You are on page 1of 11

OGP3

Kritische reflectie
Doelen van OGP3
Het doel dat de opleiding gesteld had bij OGP3 was om aan het einde van
het derde kwartaal actieve kennis te hebben van groepen,
groepsprocessen en mogelijkheden voor beïnvloeding daarvan. Daarnaast
was het doel om ervoor te zorgen dat je in staat bent om je onderwijs in de
verschillende vakgebieden af te stemmen op specifieke pedagogische- en
vakgerelateerde kenmerken van jouw stagegroep. Deze doelen zijn
omgezet naar beoordelingscriteria die de basis vormen voor de
beoordeling van OGP3. Dit zijn de volgende criteria:
A.1 Bespreken van en omgaan met regels
2.1 fysiek en sociaal-emotioneel veilige leeromgeving
A.3 Leiding geven aan het groepsproces
1.1 Zicht op groepjes leerlingen
1.3 effectieve leerkrachtcommunicatie
A.4 Interactie aangaan met de groep
3.12 feedback aan leerlingen
B.1 Leerdoelen stellen
3.4 passende leerinhouden vanuit leerlijnen
3.11 leerprocessen observeren en registreren
B.2 Leeractiviteiten ontwerpen
3.6 werkvormen en groeperingsvormen
4.5 leeromgeving inrichten
B.3 Leeractiviteiten begeleiden
2.6 samenwerking, zelfredzaamheid
Ik ga per bovenstaande beoordelingscriteria reflecteren.
A.1 Bespreken van en omgaan met regels
2.1 fysiek en sociaal-emotioneel veilige leeromgeving
“De student maakt zichtbaar welke regels er in de groep gelden en toont
aan dat hij de regels kan hanteren ten behoeve van het realiseren van een
fysiek en sociaal-emotionele veilige leeromgeving.”
Wat wilde ik?
Ik wilde een fijne leeromgeving creëren voor de kinderen, waarbij zij zich
gewaardeerd en veilig voelen en ruimte hebben voor ontwikkeling. Dit
wilde ik realiseren door middel van regels in de groep te laten gelden en
deze ook na te streven. Hierbij wilde ik gebruik maken van het operant
conditioneren van Skinner, waarbij het gewenst gedrag gerealiseerd wordt
door te belonen en straffen.

Wat deed ik?
Om een beeld te krijgen van de bestaande regels in de klas, heb ik
allereerst met mijn werkplekbegeleidster gesproken. Zij vertelde mij over
de regels die golden in de klas en wees mij op het contract, met hierop de
afspraken en regels, dat alle kinderen hebben ondertekend. Daarnaast gaf
mijn werkplekbegeleidster ook aan dat regels in deze klas van cruciaal
belang zijn, omdat het een pittige klas is en de kinderen hier behoefte aan
hebben.
Vervolgens heb ik direct bij mijn eerste stagedag aangegeven dat bij mij
dezelfde regels als bij de andere juffrouwen golden. Om deze regels na te
streven en gewenst gedrag te realiseren, heb ik gebruik gemaakt van het
operant conditioneren van Skinner. Zo gaf ik de kinderen bijvoorbeeld een
compliment, of stak mijn duim omhoog, wanneer zij zich goed aan de
regels hielden en sprak hen aan op ongewenst gedrag, of stak mijn duim
omlaag, wanneer zij zich niet goed aan de regels hielden. Ook werkt mijn
werkplekbegeleidster met het schrijven van strafregels; deze regel heb ik
ook meerdere keren nageleefd door kinderen strafregels te laten schrijven.
Welke betekenis heeft het voorafgaande voor jou?
Positieve ervaringen:
Ik merkte dat het operant conditioneren erg veel effect had in mijn
stagegroep. Vooraf had ik bijvoorbeeld niet verwacht dat een duim
omhoog zoveel zou doen met een kind. De andere kinderen in de klas
kopieerde het gedrag van de leerling die een compliment kreeg, en
begonnen elkaar zelfs aan te spreken op hun gedrag.
