De Architectonische Interventie - Faculteit Bouwkunde-Technische Universiteit Delft

Steenbergen / van der Kooij / Aben
-- -
4 Voorwoord
Prof. ir.H. Beunderman
6
lO"u.oIi'''Iln,1''II - Van
litenpl!aa1ts naar Buiten Plaats
ir. E. van der Kooij
17
18 Architectonische Interventies in het 1 .... ..,.1"'1"'·"' .............
Prof. dr. ir. G.M. Steenbergen
28 Het Buiten \In ,r'\ V r"U1
ir. E. van der Kooij
42 Binnen
Enl<ele feiten en hypothesen
Ir. R.AAJ. Aben
48 Buiten
ir. J. Woltjer
54 Binnentuin en
ir. S. de Wit
61
62
ing. Bart Bordes - ir. E. van der Kooij
74
S. Heusman - ir. E. van der Kooij
88 Boven in het
ing. AB. van der Weide - ir. E. van der Kooij
1\0" Plaats I 2
111
112 a culture of
ir. M. ten Kate
124 Aan de Aemstel
ir. J. Woltjer
126 De hollandse kust
ir. J. de Koster
128 Door de huizen het bos zien
ir. K. Verwers
130 als van stad en land
Chris tel Eversdijk (LU Wageningen)
132
3 I Buiten PI,
Prof. ir. H. Beunderman MBA
De publicatie die u in handen heeft is één van
de resultaten van het project de architectonische
Dit project is
begin 1999 binnen de faculteit Bouwkunde van
de Technische Universiteit Delft gestart, met als
doelstellingen het verhelderen van ontwerpend
onderzoeken als methode van wetenschappelijk
onderzoek, het versterken van de onderzoeks-
component in het onderwijs en het digitaal
documenteren van onderzoek- en ontwerpresul-
taten (websites).
De pijlers onder het project zijn een aantal
onderzoeksateliers waarin, gericht op uiteenlo-
pende bouwkundig thema's, gedurende ander-
half jaar, door afstudeerders, promoverende en
docenten gezamenlijk, onderzoeksmatig wordt
samengewerkt. Deze ateliers produceren in prin-
cipe ieder twee publicaties, in 1999 -waarvan
dit er een is- en 2000.
De ateliers worden door twee
commissies, die de opdracht hebben, mede op
basis van de resultaten van de ateliers, twee
internationaal toegankelijke boeken samen te
stellen met als onderwerp respectievelijk
Compositie -van het ontworpen ruimtelijk object
in zijn omgeving- en Methodologie van (ontwer-
pend) onderzoek.
Parallel hieraan wordt gewerkt aan de ontwik-
keling van een Interactief Beeldarchief (IBA) dat
om te beginnen resultaten van bouwkundige
afstudeerprojecten, maar later ook bouwprojec-
ten in het algemeen, met behulp van een
geavanceerd trefwoordensysteem toegankelijk
Buiten Plaats I 4
moet maken. In relatie hiermee wordt van de
ateliers verwacht dat zij hun resultaten niet
alleen op traditionele wijze presenteren, in boek-
vorm, maar ook op internet, via de website van
het proefproject.
Ter afsluiting van dit proefproject zal in het
najaar van 2000 een internationaal wertenschap-
pelijk congres georganiseerd worden met als
hoofdthema ontwerpend onderzoek. Van Delftse
zijde zal bij deze met name de
inhoud van de boeken 'Compositie' en
'Methodologie', en de ontwikkeling van het
Interactieve Beeldarchief aan de orde gesteld
worden.
Onderdelen van het project, en de in het pro-
ject opgedane inzichten, zullen vervolgens in
meer permanente vorm binnen de onderwijs- en
onderzoeksprogramma's van de faculteit worden
opgenomen.
5 I Buiten Plaa
Eric van der
Het onderzoeken van de betekenis van de bui-
tenplaats als uitdaging voor actuele ontwerpop-
gaven is een zoektocht die voortdurend wordt
bijgeschaafd, bewerkt en van nieuwe interpreta-
ties voorzien. Een overzicht van een 'work in
progress'.
'Klassieke'
De analyse van Italiaanse, Franse en Engelse
villa's en tuinen heeft in de jaren '80 en '90 bin-
nen de leerstoel Landschapsarchitectuur geleid
tot een 'architectonische manier van kijken'. Het
object van onderzoek is de relatie tussen
gebouw, tuin en landschap.
AI sinds de eerste uitgave van Architectuur en
Landschap in 1984
1
is gewerkt aan de ontwikke-
ling van een landschapsarchitectonisch begrip-
penkader. De plananalyse heeft zich daarin altijd
bewezen als een vruchtbare wisselwerking tus-
sen onderzoek en ontwerp. De ontwikkeling
hiervan is gedurende de jaren verfijnd en aange-
scherpt.
In hoeverre biedt de actualisering rondom het
begrip buitenplaats de mogelijkheid het ontwik-
kelde instrumentarium in een nieuw perspectief
te plaatsen en daarmee een stap verder te bren-
gen?
De 'nieuwe'
De 'nieuwe' buitenplaats zoals geformuleerd in
de Visie Stadsiandschappen
2
bood aanleiding
de ontwerpopgave van het klassiek buiten te
actualiseren. In 1996 werd besloten om binnen
Dit boek kan als de rode draad worden gezien in een tienja-
rige studie naar de landschapsarchitectonische ontwerp- en
compositiemiddelen van klassieke buitenplaatsen. Het continue
bijschaven en opnieuw bewerken van Architectuur en Landschap
werd gevoed door de dissertaties van Prof. dr.ir. e.M.
Steenbergen, 'De stap over de horizon' en dr.ir. W. Reh, 'Arcadia
en Metropolis'. Dit heeft in 1992 geresulteerd in een aparte
publicatie van de Italiaanse renaissancevIlla's, 'ltalian Villas and
Gardens' en de engelse versie van Architectuur en Landschap
in1996
F! ,<Ïlen Plaats I 6
het D3- ontwerpproject, dat onderdeel uitmaakt
van een van de keuzemodulen in het 3e en 4e
leerjaar, de 'nieuwe buitenplaats' als ontwerpop-
gave op te nemen.
Toen in 1998 het atelier buitenplaats werd
opgericht als een van de afstudeerateliers bin-
nen de vakgroep Stedebouwkunde betekende
dit een verdere stap tot een meer inhoudelijke
benadering. Door de buitenplaats als afstudeer-
thema aan te reiken, konden inhoudelijke the-
ma's worden verbreed en verder worden uitge-
werkt. Door middel van planbesprekingen,
excursies, literatuuronderzoek en lezingen lag de
insteek bij de herinterpretatie van de klassieke
voorbeelden voor de actuele ontwerpopgaven.
Buiten-Plaats
Om een bredere interpretatie te kunnen geven
aan het begrip buitenplaats is er, in deze fase,
besloten om de koppeling tussen buiten en
plaats te laten vervallen, waardoor de nadruk
meer kwam te liggen op 'het Buiten' en 'de
Plaats'.
De betekenis van het woord 'Buiten' kan daar-
bij worden gezien als zijnde buiten een gebouw,
de stad, het landschap of de metropool.
Daarmee werd meteen een handreiking gemaakt
naar de inzet van een Buiten als architectonisch,
landschappelijk en stedebouwkundig vraagstuk,
zijnde: buiten het gebouw, buiten in het land-
schap en buiten (in) de stad. Maar ook de relatie
van het Buiten tot het Binnen wordt op deze
manier duidelijker onder ogen gebracht
3
.
2 Visie Stadslandschappen - deel 6: "Nieuwe Buitenplaatsen
in het stadslandschap", Ministerie van LNV, Den Haag april
1995
3 In 'de omsloten tuin' van R. Aben en 8.1. de Wit wordt het
binnen in de vorm van de hortus conclusus vanuit een histori-
sche ontwikkeling in het daglicht geplaatst van het hedendaagse
stadslandschap.
Het woord 'Plaats' krijgt een specifieke bete-
kenis gerelateerd aan de context in de vorm van
het natuur- , cultuur- en stedelijke landschap.
Wat betekent dit voor de ontwerpopgave van
het Buiten en de manier waarop deze in beeld
wordt gebracht?
In hoofdstuk 1 wordt in de wetenschappelijke
bijdragen de buitenplaats als actuele ontwerp-
opgave omschreven. In de bijdrage van
Clemens Steenbergen wordt de betekenis van
de buitenplaats als architectonische interventie
in het veranderend stadslandschap beschreven:
'buiten' en 'plaats' als begrippen met een archi-
tectonische en ruimtelijke kwaliteit in een veran-
derende context afgezet tegen de nieuwe plano-
logische groenorde en de marktconforme aan-
pak in de hedendaagse situatie. Het laatste
komt in de bijdrage van Eric van der Kooij (Het
buiten Voorbij) aan de orde.
De betekenis van en de relatie tussen het
'Binnen' en het 'Buiten' wordt in de bijdragen
van respectievelijk Rob Aben en Jaco Woltjer
verder uitgediept. Vanuit de positie van de stad
in het landschap en vice versa wordt in het stuk
van Saskia de Wit de verhouding tussen 'bin-
nentuin' en 'buitenplaats' beschreven.
In deze stukken worden de middelen aange-
reikt die als basis dienen voor het ontwerpend
onderzoek (hoofdstuk 2).
De landschapsarchitectonische ensceneringvormen. Verticaal: rationeel, formeel, picturaal. Horizontaal: geometrisch, ruimtelijk,
beeldend.
Tekening uit Architectuur en Landschap, p. 17
7 I Buiten F
Met de instelling van het atelier Buiten-Plaats
als onderdeel van de Architectonische
Interventie werden ook de middelen verkregen
de inhoudelijke vanuit de onder-
zoekskant aan te scherpen. Dit gebeurde in de
vorm van een aantal onderzoeksvragen die als
leidraad voor het ontwerpen de onderzoek kon-
den worden ingezet. De vragen hebben betrek-
king op de diepere betekenis achter de volgen-
de uitgangspunten:
Het "Buiten" als nieuwe vorm van contex-
tueel ontwerp in tijd en ruimte.
2 "Buiten" het gebouw
3 "Buiten" in de stad
4 De buitenplaats als verstedelijkingsmodel
5 Grootte van een "Buiten" in relatie tot de
"Plaats"
6 Het "Buiten" als collectief woon ideaal
7 Programma voor een "Buiten"
8 Het Buiten als nieuwe landschapsvorm
Met de onderzoeksvragen is getracht de reik-
wijdte van Buiten en Plaats verder te verkennen.
De aanvankelijk gestelde onderzoeksvragen zijn
voortdurend bijgesteld en aangescherpt. Dit gaf
ook de mogelijkheid om nieuwe ontwerpopga-
ven te formuleren. Zo is er vanuit het laatste
thema een link gelegd met de vormgeving van
het water als ontwerpopgave. Binnen dit
'Waterrijk'4 worden de watertransformaties inge-
zet om stad en laagland in de Hollandse Delta
op een nieuwe manier met elkaar te verbinden.
Het waterrijk moet op interstedelijk niveau een
egalisering van Holland voorkomen, nieuwe
"plooien" maken voor de stad en stedelijke ont-
wikkelingen sturen. Waterrijk vormt daarmee het
Buiten van het omringende stadslandschap
4 "Waterrijk" is als onafhankelijk onderdeel binnen het afstu-
deeratelier "Buiten Plaats" ondergebracht
Buiten Plaats I 8
Watertransformaties (tekening Valentijn Nouwens)
Via watertransformaties wordt de droogmakerij als architecto-
nisch type binnenste buiten gekeerd. Welke nieuwe land-
schappen kunnen binnen eeuwenoude kaders worden
gemaakt? De volgende uitgangspunten zijn daarbij denkbaar:
Vernieuwing van het poldersysteem in relatie tot zeespie-
gelrijzing en bodemdaling. Dit betekent bijv. de ontwikke-
ling van tussenboezems, of het gedeeltelijk onderwater
zetten van diepe droogmakerijen.
Herwaardering en revitalisatie van het personenvervoer
over water. Het scheppen van mogelijkheden voor lang-
zaam verkeer en snelverkeer. Dit transport moet worden
verbonden met lmooppunten van andere soorten vervoer.
Scheppen van voorwaarden voor nieuwe woon-werlmm-
gevingen. Het maken van 'attractors' voor het toekomstig
stadslandschap en verbetering van het vestigingsklimaat
in de delta
Facilitering van een nieuwe recreatieve infrastructuur die de
standaard-projectie van het recreatieve programma overstijgt.
ln'l'\III.cU"nonn onderzoek
In het ontwerp end onderzoek spelen ontwerp-
methode en compositie een belangrijke rol. Het
stedelijk landschap kan daarbij worden gezien
als een schaakbord waarin de ontwerpmiddelen
worden ingezet als stukken. De regels van het
spel, de ontwerpmethoden, worden vertaald in
dichtheid, oppervlakte, etc.
Binnen het waterrijk wordt het Hollandse laag-
land in zijn geheel beschouwd als een stedelijk
territorium en worden de waterontwerpen
gekoppeld aan drie typen stedelijk-architectoni-
sche interventies:
a De metropolitane plantage (intensiteit, drukte,
snelheid, volte)
b Het landschapstheater (leegte, natuur, stilte,
afstand)
c Het stromenlandschap (netwerken, snelweg,
scenic drive, strip)
De opgave is het herstel van de waterbalans,
vernieuwing van de formele identiteit van het
Hollandse laagland, het creëren van !andschap-
pelijke woon/werkvormen en de inrichting van
het metropolitane park.
De compositie speelt zowel een rol bij het ont-
werpen als bij het analyseren. Het hoe en waar-
om krijgt in het ontwerpend onderzoek een
directe relatie door een vergelijkende pIananaly-
se, planmontages en het ontwikkelen van ruim-
telijke (denk)modellen.
Het initiatief van de student is mede bepalend
voor de insteek van het onderzoek.
Door de betekenis en Invu1/lng van de context,
het programma, het ruimtebegrip en pIansche-
ma in analyse en ontwerp tegen elkaar af te zet-
ten wordt een instrumentarium aangeboden dat
als brug dient tussen ontwerp en onderzoek (zie
Het Buiten Voorbij).
Een belangrijke bijdrage werd geleverd door de
één-daagse workshops, waarin aan de hand van
vooraf bepaalde opgaven met een wisselende
manier van werken en presenteren getracht
werd te komen tot een inhoudelijke verdieping
van het Buiten en de Plaats. Doel was de
betrokkenheid van de studenten op elkaar te
vergroten en om los van de ontwerpcontext naar
de eigen afstudeeropgave te leren kijken.
Aan de workshop hebben ook studenten deel-
genomen die vanuit andere opleidingen
(Academie van Bouwkunst Groningen en LU
Wageningen) met dezelfde thema's bezig
waren.
Een voorbeeld van de ontwikkeling van ruimtelijke denkmodellen is de montagestudie die door Mark Verdoold is verricht als een
inzet om het buiten betekenis te geven door het onderzoek naar nieuwe vormen van grondgebruik in de vorm van autonome inter-
venties in het landschap. In het ontwikkelde model wordt de grondvorm in het landschap geplaatst. De positie van de grondvorm
wordt bepaald door het spanningsveld tussen de bestaande stad (kanteling) en de onderliggende topografie. Vervolgens wordt
gekeken welke programma's binnen een dergelijke vorm kunnen worden toegepast.
9 I Buiten I
maquette workshop Haarlemmerneer (foto Hans Schouten)
Workshop 1 Haarlemmermeer (tekeningen S. van Assen)
Het resultaat van een jaar atelier laat zich het best samenvatten in de eerste workshop die in het kader van de Architectonische
Interventie werd gehouden. Inzet van de 1-daagse workshop was om de bandbreedte aan plannen binnen het afstudeeratelier bloot
leggen op het speelveld van de Haarlemmermeer. Door de ontwerpopgave buiten de eigen context te plaatsen werden de studen-
ten tegelijkertijd gedwongen na te denken over hun eigen ontwerpstrategie. De inzet van ontwerpmiddelen op verschillende schaal-
niveaus krijgt een nieuwe betekenis in een andere context.
In de maquette zijn 17 verschillende interpretaties naast, over en door elkaar gemonteerd. De inzet van de montage als compositie-
middel leverde tegelijkertijd een wisselwerking op tussen de plannen onderling.
Eii Jiten Plaats I 10
Context
Marije Ten Kate ValentlJn Nouwens
Anjo Peeters Lonneke Steenbakker
Wanda Hejfema Karlijn"Verwers
Auke Bonne van der Weide, Gerdi Rinskevan Rarnshors\
Verschure en Sas ki a Heusmann
Rleks Veger
Montage van studenten plannen in de context van de
Haarlemmermeer
CrIstel Eversdijk
BaftBorcles Marc Verdo'oid en
BjornScharv/e1
.IacoWoltjeren
Judith de Koster
11 I Buiten PI
stad en landschap
opgave BoU\vkunde
opgave IIpendam
locatie aan ringdijk tussen polders
opgave Amsterdam
Workshop 2 - gebouwen omgeving (tekeningen S. van Assen)
In de tweede workshop zijn drie typen landschappen aangedragen;
het stedelijke landschap (de Jordaan, Amsterdam)
het cultuurlandschap (de polders nabij lIpendam)
het stadslandschap (de campus in de vorm van Bouwkunde in Delft
gebouwen stadslandchap
orlenlatle op ""Idors. kerk, llpenstein en wooneIland
li
De opgave bestond uit de inzet van verschillende architectonische en landschappelijke beeldtypen en de vertaling daarvan naar
een programma en een beeldverhaal. Als gemeenschappelijk kader is een woonprogramma in 3 lagen van 5x10m aangegeven.
De resultaten van de zijn op drie verschillende schaalniveaus uitgewerkt; stad en landschap, gebouwen stadslandschap en
gebouwen omgeving. De schaalniveaus werden in de verschillende groepen afzonderlijk uitgewerkt en vervolgens op elkaar afge-
stemd. Op deze manier werd de context ontrafeld en afgezet tegen de betekenis en invulling van de beeldtypen.
Buiten Plaats I 12
gebouwen omgeving
archlteclonische ooeldtypen:
archilactonicha ooaldtypen:
landschappelijke beeldlypen:
onlwerpvilla
architeL1.onJscns baaldtypen:
landschappelijke beeldlypen:
ontwerp stadsvilla
Ontwerp openbare ruimte
In het ontwerp voor de faculteit van de TU
Delft wordt het gebouw als een eiland veran-
kerd op de asverschuiving van het stedelijk
(Mekelweg) en landschappelijk (sloten}
assenstelstel. De ruimtelijke knoop vergroot
tot een vlak in het campuslandschap, inge-
richt in de vorm van een aantal tuinen
(bosco, watertuin en labyrint). Het gebouw
oriënteert zich op de tuinen met als climax
de haard in de hal op de as van een van de
sloten.
Ontwerp polder villa
De villa in IIpendam kiest haar strategische
positie op de overgang van twee poldersys-
temen in het verstedelijkte lint aan de ring-
dijk. De nabijheid van IIpendam en het
Noordzeekanaal worden door middel van
verwijzingen in het ontwerp opgenomen in
het panorama van de villa. De positie van de
villa in het lint wordt gemarkeerd door de
ringdijk aan de zuidkant af te graven en de
villa als een eiland
op de rand van de ringdijk en de polder te
plaatsen. De villa als een eiland temidden
van eilanden (polder, bebouwing,etc.) vormt
het centrale thema.
Ontwerp stadsvilla
Voor de stadsvilla in Amsterdam is de positie
in het grachtenlandschap vooral bepaald
door de knik in de Prinsengracht, de nabij-
heid van de Westerkerk en de overgang van
de bebouwingstypologie (Jordaan/grachten-
gordel). Het gebouw vormt een ruimtelijk
schakelpunt op deze strategische knoop en
vervangt de huidige brug over de
Bloemgracht. De schakelelementen in het
huis zijn als verschoven loggia's gericht op
verschillende punten in de omgeving. Ver
weg en dichtbij worden op deze wijze binnen
de villa op elkaar betrokken.
13 I Buiten P l a a t ~
Het ontwerpend onderzoek heeft ertoe geleid
dat er een inhoudelijke aanscherping en verrij-
king van de ontwerpopgave heeft plaatsgevon-
den. In de reeks van afstudeerplannen heeft
vanaf 1998 een verdere verscherping en actuali-
sering van de Buiten Plaats plaatsgevonden (zie
hoofdstuk 2 'onderzoeksbijdragen' en hoofdstuk
3 'ontwerpbijdragen'). Het Buiten heeft beteke-
nis gekregen in de stad (Saskia Heusman, dec.
'99) en buiten de stad (Judith de Koster, aug.
