You are on page 1of 45

2

Tweede Kamer der Staters-Generaal

Zitting 1981

16957

Zwaartepunten in het Muziekvakonderwijs

Nr.2

INHOUDSOPGAVE
Blz.
Hoofdstuk 1. Inleiding
Par. 1.

Landelijke spreiding van


muziekvakonderwijs en
onderwijskundige inrichting
Zwaartepunten

4
5

Hoofdstuk 2. Opleiding tot uitvoerend musicus

Par. 2.

Par. 1.
Par. 2.

Beleidsvoorstellen voor de instrumentale


opleiding
Beleidsvoorstellen voor de vocale en de
muziek-dramatische opleidingen

6
9

Hoofdstuk 3. Nieuwe studiedifferentiaties

10

Hoofdstuk 4. De voorbereiding op het


muziekvakonderwijs

12

Hoofdstuk 5. Onderzoek

15

Par.
Par.
Par.
Par.

15
15
16

1.
2.
3.
4.

Par. 5.

Positie van onderzoek


Verantwoording van het onderzoek
Samenwerking tussen HBO en WO
Concretisering van de beleidsvoorstellen
vooronderzoek
Financiering van onderzoek

16
16

Hoofdstuk 6. Nascholing

17

Hoofdstuk 7. Financiering

17

Hoofdstuk 8. Samenvatting

18

Bijlagen
1.
2.

Kwantitatieve gegevens
Ontvangen commentaren

Tweede Kamer, zitting 1981,16957, nr. 1 en 2

20
27

Hoofdstuk 1. Inleiding
Par. 7. Landelijke
inrichting

spreiding

van muziekvakonderwijs

en

onderwijskundige

W i e zich in Nederland w i l v o o r b e r e i d e n o p het beroep van u i t v o e r e n d m u sicus, muziekleraar of dirigent voor de a m a t e u r m u z i e k b e o e f e n i n g kan kiezen
tussen tien conservatoria te w e t e n in A m s t e r d a m , R o t t e r d a m, Den Haag,
Utrecht, G r o n i n g e n , T i l b u r g , Enschede, A r n h e m , Maastricht en Z w o l l e . Daarnaast zijn er drie instellingen die alleen de o p l e i d i n g tot muziekleraar en tot
dirigent v o o r de a m a t e u r m u z i e k b e o e f e n i n g verzorgen . Het betreft de m u ziekpedagogische academies in Leeuwarden en Alkmaar , zomede de v a k o p leiding die aan de amateur-muziekschool te H i l v e r s u m is v e r b o n d e n .
Ten slotte zijn er dan nog het Nederlands Instituut v o o r Kerkmuziek in
Utrecht en de Nederlandse Beiaardschool in A m e r s f o o r t .
Niet m i n d e r dan vijftien scholen v o o r k u n s t o n d e r w i j s op het gebied van de
muziek v o r m e n dus te zamen de sector van het hoger b e r o e p s o n d e r w i j s
waarin musici w o r d e n opgeleid v o o r vier v o r m e n van beroepsuitoefening te
weten u i t v o e r e n d musicus, docent aan een muziekschool, leraar muziek in
de eerste- of t w e e d e g r a a ds sector van de scholen v o o r voortgezet o n d e r w i j s
en dirigent v o o r de a m a t e u r m u z i e k b e o e f e n i n g.
Het a a n b o d in Nederland aan instellingen v o o r m u z i e k v a k o n d e r w i j s is het
resultaat van de c u l t u u r s p r e i d i n g uit de jaren '50 en '60. Tot 1 augustus 1968
w e r d e n deze instellingen o p g r o n d van diverse regelingen gesubsidieerd
door het Rijk en d o o r gemeentelijke en provinciale o v e r h e d e n . Daarna is het
gehele k u n s t o n d e r w i j s onder de w e r k i n g van de Wet op het voortgezet o n derwijs gebracht.
Het feitelijke aantal van 2916 muziekvakleerlingen per 15 januari 1969
groeide uit tot 5261 muziekvakstudenten per 15 september 1980. Zie ook tabel D van de bijlage bij deze beleidsnota. Bovendie n w a r e n er op deze laatste
d a t u m zo'n 1100 leerlingen in de v o o r o p l e i d i n g . Er zijn geen voortekene n die
erop wijzen dat deze aantallen studenten van v a k o p l e i d i n g en v o o r o p l e i d i n g
in de naaste t o e k o m s t weer zullen a f n e m e n .
De o m v a n g van de bekostiging van het m u z i e k v a k o n d e r w i j s is sterk toegen o m e n . Een indicatie v o o r de gestaag g r o e i e n d e o m v a n g v o r m e n de bedragen die de a f g e l o p e n jaren v o o r de bekostiging van het muziekvakonderwij s
zijn uitgetrokken. Bij wijze van v o o r b e e l d : o p de o n d e r w i j s b e g r o t i n g e n van
de dienstjaren 1969, 1977 en 1981 w e r d e n v o o r de personele en materile
lasten van het muziekvakonderwijs respectievelijk de v o l g e n d e bedragen
o p g e v o e r d (in m i n . gld.):
1969: 18,6 (geschat aantal studenten: 2600);
1977: 61,0 (geschat aantal studenten: 4600);
1981: 76,8 igeschat aantal studenten: 5700).

De o n d e r w i j s k u n d i g e inrichting van het muziekvakonderwij s is geregeld


bij circulaire van 21 juli 1978, kenmerk HW/HB/KUO/178/015, inzake toetsingscriteria v o o r leerplannen van scholen/cursussen v o o r muziekvakonderwijs en t h e a t e r o n d e r w i j s . Het merendeel van de instrumental e en vocale lessen w o r d t o p individuel e basis gegeven . De leerplancirculaire behelst een
flexibele o r d e n i n g van het o n d e r w i j s a a n b o d en geeft r u i m e armslag aan de
scholen o m - met een marginale toetsing van o v e r h e i d s w e g e - de dagelijkse praktijk van het muziekvakonderwijs naar eigen inzicht in te richten.
De conclusie ligt v o o r de hand dat de bestaande situatie een g r o o t risico in
zich draagt van v e r s n i p p e r i n g van mankracht en talent: een relatief klein
aantal muziekvakstudenten en docenten is verdeeld over 15 instellingen en
vaak talrijke studiedifferentiaties per instelling. De conservatoria en muziekpedagogische academies kunnen namelijk alleen al v o o r een dertigtal verschillende m u z i e k i n s t r u m e n t e n studiegelegenheid bieden. Dit risico van ver-

Tweede K a m e r z i t t i n g 1981, 16957, nr. 1 en 2

snippering van muzikaal talent klemt vooral voor de opleiding tot uitvoerend
musicus, te meer daar het repertoire in de concertpraktijk steeds omvangrijker wordt en de kwaliteitseisen zwaarder worden. Daarmee wordt het voor
de conservatoria voortdurend moeilijker om te voldoen aan de vraag uit de
praktijk naar veelzijdige scholing van de toekomstige uitvoerend musicus op
het gebied van het orkest- en ensemblespel.
Het is dan ook de vraag of in de huidige situatie zonder nadere beleidsmaatregelen de instellingen voor muziekvakonderwijs in staat kunnen worden geacht een optimaal antwoord te geven op de individuele en maatschappelijke vraag naar hogere muziekopleiding.
Het is de bedoeling van deze beleidsnota de wegen aan te geven waarlangs de instituten gezamenlijk op de gewenste ontwikkelingen zo goed mogelijk kunnen inspelen. Mijn beleid is erop gericht om een bijpassende stuctuur van de conservatoria en muziekpedagogische academies tot stand te
brengen.
Het is van belang dat het muziekvakonderwijs voldoet aan zijn primaire
onderwijskundige doelstelling en dat er daarnaast - mede getoetst aan
maatstaven van doelmatigheid - plaats is voor vernieuwing van muziekvakonderwijs en muziekpraktijk. Een sleutelpositie in deze nieuwe structuur
wordt toegedacht aan enkele centres of excellence, die onmisbaar zijn
voor de handhaving van een hoog peil van muziekcultuur.
Het wel zeer grote aantal van 10 conservatoria in Nederland dwingt tot
herstructurering van de opleiding tot uitvoerend musicus, om op enkele
plaatsen in het land gedurende de studiefase die op het orkest- en ensemble-spel is toegespitst, voldoende studenten bijeen te krijgen voor een optimaal te bereiken kwaliteit van het onderwijs. Maar ook voor een efficinte
ontwikkeling van activiteiten op het gebied van onderzoek en nieuwe studiedifferentiaties is concentratie onvermijdelijk. De aangewezen oplossing bij
het beleidstreven naar een evenwichtig en hoogwaardig aanbod aan kunstonderwijs op het terrein van de muziek, acht ik de ontwikkeling en verwezenlijking van zwaartepunten.
Par. 2.

Zwaartepunten

Onder zwaartepunten in het muziekvakonderwijs versta ik centra van kwalitatief hoogwaardige activiteiten op enkele specialistische terreinen, welke
centra slechts bij n of hooguit enkele conservatoria zullen worden gelokaliseerd. Het zwaartepuntenbeleid is gericht op kwalitatieve verbetering van
het muziekvakonderwijs door landelijke taakverdeling en schaalvergroting
van het bestaande landelijke aanbod aan initile muziekvakstudies en door
concentratie van tot nu toe niet als zodanig bestaande vervolgstudies en onderzoeksactiviteiten.
Als voorbeeld van de hier bedoelde specifieke activiteiten kan een specialistische vervolgopleiding van uitvoerende musici worden genoemd. Maar
het kunnen ook andere activiteiten zijn die uitzonderlijk hoge personele of
materile kosten met zich meebrengen in verhouding tot het aantal studenten dat aan deze activiteiten kan deelnemen. Bij voorbeeld de muziekdramatische opleiding en de opleiding compositie van elektronische muziek. Ten
slotte kan men denken aan onderwijs- en onderzoeksactiviteiten die een zeer
specifieke professionele deskundigheid vereisen, bij voorbeeld het onderzoek naar de authentieke uitvoeringspraktijk van bepaalde stijlperioden.
Zoals reeds opgemerkt dient een duidelijk beleidskader voor het tot stand
brengen van de gewenste zwaartepunten te worden geboden. Deze beleidsnotitie wil dit kader bieden. Het behoeft geen toelichting dat de gewenste
ontwikkelingen daarbij zoveel mogelijk worden bezien in het perspectief van
de komende Wet op het hoger beroepsonderwijs. Bij de nadere uitwerking
van deze wet in het HBO-Statuut zullen ook de in de HBO-Raad vertegenwoordige instellingen voor muziekvakonderwijs nauw worden betrokken, ten einde de aansluiting tussen de structurele maatregelen en de dagelijkse onderwijspraktijk zo goed mogelijk te verzekeren.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

Hoofdstuk 2. Opleiding tot uitvoerend musicus


Par. 7. Beleidsvoorstellen

voor de instrumentale

opleiding

Hoe is thans, in het kort, de stand van zaken met betrekking tot de beroepssituatie van de professionele musicus in het concertleven en het muziekonderwijs?
De praktijk van het muziekleven is zeer gevarieerd. Daarenboven is er een
gestage ontwikkeling in de richting van een steeds veelzijdiger muziekaanbod. Mede daarom wordt thans in tal van (al dan niet volledig gesubsidieerde) muziekinstellingen aandacht gegeven aan muziek van alle tijden, vanaf
de middeleeuwse muziek, muziek uit renaissance en barok, het romantisch
repertoire en de hedendaagse muziek tot aan de gemproviseerde muziek
toe. Er wordt in de concertpraktijk door de orkesten stelselmatig gewerkt aan
taakverbreding met een muziekaanbod dat meer omvat dan het uitvoeren
van werken in de volledige bezetting van het symfonieorkest en zich ook tot
onder meer de vertolking van werken in kleinere orkestbezettingen en ensembles uitstrekt. Daarnaast groeit het aantal zelfstandige ensembles en
kleine groepen met een repertoirekeuze die vooral de perioden van vr
1750 en na 1950 bestrijkt. Daarmee gaat gepaard een voortdurend zwaarder
beroep op de veelzijdige bekwaamheid van de uitvoerend musicus.
Op alle terreinen van het concertleven klinkt daarnaast constant de roep
om verdere kwaliteitsverbetering, doordat het publiek steeds meer verwend
raakt door de radio en vooral de grammofoonplaten. Voor de symfonie-orkesten komt daarbij nog het algemeen Westeuropese probleem van het nijpend tekort aan goede orkestmusici in de strijkersgroepen, vooral bij de violisten.
De beschrijving van het muzikale werkterrein is zeker onvolledig zonder
ten slotte nog de grote en toenemende hoeveelheid free-lance arbeid te vermelden bij grammofoonplatenopnamen voor lichte muziek, commercile
advertentie jingles, achtergrondmuziek voor film, televisie en toneel,
amusementsmuziek en zo meer.
Wil men bij dit alles zijn partij kunnen meeblazen dan vereist dit musici
die zijn opgeleid tot veelzijdige instrumentalisten, met een brede scholing in
de daadwerkelijke beoefening van allerlei vormen van orkest- en ensemblespel.
Uit de beschikbare gegevens over de spreiding van de verschillende categorien muziekvakstudenten en de muziekinstrumenten die zij bespelen,
blijkt nu dat het voor vele conservatoria bij de opleiding van uitvoerende
musici moeilijk is om te voldoen aan de minimumeisen die in de leerplancirculaire van 21 juli 1978 werden gesteld aan de opzet van de opleiding tot uitvoerend musicus. Dat geldt in het bijzonder voor de praktische oefening in
orkest en ensemblespel. Volgens de aantallen studenten in de tabellen A 1 ,
A2, A3 en A4 van de bijlage bij deze beleidsnotitie kunnen slechts vier conservatoria met hun studenten een (klein) symfonie-orkest bemannen. De
desbetreffende eisen werden in de circulaire als volgt geformuleerd:
Het leerplan van de afdeling uitvoerend musicus geeft aan welke vormen
van ensemblespel moeten worden beoefend. Voor de bespeler van orkestinstrumenten geeft het leerplan daarbij aan hoeveel orkestpracticum binnen
de eigen school kan worden gegarandeerd en welke mogelijkheden tot stage er zijn. In dat geval geeft het leerplan aan in hoeverre een stage wordt
aangemerkt als orkestpracticum. Daarbij dient het leerplan de orkesten en
ensembles aan te wijzen waar deze stage kan plaatsvinden en dienen waarborgen aanwezig te zijn dat de werksituatie van de student tijdens de stage
zo is, dat deze stage dienstbaar is aan de opleiding tot het beroep en aan de
overgang van opleiding naar beroepspraktijk. Tijdens de stage blijft de student deelnemen aan het onderwijs, onder meer door het deelnemen aan de
in het leerplan voor hem geprogrammeerde lessen.
Toch zijn de eisen die in de leerplancirculaire worden gesteld nog maar de
minimumeisen. Een conservatorium, dat zich tot taak heeft gesteld een opleiding tot uitvoerend musicus te verzorgen, moet idealiter over een zodanig

Tweede Kamer, zitting 1981, 16 957, nr. 1 en 2

studentenbestand kunnen beschikken, dat er onder meer verschillende orkesten kunnen worden samengesteld: een orkest voor het symfonische repertoire, een orkest voor het muziek-dramatische repertoire, een kleiner orkest voor begeleidingstaken, een bigband voor de lichte muziek en een harmonie-orkest. Deze orkesten kunnen tevens dienen als orkesten voor praktijkoefening van directie-leerlingen en zouden halfjaarlijks of jaarlijks de verschillende taken bij toerbeurt moeten vervullen. Alleen een studentenbestand van een dergelijke omvang en samenstelling biedt daarnaast de evenzeer gewenste mogelijkheden voor het inrichten van een kamerorkest, kleinere ensembles voor kamermuziek en een ensemble voor het beoefenen
van het 20e-eeuwse repertoire, voorzover dit niet voor de gebruikelijke 19eeeuwse bezetting van een symfonie-orkest is gecomponeerd.
Een dergelijke omvang van het conservatoriaal muziekvakonderwijs is
slechts aan enkele conservatoria te verwezenlijken, zoals blijkt uit de bijlage
met kwantitatieve gegevens over de spreiding van de voor een orkest of ensemble benodigde instrumentalisten over de verschillende conservatoria.
Hier zit de kern van het probleem: de versnippering van het muzikaal talent en de spreiding over de verschillende conservatoria van de studenten
met de muzikale kwaliteiten die voor het volgen van de opleiding tot uitvoerend musicus nodig zijn. In feite klemt de organisatie van een soepel functionerend orkest- en ensemblepracticum aan de meeste conservatoria nog
veel meer, omdat in deze kwantitatieve gegevens alle bespelers van de instrumenten uit de meest gangbare bezettingen voor orkest- en ensemblespel zijn meegerekend.
De tabellen omvatten zowel de conservatoriumstudenten die voor uitvoerend musicus studeren, als zij die uitsluitend de docentenopleiding volgen,
zomede de jongerejaars conservatoriumstudenten die nog geen definitieve
studiekeus hebben gemaakt. Bovendien zijn van deze categorien alle studenten meegeteld die op de bewuste peildata aan de betrokken conservatoria stonden ingeschreven, ongeacht hun spelniveau en mate van gevorderdheid in de muziekvakstudie.
Het volgens de leerplancirculaire vereiste orkest- en ensemblepracticum
kan echter eerst recht aan de onderwijskundige doelstelling van beoefening
van velerlei vormen van samenspel voldoen, wanneer de diverse groepen
qua spelpeil van de diverse instrumentalisten een homogene samenstelling
hebben. Zeker wanneer het de orkest- en ensembletraining van aankomende uitvoerende musici betreft, is een grote mate van homogeniteit qua spelniveau onderwijskundig een strikte noodzaak voor gestage vooruitgang en
verbetering van de studieresultaten.
De versnippering van het muzikaal talent voor de opleiding tot uitvoerend
musicus gaat dus ten koste van een doeltreffende voorbereiding van de aankomende uitvoerende musicus op een brede professionele inzetbaarheid.
De beroepspraktijk eist van de uitvoerend musicus een steeds veelzijdiger
bekwaamheid in het orkest- en ensemblespel en waar de kwantitatieve gegevens over het studentenbestand duidelijk op het risico wijzen dat de conservatoria in hun primaire taak op dit punt gaan tekortschieten, is een herziening van het conservatoriale bestel alleen om die reden al geboden.
Een herstructurering van de opleiding tot uitvoerend musicus ter verbetering van het orkest- en ensemblepracticum en om de nadelige gevolgen van
de versnippering van muzikaal talent te beperken, kan echter niet los worden
gezien van nader aan te geven andere onderwijskundige aspecten van de
muziekvakstudie. Ook moeten beleidsbepalende factoren die in het inleidende hoofdstuk van deze beleidsnotitie reeds werden aangestipt, daarbij worden betrokken.
Tot die andere aspecten van de muziekvakstudie behoort de relatief lange
studieduur: de cursusduur voor de opleiding tot uitvoerend musicus bed raagt zes jaar en voor de docentenopleiding vijfjaar; als inschrijvingsduur
wordt zeven, respectievelijk zes jaar aangehouden en in geval van gecombineerde studie komt daar nog een jaar bij. Daarnaast is in verband met herstructurering van de opleiding tot uitvoerend musicus van belang dat de eer-

