You are on page 1of 11

Lesvoorbereidingsformulier Fontys Hogeschool Kind en Educatie, Pabo Eindhoven

Bron: Didactisch model ‘van Gelder’
Student(e)
Marit van der Heijden
Mentor
Annemieke Cijffers
Klas
PEH15VB
Datum
14-03-2016
Stageschool Toermalijn
Groep
1/2 c
Plaats
Bladel
Aantal lln 30 lln
Vak- vormingsgebied: levensbeschouwing  vieren en feesten
Speelwerkthema / onderwerp: levensbeschouwelijk gesprek a.d.h.v. Paaseieren zoeken
Persoonlijk leerdoel:
- Ik kan het levensbeschouwelijk gesprek goed leiden, zodat iedereen iets kan vertellen.
- In deze les pas ik in de grote groep effectieve leraar communicatie toe, met name grote gebaren, stem, mimiek, lichaamshouding, oogcontact, positie in de
groep.
Lesdoel(en):
- De leerlingen leren om naar elkaar te luisteren als een ander aan
het praten is.
- De leerlingen leren om hun eigen verhaal te vertellen aan anderen.
- De leerlingen leren welke activiteiten mensen doen met Pasen.

Evaluatie van lesdoelen:
- Observatie tijdens les.

Beginsituatie:
Didactisch:
Voorkennis en –kunde/bekendheid instrumentarium:
De leerlingen hebben nog een nooit een levensbeschouwelijk gesprek gevoerd, maar hebben wel al eerder over een verhaal gepraat
Te verwachten betrokkenheid:
Ik denk dat de kinderen het leuk gaan vinden, omdat ze verhaaltjes altijd heel leuk vinden. Ik verwacht wel dat ze het lastig vinden om hun verhaal te vertellen en om te
luisteren naar elkaar.
Relevante actualiteit:
Over enkele dagen is het Pasen, ik heb een verhaal dat gaat over Pasen en paaseieren zoeken.
Pedagogisch:
De klas is erg druk in de zin van kletsen/bewegen en bestaat uit individuen. Bij het ontwerpen van deze les, moet ik proberen om de klas meer als eenheid te laten
werken.
Levensbeschouwelijke fasen (Schepper, 2015):
Kohlberg  PRECONVENTIONEEL NIVEAU Het kind is geheel en al op de externe autoriteit gericht. Iets is vanzelfsprekend goed omdat een autoriteit (moeder,
vader) dat zegt. Alles waar straf op staat, is slecht: 'Ik zorg dat ze niet boos op mij worden'. Zekerheidshalve wordt het gedrag van de autoriteit geïmiteerd, - althans,
zolang de autoriteit in de buurt is.
Fowler  Fase 1: Het jonge kind (3 – 7 jaar). In de theorie van Fowler heet dit de Intuitive-Projective faith. Het is volgens hem een fase waarin het kind nog geen
vaste gedachtepatronen heeft, en snel contact maakt met het onderbewuste. Daarom kan religie op verscheidene wijzen worden aangeboden: in persoonlijke ervaring,
door verhalen en plaatjes, of door mensen in de omgeving. Het gevaar in deze periode is dat het kind een grote fantasie heeft (God is als lucht of als vuur, God is
overal). U dient Bijbelverhalen dan ook niet te fantasierijk aan te leveren. Deze fase eindigt wanneer het kind logisch en kritisch leert denken en vaste denkpatronen
ontwikkelt.
Erikson  Initiatief tegenover schuldgevoel
Het kind leert zelf activiteiten ondernemen en taakjes verrichten, zoals het aan- en uitkleden. In deze fase zal hij allerlei activiteiten ondernemen en ondernemingszin
aan de dag leggen. Het kind heeft plezier met wat hij doet en tot stand brengt. Het kind kan ook onvoldoende ruimte krijgen zijn ondernemingszin uit te leven, of hij
krijgt te weinig veiligheid en structuur aangeboden. In deze gevallen zal het kind zich schuldig gaan voelen in plaats van te genieten van wat het bereikt.
Lesverloop
Tijd

Leerinhoud Didactische handelingen
Leraar 

Leeractiviteit
 leergedrag leerling(en)