'99 - Sandra van Assen, okt '99 - Jaco Woltjer,
juni '99), maar ook in het landschap (Auke van
de Weide, medio 2000 Marije ten Kate, apr.
'99) en langs netwerken (Bart Bordes, febr.
2000). Maar ook als onderzoek naar nieuwe vor-
men van landschappen ('Waterrijk', Mark
Verdoold, medio 2000) binnen het territorium
van het Hollandse Laagland
5
.
In de verdere ontwikkeling van de betekenis
van het woord 'Plaats' ligt wellicht een verbre-
ding van de opgave verborgen. Volgens
Heidegger die in Sein und Zeit uit 1927 ingaat
op het menselijk bestaan is de mens allang de
centrale plaats in de schepping kwijtgeraakt die
het christelijke denken ons toebedeelde. We
bevinden ons in een uithoek van het heelal: dat
bij uitstek verloren gevoel vormt het uitgangs-
punt van het denken van Heidegger. Door toe-
doen van de wetenschap hebben we onszelf
van de wereld losgemaakt en deze helemaal
'buiten' ons geplaatst. Tegelijkertijd bevinden we
ons altijd al 'in' de wereld en 'verstaan' zo wat
werkelijk is.
5 Zie dummy Buiten Plaats - onderzoek en projecten, werk-
verband Landschapsarchitectuur, april1999
Buiten Plaats I 14
'Het Buiten' en 'de Plaats' kunnen worden
gezien als een ontsnapping uit de alledaagse
wereld en het zoeken naar de plek die de gebor-
genheid teruggeeft waarvan Heidegger beweert
dat we die kwijt zijn geraakt. Deze nogal pessi-
mistische kijk was, in zijn tijd, vooral gericht op
een tragische kijk op de wereld. Wellicht kan de
Buiten-Plaats daarin een vorm van verlichting te
brengen.
Door de Buiten-Plaats als 'Escape' te
beschouwen is het mogelijk tijd en ruimte ster-
ker op elkaar te betrekken (zie afbeelding 6).
Wat voor mogelijkheden en uitdagingen de inzet
van virtuele landschappen biedt voor de buiten-
plaats als (landschaps)architectonische interven-
tie, kan in een volgende fase worden uitgewerkt.
En verder ".
Maar de inzet van de buitenplaats is het expe-
rimenteerstadium nog niet voorbij. Voorlopig is
de buitenplaats als architectonische opgave nog
nauwelijks aan bod gekomen. Het programma
leidt vooralsnog tot vrij grote en complexe
gebouwen met een gevarieerd programma.
Hierdoor blijft onduidelijk wat het wonen op een
Buiten nu anders maakt dan een woonhuis in
het groen.
Inmiddels is door de bandbreedte van de
opgave gebleken dat de vier thema' s als ont-
werpinstrument sterker op elkaar betrokken die-
nen te worden. Tegelijkertijd blijkt dat het speel-
veld van de buitenplaats zich concentreert op
de Randstad.
Belangrijke leidraad blijft de integratie van de
planlagen op de verschillende schaalniveaus.
Moge deze inzet aanleiding zijn voor een suc-
cesvol vervolg.
'The Escape' als verbinding of vlucht tussen stad en landschap (advertentie KLM/Alitalia)
15 I Buiten Plaats
Clemens ...
Het Onderzoeksthema
De begrippen "buiten" en "plaats" worden van
oudsher in verband gebracht met ruimtelijke of
architectonische kwaliteit. In stedelijke gebieden
met (grootscheepse) verdichtings- en/of trans-
formatie-processen staat deze kwaliteit onder
druk. In het atelier Buiten Plaats wordt gezocht
naar ontwerpmiddelen en planinstrumenten om
"buiten" en "plaats" als kwaliteiten een nieuwe,
landschappelijke inhoud te geven, passend bin-
nen actuele stedelijke condities. "Buitenplaats"
als historische combinatie van beide begrippen
speelt in dit onderzoek op twee manieren een
rol. Eerstens wordt het gebruikt, niet als histo-
risch ideaalbeeld, maar als (tijdloos) type, waarin
bruikbare architectonische kennis ligt opgesla-
gen. Verder is de buitenplaats heel de geschie-
denis door gebruikt als "ontwerplaboratorium",
waarin intensief met de verhouding tussen archi-
tectonische en landschappelijke kwaliteiten is
geëxperimenteerd. In het atelier wordt mede
geprobeerd deze rol van de buitenplaats als
experimentele architectonische interventie in het
landschap en in de stad een nieuwe inhoud te
geven. De vraagstelling richt zich in algemene
zin op de drie genoemde thema's: nl. buiten,
plaats en buitenplaats, in een actuele, stedelijke
context.
De eerste vraag is: wat is "buiten" in een ste-
delijk landschap dat helemaal vol is en integraal
is ontsloten? Kun je nog buiten zijn als er geen
natuur of uitgestrekte lege landschappen meer
zijn?
Wat voor nieuwe landschappen kunnen de rol
Buiten Plaats I 18
van "buiten" voor de stad overnemen? Bij deze
vraag gaat het in compositorische zin vooral om
de verhouding tussen bestaande en ontworpen
beelden en ruimten. Welke ruimtecompositie
wordt in het bestaande landschap geplaatst en
welke (materiële) beelden worden daarbij
gebruikt. In methodische zin gaat het om de
manier waarop de landschapstransformatie tot
stand komt.
De tweede vraag heeft betrekking op de verva-
ging van de topografische identiteit en op de
nivellering van het landschap. In het atelier
Buiten Plaats wordt de vraag gesteld in hoeverre
de moderne industrie, massawonen, massare-
creatie en infrastructuur het landschap als cohe-
rent systeem, verpulveren en onleesbaar maken.
Er ontstaan immers op veel plaatsen verzamelin-
gen min of meer van elkaar onafhankelijke en
met elkaar concurrerende programma's; een
wereld van eigen vormen en wetmatigheden,
onafhankelijk van de locatie op de landkaart.
Architectonische objecten en stedelijke patronen
die zijn losgeraakt van geografische of topogra-
fische condities, en die als zodanig a-topisch
genoemd zouden kunnen worden.
Door de verregaande verbreking van het con-
tact met het landschap als oorspronkelijk gege-
ven moeten de gebouwde architectuur en de
stad steeds meer in zichzelf hun spiegelbeeld
(het landschap) trachten te vinden. Heel het
domein van de openbare ruimte wordt dan een
territorium voor het zoeken naar nieuwe verhou-
dingen tussen stedelijke programma's en infra-
Bron: Zee van Land, W. Reh, C. Steenbergen
Tekening: 8art Bordes
19 I Buiten Plaats
structuur aan de ene kant, en landschappelijke
en topografische fragmenten aan de andere
kant. In het ontwerpend onderzoek van het ate-
lier gaat het meer om de landschappelijke
gelaagdheid van het ontwerp in architectonische
zin dan om een landschappelijke geleding of
opdeling in materiële zin. Met landschappelijke
gelaagdheid is hier bedoeld de wijze waarop de
natuurlijke gegevens en vormen, en de daarop
ontworpen technische schema's afzonderlijk
bestaan, uit elkaar voortkomen; de wisselwer-
king ertussen, de harmonieën, discontinuïteiten
enz. Hoe kan bijvoorbeeld de door moderne
infrastructuur opgeroepen atopie tegen markan-
te Hollandse landschapstypen of plaatsgebon-
den condities van het laagland worden uitge-
speeld? Bij deze tweede vraag gaat het in com-
positorische zin vooral om de verhouding tussen
bestaande landschappelijke plattegronden en
die van plannen. Is er bijvoorbeeld sprake van
een confrontatie, een inpassing, of een andere
bewerking. In methodische zin gaat het om de
vraag hoe de transformatie van de landschaps-
plattegrond tot stand komt.
De derde vraag heeft betrekking op buiten-
plaatsen als katalysator van nieuwe landschaps-
ontwikkeling.
Buitenplaatsen worden van oudsher ervaren
als bijzondere plekken in het stedelijke territori-
um. In Nederland stammen de meeste buiten-
plaatsen uit de 17e, 18e en 1ge eeuw. In de 20e
eeuw zijn er amper nieuwe aangelegd. Toch is
voor veel mensen wonen 'buiten' met goede
verbindingen naar de stad, een ideaal. De markt
speelt hierop in door het aanbieden van sub-
urbane woningen en luxe appartementen.
Landbouw en natuurbeheer vragen meer
beleidsruimte en onderzoek om plannen voor
nieuwe landgoederen tot uitvoering te brengen.
De overheid wil ruimtelijke kwaliteit stimuleren,
maar deinst er voor terug om de deur open te
zetten voor dit soort projecten, omdat men
beducht is voor ongecontroleerde suburbanisa-
tie van het landelijk gebied.
Hoe kan de buitenplaats als architectonische
interventie een bijdrage leveren aan de herinrich-
ting en toekomstige vorm van het Hollandse
laagland en de Hollandse stad? Voor een beant-
woording van deze vraag is het nodig het nieu-
Buiten Plaats I 20
we buiten te verbinden met actuele transforma-
ties in het landschap, zoals nieuwe water-,
natuur- en ontsluitingsstructuren. Deze derde
vraag heeft vooral te maken met de manier
waarop bestaande programma's zoals bijvoor-
beeld landbouw, planmatig in nieuwe (bijvoor-
beeld wonen, natuurbouw) kunnen worden
omgezet.
Samenvattend gaat het in het ontwerpend
onderzoek van dit atelier om een systematische
architectonische transformatie van topografische
plattegronden, landschappelijke ruimten, natuur-
beelden en functionele programma's.
Buiten als s t e ~ a e l l l K ideaal
Als de dichter Petrarca (1304-1375) het
beroemde literaire verslag doet over zijn ruimte-
beleving van een geheel nieuwe soort (1366),
zijn "treden buiten de ruimte", dan heeft deze
dramatische gebeurtenis plaats op de top van
een berg, de Mont Ventoux bij Avignon. Hier
was de uiterste distantie bereikt ten opzichte
van het schouwtoneel der omringende wereld.
De enorme afstand reduceerde conventionele
referentiepunten tot onbetekenende stippen in
het beeld. Als alle referentiepunten zijn verdwe-
nen, wordt de ruimte onmeetbaar. Ook alle
bewegingen in het panorama worden door de
afstand gerelativeerd en tot niets gereduceerd.
Zo verdwijnt de notie van tijd, die slechts aan
beweging meetbaar is. Petrarca heeft zichzelf
"buiten de werkelijkheid geplaatst".
Terugblikkend op de eigen wereld verschijnt
deze in een nieuwe gedaante. De ononderbro-
ken vergezichten brengen een gevoel van
omslotenheid op kosmische schaal teweeg.
Petrarca associeerde bovendien de actuele fysi-
sche ruimte met de puur inwendige verten van
contemplatie en poëzie.
Een van de belangrijkste geschreven bronnen
van de tuinaanleg in de late middeleeuwen is het
Liber Ruralium Commodorum van Pietro de
Crescenzi (1311). Bij hem is er nog geen sprake
van directe of indirecte verwijzingen naar de
omgeving of naar het landschap. Zijn tekening
van een boerenerf met erbuiten alleen een dui-
ventoren en een boomgaard weerspiegelt een
harmonische, gesloten levenscyclus. Hoewel het
idee van de hortus conclusus (de besloten tuin)
in één onderdeel van de Renaissancetuin, de
zogenaamde "giardino segreto" (geheime tuin)
bewaard bleef, weerspiegelt het idee van het
buiten een fundamentele verandering. Het land-
schap kreeg betekenis in samenhang met het
arcadische ideaal van de vita rustica (het landle-
ven). De natuur werd een essentieel decor voor
het verblijf van de stedeling op het platteland.
De aanleg van buitenplaatsen werd mogelijk
op het tijdstip dat door beheersing van het ach-
terland vanuit de steden de noodzaak van de
versterkte plattelandsvestiging vervallen was.
Bestaandd buitenverblijven van de stadsadel
konden worden omgevormd en nieuw aan te
leggen villa's behoefden niet meer verdedigbaar
te zijn. Beide types, zowel de landbouwvilla als
de villa die uitsluitend ten behoeve van de
genieting van het buitenleven werd aangelegd,
representeerden het ideaal van de villeggiatura.
Met de term "villeggiatura" werd de (seizoensge-
bonden) trek van de stedelijke aristocratie naar
buiten aangeduid. In de villeggiatura, werd het
klassieke ideaal van "otium" (rust en studie) als
tegenhanger van "negotium" (arbeid) tot nieuw
leven gebracht.
Beide programma's speelden een wisselende
rol in de villa-aanleg. Zelfs Palladio's villa's in de
Po-vlakte (Veneto), die in wezen efficiënt georga-
niseerde landbouwbedrijven zijn waarvan het
programma was bepaald door ingrijpende agra-
rische hervormingen en een veranderde land-
bouwpraktijk, representeren het ideaal van de
vita rustica in de wijze waarop ze in het land-
schap zijn geplaatst.
Het buiten speelde ook een rol in de kolonisa-
tie van het achterland van de stad. De exploita-
tie van het platteland bood mogelijkheden tot
herinvestering van handelskapitalen, tot oplos-
sing van het nijpende voedseltekort en tot een
vermindering van de werkeloosheid. Bij buiten-
plaatsen viel de economische belangstelling
voor de agrarische productie samen met de
verschijning van theoretische traktaten, waarin
de landarbeid als hoogstaande en deugdzame
bezigheid werd geprezen ("Santa Agricoltura")
en het boeren bestaan ge'idealiseerd ("Vita
Sobria"). Ook werden er nieuwe modellen in ont-
wikkeld voor agrarische bedrijven. Door een
architectonische uitwerking van de boerderij
werd geprobeerd de culturele betekenis van de
landbouw en de status van de landheer tot uit-
drukking te brengen. Voor de realisering van dit
bouwprogramma werden door architecten zowel
elementen aan de traditionele types van de plat-
telandsboerderij als aan het luxueuze stadspa-
leis ontleend.
In de klassieke buitenplaats is de stad "bin-
nen" en het landschap "buiten". Maar toch is
het de stad, die de condities schept voor het
stedelijk buiten, vooral in programmatische zin.
Bij de keuze van locaties voor buitenplaatsen
speelden economische, en speculatie-
ve overwegingen de hoofdrol. Verder speelde
naast het zicht op de stad (het centrum van de
macht) ook het uitzicht op andere bezittingen
een belangrijke rol. De villa's werden bij voorkeur
in elkaars gezichtsveld geplaatst. De rond de
stad gelegen horizon vormde een belangrijke
begrenzing van het domein.
De moderne villa is tegelijkertijd een reductie
en een transformatie van de klassieke villa, die
aan de ontginning van het cultuurlandschap was
gebonden. De formele en functionele relatie tus-
sen de villa en het cultuurlandschap is daar
doorbroken; de moderne villa's zijn in beginsel
autonome objecten, die op strategische punten
in het landschap of in de natuur worden gepara-
chuteerd.
Het Algemeen Uitbreidings Plan (AUP) van
Amsterdam (1935) ontworpen door C. van
Eesteren was geplaatst in het regionale land-
schap, niet alleen wat betreft de infrastructuur
maar ook voor wat betreft het betrekkelijk nieu-
we fenomeen van de recreatie (deze twee ver-
schijnselen zijn uiteraard nauw met elkaar ver-
bonden). De nieuwe mobiliteit van de stedelijke
bevolking relativeerde de betekenis van de ste-
delijke parken; men kon immers (met de streek-
bus en de auto) veel verder naar buiten trekken.
Opmerkelijk is dat de plekken die voor de stede-
lingen van belang werden geacht samenvallen
met het natuurlandschap zoals de veenplassen,
de veenriviertjes en de duinen; aan het cultuur-
landschap werd geen recreatieve waarde toege-
21 1 Buiten PI,
kendo Wij zien hier een proces van reductie,
waarin het in feite veel ingewikkelder regionale
landschap wordt herleid op twee complementai-
re grootheden: stad en natuur. Het stedelijk
groen, waarin het stedelijke recreatieve pro-
gramma werd ondergebracht, vond zijn comple-
ment in de natuurgebieden in de regio en ook de
villa's en de vakantiehuisjes zochten de natuur
op. Daarna kan de omkering van de rol van het
stedelijk buiten van instrument voor ontginning
tot instrument voor natuurbouw worden vol-
tooid.
Plaats als Architectonisch
Dezelfde Petrarca die schreef over zijn ruimte-
beleving op de· Mont Ventoux schreef dat zijn
vil/eHa in Frankrijk twee tuinen had, één gewijd
aan Apollo, voor de beheersing en het rationele
denken en één gewijd aan Bacchus, voor het
zintuiglijke en het gevoelsmatige denken. Deze
dualiteit is wezenlijk voor de verschillende noties
van plaats.
De klassieke oorsprong van het begrip topos,
zoals dat voorkomt in de woorden "topografie"
en "topologie", ligt verankerd in de Griekse
mythologie en refereert aan het natuurlandschap
als woonplaats van de goden. Die plaats is laby-
rintisch en schaalloos; de topos heeft geen
meetkundige bepalingen. De Griekse tempel en
de Akropolis zijn bekende voorbeelden waarin
de topos, de plaats in het natuurlandschap
rechtstreeks werd verbonden met de architec-
tuur van het gebouw. Als architectonisch begrip
verwijst "topos" naar de plaats van een ontwerp
in het ongeordende landschap; de chaos.
"Topos" staat tegenover het eveneens klassie-
ke begrip "locus" dat ook "plaats" betekent,
maar dan plaats in een geordend systeem of
matrix. De klassieke oorsprong van het begrip
locus ligt verankerd in het templum, de heilige
plaats van de stadsstichting, en in de ontwerp-
matrix van de Romeinse ontginning. De locus is
meetkundig bepaald; het is de plaats in het
rationeel geordende cultuurlandschap, waaraan
afstand en tijdmeting zijn gerelateerd. Als de
Romeinen een nieuwe stad stichtten, kwam een
priester het terrein afbakenen. Daarna trok hij
met zijn staf twee orthogonale lijnen, één geo-
riënteerd op de poolster en de andere parallel
aan de zonnebaan. Deze handeling bezegelde
Builen Plaats I 22
de stad tot een bepaalde plaats, die de orde van
de natuur weerspiegelt in haar grondplan.
In de buitenplaats liet de rationele ordening de
labyrintische onverlet. Sterker nog, zij veronder-
stelden elkaar; de metende beheersing stelde
noodgedwongen de chaos aan de orde. De
labyrintische plaats werd in de Renaissance-villa
bewust gemaakt in het 'amora bosco'; in de Villa
Lante uit omstreeks 1560 waren het bosco en
de ceremoniële tuin ongeveer even groot en
gelijkwaardig. In de 17e eeuw werd de labyrinti-
sche ruimte door het barokke geweld van de
spiegelas uit de tuin verdrongen maar leefde
voort in de magische traditie van de hydraulica
en de geheimzinnige spelletjes in de omgevende
bosketten. In de 18e eeuwse Engelse land-
schapstuin werden het labyrintische en het geo-
metrische verenigd in "the genius of the place".
"Genius loci" is geen eenduidig begrip. Het
heeft betrekking op de identiteit of het wezen
van een bepaalde plaats, zoals die is bepaald
door de natuurlijke oorsprong, de geschiedenis
of de mythologie. "Topos" en "locus" spelen
hierin beide een rol van wisselende zwaarte, en
het is de taak van de ontwerper hierover uitspra-
ken te doen.
In Holland kan de rationele buitenplaats wor-
den opgevat als een landschapsarchitectonische
bewerking van de landbouwkavel of als de pro-
jectie van een rationele kavel op het natuurlijke
landschap. Het Hollandse cultuurlandschap
bestaat op de regionale schaal uit een legpuzzel
van fragmenten, waarvan de samenhang is te
vinden in de waterstructuur van het onderliggen-
de natuurlandschap. De waterstaatkundige 'ont-
ginningsmatrix' vormt het belangrijkste interme-
diair tussen het natuurlandschap, het cultuur-
landschap en de stad. Het spreidingspatroon
van de buitenplaatsen in het ommeland hing
direct daarmee samen.
Dit buitenplaatsenlandschap geeft de meest
complexe architectonische organisatie van het
laagland weer. Afhankelijk van het landschapsty-
pe zijn er verschillende aggregaten. Op de
strandwallen ontstonden er reeksen die in
dwarsrichting gekoppeld waren via het uitzicht
en/of lanensteiseis in de strandvlakte. Langs de
Case Study House 22, een stedelijk buiten als architectonische bewerking van een rotsformatie in de vlakte van Los Angeles
Bron: Architectuur en Landschap, de techniek van rationele, formele en picturale enscenering, W. Reh, C. Steenbergen
Tekening: Jaco Woltjer
23 I Bulten Plaats
binnenduinrand, bij de Wijkermeer, ontstond een
theatrale landschapscompositie, een regionaal
landschapstheater dat de binnenduinrand visu-
eel verbond met Amsterdam. In 'sGraveland
markeren de buitenplaatsen een nieuw architec-
tonisch landschap dat ontstond uit een bewer-
king van een veenontginning en een zandafgra-
ving. langs de Amstel en de Vecht ontstonden
reeksen met kruiselingse zichten over het water.
