelen op elkaar is, is nog onduidelijk. Op de volgende pagina wordt gestart met een introductie over crowdsourcen en er worden begrippen toegelicht die in het vervolg van het onderzoek van belang zijn. Vervolgens wordt elk van de 7 variabelen van inhoud voorzien en wordt er beschreven wat de relatie ten opzichte van andere variabelen is. Per hoofdstuk van het literatuuronderzoek wordt toegelicht waar de variabele in het model hoort. De zeven variabelen zijn: de vraagstelling, conversatie, ambtenaar, crowd, incentives, platform en de regels. In de onderzoeksmethode wordt de manier van onderzoek beschreven. De resultaten van het onderzoek zijn onderverdeeld in twee delen. In het eerste deel worden de resultaten van het interview en de case analyse gegeven. Het tweede deel geef ik de resultaten van het gehele onderzoek. Dit zijn zowel de resultaten van het literatuur- als veldonderzoek. In de discussie en conclusie geef ik aan of de onderzoeksvraag is beantwoord, kom ik met aanbevelingen voor de praktijk en geef ik aan wat mijn model voor de wetenschap kan betekenen. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in een boek. Dit boek (10 pagina’s en 5000 keer gedrukt) beschrijft op een praktische manier wat crowdsourcen betekent en op welke manier een ambtenaar het zou kunnen inzetten. Voor lezers met minder tijd raad ik aan om de samenvatting, de resultaten deel II of het boekje en de discussie en conclusie te lezen.

9

Literatuuronderzoek
Crowdsourcen is een nieuw online distributie ‘probleemoplossings-’ en productiemodel dat al succesvol wordt gebruikt door een aantal commerciële bedrijven. Crowdsourcen gaat uit van het inzetten van de collectieve intelligentie van een groep individuen om problemen op te lossen en creatief werk te leveren voor een organisatie (voor een definitie van crowdsourcen zie de onderzoeksopzet in bijlage VI). Het is ook een veelbelovend model voor non-profit en overheidsinstellingen. Brabham (2008) geeft aan dat het model voor onder andere ‘duurzaamheid, architectuur en stedelijke planning, publieke kunsten, en inlichtingendienst ingezet kan worden”. Daarnaast verwacht hij een groei van de inzet van crowdsourcing binnen overheidsinstellingen. In de literatuur wordt onderscheid gemaakt tussen de samenleving, burger, ‘solver’ of de ‘crowd’, met deze begrippen wordt hetzelfde bedoeld. In dit onderzoek hanteer ik de term deelnemer en crowd als een persoon of groep mensen die een bijdrage leveren voor de oplossing van een probleem. De crowdsourcer is de partij met een probleem of een vraag en de crowd kan online een oplossing of antwoord voor dit probleem geven. Binnen dit onderzoek hanteer ik voor de crowdsourcer de termen van het ministerie en de ambtenaar. De Europese bevolking bestaat uit bijna 500 miljoen mensen, 56 procent gebruikt het internet regelmatig (Europese commissie 2009). Van deze internetpopulatie produceert gemiddeld één procent content, negen procent interacteert met de content en 90% consumeert de content (Jakob Nielsen, 2006). De helft van alle wijzigingen van artikelen van bijvoorbeeld Wikipedia wordt gedaan door 0,7% van zijn gebruikers, en meer dan 70% van alle artikelen is geschreven door 1.8% van de gebruikers. De Nederlandse internetpopulatie telt ongeveer 9.2 miljoen mensen (73% van de Nederlandse bevolking). Dit geeft het grote potentieel van crowdsourcen binnen Nederland aan. Binnen dit onderzoek vallen de tien procent van de Nederlandse bevolking die content produceren en interacteren onder de crowd. Technologie die de creativiteit en het collectieve intellect van individuen in de wereld inzet, is bekend onder verschillende namen: Intelligence amplification (Smith, 1994), Crowd Wisdom (Surowiecki, 2004), Innovation communities (von Hippel, 1988, 2005), en ‘collective intelligence’ (Lévy, 1995, 1997). Het concept van crowd wisdom van Surowiecki (2004) is interessant om te beschrijven omdat die in het vervolg van het onderzoek terug komt. Surowiecki stelt dat de samenvoeging van ideeën van individuen vaak kwalitatief goede resultaten oplevert. “Onder de juiste omstandigheden, is de massa (groepen mensen, een collectief of en bedrijf) uitzonderlijk intelligent, soms zelfs slimmer dan de slimste mensen binnen deze groep” (Surowiecki, 2004). Surowiecki leert ons dat een groep vaak tot een beter of gelijkwaardig antwoord komt als het beste antwoord uit deze groep. Als iedereen in een groep wordt gevraagd hoeveel een bepaald object weegt, komt het gemiddelde van alle antwoorden vaak verrassend dicht in de buurt bij het werkelijke antwoord en is dit antwoord vaak beter dan het beste antwoord uit die groep.

10

1. Vraagstelling
De aanleiding voor een ministerie om te crowdsourcen komt voort uit een probleem of vraag. Het doel van het crowdsourcen is hierbij om een verbetering van het probleem te bewerkstelligen en daarmee mogelijk de kwaliteit van het beleid te verhogen. De variabele ‘vraagstelling’ kan dus gezien worden als het begin van het crowdsourcen. Om te weten hoe deze vraagstelling gecrowdsourced kan worden, is het belangrijk het type probleem te beschrijven en de fase waarin dit probleem zich bevindt. Ik gebruik het begrip socialiteit om een verschil tussen twee verschillende manieren van crowdsourcen te beschrijven.

Tamme en Wicked problemen Rittel (1973) maakt een onderscheid tussen tamme en wicked problemen. Tamme problemen worden beschreven als goed gedefinieerde en afgebakende problemen. De oplossing kan vaak objectief worden beoordeeld als juist of onjuist. Rittel (1973) geeft aan dat een wetenschappelijke aanpak voor het confronteren van sociale beleidsproblemen per definitie niet zal werken. Deze sociale problemen zijn ‘wicked’, waarbij de wetenschap is ontstaan om om te gaan met tamme problemen. Beleidsproblemen kunnen niet expliciet worden beschreven en oplossingen voor deze sociale problemen kunnen niet per definitie goed of fout zijn. Er zijn bij wicked problemen geen oplossingen in de vorm van definitieve en objectieve antwoorden. Daarnaast kennen wicked problemen een matige formulering van de probleemstelling en worden ze geassocieerd met morele en politieke zaken. Verder zijn ze sterk contexten stakeholder-afhankelijk. In tabel 1 is het onderscheid tussen tamme en wicked problemen nogmaals beschreven. Ritchey (2005) stelt dat: “wicked problems won't keep still: they are sets of complex, interacting issues evolving in a dynamic social context”.
Rosenhead (1996) heeft criteria opgesteld hoe omgegaan kan worden met deze complexe sociale problemen. Een aantal van deze criteria is hieronder vermeld: Er zijn verschillende perspectieven nodig van waaruit naar het probleem gekeken wordt; Het doorgronden van problemen door groepsinteractie en iteraties in plaats van ‘back office calculations’; Transparantie en zichtbaarheid zijn de middelen om de probleemsituatie te beschrijven en te doorgronden; Concentreren op kansen in plaats van waarschijnlijkheden. Wicked problemen - Problemen van sociale aard die matig geformuleerd zijn - Waar er veel stakeholders zijn met conflicterende waarde afhankelijk van de ‘weltanschauung’ - Je komt nooit tot een volledige, correcte oplossing van het probleem omdat je geen objectieve criteria hebt om dit te beoordelen. - Elk probleem is in essentie uniek - Worden geassocieerd met morele en politieke zaken

Tamme problemen - Goed gedefinieerde en afgebakende problemen met een duidelijk eind - Beoordeling van de oplossing kan objectief als juist, of onjuist worden beoordeeld - Hoort tot een groep van problemen die op dezelfde manier opgelost kunnen worden - Toetsen van oplossingen kan plaats vinden op basis van trial en error

Tabel 1 – Onderscheid tamme en wicked problemen.

11

Socialiteit Deze criteria geven aan dat de wicked problemen op een andere manier benaderd moeten worden dan de tamme problemen. Wanneer de vraagstelling voldoet aan de eigenschappen van een wicked probleem, kan deze beter vanuit verschillende perspectieven, door middel van groepsinteractie en overleg van betekenisgeving doorgrond worden. Deze manier noem ik de sociale manier voor het benaderen en doorgronden van een probleem. De mate van socialiteit tijdens het crowdsourcen wordt in dit onderzoek regelmatig benoemd, daarom volgt hier eerst een definitie: ‘Socialiteit is de gewoonte om jezelf te associëren met anderen en om sociale groepen te vormen’1. De tamme problemen kunnen zowel op bovenstaande sociale manier opgelost worden als op een asociale manier. Deze asociale manier valt te vergelijken met de crowdsource initiatieven van commerciële bedrijven, waarbij een partij bijvoorbeeld een oplossing zoekt voor de opvolger van een gloeilamp. Iedere deelnemer kan afzonderlijk een bijdrage leveren die niet voor andere deelnemers zichtbaar is. Discussie is niet mogelijk en de crowdsourcende partij bepaalt uiteindelijk welke oplossing winnend is.
Hoe het sociale crowdsourcen er uit zou kunnen zien geven Bouman en Hoogboom (2008) aan. Ze maken in hun onderzoek een onderscheid tussen een informatiesysteem, kennismanagementsysteem en een sociaal software systeem (waarvan alleen de laatste twee relevant zijn voor dit onderzoek). In onderstaande alinea geef ik aan de hand van de vergelijking van een sociaal software systeem met een kennismanagementsysteem aan hoe deze sociale manier online vorm kan krijgen. Een kennismanagementsysteem heeft als doel het achterhalen van iemand zijn kennis op een bepaald moment in de tijd. Om deze kennis vervolgens beschikbaar te stellen aan iemand anders op een ander moment in de tijd. Een sociaal software system heeft daarentegen als doel om sociale relaties, associaties of netwerken te verrijken en om in het potentieel te ‘tappen’ als een bron van verbondenheid rond verschillende objecten die van belang zijn (Bouman en Hoogboom, 2008). In sociale sofware systemen, speelt informatie een rol in de vorm van een sociaal object. Informatie dient als een ‘unfolding object’ (Knor Cetina, 2001) om voor mensen sociale relaties te onderhouden en te creëren. Informatie wordt niet zoals bij een kennismanagementsysteem gezien zonder overleg van betekenisgeving. In sociaal software systemen kunnen objecten dienen als trigger voor sociale conversatie. Ze staan centraal tijdens het discussiëren over betekenisgeving en als een middel voor het creëren en onderhouden van nieuwe vormen van samenzijn.

De drie fases van de vraagstelling Een probleem dat voor het ministerie een probleem is, kan een andere interpretatie krijgen door de bril van een burger. Hierdoor kan de ambtenaar een probleem als tam ervaren dat door de burger als ‘wicked’ wordt waargenomen. Een probleem kan dan dus alleen helemaal tam zijn als iedereen dat ook als zodanig ervaart. In de praktijk zal het aantal tamme problemen dat het ministerie heeft hierdoor erg klein zijn. De verschillende fases in het beleidstraject kunnen gebruikt worden om de vraagstelling verder af te bakenen. Zoals beschreven in de opzet van dit onderzoek (Bijlage VI) zullen alleen de eerste drie fases worden gebruikt. De fases van de vraagstelling die in dit onderzoek worden gehanteerd zijn: de agendavorming, beleidsvoorbereiding en beleidsbepaling.
1. Agendavorming: In de fase van agendavorming gaat het over het definiëren van het probleem. Het kan zijn dat het probleem nog matig geformuleerd is en wellicht wordt een probleem door een burger niet als problematisch ervaren. Het doel in deze fase is om te komen tot een probleemdefinitie die beter geformuleerd en afgebakend is. Deze oriënterende fase kan ook

1

http://wordnetweb.princeton.edu/perl/webwn?s=sociality

12

gebruikt worden om informatie te verkrijgen van bestaand onderzoek en welke personen of doelgroepen in de samenleving de meeste kennis over het onderwerp zouden kunnen hebben. 2. Beleidsvoorbereiding: In deze fase van beleid is het probleem al gedefinieerd en gaat het over het zoeken naar oplossingen en oplossingsrichtingen. Indien de ambtenaar verwacht dat zijn probleem in de samenleving aanwezig is en de probleemdefinitie duidelijk is geformuleerd, kan meteen in de tweede fase worden begonnen. 3. Beleidsbepaling: De derde en binnen dit onderzoek laatste fase is de beleidsbepaling. Het gaat hier om de manier waarop de oplossing kan worden geïmplementeerd.

Conclusie en positie in model De vraagstelling dankt zijn positie bovenaan het model doordat een probleem of vraagstelling meestal de start of aanzet is tot het crowdsourcen. Ik heb hierbij een bekend onderscheid benoemd tussen wicked en tamme problemen. Crowdsourcen is een geschikte manier om de wicked problemen te doorgronden, omdat de crowd het probleem vaak vanuit verschillende perspectieven en door middel van groepsinteractie benadert. Wicked problemen dienen door middel van crowdsourcen op een manier doorgrond te worden die ik meer sociaal noem. Hierbij ga ik uit van een interactie tussen ambtenaar en de crowd tijdens het crowdsourcen.
De keuze voor een van de drie fases van de vraagstelling kan helpen een probleem beter gedefinieerd te krijgen en voorkomen dat er een verschil ontstaat in de interpretatie van een probleem. In het model staan rechts van de vraagstelling deze drie verschillende fases benoemd. Deze fases zijn de agendavorming, beleidsvoorbereiding en beleidsbepaling.

Figuur 2 - Positie van de vraagstelling in het model

13

2. Conversatie
In dit deel beschrijf ik welke verwachtingen mensen kunnen hebben van elkaar tijdens de sociale en asociale manier van crowdsourcen. Ik geef aan op welke manier te verwachten is dat mensen bepaalde gedragingen vertonen, hoe ze met elkaar omgaan en wat de verwachtingen zijn die mensen van elkaar hebben. Het is interessant om te weten wat de verwachtingen zijn van mogelijke deelnemers, omdat het de ambtenaar kan helpen bij het effectief inrichten van het crowdsourcen.

Sociale acties Volgens Fiske (1996) komen alle sociale (inter)acties voort uit een of meer van de vier vormen van socialiteit, zijnde: ‘communal sharing’,’authority ranking’, ‘equality matching’ of ‘market pricing’. Deze vier vormen gebruik ik om te beschrijven hoe mensen omgaan met elkaar en welke verwachtingen ze ten opzichte van elkaar hebben. Deze vormen zijn verder van betekenis voor de intenties, plannen en verwachtingen die deelnemers (onder andere tijdens het crowdsourcen) kunnen hebben en voor hun sociale motivatie en emoties (Bouman en Hoogboom 2008). Analyse van deze relaties en operaties suggereert dat deze vier modellen van toepassing zijn wanneer mensen ‘dingen’ overdragen (Fiske 1996). Deze vormen komen naar voren tijdens groepsbeslissingen en sociale invloeden. Mensen gebruiken dezelfde vier vormen om werkzaamheden te organiseren en om objecten, land en tijd van enige sociale betekenis te voorzien. De vier verschillende vormen worden hieronder beschreven:
1. Communal sharing relaties worden gebaseerd op een verbonden groep van mensen die elkaar als gelijkwaardig zien en behandelen. Fiske stelt: ‘. In this kind of relationship, the members of a group or dyad treat each other as all the same’. 2. Authority ranking relaties zijn gebaseerd op een model dat mensen lineair ordent langs een hiërarchische sociale dimensie. De sociale factor wordt beïnvloed doordat mensen boven of onder elkaar op deze hiërarchische ordering staan. Mensen met hoger ordering hebben status, aanzien en exclusief recht dat de mensen onder hen ontberen. 3. Equality matching relaties zijn gebaseerd op een model van balans en om de beurt correspondentie of actie. Mensen zijn voornamelijk bezorgd om gelijkheid binnen een EM relatie. De verwachting is dat elke persoon gerechtigd is om hetzelfde te doen als de andere persoon in de relatie. Collega’s baseren vaak sociale gedragingen aan de hand van dit model. 4. Market pricing relaties zijn gebaseerd op een model van vergoeding. In dit type relatie worden gedragingen afgeleid aan de hand van een vergelijking van diverse kwalitatieve en kwantitatieve waardes. Geld is een vaak voorkomend medium binnen een market pricing relatie. Door de vier vormen van socialiteit van Fiske (1996) te koppelen aan de twee eerdere beschreven vormen van crowdsourcen (sociaal en asociaal), probeer ik aan te geven hoe mensen met elkaar omgaan en welke verwachtingen ze van elkaar hebben tijdens het crowdsourcen. De asociale manier heeft meer overeenkomsten met ‘market pricing’ en ‘authority ranking’. De ambtenaar stelt de vraag en de burger levert met zijn kennis een bijdrage aan de oplossing van het probleem. Daarvoor kan de burger geld of andere (im)materiële beloningen ontvangen. Het kan daarbij voorkomen dat antwoorden worden verkregen zonder overleg van betekenisgeving en discussie (Huizing en Bouman, 2002; Bouman en Hoogenboom 2008; Wenger, 1998; Choo, 1998). De sociale manier heeft meer overeenkomsten met ‘communal sharing’ en ‘equality matching’. Deze gaan namelijk uit van een interactie tussen ambtenaar (cq. LNV) en burger. Sturing vindt plaats op basis van gelijkwaardigheid tussen ambtenaar en burger en er wordt een algemeen goed nagestreefd. Ondanks deze gelijkwaardigheid zijn het vaak de ambtenaar en zijn ministerie die een keuze moeten maken over de te integreren oplossing. Brabham (2008) maakt hierbij onderscheid tussen de voorkant en achterkant van

14

het oplossen van een probleem. Bij het maken van een keuze door de ambtenaar spreekt Brabham van een hiërarchisch format. Het combineren van dit format met de ‘horizontale netwerkcapaciteiten’ van het crowdsource platform is volgens Brabham (2008) belangrijk voor het succes. Hij stelt dat crowdsourcing kan worden ingezet aan de voorkant van een probleemoplossing, waar het de horizontale, open creatieve processen ondersteunt en waar de ambtenaar in contact staat en interacteert met de crowd. Tevens kan crowdsourcing worden ingezet aan de achterkant van probleemoplossing, als een hiërarchisch gecontroleerd proces waar de keuze voor de beste oplossing wordt gemaakt. Mogelijkheden zijn er wel om de burgers elkaars bijdragen te laten beoordelen om zo de ambtenaar te helpen in zijn beslissing. (zoals eerder beschreven stelt Orliwoski dat de crowd vaak in staat is om collectief tot een betere beslissing te komen dan individuen). Er kan dan ook gekeken worden of er draagvlak voor een bepaalde oplossing is. Echter geven dergelijke mogelijkheden wellicht een beeld van een democratisch proces en schept dit ongeloof wanneer niet de oplossing met de meeste stemmen wordt gekozen. Rossiter (2006 via Brabham, 2008) stelt dat de inzet van crowdsourcing door overheidsinstellingen niet gezien moet worden als een representatieve procedure maar als een relationeel proces. ‘De omarming van een netwerkrealiteit en een focus op relationele processen is noodzakelijk voor probleemoplossing’ (Masum en Tovey, 2006; Ignatius, 2001).

Conclusie en positie in het model Onder de vraagstelling heb ik de conversatie geplaatst. De conversatie geeft aan hoe de crowd een bijdrage kan leveren en op welke manier interactie tussen ambtenaar en crowd kan plaatsvinden. In onderstaande tabel is voor de sociale en niet sociale vorm van crowdsourcen aangegeven welke vorm van socialiteit (Fiske, 1996) het meest van toepassing is. Daaronder geef ik een overzicht van de verwachtingen die deelnemers tijdens het crowdsourcen kunnen hebben.
Sociaal Asociaal Comunal sharing x Autohority ranking x Equality matching x Market pricing x

Tabel 2 – Manieren van crowdsourcen voor vormen van socialiteit.

-

Sociale manier Mensen zullen elkaar als gelijkwaardig behandelen en ze zullen ook zo behandeld willen worden; Er is een wederzijdse verwachting van de ambtenaar en de crowd wat betreft het bijdragen en reacties achterlaten. Dit betekent dat reacties tussen crowd en ambtenaar een bepaald patroon hebben (om de beurt). Asociale manier De ambtenaar reguleert het geheel en de relaties die mensen met elkaar hebben zijn niet belangrijk; Deelnemers zullen vaak alleen meedoen wanneer hier een vergoeding tegenover staat.

-

15

3. Ambtenaar
Bij de sociale vorm van crowdsourcen is er interactie tussen ambtenaar en crowd nodig om onder andere het probleem te definiëren. Er moet hier sprake zijn van een interactie op basis van gelijkheid omdat de crowd (in de meeste gevallen) op basis van vrijwilligheid een bijdrage levert. De ambtenaar heeft immers de hulp nodig van de burgers waarmee hij in deze fase samenwerkt. Zoals eerder beschreven bij de criteria van Rosenhead (1996) om wicked problemen te doorgronden zijn transparantie en zichtbaarheid van de ambtenaar belangrijk om de probleemsituatie te beschrijven. Het Interactionisme beschrijft dat het handelen wordt bepaald door de interpretaties die mensen aan elkaars handelen geven. Niet enkel de interacties maar ook de betekenissen die worden uitgewisseld tussen ambtenaar en crowd zijn hierbij van belang. De verwachting die de crowd kan hebben over het handelen van de ambtenaar tijdens het sociaal crowdsourcen, is anders dan de algemene verwachting die de samenleving heeft. In hun boek geven Huppe et al (2007) aan dat ‘steeds meer wordt geaccepteerd dat de ambtenaar een bepaald referentiekader bezit dat zijn handelen beïnvloedt en dat daarnaast de ambtenaar niet alleen met het staatsapparaat te maken heeft, maar ook met de maatschappij’. Tijdens het sociale crowdsourcen is overleg van betekenisgeving tussen ambtenaar en crowd noodzakelijk. Deze betekenissen worden door de ambtenaar voortdurend verklaard in een proces dat enerzijds bestaat uit de communicatie met zichzelf en anderzijds uit de afleiding van de maatschappelijke verwachting betreffende de rol van de ambtenaar. Dit proces van ‘inner talk’ tussen de i en de me dient als leidraad tot het menselijk handelen en wordt ‘de self’ genoemd. De ‘self’ (ook wel de social self) voldoet aan de waarden en normen van de samenleving. De self is de zelfcommunicatie tussen de ‘I’ (de persoonlijke identiteit) en de ‘Me’ (de maatschappelijke identiteit). Deze ‘Me’ wordt dus gevormd door de waarden en normen die men in de samenleving (de ‘generalized other’) aan de ambtenaar koppelt (Mead, 1943). Omdat tijdens het crowdsourcen de verwachtingen over de manier van werken van de ambtenaar (de maatschappelijke identiteit) verandert, zou deze ‘self’ ook een verandering moeten ondergaan (Cronk, 2005). Het handelen van de ambtenaar komt immers deels voort uit deze, nu veranderende maatschappelijke identiteit. Deze verandering, zo stelt Mead is ontwikkeld in de samenleving, waarbij de samenleving weer opnieuw wordt veranderd door de individuen uit deze samenleving. Deze veranderende rol van de ambtenaar betekent niet dat de ‘andere’ traditionele rol niet meer bestaat. Mead (1934), stelt dat mensen verschillende rollen kunnen aannemen afhankelijk van de verwachtingen die voortkomen uit de samenleving. Ondanks dat ambtenaren meerdere rollen kunnen hebben, betekent dit niet dat elke ambtenaar elke rol kan aanmenen. Het is de ‘I’ (het spontane, onvoorspelbare deel van de ‘self’) dat bepaalt of de ambtenaar daadwerkelijk deze andere rol kan vervullen.

Conclusie en positie in model In dit deel heb ik beschreven dat de rol van de ambtenaar aan verandering onderhevig is. Het geeft aan dat niet elke ambtenaar deze verandering kan doormaken en dat de traditionele rol van de ambtenaar (voorlopig) blijft bestaan. De ambtenaar staat rechts in het model waar hij invloed heeft op de keuzes wat betreft de fase van de vraagstelling. De conversatie, links naast de ambtenaar, geeft aan op welke manier de ambtenaar en de crowd de interactie aangaan.

Figuur 3 – Positie van conversatie en ambtenaar in het model

16

4. Incentives
Crowdsourcen is mogelijk omdat deelnemers hun (vrije) tijd besteden aan het oplossen en doorgronden van vraagstukken. Deze deelnemers zijn geen werknemers, daarom is het niet mogelijk om eisen te stellen en op werkgeversrelaties en contracten te vertrouwen om controle uit te oefenen. De afleiding en uitdagingen voor burgers op het web is groot. Het is lastig om mensen aan te trekken en deel te laten uitmaken van je pool van creatief intellect. Het is belangrijk om deelnemers waarde te bieden elke keer dat ze een bezoek brengen (Antikainen, 2007). Hierdoor moet er achterhaald worden wat deelnemers motiveert om een crowdsource site te bezoeken en waarom ze een bijdrage zouden leveren. Het achterhalen van deze motivaties zou inzicht kunnen geven in hoe acties en gedragingen gestuurd en beïnvloed kunnen worden. Er is weinig onderzoek gevonden wat de motivaties van mensen beschrijft om deel te nemen aan het crowdsourcen. Daarom heb ik de literatuur rond de motivaties om deel te nemen aan Open Source Software (OSS) ontwikkeling uitvoerig bestudeerd. De motivaties voor het crowdsourcen en OSS ontwikkeling gaan uit van de vaak vrijwillige inzet van deelnemers en daarom verwacht ik dat de motivaties om deel te nemen bij open source software ontwikkeling grotendeels gelijk zijn aan die tijdens het crowdsourcen.

Motivatie open source software ontwikkeling In de organisatorische en sociale psychologie zijn motivaties van individuen om ergens vrijwillig aan deel te nemen vaak verschillend, maar leiden motivaties, gecombineerd met de kennis en vaardigheden van individuen, tot acties en gedragingen. Het is belangrijk om motivatie te onderscheiden van gedrag, zo stellen Micthell en Daniels (2003). Motivatie is een psychologische staat, het resultaat daarvan is gedrag. Motivatie bepaalt de mate van inzet en de mate van doorzetting wanneer zich problemen voordoen. Motivatie heeft een belangrijke invloed op prestaties en het doorzettingsvermogen van individuen tijdens het crowdsourcen (Roberts et al., 2006). Door de burgers tijdens het crowdsourcen te belonen kan de motivatie om bij te dragen worden verhoogd. Een beloning kan aan een individu of een groep worden gegeven en een beloning kan materieel of immaterieel zijn. De literatuur over menselijke motivatie maakt hier het onderscheid tussen de motivaties die 1) intrinsiek (een activiteit die alleen wordt uitgevoerd voor eigen waarde) en degene die 2) excentriek zijn (degene die direct of indirect beloning opleveren voor het uitvoeren van de taak) (Hars en Ou, 2001; Osteloh, 2002; Lakhani en Wolf, 2003). Intrinsieke motivatie Intrinsieke motivaties worden gedefinieerd als het uitvoeren van een activiteit voor inherente voldoening. Wanneer iemand intrinsiek is gemotiveerd, voert hij een actie uit voor het plezier of de uitdaging in plaats van fysieke beloningen (Ryan and Deci, 2000). Volgens Deci en Ryan (1987 via Roberts et al., 2006) zijn de menselijke intrinsieke motivaties verbonden aan de emoties van interesse en genoegdoening. Plezier hebben tijdens het uitvoeren van een activiteit is de basis van intrinsieke motivaties. Csikszentmihalyi (1975) stelde dat er een moment is wanneer plezier, en vaak ook resultaat, optimaal zijn wanneer de kwalificaties van een persoon overeenkomen met het probleem dat opgelost moet worden. Naast de intrinsieke motivaties gebaseerd op plezier zijn er ook motivaties gebaseerd op toezeggingen aan en verbondenheid met een communitie. Deze motivaties vormen zich door een ‘generalized reciprocity’, of: het wederzijds delen en geven en een duidelijk gevoel van identificatie met de (OSS) communitie (Rossie 2004). Een andere intrinsieke motivatie is altruïsme. Hierbij staat onbaatzuchtigheid en het welzijn van anderen centraal. Intrinsieke motivaties:
Plezier Identificatie met communitie Altruïsme

17

Empirisch onderzoek Van Hertel et al. (2003) geven in een onderzoek aan dat de identificatie met de Linux communitie de sterkste invloed heeft op de betrokkenheid van deelnemers. Hars and Ou (2001) noemen het gevoel iets bereikt te hebben, plezier en effectiviteit een belangrijke motivatie. In een onderzoek van Lakani en Wolf (2003) komen op plezier gebaseerde intrinsieke motivaties naar voren als sterkste motivaties. Ze noemen dit: ‘het gevoel van creativiteit en intellectuele stimulatie die ervaren wordt wanneer er aan het project wordt gewerkt’. Motivaties van altruïstische aard worden ook relevant geacht, alleen minder dan de eerder genoemde motivaties. Excentrieke motivatie Economen hebben het meest bijgedragen aan het achterhalen van hoe excentrieke motivaties menselijk gedrag beïnvloeden. Het economische model van menselijk gedrag is gebaseerd op incentives die ingezet worden. Mensen veranderen hun gedrag en acties omdat ze worden overgehaald door een externe factor. Lerne en Tirole (2002) geven in hun onderzoek een overzicht van kosten en verdienste om te proberen te verklaren waarom programmeurs ervoor kiezen om bij te dragen in een Open Source software project. Ze stellen dat zo lang de verdiensten de kosten overstijgen het waarschijnlijk is dat de programmeur een bijdrage blijft leveren. Ze stellen: “a programmer participates in a project, whether commercial or OSS, only if she derives a net benefit from engaging in the activity. The net benefit is equal to the immediate payoff (current benefits minus current costs) plus the delayed payoff (delayed benefits minus delayed costs)”. Ik maak hier onderscheid tussen twee vormen van excentrieke motivaties, de objectieve en subjectieve. De excentriek objectieve motivaties zijn de tastbare beloningen die mensen aanzetten om deel te nemen, dit zijn:
Credit in de vorm van punten om bepaalde producten te kopen; Een financiële compensatie voor het geleverde werk; Producten en diensten van het bedrijf of andere bedrijven.

De andere sterke drijver die waarde levert voor de deelnemers is de excentriek subjectieve motivatie. Deze bronnen van waarde zijn niet intrinsiek maar kunnen niet als puur excentriek gedefinieerd worden omdat hun waarde niet objectief vast te stellen is. Deze vormen van excentrieke motivaties noem ik excentrieke subjectieve motivaties (Vittamaki, 2008). (Deci en Ryan, 1987 noemen deze motivaties ‘internalized’ of ‘externalized’ excentrieke motivaties). Voorbeelden van excentrieke subjectieve incentives: Persoonlijke gebruikersbehoefte; Statusverhogend en nieuwe carrièremogelijkheden; Leren door te doen.

Empirisch onderzoek In empirische onderzoeken zijn deze beide excentrieke incentives getoetst. Uit het onderzoek van Lakhani en Wolf (2003) en Gosh et al. (2002) blijkt dat voor de vrijwilligers de persoonlijke behoefte aan de software een van de belangrijkste redenen tot contributie was. Lakhani en von Hippel (2003) noemen de mogelijkheid om te leren een belangrijke motivatie tijdens het helpen van anderen of programmeren van code. Leren en verbetering van persoonlijke prestaties wordt in een groot aantal andere onderzoeken ook als belangrijk gezien (Gosh et al. 2001; Hars en Ou, 2001; Hertel et al. 2003; Lakhani en Wolf, 2001). Overheidsspecifieke motivaties en Wikipedia Ook in een rapport van TNO worden grotendeels dezelfde motivaties benoemd. In het rapport wordt vermeld dat de OECD (2007, via Frissen et al., 2008) het motief van burgers om deel te nemen in een web 18

2.0 omgeving als volgt beschrijft. “Most user-created content activity is undertaken with no expectation of remuneration or profit. Motivating factors include connecting with peers, self-expression, and achieving a certain level of fame, notoriety or prestige.” Ook worden meer overheidsspecifieke voorbeelden gegeven als het opkomen voor eigen belang of dat van anderen, door een bepaald normbesef of doordat participatie aansluit op de expertise van een persoon. Onderstaand een overzicht van deze overheidsspecifieke motivaties (overgenomen van Frissen et al., 2008): Stem of mening kwijt willen, debatteren, van gedachten wisselen over verschillende onderwerpen; Politieke communicatie: burger wil contact met bestuurders en politici De burgers willen over iets kunnen kiezen, oordelen; Misstand of onrecht aan de kaak stellen in het publieke domein; Het monitoren, of het kunnen volgen van uitvoering van beleid; Burgers willen een probleem oplossen of autoriteiten helpen bij het oplossen van een probleem;

Naast de inzet van softwareontwikkelaars bij open source software projecten is ook Wikipedia afhankelijk van mensen die tijd en inzet bieden zonder daarvoor een financiële compensatie te ontvangen. Het achterhalen en beschrijven van wat de bijdragers van Wikipedia motiveert is van belang om andere collaboratieve user gegenereerde initiatieven, zoals crowdsourcen, te begrijpen en te verbeteren. Clary et al. (1998) komen met een aantal verschillende vrijwillige motivatiecategorieën: Waarde: vrijwillig bijdragen geeft mensen een mogelijkheid om hun altruïstische en menselijke waarde te uiten. Sociale: vrijwilligers kunnen door bij te dragen in contact komen met vrienden of door deel te nemen in activiteiten die door anderen als belangrijk worden gezien. begrip: individuen krijgen de mogelijkheid om te leren en om bestaande kennis en vaardigheden te testen en toetsen. carrière: vrijwilligers kunnen werkgerelateerde voordelen krijgen. Het verkrijgen van een nieuwe baan of het onderhouden van relevante kennis voor een baan zijn twee mogelijke voordelen. Ontwikkeling: als vrijwilliger kan je jezelf uitdragen, publiekelijk kenbaar maken van de kennis van de vrijwilliger, het dient de ego.

Nov (2007) heeft onderzocht welke van deze en 2 andere motivaties (plezier en ideologie) worden geassocieerd met een hoge of lage mate van contributie bij Wikipedia. De motivaties die als belangrijk worden geacht waren plezier, ideologie en waarde, waarbij ‘sociaal’, en ‘carrière’ geen sterke motivaties voor bijdragen waren. Daarnaast was de motivatie ‘plezier’ en de motivatie ‘waarde’ een categorie waarbij er bij beide een hoge ranking van de motivatie en een sterke significante correlatie tussen mate van motivatie en contributie werd gevonden.

Communities Twee categorieën van motivatie voor participatie zijn reeds beschreven, de excentrieke en intrinsieke motivaties. In de literatuur wordt communitie-interesse ook genoemd als een reden om bij te dragen. In een onderzoek van McLure Wasko en Faraj (2000) beschrijven ze een manier van kennisuitwisseling waarbij mensen meer gemotiveerd zijn in het delen van kennis. Deze verschillende manieren komen overeen met het eerder beschreven onderscheid tussen kennis- en social softwaresysteem van Bouman en Hoogenboom(2008). Hoewel het binnen het onderzoek van McLure Wasko en Faraj (2000) gaat over de kennisuitwisseling binnen bedrijven is het ook interessant voor dit onderzoek, omdat het een sterke focus heeft op waarom mensen bijdragen en deelnemen in een communitie.