Materialen / Organisatie

5 min

Intro

-

15 min

Kern + Slot

-

-

-

Weet iemand nog wat ik heel belangrijk
vind als iemand iets gaat vertellen in de
kring?
Ik laat een afbeelding zien. Ik vraag aan
de leerlingen wat het kindje op de
afbeelding aan het doen is. Zou het
verhaal daar ook over gaan?
Ik lees het verhaal voor.
Als het verhaal is afgelopen gaan we
erover praten.
Fase 1: vragen over het leermiddel
over wie gaat het verhaal? Wat gaan ze
doen? Waarom doen ze dat? Lukt het
iedereen?
Fase 2: vragen over ervaringen van
de leerlingen
Wie heeft een broer/zus die dat ook wel
eens gedaan heeft? Hoe ging dat? Was
dat leuk? Waarom niet? Wat kun je
doen als zoiets gebeurt?
Fase 3: vragen over de uiteindelijk
zin van die ervaringen van die
leerlingen
Hoe denk je dat Wouter zich gevoeld
heeft toen hij Mieke het ei voor hem
wegpakte? Vind je dat leuk? Waarom
niet?

-

De leerlingen zijn stil en reageren op mijn vragen
door hun vinger op te steken.

De leerlingen zitten in de
kring.

-

De leerlingen luisteren naar het verhaal.
De leerlingen nemen actief deel aan het gesprek
door te vertellen, reageren en luisteren.

De leerlingen zitten in de
kring.

Paaseieren zoeken
Wouter en Mieke rennen van de ene struik naar de andere.
Mieke ziet als eerste een ei liggen. Het ligt verstopt onder een paar blaadjes. Het is een rood
ei met strepen. Bij de zandbak ligt een groot chocolade-ei.
'Kijk eens', roept ze naar haar vader en moeder, die bij de keukendeur staan, 'de paashaas heeft ook nog andere eieren verstopt!'

Wouter staat nu midden in de tuin.
'Ik zie niks,' roept hij
'Kijk eens bij de schuur,' zegt mamma.
Wouter loopt erheen, maar Mieke is hem voor.
'Ja!,' roept ze en haalt een ei achter de vuilnisbak vandaan.
Het is een blauw ei met gele stippen. 'Dat is mijn ei,' zegt Wouter boos. 'Geef hier!'
'Ik heb het gevonden,' zegt Mieke en ze legt het gauw in haar mandje.
'Dat heb ik geverveld,' roept Wouter.
Mieke zoekt alweer verder. Ze vindt nog een ei en nog één.
Wouter kijkt achter de vuilnisbak, maar er ligt niks meer.
Hij begint te huilen.
'Ik wil ook een ei,' snikt hij.
Mamma neemt hem bij de hand. 'Kom,' zegt ze, 'dan zoeken we samen.'
Mieke gaat nu achter in de tuin zoeken en mamma en Wouter voor in de tuin.
Mamma duwt een plantje opzij. 'Misschien ligt hier wel wat.'
'Jaaa ....' juicht Wouter. Onder het plantje ligt een chocolade-ei.
'Misschien moet we ook omhoog kijken,' zegt mamma.
Wouter kijkt naar boven. In de boom hangen wel drie eieren aan een lintje.
'Dat is een grote palmpaas,' roept hij.
Pappa pakt een ladder uit de schuur en haalt de eieren voor Wouter uit de boom.
Mieke heeft ondertussen haar mandje al bijna vol. Ze heeft ook een Wouter-ei gevonden en geeft dat aan hem.
'Ik denk dat er bij de dikke boom achter de schuur ook nog wel een paar eieren liggen,' zegt mamma.
Mieke wil er naar toe rennen, maar pappa zegt: 'Even wachten. Laat Wouter maar eerst kijken.' Wouter rent al weg.
'Ik wil ook,' zegt Mieke kwaad.
Mamma trekt Mieke naar zich toe en fluistert in haar oor:
'Laat Wouter maar even. Die is nog zo klein. Jij hebt je mandje al vol, omdat jij heel goed kunt zoeken. Wouter kan dat nog niet.'
Mieke knikt: dat snapt ze wel, maar ze vindt het niet echt leuk.
'Kom eens,' roept Wouter vanachter de schuur.
'Ik heb een kuikel gevonden.'
'Dat kan niet,' zegt pappa.
Ze lopen naar Wouter toe.