Tweede Kamer, zitting 1981, 16 957, nr. 1 en 2

ste vier jaren van alle instrumentale muziekvakstudie in hoofdzaak op de individuele ontwikkeling van de instrumentale vaardigheid zijn gericht. De beoefening van het orkest- en ensemblespel krijgt pas met het vorderen van de
technische beheersing van het muziekinstrument een grotere plaats in de
opleiding van de muziekvakstudent en is dan in het studieprogramma van
de toekomstige uitvoerend musicus van essentiler betekenis dan voor de
aankomende muziekdocent. Tot die beleidsbepalende factoren behoort de
noodzaak om aan de sterk gegroeide vraag van aspirant-conservatoriumstudenten naar muziekvakonderwijs te voldoen (een toegenomen onderwijsvraag die uit cultureel oogpunt overigens alleen maar van harte kan worden
toegejuicht). Een andere beleidsbepalende factor bij de herstructurering van
het muziekonderwijs is de noodzaak om ook in deze sector van het hoger
beroepsonderwijs rekening te houden met de beperktheid der middelen.
De toegenomen onderwijsvraag, de groeiende vraag naar veelzijdige instrumentalisten en de beperkte financile middelen, moeten worden gezien
in relatie tot de versnippering van talent, de lange cursusduur en de herkenbare fasering in individuele en in collectieve studie. Deze confrontatie zal
dan onontkoombaar tot een voor de hand liggende herstructurering van de
opleiding tot uitvoerend musicus en de andere opleidingen in het muziekvak
onderwijs moeten leiden. Voor de opleiding tot uitvoerend musicus komt
deze herstructurering neer op een splitsing in een initile studie en een vervolgstudie. De initile studie is grotendeels individueel instrumentaal onderwijs en heeft een cursusduur van vier jaar; de studerenden mogen daar ten
hoogste zes jaar over doen. De initile opleiding tot uitvoerend musicus blijft
verbonden aan de bestaande tien conservatoria. Voor de abiturinten van de
initile opleiding tot uitvoerend musicus komt echter op enkele plaatsen in
het land de mogelijkheid om zich in een tweejarige vervolgstudie te specialiseren in de praktische beoefening van velerlei vormen van orkest- en ensemblespel: de zwaartepunten voor de opleiding tot uitvoerend musicus.
Voor deze vervolgstudie is een gelimiteerd aantal plaatsen beschikbaar. Het
aantal toelatingsplaatsen zal worden afgestemd op de hierboven als ideaal
geschetste opbouw van het studentenbestand van een groot conservatorium. Voorts is het mijn bedoeling dat de betrokken conservatoria de capaciteiten van de gegadigden voor dit vervolg-h.b.o. toetsen naar kwaliteitsnormen die op landelijk niveau liggen en in relatie tot de professionele muziekpraktijk staan.
Het spreekt vanzelf dat deze herstructurering ten nauwste samenhangt
met de toekomstige Wet op het hoger beroepsonderwijs en het HBO-Statuut
alsmede met het totale beleid voor het hoger onderwijs.
De Wet op het hoger beroepsonderwijs vormt de juridische basis voor de
herstructurering van het muziekvakonderwijs, welke herstructurering evenals de twee-fasenstructuur van het wetenschappelijk onderwijs - een
herstructurering beoogt van het onderwijs. De nieuwe structuur omvat een
initile algemene studie welke voor velen toegankelijk is, en een vervolgstudie voor een gelimiteerd aantal studenten en met een opleidingsdoel dat
niet reeds in de eerste fase kan worden gerealiseerd. Afstemming van het
onderwijs op de arbeidsmarkt en voorkomen van versnippering zijn beleidsdoelstellingen die niet alleen gelden voor de tweede fase in het wetenschappelijk onderwijs maar die evenzeer van betekenis zijn voor vervolgstudie en
onderzoeksactiviteiten in het muziekvakonderwijs. Zoals reeds in het inleidende hoofdstuk van deze beleidsnotitie werd geformuleerd, is het zwaartepuntenbeleid voor het muziekvakonderwijs gericht op verbetering van de
onderwijskwaliteit door landelijke taakverdeling en schaalvergroting van het
bestaande landelijke aanbod aan initile muziekvakstudies en door concentratie van tot nu toe nog niet als zodanig bestaande vervolgstudies en onderzoeksactiviteiten.
Bij de ontwikkeling van een zwaartepuntenbeleid voor de opleiding tot uitvoerend musicus gaat mijn voorkeur uit naar de vorming van enkele grote

Tweede Kamerzitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

onderwijsconcentraties ten einde het bovengenoemde te kunnen waarmaken. Aan ten hoogste vier conservatoria wordt deze bovenregionale taak
toegedacht. In deze gedachte zou er in Nederland plaats kunnen zijn voor
twee van deze grote conservatoria in de randstad, te weten Amsterdam en
Den Haag, een groot conservatorium in het noorden of oosten van het land
en een groot conservatorium in het zuiden van het land. De andere conservatoria blijven de initile instrumentale opleiding tot uitvoerend musicus
verzorgen en behouden daarmee het hart van het actieve muziekleven binnen ieder conservatorium.
Reeds bij een andere gelegenheid onderschreef ik voor het kunstonderwijs de onderwijskundige noodzaak tot behoud van structurele eenheid van
de opleiding tot uitvoerend of beeldend kunstenaar en de opleiding tot docent.
Doordat de huidige spreiding van de initile instrumentale opleidingen
over de tien conservatoria in Nederland blijft gehandhaafd, wordt de gewenste eenheid van opleidingen zo goed mogelijk gediend. Deze eenheid binnen
ieder conservatorium zal zich onder meer uiten in onderwijskundige mogelijkheden tot wederzijdse doorstroming van studenten en tot het gezamenlijk
organiseren van incidentele projecten op het gebied van orkest- en ensenv
blespel. Waar musici regelmatig bijeenkomen, wordt immers bijna per definitie ook geregeld samen gemusiceerd. Onderwijskundig behoeven de beroepsgerichtheid en het niveau van het samenspel in deze situatie echter
niet aan dezelfde normen te voldoen als het orkest- en ensemblepracticum
in de vervolgstudie tot uitvoerend musicus.
In dit verband kan over de beroepsmogelijkheden van de betrokken studenten het volgende worden opgemerkt. De abiturinten van de initile opleiding tot uitvoerend musicus die niet voor de vervolgstudie opteren of in
aanmerking komen, zullen zich naar alle waarschijnlijkheid voegen bij de
omvangrijke groep musici die tegelijkertijd op twee onderdelen van de arbeidsmarkt werkzaam plegen te zijn. Zij nemen incidenteel als invaller in een
professioneel orkest of op permanente basis in een semi-professioneel kamerorkest of ensemble actief deel aan het muziekleven op het gebied van de
klassieke of lichte muziek. Daarnaast (of daarna) zijn zij veelal ook als docent
werkzaam op muziekscholen. Het is de aanzienlijke groep gegadigden voor
deze gecombineerde beroepsuitoefening, die tijdens hun muziekvakstudie
met een initile opleiding tot uitvoerend musicus of tot docent of met een
combinatie van deze initile opleidingen zullen volstaan.
Ten slotte zij er in aansluiting op verschillende adviezen over de eerder
door mij uitgebrachte discussienota Zwaartepunten in het Muziekvakonderwijs nog eens op gewezen dat een belangrijk element bij de herstructurering van het muziekvakonderwijs een zo goed mogelijke voorbereiding
van aspirant-muziekvakstudenten op de conservatoriale studie is. Hoofdstuk
4 van deze beleidsnotitie is aan deze problematiek gewijd.
Par. 2. Beleidsvoorstellen voor de vocale en de muziek-dramatische
gen

opleidin-

Naast de instrumentale opleiding tot uitvoerend musicus verdienen de vocale en de muziek-dramatische opleidingen afzonderlijke aandacht.
In de hierboven voorgestelde herstructurering van de opleiding tot uitvoerend musicus is geen expliciete uitzondering gemaakt voor de akkoordinstrumenten, blokfluit, saxofoon en solozang (niet behorend tot de gebruikelijke
bezetting van het symfonie-orkest). Blijkens verschillende reacties op de discussienota vormen deze onderdelen van de opleiding tot uitvoerend musicus weliswaar geen integraal onderdeel van het orkest- en ensemblepracticum, maar zijn zij daarmee wel zozeer verweven, dat een afwijkende opleidingsstructuur de noodzakelijke consistentie van alle onderdelen van de opleiding tot uitvoerend musicus onnodig zou verzwakken. Daarom is het de
bedoeling dat ook voor de akkoordinstrumenten, blokfluit, saxofoon en solo-

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

zang de opleiding tot uitvoerend musicus in een initile studie en in een vervolgstudie wordt gesplitst, waarbij de vervolgstudie deel uitmaakt van de
zwaartepunten voor de typische orkestinstrumenten. Toch dient de vocale
opleiding daarbij nog eens afzonderlijk te worden genoemd, omdat het in een
vervolgstudie niet zozeer om de vorming van homogene vocale ensembles
gaat als wel om de specialisatie in een bepaald gedeelte van het vocale repertoire. Ook voor dit onderdeel van de opleiding tot uitvoerend musicus zal
overigens de voorgestelde herstructurering in het kader van de toekomstige
Wet op het hoger beroepsonderwijs en het HBO-Statuut met zo groot mogelijke consistentie nadere uitwerking moeten krijgen. De tabellen B1, B2, B3
en B4 bij deze beleidsnota geven enige indruk om welke aantallen studenten
het gaat en hoe deze momenteel over de verschillende conservatoria zijn gespreid.
Bij de muziek-dramatische opleiding gaat het om de studenten die zich
voorbereiden op een loopbaan in de muziek-dramatische uitvoeringspraktijk
d.i. een combinatie van zingen en acteren in de ruimste zin. Dat vereist niet
alleen een grondige zangstudie - stemvorming en kennis van het operarepertoire - maar ook beroepsgerichte lessen in onder meer Duits en Italiaans en
in theatervaardigheden op het gebied van toneelspel, dictie, beweging,
dans, grime en costumering.
De muziek-dramatische opleidingen zijn in Nederland momenteel verbonden aan de conservatoria van Amsterdam, Den Haag en Maastricht. Zij zijn
de meest arbeidsintensieve sectoren van het muziekvakonderwijs en leggen
daarom een aanzienlijk beslag op de totale hoeveelheid tijdeenheden die
voor het betrokken conservatorium beschikbaar is. Ik laat de mogelijkheid
nagaan, of een specifieke bekostigingsformule op deze opleidingen kan worden toegepast.
Ook in deze sector van het muziekvakonderwijs is het risico van versnippering van talent duidelijk aanwezig. De opleiding aan het conservatorium in
Maastricht heeft in de afgelopen jaren haar bestaansrecht ten volle bewezen,
in een regio waar een grote vraag bestaat naar beroepsonderwijs in deze
sector van de zangkunst. Daarnaast is het echter gewenst, nu de bouw van
een speciaal muziektheater te Amsterdam in zicht lijkt te komen, ook de positie van de muziek-dramatische opleidingen in het westen van het land te versterken. Er zal zeer zorgvuldig moeten worden bezien hoe de muziek-dramatische opleidingen van de randstad de reeds incidenteel bestaande samenwerking bij gezamenlijke projecten stelselmatig kunnen uitbreiden om de
beschikbare faciliteiten zo goed mogelijk te benutten voor de gewenste ontwikkeling van het op beide opleidingen voorhanden zijnde vocale potentieel.
Hoofdstuk 3. Nieuwe studiedifferentiaties
Het zwaartepuntenbeleid als streven naar optimaal benutten van beperkte
middelen impliceert een herverdeling van taken. Deze beperkt zich niet tot
concentratie van specialistische activiteiten op het gebied van de instrumentale en vocale vervolgopleidingen tot uitvoerend musicus aan enkele conservatoria. Het komt tevens neer op een grotere differentiatie in het takenpakket van alle conservatoria en muziek-pedagogische academies waar het
de initile opleidingen betreft.
Er zijn nog diverse waardevolle activiteiten denkbaar in het muziekvakonderwijs, die nauwelijks of nog helemaal niet zijn genitieerd, doch die alleszins verdienen om aan n, hooguit twee instituten voor muziekvakonderwijs te worden ontwikkeld.
Ik verwacht dat er vanuit het muziekvakonderwijs in het kader van de toekomstige Wet op het hoger beroepsonderwijs en het HBO-Statuut in de
naaste toekomst zeker nieuwe ideen zullen worden aangedragen voortaakverbreding en nieuwe studiedifferentiaties die in relatie staan tot (gebleken)
behoeften in de samenleving en wensen van de studerenden. In de huidige
situatie geldt terecht dat niet alleen de toekomstige uitvoerend musicus,
maar ook de toekomstige docent die zanglessen of instrumentale lessen aan
de muziekschool gaat geven, allereerst een bespeler van een instrument of
een zanger(es) moet zijn.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

10

Dat geldt evenzeer voor de leraren met een onderwijsakte Schoolmuziek


of Algemene Muzikale Vorming (AMV), die bevoegd zijn voor het geven van
het vak muziek in het eerste- of tweedegraads gebied van het voortgezet onderwijs. (Juist vanwege de principile eis dat de ontwikkeling van de muzikale speelvaardigheid van de toekomstige leraar Schoolmuziek of AMV tijdens de opleiding voorop moet staan, zijn deze lerarenopleidingen in het
muziekvakonderwijs gesitueerd en daarmee onlosmakelijk verbonden.) Bij
de ontwikkeling van onderwijsprogrmma's voor eventuele nieuwe studiedifferentiaties zal de plaats van de instrumentale of vocale vaardigheid in die
programma's per geval moeten worden bezien.
Uieraard kan het niveau waarop de instrumentale of vocale vaardigheid
moet worden ontwikkeld voor de verschillende studiedifferentiaties in het
muziekvakonderwijs in de toekomst nog sterker uiteenlopen dan thans
reeds het geval is. Voorop staat het doel om ook deze vorm van hoger onderwijs toegankelijk te laten zijn voor zoveel mogelijk studenten die hiertoe gekwalificeerd zijn: hoger onderwijs voor velen. Deze doelstelling mag niet belemmeren dat studenten met uitzonderlijk muzikaal talent optimaal tot hun
recht komen, integendeel: zowel het een als het ander dient mogelijk te zijn.
Daarnaast moeten er naar de mate van begaafdheid en ambities van verschillende categorien studenten differentiaties op het gebied van de muziek mogelijk zijn. Ook wanneer in de toekomst nieuwe studiedifferentiaties
tot ontwikkeling komen, blijft het belangrijk dat de studenten zelf praktische
muzikale vaardigheden ontwikkelen, willen zij zich kwalificeren voor beroepsuitoefening op het brede terrein van de muziek.
Het eindniveau is afhankelijk van de geambieerde functies of beroepen.
Voor een indicatie van nieuwe studiedifferentiaties die denkbaar zijn volsta ik met een beknopte opsomming.
a. Het lijkt me een goede zaak als de instituten voor muziekvakonderwijs
tot samenwerking komen met scholen voor kunstonderwijs op het gebied
van het theater om de mogelijkheden van nieuwe studiedifferentiaties te exploreren. Zowel vanuit de toneelpraktijk als vanuit de sector der gemproviseerde muziek zijn de laatste jaren nieuwe vormen van muziektheater ontwikkeld die hiervoor gerede aanknopingspunten lijken te vormen.
b. Ook samenwerking met universitaire instituten voor musicologie, sonologie, kunsthistorie, theaterwetenschappen enz. ligt voor de hand. Gedacht kan worden aan onderzoek van de mogelijkheid om binnen de opleidingen schoolmuziek en algemene muzikale vorming te komen tot een nevenspecialisatie in de ortho-pedagogische kant van de muziekbeoefening. In
dit verband kan ook aan muziektherapie worden gedacht. Een ander voorbeeld is de volksmuziek die vooral in het kader van de lerarenopleidingen
een rijke bron voor studiedifferentiaties kan zijn. In het kader van deze samenwerking tussen hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs
is het voorts van belang de mogelijkheden te onderzoeken dat een conservatoriumstudent op het gebied van zijn/haar studie in een universitair vak tentarnen kan afleggen en vice versa.
c. Ook ten aanzien van de culturele minderheden in Nederland heeft het
muziekvakonderwijs een taak te vervullen. Het groeiende aantal buitenlandse werknemers en hun gezinnen, personen afkomstig uit Suriname en de
Nederlandse Antillen, Molukkers en buitenlandse vluchtelingen, de aanwezigheid van hen allen moet (vooral voor conservatoria in regio's waar veel
van deze etnische minderheden wonen) een uitdaging zijn om meer te werken aan voorzieningen tot behoud van het cultuureigene van deze groepen.
Daarbij denk ik aan de opleiding van muziekleraren die kennis hebben van
de specifieke instrumentatie en muziekbeleving, de muzikale cultuur van deze bevolkingsgroepen. Met behulp van gastdocenten aan de lerarenopleidingen van het muziekvakonderwijs en met een goede behoeftepeiling
kan het muziekvakonderwijs het nodige kader opleiden dat in het muziekschoolwezen de beoefening van niet-westerse muziek kan begeleiden.
d. Voorts lijken op korte termijn nieuwe studiedifferentiaties denkbaar
voor de opleiding tot muziekgerichte functies bij de publiciteitsmedia. Het kan

Tweede Kamer, zitting 1981, 16 957, nr. 1 en 2

11

ook gaan o m organisatorische functies in het muziekleven, die een achterg r o n d van praktische muzikale vaardighei d vragen. Ik denk daarbij o m
slechts enkele voorbeelde n te n o e m e n o.a. aan de beroepen van muziekjournalist, muziekpresentator, impressario, organisator van culturele even e m e n t e n en zakelijk leider van muziekinstellingen.
e. De lichte muziek, die pas onlang s toegang tot de muziekvakinstitute n
heeft gekregen, zal waarschijnlijk eveneens vragen o m aparte differentiaties,
zoals het vak arrangeren. In dit v e r b a nd zij o p g e m e r k t dat ik er v o o r s h a n ds
geen voorstander van ben o m ook zwaartepunten te scheppen v o o r de totaliteit van de lichte muziek of v o o r de gemproviseerde muziek. Het lijkt mij
beter o m deze v o r m e n van muziek, die voor de daarin genteresseerde stud e n t e n inpasbaar zijn in hun reguliere studie, niet landelijk te centraliseren.
Centralisatie zou in dit geval een b e l e m m e r i n g kunnen betekenen voor de
d o c e n t e n o p l e i d i n g e n o m hun studenten te b e k w a m e n in juist die muziek die
in het onderwijs op de muziekscholen van groeiende betekenis is.
Natuurlijk zal er enige tijd overheen gaan eer deze ideen d o o r de muziekvakinstituten v o l d o e n d e zijn uitgewerkt o m in het o n d e r w i j s a a n b o d te w o r den geoperationaliseerd. Ik sta gaarne open voor g e f u n d e e r d e voorstellen
van scholen die opteren v o o r de v o o r b e r e i d i n g van een n i e u w e studiedifferentiatie. Deze voorstellen zullen w o r d e n behandeld in het kader van de ontw i k k e l i n g van het hoger b e r o e p s o n d e r w i j s c.q. de b e v o r d e r i n g van de sam e n w e r k i n g tussen het hoger beroepsonderwij s en het wetenschappelijk
onderwijs.
Hoofdstuk 4. De voorbereiding op het muziekvakonderwijs
Zoals reeds in hoofdstuk 2 is a a n g e d u i d , hangen de o n d e r w i j s k u n d i g e inrichting en de relatief lange studieduur van het muziekvakonderwij s ten
nauwste samen met de v o o r b e r e i d i n g van de aspirant-studenten op het m u ziekvakonderwijs. Ik v e r w i j s in dit verband naar de doelstelling van het hoger b e r o e p s o n d e r w i j s . Artikel 2 van het o n t w e r p van Wet op het hoger
b e r o e p s o n d e r w i j s bevat daarover de volgende b e p a l i n g :
Hoger beroepsonderwij s o m v a t , v o o r t b o u w e n d o p de hogere v o r m e n
van het voortgezet o n d e r w i j s , de theoretische en praktische v o o r b e r e i d i n g
tot het bekleden van maatschappelijke betrekkingen en t o t het zelfstandig
uitoefenen van een beroep, w a a r v o o r een hogere b e r o e p s o p l e i d i n g vereist
is of dienstig kan zijn, bevordert v o o r t s de persoonlijke o n t p l o o i i n g en het
maatschappelijk functioneren en draagt bij aan de o n t w i k k e l i n g van de beroepen waartoe het opleidt. Hoger beroepsonderwijs o m v a t m e d e v e r v o l g hoger beroepsonderwij s en post-hoger beroepsonderwijs. O m inderdaad
d o e l m a t i g op de hogere v o r m e n van het voortgezet o n d e r w i j s te kunnen
v o o r t b o u w e n , dient de beleidsontwikkeling v o o r het muziekvakonderwijs
zich ook uit te strekken tot aandacht v o o r het vak muziek in het voortgezet
o n d e r w i j s . Het gaat daarbij o m de vraag hoe het vak muziek in de scholen
niet alleen de algemene muzikale v o r m i n g behelst, maar ook de leerlingen
met aspiraties voor een latere instrumentale of vocale muziekvakstudie
reeds in een vroe g stadium van hun schooltijd zo goed mogelijk van nut kan
zijn.
O m toelaatbaar te zijn tot een muziekvakstudie m o e t de aspirant-muziekvakstudent beschikken over muzikale aanleg en een dosis praktische muzikale vaardigheid . Het zal duidelijk zijn dat naarmate de a m b i t i e s voor de latere beroepsuitoefenin g hoger liggen, ook zwaardere eisen moeten w o r d e n
gesteld aan de muzikale aanleg en aan de muziekopleiding die aan de conservatoriale studie moet zijn voorafgegaan . In tegenstelling tot andere sect o r e n van het hoger beroepsonderwij s kan muziekvakonderwij s daarbij in de
regel moet v o o r t b o u w e n op eerder genoten o n d e r w i j s in het kader van v.w.o
h.a.v.o./m.a.v.o. Deze categorie scholen voor voortgezet o n d e r w i j s kent namelijk alleen de algemene muzikale v o r m i n g en verzorgt niet de i n s t r u m e n tale of vocale opleiding die v o o r toelating tot het m u z i e k v a k o n d e r w i j s is vereist.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

