You are on page 1of 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

Hoofdstuk 1 : Basisprincipes van de economie
1.1
Schaarste betekent dat de samenleving beperkte middelen heeft.
1.2
Economische kringloop
Keuze gaat gepaard met een bepaalde kost. Keuze is noodzakelijk omdat de
middelen beperkt zijn (zoals tijd, geschikte arbeiders, …)
Hoe worden de keuzen gemaakt ? (zie dit simpel model met enkele economische
agenten):
Markt
goods en services
HOUSEHOLDS

FIRMS

Goods

Faktormarkten

Monetair

Iedere agent zal zijn keuzes maken (wisselwerking) om zijn winst te maximaliseren.
1.3
Keuzes en de kost ervan
Hoe maken agenten keuzes
Principe 1: Trade-Off (om iets te krijgen moet je iets anders opgeven)
Efficientie : maximaal uit de schaarse middelen halen
Billijkheid : voordelen vd middelen fair verdelen

Principe 2:

De opportuniteitskost van iets is wat je er voor opgeeft om het te
verwerven.

Productiemogelijkheidscurve
Technologische vooruitgang
Computers

D(Niet mogelijk)

Mogelijk
Niet
efficient

C(600,2200)
A(700,2000)
Op de curve
efficient
Auto’s

Principe 3:

Afnemend marginaal
product

In A is de opportuniteitskost van 200 computers = 100 auto’s
Rationele mensen denken in marginale termen (marginale
aanpassingen)

Pagina 1 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

Wisselwerking tussen economische agenten (par 1.4)
Principe 4: Mensen reageren op stimulansen (let op omgekeerd effect, sluikstorten)
Principe 5: Markten een goede organisatievorm voor economische activiteit
Ondernemingen en gezinnen staan met elkaar in wisselwerking op de markt,
waar prijzen en het verdedigen van eigenbelang hun beslissingen leiden.
Onzichtbare hand: door prijzen wordt rekening gehouden maatschappelijk
opbrengsten en kosten. Dus onzichtbaar naar een optimum.

Principe 6

Overheden kunnen in bepaalde gevallen de marktsituatie verbeteren.
Beleid gericht op efficiëntie of op billijkheid.
Marktfalen door externaliteiten of door te grote invloed van bepaalde agenten.

Hoofdstuk 2 : Denken als een economist.
2.2 Micro – en macro - economie
Micro – economie: de studie vd manier waarop gezinnen en ondernemingen
beslissingen nemen en hoe zij in specifieke markten met elkaar in
wisselwerking staan.
Macro – economie: de studie van fenomenen die betrekking hebben op de
hele economie.
2.3 Positieve VS normatieve analyse
Economist als wetenschapper, positief(Polly)  tracht een situatie te
verklaren, zeggen hoe de wereld is (descriptief).
Economist als beleidsadviseur, normatief(Norma)  tracht een situatie te
verbeteren, zeggen hoe de wereld er zou moeten uitzien (prescriptief).
2.4 Waarom economisten het niet eens zijn
Verschillen in wetenschappelijke beoordeling  De waarde van verschillende
positieve theorieën.
Verschillende waarden op na houden mbt normatieve standpunten.

Pagina 2 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

Hoofdstuk 3 : Onderlinge afhankelijkheid en voordelen van
handel.
3.1

Een parabel voor de moderne economie
Zie voorbeeld aardappel- en veeboer.
Ook indien een agent beter is in het produceren ven beide goederen is het voordelig
handel te drijven.

3.2

Absoluut voordeel: vergelijken van de productiviteit.
Comparatief voordeel: vergelijken van opportuniteitskost.
Opportuniteitskost van iets is wat je ervoor opgeeft om het te hebben.
Bij verschillen in comparatief voordeel zijn beide agenten beter af met het drijven van
handel.

Hoofdstuk 4 : Vraag en aanbod.
4.1

Inleiding
Vraag: geeft aan tegen welke prijs de afnemers bereid zijn een product te kopen.
Aanbod: geeft aan tegen welke prijs de producenten dit product kunnen aanbieden.

4.2

Markten en concurrentie
Markten: een groep kopers (vraag) en verkopers (aanbod) van welbepaalde
goederen en diensten.
Concurrerende markten: een markt waarop vele kopers en verkopers aanwezig zijn
die ieder op zich slechts een kleine invloed uitoefenen op de marktprijs.
Prijsnemers (‘price takers’): kopers en verkopers hebben weinig invloed op de
marktprijs.
Prijszetters (‘price makers’): kopers en verkopers hebben veel invloed op de
marktprijs.
Perfecte concurrerende markten: gelijkaardige goederen & agenten zijn prijsnemers.

4.3

De vraag
Determinanten vd vraag:
- De prijs: negatief verband tussen de gevraagde hoeveelheid en de prijs.
- Het inkomen: normaal goed: meer zakgeld  meer bier.
inferieur goed: minder zakgeld  meer water, minder bier.
- De prijs van substituten en complementen:
Substituten: prijs v/h ene goed stijgt  vraag v/h andere goed stijgt.
Complementen: prijs v/h ene goed daalt vraag v/h andere goed stijgt.
- Voorkeuren: persoonlijke voorkeuren.
- Verwachtingen naar de toekomst toe.
Grafische voorstelling vd vraag
Alle determinanten zijn constant gebleven behalve de prijs (‘ceteris paribus’).
Prijs

Vraag

Hoeveelheid

Pagina 3 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

4.3.2. Marktvraag VS individuele vraag
De marktvraag omvat de som van alle individuele vragen naar een welbepaald goed
of dienst.
De totale marktvraag geeft de verandering in de totale vraag weer ten gevolge van
een prijsverandering.
4.3.3. Veranderingen vd vraag
Vermeerding vd vraag zal een verschuiving naar rechts veroorzaken.
Vermindering vd vraag zal een verschuiving naar links veroorzaken.
Meer vraag voor de zelfde prijs (verschuiving van de curve).

Prijs

Vraag

Hoeveelheid

4.3.4

Een wijziging vd gevraagde hoeveelheid
Alleen een verandering in prijs zal leiden tot een verandering in de gevraagde
hoeveelheid (een verschuiving op de curve).

Prijs
B
Vraag
A

Hoeveelheid

Pagina 4 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

4.4

Het aanbod
De aangeboden hoeveelheid is afhankelijk vd hoeveelheid die een verkoper kan of
bereid is te verkopen.

4.4.1

Determinanten vh aanbod
- De prijs: we stellen vast dat er een positief verband is tussen de prijs en het aanbod.
- Prijs vd productiefactoren: hoe hoger deze prijs, hoe minder men zal kunnen
aanbieden.
- Technologie: verbeteringen in technologie kan het aanbod doen toenemen.
- Verwachtingen naar de toekomst: als een leverancier verwacht dat de prijs van zijn
product zal stijgen, zal hij nu minder verkopen en wachten tot de prijzen gestegen
zijn.

4.4.2

Individueel aanbod VS marktaanbod
Het marktaanbod is de som van alle individuele aanbodcurven.

4.4.3

Veranderingen van het aanbod
Vermeerding vh aanbod zal een verschuiving naar rechts veroorzaken.
Vermindering vh aanbod zal een verschuiving naar links veroorzaken.
Alle determinanten behalve de prijs.
Prijs

Aanbod
minder

meer

Hoeveelheid

4.4.4

Wijziging vd aangeboden hoeveelheid
Een verandering in prijs.