19

Kennis als object Verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat werknemers vaak weigeren om kennis te delen met de rest van de organisatie (Ciborra and Patriota, 1998). Bij deze weigering van kennisdeling wordt kennis vaak gezien als een object dat onafhankelijk bestaat van menselijke actie. Kennis is hierbij voornamelijk een privaat goed. Wanneer kennis wordt gezien als een object gaat men er van uit dat de organisatie eigenaar is in plaats van een werknemer. De aanname van dit kennisperspectief is dat mensen kennis uitwisselen binnen de organisatie om dezelfde reden als dat ze andere werkzaamheden uitvoeren binnen het bedrijf. Dit betekent dat mensen deze kennis zullen delen voor dezelfde incentives (betalingen, promoties en reputatie) als bij normale werkgerelateerde taken (McLure Wasko en Faraj 2000). Daarnaast leidt een betere beschikbaarheid van kennis niet per definitie tot de creatie van nieuwe kennis. Dit is belangrijk omdat in veel gevallen mensen vaak informatie zoeken die gemakkelijk beschikbaar is (zoals het vragen van je collega’s) in plaats van het zoeken naar de beste informatie (O'Reilly, 1982). Kennis in de hoofden van mensen In een tweede perspectief wordt kennis beschreven als onafscheidelijk van mensen waarbij kennis wordt gedefinieerd als: “that which is known” (Grant 1996). Omdat in dit perspectief kennis wordt gezien als lastig te codificeren en er wordt verondersteld dat de waarde van kennis verloren gaat wanneer het gecodificeerd wordt, is het doel in dit perspectief om de experts te verbinden met de kenniszoekers. De organisatie is niet eigenaar van de kennis, maar de kennis bevindt zich in de hoofden van de individuen als een ‘asset’. Organisaties moeten zien dat individuen controle hebben over persoonlijke kennis en dat ze vrij zijn om te bepalen wat ze er mee doen. Onderzoek toont aan dat wanneer individuen de perceptie hebben eigenaar te zijn van de kennis dat het waarschijnlijker is dat mensen hun kennis ‘inwisselen voor niet-tastbare returns, zoals reputatie, status, zelfrespect en verbondenheid (Jarvenpaa and Staples, 2000 Blau, 1964, via McLure Wasko en Faraj 2000). Dit kennisperspectief gaat ervan uit dat kennisuitwisseling wordt gemotiveerd door zelfinteresse, echter zonder tastbare beloningen. Kennis als communitie Bij een derde perspectief wordt kennis gezien als ingebed in een communitie. Binnen dit perspectief is kennis een publiek goed dat sociaal wordt gegenereerd, onderhouden en uitgewisseld binnen een communitie of practice (Wenger and Snyder, 2000) definiëren communities of practice als groepen mensen die informeel met elkaar verbonden zijn) (Brown and Duguid, 1991; Lave and Wenger, 1991, Wenger 1998). Wanneer kennis als publiek goed wordt gezien, zijn mensen meer gemotiveerd om kennis te delen met anderen dankzij een gevoel van morele verplichtingen in plaats van een wederzijdse verwachting van oplevering. Organisaties die geïnteresseerd zijn in het verbeteren van de kennisuitwisseling zouden zich meer op dit derde (communitie) perspectief moeten richten (McLure Wasko en Faraj 2000). Binnen dit perspectief wordt kennis gedefinieerd als ‘the social practice of knowing’ (Schultze, 1999) en wordt de nadruk gelegd op leren, weten en innoveren als vormen van menselijke activiteit en handelen.
Kennis wordt het best begrepen binnen de context van zijn communitie en er wordt een eigen taal ontwikkeld en gedeelde ervaringen gedeeld (Boland en Tenkasi, 1995). De lerenden verkrijgen of construeren geen objectieve of individuele kennis, ze leren te functioneren in een communitie. Het communitie kennisperspectief gaat ervan uit dat kennis sterk contextafhankelijk is (Wenger, 1998). Organisationele kennis wordt gezien als routine in plaats van kennis in de hoofden van individuen. De beste manier om gebruik te maken van de kennis is door discussie te bevorderen en gezamenlijke toezegging, verbintenis en uitwisseling tussen deelnemers van een communitie of practice te bevorderen. Voorbeelden van dergelijke systemen in organisationele situatie zijn: samenwerkingtechnieken zoals, discussie groepen, chat mogelijkheden (McLure Wasko en Faraj 2000) en social software (Bouman en

20

Hoogenboom, 2008). Kennisuitwisseling wordt mogelijk gemaakt door mechanisme die ondersteuning bieden aan het posten en antwoord geven op vragen, het delen van verhalen van persoonlijke ervaring en discussiëren en debatteren rond zaken die relevant zijn binnen de communitie. Binnen het communitieperspectief is de motivatie voor kennis uitwisseling niet gebaseerd op zelf interesse maar voor de zorg van de communitie (von Krogh, 1998). In tabel 3 is een overzicht gegeven van de 3 verschillende kennisperspectieven. Daarbij is een verbinding gelegd met de incentives uit dit hoofdstuk.
(niet- sociaal) Kennis als object Kennis is: ‘justifid true belive’ Ministerie, organisatie Mensen delen kennis om dezelfde reden als tijdens normaal werk Opslaan en beschikbaar maken van kennis. Nieuwe kennis creatie vindt plaats door vergroten van de toegang tot de kennis Excentrieke: Betalingen, promoties, reputaties motivatie komt voort uit zelfinteresse Kennis in de hoofden van mensen Kennis is: ‘that which is known’ Individu Individuelen zijn vrij om kennis te delen, individuen zijn eigenaar van de kennis Identificatie van experts en interactie met kennis zoekende voor de uitwisseling van de tacit kennis. Reputaties, status en toezegging motivatie komt voort uit zelfinteresse (sociaal) Kennis als communitie Kennis: ‘Social practice of knowing’, publiek goed en social geconstrueerd Communitie Kennis delen op basis van een gevoel van morele verplichting Kennis wordt gevormd in de context van en door deelname in een communitie.

Definitie van kennis

Eigenaar van kennis Waarom kennis delen

Aannames en design overwegingen

Stimulatie van kennisuitwisseling door:

Een dienst voor een dienst, leren, toegang tot communitie Posten en antwoord geven op vragen, het delen van verhalen van persoonlijke interesse en ervaringen en discussiëren en debatteren binnen communitie. Intrinsiek

Type incentive

Excentriek objectief

Excentriek subjectief

Tabel 3 – Verbinding kennisperspectieven met incentives

21

5. Crowd
In het hele literatuuronderzoek wordt bij elke variabele de crowd indirect beschreven. In dit deel maak ik verder onderscheid in de verschillende groepen bij het crowdsourcen. Mensen hebben verschillende niveaus van vaardigheden en kennis en kunnen bijdragen in overeenstemming met hun relevante potentieel. Elke bijdrage, een originele creatie of een rating van een idee, is belangrijk om het volledige potentieel van een crowdsource project te benutten. Vittamaki (2007) geeft vier verschillende groepen van participatie aan, hij maakt geen onderscheid in deze groepen omdat ze alle op hun eigen manier van belang zijn tijdens het crowdsourcen, deze groepen zijn: Makers komen met de originele ideeën, oplossingen en content. Ze worden in nature gedreven door excentrieke motivaties, zoals bekendheid, ‘peer recognition’ en tastbare beloningen, maar ook belangrijk zijn de uitdaging en altruïstische motivaties. De makers strijden uiteindelijk om wie de winnende oplossing levert. Critici hechten veel waarde aan het becommentariëren en bekritiseren van ideeën die, volgens eigen perceptie, binnen hun gebied van expertise vallen. Ze worden niet direct als experts gezien, maar zouden dat wel willen zijn. Ze worden gedreven door de mogelijkheid tot herkenning en macht die verkregen kan worden door te participeren in de conversatie en niet direct in expliciete tastbare beloningen. Connectoren zijn verbonden en communiceren met een groot aantal mensen (Gladwell, 2007). Ze zijn betrokken bij de conversatie door middel van het delen van informatie, echter in tegenstelling tot de criticus zijn het niet eigen ideeën of meningen die worden verspreid maar verbinden ze mensen en informatie met elkaar. Crowds is de grote groep mensen die niet de tijd of moeite wilt nemen om lange tijd te besteden aan het oplossen van een probleem. Sommige mensen doen niet meer dan het geven van een stem. De crowds is wel essentieel in het categoriseren en het geven van betekenis over verschillende ideeën. Ook wanneer de deelnemers de mogelijkheid krijgen tot zelfregulatie en het stemmen op andere ideeën is er, vanwege de grootte van deze groep, een belangrijke rol weggelegd voor de crowds.

-

-

-

Buiten deze groepen bevindt zich de overige 90% (zoals reeds besproken in de introductie) van de internetpopulatie. Deze 90% participeert en produceert niet maar consumeert alleen. De afbeelding rechts geeft aan hoe de verschillende groepen met elkaar verbonden zijn (Vittamaki, 2008):

Figuur 4 - Relatie tussen verschillende deelnemers van een crowd

22

Conclusie en positie in model De Incentives staat aan de linkerkant van het model, onder de crowd. Het geeft antwoord op de vraag waarom de crowd gemotiveerd wordt en waarom ze zouden bijdragen. Motivaties kunnen voor deelnemers verschillend zijn, maar motivaties leiden, gecombineerd met de kennis en vaardigheden van individuen, tot acties en gedragingen.
Ik heb vier vormen van motivatie geïdentificeerd. Intrinsieke, excentrieke subjectieve en excentrieke objectieve motivaties en communitie-interesse. Het blijkt dat bij een tamme vraagstelling mensen om dezelfde reden kennis delen als dat ze andere werkzaamheden uitvoeren binnen het bedrijf. Dit betekent dat een crowdsource initiatief dat is vormgegeven op een niet sociale manier, vormen van excentrieke objectieve incentives moet inzetten om de deelnemers gemotiveerd te krijgen. Bij de sociale manier van crowdsourcen kunnen het best incentives ingezet worden die discussie en gezamenlijke toezegging, verbintenis en uitwisseling tussen deelnemers van een communitie bevorderen. Dit zijn de excentrieke subjectieve en intrinsieke incentives.

Figuur 5 - Positie van crowd en incentives in het model

23

6. Regels
Crowdsourcen wordt in commerciële zin vaak ingezet als een platform waarbij het crowdsourcende bedrijf de crowd als werknemers beschouwt. Het crowdsourcen gaat dan vaak over het verbinden van mensen en informatie om problemen op te lossen (Bouman et al 2007). Bestaande bekende crowdsource initiatieven, zoals innocentive2, redesinme3 en threadless4, beschouwen de crowd als een pool van potentiële werknemers. Deze bedrijven hebben de mogelijkheid om werknemers te ontslaan die de crowdsource operaties tegenwerken, om zo de belangen van het bedrijf te beschermen (Brabham, 2008). ‘For-profit’ crowdsource ondernemingen kunnen dus mensen ontslaan in de vorm van het blokkeren van accounts of het censureren van spraak binnen de grenzen van de website. In deze gevallen zien de crowdsourcers zichzelf als de wetmatig eigenaren en controleurs van de producten, de arbeid en de expressies van de crowd (Brabham, 2008). Voor het crowdsourcen van vragen en problemen van de overheid worden vaak publieke fondsen gebruikt. Volgens Brabham (2008) is de samenleving in theorie eigenaar en controleert deze het crowdsourcing proces en de producten en ideeën die hieruit voortkomen, dit blijkt onder andere uit de volgende zin: “government crowdsoucing is a process of simultaneously contributing to and leveraging the commons”. Om enige vorm van controle uit te kunnen oefenen is het interessant om regels op te stellen. Duidelijke expliciete en gedeelde regels kunnen een middel zijn om een ervaring te leveren die productief, leuk, veilig en duidelijk te begrijpen is voor alle betrokkenen (Vittamaki, 2008).

Censuur en zelfregulatie Noveck (2003) zet zich af tegen elke vorm van censuur. Het zijn de gebruikers die elkaar zouden moeten aanspreken op onwenselijk gedrag (Dutton, 1996). Dit kan alleen wanneer deelnemers van een communitie met elkaar in discussie gaan. Hiermee zijn waarde en identiteit van belang en het anoniem bijdragen is volgens Noveck dan ook niet wenselijk. Vittamaki (2007) geeft aan dat het voor overheidsinstellingen beter is om basisgebruik van een crowdsource platform open te stellen. Mensen krijgen zo de gelegenheid om de vraagstelling of discussie te bekijken en kunnen op deze manier gemotiveerd worden om een bijdrage te leveren. Registratie zou dan alleen nodig zijn als meer geavanceerde functies, zoals het meedoen in de discussie, gebruikt gaan worden. Deelnemers moeten zich gemakkelijk en snel kunnen registreren en incentives kunnen vervolgens ingezet worden om deelnemers te motiveren het profiel compleet te maken.
Vooraf moet bekend zijn welke maatregelen ingezet kunnen worden om te bepalen wat ongewenst gedrag is (zie hiervoor paragaaf ‘crowdslapping’) en hoe hiermee om te gaan. Vittamaki (2007) stelt dat het echter belangrijk is te weten dat het verwijderen van commentaar zeer waarschijnlijk tot kritiek vanuit de communitie zal leiden en dat dit binnen sociale media ‘not done’ is. Brabham (2008) geeft aan dat de overheid niet zou moeten ingrijpen op kritiek van de burger en dat de zelfcontrole en registratie door deelnemers mogelijke maatregelen zijn om crowdsourcen te reguleren. Noveck (2003) geeft tenslotte aan dat crowdsourcen voor iedereen toegankelijk zou moeten zijn en dat het deelnemers van alle rangen en standen zou moeten aanmoedigen om bij te dragen. Regels over de manier en beperkingen van de input zijn ook belangrijk, maar sterk afhankelijk van de vraagstelling. Het format van de oplossing kan tekstueel zijn, maar ook andere vormen zijn mogelijk. Er kan een template beschikbaar worden gesteld waarlangs de oplossing moet worden ontworpen. Daarnaast moeten duidelijk de deadline, acceptatie en evaluatiecriteria worden gecommuniceerd. Onderzoek toont aan dat wanneer deelnemers in discussie gaan het aantal en de kwaliteit van
2 3

http://www.innocentive.com/ http://www.redesignme.com 4 http://www.threadless.com/

24

crowdsourcen wordt verhoogd (Vittamaki, 2007). In de communicatie naar de deelnemers moet gecommuniceerd worden dat het crowdsourcen geen representatief proces is. In de meeste gevallen maakt de ambtenaar of de minister de uiteindelijke keuze. Deze keuze moet wel onderbouwd en teruggekoppeld worden, via het platform naar de deelnemers (Lessig, 2004).

Regels inzet social software Veel verschillende regels zijn in de loop der tijd opgesteld voor het inzetten van sociale software op het internet. Hoewel crowdsourcen niet direct als social software gezien hoeft te worden, kunnen deze regels wel interessant zijn voor de crowdsource praktijk. Met name voor de sociale manier van het crowdsourcen. Hinchcliffe (2007) geeft een aantal regels waarvan de volgende twee interessant zijn voor het crowdsourcen:
Deelnemers in sociale media zijn mensen, geen organisaties. Vanuit de derde persoon spreken werkt ontmoedigend; Eerlijkheid en transparantie zijn kernwaarden. Pogingen om het geheel te controleren of om manipulatie uit te oefenen worden sterk afgeraden.

Ook Tapscott en Williams (2006) geven in hun boek Wikinomics regels en aandachtspunten om te werken met communities. Enkele van deze regels heb ik gedeeltelijk aangepast ze toepasbaar te maken voor het crowdsourcen binnen de overheidssector. Deze regels zijn: Zorg ervoor dat deelnemers elkaars werken kunnen beoordelen (peer review); Het moet mogelijk zijn om in te grijpen als van de regels wordt afgeweken; Een langetermijnplanning is nodig om mensen en activiteiten te focussen; Niet hiërarchie maar gelijkwaardigheid moet het uitgangspunt zijn indien je mensen wilt bewegen om te participeren. Participeer als ambtenaar ook actief in het crowdsource initiatief.

Tegengaan van crowdslapping Tijdens het crowdsourcen kunnen deelnemers de crowdsource praktijk op verschillende manieren verstoren. Delen van de crowd kunnen de beantwoording van vragen en het oplossen van problemen tegenwerken. Brabham (2008) noemt dit crowdslapping. Hij maakt onderscheid in drie verschillende variaties op crowdslapping. Het is interessant om deze verschillende tegenwerkende krachten tijdens het crowdsourcen te benoemen, omdat het inzicht kan geven op welke manier ze voorkomen kunnen worden. De drie verschillende crowdslap varianten zijn: 1) disruptive, 2) destructive en 3) andere vormen van crowdslapping (overgenomen van Brabham, 2008).
1. Disruptieve vormen van crowdslapping komen overeen met protest in openbare ruimtes. Disruptieve crowdslapping zorgt voor het verstoren van de goede werking van een crowdsource praktijk door het posten van een klacht en het geven van kritiek op de overheid. Hierdoor kunnen overige deelnemers die constructief bij willen dragen worden gehinderd. 2. Destructief crowdslapping houdt in dat andere deelnemers worden tegengewerkt om bij te dragen. Het posten van inhoudloze reacties (spam) in groten getale is hier een voorbeeld van. Een onderzoek uitgevoerd door John Suler (2004) heeft uitgewezen dat wanneer mensen de mogelijkheid krijgen om hun online acties te scheiden van hun persoonlijke identiteit, deze mensen zich minder kwetsbaar voelen tijdens het online geven van meningen. Hij beschrijft dit als een gebrek aan beperkingen, ofwel het ‘online disinhibition effect’. Dit effect uit zich op verschillende manieren, waaronder het minachten van sociale normen en waarden en het tonen van impulsief gedrag. Doordat

25

mensen zich minder kwetsbaar voelen neemt de frequentie van het ‘flamen’ (het snel gebruiken van scheldwoorden of beledigingen tijdens een elektronische uitwisseling) toe (Suler, 2004). Dutton (1996) noemt flaming, ‘tactieken voor destructieve dialoog die een manier zijn om het potentieel van crowdsourcen te vernietigen’. 3. Een andere mogelijke vorm van crowdslapping, die niet onder de noemers disruptief en destructief valt, wordt ‘cracking’ genoemd. Cracken is het bewust toebrengen van schade aan de site of het manipuleren van de resultaten. Noveck (2003) stelt dat de vormen van online weerstand gelijk zijn aan vormen van weerstand in de normale wereld. 1) disruptieve vormen van crowdslapping komen overeen met debat en protest, 2) destructieve vormen van crowdslapping komen overeen met het verstoren van de openbare orde, bijvoorbeeld bij vastketening aan de treinrails, 3) Cracking komt overeen met acties die publieke bijeenkomsten onmogelijk maken door bijvoorbeeld bomdreigingen. Hij stelt dat bij crowdsourcen, net als in de ‘echte’ wereld, de regering acties onderneemt om gewelddadige vormen van protest de kop in te drukken (bom dreiging) terwijl de mogelijkheden voor andere vormen van vreedzaam protest behouden moeten blijven. Bij vormen van cracking zou altijd actie moeten worden ondernomen. Bij destructieve vormen zou per initiatief moet worden bekeken in welke mate het andere deelnemers tegenwerkt. Andere vormen van protest, zoals disruptieve vormen van crowdslapping zouden moeten worden gedoogd (Noveck, 2003).

Conclusie en positie in model Verschillende regels en aandachtspunten die van belang zijn tijdens het crowdsourcen, zijn in dit hoofdstuk beschreven. In de tabel (zie bijlage II) zijn deze regels overzichtelijk onderverdeeld in vijf categorieën. Dit zijn: 1) communicatie, 2) registratie 3) misdragingen/censuur, 4) input beperking en 5) participatie/ incentives. Omdat zowel de ambtenaar als de crowd zich aan bepaalde regels moeten houden, is er per categorie aangegeven welke regels van invloed zijn op de crowd en de ambtenaar. Daarnaast is aangegeven op welke manier het platform hierin kan voorzien.
De regels staan rechts onder in het model, schuin onder het platform en onder de ambtenaar die de regels bepaalt.

Figuur 6 - Positie van regels in het model

26

7. Platform
Een belangrijk element binnen crowdsourcen is het platform. Het platform is een gezamenlijke ruimte waar de vraagstelling kenbaar wordt gemaakt, waar de samenleving een bijdrage kan leveren en waar de communitie samen kan komen. De meeste initiatieven zijn gedoemd te mislukken zonder een functioneel, bruikbaar en goed ontworpen of gekozen platform (Vittamaki, 2008). Het platform is het verbindend element tussen de vraagstelling, de crowd, de ambtenaren, de incentives en de regels. Het platform is, in tegenstelling tot de vorige zes elementen vaak een technische overweging. Het platform dient als een kader waarbij ambtenaren en de crowd tools ter beschikking hebben om oplossingen te beoordelen, profielen aan te maken en destructieve vormen van crowdslapping tegen te gaan. Het platform heeft alleen een faciliterende rol wat betreft de conversatie tussen deelnemers en ambtenaren. Een van de eerste overwegingen voor een platform is de keuze tussen het zelf bouwen van een platform of het gebruik maken van een bestaand platform. Het bouwen van een eigen platform biedt de meeste vrijheid, maar kost de meeste tijd en geld. Een bestaand platform biedt in mindere mate de mogelijkheid tot aanpassingen en vrijheid, maar er kan sneller en goedkoper gestart worden met het crowdsourcen. Afhankelijk van de vraagstelling moeten de middelen voor creatie van het platform afgestemd worden. Het invoeren van oplossingen vereist niet de meest ingewikkelde tools, een tekst interface is dan ook het meeste toereikend voor een dergelijke activiteit (Vittamaki, 2008). Een bestaand platform kan worden gebruikt. Dit kan op basis van een bestaand concept (Ning) of op basis van een bestaand platform (Linkedin).

Conclusie en positie in model Een platform kan zelf worden ontwikkeld of een bestaand platform kan worden gebruikt. Er zijn verschillende mogelijkheden wat betreft de keuze voor een platform. In dit hoofdstuk zijn deze verschillende mogelijkheden beschreven. Hieronder volgt een samenvatting:
1. Er kan gebruik worden gemaakt van een bestaand platform. Hierbij kan vaak snel en goedkoop de crowd worden bereikt. Een mogelijk nadeel voor het gebruik van een bestaand platform is dat het vaak niet mogelijk is om het platform naar eigen wens verder aan te passen. Een voorbeeld van een bestaan platform is Linkedin. 2. Naast het gebruikmaken van een bestaand platform kan er ook een eigen platform worden gestart. Ik bedoel hierbij de platformen (zoals, de Nings en Ellgs) die door een aantal stappen te volgen een compleet crowdsource platform oprichten. Op deze manier kan vaak snel en goedkoop een platform worden gestart. Het is bij sommige van deze gestandaardiseerde platformen mogelijk om aanpassingen te doen. 3. Tenslotte bestaat er de mogelijkheid voor het compleet zelf ontwikkelen en bouwen van een platform. Deze vorm kost de meeste tijd en geld maar biedt wel de grootste mate van vrijheid.

27

Figuur 7 - Positie van het platform in het model.

28

Methode
Dit deel beschrijft de onderzoeksmethoden die tijdens deze studie zijn gebruikt. In dit onderzoek zijn drie verschillende onderzoeksmethode gebruikt in de vorm van een case studie, dit zijn het literatuuronderzoek (bureauonderzoek), de interviews en de case analyse (veldonderzoek).

Case studie
De case studie wordt ingezet om inzicht te krijgen in de zeven variabelen en hun onderlinge relatie. Hierbij worden de waarnemingsresultaten van het literatuuronderzoek vergeleken en getoetst met de resultaten uit het de case studie. De manier van generalisatie die in dit onderzoek wordt toegepast noemt Yin (2003) ‘analytic generalization’. Bij deze vorm van generalisatie worden eerder ontwikkelde theorieën gebruikt als een basis die wordt vergeleken met de resultaten uit de case studie. Dit onderzoek behoort tot een kwalitatief onderzoek, waarbij ik uitga van een deductieve vergelijking tussen bestaande theorieën en het veldonderzoek. Bronnen- en methodetriangulatie zijn binnen dit onderzoek toepast, wat bijdraagt aan meer diepgang en kwaliteit van het onderzoek (Verschuren en Doorewaard, 2007). De verschillende databronnen binnen dit onderzoek zijn: literatuur, ambtenaren, experts en crowdsource deelnemers. Daarnaast worden verschillende vormen van datagenerering toegepast in de vorm van literatuuronderzoek, interviews en case analyses.

Case studie protocol Yin (2003) geeft aan dat een case studie protocol essentieel is als je een ‘multiple case studie’ doet. Het case studie protocol bevat de instrumenten samen met de procedures en regels die gevolgd moeten worden en is een belangrijk middel om de betrouwbaarheid van de studie te verhogen. Data collectie Ik heb twee bestaande crowdsource initiatieven (cases) gekozen die gerelateerd zijn aan de overheid en veel van elkaar verschillen op een (groot) aantal van de te verklaren variabelen (Yin (2003) noemt dit een strategische keuze van cases). Bij deze cases gebruik ik de hiërarchische vergelijkende casestudy, waarbij twee van elkaar verschillende crowdsource initiatieven worden bestudeerd. In een tweede fase worden de twee studies met elkaar vergeleken en worden conclusies getrokken. De twee cases binnen deze studie zijn de crowdsource initiatieven van Economische Zaken (EZ) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De eerste case is het crowdsource initiatief van EZ met het onderwerp innovatie 2.0. Het tweede initiatief komt van BZK en betreft een web 2.0-prijsvraag. Bureauonderzoek: Het bureauonderzoek is als eerste uitgevoerd en dient als een methode voor het achterhalen van relevante literatuur over belangrijke onderwerpen. In dit onderzoek heb ik onderscheid gemaakt in drie hoofdbronnen van waaruit geprobeerd is een zo duidelijk en onderbouwd mogelijk beeld van de werkelijkheid te geven. Deze drie hoofdbronnen zijn: interne documenten en overheidspublicaties, literatuuronderzoek uit wetenschappelijke artikelen, voornamelijk uit A en B Journals (Lowry et al. 2004). en internet bronnen.
1. Bij het eerste type bureauonderzoek zijn interne documenten en overheidspublicaties bestudeerd. Hierin heb ik binnen de bibliotheek van LNV en het intranet gezocht naar relevante boeken, (nieuws)artikelen en publicaties rond crowdsourcen en interactief besturen, burgerparticipatie en co-creatie. Deze documenten zijn voornamelijk gebruikt om een beeld te creëren van de ambtenaar en zijn werkveld. Het gaf me een basis die ik kon gebruiken om vanuit verder te werken voor het literatuuronderzoek en de interviews. Tevens heb ik in deze fase

29

personen geïdentificeerd die kennis van, of ervaringen hadden met het crowdsourcen om ze later te interviewen of om lezingen van ze bij te wonen. 2. In het literatuuronderzoek is gezocht naar belangrijke relevante literatuur binnen verschillende thema’s. In dit onderzoek is gebruik gemaakt van de ‘snowball-methode’. In de onderzoeksopzet zijn enkele onderwerpen en zoektermen gedefinieerd. Deze zijn gebruikt in verschillende zoekmachines (Google Scholar, universiteitsbibliotheek) om artikelen die relevant zijn aan dit onderwerp te achterhalen. Dit leverde 29 publicaties op gerelateerd aan drie onderwerpen (1. Collaboration, 2.Crowdsourcing, 3.Incentives). Een aantal (17) van deze werken bleken na nadere bestudering toch niet interessant. Hierdoor zijn zoektermen grotendeels opnieuw geïdentificeerd en heb ik opnieuw gezocht naar artikelen. Vervolgens zijn de overige 12 artikelen bestudeerd en heb ik artikelen gelezen die zijn gepubliceerd door onderzoekers die zijn verbonden aan het PrimaVera onderzoeksprogramma. De onderwerpen die in veel van de PrimaVera artikelen worden behandeld zijn reeds in verschillende colleges aan bod gekomen en zijn dus belangrijk om niet de verbinding met het informatiekunde domein te verliezen. De meeste artikelen gaven in hun abstract aan welke theorieën worden beschreven wat me de mogelijkheid gaf om rond deze artikelen en verwijzingen te ‘snowballen’. Het bestuderen van de artikelen uit dit onderzoek heeft ertoe geleid dat een aantal belangrijke werken en auteurs binnen het onderwerp van mijn onderzoek zijn geïdentificeerd. 3. Met internetbronnen bedoel ik de Blogposts, tweets, podcasts, forums, discussies (social) netwerksites en video’s die ik heb bestudeerd om een beter beeld te krijgen van het onderwerp van dit onderzoek. Via deze internetbronnen heb ik meningen, presentaties en artikelen ontvangen en heb ik feedback op mijn eigen werk gekregen.

Interviews In het eerste interview heb ik vier mensen geïnterviewd die actief betrokken waren bij het starten van een crowdsource project. Dit waren twee ambtenaren en twee deelnemers van de bijbehorende cases. In een ander interview heb ik acht mensen gevraagd naar de motivaties van deelnemers om bij te dragen. Dit waren zes ambtenaren en twee deelnemers. De deelnemers zijn gekozen op basis van het meer dan gemiddeld aantal reacties dat ze gaven.
De interviews zijn uitgevoerd als semi-gestructureerde interviews. Op deze manier kregen de geïnterviewde de mogelijkheid om vrijuit te spreken en kon, wanneer nodig, van de vragenlijst worden afgeweken en worden doorgevraagd. Voor de start van elk interview werden het doel en de reden van het interview kenbaar gemaakt. Tevens werd gevraagd of het interview opgenomen kon worden. De opname van de interviews zijn vervolgens volledig uitgewerkt (zie bijlage I). Tijdens de interviews heb ik ter controle bepaalde delen samengevat om zo vervolgvragen correct af te kunnen stemmen. De interviews zijn gehouden op een moment en locatie die onderzoeker en de geïnterviewde uitkwamen. De interviews zijn afgenomen door dezelfde persoon die het literatuuronderzoek heeft uitgevoerd, hierdoor wordt verwacht dat er voldoende kennis over het onderwerp aanwezig is. De vragen zijn tot stand gekomen met de kennis die is opgedaan tijdens het uitvoeren van het literatuuronderzoek. De interviewguide voor beide interviews staat in bijlage III. Hierin staan de vragen die voor de twee soorten interviews zijn gebruikt. De geïnterviewde crowdsource experts zijn gekozen omdat ze hebben bijgedragen aan een crowdsource initiatief binnen de overheidssector. Op de betreffende crowdsource sites stonden de namen van de personen die ze opgericht hadden (mocht dit niet het geval zijn, is er via contacten binnen LNV

30

achterhaald wie dit waren). Op deze manier is getracht contact met de oprichters te zoeken. In dit onderzoek noem ik de oprichters ‘experts’ omdat ze bepaalde keuzes rond het crowdsourcen al gemaakt hebben en omdat ze de gevolgen van bepaalde keuzes kennen. De contactgegevens van de deelnemers die actief hebben bijgedragen tijdens het crowdsourcen waren beschikbaar op de betreffende platformen.

Case analyse: Door een analyse van de verschillende (online) cases wil ik achterhalen op welke manier de zeven variabelen binnen die case invulling krijgen en hoe het platform hier operationeel in voorziet. In deze analyse wordt niet gekwantificeerd hoe vaak iets op een bepaald moment voorkomt, maar op welke manier invulling is gegeven aan de inrichting van de variabelen. Dit onderzoek biedt, naast de interviews, een aanvullend inzicht omdat de onderzoeker zo in staat wordt gesteld te achterhalen op welke manier een crowdsource initiatief in de praktijk werkt. Resultaten van dit onderzoek dienen ter ondersteuning van de resultaten die gevonden zijn in het literatuuronderzoek en de interviews.
Bij de analyse van de twee initiatieven wordt per variabele gekeken op welke manier deze worden geoperationaliseerd en hoe deze in relatie staan tot de andere variabelen. Onderstaand worden de variabelen gedefinieerd en staan er aandachtspunten geformuleerd die tijdens de analyse onderzocht zullen worden.

Vraagstelling Binnen dit onderzoek is het doel van crowdsourcen het bijdragen aan kwaliteitsverbetering van bestaand of te maken beleid. De aanleiding om te crowdsourcen kan dan voort komen uit een probleem wat de ambtenaar ervaart of een kans die de ambtenaar waarneemt. De vraagstelling kan in veel gevallen worden gezien als de start/het begin van het crowdsourcen. in het literatuuronderzoek heb ik een onderscheid beschreven tussen tamme en ‘wicked’ problemen, in de analyse wordt gekeken welke soort vraagstelling is gebruikt. Conversatie Afhankelijk van de vraagstelling Is de manier waarop je de vraag stelt en de crowd met elkaar laat praten. Ik maak onderscheid in een sociale en asociale manier van converseren. Bij een minder sociale manier kan de ambtenaar een vraag stellen waarna de burger met zijn kennis een bijdrage levert voor de oplossing van het probleem. Daarvoor kan de burger immateriële of tastbare beloningen ontvangen. De sociale manier gaat uit van een interactie tussen ambtenaar (cq. LNV) en burgers. Er zal achterhaald worden welke mate van socialiteit van toepassing is op beide initiatieven. Incentives De incentives geven aan waarom mensen, vaak vrijwillig een bijdrage leveren tijdens het crowdsourcen. Vanuit de literatuurstudie heb ik verschillende motivatiecategorieën gedefinieerd. Dit zijn de intrinsieke, excentrieke en excentriek subjectieve motivaties en communitie interesse. Er zal worden geprobeerd te achterhalen welke mechanisme er binnen het initiatief actief zijn die deelnemers aanzetten om bij te dragen.

Coördinatie Omdat crowdsourcen afhankelijk is van de inzet van burgers kan het interessant zijn om regels op te stellen als coördinatie mechanisme om enige vorm van controle uit te kunnen oefenen. Krijgen de deelnemers de mogelijkheid zelf controle uit te oefenen of zijn het de ambtenaren die reacties verwijderen. Zijn er regels opgesteld waar naar kan worden verwezen op het moment dat iemand de

31

crowdsource praktijk verstoord. Er zal worden gekeken of er regels online staan en op welke manier er om wordt gegaan met vormen van crowdslapping.

Ambtenaar: Wat is de rol van de ambtenaar? Hierbij wordt er gekeken hoe de ambtenaar zich gedraagt op het platform. Zijn de ambtenaren (actief) aanwezig in de discussie, hoe wordt er omgegaan met vragen van deelnemers en hoe worden de resultaten terug gekoppeld. Platform Het platform is een gezamenlijke ruimte waar de vraagstelling kenbaar wordt gemaakt, waar de samenleving een bijdrage kan leveren en samen kan komen. In de analyse zal worden gekeken welk soort platform is gebruikt en welke voordelen of nadelen dit platform heeft.

Data analyse
In deze scriptie wordt onderzoek gedaan naar het crowdsourcen, waarbij twee verschillende losstaande initiatieven (cases) worden bestudeerd. De resultaten van het veldonderzoek zullen worden ondergebracht onder de zeven variabelen. Voor het analyseren van de case studie data maak ik gebruik van een door Yin voorgestelde algemene analytische strategie. Deze stelt dat je er in het begin van uitgaat dat je vertrouwt op je theoretische aannames die zijn gedaan in het literatuuronderzoek. Er zal worden getest of de bevindingen uit het veld en bureauonderzoek van elkaar afwijken. Mocht dit voorkomen zal er een toelichting worden gegeven of de literatuurstudie of het veldonderzoek voor dat geval leidend zijn. In onderstaande tabel is weergegeven hoeveel mensen per onderwerp zijn geïnterviewd. Beide onderwerpen komen overeen met de deel vragen uit de onderzoeksopzet. Tijdens het interview van de deelnemers bleek dat beide deelnemers ook inhoudelijk veel kennis hadden over het crowdsourcen. Dit was mede te verklaren omdat beide deelnemers zowel vanuit hun persoonlijke interesse alsmede hun werk, ervaringen hadden opgedaan met het crowdsourcen. Daarnaast is het interessant om een expert te nemen die geen ambtenaar is, zo kan deze kritischer zijn omdat het niet zijn eigen project is. Bij deze deelnemers is eerste de vragenlijst over de motivaties afgenomen waarna vervolgens bij beide een tweede interview is gestart waarin is achterhaald wat het crowdsourcen zou laten werken. totaal 4 8 Experts 2 2 Deelnemers 2 2 Ambtenaren

Crowdsourcemodel: Wat zou het crowdsourcen laten werken? Incentives: Wat is de motivatie om deel te nemen?

4

Tabel 5 – Overzicht van aantal geïnterviewde deelnemers.

32

Resultaten
In het vorige hoofdstuk is de manier van data collectie en analyse beschreven. Dit hoofdstuk geeft de resultaten van het onderzoek weer. In het onderzoek is onderscheid gemaakt tussen twee (crowdsource) cases. De eerste is de case van Economische Zaken (EZ), het betreft het Linkedin innovatie 2.0 initiatief. De tweede is web 2.0 prijsvraag van de Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De resultaten zullen per case op de volgende manier worden gepresenteerd: Er wordt een introductie gegeven van het initiatief waarna eerste de resultaten van de interviews en vervolgens de case analyse wordt beschreven. Het interview richt zich op de bevindingen van de experts en deelnemers. De case analyse beschrijft crowdsourcen in de praktijk waarbij de discussie rond één vraagstelling het onderwerp van de analyse is. In het tweede deel vergelijk ik de resultaten van het veldonderzoek met de bevindingen uit het literatuuronderzoek. Ik gebruik het crowdsourcemodel om te bekijken of en op welke manier het model klopt en of de twee (online) cases hiervan verschillen. Ik beschrijf welke overeenkomsten of tegenstrijdigheden er zijn en probeer hier een verklaring voor te geven.

Deel I
Case 1: Linkedin innovatie 2.0 Introductie Op verzoek van de minister van Economische Zaken (EZ) is er onderzocht waar en hoe de nieuwe digitale mogelijkheden tot samenwerking (web 2.0) ingezet kunnen worden ten behoeve van het (verder) ontwikkelen van het innovatie- en ondernemerschapbeleid (project Innovatie 2.0). Innovatiebeleid wordt ontwikkeld om het innovatievermogen en ondernemerschap in Nederland te bevorderen. Dit leidt mogelijk tot duurzame economische groei. Co-creatie van het beleid, doormiddel van het benutten van de 'collectieve intelligentie', moet dan ook bijdragen aan nieuw en/of beter beleid. Het doel van project Innovatie 2.0 is tweeledig:
1. Inhoudelijk bijdragen aan de beleidsontwikkeling; 2. Leren hoe de inzet van web 2.0-middelen (sociale netwerksites, fora, wiki's) kan worden toegepast voor beleidsontwikkeling.

Geïnterviewde Krispijn Beek, beleidsmedewerker Economische Zaken (EZ) en een van de betrokkenen bij het opstarten en inhoudelijk vormgeven van het Linkedin innovatie 2.0 initiatief.
Wouter de Heij directeur eigenaar van TOP BV. Een van de onderdelen van TOP BV betreft innovatiemanagement, hoe innoveert een bedrijf, hoe werk je samen tussen bedrijven en hoe krijg je een innoverende maatschappij. Wouter was actief betrokken in meerdere discussies die voortkwamen uit vragen die waren uitgezet door het ministerie van EZ.

Resultaten In dit deel worden de resultaten van de interviews beschreven horende bij de Linkedin innovatie 2.0 case. Het betreft hier de beschrijving van de interviews over het crowdsourcemodel en de motivaties voor deelname. Interview De resultaten van de interviews zijn geplaatst onder de zeven variabelen van het model om een duidelijk overzicht te krijgen dat zich goed laat vergelijken met de tweede case (BZK) en het literatuuronderzoek. 33

Vraagstelling Tijdens de Innovation Lecture van vorig jaar is door de deelnemers het voorstel gedaan om het EZinnovatiebeleid in co-creatie te ontwikkelen via het web. Nadat de opdracht van de minister was verkregen, had de projectgroep de vraag hoe dit online ingezet en vormgegeven kon worden. Dit project kreeg de vorm van een pilot omdat interactieve beleidsvorming door middel van co-creatie via het Internet (web 2.0) voor EZ een nieuwe aanpak is.
Er is vervolgens een oriënterende vraag gesteld (eerst op het platform ambtenaar 2.0 en vervolgens op Linkedin). De vraagstelling komt overeen met de eerste fase van de vraagstelling (de agenderingsfase). De vraag die gesteld werd: “We hebben geen geld en we zijn op zoek naar input voor innovatiebeleid, hoe gaan we de dat doen?” De vraag gaat over de afstemming en afbakening van de vraag- en probleemstelling en op welke manier het ministerie het crowdsourcen kan vorm geven. Krispijn meld hierover: “Je gaat langzamerhand de beleidsagenda bepalen”. Tegelijk met het uitzetten van de vraag zijn ze intern steunpilaren gaan zoeken om het geheel ook intern van de grond te krijgen. Volgens Krispijn was dit een zwaar deel van het traject.