Door dezelfde regels als mijn werkplekbegeleidster te handhaven, namen
de kinderen mij serieus en was het makkelijker om een fijne leeromgeving
te creëren. De kinderen konden hierdoor in een rustige klas leren en
ontwikkelen.
Wat anders ging:
Persoonlijk heb ik geen voorkeur voor de strafregels. Enerzijds is het wel
effectief, omdat de kinderen dit als negatief ervaren en het dus leidt naar
gewenst gedrag. Anderzijds is het niet leerzaam, want de kinderen moeten
strafregels schrijven die niks met de lesstof te maken hebben. Dit moeten
zij ook nog eens doen tijdens de instructie of het zelfstandig werken.
Toen ik nog maar net in deze stagegroep stond, vond ik het erg lastig om
de kinderen aan te spreken op ongewenst gedrag en hen te corrigeren,
omdat dit niet altijd tot het gewenste gedrag leidde.
Wat anderen vinden:
Mijn werkplekbegeleidster geeft aan dat ik de regels goed handhaaf en dat
ik op een consequente wijze te werk ga met het straffen en belonen.
Volgens haar zijn de kinderen mij niet aan het uitproberen, nemen zij mij
serieus en bied ik de kinderen een fijne leeromgeving aan.
Hoe nu verder?
In de toekomst wil ik zeker door blijven gaan met het operant
conditioneren, omdat dit aanzienlijk veel effect heeft bij kinderen. Het is

een effectieve manier om gewenst gedrag te stimuleren. Ondanks dit
positieve effect, wil ik op zoek gaan naar een vorm van straffen die
aansluit bij mij als persoon. Het schrijven van strafregels kan een mooie
vorm zijn, maar ik zou er dan persoonlijk voor kiezen om regels te laten
schrijven die aansluiten bij de vakinhoud en dit buiten de instructie en
werktijd te laten maken.
A.3 Leiding geven aan het groepsproces
1.1 Zicht op groepjes leerlingen
1.3 effectieve leerkrachtcommunicatie
“De student toont aan dat hij samenwerkend/coöperatief leren tijdens de
onderwijsactiviteiten bevordert en laat expliciet zien dat hij kinderen
aanspreekt op gedrag, hen positief stimuleert en zicht houdt op alle
groepjes leerlingen.”
Wat wilde ik?
Ik wilde meer inzicht krijgen in mijn stagegroep, de ontwikkelingen van
mijn stagegroep en de groepsprocessen, om hierdoor mijn lessen beter af
te kunnen stemmen op de kenmerken van mijn groep. Hierbij wilde ik
vooral gebruik maken van coöperatieve werkvormen, om het
samenwerkend leren op deze wijze te stimuleren. Ik ben namelijk van
mening dat je van anderen kunt leren en hier dus zeker gebruik van moet
maken. Daarnaast wilde ik effectieve leraarcommunicatie toepassen, op
het gebied van mimiek en intonatie, omdat dit als aandachtspunt naar
voren kwam tijdens het voortgangsgesprek van het eerste semester. Dit
doel heb ik echter in de loop van mijn stageperiode bewust aangepast
naar het organisatorisch component, gericht op de overgang tussen
leeractiviteiten zoals beschreven staat in het competentieprofiel A.2.
Wat deed ik?
Om meer inzicht te krijgen in mijn stagegroep heb ik een klimaatschaal
afgenomen om de klassensfeer in beeld te brengen. Daarnaast heb ik een
sociogram afgenomen om een beeld te krijgen van de onderlinge relaties
van de kinderen. Verder heb ik de klas geobserveerd en gesprekken
gevoerd met mijn werkplekbegeleidster en andere leerkrachten om te zien
of de resultaten, verkregen uit de klimaatschaal en het sociogram,
overeenkomen met het gedrag wat de kinderen vertonen.