Onder de dikke boom ligt een piepklein vogeltje in het gras. Het zit helemaal in elkaar gedoken en beweegt niet meer.
Alleen doet het heel even zijn oogjes open.
'Ooooo,' zegt Mieke, 'dat is zielig.'
Ineens horen ze boven zich een hoop lawaai. In de boom zitten twee dikke koolmezen. Ze piepen en kwetteren angstig en fladderen heen en
weer.
'Dat zijn de vader en moeder,' zegt mamma.
Pappa knikt. 'Dat kleine vogeltje is uit het nest gevallen, daar zullen we eens gauw iets aan doen.'
Pappa haalt de ladder en zet die tegen de boom.
Dan pakt hij een ladder en zet die tegen de boom. Dan pakt hij een paar blaadjes van de grond en legt die op zijn hand.
Voorzichtig zet hij het kleine vogeltje daarop en klimt naar boven.
De vader- en moedervogel vliegen luid tjilpend naar een andere boom.
'Stil maar, jullie krijgen je baby'tje terug,' roept Mieke.
Pappa gaat voorzichtig met een voet op een dikke tak staan.
Hij rekt zich helemaal uit en kan met zijn hand net bij het nest komen. Daar zitten nog twee andere baby-vogeltjes in.
voorzichtig zet hij het zielige vogeltje in het nest en klimt weer naar beneden.
Pas als de ladder weg is en ze uit de buurt van de boom zijn, komen de vader- en moedervogel weer terug.
'Alles is goed afgelopen,' zegt Mieke. 'Nou weer zoeken.'
Ze vinden nog een paar eieren. Rode eieren, gele, blauwe en eieren met stippen en strepen.
Als ze helemaal niets meer kunnen vinden, zegt pappa: 'Komen, ik heb de tafel al gedekt. We gaan eieren eten.'
Trots lopen Wouter en Mieke met hun mandje vol eieren naar binnen.
Bij de keukendeur draaien ze zich nog even om en roepen heel hard: 'Dank je wel, paashaas!'

Persoonlijke reflectie
Wat wilde ik leren?
- Ik kan het levensbeschouwelijk gesprek goed leiden, zodat iedereen iets kan vertellen.
- In deze les pas ik in de grote groep effectieve leraar communicatie toe, met name grote gebaren, stem, mimiek, lichaamshouding,
oogcontact, positie in de groep.
Wat deed ik?

Ik heb in deze les het levensbeschouwelijk gesprek begeleidt, nadat ik een paasverhaal heb voorgelezen. Het voorlezen ging erg goed. De
kinderen waren betrokken, ze luisterden aandachtig. Tijdens het voorlezen heb ik gelet op mijn effectieve leerkrachtcommunicatie. Ik heb
vooral op mijn stemgebruik en mimiek gelet. Dit ging voor mijn gevoel goed. Daarna heb ik het levensbeschouwelijk gesprek geleid. Ik heb
aangegeven welk gedrag ik wilde zien tijdens het gesprek en ik heb kinderen gecomplimenteerd, gecorrigeerd.
Welke betekenis heeft het voorgaande voor mij?
Ik denk dat deze ervaring een positieve invloed uitoefent op het proces van persoonlijk leerdoel. Ik ben erg blij dat het me lukte om tijdens
de les te denken aan mijn persoonlijk doel. Voorheen had ik moeite om naast de inhoudelijk les, ook bezig te zijn met mijn persoonlijk
leerdoel.
Waar sta ik nu met betrekking tot:
Ik ben op de goede weg om mijn doelen te behalen. Ik denk dat ik het doel effectieve leraar communicatie bijna bereikt heb. Dit gevoel heb
ik zelf en dit krijg ik ook terug van mijn werkplekbegeleider. Ik zou nog een graag een aantal keren oefenen met levensbeschouwelijk
gesprek. Ik denk dat ik dit door herhaling beter onder de knie kan krijgen.
Hoe nu verder?
Het doel “effectieve leraar communicatie” wil ik even naar de achtergrond schuiven, omdat dit goed gaat. Hierdoor kan ik meer aandacht
geven aan nieuwe doelen. Ook zou ik graag nog een aantal keren een levensbeschouwelijk gesprek willen voeren met de klas.

Verantwoording
Welke keuze(s) heb je in dit opzicht gemaakt?
B1. Leerdoelen stellen

o

3.4 passend leerinhouden
vanuit leerlijnen

o

3.11 Leerprocessen
observeren en registreren

o

De leerlingen leren om naar elkaar te
luisteren als een ander aan het praten is.
De leerlingen leren om hun eigen verhaal te
vertellen aan anderen.
De leerlingen leren welke activiteiten mensen
doen met Pasen.