Conversatie In het begin waren het platform en sommige discussies besloten. Het blijkt dat ambtenaren te maken hebben met wet en regelgeving die ze verbiedt te praten met tweede kamer leden en journalisten, met name over het eigen beleidsterrein. Dit is lastig op internet waar iedereen kan lezen wat de ambtenaar doet. “De keuze om gesloten te doen was daarna vrij logisch”. “Als moderator lieten we mensen toe, op basis van hun Linkedin profiel, zit je in de tweede kamer of ben je journalist” Ambtenaren en crowd Voor de deelnemers was een disclaimer opgesteld. In deze disclaimer stond onder andere dat alles wat online wordt gezegd door ambtenaren, niet tot werkelijk beleid hoeft te leiden. Ambtenaren van EZ hebben toestemming nodig van het management om deel te mogen nemen in de discussie. Het gaat dan alleen om de dossiers die zijn ingebracht door EZ, op andere dossiers zijn de ambtenaren vrij om deel te nemen.

Ambtenaren worden verwacht reactie te geven op vragen vanuit de crowd. Tijdens het interview kwam naar voren dat het tijd kost om bij alle discussies (ook degene die niet zijn gestart door het ministerie) een reactie achter te laten. “We beginnen tegen de beperkingen aan te lopen, als je echt gecommitteerd wil zijn, moet je overal reageren. Nu alleen Linda en ik die dat doen”. Naast dat EZ beleidsdossiers kan inbrengen, kan de crowd dit ook doen. Deelnemers krijgen zo de mogelijkheid om punten onder de aandacht te brengen of zelfs agendapunten aan te dragen. ‘Hij kan dat natuurlijk proberen om te agenderen. En ze te overtuigen van waarom wij als EZ dat zouden moeten, dat wil niet zeggen dat we er dan wat mee moeten”. Met de ingebrachte punten zoals b.v. diensteninnovatie, daar zouden we wat mee kunnen doen als het de betreffende dossierhouder uitkomt. Tijdens het interview wordt er ook benadrukt dat de traditionele rol van de ambtenaar, wanneer deze wilt crowdsourcen, een transformatie moet doormaken. Het is niet een kwestie van enkel het ontvangen van oplossingen. ‘.. ambtenaren zijn erg gewend zijn om eerst beleid te maken en vervolgens de burger inspraak te vragen. Das de beste manier van weerstand creëren. “Je moet ze al veel eerder mee laten praten met dat verhaal. Daar zit toch wel de crux.” Krispijn geeft aan dat je profiel wel gekoppeld is aan de reacties die je geeft. Daardoor zullen mensen minder snel een ‘geenstijl’ reactie plaatsen zo stelt hij. Een select aantal ambtenaren zorgt voor

34

handhaven en voor regulatie en coördinatie. Een moderator rol, zo wordt dit door beide geïnterviewde genoemd. De rol van een moderator bestaat dan uit regulatie maar ook uit articulatie. “Het is regulatie, maar ook wel vaak articulatie. Een moderator kan verduidelijking en toelichtingen geven.”

Regels en regulatie Er is een moment geweest waarbij de ambtenaren kozen voor meer regulatie en strenger en strikter toezicht op het naleving van deze regels. Tijdens dit moment bleek, in vergelijken met de momenten waarbij er weinig regels en regulatie plaats vond, dat de diepgang, kwaliteit en het aantal reacties van de discussie lager was. “Het ging niet bruisen omdat we allemaal regulaties en regels hadden opgesteld. Als de barman alleen maar mag beslissen wanneer er geschonken wordt dan wordt het niet gezellig in de kroeg.” Wouter melde hierover: “Als je aan mij vraagt, om in mijn eigen tijd te reageren en je ook nog spelregels aan me geeft, dat bepaal ik zelf wel”.
Enkelen keren kwamen er vragen uit de groep waarbij de ambtenaren terug “de hiërarchie” in moesten om te overleggen met minister over het aanscherpen van de vraagstelling. De crowd moest in de tussentijd wachten. Beide geïnterviewde gaven onafhankelijk aan dat de ambtenaren, verantwoordelijk voor het crowdsourcen, in vrijheid zouden moeten kunnen werken. Krispijn meld: “Eigenlijk zou je een mandaat moeten geven aan je medewerker of je hier naar eer en geweten, zo goed mogelijk zelf een en ander regelt. Als je dat niet doet duurt het te lang om terug te koppelen.” Wouter zegt: “De eerste minister die het lef heeft om te zeggen, die x aantal ambtenaren vertrouw ik, die mogen actief mee gaan doen, die krijgt mijn stem.” Tijdens de interviews kwam naar voren dat het verwijderen van een reactie ‘not done’ is. Tijdens het initiatief is er ook maar één keer ingegrepen door de moderators. “Verwijderen mag je eigenlijk niet doen, dat is een beetje een ongeschreven regel” Wouter meld hierover nog dat je niet altijd kan verwachten dat de crowd het met je eens is: “Je moet dus accepteren dat er soms dingen opstaan die een minister niet leuk zal vinden. It’s live”.

Platform Tijdens dit initiatief had de crowd af en toe een regulerende functie doordat mensen op gedragingen werden aangesproken of door de ambtenaren te tippen op mogelijk ongewenst gedrag. Krispijn geeft aan dat het Linkedin platform eigenlijk heel beperkt is in zijn mogelijkheden wat betreft zelf regulatie. “Ze kunnen ons tippen, maar Linkedin, dat is heel beperkt in zijn mogelijkheden daarvoor. …mensen die schaamteloos promotie maken voor zichzelf, die worden daarop aangesproken. …. web 2.0 is web 2.0 mensen spreken elkaar net zo hard aan.” Wouter melde daarover het volgende: “het viel me op dat er veel aankondigingen van bijeenkomsten waren. Dat waren er zoveel dat ik me eraan begon te irriteren en een reactie heb achtergelaten”.
Het blijkt dat het Linkedin platform beperkt is voor een aantal andere aspecten. “Ik vind het platform niet overzichtelijk”. Een ander groot nadeel is dat het niet jouw informatie is: “de informatie wordt van Linkedin. “Alles wat er op achtergelaten wordt is van de Linkedin organisatie”. Daarnaast blijkt de keuze van het platform een belangrijke. Als je een platform kiest waar je netwerk al zit is het “het makkelijkst om je netwerk te starten dan dat je zelf iets maakt en er naar 2 maanden achterkomt dat er niemand zit”

Incentives De motivatie om deel te nemen aan dit initiatief is divers. Vooraf is er weinig tot geen tijd gestoken in het achterhalen op welke manier de motivatie van de deelnemers het succes van dit initiatief zou kunnen beïnvloeden. Pas wanneer er weinig mensen zouden komen “de kroeg is leeg op de werknemers na” zou er een publiciteitscampagne verzonnen moeten worden om de mensen toch gemotiveerd te krijgen. 35

Achteraf denkt Krispijn wel dat er sturing mogelijk is, dat mensen meer worden gemotiveerd om bij te dragen. “Zo worden een aantal van die mensen ook uitgenodigd voor lunchlezingen. Om hier wat bij de traditionelere ambtenaren aandacht te krijgen.” Iedereen die mee doet, doet dit gratis. Wouter zegt dat er hier een intrinsieke motivaties moet zijn. Hij geeft de motivaties die voor hem van toepassing zijn en de motivaties die hij denkt dat voor andere van toepassing waren: Debatteren en discussiëren met mensen die ook wat te vertellen hebben, zodat je daar uiteindelijk wel wat van kan leren; Inmiddels heb ik mensen ontmoet die ik nooit in de gewonen reële wereld had ontmoet, Je ontmoet dus interessante mensen; Inmiddels besef ik ook wel dat het misschien niet helemaal verkeerd zou zijn voor de naamsbekendheid van mijn bedrijf, maar dat was niet mijn primaire motivatie; Niet zozeer van toepassing op mij maar een andere motivatie is een beetje de wereld verbeteraar zijn, waarbij je indirect toch wat invloed kunt uitoefenen richting beleidsmakers of ambtenaren. Het is wel niet de primaire motivator maar het zou wel eens belangrijker kunnen worden; Geborgenheid, ergens willen bijhoren, Dat is heel logisch, dat zijn de primaire drijvers van de mens.

-

De motivaties voor de ambtenaar om te crowdsourcen komen grotendeels overeen met de drie klassieke motieven voor participatie: legitimiteit, draagvlak en kwaliteitsverbetering. Dit zijn eigenlijk meer motivaties voor het ministerie om te gaan crowdsourcen. Waarom zou de ambtenaar niet een probleem zelf oplossen maar een crowdsource initiatief starten. In een van de interviews kwam naar voren dat het ook de excentrieke subjectieve motivaties zijn die de ambtenaar aanzetten tot het crowdsourcen. “Wat denk je dat de secundaire reden zijn voor ambtenaren om dit te doen. Die zijn toch ook gewoon carrière aan het maken. Ook interne publiciteit.” Binnen dit initiatief was er een bepaalde tijd beschikbaar om een bijdrage te leveren. Na het verstrijken van de deadline zijn binnen dit initiatief de bijdrage samengevat door de dossierhouder en het was vervolgens aan de minister of ze het advies overneemt: “...de oplossingen gaan de lijn in, op naar de minister.” Om een vervolg stap te maken, bijvoorbeeld van de tweede crowdsource fase naar de derde (implementatie) zijn er momenten dat er wat van de ambtenaar wordt verwacht. Er is een resultaat nodig als afsluiting van de ene en de start van de andere fase. Deze afsluiting van een fase kan een samenvatting met conclusie zijn van wat er tijdens de discussie is besproken. “de discussielijnen lopen heel erg uit elkaar en de waarde uiteindelijk van wat daar gebeurd zit in synthese. Dus dat je allerlei brokjes en informatie weer weet te synthetiseren tot een helder beeld.” Wouter stelt dat je de crowd niet enkel op basis van intrinsieke motivaties kan inzetten voor het maken van deze samenvatting. Hij geeft aan dat dit een belangrijk moment is om de huidige groep gemotiveerd te houden zodat ze voor de volgende discussie over het zelfde onderwerp nog willen bijdragen. Hij geeft aan dat dit kan door het maken van de synthese uit te besteden of enkele deelnemers het te laten uitwerken waarbij de incentive bijvoorbeeld een diner met de minister is. Er kan het moment bestaan dat de eerste groep grotendeels verdwijnt en een tweede groep verder gaat met de discussie waardoor de discussies opnieuw gevoerd gaan worden. “Dan kan je een tweede generatie krijgen, dan kan het wiel opnieuw uitgevonden worden. En het wiel opnieuw uitvinden betekent

36

niks anders dan dat het een herhaling van zetten zal zijn. …. Dan is het niet duurzaam, dan bouw je niet verder op het geen er al is” Om van crowdsourcen iets duurzaams te maken (“jaar in jaar uit, de samenleving gebruiken voor beleidsverbetering”) is het belangrijk om de resultaten (bijvoorbeeld de samenvatting) terug te geven aan de groep. “stel dat de overheid crowdsourcing wil gaan introduceren bij de vorming van beleid op een duurzame manier, niet als een project of als een experiment maar iets dat een tweede natuur wordt van een ministerie, dan moet je na gaan denken over hoe geef ik iets terug”

37

Analyse: Case 1: linkedin innovatie 2.0 case. In onderstaande case analyse, geef ik een beschrijving van de manier waarop het crowdsourcen heeft plaats gevonden. Het betreft hier de analyse van een discussie rond één vraag die was uitgezet door het ministerie van Economische Zaken (EZ). De discussie rond de vraagstelling stond 18 dagen open van 20-309 t/m 6-4-09 waarvan 12 werkdagen. In deze periode werden 101 reacties geplaatst door 23 mensen (8 uit het bedrijfsleven, 9 adviseurs, 1 hoogleraar, 1 student, 1 medewerker Syntens, 1 rijksinkoper, de moderator van EZ en 1 EZ-collega).

Aanleiding van de vraagstelling: De overheid wil innovatie van producten en diensten uitlokken door zelf bij inkoop en aanbesteding de markt te stimuleren en met nieuwe oplossingen te komen. Om dit te kunnen realiseren, is het nodig om goede randvoorwaarden te creëren, risico’s af te dekken en vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Met het project "launching customer" willen verschillende ministeries dit innovatiebevorderend aanbesteden verbeteren. Het is van belang om te zien of de inspanningen van de overheid resultaten opleveren. De vraag voor de discussie die EZ op de Linkedin innovatie 2.0 groep heeft gesteld was: Hoe kan de overheid innovatiegericht inkopen meetbaar maken op een manier die "SMART" is? (overgenomen van linkedin.com). Vanwege de grote van de bijlage is besloten deze niet op te nemen in dit document. De hele conversatie is te bereiken op:
http://www.rodericksimons.nl/analyse_innovatie_20.pdf

Analyse De vraagstelling wordt gepositioneerd als een tamme vraagstelling o.a. omdat het ministerie zoekt naar een eenduidig antwoord. Echter wordt dit niet door alle deelnemers zo ervaren. Zo wordt er bijvoorbeeld door veel deelnemers aangegeven dat het innovatie gericht inkopen niet SMART meetbaar is of dat de vraagstelling onduidelijk is5. de verschillende interpretaties over de vraagstelling in het begin van de discussie zorgt ervoor dat de vraagstelling zich meer is gaan verschuiven naar de eerste fase van het crowdsourcemodel, namelijk de agenderingsfase.6 Op deze manier raakt het probleem wat van zijn ‘tamheid’ kwijt. Er ontstaat zo een probleem wat meer ‘wicked’ van aard is (onder andere door een matige formulering van de probleemstelling). Veel verschillende mensen kijken vanuit verschillende perspectieven naar het probleem, waardoor de perceptie van de vraagstelling niet altijd gelijk is. Hierdoor ontstaan er veel vragen, gericht aan verschillende deelnemers en specifiek aan de ambtenaar.
De motivatie voor deelnemers om een reactie achter te laten is moeilijk objectief vast te stellen. Wel zijn er aanwijzingen welke motivaties een rol speelde bij het geven van reacties. Onderstaand een overzicht van welke motivaties waarschijnlijk ten grondslag lagen aan het geven van een reactie, met het bijbehorende nummer van de desbetreffende reactie. Bij meerdere reacties wordt er door deelnemers reclame en publiciteit gemaakt (Reactie 16 en 22). kennis verbreding, verdieping. Een deelnemer geeft aan iets geleerd te hebben van een van de bijdragen (reactie 47)

De ambtenaar stelt dat hij blij is dat niet iedereen de vraagstelling even duidelijk was anders hadden ze een waardevolle discussie gemist. Wanneer de conversatie dreigt af te wijken van het onderwerp van de vraag meldt de ambtenaar dit en stuurt de conversatie weer in de goede richting. Op het platform is

5 6

Reactie 2, 4, 5, 10 t/m 15, 19, 20 Reactie 33, 34, 34, 35, 36, 37

38

aangegeven dat de deelnemende ambtenaren niet zullen deelnemen aan de discussie, tenzij hun expliciet een vraag gesteld word. Daarnaast wordt er aangegeven dat de ambtenaren zich in hun antwoord zullen beperken tot het verstrekken van openbare en feitelijke informatie en zich onthouden van hun persoonlijke mening. De ambtenaar doet actief mee in de conversatie en beantwoord verschillende vragen. Zo geeft de ambtenaar aan dat hij de discussie rond SMART maken van innovatiegericht inkopen niet wilt verstoren, omdat andere leden van de communitie al met antwoorden komen (reactie 12 en 14). De crowd geeft aan dat ze verwachten dat van alle reacties een samenvatting (of synthese) wordt gemaakt van de resultaten. Ze geven aan dat ze verwachten dat deze vervolgactiviteit van de ambtenaar komt en sommige noemen dit een kleine beloning voor het geleverde werk. (87, 88, 107). Het platform heeft de beperking dat er niet meer dan 4000 tekens kunnen worden gebruikt (reactie 25 en 26). Leden moeten lid zijn van Linkedin en van de discussie groep om reacties te kunnen geven en bekijken. Deelnemers kunnen eigen reacties verwijderen (reactie 19 en 67). EZ geeft aan geen bijdrage te verwijderen, tenzij het om spam gaat. Een bijdrage wordt als spam gedefinieerd op het moment dat een bijdrage in een discussie te interpreteren valt als acquisitie, promotie en/of reclame voor een bedrijf, product, dienst of bijeenkomst.

39

Case 2: BZK prijsvraag web2.0 Introductie De aanleiding voor Arnout en collega ambtenaren om de vraag uit te zetten was tweeledig: Allereerst diende het als promotie naar een event: werk conferentie 2.0. Ten tweede om ideeën en oplossingen binnen te krijgen gericht op het verbeteren van de kwaliteit van de overheidsdienstverlening: de democratie (agendering, beleidsvorming, of besluitvorming) handhaving en toezicht. Van alle 122 inzendingen zijn er zes ideeën gekozen door een jury. Op 4 december, tijdens de werk conferentie 2.0 werden de zes mensen in de gelegenheid gesteld om hun idee te presenteren. De bezoekers tijdens deze conferentie bepaalde doormiddel van een stemming uiteindelijk welke drie van de zes initiatieven tot winnaars werden gekozen en daarmee een geld bedrag ontvingen voor de realisatie van het idee. Geïnterviewde Arnout Ponsioen is als ambtenaar bezig met de onderwerpen E-participatie binnen het ministerie van Binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties (BZK). Daarvoor, 2.5 jaar geleden onderzoeker bij TNO-ICT naar de maatschappelijke impact van het internet op de samenleving.
Michel Spekkers, een van de drie winnaars van de web 2.0 prijsvraag met het idee jijendeoverheid.nl. Lokaal politiek betrokken, als secretaris en vice voorzitter van een lokale politieke partij.

Resultaten In dit deel worden de resultaten van de interviews beschreven horende bij de BZK prijsvraag web2.0. Het betreft hier de resultaten van de interviews over het crowdsourcemodel en de motivaties voor deelname. Interview De resultaten van de interviews zijn onderverdeeld in de zeven variabelen van het model om een overzicht te krijgen en om de resultaten te kunnen vergelijken met de tweede case (BZK) en het literatuuronderzoek.

Vraagstelling: Naar aanloop van het event ‘werk conferentie 2.0’ is besloten een vraag uit te zetten om ideeën en oplossingen binnen te krijgen gericht op het verbeteren van de kwaliteit van de online overheidsdienstverlening. Arnout meldt: “We wilden eigenlijk iets hebben waarmee we ook in aanloop er naar toe wat reuring konden veroorzaken. Dat was de ene reden. De andere reden was dat we vonden dat we toch, op dit vlak lang niet alle wijsheid in eigen pacht hadden.” Conversatie Hoewel het niet een initiatief was waarbij ze een discussie wilde starten, bleek dat na verloop van tijd sommige mensen gingen reageren op elkaars reactie. Zo ontstonden er samenwerkingsverbanden of initiatieven. “…het ontstond gewoon. Was ook niet een platform waar we een soort discussie wilde starten”. Michel meldt dat: “het werd ook niet super actief gebruikt volgens mij, alleen mensen om het idee te dumpen” Platform Arnout en collega’s kwamen snel op een bepaald type platform (Ning) uit, wat uiteindelijk niet helemaal voldeed aan de huisstijl en webrichtlijnen. Daar hebben ze zich bij neergelegd omdat het anders amper haalbaar was om een dergelijk platform te realiseren. Er is een externe partij aan te pas gekomen die het platform uiteindelijk heeft ingericht. “Dat levert wat gedoe op met huisstijl en web richtlijnen… …Als we dat wel zouden willen dan zou het zo’n duur traject worden, dat staat niet meer in verhouding”. 40

Crowd Voor het initiatief ‘mikte’ ze op mensen die iets met de overheid en web 2.0 hebben: “we waren gewoon op zoek naar creatieve geesten”. Er is een promotie filmpje gemaakt, en ze hebben gebruik gemaakt van verschillende bekende kanalen. We hebben een aantal blogs uitgezocht en benaderd of ze er iets over wilde schrijven en het is in aantal blaadjes en nieuwsbrieven aangekondigd”. Arnout geeft aan dat ze: “echt wel een grotere groep bereikt hebben dan dat we zelf in ons netwerk hadden”. Tijdens beide interviews van deze case kwam naar voren dat een aantal van de deelnemers vaker een reactie achter lieten op verschillende platformen. “ Je ziet voor een deel wel dezelfde en bekende koppen terug komen, maar het waren er relatief weinig”. Dit zegt Michel ook: “Komen veel dezelfde namen tegen. Veel bedrijfjes die in ministeries al iets doen.”
Beide geïnterviewde menen dat het belangrijk is om je initiatief onder de aandacht te brengen van je mogelijke doelgroep. Arnout geeft aan dat je ook een strategie kan hanteren waarbij het vanzelf ontstaat maar dat er binnen dit initiatief niet gebruik van is gemaakt. Michel meld dat het inzetten van marketing om je initiatief onder de aandacht te brengen zelfs essentieel is.

Regels Vooraf zijn er enkele regels opgesteld waaraan de deelnemers zich moesten houden. Arnout noemt dit: “Regels die we hadden waren basale dingen, niet scheleden, geen discriminatie etc”. Michel geeft ook aan weinig van de regels te hebben gemerkt. Arnout geeft aan dat er verder weinig orderverstoorders aanwezig waren. “Verder niet echt ordeverstoorders aanwezig, tot onze grote verbazing, heel constructief en opbouwend”. Incentives Een belangrijke motivator binnen dit initiatief was de financiële compensatie om het idee daadwerkelijk te realiseren. Daarnaast zouden de finalisten aandacht krijgen op de conferentie.

Voor een van de deelnemers (Michel) was frustratie een van de belangrijkste motivaties. Die frustratie kwam voort uit een wildgroei aan overheidssites en de gedachten dat dit beter kon. Een oplossing voor dit probleem had hij al, het winnen van de prijsvraag gaf hem de middelen (geld en netwerk) om zijn idee op een hoger niveau te verwezenlijken. ..omdat ik dan misschien een stabielere website kon neerzetten mocht ik winnen… ...het is het netwerk vooral dat mij erg aansprak, nu heb ik BZK achter me staan” Ook de mogelijkheid om je eigen idee zelf te verwezenlijken was een motivatie om deel te nemen. “…anders had ik er nooit aan mee gedaan, niet eigen kindje verkopen”. Daarnaast is een motivatie nog idealisme: “een verandering te weeg willen brengen voor een maatschappelijke inzet”. Michel geeft wel aan dat wanneer je mensen betrokken probeert te krijgen met materiële waarden dat je een korte maar heftige betrokkenheid creëert. Geld is ook interessanter voor een kleiner publiek geeft Michel aan. Een ander probleem met geld is dat het ministerie laat zien dat ze de ‘baas zijn en dat ze kunnen bepalen wat ermee kan gebeuren. “Dan dient geld als vervanging van respect, waarde en vertrouwen”. Op die manier wordt er ook een duidelijk onderscheid gemaakt tussen ambtenaren en de crowd. Er is geen sprake meer van gelijkwaardigheid, de ambtenaar staat hiërarchisch boven de burger tijdens het crowdsourcen. Bij crowdsourcen van de overheidsvraagstukken praat je soms over “betere maatschappelijke oplossingen, Dat is wat je wilt gaan triggeren in dat opzicht. Vervolgens maakt Michel een onderscheid in de mate van socialiteit: Als je perfect antwoord wilt hebben over vervanging van gloeilampje, dan is geld

41

een goed middel. Hier moet je een middel inzetten als waardering, respect voor de mensen die er zijn, voor de ruimte die ze nemen en ook daadwerkelijk zeggenschap”.

Ambtenaar: Tijdens het interview komt ter sprake dat de manier waarop de ambtenaar zijn werk kan doen veranderd. Bij het inzetten van crowdsourcen veranderen natuurlijk de kanalen die worden ingezet: “Niet alleen meer vaste overleggen met belangenclubs”. Volgens Arnout zullen er ‘meer vrijheden ontstaan voor ambtenaren’. Hij verwacht dat dit niet voor iedere ambtenaar zal werken. Net zoals dat er verschillende deelnemers zijn tijdens het crowdsourcen, zijn er ook verschillende soorten ambtenaren. Niet elke ambtenaar is in staat het crowdsourcen op deze vrijere manier in te richten. “Dat moet je willen en kunnen”
Michel geeft aan “dat een ambtenaar zich kwetsbaar zal moeten opstellen omdat hij met de vraag zit en hij heeft een antwoord op een oplossing nodig voor die vraag. ..hij moet zich dus kwetsbaar opstellen, zo van, ik weet het niet, hebben jullie een idee.”

42

Analyse: Case 2: BZK web 2.0 prijsvraag Introductie BZK prijsvraag Aanleiding en vraagstelling: Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkcreaties (BZK) is op zoek naar drie goede ideeën voor nieuwe pilots waarin op concrete wijze door overheden gebruik wordt gemaakt van web 2.0 technologie. BZK doet daarvoor een beroep op de creatieve denkkracht van burgers, ondernemers, en ambtenaren. 7

Analyse De vraagstelling valt onder een tamme vraagstelling, het gaat hierbij specifiek over het zoeken naar een bepaalde oplossing voor het inzetten van web 2.0 voor overheden. Het ministerie van BZK zoekt dus oplossingen die horen in de tweede en derde fase van beleid, het gaat tenslotte over het zoeken naar oplossingen en de uiteindelijke implementatie daarvan.
Dit is een vraag die zich richt op de tweede en derde fase van de vraagstelling (beleidsvorming en implementatie) omdat hier wordt gezocht naar concrete ideeën voor het inzetten van web 2.0 waarbij de deelnemers zelf de mogelijkheid krijgen het idee te verwezenlijken. De vraagstelling is een tamme vraagstelling omdat het een vraag betreft voor concrete producten. Er kan objectief worden vastgesteld of de ideeën (uiteindelijk) een verbetering van het overheidsdienstverlening tot gevolg hebben. Binnen het initiatief is er ruimte voor discussie, deelnemers wordt toegestaan om op reacties van andere te reageren. De ambtenaar geeft inhoudelijk enkele reacties om ideeën helderder te krijgen en deelnemers bekend te maken met vergelijkbare ideeën. De ambtenaar is in het geheel verder weinig aanwezig en per post zijn er gemiddeld slechts 2 a 3 reacties. Het lijkt alsof de bijdragers meer een idee posten vanuit een egoïstische gedachten, het willen winnen van de wedstrijd in plaats van uitwisseling van betekenisgeving en het bediscussiëren van ervaringen rond de vraagstelling. Hierdoor is dit crowdsource initiatief een voorbeeld van een asociaal ingericht crowdsource platform. De motivatie voor mensen om deel te nemen is, net als bij de vorige case, lastig objectief vast te stellen. Wel is het duidelijke dat de financiële beloning voor het winnen van de wedstrijd een belangrijke motivator voor deelname was. De winnaars kregen de 25.000 euro voor de realisatie van het eigen idee en een laptop. Daarnaast kregen de zes finalisten aandacht tijdens de conferentie op vier december. Tijdens de discussie is waargenomen dat veel mensen een reactie plaatsten om een bestaand initiatief onder de aandacht te brengen. Dit valt onder de excentrieke subjectieve motivaties. Wat opvalt is dat ondanks de lagere socialiteit van het geheel toch veel mensen een bijdrage leveren. De excentrieke objectieve beloningen dienen binnen dit initiatief als vervanging van socialiteit. Op het platform zijn de voorwaarden van deelname en de beoordelingscriteria duidelijk weergegeven. Er is gecommuniceerd in welk format het idee wordt verwacht en wat de deadline voor oplevering is. Deelnemers moeten zich registreren voordat ze een reactie kunnen plaatsen. Tijdens het initiatief hebben de ambtenaren van BZK weinig in hoeven grijpen. Een van de deelnemers attendeerden BZK op een deelnemer die het crowdsourcen aan het verstoren was door het versturen van inhoudloze reacties en reclame. Zo geeft een van de ambtenaren aan ‘(We hebben de spam profielen verwijdert. Dank voor je oplettendheid!)’.

7

De gegevens die voor deze analyse zijn gebruikt staan op de site http://overheid20prijsvraag.ning.com/

43

De beoordeling van de ideeën heeft op verschillende manieren plaats gevonden. De eerste selectie werd verricht door een jury, die aan de hand van de voorwaarden en de dynamiek rondom het idee (o.a. pageviews en comments) een zestal finalisten selecteerden. Er is op kleine schaal gebruik gemaakt van het concept van de ‘wisdom of the crowds’ om de drie winnaars te bepalen. Dit beketend dat het publiek voor de werkconferentie 2.0 de mogelijkheid kreeg stemmen uit te brengen. De drie ideeën met de meeste stemmen werden benoemd tot winnaar.

44

Deel II
In dit deel geef ik de resultaten van het onderzoek. Ik vergelijk de resultaten van het veldonderzoek met de bevindingen uit het literatuuronderzoek en gebruik het crowdsourcemodel om te bekijken of en op welke manier het model klopt en of de twee (online) cases hiervan verschillen. Ik beschrijf welke overeenkomsten of tegenstrijdigheden er zijn en probeer hier een verklaring voor te geven. Naar aanleiding van het veldonderzoek zijn er enkele toevoegingen in het model doorgevoerd. De uitgewerkte volledige versie van het model is te vinden op pagina 3.

Vraagstelling

Fase van vraagstelling In het literatuuronderzoek is het onderscheid tussen drie verschillende fases van crowdsourcen beschreven (agenderingsfase, beleidsvoorbereiding en beleidsbepaling). Deze fases geven aan in welk stadium de vraagstelling zich bevindt. Uit het veldonderzoek blijkt dat tijdens het crowdsourcen de vraagstelling kan verschuiven van fase. Een vraag die hoort bij de beleidsvoorbereiding (fase 2) kan tijdens het crowdsourcen verschuiven naar de agenderingsfase (fase 1). Op het moment dat de ambtenaar bijvoorbeeld een probleem in overleg met medeambtenaren heeft gedefinieerd, valt de vraagstelling onder de fase van beleidsvoorbereiding. In deze fase is de ambtenaar op zoek naar ideeën en oplossingsrichtingen die het probleem kunnen oplossen of verbeteren. Op het moment dat de crowd in discussie gaat over de vraag- en probleemstelling (zoals het geval was tijdens de vraagstelling van de EZ innovatie 2.0 case) richt de discussie zich op het aanscherpen en afbakenen van de vraagstelling (fase 1), in plaats van het zoeken naar oplossingsrichtingen en ideeën (fase 2). Nadat er afstemming en afbakening van het probleem heeft plaatsgevonden, kunnen de deelnemers opnieuw met ideeën en oplossing komen (tweede fase). Tijdens de interviews werd ook benoemd dat de kwaliteit en hoeveelheid van de input sterk samenhangt met de helderheid van de vraagstelling. Daarnaast is het een belangrijke motivator voor sommige deelnemers dat het probleem, dat de aanleiding is tot het crowdsourcen, ook door hen als problematisch wordt ervaren. Een ambtenaar moet zich ervan bewust zijn dat verschuivingen in fases zich voor kunnen doen. Op dat moment is het belangrijk de crowd te ondersteunen, bijvoorbeeld bij het aanscherpen van de probleem- en vraagstelling.
Uit een van de interviews komt naar voren dat het belangrijk is om de crowd tussen twee fases ‘iets’ te geven. Dit ‘iets’ kan een samenvatting zijn van wat er tijdens het crowdsourcen is besproken en het dient dan als een afsluiting van de ene en de start van de andere fase. Op het moment dat er tijdens een tweede fase deelnemers in discussie gaan over de vraag of probleemstelling, kan er door te verwijzen naar de samenvatting van de eerste fase worden voorkomen dat dezelfde discussie opnieuw wordt gevoerd. Deze samenvatting dient geen gemiddelde te zijn van alle reacties en meningen van de deelnemers, hij geeft enkel de overwegingen aan die uiteindelijk tot een bepaalde overeenstemming bij de ambtenaar of minister hebben geleid. Het doel van het crowdsourcen betreft immers het verhogen van de kwaliteit van bestaand of te maken beleid en niet om de meningen van de burgers te achterhalen.

Type probleem en socialiteit Uit het veldonderzoek komt naar voren dat de mate van socialiteit op twee manieren van invloed kan zijn op het crowdsourcen. Socialiteit is noodzakelijk omdat het een van de weinige manieren is waarop sociale wicked problemen opgelost en doorgrond kunnen worden. Daarnaast zorgt socialiteit dat deelnemers worden gemotiveerd om op een constructieve manier deel te nemen tijdens het crowdsourcen. In het literatuuronderzoek wordt dit onderscheid wel impliciet gemaakt, maar komt het niet duidelijk naar voren. In dit deel van de resultaten (‘vraagstelling’), gaat de mate van socialiteit over het oplossen van

45

problemen in relatie tot wicked en tamme problemen. In het deel over de incentives zal de mate van socialiteit worden gekoppeld aan de motivatie voor deelnemers om bij te dragen. Gerelateerd, maar niet verbonden met de drie fases van beleid is het type probleem. In het literatuuronderzoek is het onderscheid tussen wicked en tamme problemen al beschreven. Daar beschrijf ik dat wicked problemen alleen op een socialere manier, vanuit verschillende perspectieven, door middel van groepsinteractie en overleg van betekenisgeving doorgrond kunnen worden. Bij de bestudeerde initiatieven kwam duidelijk naar voren dat de mate van socialiteit belangrijk was voor het behaalde resultaat. Bij de innovatie 2.0 case werd socialiteit zelfs als essentieel gezien voor het doorgronden van wicked problemen. Dit heeft volgens de initiatiefnemers geleid tot interessante resultaten. Dat socialiteit naast goede resultaten kan leiden tot andere positieve ontwikkelingen toont de innovatie 2.0 (‘community of talents’) spin-off aan. Deze bijeenkomst is georganiseerd door een kleine groep deelnemers om de levendige online discussie een vervolg te geven. Ruim 300 geïnteresseerden kwamen op dit evenement af, iets wat met het asociaal crowdsourcen (waarschijnlijk) niet van de grond was gekomen.

Conversatie

Verwachtingen crowd In het literatuuronderzoek heb ik voor sociaal en asociaal crowdsourcen aangegeven wat de verwachtingen zijn die mensen van elkaar en de ambtenaar kunnen hebben. Voor de innovatie 2.0 case blijkt dat de crowd inderdaad bepaalde verwachtingen heeft van de ambtenaar wat betreft reageren en antwoord geven op vragen. Er waren tijdens dit initiatief momenten dat de crowd een aantal dagen moest wachten op antwoord van de ambtenaar. Er is geen literatuur gevonden die dit punt specifiek beschrijft. Wel beschrijven de geïnterviewden dat dit vaak voorkomen kan worden door vooraf de verantwoordelijke ambtenaren een mandaat te geven om bepaalde zaken naar eer en geweten zelf af te handelen.

Open of gesloten crowdsourcen Een van de punten die tijdens het literatuuronderzoek naar voren kwam, was dat je bij crowdsourcen een zo groot mogelijk publiek wilt aantrekken. Dit wekt de indruk dat je aan een zo groot mogelijk publiek je vraag wilt voorleggen. Het crowdsourcen zou daarom toegankelijk moeten zijn waarbij iedereen de gelegenheid moet krijgen om een bijdrage te leveren. Uit de interviews blijkt dat dit niet geheel correct is. Zo is er wet- en regelgeving die ambtenaren verbied met journalisten en tweede kamer leden over het eigen beleidsdomein te praten. Hierdoor is het toelaten van ‘iedereen’ niet vanzelfsprekend. Ook bleken twee van de drie beleidsvragen van de EZ innovatie 2.0 case voor een beperkt publiek toegankelijk. Ondanks deze striktere toelating van deelnemers waren de resultaten niet minder dan bij een andere beleidsvraag die voor iedereen toegankelijk was. Het beperken van het aantal deelnemers die enkel behoren tot de doelgroep wordt vanuit de literatuur echter niet aangeraden. Het blijft belangrijk om een groep deelnemers te hebben die tot de vier categorieën van online-participatie behoren (makers, criticus, connector, crowd). In dergelijke (sociale) crowdsource-praktijken is het essentieel dat deelnemers zichzelf registreren om twee redenen. Het voorkomt dat zij reacties plaatsen die niet bijdragen aan het resultaat (spam of reclame) en het dient, tot op een bepaalde hoogte, ter bevestiging van de identiteit van de deelnemer.
In het onderzoek heb ik onderscheid gemaakt tussen sociaal en asociaal crowdsourcen. onder de innovatie 2.0 case zijn twee spin-off bijeenkomsten georganiseerd. Deze offline bijeenkomsten helpen de online-conversatie te versterken en dragen bij aan een betere dialoog met de overheid. Daarnaast kan dit evenement, dat kosteloos is georganiseerd, dienen als motivatie voor andere deelnemers. Het blijkt ook

46

uit het veldonderzoek dat een offline-bijeenkomst een positieve bijdrage kan leveren als je te maken hebt met complexe vraagstukken. De beschrijving in het literatuuronderzoek van de verschillende vormen van socialiteit is wellicht wat zwart-wit. In de praktijk zal er waarschijnlijk niet snel een compleet sociaal of asociaal crowdsource initiatief ontstaan. Het is in de meeste gevallen een combinatie waarbij een van de twee vormen de bovenhand heeft.

Incentives De mate van socialiteit geeft aan op welke manier de incentives ingezet kunnen worden. Veel van de motivaties die de deelnemers noemen, worden in het literatuuronderzoek ook beschreven. Bij het crowdsourcen van overheidsvraagstukken gaat het vaak over betere maatschappelijke oplossingen. Dit is een van de belangrijkste motivaties voor deelnemers en dit is ook wat je wilt triggeren. Je wilt met een grote groep een langdurige betrokkenheid creëren. Asociaal crowdsourcen Uit het literatuuronderzoek bleek dat tijdens het asociaal crowdsourcen mensen kennis zullen uitwisselen enkel voor dezelfde incentives als voor normale werkgerelateerde taken, zoals betalingen, promoties en reputatie. Dit zijn voornamelijk de excentrieke motivaties. Met incentives zoals geld creëer je een heftige maar korte betrokkenheid. Uit het veldonderzoek blijkt ook dat wanneer de excentrieke objectieve incentives worden ingezet het ministerie laat zien dat het eigenaar van de kennis is en bepaalt wat er mee gebeurt. Geld dient dan als vervanging van respect, waarde en vertrouwen en dus als vervanging van socialiteit. Zoals een van de geïnterviewden van de BZK case tijdens het interview aangaf, de deelnemers zijn dan eigenaar van de bijdrages die ze leveren. Wanneer individuen de perceptie hebben eigenaar te zijn van de kennis is het waarschijnlijker dat ze hun kennis inwisselen voor excentrieke subjectieve incentives, zoals reputatie, status en zelfrespect.