Ik heb de toetsresultaten en observaties van de groep in het
leerlingadministratie- en leerlingvolgsysteem ParnasSys bekeken, om meer
inzicht te krijgen van de ontwikkelingen van mijn stagegroep. Door middel
van observaties en gesprekken met mijn werkplekbegeleidster en andere
leerkrachten heb ik meer inzicht gekregen over de groepsprocessen.
Tijdens mijn lessen heb ik veel gebruik gemaakt van coöperatieve
werkvormen, zodat het samenwerkend leren bij de kinderen gestimuleerd
wordt. Deze werkvormen heb ik verkregen uit een document van het
Dalton onderwijs. (Choinowski, 2001). Ik vind het inzetten van
coöperatieve werkvormen erg belangrijk, omdat ik van mening ben dat je
van anderen kunt leren. Kind L deelt deze mening niet met mij, zij gaf
iedere les aan dat zij alleen wilde werken. Ik heb haar hierop

aangesproken en heb vervolgens de les stilgelegd om klassikaal te
bespreken waarom samenwerken ook alweer belangrijk is. De kinderen
weten dat mijn werkplekbegeleidster en ik het belangrijk vinden om
samen te werken, zodat je van elkaar kunt leren. Dit konden zij ook
aangeven. Kind L werkte uiteindelijk toch samen met kind T.
Tijdens het voortgangsgesprek van het eerste semester kwam naar voren
dat ik effectieve leraarcommunicatie moest toepassen, op het gebied van
mimiek en intonatie. Dit doel heb ik, naar aanleiding van mijn
werkplekbegeleidster, al vrij snel aangepast naar het organisatorische
component, gericht op de overgang tussen leeractiviteiten. Om dit doel te
realiseren heb ik een persoonlijk ontwikkelingsplan opgesteld, waar ik dit
kwartaal mee aan de slag ben gegaan.
Welke betekenis heeft het voorafgaande voor jou?
Positieve ervaringen:
Door gebruik te maken van diverse instrumenten, heb ik een duidelijk
beeld gekregen van mijn stagegroep. Hierdoor ben ik beter in staat om
mijn lessen toe te passen op basis van de kenmerken van de groep. Ik heb
gemerkt dat wanneer je de les toepast aan de groep, dit positieve
gevolgen heeft. Zo kon ik bijvoorbeeld tegemoet komen aan de behoefte
van de kinderen aan structuur, omdat ik mijn didactische handelen en
leeractiviteiten had aangepast aan de groep.
Verder heb ik het samenwerkend leren als positief ervaren. Naast dat het
een leerzame werkvorm is, vonden de kinderen het ook erg leuk om
samen te leren. Bij de verschillende tweetallen zag je veel diversiteit: het
ene tweetal las samen de tekst en discussieerde vervolgens over het
antwoord, terwijl bij het andere tweetal taken werden verdeeld. Bij het
samenwerkend leren kwamen ook sterk de verschillende groepsrollen naar
boven, dit vind ik erg mooi om te zien.
Wat anders ging:
Niet alle kinderen waren positief over het samenwerkend leren, zij wilden
graag zelfstandig werken. Dit zijn de kinderen die, gezien de resultaten
van het sociogram, buiten de groep vallen en volgens mijn
werkplekbegeleidster sociaal onhandig zijn. Het is daardoor juist belangrijk
dat deze kinderen ook meedoen met het coöperatief leren, maar
anderzijds wil ik als leerkracht ook tegemoet komen aan de behoefte van
de kinderen en dat doe ik met de coöperatieve werkvorm niet bij deze
kinderen.
Wat anderen vinden:
Zoals ik eerder aangaf, heb ik het doel om mijn mimiek en intonatie te
verbeteren aangepast naar het organisatorisch component. Mijn
werkplekbegeleidster gaf aan dat ik beter een nieuw doel kon formuleren,
omdat ik volgens haar goed gebruik maakte van mimiek en intonatie. Zij
gaf aan dat het zo waarschijnlijk niet geïnterpreteerd is door mijn vorige
werkplekbegeleidster en dat het daarom als aandachtspunt naar voren
kwam tijdens het voortgangsgesprek van het eerste semester.