In de droogmakerij vormden de buitenplaatsen
reeksen langs de polderlanen, aan de achterzij-
de gekoppeld via het afwateringsstelsel.
De landschapstypen van het Hollandse laag-
land hebben een rijk geschakeerd palet aan bui-
tenplaatsen opgeleverd. De natuurlijke geomor-
fologie en de kolonisatietechniek zijn bepalend
geweest voor de architectonische differentiatie.
In die zin waren de Hollandse buitenplaatsen
architectonische "observatoria" waarin de ruim-
telijke kwaliteit van het landschap van de delta
onder de loep werd genomen. Zij vormden teza-
men een 'Pantheon der lage landen', waarin de
architectonische rijkdom van het laagland werd
uitgebeeld en geborgen.
De Formele
Architectonische regels en instrumenten voor
de bewerking van plaats, ruimte, natuurbeeld en
programma in het landschap, zijn in het bijzon-
der in de Italiaanse Renaissance ontwikkeld.
Naast de studie van de antieken richtte de
renaissance-architect zich op de studie van
'natuurlijke' vormen en in het bijzonder op de
proportionele verhoudingen van het menselijk
lichaam. We zien een groot aantal pogingen om
de menselijke figuur in geometrische vormen en
maatstelsels te vangen.
De belangrijkste consequentie voor de archi-
tectuur van de buitenplaats was niet alleen de
opvatting dat er een ideaal proportioneel stelsel
af te leiden zou zijn, maar vooral dat de relatie
tussen het buiten en het landschap, of nog alge-
mener, mens en natuur zich kon openbaren bin-
nen dit formele stelsel van maten en verhoudin-
gen. Voor de architect was het zaak om het
natuurlijke landschap te representeren en
bovendien de verborgen ordening te destilleren
Buiten Plaats I 24
uit de chaos zoals de natuur zich aan hem
voordeed. Het toneel hiervoor was de tuin.
Binnen het territorium van de tuin als schakel
tussen landschap en gebouw kon het spel wor-
den gespeeld tussen de representatie van de
natuur en de ordening ervan.
Het buiten kan dan worden opgevat als een
formeel schema dat over het landschap is
gelegd en waarin die onderdelen van het land-
schap, die binnen het bereik van het schema
vallen, zijn geordend en geïntensiveerd door de
afzonderlijke elementen van de tuin. Het plan als
geheel kan samenvallen met het territorium van
de tuin. De landschappelijke bepaling vindt dan
plaats in de behandeling van de rand en in de
rangschikking van de elementen van de tuin als
verwijzing naar het omliggende landschap. Zo
kan bijvoorbeeld de positie van de hoogtelijnen
duidelijk worden gemaakt door de verspringin-
gen in het maatstelsel van de tuin. Soms wordt
het landschap ook letterlijk binnen het domein
van de tuin gebracht door schilderingen.
Het buiten was het toneel waar de genieting
van de natuur werd gecultiveerd en onder con-
trole gebracht. Hier vond de organisatie, de
omvorming en perfectionering van de natuur
plaats volgens de vastgestelde regels van de
architectuur. Deze bewerkstelligde de
integrazione scenica van het buiten in het land-
schap.
Tussen de compositorische onderdelen van
het buiten kan een spanning bestaan wanneer
een van de onderdelen sterk wordt verbijzon-
derd. Bijvoorbeeld het moment waarop de vraag
kan worden gesteld of de landschappelijke
enscenering nog binnen het plan wordt vastge-
legd of dat de organisatie is overgenomen door
een van de planelementen. Dit is het geval bij de
introductie van de over het landschap gelegde
as. Soms is deze as zodanig verzelfstandigd dat
de interactie met het landschap erdoor wordt
bepaald. De ordening van landschappelijke ele-
menten buiten het eigenlijke territorium van de
tuin kan dan worden gezien als het organiseren
van een toevalligheid binnen een door de as
bepaalde hiërarchische ordening.
Bij de Veneto-villa van Palladio trad deze ver-
schuiving in de betekenis van de tuin op in
samenhang met een veranderend landschaps-
concept. De fijnzinnige genieting van de natuur,
behoefde een fraai, arcadisch landschap dat
geen productieve betekenis had. De natuurper-
ceptie was het complement van een stadscul-
tuur. De villa's van Palladio waren echter gesitu-
eerd in een vlak, uitgestrekt productielandschap,
dat geen rechtstreekse verwijzing naar het arca-
dische ideaal van de vita rustica toeliet. Bij de
landbouwvilla van Palladio is de tuin een erf en
tegelijk een ceremoniële inleiding tot de trap
naar de piano nobile (belle étage). De interactie
tussen villa en landschap vindt hier plaats met
de middelen waarmee het bedrijf en het land-
schap zelf worden georganiseerd. Landschap en
villa worden door lege assen in één architectoni-
sche ordening gebracht. De ordening kan toe-
v'oegingen in zich opnemen en er kunnen ele-
menten uit worden weggelaten. De dominantie
van het huis door de centrale ligging op de
assen en de verheven positie van de piano
nobiIe heeft een tweeledig effect. De transfor-
matie van het landschap van object van genot
naar middel tot productie heeft geleid tot de
totale beheersing ervan. Aan de andere kant is
daarmee de oorspronkelijke reden van het ver-
blijf op het land, namelijk de verlustiging in de
natuur binnen het afgeperkte domein van de
villa, tenietgedaan. Wat buiten verloren ging, kon
echter in het interieur worden hersteld door fres-
co's. In de hal, die door Palladio als een open-
bare ruimte werd gedefinieerd, werd de villa als
het ware binnenstebuiten gekeerd. In de ont-
moeting met de geschilderde natuur werd het
landschap alsnog in zijn arcadische betekenis
hersteld.
De moderne conditie
Groei van de stad leidt tot onbegrensde en
verdichte netwerken (infrastructuur) die de topo-
grafie aan stukken scheuren. Zo ontstaan geïso-
leerde, losgesneden plekken, zogenaamde
"non-places". Maar dezelfde netwerken schep-
pen tegelijkertijd ook allerlei nieuwe topografi-
sche relaties en condities. Ze leggen bijvoor-
beeld ook verbindingen met idyllische, ver weg
gelegen landschappen en lof steden, die via het
netwerk vlakbij komen.
Buiten zijn is een oud ideaal, maar wat bete-
kent 'buiten' eigenlijk in een landschap dat hele-
maal is verstedelijkt? Wat voor ruimtelijke kwali-
teiten zijn ermee verbonden? Is het mogelijk de
Ontwerpexperiment Park Haarlemmermeer, projectie Central Park. Bron: C. Steenbergen, B. v.d. Heuvel. Tekening: H. v.d. Horst
25 I Buiten Plaats
kwaliteiten die er traditioneel mee verbonden
zijn ook in een stedelijk fragmenten landschap te
maken of is buiten een utopia geworden, een
plaats die niet echt bestaat? De filosoof Michel
Foucault hanteert in dit verband het begrip hete-
rotopia. Hij noemt een aantal principes die zo'n
heterotopia tot een plaats, buiten andere plaat-
sen maken. Zo'n voorwaarde is dat één plaats,
meerdere, eigenlijk onverenigbare plaatsen
omvat, zoals dat ook in een theater, bioscoop of
{dieren-}tuin gebeurt. Een ander principe is de
accumulatie van tijd (vergelijk musea of bibliot-
heken) op één plaats. Ook kan zo'n plaats in
een geconditioneerde verhouding staan tegen-
over plaatsen erbuiten, en bijvoorbeeld een illu-
sie scheppen tegenover de werkelijkheid of juist
een reële constructie zijn waarvan de perfectie,
precisie en afwerking tegenover het alledaagse
staan.
Zulke principes maken het mogelijk de begrip-
pen buiten en plaats te moderniseren en kwali-
tatief te definiëren. Het gaat dan om metaforen
van eilanden, domeinen, territoria, observatoria
enzovoorts. De buitenplaats is niet alleen een
classicistisch type maar ook een rijk reservoir
aan lucide visies, in eerste instantie vaak geas-
socieerd met dichterlijk wonen, in direct contact
met het water en de wind, omgeven door een
artistieke selectie van elementen uit het land-
schap zoals planten en dieren. Essentieel is ech-
ter, dat men hier de tijd "buiten" doorbrengt,
buiten het werk, buiten het verkeer; of dat nu ver
van de stad, aan de rand of zelfs er middenin is.
De huidige betekenis van "Buiten" ligt in de
wijze waarop dit tegelijk in en buiten de stad, de
natuur en het landschap is geplaatst en als een
kijkdoos topografische, ruimtelijke en program-
matische aspecten manipuleert. Hier liggen de
architectonische sleutels tot het begrip van de
plaats en de wijze waarop deze met bijvoor-
beeld de geomorfologie en met het territorium
van de stad is verbonden.
In abstracto zijn buitenplaatsen stedelijke
schema's en programma's die het landschap als
grondvorm en context op architectonische wijze
leesbaar maken. Als ze landschappelijk-strategi-
sche plekken innemen (bijvoorbeeld in reeksen
langs een rivier, rond een plas, in een droogma-
Buiten Plaats I 26
kerij) kunnen ze bouwstenen zijn voor het ont-
werp van nieuwe openbare landschappen op de
schaal van het stadslandschap.
Vanuit dit gezichtspunt is een zekere systema-
tisering van ontwerpvragen denkbaar.
- Buiten de stad
"Buiten" lag buiten de stad, en de stad had dui-
delijke grenzen, die de rand van de stad bepaal-
den. Toch was er ook altijd een ommeland dat
bij de stad hoorde; een territorium waarin de
stedelijke invloedssfeer zich manifesteerde. In
het metropolitane landschap na de Vinex zullen
de grenzen van de steden in de Randstad
steeds verder vervagen. "Buiten" is dan minder
dan vroeger de tegenpool van de stad. Wat
betekent "buiten" als er eigenlijk geen buiten
meer is, omdat er een inversie is opgetreden van
landschap in stad? Hoe en waar kun je zo'n bui-
ten ontwerpen?
- Buiten de infrastructuur
Toch blijven er altijd grenzen. De grenzen van
nu worden bijvoorbeeld gevormd door zware
infrastructuur. Hoe is "plaats" te definiëren in
zo'n labyrinth van infrastructuur, en wat bete-
kenen versnelling (in de richting van de
stroom) en vertraging (dwars erop) voor de
bereikbaarheid van "buiten" en het land-
schap? Hoe kunnen nieuwe "plaatsen" voor
worden ontworpen?
- Buiten het cultuurlandschap
Van oudsher zijn buitenplaatsen gekoppeld
aan elkaar en aan structuren in het land-
schap, bijvoorbeeld de duinen, de rivieren.
Ook gemeenschappelijke interesses (bv.
landwinning, zandafgravingen) leverden een
reeks van buitenplaatsen.
Processen in het landschap die aanknopings-
punten bieden voor het creëren van nieuwe
condities zijn ook nu nog aanwezig, bijvoor-
beeld de marginalisering van landbouwgrond,
het verdrassen van land tot natuurgebied, de
aanleg van nieuwe waterbergingen enz.
Welke kansen levert dit om het stedelijke
"buiten" in te zetten als strategie om zowel
verstedelijking als vernatuurlijking tegen te
gaan?
- Buiten het individuele
Buiten zijn is altijd ingebed in een vorm van
gemeenschappelijkheid, waarbij het wonen is
gekoppeld aan een gemeenschap die zorgt
voor het beheer, het onderhoud en de exploi-
tatie. Wat zijn kritische grenzen als het gaat
om stedelijke buitens, wat is economisch
haalbaar, om hoeveel bewoners gaat het
dan? Wat voor gebruiksvormen met een col-
lectief karakter zijn denkbaar? Hoe is dan de
verdeling privé-openbaar, en hoe groot is het
domein van zo'n buiten?
- Buiten het materiële
"Buiten" staat altijd in het teken van culturele
reflectie. Het gaat steeds om het zoeken van
een evenwicht tussen otium (ontspanning) en
negotium (werk). Natuurbeschouwing intro-
duceert een kunstzinnig niveau verbonden
met muziek, schilderkunst, literatuur en filo-
sofie. Hoe kan het programma hierop inspe-
len, en een culturele inbedding sturen, zodat
'landschap' en 'kunst' weer gaan samenval-
len; en het cultuurlandschap weer een kunst-
werk wordt?
',.
27 I Buiten PI,
Eric van der
De buitenplaats staat momenteel in het mid-
delpunt van de belangstelling. Als oude term in
een nieuw jasje lijkt het een antwoord te kunnen
geven op de verstedelijking van het landschap
en biedt het mogelijkheden voor nieuwe woon-
vormen in het groen.
Om inzicht te geven in de actuele ontwikkelin-
gen in de praktijk zijn in het kort twee benade-
ringswijzen naast elkaar gezet. De eerste vormt
de zogenaamde top-down benadering waarin
vanuit de overheid de buitenplaats wordt ingezet
als een proefballon voor nieuwe vormen van
landschap en verstedelijking. De tweede bena-
deringswijze wordt ingezet vanuit de markt en is
gericht op "nieuwe" woonvormen in het groen.
In hoeverre wordt in deze benaderingswijzen
de buitenplaats als een nieuwe ontwerpopgave
omschreven en hoe wordt gebruik gemaakt van
het culturele erfgoed om de opgave aan te
scherpen? Kan de buitenplaats na de renaissan-
ce, de verlichting en de romantiek opnieuw fun-
geren als een ruimtelaboratorium waar de ont-
werpopvattingen van deze tijd in weerspiegeld
worden? Is de buitenplaats inzetbaar als archi-
tectonische interventie in het stadslandschap?
Een zoektocht naar nieuwe mogelijkheden.
ruim-
In 1995 werd door het Ministerie van LNV de
Visie Stadslandschappen (1) uitgegeven, een
zoektocht naar de nieuwe opgaven op het
grensvlak van de stad en het landschap. De
centrale vraag was of de buitenplaats als
beleidsinstrumentarium inzetbaar is voor de ver-
stedelijking van het stadslandschap. Het ant-
Buiten Plaats I 28
woord hierop werd deels gegeven door de
inzendingen van de besloten prijsvraag Nieuwe
Landgoederen (2) in opdracht van het ministerie
van LNV (mede in het kader van het Europees
Natuur-beschermingsjaar). De bekendheid rond-
om deze publicaties heeft geleid tot de herintre-
de van de buitenplaats en het I<>r.rl,..,' ......... ,rl
In de richtlijnen en randvoorwaarden van het
LNV (3) bestaat het voornaamste onderscheid
tussen een landgoed en een buitenplaats uit de
grootte van het terrein. Het landgoed fungeert,
als vanouds, als een bedrijfseconomische een-
heid en de nieuwe buitenplaats wordt gevormd
door een complex dat bestaat uit gebouwen
met een omringend park. Een belangrijk uit-
gangspunt voor beide benaderingswijzen is de
openbare toegankelijkheid van een deel van het
terrein.
Criteria voor de aanleg van een buitenplaats:
2-5 ha
80% heeft een groene functie en is openbaar
max. 5% bebouwd en niet hoger dan 20m (onder de
boomgrens)
recreatieve (mede-)gebruiksmogelijl<heden
Criteria voor de aanleg van een landgoed:
openbaar (90%) - privé (10%)
toegankelijk boscomplex (min. 5ha)
één woongebouw "van allure" met max. 2 à 3 wooneen-
heden (max. 1 ha)
aanvulling vanuit de prijsvraag Nieuwe lan(jgoedElren
binnen de Randstad (5-15ha), max. 1
buiten de Randstad (50-100 ha),verhouding
heid tot aantal ha 1:10
De inzet van de buitenplaats (en het landgoed)
als strategisch ruimtelijk ordeningsinstrument
vindt vervolgens plaats op twee verschillende
speelvelden, de randstad en het gebied daarbui-
ten, de rest van Nederland.*
De buitenplaats als model voor de verstedelij-
king
Binnen de stedelijke agglomeratie wordt de
buitenplaats op twee manieren ingezet. De eer-
ste ligt in de meerwaarde om met reeksen van
buitenplaatsen aaneengesloten groenstructuren
te ontwikkelen zoals dit op traditionele wijze
plaatsvond op de overgangen van verschillende.
landschapstypen. Voorbeelden hiervan zijn terug
te vinden langs de duinranden (Wassenaar), de
rivieren (Vecht en Amstel) en veenafgravingen
('S Gravenland, Hilversum).
Op deze wijze kan de stad zich als een steeds
verder ontwikkelende tapijtmetropool verzekeren
Haagse Beemden - het buiten binnen de stad (9)
In het vervolg van de tekst is de buitenplaats synoniem voor
het landgoed tenzij anders vermeld
van groene longen, zoals dit onder andere wordt
geïllustreerd in de dissertatie van
L.J.M.Tummers en J.M. Tummers-Zuurmond
"Het land in de stad" (4). In de zoektocht naar
nieuwe concepten voor stad en land binnen de
agglomeratieve stedebouw staan de Haagse
Beemden (Breda) model voor het buiten binnen
de stad. Het bestaande landgoed is in de plan-
vorming opgenomen als het hart van de nieuwe
wijk.
De tweede inzet wordt gezien in de verruiming
van het programmatische kader. De buitenplaats
wordt daarbij niet alleen beschouwd als een
"nieuwe" woonvorm in het groen, maar tegelij-
kertijd als een als klankbord voor nieuwe woon-
en werkvormen in een groene setting.
Buitenplaats Ypenburg wordt gezien als een
metafoor voor exclusieve woonvormen in een
Vinex-outfit.
29 I Bulten PI a;
De buitenplaats als nieuwe vorm van natuur
Buiten de Randstad worden de buitenplaats en
met name het landgoed vooral gezien als een
oplossing om de in verval geraakte landbouw
een face-lift te geven. Door rood te combineren
met groen wordt niet alleen een economisch
perspectief geboden, maar tevens de mogelijk-
heid stukken landbouw terug te geven aan de
natuur (5). Braakliggende landbouwgronden
I<unnen op deze wijze worden omgetoverd tot
weelderige productiebossen, recreatieland-
schappen en natuurontwikkelingsgebieden.
De inzet van het natuurbeeld is vooral gericht
op een ecologische benaderingswijze, die
bestaat uit het terugbrengen van het landschap
in een 'verwilderde' (oer)staat. De mens trekt
zich hierbij geleidelijk terug en runderossèn en
przewalskipaarden nemen het onderhoud over.
Dit geldt niet alleen voor nieuwe landgoederen
maar ook voor het bestaande culturele erfgoed.
In het (natuur)beeld van Natuurmonumenten lijkt
geen plaats voor een meer dubbelzinnige bena-
deringswijze waarin oude en nieuwe natuurbeel-
den naast elkaar worden gezet.
De buitenplaats als fiscaal wondermiddel
Buitenplaatsen en in de eerste plaats landgoe-
deren zijn van oudsher bedrijfseconomische
eenheden geweest. Inkomsten worden gegene-
reerd door de productie van hout, het houden
van een veestapel en het bedrijven van land-
bouw al dan niet door middel van erfpacht. Het
beheer van roerende en onroerende goederen
gecombineerd met landbouwkundig en land-
schappelijk inzicht zijn verenigd in het beroep
van de rentmeester. De rentmeester behartigt
alle fiscale en financiële belangen van het land-
goed. Niet zelden is de rentmeester dan ook de
vertrouwenspersoon van de landheer.
De invoering van de successierechten die het
erfgoed belasten aan het eind van de vorige
eeuw betekende de strop om de hals van de
landgoedeigenaren .
De Natuurschoonwet uit 1928 bracht hierin
verlichting. De wet bood de mogelijkheid fiscale
faciliteiten te verlenen, mits aan een aantal
regels werd voldaan. Een voorbeeld: indien een
landgoed opengesteld wordt voor het publiek,
minimaal 30% bos bevat en min. 5ha groot is,
worden de tarieven voor de vermogensbelasting
en van successie- en schenkingrecht op nul
gesteld (6).
Het landgoed als bindmiddel in de ecologische hoofdinfrastructuur ingezet in Noord Groningen als overgang tussen nieuw vorm te
geven beekdalen en verstedelijkte linten (8), H+N+S, landschapsarchitecten, 1997)
Buiten Plaats I 30
De regels waren oorspronkelijk opgesteld met
als doel de bestaande landgoederen te ontlas-
ten en om iets van de oorspronkelijke rijkdom
toegankelijk te maken voor een groter publiek.