Het veldonderzoek toont aan wat in de literatuur reeds beschreven was, namelijk dat de informatie een belangrijke rol speelt in de vorm van een sociaal en ‘unfolding object’ (Knor Cetina, 2001). Deze objecten kunnen dienen als trigger voor sociale conversatie. Ze kunnen discussies Figuur 8 - Mate van socialiteit vs type incentive tijdens het crowdsourcen laten ontstaan en geven de deelnemer een reden om terug te komen. Er vanuit gaande dat het inzetten van excentrieke objectieve incentives niet altijd mogelijk is, moeten er middelen als waardering, respect voor de mensen die er zijn en voor de ruimte die ze nemen, worden ingezet.

Sociaal crowdsourcen De sociale manier van crowdsourcen heeft geen excentrieke objectieve incentives nodig om mensen gemotiveerd te krijgen. Uit het literatuuronderzoek en verschillende interviews komt naar voren dat bij sociaal crowdsourcen kennis wordt gezien als een publiek goed. Wanneer kennis als publiek goed wordt gezien, zijn mensen meer gemotiveerd om kennis te delen met anderen dankzij een gevoel van morele verplichtingen, in plaats van een wederzijdse verwachting van oplevering. De sociale manier zorgt dat 47

kennisuitwisseling wordt bevorderd doordat er gebruik wordt gemaakt van mechanismes die ondersteuning bieden aan het delen van verhalen van persoonlijke ervaring en door het discussiëren en debatteren rond zaken die relevant zijn binnen de communitie. Net als in een kroeg zorgt dit ervoor dat mensen een gesprek aangaan met elkaar. Deze bovengenoemde componenten van het sociaal crowdsourcen zijn een belangrijke motivator voor deelname. Deze vallen voornamelijk onder de intrinsieke motivaties en de communitie-interesse. In figuur 8 wordt grafisch weer gegeven hoe de mate van socialiteit in verhouding staat tot het type incentive. Uit de interviews met experts, deelnemers en ambtenaren (zie bijlage I) komen er, naast de eerder benoemde motivaties uit het literatuuronderzoek, ook nog een aantal andere motivaties naar voren. Een van deze motivaties is dat de deelnemers mogelijk de perceptie hebben dat ze beleidspunten geagendeerd krijgen of op een bepaalde manier invloed kunnen uitoefenen op bestaand of te maken beleid. Daarnaast blijkt transparantie, voornamelijk door de geïnterviewde ambtenaren zelf, als belangrijk te worden ervaren. Dit betekent dat het duidelijk moet zijn wat er uiteindelijk met de inbreng van de deelnemers gebeurt. Het blijft belangrijk dat de ambtenaar blijft communiceren met de crowd, zelfs op het moment dat de oplossingen en ideeën van de crowd niet gebruikt gaan worden.

Regels en regulatie

Censuur De geïnterviewden en de literatuur zijn in consensus wat betreft het inzetten van vormen van censuur. Enkel wanneer de crowdsource-praktijk wordt verstoord door het plaatsen van inhoudloze (spam) of beledigende en discriminerende reacties zou de ambtenaar, of in dat geval moderator, in moeten grijpen. Tijdens een van de interviews kwam er naar voren dat het kan gebeuren dat er reacties binnenkomen met meningen die wellicht niet die van de “gevestigde orde” zijn. Zolang deze reacties niet beledigend zijn en wel in relatie staan tot het onderwerp van de vraagstelling, zouden de ambtenaren dus moeten accepteren dat mensen dergelijke reacties plaatsen. Onderstaande opsomming geeft verschillende overeenkomsten tussen bevindingen uit het literatuur- en veldonderzoek.
In het literatuuronderzoek komt naar voren dat veel regelgeving het crowdsourcen kan tegenwerken. Dit blijkt ook uit een van de interviews waarbij veel regelgeving ervoor zorgde dat de diepgang, kwaliteit en het aantal reacties van de discussie lager uitkwam dan op momenten waarbij weinig regels werden gehanteerd. In zowel het literatuuronderzoek als het veldonderzoek wordt beschreven dat het verplichten tot het aanmaken van een profiel ervoor kan zorgen dat de deelnemers minder snel het crowdsourcen zullen verstoren door het posten van spam of reclame. Tijdens de interviews en de case-analyse werd duidelijk dat sommige deelnemers elkaar aanspraken op ongewenst gedrag (plaatsen van spam of reclame).

-

-

Disclaimer Het is interessant om een disclaimer op te stellen om kenbaar te maken dat de besproken beleidsonderwerpen tijdens het crowdsourcen niet daadwerkelijk tot nieuw beleid hoeven te leiden. Daarnaast kan de disclaimer de spelregels en voorwaarde aangeven waaraan online-input en gedrag moeten voldoen. Hiermee kan aan deelnemers en ambtenaren worden gevraagd transparant te maken wie ze zijn en welke expertise ze hebben (in bijlage IV staat de disclaimer van de EZ innovatie 2.0 case). Een startnotitie, zowel intern als extern, kan gebruikt worden om begin- en einddatum te communiceren, om aan te geven op welke manier de input zal worden gebruikt en teruggekoppeld, wie de betrokkenen (doelgroep) zijn en wie de discussie zal begeleiden (verantwoordelijke ambtenaren). Tevens kan worden 48

aangeven wie de uiteindelijke visie bepaalt. Is het de minister of (deels) de crowd die de uiteindelijke keuze voor implementatie maakt?

Crowd

Doelgroep In tegenstelling tot het commercieel crowdsourcen is het tijdens het crowdsourcen van overheidsvraagstukken van belang dat er ook een of meerdere doelgroepen worden gespecificeerd. De kans dat binnen deze groep mensen worden bereikt die enthousiast zijn om bij te dragen, is groter dan wanneer de oproep enkel algemeen zou zijn. Zoals blijkt uit de literatuurstudie zal slechts één tot tien procent van de mensen een bijdrage leveren wanneer ze een oproep hebben ontvangen om deel te nemen. Bij de EZ innovatie 2.0 case hebben zich meer dan 2000 mensen geregistreerd, echter ongeveer een paar honderd hebben er uiteindelijk een inhoudelijke bijdrage geleverd. De doelgroep is belangrijk om je crowdsource praktijk (kroeg) vol te krijgen. Uit het veldonderzoek blijkt ook dat wanneer er weinig of geen mensen meedoen met de discussie dit minder snel nieuwe mensen zal aantrekken, wat uiteindelijk een negatief effect op de resultaten kan hebben. Zo bleek bij het EZ innovatie 2.0 initiatief dat tijdens een discussie de crowd voornamelijk bestond uit mensen die op een bepaalde manier (door werk of studie) verbonden waren met het onderwerp van de vraagstelling.
Het is dus van belang om je initiatief onder de aandacht te brengen van zowel ‘de massa’ als van een of meerdere specifieke doelgroepen. Binnen het ministerie kunnen hiervoor collega-ambtenaren een rol spelen voor ondersteuning op het gebied van bijvoorbeeld marketing of communicatie. Het is duidelijk dat voor het innovatie 2.0 initiatief de doelgroep ‘de professional’ was. De keuze was hier eenvoudig: het Linkedin platform is een platform waar veel professionals actief zijn. Het koppelen van een doelgroep aan een communitie of een platform ligt niet altijd zo voor de hand als bij het innovatie 2.0 initiatief. Het is aan de ambtenaar om bestaande communities en platformen te benutten waar (een deel van) de doelgroep zich actief op begeeft. Als een doelgroep is gevonden, kan hier vervolgens op de volgende twee manieren mee worden omgegaan: 1. De ambtenaar kan het crowdsourcen inrichten op het bestaande platform waar de doelgroep op dat moment actief aanwezig is. 2. Een andere mogelijkheid is dat de communitie wordt geattendeerd op de aanwezigheid van een crowdsource initiatief op een andere locatie. Op deze manier kunnen de geïnteresseerden van een communitie (de doelgroep) in aanraking worden gebracht met de vraagstelling van de ambtenaar. Ik noem dit cross communitie bestuiving. Op het moment dat er geen doelgroep is gespecificeerd omdat deze niet bekend of gevonden is, bestaat de kans dat het aantal deelnemers tijdens het crowdsourcen klein blijft. Net als bij commerciële crowdsource partijen die een algemene oproep doen, is het dan interessant om te kijken of er excentrieke objectieve incentives ingezet kunnen worden om meer mensen gemotiveerd te krijgen om deel te nemen.

Ambtenaar

Anders werken De manier waarop de ambtenaar zijn werk kan doen verandert. Het verandert de manier waarop er met vaste belangenclubs worden gesproken en de manier waarop de ambtenaar zijn werk doet. Tijdens een van de interviews kwam naar voren dat er meer vrijheden zullen ontstaan voor de ambtenaar. Deze nieuwe manier van werken vraagt om openheid en transparantie. Het zijn twee belangrijke eisen om het crowdsourcen zonder excentrieke objectieve incentives te laten werken. De ambtenaar dient hier op basis 49

van gelijkwaardigheid met de crowd samen te werken, de crowd wordt immers niet betaald voor de ideeën die ze leveren en het ministerie is geen eigenaar van deze ideeën. De ambtenaar zal zich kwetsbaarder op moeten stellen, hij of zij heeft tenslotte een vraag. Het onderscheid tussen sociaal of asociaal crowdsourcen is hier weer van belang. Tijdens het asociaal crowdsourcen ‘neemt’ en ‘gebruikt’ de ambtenaar de kennis en kunde van de crowd, het enige wat hij daarvoor mogelijk ‘teruggeeft’, zijn excentrieke incentives. Bij sociaal crowdsourcen daarentegen is het een proces van continue geven en nemen tussen de ambtenaar en de crowd. Het werd ook duidelijk tijdens het interview dat deze vorm van crowdsourcen meer tijd kost voor de betrokken ambtenaren omdat er meer input en interactie wordt verwacht. Er was zelfs een moment tijdens het crowdsourcen waarop een deel van de crowd aan het wachten was op een reactie van een ambtenaar. Het is belangrijk dat er tijdens het crowdsourcen een ambtenaar aanwezig is. Op het moment dat een ambtenaar lange tijd niet aanwezig is, kan het sneller voorkomen dat sommige deelnemers ordeverstorend gedrag gaan vertonen. In onderstaande afbeelding is grafisch weergegeven hoe het asociaal en sociaal crowdsourcen zich tot elkaar verhouden. Het geeft aan op welke momenten de crowd en de ambtenaar een reactie geven. Bij het asociaal crowdsourcen geeft de ambtenaar vooraf aan wat de vraagstelling is, hij beantwoordt tussentijds een vraag of wijst Figuur 9 - Boven: asociaal crowdsourcen. Onder: Sociaal crowdsourcen deelnemers op ongewenst gedrag. Na afloop bepaalt de ambtenaar wat de beste oplossing is. Bij het sociaal crowdsourcen heeft de ambtenaar meer interactie met de crowd. Hij geeft niet zijn mening maar wel (feitelijke) informatie die de discussie kan helpen. Ook hier beantwoordt hij vragen en probeert de ambtenaar de discussie, wanneer deze afwijkt, te sturen.

Ambtenaar en crowdsourcen Elke ambtenaar is uniek en sommige werken hun hele carrière al op dezelfde manier. Sommige ambtenaren zullen hun manier van werken moeten veranderen willen ze de potentie van het crowdsourcen optimaal benutten. Tijdens het onderzoek bleek dat er binnen het ministerie verschillende initiatieven in gang zijn gezet om de ambtenaar in deze transformatie te begeleiden. Vanuit programma’s als ‘anders werken’ en de stichting ambtenaar 2.0 wordt hier op kleine en grote schaal aandacht aan besteed. Er zullen echter op dit moment, maar ook in de toekomst ambtenaren zijn die wellicht niet kunnen omgaan met deze vrijere, nieuwere manier van werken. Het ministerie moet zich dus ook afvragen of elke ambtenaar geschikt is om het crowdsourcen te begeleiden. Zo moet de ambtenaar voldoende kennis hebben over het onderwerp van de vraagstelling om zelfstandig, zonder terug te moeten naar een leidinggevende, vragen van de crowd te beantwoorden.
In het literatuuronderzoek zijn de redenen voor een ministerie om te crowdsourcen beschreven. tijdens een van de interviews kwam naar voren dat er voor de ambtenaren ook redenen zijn om zich bezig te houden met het crowdsourcen. Tijdens het crowdsourcen staat de ambtenaar extern maar ook intern op een bepaalde manier in de publiciteit. Hoewel de ambtenaren dit zelf niet expliciet noemden tijdens de interviews, kan de motivatie voor een ambtenaar om te starten met crowdsourcen worden gevonden in

50

de excentrieke subjectieve motivaties. Deze interne en externe publiciteit levert mogelijk waarde op die ambtenaren bijvoorbeeld kan helpen om carrière te maken.

Platform

Locatie platform en huisstijl De keuze voor het platform bepaalt in grote mate op welke manier het crowdsourcen wordt vorm gegeven. Afhankelijk van de mate van socialiteit tijdens het crowdsourcen kunnen er keuzes worden gemaakt over de soort en de locatie van het platform. In het literatuuronderzoek zijn de overwegingen voor het zelf bouwen of kiezen van een bestaand platform al beschreven. Tijdens het interview kwamen er ook andere overwegingen naar voren. Zoals de vraag of je het eigen ontwikkeld platform onderbrengt onder het ministeriele domein. Het blijkt dat wanneer dit gebeurt de website altijd aan webrichtlijnen moet voldoen en dat de ambtenaar enkel wijzigingen mag doorvoeren die eerst ter controle langs verscheidene collega-ambtenaren gaat. Het inrichten van een platform langs deze webrichtlijnen kost meer tijd en geld. Tevens wordt de ambtenaar beperkt in zijn handelen omdat het langer duurt voordat er wijzigen doorgevoerd kunnen worden. Deze manier van crowdsourcen geeft ook aan dat het ministerie eigenaar is van de discussie en de resultaten van het crowdsourcen.
Het plaatsen van een crowdsource platform op een aparte locatie geeft ook verplichtingen wat betreft huisstijl en webrichtlijnen. Echter, zoals blijkt uit de interviews zitten hier geen collega-ambtenaren tussen en wordt er minder strikt toegezien op het naleven van deze regels. Het blijkt dat het geheel toepassen van de webrichtlijnen qua kosten vaak niet in verhouding zou staan tot het opgeleverde resultaat. Een nadeel van het gebruiken van sommige bestaande platforms (zoals Linkedin) is, dat alles wat er op een dergelijk platform wordt achtergelaten uiteindelijk eigenaar van het platform wordt. Er bestaat een risico dat er veel geld en tijd wordt gestoken in de ontwikkeling van een crowdsource platform, dat voldoet aan alle webrichtlijnen, wat uiteindelijk niet succesvol blijkt te zijn (kroeg leeg). Om dit te voorkomen, zijn er mogelijkheden om eerst binnen een gesloten kleine groep te beginnen met het crowdsourcen (zoals het geval bij EZ). Om vervolgens de lopende discussie voort te zetten op een nieuw ontwikkeld platform. Zoals blijkt uit het literatuur- en het veldonderzoek dient een platform alleen ter facilitatie. Het geeft de crowd en de ambtenaren de ruimte om tot verbetering of oplossing van een bepaald probleem te komen.

51

Discussie en conclusie
In dit laatste deel van de scriptie ga ik in op de vraag of ik heb voldaan aan de beantwoording van de onderzoeksvragen. Ik beschrijf of en op welke manier vooraf gestelde doelen zijn bereikt. Ik geef aan wat de mogelijke theoretische en ministeriele implicaties zijn. Verder kijk ik terug op 6,5 maanden scriptie en beschrijf de beperkingen van dit onderzoek. Richtingen voor verder onderzoek worden gegeven bij de theoretische en ministeriele implicaties en bij de beperkingen van dit onderzoek.

Onderzoeksvraag
Het ministerie heeft de wens een excellent ministerie te zijn waarbij een zo hoog mogelijke kwaliteit wordt nagestreefd. Hierin passen andere, modernere vormen van werken, kennisbronnen en communicatie. Crowdsourcen is een dergelijke nieuwe kennisbron die volgens het veld- en literatuuronderzoek inderdaad zou kunnen bijdragen aan deze verhoging van kwaliteit. De onderzoeksvraag is opgebouwd uit twee delen die beide als deelvraag zijn gepositioneerd. In dit onderzoek wordt de volgende onderzoeksvraag gehanteerd: Op welke manier kan de ambtenaar crowdsourcen effectief en gericht inzetten om de kwaliteit van het beleid te verhogen en hoe kan de samenleving vooraf of tijdens het crowdsourcen gestimuleerd worden tot het deelnemen aan deze vorm van collectieve actie? Beantwoording van de onderzoeksvraag is voortgekomen uit de combinatie van literatuur- en veldonderzoek. Hierbij is naar aanleiding van oriënterende interviews en voorbereidend onderzoek tot een aantal variabelen gekomen die van belang zouden kunnen zijn tijdens het crowdsourcen. De hoofdvraag is opgedeeld in twee delen om de beantwoording ervan makkelijker te maken. De deelvragen zullen beide worden benoemd en ik geef een samenvatting van het antwoord op de deelvragen. De eerste deelvraag is als volgt: Welke strategische uitgangspunten kunnen de ambtenaar ondersteunen in zijn werkzaamheden voor en tijdens het crowdsourcen? In het literatuuronderzoek zijn de relaties en de afhankelijkheden tussen de variabelen beschreven, wat heeft geleid tot het uiteindelijke model. De zeven variabelen die het model telt, zijn de uitgangspunten die de ambtenaar ondersteunen tijdens het crowdsourcen. Het model is enkel een grafische representatie en dient ter verduidelijking en als hulpmiddel voor het begrijpen en vormgeven van de relaties en afhankelijkheden tussen de variabelen. Dit model bevat gegevens uit theorie en praktijk. Het combineert theoretische concepten uit ministeriele stukken, informatiekunde, kennismanagement, sociologie en sociale psychologie met ervaringen van deskundigen uit de praktijk. Het antwoord op de onderzoeksvraag moet duidelijkheid scheppen op ‘welke manier de ambtenaar het crowdsourcen in kan zetten’. De aanwezigheid van een model, in plaats van een stappenplan, geeft hier al aan dat er niet één enkele manier bestaat. Door alle 7 variabelen van het model langs te lopen kan het ministerie een crowdsource initiatief starten met een grote groep enthousiaste deelnemers. Een belangrijk element om de onderzoeksvraag te beantwoorden was de mate van socialiteit tijdens het crowdsourcen. Dit loopt als een rode draad door het model heen, en de verschillende elementen worden hierdoor beïnvloed. Deze socialiteit dient als trigger voor een aantal punten die tijdens het crowdsourcen van belang zijn. Zo motiveert het mensen om kennis te delen en om te leren, wat een belangrijk aspect is voor het crowdsourcen. Tevens is deze sociale manier beter geschikt om de complexere socialere (wicked) problemen te doorgronden. Het onderzoek toont aan dat zonder deze socialiteit het crowdsourcen alleen kan werken wanneer de incentives van excentrieke aard zijn (bijvoorbeeld geld).

52

De incentives en motivaties zijn het onderwerp van de tweede deelvraag: Wat zijn de mechanismen die de ambtenaar kan inzetten om de samenleving te betrekken en te motiveren (incentives) om bij te dragen tijdens het crowdsourcen? De mechanismen geven aan op welke manier de motivaties van mensen waarschijnlijk getriggerd kunnen worden. Ik gebruik hier het woord ‘waarschijnlijk’, omdat motivaties voor deelname voor iedereen verschillend kunnen zijn. De mechanismen die de excentrieke objectieve motivatie triggeren zijn duidelijk. Dit zijn tastbare beloningen in de vorm van producten of geld. Deelnemers worden intrinsieke gemotiveerd door: altruïsme, identificatie met en toegang tot een communitie. De triggers die ten grondslag liggen aan deze motivatie zijn: het bijdragen aan een gemeenschappelijk goed, waarbij een platform faciliteiten biedt om discussie te voeren en te bevorderen, om deelnemers de gelengeheid te geven vragen te stellen en te beantwoorden, om deelnemers de gelegenheid te geven om verhalen van persoonlijke ervaring te vertellen. Om discussie en debat te ondersteunen die relevant zijn binnen de communitie. Dit kan met samenwerkingstechnieken zoals, discussiegroepen, chatmogelijkheden en sociale software. De verhalen van persoonlijke ervaring kunnen de indruk wekken dat van het onderwerp van de vraagstelling wordt afgeweken. Deze persoonlijke verhalen zijn echter tijdens het crowdsourcen een motivatie voor deelnemers om een bijdrage te blijven leveren. Deelnemers worden excentriek subjectief gemotiveerd door: de mogelijkheid om te leren, statusverhoging en nieuwe carrièremogelijkheden. De triggers die ten grondslag liggen aan deze motivatie zijn: uitingen en exposure voor een of meerdere deelnemers. Dit kan door openheid te geven over wie er met een oplossing voor een bepaald probleem is gekomen. Om van elkaar te kunnen leren is het, net als bij de intrinsieke motivaties, van belang dat er een platform is dat de gebruikers hierin faciliteert. Samenvattend: Bij sociaal crowdsourcen dient het platform de deelnemers te faciliteren om discussie te voeren. Mensen zullen dan een bijdrage leveren omdat ze er plezier uithalen en zichzelf identificeren met de communitie. Bij asociaal crowdsourcen dienen de deelnemers een kans te hebben om iets van waarde te ontvangen. Dit kunnen producten of geld zijn, maar ook nieuwe carrièremogelijkheden.

-

Het crowdsourcen binnen de overheid kent een aantal randvoorwaarden die naar voren kwamen tijdens het onderzoek. Het moet duidelijk zijn wat het ministerie doet met de inbreng van de deelnemers en er moet terugkoppeling zijn, ook op het moment dat het ministerie besluit niets met de inbreng te doen. Het is essentieel om de crowd ook voor een volgende keer gemotiveerd te houden door te laten zien dat er daadwerkelijk iets met de inbreng is gedaan. De ambtenaar moet zichtbaar zijn op het platform zodat vragen daadwerkelijk beantwoord kunnen worden en de discussie gestuurd. Het betekent niet dat een sociaal crowdsource-initiatief dat uitgaat van intrinsiek gemotiveerde deelnemers nooit excentrieke incentives in kan zetten. Juist als afsluiting van een fase kan het interessant zijn om bepaalde deelnemers te bedanken voor hun (extra) inzet. Daarnaast kunnen deze incentives met name interessant zijn om een langdurige crowdsource-relatie, met eenzelfde groep deelnemers, te behouden. Dit kan door ze te vragen om binnen het ministerie een presentatie (op bijvoorbeeld een lunchlezing of open koffie) te geven of door bijvoorbeeld met een groep deelnemers en de minister uit eten te gaan.

53

Het blijkt uit dit onderzoek dat de offline bijeenkomsten van deelnemers en ambtenaren het online platform kunnen laten groeien. De verbinding tussen offline en online is voornamelijk interessant om deelnemers verder te motiveren om deel te nemen.

Theoretische implicaties
In dit onderzoek heb ik een onderscheid beschreven tussen twee manieren om te crowdsourcen, het asociaal en sociaal crowdsourcen. Deze manieren komen overeen met twee kennisperspectieven die ook zijn beschreven in de onderzoeksopzet (zie bijlage VI), respectievelijk het objectivisme en subjectivisme. Deze twee kennisperspectieven beschrijven verschillende manieren voor kennisontwikkeling en kennisuitwisseling. Beide wetenschappelijke tradities hebben hun stempel gedrukt op de manier hoe naar kennis(management) en de gevolgen hiervan gekeken kan worden. Het objectivisme is het dominante wereldbeeld in de westerse cultuur (Bunge, 1993) en heeft de grootste invloed op het kennismanagementdomein. (Huizing 2007a; Lakoff 1980 p113,185). Bij het objectivisme wordt ‘kennis’ losgekoppeld van de eigenaar en zijn emoties, gedachten en gevoelens, zodat kennisobjecten contextafhankelijk kunnen worden geïnterpreteerd. Dit gebeurt ook bij het asociaal crowdsourcen waar een commercieel bedrijf eigenaar is van de ideeën en producten die door de crowd worden geproduceerd. Het zijn voornamelijk gesloten processen en door middel van excentrieke objectieve incentives werden de rechten van het intellectueel eigendom overgedragen. Asociaal crowdsourcen wordt voornamelijk door commerciële bedrijven ingezet waar het dient als aanvulling van de R&D afdeling en als een middel om een bepaalde oplossing te krijgen om zo efficiënter te kunnen werken en daarmee meer winst of omzet te behalen. Dit onderzoek beschrijft ook een andere kant van het crowdsourcen, een die in de theorie weinig is beschreven. Deze manier van crowdsourcen (het sociaal crowdsourcen) vindt zijn oorsprong in het subjectivisme. Bij subjectivisme komen betekenisgeving, waarheid en inzicht voort uit interacties met de omgeving en andere mensen. Kennis bevindt zich niet alleen in de individuele mens, maar ook in de relaties die mensen met elkaar hebben tijdens bijvoorbeeld online discussie en debat. Bij sociaal crowdsourcen gaat het over meerdere belangen die behartigd moeten worden in de samenleving. Zo zijn er bijvoorbeeld burgers, boeren en organisaties die belang hebben dat een probleem voor allen optimaal wordt opgelost. Uit mijn onderzoek komt naar voren dat het asociaal crowdsourcen op dit moment het meest wordt toegepast. Voor de overheidssector blijkt echter dat alleen een asociale insteek niet voldoende is om de vaak complexe beleidsproblemen op te lossen. Daarnaast dienen er incentives van excentrieke aard ingezet te worden, wat niet altijd mogelijk is. Het objectivisme alleen biedt hierdoor geen theoretische basis voor het crowdsourcen in de overheidssector. De subjectivistische (sociale) manier van crowdsourcen alleen biedt ook geen theoretische basis voor crowdsourcen in de overheidssector. Een volledig subjectivistische manier van crowdsourcen zou betekenen dat er een eindeloze discussie zou ontstaan, die van weinig waarde voor het ministerie zal zijn. Het onderscheid tussen objectivisme en subjectivisme is al geruime tijd een onderwerp waarover geschreven wordt (Huizing 2007a; Rand 1990; Lakhoff 1980;). Meer recent worden beide filosofische tradities niet afzonderlijk, maar als een dualiteit beschreven (Huizing 2007b; Knorr-Cetina; Giddens; Latour; Wenger, 1998). Zoals hierboven beschreven, biedt één van de twee kennisperspectieven tijdens het crowdsourcen binnen de overheidssector geen goede basis voor het behalen van de kwaliteitsverbetering. Naar aanleiding van dit onderzoek concludeer ik dat een combinatie van beide manieren (sociaal en asociaal) noodzakelijk is, waarbij één van de twee perspectieven de overhand heeft.

54

Het crowdsourcemodel beschrijft vanuit kennismanagement en sociaal theoretische achtergrond op welke manier kan worden bepaald of het crowdsourcen meer sociaal of asociaal vormgegeven moet worden. In de literatuur die ik voor dit onderzoek heb bestudeerd, is alleen de asociale kant van het crowdsourcen beschreven. Ik beschouw dit onderzoek daarom als een aanvulling op bestaande werken omdat het inzicht geeft om crowdsourcen op een andere (sociale) manier vorm te geven. ik geef daarnaast aan wat een combinatie van sociaal en asociaal crowdsourcen kan opleveren voor theorie en praktijk. De verschillende definities van crowdsourcen benoemen het uitbesteden naar de massa (Howe 2006). Crowdsourcen binnen de overheidssector werkt op een vergelijkbare manier, maar met een kleine toevoeging. In dit onderzoek is naar voren gekomen dat het selecteren van een specifieke doelgroep of communitie belangrijk is om de crowdsource praktijk (snel) vol te krijgen. Bij crowdsourcen door commerciële instellingen, waarbij er excentrieke incentives worden ingezet, is het voldoende om alleen de massa aan te spreken. Het idee van het uitbesteden aan de massa is dat er altijd ergens wel een geniale geest de oplossing voor een probleem heeft. In de literatuur rond crowdsourcen ligt hier dan ook vaak de focus. Het zou mooi zijn als een deelnemer een briljante oplossing heeft, wat een bepaaldt probleem van de overheid oplost. De ruimte hiervoor moet er ook zijn. Echter, in de werkelijkheid komt dit weinig voor, omdat het vaak wicked problemen zijn die een ministerie heeft. Een enkele oplossing voor een probleem is dan vaak niet mogelijk. Hierdoor kan niet worden uitgegaan van alleen een paar deelnemers met een goede oplossing. Bij het crowdsourcen door overheidsinstellingen moeten deelnemers in discussie om het wicked probleem te doorgronden. Het is dus belangrijk om mensen met dezelfde interesse te hebben die in discussie willen over het probleem. Voor het crowdsourcen van overheidsvraagstukken is het naast de massa ook belangrijk om gerichter een oproep te doen en specifiek een doelgroep te specificeren en selecteren.

Aanbevelingen voor de praktijk, ministeriele implicaties
Tijdens dit onderzoek heb ik gesproken met verschillende ambtenaren van verschillende ministeries. Ik ben veel te weten gekomen, niet alleen over het crowdsourcen, maar ook over welke manier werkzaamheden binnen het ministerie worden uitgevoerd. Naar aanleiding van deze gesprekken heb ik een aantal aanbevelingen opgesteld. In dit deel geef ik puntsgewijs de aanbevelingen voor het ministerie. Ministeries moeten samenwerken om kennis te delen en kosten te besparen: Op dit moment zijn de werkzaamheden van ambtenaren aan veranderingen onderhevig. Deze veranderingen zijn niet alleen gaande bij LNV. Er wordt veel kennis en ervaring opgedaan met nieuwe manieren van werken dankzij pilots en experimenten, ook met het crowdsourcen. Deze experimenten zijn waardevol en het is belangrijk om als ministeries van elkaar te leren. Onderzoek en resultaten over crowdsourcing zijn nog steeds erg verspreid over de ministeries. Zeker op het gebied van platformkeuze, ontwikkeling en implementatie kan van elkaar geleerd of met elkaar samengewerkt worden. Zo kunnen kosten worden gedeeld en gezamenlijke ervaringen bijdragen aan een beter crowdsource platform. Om crowdsoucing duurzaam en langdurig te laten werken is er commitment nodig van het management. Tijdens de gesprekken met verschillende ambtenaren bleek dat de experimenten soms ‘bottum-up’ worden gestart. Hoewel dit heeft geleid tot interessante ontwikkelingen is er voor crowdsourcen op grote schaal ook commitment en ondersteuning nodig van het management. Uit interviews blijkt dat er soms angst en weerstand heerst bij sommige ambtenaren, die onder andere voortkomen uit het feit dat deelnemers reacties kunnen geven die niet overeenkomen met de denkbeelden van de minister. De crowdsource initiatieven die bij

-

55

verschillende ministeries gestart zijn hadden deze ervaring niet. Door als ministerie te gaan crowdsourcen en te laten zien dat het daadwerkelijk kan bijdragen aan de kwaliteitsverbetering kan er mogelijk een weerstand onder sommige ambtenaren doorbroken worden. Pas de (rijks)webrichtlijnen, naar eer en geweten, minder strak toe. Er kwam in dit onderzoek naar voren dat de regels en (web) richtlijnen de ambtenaar beperken bij het inzetten van crowdsourcen. Het van te voren reguleren en controleren van het crowdsourcen draagt niet bij aan de kwaliteitsverbetering die het beoogt. De kosten die gemaakt moeten worden om wel aan deze webrichtlijnen te voldoen, staan bijna niet in verhouding tot het beoogde resultaat van het crowdsourcen. Het is interessant om met meerdere ministeries te bekijken tot op welke hoogte deze regels gevolgd moeten worden. Ik raad ambtenaren aan om te beginnen met crowdsourcen en deze regels, wellicht in overleg, naar eer en geweten minder strak toe te passen. Pas het crowdsourcemodel aan, aan de hand van ervaringen met het crowdsourcen. In dit onderzoek is crowdsourcen bestudeerd volgens de huidige stand van zaken. De manier waarop ambtenaren werken en het crowdsourcen ingezet kan worden verandert continu. Het is interessant om kennis uit te wisselen tussen ambtenaren die ervaring hebben met crowdsourcen. Hiermee kunnen er wellicht aanpassingen of verbeteringen in het model worden aangebracht. De discussie over het inrichten van crowdsourcen kan online gevoerd worden, waardoor er wellicht een communitie ontstaat van ambtenaren die kennis hebben of geïnteresseerd zijn in het inzetten van crowdsourcen.

-

Reflectie
Het uitvoeren van dit onderzoek was een grote ontdekkingstocht. Het was de eerste keer dat ik zelfstandig een dergelijk groot onderzoek heb voorbereid en uitgevoerd. Ik heb veel gehad aan de gesprekken met verschillende begeleiders en ambtenaren, zowel over het onderwerp van de scriptie als persoonlijk. In het begin van het traject heb ik me laten leiden door veel meningen en aanbevelingen voor onderzoek. Tijdens het uitvoeren van het onderzoek is me duidelijker geworden dat de meningen die deze mensen hebben niet altijd de werkelijkheid hoeft te zijn en vaak alleen een andere manier is waarop ze naar de werkelijkheid kijken. Dit onderzoek heeft me beziggehouden, vaak van ‘s ochtends vroeg tot ’s avonds laat en vaak op een positieve en soms op een frustrerende manier. Regelmatig kreeg ik ingevingen op momenten dat ik niet bezig was met de scriptie. Het feit dat ik zelf geïnteresseerd was in de resultaten en de aanwezigheid van een werkelijke opdrachtgever, hebben er toe bijgedragen dat ik tot de afronding van de scriptie gemotiveerd ben gebleven. Het heeft me geleerd om een mate van verantwoordelijkheid en discipline te nemen die ik nog niet eerder in studie of werk heb genomen. Ik heb veel geleerd over de structuren en manieren van werken binnen LNV en andere ministeries. Het heeft mijn beeld over de overheid en politiek positief veranderd. Ik heb ook pogingen gedaan dit beeld bij vrienden en medestudenten te veranderen. De ambtenaren die ik heb gesproken waren zeer betrokken bij hun werk en deze gesprekken hebben me vaak stof tot nadenken gegeven. Bij de uitvoering van het onderzoek had ik te maken met verschillende stakeholders. Deze hebben mij geholpen in het structureren en vormgeven van de scriptie. Hierbij heb ik tips, inzichten en feedback in ruime mate ontvangen. Het grote aantal begeleiders is zowel interessant als ingewikkeld. Ik had te maken met verschillende stakeholders (UvA, LNV, V&M) die allen (terecht) verschillende belangen behartigden. Dit grote aantal begeleiders is de kwaliteit ten goede gekomen, maar heeft door het verwerken van feedback en opmerkingen meer tijd gekost dan gepland.

56

Beperkingen onderzoek
Een beperking van dit onderzoek is dat er geen data zijn verzameld en geanalyseerd waarbij een kwalitatieve relatie tussen het crowdsourcen en de zeven variabelen is aangetoond. Ik heb bewust voor een kwalitatief onderzoek gekozen. Voor het achterhalen op welke manier crowdsourcing werkt, is het interessanter om diepgaand op de variabelen van het crowdsourcen in te gaan dan de frequentie weer te geven van hoe vaak iets binnen een variabele voorkomt. Voor een onderzoek dat minder praktisch en meer theoretisch gericht is, kan een kwalitatief onderzoek interessant zijn. Hiermee kan het model dat voortkomt uit dit onderzoek dienen als basis om te bepalen of de uitspraken die horen bij het model ook generaliseerbaar zijn. Alle bevindingen binnen dit onderzoek, zowel uit de theorie als de praktijk zijn niet geschikt om te generaliseren naar andere cases, ondanks een grote verscheidenheid aan gebruikte literatuur. Daarnaast heb ik twee verschillende cases genomen wat het onderscheid tussen de twee vormen van het crowdsourcen verduidelijkt maar wat niet de generaliseerbaarheid verhoogt. Om de generaliseerbaarheid van de resultaten van deze studie te vergroten is het interessant om in een vervolgstudie aandacht te besteden aan het empirisch toetsen van het crowdsourcemodel dat voortkomt uit dit onderzoek. Ik heb gekozen voor een onderzoek gebaseerd op theorie van kennismanagement en sociologie. Ik heb deze keuze bewust gemaakt omdat het beter inzicht geeft in wanneer mensen online kennis delen en wat hen hierbij motiveert. Een onderzoek is vrijwel altijd subjectief. Ik heb keuzes moeten maken inzake het inrichten, toevoegen of weglaten van bepaalde delen van het onderzoek. Ik heb deze keuzes gemaakt en waar nodig verantwoord, op basis van ervaring en kennis die ik heb opgedaan tijdens de studie en in het dagelijks leven. In het onderzoek zijn meerdere bronnen gebruikt en triangulatie is op veel punten nagestreefd. Er zijn meerdere cases gebruikt waarbij het onderwerp van de studie bij beide cases op bepaalde punten verschilt. Ondanks dat, is het aantal cases en geïnterviewden beperkt. Daarnaast kunnen er vragen gesteld worden over de betrouwbaarheid van het onderzoek. De selectie van de deelnemers en experts voor de interviews is niet volgens objectieve regels verlopen. De keuze hiervoor is grotendeels gebaseerd op de beschikbaarheid van de geïnterviewde.