Prijs
B

Aanbod

A

Hoeveelheid

Pagina 5 / 34

Samenvatting Economie I
4.5

Alexandre

Juli 2012

Het evenwicht
Het punt waar vraag en aanbod snijden.
Aangeboden # goederen = Gevraagde #.
Surplus: Aangeboden # > Gevraagde #.
Leveranciers laten prijzen zakken om overschotten te verkopen.
Sortage: Aangeboden # < Gevraagde #.
Leveranciers laten prijzen stijgen om tekorten weg te werken.
Prijs
Vraag

Aanbod
Surplus

E

Sortage

4.5.1 Wijzigingen in het marktevenwicht
Verschuiving vd aanbodscurve.
Verschuiving vd vraagcurve.
Prijs

Hoeveelheid

Prijs

Hoeveelheid

Hoeveelheid

Pagina 6 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

Hoofdstuk 5 : Elasticiteit.
5.1

5.2
5.3

Prijselasticiteit vd vraag
Elastisch: wanneer een verandering in de prijs een significante verandering in
de gevraagde hoeveelheid leidt.
Inelastisch: wanneer een verandering in de prijs een kleine verandering in de
gevraagde hoeveelheid leidt.

Determinanten vd prijselasticiteit
- Noodzaak VS luxe: noodzakelijke goederen  inelastische vraag.
luxe goederen  elastische vraag.
- Aanwezigheid van substituten: goede substituten  elastische vraag.
- Definiëring vd markt: ruime definitie (voedsel)  inelastische vraag.
enge definitie (brood)  elastische vraag.
- Tijdshorizon: lang termijn  elastische vraag.
kort termijn  inelastische vraag.
% verandering vd gevraagde hoeveelheid
Formule
prijselasticiteit vd vraag =
% verandering vd prijs
Midpoint Methode
Deze methode berekent een veranderingspercentage vanuit het ‘midpoint’
tussen het 1ste punt en het 2de punt.
Zelfde formule als hierboven, teller en noemer delen door het midpoint. P89

5.4

Variabiliteit vd vraagcurve
Elastisch  elasticiteit > 1.
Inelastisch  elasticiteit < 1.
Eenheidselasticiteit  elasticiteit = 1.

5.5

Totale opbrengsten (TR = total revenue)
Bij een prijsstijging: inelastische vraagcurve  TR
elastische vraagcurve  TR

Pagina 7 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

5.6

Puntelasticiteit
Puntelasticiteit = de limietwaarde die de elasticiteit aanneemt voor zeer kleine
veranderingen in p.
Elv= | (p/q) * (dp/dq) |
zie p96

5.7

Andere vraagelasticiteiten
% verandering vd gevraagde hoeveelheid
Inkomenselasticiteit =
% verandering in het inkomen
‘Normale’ goederen  positieve inkomenselasticiteit.
Inferieure goederen  negatieve inkomenselasticiteit.
Noodzakelijke goederen  kleine inkomenselasticiteit.
Luxe goederen  grote inkomenselasticiteit.
% verandering vd gevraagde hoeveelheid van goed 1
Kruisprijselasticiteit =

% verandering in de prijs van goed 2

2 substituten  positieve kruisprijselasticiteit
2 complementen  negatieve kruisprijselasticiteit
5.8

Prijselasticiteit van het aanbod
Elastisch: wanneer een verandering in de prijs een significante verandering in
de aangeboden hoeveelheid leidt.
Inelastisch: wanneer een verandering in de prijs een kleine verandering in de
aangeboden hoeveelheid leidt.

Determinanten: flexibiliteit vd leveranciers en tijd
% verandering vd aangeboden hoeveelheid
Prijselasticiteit vh aanbod =
% verandering vd prijs

Pagina 8 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

Hoofdstuk 6 : Overheidsreguleringen & de marktwerking.
6.1

Prijsreguleringen
Kopers succesvol  maximum prijs: prijzen mogen hier niet boven stijgen.
De maximum prijs moet onder het evenwicht liggen om bindend te zijn.
Verkopers succesvol  minimum prijs: prijzen mogen hier niet onder dalen.
De minimum prijs moet boven het evenwicht liggen om bindend te zijn.

Prijs

Aanbod

Vraag

Prijs

Aanbod
Overschotten
Minimum prijs

Maximum prijs
Tekorten

Vraag
Hoeveelheid

6.3

Hoeveelheid

Belasting heffen op de koper
Goederen worden duurder  vraag gaat dalen  vraag neerwaarts
verschuiven.
Zowel koper als verkoper worden getroffen door deze belasting.
Prijs

Aanbod

Prijs kopers betalen
PE1
Prijs verkopers krijgen

E1
E2
Vraag1
Vraag2 + belasting
Hoeveelheid

6.4

Belasting heffen op de verkoper
Daling van het aanbod  opwaartse verschuiving vd aanbodscurve.
Zelfde lasten verdeling als hierboven vermeld.
Aanbod2 + belasting
Aanbod1

Prijs
Prijs kopers betalen
PE1

E2
E1

Prijs verkopers krijgen
Vraag

Hoeveelheid

Wie inelastisch is betaald het meest.

Pagina 9 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

Hoofdstuk 7 : Consumenten- en producenten surplus.
De welvaartseconomie bestudeert hoe men door allocatie van middelen de
economische welvaart vd bevolking kan verbeteren.
7.1
Consumentensurplus (CS)
Het bedrag dat de koper bereid is om te betalen – het bedrag dat betaald werd.
“Willingness to pay”: het maximum bedrag dat de consument wenst uit te
geven.
Prijs
Initieel CS
P1

Bijkomend CS
voor initiële
consumenten

CS voor nieuwe consumenten

P2
Vraag
Q1

7.2

Q2

Hoeveelheid

Producentensurplus (PS)
Bepalen tegen welke prijs producenten hun goederen willen aanbieden.
“Willingness to sell”: Het minimum bedrag dat de producent wenst te krijgen.
Prijs

Bijkomend PS
voor initiële
producenten

Aanbod

P2

PS voor nieuwe producenten

P1
Initieel PS

7.3

Q1

Q2

Hoeveelheid
CS & PS bij marktevenwicht
Totale surplus (TS) = CS + PS
TS is dus de oppervlakte tussen de vraag en het aanbod en stelt de totale
welvaart die gecreëerd wordt voor.

Prijs

Aanbod
CS
E
PS
Vraag
Hoeveelheid

Pagina 10 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

Hoofdstuk 9 : De praktijk vd internationale handel.
Invoerheffing: een belasting op import.
Importquota: een kwantitatieve beperking.
9.1
De wereldprijs en het comparatief voordeel
Importeur of exporteur?  Vergelijk wereldprijs en huidige prijs of kijken wie
het comparatief voordeel heeft.
Exporteur  wereld prijs > binnenlandse prijs.
Importeur  wereld prijs < binnenlandse prijs.
Handel  Elk land kan zich specialiseren in datgene waar zij het beste is.
9.2

Voor- en nadelen van internationale handel
Export.
Prijs
Prijs na handel
Prijs voor handel

Binnenlands aanbod

A

Wereldprijs
D

B
C

Binnenlandse vraag
Export
Binnenlandse
gevraagde
hoeveelheid

Binnenlandse
aangeboden
hoeveelheid

Hoeveelheid

Voor handel: PS = C & CS = A + B.
Na handel: PS = C + B + D & CS = A.
De producenten zijn dus beter af na de handel en de consumenten verliezen
een deel van hun surplus. Het totale surplus is gestegen met D dus het land
heeft baat bij handel.
Import.
Prijs
Binnenlands aanbod
A
Prijs voor handel
Prijs na handel

B

D

Wereldprijs

C
Binnenlandse vraag

Import
Binnenlandse
aangeboden
hoeveelheid

Binnenlandse
gevraagde
hoeveelheid

Voor handel: CS = A & PS = B + C.
Na handel: CS = A + B + D & PS = C.
De consumenten krijgen hier het voordeel omdat ze tegen een lagere prijs
goederen kunnen aankopen. De producenten verliezen een deel van hun
surplus omdat ze tegen de lagere wereldprijs moeten verkopen. Het totale
surplus is gestegen met D.