Echter niet als uitgangspunt voor de aanleg van
nieuwe landgoederen! Deze missen de allure en
uniciteit die voortleeft in het culturele erfgoed.
Tot ongenoegen van de Rijksdienst voor
Monumentenzorg (7) moet men nu met lede
ogen toezien hoe deze regels een ingang ver-
schaffen voor de aanleg van nieuwe landgoede-
ren zonder daarbij een culturele bijdrage te leve-
ren in de vorm van een landschappelijk monu-
ment of een gebouw van allure.
BonOM-UP
De
als t"V"I..:l, ... Lri· ......... ' .... rh
Inmiddels is er vanuit de markt ook een nieuwe
tendens zichtbaar. In tijden van economische
hoogconjunctuur komt een steeds grotere groep
mensen in de gelegenheid te investeren in
onroerend goed. Het verlangen naar ambachte-
lijke kwaliteiten komt tot uitdrukking in een nos-
talgische wens naar klassieke voorbeelden. Je
zou hierin een parallel kunnen trekken met de
ontwikkeling van het buitenleven in de renais-
sance waarin een nieuwe groep mensen, verte-
genwoordigd door de Midici, zich profileerden
naast de adel en de kerk. Naast de villa urbana
werd de villa rustica, als bloem van de stad, de
tegenpool van het stedelijke leven op het platte-
land. De tuin en het huis werden gebruikt om
gedachten over toekomst en verleden in te
weerspiegelen. Men greep terug op de klassieke
idealen van de Romeinen en de Grieken als
overheersers van de wereld. En met de ontdek-
king van het perspectief in de Renaissance en
de verovering van de aarde werd ook de horizon
binnen de plangrenzen gelegd. Verbeelding en
mystiek kregen in de tuin een nieuwe gedaante
in de vorm van onder andere grotto's en beel-
den.
Met andere woorden, vanuit de markt kwam
de behoefte en de vormgeving speelde in op de
veranderende tijden. Vanuit de schilderkunst,
beeldende kunst, architectuur en landschapsar-
chitectuur werd gezocht naar een eigentijdse
weergave van de wereldlijke idealen. Dit roept
de vraag op in hoeverre en in welke mate de
buitenplaats opnieuw een spiegel van de tijd kan
zijn?
De kenmerken van de oude landgoederen:
strategische situering, nabij water en niveauverschillen
2 afgelegen ligging met ommuring
3 tonen van de economische kracht
4 de eigenaar als wereldburger met goede smaak en ken-
nis van de Oude Wereld
5 tonen van luxe, je loopt vooraan
6 het hebben van een sieraad voor je eigen genoegen (de
tuin als verbeelding van landschap)
7 op lange termijn je naam laten voortleven
8 een degelijke bouw, zodat de investering er in de toe-
komst uit zou komen
9 de ruimte van het landschap binnen de plangrenzen
halen
Kenmerken van nieuwe landgoederen, afgeleid van de
oude:
strategische ligging nabij centra, snelwegen: goed
bereikbaar
2 veiligheid rijke mensen leven liever low profile dan dui-
delijk herkenbaar
3 tonen van luxe niet overdone, maar wel getuigend van
goede smaak
4 het hebben van een mooi sieraad voor je eigen genoe-
gen
een degelijk bouw
en aanvullend;
6 absolute privacy
7 alleen met eigen mensen omgaan met meergezinswo-
ningen, dus ballotage
8 dicht bij voorzieningen en onafhankelijk van de auto
9 ruimte, zowel rond de woning als in de woning.
Overmaat schaadt niet
10 zoveel mogelijk ruimtes op de begane grond
11 ruimte voor gasten
12 ruimte voor hobby's; golf, paardrijden, (winter)tuinieren,
muziek, etc.
(Frits van der Kooij, Rentmeester landgoed Midachten, naar
aanleiding van een rondleiding op het landgoed voorjaar
1997)
Evenals in de tijd van de Renaissance en
Industriële Revolutie is er sprake van een nieuwe
elite die gekenmerkt wordt door voorschrijdende
ontwikkelingen in de technologie- en handels-
wereld. Daarnaast is er sprake van een steeds
groter wordende groep Yuppies (Young Urban
Professionals) en Dinkies (Double Income No
Kids). Voor deze "nieuwe elite" is het vrijstaande
huis het toppunt van de zelf verworven vrijheid.
Voor de top is dit ideaal al bereikt. Zij zitten ver-
31 I Buiten Plaats
scholen achter grote hagen in de luwte van de
stad, in de duinen en in het Gooi. Voor de twee-
de groep komt dit ideaal steeds verder binnen
bereik. Traditie en waarden worden niet meer zo
nauw genomen, immers kwaliteit is te koop.
Deze nieuwe vorm van vrijheid vertaald zich in
het wilde wonen; koop je woning in de super-
markt. Exclusiviteit wordt verpakt in de naamge-
ving van verschillende type cataloguswoningen.
Kenmerkend is ook de vlucht naar het buiten-
land in de vorm van een tweede woonhuis in
België, Zuid-Frankrijk of op de Antillen.
De vraag is of het hier nog wel een buiten-
plaats betreft. Is een woning in het groen
meteen een buitenplaats en is een landgoed een
wooncomplex in een polderbos? Biedt deze
benadering genoeg draagvlak voor een inhoude-
lijke aanscherping van de opgave?
Een \lo .... "",rt"" ... IIIIf of een
buitenkans?!
Nu duidelijk is met welke inzet de buitenplaats
en het landgoed worden toegepast komt men
aan een aantal constateringen niet voorbij.
De veranderende rol van de opdrachtgever
Daar waar vroeger alleen de eigenaar status
gaf aan zijn eigendom door een ontwerp dat in
zijn ogen zijn macht weerspiegelde, zijn er nu
twee verschillende opdrachtgevers, de overheid
en de ontwikkelaar/belegger. In beide gevallen is
de uiteindelijk bewoner slechts afnemer van het
aangeboden product.
In de formulering van de opgave wordt niet of
nauwelijks ruimte gegeven om zelf gestalte te
Het vrijstaande huis als absolute woonideaal van de 21 e
eeuw, advertenties Vivenda, januari 1998 en Residence,4
april 1998)
Buiten Plaats I 32
geven aan een vrije invulling. De markt bepaald
de inzet en de waarde.
Verandert het ontwerp hierdoor in een set van
regels of kan het de ontwerpopgave op de juiste
manier prikkelen?
De buitenplaats als legenda-eenheid
Buitenplaats en landgoed worden ingezet als
strategieën voor de verstedelijking van het
stadslandschap en de vernatuurlijking van het
cultuurlandschap; bijzonder gebruiksgroen met
een rood tintje.
Daar waar vroeger landschapsarchitecten als
Vignola, Ie Notre en Brown de horizon binnen de
plangrenzen trachtten te verruimen en als het
ware de schaal van het landschap probeerden
te ontstijgen in de bewerking van het land-
schapstheater, lijkt de opgave te bestaan uit een
de inpassing van een goed doortimmerd fietspa-
denplan in weelderige productiebossen of eco-
logisch heringerichte beekdalen.
De buitenplaats als beleggingsobject.
Alhoewel de Natuurschoonwet uit 1928 .
bedoeld was om bestaande landgoederen te
handhaven bieden de destijds opgezette fiscale
regels nu de hoofduitgangspunten van het LNV
voor het opzetten van nieuwe landgoederen.
In hoeverre bieden deze regels een garantie
voor datgene waar een buitenplaats van oor-
sprong uit voort kwam? Namelijk, de aanleg van
een van een sieraad tot lust en genoegen van
het eigen gebruik, met daarin een reflectie van
de wereldse idealen!
MAKELAARSKANTOOJl p, HUREN
Het Gesamtkunstwerk voorbij?!
De eis dat alle landgoederen 30% (productie)-
bos (in het kader van de compensatieregeling)
moeten bevatten maken het in de huidige situ-
atie tot een speelbal zonder context. Dit bete-
kent immers in het kader van de normering van
de landbouw binnen de EEG dat alle overtollige
landbouwgronden in Nederland in aanmerking
komen voor nieuwe landgoederen.
Stel dat deze eis standhoudt en er inderdaad
breed wordt ingezet op deze vorm van land-
schapsbouw, dan zou het heel goed kunnen zijn
dat we in 1995 Nederland als Kunstwerk (8) in
haar meest open vorm hebben meegemaakt.
Net zoals de Veluwe 100 jaar geleden uit een
open zandvlakte met een paar vliegdennen
bestond weten onze kleinkinderen niet beter dan
dat er in Nederland altijd bos heeft gestaan.
Samen met het veranderende natuurbeeld
waarin een ecologische (lees:verwilderde) bena-
dering het beeld bepaalt, betekent dit waar-
schijnlijk de teloorgang van de diversiteit van het
Nederlandse landschap.
Met andere woorden, biedt de buitenplaats de
ruimte voor een reflectie op haar eigen context
of is zij in beginsel een natuurproduct?
Landschap en architectuur als twee geschei-
den opgaven
In "Bouwen met allure" (9) is getracht nieuwe
landgoederen te typeren in termen als allure,
eenheid en duurzaamheid. In de aangereikte
strategieën voor de vormgeving en inpassing in
het landschap valt op dat architectuur en land-
schap als twee losse opgaven worden
beschouwd. De architectuur is het niet het ver-
lengstuk van de landschappelijke opgave noch
het uitgangspunt. Van enige wisselwerking is
geen sprake.
In het experiment nieuwe Buitenplaatsen
"Portret met Parels"(10) is de insteek vooral
gericht op het zoeken naar de oplossing van
landbouwkundige problemen (koppeling vervuil-
de gronden, grondwaterstanden, beheer) en
nieuwe juridische instrumenten
beheer, onteigening, wonen in buitengebied,
etc.) als kansen voor de ontwikkeling van nieu-
we buitenplaatsen(1 De architectuur wordt
teruggedrongen tot onder de boomgrens en
komt letterlijk op de tweede plaats. Over een op
de buitenplaats toegespitste nieuwe architecto-
nische opgave kan nauwelijks gesproken wor-
den.
Men beschouwt de opgave toch vooral als
twee supplementaire delen; het landschap als
openbaar domein en het gebouw/complex als
architectonische eenheid.
Wellicht dat juist in de integratie van deze
beide opgaven een de uitdaging ligt om de ver-
schillende schaal niveaus aan elkaar te koppe-
len?
Recreatief medegebruik en gemeenschappelijk
eigendom
Zowel binnen het stedelijk gebied als in de
landschappelijke context is de strategie vanuit
de overheid er vooral op gericht de betekenis
van het groen te verhogen door recreatief mede-
gebruik.
Bewoners en de bezoekers dienen op een
vanzelfsprekende en vakkundige manier van
elkaar gescheiden worden. Zorgde vroeger de
ha-ha voor een vanzelfsprekende overgang zon-
der zichtbaar hek opdat het vee niet op het
gazon konden komen is de vraag nu hoe de ver-
schillende gebruikers van elkaar worden
gescheiden maar ook op elkaar betrokken wor-
den. Zien en gezien worden.
Hetzelfde geldt voor het gemeenschappelijk
eigendom. Welke grens kan gesteld worden aan
het aantal inwoners en de manier waarop ze
individueel en met elkaar het buiten zijn bele-
ven? En, welke programma's horen daarbij?
De architect (Kuiper Compagnons) laat de gebouwen als
parels in het vorm gegeven groen (Heidemij) landen. (6)
33 I Buiten Plaats
inter-
ventie
Vanuit de beschreven ontwikkelingen kan men
constateren dat vanuit beide
invalshoeken (top-down en bottum-up) geen
afleesbaar ontwerpinstrumentarium is af te lei-
den. Er zijn genoeg uitdagingen om te komen
tot een interessant ontwerp, maar biedt dit
genoeg aanknopingspunten om de buitenplaats
als landschapsarchitectonische interventie in te
zetten in het veranderende stadslandschap? Als
aanzet worden vier instrumenten aangereikt. De
wisselwerking tussen deze instrumenten kan
aanknopingspunten bieden om tot een verrijking
van de ontwerpopgave te komen?
De context
De buitenplaats is van oudsher altijd een plek
geweest met een duidelijke relatie met het land-
schap. Vaak gekozen op een strategische posi-
tie in het landschap nabij gradiënten van hoog
naar laag. De context had ook betekenis als
plaatsbepaling ten opzichte van de stad. In tijd
en afstand vormde de stad altijd de tegenpool
van het buiten, terwijl anderzijds het buiten een
vertaling was van de stad in het landschap.
Heeft de context voor de nieuwe buitenplaats
nog betekenis en wat kan het toevoegen aan de
gewaarwording van het veranderende
(stads)landschap? Wat is hierin de relatie tot de
stad? En hoe wordt dit binnen de buitenplaats
ervaren?
DE RELATIE VAN HET ARCHITECTONISCH CONCEPT TOT HET lANDSCHAP
woonkeuken lakkerland naar Schouwefzijl
brug Igrasland
BEGANE GROND
Afstudeerproject Elza Conijn - Wonen op een buiten (13-1999)
In het afstudeerproject 'Wonen op een buiten' heeft Elza Conijn (AVB-Groningen) het woonideaal in het landschap betekenis gege-
ven door op een zorgvuldige manier een buiten in te passen in het Friese wierdenlandschap. Door het wonen op een buiten te zien
als een afzonderlijk ontwerpopgave krijgt het landschap als specifiek onderdeel van het woonprogramma betekenis in het span-
ningsveld tussen het oneindige, gesymboliseerd door ondermeer het grote raam in de woonkamer, en de geborgenheid in de beslo-
ten tuin
Builen Plaats I 34
35 I Buiten Plaats
Het plan schema
In het planschema ligt de compositorische
gedachte achter het ontwerp. Zocht men in de
renaissance nog naar een maatsysteem van ras-
ters als een uit de natuur vertaalde verhouding
tussen huis en tuin, zo werd dit systeem in de
barok als een totalitair principe over het land-
schap geschoven.
In de engelse landschapsstijl ten tijde van de
verlichting is het weelderige paden beloop tus-
sen en langs open ruimten met objecten de
basis van de plattegrond van de tuin en het
huis. Het instrumentarium is daarmee gebonden
Pare de la Villette - B. Tschumi (14-1984)
aan een bepaald tijdsbeeld waarbij actuele ont-
wikkelingen verwerkt worden in het ontwerp
voor gebouw tuin en landschap.
In hoeverre is de ecologische benadering
gericht op een natuurbeeld van oeroude beek-
dallandschappen voldoende representatief voor
de invulling van een buiten. Waar ligt de grens
tussen ontwerpingreep en vrije keus en welke
instrumenten kunnen hierbij worden ingezet?
Hoe hebben ontwikkelingen inde architectuur,
kunst, media en technologie invloed op de
vormgeving van de buitenplaats als een compo-
sitorische eenheid?
Punten
Lijnen
Vlakken
Het ontwerp van Parc de la Villette markeerde de omslag in het denken van een eenduidig ruimtelijk beeld naar een meer complexe
ruimtelijke benadering. Het planschema bestaat uit het op elkaar stapelen van drie planlagen, punten, lijnen en vlakken, die als
afzonderlijke systemen ontworpen zijn. De ruimtelijke ervaring die resulteert als gevolg van het over elkaar heen schuiven van de
planlagen is pluriform. Het park werkt als een eigentijdse videoclip.
Buiten Plaats I 36
Het ruimtebegrip
In het landschapstheater wordt de relatie tus-
sen gebouwen omgeving 'in scène gezet'. Met
andere woorden: het in beeld brengen van de
ruimtelijke gewaarwording van het ontwerp. Het
komen, verblijven en gaan. Binnen en buiten
worden op elkaar betrokken in een spel met de
horizon. Hier ontmoeten de planstructuur en de
topografie elkaar en worden de verschillende
onderdelen van het programma op elkaar
betrokken. In het landschapstheater wordt de rol
van de toeschouwer, acteur en regisseur
bepaald, bewerkt en bespeeld. Het is bij uitstek
een ruimtelaboratorium waarin nieuwe percep-
ties van tijd en ruimte worden vertaald.
In hoeverre kunnen ontwikkelingen in de archi-
tectuur worden vertaald naar het landschap en
hoe kan de wisselwerking tussen openbaar en
privé, gemeenschappelijk en individueel worden
vertaald in een ruimtelijk ontwerp?
Buitenplaats 'de Bleskolk' in Almelo - Heeling Krop Bekkering (15,16-1998)
In het ontwerp voor Buitenplaats 'de Bleskolk' in Almelo is de complexe ruimtelijke opbouw van het landschap aanleiding geweest
om in het ontwerp de maatvoering van de bos- en waterpartijen op elkaar af te stemmen. Het gebouw is als een afgeleide van het
landschap ontworpen en wordt vanaf verschillende plekken op een andere manier beleefd. Openbaar en privé zijn op een vanzelf-
sprekende manier van elkaar gescheiden door een waterpartij die als schakel tussen het gebouwen de boselementen is ingezet.
37 1 Buiten Plaats
de verbeelding van het programma
De buitenplaats is van oudsher altijd een
bloem van de stad in het landschap geweest,
waar het landleven boven het stedelijke leven
werd verheerlijkt. Werk en ontspanning hadden
een directe wisselwerl<ing op elkaar door de tuin
(lust) en de landerijen (werk) in het ontwerp op
elkaar te betrekken. In de verbeelding van het
programma werd het spel tussen otie (werk) en
negotie (genoegen) uitgespeeld. Dit gebeurde
aan de hand van architectonische en landschap-
pelijke beeldtypen die tevens gebruikt werden
om de overgang van gebouw naar omgeving
vorm te geven (13). De beeldtypen werden inge-
zet als een verbeelding van het landschap (de
zee als de vlakte) en het programma van de villa
(de boomgaard als bosco).
Zijn deze beeldtypen inietbaar als vertaling
van ruimtebegrippen en een programma van
deze tijd? Hoe wordt het spel tussen het nut en
het genoegen in het ontwerp uitgespeeld? Kan
de macht van de verbeelding worden ingezet
om virtuele landschappen een rol te laten spelen
in vormgeving van de nieuwe buitenplaats?
De brieven die de Romeinse patriciër Plinius the, Younger rond de eerste eeuwwisseling schreef over
zijn Toscaanse en Laurentijnse villa beschrijven voor het eerst de verheerlijking van het landleven. In
de brieven wordt de villa beschreven als een ideale plek om uit de drukte van de stad te komen tot
studie en meditatie.
De nauwkeurigheid en verbeeldingskracht die uit deze brieven spreekt, heeft tot op de dag van van-
daag architecten geïnspireerd om de brieven te vertalen naar een ontwerp (de oorspronkelijke villa Is
nooit gevonden). De weergave van al deze ontwerpen door de tijd heen (14) geven aan, dat ondanks
dezelfde tekst de villa iedere keer een afspiegeling vormt van haar eigen tijdsbeeld.
Buiten Plaats I 38
The Villas of Pliny - ontwerp van Sundermann (1981)
The Villas of Pliny - ontwerp van Schinkel (1841)
The Villas of Pliny - ontwerp van Solsana (1981)
39 I Buiten Plaats
Het buiten \lA/"UI"hlli
Naast de geconstateerde reikwijdte van het
begrip de buitenplaats blijven er nog vragen
over omtrent de diepere betekenis van het bui-
ten? Wat is nu het bijzondere en het 'buiten' ge-
wone aan een buitenplaats? In hoeverre vormt
dit een reflectie op het beeld van de 'klassieke'
buitenplaatsen, kan het worden vertaald naar
het ontwerp? Welke ontwerp- en compositie-
middelen kunnen hierbij worden ingezet? En op
welk schaal niveau kan de buitenplaats worden
ingezet?
Waar ligt de grens?
Kunnen nieuwe landschappen en woonvormen
worden gezien als een uitdagend ontwerpveld
voor de buitenplaats of gaat de buitenplaats
daarmee voorbij aan haar eigen culturele opga-
ve, namelijk als een statement in deze tijd de
spiegel te zijn van het verleden en tegelijkertijd
een vizier op de toekomst.