12

Veruit de meeste aspirant-muziekvakstudenten doen deze praktische muzikale vaardigheid op door gedurende een aantal jaren naast de school voor
v.w.o./h.a.v.o./m.a.v.o. tevens een muziekschool te volgen.
Op grond van praktijkervaring kan men stellen, dat wie solo-violist(e) of
-pianist(e) wil worden, eigenlijk reeds serieus moet beginnen te studeren op
een leeftijd van 7 of 8 jaar; de bespelers van houten of koperen blaasinstrumenten met beroepsambities mogen niet veel later dan omstreeks hun elfde
jaar beginnen. Zelfs wanneer men geen uitvoerend musicus wil worden en
mikt op de functie van muziekleraar is een vroege start met de muziekstudie
eveneens zeer gewenst. Een landelijke inventarisatie van de verschillende
vormen van voorbereiding op het muziekvakonderwijs levert het volgende
beeld op.
1. Momenteel worden op diverse plaatsen in Nederland op experimentele
basis oplossingen gezocht voor het probleem om kinderen al op jonge leeftijd beroepsgericht muziekonderwijs te geven dat onderwijskundig en praktisch-organisatorisch optimaal harmonieert met hun opleiding in de a.v.o.sector. Allereerst moeten daarbij de twee a.v.o.-scholen worden genoemd
die bestuurlijk en onderwijsorganisatorisch nauw samenwerken met de conservatoria en dansvakopleidingen in Rotterdam en Den Haag; in Rotterdam
is het nog een gemeenschap van scholen, nl. een m.a.v.o.-school, het conservatorium en de dansvakopleiding aldaar; in Den Haag kon al een scholengemeenschap tot stand komen tussen een lagere school met 5e en 6e klas,
een m.a.v.o.-school met h.a.v.o.-top, het conservatorium en de dansvakopleiding ter plaatse. Deze onderwijsvormen bieden hun leerlingen beroepsgericht muziek- en dansonderwijs, dat geheel en al in de a.v.o.-opleiding is
gentegreerd, zonder dat dat tot overbelasting of vroegtijdige beroepsselectie hoeft te leiden. Het is gebleken dat deze scholen zeer geschikt zijn om muzikaal begaafde kinderen en kinderen met aanleg voor ballet reeds in de periode dat ze nog algemeen voortgezet onderwijs volgen, gericht voor te bereiden op een muziekvakstudie of balletopleiding in het kunstonderwijs.
Een veelheid van factoren bepaalt echter de schoolkeuze voor een artistiek
begaafde leerling(e) na het verlaten van een school voor lager onderwijs.
Dat zal voor ieder kind en de betrokken ouders weer anders liggen. Daarom
kan in zijn algemeenheid niet worden gezegd dat de scholen in Den Haag en
Rotterdam voor alle kinderen met aanleg voor muziek of ballet de aangewezen scholen zijn. In Amsterdam en Tilburg worden vormen van samenwerking opgebouwd tussen de dansvakopleidingen en a.v.o-scholen ter plaatse
die, in onderwijskundig opzicht, minder ver gaan dan de integratieprojecten
in Den Haag en Rotterdam.
Bestuurlijk gezien geschieden deze samenwerkingsactiviteiten op basis
van vrijwilligheid en met volledig behoud van zelfstandigheid. De verschillen in opzet impliceren eigen merites voor ieder van beide samenwerkingsvormen. Beide vormen van vooropleiding tot het kunstvakonderwijs hebben
echter het voordeel dat de muzische ontwikkeling van beroepsbegaafde
a.v.o.-leerlingen reeds tijdens de a.v.o.-opleiding van begin af aan een speciale plaats inneemt en daarna een vlottere aansluiting op het vakonderwijs
geeft. De meeste muziek- of balletstudenten die een dergelijke vooropleiding hebben gehad ronden hun eigenlijke vakstudie in kortere tijd af dan de
voorgeschreven cursusduur. Daarom zou het streven erop moeten worden
gericht om - op bescheiden schaal - meer van dergelijke mogelijkheden tot
anticipatie op een vakstudie voor muziek te creren aan enkele grote conservatoria. Daarbij ware het model te volgen dat in Amsterdam en Tilburg
wordt gehanteerd, omdat vrijwillige samenwerking en behoud van zelfstandigheid geen speciale juridische en rechtspositionele constructies vragen en
- wat zeker niet uit het oog mag worden verloren - binnen het voor ieder van
de betrokken schooltypen geldende bekostigingspatroon blijven.
Voorop staat het doel de leerlingen vanaf 12 jaar een gedegen muziek- of
dansscholing te geven, die uitmondt in muziek of dans als zesde eindexamenvak. De verantwoordelijkheid voor het eindexamen blijft uiteraard bij de
a.v.o.-school berusten.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

13

Gezien de eenstemmige reactie op de suggestie in mijn discussienota om


een cordinatiecommissie voor deze experimentele vormen van samenwerking in het leven te roepen, is het mijn voornemen om op korte termijn na
het uitbrengen van deze beleidsnotitie een dergelijke commissie in te stellen. Het is de bedoeling dat deze commissie vooral als onderwijskundig en
bestuurlijk klankbord voor de betrekken scholen gaat fungeren en onder
meer de docenten helpt bij het ontwikkelen, uitvoeren en evalueren van de
leerwegen. Waar de bestaande experimentele voorzieningen nog niet in alle
opzichten hun deugdelijkheid hebben bewezen, acht ik voor deze commissie
ook een evaluerende en adviserende taak bij de eventuele structurele verbetering van deze vorm van voorbereiding op het muziekvakonderwijs weggelegd.
2. Maar ook een andere vorm van samenwerking verdient de aandacht,
namelijk samenwerking tussen a.v.o.-scholen en muziekscholen. Dit is een
van de mogelijkheden van samenwerking tussen secundair onderwijs en
culturele instelling en, waarop de betrokken bewindslieden van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Onderwijs en Wetenschappen een
wederzijdse beleidsafstemming hebben ontwikkeld. Bij deze samenwerking
tussen a.v.o.-scholen en muziekscholen blijft de positie van de muziekscholen ongewijzigd. Zij behouden hun volstrekte onafhankelijkheid ten opzichte
van de scholen voor voortgezet onderwijs en zullen evenmin ook maar in
enige mate inboeten aan betekenis voor de instrumentale en vocale voorbereiding op het muziekvakonderwijs.
Alle muziekvakstudenten hebben immers kortere of langere tijd een muziekschool bezocht en een aanzienlijk deel van hen heeft ook de nodige beroepsgerichte voorbereiding op het muziekvakonderwijs aan een muziekschool ontvangen.
Doel van de samenwerkingprojecten van scholen voor voortgezet onderwijs en muziekscholen is de feitelijke erkenning van deze betekenis op het
gebied van het instrumentale en vocale muziekonderwijs met name in die
scholen die aan de leerlingen de mogelijkheid bieden eindexamen te doen in
het vak muziek. Het gaat vooral om een betere afstemming op elkaar en het
bevorderen van de samenwerking, zodat er een integratie van vorming,
scholing en onderwijs kan plaatsvinden. Het is niet de bedoeling dat de betrokken scholen fuseren. De verantwoordelijkheid voor het eindexamen in
een samenwerkingsproject van een muziekschool en een school voor voortgezet onderwijs blijft uiteraard bij laatstgenoemde school berusten.
3. Voor de volledigheid wijs ik ten slotte op de vooropleiding die als cursus aan de instituten voor muziekvakonderwijs is verbonden en voor een andere leeftijdsgroep is bestemd, namelijk voor de 16- tot 19-jarige aspirantmuziekvakstudenten.
Deze opleiding heeft ten doel de toekomstige muziekvakstudenten de nodige voorbereiding te geven op het muziekvakonderwijs, terwijl ze nog aan
een school voor algemeen voortgezet onderwijs studeren. Veel instituten
voor muziekvakonderwijs werken daartoe op informele basis samen met
scholen voor algemeen voortgezet onderwijs in hun regio. In het schooljaar
1978/1979 volgden bij voorbeeld 273 studenten de conservatoriale vooropleiding gelijktijdig met de laatste jaren van hun h.a.v.o.- of v.w.o.-opleiding.
Maar niet minder dan 735 aspirant-muziekvakstudenten volgden uitsluitend
de conservatoriale vooropleiding en hadden hun voorgaande h.a.v.o.- of
v.w.o.-opleiding al afgerond.
Deze aantallen liggen ongunstig verdeeld, gezien vanuit de onderwijskundige noodzaak om de muzikale training zo tijdig mogelijk te beginnen. Deze
ongunstige situatie kan ten goede worden gekeerd wanneer de instituten
voor muziekvakonderwijs hun informele samenwerking met de v.w.o.- en
h.a.v.o.-scholen intensiveren. Dan wordt ook voor de leerlingen die pas na
verloop van tijd in het voortgezet onderwijs een muziekvakstudie gaan ambiren de kans op vertraagde aansluiting met het muziekvakonderwijs min-

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

14

der. Evenals bij de s a m e n w e r k i n g van a.v.o.-scholen met muziekscholen


gaat het hier o m betere onderlinge a f s t e m m i n g , zodat v o r m i n g , scholing en
o n d e r w i j s kunnen integreren, ledere school behoudt haar eigen v e r a n t w o o r delijkheid en het is niet de bedoeling dat de betrokken scholen fuseren.
Het initiatief tot informel e s a m e n w e r k i n g of tot intensivering van bestaande s a m e n w e r k i n g tussen conservatoriale v o o r o p l e i d i n g e n en de scholen
voor a l g e m e e n voortgezet o n d e r w i j s , w a a r b i j ik vooral denk aan de scholen
die het vak muziek als eindexamenvak kunnen bieden, moet van de betrokken scholen zelf uitgaan en kan in beginsel zonder departemental e b e m o e i enis w o r d e n o n t p l o o i d . Uiteraard m o e t ik echter de restrictie stellen dat de f i nanciering geheel binnen de grenzen van de a u t o n o m e bekostiging moet
blijven.
In ambtelijk overleg tussen de betrokken directies van de Ministeries van
O n d e r w i j s en Wetenschappen en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk
Werk zal w o r d e n bezien hoe de reeds hier en daar bestaande s a m e n w e r k i n g
tussen conservatoria en conservatoriale v o o r o p l e i d i n g e n enerzijds en m u ziekscholen anderzijds, stelselmatig kan w o r d e n uitgebreid en tot o n d e r w i j s kundige en o n d e r w i j s o r g a n i s a t o r i s c h e integratie kan leiden. Tevens zal deze
ambtelijke o v e r l e g g r o e p zich moete n beraden over de vraag hoe de verantw o o r d e l i j k h e i d van het Ministerie van O n d e r w i j s en W e t e n s c h a p p e n v o o r de
v o o r o p l e i d i n g e n gestalte zal m o e t e n krijgen indien de muziekscholen, gedecentraliseerde v o o r z i e n i n g e n, een deel van de conservatoriale v o o r o p l e i ding m e d e v o o r hun rekening gaan n e m e n .
Hoofdstuk 5. Onderzoek
Par. 1. Positie van

onderzoek

Het c o n c e p t - w e t s o n t w e r p Hoger Beroepsonderwij s bevat in artikel 74 een


bepaling over het onderzoek in het k u n s t o n d e r w i j s. Deze luidt: Volgens regelen, te stellen bij algemene maatregel van bestuur, kan Onze ministe r op
een desbetreffende aanvraag gedurende een bepaalde periode een instelling, waaraan nader aan te wijzen studierichtinge n behoren d t o t het hoger
k u n s t o n d e r w i j s zijn v e r b o n d e n , in staat stellen tot het verrichten van onderzoek o p het terrein van de desbetreffende studierichtingen . Deze b e p a l i n g
in het c o n c e p t - w e t s o n t w e r p is v o o r deze discussienota van belang. Reeds
thans zijn aan de conservatoria o p l e i d i n g e n v e r b o n d e n waar het onderzoek
een essentieel onderdeel v o r m t van het o n d e r w i j s .
Als v o o r b e e l d e n van activiteiten in het muziekonderwij s die heel duidelijk
een onderzoeksrarakter d r a g e n , kunnen o.a. de v o l g e n d e activiteiten w o r den g e n o e m d :
- in het kader van de compositielee r w o r d e n de mogelijkheden verder
o n t w i k k e l d van elektronische en elektro-instrumentale c o m p o s i t i e ;
- er w o r d e n mogelijkhede n van muziekregistratie en m i c r o f o o n - o p n a m e techniek v o o r de elektro-instrumentale muziek o n t w i k k e l d ;
- in het kader van de vakstudie v o o r het bespelen van historische instrumenten v i n d t onderzoek plaats naar historisch repertoire en authentieke uitvoeringspraktijk.
Door deze activiteiten kent het muziekvakonderwijs r o n d o m bepaalde
conservatoria een s c h o o l v o r m i n g en uitstraling van kunstzinnig klimaat. Het
gaat hier o m de systematische, creatieve activiteiten die het uitbreiden van
kennis en artistieke vaardigheden tot doel hebben, alsmede het toepassen
daarvan.
Het ligt overigens uitdrukkelijk niet in de bedoeling dat o n d e r z o e k i n g e n,
welke naar hun aard door wetenschappelijke instellingen w o r d e n verricht, in
de t o e k o m s t (ook) zelfstandig door de instituten van muziekvakonderwij s
w o r d e n uitgevoer d en o m g e k e e r d .
Par. 2. Verantwoording

van het

onderzoek

Van g r o o t belang is een goede v e r s l a g l e g g i n g, het beschrijven van het o n derzoek aan de hand van p r o g r a m m a en t h e m a , het berekenen van de o m vang van het onderzoek en het vastleggen van de resultaten.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

15

Resultaten kunnen uiteraard worden uitgedrukt in de meest uiteenlopende vormen, bij voorbeeld in partitoren, bandopnamen, concert- of operauitvoeringen, publikaties, boeken e.d. Een zekere uniformiteit in de wijze
waarop de onderzoeksresultaten zichtbaar worden gemaakt is echter zeer
gewenst. Aan de hand van nader vast te stellen richtlijnen zullen daartoe afspraken met de betrokken instellingen worden gemaakt.
Par. 3. Samenwerking tussen HBO en WO
Bij beschouwing van de onderzoeksactiviteiten in het muziekvakonderwijs
ligt het alleszins voor de hand om verbreding daarvoor te zoeken in het kader van de voorzieningen voor de samenwerking tussen het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs. De criteria daarvoor zijn omschreven in de circulaire van 31 juli 1978, nr. HW/IS 327683, inzake Samenwerkingsprojecten HBO/WO. Een combinatie van de specifieke theoretische
en technische kennis van universitaire instituten met de muzikale inzichten
en praktische ervaring van de opleiding tot uitvoerend musicus van de conservatoria kan in beginsel tot een unieke en wetenschappelijk gefundeerde
aanpak leiden. Ik volg daarmee een suggestie van het rapport Wettelijk kader kunstonderwijs, dat de sectie kunstonderwijs van de HBO-raad op 20
november 1978 uitbracht.
Het theoretisch, historisch onderzoek kan nauwer worden gerelateerd aan
het praktische experimentele onderzoek, om het mogelijk te maken dat beide benaderingswijzen vruchtbaar inwerken op de opleiding van de studenten en op de vooruitgang van zowel de kunsten als de op de kunsten gerichte onderwijsdisciplines.
Par. 4. Concretisering van de beleidsvoorstellen

voor onderzoek

Wanneer het gaat om de concretisering van de beleidsvoornemens op het


punt van onderzoek in het muziekvakonderwijs komt allereerst de sector historische muziek van het conservatorium in Den Haag in aanmerking voor de
situering van een zwaartepunt voor dit onderdeel van de opleiding tot instrumentaal uitvoerend musicus. Dit betreft overigens niet alleen onderzoek; ook het lesgeven maakt daarvan een onderdeel uit.
Voorts zijn in de elektronische studio van dit conservatorium en van het
conservatorium in Amsterdam een zodanige know-how en apparatuur opgebouwd dat aanwijzing van deze activiteiten tot zwaartepunten eveneens alleszins is gegrond.
Par. 5. Financiering van onderzoek
Ten aanzien van de financiering van het onderzoek in het kunstonderwijs
en in dit geval dan het muziekvakonderwijs, kan in grote lijnen een analoge
opzet worden nagestreefd als is ontwikkeld in de onlangs uitgebrachte Beleidsnota Universitair Onderzoek. Het is nl. denkbaar dat de financiering van
onderzoeksprojecten in het muziekvakonderwijs verloopt volgens een viertal systemen.
a. Binnen de budgettaire middelen kan een bedrag beschikbaar worden
gesteld dat door het betrokken conservatorium naar eigen goeddunken kan
worden besteed, vergelijkbaar met de opslagfinanciering. Dit geld dient
voorfinanciering van een vrije ruimte waarin onderzoek wordt verricht en
deskundigheid wordt verworven of in stand gehouden onder meer voor de
verzorging van kwalitatief hoogwaardig muziekvakonderwijs. Deze financiering wordt niet aan voorwaarden vooraf gebonden; het is voldoende als een
begroting wordt opgesteld, die als een globale taakstelling kan worden opgevat.
b. Als tweede mogelijkheid is daar de voorwaardelijke financiering. Dat
wil zeggen dat de toekenning afhangt van ingediende projecten, van verslaggeving en behaalde resultaten. Het gaat daarbij om onderzoek volgens

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

16

een door de minister g o e d g e k e u r de taakstelling. Hiervoor komt onderzoek


van hoge kwaliteit in a a n m e r k i n g , w a a r b i j landelijke taakverdeling en de ontwikkeling van een zwaartepuntenbelei d een belangrijke rol spelen.
Bij beslissingen daarover zal zijn advies van de sectie Kunstonderwij s van de
HBO-raad en eventueel ook van de Raad v o o r de Kunst zwaar w e g e n . Het is
m i j n bedoeling dat er in het kader van de t o e k o m s t i g e Wet op het hoger
b e r o e p s o n d e r w i j s extra m i d d e l e n w o r d e n g e r a a m d voor de v o o r w a a r d e l i j k e
financiering van onderzoeksactiviteiten in het k u n s t o n d e r w i j s.
c. Daarnaast bevat ook het idee van de contractfinanciering
aanknopingspunten v o o r het o n t w i k k e l e n van onderzoek in het muziekvakonderwijs. Bij
contractresearch gaat het o m opdrachten van derden (overheid, semi-overheidsinstellingen, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties).
d. Ten slotte is er de mogelijkhei d van projectfinancierin g door Z W O , w e l ke mogelijkheid nog niet is beproefd . Bij de o p h a n d e n zijnde w i j z i g i ng van
de ZWO-we t verdient dit punt nadere aandacht.
Hoofdstuk 6. Nascholing
Uitgaande van het o n t w e r p van Wet op het hoger beroepsonderwij s zal er
in het m u z i e k v a k o n d e r w i js een duidelijk onderschei d tussen de initile vakstudie, de v e r v o l g s t u d i e en de postconservatoriale nascholing moeten komen . In de b e s c h o u w i n g over herstructurering van de o p l e i d i n g tot uitvoerend musicus heb ik in hoofdstuk 2 al m i j n b e l e i d s v o o r n e m e n uiteengezet.
Voor w a t de postconservatoriale nascholing betreft zou bij v o o r b e e l d kunnen w o r d e n gedacht over nascholing van muziekvakdocenten in het voort gezet o n d e r w i j s en in het muziekvakonderwijs . Deze nascholing zou dan zijn
bedoeld o m de v o o r t s c h r i j d e n d e o n t w i k k e l i n g e n in de muziekdidactiek te
blijven v o l g e n . Voor de docenten in het muziekvakonderwij s zou het o m nascholing o p het gebied van methodiek en didactiek gaan, toegespitst op het
instrumentale muziekonderricht in hun onderwijssector. Een andere m o g e lijkheid van postconservatoriale nascholing zou b e s t e md kunnen zijn v o o r
instrumentale docenten aan muziekscholen, o m hen bij te scholen in het geven van g r o e p s o n d e r w i j s , in het geven van muziekonderrich t op het terrein
van de lichte muziek of het lesgeven op het elektronische orgel. Voorts kan
zowel v o o r de docenten in het basisonderwijs en de muziekleraren in het voort gezet o n d e r w i j s als v o o r de instrumentale d o c e n t en aan muziekscholen w o r den gedacht aan de o n t w i k k e l i n g van nascholingsprojecten, met het oog op
verbetering van de vooropleidingssituatie .
Niet alle v o r m e n van postconservatoriale nscholing kunnen in het takenpakket van iedere instelling voor muziekvakonderwij s w o r d e n o p g e n o m e n ,
o m d a t ook hier een landelijke taakverdeling in de geest van het zwaartepuntenbeleid tot stand behoort te k o m e n . Via het jaarlijks uit te brengen Applicatie- en nascholingsplan (laatstelijk gepubliceerd in februari 1981) kunnen initiatieven van het muziekvakonderwijs o p het g e b i e d van de nascholing nader w o r d e n geconcretiseerd.
Hoofdstuk 7. Financiering
De financiering van het zwaartepuntenbelei d v o o r het muziekvakonderwijs is uiteraard begrensd door de bestaande budgettaire kaders v o o r de t o taliteit van deze tak van onderwijs. De herverdeling van taken v o o r de opleiding tot uitvoerend musicus is echter al een indicatie dat het v o o r g e n o m e n
beleid grotendeels binnen deze kaders kan w o r d e n u i t g e v o e r d. Herverdeling
van taken en geografische concentratie van bepaalde specialistische activiteiten zijn de meest rationele wijzen o m de kwaliteit van de verschillende opleidingen en het rendemen t daarvan voor de beroepspraktijk te verbeteren
zonder dat het totaal van de uitgaven v o o r het muziekvakonderwijs exogeen
stijgt.
Het initiren van nieuwe studiedifferentiaties w a a r v o o r m i j n voorafgaan de goedkeurin g is vereist, moet aansluiten bij (gebleken) behoeften in de sam e n l e v i n g en dient budgettair neutraal te v e r l o p e n. De uitbreiding van de