Hetgeen wat erg belangrijk is bij mijn stagegroep is de behoefte van de
kinderen aan een duidelijke structuur. Een goede organisatie is hierbij
essentieel. Mijn werkplekbegeleidster gaf aan dat ik hier nog wat ruimte
heb voor verbetering, met name gericht op de overgang tussen
leeractiviteiten zoals beschreven staat in het competentieprofiel A.2.
Hoe nu verder?
Ik vind het erg belangrijk dat kinderen samenwerkend leren, dus ik zal in
de toekomst gebruik blijven maken van coöperatieve werkvormen. Wel
probeer ik hierin een goede balans te vinden, zodat ik ook tegemoet kan
komen aan de behoefte van de kinderen om zelfstandig te werken.
Daarnaast zal ik mij toch richten op mijn mimiek en intonatie, omdat het
misschien bij deze groep werkt op de manier die ik hanteer, maar kan het
bij een andere groep wel nodig zijn om dit expressiever te doen. Tot slot
wil ik me in de toekomst blijven richten op het organisatorisch component,
zodat ik de kinderen een duidelijke structuur kan aanbieden.
A.4 Interactie aangaan met de groep
3.12 feedback aan leerlingen
“De student toont aan dat hij vanuit een onderzoekende houding
gesprekken voert met de leerlingen door actief te luisteren.
De student evalueert de onderwijsactiviteiten met kinderen en hij geeft
feedback aan leerlingen op het samenwerkingsproces en/of op de
gestelde leerdoelen (proces-en product).”
Wat wilde ik?
Ik wilde de kinderen meer aan het woord laten, om te zien hoe zij denken
en redeneren. Hierbij wilde ik een onderzoekende houding aannemen,
door actief te luisteren naar de kinderen. Ik wilde de doelen van de les
vooraf bespreken met de kinderen, zodat zij weten wat er van hen
verwacht wordt. Door de doelen vooraf met de kinderen te bespreken, kan
ik deze achteraf makkelijker evalueren. Ik wil hierbij zelf aangeven wat
goed ging en wat minder, maar ik wil hierbij ook horen wat de kinderen
ervan vonden.
Wat deed ik?
Ik stelde duidelijke doelen op, zodat er geen negatief pygmalion-effect
optreedt. Ik benoemde de lesdoelen en sprak hierbij mijn hoge
verwachtingen uit over de kinderen. Onderzoek van wetenschapper Robert
Rosenthal toonde namelijk aan dat het hebben van hoge verwachtingen
ervoor zorgt dat kinderen zich sneller ontwikkelen en beter leren.
Gedurende de lessen liet ik de kinderen meer aan het woord. Op deze
manier kan ik zien op welk denkniveau zij zich bevinden en hoe zij
redeneren. Zelf nam ik een onderzoekende houding aan, waarbij ik actief
luisterde naar de kinderen. Soms stuurde ik de kinderen aan door vragen
te stellen. Dit waren gerichte open vragen, zodat de kinderen echt bewust
na moesten denken over een antwoord.
Aan het einde van de les besprak ik de doelen met de kinderen en als ik
een coöperatieve werkvorm had ingezet, evalueerde ik ook op het

samenwerkend leren. Hierbij vroeg ik bijvoorbeeld hoe het samenwerken
was gegaan en hoe zij het hadden aangepakt. Om de lesdoelen te
evalueren liet ik de kinderen vertellen wat zij hadden geleerd. Ook vroeg ik
enkele leerlingen hoe zij vonden dat ze gewerkt hadden en of er een fijne
leersfeer was.
Welke betekenis heeft het voorafgaande voor jou?
Positieve ervaringen:
Aan het begin van het derde kwartaal begon ik altijd direct met mijn les en
sprak hierbij geen doelen en verwachtingen uit. Ik merkte dat de kinderen
hierdoor niet wisten wat er van hen verwacht werd en dat de les chaotisch
was. Ik had besloten om dit voortaan anders te doen. Bij de eerstvolgende
les gaf ik aan dat ik de eerdere lessen niet prettig vond. Hierbij maakte ik
gebruik van de ik-boodschap, omdat ik hierbij iets kenbaar wilde maken
over mijzelf en de anderen wilde uitnodigen om daarop te reageren. De
kinderen gaven toen aan dat zij het ook geen prettige leersfeer vonden.