Buiten Plaats I 40
Literatuur
Visie Stadslandschappen deel 6: "Nieuwe Buitenplaatsen in het stadslandschap" , Ministerie van LNV, Den Haag april 1995
2 Nieuwe Landgoederen, een besloten ideeën prijsvraag, Ministerie van LNV, Den Haag oktober 1995 (tevens als bijlage bij Blauwe
Kamer/Profiel 5, 1995)
3 Experiment Nieuwe Buitenplaatsen, folder Bureau Experiment Buitenplaatsen (BEB), Ministerie van LNV en VROM, 1996
4 Het land in de stad de stedebouw van de grote agglomeratie, L.J.M. Tummers en J.M. Tummers-Zuurmond, Toth - Bussum 1997
5 Oorden van Onthouding Nieuwe natuur in verstedelijkend Nederland, NVTL en WLO, Nai uitgevers Rotterdam 1998
6 Bouwen voor Bos - case studie Nieuwe Landgoederen, Provo Gelderland en Overijssel, Heidemij. advies, feb. 1997
7 Buitenplaatsen - Jaarboek Monumentenzorg 1998, Waanders Uitgevers Zwolle, Rijksdienst voor Monumentenzorg Zeist, 1998
8 Landschap, H+N+S landschapsarchitecten Utrecht, D. Sijmons e.a., Architectura & Natura Pers 1998
9 Bouwen met allure, Heidemij advies i.s.m. Kuiper Compagnons, Ministerie van LNV. Provo Gelderland en Utrecht, juli 1997
10 (a) Experiment Nieuwe Buitenplaatsen "Portret met Parels" - evaluatie en beleidsadvies o.b.v. 9 proefprojecten, Ministerie van LNV
(BEB), Utrecht, 1998/4 - (b) Experiment Nieuwe Buitenplaatsen" Portret met Parels" - analyse, typering en bijdrage tot de ontwerpdis-
cussie, DLO Slarring Centrum, Wageningen 1998
11 Speelveld voor nieuwe buitenplaatsen - een verkennende studie naar de invloed van hun variabele eigenschappen op ruimtelijke kwa-
liteit en rentabiliteit, L.M. van der Berg en A.L.W. Wint jes, DLO Starring Centrum, Wageningen 1997
12 Landgoederen in het bestemmingsplan Buitengebied, Federatie Particulier Grondbezit - Commissie Landgoederen, december 1996
13 Wonen op een buiten - spanning tussen het oneindige en de geborgenheid, afstudeerproject Elza Conijn, juli 1999
14 Het Montagelandschap - C.M. Steenbergen, E. van der Kooij, TU-Delft, 1988
15 Deelstructuurplan de noordelijke groene long, Heeling Krop Bekkering stedebouwkundigen en architecten, gemeente Almelo, 1998
16 Buitenplaats "de Bleskolk" , Heeling Krop Bekkering stedebouwkundigen en architecten, gemeente Almelo, 1998
17 The Villas of Pliny - from Antiquity to Posterity, Pierre de la Ruffiniere du Prey, Univ. Of Chicago Press, Chicago and London, 1994
18 Metamorfosen beeldtypen van Architectuur en Landschap, R. Aben / P. van der Ree / C. M . Steenbergen, TU Delft 1994
41 I Builen Plaals
Rob Aben
Als we de aankondigingen van nieuwe projec-
ten op reclameborden en in advertenties gelo-
ven is er sprake van een recycling van land-
schappelijke bebouwingstypen. Een blik in een
zaterdag krant: Bungalowpark Wasseveld in
Zelhem, De Buitenhof in Soest, Villahof de Mare
in Rijswijk en Parkflat Sibilius in Oss. Het 'bui-
tenwonen' wordt volop geromantiseerd. De
namen dekken de lading echter niet, maar zo'n
klassieke verwijzing verkoopt blijkbaar wel.
Zo'n zelfde lot is ook het buitenplaats-type
beschoren; alles wat maar enkele vierkante
meters tuin om zich heen heeft en net iets groter
is dan de middelmaat wordt als buitenplaats of
landgoed gepresenteerd. Zelfs in de resultaten
van de enkele jaren geleden uitgeschreven
Buitenplaats-prijsvraag
1
lijkt het erop dat het
type door de deelnemende landschapsarchitec-
ten niet in zijn volle glorie is doordacht. Het blijft
veelal bij een gebouw in een ruime en groene
omgeving en wat oppervlakkige formele geba-
ren. Het buitenplaats-type is veel dubbelzinniger,
veel rijker.
De idyllische woning heeft geen buren.
zie hiervoor de bijlage bij Blauwe Kamer/Profiel nr.5 1995.
2 een zeventiende eeuwse buitenplaats in Aerdenhout die -
afgezien van het gebouw nog in een goede staat verkeerd.
3 idem pag. 10.
Builen Plaats I 42
Binnen in het buiten
Een moderne buitenplaats kan een perfecte en
aantrekkelijke woonomgeving vormen voor de
welgestelde medemens of een collectief en vol-
doen aan een behoefte aan openbare lusthoven
voor de stedeling. Praktisch bekeken zou zo'n
buitenplaats bijvoorbeeld op bepaalde tijdstip-
pen of in bepaalde jaardelen openbaar kunnen
zijn. Of gewoon de formule van Elswout
2
, waar
een gulden entree wordt gevraagd. In de woor-
den van Gijs Wallis de Vries: "private toeëige-
ning moet worden toegejuicht indien ze een
algemeen belang dient. "3 Dat het niet altijd
open(-baar) is, is juist een verbeelding prikke-
lend gegeven. In de vormgeving moet duidelijk
zijn dat je op bezoek bent in de tuin van een
ander. Zonder deze charme van exclusiviteit is
de buitenplaats niet meer dan een park of
natuurterrein met een gebouw erin. Een park is
een ontmoetingsplek en heeft daarom het een
lage drempel naar de stad; letterlijk heeft het
veel ingangen en een open, uitnodigende opzet.
Voor een buitenplaats zou dat desastreus zijn,
een buitenplaats is eerder als een tuin, een plek
om je in terug te trekken. Een buitenplaats zet
zich dan ook af tegen de omgeving en laat
alleen het beste binnen haar omheining toe.
Doordat zij selectief is in wat zij toont, kan de
buitenplaats in haar vormgeving een reflectie
bieden op de stad en op het landschap.
De historische buitenplaats was een domein
dat buiten de en buiten in de open lucht
lag. Het was verder vooral 'een binnen', Binnen
haar domeingrenzen werd een ontsnapping van
het aardse geënsceneerd door een projectie van
het paradijselijke. Hoe zo'n paradijs op aarde
eruitziet of eruitzag is een boeiend en eeuwig
terugkerend vraagstuk. Zeventiende-eeuwse
theoretici zochten aanknopingspunten o.a. in de
mathematica of in de muziekleer. Zo zijn er in de
loop der tijd in de vorm van buitenplaatsen heel
wat beschouwingen tot verwezenlijking geko-
men. Allen probeerden ze de ideale context te
scheppen. Misschien is een hedendaags versie
van het paradijs eerder stedelijk met asfalt,
staal, en klimaattechnieken, of juist een verbeel-
ding van een oernatuur met Schotse
Hooglanders en kronkelende beken; dat zijn
echter de invullingen. Interessant zijn vooral de
ruimtelijke condities waarmee een paradijselijk
context gecreëerd kan wordén. Het zijnde
eigenschappen van het buitenplaats-type die
niet stijl- of tijdsgebonden zijn. Deze kenmerken
vormen het type. Zij zouden aan de basis moe-
ten staan bij de inzet van het buitenplaats-type
in de hedendaagse ontwerpopgave.
illusie en als
Door haar verheven concepten was de histori-
sche buitenplaats een exclusief terrein ten
opzichte van het alledaagse boeren- of natuur-
landschap waarin het lag. Binnen de domein-
grenzen was alles gericht op het bieden van de
ene verrukking na de andere, de buitenplaats
stond dan ook bol van de illusies. Ze kende een
grote dichtheid aan sferen, beelden en symbo-
len. Een van de illusies die consequent terug-
keerden bij een buitenplaats, is het imponeren
door grootsheid, ook wel monumentaliteit
genoemd. Dit gebeurde letterlijk door zichtlijnen
door te trekken tot buiten de kavelgrenzen,
waardoor een domein groter leek, maar ook
door het toepassen van allerlei formele instru-
menten als een laan, grand canal of fonteinen.
Een ander middel om te imponeren werd verkre-
gen door tuinonderdelen of bouwwerken te
abstraheren of simpelweg zeer groot te maken,
waardoor de menselijke maat werd overstegen.
Tegenover de grote gebaren stonden de intieme
plekken en de verfijningen, die ook bij het type
horen.
De hier genoemde kenmerken exclusiviteit, illu-
sie en grootsheid zijn nauw met elkaar verweven
en hangen bovendien alle drie samen met het
spel dat gespeeld wordt tussen het domein en
4 Er bestond tot aan de Verlichting een uitgesproken negatie-
ve houding ten opzichte van de wilde, ongerepte natuur. Het
Latijnse woord forestis (woud) bevat de stam foris, dat buiten
betekent.
5 Dit is in ieder geval meestal zo bij de buitenplaatsen van het
Hollands Classisme, de Italiaanse Rennaissance-tuinen en de
barokke Franse tuinen. De enige uitzondering in de buitenplaats-
haar omgeving: het bijzondere en het gewone,
het binnen en het buiten. Met het spel tussen
binnen en buiten kunnen exclusiviteit, illusie en
grootsheid geënsceneerd worden. Tezamen
maken zij een ontsnapping mogelijk; een ont-
snapping uit de stedelijke drukte, een ontsnap-
ping uit de alledaagsheid.
De buitenplaats is als een bewoonbaar
gemaakte (omsloten) tuin. Met het oprichten van
een omheining wordt bij een tuin een territorium
verbijzonderd. De aangename (natuur-) elemen-
ten worden erbinnen samengeplaatst en de
onaangename buitengesloten.
4
Dit exclusieve
karakter kenmerkt ook de buitenplaats. Exclusief
in beide betekenissen van het woord: bijzonder
en buitensluitend. Om het terrein exclusief te
krijgen moet het zich afzetten tegen de alle-
daagse context. Hiervoor moet een drempel
ingebouwd worden; de bezoeker moet letterlijk
en figuurlijk door de grenzen heen, om tot het
binnenste van de buitenplaats door te dringen.
Zo gesteld bestaat de buitenplaats bij gratie van
haar beperkte toegankelijkheid. De grenzen die
het domein afbakenen (de schillen) zijn ruimtelijk
gedifferentieerd; de grens bestaat niet uit één
overgang, maar uit een reeks overgangsmomen-
ten of ruimtes. De absoluutheid van de grenzen
wordt bovendien weer gerelativeerd door zichtlij-
nen naar het landschap, een nabijgelegen kerk-
toren of de stad.
5
De grondslagen van de buitenplaats zijn te vinden in de
Middeleeuwse Hortus Conclusus; een paradijselijke enclave
in de nabijheid van de stad.
historie vormen de Engelse Picturale tuinen, zij proberen volledig
op te gaan in het landschap. Begrenzingen zijn taboe en worden
zoveel mogelijk weggewerkt (bijvoorbeeld door de zogenaamde
Ha-Ha). Opmerkelijk is dat de als een mokerslag in het land-
schap staande gebouwen wel het binnen vertegenwoordigen. Ze
vormen stevige ankerpunten in de compositie door hun groots-
heid, stenigheid en klassieke opbouw.
43 I Builen Plaats
Door de noodzakelijke grenzen is de buiten-
plaats een enclave: een binnen. Op allerlei
manieren kan er van een buitenplaats een bin-
nen gemaakt worden. Een middel om dit op te
roepen is het plaatsen van markeringen in de
route (door poorten, over water, via draaiingen).
Een ander middel is door de schillen (gemateria-
liseerde grenzen) rondom het domein te differen-
tiëren.
6
Hierbij moet gedacht worden aan grach-
ten, bomenrijen en omheiningen. Het letterlijke
'binnen' van de buitenplaats is de ziel ervan; het
gebouw. Door het gebouw een dominante rol te
geven in de compositie, wordt het binnen van
het domein benadrukt. Hier gelden de regels
van de eigenaar die als vanuit een panopticum
de tuin en het landschap overziet.
De illusie van het interieur
Een andere associatie is die van de buiten-
plaats als een uitvergrote woonkamer. Zoals een
plein de woonkamer van een stad is, zo kan de
buitenplaats de woonkamer van het landschap
zijn. De woonkamer is een intieme ruimte vol
illusies'? De kamer is gevuld met dierbaarheden
(verzamelingen, exotische trofeeën), decoraties
6 Overigens is het hoogtepunt van een route in een buiten-
plaats vaak niet het gebouw maar de tuinen die achter het
gebouw liggen. Het gebouw is slechts een onderdeel van een
route naar de meest exclusieve plekken: de achtertuinen. De
voortuinen hebben vooral een representatieve functie, de achter-
tuinen zijn aan het oog onttrokken en daarmee het meest pri-
vaat.
7 'de privé-persoon, die op zijn kantoor alleen maar met wer-
kelijkheden heeft te maken, verlangt van zijn interieur dat het zijn
illusies koestert' (Walter Benjamin, 1992)
Builen Plaats I 44
(bloemen, frutsels) en verwijzingen (foto's, schil-
derijen). Zo is de woning evenals de buiten-
plaats een wijkplaats voor de stad. Vanuit het
comfort en de veiligheid van het interieur komt
de openbaarheid via TV en andere communica-
tiemiddelen binnen, of is de openbaarheid te
aanschouwen van achter het raamglas. Dit is
hetzelfde bij een buitenplaats, waar zichtlijnen
vanuit het beschutte intieme binnen op het land-
schap, de stad of belangrijke routes gericht zijn.
Vanuit de buitenplaats werd het gebied
beheerst. De zichtlijnen van binnen naar buiten
zijn uiterst selectief en tonen alleen de uitzichten
die aangenaam bevonden werden. Op deze
manier is niet alleen het interieur een illusie maar
ook het buiten zelf.
Door het buitensluiten van ongewenste ele-
menten ontstaat een eenzijdig goede en daar-
mee illusoire wereld, die in de buitenplaats met
allerlei trucs uit de tuinkunst werd gevoed.
Bekend zijn de suggesties van oneindigheid
door het wegplanten van het einde van water-
partijen, het werken met hoogteverschillen,
waardoor grenzen onzichtbaar worden en het
de idylle van het interieur
toepassen van altijdgroene beplanting (ever-
greens) om een eeuwige lente te suggereren.
Omdat een van de functies van de woonkamer
het ontvangen van mensen is, is het de meest
representatieve ruimte van een woning. Het is
een ontvangstruimte waar het de bezoeker
gerieflijk wordt gemaakt. Bij een buitenplaats is
men dan ook te gast op een privé-terrein. De
gastheer ontvangt je in zijn persoonlijke idylle.
Dat idee wordt opgewekt door de poorten,
bruggen en verfijnde details; zij duiden aan dat
het andermans domein is (het is letterlijk en
figuurlijk een bepaalde ruimte), waarin het een
voorrecht is om te mogen vertoeven.
De vergelijking van een interieur met een bui-
tenplaats wordt verder onderbouwd doordat de
buitenplaats de verfijning van een interieur kent
door de inzet van onder andere bloemen, hagen,
potten en beelden. Deze invulling wordt gezet
tegenover de grote gebaren (lanen, waterpartij-
en, velden) en lange zichtlijnen die de schaal van
het landschap (het buiten) in het domein halen.
Het intieme wordt gezet tegenover het land-
schappelijke, interieur tegenover exterieur.
De grootsheid van een buitenplaats is van oor-
sprong verbonden met de representatieve bete-
kenis die een buitenplaats had. Elke bezoeker
moest onder de indruk raken van de rijkdom,
geleerdheid en wereldlijke ideeën van de eige-
naar. Grootsheid of monumentaliteit kan ook
Het grasveld dat de kern van Nagele vormt.
zonder formele middelen en imposante bouw-
werken bereikt worden. Zoals bijvoorbeeld in het
dorp Nagele, waar de grootsheid van de polder
in het ontwerp is betrokken.
Nagele
8
is zeker niet gebouwd om te impone-
ren maar het heeft verder diverse overeenkom-
sten met een buitenplaats. Het dorp ligt midden
in het weids en geometrisch landschap van de
Noord Oost Polder. De bebouwing wordt
omringd door een bosstrook van vijftig tot hon-
derd meter breed. Deze strook heeft als prak-
tisch voordeel dat er een windluw binnengebied
ontstaat, een groene kamer naar analogie van
de zeventiende-eeuwse buitenplaatsen van het
Hollands Classicisme. De ruimtelijke consequen-
tie van deze ingreep is dat er een binnen ont-
staat in de weidse polder.
Op twee manieren is het gegeven van de schil
ruimtelijk uitgewerkt. Daar waar een brede vaart
(de Nagelervaart) het dorp in het oosten
insteekt, is een transparante bomenrij gemaakt,
zodat er van binnen uit een visuele relatie met
de horizon van de polder is. De binnenruimte
wordt hierdoor onderdeel van een groter geheel.
De knechten van de boeren, die oorspronkelijk
in het dorp woonden, konden hier direct naar
hun polderland kijken. De vaart maakt juist in de
binnenruimte een kleine knik. De ingang van het
dorp is gekoppeld aan de plek waar de vaart
vanuit het westen het dorp binnenkomt.
Door de dichte schil wordt de dorpsruimte
ruimtelijk gedefinieerd, zoals in vestingsteden de
stadswal dat deed. Juist door die duidelijk aan-
wezige omheining is het mogelijk om van het
nagele, compositie van een binnenwereld met zichtlijnen
vanuit de kern naar de polder
8 Nagele was gereed in 1954. Het is een experiment van de
groep De 8 onder leiding van B. Merkelbach en C. van Eesteren.
Het definitieve plan is getekend door Aldo van Eyck.
45 I Buiten Plaats
binnenterrein een vrije compositie te maken. Dit
gegeven is uitgebuit door in het centrale open
veld de bijzondere functies, zoals scholen en
kerken, vrijelijk in het grasveld te plaatsen.
Enkele solitairen en boomgroepen staan even-
eens los in het grasveld verspreid en benadruk-
ken nog eens dat hier geen formele ordening
nodig is om samenhang te verkrijgen. De kern
van het ensemble - de brink- bestaat daarmee
uit een ontspannen ingerichte leegte, waar je
met de hand in de broekzakken rond kan strui-
nen. Het knappe van het ontwerp is dat in de op
menselijke proporties gebaseerde maat van het
dorp, ook de maat van de polder nog voelbaar
aanwezig is.
Extreem binnen
9
Grootsheid, exclusiviteit en illusie zijn niet
enkel weggelegd voor het buitenplaats-type.
Een meer hedendaags type waarin alle drie de
kenmerken uitgewerkt zijn en op een uitgespro-
ken wijze wordt omgegaan met de binnen-bui-
ten paradox, is het Casino. Evenals een buiten-
plaats imponeert een casino: het is een monu-
mentale grote zaal met een eindeloze hoeveel-
heid tafels en gokkasten en veel goud en rood
fluweel. Deze 'lusthof' is een gesloten doos met
aan de buitenzijde een groots uitnodigend
gebaar naar binnen. Eenmaal binnen het casino
is er geen enkele verwijzing naar buiten. Niet let-
terlijk door de afwezigheid van ramen, maar ook
niet op een indirecte manier, omdat er geen
tijdsaanduiding te vinden is. Sterker nog: binnen
is het altijd hetzelfde. De tijd is er uitgeschakeld.
Hiermee heeft het Casino dezelfde intenties als
een buitenplaats; een ontsnapping bieden uit de
stad.
Evenals bij de buitenplaats worden de onaan-
gename elementen weggewerkt waardoor er een
illusoire, kunstmatige, air-conditioned binnenwe-
reld ontstaat. De opbouw is labyrintisch. Dit in
combinatie met het verdoezelen van de ingang,
maakt dat het een ultieme verblijfsruimte is. Men
hoeft niet verder, alles is er en niets herinnert er
aan buiten. De ingang is klein om - binnen- de
gokker niet op de gedachte te laten komen om
naar buiten te gaan.
De moeilijkheid is dat het gebouw toch aan-
trekkelijk moet zijn naar buiten toe, en het een
9 Mocht er een reeks zijn dan vertegenwoordigen gevangenis-
sen vermoedelijk het 'meest-binnen-type'; een isolement in ruim-
te en tijd. Een gevangenis is een microkosmos, een binnenwe-
reld die mensen buiten de maatschappij plaatst. Overeenkomstig
met buitenplaatsen worden gevangenissen veelal buiten de stad
geplaatst. Het is een zeer exclusief terrein - grootsheid en illusie
zijn in het gevangenis-type echter ver te zoeken.
Buiten Plaats I 46
lage drempel van buiten naar binnen moet heb-
ben om mensen naar binnen te lokken. Hiertoe
is de voorgevel opgesierd met toeters en bellen.