Tweede Kamer, zitting 1981, 16 957, nr. 1 en 2

17

keuzemogelijkheid bij de samenstelling van de diverse vakkenpakketten


gaat gepaard met de mogelijkheid om tot nu toe bestaande studie-onderdelen te laten vervallen, mits een en ander binnen de bestaande onderwijskundige kaders voor de diverse muziekvakdiploma's blijft. Deze onderwijskundige randvoorwaarde strekt tot bewaking van het professioneel karakter van
de muziekvakopleidingen. Maar daarmee wordt tevens een verbetering van
kwaliteit en rendement bereikt, die niet tot extra uitgaven leidt.
Naast de budgettaire neutraliteit van de beleidsvoornemens voor de opleidingen tot uitvoerend kunstenaar en docent is een uitgavenstijging voorzien
voor extra stimulering van het zwaartepuntenbeleid en voor speciale onderzoeksactiviteiten. Dank zij zeer kritische afweging van prioriteiten zijn in de
meerjarenraming hiervoor extra middelen voorzien, oplopend tot 1 miljoen
gulden in 1984.
Hoofdstuk 8. Samenvatting
1. Deze beleidsnotitie over het muziekvakonderwijs houdt uiteraard nauw
verband met actuele en komende ontwikkelingen in het muziekleven en in
het muziekvakonderwijs. In de concertpraktijk groeit gestaag de behoefte
aan uitvoerende musici met een veelzijdige bekwaamheid in het orkest- en
ensemblespel.
In het muziekvakonderwijs groeit de actieve belangstelling voor het onderwijs in gespecialiseerde kamermuziek, in jazz en gemproviseerde muziek. Ook het element onderzoek krijgt steeds meer daadwerkelijke aandacht.
Het is de bedoeling van deze beleidsnotitie de dreigende versnippering
van muzikaal talent voor de opleiding tot uitvoerend musicus tegen te gaan
en de wegen aan te geven waarlangs de instituten gezamenlijk op de gewenste ontwikkelingen zo goed mogelijk kunnen inspelen. Dit impliceerteen
zwaartepuntenbeleid met een aantal concentraties van activiteiten. Het
zwaartepuntenbeleid is gericht op kwalitatieve verbetering van het muziekvakonderwijs door landelijke taakverdeling en schaalvergroting van het bestaande aanbod aan initile muziekvakstudies en door concentratie van tot
nu toe nog niet als zodanig bestaande vervolgstudies en onderzoeksactiviteiten (hoofdstuk 1 van deze beleidsnotitie).
2. Prioriteit krijgt de vorming van zwaartepunten tot verbetering van de
opleiding tot uitvoerend musicus. Daartoe wordt de volgende, in het kader
van het hoger onderwijs gentegreerde structuur voorgesteld. Na de inwerkingtreding van de toekomstige Wet op het hoger beroepsonderwijs wordt
een vierjarige cursusduur voor de opleiding tot uitvoerend musicus, evenals
voor alle andere opleidingen in het muziekvakonderwijs ingesteld en wordt
de opleiding toegespitst op de initile vakstudie. Daarnaast en daarna wordt
een vervolgstudie in het leven geroepen, waarin de opleiding tot uitvoerend
musicus met een veelzijdige scholing in het orkest- en ensemblespel wordt
aangevuld. Deze vervolgstudie zal op maximaal vier grote conservatoria
worden geconcentreerd. Aan twee conservatoria in de randstad, een groot
conservatorium in het noordoosten van het land en een groot conservatorium in het zuiden van het land kan dan de bovenregionale taak voor het collectief te beoefenen deel van de opleiding tot uitvoerend musicus worden
toebedeeld.
De muziek-dramatische opleiding blijft beperkt tot de conservatoria in Amsterdam, Den Haag en Maastricht. Er zal naar verdere verbetering van de samenwerking tussen de opera-opleidingen in Amsterdam en Den Haag worden gestreefd (hoofdstuk 2 van deze beleidsnotitie).
3. Een tweede categorie zwaartepunten vormen de nieuwe studiedifferentiaties.
In de lijn van de Wet op het hoger beroepsonderwijs ligt de geleidelijke
ontwikkeling van nieuwe studiedifferentiaties als de muziek van culturele
minderheden, volksmuziek, muziektherapie, arrangeren, muziek in de ortho-

Tweede Kamer, zitting 1981, 16 957, nr. 1 en 2

18

pedagogiek, muziekjournalistiek en cultureel management. Samenwerking


van de instituten voor muziekvakonderwijs met de scholen voor kunstonderwijs op het gebied van het theater is gewenst en zal kunnen leiden tot verruiming van de mogelijkheden tot differentiatie van de vakkenpakketten
(Hoofdstuk 3 van deze beleidsnotitie).
4. Het zwaartepuntenbeleid als middel tot verhoging van de kwaliteit van
het muziekvakonderwijs kan niet slagen zonder beleidsmatige bevordering
van de onderwijskundige aansluiting tussen algemeen voortgezet en kunstonderwijs.
Er zal met voortvarendheid een adviescommissie worden ingesteld ter
evaluatie van bestaande samenwerkingsexperimenten. Mede gelet op het
advies van deze commissie zal zoveel mogelijk steun worden verleend aan
intensivering van de volgende activiteiten:
a. samenwerking tussen scholen voor kunstonderwijs en scholen voor algemeen voortgezet onderwijs, voor leerlingen vanaf 12 jaar;
b. samenwerking tussen muziekscholen en de scholen voor algemeen
voortgezet onderwijs;
c. samenwerking tussen de vooropleiding van de instituten voor muziekvakonderwijs en de scholen voor algemeen voortgezet onderwijs voor leerlingen van 16 jaar en ouder (Hoofdstuk 4 van deze beleidsnotitie).
5. Voor de onderzoeksfunctie van het muziekvakonderwijs houdt het
zwaartepuntenbeleid de stimulering in van zelfstandige onderzoeksprojecten van individuele conservatoria. In eerste instantie betreft deze categorie
zwaartepunten het conservatorium in Den Haag (authentieke uitvoeringspraktijk en elektronische muziek) en het conservatorium in Amsterdam
(elektronische muziek). Bovendien kan de samenwerking met het wetenschappelijk onderwijs het onderzoek in het muziekvakonderwijs een breder
draagvlak geven door gezamenlijke onderzoeksprojecten van conservatoria
en universiteiten, o.a. op het gebied van de uitvoeringspraktijk en toepassing van de elektronica. Dit geldt voor de conservatoria in Amsterdam en
Den Haag en het Instituut voor Sonologie in Utrecht (Hoofdstuk 5 van deze
beleidsnotitie).
6. Uitgaande van het ontwerp van Wet op het hoger beroepsonderwijs zal
er in het muziekvakonderwijs een duidelijk onderscheid tussen de initile
vakstudie, de vervolgstudie en de postconservatoriale nascholing moeten
komen. De nascholing van muziekdocenten zou dan vooral zijn bedoeld om
de voortschrijdende ontwikkelingen in de muziekdidaktiek te blijven volgen.
Niet alle vormen van postconservatoriale nascholing kunnen in het takenpakket van iedere instelling voor muziekvakonderwijs worden opgenomen,
omdat ook hier een landelijke taakverdeling in de geest van het zwaartepuntenbeleid tot stand behoort te komen (Hoofdstuk 6 van deze beleidsnotitie).
7. Voor de financiering van het zwaartepuntenbeleid zijn in de meerjarenramingen extra middelen gereserveerd, oplopend tot 1 miljoen gulden in
1984. Het is mijn bedoeling dat daarnaast in het kader van de toekomstige
Wet op het hoger beroepsonderwijs extra gelden worden geraamd voor het
zwaartepuntenbeleid op het gebied van het onderzoek in het muziekvakonderwijs (Hoofdstuk 7 van deze beleidsnotitie).
Deze beleidsnotitie Zwaartepunten in het Muziekvakonderwijs beoogt
de grondslag te zijn voor een gedachtenwisseling in de Tweede Kamer der
Staten-Generaal over de toekomstige structuur van het kunstonderwijs op
het gebied van de muziek, gezien in het perspectief van de toekomstige Wet
op het hoger beroepsonderwijs.
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
A. Pais

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

^9

BIJLAGEN

1. Kwantitatieve gegevens
Studentenbestand muziekvakonderwijs in Nederland
(Bron: de vragenlijsten die de scholen voor muziekvakonderwijs jaarlijks
invullen en bij het ministerie indienen):

Tabel A 1 , Aantallen studenten uitvoerend musicus' (um) en akte muziekonderwijs (dm) per concervatorium, op de peildatum
15-9-1980, voor de instrumenten uit een symfonieorkest
Conservatorium
Hoofdvak

Opleiding

Amsterdam

Viool

um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm

32
52
1
6
9
13
9
5
27
19
6
7
8
13
2
1
2
3
5
7
2
4
1
1
2
4
6
6

Altviool
Cello
Contrabas
Fluit
Hobo
Klarinet
Fagot
Hoorn
Trompet
Trombone
Tuba
Harp
Slagwerk

Arnhem

Enschede 's-Gravenhage
2
5
2

1
3
1
1
15
2
10

13
1
3
2
10
1

1
3
1
4
4

1
1
9
1
9

Groningen

Maastricht

Rotterdam

Tilburg

Utrecht

Zwolle

32
3
11
1
16
1
8
2
26
9
14
6
14
4
5
1
15

10

14
18
2
1
11
4

4
12
1
1

7
8
1
2
3
3
1
2
4
28

1
23

5
3
13
3
18
2
3
3
13
1

14
13
1
7
4
9
4
1
6
15
3
3
5
13
2

5
3
3
1
3

1
3
4
6
1
7

3
4
3
11
2
4

3
2
5
25

1
1
3
2
4

8
1

3
5
1
4
11
3
3
6
3
1

8
1
4

36
1

12
4
18
11
5
4
1
2

5
3

3
1
17
2
10
5
14
2
2

8
1

10

6
5

1
8
4
1
12
1
3
8
1

1
7
2
13
2
3

3
1
11
3
8

2
1
3
4

1
Deze categorie um bestaat uit studenten
die alleen um studeren en studenten die de
opleiding um in combinatie met dm volgen.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

20

Tabel A2, Aantallen studenten uitvoerend musicus ' (um) en akte muziekonderwijs (dm) per conservatorium, op de peildatum
15-9-1979, voor de instrumenten uit een symfonieorkest
Conservatorium
Opleiding

Amsterdam

Viool

um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm

62
23
3
2
17
5
13
2
28
13
9
2
10
2

Altviool
Cello
Contrabas
Fluit
Hobo
Klarinet
Fagot
Hoorn
Trompet
Trombone
Tuba
Harp
Slagwerk

Arnhem

4
6
2

Enschede 's-Gravenhage
3
3
2
1

1
3

15
1
11

3
2
2
16
1
4
2
8

co co

Hoofdvak

5
5
3
3

1
1
1
4
3

1
1
4
3
14
2

5
1
6

Groningen

Tilburg

Utrecht

Zwolle

3
15
2
1
1
4
4
12
5
15

11
16
4
6
4
8
4

2
12
1
1
3
4

1
18

3
4
24
1
3
2
6

3
2
10

9
2
4

20
10
2

3
2
2

24
11
14
8
11
4
4

9
4

10
1
8

17
4
1
2
3
10
1
9
6
13
1
2
3
3
5
14
2
3
2
4
3

7
1
1

1
4
2
2

6
3
3
1
1

6
1
4

Rotterdam

32
5
12
2
15
2
11

3
7

Maastricht

33
1

4
2

4
2
14
1
2
3
5
6
2
4

6
14
3
3
4
11
1
1
3
4
16
2
4
1

2
2
5
14

4
1

5
6
1

1
6
2
11
1
4
2
2
3
1
3

1
11
9

' Deze categorie um bestaat uit studenten


die alleen um studeren en studenten die
de opleiding um in combinatie met d m
volgen.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

21

Tabel A 3 , Aantallen studenten uitvoerend musicus' (um) en akte muziekonderwijs (dm) per conservatorium, op de peildatum
15-9-1978, voor de instrumenten uit een symfonieorkest
Conservatorium
Hoofdvak

Opleiding

Amsterdam

Viool

um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm

51
24
6
5
16
2
13
1
27
22
11
4
14
1
8
2
6

Altviool
Cello
Contrabas
Fluit
Hobo
Klarinet
Fagot
Hoorn
Trompet
Trombone
Tuba
Harp
Slagwerk

9
3
2
1
3

Arnhem

5
5
1

Enschede 's-G raven hage


5

2
1

1
1
10

2
9
2
6
3
7

2
3
2
5

2
3
2
2
3
3
4

Groningen

Maastricht

Rotterdam

Tilburg

Utrecht

Zwolle

5
18
3
1
1
2
1
9
7
14
1
2
1
9

14
10
3
4
6
4
4

6
13

1
17

4
3

1
4

3
5
23
1
4
1
6

3
2
10

1
3
4
4
2
2

3
2
1
14
1
1

31
3
10
2
16
3
11

6
4
3

19
10
1

4
1
2

29
8
19
5
10
2
5

5
3
3

16
2
3
2
3
9
3
4
5
10
1

4
2
1
1

5
10
6
1

5
2
2
1
1

8
16
3
2
5
7
1

7
1

3
7

1
3

31

1
2
4
9
1
3

3
11
10

5
6

3
1

7
1

7
4
8
12
2

2
4

10

1
4
7
18

1
1
3
1
1

1
2

Deze categorie um bestaat uit studenten


die alleen um studeren en studenten die de
opleiding um in combinatie met dm volgen.

Tweede Kamer, zitting 1981,16957, nr. 1 en 2

22

Tabel A4, Aantallen studenten uitvoerend musicus' (um) en akte muziekonderwijs (dm) per conservatorium, op de peildatum
15-9-1977, voor de instrumenten uit een symfonieorkest.
Conservatorium
Hoofdvak

Opleiding

Amsterdam

Viool

um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm

46
35
11
4
18
4
14
1
11
34
12
6
13
1
6
1
6

Altviool
Cello
Contrabas
Fluit
Hobo
Klarinet
Fagot
Hoorn
Trompet
Trombone
Tuba
Harp
Slagwerk

3
5
4
2
2
1
7
3

Arnhem

Groningen

Maastricht

Rotterdam

Tilburg

Utrecht

Zwolle

15
12
8
2
6
10
7

11
6
1
3
5

19
21
1

4
18
4

11
23
6
13
3
4
4

8
4
2
1
3
2
1
1

1
6
24

3
9
5
5
4
7

3
1
4
7
3
4

7
1
9

1
8

10
7
4

1
1
1
4
4
15
1
3
2
7
1
1
1
2
1
6
2
1
4

7
12
4
1
4
2

2
17

12
2
3

8
13
3
4
5
5
3
1
8
15
4
1
3
8

Enschede 's-Gravenhage

4
5
1

5
2
2

2
1

3
2

1
8
3
2
11

1
2
1
3
2
6
1
1

1
3
9

1
6

23
1

2
9
4
7
6
11
2

2
1

3
2
5
10

1
4

12

3
4
10

5
7
2

12
2
3

1
2
3
10
1
1

13

2
1
4

1
6
2
2

3
11

' Deze categorie um bestaat uit studenten


die alleen um studeren en studenten die de
opleiding um in combinatie met dm volgen.

Tabel B I . Aantallen studenten uitvoerend musicus ' (um) en akte muziekonderwijs (dm) per conservatorium, op de peildatum
15-9-1980, voor akkoord-instrumenten en voor blokfluit, saxofoon en solozang
Conservatorium
Hoofdvak

Opleiding

Amsterdam

Arnhem

Enschede 's-Gravenhage

Solozang

um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm

13
36
24
62
4
52
8
9
9
26

2
24
3
60

2
10
3
36
4
29
1
3
2
11
1
28

1
9
7
34
5
8

1
3
1
10

Piano
Gitaar
Clavecimbel
Orgel
Elektr. orgel
Accordeon
Blokfluit
Saxofoon

31
4
6
22

31
10
33
10
18
6
8
9

Groningen

Maas-tricht

Rotterdam

Tilburg

Utrecht

Zwolle

10
4
33
22
13
7
1
1
10
10

29
39
18
110
4
41
1
3
4
13

5
11
9
70
6
49

1
8
10
46
2
41
2
6
3
24

1
14
9
57
3
26
1
4
7
29

1
25
4
69

19

22

16
3
6

2
5
7

15
1
10
4
24
1
10

6
9
30

2
6
5
1
7

19
4
4
2

2
3
4
3

4
1
37
2
2

16
3
2
42

3
17
11

1
Deze categorie um bestaat uit studenten
die alleen um studeren en studenten die de
opleiding um in combinatie met d m volgen.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16 957, nr. 1 en 2

23

Tabel B2. Aantallen studenten uitvoerend musicus ' (um) en akte muziekonderwijs (dm) per conservatorium, op de peildatum
15-9-1979, voor akkoord-instrumenten en voor blokfluit, saxofoon en solozang
Conservatorium
Hoofdvak

Opleiding

Amsterdam

Arnhem

Enschede 's-Gravenhage

Groningen

Maastricht

Rotterdam

Solozang

um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm

38
15
38
54
18
33
13
5
20
11

5
15
4
60

1
13
4
37
3
31
1
2
2
9

8
4
37
23
19
5

35
25
17
110
1
43
4
1
3
11
1
17
1
22

2
16
10
72
6
51
2
3
13
29

Piano
Gitaar
Clavecimbel
Orgel
Elektr. orgel
Accordeon
Blokfluit
Saxofoon

28
4
3
20

4
4
21
25
8
3

20
8
28
16
18
5
3
12
4

4
10
12

24
4
1
11
1
1

7
7
1
5

24
5
3

1
1
6
1
5
2

21
5
5

Tilburg

Utrecht

10

4
8
12
68
3
32
1
4
9
35
1
3

11
2
23
2
8

5
4
25
1
2

10
7
54
1
35
8
3
26

Zwolle

21
5
56
1
17
1
4
3
44

4
18
9

1
Deze categorie um bestaat uit studenten
die alleen um studeren en studenten die
de opleiding um in combinatie met dm volgen.

Tabel B3. Aantallen studenten uitvoerend musicus ' (um) en akte muziekonderwijs (dm) per conservatorium, op de peildatum
15-9-1978, voor akkoord-instrumenten en voor blokfluit, saxofoon en solozang
Conservatorium
Hoofdvak

Opleiding

Amsterdam

Arnhem

Enschede 's-Gravenhage

Groningen

Maastricht

Rotterdam

Solozang

um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm

28
20
42
72
17
36
11
8
19
13

5
15
5
51
1
27

1
10
5
32
7
30
2
2
4
10

7
3
45
16
9
8
3
3
12
8

34
22
15
107
1
44
6
5
6
1
13

2
16
6
90
5
33
1
3
7
25
6
5

5
4
9
34
6
3

1
4
1
19

25
1
18
4
7

8
28
4
4
10

Piano
Gitaar
Clavecimbel
Orgel
Elektr. orgel
Accordeon
Blokfluit
Saxofoon

6
7
16

20
8
27
25
21
7
2
1
12
3

27

7
9
1
5

23
5
4
1

1
4
6
5
1

Tilburg

13
3
49
1
34
7
5
31
3
1
8
3
1
7

Utrecht

5
9
13
62
4
29
2
3
11
29

Zwolle

14
5
54
16
7
4
39

9
3
3
24
4
1

3
15
6

' Deze categorie um bestaat uit studenten


die alleen um studeren en studenten die de
opleiding um in combinatie met dm volgen.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

24

Tabel B4. Aantallen studenten uitvoerend musicus ' (um) en akte muziekonderwijs (dm) per conservatorium, op de peildatum
15-9-1977, voor akkoord-instrumenten en voor blokfluit, saxofoon en solozang
Conservatorium
Hoofdvak

Opleiding

Amsterdam

Arnhem

Enschede 's-Gravenhage

Groningen

Maastricht

Rotterdam

Solozang

um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm

21
33
31
87
3
49
12
16
22
20

3
18
5
49

1
8
3
39
6
37
2

8
11
5
37
3
16
2
2
5
7

9
4
44
13
4
13
2
2
17
5

49
15
18
100
2
48
4
1
4
11

11
13
72
4
20
1
2
18
17

8
17
1
2

1
3
5
5
5
1

Piano
Gitaar
Clavecimbel
Orgel
Elektr. orgel
Accordeon
Blokfluit
Saxofoon

28
4
7
16

3
12
21

6
3
36
4
3

1
4

10

18

12

24
1
15
4
5

2
2
6
5
3
9

Tilburg

Utrecht

Zwolle

1
10
3
41
1
37
2
7
2
32

7
8
14
60
5
28
1
4
13
31

2
12
8
59
1
18
6
2
45

2
2
9
4
28
1
5

3
4
20
3
3

3
15
3

' Deze categorie um bestaat uit studenten die


alleen um studeren en studenten die de opleiding um in combinatie met dm volgen.