Om de kinderen weer aan het woord te laten, vroeg ik de kinderen hoe we
dat anders konden doen, zodat het wel een fijne leersfeer is. De kinderen
kwamen toen met allerlei ideeën. Daarna heb ik mijn hoge verwachtingen
over de kinderen uitgesproken. De les verliep aanzienlijk beter en doelen
werden gerealiseerd.
Wat anders ging:
Vaak zijn het dezelfde leerlingen die aan het woord willen zijn. Ik probeer
altijd onverwachte beurten te geven, waardoor iedereen aan het woord
komt. Ik merk dat de kinderen die liever niets zouden zeggen, vaak kort
antwoord geven, waardoor ik zelf meer aan het woord ben met vragen
stellen.
Ook merk ik dat de concentratieboog van de kinderen aan het einde van
de les verzwakt is, waardoor ze minder aandacht willen besteden aan het
evalueren van lesdoelen en het samenwerkend leren.
Wat anderen vinden:
Mijn werkplekbegeleidster vond het erg sterk dat ik via de ik-boodschap
aangaf dat ik de eerdere lessen niet prettig vond verlopen en dat ik
vervolgens mijn verwachtingen uitsprak. Zij gaf aan dat positieve
gevolgen had voor de les, maar ook voor de groep.
Een leerling gaf zelfs aan bij mijn werkplekbegeleidster dat ze mij een hele
goede leerkracht vond.
Hoe nu verder?
Ik vind het erg belangrijk dat de kinderen ook aan het woord zijn en niet
alleen maar moeten luisteren. Ik wil dit in de toekomst blijven doen.
Hierdoor krijg je ook een beter beeld van een kind.
Daarnaast heb ik ontzettend positieve gevolgen ervaren bij het uitspreken
van doelen en verwachtingen. Dit gaf mijzelf ook een prettiger en rustiger
gevoel, dus dit wil ik zeker blijven herhalen in de toekomst. Wel wil ik een
manier vinden om doelen en samenwerkend leren te evalueren op een
leuke manier, zodat de kinderen, ondanks de verzwakte concentratieboog,
toch hun aandacht hierbij kunnen houden.

B.1 Leerdoelen stellen
3.4 passende leerinhouden vanuit leerlijnen
3.11 leerprocessen observeren en registreren
“De student kiest in zijn lesontwerp voor passende leerdoelen (proces-en
product) die aansluiten bij leerlijnen en het bestaande
onderwijsprogramma van de stagegroep.
Voor elk, aan dit OGP deelnemend, vak wordt tenminste één les
ontworpen én uitgevoerd.”
Wat wilde ik?
Ik wilde een les ontwerpen met daarin passende leerdoelen, zowel procesals productgericht. Daarnaast wilde ik dat deze leerdoelen aansloten bij de
leerlijnen van TULE en de methode van mijn stagegroep. Daarbij wilde ik
een beeld krijgen van de leerprocessen in mijn groep.
Wat deed ik?
Om passende doelen te kunnen formuleren heb ik gekeken naar de
methoden van de verschillende vakgebieden in mijn stageklas en de
kerndoelen die staan op TULE. Deze kerndoelen zijn nog erg algemeen
geformuleerd, dus heb ik ingezoomd op de leerlijnen van groep 6. Op deze
wijze heb ik de productdoelen concreet kunnen formuleren in mijn
lesontwerp.
De procesdoelen zijn gericht op de langere termijn en zijn niet in één dag
te realiseren. Deze heb ik kunnen opstellen aan de hand van het
observeren van de groep. Hieruit kwam naar voren dat de kinderen vaak
door elkaar heen praten en regelmatig uit enthousiasme vergeten om hun
vinger op te steken als zij iets willen vertellen en/of vragen. Dit zijn de
procesdoelen die ik voor ogen had met mijn stagegroep.