Zo is een groot verschil tussen de buitenplaats
en het casino, tenminste wat betreft ruimtelijke
aspecten, dat er in een casino geen subtiel spel
gespeeld is tussen binnen en buiten. De omge-
ving is simpelweg volledig buitengesloten door
vier gesloten wanden en een plafond. Voorbij de
entree geeft het Casino zich direct helemaal
bloot doordat de ruimte in een keer te overzien
is. Dit in tegenstelling tot in een buitenplaats
waar er door middel van een bewust geënsce-
neerde route telkens een deel van het domein
en de omgeving getoond wordt en men staps-
gewijs tot de kern komt.
buiten
Nu de stad zo'n beetje overal is, is de moge-
lijkheid om te ontsnappen uit de stad complexer
geworden. De plaatsen waar het lukt om een
buiten te creëren worden er des te boeiender
door. Een Casino, maar ook bijvoorbeeld een
kerk en een pretpark, bieden mogelijkheden tot
ontsnapping. Het buitenplaats-type heeft het in
zich om aan deze reeks ontsnappingen een sub-
tiele en sublieme toe te voegen.
Voor een goed voorbeeld waarin de tegenstel-
ling binnen-buiten architectonisch is uitgewerkt
moeten we voorlopig nog teruggrijpen op histo-
rische voorbeelden. In 1643 werd begonnen met
de aanplant van de Hof te Bergen, een typisch
Hollands Classicistische buitenplaats. Het ont-
werp stond geheel in het teken van geometrie.
Immers hierin kon de Goddelijke perfectie bena-
derd worden en de verborgen orde in de natuur
kon ermee naar boven worden gehaald. Dit
betreft zowel de hoofdopzet die bestaat uit een
raamwerk van lanen, tot en met de details zoals
de plaatsing van bomen en hagen. Hier werd de
illusie van een totale orde neergezet, een totale
overheersing van de mens op de natuur. Men
beredeneerde destijds dat het verblijven in een
'goede' (lees: Goddelijke) omgeving zou leiden
tot deugdzaamheid.
Door haar streng geometrische opbouw is de
Hof (!) een exclusief terrein, dat zich afzet tegen
de grillige vormen van het bestaande landschap
en de heerlijkheid Bergen. Het raamwerk van
lanen vormt de buitenste schil van het ontwerp,
direct daarachter ligt een gracht, wederom een
bomen laan , en een pad. Ook de entreepartij
speelt een rol in het creëren van een binnen.
Een aarden wal begeleidt de toegangslaan (de
Eeuwige Laan) en definieert een entreeplein daar
waar de route een negentig graden draai maakt,
recht op het huis af. Het huis wordt voorafge-
gaan door een imposante laan van zo'n kilome-
ter lengte en heeft volgens goede klassieke
gewoontes een streng symmetrische opbouw.
De bezoeker heeft dan ook al kennis gemaakt
met de Eeuwige laan, die zo'n tweeëneenhalve
kilometer verder eindigt in de duinen. Om de
afscherming van de buitenwereld nog verder te
ensceneren ligt het gebouw op een eiland, aan
een door muren en zijgebouwen omsloten voor-
plein. Aldus moeten er achtereenvolgens twee
poorten, twee bruggen en vier verschillende
ruimtes 'doorstoken' worden voordat de deur
Hof te Bergen, gravure uit ca. 1650
Een goed voorbeeld van selectieve richtlijnen zijn de zichtlijn
naar het polderlandschap vanuit het gebouwen de zichtlijn
naar de kerk in het plan voor de Hof te Bergen. De zichtlijn
naar de kerk is een eerbetoon aan het geloof, de zichtlijn
naar de polder zal er een zijn geweest van trots, trots op
een landschap dat overwonnen is op de zee. De zichtlijnen
naar de duinen lopen dood op die duinen; deze punten zijn
ook niet aangegrepen om te formaliseren. De duinen waren
immers periferie en alleen interessant als jachtgebied.
van het huis bereikt is.
De buitenruimtes bij uitstek de twee tuinen
op twee eilanden terzijde van het huis - zijn pas
te bereiken via de achteruitgang van het huis en
een brug. Ook hier geldt dat deze buitenruimtes
schillen om zich heen hebben: een gracht, een
bomen laan met pad en een berceau. Zij bieden
een volledige ontsnapping aan stad, gebouwen
landschap. Hier is de paradox van het binnen
(door de verborgen locatie en de schillen) in het
buiten (het blootstaan aan de elementen) het
verst uitgewerkt.
Het omslagpunt van de compositie bevindt
zich echter in het huis. Juist hier, op de plek die
(letterlijk en figuurlijk) het 'meest binnen' is, is er
een zichtas naar het polderlandschap gemaakt.
Het binnen en het buiten zijn hiermee als twee
uitersten, de kamer versus het landschap, direct
tegenover elkaar gezet.
Literatuur
Aben, R.; Het Hof in Bergen geanalyseerd, tekst verschenen
in Moduleboek A 1, Faculteit Bouwkunde 1997
Aben, R. Wit, S. de; De omsloten tuin, geschiedenis en ont-
wikkeling van de hortus conclusus en de herintroductie
ervan in het hedendaagse stadslandschap, Uitgeverij 010
1999
Benjamin, W; Kleine filosofie van het flaneren, SUA
Amsterdam 1992
Schaper S. J.; Het Hof in Bergen
47 I Buiten Plaats
Jaco
Het 'buiten' wonen is in opmars. Niet enkel
gepensioneerden of vutters betrekken een huisje
in het natuurschoon van de provincie Drenthe,
ook in de Randstad is het buiten wonen op een
landgoed, een 'buiten', op een boerderij of op
een nieuwe 'buitenplaats' populair. Het thema is
dermate populair dat er een blad bestaat dat
'Buiten' heet -en iedere maand verschijnt in een
oplage van 58.000. In de weekends trekken de
mensen er op uit, naar buiten, en in de vakan-
ties ondernemen ze 'adventure-tours': buiten.
Maar, wat is dat nou eigenlijk: buiten? En wat
is dan binnen?
Het buiten wonen is van oudsher paradoxaal
genoeg exclusief voor de stedeling. Van de
bewoners van het platteland, de boeren, kun je
namelijk nauwelijks zeggen dat ze 'buiten'
wonen. Enkel vanuit het perspectief van de ste-
deling bestaat er een buiten. Vandaar
ook de naam van de vele buitens in de Gouden
Eeuw: buitenplaats. De stad fungeert in dit per-
spectief als binnen. Zonder de stad is er geen
landelijk buiten. De stad is de oorsprong van
deze dichotomie.
De wildernis
Toen de mens nog als nomade over de aarde
zwierf was hij altijd buiten. Hij verkeerde in een
landschap dat eindeloos doorliep. Een land-
schap waar de mens een constante dreiging
voelde van wilde dieren en de gevolgen van de
onvoorspelbare natuurelementen. In zo'n land-
schap was de mens één met de natuur, één met
het landschap. Daarin bracht hij verandering
toen hij van jager en verzamelaar landbouwer
werd. Het begin van de menselijke beschaving
wordt meestal gelijk getrokken met die vestiging
van de mens op een bepaalde plek van het
Builen Plaats I 48
aardoppervlak. Die plek bracht hij in cultuur. Hij
bracht een stuk van het landschap onder con-
trole. Hij creëerde een veilige, beschutte plek in
een onveilig landschap. Hij creëerde een 'bin-
nen'.
Vanaf dat moment werd het landschap buiten.
Vanaf dat moment werd het landschap wildernis.
Was de mens niet meer één met de natuur en
het landschap en vanaf dat moment is de mens
op zoek náár die éénwording. Op zoek naar het
paradijs dat hij volgens de mythische vertellin-
gen verloren is.
Met de vestiging van de mens op een bepaal-
de plek op het aardoppervlak gaf hij vorm aan
zijn bestaan en aan het landschap: het begin
van de architectuur. De architectuur creëert een
territorium in het landschap dat onder controle
is gebracht door de mens, gedomesticeerd. AI
wat niet onder controle is gebracht valt daar
buiten: de natuur, de natuurelementen en het
woeste landschap. De natuur komt hierin over-
een met het buiten. Deze benadering omvat
echter enkel de concrete wereld, terwijl in de
beleving van de mens de werkelijke ervaring ligt.
De taal biedt uitkomst. Bij de mens spreekt men
ook over natuur: dat ligt niet in zijn natuur, ze is
zo natuurlijk, zijn wilde natuur, etc. Je kan stellen
dat natuur staat voor alles dat buiten onze con-
trole valt, buiten ons rationele manier van den-
ken. Deze benadering van onze natuur gaat ook
op voor de natuur van de fysieke wereld, en
daarmee het buiten. In het landschap is buiten
dan alles niet door ons in cultuur is gebracht of
waar wij geen controle over hebben. Een
moment zonder cultuur, en dat betekent dat het
buiten zijn ook vooral een individuele ervaring is.
Het idee dat het buiten vooral te vinden Îs in
adventure-tours in de onontgonnen natuur is
daarom zo gek nog niet. De controle verliezen
over je handelen in de wilde natuur. De ultieme
ontsnapping aan het gecontroleerde stadse
leven. Een gevoel van vrijheid in een ongecon-
troleerde en ongecultiveerde natuur.
Het 1!:lnrlcr'h!:l,n
Het valt vandaag de dag nauwelijks te bepalen
waar het territorium van de natuur begint en
waar het eindigt. Evenmin valt het territorium te
bepalen van wat binnen is en wat buiten. In het
huidige stadslandschap is de grens tussen bin-
nen de stad en buiten de stad nauwelijks te vin-
den. Vroeger vormden de stadswallen de duide-
lijk bepaalde grens tussen de stad en het land.
Dit was in essentie een ruimtelijke grens. Elke
stad had echter zijn eigen politiek en zijn eigen
rechtsstelsel en de stadswallen vormden ook de
bestuurs- en rechtsgrens van de stad. De stad
vormde een afgebakend territorium, waarbinnen
de specifieke rechten en plichten golden van de
stad. De stad vormde dus niet enkel een 'bin-
nen-de-poorten', afgesloten van het onveilige
platteland, maar had een eigen cultuur, vormde
zijn eigen wereld. Zo ook het buiten-de-poorten
omringende platteland.
De cultuur van de stad en het omringende land
was dan wel duidelijk verschillend, er was spra-
ke van intensief verkeer en wisselwerking tus-
sen de beide werelden. Hierin was de grens veel
minder duidelijk. Kleine stedelijke industrieën
lagen vanwege de overlast buiten de wallen en
boeren van het omringende land brachten hun
waren naar de markt in de stad. Stad en land
waren programmatisch en sociaal met elkaar
verbonden. Tegenwoordig is de programmati-
sche relatie tussen de wereld van de stad en het
er naast gelegen platteland dus minder duidelijk.
Ruimtelijk vloeien ze in elkaar over. Een duidelij-
ke grens is er niet tussen de stad en het land.
De stad en het land zijn overgegaan in een gro-
ter geheel, in een stedelijk landschap.
De 17 e-eeuwse stad maakte echter ook al deel
uit van een groter landschap. Een landschap dat
niet enkel in (agri)cultuur gebracht was, maar
ook een verfijnde waterhuishouding had en een
grote mate van stedelijke organisatie kende. Het
land werd dus ook gecontroleerd.
Het steden netwerk van het 17e-eeuwse
Holland kende centrische steden, met elkaar
verbonden door voornamelijk trekvaarten en
natuurlijke waterwegen. In de huidige stedelijke
agglomeraties is de infrastructuur niet de verbin-
ding tûssen de steden, maar is zij de hoofd-
structuur ván verstedelijking geworden; hierdoor
is een polycentrische stad ontstaan. Centra ont-
staan in deze structuur op plekken van goede
bereikbaarheid. De minder of slecht bereikbare
plekken spelen een marginale rol in het stedelijk
netwerk en zijn daardoor nutteloos - en bij uit-
stek geschikt voor een buiten. De verschillende
stedelijke programma's en de restanten natuur-
landschap en cultuurlandschap liggen zo als
fragmenten in het snelwegennetwerk: het resul-
taat is een stedelijk veld zonder hiërarchie. De
fragmenten hebben eenduidige programma's
zoals de diverse 'woonmilieus' , bedrijventerrei-
nen, kantorenparken, recreatiegebieden, binnen-
steden, havengebieden, agricultuur, villawijken
en entertainmentclusters. Een duidelijk binnen
en een buiten de stad valt in dit landschap nau-
welijks te definiëren.
49 I Buiten Plaats
Afbeelding uit 'Amsterdam in kaarten', Zomer en Keuning
Buiten Plaats I 50
Structuur: ruimte en karakter
Vóór de slechting van de vestingwallen was
een 'binnen de stad' en 'buiten de stad' ruimte-
lijk duidelijk gedefinieerd. Binnen de stad was de
ruimte van de straten en grachten besloten, bui-
ten de stad was de ruimte van het land open
naar de horizon. De stad en het land vormden
ieder hun eigen wereld, met hun eigen cultuur.
Twee werelden die programmatisch met elkaar
verknoopt waren en elkaars tegenwicht vorm-
den. De 17e-eeuwse buitenplaats onttrok zich
aan beide werelden en vormde een eigen
wereld, een plek, los van het omringende land
en los van de stad. Naast de stad en het land
kwam de tuin. De buitenplaats bleef echter als
een soort satelliet van de stad fungeren. Het
fungeerde als buiten ten opzichte ván de stad.
De stedelijke cultuur was het kader waarbinnen
de buitenplaats kon bestaan. De stedelijke cul-
tuur regeerde over de grens van de stad heen.
De stedelijke cultuur breidde haar territorium uit
over het land.
In het huidige stedelijke veld bestaat geen bin-
nen en geen buiten meer, er bestaat enkel een
(vage) bepaaldheid van het ene fragment ten
opzichte van een ander fragment. Een bepaald-
heid in programmatische zin of in structuur.
Die bepaaldheid wordt niet gemarkeerd door
een duidelijke grens. Ook hebben ze nauwelijks
een 'hart'. In het algemeen bestaat de tapijtme-
tropool uit als geheel onherkenbare structuurlo-
ze fragmenten. De fragmenten zijn ruimtelijk
onbepaald. Een associatie van binnen en buiten
is dat het binnen een bepaalde gesloten ruimte
is en het buiten een onbepaalde doorgaande
ruimte met bepaalde elementen. Dit is het ruim-
telijk onderscheid van het binnen en buiten van
de 17e-eeuwse stad. Deze lag binnen haar ves-
tingwallen en had daarin een bepaalde grens,
die het binnen en buiten de stad definieerde. In
het stedelijk veld is de overgang van het ene
fragment naar het andere dan ook meestal over
een 'glijdende' schaal.
Indien de ruimtelijke of karakteristieke
bepaaldheid echter overheersend is, onder-
scheidt het fragment zich van de anderen. Een
voorbeeld: wanneer een kolommenstructuur aan
één zijde langzaam overloopt in een schijven-
structuur, is er geen sprake van een duidelijke
grens. Er is echter wel een 'binnen de kolom-
men', evenals een 'binnen de schijven'. Een bin-
nen-de-kolommen is buiten-de-schijven. De
grens is niet bepalend, de overheersing van een
element is bepalend. Het element is structure-
rend voor de verschijning van een geheel. Dit
geld niet enkel voor ruimtelijkheid, maar tevens
voor een blauwe en een rode stad of voor een
water- en een stratenstad. De mate waarin de
ruimte of het karakter overheerst, is bepalend
voor het geheel, bepaalt het binnen.
De
In het 17e-eeuwse Amsterdam trokken de rijke
kooplieden vaak naar buiten. Aan de Amstel,.de
Vecht en in de Watergraafsmeer ontstonden veel
buitenplaatsen. Maar ook de gewone
Amsterdammer trok er vaak op uit. De Amstel,
de Amsteldijk en de Watergraafsmeer fungeer-
den als een plezierlandschap buiten de wallen
van de stad, er ontstond een landschap van
kleine huisjes en (volks)tuinen. Maar ook binnen
de stad was er een plek waar de
Amsterdammers hun fysieke en mentale ont-
spanning vonden: de Plantage. De Plantage is
een onderdeel van de uitleg van de 17 e-eeuwse
grachtengordel van Amsterdam. Door de gerin-
ge belangstelling voor het laatste deel van de
uitleg van de grachtengordel werd dit deel nut-
teloos. Daarom ging de gemeente Amsterdam
over tot het uitgeven van grond voor tuinen. Het
gebied lag al snel vol met lustoorden. Boomrijke
lanen doorkruisten het gebied en ontsloten de
tuinen. De lanen vormden het decor voor een
wandeling en een ontspannend verblijf.
Bomenlanen waren een uitzondering in de
Amsterdamse grachtenstad. Als stelsel van
lanen braken zij met de ruimtelijke continuïteit
van de grachten. De Plantage kende een heel
andere structuur dan de rest van de stad. Het
stelsel van lanen vormde een bijzondere plek in
de stad. De overheersende structuur van lanen
zorgde voor een andere wereld, een wereld bui-
ten de (grachten)stad. Een wereld met tuinen,
bomen en lommerrijke lanen en een wereld van
vogels en door stedelingen gehouden dieren. De
aanwezigheid van deze ingrediënten en de
mogelijkheid van en vermaek creëerde
een buiten binnen de stad. Een tuin op stedelij-
ke schaal. In de Plantage werden aspecten van
de stad en het land gecombineerd.
51 I Buiten Plaats
Buiten
De ontsnapping aan het gecultiveerde bestaan
van de stad speelde dus ook in de Gouden
Eeuw. Naast de Plantage en het directe land-
schap rond de stad bood ook de buitenplaats
die ontsnapping. De buitenplaats bood ruimte
voor 'plezier ende vermaek'. Voor het nutteloze.
lets waar in het nuttige leven van de stad geen
tijd en plek voor was. In de buitenplaats speelde
men verstoppertje en balspelen en genoot men
van het water. Maar de buitenplaats bood ook
ruimte voor een korte wandeling, waarin men de
gedachten kon laten gaan over de literatuur, de
filosofie en religie, waarin men zich kon overge-
ven aan bespiegelingen die nauwelijks ter zake
deden in de stedelijke negotie. En dat alles
temidden van geurige bloemen, vogels, fruitbo-
men en vijvers. De buitenplaats bood een ont-
snapping aan het drukke leven van de stad, aan
de regels en het gecultiveerde gedrag. Ze zorg-
de voor verstrooiing van de stedeling. Men was
in de buitenplaats buiten de stad, maar ook in
een andere wereld, een nieuw binnen. In de bui-
tenplaats nam de stedeling afstand van zijn
werk, zijn 'negotium' en verspilde zijn tijd aan
plezier, zijn 'otium'. Hij was in een andere situ-
atie, waarin zijn plezier overheersend was. De
buitenplaats vormde een plek waar de stedeling
vrij was van de heersende cultuur in de stad.
In het tegenwoordige stedelijke veld concen-
treert de stedelijke cultuur zich niet meer op één
plek. Heel Nederland is (sociaal) verstedelijkt.
Eerder was het nog zo dat de negotie zich con-
centreerde in de stad en dat het otium -de vers-
trooiing voor de stedeling- overal in het omrin-
gende landschap plaats had. Tegenwoordig is
echter de negotie overal aanwezig en concen-
treert het otium zich. Het totale landschap is
gecontroleerd, overal is de stad. De natuur -in
de vorm van het ongecontroleerde- is ingeka-
derd door de stad. Fragmenten cultuur- en
natuurlandschap resteren als oases van rust en
verstrooiing. De buitenplaats is ook zo'n oase.
Een oase waar nog ruimte is om ongecontro-
leerd en nutteloos buiten te spelen. Een plek
voor de homo ludens, de spelende mens. Waar
de dingen spelenderwijs op hun plaats vallen.
Buiten Plaats I 52
De afstand tot de horizon
De buitenplaats lag op afstand van de stad.
Over de waterwegen legde men de route af naar
de buitenplaats. De reis duurde niet langer dan
een dag, maar die reis zorgde wel voor de men-
tale overgang van het stadse leven naar het
leven op de buitenplaats. Men had fysiek en
mentaal afstand genomen van de stad. De bui-
tenplaats vormde een nieuwe wereld. In haar
structuur van lanen en natuur onderscheidde de
buitenplaats zich niet enkel van de stad, maar
ook van haar directe omgeving. Met zichtassen
door lanen en uitzichten vanaf de rand of kunst-
matige heuvels werd echter een visuele relatie
gelegd met het (buitengesloten) omringende
en de stad. De horizon van de stad
en het land werden hierdoor in de tuin gehaald.
De afstand tot de stad en de omgeving werd zo
geformaliseerd. Men keek terug naar de stad.
De afstand en het zicht op de horizon genereer-
de een mentale conditie die de drukke stedeling
de kans bood mentaal afstand te nemen van de
dagelijkse werkelijkheid en zich over te geven
aan contemplatie.