Pagina 11 / 34

Samenvatting Economie I
9.3

Alexandre

Juli 2012

De effecten van een invoerheffing
Invoerheffing of tarief: een belasting op de geïmporteerde goederen.
Zowel geïmporteerde goederen als binnenlandse goederen stijgen met het
tarief.
Binnenlandse
vraag

Prijs

A

B

Prijs met tarief
Prijs zonder tarief

Binnenlands
aanbod

C

E

D

F

G

Tarief
Wereldprijs

Hoeveelheid

Voor het tarief:
Na het tarief:

CS = A + … + F
PS = G
CS = A + B
PS = C + G
Overheidsinkomsten = E
Het totale surplus daalt met D + F; dit wordt het ‘deadweight loss’ genoemd.
D = DWL wegens overproductie & F = DWL wegens onderconsumptie.
9.4

De effecten van een importquota
Importquota: een beperking op de ingevoerde hoeveelheid.
Het aanbod is niet langer meer perfect elastisch aan de wereldprijs.
Prijs

Binnenlandse
vraag

A
C
G

Binnenlands aanbod +
importquota

B

Prijs met quota
Prijs zonder quota

Binnenlands aanbod

D

E’

E’’ F

Wereldprijs

Hoeveelheid

Voor het quotum:
Na het quotum:

CS = A + … + F
PS = G
CS = A + B
PS = C + G
Winst van licentiehouders = E’ + E’’
DWL = D + F

Overeenkomsten: binnenlandse prijs v/e goed doen stijgen, verminderen de
welvaart vd binnenlandse consumenten, doen de welvaart van binnenlandse
producenten stijgen en veroorzaken ‘deadweight losses’.
Verschil:
Tarief  overheidsinkomsten.
Quotum  surplus voor licentiehouders.

Pagina 12 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

9.5
Argumenten voor de beperking van handel
9.5.1 Het werkgelegenheidsargument
Vrijhandel vernietigd jobs omdat het land goedkoper kan importeren dan het
zelf produceren. Toch gaat vrijhandel ook jobs creëren doordat het land zijn
middelen gaat focussen op de sector waar ze een comparatief voordeel
hebben, in deze sectoren zullen nieuwe banen beschikbaar worden.
9.5.2 Het nationale veiligheidsargument
Het beschermen van welbepaalde sleutel sectoren die van vitaal belang zijn
voor de nationale veiligheid van een land. Dit argument wordt te vaak gebruikt
door producenten om een groter deel van het consumentensurplus naar zich
te trekken.
9.5.3 Infant industry
Het beschermen van nieuwe industrieën om hun te helpen op te starten. Dit
argument is zeer moeilijk in te voeren, als de bescherming succesvol zou
willen zijn dan moet de overheid kiezen welke industrie uiteindelijk
winstgevend kan zijn. Omdat deze keuze niet voor de hand liggend is zal het
argument moeilijk in te voeren zijn. Bovendien zijn er veel nieuwe industrieën
die zonder bescherming toch zeer winstgevend worden.
9.5.4 Het oneerlijke concurrentie argument
Als ondernemingen uit verschillende landen onderworpen zijn aan
verschillende wetten en reglementeringen dan is het oneerlijk om te
verwachten dat de ondernemingen concurreren in de internationale markt. Is
dit echt oneerlijk? De argumenten van vrijhandel zijn dat de baten vd
consumenten door aan te kopen aan een lagere prijs overstijgen de verliezen
vd producenten. Zolang dit voldaan is er geen sprake van oneerlijkheid.
9.5.5 Bescherming als pasmunt bij onderhandelingen
Handelsbeperkingen gebruiken als bedreiging voor handelsbeperkingen te
verwijderen die werden opgelegd door een buitenlandse overheid.
9.6

Handelsovereenkomsten en de Wereldhandelsorganisatie
Unilaterale benadering  handelsbeperkingen alleen verwijderen.
Multilaterale benadering  handelsbeperkingen samen met andere landen
verminderen in onderlinge overeenkomst.
Regionale handelsovereenkomsten  multilaterale handelsovereenkomsten
die zich tot een regio beperken ( de Europese Unie).
Voor- en nadelen
Multilaterale  vrijere handel  zowel binnenlandse als buitenlandse
handelsbeperkingen kunnen verminderen.
Unilaterale  meer zekerheid van vermindering  als de onderhandelingen
van de multilaterale beperkingen mislukken.
In de meeste markten zijn de producenten met minder en daarom ook beter
georganiseerd dan de consumenten – en hebben ze dus een grotere politieke
invloed.

Pagina 13 / 34

Samenvatting Economie I

Hoofdstuk 10 :

Alexandre

Juli 2012

Externaliteiten.

10.1

Externaliteiten: het falen vd markt.
Een externaliteit doet zich voor wanneer een persoon bij de beoefening van
een bepaalde activiteit het welzijn van een omstaander beïnvloed en geen van
beiden een compensatievergoeding betaalt of ontvangt voor dat effect.
Negatieve externaliteit: impact op omstaander is nadelig.
Positieve externaliteit: impact op omstaander is voordelig.

10.2

Negatieve externaliteiten bij productie
Sociale kost
Prijs

Aanbod
Kost van vervuiling
Optimum
Equilibrium

Vraag
Hoeveelheid

De sociale kostcurve ligt boven de aanbodscurve omdat ze rekening houdt
met de externe kosten die door producten aan de samenleving worden
opgelegd.
Er zal geproduceerd worden in het Optimum-punt, want hier is het optimaal
voor de samenleving in haar geheel.
10.3

Positieve externaliteiten bij productie
Prijs

Aanbod
Sociale kost
Waarde vd technologische spillover
Equilibrium
Optimum
Vraag
Hoeveelheid

Technologische spillover: een type positieve externaliteit waarbij ontwerpen
van nieuwe technologieën de samenleving in haar geheel welvarender maakt.
Sociale kost = private kost (aanbodscurve) – waarde vd technologische
spillover.

Pagina 14 / 34

Samenvatting Economie I
10.4

Alexandre

Juli 2012

Externaliteiten bij consumptie
Prijs

Vraag
(private waarde)

Aanbod

Prijs

Aanbod

Sociale waarde
Optimum
Equilibrium

Equilibrium

Optimum
Sociale waarde
Vraag (private waarde)
Hoeveelheid

Hoeveelheid

Negatieve externaliteit bij consumptie: gebruik van alcohol.
Maatschappelijke waarde (sociale waarde) < private waarde.
Maatschappelijke optimale hoeveelheid < private hoeveelheid.
Positieve externaliteit bij consumptie: consumptie van opleiding en scholing.
Maatschappelijke waarde (sociale waarde) > private waarde.
Maatschappelijke optimale hoeveelheid > private hoeveelheid.
10.5

Overheidstussenkomsten
Goederen met negatieve externaliteiten  Belasten.
Goederen met positieve externaliteiten  Subsidiëren.
Merit goederen: Goederen waarvan de overheid meent dat ze meer nut voor
de gebruikers hebben dan ze zelf denken.
Remedie: het goed van overheidswege gratis verstrekken, dmv subsidies de
prijs verlagen of het instellen van een gebruiksverplichting.
Demerit goederen: een overschatting van het gebruiksnut of een
onderschatting vd mogelijke nadelige gevolgen van het gebruik.
Remedie: belastingheffing of een gebruiksverbod.
(De)merit goederen  bemoeigoederen.