Ik benoemde de doelen vooraf, zodat de kinderen op de hoogte waren van
wat er van hen verwacht werd. Na het geven van elke les evalueerde ik
alleen, of met de kinderen, of de lesdoelen behaald waren. Door dit te
doen, kreeg ik een duidelijk beeld van de leerprocessen in mijn
stagegroep. De productdoelen evalueerde ik vaak door de kinderen te
vragen wat zij deze les geleerd hebben, of door de gemaakte opdrachten
na te kijken. De procesdoelen evalueerde ik vaak door de kinderen te laten
vertellen waar wij deze les op zouden letten en in hoeverre dit wel of niet
gelukt is en hoe we dat de volgende keer anders zouden doen.
Per gegeven les schrijf ik een reflectie met daarin beschreven wat ik wilde,
wat goed en minder goed ging en hoe ik nu verder wil.
Welke betekenis heeft het voorafgaande voor jou?
Positieve ervaringen:
Door mij goed in te lichten over de leerlijnen uit de methoden van mijn
stagegroep en de kerndoelen en leerlijnen van TULE heb ik een duidelijk
beeld gekregen van waar de kinderen uit mijn groep moeten staan op het
gebied van verschillende vakgebieden. Op deze manier kon ik concrete
doelen formuleren en ging ik gerichter te werk om deze doelen te
realiseren. Door vooraf deze doelen te benoemen, gingen de kinderen hier
bewuster mee aan de slag.

Wat anders ging:
Ik vond het soms erg lastig om doelen zo concreet mogelijk te formuleren
aan de hand van SMART. Ook het evalueren van de lesdoelen vond ik af en
toe lastig, met name de procesdoelen. Dit komt doordat dit niet altijd even
duidelijk was. Ook hadden de kinderen aan het einde van de les een
verzwakte concentratieboog, waardoor zij niet altijd evenveel zin hadden
om deze lesdoelen te evalueren.
Wat anderen vinden:
Mijn werkplekbegeleidster geeft regelmatig aan dat zij tevreden is over
mijn ontworpen lessen. Ze vindt dat ik dit uitgebreid doe en goed benoem
wat mijn didactische handelingen en wat de leeractiviteiten van de
kinderen zijn. Ook vindt ze dat mijn doelen goed geformuleerd zijn.
Hoe nu verder?
Ik wil in de toekomst een manier vinden om doelen op een leuke manier te
evalueren, zodat de kinderen, ondanks de verzwakte concentratieboog,
toch hun aandacht hierbij kunnen houden. Ook wil ik concretere doelen
formuleren aan de hand van SMART.
B.2 Leeractiviteiten ontwerpen
3.6 werkvormen en groeperingsvormen
4.5 leeromgeving inrichten
“De student toont in het ontwerp aan dat hij coöperatieve werkvormen
hanteert.
De student maakt zichtbaar dat hij voor aanvang van de lesactiviteiten
benodigde materialen en leermiddelen klaar zet.”

Wat wilde ik?
Ik wilde dit kwartaal verschillende coöperatieve werkvormen inzetten. Ik
wilde werkvormen inzetten die aansluiten bij mijn stagegroep. Daarnaast
wilde ik mij ook richten op het organisatorisch component bij mijn lessen.
Onderdeel hiervan is ook het klaarleggen van benodigde materialen en
leermiddelen. Hier wilde ik dan ook aandacht aan besteden bij mijn
lesontwerpen.
Wat deed ik?