57

Referenties
Antikainen, M. (2007) The attraction of company online communities. A multiple case study. Academic dissertation. Department of Management Studies, University of Tampere, Finland: Tampere University Press. Brabham, D. , (2008) Crowdslapping the Government: First Amendment Protections for the Crowd in Government Crowdsourcing Ventures" Paper presented at the annual meeting of the Association for Education in Journalism and Mass Communication, Marriott Downtown, Chicago, IL Online Blau, P.M., (1964). Exchange and Power in Social Life. Wiley, New York. Bouman, W., Hoogenboom, T., Jansen, R., Schoondorp, M., Bruin, B. de, Huizing, A. (2008). "The Realm of Sociality: Notes on the Design of Social Software," University of Amsterdam, Netherlands . Sprouts: Working Papers on Information Systems, 8(1). Bouman W., en Hoogenboom T., (2008) A league of its own: towards a new ontology for social software. Fourth International Conference on Organizational Learning, Knowledge and Capabilities. Department of Business Studies, University of Amsterdam Business School Brown, J.S., Duguid, P., (1991). Organizational learning and communities-of-practice: toward a unified view of working, learning, and innovation. Organization Science 2 (1), pp 40-57. Choo, C.W. (1998), The Knowing Organization: How Organizations Use Information to Construct Meaning, Create Knowledge, and Make Decisions, Oxford University Press, New York, USA. Ciborra, C.U., Patriota, G., (1998). Groupware and teamwork in R&D: limits to learning and innovation. R&D Management 28 (1), pp. 1-10. Clary, E., Snyder, M., Ridge, R., Copeland, J., Stukas, A., Haugen, J., and Miene, P. (1998), Understanding and assessing the motivations of volunteers: A functional approach. J. Personality and Social Psychology 74, pp. 1516--1530. Csikszentmihalyi, M. (1975). Beyond Boredom and Anxiety: Experiencing Flow in Work and Play, San Francisco: Jossey-Bass. Deci, E.L., (1971). Effects of externally mediated rewards on intrinsic motivation. Journal of Personality and Social Psychology 18, pp. 105-115. Deci, E.L., (1972). Intrinsic motivation, extrinsic reinforcement, and inequity. Journal of Personality and Social Psychology 22, pp. 113-120. Dutton, W.H. (1996). Network rules of order: Regulating speech in public electronic fora. Media, Culture & Society, 18(3), 269-290. Fiske, A.P. (1992), ‘The Four Elementary Forms of Sociality: Framework for a Unified Theory of Social Relations’, Psychological Review, vol. 99, no. 4, pp. 689-723. Frissen, V., Staden, M., Huijboom, N., Kotterink, B., Huveneers S., Kuipers M., Bodea G., (2008) Naar een ‘User Generated State’? De impact van nieuwe media voor overheid en openbaar bestuur. TNOrapport 34466

58

Grant, R.M., (1996). Toward a knowledge-based theory of the firm. Strategic Management Journal 17, pp. 109-122. von Hippel, E. (1988) The Sources of Innovation. New York: Oxford University Press. von Hippel, E. (2005) Democratizing Innovation. Cambridge, MA: MIT Press. Huizing, A. and Bouman, W. (2002), ‘Knowledge and Learning, Markets and Organizations: Managing the Information Transaction Space’, in Choo, C.W. and Bontis, N. (eds.), The Strategic Management of Intellectual Capital and Organizational Knowledge, Oxford University Press, New York, USA. Hupe, P., Beukenholdt-ter Mors M., Klaassen H. (2000) Publiek onderhandelen: een vorm van eigentijds besturen. Kluwer. Ignatius, D. (2001) Try a network approach to global problem-solving. International Herald Tribune. Jarvenpaa, S., Staples, D.S., (2000). The use of collaborative electronic media for information sharing: an exploratory study of determinants. Journal of Strategic Information Systems. Volume 9, (2-3), pp 129-154 von Krogh, G., 1998. Care in knowledge creation. California Management Review 40 (3), 133-153. Knorr Cetina, K. (1997), "Sociality with objects: social relations in post-social knowledge societies", Theory, Culture and Society, Vol. 14 No.4, pp.1-30 Lakhani, K.R., Jeppesen, L.B., Lohse, P.A., & Panetta, J.A. (2007). The value of openness in scientific problem solving. Harvard Business School Working Paper No. 07-050). Lakhani, K.R. and Wolf, R.G. (2005) ‘Why Hackers Do What They Do: Understanding Motivation and Effort in Free/Open Source Software Projects’, in J. Feller, B. Fitzgerald, S.A. Hissam and K.R. Lakhani (eds) Perspectives on Free and Open Source Software, pp. 3–22. Cambridge, MA: MIT Press. Lakhani, K.R., and Von Hippel, E. (2003), How Open Source Software works: ‘Free’ User-to-User Assistance, Research Policy, 32 (6), pp. 923-943. Lave J., Wenger E., (1991) Situated Learning: Legitimate Peripheral Participation (1991) Cambridge: Cambridge University Press Lerner J., Tirole, J., (2002) Some Simple Economics of Open Source. The Journal of Industrial Economics, Lessig, L. (1999). Code: And other laws of cyberspace. New York: Basic Books. Lessig, L. (2004). Free culture: How big media uses technology and the law to lock down culture and control creativity. New York: Penguin. Lévy, P. (1997). Collective intelligence: Mankind’s emerging world in cyberspace (R. Bononno, Trans.). New York: Plenum. McLure Wasko, M., Faraj S. (2000) It is what one does: why people participate and help others in electronic communities of practice. Journal of Strategic Information Systems, 9 pp. 155-173 50 (2) pp. 197-234

59

Masum, H., & Tovey, M. (2006) Given enough minds…: Bridging the ingenuity gap. First Monday, 11(7). Noveck, B.S. (2006). “Peer to Patent”: Collective intelligence, open review, and patent reform. Harvard Journal of Law and Technology, 20(1), pp. 123-162. Nov, O. 2007. What motivates Wikipedians? Communications of the ACM, 50 (11), pp. 60 - 64 Noveck, B.S. (2003). Designing deliberative democracy in cyberspace: The role of the cyberlawyer. Boston University Journal of Science & Technology Law, 9(1), 1-91. O'Reilly, C., (1982). Variations in decision maker's use of information sources: the impact of quality and accessibility of information. Academy of Management Journal 25 (4), pp. 756 -771. Orlikowski, W.J., (1996). Learning from notes: organizational issues in groupware implementation. In: Kling, R. (Ed.), Computerization and Controversy. Academic Press, New York, pp. 173-189. Post, R.C. (1995). Constitutional domains: Democracy, community, management. Cambridge, MA: Harvard University Press. Rittel, H., Webber, M., (1973) Dilemmas in a General Theory of Planning Policy Sciences 4, (2) pp. 155-169 Roberts, J., Hann, I., Slaughter, S. (2006) Understanding the Motivations, Participation and Performance of Open Source Software Developers: A Longitudinal Study of the Apache Projects. Marshall School of Business Working Paper; Management Science, Forthcoming Rossiter, N. (2006) Organized Networks: Media Theory, Creative Labour, New Institutions. Rotterdam: NAi Publishers. Schultze, U., (1999). Investigating the contradictions in knowledge management. In: Larsen, T.J., Levine, L., de Gross, J.I. (Eds.), Information Systems: Current Issues and Future Changes. IFIP, Laxenberg, pp. 155-174. Shen, C. and Cho, H. "Why People Contribute to Online Learning Communities: A Case Study on Motivational Factors" Paper presented at the annual meeting of the International Communication Association: Sheraton New York, New York City, NY Online Surowiecki, J. (2004) The Wisdom of Crowds: Why the Many are Smarter than the Few and How Collective Wisdom Shapes Business, Economies, Societies, and Nations. New York: Doubleday. Tjalma- den Oudsten, H., Bleijenberg, C., Kaspers, F., Boom, N., (2006) Handreiking Burgerparticipatie in de Wmo, juni 2006, 2. SGBO Verschuren, P. & Doorewaard, H. (1998). Het ontwerpen van een onderzoek. Utrecht, Uitgeverij LEMMA Viitamäki, S., (2008) The Flirt Model of Crowdsourcing –Planning and Executing Collective Customer Collaboration Marketing. Helsinki school of economics (hse) department of marketing and management Wenger, E. (1998), Communities of Practice – Learning, Meaning, and Identity, Cambridge: Cambridge University Press.

60

Bijlage 1: Uitwerking interviews
Interview Krispijn Beek, EZ, Innovatie 2.0
Kan je wat over jezelf vertellen: Ik ben beleidsmedewerker, zit op twee type dossiers. Duurzaamheid en ondernemen. Duurzaamheid is duurzaam ondernemen geworden. Vorig jaar op innovatie 2.0 gesprogen. Rod: Hoe is dat initiatief ontstaan? Kris: Begon op de innovation lecture vorig jaar. Charles leadbeater sprak, verhaal over je bent wat je deelt. Vanuit een van de tafels kwam de opmerking dat ze een fantastisch mooie discussie hebben gehad vandaag en of we dit ook niet online plaats laat vinden. Kris: ten eerste kan het, ten tweede de vraag hoe moet dat dan. Krispijn deze vraag op a2.0 gezet. Oktober vorig jaar. Je was je eigen crowdsource initiatief aan het crowdsourcen. De opdracht van de minister gekregen, kan wel denken dat ik de expert ben, veel verder komt het dan ook niet. al snel bleek al dat de site open was dat andere ministeries gingen reageren. Toen is het naar linkedin getrokken Toen kwamen er ook commerciële bureaus. Was ook spontaan, maar richard plat zei, dit wordt wel high profile Besloten groep en een paar moderators erbij. Een van de dingen was dat richard al 15 jaar innovatiebeleid doet in Nederland, hij zei ik ken 80% van de mensen die we willen spreken toch wel. Uiteindelijk vrij snel, kende we niet meer dan 30%. Vraag die we stelde, de begrotingsrondes zijn allang gesloten, we hebben geen budget. Dus aquisities van we doen dit voor je voor 1 ton dat zijn deals die kende ik. Ro: dit is dan bijna de agendavorming van het geheel als ik dat zo kan noemen. Ja dit is de opdracht geweest van de minister, hoe werkt dit dan. dit is de opdracht geweest van de minister en er een fatsoenlijk plan voor maken. Zijn op zoek naar de input van beleid. Over nu en tien jaar hebben we hier jou generatie binnen die zijn gewoon gewend om een vraag uit te zetten op hyves of linkedin of waar dan ook. En we zijn intern snel steunpilaren gaan zoeken. Het is van de directie innovatie, en binnen de directie ondernemen hadden we vrij snel een lid wat er kansen in ziet. Zodoende kreeg ik wat tijd en toestemming om er tijd in te steken. Zo ook de directie communicatie. Als je kijkt, beetje backoffice kant je hebt een beetje steun gezocht bij je collega’s en directies om het geheel van de grond te krijgen nog steeds. Dat is het zwaarste deel van het traject, dat voorloopstuk. Want iedereen vraagt dan altijd wat is het concrete eindresultaat. Dat is het idee van crowdsorucen natuurlijk. Je gaat langzamerhand de beleidsagenda bepalen. Terwijl ambtenaren heel erg gewend zijn om eerst beleid te maken en vervolgens de burger inspraak te vragen. Das de beste manier van weerstand creëren. Je moet ze al veel eerder mee laten praten met dat verhaal. Daar zit toch wel de crux. Ook praten met ambtenaar van de toekomst. Jullie zijn hier mee bezig met nieuwe werken, past dit erin of niet. paste er wel in.

61

Waarom in begin gesloten? Als ambtenaren heb je te maken met het zogenaamde lid van kok. Dat stelt dat je niet mag praten met minister en tweede Kamerleden. Das vrij lastig op internet. Want alles wat ik doe is door iedereen te lezen. Dat zit in je ambtenaar arar iets. En juist over je eigen beleidsterrein. De keuze om gesloten te doen was daarna vrij logisch. En de mensen die er toen bijkwamen, op een uitnodiging worden mensen dan binnengehaald, of hoe zit dat? We hebben ons netwerk helemaal uitgenodigd en daarna ging het vrij snel, vriendjes van vriendjes, collega’s van collega’s. in een maand zaten we op 1000 man. In een maand hadden wij maar twee van de discussies gestart. De eerste vraag die je stelde was eigenlijk we hebben geen geld en we zijn op zoek naar input voor innovatiebeleid hoe gaan we de dat doen? we willen toch jullie mening horen, hoe bouwen we dan zo’n platform op internet. Hoe bereiken we ze. Ro: dat was het verkennende crowdsourcen. Hoe zijn jullie omgegaan met de regel van kok? Voor de mensen die meedoen hebben we een apparte disclaimer gemaakt, met dat alles dat we zeggen niet tot werkelijk beleid hoeft te leiden. Als je mee wilt doen in de discussie als ambtenaar van ez dan heb je toestemming nodig van management. Vanuit andere ministerie of ondernemer maakt het niet uit, want daar gaan we niet over. Het gaat dus om de ez collega’s die moeten zich houden aan de disclaimer en moeten van management toestemming hebben om deel te mogen nemen. we hebben ook afgesproken het is een geselcteerd aantal dossiers dat we vanuit ez inbrengen, alle andere ander dossiers mag je uiteraard bediscussiëren. Iemand had een discussie begonnen over diensteninnovatie, die hebben wij niet ingebracht. Hij kan dat natuurlijk proberen om te agenderen. En ze te overtuigen van waarom wij als ez dat zouden moeten dat is iets anders dan dat we dat, dat wil niet zeggen dat we er dan wat mee moeten. Wat we doen dossier met wsbo, vertaalinstrument. Daar hebben we wel wat ideeën over. Daar moeten we wel feedback over geven. Dit hebben we aan ideeën gehad omdat jullie je eigen dossier hebben ingebracht. Met de ingebrachte zoals b.v. diensteninnovatie, daar zouden we wat mee kunnen doen als het de betreffende dossierhouder uitkomt. Hoe maken jullie duidelijk dat jullie een dossier zijn gestart. Ten eerste door wie begint de discussie. Bij wsbo is een apparte linkedingroep opgericht die alleen heeft opengestaan tijdens wsbo, wet bevorderings speur en onderzoekswerk. Daar is dus een apparte groep gemaakt en bericht geweest de discussie gaat nu van start daar. De resultaten zijn te vinden op ez.nl Overheid als launch your customer. De vraag hebben we gelijk in de algemene groep gesteld. Toen zag je dat niemand meer ging naar die gesloten versie. Reden voor gesloten groep? Per thema zou er een apparte groep opgericht worden. En 3 dossiers uitgekozen. Apparte groep waar alleen mensen zijn toegelaten die alleen bezig zijn met wsbo werk. En de tweede, launch your customer

62

ging dat verkeerd omdat we de vraagstelling op beide plekken zetten en dan blijft die groep dus zitten waar je zit. Je gaat niet naar een lege kroeg. Tenzij er niks te beleven is in de volle kroeg waar je zit. De derde is cultuur en economie, innovatieprogramma voor. Dat gaat binnenkort van start bij een appart platform bij senternovum. Dat gaat los van linkedin. 2e was een iets onhandigere insteek van de dossierhouder. Weet je wat ik doe gewoon copy paste. 2 keer dezelfde vraag. Dat was dus een leerpunt voor ons dat als je dat doet dan blijven mensen dus in de volle kroeg. Zit er verschil in de resultaten tussen die twee? Hier zag je 200 reacties in 2 dagen en bij die andere zag je 40 reacties in vier weken. Waren die van 40 nu juist zo veel beter? De kwaliteit was van beide wel vrij hoog. Het waren niet de geenstijl versies van reacties. Das het grote voordeel van linkedin je profiel hangt eraan. Het is begonnen om je cv te pimpen in de netwerkstructuur. Op hyves was bedoelt om beetje keet te schoppen. Linkedin is wat serieuzer. Op linkedin schop je niet te veel keet want het is wel je profiel. Launhing customer zaten er wat meer schitterende ongelukjes in in de zin van, discussie over kan je als overheid wel echt innovatief inkopen. Iets wat meer scherpte inkrijgen. Moderators, wat was de rol van die mensen? Als moderator lieten we mensen toe, op basis van hun linkedin profiel, zit je in de tweede kamer of ben je journalist. Rol van moderator was toelaten of niet, hadden jullie nog een bepaalde moderatorrol? Wat we wel hebben gedaan, discriminerende reacties, etc. een keer iemand aangesproken nadat de groep ons had gecontacteerd, over blonde vrouwen grapjes. Die disclaimer voorziet die ook in de regels waarna je kan verwijzen als je een reactie verwijderd. Nee bij die eerste groep hebben we die niet gemaakt, bij de latere groepen zijn we wel strikt geweest, er mag alleen maar on topic. Alleen ez start discussies. Ging niet bruisen omdat ze allemaal regulaties en regels hadden opgesteld. Als de barman alleen maar mag beslissen wanneer er geschonken wordt dan wordt het niet gezellig in de kroeg. Of wanneer een iemand maar mag bestellen, 1 drankje. Dat was in de eerste wsbo groep, in eerste instantie wel dus die regels op gegeven moment niet meer? Ja, vraagstelling was niet helemaal helder, hebben we aangescherpt, vragen over hoe sommige dingen zitten. Er moest weer intern teruggeschakeld worden de hierarchie in, met de vraag mogen we hem zo aanscherpen. Ja nee, vragen over hoe dingen soms zitten. Eigenlijk zou je een mandaat moeten geven aan je medewerker of je hier naar eer en geweten, zo goed mogelijk zelf eea regelt. Zo goed mogelijk antwoord geven volgens de kennis en de antwoorden die jij hebt. Als je dat niet duurt het te lang om terug te koppen. Eigenlijk zou je dan alleen de eerste keer terug moeten naar de ‘backoffice’ en bij het eind als je de beslissing wil implementeren, of de keuze wilt maken. Of als je hele politiek gevoelige dingen tegenkomt. Als je 1 dag niet reageert krijg je al vragen? In het begin al veel vragen gehad, waar blijven jullie nou waar blijven jullie nou? Het was stil hier.. toen hadden wij te horen gehad dat we dat we week moesten wachten, ook procesmatig, op de uitspraak van

63

minister. Of het is zo dat, hey de waard is er niet we gaan keten, dan heb je een veel groter probleem. of ze lopen weg. Als we het hebben over de moderator, er zijn geen regels voor de mensen die deelnemen. Jullie regeuleren dan op spam, flooding, mensen die het crowdsourcen verstoren. Daar controleren jullie dan op? Ja Is er een vorm van zelfregulatie waarbij de deelnemers elkaar kunnen beoordelen. Ze kunnen ons tippen maar linkedin dat is heel beperkt in zijn mogelijkheden daarvoor. Dus dat is echt mailtje sturen. Je ziet dat de groep zichzelf reguleert, mensen die schamteloos promotie maken voor zichzelf, die worden daarop aangesproken. Een van de leerpunten voor ons geweest ook, normaal spreek je met a met b met c, jij kiest een opplossing en minimaal 2 van de 3 zijn boos. Nu geeft a antwoord, en zegt b hallo, dit kan niet want. En c zegt de waarheid ligt in het midden, dan heb je twee reacties, als jullie er al niet uitkomen. Bij het kiezen van beslissing hebben ze elkaar mening en motiven al gehoord. Dit creert dan niet zozeer draagvlak maar meer begrip. de eerste vraag die jullie stelde was dus in de oriënterende fase. Jullie doen wat met jullie eigen dossiers, en de overige daar kan wat meer gebeuren, het wordt iig onder de aandacht gebracht. Je ziet, ze zijn het zelf begonnen (Diensteninnovatie) aantal hele scherpen figuren uit het bedrijfsleven opgedoken in die groep. Er wordt nu samen gewerkt richting, wat er op de agenda komt. Dat wil niet zeggen dat dat gebeurd. Maar het staat op het netvlies. Is het een vraag die een einde kent, of is het een continue proces? Het zijn, voor ons, besloten processen. Maar die groep gaat natuurlijk door. Daar bljif je wel mee in discussie, om te vragen wat ze nu bedoelen, op thema’s die ze aan dragen. We beginnen tegen de beperkingen aan te lopen, als je echt gecommitteerd wil zijn. moet je overal reageren. Nu alleen Linda en ik die dat doen. maar als in communicatie groep wordt gesproken moet daar iemand vanuit communicatie meedoen. Jullie zeggen zelf, we hebben een bepaalde tijd beschikbaar, die communiceren jullie. en aan het eind zeg je we gaan nu kijken wat je met de uitkomsten gaat doen, of je verplaats die deadline? Ja zo gaat dat. We zijn nu aan het kijken hoe we het, kunnen inbouwen in het werkplan voor 2010. Daarin kijken we welke thema’s zich lenen om in te brengen. Welke directies, in een notities moet dat wel naar de minister. En wat stellen we voor als vervolgstap. Ik had zelf conversatie genoemd en of je dat echt als een sociaal proces laat plaatsvinden? Innovatie is voor mij echt heel erg een sociaal proces, mensen die elkaar vinden. Veel mensen die daar inzitten en mensen die beginnen te linken. en door dat linken komen mensen weer in contact met elkaar, als 1 iemand een idee heeft kan het zijn dat het niet van de grond komt. Als ze met z’n 20en samenkomen komt dat misschien wel van de grond. Controle: web 2.0 is web 2.0 mensen spreken elkaar net zo hard aan. We willen geen geen stijl. Over het platform. Als daar je netwerk zit, dan is dat het makkelijkst om te starten. Dan dat je zelf iets maakt en er naar 2 maanden achterkomt dat er niemand zit. Z’n groepje op linkedin, als dat geen succes was geworden, en alleen maar een paar ezers, dan had dat niet uitgemaakt. Je moet wel scoren erop, de minster heeft gezegd dat ze zich er mee bezig gaat houden. Voor het volle kroeg effect is het dus

64

belangrijk dat linkedin is gekozen, want de groep is sterk gegroeid. Voor een aantal andere aspecten, ik vind het platfom niet overzichtelijk, en nadeel is het is niet jou informatie, het wordt als het ware van linkedin. Er zijn een aantal platforms die ez zelf al heeft, platfromvoorbedrijven, higerlevel, forum voor ondernemers. Waar we wel faciliteren maar niet echt zelf mee doen. als je nu zou beginnen met z’n platform, zou je daar veel meer dat sociale inbrengen. Als je daar met linkedinachtige profielen zou werken. Dan kan je er meerwaarde uithalen. Incenitves : heb je daar van tevoren aan gedacht? Nee, we wisten niet of er mensen kwamen. Wat is de incentives, je hebt er geen flikker aan. Stel je voor dat er weinig mensen zijn, zou je dan daarna een plan hebben om incentives te gebruiken om mensen te motiveren? Als de minister had doorgezet, ik wil dit toch, dan was je daar naar gaan zoeken. Maar dan was de boodschap van de minister geweest, dit heeft u gezegd, er zitten 4 ezers in een leger kroeg. Dan moet je publiciteitscampagne verzinnen. Zie je die incentives nu echt als een sturingsmogelijkheid? Ik geloof wel dat er een sturignsmogelijkheid is, aantal van die mensen worden ook uitgenodigd voor lunchlezeingen. Om hier wat bij de traditionelere ambtenaren aandacht te krijgen. Wij hebben daar van te voren niet over nagedacht. Ik ben er van overtuigd dat als je dat structureel eerder aanpakt. En de oplevering van het resultaat, kiezen van implementatie? Oplossingen gaan de lijn in, op naar de minister. Dat is afhankelijk van de minster, dossierhouder doet dat en afhankelijk van de minster of ze het over neemt. De meest vergaande manier zou zijn dat de minister zich van tevoren commiteert en de oplossing daarna overneemt. Resultaat, gene wat er op de site staat, zie je dat dan meer als publiek goed of als iets waarvan het ministerie eigenaar is. toch meer een publiek goed in mijn ogen, zoiezo vind ik het idee dat het ministerie eigendom is van iets onzin, want het ministerie heeft allerlei tussenlagen. Community of talents met van dulk over praten. Harold van gardere starten. Eerst hadden voorgaande iets moet ministerie erbij zijn. we mochten uiteindelijk meedoen, als gelijkwaardige partner in het geheel. Koste veel vrijetijd. Gaat ook om scoren voor minister. Hoe beloon je mensen daarvoor. Presentatie doorsturen van interactiefbeldeid. Ok. Werk je hem bijna in 5 a 7 stappen. Je kan kiezen hoe interactief je wordt. Je hebt de ladder, maar heb ook matrix. De participatiematrix heeft aan ene kant fase van beleid andere kant bestuur. Max herlold sociale zaken, interactieve beleid man. Met participatielader zijn we gewend om te kijken naar co-creatie, inspraak en consuiltatie.

65

Interview Wouter den Dulk, deelnemer innovatie 2.0
Introdcute geven van hetgeen je in het dagelijks leven doet Wou: dat kan ik, ben directeur eigenaar van een bedrijf dat heet top. Met 17 man zitten wij in wageningen, we zijn geen kennisinstelling, geen universiteit, geen consultansie, engineersbedrijf en we verkopen ook niks. We combineren advies kennis, ontwikkeling, gericht op applicaties, dat kunnen levensmiddelen en producten zijn dat kunnen productiemachines zijn of fabrieken. Dat doen we in de levensmiddelenindustrie en heel specifiek op vers en versbewerkers. Inmiddels voor veel huismwerk leveranciers in noord europa die innoveren niet zelf, die besteden dat tegenwoordig uit, en dat doen ze bv. Bij ons. Ro: dat linkedininitiatief is ontstaan op a2.0, daarna is het naar linkedin gekomen. Hoe kwam je terrecht bij het initiatief? Wou: Mijn bedrijf doet drie takken van sport, levensmiddelen producten, 2e, productiemachines en fabrieken en derde is innovatiemanagement. Dat laatste is hoe innoveert een bedrijf hoe werk je samen tussen bedrijven, hoe krijg je een innoverende maatschappij. We zijn helemaal gespecialiseerd in die tak van sport. Dat is niet alleen zo in de levensmiddelenindustrie, maar dat is een generiek inzicht. Bv hoe zit je businessmodel in elkaar, hoe zet je samenwerking op, hoe vind je nieuwe ideeën. Hoe giet je ze in een contractvorm, hoe regel je financiering. Die zo generiek is dat we daar een apparte dienst voor gemaakt hebben. Dat noemen we innovatie manamgement. Alles rondin innovatie management, houden we goed bij. Hebben goede grote netwerken in. Daar rekenen we inmiddels ook wel de linkedin innovatie 2.0 groep bij. Op dit moment heet hij de innovation 2.0 community of talents. Initiatief ook bijeenkomst georganiseerd, kwamen 500 mensen op af. 30ste nieuwe bijeenkomst iets kleiner, concreter worden. Grap van de linkedingroep is, allemaal mensen die zich bezig houden met vernieuwing, zich bezig houden met beetje relatie met beleid, vrij veel ondernemers, ook aantal mensen die inhoudelijk ook goed belezen zijn. en dan ook nog niet sector gebonden. Zorg, bouw, voeding kom je daar tegen. Het is sector overschrijdend maar in alle gevallen vernieuwend. Ro: ok, wat was dan de reden voor jou om naar dat platform toe te gaan? Wou: ik was heel vroeg al betrokken bij innovatie 2.0, als je vraagt hoe ben je erbij gekomen, dat weet ik niet eens meer. Het was wel ergens vorig jaar november december, toen de groep net bestond. Toen heb ik me aangemeld, en vanaf het begin waren er best interessante discussies. Vanaf toen ben ik een beetje blijven hangen. Ik denk dat ik ook vrij hoog zit in het aantal reacties. Twee netwerken waar ik me heel actief op begeef, das de linkedin groep en de twee is foodlog.nl. gaat over voedselverwerking. Heeft 40.000 bezoekers per maand. En daar laat ik ook dagelijks meerdere berichten achter. Zijn we ook adverteerder. Ro: hoe denk je dat andere mensen daar terecht zijn gekomen. Waarom mensen platform kwamen bezoeken. Wou: ik denk dat ik mijn linkedin profiel 3 jaar geleden heb aangemaakt, net zo als velen. Hele tijd niet zo heel veel mee heb gedaan. Maar linkedin is nu een 1.5 jaar geleden erg populair geworden. Linkedin als je het vergelijkt met facebook of hyves, is veel meer gericht op de professional. Vanuit de innovatie managementtak bemoeien we ons gevraagd en ongevraagd met overheden. Met name landelijke overheden, die provincies laat ik lekker zitten. Hoe kan je er nu voor zorgen dat je een beter innovatie ecosysteem krijgt in Nederland. Dat is niet hetzelfde als een kennisland creëren. Dan ben je toch altijd bezig met waar bevinden zich gelijkgestemde. Personen die daar ook een mening over hebben. Deze

66

linkedin groep is in korte tijd waanzinnig populair geworden. Hebben inhoudelijk zeer goede discussies plaats gevonden. Daarna heb ik eens een keer geroepen nou hebben we alles wel besproken, wat er besproken kon worden ik kom niet meer terug. En je ziet nu dat er een tweede fase aan het ontstaan is waarbij mensen die het net ontdekt hebben. En nu begint er ook de herhaling te komen. Discussies die eerder hebben plaats gevonden die eerder hebben plaats gevonden worden weer ergens gestart met vaak dezelfde resultaten. Ro: de meeste mensen zijn er terecht gekomen omdat ze.. Wouter: Wat je ziet is, in de levensmiddelen industrie heeft mijn bedrijf inmiddels een behoorlijke positite, ik ben niet onbekend. En wat je ziet, hoe creeer je een netwerk dat is ook door te spieken. In de netwerken van andere. Ik weet gewoon, ik zeg niet dat het specifiek voor deze linkedingroep zo is, maar dat er gespiekt is, waar hij heeft hij zich bij aangesloten dan sluit ik me daar ook bij aan. Ik kan me dus voorstellen, dat dit bij een linkedingroep ook zo gaat, namelijk een paar mensen beginnen het, dan krijg je een cirkel van mensen die eromheen zitten die gelijkgestemd zijn, die ook op zoek zijn naar z’n platform. Dan groeit dat exponentioneel. Grote belletjes worden alleen maar groter. En dat is nu bij linkedin groep ook zo. Maar een van de grotere populairdere groepen zeker in Nederland. Daarom is het nu ook internantionaal, dat hebben we dit weekend gedaan. We hebben nu ook innovation 2.0 community of talents. Vanuit brussel en duitseland, op een gegeven moment zeiden andere je moet deze discussie in het engels voeren. Want er gebeuren best interessante dingen. Zwaankleef aan. Als je een groot netwerk hebt moet je je ook gaan afvragen in hoeverre, je ook alles open source en openbaar wilt maken. Linkedin netwerk werkt alleen als iedereen er netjes en zuiver mee omgaat. Als je een relatie van mij zou benaderen zou je dat even bij mij kunnen melden. Dat kan alleen als je netwerken klein hebt. Nu is het zo groot geworden dat openheid en transparantie niet werken. Ro: in eerste instantie was launching customer op twee plekken gestart. Alleen mensen op uitnodiging mochten bijdragen. Wouter: In het begin was het ook zo dat je, geaccepteerd moest worden door de groep. Niet iedereen kon zich aanmelden. Dat was in het begin heel bewust op beetje selectie te hebben wie er op z’n discussie mee deed. Ro: waarom denk je dat dat was? Wouter: weet niet of je de historie was. De minister verhoeven geeft een of twee keer per jaar innovation lectures. Lezingen. Vorig jaar oktober was dat. Toen heeft ze in een lezing aangegeven dat crowdsourcing en web2.0 ook wel belangrijk zouden kunnen worden voor de vorming van beleid. Linda en krispijn, hebben toen die groep geopend. Die hebben gedacht we gaan daar eens gecontroleerd mee experimenteren. Dan moeten ze wel zorgen dat het geen chaos wordt en je moet ook voorkomen dat elke journalist mee gaat kijken dus het moet een beetje besloten zijn. ik denk dat dat hun gedachtengang is geweest. Valt wel wat voor te zeggen. Je weet overigens dat ambtenaren helemaal niet mee mogen doen. Ro: ezers mogen niet meedoen zonder toestemming idd. Wouter: valt wel wat voor te zeggen zoals het politieke systeem dat we nu hebben. Waarbij de minister tot de grond toe gelijk gemaakt kan worden als de ambtenaar weer eens een foutje maakt. Ik zou het prachtig vinden als de ambtenaren gewoon mee mochten doen.

67

Ro: Ik wil nog even wat dieper ingaan op de motivatie voor jezelf om deel te nemen. waarom dacht je ik ga een reactie plaatsen of ik ga meedoen? Wat zette jou ertoe aan? Wouter: dat vraag ik mezelf soms ook wel eens af. Ik denk dat iedereen die er aan meedoet die doet dat gratis. Dat is uit vrije wil. Dat betekent dat er een intrinsieke motivatie moet zijn. en die intrinsieke motivatie is toch om te debatteren te discussiëren met mensen die ook wat te vertellen hebben. Zodat je daar uiteindelijk wel wat van kan leren, daar zit wel een egoïstische reden in denk ik. Dat was voor mij in het begin ook het geval. Inmiddels heb ik mensen ontmoet die ik nooit in de gewonen reëel wereld had ontmoet. Die ik inmiddels hoog heb, waar ik regelmatig even mee twitter, skype of bel of ook fysiek zie. B.v. die harold. Je ontmoet dus interessante mensen, je gaat er mee in discussie. Het is dus wat ik zei een intresieke motivatie. Inmiddels besef ik ook wel dat het misschien niet helemaal verkeerd zou zijn voor de naamsbekendheid van mijn bedrijf, maar dat was niet mijn.. en nog steeds niet helemaal, als ik een reactie achter laat is het niet zo dat ik denk, go ik heb weer een positief contact momentje achtergelaten voor TOP. Je doet het ook als persoon natuurlijk. Ro: dat klopt, maar er staat wel altijd onderaan waar je werkzaam bent. Wouter: mensen die denken dat je, werk kan krijgen via een direct netwerk, via direct virtueel netwerk ala linkedin, dat werkt niet zo. Er is altijd de tweede gordel eromheen, indirecte effecten, die wellichte voor werk kunnen zorgen. Mijn klanten zitten ook niet op linkedin in b.v. Ro: Je noemt net intrinskieke motivaties, leren, debat en discussie met mensen die er ook wat te zeggen hebben. Wouter: er zit er nog wel een bij hoor, dat is namenlijk beetje de wereld verbeteraar zijn. Ro: beetje het altruïsme? Wouter: Dat is toch met een x aantal mensen, beetje bravour. Dus het speelt bij mij zeker een rol, kijken of je met nieuwe ideeën nieuwe suggesties kan komen. Waarbij je indirect toch wat invloed kunt uitoefenen. Richting beleidsmakers of ambtenaren. Ro: beetje inspraak idee. Wouter: dat is wel niet de primaire motivator. Het zou wel eens belangrijker kunnen worden. Om bewust wel degelijk invloed uit te kunnen oefenen via het netwerk. Bijvoorbeeld op beleidsmakers. Dan zou dat wel eens een doel op zichzelf kunnen worden. Ro: toelichting op literatuur. Wouter noemt de excentrieke subjectieve: tweede order effecten. Eerste order is dat je een relatie hebt, of die opbouwt met iemand. Die bouw je niet op via internet, daar geloof ik niks van. Het kan wel zo zijn dat je via internet begin krijgt. Degene die heel erg aan het acquireren zijn in hun eigen rechtstreekse netwerk, via internet, dat wordt helemaal niet gewaardeerd. Het is vaak zo, dat noem ik de tweede order. Het is vaak zelfs zo dat de tweede order voor business zorgt. Koppelen van tweede linie eerste. Ro: ik heb nog een andere motivatie, de communitie interesse: Wouter: Ja, dat zit ingebakken in ons DNA, we willen ergens bijhouden, ik hoor niet bij ajax maar wel bij linkedin. Dat is heel logisch, dat zijn de primaire drivers, geborgenheid.