10.6

Private oplossingen voor externaliteiten
Oplossingen: door sociale gedragscodes (weinig mensen doen aan
sluikstorten), not-for-profit-organisaties ontstaan als reactie op een externaliteit
(GreenPeace), beroep doen op eigenbelangen vd betrokken partijen (appel
boer en imker), afsluiten van contracten.
Het internaliseren van externaliteiten is een vd mogelijke redenen waarom
ondernemingen actief zijn in verschillende sectoren.
Coase theorema: private oplossingen voor een externaliteit is mogelijk
indien de betrokken private partijen erin slagen het probleem op te lossen door
schadeloosstelling vd ene partij op basis van het voordeel voor de andere
partij.

Pagina 15 / 34

Samenvatting Economie I
10.7

Alexandre

Juli 2012

Publieke oplossingen voor externaliteiten
Overheid kan reageren op 2 manieren:
Bevel-en-controle maatregelen  beïnvloeden het gedrag direct (milieu
reglementeringen).
Markt-gebaseerde maatregelen  zetten private beslissing nemers aan om
het probleem zelf op te lossen (Pigou belastingen en subsidies).
Pigou belasting: belastingen die werden ingevoerd om negatieve
externaliteiten bij te sturen (plakt een prijskaartje op vervuiling dat verhandeld
kan worden op een markt onder de ondernemingen die het meest vervuilen).
Pigou belastingen betekenen een opbrengst voor de overheid en ze
verbeteren de economische efficiëntie.

Hoofdstuk 11 : Publieke goederen en gemeenschappelijke
hulpbronnen.
11.1

De verschillende soorten goederen
Rivaliteit?
Ja
Nee
Private goederen
Natuurlijke monopolies
Ja

Exclusief?

File op betalende weg Geen file op betalende
Kleren, ijs
weg, Kabel TV

Gemeenschappelijke Publieke goederen
hulpbronnen
Nee File op een openbare Geen file op een
weg, vissen in de
openbare weg, kennis
oceaan

Rivaliteit: Houdt het gebruik door een persoon in dat een ander persoon er
minder van kan genieten?
Exclusief: Kan je voorkomen dat mensen het goed gebruiken?
Private goederen: exclusief omdat je ervoor moet betalen, rivaliteit omdat als
er file is de andere minder van de weg kunnen genieten.
Publieke goederen: niet-exclusief omdat je niet kan voorkomen dat mensen op
de openbare weg rijden, geen rivaliteit omdat er geen file is op weg.
Gemeenschappelijke hulpbronnen: Er is rivaliteit omdat als je een vis vangt er
eentje minder te vangen valt voor de volgende visser, geen exclusiviteit omdat
je moet beboet kan worden op elke vis die je vangt.
11.2 Publieke goederen
11.2.1 Het free-rider probleem
Zij die van het goed genieten maar er niet voor betalen.
Omdat niemand kan worden belemmerd te genieten van publieke
voorzieningen, verhindert het free-rider probleem dat de private markt hen
aanbiedt (vuurwerk).

Pagina 16 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

11.3

Gemeenschappelijke goederen
Private economische agenten vertonen de neiging om overdreven gebruikt te
maken van gemeenschappelijk hulpbronnen.

11.4

Conclusie
De markt faalt om de middelen efficiënt toe te wijzen omdat de
eigendomsrechten niet goed vastgelegd werden.
Oplossingen van de overheid:
De verkoop vd rechten tot vervuiling  definiëring vd eigendomsrechten
waardoor de marktmechanismen van kracht zijn.
De bepaling van het jachtseizoen  de overheid reguleert het private gedrag.
Het voorzien van landsverdediging  overheid biedt het goed aan omdat de
private markt hier niet in slaagt.
Als de overheidstussenkomst goed gepland en beheerd wordt, wordt de
toewijzing vd middelen efficiënter en wordt het economisch welzijn verhoogd.

Hoofdstuk 12 : Het belastingsysteem.
12.1

Een efficiënt belastingstelsel
Er dient rekening gehouden te worden met de efficiëntie en de billijkheid vd
keuzes. Het probeert deadweight losses en de administratieve rompslomp te
minimaliseren.

12.2

Deadweight losses
Belastingen kunnen een incentive zijn om een ander goed te kopen dat
minder belast is.
Kopers en verkopers delen de last vd belastingheffing, onafhankelijk van
hoe (op wie) de belasting geheven wordt.
Een belasting krimpt de markt van een goed in (Hoeveelheid neemt af).
Prijs
Prijs kopers betalen

Aanbod
A
B

Prijs zonder belasting
D

C
E

Prijs verkopers krijgen
F

Vraag
Hoeveelheid

Consumentensurplus
Producentensurplus
Belastinginkomen
Totaal surplus
Deadweight loss

Zonder belasting
A+ B+C
D+E+F
geen
A+ …+F
geen

Pagina 17 / 34

Met belasting
A
F
B+D
A+ B+D+F
C+E

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

12.3

De administratieve rompslomp
De administratie dat gepaard gaat met het innen van belastingen.
De belastingbetaler verliest de tijd en het geld verbonden met het afhandelen
vd belastingen terwijl de overheid alleen de eigenlijke belastingen ontvangt.

12.4

Marginale VS gemiddelde belastingvoeten
Gemiddelde belastingvoet: totaal bedrag betaald aan de belasting gedeeld
door het totale inkomen.
Marginale belastingvoet: de extra belasting betaald op de aangroei van het
inkomen.
Lump sum: belasting waarbij iedereen, los van het inkomen dat hij verwerft,
een bepaald bedrag aan belastingen dient te betalen.
Heel efficiënt: geen persoonlijke beslissing over het bedrag dat betaald zal
worden, verstoord de incentives niet en wordt geen deadweight loss gecreërd.
Niet billijk.

12.5

Een billijk belastingstelsel
Het belastingstelsel moet billijk zijn, maar billijk heeft niet de zelfde betekenis
voor iedereen.

12.5.1 Het voordeel principe
Mensen moet belast worden volgens de voordelen die ze ontvangen.
Publieke goederen trachten te behandelen als private goederen.
Vb: Benzinebelasting
12.5.2 Het in-staat-zijn te betalen principe
De belastingen dienen geheven te worden op een persoon overeenkomstig de
mate waarin die persoon instaat is de last ervan te dragen.
Verticale billijkheid: belastingbetalers die beter in staat zijn belastingen te
betalen, dienen meer bij te dragen (hoe rijker, hoe meer belastingen).
Horizontale billijkheid: gelijkaardige belastingbetalers dienen een gelijk bedrag
aan belastingen te betalen.

Pagina 18 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

Hoofdstuk 13 : De productiekosten.
13.1

Kosten, Opbrengsten, winsten
Hoofddoel van een onderneming is winst maken.
Winst = totale opbrengsten – totale kosten
De totale kosten: Het bedrag dat een onderneming uitgeeft aan de inputs.
Expliciete kosten: de werkelijke geldstroom.
Impliciete kosten: opportuniteitskost; de kost van iets, is wat je ervoor opgeeft
(de intrest dat verloren gaat als je al je geld van je spaarboekje haalt).
De economist houdt rekening met zowel de impliciete als de expliciete kosten
om de totale kosten te berekenen, terwijl de boekhouder slechts de expliciete
kosten in rekening brengt.
De totale opbrengsten = Hoeveelheid * prijs per stuk
Het bedrag dat de onderneming ontvangt voor haar outputs.