Ik heb gekeken naar mijn groep en het lesgeven van mijn
werkplekbegeleidster om te zien welke coöperatieve werkvormen ik het
beste in deze groep kan inzetten. Ook heb ik gekeken naar de kinderen en
de resultaten uit het sociogram om meer inzicht te krijgen over de
groepjes die ik wilde vormen; sommige kinderen kunnen namelijk niet in
hetzelfde groepje geplaatst worden, om onrust te voorkomen. De eerste
les heb ik de kinderen erg vrij gelaten in het maken van groepjes, wat
achteraf gezien geen slimme zet was. Hier heb ik wel van geleerd en
sindsdien maak ik de groepjes zelf. Bij het maken van deze groepjes let ik
op het gedrag van de kinderen, maar kijk ik ook naar de cognitieve

ontwikkeling. Het maken van deze groepjes is onderdeel van het
organisatorisch component, omdat ik vooraf de groepjes al maak, zodat er
geen tijd verloren gaat bij de lessen. Daarnaast zorg ik er ook voor dat ik
alle benodigde materialen en leermiddelen klaar heb. Ook vraag ik de
hulpjes om voor de les begint de benodigde boeken uit te delen, zodat we
meteen kunnen beginnen met de les.
Welke betekenis heeft het voorafgaande voor jou?
Positieve ervaringen:
Door zelf de groepjes te maken voor het coöperatief leren was deze vorm
van werken erg effectief. De kinderen die ik bij elkaar had gezet, zouden
zelf nooit voor deze samenstelling kiezen, waardoor het niet te gezellig
werd. Door deze groepjes vooraf samen te stellen en ervoor te zorgen dat
alle benodigde materialen en leermiddelen klaar lagen, kon de les vlot
verlopen en was er een duidelijke structuur in de les.
Wat anders ging:
Bij de eerste les heb ik de kinderen te vrij gelaten bij het maken van de
groepjes, wat voor wat onrust zorgde in de klas. Ook zijn er kinderen die
behoefte hebben aan zelfstandig werken en niet aan coöperatief leren. Ik
vind het erg lastig om deze kinderen toch tot deze werkvorm te
stimuleren.
Wat anderen vinden:
Mijn werkplekbegeleidster gaf aan dat ze het goed vindt dat ik kritisch
naar mezelf kijk en zelf aangaf dat de klas chaotisch was door het te vrij
laten bij het maken van groepjes. Toen ik dit in het gevolg anders deed,
gaf ze aan dat de les direct beter verliep en dat ik de kinderen wist te
betrekken, ondanks niet alle kinderen bij diegene zat bij wie ze eigenlijk
zouden willen.
Hoe nu verder?
Zoals ik al eerder aangaf, vind ik coöperatief leren essentieel. Ik blijf dus
coöperatieve werkvormen inzetten die aansluiten bij de groep. Hierbij zal
ik in het begin zelf de groepjes maken, maar als uitdaging zou ik de
kinderen hier meer vrijheid in willen geven. Zo kan ik bijvoorbeeld zeggen
dat ze zelf groepjes mogen maken, maar dat zij wel iemand moeten kiezen
met wie zij normaal gesproken nooit werken.
Het klaarleggen van benodigde materialen en leermiddelen zal ik in de
toekomst ook blijven doen. Ik heb gemerkt dat dit voor meer rust en
structuur zorgt en ik sneller aan mijn les kan beginnen. De kinderen zijn
hierdoor ook rustiger, want als je alles goed voorbereid neem je een stukje
chaos weg.
B.3 Leeractiviteiten begeleiden
2.6 samenwerking, zelfredzaamheid
“De student toont aan dat hij in staat is om in de lesuitvoering
coöperatieve werkvormen te hanteren.
De student toont aan dat hij leerlingen hulp biedt bij het leerproces,
rekening houdend met de kenmerken van de groep. Hij bevordert de

samenwerking tussen leerlingen en de redzaamheid van individuele
leerlingen.”
Wat wilde ik?
Ik wilde dit kwartaal verschillende coöperatieve werkvormen inzetten. Ik
wilde werkvormen inzetten die aansluiten bij mijn stagegroep. Daarnaast
wilde ik zicht krijgen op het leerproces van de kinderen uit mijn groep en
hen daarbij begeleiden. Tot slot wilde ik de kinderen leren om zelfstandig
te handelen en hierbij hulp in te schakelen van een klasgenoot en gebruik
te maken van elkaars kwaliteiten.