68

Ro: wat zou het crowdsourcen vanuit overheid, in algemeenheid laten werken (of niet) als het vrijwilligers zijn? waarom zou het wel of niet werken? Wouter: Ik verwacht dat er meerdere redenen zijn waarom het niet gaat werken. Dat is namelijk ook de uitvoering van beleid, die gaat over details. Via crowdsourcing heb je het over inzicht in grove hoofdlijnen. Dan kan je je voorstellen dat crowdsourcing niks anders is dan kwalitatief onderzoek, wat nu ook al gebeurd bij consumenten panels 100 mensen geïnterviewd wat vindt je van. Crowdsourcing is niks anders dan, soort van onderzoeksvraag heb maar dat je het via discussie forum laat doen. dat zou alleen kunnen werken als je een poel mensen hebt die hieraan mee willen werken. Aan mij hoef je dat niet te vragen. Ik doe dat een keer, dan heb ik het gezien dan ga ik het geen tweede keer doen. je kan mij niet op een duurzame manier binden. Daarmee bedoel ik jaar in jaar uit gaat werken. Aan een crowdsourcingsproject, participatie, invloed op beleid. Ro: is het dan niet afhankeljik van de vraagstelling die je hebt. Wouter: daar geloof ik niks van, ik geloof dat professionals. Op een gegeven moment gaan ze zeggen ik heb het wel gezien. Dan kan je een tweede generatie krijgen, dan kan het wiel opnieuw uitgevonden worden. En het wiel opnieuwe uitvinden betekent niks anders dan dat het een herhaling van zetten zal zijn. verder is het zo dat in de discussielijnen die lopen heel erg uitelkaar en de waarde uiteindelijk van wat daar gebeurd zit in synthese. Dus dat je allerlei brokjes en informatie weer weet te synthetiseren tot een helder beeld. Daar verwacht ik niet dat je een communitie kostenloos voor in kan zetten. Je ziet het nu ook al, er zit heel veel waarde in de linkedin discussies die er nu zijn. in de zin van, er zijn heel interessante dingen. Maar toch is het een chaotisch systeem waar je niks meer kunt terugvinden. Ro: komt dat niet door het platform? Wouter: nou, je kan zeggen dat er wikis van gemaakt kunnen worden? Platform zijn niks anders dan middelen, die iets faciliteren. Niet meer en niet minder. Je zou nu een boek moeten schrijven, of een wiki waar alle kruisverbanden, naar andere discussies naar voren komen. Daar zit synthese in daar heb je skilled mensen voor nodig, en die synthese wordt alleen gemaakt wanneer er een financiële business incentive is. ik ben van mening dat EZ /LNV gewoon 50.000 euro weg moet zetten. Om die synsthese ook te maken. Ro: ok aantal dingen genoemd, je noemt het eigenlijk de implementatie van het idee, al die mensen die hun ideeen hebben gespuit in het platform, om daar conreet iets van te krijgen, dat dat heel lastig is om er iets mee te doen. is het op dat moment niet meer aan de ambtenaren die het meenemen en kijken wat ze daar van kunnen maken en we geven het weer terug. Dat werkt maar eenmalig denk ik, Maar stel nu dat je jaar in jaar uit, wel ideeen vraag aan andere maar dat dit steeds belangenloos zou moeten zijn. ik zie dat niet, ik geloof dat niet. dat is niet duurzaam. In sociale termen is dat niet duurzaam. Als je wel verwacht dat de maatschappij, lees individuen die toevallig op een blog of linkedingroep zitten. Hun ideeën moeten geven, dat is niet duurzaam. Als je ziet dat ik daar aan besteed dat is eigenlijk, belachenlijk, ik moet daar mee stoppen. Het is een experiment geweest. En als je dat op een duurzame manier kan inbedden, dat je jaar in jaar uit. Geloof ik niet dat dat kan zoals dat nu werkt. Het is een sociaal experiment, aan elk experiment komt een einde. Ro: Dat denk ik ook, maar is het niet zo dat 1 experiment 1 vraagstelling is? nu hebben ze lanching customer vraag gesteld, ze hebben gegevens meegenomen, daar gaan ze iets mee doen. Wouter: dat is ook al een punt, ez heeft er iets mee gedaan. En heeft er niks voor terug gegeven aan de communitie (frustratie) ze zouden een paar presentaties, of een eindrapport moeten teruggeven. Of we

69

hebben er heel wat aan gehad, dankje wel. Het is dus wel nemen, maar niet geven. Maar dat mag je als ministerie niet doen. dat geld voor ez, lnv. Dat geeft een heel ongevredigend gevoel. Ro: je noemde net participatie en meningen. Verschillende trajecten, meningen. Idee crowdsourcing, kwaliteit en beleid. Wouter: de wisdom of the crowd werkt daar niet voor. Hier heb je het over meningen op een hoog kennisniveau waar, indivuele meningen van, harold zeer waardevol kunnen zijn. je hebt het niet over wisdom of the crowd, in de klassieke termen van. Maar je hebt het over, professeionals die een expert opinion geven. En professionals, willen daar later iets voor terug hebben. Daar moet een duurzame mechanisme zijn van geven en iets terug ontvangen. Dat is mijn persoonlijke mening. Voor de mensen die denken dat het niet kan, hebben niet voldoende over nagedacht. Het is geen kwalitatief marketing onderzoek, waarbij je onderzoekt van 10.000 mensen wat vind je ervan. (definitie crowdsourcen klopt idd niet). er is bewust op de professionals geselecteerd. Wouter: meningen zonder argumentatie zijn roddelen.. linkedin discussie vonden daar niet echt plaats. Ik geloof niet dat de groep een synthese gaat maken op een belangenloze manier. Je zou daar een soort incentives structuur in moeten bouwen. Als je goed onafhankelijk advies wil hebben, dan kan je beter als opdrachtgever een professional inschakelen. Je verwacht ook een bepaalde competentie van de ambtenaren. Als het alleen maar plaatsen van content is. in duurzame manier van participatie gaat niet werken. Het is niet duurzaam omdat het nu een experiment is. over half jaar zul je zien dat een tweede groep het stokje overneemt en die vervolgens niet de lessen van het eerste jaar kan meepakken en dus eigenlijk opnieuw begint met de discussies. Dan is het niet duurzaam, dan bouw je niet verder op het geen er al is, dan zijn het golf bewegingen geworden. Ro: Je maakt onderscheid tussen twee fases. Wouter: mijn advies, doorgaan met experimenteren, het eerste is de synthese fase, die zou je kunnen gunnen aan een selecte groep mensen die ook al bij de analyse fase aanwezig is geweest. Die geef je er gewoon werk voor terug. Synthetisering. 2e je zult naar wiki achtige systemen moeten gaan, het resultaat van die synthese fase moet ook wel beschikbaar komen dat je niet steeds dezelfde discussie hebt. Je zou wat terug kunnen geven, resultaten van synthese kan wiki zijn, waar voorborduurt kan worden, die moet teruggegeven worden aan de communite. Het begint gratis, vervolgens b.v. de top 30 of meest waardevolle reacties, die mensen ga ik vragen om tot een synthese te komen. Ro: even over de betekenis van synthese. Ik zie het meer als samenvatting van reactie maar jij hebt een groter beeld. Noem het maar, meer dan samenvatting. Het is ook interpretatie maar ook 2 meningen de analyse gemiddeld gezien is het 70, 30. Het is veel meer dan samenvatten. Maar dieper liggende interpretatie en analyse wat er gebeurd is. stel dat de overheid crowdsourcing wil gaan introduceren bij de vorming van beleid op een duurzame manier, niet als een project of als een experiment maar iets dat een tweede natuur wordt van een ministerie, dan moet je na gaan denken over hoe geef ik iets terug of hoe neem ik iets terug. Een experiment is een experiment. Maar als je dat wil invoeren op duurzame manier, dan zul je na gaan denken over incentives. Dan moet je nadenken over die moment van synthese. Na synthese moet je weer terug kunnen vouwen op eerdere discussies. Ro: regels en regulatie hebben tijdens het crowdsourcen.

70

Wouer; het viel me op dat er veel aankondigingen van bijeenkomsten waren. Dat waren er zoveel dat ik me eraan begon te irriteren. Reclame past niet in discussie. De mores, de ongeschreven regels. Er was op een gegeven moment een bedrijf dat wist een rss feed. Ro; meer regulatie door crowd in dit geval? Wouter? Als je een actief crowd hebt dan is er zelf regulatie. Je ziet bij grote internationale blogs, ik noemde net al foodlog, dat er op een gegeven moment, moderators die zich daar actief op gaan richten. Moderators hebben daar bijna een dagtaak aan. Dat kan van betreft advies drie zijn: 1. Synthetiseren, 2. Wikis maken en 3 uiteindelijk moet je moderators moeten hebben die zich actief met discussie bemoeien. Ro: heb je het dan puur over regulatie of ook over mee dsicusieeren. Het is regulatie, maar ook wel vaak articulatie. Een moderator kan verduidelijking en toelichtingen geven. Ro; heb je geschreven regels waargenomen op het linkedin platform? Soort disclaimer. Wouter: een maandje geleden heeft stephan van veen geprobeerd meer structuur aan te brengen. Daar staat wel het een en ander. Die gaat er inderdaad over moet je regels gaan stellen of niet. vanuit juridische kant bekeken moet je oppassen. Alles wat er op geschreven wordt is van linkedin organisatie. Als je serieus crowdsourcing wilt gaan oppakken moet je eigen (linkedin) platform opzetten. Of een eigen forum of hoe je het ook wilt noemen. Waar ook de letters in juridische zin klopen. Je moet niet je eigen communitie proberen te bouwen maar aansluiten bij communities inderdaad. Ben ik mee eens. Het opbouwen van een communitie, duurt lang, tijdsrovend en kost geld. Ro: wie denk je dat er eigendom is van het resultaat, de crowd of ministerie Wouter: hoe het nu is, is het van linkedin. Ik vind dat degene die een reactie achterlaat, dat die bij diegene zou moeten liggen. Uiteindelijk bouw je iets nieuws. Dat nieuwe heeft waarde en dat is eigendomloos dat is van de crowd. Op het moment dat er synthese gedaan wordt kan het zijn dat de overheid eigendom krijgt over die synthese. ik geloof niet in het reguleren van, in marmer vastleggen, gij zult niet of gij zult wel. Als iets niet werkt in internet communities is dat het wel. Op de man spelen vindt ik dat niet kan. Vloeken, zal bij geenstijl geen probleem zijn maar bij z’n groep vindt ik niet dat het kan. Ro: je hebt crowd zelf reactie achtergelaten stel dat je als moderator, pet van ambtenaar zou ophebben. Wat zou je dan doen? Wouter: hier speelt de kunst van het loslaten als ambtenaar heb je geleerd overal grip op te hebben, en alles vast te willen houden en reguleren. Ik geloof daar niet in. Als je aan mij vraagt, om in mijn eigen tijd iets te willen reageren en je ook nog spelregels aan me geeft. Dat bepaal ik zelfwel. Wouter: je hebt nu een kopje, move to jobs ofzo. Je mag wel als moderator zeggen ik ga deze discussie past nu niet onder discussies. Dat is je recht als moderator. Verwijderen mag je eigenljik niet doen. dat is een beetje een ongeschreven regel. Iets verwijderen, mag je eigenlijk niet doen. ook niet als ambtenaar. Je moet dus accepteren dat er soms dingen opstaan die een minister niet leuk zal vinden. It’s live. En daarom zou ik als ministerie altijd kijken of de opzet van z’n discussie platform of je dat inderdaar niet bij derde kan neerleggen. Z’n linkdin platform zou helemaal niet van het ministerie moeten zijn, zou van de crowd moeten zijn. de ambtenaar kan daar toevallig ook een reactie achterlaten. Er bestaat iets de scheiding der machten. Politiek, bedenken van nieuwe regels, ambtenaren faciliteren alleen en geen

71

mening hebben, rechters en politie, uitvoerenden. Als je discusieert heb je het over meningen dan ben je dus ambtenaren mogen dus niet meedoen, de minister mag niet in verlegenheid gebracht worden. Veel van de deelnemers dachten, we kunnen eindelijk met midden en hoge ambtenaren gaan discussiëren. Uiteindelijk bleek dat ze helemaal niet mee mochten doen, op Linda en richard blad en krispijn na. Het was bijna de schreew om aandacht. Eindelijk dachten ze dat ze een keer van mens ot mensen communieren met midden of top ambtenaren. De eerste minister die het lef heeft om te zeggen, die x aantal ambtenaren vertrouw ik die mogen actief mee gaan doen. die krijgt mijn stem. Dat vind ik ontzettend modern. Meer controle achteraf dan dat je van te voren alles probeert te reguleren. Met instructies en wetten. Gezond verstand noem ik het. Uiteindelijk moet er voor mij ook business zijn, heel simpel. Niet mijn primaire reden. Wat denk je dat de secundaire reden zijn voor ambtenaren om dit te doen. die zijn toch ook gewoon carriere aan het maken. Ook interne publiciteit.

Interview Arnout Ponsioen , BZK, Web 2.0 prijsvraag
Ro op welke manier ben je betrokken bij bzk? Arn: ik ben, ik werk hier nu sinds vier jaar, en ben meet begonnen met onderwerp e participatie. 2,5 jaar geleden. Zat daarvoor bij tno ict. En deed vooral onderzoek naar maatschappelijke impact van internet gebruik. Manier waarop internet gebruikt werd door de samenleving en wat betekende vervolgens voor de overheid. Ik ben toen, dat was in de periode waarin ik eigenlijk, eparticipatie, of betrekken van burgers in bepaald kanaal, helemaal niet op de agenda stond. Was meer gericht op econmische efficiency kant van de eoverheid. Vanuit tno gaven we adviesen daar meer mee te doen. dat gebeurde niet. misschien moeten we een keer aan de overheidskant gaan zitten, om dat onderwerp paar stappen verder te brengen. Uiteindelijk hebben we er wat ruimte voor gekregen. Dat was nog best ingewikkeld, stond niet op de agenda, geen prioriteit, niks. Ze zagen in dat het ook een vervolg onderwerp aan en dat het goed was om wat dingen mee te gaan doen. we zijn toen in kaart gaan brengen wat het nu is. soort definitie, betrekken van burgers bij het vinden van oplossingen van maatschaooelijke vraagstukken. Echt het van buiten naar binnen, het meedenken, met elkaar beetje meer dan paar ambtenaren bij bzk. We hebben ons gericht op laaghangend fruit, wat zijn initiatieven die er eigenlijk nog niet zijn maar die wel zo voor de hand liggen, waarom zijn ze er in godsnaam nog niet. Toen hebben we met groot aantal experts en mensen die er mee bezig waren. Aantal sessies mee georganiseerd, een netwerk opgebouwd. Daar zijn toen iets van 7 experimenten uit voort gekomen die, varieren van initeiatieven op het gebied van, transparatnie, zoals watstemtmijnraad.nl of meer politieke, ondersteunen van burgers in hun agenderingsrol. Via petities.nl. meedenken over bereikbaarheid van regio utrecht, samen met inspraakpunt. Nu centrum van publieksparticipatie, dat was echt een mooi voorbeeld van, hoe je een heel grote groep van inwoners kan betrekken bij, aan ene kant aangeven waar zitten eigenlijk de problemen, qua bereikbaarheid, en waar zitten de mogelijke oplossigen. Leverde 5000 bezoekers op en 130 concrete ideeen en daar zijn er 10 of 15 meegenomen in de rest van het traject. Nieuwe groep die ze bereikte, helemaal niet betrokken bij lobbygroepen. Dat leverde goede ideeën op. Was wel een mooi voorbeeld van crowdsourcing. We hebben nog meer dingen gedaan rondom concepten van rotterdamindex. Datzouhandigzijn.nl waarin we oproep doen voor ideeen om op basis van openbare overheidsdata een slimme mash-up te bouwen. Prijs vraag vorig jaar, was breder. Wel interessant om onderscheid te maken, voor de toekomst kan je het niet over e hebben of over 2.0 dat zijn technische dimensies, het gaat in essentie om transparantie van de overheid, participatie van burgers van werken en een betere samenwerking tussen overheden. Dat zijn een beetje de drie lijnen die we onder de noemer open overheid nu naar voren schuiven. Zijn niet technologische termen, niet cultuur,

72

ook lastig daardoor. Maar is beetje de integratie van web2.0 en participatie trajecten waar we de komende tijd op die manier over willen communiceren. Ro: Even over de prijsvraag: die is vorig jaar uitgezet, hoe ontstond dat het initiatief. Omdat zo naar buiten te brengen. RO: We hadden op 4 december een groot event, werk converentie 20. We wilden eigenlijk iets hebben waarmee we ook in aanloop er naar toe wat reuring konden veroorzaken. Dat was de ene reden. De andere reden was dat we vonden dat we toch, op dit vlak lang niet alle wijsheid in eigen pacht hadden. We vonden dat juist in die stijl, als we dat willen promoten, kom maar op met nieuwe ideeen en goede voorbeelden van een overheid 2.0 initatief. Gericht ophet verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening. Dienstverlening, democratie en veiligheid waren de drie thema’s van de vraagstelling. Inhoudelijke afbakening. Kon gaan om opendata voorstel, of participatievoorstel of betere samenwerking tussen overheden. Dat was traject wat we wilden doen op die manier. Dat leverde eigenlijk best wel een hoop ideeën op. Leverde hoop voorbeelden op, via een jury traject hebben we een selectie uitgemaakt van 6 initaiteven die mogelijk prijswinnend zouden kunnen zijn. en de bezoekers vanuit de conferentie mochten uiteindelijk beslissen wie de echte winnaar zouden worden. Op die congressen stonden ze zichzelf te verkopen ook als idee. Met markt koopmannen. Dat was een beetje de aanleiding. Ro: jullie hadden dus het idee om het event wat meer te promoten, 4 december. Zijn jullie daarin zo begonnen. Hebben jullie daar van te voren over nagedacht hoe jullie dat aan wilde pakken. Arnout: We hebben wel gekeken naar de mogelijke omgevingen die je daarvoor zou kunnen gebruiken. We kwamen heel snel op ning uit omdat het alle ingrediënten had die we dachten nodig te hebben voor z’n omgeving. Dat hebben we laten inrichten door degene die de coverentie organiseerde. Dan kom je heel snel aan tegen dingen als Mediaplaza heeft de converentie georganiseerd en onderdeel daarvan was ook om rondom die prijsvraag een aantal dingen meer technisch te faciliteren. Ze zijn toen de ning verder gaan inrichten. Dat levert wat gedoe op met huisstijl en web richtlijnen en al dat soort dingen. Daar voldoet het allemaal niet aan. Maar als we dat wel zouden willen dan zou het z’n duur traject worden, dat staat niet meer in verhouding. Uiteindelijk toch maar gewoon gedaan, stiekem hoopte ik dat we wel teruggefloten zouden worden, om ook die discussie over de webrichtlijnen bv wat aan te kunne zwengeelen. Is niet gebeurd, dus we hebben nog steeds een keurige ning die, gewoon aan de bzk huisstijl enigsinds voldeed niet helemaal zoals het zou moeten maar voor ons voldoende. Komen nog praktische dingen aan. Nu moet je zelfs voldoen aan de rijkshuisstijl, heb je hemaal weinig ruimte om jezelf te onderscheiden van andere initiatieven. Alles lijkt op elkaar, de web richtlijnen zijn ook belemmerend in de mate waarop je iets geafanceerd kan doen. de flashy dingen, mooie overloopjes b.v. dat kan dus niet nee. Of je moet je heel erg in bochten gaan wringen om het wel voor elkaar te krijgen. Maar ik heb ze nog niet gezien. Dus dat werkt belemmerend. Belangrijkste reden, inhoudelijke kant. Doe maar oproep voor ideeën we hebben geld beschikbaar voor, we gebruiken kennis en initiatieven die er al in de samenleving zijn. was handig als communicatie middel. Als een soort rode draad na vier december. Ro: je had net overwegingen voornamelijk platform. Waren er ook nog andere overwegingen? Over regels, voorwaarden en andere zaken. Arnout: het was meer iets dat we gaandeweg ontdekte, dat heel veel dingen niet mochten. Vooraf was niet hele uitgebreide verkenning geweest, alle ins en outs dingen waar we rekening mee moesten

73

houden. Het is ook niet echt 2.0 om dat te doen maar, we kijken wel hoever we komen. We hebben wel naar andere platforms gekeken zoals een blog of wordpress of hyve of linkedin. Vonden we ning toch het meeste open overkomen. Zitten ook nadelen aan uiteraard, er zitten ook beperkingen aan wat betreft de visuele kant. Je kan wel kleuren aanpassen maar hoe de modules er precies uitzien dat is toch wel dichtgetimmerd. We heel veel dingen ontdekt gaandeweg eigenlijk. De vraag die je stelde was een afgebakende vraag met een begin en een einde eigenlijk. Hoe laat je de mensen met elkaar praten, discussie uitlokt. Dat mensen een reactie gaven. Wat waren daar de overwegingen. Ar: dat hebben we in het begin gedaan. Tot onze grote verbazing waren er allemaal mensen die gingen reageren op initatieven van andere indieners. We zagen samenwerkingsverbanden ontstaan of initiatieven die uiteindelijk nog een derde voorstel indiende. Op een gegeven moment hoefde we daar weinig mee te doen. als we wel vonden dat een voorstel niet voldeed, dan gaven we daar wel een reactie op. Maar dat hebben we eigenlijk heel weinig, actief ingezeten. We hoefden weinig te doen om de discussie aan te zwengelen. We hebben niks geweigerd, hadden we wel kunnen doen maar, vindt zelf altijd als iemand een halfbakke voorstel opzet en hij wordt weggehoond, is dat zijn eigen verantwoordelijkheid maar, we hadden er heel weingi werk aan, in de sfeer van onderhoud etc. heel weinig tijd mee kwijt geweest, het ontstond gewoon. Was ook niet een platform waar we een soort discussie wilde starten. Als je dat doet moet je denk ik meer modeleren of in de gaten houden. Dit was gewoon een plek waar de mensen een idee konden droppen een voorstel konden indienen. En dat ze daar iets van vonden. Begin nog reactie achter gelaten met dit en dit zou ik nog aanchepren. Daar zijn we op gegeven moment mee gestopt. We hebben nog wel mensen geattendeerd dat er andere ideeën gelijk waren. Daarmee koppelde we mensen aan elkaar. Inhoudelijk vlak hebben we verder niks gecorrigeerd. Alleen maar mensen aangespoord om nog een aangepast voorstel in te dienen. Was weinig tijdsinvestering. Er waren 3 ambteanren bzk betrokken op het platform. Ik was onder m’n eigen ning account aangemeld. Vind ik ook wel belangrijk anders wordt het zo annoniem. Ro: zijn er nog momenten geweest waarop het crowdsourcen werd verstoort. Door spam reacties te plaatsen of om reclame te maken voor zichzelf. Arn: nou er was wel 1 jongen, deed ook wel weer goed werk, hij heeft hele lijsten van emailadressen van ambtenaren. Was enigsinds verstorend omdat hij, niet op de ning, ambteanren ging mailen. Kreeg ik soms via zijweg reactie op. Verder niet echt ordeverstoorders aanwezig, tot onze grote verbazing. Heel constructief, opbouwend. Ro: jullie hadden niet regels of voorwaarden opgesteld, met het idee dat als het zover komt gaan we ingrijpen. Of was het meer we kijken wat we toelaten en op het moment grijpen we in. Arn. Regels die we hadden waren bazale digen, niet scheleden, geen discriminatie. Ro: mensen die reageerden, waarden dat dan mensen die je al kende. Ar: we mikten op mensen die iets met de overheid hebben en iets met 2.0 hebben. Dat was best wel een netwerk, hebben we eerst in ons eigen netwerk uitgezet. Je ziet voor een deel wel dezelfde en bekende koppen terug komen, waren er relatief weinig. We hebben echt wel een grotere groep bereikt dan dat we

74

zelf in ons netwerk hadden. En of dat nu mensen zijn die geen contact met de overheid hebben, dat weet ik niet. we waren gewoon op zoek naar creatieve geesten, in die zin is crowdsourcing om een beleidsonderwerp als, veiligheid in je wijk ofzo. De onbereikbare burger als ze maar goed idee hadden. Waren niet de verzuurde types. Die hierop afkwam eigenlijk. Ro: je zei dat je je eigen netwerk had aangeschreven. Selectief een soort doelgroep al uitegekozen. Arn: onder andere ja. Mediaplaza heeft het ook. Breder uitgezet in hun eigen netwerk. Ro: advertentie campagne is het bijna geweest zeg maar? Arn: we begonnen met een viral, een filpmje laten maken, die is niet echt aangeslagen, maar paar 100 keer bekeken. Daarnaast hebben we alle kanalen gebruikt die we al zelf hadden. Via ons eigen 2.0 netwerk gegaan. We hebben een aantal blogs uitgezocht en benaderd of ze er iets over wilde schrijven. Je zoekt echt wel de doelgroep uit voor de vraag die je hebt? Ro: je zoekt de doelgroep uit voor de vraag die je op dat moment hebt. Arn: Voor de vraag hadden we echt de mensen nodig die 2.0 snapte. En in min beleving was het zo dat die creative sector heel weinig met de overheid deed en mensen die bij de overheid werken weinig met 2.0 doen. dat is voor ons ook een doel om die werelden bij elkaar te brengen. Idee dat dat beter is, dat er veel meer 2.0 creativelingen ook kijken naar overheidsdata wat ze daar mee kunnen in concepten van mashups en dienstverleningen. Zmerk wel dat er in de overheidskant interesse is om erin te investeren. Wel interessant dat er meer 2.0 bureaus, zoals Erwin blom, met de crowds, die overheidsector nu meepakken. Echt wel het netwerk vergroot hierdoor. Ro: je had nog iets nieuwe uitgezet. Wat voor platform gebruikt die. Arn: nee uiteindelijk is dat via overheid20 geplaatst. Dat is een omgeving waar werkruimtes kunnen aanmaken, binnen die ruimtes kan je 2.0 achtige tools inzetten. We hebben dat platform destijds laten ontwikkelen ook om zelf te kunnen gebruiken bij de activiteiten die we doen. overheid 2.0 is volgens de web richtlijnen, data is veilig opgeslagen, er zitten een aantal randvoorwaardelijke dingen. En er zit een module in dat heet, ideeenbox, daar kan je ideeen plaatsen, daar zijn de ideeen voor die prijsvraag zijn daar op terecht gekomen. Er zitten wel een aantal nadelen aan, ook voor de acceptatie voor gebruik, we werken nu met dijksman, de ontwikkelaar ervan, en daar proberen we te verbeteren. Het is een soort beta versie. Er zijn heel veel werkgroepen. Het is nog niet heel erg actief of interactief. Hij is ook nog niet echt gepromoot. Ro: denk je dat dat belangrijk is dat promoten, als je dat crowdsourcing wilt laten werken? Arno: promotie is heel belangrijk om het kenbaar te maken in eerste instantie, maar ook om het netwerk op te bouwen en erbij te betrekken. Je kan stille strategie hebben, waarbij je het laat ontstaan, als het goed is dan komen daar dan veel mensen op af. In dit geval moeten we het gewoon kenbaar maken. Bij gemeetne, ook dat is beetje het doel. Ro: als lnv zegt zou willen crowdsourcen dan is overheid20 een mogelijke platform? Arn: dat kan. De aanleiding was dat we op de site van bzk heel weinig mogelijkheden hadden om daar iets 2.0 achtigs te maken. Je moest via drie lagen communicatiemedewerkers als je iets wilde wijzigen. We wilden iets interactivers hebben. Daardoor is het concept een beetje.

75

Ro: het is wel jullie platform dus de data is ook van jullie die er op wordt geschreven? Arn: ja. Het is nu wat meer geregeld zoals de overheid het graag ziet. Maar iedereen is wel verantwoordelijk voor zijn eigen data. Ro: jullie hebben gekozen voor een Ning. Het was een vrij gesloten vraag, met een begin en een eind. Stel je voor dat het een vraag is waarbij het meer een continue proces is, denk je dat een ning dan nog steeds geschikt is? Arn: ik vind ning voor discussiesite lastig. Je kan er zo veel meer. De mogelijkheden zijn te groot. Er zit een forum applicatie in die vind ik niet zo goed als de andere helpdesks. In de basis dient hij goed. Als je het permanent wil doen zou ik persoonlijk wel een iets beter en mooier vorm gegeven discussieomgeving willen hebben. Veel alternatieven die echt aantrekkelijk zijn, zijn er niet. veranderd ook voordurend. Ro: hebben jullie er van te voren aan gedacht wat mensen motiveert om het platform te bezoeken en een reactie achter te laten Arn: ja, we hadden incentives bedacht. Incentive was natuurlijk geld, aandacht ook op de conferentie. Mensen hadden ook de taak, om reacties van andere mensen te ontlokken. Je zag dat op sommige meer reacties kwamen dan andere. Negatieve reacties heb ik heel weinig voorbij komen. Ro: onderscheid, intrinsieke , excentrieke, objective Arn: de belangrijkste motivator zat hem toch in de beschikbaarheid van het geld om hun idee te kunnen realiseren. Denk dat dat het belangrijkste was. In dat, maar er is ook een veld daar zitten hoop zzpers, dat zit ook een bewijsdrang om zichtbaar te zijn. die waren ook vrij actief. Het platform werkt ook door jezelf in de kijker te spelen en dus zichtbaar te zijn voor derde. De belangrijkste was het geld. Ik denk ook niet dat we zoveel reacties hadden gekregen als we geen prijs eraan hadden gekoppeld. Arn:L Echt geld beschikbaar gesteld, niet alleen omdat we een goed idee financieel wilde steunen maar ook de realisatie ervan. 3 prijs winnaars. Ro: denk je dat als het initiatief wat minder succesvol was geweest, had je dan gedacht om extra incentives in te zetten. Had je het opnieuw onder de aandacht kan brengen. Arn: Enige wat we gedaan hebben is reminders uitzetten. Het is in aantal blaadjes aangekondigd, nieuwsbrieven. Etc. en verder niet. in de beheer sfeer heel weinig gedaan. Ro: hebben jullie intern nog bij bzk steunpilaren gezocht? Andere afdelingen Arn:we hebben het intern gecommuniceerd, maar niet de kopstukken er bij gezocht, met help ons. We hadden toch het idee dat we het niet nodig vonden. Liep zo goed. Afdeling cni wel betrokken voor de ning site, maar niet betrokken voor promotie. Ro: hadden jullie nog een soort van disclaimer voor de ambtenaar om deel te nemen? Arn: ambtenaren mochten niet deelnemen, mee dingen naar de prijs. we hebben daar alle tijd in genomen die we dacht nodig te hebben, qua reacties geven. Ro: hebben jullie een vrijbrief gekregen om het te doen?

76

Arn: nee we hebben er niet eens een aangevraagd we zijn het gewoon gaan doen. de ning werd gemaakt en we werden er lid van. We maakten ons wel kenbaar als zijn achter de prijsvraag. Ro: jullie hebben geen projectplan geschreven, goedkeuring naar de minister. Arn:Nee ,alleen de staatsecretaris is geïnformeerd over de prijsvraag. Het uitreiken van de winnaars. Het einde van het jaar gaat ze nog wat presenteren. We hebben dus geen toestemming gevraagd om het te gaan doen. als je dat gaat doen zijn er altijd weer mensen die er bovenop gaan duiken , ooh wat gaan ze precies doen. kan dat dan wel. Nee dat kan niet. dan krijg je cni op je dak. Ro: hoe zou je dat dan adviseren want in interview met ez, was daarin natuurlijk wel de minister die het initiatief gaf via de innovation lecture. Toen hebben we krispijn en Linda wel een projectplan geschreven, wat er ging en moest gebeuren. Ze hadden met een beperkte groep de mogelijkheid om te reageren. Dat lag daar veel gevoeliger weet ik allemaal. Arn: We hebben eigenlijk een voorstel gedaan voor een prijsvraag. Besproken hoe we het zouden doen. ook toestemming gevraagd voor de samenstelling van de jury. Dat hebben we keurig afgehandeld, maar we hebben het niet gehad over onze rol op die ning. Dat was geen reden om daar specifieke toestemming van te vragen. Het verschil was natuurlijk ook dat er bij ez veel inhoudelijker over het beleid nagedacht kan worden, hier was het toch meer een ideeën oproep. De minister kon niet echt in diskrediet gebracht kon worden. Als je netjes blijft formuleren en af en te reacties geeft op degene die binnenkomen kan er niet zo veel fout gaan. Zeker niet als ze constructief zijn en het initiatief helpen om bepaalde links te legen. Er zitten wel wat vraagstukken achter, of je dat dan voor elk initiatief minimaal 1 keer had moeten doen. Arn: Er zitten zeker gevoeligheden achter, die zij niet allemaal duidelijk. Er wordt gepoogd om een soort code op te stellen voor twitter en andere sociale media. Ja, ik geloof daar nooit zo in. Houd het maar gewoon op een richtlijn. Als je inhoudelijk in de bebat wilt met burgers dat is een ander verhaal. Als krispijn echt in debat ging op die linkedingroep bv wat ez moet doen op innovatie beleid. Dan wordt het anders. Ik vind nog steeds niet dat een minister moet zeggen dat mag niet. vreemde vind ik ook dat ook de initiatieven van vrom b.v. dat er geen ambtenaren mee doen in de initiatieven. Dat is geen cocreatie dat is gewoon burgers onderling die met elkaar praten. Randstad 2040 en snelwegen hadden ze trajecten. Was eigenlijk een soort consultatie. Puur conseltatie, maar heeft niks van een dialoog of crowdsource. Arn: Wat ik vind, met crowdsourcen doe je het in een gemixte groep, daar moeten de ambtenaren ook in kunnen meedenken en kunnen reageren. Dat zijn dus vergaarbakken van meningen van burgers. Zodra ambtenaren gaan reageren ljikt het al of je toezeggingen doet. Het ligt allemaal heel gevoelig. Ik zou dat best spannend vinden. Ik denk dat het ontbreekt en dat het voor burgers interessanter en aantrekkelijker wordt, om op z’n omgeving gewoon niet alleen ambtenaren maar ook politici tegen te komen. De wethouder b.v. nu het nog abstract is en nog alle kanten op kan. Daarover meepraten. Dan ontstaat er iets meer binding en misschien begrip en op het moment dat er beslissingen gedaan worden. Dat zou ik wel spannend vinden om meer te zien. Maar wat er nu voorbij komt is allemaal gesloten consultaties. En verder gaat het niet eigenlijk. Ro; je noemt hem impliciet al een beetje, de rol van de ambtenaar. Als je de tradiotonlee ambtenaar hebt in vergelijking tot de nieuwe ambteanaar. Die rol veranderd die dan op een bepaalde manier, of hoe zie je dat voro je? Arn; ja ik vind dat ie wel veranderd. Voor een deel ook niet, want de goede beleidsambtenaar in mijn ogen gaat het veld in om geluiden te verzamelen en op basis daarvan op basis van politieke prioriteiten

77

een soort voorstel te kunnen schrijven. Dat zou je kunnen digitaliseren. Ik vind wel, als je meer 2.0 ambtenaren zeg maar, daar gaan heel veel dingen door elkaar lopen. Ook stukjes privé van ambtenaren stukjes werk, privé opvattingen en ambtenaar opvattingen, zolang ze die mogen hebben. Dat kan gaan vringen. Dat vind ik wel een verantwoordelijkheid van de ambtenaar om daar mee om te gaan. Ik weet ook niet hoe dat gaat uitpakken. Daarnaast veranderd heel erg de instrumenten en de kanalen die hij inzet. Niet meer zijn vaste overleggen met belangenclubs, maar er zitten mensen op onderwerpen x op hyves enzo. Overal wordt gedsicuseerd. Das een taak van een ambtenaaar vind ik om dat veld voor z’n beleidsterein veel beter in kaart te brengen. Te volgen en ook in diaaloog te gaan. Ro; in plaats van alleen maar kennis nemen, vanuit de oplossingen, ook ook die discussie aangaan en iets geven je eigen inbreng geven. Arn: Ik vind dat daar meer vrijheden ontstaan voor ambtenaren. Dat zal niet voor iedereen werken. Dan heb je het meer over die participatie kant, met burgers samen. Dat is echt wel een andere vaardigheid. Dat moet je willen en kunnen. Laat staan dat ze 2.0 gaan doen. Ro: de restulaten, alles wat op de ning site staat. Beschouw je dat als een publiek goed of als iets wat eigenaar is van de mensen die het er op hebben gezet of de communitiy. Arn: wat mij betreft is het nog steeds content van de mensen zelf. Als overheid faciliteiten we de omgeving waar het kan. We hebben er wel een deel verantwoordelijkheid in maar ik voel me niet als overheid gerechtigd om daar in dingen weg te halen op dit moment, of om dingen te wijzigen. Ro: Het is meer van individuen dan van de groep of overheid. Arn: het is ook een beetje van ons allemaal eigenlijk. Ik weet niet hoe het juridisch zit. Ik heb begrepen dat de beheerder er verantwoordelijk voor is voor wat er op staat. Ongeacht of pietje met klaasje ruzie heeft. In die zin is het de verantwoordelijkheid van de overheid. Ik vind zelf nog steeds het is van de mensen zelf. Het is geen bzk standpunt.

Ro: tips.. Arn: persoonlijke mening nogmaals, ik zou het spannen vinden als ambtenaren wat meer de grenzen op durven zoeken. Dus niet alles dicht timmeren van te voren. Maar op een gegeven moment weet je wel wat de ruimte is, maar er een beetje overheen gaan. Ook voor de disucssie, om te laten zien dat het niks uitmaakt, of het wel of niet doet. Er is veel angst veel weerstand, veel beheerszucht. De enige manier waarom dat te doorbreken is door te laten zien dat als jehet doet dat er dan eigenlijk niks veranderd. Dat het niet zo eng is als je eigenlijk van te voren wel denkt. Dat is iets wat ik hoop dat meer ambtenaren het meer gaan doen. ontdek het maar. Ik heb zelf het gevoel dat er niet heel veel gevaar op de loer licht. Behalve als het gaat over politieke verantwoordelijkheid en echt stevig inhoudelijke debatten tussen ambtenaar en burgers b.v. wat mij betreft zou dat nog wel ruimte gegeven mogen worden. Ambtenaren hebben gewoon een mening. Die hebben ze ook ze niet online zijn, je maakt het transparant. Tijdens fysieke inspraakvonden wordt er ook gedebateerd. En online kan niet, omdat het dan vastligt. Vind dat nog een aardige.

Interview Michel Spekkers, deelnemer web 2.0 prijsvraag
Beetje divers, politiek redelijk actief, lokaal. Ben secretaris en vice voorzitter van lokale politieke partij. 2008 ben ik een stichting begonnen die voorlichting geeft op scholen over criminaliteit, meer

78

ervaringsdeskundige kant. En over de gevaren van internet. Tijdje frustreer ik me al aan het feit dat het ministerie veel geld spendeert aan het creëren van websites waarbij ze vaak de plank misslaan. Naar schatting 12.000 websites in 14 jaar tijd, die buiten bijna de 1.5 miljard soms weinig hebben opgeleverd. Die frustratie heb ik op papier gezet, ennuh, daarmee jij en de overheid een beetje gestart. Dit jaar wat meer bezig met jij en de overheid, nog een paar uur in de week. Ben politiek actief en heb vereniging opgericht eerlijk beheer. Een alternatief voor antikraak en kraak. Een maatschappelijk bewuste oplossing voor leegstandsbeheer. Daar ben ik druk mee bezig. Ro: jij en de overheid, dat idee had je dat al voordat je de vraag op de bzk ning zag staan. Had je het idee zelf al, hoe kwam je bij het idee? Mi: de email werd mij toegstuurd, omdat ik er wel meer over had. Ik had keer krantenberichtje over mislukte website. Paar ton over de balk, programmeurs zijn nooit goedkoop, het idee was er wel maar de ruimte vanuit mezelf was er niet. open source eng is. het idee was er wel maar, de ruimte was er op dat moment niet om vanaf mezelf. Die prijs heeft me wel een push gegeven. Mijn tijd is niet duur investering. Maar wil je een site maken in dergelijke grote en ervanuit gaan dat er ook een grotere bezoekersaantal komt, zowel hardware als programeerbasis dan moet je wel veilig staan en dat kost gewoon geld. Daarom was het wel een motivatie om het te doen. Ro: je kwam dus in aanmerking met het initiatief omdat je een mail kreeg en toen ben je op de site gaan kijken. Mi: Ja, of een google alert ofzo. Opzich heb ik altijd interesse gehad in overheid en politiek web2.0. er zitten wel wat google alerts in die richting. Pas tijdens de wedstrijd dat ik dacht, als ik het niet win dan zorg ik wel dat ik er mee door ga. Maar vorig jaar was ik met connect, de stichting die ik heb, voltijd bezig. 6-/70 uur in de week. Leverde niet zo veel op, behalve energie. Dat was ook mijn drive om er niks anders naast te doen. Ro: denk je dat de meeste mensen op de manier waarop jij er mee in contact komt ook daarmee in contact kwamen? Mi: ik merkte wel dat heel veel mensen die meededen toch wel heel dichtbij de ministeries stonden, waren vooral veel burgers die van ver af spontaan iets deponeerde. Zelfde is nu eigenlijk met datzouhandigzijn.nl met dat nieuwe initiatief, met z’n 50 ideeen, zijn vaak al mensen die overheidsprojecten doen. over mensen die via hun bedrijf al in contact staan. Weinig burgers die echt worden gestimuleerd. Bestaande groep mensen of netwerk die naar die prijsvraag toegaat? Ja redelijk klein groepje, ik houd die prijsvraag in de gate omdat ik de meeste initiatieven meteen wil verwerken in jijendeoverheid. Komen veel dezelfde namen tegen. Veel bedrijfjes die in ministeries al iets doen. Eigenlijk ben/was ik het niet mee eens dat overheden deze prijsvragen doen. alle energie en gelden uit de overheid moeten besteed worden aan open data en standaarden, daar kan je best wedstrijden mee uitschrijven aan privé, particlier of bedrijven om daar leuke mashups op te maken. Denk dat de overheid geen cent tijd moet besteden in het maken van websites. Beetje mijn motto. Ro: deze wedstrijd was echt een wedstrijd werden drie oplossingen gekozen, beste kiezen wij en die willen we laten implementeren. Bij linkedin innitiatief in conversatie, 2.0 op te lossen. Ze hebben geen site gemaakt maar linkedin gebruikt. Maar denk je dan ook dat, wat is je mening daar over?