Waarom heb je deze keuze(s) gemaakt?
Ik heb gekozen voor deze leerdoelen omdat deze
aansluiten bij het kerndoel en de leerlijnen van
levensbeschouwing:
kerndoel 38
De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen
die in de Nederlandse multiculturele samenleving een
belangrijke rol spelen, en ze leren respectvol om te gaan
met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving,
waaronder seksuele diversiteit.
Leerlijnen: gebruiken/leefgewoonten en feestdagen.
o De leerlingen leren welke activiteiten mensen
doen met Pasen.
De andere lesdoelen heb ik gekozen, omdat de opdracht
was om het levensbeschouwelijk gesprek te voeren. Hierbij
vindt ik het belangrijk dat de leerlingen naar elkaar luisteren
en dat ze hun eigen verhaal kunnen verwoorden. Op deze
manier kunnen leerlingen zich beter verplaatsen in een
ander.
o De leerlingen leren om naar elkaar te luisteren
als een ander aan het praten is.
o De leerlingen leren om hun eigen verhaal te
vertellen aan anderen.

B3. Leeractiviteiten
begeleiden
2.6 Samenwerking,
zelfredzaamheid

In deze les heb ik de zelfredzaamheid van de leerlingen
bevorderd door de leerlingen zelf hun eigen verhaal te
laten vertellen in de kring. In deze les heb ik geen
coöperatieve werkvorm ingezet.

Ik wilde in deze les de zelfredzaamheid stimuleren, omdat
een aantal leerlingen hier moeite mee hebben. Dit komt
ook terug in mijn overdenking bij “rollen”. De leerlingen die
de rollen volger en appellant hebben, heb ik hun

A3. Leiding geven aan het
groepsproces
1.1 zicht op groepjes
leerlingen
1.3 effectieve
leerkrachtcommunicatie

A4. Interactie aangaan met
de groep

In deze les heb ik de leerlingen niet verdeeld in groepjes,
maar ik heb wel geprobeerd goed te letten op effectieve
leerkrachtcommunicatie, in het speciaal: stemgebruik en
mimiek.

persoonlijk verhaal laten vertellen in de kring.
Ik heb ervoor gekozen om geen coöperatieve werkvorm te
gebruiken, omdat ik een klassikale vorm beter bij het
lesontwerp vond passen. Ik heb gekozen voor een kring,
waarbij ik de leiding neem, maar veel interactie met de
kinderen heb en de kinderen met elkaar.
Effectieve leerkrachtcommunicatie
Stemgebruik: “Met de toon, volume en melodie van je stem
kun je veel warmte, rust en aandacht toevoegen. Ook kun
je bij veel hectiek of emotie het tempo van het gesprek
verlagen door zelf met toon en tempo omlaag te gaan”
(Gemert, van; 2016).
Mimiek: In jouw mimiek is van alles af te lezen. Ook als je
eigenlijk haast hebt of al drie stappen vooruit aan het
denken bent. Blijf tijdens het gesprek in het hier-en-nu en
blijf met je ogen en gezichtsuitdrukking dicht bij het (verhaal
van het) kind (Gemert, van; 2016).
Ik heb ervoor gekozen om de leerlingen geen directe
feedback te geven, omdat ik vind dat de leerlingen hun
eigen verhaal moeten kunnen vertellen, zonder dat horen
dat het fout is. Hun verhaal is immers niet fout.

3.13 feedback aan leerlingen

In deze les heb ik geen directe feedback gegeven aan de
leerlingen. Wel heb ik doorgevraagd op de verhalen die
ze vertelden in de kring. Er vond ook interactie plaats: ik
stelde de leerlingen vragen en zij hebben die beantwoord.

B2 Leeractiviteiten
ontwerpen

Ik heb in de les geen coöperatieve werkvorm gebruikt,
maar heb gekozen om de les in de kring te geven.

Ik heb deze les in de kring gegeven, omdat ik het belangrijk
vind dat iedereen betrokken is en bij elkaar zit, als
leerlingen een persoonlijk verhaal vertellen. Op deze
manier luisteren de leerlingen naar elkaar en ik kan de
leerlingen makkelijk vragen stellen, complimenteren en
corrigeren.

Tijdens de les heb ik de stappen van het
levensbeschouwelijk gesprek aangehouden.