Tabel C l . Aantallen studenten uitvoerend musicus ' (um) en akte muziekonderwijs (dm) per conservatorium, op de peildatum
15-9-1980, voor specifieke instrumenten in de sector muziek uit middeleeuwen, renaissance en barok
Conservatorium
Hoofdvak

Opleiding

Ba rok hobo

um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um
dm

Luit
Traverso
Gamba
Barokviool
Barokfagot

Amsterdam

Arnhem

Enschede 's-Gravenhage

Groningen

Maastricht

Rotterdam

Tilburg

Utrecht

Zwolle

6
9
4

2
4
6

3
2

' Deze categorie bestaat uit studenten die


alleen um bestuderen en studenten die de
opleiding um in combinatie met dm volgen.

T w e e d e Kamer, zitting 1981, 16 957, nr. 1 en 2

25

Tabel C2. Aantallen studenten uitvoerend musicus' (um) en akte muziekonderwijs (dm) per conservatorium, op de peildatum
15-9-1979, voor specifieke instrumenten in de sector muziek uit middeleeuwen, renaissance en barok
Conservatorium
Hoofdvak

Opleiding

Amsterdam

Luit

um
dm
um
dm
um
dm
um
um
um

2
1

Traverso
Gamba
Barokhobo
Barokfagot
Barokviool

Arnhem

Enschede 's-Gravenhage

Groningen

15

Maastricht

Rotterdam

Tilburg

Utrecht

Zwolle

2
3

4
2
8
5
1
4

' Deze categorie bestaat uit studenten die


alleen um studeren en studenten die de opleiding um in combinatie met dm volgen.

Tabel C3. Aantallen studenten uitvoerend musicus' (um) en akte muziekonderwijs (dm) per conservatorium, op de peildatum
15-9-1978, voor specifieke instrumenten in de sector muziek uit middeleeuwen, renaissance en barok
Conservatorium
Hoofdvak

Opleiding

Luit

um
dm
um
dm
um
dm
um
um
um
um

Traverso
Gamba
Barokhobo
Barokfagot
Baroktrompet
Barokviool

Amsterdam

Arnhem

Enschede 's-Gravenhage

Groningen

Maastricht

Rotterdam

Tilburg

Utrecht

Zwolle

9
4
10
4
1
1
5

' Deze categorie bestaat uit studenten die


alleen um studeren en studenten die de
opleiding um in combinatie met dm volgen.

Tabel C4. Aantallen studenten uitvoerend musicus' (um) en akte muziekonderwijs (dm) per conservatorium, op de peildatum
15-9-1977, voor specifieke instrumenten in de sector muziek uit middeleeuwen, renaissance en barok
Conservatorium
Hoofdvak

Opleiding

Barokhobo

um
dm
um
dm
um
dm
um
dm
um

Luit
Traverso
Gamba
Barokviool

A
Amsterdl

Arnhem

Enschede 's-Gravenhage

Groningen

Maastric!,t

Rotterdam

Tilburg

Utrecht

Zwolle

2
2

1
Deze categorie bestaat uit studenten die
alleen um studeren en studenten die de
opleiding um in combinatie met dm volgen.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

26

Tabel D. Aantallen muziekvakstudenten in de studiejaren 1977/1978, 1978/1979,


1979/1980 en 1980/1981 op de peildatum 15 september van ieder studiejaar, per
instelling en het landelijk totaal aantal
Instelling

Conservatorium
Amsterdam
Arnhem
Enschede
's-Gravenhage
Groningen
Maastricht
Rotterdam
Tilburg
Utrecht
Zwolle

Studiejaar
1977/1978

Studiejaar
1978/1979

Studiejaar
1979/1980

Studiejaar
1980/1981

697
308
313
451
285
642
395
425
382
324

695
321
301
530
265
635
487
437
373
312

669
350
298
565
274
646
527
481
411
317

689
336
288
597
277
645
514
491
409
342

159
158

168
178

192
190

205
200

171

188

195

205

25

24

31

31

23

29

35

32

4758

4943

5181

5261

IWuziekped. academie
Alkmaar
Leeuwarden
Muziekvakopl.
Hilversum
Ned. Beiaardsch.
Amersfoort
Ned. Instituut
voor kerkmuziek
Utrecht
Landelijk totaal
muziekvakstud.

2. Ontvangen commentaren
ADVIES- EN OVERLEGORGAAN VOOR HET HOGER BEROEPSONDERWIJS
Minister van O n d e r w i js en W e t e n s c h a p p e n ,
dr. A. Pais
4 februari 1981
O n d e r w e r p : Discussienota Z w a a r t e p u n t e n in het M u z i e k v a k o n d e r w i j s
Hierbij zenden w i j u onze reactie o p u w discussienota Z w a a r t e p u n t en in
het Muziekvakonderwijs . Deze reactie is tot stand g e k o m e n na u i t v o e r i g e
raadpleging van met name de V e r e n i g i n g Landelijk Overleg Muziekvakonderwijs (VLOM). W i j beperken ons in deze reactie tot globale s t e l l i n g n a m e n
en b e h o u d e n ons graag het recht v o o r hieraan in tweede instantie meer gedetailleerde gegevens toe te v o e g e n .
Wij m e n e n hiermee een essentile bijdrag e geleverd te hebben aan u w
g e d a c h t e n v o r m i n g , en v e r w a c h t e n onze o p v a t t i n g e n in v o l d o e n d e mate te
zullen t e r u g v i n d e n in u w a a n g e k o n d i g d e beleidsnota v o o r de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Namens de Sectie K u n s t o n d e r w i j s ,
P. Sonke, voorzitter
A. Hoetjes, w n d . secretaris

Tweede Kamer, zitting 1981, 16 957, nr. 1 en 2

27

Reactie van Sectie 10 op de discussienota Zwaartepunten in het Muziekvakonderwijs


Evenals andere takken van het Hoger B e r o e p s o n d e r w i js ziet het Nederlandse m u z i e k v a k o n d e r w i js zich m o m e n t e e l gesteld t e g e n o v er een aantal
g e g e v e n h e d e n w a a r v a n de consequenties op het eerste gezicht moeilijk met
elkaar in o v e r e e n s t e m m i n g te brengen zijn. De belangrijkste zijn:
de behoefte van j e u g d i g e n o m zich via dit o n d e r w i j s p e r s o o n l i j k t e ontplooien (social d e m a n d ) ;
de behoefte van de s a m e n l e v i n g aan beroepsbeoefenaar s in de vakken
w a a r t o e dit o n d e r w i j s o p l e i d t ( m a n p o w e r d e m a n d ) ;
de behoefte van de regering o m de uitgaven v o o r dit o n d e r w i j s te beperken.
De social d e m a n d vraagt o m een zo breed mogelijk o n d e r w i j s a a n b o d
op een zo hoog mogelijk n i v e a u, w a a r i n zowel de persoonlijke o n t p l o o i i n g
als de kans op de t o e k o m s t i g e uitoefenin g van een vak v o l d o e n d e gewaarb o r g d w o r d t . De m a n p o w e r demand vraagt enerzijds o m bepaalde aantallen vakbeoefenaren in bestaande, v a s t o m l i j n d e specialisaties, maar d w i n g t
anderzijds steeds o p n i e u w tot a f s t e m m i n g van de o p l e i d i n g e n op nieuwe
o n t w i k k e l i n g e n in het b e r o e p s v e l d.
En de minister ten slotte, g e c o n f r o n t e e r d met de eis o m aan al deze voorw a a r d e n t e g e m o e t te k o m e n in het kader van de w e t g e v i n g op een hoger
o n d e r w i j s v o o r velen, legt aan de instituten die het muziekvakonderwijs verzorgen een z w a a r t e p u n t e n b e l e id v o o r dat tendeert naar schaalvergrotin g en
concentratie.
De Sectie K u n s t o n d e r w i j s van de HBO-Raad heeft zich, onder raadpleging
van de Vereniging Landelijk Overleg Muziekvakonderwijs , g e b o g e n over de
nota w a a r i n dit z w a a r t e p u n t e n b e l e i d ter discussie w o r d t gesteld, en geeft in
het onderstaande haar reactie.
Daarbij zij v o o r a f g e m e l d , dat enkele conservatoria, nl. die te 's-Gravenhage en Utrecht, tijdens de beraadslagingen niet tot o v e r e e n s t e m m i n g konden
k o m e n met de zienswijze v a n de o v e r i g e conservatoria en de v e r t e g e n w o o r digers van het beeldend k u n s t o n d e r w i j s en het t h e a t e r o n d e r w i j s . Met name
ten aanzien van de o p l e i d i n g e n tot orkestmusicus deelden zij de opvatting
van de minister, dat concentratie en schaalvergrotin g g e b o d e n zijn.
Zij baseerden dit op een o n d e r w i j s f i l o s o f i e die aan de m a n p o w e r d e m a n d
v o o r r a n g geeft boven de social d e m a n d . Handhaving van de algemene opleidingen in de huidige spreidingsgraa d zou v o l g e n s hen leiden tot nivellering, en de opzet van de minister zou betere m o g e l i j k h e d e n bieden o m tegemoet te k o m e n aan de behoefte van de grote symfonie-orkeste n aan gespecialiseerde i n s t r u m e n t a l i s t e n , dirigenten en solisten. Overigens waren ook
zij van mui.ing dat de b e w e r i n g e n van de minister over de kwaliteit van de
huidige o p l e i d i n g en door geen enkel onderzoek gestaafd w o r d e n . Overeeng e k o m e n w e r d , dat deze m i n d e r h e i d s o p v a t t i n g in de reactie van Sectie 10
w e e r g e g e v e n zou w o r d e n , evenals de conclusies die zij er op de onderscheiden deelaspecten van de nota aan w e n s e n te v e r b i n d e n .
Voorts w i l de sectie op deze plaats haar m i s n o e g e n uitspreken over het
feit, dat het resultaat van de discussie bij voorbaat al beperkt w o r d t door de
goedkeuring die de minister kortgeleden gehecht heeft aan het leerplan van
het Koninklijk C o n s e r v a t o r i u m te 's-Gravenhage. Daarmee heeft hij i m m e r s
de taken van n instituut op v o o r h a n d vastgelegd en hindert hij zijn eigen
plannen, met n a m e ten aanzien van de o p e r a - o p l e i d i n g e n . Ook de geloofw a a r d i g h e i d van de adviesaanvrage w o r d t hierdoor aangetast.
In het onderstaande zal de indeling van de nota g e v o l g d w o r d e n .
Hoofdstuk 1
Paragraaf 1
Zoals uit de cijfers blijkt is de o m v a n g van het muziekvakonderwij s in de
afgelopen tien jaren inderdaad sterk t o e g e n o m e n . Gezien de externe d e m o -

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

28

cratisering van het Hoger Beroepsonderwijs en de beschikbare prognoses


van social demand, zal de vraag naar dit onderwijs ook in de komende periode blijven groeien. Het is strijdig met een goede cultuurspreidingspolitiek
en met het streven naar een Hoger Onderwijs voor velen om - met teksten
als niet minder dan vijftien scholen voor Kunstonderwijs op het gebied van
de muziek, enhet wel zeer grote aantal van 13 conservatoria en Muziekpedagogische Academies - te suggereren dat er te veel instituten voor muziekvakonderwijs zouden zijn. Ook is het niet terecht om te suggereren dat
de kosten voor het muziekvakonderwijs overmatig gestegen zouden zijn. De
gepresenteerde cijfers houden immers ook de inflatiefactor in, en in feite is
de bekostiging per student drastisch gedaald als gevolg van een aantal bezuinigingsmaatregelen van allerlei aard. Daarbij verdient het aandacht, dat
het muziekvakonderwijs steeds een hoog rendement (in de zin van verhouding instroom versus gediplomeerde uitstroom) heeft gekend, niet alleen
door de kwaliteit van het onderwijs maar ook door de instroomselectie die
wordt toegepast. De sterke groei van het studentenbestand in de eerste helft
van de zeventiger jaren heeft dit rendement niet benvloed, en het kan nog
niet vaststaan of en zo ja in welke mate het rendement is gedaald ten gevolge van de uitgevoerde bezuinigingsmaatregelen. Wel staat het vast dat de
bezuinigingsmaatregelen de mogelijkheid voor de individuele student tot
verbreding van zijn opleiding en daarmee tot bredere inzetbaarheid hebben
aangetast, ondanks de formele mogelijkheden die hiertoe geopend zijn.
Ook de conclusie van de minister dat de bestaande situatie een groot risico in zich draagt van versnippering van mankracht en talent, is ongefundeerd. De gemiddelde bezetting van de tien conservatoria overtreft het gemiddelde van de andere HBO-typen, en er zijn geen aanwijzingen vooreen
verandering in deze situatie. Wat in dit verband gezegd wordt over het
zwaarder worden van de kwaliteitseisen en de mate waarin de opleidingen
daaraan tegemoetkomen, getuigt van begripsverwarring. Het is namelijk
niet zozeer de vakbekwaamheid van de afgestudeerden, waaraan steeds hogere eisen worden gesteld, alswel hun veelzijdigheid. Men dient dan ook
niet te spreken van kwaliteitseisen waaraan de conservatoria steeds moeilij
ker kunnen voldoen, maar van functie-eisen die steeds omvangrijker worden
zonder dat rele middelen geboden worden om daaraan tegemoet te ko
men. Voor het handhaven en toetsen van de onderwijskwaliteit staan een inspectie en een leerplancirculaire ter beschikking - en dat zijn zowel voor de
minister als voor het onderwijsveld adequate middelen - , en voor de verbreding van de inzetbaarheid van de afgestudeerden is niet meer nodig dan voldoende studietijd, maar juist daaraan dreigt de minister te willen gaan knagen. In plaats daarvan wil hij schaalvergroting en concentratie van opleidingen.
Er is geen enkele aanwijzing dat daarmee de problematiek afdoende
wordt opgelost. Integendeel, er is alle aanleiding om te vrezen dat bij een
dergelijke herverdeling van taken de huidige kwaliteit van het onderwijs niet
meer gehandhaafd zal kunnen worden.
De indruk bestaat dat de minister zich bij het ontwikkelen van deze plannen te veel heeft laten leiden door de manpower demand vanuit een beperkte sector van de muziekpraktijk, namelijk de symfonie-orkesten. In het corrv
mentaar bij het volgende hoofdstuk zullen wij daarop nader ingaan. Op deze
plaats zij er met nadruk op gewezen, dat de instituten voor muziekvakonderwijs in de eerste plaats brandpunten behoren te zijn van de nationale muziekcultuur, en niet alleen toeleveringsbedrijven voor enkele grote orkesten.
In die muziekcultuur bestaat een permanente behoefte aan kwalitatief hoogstaande opleidingen tot het gehele scala beroepen in de algemene muziekpraktijk. Een beleid dat streeft naar een optimaal gebruik van de daartoe beschikbare middelen mag zeker niet worden afgewezen, maar zo'n beleid kan
en mag nooit gericht zijn op consolidatie van activiteiten in het geheel van
het onderwijs aan de conservatoria en de Muziekpedagogische Academies.
Dat zou regelrecht in strijd zijn met de essentile doelstelling van het onderwijs. Dat in die doelstelling twee factoren te onderscheiden zijn, namelijk de
social demand en de manpower demand, mag niet leiden tot veronachtza-

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

29

ming van het een ten gunste van het ander. Een evenwichtig zwaartepuntenbeleid zal proberen aan beide behoeften te beantwoorden, zonder opportunisme en partijdigheid.
Paragraaf 2
Het belangrijkste criterium bij het bepalen van zwaartepunten in het muziekvakonderwijs moet dus zijn, dat er een vruchtbare relatie ontstaat tussen
de algemene opleidingen voor een steeds breder scala van beroepen in het
Nederlandse muziekleven enerzijds en een aantal specialistische activiteiten
tot behoud en vernieuwing van het internationale topniveau van de Nederlandse muziekcultuur anderzijds. Deze activiteiten zullen, wegens de hoge
materile en personele eisen die eraan gesteld worden en wegens de beperkte recruteringsmogelijkheden, slechts op een beperkt aantal plaatsen
ondernomen kunnen worden.
Waarom het onjuist is een specialistische opleiding tot orkestmusicus te
creren, zal bij het volgende hoofdstuk nader uiteengezet worden. Wel is het
juist de muziek-dramatische opleiding, de opleiding compositie van elektronische muziek en het onderricht in authentieke uitvoeringspraktijken als specialismen te kwalificeren.
Bij de laatste twee specialismen moet echter tegelijkertijd worden opgemerkt, dat het een fout zou zijn, en ook onnodig, om de beoefening ervan bij
voorbaat te binden aan enkele, onveranderlijke, plaatsen. Het aantal plaatsen waar ze beoefend worden zal altijd beperkt zijn, maar wisseling van die
plaatsen, met de wisselingen in het actuele muziekleven, moet mogelijk blijven. Permanente situering in vooraf gekozen centra is alleen noodzakelijk en
verantwoord voor specialismen die uitzonderlijk hoge investeringen en vaste voorzieningen vergen.
Hoofdstuk 2
Paragraaf 7
Ten aanzien van de opleidingen tot uitvoerend musicus ontwikkelt de minister een gedachtengang die niet zeer duidelijk is maar waaruit op te maken
valt, dat hij ze vervangen wil door opleidingen tot orkestmusicus die gevestigd zouden moeten worden aan ten hoogste vier conservatoria. Alleen dan
zou beantwoord kunnen worden aan de roep om verdere kwaliteitsverbetering, die op alle terreinen van het concertleven te horen zou zijn.
In de huidige situatie zouden de meeste instituten nauwelijks in staat zijn
om te voldoen aan de minimumeisen van hun leerplan op dit punt, laat
staan aan de eisen van de orkestpraktijk.
Hierbij dient het volgende te worden aangetekend.
Allereerst is het zo, dat de opleiding tot uitvoerend musicus een algemene
opleiding tot een breed scala beroepen in het muziekleven is, die alleen
daarom al zo gespreid mogelijk in het gehele land dient te worden aangeboden. De leerplancirculaire 1978 laat hierover geen enkele twijfel bestaan. Deze opleiding beoogt een zo breed mogelijke inzetbaarheid, en het zou een
ontoelaatbare vernauwing betekenen wanneer zij alleen werd toegespitst op
de orkestpraktijk of wanneer het onderdeel orkestpracticum aan de opleiding zou worden onttrokken. Concentratie zou niet alleen ondoelmatig zijn,
maar ook slecht voor het muziekvakonderwijs als geheel, omdat dan de docentenopleidingen gescheiden zouden worden van de uitvoerende opleidingen. Niet voor niets heeft het gehele kunstonderwijs jarenlang tegen een
dergelijke ontwikkeling gestreden, en niet voor niets heeft de minister het
belang van een samenhang tussen vak- en docentenopleidingen erkend.
Men kan de inspiratie en de ensemblemogelijkheden van de UM-opleidingen niet straffeloos aan de DM-opleidingen onttrekken. Wel zou men zich
kunnen afvragen of aan de instituten waar ze ontbreken, met name de Muziekpedagogische Academies, geen UM-opleidingen moeten worden toegevoegd.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