Wat deed ik?
Ik heb gekeken naar de verschillende coöperatieve werkvormen en het
lesgeven van mijn werkplekbegeleidster, om een duidelijker beeld te
krijgen van welke vorm van het coöperatief leren het beste aansluit bij
mijn groep. Deze werkvormen heb ik verkregen uit een document van het
Dalton onderwijs (Choinowski, 2001).
Om meer inzicht te krijgen in het leerproces van de groep, heb ik
klassikaal de gestelde doelen geëvalueerd. Om de kinderen te begeleiden
bij dit proces heb ik de kinderen gevraagd wat zij nodig hebben en hoe ze
in de toekomst te werk willen gaan om bepaalde doelen te realiseren.
Ik wilde de kinderen leren om zelfstandig te handelen en hierbij hulp in te
schakelen van een klasgenoot en gebruik te maken van elkaars
kwaliteiten. Dit heb ik gedaan door coöperatieve werkvormen in te zetten
bij activiteiten en de kinderen aan te geven dat ze voor vragen moesten
overleggen en niet naar mij, of mijn werkplekbegeleidster, konden komen.
Zo moesten de kinderen van mij een bouwwerk maken van spaghetti en
marshmallows. Ze kregen hier een beperkt aantal van, maar al het
materiaal moest wel gebruikt worden. Ze kregen ook bewust geen
voorbeeld te zien, zodat zij echt zelfstandig te werk zouden gaan. Ik
stuurde de kinderen met vragen terug naar hun groepje en zei dat ze dit
samen op moesten lossen. Ik liep wel rond om te kijken hoe de
groepsprocessen verliepen en hoe zij te werk gingen.
Welke betekenis heeft het voorafgaande voor jou?
Positieve ervaringen:
Ik vond het erg leuk om te zien hoe de kinderen te werk gingen met een
activiteit gericht op het coöperatief leren. Groepsrollen kwamen hierdoor
erg sterk naar voren. Ik heb het vooral positief ervaren hoe de kinderen
zelf met oplossingen kwamen in plaats van direct naar mij, of mijn
werkplekbegeleidster, te gaan met vragen.
Wat anders ging:
Ik vind het soms erg lastig om de kinderen zelfstandig naar oplossingen te
laten zoeken. Ik ben sterk geneigd om de kinderen te helpen bij hun
vragen en mogelijke oplossingen te benoemen. Dit is wel iets waar wij in
de klas wel heel erg mee bezig zijn op dit moment, dus ik zal mij hier strikt

aan moeten houden en leren om de kinderen zelfstandig te laten
handelen.
Wat anderen vinden:
Mijn werkplekbegeleidster heeft recent geleden een cursus gehad over het
zelfstandig handelen van kinderen en heeft hierbij erg nuttige tips
gekregen die ze met mij heeft gedeeld. Ze merkt dat ik hier nog erg veel
moeite mee heb en vertelt dan ook hoe ik dit het beste aan kan pakken of
in het gevolg anders kan doen. We oefenen dit al vaker door het ‘rode
stoplicht’ in te zetten bij het werken aan de weektaak. De kinderen
moeten dan zelfstandig aan het werk en mogen niet naar de leerkrachten
komen met vragen.
Hoe nu verder?
Ik merk dat ik nog erg veel moeite heb met de kinderen zelfstandig te
laten handelen en ik erg geneigd ben om de kinderen een oplossing voor
te kauwen. In de toekomst wil ik mijzelf hier meer op richten en mijzelf
erop attent maken dat het goed is voor de ontwikkeling van de kinderen
als zij zelf naar oplossingen zoeken en zelfstandig keuzes maken. Ik wil de
kinderen wel helpen door gerichte vragen te stellen, zoals: “Wat zou jou
helpen om dit te realiseren?” of “Wat zou je kunnen doen?” De kinderen
moeten hierbij zelf nadenken, maar worden hierdoor wel gestimuleerd.