Het stappenplan levensbeschouwelijk gesprek (portal
levensbeschouwing)

3.6 werkvormen en
groeperingsvormen
4.5 leeromgeving inrichten

Fase 1: vragen over het leermiddel
Ik ben benieuwd wat jullie nog van de voorstelling
herinneren. Dit schrijf ik op het bord. Daarna stel ik de
volgende vragen en schrijf ik de antwoorden in een andere
kleur op het bord:
 Wat herinneren jullie nog van de verhalen?
 Wat herinneren jullie nog van de kostuums?
 Wat herinneren jullie nog van het decor?
Wat herinneren jullie nog van de muziek en de geluiden.
Fase 2: Vragen over ervaringen van de kinderen.
 Zijn er tijdens de voorstelling andere herinneringen
naar boven gekomen? Zo ja, welke?
Fase 3: Vragen over de uiteindelijke zin van die ervaringen
van die leerlingen.
 Hoe voelde je tijdens je mooie herinneringen?
 Vind je het belangrijk om al je herinneringen te
bewaren?

In deze les heb ik ervoor gekozen om een verhaal in te
zetten als aanleiding voor het levensbeschouwelijk
gesprek.

Fase 4: Vragen over de uiteindelijke zin van de ervaringen
van de personages in het leermiddel.
 Hoe voelde mevrouw Catharina zich bij de
verschillende herinneringen?
 Waren dit alleen maar leuke herinneringen of
kwamen er ook minder leuke herinneringen
voorbij?
 Hoe voelde mevrouw Catherina zich bij het
cadeau van Toon en Kato?
 Zou je het leuk vinden als Toon en Kato bij je in
je hoofd wonen? Waarom wel en waarom niet?
Het verhaal wat ik heb voorgelezen is een voorbeeld van
een spiegelverhaal. Deze worden vaak gebruikt bij
levensbeschouwing. Het zijn verhalen die levenssituaties

Voor de les heb ik de benodigde materialen klaargezet.

concreet voorstellen. Onderwerpen kunne zijn: ruzie tussen
kinderen, scheiding ouders en genieten van je vakantie. In
het paasverhaal wat ik heb gebruikt, is Wouter boos op
Mieke, omdat zij iets van hem wegpakte.
Spiegelverhalen spelen een grote rol bij de ontwikkeling van
de vaardigheid redeneren. Ze helpen om de eigen situatie
op afstand te zien en daardoor tot een helder inzicht en
oordeel te komen. Ook voor de vaardigheid traditie
handteren kan een spiegelverhaal gebruikt worden: zij
bieden opstapjes om de oude verhalen met de eigen
situatie in verband te leggen (Schepper, 2015).
Ik heb er voor gekozen om de materialen van te voren klaar
te zetten, omdat dit voor mij rust geeft wanneer ik begin aan
de les. Ook is het erg handig, omdat je op het moment van
de les de kinderen niet alleen hoeft te laten om materialen
te gaan pakken.

A1 Bespreken van en
omgaan met regels
2.1 fysiek en sociaalemotioneel veilige
leeromgeving

Afspraken: De kinderen weten dat ze een stille vinger
moeten opsteken als ze iets willen zeggen. De kinderen
weten dat ze niet door mij of elkaar heen mogen praten.

Ik heb gekozen voor deze afspraken, omdat ik wil dat de
kinderen begrijpen wat wel en niet kan tijdens het
kringgesprek en welk gedrag dan juist is. Dit doel staat ook
in mijn overdenking. Doel overdenking: De klas gaat in
periode 3 leren hoe je je in bepaalde situaties moet
gedragen en hoe je omgaat met andere kinderen in de klas.
De regels heb ik al een aantal lessen herhaald en het gaat
steeds beter. Wanneer de regels niet worden nageleefd,
geef ik de betreffende kinderen geen beurt en benoem
waarom ik dat doe.

In deze les heb ik er ook voor proberen te zorgen om een
fysiek en sociaal-emotioneel veilige leeromgeving te
creëren. Dit heb ik gedaan door met de kinderen af te
spreken dat ze goed naar elkaar moeten luisteren als er

Dit heb ik proberen te stimuleren, omdat ik van mening ben
dat als kinderen goed naar elkaars verhaal luisteren, ze
zich kunnen verplaatsen in de ander en respect hebben
voor een ander.

een klasgenootje aan het vertellen is.

Literatuurlijst:
- Verkregen op 16 april 2016, via: http://tule.slo.nl/OrientatieOpJezelfEnWereld/F-KDOrientatieJezelfEnWereld.html
- Schepper, J. de (2015). Levensbeschouwing ontwikkelen. Hilversum: Kwintessens.
- Gemert, M. van (2016). Betrokkenheid tonen: hoe dan wél?. Verkregen op 14 april, 2016, via
http://www.academiepratenmetkinderen.nl/betrokkenheid-tonen/ .