30

Voorts moet erop gewezen worden, dat de realiseerbaarheid van een orkestpracticum per school niet alleen af te meten is aan de omvang van het
orkest dat uit de eigen school gerecruteerd kan worden. Er bestaan diverse
vormen van praktijkstage, die, met name voor de strijkers, zonder meer aangemerkt kunnen worden als een onmisbaar onderdeel van het orkestpracticum, dat overigens voor een deel altijd binnen en door de school zelf gerealiseerd zal en moet blijven worden.
Indien er instellingen zijn die momenteel wellicht te klein zijn om hun reguliere onderwijstaak ten aanzien van het orkestpracticum naar behoren te
vervullen, kunnen al dan niet tijdelijke samenwerkingsverbanden met andere instituten afdoende oplossingen bieden. In ieder geval is het ongefundeerd om, nog geen drie jaar nadat de leerplancirculaire van kracht geworden is, te stellen dat vele conservatoria niet kunnen voldoen aan hun eigen
minimumeisen. Ook de gesignaleerde roep om kwaliteitsverbetering is niet
reel in een land waar het concertleven een intensiteit, een veelzijdigheid en
een kwaliteit heeft bereikt, die grote aantrekkingskracht uitoefenen op musici van over de hele wereld.
Wel is het een feit, zoals bij hoofdstuk 1 al uiteengezet is, dat de opleidingen zich voor steeds zwaardere functie-eisen gesteld zien. Het symfonie-orkest wordt door menig musicus, daarin voorgegaan door de componisten,
al lang niet meer beschouwd als de belangrijkste vorm van professioneel ensemblespel, en de voorkeur van de studenten gaat steeds meer uit naar een
pluriforme carrire. Toespitsing van de UM-opleiding op de concertpraktijk
zou ook aan deze ontwikkeling onrecht doen.
Bovendien - het is ook bij de inleiding al opgemerkt - bieden concentratie
en schaalvergroting geen enkele garantie voor het behoud, laat staan voor
de verbetering van de onderwijskwaliteit. Een praktisch bezwaar van het
creren van opleidingen tot orkestmusicus op vier instituten zou alleen al
zijn, dat deze instituten een groot overschot zouden hebben aan blazers, harpisten en slagwerkers. Ook zouden zij de deelnemers aan deze opleidingen
moeten recruteren uit een veel minder breed areaal dan nu voor de UM-opleidingen beschikbaar is.
Paragraaf 2
De muziek-dramatische of opera-opleidingen moeten inderdaad gezien
worden als een specialisatie met zeer beperkte beroepsmogelijkheden en
speciale eisen op het gebied van de personele en materile voorzieningen.
Ook het aanbod van studenten is gering. Niet voor niets zijn deze opleidingen geconcentreerd op drie conservatoria. De vereniging van docenten in
het muziekvakonderwijs pleit ervoor om, indien de Haagse opleiding zou komen te vervallen, te onderzoeken of een opera-opleiding in het noordoosten
van het land levenskansen heeft. Het Koninlijk Conservatorium te 's-Gravenhage acht het onvermijdelijk dat het huidige aantal opleidingen wordt teruggebracht tot n.
Een aparte bekostigingssleutel voor deze opleiding zou zeer welkom zijn.
Hoofdstuk 3
Uiteraard is het gewenst dat het zwaartepuntenbeleid ook de initiring van
nieuwe studiedifferentiaties in het muziekvakonderwijs omvat. De restrictie
echter, dat deze noviteiten gerealiseerd moeten worden zonder instelling
van nieuwe afdelingen of diploma's, is moeilijk te rijmen met de plannen
van de minister in het kader van de concept-Wet HBO. Daarin wordt immers
gesproken van samengestelde studierichtingen die gerealiseerd moeten
worden in onderlinge samenwerking van anderssoortige onderwijsinstellingen. Opleidingen tot muziektherapeut, muziekjournalist, impresario of manager van muziekinstellingen zijn schoolvoorbeelden van zulke samengestelde studierichtingen, en kunnen niet gerealiseerd worden binnen de grenzen van de bestaande afdelingen en diploma's.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16 957, nr. 1 en 2

31

Ook is het niet reel in alle denkbare voorbeelden van nieuwe studiedifferentiaties de instrumentale en vocale vaardigheid centraal te stellen. De
plaats daarvan in de te ontwikkelen studieprogramma's zal per geval nader
onderzocht moeten worden.
Dat het muziekonderwijs ook ten aanzien van de culturele minderheden in
Nederland een taak te vervullen heeft, in een problematische stelling. Er bestaat niet de geringste twijfel over dat uitingen van andere culturen inspirerend gewerkt hebben op de Nederlandse cultuur en er in veel gevallen een
integrerend onderdeel van zijn gaan uitmaken. Dit houdt echter niet in dat het
Nederlandse muziekvakonderwijs op zinnige wijze aan minderheden hun eigen cultuur kan overdragen. Wil men de cultuurpatronen van minderheden
ongerept in stand houden, dan zal men de hulp moeten inroepen van mensen die daarin zijn opgegroeid. Vooraf zullen die minderheden echter zelf
moeten bepalen of zij hun cultuur willen behouden, en als dat zo is dan dient
men zich de consequenties daarvan voor de Nederlandse bevolking bewust
te zijn. Het is een emancipatieprobleem dat het muziekvakonderwijs verre
overstijgt. Overigens hebben de culturele minderheden uiteraard recht op
onderwijs dat gelijkwaardig is aan dat van de oorspronkelijke Nederlandse
bevolking, en ook in het muziekvakonderwijs zal dus, aansluitend bij wat
zich in dit opzicht in het Voortgezet Onderwijs zal moeten ontwikkelen, afstemming op de verstaanbaarheid voor culturele minderheden moeten
plaatsvinden. Ook voor de selectie van de te verwachten instroom zullen
passende maatregelen getroffen moeten worden.
Wat de minister opmerkt ten aanzien van de lichte muziek heeft onze
instemming.
Hoofdstuk 4
De voorbereiding op het muziekvakonderwijs zou de inhoud van dit
hoofdstuk beter dekken dan de titel Muziek in het Voortgezet Onderwijs,
die in de nota wordt gebruikt.
Het verdient waardering dat de minister de gebrekkige vooropleidingssituatie voor het muziekvakonderwijs onderkent en dat hij stappen wil ondernemen om daarin verbetering te brengen. De wijze waarop de Sectie Kunstonderwijs van de HBO-Raad tot nu toe betrokken is bij activiteiten die door
de minister, in samenwerking met zijn college van CRM, in deze richting ondernomen zijn - met name de beleidsnotities Samenwerking secundair onderwijs en culturele instellingen en Muziek en Primair Onderwijs dienen
hier genoemd te worden - laat echter veel te wensen over en behoeft dringend verbetering. Voorts moet erop gewezen worden dat de experimenten
die tot nu toe op dit gebied ondernomen zijn - zelfs de meest veelbelovende
- nog lang niet in alle opzichten hun deugdelijkheid bewezen hebben, en in
geen geval een structurele oplossing bieden. Er zijn nog veel open vragen
met betrekking tot de onderwijskundige en formele verantwoordelijkheid en
over de bredere toepasbaarheid van de huidige experimenten. Een grondige
evaluatie zal daarom vooraf moeten gaan aan nieuwe maatregelen. Deze
maatregelen zouden zich niet alleen tot het voortgezet onderwijs naar ook
tot het basisonderwijs moeten uistrekken.
In ieder geval zijn de vooropleidingscursussen die door het muziekvakonderwijs zelf verzorgd worden en die blijkens de deelnamecijfers in een grote
behoefte voorzien, onmisbaar. Allereerst zouden de voorzieningen voor deze vooropleidingscursussen, met name de veel te lage bekostigingssleutel,
verbeterd moeten worden.
Hoofdstuk 5
Het is zeer verheugend dat de minister in deze nota in eenduidige positieve zin en met concrete handreikingen reageert op de standpunten en wensen die sinds jaar en dag door het gehele Kunstonderwijs worden geuit inzake de onderzoekscomponent van dit onderwijs en die laatstelijk verwoord
zijn in het rapport Wettelijk Kader Kunstonderwijs van de HBO-Raad.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

32

Dit hoofdstuk is te beschouwen als een eerste stap naar een situatie waarin onderzoek een integraal onderdeel vormt van het Kunstonderwijs; een situatie die vergelijkbaar is met het functioneren van bij voorbeeld de medische faculteiten, waar onderwijs, gezondheidszorg en de ontwikkeling van
de medische wetenschap hand in hand gaan. Daarin past het financieren
van vernieuwende onderzoeken die vanuit instituten worden gentameerd,
en ook onderzoeksprojecten van HBO en Wo zijn zeer wel denkbaar. Een
schoolvoorbeeld van het laatstgenoemde is het voorgestelde project Kunstonderwijs en onderwijskunde, een onderwijsgericht onderzoek waarvan
verwacht mag worden dat de minister er in dit kader spoedig zijn goedkeuring aan zal hechten. Een ander voorbeeld zou kunnen zijn een fundamenteel onderzoek naar het waarom en hoe van muziektherapie. Hieruit zouden
de functie-eisen van de muziektherapeut kunnen worden afgeleid, als basis
voor de ontwikkeling van een opleidingsprogramma door instellingen van
gezondheidszorg" en muziekvakonderwijs. Ook voor andere nieuwe studiedifferentiaties zouden op deze wijze programma's ontwikkeld kunnen worden met steun van de overheid.
Hoofdstuk 6
Er is alle reden tot verontwaardiging over het feit, dat de Minister van Onderwijs en Wetenschappen zijn beschouwingen over de indeling van het
muziekvakonderwijs in dit hoofdstuk niet baseert op de inhoud en de doelstellingen van dit onderwijs, maar op de concept-tekst van een wet die zich
nog volledig in de adviseringsfase bevindt, en dan nog niet eens op de onderwijskundige uitgangspunten van die wet, maar uitsluitend op het getal
dat daarin genoemd wordt betreffende de lengte van de studieduur. Deze
studieduur is in het advies van de HBO-Raad op het concept-wetsontwerp al
eerder becommentarieerd. Daaraan zij toegevoegd, dat de studieduur en de
indeling van de opleidingen in het muziekvakonderwijs, evenals in het beeldend kunstonderwijs en het theateronderwijs, niet los gezien kunnen worden van de vooropleidingsproblematiek.
Overigens is het zo, dat mogelijkheden tot nascholing en een goede regeling daarvan hoog op de verlanglijst van het kunstonderwijs staan, juist met
het oog op de verbetering van de vooropleidingssituatie.
Hoofdstuk 7
Een beleid dat zich richt op zwaartepunten dient ook in financieel opzicht stevig onderbouwd te worden. Het zou geen zwaartepuntenbeleid mogen heten wanneer de realisering ervan ten koste zou gaan van het huidige
onderwijsaanbod. Met name de voorgestelde herverdeling van taken voor
de opleiding tot uitvoerend musicus zou een belangrijke pijler wegslaan onder de overige maatregelen die in de nota worden voorgesteld.
Ook de eis dat het initiren van nieuwe studiedifferentiaties budgettair
neutraal moet verlopen, stelt de realisering van dit beleidsvoorstel op losse
schroeven.
Het bedrag dat in de meerjarenraming voorzien is voor extra stimulering
van het zwaartepuntenbeleid en voor speciale onderzoeksactiviteiten (1 miljoen gulden in 1984, dat wil zeggen minder dan 1% van het huidige budget
van het muziekvakonderwijs) is niet meer dan een druppel op de gloeiende
plaat.
Wil dit beleid vruchten afwerpen, dan zullen de financile mogelijkheden
zo snel mogelijk op de onderwijskundige behoeften moeten worden afgestemd.
Hoofdstuk 9
Het commentaar van Sectie 10 op de nota laat zich als volgt samenvatten.
1. De huidige spreiding van het muziekvakonderwijs dient, gezien de
prognoses van de instroom en op basis van de geldende cultuurspreidings-

Tweede Kamer, zitting 1981,16957, nr. 1 en 2

33

politiek, g e h a n d h a a f d te blijven. Voor het h a n d h a v e n en toesten van de o n derwijskwaliteit staan een inspectie en een leerplancirculaire ter beschikking.
2. Voor een e v e n w i c h t i g e o n t w i k k e l i ng van het m u z i e k v a k o n d e r w i js is
een zwaartepuntenbelei d gewenst. Een eerste z w a a r t e p u n t is de noodzaak
tot het ontwikkelen van nieuwe studiedifferentiaties. Gedacht w o r d t aan m u ziekopleidingen ten behoeve van gezondheidszorg, cultureel m a n a g e m e n t
en journalistiek. Speciale aandacht verdient de a f s t e m m i n g van het muziekv a k o n d e r w i j s o p de i n s t r o o m vanuit culturele m i n d e r h e d e n . S a m e n w e r k i n g
met anderssoortige o n d e r w i j s i n s t e l l i n g e n m o e t m e t het o o g hierop mogelijk
gemaakt w o r d e n .
3. Aan de v o o r b e r e i d i n g op het m u z i e k v a k o n d e r w i js in het basisonderwijs en het voortgezet o n d e r w i js w o r d t eveneens g r o o t g e w i c h t gehecht.
O m hiervoor tot structurele oplossingen te k o m e n dienen bestaande experimenten g r o n d i g gevalueerd te w o r d e n in s a m e n w e r k i n g met de HBO-Raad.
De bekostigingssleutel v o o r de v o o r o p l e i d i n g e n aan de conservatoria, die
o n m i s b a a r zijn, behoeft d r i n g e n d verbetering.
4. S t i m u l e r i n g van zelfstandige onderzoeksprojecten en onderzoeksprojecten in s a m e n w e r k i n g met het wetenschappelij k o n d e r w i j s is al jarenlan g
een dringend e w e n s van het gehele k u n s t o n d e r w i j s . In dit kader past een
spoedige start van het aangevraagde project K u n s t o n d e r w i js en o n d e r w i j s kunde, en het opzetten van onderzoek ten behoev e van de o n t w i k k e l i n g van
nieuwe onderwijsprogramma's.
5. Door zijn eigen aard kan het m u z i e k v a k o n d e r w i j s niet gesplitst w o r d e n
in opleidingen van verschillend niveau. Het is o n g e d e e l d o n d e r w i j s . Er is
echter w e l grote behoefte aan goede n a s c h o l i n g s m o g e l i j k h e d e n ter verbetering van de v o o r o p l e i d i n g in het basis- en het voortgezet o n d e r w i j s.
6. De realisering van zwaartepunten mag niet ten koste gaan van het bestaande o n d e r w i j s a a n b o d en vergt adequate financile v o o r z i e n i n g e n .
Commentaar op de bijlagen
Het cijfermateriaal in de bijlagen is niet significant v o o r de p r o b l e m a t i ek
die in de nota w o r d t gesignaleerd. De indruk bestaat dat achteraf gezocht is
naar harde a r g u m e n t e n tot rechtvaardiging van een aantal o p zich zelf arbitrairT beleidsvoorstellen.
De tabellen A 1 , A 2 , en A3 geven geen juist beeld van de d e e l n a me aan de
U M - o p l e i d i n g e n , o m d a t verschillende instituten studente n pas in latere studiejaren als U M - s t u d e n t aanmerken. De geschiktheid v o o r deze o p l e i d i n g
manifesteert zich niet altijd bij de toelating of na het eerste studiejaar. Vaak
valt de beslissing hierover zelfs pas aan het eind van het derde studiejaar.
Een overzicht van de aantallen afgestudeerden met een U M - d i p l o m a zou
een juister beeld geven. Hetzelfde geldt v o o r de tabellen B 1 , B2 en B3. A a n nemende dat de tabellen C 1 , C2 en C3 betrekking hebben o p dezelfde cursusjaren als de A- en B-tabellen, ziet men v o o r de g e n o e m d e i n s t r u m e n t e n
een belangstellingstoename van 3 3 % in t w e e jaar tijds , hetgeen duidt o p
een snel groeiende algemene behoefte.
Invoeging in deze C-tabellen van de i n s t r u m e n t e n orgel, clavecimbel en
blokfluit, die toch alles met authentieke u i t v o e r i n g s w i j z en te maken h e b b e n ,
t o o n t aan dat een zwaartepun t historische muziek in het Koninklijk C o n s e r
v a t o r i u m niet op zijn plaats is.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16 957, nr. 1 en 2

34

ADVIES EN OVERLEGORGAAN VOOR HET HOGER BEROEPSONDERWIJS


Minister van O n d e r w i j s en W e t e n s c h a p p e n ,
A. Pais
's-Gravenhage, 11 februari 1981
O n d e r w e r p : A a n v u l l i n g op de reactie op de discussienota Z w a a r t e p u n t e n
in het Muziekvakonderwijs
In aansluiting op brief nr. 10.2550/81.029 van 4 f e b r u a r i j l . verzoek ik u enkele misstellingen in de reactie van de Sectie K u n s t o n d e r w i j s o p de discussienota Z w a a r t e p u n t e n in het Muziekvakonderwijs als v o l g t te c o r r i g e r e n :
blz. 4, regel 3 t / m 5 dient te l u i d e n :
Wel is het juist de muziek-dramatisch e o p l e i d i n g en eventueel de opleid i n g c o m p o s i t i e van elektronische muziek als specialismen te kwalificeren.
De daarop v o l g e n d e zin v e r v o l g t dan Bij deze t w e e specialisme n ...etc.
blz. 5, regel 17 concertpraktijk dient gelezen te w o r d e n als orkestpraktijk.
blz. 5, laatste zin van paragraaf 2, deze moet l u i d e n :
Een aparte bekostigingssleutel voor deze o p l e i d i n g e n zou zeer w e l k o m
zijn.
N a m e n s de Sectie K u n s t o n d e r w i j s ,
A. Hoetjes, w n d . secretaris

T w e e d e K a m e r z i t t i n g 1981,16 957, nr. 1 en 2

35

KONINKLIJK CONSERVATORIUM
A a n Zijne Excellentie dr. A. Pais, Minister van O n d e r w i j s en W e t e n s c h a p p e n
's-Gravenhage, 24 maart 1981
1, In aansluiting aan onze brief van 5 januari jl. m o g e n w i j u thans namens
de C o m m i s s i e van Advie s en Bijstand van het Koninklijk C o n s e r v a t o r i u m te
's-Gravenhage als v o l g t berichten naar aanleiding van de aan onze C o m m i s sie bij u w brief van 6 n o v e m b e r 1980, kenmerk HW/HB/KUO/MT-654.993,
t o e g e z o n d e n discussienota Zwaartepunten in het muziekvakonderwijs.
Daarbij zal tevens, waar daartoe aanleiding bestaat, w o r d e n ingegaan op de
reactie op uw discussienota van de Sectie K u n s t o n d e r w i j s van de HBO-Raad
d d . 4 februari j l . Wel is het goed hierbij reeds thans o p te m e r k e n , dat ons
c o m m e n t a a r uiteraard beperkt blijft tot die o n d e r w e r p e n die direct of indirect het Koninklijk C o n s e r v a t o r i u m raken, hetgeen niet w e g n e e m t dat af en
toe o p meer algemen e aspecten v a n het door u voorgestan e beleid ten
aanzien van het m u z i e k v a k o n d e r w i j s zal w o r d e n ingegaan. In het hierna v o l g e n d e w o r d t de indeling van u w discussienota op de voet g e v o l g d .
2. Hoofdstuk 1. Inleiding
In de eerste plaats hechten w i j eraan op te merken dat w i j w a a r d e r i n g hebben v o o r het feit dat u in deze nota enkele essentile p r o b l e m e n van het m u ziekvakonderwijs hebt aangesneden en een aanzet hebt gegeven tot het t o t
een o p l o s s i n g brengen daarvan. Dat w i j een dergelijk initiatief al (veel) eerder g e n o m e n hadden w i l l e n zien, doet aan onze w a a r d e r i n g niet af. Integendeel.
Voorts delen w i j u w oordeel dat het grote conservatoria en muziekpedagogische academies in ons land, in het belang van een zo g o e d mogelijk m u ziekvakonderwijs, d w i n g t tot een herverdeling van taken. De in u w nota centraal geplaatste concentratiegedachte van de o p l e i d i n g tot u i t v o e r e n d m u s i cus en enkele andere o p l e i d i n g e n juichen w i j toe.
Indien w i j - v o o r a l s n o g zonder in details te treden - in enkele p u n t e n zouden m o g e n samenvatten w a a r o m o.i. een dergelijke concentratie het m u ziekvakonderwijs ten goede zal k o m e n , zo niet voor het h a n d h a v e n en zo
mogelijk verbeteren van het niveau daarvan gebode n is, zouden w i j de v o l gende w i l l e n n o e m e n :
a. De mogelijkhei d van een betere kwaliteitsbewaking . Het grote aantal en
de grote verscheidenheid van de instituten maken het hanteren van m i n of
meer gelijke en objectieve kwaliteitscriteria in het huidige bestel welhaast
tot een illusie.
b. De mogelijkheid o m gekwalificeerde docenten op het gebied van de
u i t v o e r e n d e kunsten en rnet ervaring in de uitvoeringspraktijk aan de opleid i n g e n te v e r b i n d e n . Docenten van het idealiter vereiste niveau , ook op het
punt van ervaring in de uitvoeringspraktijk, zijn niet talrijk. Het k o m t nu te
vaak v o o r dat zij hun tijd en aandacht moeten verdelen over meerdere instituten of in s o m m i g e gevallen in het geheel niet beschikbaar zijn.
c. De mogelijkheid van betere en evenwichtere practica (zowel v o o r orkestspel als samenspel in andere ensembles) in de conservatoria. De v o o r
het op de uitvoeringspraktijk gerichte o n d e r w i j s uiterst nadelige versnippering van talent ook onder de Nederlandse c o n s e r v a t o r i u m l e e r l i n g en (wij w e zen er al o p in onze brief aan u van 2 n o v e m b er 1979) is o n v e r m i j d e l i jk bij het
h u i d i g e , historisch gegroeid e bestel van het muziekvakonderwijs. Terecht
w o r d t o.i. aan dit punt in het inleidend hoofdstuk van u w nota aandacht besteed. W i j zouden daaraan nog w i l l e n toevoegen dat het ook op de muzikale
en artistieke v o r m i n g van de j o n g e musicus s t i m u l e r e n d kan w e r k e n , talentv o l l e j o n g e studenten samen te brengen. De t e g e n w e r p i n g in het advies van
de sectie k u n s t o n d e r w i js (blz. 3 bovenaan), dat de g e m i d d e l d e bezetting van
de conservatoria het g e m i d d e l d e van andere HBO-typen overtreft, is in dit
v e r b a n d o.i. zonder betekenis. Niet alleen geldt bij andere typen HBO