13.2

Productiefactoren en tijdsperspectief
Om het productieniveau aan te passen moet de onderneming de
productiefactoren aanpassen, deze passen zich niet allemaal even snel aan.
Zeer korte periode: geen aanpassingen mogelijk.
Korte periode: de maximum productie capaciteit ligt vast maar het aantal
werknemers en het volume grondstoffen zijn aanpasbaar.
Lange periode: alle productiefactoren zijn aanpasbaar.
Zeer lange periode: niet alles is aanpasbaar, er zijn technologische
ontwikkelingen mogelijk.

13.3

Marginaal product
Het marginaal product geeft de verandering in output weer als het aantal
eenheden arbeid met een eenheid stijgt.
Uiteindelijk zal elke bijkomende arbeider minder en minder output leveren door
overbezetting van de productieapparaten.
Er moet een evenwichtige verhouding zijn tussen vaste – en variabele
productiefactoren anders kunnen fouten of kwaliteitsverlies optreden.

13.4

De productiekosten
Totale kosten (TC) = Variabele kosten (VC) + Vaste kosten (FC)
Variabele kosten: zijn kosten dat mee veranderen wanneer de onderneming
de geproduceerde hoeveelheid veranderd.
Vb: Arbeidskost  als de tewerkgestelde hoeveelheid arbeid kan variëren.
Andere kosten  aankoop van grondstoffen, hulpstoffen, diensten,…
Vaste kosten: deze kosten veranderen niet wanneer de geproduceerde
hoeveelheid veranderd, deze kosten blijven zelfs al wordt er niks gemaakt.
Vb: Kapitaalkosten  vergoeding van het kapitaal (leningen en aandelen) en
de afschrijvingen vd installaties.

Pagina 19 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

13.4

De productie kosten (vervolg)
Gemiddelde totale kosten (ATC) = TC / Q
Gemiddelde variabele kosten (AVC) = VC / Q
Gemiddelde vaste kosten (AFC) = FC / Q
 ATC = AVC + AFC
Marginale kosten: de verandering in de totale kosten of variabele kosten
wanneer de onderneming haar productie opdrijft. (FC zijn constant)

13.5

De vorm van kostencurven
Kosten

MC

ATC
AVC

AFC
Geproduceerde hoeveelheid

Stijgende marginale kosten (behalve in aanloop fase)
In het begin doet 1 extra arbeider de output meer stijgen dan zijn voorganger.
Het marginaal product stijgt per arbeider waardoor de kosten voor een
bijkomende eenheid te produceren afnemen.
Als er al een aantal arbeiders tewerk gesteld zijn heeft elk zijn specifieke taak,
men zal meer kunnen produceren als men meer arbeiders inhuurt maar zullen
niet meer in dezelfde mate bijdragen tot de optimalisatie van de productie. In
deze omstandigheden daalt het marginaal product van een extra arbeider, en
stijgt de marginale kost van een extra geproduceerde hoeveelheid.
U-vormige gemiddelde totale kost
ATC = AVC + AFC
AFC nemen af naarmate de productie hoeveelheid stijgt.
AVC nemen eerst af en dan toe.
Efficient scale: het punt waar de ATC het laagst is.
Als MC = ATC  ATC = minimum

Pagina 20 / 34

Samenvatting Economie I
13.6

Alexandre

Juli 2012

De lange termijn ATC-curven en korte termijn ATC-curven
ATC

ATC op KT voor een klein bedrijf

ATC op KT voor een groot bedrijf

ATC op KT voor een
middelmatig bedrijf

ATC op LT
Hoeveelheid

Verband tussen LT en KT ATC-curven.
 LT ATC is vlakker dan KT ATC
Alle KT curven liggen boven of op de LT curve, dit komt door de flexibiliteit
op LT (op LT kunnen de ondernemingen kiezen welke KT curve ze willen).
13.7

Schaaleffecten
ATC

Schaalvoordelen

Schaalnadelen

Geen schaalvoordelen

Hoeveelheid

Schaalvoordeel: dalende LT ATC-curve bij toenemende output.
Treed op als een hogere productie capaciteit arbeidsverdeling en specialisatie
toelaat zodat elke werknemer productiever wordt in zijn taak.
Schaalnadeel: stijgende LT ATC-curve bij toenemende output.
Kan een gevolg zijn door coördinatieproblemen bij grote ondernemingen.
Dit is de reden waarom LT ATC-curven U-vormig zijn. Bij lage productie
niveaus zijn de opbrengsten van specialisatie groot en zijn er weinig
coördinatieproblemen er zijn dus schaalvoordelen. Bij zeer hoge productie
niveaus ontstaan er meer coördinatieproblemen en de opbrengsten uit
specialisatie zijn al gerealiseerd er zijn dus schaalnadelen.

Pagina 21 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

Hoofdstuk 14 : Volmaakte concurrentie.
14.1

Basisvoorwaarden
De volmaakte concurrentie is een marktvorm
 Waarbij vele bedrijven actief zijn.
 Waarin er volledige vrijheid is om tot de sector toe te treden.
 Waarbij alle ondernemingen een identiek product aanbieden.
 Waarbij de individuele bedrijven en consumenten “price takers” zijn.
 Waarbij de producenten en de consumenten beschikken over perfecte
informatie over de markt (prijzen, kosten, kwaliteit, …).
Vb: tuinbouw: vele kleine bedrijven voorzien de markt van groenten.

14.2

Opbrengsten
Break-even: als de onderneming erin slaagt een opbrengst te genereren dat
de kosten juist dekt. P = ATC of TR = TC
Gemiddelde opbrengsten (AR) = TR / Q = ( P * Q ) / Q = P
Marginale opbrengsten (MR) = P
De toename vd totale opbrengsten indien een eenheid extra wordt
geproduceerd en verkocht.

14.3

Winstmaximalisatie
MC

Kosten en
opbrengsten

ATC
AR = MR
AVC

Qopt

Hoeveelheid

De onderneming zal haar output afstellen op Qopt waar MR = MC, in dit punt is
de winst maximaal.
De marginale kosten curve is de aanbodscurve van een onderneming in
perfecte concurrentie.

Pagina 22 / 34

Samenvatting Economie I
14.4

Alexandre

Juli 2012

Korte termijn beslissing om te sluiten
Ondernemingen zullen beslissing om korte termijn om verder te produceren
wanneer de opbrengsten de variabele kosten overtreffen.
TR > VC delen we beide leden door Q  P > AVC.
MC

Kosten
ATC
AVC

Hoeveelheid

Als P > AVC: Onderneming zal op korte termijn blijven produceren.
Als P > AVC: Onderneming produceert met winst.
Als P < AVC: Onderneming zal moeten sluiten.
14.5

Lange termijn beslissing de markt te betreden of verlaten.
Op lang termijn spelen zowel de variabele – als de vaste kosten een rol.
Een onderneming zal beslissen een markt te verlaten wanneer de totale
opbrengsten de totale kosten overtreffen.
TR < TC delen we beide delen door Q  P < ATC
MC
Kosten
ATC

Hoeveelheid

Als P > ATC: Nieuwe bedrijven zullen de markt betreden.
Als P < ATC: Ondernemingen zullen de markt verlaten.