79

Mi: ik denk dat die discussies voorbeeld heel goed zijn, alleen iets te gespreid op dit moment. De web 2.0 en eparticipatiewereld is niet heel groot binnen overheid. Ben groot voorstander dat de beperkte mensen die je hebt zeg maar, die kennis willen delen dat je die niet over a2.0 ning en politie2.0 ning en innovatie20 op linkedin. Ze willen allemaal het grootste worden, en ze communiceren niet echt met elkaar. Combine your power, ga samen in gesprek. Dat is het mooiste van z’n groepjes. Je kan groepjes maken binnen z’n netwerk en, maar vind het ook heel belangrijk, dialoog is heel belangrijk. Een van het belangrijkste dat je kan hebben. Voor z’n site iedereen heeft andere behoefte. Samen sta je veel sterker, dat hebben we ook gedaan met jedo, veel samenwerken met de andere sites. Ro: je hebt bestaande netwerken geprobeerd te gebruiken. Dus niet zelf iets opgezet om mensen te trekken. Mi : uiteindelijk wel zelf social netwerk opgezet, eigen open source social netwerk. Die kon wel praten met linkedin, hyves en etc. dat je die data kon spreiden maar wel centraliseert. Ben niet z’n ning fan. Je kan niet bij de data, je kan weinig verder ontwikkelen als je meer capciteit nodig hebt. Jijendeoverheid zal ook ning achtige paketjes en installatie gaan aanbieden. Zodat je dat op je eigen server kan zetten. Ro: platform en ning heel interessant ,daar gaan we het zo even over hebben. Als we het nog even hebben over de motivaties. Toen je die vraag zag, de eerste gedachten die je toen had was. Daar zit ik wel mee en jij en de overheid zou ervoor wel kunnen. Mi: ja en de ideeën die waren gegeven die waren ingediend daar dacht ik over jaa. Das weer doorgaan op dezelfde voet. Terwijl we daar hiervoor niet bezig mee moeten zijn zeg maar. We moeten gaan centraliseren, gaan samenwerken. Heel veel eparrtiicipatiedingetjes. Waar burgers 1 keer gaan kijken. Alleen als het voor hem/haar van belang is, das de enigste reden van e-aparticipatie dat je al die modules weer samenvoegen maar dat je wel op een website met 1 loginnaam mensen het zo makkelijk mogelijk maakt om te participeren en ook kennis te verbreden en niet alleen gericht op zijn project. Om terug te komen op de wedstrijd, bekijk eens resultaat van andere 3 dingen, alledrie 25 duizend euro gekregen, waarvan ik van de andere twee niks hoor, ik weet het ook. Het ligt op z’n gat. Ze zijn op zoek naar een business model in eparticipatie. Ro: wat was voor jou de motivatie om deel te nemen, om er tijd in te gaan steken? Mi: omdat ik dan misschien een stabielere website neerzetten mocht ik winnen. En daarnaast, buiten het financiën werd het ondersteund waardoor je betere hardware en mensen kan kopen en in dienst kan nemen. voor wat modules. Er zijn twee dingen, het financiele aspect, de financiele ondersteuning voor jezelf en de mini laptop. Mi: het is het netwerk vooral dat mij erg aansprak zeg maar, omdat je, als buitenstaander kan ik willen wat ik wil maar nu heb ik bzk achter me staan en ik bel iemand bij bzk op en kunnen jullie dit of dit bekijken of regelen. Dat wordt dan gedaan. Geloof me als ik een mailtje stuur naar bzk dan gaat er niks gebeuren. Dat maakt het nu stukje makelijker, contacten met publieke zaken, groep als het nieuwe stemmen heeft zich aangesloten voordat de wedstrijd begon. Op moment dat initatief online heb gezet ben ik al benaderd. Allemaal voordelen die het bieden. Ro: dat is het netwerk dan inderdaad, ik had zelf vanuit de literatuur een, onderverdeling gemaakt in verschillende soorten motivaties, je hebt dan verschillende soorten motivaties, op plezier gebaseerd en jezelf kunnen identificeren die daar ook werken. Of excentrieke motivaties, subjectief, betere baan.

80

Op die laatste wil ik graag inspringen, dat was niet toen ik mee ging doen, maar toen ik gewonnen had. Is het absloluut van belang geweest, in de uitvoering van de rest. Ook dat. Ik ben ex gedetineerd de samenleving maakt het je niet makkelijk dan om iets te gaan doen. ik kan zo veel solicitatiebrieven sturen die ik wil maar het ministerie van binnenlandse zaken maar ik zal nooit een baan krijgen. En nu kan ik dezelfde netwerkcapacitieten benutten om het doel te behalen, zonder dat ik mezelf hoef te verloochenen. En als ik jijendeoverheid goed afsluit, dan vult het toch een gat op m’n cv die me mogelijk maakt serieus genomen te worden in de dingen die ik doe. Dat is zeker belangrijke reden geweest om niet jij en de overheid te laten ontwikkelen door een exterene partij, wat ik ook had kunnen doen. Ro: In eerste instantie was het netwerk, of was het iets anders? Mi: Frustratie was de eerste meest belangrijke, dat is nummer 1. Ro: die 25.000 e was dan gelijk extra motivatie omdat je het dan op een grotere betere manier kon verwezenlijken. Mi: Ik weet wel iets van computers en kan websiteje in elkaar zetten. Maar wat jij en de overheid biedt is iets uniek, nog niet op breede schaal toegepast op internet. Er was wel wat onderzoek nodig van universiteit van Groningen, om te kijken wat we qua talen kunnen gebruiken. Daarnaast kan ik programmeren. Om javaklasses zo te programmeren. Bijeenkomsten kosten geld mensen bij elkaar bregnen. Ro: Als je dit vergelijkt met het linkedininitiatief, waarbij je eigenlijk zelf je idee mag verwezenlijken, was dat ook een motivatie. Mi- anders had ik er nooit aan mee gedaan Ro: Dus niet je eigen idee afstaan Mi: nee, niet eigen kindje verkopen Ro: Dit gaat over je eigen motivatie, dat is redelijk duidelijk. Hoe heb je het platform ervaren, van welke functionaliteiten heb je gebruik gemaakt. Mi: ik heb heel erg getest wat aansloeg. Wilde diagloog, waar is vraag naar etc. tuurlijk hebben we 128 ideen die niks gewonnen hadden die we wel konden gebruiken. Stuk of 10 of 20 participatiesites konde we meenmen. Ik heb het via ning, linedin en eigen socialnetwerk geprobeerd. En was allemaal te hoog drempelig op dat moment om snel veel mensen naar binnen te halen. Toen hebben we een google moderator pagina gemaakt achter jij en de overheid. Jijendeoverheid/idee Het enigste wat mensen kunnen doen daar is hun idee of hun visie ingeven, andere mensen kunnen daar ook anoniem op reageren, of met account. En op stemmen, ook op reactie, positief en negatief. Ro: wat vind je dan van een ning als platform voor inzetten van crowdsourcen, ongeschikt? Mi: in zekere zin wel, want het is lekker simplistisch, het is redelijk goedkoop. Maar je hebt straks een gigantisch probleem als je een netwerk hebt. Straks wil je meer dan de 2000 van nu, straks wil je mensen meer participatie of denkmogelijkheden geven, dan dat nu kan. Op ning kan je forum aanmaken, mensen kunnen reageren op een bericht maar b.v. een subforum aanmaken kan weer niet. klein voorbeeld. Beperking waar je tegen aanloopt, en je mag niet bij de bron van Ning. Je kan niks in de broncode aanpassen, dus je zult het ermee moeten doen. data exporteren van ning uit is ook niet de makkelijkste

81

zaak. Ning heeft een api dus je kan er wel wat mee doen, maar je hebt ook een platform genaamt elg, open source elgg. Downloadable paketje, netjes in php geschreven, wat je kan installeren in 2.5 minuut op je server, waar je heel makkelijk, kleur en taal kan aanpassen. Waar je meer functionaliteit hebt dan ning en waar een hele open source community achter zit, die dagelijks nieuwe plugings maakt die je kan installeren. Je hebt de broncode in eigenhand en beheer en data ook. Als we nu collectief zouden bepalen om z’n elgg iets te tweaken, met modules standaard erin die handig voor ministerie overheden en gemeentjes, noem maar op. Als je paar 100 euro besteed bij goede programmeur is dat vrij simpel. Waar je alleen url in hoeft te vullen en dan blaas je hem over. Dan heb je het in eigen hand, ook als je groeit kan je het verder ontwikkelen, werkt aan onze open source gedachtengoed, werkt mee aan bestaand iets en ning is weinig op source. Ning is weining open source, gewoon een commerciële partij. Daar betaal je als je advertenties en balk laat weghalen. Die betalen 29e per maand en 49 voor de onderbalk. Als je dat eenmalig voor de helft investeert heb je.. Ning wel makkelijk. Maar ik frustreer me ook over het feit dat ik er niet bij kan. Zo snel mogelijk over naar ellg als het stabiel genoeg is. Het maakt niet uit of het een ning, linkedin of iets anders gebruikt, het is belangrijk dat je naar de mensen toegaat als je gaat crowdsourcen. Wat er op dit moment gebeurd de a2.0 heeft een ning. Maar ze zoeken geen relatie met hyves b.v. waar heel veel mensen zitten. Of ze zoeken niet de relatie tussen linkedin en de ning. Mensen moeten daar wel naar toe gaan. En ik vind juist je moet een platform bieden op je eigen site, maar je moet ook zorgen dat je je kan embedden in eigen websites. Ro: Zie je dan ook een rol voor marketing reclame achtige dingen Mi: Ja essentieel zelfs, Ro: dus jezelf openbaar maken op andere plekken dan alleen je eigen platform, Mi: ja zoals jij en de overheid zal dat doen door. Elke module is binnen paar minuten te inmbedende waar dan ook. Die draait gewoon op onze server. Integren van hyves met widget van petitie tekeken. Dat maakt het voor de gebruiker makelijker, hoeven ze niet naar andere site om al die velden in te vullen etc. simpel mogelijk maken voor mensen wil je ze buiten hun eigen problemen ook echt betrokken krijgen. Als mensen een probleem hebben komen ze toch wel. En dan heb je korte hele heftige betrokkenheid. Maar op moment dat buiten hun eigen belevingswereld gaat, dan moet je volgens mij een zo simpel mogelijk maken. Ro: motivatie van andere mensen waaruit kwam die voort? Wat was voor hun motivatie, ook die niet zo hele erge relatie hebben met de overheid. Mi: Ja hoe moet ik dat zeggen, heb ze niet allemaal gesproken. Een deel is het idealisme, een verandering te weeg willen brengen een maatschappelijke inzet, het is niet ongekend in Nederland dat mensen ook vrijwilligerswerk willen doen om iets te verbeteren. Ro: Als mensen reactie plaatste die puur commercieel is, was het dan de groep die elkaar corrigeerde? Niet opvallend, maar ook niet echt gezien Ro: Dat platform waren er bepaalde regels waaraan je moest voldoen. Dat ning platform Mi: er waren wat regels over opmaak, waar ik me erbij geen 1 aan heb gehouden. En, verder viel het wel mee. het werd ook niet super actief gebruikt volgens mij. Alleen mensen om het idee te dumpen.

82

Heb je dat initiatief van burgerconsultatie meegekregen. Paar weken daarna is gelanceerd. Investeren ze echt veel geld in, investeren ze in een hele slechte wordpresssite, waar je alleen kan reageren die niet zichtbaar zijn. Ik snap wel dat je mensen niet de macht geeft om zelf een wet te maken, maar je moet wel, zeker web 2.0 moet je mensen iets te bieden hebben. Inspraak kunnen geven bijvoorbeeld. Ro: hoe zie je de rol van de ambtenaar in z’n initiatief? Mi: ja heel belangrijk denk ik, meest belangrijke is dus netwerk van BZK, en kijk is stuk makkelijke als je steun hebt, ook als je wilt lanceren. Ro: Denk je dat er bepaalde mechanisme zijn waardoor je meer mensen kan motiveren. Door ze te triggeren. Mi: grootste nadeel is wanneer je geld zet, icm crowdsourcing, geld is interessant voor een kleiner publiek maar je praat over beter maatschappelijke oplossingen en het gaat mensen aan het hart. Dat is wat je wilt gaan triggern in dat opzicht, als je het over de overheid hebt he. Als je perfect antwoord wilt hebben over antwoord over vervanging van gloeilampje, dan is geld een goed middel. Hier moet je middel inzetten, dat is waardering, respect voor de mensen die er zijn, voor de ruimte die ze nemen. ook daadwerkelijk zeggenschap. Er moet iets mee gedaan worden, niet als een optie, niet alleen als een tooltje die we meenemen in de besluitvorming, daadwerkelijk conreet het antwoord zijn. wat er uit komt. Zo gaan we dat doen. daarmee geef je mensen vertrouwen en vertrouwen is wat mensen nodig hebben dat hun mening waardevol is, die ze geven of een idee wat ze afstaan. Bij een deel van de bevolking heer dat een stem of een mening toch geen waarde heeft binnen de overheid of de politiek, die worden toch samengegooid onder 1 noemer. Je kan niet verwachten dat ze daar respectvol of als iets serieus mee omgaan. En met geld is probleem, dan laat je zien dat ja ik ben de baas, ik bepaal wat er mee kan gebeuren, dit is wat je er voor terugkrijgt je hoeft geen respect, waarde en vertrouwen te geven want je krijgt geld en geld is belangrijk hier sta ik en daar staan jullie, die het dan in. Ro: even over de rol van de ambtgenaar icm ambtenaar. Burger komt met oplossing. Hoe zie je dat voor je, ambtenaar denkt mee en doet mee in de conversatie, maar als er oplossing komt, hoe kan die oplossing geïntegreerd worden, hoe moet die ambtenaar die keuze maken over die verschillende oplossingen. Mi: hij moet de keuze helemaal niet maken, dat is niet de wisdom of de crowds zeg maar Ro: nee dat klopt, maar bij crowdsourcing.. Mi: kan zjin lijkt mij niet het verstandigste idee. Dan ga je ervanuit da 1 ambtenaar of 2 ambtaren achter hun bureau een betere kennis hebben van de crowd. Crowd is geen 10 mensne, voor wetenschappelijke vragen zal je geen grote crowd nodig hebben. Ik denk juist dat een ambtenaar zich kwetsbaar zal moeten opstellen omdat hij met de vraag zitten en hij heeft een antwoord op een oplossing nodig voor die vraag. En dus niet omdat hij die al niet heeft, want dan hoeft hij de crowd niet te gebruiken. Hij moet zich kwetsbaar opstellen, ik weet het niet, hebben jullie een idee. Eigenlijk zou hij de crowd moeten laten beslissen, dan komen we wel bij de wisdom of de crowds. Die oplossing zou je als een aanname kunnen neerzetten en dat zou je kunnen onderzoeken. Dit is neergelegd, dit is mijn idee, dit zou niet mijn ideale

83

situatie zijn maar laat ik er eens serieus naar kijken van alle kanten. Laat ik dat eens onderzoeken door alle universiteiten. Misschien hebben die mensen nog een redelijk besef wat kan of niet. Heel moeilijk om een keuze te maken uit oplossingen. Net als een film van een boek dat je gezelen hebt is altijd slechter, je eigen fantasie, je idealen zijn niet te overtreffen door een derde, je moet zo’n goede filmmaker zijn wil je dat kunnen doen. heel moeilijk om uit 1000 ideeen je eiegn idee op zij te schuiven. Niet alleen de vraag moet je bij de crowd leggen ook de keuze moet eruit voortkomen. Ro: bij jij en de overheid, hoe zit het met de input van de crowd? De vrijwilligheid wordt er iets van ze gevraagd. Mi: wordt wat gevraagd. Intentie, is om een grote site te bezoeken. Mensen kunnen vrijblijvend komen, maar kunnen we beter van dienst zijn. Veel mensen die eerste keer op jij en de overheid komen, omdat ze zelf iets komen waarop ze er terrecht komen. Een persoonlijk belang. Hoogleeraar heeft hele diepe waarden op een diepe kennisbron, veel dieper dan arbeider, maar arbeider heeft veel kennis op een lager vlak. Maar veel dichterbij. Beide zijn waardevol.

84

Bijlage II Regels
Onderwerp: Communicatie Rol van platform - faciliteren van communicatie in de vorm van conversatie, discussie en debat (bij wicked vraagstelling). Bij tamme vraagstelling is conversatie niet verplicht maar ook niet uitgesloten. - Laat de mensen in de ‘crowd’ op elkaar reageren en biedt ze de mogelijkheid om ideeën te beoordelen Registratie - Vrije toegang tot basis functionaliteit om deelnemers te lokken en enthousiasmeren - registratie verplichten bij gebruik van geavanceerdere functies, als het posten van reacties Misdragingen Censuur - Technieken die misdragingen in de vorm van o.a. flooding en flaming tegen gaan. Rol van Crowd - On topic blijven; - Geen vormen van crowdslapping of discriminatie; - niet dezelfde berichten opnieuw posten; - taalgebruik. Rol van Ambtenaar - Communicatie van deadline, acceptatie, regels, tijdspad en evaluatie. - Geen representatief proces - Commincatie voor keuze oplossing of idee. - Actief participeren in crowdsourcing initiatief - Ambtenaar participeert als individu, met eigen identiteit, niet als organisatie. - Ambtenaar heeft het zelfde soort profiel als deelnemer uit de crowd. Note: - Het is slecht om eerst aandacht te vragen van mensen en daar dan vervolgens niets mee te doen.

- Registratie

- Incentives om profiel compleet te maken.

- Gebruikers verantwoordelijk houden voor elkaar - Meer macht en controle bij de crowd

- Regels openbaar maken waarna kan worden verwezen na het verwijderen van reacties of het blokkeren van accounts. - Beschikbaar stellen van template, format, informatie, gereedschappen, halffabricaten of thema’s die als basis voor een oplossing dienen. - deelnemers te motiveren, discussie te stimuleren en op gang te houden (hoe). - Tussenresultaten en nieuwe inzichten delen zodat andere deelnemers daarop kunnen voortbouwen.

- Verwijderen van reacties wordt afgeraden tenzij destructieve vorm van crowdslapping plaats vindt. - Regels geven mandaat om reacties te verwijderen (in uiterste geval).

Input beperking

- Grote van tekst, plaatje - Mogelijkheid tot aanpassen van bericht.

Participatie/incentives - Beoordeling van elkaars ideeën (peer review) om deelnemers te motiveren.

- Niet hiërarchie maar gelijkwaardigheid moeten uitgangspunt zijn om mensen te bewegen voor participatie.

85

Bijlage III: Interviewguide
Interview met experts/initiatiefnemers crowdsourcing
Korte introductie, studie, scriptie. Bezig met onderzoek naar op welke manier de ambtenaar crowdsourcen effectief in kan zetten. Inzetten van crowdsourcen heeft als doel het verhogen van de kwaliteit van het beleid. Waarom gestart met crowdsourcen, welk doel, is dat nog steeds het doel? In het literatuuronderzoek dat ik recentelijk heb uitgevoerd ben ik gaan kijken waar de ambtenaar tegenaan kan lopen als hij/zij gaat beginnen met crowdsourcen. De zeven variabelen zijn de vraagstelling, conversatie, ambtenaar, crowd, incentives, platform en regels. Langs deze variabelen heb ik ook de verdere vragen van het interview geformuleerd.

Vraagstelling
-

Conversatie Regels
-

Met welke vraag zijn jullie gestart op linkedin, (wat was de vraag die jullie stelde?) Was het een vraag of zijn het meerdere vragen Volgens mij zijn er meerdere vragen bijgekomen, kwamen die vanuit ez of vanuit de deelnemers? Is het een vraag met een einde of is de beantwoording van de vraagstelling een continue proces (waarom? Zie je hier een verschil, voordeel nadeel?

Hoe laat je mensen er over praten, op elkaars reactie reageren Sociaal of asociaal, wat waren de overwegingen.

Heb je regels of controle mechanisme waarmee je ervoor zorgt dat de focus ok is/ hoofden de juiste richting. Voorbeelden? Hoe heb je geregeld als mensen het crowdsourcen verstoren, dus spammen en flooden etc. Verwijder je reacties / heb je die mogelijkheid? Of laat je deelnemers de mogelijkheid hebben om elkaars reactie te verwijderen? Of de mogelijkheid van het beoordelen van elkaars reactie Ik heb regels opgenomen ook als mogelijkheid om bepaald vorm van coördinatie uit te oefenen, doen jullie dit werkt dit bij jullie? Anoniem bijdrage niet mogelijk bij linkedin, bewuste keuze?

Platform
-

Crowd en ambtenaar
-

Waarom dit platform bij deze vraag, was dit achteraf een geschikte keus waarom wel of niet. Als je nu een platform zou moeten kiezen welke zou je dan doen. Zie je onderscheid van platform bij andere vraagstelling (definitief einde of niet)

Hoe heb je ervoor gezorgd dat je als ambtenaar actief meedoet maar uiteindelijk toch een oplossing moet kiezen, dus implementatie van probleem. Verandert de ‘traditionele’ rol van ambtenaar door crowdsourcen, en zo ja op welke manier? Implementatie.

86

Incentives
-

Overig
-

Heb je hier van te voren aan gedacht Hoe zijn de incentives ingezet, waar komen de deelnemers voornamelijk vandaan? Wat zou je veranderen Sturingsmogelijkheden (als er weinig publiciteit zou zijn, dan?) Waarom denk je dat mensen bijdragen? o Wat motiveert ze o Plaatsen mensen iets omdat ze verwachten er zelf wat aan te hebben, publiciteit, kenbaarheid etc?

Beschouwd je het resultaat, de oplevering meer als publiek goed of als eigenaar van het ministerie Heeft het al resultaat opgeleverd? Hoe bepaal je welke oplossing je wilt implementeren, wat de beste oplossing /idee is. Hoe zit het met de samenkomst (in de werkelijke wereld) van community of tallents in , hoe is dat ontstaan? Tips

Interview met deelnemers en ambtenaren over motivaties
Korte introductie, studie, scriptie. Bezig met onderzoek naar op welke manier de ambtenaar crowdsourcen effectief in kan zetten. Inzetten van crowdsourcen heeft als doel het verhogen van de kwaliteit van het beleid. In het literatuuronderzoek dat ik recentelijk heb uitgevoerd ben ik gaan kijken waar de ambtenaar tegenaan kan lopen als hij/zij gaat beginnen met crowdsourcen. De zeven variabelen zijn de vraagstelling, conversatie, ambtenaar, crowd, incentives, platform en regels. Op dit moment pak ik de incentives er uit.

-

Kan je iets vertellen hoe je in aanraking kwam met overheid 2.0 initiatief, waardoor was je bekend dat het er stond? Denk je dat de meeste mensen er op deze manier bekend mee waren? Waarom ben je deel gaan nemen aan overheid 2.0 initiatief, waarom dacht je kom laat ik eens een bijdrage leveren? o Was het de 20.000 euro of iets anders? o Zelf voldoening? o Omdat je met andere mensen over dingen kon praten? o Promotie eigen werkzaamheden? Waarom denk je dat deze andere mensen willen bijdragen, wat motiveert ze, wat is het dat ze laat bijdragen? o Is het het geld of iets anders, en als je dat weg zou nemen zouden er dan minder meedoen?

-

87

o o o o o

Hoe zou dit proces volgens u beïnvloed kunnen worden zodat mensen gemotiveerd worden om eerder en actiever bij te dragen (incentives)? Wat zou het crowdsourcen vanuit overheid in het algemeen laten werken als het vrijwilligers zijn Denk je dat sturing met de incentives mogelijk is? Denk je dat er nog andere incentives zijn die je kan inzetten? Plaatsen mensen iets omdat ze verwachten er zelf wat aan te hebben, publiciteit, kenbaarheid etc?

-

Wat vond je van het platform, van de comunicatie, heb je regels waargenomen?

88

Bijlage IV: Disclaimer/ Spelregels Innovation 2.0
Het ministerie van Economische Zaken (EZ ) nodigt u uit om inhoudelijke bijdragen te leveren voor de ontwikkeling van beleid op de drie genoemde onderwerpen. Het doel is om nieuwe antwoorden te vinden op concrete beleidsvragen en zo effectiever innovatieen ondernemersbeleid te ontwikkelen. De medewerkers van EZ bereiden een standpunt voor van de minister van EZ en verzamelen daarvoor informatie en opinies. Niet iedere bijdrage door deelnemers zal door EZ worden overgenomen. De uiteindelijke visie van EZ wordt bepaald door de minister. Deze visie zal worden teruggekoppeld aan de deelnemers. We vragen deelnemers transparant te maken wie ze zijn en welke expertise ze hebben; dat geldt ook voor deelnemende ambtenaren van EZ. Iedere deelnemer aan de discussie is verantwoordelijk voor zijn eigen bijdragen. Deelnemers kunnen niet zelf discussies beginnen. De deelnemende ambtenaren zullen niet deelnemen aan de discussie, tenzij hun expliciet een vraag wordt gesteld. In hun antwoord zullen de ambtenaren zich beperken tot het verstrekken van openbare en feitelijke informatie en zich onthouden van hun persoonlijke mening. EZ verwijdert geen bijdrage, tenzij het om spam gaat. EZ definieert spam als een bijdrage in een discussie te interpreteren is als acquisitie, promotie en/of reclame voor uw bedrijf, product, dienst of bijeenkomst. Bij herhaling wordt de deelnemer die spamt uitgesloten van de discussie.

-

-

-

-

89

Bijlage V: Vellekoop & Meesters & Ambtenaar 2.0
Vellekoop & Meesters (opgericht in 1993) is een middelgroot adviesbureau. De kerncompetentie ligt in het oplossen en realiseren van verandervraagstukken op het vlak van organisatie, informatie en innovatie. Het ontwikkelen van innovatieve bedrijfsmodellen en besturingsconcepten (businessarchitecturen) en informatiehuishoudingen (informatiearchitectuur) vormt daarbij de basis. In toenemende mate wordt V&M betrokken bij organisatie- en sectoroverstijgende vraagstukken waarin optimalisatie van ketens centraal staat en publieke en private partijen met elkaar samenwerken. Klanten van V&M zijn voornamelijk (semi-)overheids-instellingen, zoals diverse ministeries, provincies, HBO's/universiteiten, de havensector. In de private sector wordt ondermeer gewerkt voor voor financiële instellingen. Voor verdere informatie: www.vm-advies.nl

Ambtenaar 2.0: Er is een fundamentele verandering gaande in de samenleving: in hoe mensen elkaar vinden, kennis en ideeën uitwisselen en samenwerken. Deze verandering heeft een technische aanleiding (internet, web 2.0), maar de gevolgen zijn maatschappelijk. En daarom heeft het ook gevolgen voor het werk en de manier van werken van de overheid: de relatie tussen burger en overheid, de interne organisatie van de overheid en de manier van werken van de ambtenaar. Daar moeten we iets mee als overheid. We moeten bedenken wat het betekent voor onze manier van werken, hoe we efficiënter en interactiever kunnen gaan werken door gebruik te maken van web 2.0 en internet. Daar zijn geen kant en klare antwoorden voor, ieder moet dat voor z'n eigen werk invullen, bij beleid, uitvoering en inspecties. Die verantwoordelijkheid hebben we als ambtenaar. Dat begint met discussiëren, onderzoeken en experimenteren om nieuwe wegen te vinden. Ambtenaar 2.0 is een netwerk van mensen, zowel ambtenaren als burgers, die de gevolgen van web 2.0 voor de overheid willen onderzoeken en onder de aandacht brengen, daarover het gesprek aangaan om ideeën, kennis en praktijkervaringen uit te wisselen en bijdragen aan opleiding, ondersteuning en praktische tips om als een ambtenaar 2.0 te kunnen werken. Voor verdere informatie: www.ambtenaar20.nl

90

Bijlage VI: Onderzoeksopzet

Versie 1.0 vrijdag 10 juli 2009

Roderick Simons

91

Inleiding
Ambtenaren gebruiken tal van verschillende bronnen van kennis, zowel binnen het ministerie als erbuiten. Collega’s, vrienden, kennisinstellingen, kranten en het internet maken onder andere onderdeel uit van deze kennisbronnen. Conferenties worden bezocht en netwerkbijeenkomsten worden aangedaan om het bestaande netwerk uit te breiden en te onderhouden. Nieuwe bronnen van kennis kunnen worden aangeboord om eventueel de kwaliteit van nieuw en bestaand beleid te verhogen. Uit interviews met ambtenaren blijkt dat de geïnterviewden de potentie zien en dat er behoefte is voor het inzetten van het internet om de samenleving als nieuwe kennisbron te benaderen. Dit wordt crowdsourcing genoemd. De behoefte van de geïnterviewde ambtenaren om buiten het bestaande netwerk te treden is onder andere gebaseerd op kwaliteitsverbetering en tijdswinst. Dit sluit goed aan bij de ambitie van het ministerie om ‘excellent’ te zijn waarin een zo hoog mogelijke kwaliteit wordt nagestreefd. Hierin passen andere moderne vormen van werken, kennisbronnen en communicatie. Via ambtenaar 2.0 (een initiatief vanuit LNV om de gevolgen van web 2.0 voor de overheid te onderzoeken) is al aandacht besteed aan onderzoek en praktijkvoorbeelden gerelateerd aan dit onderwerp. Onderzoek is echter schaars en verspreid en binnen het ministerie van LNV is weinig kennis beschikbaar voor het starten van een dergelijk traject. In deze opzet wordt de aanzet voor een onderzoek gegeven naar het effectief inzetten van crowdsourcing door de ambtenaar. De resultaten van dit onderzoek geven inzicht in het effectief inzetten van crowdsourcing en naar de sturingmogelijkheden tijdens het crowdsourcen. Dit leidt tot de volgende onderzoeksvraag: Op welke manier, indien mogelijk, kan de ambtenaar crowdsourcing effectief inzetten om de kwaliteit van beleid te verhogen en de crowd vooraf of tijdens stimuleren/ aan te zetten/ sporen tot collectieve actie.

92

Introductie
De technologische vooruitgang van de afgelopen decennia (o.a. internet en web 2.0) hebben geleid tot een fundamentele verandering in de samenleving: in hoe mensen elkaar vinden, kennis en ideeën uitwisselen en samenwerken. Dankzij nieuwe diensten kunnen gebruikers steeds makkelijker content delen, bewerken en creëren. In allerlei sociale netwerken, waarin ze intensief met elkaar interacteren en samenwerken. In een onvergelijkbaar korte tijd hebben deze nieuwe webdiensten (o.a. blogs, wikis, social networking sites en peer-to-peer diensten) een zeer hoge vlucht genomen. Met een stijging van de internet penetratie en met de verhoogde bekwaamheid van de burger om er mee om te gaan, zijn de activiteiten die een gemiddelde burger online uitvoert gestaag gestegen (Ai-Mei Chang et al, 2008). Dit heeft ook gevolgen voor het werk en de manier van werken van de overheid: de relatie tussen burger en overheid, de interne organisatie van de overheid en de manier van werken van de ambtenaar. De opkomst van web 2.0 roept allerlei vragen op over de gevolgen voor de relatie overheid-burger en over het functioneren van de overheid en het openbaar bestuur (Berlo, 2008) Daarnaast maakt web 2.0 nieuwe vormen van communicatie en samenwerking tussen overheid en burgers mogelijk.

Burgers en overheid
Beleid dat wordt gevormd in samenwerking met de burger zou realistischer, efficiënter en dus effectiever zijn: het houdt immers rekening met de opvattingen, wensen, verwachtingen en klachten van burgers (VROM, 2005). De overheid verwacht dat burgers het beleid daardoor beter zullen waarderen en de regels die eruit voortvloeien eerder zullen naleven (Edelenbos, et al 2005). Het betrekken van burgers in het beleidsproces ontwikkelde zich onder verschillende noemers zoals coproductie, consultatie, interactieve beleidsvorming, responsief besturen, democratische dialoog, burgerparticipatie en vraaggericht beleid (Enthoven 2005, Edelenbos, et al 2005). Al in de jaren zeventig was er ‘inspraak’ waarbij de burgers en belanghebbenden achteraf hun mening konden geven (van Eemeren, 2008). Ook bij latere trajecten waarbij de burger participeerde hadden ze een inbreng bij beslissingen. Bij gemeenten zijn initiatieven gaande, alle ministeries hebben projecten lopen. De meeste van de projecten bij ministeries bouwen voort op bestaande verantwoordelijkheden en werkzaamheden, namelijk burgerparticipatie (ministerie van BZK), inspraak (ministerie van V&W) en consultatie (Ministerie van Justitie). Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie klassieke motieven van overheden om burgers te laten bijdragen. (Enserink en Monnikhof 2003) (Turnhout & Leroy, 2004) (Dreijerink et al, 2008).

-

Verhogen van legitimiteit: burgers die bijdragen kunnen er voor zorgen dat specifieke sociale groepen meer bij de democratie als systeem worden betrokken. Burgers die zich kunnen identificeren met het beleid keren zich minder snel af van bestuur en politiek (Edelenbos, et al. 2005; Dreijerink et al. (2008). Een tweede doel is het verhogen van de kwaliteit en effectiviteit van besluitvorming. Er worden meer verschillende perspectieven, ideeën, vormen van kennis, vaardigheden en ervaring aangewend. Dit biedt de mogelijkheid om de creativiteit en ervaringsdeskundigheid van betrokkenen te benutten om zodoende vraagstukken op een bredere, en eventueel vernieuwende, wijze aan de orde te stellen (Edelenbos, 2005). 93

-

-

Ten slotte worden de verschillende participatietrajecten gezien als een middel voor het verkrijgen van steun en draagvlak onder de bevolking voor mogelijk impopulaire en controversiële beleidsvoorstellen (Abelson et al. 2003; De Bruijn et al. 2002; Enserink & Monnikhof, 2003).

Voor deze verschillende trajecten wordt vaak een participatieladder gebruikt om aan te geven wat de mate van invloed is die de burger in het traject heeft. Verschillende participatieladders zijn in de loop van de tijd tot stand tot gekomen. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen 5, (edelenbos en monnikhof 2001), 7 (Pröpper en Steenbeek 1999), of 8, (Arnstein 1969). Bestuursstijlen die de verantwoordelijkheid en invloed van burgers in het beleidsproces weergeven. Bij de bovenste treden is de inbreng van burgers bij beslissingen groot. Bij de middelste treden beslist de overheid en mag de burger adviseren en bij de onderste treden is geen sprake meer van participatie, de overheid beslist alleen.

Crowdsourcing
Web 2.0 is een betrekkelijk nieuwe ontwikkeling. Het versnelt een aantal veranderingen die al langer bezig waren (zoals e-participatie). Het stelt onder andere de overheid in staat de samenleving nu grootschalig te benaderen om het kennis potentieel van de burger te benutten. Een van deze nieuwe instrumenten die door web 2.0 mogelijk wordt gemaakt is crowdsourcing (Howe 2006). Bij crowdsourcing is internet het medium, daar komen overheid (de ambtenaar) en de samenleving samen. Binnen dit medium wordt de ambtenaar in staat gesteld om lokale of specifieke kennis te benutten en problemen op te lossen. Of om een bron van creativiteit aan te boren om nieuwe ideeën, benaderingswijzen of argumenten boven tafel te krijgen. De uitdaging is om het enorme potentieel dat de samenleving te bieden heeft in te zetten (Berlo, 2008). Hierin verschilt crowdsourcing van de vele trajecten als inspraak, consultatie of burgerparticipatie. Deze trajecten zijn voornamelijk gericht op het creëren van draagvlak en het achterhalen van de mening van de burger om een beeld te krijgen van wat er speelt. Hoewel crowdsourcing hiervoor ook ingezet kan worden, is het juist het aanboren van die specifieke kennis of het achterhalen van nieuwe ideeën en dus het verhogen van de kwaliteit, dat hier geldt als primaire reden voor het gebruik ervan. Bij dit nieuwe instrument heeft de burger (bijna) geen invloed op de keuzes die worden gemaakt, het gaat enkel om de beste oplossing voor een probleem, of de verbetering van beleid. In deze context is de participatieladder dan ook niet van toepassing, de burger heeft weinig of geen invloed op de keuze die de ambtenaar moet maken. Crowdsourcing, in de context van de overheid, kan als volgt worden gedefinieerd:

Het inzetten van het potentieel van de samenleving (kennis, kunde en vaardigheden) door het outsourcen of het delegeren van werk of taken (door de overheid) aan een grote verspreide groep van semigeorganiseerde individuen (burgers), via het internet in de vorm van een online oproep8.