T w e e d e Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

36

niet, althans in veel m i n d e re mate d a n bij het op de uitvoeringspraktijk gerichte muziekvakonderwijs, w a a r b i j met name practica in orkest- en e n s e m blespel van essentieel belang zijn, dat spreiding van getalenteerde leerlingen
v o o r het niveau van het o n d e r w i j s uiterst nadelig is, maar b o v e n d i e n w o r d t
de g e m i d d e l d e bezetting van de conservatoria grotendeels bepaald d o o r de
leerlingen van de d o c e n t e n o p l e i d i n g , en meer in het bijzonder de leerlingen
aan de studierichting A M V en schoolmuziek. En het is juist v o o r de o p l e i d i n g
tot u i t v o e r e nd musicus dat de v e r s n i p p e r i n g van het aanwezige talent f n u i kend is.
S a m e n v a t t e n d kan w o r d e n o p g e m e r k t dat onze C o m m i s s i e de concentratiegedachte van uw nota steunt. De o p m e r k i n g in het advies van de sectie
k u n s t o n d e r w i j s (pag. 2 bovenaan) dat de opvatting van de conservatoria te
's-Gravenhage en te Utrecht gebaseerd zou zijn o p een o n d e r w i j s f i l o s o fie die aan de m a n p o w e r d e m a n d v o o r r a n g geeft boven de social d e m a n d ,
laten w i j geheel voor rekening van die sectie. Dat de door u v o o r g e s t a ne
concentratie slechts zou zijn ingegeven o m t e g e m o e t te k o m e n aan de behoefte van de grote symfonie-orkesten aan gespecialiseerde i n s t r u m e n t a l i s ten, dirigenten en solisten zoals te aangehaalder plaatse w o r d t o p g e m e r k t ,
(zie ook blz. 3, m i d d e n en het c o m m e n t a a r op Hoofdstuk II, par. 1, v a n de sectie 10) berust o.i. op een m i s v a t t i n g , althans een te beperkte interpretatie van
de nota, w a a r i n (o.m. blz. 4) juist m e d e de aandacht w o r d t g e v e s t i g d op het
t o e n e m e n d e muziekaanbod in kleinere bezettingen en e n s e m b l e s. Nergens
in u w nota w o r d t betoogd dat de instituten v o o r m u z i e k v a k o n d e r w i j s slechts
toeleveringsbedrijven zouden m o e t e n zijn v o o r enkele g r o t e orkesten
(vgl. advies sectie 10, blz. 3, m i d d e n ) .
Ook w i l het ons v o o r k o m e n , dat de o p m e r k i n g die de sectie kunstonderw i j s op dit punt in haar rapport maakt over u w g o e d k e u r i n g van het leerplan
van het Koninklijk Conservatorium misplaatst is. Deze g o e d k e u r i n g is, zo
menen w i j te m o g e n a a n n e m e n , verleend onder de vigerende o m s t a n d i g h e den en prejudicieert n i e t t e n aanzien van het t o e k o m s t i g e beleid.
Nog o p een ander punt plaatsen w i j een kanttekening bij het advies van de
sectie 10, nl. waar zij opgemerkt dat de vraag naar m u z i e k v a k o n d e r w i j s zal
blijven groeien. Dit lijkt ons, reeds gezien het t e r u g l o p e n van het aantal
leerlingen in het lager en voortgezet o n d e r w i j s , op zijn mins t d u b i e u s . Bovendien lijkt zich reeds nu geleidelijk een verzadiging van de arbeidsmarkt
ook in het muziekonderwijs af te tekenen ( s y m p t o o m : de beperking van het
aantal o n b e v o e g de leerkrachten aan muziekscholen door CRM), die ook een
m a t i g e n d e invloed zal hebben o p de t o e s t r o m i n g van leerlingen naar het
muziekvakonderwijs. Daarmee hangt samen dat in de t o e k o m s t enige scepsis op zijn plaats zal zijn ten aanzien van de instroomselectie (een factor die,
zoals sectie 10 in haar rapport o p m e r k t , van betekenis is v o o r het rendem e n t ) : bij een minder w o r d e n d a a n b o d van het aantal leerlingen bestaat het
gevaar dat de toelatingseisen m i n d e r streng gehanteerd zullen w o r d e n .
3. Hoofdstuk

2. Opleiding

tot uitvoerend

musicus

Par. 1
Zoals uit het vorenstaande v o l g t o n d e r s t e u n en w i j de in dit hoofdstuk ontwikkelde gedachte. Niettemin o p een enkel punt een korte o p m e r k i n g .
W i j hebben er al op gewezen dat de sectie 10 u w nota o.i. te beperkt interpreteert, inzien zij daarin w a t de concentratie van de opleiding tot uitvoerend musicus betreft slechts een pleidooi ziet v o o r concentratie van de opleiding tot orkestmusicus. Aan haar moet echter w o r d e n t o e g e g e v e n , dat uit de
nota niet met zoveel w o o r d e n blijkt dat de (o.i. sterke) a r g u m e n t e n die pleiten v o o r het concentreren van o p l e i d i n g uitvoerend musicus in vier centra,
van evenveel gewicht zijn v o o r de d i r i g e n t e n o p l e i d i n g en de opleidinge n
zang en niet-specifieke orkestinstrumente n (zoals piano en gitaar), met uitzondering wellicht van het vak o r g e l . Voor andere, kleinere ensembles dan

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

37

het traditionele symfonie orkest geldt immers wellicht in nog sterkere mate
dat het huidige onevenwichtige studentenbestand van de conservatoria het
praktisch onmogelijk maakt behoorlijke en homogene vormen van samenspel, laat staan verdeeld naar verschillende niveaus, in stand te houden.
Om nu eens niet de weinig homogene conservatoriumorkesten als voorbeeld te noemen: ook in de kleinere ensembles die thans op de conservatoria gevormd kunnen worden, speelt bijna iedereen ofwel boven ofwel beneden zijn niveau. Het concentreren van de opleiding tot uitvoerend musicus
als door u (en ons) voorgestaan zal hier naar onze mening mogelijkheden tot
dringend gewenste verbetering openen, en de conservatoria in staat stellen
te voldoen aan de ten aanzien van practica in samenspel geldende minimumeisen. Deze eisen maken overigens sinds jaar en dag een vanzelfsprekend
element van het muziekvakonderwijs uit en natuurlijk geenszins eerst sedert
het van kracht worden van de leerplancirculaire van 1978, zoals sectie 10 in
haar advies lijkt te suggereren (blz. 5 bovenaan). Dat het ontbreken van behoorlijke mogelijkheden voor dergelijke practica thans niet voldoende wordt
opgevangen door de bestaande vormen van praktijkstage is duidelijk. Wie
met vrucht aan een dergelijke praktijkstage wil deelnemen zal toch eerst aan
het conservatorium een zeker niveau moeten hebben bereikt.
Dit stelt tevens de vraag naar de kwaliteit aan de orde, die in het advies
van sectie 10 wordt geplaatst tegenover de wens vooral veelzijdige musici
op te leiden (advies sectie 10, blz. 3 bovenaan). Zonder te willen ontkennen
dat, zeker in de huidige gedifferentieerde concertpraktijk, een sterk beroep
wordt gedaan op de veelzijdigheid van de uitvoerend musicus, menen wij
toch te moeten stellen dat veelzijdigheid van weinig waarde is als zij niet primair gedragen wordt door een zo groot mogelijke vakbekwaamheid. De
noodzaak hiervan wordt o.i. nog onderstreept door de ook in de uitvoeringspraktijk van de muziek in onze tijd optredende specialisatie.
Hoewel het Koninklijk Conservatorium bij de vraag waar, buiten Amsterdam en Den Haag, de beide andere instituten met een bovenregionale
taak gevestigd moeten zijn, niet direct belanghebbend is, veroorloven wij
ons daarover toch een enkele opmerking. Het komt ons weinig realistisch
voor daarbij te denken aan plaatsen in het noorden of oosten en in het zuiden van ons land. Voor instituten als die waarom het hier gaat lijkt het van essentieel belang dat zij gevestigd zijn in plaatsen met een gedifferentieerde
culturele ambiance, zulks niet in de laatste plaats omdat men slechts daar
leraren zal kunnen vinden van het voor deze opleidingen noodzakelijke hoge
niveau. Het door de sectie 10 tegen concentratie van de opleiding tot uitvoerend musicus in vier instituten aangevoerde argument dat aldus vakopleiding van de docentenopleiding zou worden gescheiden is o.i. een schijnargument. De docentenopleiding impliceert immers wel degelijk een vakopleiding, al is deze niet op de concertpraktijk gericht. In uw nota (blz. 8 onderaan) wordt terecht opgemerkt, dat niet alleen de toekomstige uitvoerend
musicus, maar ook de toekomstige docent die zanglessen of instrumentale
lessen aan de muziekschool gaat geven, allereerst een bespeler van een instrument of een zanger moet zijn.
Par. 2. De muziekdramatische

opleiding

Wij onderschrijven eveneens de wens om in Nederland niet drie opera-opleidingen te handhaven. Wij zouden zelfs op onderwijskundige gronden geneigd zijn te menen dat het aantal muziek-dramatische opleidingen in ons
land tot n zou moeten worden teruggebracht, gezien de weinig talrijke
werkelijk getalenteerde studenten en gekwalificeerde docenten. De versnippering van talent en mankracht wreekt zich, zoals in uw nota terecht wordt
opgemerkt, op dit terrein wel in het bijzonder. Wij kunnen dan ook niet inzien
hoe, gezien het uitgangspunt van uw nota, op onderwijskundige gronden
kan worden volgehouden dat de opera-opleiding in Maastricht moet worden
gehandhaafd. Daarvoor ontbreekt in uw nota (blz. 7) dan ook ieder argument.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

38

Wij ontkomen er niet aan, waar het muziekdramatische opleiding betreft,


een oratio pro domo, zelfs in de letterlijke zin, te houden. Het lijkt immers
ongerijmd de opera-opleiding in Amsterdam te concentreren, nu juist in het
conservatorium in Den Haag een enorme investering van overheidsgelden
heeft plaatsgehad door de verwezenlijking van veruit de best geoutilleerde
moderne theaterzaal voor deze opleiding, met de grootste orkestbak van Nederland. Er zal in Europa geen instituut met een muziekdramatische opleiding te vinden zijn, dat over vergelijkbare faciliteiten beschikt. Deze zaal kort
na totstandkoming weer aan de opera-opleiding te onttrekken, zou o.i. een
niet te verdedigen beslissing zijn.
4. Hoofdstuk 3. Nieuwe studiedifferentiaties
Naar ons gevoelen gaat het in dit hoofdstuk behandelde het kader van een
zwaartepuntennota enigszins te buiten, reden waarom wij hierover slechts
kort zullen zijn.
Ongetwijfeld valt een ontwikkeling waarbij door het initiren van nieuwe
studiedifferentiaties kan worden voldaan aan de behoeften die in de samenleving ontstaan, toe te juichen. Indien men echter, voornamelijk om budgettaire redenen, prioriteiten moet stellen (en dat dat het geval is, wordt nu juist
in Hoofdstuk 7 van uw nota betoogd), komt het ons voor, dat voorrang moet
worden gegeven aan verbetering van de bestaande voorzieningen en specialisaties, die nu nog vaak slechts met moeite in stand gehouden kunnen
worden door besnoeiing op de reguliere opleidingen.
5. Hoofdstuk 4. Muziek in het voortgezet onderwijs
In het algemeen onderschrijven wij de in dit hoofdstuk ontwikkelde gedachten, in het besef overigens, dat het Koninklijk Conservatorium op dit
punt een gunstige positie inneemt door de combinatie van het conservatorium en de dansvakopleiding met een lager school met de 5e en 6e klas
en een m.a.v.o.-school met h.a.v.o.-top.
In dit hoofdstuk van uw nota wordt naar onze mening weliswaar terecht
naar wegen gezocht om het beginniveau van de vakopleiding te verbeteren,
hetgeen inderdaad van niet te onderschatten betekenis is voor het eindniveau, maar o.i. is onvoldoende aandacht geschonken aan de begeleiding
van talentvolle kinderen beneden de 12-jarige leeftijd, dus in het basisonderwijs. Wij onderschrijven de door de sectie Kunstonderwijs geuite wens dat
uw contacten op dit gebied met uw ambtgenoot van CRM gentensiveerd
worden. Daarbij verdient opmerking, dat het bij concentratie van de vakopleiding tot uitvoerend musicus, die een doorstroming van de regionale scholen naar de centrale opleidingsinstituten met zich mee zal brengen, van
groot belang zal zijn garanties te scheppen voor een goede aansluiting en
een cordinatie van de kwaliteitscriteria en het toelatingsbeleid. Aan deze
o.i. noodzakelijke samenhang tussen de beide vormen van onderwijs wordt
in uw nota, naar het ons voorkomt, onvoldoende aandacht besteed.
Met nadruk willen wij ook de door de sectie Kunstonderwijs in haar reactie
(pag. 6 onderaan) gemaakte opmerking ondersteunen, dat de bekostigingssleutel voor de vooropleiding aan de conservatoria (besproken in uw nota
sub 3, op blz. 14/15) veel te laag is. Wellicht zou een verbetering reeds kunnen worden gevonden door te differentiren tussen studenten die deze
vooropleiding volgen terwijl zij in de laatste twee jaren van hun h.a.v.o.- of
v.w.o.-opleiding zijn, en de studenten die deze opleiding reeds hebben afgerond. Deze laatsten zijn immers in de gelegenheid veel intensiever de vooropleiding te volgen, zodat deze bij voorbeeld tot n jaar zou kunnen worden teruggebracht met gelijktijdige verdubbeling van de bekostigingssleutel
te hunnen aanzien.
6. Hoofdstuk 5. Onderzoek
Dit hoofdstuk, waarvan wij de strekking geheel onderschrijven, geeft ons
geen aanleiding tot commentaar. Ook met de hieromtrent gemaakte opmer-

Tweede Kamerzitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

39

kingen van de sectie Kunstonderwijs van de HBO-Raad kunnen wij ons over
het algemeen verenigen. Een uitzondering moet echter gemaakt worden
voor haar opmerking (pag. 9, slot), dat een zwaartepunt historische muziek in het Koninklijk Conservatorium niet op zijn plaats zou zijn. Deze opmerking lijkt op geen enkel reel argument gefundeerd te zijn. Wel zijn wij
van mening, dat het onjuist zou zijn deze opleiding niet ook in Amsterdam te
handhaven.
7. Hoofdstuk 6. Nascholing
Hetgeen in dit hoofdstuk wordt gezegd over de postconservatoriale nascholing ontmoet bij ons geen bezwaar. Wel echter hebben wij ernstige kritiek op hetgeen wordt opgemerkt over het terugbrengen van de cursusduur
van de initile vakstudie tot maximaal vier jaar. Hierbij lijkt geheel te zijn
voorbijgezien aan het toch in het oog springende verband dat bestaat tussen
de studieduur en de kwaliteit van het voorbereidend onderwijs, waarvan in
Hoofdstuk 4 sprake was. Op dit punt delen wij de mening van de sectie Kunstonderwijs van de HBO-Raad. Bekorting van de studieduur zonder dat daaraan voorafgaat een wezenlijke verbetering van de huidige situatie met betrekking tot het voorbereidend onderwijs, achten wij uit den boze. Zij zou
slechts een nog verdere kwaliteitsverlaging bewerkstelligen.
Aan bekorting van de studieduur valt naar ons oordeel eerst te denken, indien de hierboven, ad Hoofdstuk 4, geschetste desiderata met betrekking tot
de aard en het niveau van het voorbereidend onderwijs en de cordinatie
van dat onderwijs met het vakonderwijs, volledig zijn verwezenlijkt en in de
praktijk hun deugdelijkheid hebben bewezen. Wij zouden tegen bekorting
van de studieduur zonder dat dit het geval is, de grootst mogelijke bezwaren
hebben.
8. Hoofdstuk 7. Financiering
Zoals wij al opmerkten in ons commentaar op Hoofdstuk 3 is het onvermijdelijk dat er prioriteiten moeten worden gesteld. Het zal duidelijk zijn, dat
daarbij de accenten naar ons oordeel anders gelegd moeten worden dan
door de sectie Kunstonderwijs wordt voorgestaan. Naar ons gevoelen zou
het onverantwoord zijn bij de huidige financile situatie voorrang te geven
aan het initiren van nieuwe studiedifferentiaties - hoe aantrekkelijk de hieromtrent in uw nota gelanceerde ideen op zich zelf ook zijn - boven het naar
vermogen verbeteren van de bestaande specialisaties, zodat de financiering
daarvan niet langer ten koste gaat van de reguliere opleidingen.
9. Samenvattend kan worden gezegd, dat onze Commissie de in uw nota
ontwikkelde gedachten, behoudens enkele punten van kritiek, die in het vorenstaande zijn aangeduid, onderschrijft en toejuicht.
Het is te hopen dat de in uw nota (blz. 2, onderaan) uitgesproken wens,
dat de instituten gezamenlijk op de gewenste ontwikkeling zo goed mogelijk kunnen inspelen in vervulling zal gaan.
Met de meeste hoogachting,
Namens de Commissie van Advies en Bijstand,
Mr. Ir. L. B. Chavannes, voorzitter
Mr. P. A. Wackie Eijsten, secretaris

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

40

STICHTING ROTTERDAMS CONSERVATORIUM


28 januari 1981
De voorzitter van de vaste Commissie van Onderwijs en Wetenschappen
van de Tweede Kamer der Staten Generaal
Onderwerp: Discussienota Zwaartepunten in het Muziekonderwijs
Inleiding
De discussienota Zwaartepunten in het muziekvakonderwijs van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen is van een zodanige inhoud dat het
Rotterdams Conservatorium behoefte heeft aan een zelfstandige reactie.
Enerzijds op basis van specifiek Rotterdamse omstandigheden, anderzijds
vanuit de verbijstering dat door de Minister ver strekkende maatregelen
worden voorgesteld op grond van een ondeugdelijke discussienota.
Wij zijn van mening dat bestuurlijke zorgvuldigheid een gedegen argumentatie vereist tegen de achtergrond van uitvoerige en aanvaardbare toelichtingen op onder andere de knelpunten van de bestaande situatie, de legitimering van de gewenste situatie en de wijze waarop die situatie dient te
worden bereikt. Het is bijzonder teleurstellend te moeten constateren dat er
in globale termen ver strekkende beleidskeuzen worden voorgesteld met name ten aanzien van de opleiding tot uitvoerend musicus. En dit op grond van
onvoldragen argumenten. De inhoudelijke kwaliteit van de discussienota
achten wij dan ook onvoldoende.
Het Rotterdams Conservatorium heeft er begrip voor dat de ontwikkelingen dwingen tot het meer doelgericht aanwenden van de schaarser wordende middelen. De indruk bestaat echter dat in de discussienota de inhoudelijke
argumenten voor reorganisatievoorstellen meer dienen om toekomstige bezuinigingen aan het oog te onttrekken dan te onderbouwen, dat de Minister
streeft naar een evenwichtig en hoogwaardig aanbod aan kunstonderwijs
op het terrein van de muziek.
De argumenten waarmee de Minister zijn zwaartepuntenbeleid onderbouwt geven bovendien helaas blijk van onvoldoende inzicht in het muziekvakonderwijs en de plaats die dit onderwijs in het culturele en maatschappelijke leven inneemt.
Onjuistheden en onduidelijkheden in de nota
We stellen vast dat er een aantal onjuistheden en onduidelijkheden in de
nota voorkomt. Zo verwijst de Minister in het kader van de onderbouwing
van zijn zwaartepuntenbeleid naar de sterke stijging van de kosten voor het
kunstonderwijs op het gebied van de uitvoerende kunsten. Hij staaft dit echter niet met cijfermateriaal op dit gebied, maar met cijfermateriaal betrekking hebbend op de onderwijsbegrotingen van de dienstjaren 1975 toten
met 1980 van het muziek- en theateronderwijs.
Allereerst wekt het enige verbazing dat de begrotingen als basismateriaal
gebruikt worden en niet het overzicht van de werkelijke uitgaven.
In de tweede plaats hebben deze cijfers betrekking op het gehele muziekvakonderwijs en het gehele theateronderwijs, dus inclusief de docentenopleidingen waaraan verreweg het merendeel van de studenten deelneemt.
Het cijfermateriaal zegt dus niets over de stijgende kosten voor het onderwijs op het gebied van de uitvoerende kunsten en kan er nauwelijks een indicatie voor zijn.
Voorts moet helaas enige onduidelijkheid geconstateerd worden omtrent
de door de Minister gehanteerde terminologie. In de nota wordt gesproken
over de opleiding tot uitvoerend musicus, de opleiding tot orkestmusicus en
de opleiding tot solist.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16 95, nr. 1 en 2