Pagina 23 / 34

Samenvatting Economie I
14.6

Alexandre

Juli 2012

Winst en verlies op een grafiek
MC

Prijs
Winst

ATC

P = AR = MR

MC

Prijs

Verlies

ATC

ATC

ATC

P = AR = MR

Q

Hoeveelheid

Q

Hoeveelheid

Ondernemingen maximaliseren hun winst door een hoeveelheid te produceren
waarbij de prijs gelijk is aan de marginale kost en waar de MC-curve stijgend
is.
Winst = TR - TC = (P * Q) – (ATC * Q) = (P – ATC) * Q
Er zal dus winst zijn indien P – ATC > 0 en dus P > ATC.
Er zal dus verlies zijn indien P – ATC < 0 en dus P < ATC.
14.7

Marktaanbod
Op kort termijn is het aantal ondernemingen vast, het totale marktaanbod is
dan gelijk aan de som van productiehoeveelheiden aangeboden door elke
afzonderlijke onderneming.
Vb: 100 identieke ondernemingen dus het totale marktaanbod = 100 * het
marktaanbod van een onderneming.
Op lang termijn ligt het aantal ondernemingen niet vast, er kunnen nieuwe
ondernemingen in de markt toetreden (entry) of ondernemingen kunnen
beslissen de markt te verlaten (exit).
Nieuwe ondernemingen zullen aangetrokken worden tot winstgevende
sectoren. Door de toename van het aantal ondernemingen zal het aanbod
stijgen wat de prijs doet zakken en de vraag naar de productiefactoren doet
stijgen waardoor de gemiddelde totale kosten zullen stijgen. Het aantal
ondernemingen blijft stijgen tot de sector niet meer winst gevend is.
Voor een verlieslatende sector zal het aanbod dalen waardoor de prijs zal
stijgen en de gemiddelde totale kosten zullen dalen.
De markt is in evenwicht als P = ATC want dan is winst = 0 en is er geen reden
voor exit or entry.
Voor winstmaximalisatie zal P = MC.
MC snijdt ATC in zijn minimum.
 Bij perfecte concurrentie op lang termijn zullen ondernemingen opereren in
het meest efficiënte productiepunt MC = ATC = P.

Pagina 24 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

14.8

Invloed van de vraag verschuiving
Als de markt in evenwicht is en de vraag plots stijgt, zal er op kort termijn winst
gemaakt worden door de bestaande bedrijven, dit zal nieuwe bedrijven lokken
zodat het aanbod stijgt wat de prijs laat zakken en men terug in evenwicht zit.
Grafieken p244.

14.9

Positieve effecten van volmaakte concurrentie
 P = MC
 Homogene efficiëntie: bedrijven mogen niet efficiënter of minder efficiënt
zijn als hun concurrentie anders is de volmaakte concurrentie niet voldaan.
 Nieuwe technologie: stimulans voor nieuwe technologieën te ontwikkelen.
 Reclame maken: identieke producten dus geen reclame nodig.
 Lange termijn kosten: de onderneming produceert op LT de output die het
minste kost.
 Prijzen voor de consument: lage prijzen omdat er op LT geen winsten
bijgeteld kan worden.
 Verandering in smaak bij de consument, zal een verandering in prijs als
gevolg hebben waardoor er op KT extra winst gemaakt kan worden.
 Consumentensoevereiniteit: consumenten kunnen bepalen hoeveel er
geproduceerd wordt door de speling van de markten.
De enige manier voor een onderneming om winsten te maken is efficiënter te
worden.

14.10 Beperkingen van volmaakte concurrentie
 Er is geen zekerheid dat de optimale productie-mix behaald wordt.
 Er wordt geen rekening gehouden met externaliteiten.
14.11 Volmaakte concurrentie VS andere marktvormen
 Nieuwe technologieën: de ondernemingen worden aangespoord om nieuwe
technologieën te ontwikkelen maar meestal hebben ze de middelen er niet
voor en zijn bang dat de concurrentie hun vernieuwingen kopiëren.
 Identiek product: geen productdifferentiatie, kan gezien worden als nadeel
voor de consument. Producenten hebben wel geen druk om hun product te
verbeteren.

Pagina 25 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

Hoofdstuk 15 : Het monopolie.
15.1

Basisvoorwaarden
 Er is maar 1 bedrijf actief.
 Invloed op prijs: de onderneming is een prijszetter.
 Toetreden tot de sector: Er zijn barrières om toe te treden tot de sector.

Economies of scale OF natuurlijke monopolie: Wordt gekenmerkt door
aanzienlijke schaalvoordelen waardoor er geen plaats is voor een ander
bedrijf in de sector. Dit zijn vaak overheidsbedrijven (NMBS).

Productdifferentiatie en merkloyauteit: Een onderneming maakt een
product dat zeer duidelijk te differentiëren is en dat de consument
koppelt aan een merk waardoor het voor de concurrentie moeilijk wordt
om deze merkloyauteit te door breken.

Controle over basis inputs: Als een ondernemer de controle heeft over
de basis inputs kan hij de concurrentie ontzeggen van deze inputs.

Wettelijke bescherming door de overheid: Door patenten kan de
overheid één onderneming de toelating geven het product te maken.
Om zo de uitvinders te beschermen en aan te moedigen om aan
wetenschappelijk onderzoek te doen.

Mergers and takeovers: Door de nieuwe markttoetreders over te nemen
of te dreigen over te nemen kan men de concurrentie minimaal houden.

Agressieve tactieken: De bestaande monopolie kan een prijzenoorlog,
intensieve reclameactie opstarten,… om nieuwe toetreders uit de markt
te duwen. De monopolist kan vaak de verliezen langer incasseren dan
de nieuwe toetreders.

15.2

Opbrengsten van een monopolie onderneming
Er is maar een onderneming dus de vraagcurve is de vraag van de gehele
markt. Hierdoor kan de monopolist zelf de prijs OF de geproduceerde
hoeveelheid vaststellen.
De prijs is steeds groter dan de marginale opbrengsten.

15.3

Winst maximaliserende output bij een monopolie
Voorwaarde: MR = MC
MC

Kosten en
opbrengsten
Winst

ATC

Monopolie prijs
ATC
MC = MR

Vraag
MR
Qopt

Hoeveelheid

P > MC = MR

Pagina 26 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

15.4

Overheidsingrijpen op monopolistische markten
1.
Meer competitie door wetten: Er zijn bepaalde wetten die voorzien om
fusies of overnames tegen te gaan zodat er geen bedrijf te machtig
wordt in een bepaalde sector (Antitrust laws).
2.
Regulering: Vooral bij natuurlijke monopolies. De overheid gaat de prijs
voor het monopolie bepalen. Als P = MC zal het monopolie verlies lijden
dit zal de overheid moeten subsidiëren.
3.
Public ownership: De overheid neemt het monopolie over zodat er aan
de sociale doeleinden voldaan wordt. Vb: de Post.
4.
Door niks te doen: Soms is nog inefficiënter nadat de overheid heeft in
gegrepen dus beweren sommige economisten dat de overheid beter
niet ingrijpt.

15.5

Prijsdiscriminatie
Als de monopolist zijn product aan verschillende prijzen verkoopt om zo meer
winst te boeken. Hij kan meer aanrekenen voor de eerste eenheden en de
laatste eenheden goedkoper verkopen. Zie grafiek p263.
Vb: Luchtvaartsector, bioscoopsector,…

15.6

Voordelen van het monopolie
 Schaalvoordelen: Door deze schaalvoordelen kan de prijs bepaald door
een monopolist lager zijn dan een prijs dat tot stand is gekomen in een
perfecte concurrentie.
 Meer R&D en meer investeringen: Een monopolist zal veel besteden aan
R&D om zijn kostencurven zo laag mogelijk te houden.