De natuurelementen
Buiten is ook fysiek buiten. Dat wil zeggen
lichamelijk blootgesteld aan zon, wind en water,
aan warmte, kou en regen. De beschutting die
de gebouwde omgeving bied aan de mens is
vooral ook een beschutting tegen de krachten
van de natuurelementen. In de stad regent het
buiten, binnen (in het huis) niet; maar buiten in
het open landschap wordt regen allesbepalend.
Of wind. Of mist. Of zon. Zonder beschutting
overheersen de natuurelementen. De mens is
buiten overgeleverd aan de natuurelementen. De
natuurelementen vallen buiten onze controle. Zij
dramatiseren het buiten zijn. Ze veranderen de
wereld. Sneeuwen mist, zon en regen geven
kleur aan de wereld. De natuurelementen creë-
ren de poëzie van de verschijning van het open
landschap. Van de stad, van het landschap en
van de wereld. In een wereld waarin de mens
alles wil controleren laten de natuurelementen
de mens haar plaats in de natuur erkennen. De
mens moet dan opnieuw één worden met de
natuur en het landschap. Ze moet zich overge-
ven aan iets dat groter is dan haarzelf.
buiten
Natuur wordt vaak gedefinieerd als alles dat op
de aarde buiten de controle van de mens om
gemaakt is of beïnvloedt is. Maar ook de mens
zelf heeft zijn natuur. De natuur bestaat dus niet
enkel in een concreet landschap, maar mis-
schien wel juist uit de ervaring van de mens in
dat landschap. Het verblijf in een landschap dat
vrij is van door de mens be'invloede of gecontro-
leerde processen geeft de ervaring van bevrij-
ding uit een keurslijf. Een keurslijf van een ratio-
nele (stedelijke) cultuur. Hierin komt natuur over-
een met het buiten zijn. Een gevoel van vrijheid,
van mogelijkheden. Een plek om terug te vallen
op je natuur, om te spelen. Om nutteloos bezig
te zijn.
Naast de natuur was de tuin van oudsher een
plek om je vrij te voelen, om te spelen. Naast de
vaste culturen van de stad en het land ontstond
de tuin. Een plek van plezier en vermaek. In het
stedelijke veld is de stad geëxplodeerd, het land
geïmplodeerd en wat overgebleven is, is één
grote speeltuin. In dit stedelijke veld overheerst
een gevoel van vrijheid. De vrijheid van het indi-
vidu in een groot plezierlandschap, in één groot
buiten. De ontsnapping hieraan is wellicht juist
in een nieuw binnen. Een plek die qua ruimte en
karakter zich onderscheid, zodanig dat het
structurerend is voor de ervaring van het geheel.
Wellicht een nieuwe buitenplaats.
Een contemporaine buitenplaats zou een twee-
deling hebben: als formele bevestiging van een
landschap van plezier en vermaek, of als een
wereld die ontsnapt aan de negotie én de vers-
trooiing.
De laatste jaren komt er nog een andere bui-
tenplaats op: die van de retro-boerderij. De bui-
tenplaats als formele bevestiging van het (vroe-
gere) landleven. Als een tijdelijke inwisseling van
het normale jachtige stedelijke leven voor een
quasi tijdloze levenscyclus van het boerenbe-
staan. Het landleven als cultuur is deel uit gaan
maken van het plezierlandschap.
Natuur lijkt daardoor het meetinstrument te zijn
waarmee de gradatie van het buiten-zijn te
bepalen is. Het buiten-zijn als tegenhanger van
het gecontroleerde bestaan. Nu de controle van
de mens over het landschap door het rationele
denken is ge"lntensiveerd lijkt het alsof de mens
een net zo intensieve tegenhanger wenst.
Tegenwoordig lijkt het alsof tegenover de totale
controle de totale ontsnapping gewenst is. Het
totale buiten, het totale buitenterritorium.
Desalniettemin zit het 'buiten-gevoel' ook nog in
de kleine dingen. In de ervaring van de horizon,
in tijdloosheid, in ongecontroleerde plantengroei
of bijvoorbeeld in de momentele overheersing
van wind en regen.
Buiten is een buiten-de-dagelijkse-gang-van-
zaken, buiten de gedomesticeerde en gecontro-
leerde leefwereld en buiten het nuttige bestaan
van de werkende mens.
53 I Buiten Plaats
Saskia de Wit
De stad en het land
In de Nederlanden van voor de Middeleeuwen
was na de Romeinse bloeiperiode het sociale,
economische en politieke leven steeds meer
bepaald door het platteland. Het Rijk van Karel
de Grote, dat exemplarisch was voor de eerste
helft van de Middeleeuwen, was gebaseerd op
grondbezit, en de machthebbers waren in de
eerste plaats (here)boeren. Na het uiteenvallen
van dit rijk verschoof, onder invloed van de ster-
ke bevolkingstoename, een verhoogde agrari-
sche productie, een stabilisering van de politiek
en de opkomst van geld als belangrijkste ruil-
middel, geleidelijk het accent naar de stad.
Handel en nijverheid werden even belangrijk, en
misschien wel belangrijker, dan de agrarische
beroepen. Naast het aloude 'landrecht' ging ook
het 'stadsrecht' gelden, waarmee de steden los-
gemaakt werden van hun omgeving.
Binnen de muren van deze middeleeuwse ste-
den hadden naast stedelijke ook nog steeds
veel landelijke functies hun plek. Er lagen
groentetuinen, boomgaarden en zelfs weilanden,
om ook tijdens belegeringen een minimale voed-
selproductie op gang te houden. Ook de niet-
agrarische plattelandsfuncties kregen in de toer-
nooivelden, schietbanen en kerkhoven een plek
binnen de muren; het leven in de stad beteken-
de immers niet dat meteen ook de manier van
leven radicaal veranderde. Toch kregen ook
deze oorspronkelijke half-landelijke steden uit-
eindelijk een echt urbaan karakter en de open
plekken werden vervangen door bebouwing.
Een l a n l a e ! I I I ~ ~ e enclave in de stad
Het was pas in deze sterk verdichte en stenige
steden dat de behoefte aan open ruimte werd
geformaliseerd in de aanleg van tuinen, de hof-
Buiten Plaats I 54
jes. De eerste hofjes waren begijnenhof jes, waar
ongehuwde vrouwen samenleven in een soort
kloostergemeenschap. In deze hofjes zien we
elementen die in de stad geen plaats meer had-
den maar die van belang waren voor het dage-
lijks leven. Het waren elementen die afkomstig
waren van de kasteeltuin en het boerenerf, zoals
de pomp, het bleekveld en de boomgaard: het
erf is naar de stad verhuisd. Waar deze elemen-
ten op het platteland verspreid rond het erf
lagen, was er binnen de beperkte ruimte van de
stadstuin een strak compositieprincipe nodig om
ze allemaal een plek te geven op het erf.
Dit compositieprincipe werd ontleend aan de
kruisgangtuin van de kloosters, misschien wel
omdat de begijnenhof jes ook een religieuze
basis hadden, en dus de stichters ervan welbe-
kend waren met de kruisgangtuinen. Evenals de
boerderijen en kastelen bestonden de middel-
eeuwse kloosters uit een los samenraapsel van
bebouwing en tuinen, met dit verschil dat de
organiserende rol van de kruisgangtuin als mid-
delpunt van het ensemble, in tegenstelling tot
het erf en de voorhof, ook was geformaliseerd in
een geometrische planconfiguratie. De kruis-
gangtuin verbond de kerk met de slaap-, eet- en
werkvertrekken en werd niet gebruikt om zom-
aar even over te steken, maar om, als de kloos-
terlingen bijvoorbeeld van de eetzaal naar de
kerk gingen, deze overgang bewust te maken,
om tijdens deze wandeling ruimte te maken voor
contemplatie. Dit is vormgegeven door de route
in plaats van hem dwars door de tuin te leggen,
als rondgang rond de tuin vorm te geven, een
overdekte galerij, waar de kloosterlingen soms
één, maar soms ook meermaals rond konden
lopen. De rondgang werd gebruikt als middel
voor contemplatie, als aanleiding voor gesprek-
o
100m
st. Salvator's hofje, Omsloten tuin, p. 126
55 I Builen Plaats
ken onderling of met de hele gemeenschap in
processie als deel van de eredienst.
Deze functies bepaalden het programma van
de kruisgangtuin, en om dit vorm te geven
waren niet veel middelen nodig: een galerij, een
put of een boom als middelpunt en een grond-
vlak van gras, grind of bodembedekkers. Soms
was het midden benadrukt door een assenkruis
van vier paden.
Het hofje moest ruimte bieden aan veel meer
functies - watervoorziening, sociale contacten
(én sociale controle), kleding wassen en drogen,
soms het kweken van kruiden of groenten, en
alle huishoudelijke klusjes die in het klooster
elders gedaan werden, vonden plaats op het
hofje. Het was onhoudbaar om het middenvlak
van de tuin niet te gebruiken, en de grens tus-
sen rand en midden was dan ook veel minder
strikt dan in de kruisgangtuin.
Nu de hofjes niet meer functioneren als huis-
vesting voor de armen, maar daarentegen een
bijna elitaire woonvorm zijn geworden, zijn al
deze functies voor de tuin ook weggevallen en is
slechts het architectonische kader overgebleven.
Bijvoorbeeld het St. Salvator's Hofje dat in de
zeventiende eeuw is aangelegd op een binnen-
terrein in Leiden. Een kleine poort in wat nu een
drukke winkelstraat is, geeft toegang tot een
smalle gang die als een filter werkt tussen het
lawaai van de stad en de 'landelijke' stilte van
de tuin. Het midden van een vierkant grasvlak
(bleekveld?) wordt gemarkeerd door een bakste-
nen sokkel. Rondom loopt een 'galerij' van
twaalf platanen met daarachter een tegelpad. De
bebouwing is niet aaneengesloten, maar heeft
open hoeken, zodat een molenwiekvormige
draaiing ontstaat in de rondgang terwijl het mid-
denvlak statisch blijft. Het ritme van de boom-
stammen keert terug in het ritme van de gemet-
selde arcades boven de deuren en ramen. De
witgepleisterde wanden, rode dakpannen en de
vierkante tuin vormen een visuele eenheid, die
de functioneel afzonderlijke woningen met elkaar
verbindt.
Buiten Plaats I 56
Het land en de stad
De overheersende rol van het platteland keer-
de niet meer terug, maar wat wel plaatsvond
was een trek naar buiten van de stedelijke elite.
Aan het eind van de zestiende en het begin van
de zeventiende eeuw nam de verstedelijking
sterk toe; in 1622 leefde 54% van de bevolking
in het gewest Holland in steden, terwijl de bevol-
king in een eeuw met 140% was gestegen. Als
tegenhanger van de vuile en door besmettelijke
ziekten geteisterde stad werd de landelijke
wooncultuur verheerlijkt, een opvatting die
terugging op de klassieke idee van de villa sub-
urbana zoals beschreven door Plinius Secundus
in de eerste eeuw na Christus. Op het platteland
immers is het leven veel gezonder 'door dien de
versche lucht met geen vuylen stinckende dam-
pen, gelijk in de Steden, besmet is, waer door 't
verteeren der spijsen in de Maegh belet wordt',
en bovendien beter voor het zieleleven van de
mens, 'want dit is seker: dat buyten op 't landt,
soo veel valsheyt en Goddeloosheydt niet om
gaet, als inde Steden. Maer daer-en-tegen heeft
men veelvoudige stoffe, om de name des
Grooten Scheppers van alle desen Kruyden,
Vruchten, Boomen, &c. te verheerlijken, loven,
danken en prijsen' zo verwoordde Jan van der
Groen in Den Nederlandtsen Hovenier dat in
1669 verscheen, de tegenstelling tussen stad en
land.
Een enclave in het land
De buitenplaats was ten eerste een plaats van
rust, ontspanning en vermaak. Maar ook econo-
mische motieven speelden een rol. De eigenaren
waren rijk geworden met handel en nijverheid,
stedelijke bezigheden, en waren meestal voor
hun inkomen volledig afhankelijk van de stad.
De productiebosjes en kweekkassen bestreden
op hun best een deel van de exploitatiekosten.
Vaak ook werd er daadwerkelijk belegd in goed
en vee, zodat deze nieuwe rijken zich konden
meten met de oude landadel en zo zelf een elite
gaan vormen. Aan het eind van de zeventiende
en het begin van de achttiende eeuw is de sta-
tusfunctie een doel op zich geworden. Met het
buiten, de tuin nog meer dan het huis, konden
de eigenaren hun welstand, luxe en (vermeende)
smaak ten toon spreiden tot verbazing, bewon-
dering en afgunst van de bezoekers.
Vlak buiten de steden ontstonden constellaties
van kleine recreatieve buitens met wandellanen
en paden, doorspekt met kroegjes, kolfbanen en
menagerieën. In de wandellanen en paden kreeg
de beplanting in de stad, langs grachten, op
pleinen en op de vestingwerken een vervolg. In
de tweede helft van de zeventiende eeuw breid-
de dit netwerk zich uit langs de Amstel en de
Vecht, waar de buitens met hun rijk versierde
tuinen zich verdrongen aan de waterkant. Ook
de buitenplaatsen die bij Den Haag werden aan-
gelegd door de hovelingen in het kielzog van
Willem 111 waren aaneengeregen langs een
bestaande landschappelijke lijn, in dit geval
geen rivier maar de duinrand.
Zowel voor de kleine, bijna volkstuinachtige
buitens aan de rand van de stad als voor land-
goederen als bijvoorbeeld Elswout en
Heemstede geldt een snelle bereikbaarheid van-
uit de stad als een van de belangrijkste voor-
waarden. Grote delen van het platteland waren
tot in de negentiende eeuw grote delen van het
jaar moeilijk of zelfs niet toegankelijk, wat ook
zeker meegespeeld zal hebben in de koppeling
van de buitens aan bestaande lijnen, waar ten-
minste de toegankelijkheid gewaarborgd was.
De lange wegen over de strandwallen en over
de rivierdijken leidden allemaal naar de stad en
in feite was dus de verder gelegen stad, zelfs
beter bereikbaar dan het landschap rondom.
Voor de buitens die in de Watergraafsmeer of
in de Beemster werden aangelegd gold dit in
nog sterkere mate. Deze droogmakerijen waren
direct verbonden met Amsterdam via lange lij-
nen, die zich dan binnen de droogmakerijen ver-
takten in een rationeel (stedelijk) grid van wegen
en kanalen. Binnen dit weefsel namen de bui-
tens een willekeurig kavel in, zoals de huizen in
Amsterdam in een lange reeks gekoppeld waren
aan de straten en grachten. Op lagere schaal
zien we deze relatie tussen straat en huis her-
haald, zoals bijvoorbeeld bij Huis Vredenburg in
de Beemster, met weg van de entree over
de lengte van het perceel naar achteren lopend,
een 'zijweg', en terzijde daarvan het huis.
AI deze buitens zijn besloten van karakter, met
hoge hagen, booms in gels of wallen om de ster-
ke wind van het vlakke land of het stuivende
duinzand buiten te houden. Waar bij de binnen-
tuinen de een inversie plaatsvond van de weids-
heid van het open land naar de beslotenheid
van de stad, bleef de beslotenheid - weliswaar
om redenen die door het landschap waren
gegeven - een fundamenteel kenmerk voor de
buitenplaatsen.
Huis Vredenburg in de Beemster, Natuur en Kunst, p. 39
57 I Buiten Plaats
Het
Deze doordringing van het platteland door de
stad heeft zich doorgezet tot er nauwelijks meer
een eenduidig onderscheid tussen die twee te
maken is, een diffuus stadslandschap bestaan-
de uit fragmenten in een schaalloze collage; bin-
nensteden, buitenwijken, sportvelden, kantoor-
parken en landbouwgebieden met ertussen rest-
ruimte, en verbonden door infrastructuur.
Dichtheid en leegte worden vervangen door
objecten en infrastructuur in een ongedefinieerd
veld, en zowel het materiële landschap als de
beleving ervan worden oppervlakkiger en frag-
mentarischer.
De rol die de binnentuin speelde als enclave
van het in de stad, en de buitenplaats
als enclave van de stad in het landschap, is in
dit nieuwe stadslandschap betekenisloos,
immers de omgeving zelf bestaat uit louter
enclaves. Oftewel waar binnentuin en buiten-
plaats met de relatie tussen stad en landschap
als uitgangspunt een autonoom element als
resultaat hadden, is hier de autonomie al een
gegeven en is het zichtbaar maken van stad en
landschap, van de onderliggende patronen een
opgave. Hier is het niet zozeer de verbijzonde-
ring die kunstmatig gecreëerd zal moeten wor-
den, maar de relatie.
Zowel de binnentuin als de buitenplaats sloten
zich af van hun omgeving, maar juist met de
Buiten Plaats I 58
middelen én met de redenen die diezelfde
omgeving hun bood. De materie van de stad, de
bebouwing, werd ingezet om de stad buiten te
sluiten en maakte haar daardoor juist zichtbaar,
de materie van het landschap - de beplanting -
werd gebruikt om het landschap buiten te slui-
ten en meteen zichtbaar te maken.
In het volgende ontwerpexperiment (ontleend
aan het boek 'De omsloten tuin') is noch beplan-
ting, noch bebouwing gebruikt, maar is de
omsluiting gemaakt met de ondergrond zelf; de
tuin is een gat in de grond. Binnenin het gat zijn
de inmiddels grotendeels verborgen structuren
van de oorspronkelijke droogmakerij (de ring-
vaart en de kavelsloten) geherinterpreteerd als
structuurdragers voor de tuin. Zoals de snelweg
zijn eigen dynamische stroomvorm als een
geheel nieuwe laag over de landschappelijke
patronen heen projecteert, slingert de route door
de tuin heen, een verbinding leggend tussen de
afzonderlijke looproutes bovengronds.
Binnentuin en buitenplaats, beide vormen een
commentaar op hun omgeving, als tegenpool én
als uitdrukking van die omgeving, met als voor-
naamste middel daartoe de afzondering, de
omsluiting. Of en hoe het mogelijk is een bete-
kenisvolle reactie te geven op het stadsland-
schap, is een vraag waarop het antwoord nog
lang niet gegeven is.
Zwart gat, Omsloten tuin, p. 235
Literatuur
Aben, R., S.I. de Wit, De,omsloten tuin. Geschiedenis en ontwikkeling van de hortus conclusus en de herintroductie ervan in het
hedendaagse stadslandschap. Uitgeverij 010, Rotterdam 1998.
Jong, E. de, , "Nederlantze Hesperides" Tuinkunst in de tijd van Willem en Mary, 1650-1702', Journalof Garden History, 8 (1988) 2/3
(speciaal nummer: The Anglo-Dutch Garden in the Age of William and Mary), 15-40.
Jong, E. de, W. Reh 'De tuin en de stad. De Amsterdamse grachtentuin in vogelvlucht' in: Veenendaal, E., et al (ed.) Amsterdamse
grachtentuin. Keizersgracht, Waanders Uitgevers, Zwolle 1997,15-48.
Meulenkamp, w., Langs historische parken en tuinen. Routes in Nederland en België, Kosmos-Z&K Uitgevers, Utrecht/Antwerpen
1 9 ~ 4 .
Oldenburger-Ebbers, C., A. M. Backer, E. Blok, 'De Natuur bezworen, een inleiding in de geschiedenis van de Nederlandse tuin- en
landschapsarchitectuur nader geïllustreerd met enkele regionale vooorbeelden', Gids voor de Nederlandse Tuin- en
Landschapsarchitectuur Deel West. Uitgeverij De Hef, Rotterdam 1998, 11-73.
59 I Buiten Plaats
Bart Bordes - Eric van
Een van de karakteristieken van de historische
buitenplaats is een ligging aan een belangrijk
infrastructureel element, de stad uit. De buiten-
plaats koppelt zodoende het rurale landschap
aan het urbane netwerk, en ligt als een stedelij-
ke enclave in het landschap (fig. 1). In de buiten-
plaats wordt een verbinding gelegd tussen het
buiten en de stad, tussen vrije tijd (het otium) en
arbeid (het negotium). Wat situering en plan-
schema betreft Îs de buitenplaats een verklaring
van het omringende cultuurlandschap.
Voor het ontwikkelen van nieuwe buitenplaat-
sen is de vraag of en hoe de nieuwe buiten-
plaats anno 2000 haar positie kan innemen in
het landschap. En specifiek hoe zo'n nieuwe
buitenplaats met de het urbane netwerk verbon-
den zou moeten zijn.