41

In de vigerend e leerplancirculaire van 21 juli 1978 w o r d e n de aan de c o nservatoria mogelijk e o p l e i d i n g e n duidelijk aangegeven. Een van die m o g e l i j ke o p l e i d i n g e n is de opleidin g tot u i t v o e r e nd musicus. W a n n e e r de Minister
spreekt over de o p l e i d i n g tot orkestmusicus en de o p l e i d i n g t o t solist moet
dan a a n g e n o m e n w o r d e n dat het aantal o p l e i d i n g en b i n n en het muziekvako n d e r w i j s uitgebreid w o r d t ? Heeft zijn zwaartepuntenbelei d nu betrekking
o p de o p l e i d i n g e n tot uitvoerend musicus of op studiedifferentiaties van deze opleiding ?
Een andere o n d u i d e l i j k h e i d betreft de relatie tussen het beleid dat de M i nister van Onderwij s en Wetenschappe n voert v o o r het k u n s t o n d e r w i j s en
het beleid met betrekking tot de kunsten en de kunstzinnige v o r m i n g . We
v r a g e n ons af of het zwaartepuntenbelei d in o v e r e e n s t e m m i n g is met de
destijds g e f o r m u l e e r d e doelstellingen van cultuurspreidin g die onder meer
de g r o n d s l a g v o r m e n van het huidige stelsel van instellingen v o o r muziekv a k o n d e r w i j s . De indruk bestaat dat deze doelstellingen niet meer w o r d e n
g e v o l g d . De concentratiegedachten van de Minister kunnen nauwelijks in
o v e r e e n s t e m m i n g zijn met de nota over Kunst en Kunstbeleid en b o v e n d i en
heeft de Minister van O n d e r w i j s en Wetenschappen geen relatie gelegd naar
de nota o m t r e n t het orkestenbestel.
Als de Minister zelf geen relaties aangeeft w i l dan zeggen dan die relaties er niet zijn of w i l dat zeggen dat hij zich niet gerealiseerd heeft dat zijn
zwaartepuntenbeleid daarmee een relatie heeft?
Zwaartepuntenbeleid
W e constateren dat het zwaartepuntenbeleid gericht is o p het v e r m i n d e ren van het o n d e r w i j s a a n b o d van de afzonderlijke conservatoria met het
doel kwalitatieve verbetering en consolidatie van activiteiten van het m u ziekvakonderwijs te bewerkstelligen.
Dit beleid dient natuurlijk niet losgezien te w o r d e n van de maatregelen die
de Minister in het recente verleden getroffen heeft vanuit zijn zorg v o o r de
kwalitatieve verbetering en consolidatie van activiteiten van het muziekvakonderwijs.
Deze maatregelen w a r e n o.a.:
- het laten v e r d w i j n e n van een afzonderlijke inspectie v o o r het muziekvakonderwijs;
- het laten v e r d w i j n e n van een afzonderlijke inspectie v o o r het muziekvakonderwijs;
- t e r u g b r e n g e n van de leraarlessensleutel van de v o o r o p l e i d i n g .
Ook dit beleM was onder meer gericht op het v e r m i n d e r e n van het onderw i j s a a n b o d van de conservatoria, maar heeft gezien de aard van de maatregelen zeker niet bijgedragen tot de consolidatie en kwalitatieve verbetering
van de activiteiten van het muziekvakonderwijs. Bovendien is het de vraag
of de in de nieuwe wet op het HBO voorgestelde vierjarige studieduu r tot
kwalitatieve verbetering en consolidatie van het muziekvakonderwijs bijdraagt.
De Minister gaat ervan uit dat zijn zwaartepuntenbeleid dit nu echter wel
zal d o e n . W i j achten het tegendeel het geval, met name ten aanzien van de
o p l e i d i n g v o o r uitvoerend musicus.
Centralisatie van de opleiding tot uitvoerend musicus
In de eerste plaats moeten w e vaststellen dat de opzet van de huidige opleidingen tot uitvoerend musicus dateert van augustus 1975. Gezien de 6-jarige s t u d i e d u ur van deze o p l e i d i n g e n kan van een e v e n w i c h t i g e evaluatie
geen sprake zijn.
In de tweede plaats stellen w e vast dat bij de centralisatie van de opleidingen tot uitvoeren d musicus de studiedifferentiatie die betrekking heeft o p
het o p l e i d e n van orkestmusici ten behoeve van symfonie-orkesten als uitg a n g s p u n t w o r d t g e n o m e n . Hierbij w o r d t dan v o o r b i j g e g a a n aan de uitstekende u.m.-opleidingen bij de conservatoria voor de niet-orkestinstrumen ten.

T w e e d e Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

42

Ook wordt voorbijgegaan aan het feit dat de grote symfonie-orkesten


slechts een onderdeel vormen van het toekomstige werkveld van de u.m.student. Het belang van kamerorkesten, begeleidingsorkesten, harmonie-orkesten, bigbands wordt kennelijk onderschat.
In de derde plaats stellen we vast dat de Minister bij de onderbouwing van
de voorgestelde centralisatie verwijst naar getalsmatige criteria, waarbij hij
gebruik maakt van het cijfermateriaal van de leerlinglessentabellen. Nog afgezien van het feit dat dit cijfermateriaal voor wat het Rotterdams Conservatorium betreft niet geheel juist is.
Is de Minister niet op de hoogte van het beleid dat de verschillende conservatoria voeren met betrekking tot het tijdstip waarop de studierichting
van de student wordt bepaald? (u.m."docentenopleiding of een combinatie
van beide).
De geschiktheid voor deze opleiding manifesteert zich niet altijd bij toelating of na het 1e studiejaar maar vaak zelfs valt de beslissing hieromtrent
aan het eind van het 3e studiejaar. Het zou van een nauwkeuriger werkwijze
getuigen wanneer de Minister uitgegaan zou zijn van de aantallen afgestudeerden met een diploma u.m.
In de vierde plaats stellen we vast dat de Minister over het aantal studenten dat wenselijk is voor een optimale u.m.-opleiding geen uitspraken doet.
Het zou goed zijn nader te analyseren waar een onderwijs-organisatorische
minimumgrens iigt beneden welke de volwaardigheid van het onderwijs
met betrekking tot de u.m.-opleiding in het geding kom. Ook zou tevens
vastgesteld moeten worden wat de bovengrens is.
In de vijfde plaats constateren we dat de conservatoria in Amsterdam en
Den Haag het zwaartepunt u.m.-opleiding toebedeeld krijgen. Is het min of
meer toevallige aantal studenten dat een orkestinstrument bespeelt de
grondslag geweest van deze toedeling of zijn er ook andere motieven die
hiertoe geleid hebben?
In de zesde plaats willen we opmerken dat een gevolg van de concentratie
van opleidingen recruteringsverlies zal opleveren en bovendien zullen de
vier zwaartepunten-conservatoria een zodanige zuigkracht op toekomstige
studenten hebben dat het gevaar bestaat dat de overige conservatoria met
slecht bezette docentenopleidingen blijven zitten met name op het gebied
van de orkesinstrumenten. Vorming van ensembles, begeleidingsorkesten
e.d. zal dan zeer problematisch worden.
Rotterdamse situatie
Allereerst kunnen we vaststellen dan het Rotterdams Conservatorium
ruimschoots voldoet aan de eisen die in de leerplancirculaire van 21 juli 1978
neergelegd zijn. Binnen het Rotterdams Conservatorium functioneren een
orkestklas, een bigband, tientallen ensembles, een harmonie-orkest.
Op grond van de argumenten van de Minister zien wij geen redenen
het Rotterdams Conservatorium de opleiding tot uitvoerend musicus te ontnemen. Bovendien is er in Rotterdam sprake van een hecht stelsel van samenwerkingsrelaties met gemeentelijke kunstinstellingen binnen het geheel
van een samenhangende beleidsontwikkeling. De opleiding tot uitvoerend
musicus functioneert dan ook niet alleen binnen het conservatorium maar
ook daarbuiten.
Ten slotte moeten we opmerken dat de Stichting Rotterdams Conservatorium ook een school voor algemeen vormend onderwijs onder beheer
heeft waarbinnen het algemeen voortgezet onderwijs al van jongs af aan gecombineerd wordt met het vakonderwijs op het gebied van muziek. Aansluiting van deze vorm van onderwijs op een conservatorium zonder u.m.opleiding is naar onze mening ondenkbaar. De gerichtheid op alleen het muziekdocentschap kan op 12-jarige leeftijd nog niet onderkend worden.
Bovendien verwijzen wij in dit verband naar het belang dat de minister
toekent aan een directe relatie tussen het algemeen voortgezet onderwijs en
de u.m.-opleiding.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

43

Tot slot
Op grond van het vorenstaande zijn wij van mening dat de discussienota
Zwaartepunten in het muziekvakonderwijs beslist onvoldoende is om te
dienen als draagvlak voor beleidsveranderingen met een dergelijk ingrijpend karakter.
Wij hebben echter het vertrouwen dat u onze bedenkingen zo relevant
acht dat door uw interventie wordt gekomen tot ombuiging van de ministerile beleidsvoornemens.
Het Bestuur van de Stichting Rotterdams Conservatorium.

Tweede Kamer, zitting 1981, 16 957, nr. 1 en 2

44

Aan de Minister van O n d e r w i j s en W e t e n s c h a p p en


Utrecht, 20 februari 1981
Mijnheer de Minister,
Toen de eerste berichten over u w op handen zijnde z w a a r t e p u n t e n n o t a en
bepaalde inhoudelijke kanten daarvan in onze dagbladen verschenen , hebben w i j het noodzalijk geacht o m direct te reageren met een brief, die in
eerste instantie de bedoeling had u erop te wijzen, dat aan het Utrechts Conservatorium een lijn w o r d t g e v o l g d , die - in het licht van de hoge eisen die
onze concertpraktijk stelt - de o p l e i d i n g tot orkestmusicus annex k a m e r m u ziekspeler als een specialisme ziet en dat in o v e r e e n s t e m m i n g met die v i sie een leerplan is o n t w o r p e n , dat vanaf 1 augustus 1980 w o r d t g e v o l g d en
nu reeds zijn vruchte n blijkt af te w e r p e n .
Wij hebben in c o m b i n a t i e daarmee voorts te kennen g e g e v e n , dat w i j ins t e m m e n met u w ideen o m t r e n t concentratie van bepaalde o p l e i d i n g e n in
het muziekvakonderwijs , maar dat w i j grote m o e i t e hebben met het feit, dat
het Utrechts C o n s e r v a t o r i um niet g e n o e m d staat bij de instituten, welke deze opleidinge n moeten gaan g e v e n ; bij ons zijn nu eenmaal de laatste jaren
ontwikkelingen o p gang g e k o m e n , w a a r v a n de voortzetting van essentieel
belang lijkt in het kader van onze gedeelde o p v a t t i n g e n .
Wie gelooft in de eigen w e g , die hij gaat, en dat geloof geschraagd ziet
door praktijkresultaten, heeft ons inziens het recht op het voeren van een
dergelijke oratio pro d o m o . Dat neemt niet w e g , dat de inhoudelijk e aspecten van de nota zwaartepuntenbeleid een c o m m e n t a a r verdienen in breder verband en w i j willen dat vooral graag geven , nu w i j met slechts n a n der c o n s e r v a t o r i u m (het Koninklijk C o n s e r v a t o r i u m te Den Haag) een m i n derheidsstandpunt innemen binnen de officile reactie op u w nota van Sectie 10 van d e H B O - R a a d .
Wij hebben sterk het gevoel, dat veel oneigenlijke discussie over de i n h o u delijke betekenis van u w nota v o o r k o m e n had kunnen w o r d e n , w a n n e e r de
o p m e r k i n g e n over het al dan niet v o l d o e n aan kwaliteitseisen van het m u ziekvakonderwijs in Nederland een duidelijke b e w i j s v o e r i n g als ondersteuning had gekregen. Een kritisch onderzoek naar het rendemen t van de vakstudie met betrekking tot het f u n c t i o n e r en van afgestudeerden aan onze vakinstellingen in de verschillende facetten van de professie zou de basis van
een dergelijke argumentati e hebben kunnen v o r m e n . Thans interpreteert ieder c o n s e r v a t o r i u m het functioneren van het v a k o n d e r w i j s aan de hand van
bepaalde aanwijzingen, die o p v a l l e n d genoe g bij enige instituten in het
westen en c e n t r u m des lands volstrekt anders blijkt te liggen dan elders.
Dat interpretatieverschil is exemplarisch v o o r een situatie, die uit de eertijds g e v o l g d e cultuurspreidingspolitiek is g e g r o e i d . Het verlenen van dezelfde o p l e i d i n g s m o g e l i j k h e d e n aan alle conservatoria in ons land heeft geleid tot het ontstaan van een regionale kwaliteit, die zich te veel als uitgangspunt heeft gevestigd bij het aanleggen van criteria. Die regionale kwaliteit in het o n d e r w i j s ent zich op de orkesten in de regio en is daarbinne n
functioneel.
Dat er echter ook een andere, hogere kwaliteit bestaat, lijkt ons buiten t w i j fel en het is onze o v e r t u i g i n g dat het c o n s e r v a t o r i u m o n d e r w i j s zich de facto
daarnaar m o e t richten ; het hoger k u n s t o n d e r w i j s heeft per definitie de plicht
aan het talent de hoogste ontplooiingskanse n te geven. Ontplooiingskansen ,
die niet alleen het solisme betreffen, maar evenzeer gelden v o o r de toekomstige docent; een hogere kwaliteit van de p e d a g o o g zal kunnen meewerken aan het doorbreken van een vicieuze cirkelgang in het muziekonderwijs, w a a r o p w i j in het verloop van deze brief nog w i l l e n t e r u g k o m e n .

Tweede Kamer, zitting 1981, 16957, nr. 1 en 2

45

De in de reactie van Sectie 10 weergegeven opvatting, dat de conservatoria brandpunten behoren te zijn van nationale muziekcultuur en niet allleen
toeleveringsbedrijf voor enkele grote orkesten kunnen wij in principe delen, maar wanneer die toelevering kwalitatief onacceptabel is voor bedoelde orkesten komt onze nationale muziekcultuur toch wel danig op de
tocht te staan
Ten aanzien van het peil van de Nederlandse orkestmusicus, zoals die voortkomt uit het Nederlandse muziekonderwijs, hebben wij
vanuit praktijkcontacten aanwijzingen, dat het niveau inderdaad tekortschiet. Op grond daarvan hebben wij aan ons instituut de vermelde specialistische opzet aan onze orkestopleiding gegeven, - een bewuste accentuatie binnen de opleiding tot uitvoerend musicus.
Wij willen in dit kader opmerken, dat een ontkoppeling van de opleidingen
tot orkestmusicus en solist, zoals die in uw nota wordt gesuggereerd, een
onjuiste benadering van dit gegeven inhoudt; die facetten vormen in onze
opinie een ondeelbare totaliteit.
Het gaat aan het Utrechts Conservatorium ook bepaald niet om een orkestopleiding in haar vroegere vorm; er wordt een specialisatie tot solist/kamermuziekspeler aan gekoppeld, - de opleiding gaat uit van een meervoudige
inzetbaarheid van de toekomstige beroepsmusicus, geheel in overeenstemming met de zich ontwikkelende visie binnen het orkestenbestel.
Wanneer gesteld wordt, dat het minder om de vakbekwaamheid van afgestudeerden gaat dan om hun veelzijdigheid (de zogenaamde functie-eisen),
dan zijn wij zo vrij daaraan de opvatting te verbinden, dat veelzijdigheid het
gevaar van talentversnippering in zich draagt en juist daarom nog hogere eisen stelt aan de opbouwvan die vakbekwaamheid.
De zienswijze, dat de Nederlandse muziekvakstudent geen interesse zou
hebben voor een toekomstige uitoefening van zijn beroep in een symfonieorkest, delen wij niet. Voor onze orkestopleiding, die een aanmerkelijke studieverzwaring inhoudt, hebben zich liefst 43 studenten uit de vakopleiding
aangemeld, een percentage van 4 1 % van ons totale studentenbestand in de
sector orkestinstrumenten. Men blijkt dus best gemotiveerd te zijn voor het
symfonie-orkest. De wijze, waarop een conservatorium zlf zijn studenten
weet te motiveren via goede onderwijsvoorzieningen in deze richting speelt
hierbij uiteraard een belangrijke rol.
Uitgaande van de maatschappelijke mogelijkheden, die de orkesten bieden, moet men maximale mogelijkheden trachten te scheppen binnen de
structuur van de orkestopleiding. Dat dergelijke voorzieningen alleen maar
verwezenlijkt zouden kunnen worden binnen zeer grote conservatoriumgemeenschappen, is een opvatting, waar wij niet achter staan. Wij geloven in
het bestaan van een kleiner conservatorium, dat juist maximaal kan functioneren, omdat het een permanente inzetbaarheid van zijn studenten vergt,
in wezen hogere eisen stelt en daardoor een sterk gemotiveerde keuze als instituut moet wezen.
Het spijt ons om in dit verband te moeten constateren, dat uw nota ter ondersteuning van uw ideen over grote conservatoria kwantitatieve gegevens over het bestand van studenten voor de opleiding uitvoerend musicus
hanteert, die geen enkel uitsluitsel geven over kwaliteit en zelfs met meer
recht ten negatieve dan ten positieve kunnen worden genterpreteerd, waardoor uitgangspunt van de nota, kwaliteitsverbetering, als op voorhand
wordt ondermijnd. Wanneer dergelijke kwantitatieve gegevens mede een
bepalende betekenis zouden hebben bij de geopperde keuze van conservatoria met specialistische opleidingen in het noordoosten en zuiden des
lands, dan gaat dat voorbij aan het culturele klimaat, dat een stad als Utrecht
heeft, en aan een geografische ligging die positieve betekenis heeft voor de
recrutering van een hooggekwalificeerd docentenbestand; het is immers
duidelijk, dat vele van deze docenten werkzaam en woonachtig zijn in het
westen en centrum van ons land.
Achtergrond van onze principile instemming met bepaalde facetten van
uw concentratieplannen is de bij ons overheersende overtuiging, dat het
methodisch-analytisch muziekonderwijs in Nederland, de research achter

Tweede Kamer, zitting 1981, 16 957, nr. 1 en 2

46

't instrument, gemiddeeld genomen op een niet hoog genoeg peil staat om
geloofwaardig te maken, dat zovele vakinstituten bemand zouden kunnen
worden met tot het opleiden voor het hoogste beroepsniveau competente
docenten. De weinig analytische aanpak wordt overgedragen op de studenten, die op hun beurt hun werkterrein vinden in muziekscholen en privpraktijk en daarmee heeft de vicieuze cirkel zijn rondgang gemaakt.
Veelgehoorde kritiek op de muziekscholen mag dan terecht zijn, duidelijk
is dat de achtergronden daarvan ruimer genterpreteerd dienen te worden
en dat niet alleen aan de muziekscholen de zwarte piet mag worden toebedeeld.
Noodzakelijke verbetering van het eindniveau van de muziekvakstudie, in
casu de hogere beroepsopleiding die men in het conservatorium behoort te
vinden, moet gekoppeld worden aan een veel grotere aandacht voor de juiste opvang van getalenteerde kinderen in een veel vroegere fase dan in ons
land gebruikelijk is.
Een vooropleiding, zoals die aan de conservatoria binnen een cursusduur
van twee jaar wordt gegeven, is op grond van de gebrekkige voorontwikkeling bij velen een noodzakelijke tussenfase op weg naar de vakopleiding gebleken. Vooropleiding als noodzaak, die ons inziens echter nooit een alibi
mag zijn voor het creren van een conservatoriale studieduur van vier jaar,
die in de nog bestaande situatie van het basisonderricht uitsluitend kwaliteitsverlaging zou betekenen.
Kritiek wordt er geuit op uw nota ten aanzien van het feit, dat de daarin
verwoorde opvattingen de Lochemse Rapporten uithollen.
Uit het bovenstaande mag duidelijk zijn, dat wij van onze kant er graag op
willen aandringen, dat die Lochemse uitgangspunten ter discussie worden
gesteld, daar zij in onze visie voor een deel zijn achterhaald.
In de hoop, dat wij met deze weliswaar beperkte, maar naar ons gevoel
toch essentile uitdieping van het door ons ingenomen minderheidsstandpunt de beweegreden daartoe in een duidelijker licht hebben gesteld,
teken ik,
met de meeste hoogachting,
namens het Bestuur van de Stichting Utrechts Conservatorium,
Ton Hartsuiker

Tweede Kamer, zitting 1981, 16 957, nr. 1 en 2

47