15.7

Nadelen van het monopolie
 Hogere prijs en lagere output (dan bij volmaakte concurrentie): Zie grafiek
p264.
 Mogelijke hogere kostencurve door gebrek aan concurrentie: De
monopolist wordt minder aangespoord om efficiëntere technieken te
ontwikkelen door het gebrek aan concurrentie.
 Een onevenredige verdeling van het inkomen: De hoge winsten kunnen
door potentiële concurrenten als oneerlijk beschouwd worden.
 Weinig of geen drang om nieuwe producten te ontwikkelen.
 Politiek macht: Door hun macht binnen een sector kunnen grote
monopolies politieke macht uitoefenen om zo gunstige behandelingen krijgen
vd overheid.

Pagina 27 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

Hoofdstuk 16 : Het Oligopolie.
16.1

Basisvoorwaarden
 Invloed op prijs: Hoge graad van prijsstabiliteit, normaal geen prijsnemer.
 Enkele grote spelers op de markt.
 Toetreden tot de sector: Toegang is vrij moeilijk, obstakels zijn makkelijker
te overbruggen dan bij een monopolie. Belangrijkste obstakels:
 De omvang vd industrie: Als het om grote industrieën gaat zoals de
auto-industrie moeten nieuwe toetreders direct een enorm kapitaal
investeren om te kunnen concurreren. Voor velen is dit een te groot
risico.
 Een ruim productassortiment: Door een heel gamma van producten in
het zelfde segment aan te bieden kan men de nieuwe toetreders
afschrikken. Als zij dan een nieuw product op de markt brengen zal dit
slechts een klein segment innemen naast het hele gamma vd
oligopolist.
 Merkgetrouwheid: Als de consumenten vertrouwd zijn aan een merk
gaan ze niet snel veranderen. Door dergelijke merkerkenning goed uit
te spelen kan men de oligopolistische positie garanderen.
 Aard van het product: 2 soorten oligopolies:
 Gedifferentieerde oligopolie: De producten vertonen verschillende
kenmerken. Ofwel door technische differentiatie (auto’s) ofwel door
psychologische beïnvloeding (sigaretten).
 Niet-gedifferentieerde oligopolie: De producten zijn identiek en worden
zo door de consument gewaardeerd (elektriciteit, ijzer,…).
 Onderlinge afhankelijkheid: De oligopolist moet rekening houden met de
reactie van de andere oligopolisten als hij een beslissing maakt over de
afzetprijs of de geproduceerde hoeveelheid.
Sleutelpunten: afweging tussen samenwerking en eigenbelang.
Formeel samen werken  kartel ~ monopolie.

16.2

Evenwicht bij oligopolie
Nash-evenwicht: een situatie waarin economische actoren die met elkaar
interageren hun beste strategie kiezen, gelet op de strategieën die door de
andere actoren kunnen gekozen worden.
Eenmaal het Nash-evenwicht bereikt is zal het niet meer gunstig zijn om van
strategie te veranderen.
Oligopolisten hebben een voordeel bij om een kartel te vormen en behouden,
hun winsten worden zo gemaximaliseerd.

Pagina 28 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

16.3

Het belang van het aantal oligopolisten
Hoe meer spelers op de markt hoe onwaarschijnlijker een kartel gevormd
wordt.
Als de oligopolist beslist 1 eenheid meer te produceren heeft dit twee
gevolgen:
- Output-effect: omdat de prijs > MC zal bij extra productie de winst toenemen.
- Prijs-effect: het opdrijven vd productie zal de prijs en de winst doen dalen.
Output > prijs  oligopolist drijft zijn productie op.
Output < prijs  oligopolist schroeft zijn productie terug.
Hoe meer oligopolisten hoe kleiner hun effect op de prijs dus zal het prijseffect verminderen of zelfs verdwijnen. Als alleen het output-effect overblijft zal
de oligopolist zijn output optrekken tot de prijs = MC (net zoals in een perfecte
concurrentie).

16.4

Het evenwicht onder samenwerkende oligopolies
MC vd industrie = de horizontale som vd MC vd leden van het oligopolie.
De grafische voorstelling is identiek aan dat van het monopolie p278.

16.5

Het evenwicht onder niet-samenwerkende gedifferentieerde oligopolies
Kinked demand curve: een theorie dat tracht uit te leggen waarom prijzen toch
stabiliseren, zelfs zonder samenwerking.
De theorie gaat uit van 2 assumpties:
1. Als een oligopolist zijn prijzen doet zakken, voelen zijn rivalen hun
verplicht dit ook te doen zodat ze geen klanten verliezen.
2. Als een oligopolist zijn prijzen doet stijgen, voelen zijn rivalen zich NIET
verplicht hem te volgen. Zo zullen zijn rivalen klanten naar hun trekken.
Een toename van prijs zal een grote daling vd verkopen met zich mee
brengen, de vraag is dus relatief elastisch boven de knik.
Een afname van prijs zal een geringe toename vd verkopen met zich mee
brengen, de vraag is dus relatief inelastisch onder de knik.
Samengevat zullen oligopolisten hun prijzen niet snel aanpassen.
Prijs
Relatief elastisch
P1
Relatief inelastisch

Kinked demand curve

Q1

Hoeveelheid

Pagina 29 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

16.6

Politieke houding ten aanzien van oligopolies
Het is niet gunstig voor de consument dat de oligopolisten een kartel vormen
dus heeft de overheid een aantal wetten uitgewerkt zodat oligopolisten zouden
concurreren ipv samenwerken (Antitrust Laws & Europese Commissie).

16.7

Nadelen van het oligopolie
Als de oligopolisten een kartel vormen, handelen ze samen als een
monopolie. Ze zullen dus de zelfde nadelen vertonen als een monopolie.
Naast deze nadelen heeft het oligopolie nog enkele nadelen eigen.
Afhankelijk vd omvang vd individuele oligopolisten, kan er minder ruimte zijn
voor het optreden van schaalvoordelen, die de effecten van macht in de markt
doen verminderen.
Oligopolisten zullen doorgaans meer reclame maken dan monopolisten. Dit
is vooral hinderlijk voor de consument omdat de prijs vd reclame aan hem
wordt door gerekend.
Als de oligopolist zich te goed voelt in zijn positie kan hij in de waan zijn dat
hij geen nieuwe concurrentie hoeft te vrezen. Dus te weinig moeite in innovatie
steken en ongevoelig worden voor de consument.

16.8

Voorden van het oligopolie
Er kunnen grote bedragen besteed worden aan R&D. Oligopolisten zullen
meer gestimuleerd zijn dan monopolisten om te investeren in R&D.
Door productdifferentiatie zal de consument een ruimer aanbod hebben, zo
zal elke consument wel vinden wat aan zijn voorkeur voldoet.

Hoofdstuk 17 : Monopolistische concurrentie.
17.1

Basisvoorwaarden
Veel ondernemingen.
Een zelfde product dat toch lichtjes verschilt dit zorgt voor concurrentie.
Pricemaker, hij bepaalt zelf de prijs afhankelijk vd eigenschappen v/h product.
Geen barrières om toe te treden tot de markt. Gevolgen: het optreden van
een onderneming heeft geen invloed op een andere onderneming en iedere
onderneming ziet haar verkochte hoeveelheden variëren als hij zijn prijs
aanpast.
Vb: De cafés op en rond de grote markt van Brussel.