8

http://tinyurl.com/cy2j4j

94

BESTAANDE CROWDSOURCINGMODELLEN

Het kennis potentieel van alle burgers inzetten is een mooi doel, maar lastig te verwezenlijken. Er zijn pogingen gedaan om verschillende dimensies van crowdsourcen in een model te benoemen. Op deze manier kan onderscheid worden aangebracht tussen verschillende bestaande crowdsourcing trajecten. Daarnaast kan het model dienen als basis voor de vorming van een crowdsourcing strategie. Een dergelijk model wat recent is ontwikkeld (Kottering 2009) bevat vier dimensies die allen drie niveaus kennen (zie bijlage 2):

-

-

-

-

Size of crowd: In theorie hoe groter de crowd hoe meer mensen kunnen bijdragen. Als je zoekt naar specifieke kennis is er een betere kans deze te vinden in een grotere groep (niveau 1). Als de kennis breed beschikbaar is voldoet een kleine groep (niveau 3). Complexiteit: Het kan gaan om complexe problemen met veel belangen en mogelijke oplossingen (niveau 1) of om minder complexe problemen waarmee een kleine groep of een individu ook aan de slag kan (niveau 3). Innovatiecyclus: In welke fase van de innovatiecyclus hoort het crowdsourcen hier. Gaat het om een inzet van crowdsourcing die enkel hoort bij een ruw idee. Of, als het idee verder gevorderd is, over de verspreiding, het naar de markt brengen en de commerciële inzet ervan (niveau 3). Expertise: Het gaat hier om de kennis die gezocht wordt door de crowdsourcende partij. Deze kan breed beschikbaar zijn in de samenleving (niveau 1) of enkel bekend bij specialisten en experts (niveau 3).

Een ander model van Vittamäki (2007) (zie bijlage 3) geeft vijf elementen en verschillende niveaus van participatie aan waarmee rekening gehouden moet worden tijdens crowdsourcen. Deze vijf elementen zijn te verbinden aan verschillende fase van besluitvorming. Het eerste element ‘Focus’ is het strategische element in het model. Het koppelt samenwerking en de bijdrage van de crowd aan de strategie van het bedrijf. Welke bedrijfstak ga je de crowd bij betrekken, met welke mensen ga je spreken, welke mate van vrijheid en invloed geef je ze mee? Onder de tactische overwegingen vallen de language, incentives en de rules. De language is de manier waarop je de crowd benaderd. De ‘incentives’ zijn de mechanisme waarom de crowd bijdraagt en de manieren hoe je dit kan beïnvloeden, vaak zonder tasbare beloningen. De rules zijn het kader waarbinnen de crowd (samen)werkt. Tenslotte zijn de technische overwegingen, de tools. Dit is het platform, een gedeelde plek voor de Figuur 10 - Vijf elementen en drie fase besluitvorming communitie om samen te komen. Hoewel dit laatste model zich meer richt op de private sector bieden beide modellen aanknopingspunten voor een model dat zich richt op de publieke sector.

95

96

Kennisperspectieven
Introductie Crowdsourcing vindt plaats in de complexe sociale wereld waarin de overheid in contact kan komen met de burger. Voor het oplossen van problemen zijn kennis en ideeën van de burger nodig. Hoe de overheid deze kennis en ideeën, de burger en zichzelf ziet is van belang voor het effectief inzetten van crowdsourcing. In dit onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen de twee verschillende manieren waarop naar kennisuitwisseling en ontwikkeling gekeken kan worden.
Het eerste perspectief komt voort uit de filosofische oorsprong van het objectivisme. Objectivisme is het dominante wereldbeeld in de westerse cultuur (Bunge, 1993) en heeft een grote invloed op het kennismanagement domein. (Huizing, 2007a, Lakoff, 1980 p113,185). Voornamelijk uit ontevredenheid dat objectivisme een grote invloed heeft op de wetenschappelijke theorie is vanaf de jaren 60 een andere filosofische traditie ontstaan: het subjectivisme. (Bunge 1993, Huizing 2007b). Beide wetenschappelijke tradities hebben hun stempel gedrukt op de manier hoe je naar kennis(management) en de gevolgen hiervan kunt kijken. Bij crowdsourcing is de informatie die je probeert te achterhalen vaak lastig te verkrijgen en gebruiken, von Hippel (2003) noemt deze informatie sticky. Het is belangrijk beide perspectieven in relatie tot crowdsourcing te beschrijven om zo een onderbouwde keuze te maken voor het optimaal benutten van het kennispotentieel van de bevolking. Onderstaand zullen beide perspectieven worden beschreven, op welke manier kennis wordt gevormd en wat mensen motiveert om kennis te delen.

Objectivisme Kenmerkend bij dit perspectief is dat ‘kennis’ wordt losgekoppeld van de eigenaar en zijn; emoties, gedachten en gevoelens zodat deze kennisobjecten context afhankelijk kunnen worden geïnterpreteerd. Kennis en informatie worden gezien als verhandelbare objecten met inherente eigenschappen die de objectieve realiteit beschrijven (Huizing 2007a). Kennis en informatie moeten zo optimaal mogelijk worden benut en gebruikt wat betekent dat objecten hun meest efficiënte en waardevolle gebruik vinden door uitwisseling. Ik volg Huizing (2007a) in zijn stelling dat objectivisme gebruikt kan worden als een ‘paraplu term’ voor alle gedachten en theorieën die zijn gebaseerd op het idee dat: ‘for knowledge development, we should view the world as consisting of distinct objects that can and should be separated from their originators and users’.
Voor crowdsourcing vindt in de meeste gevallen deze efficiënte uitwisseling plaats over het internet. Om efficiënt te zijn, zijn er een groot aantal burgers nodig die een bijdrage leveren, hoe meer mensen participeren hoe meer kennis en ideeën (kunnen) worden gegenereerd (Huizing 2007a). Binnen dit perspectief zijn er nauwelijks of geen barrières om toe te treden, iedereen die zou willen kan dan wel anoniem een bijdrage leveren. Bij objectivisme streven mensen hun eigen doel na, hun identiteit en relaties met andere burgers zijn niet belangrijk en elke transactie van kennis staat op zich. Hierdoor worden de intrinsieke en extrinsieke motivaties van mensen om informatie en kennis te de delen aangesproken. Het is aannemelijk dat mensen willen bijdragen als ze verwachten ervoor te worden beloond met tastbare of niet-tastbare beloningen, zoals betalingen, promoties, bonussen, reputatie of respect. Het creëren van mechanisme die op deze motivaties inspelen zijn van belang voor een zo groot mogelijk aantal participerende burgers. Subjectivisten zeggen over objectivisten dat het totaal aan bijdragen niet meer is dan de som van de afzonderlijke bijdrages en dat de

97

verkregen informatie vaak wordt gebruikt nadat de beslissing al genomen of het beleid al gemaakt is (het creëren van draagvlak) (Weick, 1995 via Huizing 2007b).

Subjectivisme Subjectivisme is een filosofische traditie tegengesteld van objectivisme waarin een alternatief wordt gegeven voor het objectivisme. Menselijke ervaringen en betekenisgeving in plaats van objectieve waarheid staan hierbij centraal. (Huizing 2007b). Bij subjectivisme komen betekenisgeving, waarheid en inzicht voort uit interacties met de omgeving en andere mensen. Objecten worden ‘affiliated’ objecten wanneer ze mensen bijvoorbeeld helpen in het vormen van cohesie in groepen en het waarderen van identiteit en wanneer deze objecten verbeelding, relativiteit en dus enthousiasme oproepen. Ze fungeren als manier om intersubjectief te leren en daarmee kennis te creëren (Suchman, 2005).
Lakoff & Johnsen (1980) stellen dat wanneer kennis, relevant aan practice wordt ontwikkeld, we ons niet zozeer moeten richten op de inherente eigenschappen van objecten (zoals bij objectivisme), maar op de interactionele mogelijkheden van deze objecten. En zoals Weick (1995) stelt is intersubjectiviteit relevant voor elke organisatievorm omdat het, op de basis van gedeelde ervaring en betekenisgeving in verschillende practices, collectieve actie mogelijk maakt. Als waarheid, betekenisgeving en meningen intersubjectief worden geconstrueerd betekent dit dat kennis zich niet alleen bevind in de individuele mens, maar ook in de relaties die mensen met elkaar hebben. Hierdoor is bij dit perspectief het totaal van de bijdrage van grotere waarde dan de som van alle bijdrage. Zoals Adler (1997 p327) stelt:

‘Intersubjective meanings are not simply the aggregation of the beliefs of individuals. Rather, they exist as collective knowledge. This knowledge persists beyond the lives of individual social actors, embedded in social routines and practices’.
Waarom zou ik informatie met andere delen en wat weerhoud me ervan dit te doen? Het leven van mensen vind steeds meer plaats rond objecten zoals websites, games en social networking sites. Knorr-Cetina (1997) gebruikt hiervoor de term object centered sociality’. Sociality is belangrijk om te proberen te verklaren waarom mensen vaak vrijwillig bijdragen en waarom van dezelfde crowdsource trajecten de een beter werkt dan de andere. Kennisobjecten zijn open, roepen vragen op en zijn complex. Het kennis object heeft als belangrijkste kenmerk zijn veranderende en ‘unfolding’ character (”lack of objectivity”). Dit uitvouwende character betekent dat er steeds weer wat nieuws te ontdekken of leren valt. Dit kan mensen motiveren om bij te blijven dragen en actief deel te nemen in een community (of practice).

98

Probleemstelling
Het volgende deel is samengesteld in overeenstemming met de richtlijnen van Verschuren en Doorewaard (2000). De probleemstelling beschrijft het probleem en de aanleiding van dit onderzoek. Het doel van het onderzoek wordt gegeven gevolgd door de vraagstelling en de relevantie.

LNV
Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is enkele jaren geleden gestart met een project: Ambtenaar 2.0. Dit om de gevolgen van web 2.0 voor de overheid te onderzoeken en onder de aandacht te brengen en te leren van elkaar. Hierbij wordt er gekeken wat dit web 2.0 betekent voor de manier van werken voor de ambtenaar, of dit efficiënter en interactiever kan en wat de gevolgen hiervan zijn. Het ministerie heeft de ambitie om ‘excellent’ te zijn waarin een zo hoog mogelijke kwaliteit van beleid wordt nagestreefd. Nieuwe moderne vormen van werken, kennisbronnen en communicatie die de potentie hebben de kwaliteit te verhogen zijn voor het ministerie interessant. Om de kwaliteit van het beleid te verhogen kunnen nieuwe bronnen van kennis worden aangeboord. Uit een vijftal oriënterende interviews met ambtenaren blijkt dat er behoefte is en dat de geïnterviewden de potentie zien voor het inzetten van het internet om de samenleving als nieuwe kennisbron te benaderen. De behoefte van de geïnterviewde ambtenaren om buiten het bestaande netwerk te treden is onder andere gebaseerd op de verbetering van kwaliteit en tijdswinst. LNV is op dit moment bezig met een krimpoperatie. Tijdens deze operatie moet met minder mensen effectiever worden gewerkt en wil LNV zijn beleidsinzet beter laten aansluiten op en zichtbaar maken vóór de samenleving. Naast deze krimpoperatie kamt de overheid met het probleem dat de burger minder betrokken raakt bij de politiek. De afstand tussen de samenleving en de overheid wordt door velen als te groot beschouwd en men spreekt hier ook wel van een kloof tussen overheid en burger9. Een mogelijk ander voordeel dat het inzetten van crowdsourcing kan opleveren, is dat deze kloof tussen overheid en samenleving verkleind kan worden. Daarnaast kan crowdsourcing bijdragen aan een efficiëntere bedrijfsvoering. Crowdsourcen is binnen LNV nog niet eerder toegepast. Kennis over het starten van een dergelijk project is niet aanwezig. Dit is zowel een probleem voor de ambtenaar als voor LNV. Crowdsourcing kan de ambtenaar ondersteunen in zijn werkzaamheden alleen is de ambtenaar onbekend met de uitvoering van een dergelijk traject. Daarnaast is het voor het ministerie problematisch omdat de inzet van crowdsourcing tegengesteld kan werken. De resultaten van dit onderzoek ondersteunen de ambtenaar bij het crowdsourcen en hopen een tegengesteld effect ervan te voorkomen.

Doelstelling
Het gewenste resultaat is een situatie waarin de ambtenaar effectief gebruik kan maken van de mogelijkheden die crowdsourcing te bieden heeft. Om daarmee uiteindelijke de kwaliteit van het beleid te verhogen. Om deze doelstelling te bereiken zal een onderzoek worden uitgevoerd wat leidt tot een document voor LNV. In dit document worden, naast een model, strategische uitgangspunten opgenomen die de ambtenaar moeten ondersteunen bij het maken van keuzes voor en tijdens het inzetten van crowdsourcing. Hierbij wordt gekeken op welke manier crowdsourcing ingezet kan worden voor verschillende vraagstukken en situaties. Deze
9

http://tinyurl.com/ngnxlu

99

uitgangspunten helpen om keuzes te maken rond onder andere het platform, het kennisperspectief en het type vraag. Daarnaast geeft het inzicht in de sturingsmogelijkheden voor de ambtenaar, doordat incentives kunnen worden toegepast die de crowd motiveren om een bijdrage te leveren.

Vraagstelling
De hoofdvraag van dit onderzoek komt voort uit de bestudeerde literatuur, interviews met experts en ambtenaren. Veel van de crowdsource initiatieven zijn gestart zonder voorafgaand onderzoek naar hoe dit proces gestuurd kan worden en welke strategie te hanteren. Sommige van deze initiatieven waren succesvol en behaalde goede resultaten, andere waren dit niet. Het verkeerd inzetten van een instrument als crowdsourcing kan averechts werken. Het kan voordelen (kwaliteitsverbetering en tijdswinst) en nadelen (grotere afstand tussen de overheid en burger, verwachtingen die niet worden nagekomen) met zich meebrengen. Bij het crowdsourcing zoals van toepassing binnen dit onderzoek gaat het specifiek over het vergaren van informatie door de ambtenaar, waarbij de kennis van de samenleving wordt gebruikt. Een eenduidige benadering en inzet zijn vanwege de complexiteit van de vraagstukken en de sociale omgeving waarbinnen crowdsourcing werkt niet effectief. Het ondersteunen van de ambtenaar in het maken van keuzes die voor en tijdens het traject gemaakt moeten worden is hier van belang. Een visie, vergezeld van strategische uitgangspunten, kunnen mogelijk de basis vormen voor een crowdsourcingsbeleid. Hierdoor kan het crowdsourcing effectief ingezet worden voor meer dan één vraagstuk en voor verschillende situaties. Dit leidt tot de volgende hoofdvraag:

-

Op welke manier, indien mogelijk, kan de ambtenaar crowdsourcing effectief inzetten om de kwaliteit van beleid te verhogen en de crowd te stimuleren/ aan te zetten/ sporen tot collectieve actie.

Om de hoofdvraag te beantwoording is deze opgedeeld in twee delen. De eerste deelvraag richt zich op de strategische uitgangspunten van crowdsourcing. De tweede deelvraag richt zich op de mechanisme die mensen aanzet en motiveert om bij te dragen tijdens crowdsourcing.

Deelvraag 1 Bij crowdsourcing gaat het over complexe vraagstukken en problemen. Elk probleem vraagt om een andere aanpak. De complexiteit van de vraag, en de expertise die nodig is verschillen immers per traject. Unieke problemen vragen niet om een standaard oplossing, een stappenplan voor de implementatie van crowdsourcing zal om deze redenen niet werken. Wanneer LNV overweegt om een activiteit deels te crowdsourcen, is het van belang hierover een visie te hebben. Er is weinig informatie aanwezig om de ambtenaar hierin te ondersteunen en het is onbekend op welke wijze dit effectief ingezet en gestuurd kan worden. In dit deelonderzoek zal worden achterhaald hoe crowdsourcing optimaal ingezet kan worden voor de ambtenaar in de publieke sector (LNV). Strategische uitgangspunten kunnen de ambtenaar helpen om uit een hoofdlijn keuzes te maken. Het doel van dit deelonderzoek is hier niet om tot een uitwerking van een lange termijn visie te komen maar om te komen tot een basis voor een crowdsourcingbeleid. Hierbij zullen verschillende cases/scenario’s worden uitgewerkt die per situatie antwoord geven op belangrijke vragen rond crowdsourcing. Bijvoorbeeld, welke soort vraag gesteld moet worden, hoe groot de doelgroep is die aangeboord moet worden of hoe het zit met de terugkoppeling naar de crowd. Dit leidt tot de eerste deelvraag:

100

-

Welke strategische uitgangspunten kunnen de ambtenaar ondersteunen in zijn werkzaamheden rond het crowdsourcen.

Deelvraag 2 Wat zit er in voor mij? Dat is ongetwijfeld een vraag die veel mensen zich stellen als ze een overweging maken om een bijdrage te leveren. Vrij weinig is bekend over de vaak vrijwillige inzet van de duizenden mensen. Om crowdsourcing effectief(ver) te kunnen inzetten is het van belang te achterhalen wat de crowd beweegt om een bijdrage te leveren. Het inspelen op de wensen, latente behoefte en intrinsieke motivaties van de burger kan tot betere resultaten leiden. Hoe deze motivaties van invloed zijn op de mate van participatie van de samenleving is onbekend. In dit deelonderzoek zullen zo veel mogelijk mechanismes die de samenleving aanzetten om te reageren worden achterhaald. Deze zijn van belang omdat ze door de ambtenaar voor of tijdens het crowdsourcen ingezet kunnen worden als sturingsmiddel om de samenleving actiever te laten bijdragen en de effectiviteit en kwaliteit van het traject te verhogen. Dit leidt tot de tweede deelvraag: tweede deelvraag: Wat zijn de mechanisme die burgers aanzet tot bijdrage tijdens crowdsourcen en op welke manier kunnen deze worden ingezet door de ambtenaar.

Relevantie van het onderzoek
Maatschappelijke relevantie Hoewel de aanleiding die crowdsourcen nu mogelijk maakt technisch is, (technologische ontwikkelingen als internet en web 2.0) zijn de gevolgen maatschappelijk. Zowel voor de manier van werken van de ambtenaar als voor de kwaliteit van leven van de Nederlandse burger. Door het uitvoeren van dit onderzoek krijgt LNV inzicht in het inzetten van crowdsourcen als tool om het kennis potentieel van de bevolking te gebruiken. Hiermee kan in theorie de kwaliteit van het beleid worden verhoogd. Beleid dat sneller en efficiënter tot stand komt bespaart tijd en geld (afkomstig van de belastingbetaler). Dit is interessant voor de eerder genoemde krimpoperatie en de te grote afstand tussen samenleving en overheid. Hoewel het doel van dit onderzoek hiervan losstaat, kan dit onderzoek hier wellicht een positieve bijdrage aan leveren. Wetenschappelijke relevantie Burgers worden al geruime tijd geraadpleegd of betrokken bij beleidsontwikkeling binnen de overheid en veel resultaten uit onderzoeken zijn beschikbaar. Deze onderzoeken richten zich echter op het laten ‘meedenken’ van de burger om beleid te toetsen en om draagvlak te creëren. Crowdsourcing in de context zoals gedefinieerd voor dit onderzoek wordt door overheden weinig toegepast. Daarnaast is er op dit gebied weinig tot geen onderzoek verricht waarbij crowdsourcing wordt ingezet als nieuwe bron van informatie voor de ambtenaar. Waarvan de ambtenaar vervolgens kan leren om de kwaliteit van het beleid te verhogen of om zijn werk sneller uit te voeren. Strategische uitgangspunten om crowdsourcing rond vorm te geven die de ambtenaar faciliteren in het benutten van de crowd ontbreken, dit onderzoek hoopt hierin te voorzien. Daarnaast richt dit onderzoek zich ook op de sturingsmechanisme in de vorm van incentives voor de crowd. Hoewel veel onderzoek in de open source sector is uitgevoerd is weinig bekend hoe mensen gemotiveerd kunnen worden om (actiever) bij te dragen.

101

Persoonlijke relevantie Op dit moment stijgt het aantal crowdsourcing initiatieven voor bedrijven en de overheid10. Vele initiatieven zijn in beide sectoren gestart, sommige succesvol en ander niet. Persoonlijk vind ik het interessant waarom bepaalde trajecten zo succesvol zijn. Er is geen stappenplan dat bij de laatste stap succes garandeert, elk traject is weer verschillend. Daarnaast is dit voor mij persoonlijk interessant omdat ik met dit onderzoek bijdraag aan een (maatschappelijke) verandering van de manier van werken van de ambtenaar. Deze nieuwe werkwijze kan mogelijk bijdragen aan verbetering van het beleid en daarmee (indirect) aan de kwaliteit van leven van de Nederlandse bevolking.

10

http://www.google.com/trends?q=crowdsourcing

102

Onderzoeksmethode
In onderstaand deel wordt beschreven op welke manier het onderzoek uitgevoerd gaat worden. De onderzoeksmethode beschrijft de methoden en technieken die gebruikt zullen worden voor voorbereiding, verkrijgen en analyse van de data. Het onderzoeksmodel wordt behandeld en de bronnen die gebruikt gaan worden tijdens het onderzoek.

Methode De eerste fase van het onderzoek bestaat uit ‘desk’ onderzoek. Hierin wordt literatuur (voor een overzicht van de te bestuderen literatuur, zie het onderzoeksmodel) bestudeerd om een tot een theoretisch model te komen dat als basis dient voor het vervolg van het onderzoek. De interviews zullen aan de hand van de resultaten van dit onderzoek worden vorm gegeven. De resultaten uit de case studie zullen worden gebruikt om het model te toetsen en aan te passen. Dit model zal vervolgens dienen als basis van de strategische uitgangspunten voor LNV. Het tweede deel bestaat uit een case studie waarin voornamelijk de richtlijnen van Yin (2003) worden gebruikt om validiteit en betrouwbaarheid te garanderen. Wanneer er een vraag wordt gesteld over tijdelijke voorvallen waarover de onderzoeker geen controle uit kan oefenen, zoals het geval in dit onderzoek, is een case studie gerechtvaardigd (berg, 2001; 2003; Yin, 2003). Met een case studie kan een gedetailleerde waarneming worden gedaan in een natuurlijke omgeving waarbij de onderzoeker weinig tot geen invloed kan uitoefenen in een ‘real-life’ context. Yin (2003) geeft vijf databronnen aan waaruit gegevens gehaald kunnen worden, interviews, enquêtes, directe observatie, participatie observatie en documentatie. Een of meerdere van deze databronnen leiden tot een inzicht in hoe bepaalde processen in de praktijk verlopen. In plaats van de symptomen van het probleem en hoe vaak ze voorkomen te achterhalen is het in dit onderzoek meer van belang om de achterliggende oorzaken en de gevolgen van een bepaalde situatie te beschrijven. Er zullen twee verschillende case studies worden gehouden, beiden gerelateerd aan een van de deelvragen. Beide zullen gebruik maken van verschillende databronnen en technieken om de data te verkrijgen en zo triangulatie na te streven. Daarnaast zorgt het iteratieve karakter dat ‘cross-case’ analyse mogelijk is wat de validiteit ten goede komt (Yinn 2003; Berg 2001).

Case studie 1 De eerste casestudie moet antwoordt geven op de eerste deelvraag. Hierin worden verschillende crowdsourcing initiatieven bestudeerd. Welke cases er worden gekozen is afhankelijk van de resultaten die voortkomen uit het literatuuronderzoek. Wel zal minimaal één crowdsourcing case worden geselecteerd die gerelateerd is aan LNV, één case die niet is gerelateerd aan LNV maar wel aan de publieke sector en één case uit de private sector. De cases moeten gaan over de overdracht van informatie tussen de crowd en de crowdsourcende partij. Binnen dit onderzoek zullen minimaal de invloed van de volgende variabelen worden bestudeerd. Grote van de crowd Expertise van de crowd Vanuit welk kennisperspectief 103

-

Complexiteit van de vraag of het probleem Individueel of in samenwerking met andere participerende

De bovengenoemde criteria komen voort uit de reeds bestudeerde literatuur. Toevoegingen of wijzigen zullen worden aangebracht naar aanleiding van de resultaten uit het literatuuronderzoek. Binnen deze case studie zal gebruik worden gemaakt van directe observatie en interviews om een beeld te creëren van de invloed van bovenstaande variabelen op de resultaten van crowdsourcing. Het doel van de observatie is het achterhalen van de effecten van bovengenoemde variabelen. Op crowdsourcing gebied binnen de overheid lopen verschillende initiatieven. Experts op dit gebied en initiatiefnemers zullen worden geïnterviewd om van bestaande initiatieven te leren. Enquêtes zijn hierbij minder van toepassing. Voor enquêtes moet veel over het onderwerp bekent zijn en een enquête, is in tegenstelling tot wat dit onderzoek nastreeft, vaak kwantitatief.

Case studie 2 De tweede case studie richt zich op de mensen die tijdens een crowdsourcing, open source of ander vrijwillig project met andere bijdragen. De belangrijkste methode binnen dit onderzoek is het interview. Burgers die reeds participeren in bestaande trajecten zullen worden geïnterviewd om te achterhalen waarom ze dat doen. In de meeste gevallen zijn het geen materiële waarde die mensen aanzetten om een bijdrage te leveren. Wat is het dan wel dat deze mensen drijft en wat zijn dan de mechanismes die ze ertoe aanzetten en gemotiveerd houden. Het achterhalen van deze mechanismes kan inzicht geven in hoe dit proces beïnvloed en gestuurd kan worden. Bij dit interview dienen de resultaten uit het literatuuronderzoek als basis van de vragenlijst. De resultaten van deze interviews zullen worden gebruikt om de resultaten uit het literatuuronderzoek over dit onderwerp te toetsen en waar nodig aan te passen.
De interviewmethodiek is geschikt om impliciete onderwerpen expliciet te kunnen maken en het perspectief van waaruit de geïnterviewde denkt te beschrijven. Het voordeel van interviews is dat ze dynamisch en flexibel zijn waardoor veel informatie van de respondent gewonnen kan worden. Er worden drie soorten interviews beschreven: gestandaardiseerd, semigestandaardiseerd en niet gestandaardiseerd. (Ehigie & Ehigie, 2005; Berg, 2001; Arksey & Knight, 1999;). Juist omdat de informatie over motivatie en de mechanismes lastig te verkrijgen is kan een semi-gestructureerd interview hier goed voor worden gebruikt. Als bij het doorlopen van de vragenlijst de onderzoeker nog geen helder beeld heeft van wat de respondent motiveert, kan worden afgeweken van de standaard vragenlijst.

104

Onderzoeksmodel & beoogd onderzoeksmateriaal
In onderstaand model (figuur 2) is weergegeven welke fases nodig zijn om de doelstelling van het onderzoek te behalen (Doorewaard & Verschuren, 2007). Dit model bestaat uit 6 fases die moeten leiden tot de beantwoording van de deelvragen en de hoofdvraag. De eerste fase (A) bestaat uit het theoretisch onderzoek. Hierin zijn vier onderwerpen geslecteerd en per onderwerp zijn verwijzigen geplaatst naar belangrijke werken binnen dat onderwerp. Onder het derde blok ‘overig’ vallen verschillende theoretische gedachtengangen zoals; collectieve actie, ‘social theory’ en ‘learning’. De resultaten uit dit onderzoek vormen de basis van een crowdsourcemodel (B). Dit model zal door de resultaten die voortkomen uit de case studies (C) worden getoetst en verder worden verfijnd. De resultaten (C) en analyse (D) leiden tot een conclusie en een oplevering van het document aan LNV (E). Vervolgens zal de thesis worden afgerond met een antwoord op de hoofdvraag (F).

Figuur 11 - Onderzoeksmodel

Voor het onderzoek is belangrijk dat de wetenschappelijke literatuur valide en betrouwbaar is. Een groot deel van de literatuur is al geselecteerd (zie figuur 1 fase A). Hierbij is voornamelijk gebruik gemaakt van Journals en tijdschriften die vallen onder de A en B categorie (Lowry et al. 2004). Daarnaast zullen andere scripties en promotieonderzoeken gebruikt worden. Op het internet worden blogs, forums, discussies en (social) netwerksites gebruikt om een beter beeld te krijgen en om overige literatuur en experts op dit gebied te vinden. Er wordt getracht 70% van het materiaal uit de wetenschappelijke literatuur te halen (A en B Journals). Binnen het ministerie is contact met ambtenaren die actief zijn in het betrekken van de burger voor tal van doeleinden. Daarnaast is reeds contact geweest met hoogleraren en andere onderzoekers die actief zijn binnen ditzelfde terrein.

105

Planning
In bijlage 1 staat de planning van het gehele onderzoek. In het onderzoek lopen verschillende activiteiten parallel met elkaar om de snelheid van het onderzoek te bevorderen. Delen van het onderzoek zijn al uitgevoerd, dit zijn verzamelen literatuur en voorbereiden en uitvoeren van een deel van de interviews. Er zijn drie oplevermomenten; allereerste de literatuurstudie, vervolgens de conclusie en analyse en tenslotte het advies aan LNV en de complete thesis.

Begrippenlijst
Social netwerken Een sociaal netwerk is een sociale structuur die bestaat uit (meestal) individuen of organisaties die met elkaar verbonden zijn omdat ze elkaar kennen, of bepaalde interesses of waarde hebben. Incentives Een incentive is een factor (financieel of niet financieel) die ervoor zorgt dat mensen worden gemotiveerd of geprikkeld om een bepaalde actie uit te voeren. Crowdsourcing Het inzetten van het potentieel van de samenleving (kennis, kunde en vaardigheden) door het outsourcen of het delegeren van werk of taken (door de overheid) aan een grote verspreide groep van semigeorganiseerde individuen (burgers), via het internet in de vorm van een online oproep. Communitie Een communitie is een groep mensen die communiceren en/of samenwerken, met behulp van vooral het internet of andere informatietechnologie. Een community of practice verwijst naar het proces van sociaal leren dat voortkomt en gedeelde socioculturele practices die ontstaan wanneer mensen een gezamenlijk doel of een gezamenlijke interesse hebben of wanneer ze hierna streven.

106

Bronvermelding
Adler, E. (1997) “Seizing the Middle Ground: Constructivism in World Politics,” European Journal of International Relations, 3:3, 319-63. Ai-Mei Chang, P. K. Kannan, (2008) Leveraging Web 2.0 in Government, E-Government/technology series, Arksey, H. & Knight, P. (1999). Interviewing for social scientists: an introductory resource with examples. London, Sage. Berg, B. L. (2001). Qualitative research methods for the social sciences. Needham Heights, A Pearson Education Company. Berlo, D. (2008). Ambtenaar 2.0, Nieuwe ideeën en praktische tips om te werken in overheid 2.0. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Bunge, M. (1993) realism and antirealism in social science. Theory and Decision 35: 207-235, 1993. Kluwer Academic Publishers. Printed in the Netherlands Burton, P. (2004). Power to the people? How to judge public participation. Local Economy, 19, 193198. Dreijerink, L. H. Kruize, I. van Kamp (2008)., Burgerparticipatie in beleidsvorming, Resultaten van een verkennende literatuur review, RIVM Briefrapport 830950003/2008, bijlage bij briefnummer 063/2008 MGO Edelenbos J., H.L. Klaassen, L. Schaap,. (mei 2005) Burgerparticipatie zonder verantwoordelijkheid, Centre for Local Democracy (CLD) Centre for Public Management (CPM), Faculteit Sociale Wetenschappen, Erasmus Universiteit Rotterdam ISBN 90-77846-01-8 van Eemeren, (2008) A. Organisatorische positionering en aanpak van burgerparticipatie bij het rijk: Van ideologie naar pragmatisme. Afstudeerscriptie: Bestuurskunde / Overheidsmanagement Thorbecke Academie Ehigie, B. O. & Ehigie, R. I. (2005). ʺApplying Qualitative Methods in Organizations: A note for Industrial/Organizational Psychologists.ʺ The Qualitative Report 10(3): 620-637. Enserink, B. & Monnikhof, R.A.H. (2003). Information management for public participation In codesign processes: evaluation of a Dutch example. Journal of Environmental Planning and Management, 46, 315-344. Enthoven, G. (2005) Representatief en participatief, een tussenbalans na 10 jaar interactief besturen. het blad Bestuurskunde, maart 2005, nummer 2 Gerritsen, S. (2001). Schrijfgids voor economen. Bussum, Uitgeverij Coutinho. Hippel von, E. (1994). "Sticky Information" and the Locus of Problem Solving: Implications for Innovation. Management Science Vol. 40, No 4 , 429-439.

107

Huizing, A. (2007a). "The Value of a Rose: Rising above Objectivism and Subjectivism," University of Amsterdam, Netherlands . Sprouts: Working Papers on Information Systems, 7(11). http://sprouts.aisnet.org/7-11 Huizing, A. (2007b). "Objectivist by default: why information management needs a new foundation," University of Amsterdam, Netherlands . Sprouts: Working Papers on Information Systems, 7(10). http://sprouts.aisnet.org/7-10 Kotterink, B. ICSE model, TNO. Wordt gepubliceerd eind 2009 Knorr Cetina, K. (1997). Sociality with objects: Social Relations in Postsocial Knowledge Societies. Theory, Culture & Society , 1-30. Lakoff, G, and Johnson, M. (1980), Metaphors We Live By, Chicago: The University of Chicago Press. "Sticky Information"" and the Locus of Problem Solving: Implications for Innovation Suchman, L. (2005), Affiliative Objects, Organization, 12(3): 379-399. May, J. (2006). Ladders, stars and triangles. Old and new theory for the practice of public participation. International Journal of Market Research, 48, 305-319. Miles, M. B. & Huberman, A. M. (1994). Qualitative Data Analysis: An Expanded Sourcebook. California, SAGE Publications, Inc. Mostert, E. (2003). The challenge of public participation. Water Policy, 5, 179-197. Turnhout, E. & Leroy, P. (2004). Participeren in onzekerheid. Literatuuronderzoek naar het inzetten van participatie in wetenschappelijke beleidsadvisering. Bilthoven: RIVM. RIVM rapport 550002008/2004 Verschuren, P. & Doorewaard, H. (1998). Het ontwerpen van een onderzoek. Utrecht, Uitgeverij LEMMA BV. VROM (2005). Beleid met burgers. Praktische gids voor burgerparticipatie. Verkregen op datum, van http://www.vrom.nl/pagina.html?id=16572. Weick, K.E. (1995), Sensemaking in Organizations, Thousand Oaks: Sage. Yin, R. K. (2003). Case Study Research: Design and Methods. SAGE.

108

Bijlage 1: Planning

109

Bijlage 2: Crowdsourcemodel I

110

Bijlage 3: Crowdsourcemodel II

111

Bijlage 4: Samenvatting interviews
Interviews zijn gehouden met een vijftal ambtenaren van verschillende werkvelden om de probleemsituatie vanuit verschillende perspectieven te bekijken en te achterhalen. Daarnaast geven ze de onderzoeker een beter beeld van de werkzaamheden van de ambtenaar. Twee van de vijf geïnterviewde vroegen om een anonieme verwerking van de resultaten, van de overige drie zijn de uitgewerkte interviews beschikbaar. De interviewguide die is gebruikt om het interview vorm te geven staat in bijlage 5. Het tweede deel van de vragenlijst heeft geen betrekking op het achterhalen en onderbouwen van de probleemstelling maar met een volgend deel van het onderzoek voor deelvraag 2. Met dit interview is geprobeerd te achterhalen voor wie, wat en op welk moment als problematisch wordt ervaren in een vooraf bepaalde context. Hierin wordt door de verschillende geïnterviewde aangegeven dat bij het inzetten van het kennispotentieel zich ‘bottlenecks’ kunnen voordoen. Het kan wellicht verkeerde verwachtingen wekken onder de bevolking, de inzet ervan kan averechts werken en communicatie en transparantie worden als belangrijk gezien. Ondanks deze mogelijke bottlenecks geven vier van de vijf geïnterviewde aan mogelijkheden te zien voor het gebruik van crowdsourcing. Twee verschillende manieren waarop crowdsourcing ingezet kan worden zijn naar voren gekomen tijdens de interviews. De eerste gaat over politieke kwesties als het achterhalen van het onderbuikgevoel in de samenleving of het toetsen van beleid. De tweede over de inzet van crowdsourcing zoals behandeld in dit document. Deze interviews zijn geen representatie van alle ambtenaren binnen LNV, maar ze geven een goed beeld voor het vormgeven van de probleemstelling.

112

Bijlage 5 Interview guide
Introductie: doel interview, onderzoek naar kennisbronnen die door de beleidsmedewerker binnen het ministerie worden ingezet. Een ambtenaar gebruikt naast zijn eigen kennis ook de kennis anderen. Als zich problemen voordoen of als de ambtenaar kansen ziet waar haalt hij dan zijn kennis vandaan. Door middel van deze interviews probeer ik te achterhalen wat deze kennis bronnen zijn en of er behoefte is aan nieuwe bronnen van kennis. (20 minuten, opnemen?)

-

Waar bestaan uw werkzaamheden uit. o Afdeling, onderdeel. Verantwoordelijkheden. Heeft u het gevoel dat u een expert of generalist bent binnen uw werkveld? o Weet u veel van weinig of weinig van veel Welke kennisbronnen gebruikt u op dit moment, voor o.a. vorming van beleid etc. o Heeft u het idee dat u alle potentiële kennis gebruikt die ervoor beschikbaar is. Heeft u (soms) tijdens uw werkzaamheden de behoefte aan andere bronnen van kennis die u kunnen ondersteunen in uw werkzaamheden o Waar denkt u dat hier mogelijkheden liggen, waar zou deze nieuwe kennis vandaan kunnen komen?

-

-

-

Nu met internet is de hele Nederlandse bevolking aangesloten. In principe kan iedereen via het internet bijdragen met zijn of haar specifieke kennis. Stel je nu voor dat je een platform hebt waar deze mensen bij elkaar komen en waar de ambtenaar deze groep kan gebruiken als extra kennis bron. Mogelijk kan de ambtenaar ipv veel over weinig (expert) of weinig over veel (generalist) nu veel over veel weten.

-

Welke toegevoegde waarde denkt u dat dit kan hebben o In welke situatie (welk soort vraagstukken) zou u dit willen gebruiken o Kunt u uit uw huidige werkzaamheden een dergelijke situatie schetsen?

Deze mensen halen een bepaalde voldoening uit het oplossen van een probleem of het bijdragen en meedenken. Het is ten slotte hun vrije tijd die ze gebruiken om dit te doen.

-

Waarom denkt u dat deze mensen willen bijdragen, wat motiveert ze, wat is het dat ze laat bijdragen? o Hoe zou dit proces volgens u beïnvloed kunnen worden zodat mensen gemotiveerd worden om eerder en actiever bij te dragen (incentives)?

113

114

115

116

117

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful

Master Your Semester with Scribd & The New York Times

Special offer for students: Only $4.99/month.

Master Your Semester with a Special Offer from Scribd & The New York Times

Cancel anytime.