17.2

Winst maximalisatie op kort termijn
De vraagcurve vd onderneming is een gedeelte van de totale marktvraag.
De productie hoeveelheid varieert met de prijs.
MC

Prijs

MC

Prijs

Winst

Verlies

ATC

ATC
Popt
Popt

ATC
Vraag

ATC

MR
Qopt

MR

Hoeveelheid

Pagina 30 / 34

Qopt

Hoeveelheid

Vraag

Samenvatting Economie I
17.3

Alexandre

Juli 2012

Eventwicht op lang termijn
Er zijn geen barrières om toe te treden dus er zullen steeds nieuwe bedrijven
aangetrokken worden als de sector winst maakt.
MC

Prijs

ATC
P = ATC

Vraag
MR
Qopt

Hoeveelheid

P > MC  door het dalend verloop vd vraagcurve wat impliceert dat MR < P
(kenmerk van monopolie).
P = ATC zodat er op lang termijn geen winst wordt gemaakt. Dit is het gevolg
van geen toetredings barrières (kenmerk van perfecte concurrentie).
17.4

Monopolistische concurrentie VS perfecte concurrentie
Excess capacity: Een onderneming in monopolistische concurrentie produceert
niet in het punt waar ATC minimaal is. De onderneming heeft dus steeds de
neiging tot overtollige capaciteit. Bij perfecte concurrentie produceren de
ondernemingen wel in het punt waar ATC minimaal is.
Markup: Bij de monopolistische concurrentie is P > MC, ten gevolge van de
dalende vraagcurve. Bij perfecte concurrentie is P = MR, die in het optimum
gelijk is aan MC.

17.5

Monopolistische concurrentie VS Monopolie
De mogelijkheid voor nieuwe bedrijven om toe te treden tot de monopolistische
concurrentie zorgt ervoor dat op lang termijn de prijzen dalen, de
ondernemingen zullen dus gedwongen zijn hun kosten zo laag mogelijk te
houden.
Monopolies genieten vaker van schaalvoordelen en hebben meer middelen om
te investeren in R&D.
Monopolistische concurrentie veroorzaakt ook effecten die de individuele
onderneming overstijgen bij de intrede van een nieuwe onderneming:
- “Product-variety”: de intrede van een nieuw product brengt consumenten
surplus met zich mee dit heeft een positief effect op de consument.
- “Business-stealing”: als er meer ondernemingen toe treden tot de sector zullen
de bestaande ondernemingen klanten verliezen.

17.6

Politieke houding
De overheid zou de markup willen wegwerken door de P = MC, dit zou
betekenen dat de ondernemingen verlies zouden lijden. Dus zou de overheid dit
moeten subsidiëren, wat een verhoging van belastingen zou betekenen.
Meestal beslissing beleidsmakers de niet-perfecte markt niet te verbeteren.

Pagina 31 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

Hoofdstuk 18 : Consumententheorie.
18.1

De budgetrechte
De consument heeft een beperkt inkomen, hij zal een keuze moeten maken wat
hij allemaal met dit inkomen koopt (trade-off).
De budgetrechte geeft alle mogelijke combinaties weer die de consument met
zijn inkomen kan kopen.
Stel een consument heeft €1000 en kan kiezen tussen twee goederen pizza en
Pepsi.
Hoeveelheid Pepsi
B
500
Budgetrechte
C

250

0

A
100

50

Hoeveelheid Pizza

Punt A = hij consumeert alleen pizza en geen Pepsi.
Punt B = hij consumeert alleen Pepsi en geen pizza.
Punt C = hij consumeert evenveel van beiden.
De helling geeft de verhouding weer waartegen de consument het éne goed
voor het andere kan inwisselen. Dus de relatieve prijs van het ene goed
uitgedrukt in eenheden van het andere.
Een pizza is 5 keer zo duur als een liter Pepsi.
De opportunity cost van 1 pizza gelijk aan 5 liter Pepsi.
18.2

Indifferentiecurven weergave van voorkeuren.
Als je een consument twee verschillende keuzes geeft op de budgetrechte en
hij vindt deze keuzes evenwaardig, dan zeggen we dat de consument
indifferent is t.a.v. de beide keuzes. De indifferentiecurve geeft dergelijke
combinaties (combinaties die eenzelfde smaak wegdragen) grafisch weer.

MRS
1

De helling van de indifferentiecurve geeft de verhouding weer waartegen de
consument bereid is het éne goed voor het andere te vervangen, dit is de
marginale substitutievoet (MRS). Deze verhouding is niet overal het zelfde
(gebogen curve).

Pagina 32 / 34

Samenvatting Economie I

Alexandre

Juli 2012

18.3

Vier eigenschappen van indifferentiecurven
1. Hogere indifferentiecurven worden verkozen boven lagere.
2. Indifferentiecurven zij negatief hellend.
3. Indifferentiecurven snijden elkaar nooit.
4. Indifferentiecurven zijn convex: de richting wordt bepaald door MRS.
Aangezien mensen liever goederen inleveren dat ze in overvloed hebben
dan goederen waarvan ze slechts kleine hoeveelheden bezitten is de
indifferentiecurve convex. Zie graf p300.

18.4

Perfecte substituten
Als je iemand de keuze geeft tussen 2 stukken van 50cent of 1euro.
50cent munt
6
4
2
I3

I2
2

I1
1

3

Euro munt

De indifferentiecurven zijn rechten omdat de MRS constant blijft.
18.5

Perfecte complementen
Stel dat iemand een combinatie van schoenen aanbiedt, sommige rechtervoet
schoenen andere linkervoet schoenen. Een combinatie van 5 linkerschoenen
en 7 rechterschoenen is even bevredigend als 5linker en 5rechter. De
indifferentiecurven zijn dus rechte hoeken.
Linker schoenen

8
7
5

18.6

I2
I1
5

8

11

Rechter schoenen

De optimale keuze
De keuze is optimaal wanneer de indifferentiecurve de budgetrechte raakt.
De helling vd budgetrechte = de helling vd indifferentiecurve.
Relatieve prijs = marginale substitutievoet.
De waardering van de consument = de waardering van de markt.
Marktprijs reflecteert de waarde dat de consumenten eraan hechten.
Hoeveelheid Pepsi

Optimum

Hoeveelheid pizza

Pagina 33 / 34

Samenvatting Economie I
18.7

Alexandre

Juli 2012

Verschuiving vd budgetrechte
Hoeveelheid Pepsi

New Optimum
Optimum

Hoeveelheid pizza

Hier zijn pizza en Pepsi beiden ‘normaal’ goederen. Als een van hen een
inferieur goed zou zijn dan zou de hoeveelheid van dat goed dalen met een
inkomensstijging.
Het inkomensexpansiepad is de verbinding van de optima bij de toename van
het inkomen.
18.8

Een prijswijziging
Als Pepsi 2x goedkoper wordt.
Hoeveelheid Pepsi

New Optimum

Hoeveelheid pizza

18.9

Inkomens- en substitutie-effect
Inkomens-effect: de verandering van consumptie die voortvloeit uit de
beweging naar een hogere indifferentiecurve. Rood bolletje naar nieuw
optimum.
Substitutie-effect: de verandering van consumptie die voortvloeit uit een
andere MRS. Oud optimum naar rood bolletje. P312
We kunnen de vraagcurve vd consument zien als de samenvatting vd optimale
beslissingen die voortvloeien uit de budgetrechten en indifferentiecurven.

18.10 A Giffen Good
Giffen goederen zijn inferieur waarvoor het inverse inkomenseffect het
substitutie-effect domineert. Vandaar zijn de vraagcurven van Giffen goederen
stijgend.

Einde

Pagina 34 / 34