Het huidige beeld van Nederland is dat de stad
en het cultuurlandschap inmiddels niet meer van
elkaar gescheiden kunnen worden. We spreken
van het stadslandschap. In dit beeld zijn stad en
ommeland, anders dan in voorgaande decennia,
Builen Plaats I 62
niet meer te zien als losse onderdelen. Binnen
het stadslandschap is sprake van de krachten
van de verstedelijking, het agrarische cultuur-
landschap en van het natuurlandschap. Bij de
transformatie tot het stadslandschap heeft de
verstedelijking vaak de overhand. Dit gaat vaak
ten koste van het oorspronkelijke cultuur- en
natuurlandschap. De vorm van het ontstane
stadslandschap wordt bepaald door de stad en
de stedelijke infrastructuur. In het stedelijke net-
werk van het stadslandschap is het de snelweg
die de verbinding tussen de stad en het buiten
maakt. De snelweg is echter atopisch, de bui-
tenplaats juist zeer topisch. Op een nieuwe bui-
tenplaats zou weer de koppeling gemaakt kun-
nen worden tussen het landschap en het urbane
netwerk, als deze aan de snelweg ligt. De plek
waar de genius loci wordt uitgespeeld tegen de
atopische of universele snelweg. De buiten-
plaats aan de snelweg als sleutel tot het stads-
landschap.
Onderzocht is hoe de koppeling tussen het
landschap en de stad in de loop van de tijd
plaats heeft gevonden. Belangrijk voor deze
koppeling is het urbane netwerk. Dit is in de
geschiedenis van de buitenplaats geleidelijk ver-
anderd van een waterwegenstelsel, via een land-
wegenstelsel, naar een railstelsel. Vraag is of de
buitenplaats nu aan de snelweg ligt. De relatie
tussen de buitenplaats en het landschap is ook
veranderd: van gesloten naar een open buiten-
plaats. De vraag is derhalve vervolgens, of deze
veranderingen ook de relatie tussen de buiten-
plaats en het urbane netwerk hebben gewijzigd.
De tussen stad en land:
het no.1rull""V
Het onderzoeksgebied is de provincie Utrecht.
Hier zijn buitenplaatsen te vinden uit alle perio-
den. Door de tijden zijn een drietal verschillende
typen ontstaan,: de (ridder)hofstede, de buiten-
plaats van de Gouden Eeuwen de buitenplaats
in de (Engelse) landschapsstijl (Van Wijck 1982).
Deze tonen elk een ander beeld en zijn op ver-
schillende wijze met de stad verbonden. De bui-
tenplaatsen in de provincie Utrecht zijn ontstaan
in de invloedssfeer van de steden Utrecht en
Amsterdam.
De eerst buitenplaatsen, hofsteden, ontstaan
aan het begin van de 17e eeuw. Ze zijn gelegen
langs belangrijke trekvaarten en vaarwegen, de
stad uit. De situering van deze eerste hofsteden,
ook wel ridderhofsteden genoemd, heeft een
feodale achtergrond. Ze liggen op strategische
plekken langs goed bereikbare en belangrijke
routes. In de nabijheid van deze eerste buiten-
plaatsen komen er al snel meer, zodat er een
reeks van buitenplaatsen ontstaat. Gegeven de
feodale oorsprong van de hofsteden liggen de
meeste in het feodaal georganiseerde bisdom
Utrecht: langs de Kromme Rijn en langs de Lek.
Binnen het bereik van Amsterdam ligt er een
aantal langs de Angstel en langs de Vecht.
In de 18e eeuw worden er veel nieuwe buiten-
plaatsen gerealiseerd. Belangrijke voorwaarde
bij de aanleg deze buitenplaatsen is de bereik-
baarheid vanuit de stad. De trekschuit is het ver-
voermiddel van de Gouden Eeuw. Deze maakt
een groot deel van het rurale landschap vanuit
de stad bereikbaar. Langs dit urbane netwerk
.---------------
De I-Jnlf"t"",r/o
De Gouden eeuwse buiten
----
---
laats
63 I Builen Plaats
ontstaan dan ook reeksen van buitenplaatsen.
De Amsterdamse buitenplaatsen uit die periode
bevinden zich langs de Vecht, de 's-Graven-
landse trekvaart, de Angstel en de Amstel.
Ook langs de verkeersaders vanuit Utrecht
ontstaan deze reeksen. In de directe nabijheid
van Utrecht ontstaan langs waterwegen een
aantal buitenplaatsen met industrie. Maar ook
verder uit de stad ontwikkelen zich buitens langs
waterwegen. De landwegen gaan in het
Utrechtse ook een rol van betekenis spelen.
Langs de oude weg van Utrecht naar Arnhem
ontstaat een reeks van buitenplaatsen.
Langs landwegen ontstaan in de 1ge eeuw
nieuwe buitenplaatsen. Bestaande buitenplaat-
sen, langs de weg van Utrecht naar Arnhem,
worden omgevormd naar de laatste mode en
sterk uitgebreid. Daarnaast ontstaat een nieuwe
reeks van buitenplaatsen langs de nieuwe weg
van Utrecht naar Amersfoort. Deze reeks van
buitens wordt als een project ontwikkeld. De
Amsterdamse buitens liggen in het Gooi. Ze
spreiden zich uit ten westen van Hilversum en
Baarn, tot Soest aan toe. Het spoor maakt in de
1ge eeuw de buitens vanuit de stad nog beter
bereikbaar.
In het huidige stadslandschap is de snelweg
de verbinding van de stad met het landschap.
De relatie met het 1 ...... r1"'·"'h""' ....
de tuin
als schakel
De relatie van de buitenplaats met het omrin-
gende landschap verandert in de loop van de
geschiedenis. De eerste buitenplaatsen in de
Middeleeuwen worden ontwikkeld vanuit de
kloostertuin, een afgesloten tuin gericht op de
hemel. In de renaissance wordt daarna een rela-
tie gezocht met het omringende landschap. De
hofsteden bevinden zich tussen deze twee
perioden in. Ze zijn niet gericht op het land-
schap. Het zijn stedelijke tuinen die in het land-
schap zijn geplaatst. De relatie met de buitenwe-
reld loopt via de gevel. Deze verbindt de hofste-
de met het urbane netwerk, en daarmee het
landschap met de stad. De tuin zelf is op het
natuurlandschap geprojecteerd en aangepast
aan de genius loci.
In de volgende periode wordt deze verbinding
verder uitgewerkt. In de Franse barokke tuinen
gaat men vervolgens nog een stap verder, de
Buiten Plaats I 64
Hofsteden langs de Angstel en de Vecht (i 7
8
eeuw)
Buitenplaatsen langs de Rivieren in de Gouden Eeuw (18
e
eeuw)
Buitenplaatsen langs nieuwe wegen (19
8
eeuw)
symmetrie-as van de buitenplaats wordt zo ver
door getrol<ken dat de overgang naar het omrin-
gende landschap onzichtbaar wordt. De horizon
wordt onderdeel van de buitenplaats van de
Gouden Eeuw. Hierdoor gaat de buitenplaats
onderdeel uitmaken van het omringende land-
schap (fig. 4.
Tenslotte wordt in de romantiek een stap terug
gedaan. In de Engelse landschapsstijl vindt een
dusdanige schaalvergroting plaats dat het land-
schap onderdeel wordt van de buitenplaats. Er
worden composities gemaakt waarin het land-
schap binnen de buitenplaats, ge"/dealiseerd,
ervaren kan worden. Tuin en landschap zijn één
geworden. Met deze éénwording is schijnbaar
de ultieme verbindende buitenplaats een feit.
Maar de buitenplaats als geheel is een hof in het
landschap, alleen van een andere schaal dan bij
de hofsteden het geval is.
In de Middeleeuwen is de hofstede gesloten
en op de hemel gericht. Bij de buitenplaats in de
barok vindt de ontdekking van de horizon
plaats. Deze raakt in de romantiek weer in het
plan opgesloten. De karakteristiek van de tuin
als schakel tussen buitenplaats en omringend
landschap, is door deze bewerking verloren
gegaan. In de nieuwe buitenplaats zal weer de
stap over de horizon moeten worden gemaakt,
alleen wel op een andere schaal dan in de
Gouden Eeuw. De buitenplaats zal zich weer
richten naar het omringende landschap.
Per periode is voor een drietal buitenplaatsen
onderzocht hoe in deze buitenplaatsen de
geschetste relatie met het landschap is uitge-
werkt. Tevens is onderzocht hoe deze buiten-
plaatsen aan hun urbane netwerk zijn gekop-
peld. De gevonden principes zijn vervolgens toe-
gepast in een ontwerp voor een buitenplaats
langs de snelweg.
65 I Buiten Plaats
Beverweerr Goudesteln
Nijenrode
Buiten Plaats I 66
De hofstede
De hofstede is een landhuis met een vaak
quasi weerbaar uiterlijk: het lijkt een burcht. Dit
is te herleiden tot de feodale structuur. Dit ver-
klaart ook de situering van de hofsteden op
strategische plekken in het landschap langs de
infrastructuur. De feodale hofstede verliest in de
loop van de 17e eeuw langzaam haar feodale
grondslag en wordt een boerderij waaraan een
stedelijk programma is toegevoegd. Er ontstaan
reeksen van buitenplaatsen langs trekvaarten.
Een voorbeeld is Beverweert, een van de vroege
hofstedes, met het uiterlijk van een burcht, gele-
gen bij een splitsing van waterwegen.
Goudestein is een voorbeeld van een boerderij
met ook een stedelijk programma.
De tuin van de hofstede, er omheen aange-
legd, kent, kenmerkend voor de Middeleeuwen,
geen luxe en behoudt de bij de hofstede beho-
rende agrarische functie. Vandaar de aanwezig-
heid van een boomgaard en een keukentuin. De
kruiden- of keukentuin is de enige landschappe-
lijke verbeelding van de natuur in de tuin van de
hofstede. De tuinaanleg op de hofstede beperk-
te zich tot een moestuin waarvan het geoorloofd
was profijt trekken. Hoogstens werd een klein
hoekje ingericht als bloementuin met een laby-
rintpatroon. Pas na 1670 is er sprake van een
tuin- en parkaanleg. De tuin van Nijenrode is
hier een voorbeeld van.
De basis van de aanleg van de hofstede is
sterk geometrisch. Dit leidt tot een aanleg die zo
strak mogelijk is. Goudestein en Beverweert zijn
goede voorbeelden van hoe het rationele sym-
metrische plan În de situatie is gepositioneerd.
Op Nijenrode heeft er een verdere bewerking
plaats gevonden en is de tuin een samenspel
tussen twee verschillende richtingen in het land-
schap. Nijenrode heeft hiermee in de tuinaanleg
kenmerken van de buitenplaats van de Gouden
Eeuw.
Het uitzicht binnen de tuin van de hofstede is
beperkt. In het raster kun je van het ene in het
andere vak kijken. De vakken zijn op te vatten
als besloten kamers met ramen naar de omlig-
gende ruimten: uitzicht op de aanliggende
kamers. Een enkel venster is gericht op de
omgeving, met oneindigheid als kenmerk. Zo
ontstaan twee werelden: de wereld van de tUÎn
en die van het landschap. Het landschap is het
decor voor de tuin. Het beeld dat dit oplevert is
dat van twee soorten ruimten: de ruimte waar je
bent en die van de verte en landschap).
Tussen deze ruimten bestaat geen geformali-
seerde verbinding in de vorm van een as.
Het huis zelf staat als een object in de tuin.
Vanaf de trekvaart is er een directe relatie met
het gebouw. Belangrijk is de voorgevel van de
hofstede. Uit deze (vaak trap- of tuit-)gevel
spreekt een zekere symmetrie. De hofsteden
worden op schilderijen, op kaarten en etsen
frontaal getoond, gelegen aan een vaart. De tuin
is hierbij schijnbaar ondergeschikt aan het
gebouw, dat zich presenteert naar de trekvaart
toe. De gevel is de verbinding tussen enerzijds
de besloten wereld van de buitenplaats in het
landschap, en anderzijds de stedelijke route. In
Nijenrode is de aanleg van de buitenplaats ver-
der ontwikkeld in de tuin, door middel van de
route. Het gebouw ligt direct aan de Vecht en is
daar ook op gericht, net als bij Goudestein en
Beverweert; maar de verbinding van de rivier
met het kasteel is hier verder uitgewerkt. Op de
route naar het kasteel heeft men, voordat men
dit bereikt, eerst een overzicht over de tuin. Een
wijze van nadering van het gebouw die de latere
buitenplaatsen kenmerkt.
67 I Buiten Plaats
De Gouden
Bij de aanleg van de buitenplaatsen in de
Gouden Eeuw blijft de bereikbaarheid een voor-
waarde. Uit de Hofstede ontstaat in de 17e
eeuw de buitenplaats van de Gouden Eeuw. De
buitenplaatsen uit deze periode zijn gesitueerd
langs de rivieren en trekvaarten door het veen-
landschap, of langs een weg. De buitenplaats
ligt op de gradiënt tussen twee verschillende
landschappen, het rivieren landschap en het
veenlandschap. De situering is vaak dan ook op
een strategische plek, in een bocht waar een
blik over de rÎvier mogelijk is - zie Gun ters tein .
Vanaf de buitenplaats wordt door middel van
zichtlijnen een relatie met het omringende land-
schap gelegd.
De plattegrond van de buitenplaats is geba-
seerd op een geometrisch plan. Het rationele,
geometrische geheel is een bewerking van de
onderliggende topografie. Op Trompenburg is
dit nog heel eenvoudig gedaan vanuit een vier-
kant raster en met een minimale aanpassing aan
de topografie. Slot Zeist is in opzet geheel sym-
metrisch, maar door aanpassing aan het land-
schap niet symmetrisch uitgevoerd. In Gunter-
stein is een spel gespeeld tussen een ideaal
plan, de topografie en de route.
Het park van de Gouden buitenplaats is aan-
gelegd rond het huis. Het richt hiermee alle aan-
dacht op het huis als centrum van het geheel.
Vanuit het landschap staat het huis aan het eind
van de as, als een veilîge haven. Vanuit het huis
kijkt men vanuit de tuinkamer uit over de tuin.
Op de buitenplaats leidt een route de tuinbe-
zoeker door de perspectivisch gemanipuleerde
tuin. Er is sprake van een centrale zichtas naar
de verte, met bij voorkeur zicht vanaf de buiten-
plaats op een verafgelegen kerktoren. Langs de
as lijkt men de ene kant op kijkende een onein-
dig agrarische landschap te zien, terwijl zich aan
het andere einde van de as het gebouw bevindt.
Binnen de tuin zijn verschillende perspectivische
vaste blikpunten aanwezig, in de vorm van
omlijste beelden. Deze beelden geven de
beschouwer informatie over de natuur. Het tota-
le assenstelsel kan al op een relatief klein opper-
vlak gerealiseerd worden, zoals bij Trompenburg
het geval is. Een voorbeeld van een centrale as
is die van Slot Zeist, die vanuit het veenland-
schap het bos inloopt, met een totale aslengte
Buiten Plaats I 68
van vijf kilometer.
Centraal in het ontwerp van de buitenplaats
zijn de (statische) perspectieven. Deze perspec-
tieven worden aaneengeregen door de route
door de centrale as. Gezamenlijk vormen deze
perspectieven een klassiek verhaal, en geven ze
informatie over de eigenaar van de buitenplaats.
De buitenplaats als geheel is opgebouwd uit
drie soorten ruimten: de ruimte waarin je je
bevindt, de ruimte die voor je ligt en de horizon.
Ze zijn aan elkaar gekoppeld door de route en
de centrale as. Het decor verandert doordat je je
langs de as, door het decor beweegt. Deze as is
geprojecteerd op het landschap en het structu-
rerende element van de buitenplaats, ruimtelijk
en perspectivisch.
De route vanaf de infrastructuur door de tuin
naar het gebouw toe, ontwikkelt zich van een
directe route, zoals bij de hofsteden en bij Slot
Zeist, in een gemanipuleerde route. Vanaf het
water wordt je een blik gegund op het huis,
maar om dit te bereiken dient een traject door
de tuin worden afgelegd. Tijdens dit traject
wordt de beschouwer een blik gegund op de
omvang van de buitenplaats en op de situering
van de buitenplaats in het landschap. Dit is een
maniërische route. Voorbeelden hiervan zijn
Trompenburg en Gunterstein. Bij Slot Zeist komt
de directe platte route nog voor; de omvang
maakt haar echter bijzonder. De buitenplaats ligt
niet meer aan de infrastructuur, maar wordt door
de infrastructuur doorsneden. Dit is een thema
dat in de volgende periode verder wordt uitge-
werkt.
SlotZeisl Trompenburg Gunlersteln
69 I Buiten Plaats
Broekhuizen Soestdijk
Buiten Plaats I 70
De Pols
"
"
"
"
De
In de buitenplaats van de Gouden Eeuw is het
landschapsideaal een door de ratio getemde
natuur, getoond vanuit bepaalde (statische) pun-
ten. In de negentiende eeuw ontstaat het
romantische beeld van een landschap, met heu-
vels, watertjes en natuurlijke boompartijen. De
route is om dit dynamische beeld te kunnen
ervaren een belangrijk instrument geworden.
Ook vergt een dergelijk beeld een geheel ander-
soortig landschap dan tot dan toe gebruikelijk.
Er worden dan buitens aangelegd op nieuwe
plekken, waar de juiste landschappelijke moge-
lijkheden wel voorhanden zijn. Heuvelig terrein
met mogelijkheid tot aanplant van bos krijgt de
voorkeur. De heidegronden op de Utrechtse
heuvelrug, de duinrand en de Veluwerand zijn
hiervoor zeer geschikt. Langs de wegen die
deze gronden ontsluiten ontstaan de dus nieuwe
buitenplaatsen. Anders dan de gradiënten uit de
vorige periode zijn deze heidegronden egale
landschappen,
Als basis voor de landschapsstijl-buitenplaats
dient de rationele tuin uit de vorige periode.
Elementen hieruit zijn dan ook in alle voorbeel-
den terug te vinden. Het duidelijkst is dit bij
Soestdijk. De as naar het paleis en het sterren-
bos met patte d'oie oostelijk van het paleis, zijn
restanten uit de baroktuin. Op het grid van deze
oorspronkelijke tuin worden de assen omge-
vormd tot slingerpaden. De geschoren hagen en
de strakgeknipte boomgaarden krijgen een
natuurlijker, losser uiterlijk in de vorm van bos-
schages.
In de landschapsstijl ligt het huis niet meer
centraal als een spin in een web van assen. Het
wordt een onderdeel van een groter geheel,
waarbij de tuin samengesteld is uit delen. Vanuit
die verschillende delen is er een steeds wisse-
lend uitzicht op het huis. Hierdoor blijft dit huis
een uitgangspunt voor de tuin, maar op een
andere wijze dan in de formele tuin. Nu zie je het
huis in steeds verschillende ruimtelijke omstan-
digheden liggen. Het duikt steeds onverwacht
op, op pittoreske wijze verscholen in het groen.
Het perspectief is op een ander manier gebruikt
dan in de formele tuin. Niet meer ingelijst en
zwaar gestuurd: het panorama wordt belangrijk.
De weidsheid van het landsschap moet ervaren
kunnen worden. Er moet overzicht zijn over hoe
het huis in het park ligt in verhouding tot het
geheel. De buitenplaats heeft hiermee zo'n
omvang gekregen, dat het een landschap op
zich is. Op de buitenplaats ontstaat een nieuwe
ideale wereld, die enkel door de infrastructuur
die de buitenplaats vaak doorsnijdt, met het
omringende landschap en met de stad verbon-
den is.
De route is voor de beleving van de buiten-
plaats een zeer belangrijk instrument geworden.
De beelden langs de route zijn niet meer sta-
tisch, zoals in de voorgaande periode, maar
dynamisch. De route is picturaal geënsceneerd
al vanaf de infrastructuur. Broekhuizen is hier
een voorbeeld van. Vanaf de infrastructuur die
de buitenplaats doorsnijdt, loopt een zichtas
naar het gebouw. De route maakt voor een deel
gebruik van deze as, maar dan buigt zij af en
slingert naar het gebouw toe. Ook in de twee
andere voorbeelden is dit principe toegepast:
een as waar omheen de route loopt.
Bij de schaalvergroting zoals die zich bij de
landschapsstijl-buitenplaats voordoet, verwacht
men een type infrastructuur dat bij deze schaal
past, bijvoorbeeld het spoor. Dit speelt evenwel
niet zo een rol als de trekvaart deed. De trek-
vaart in de Gouden eeuw maakte deel uit van de
picturale route naar de buitenplaats. Het spoor
is in Soestdijk en De PaIs echter geen onderdeel
van een picturale enscenering. Er is geen spra-
ke van een bewuste vormgeving als onderdeel
van de routing. In De PaIs is het spoor nog het
meest aanwezig, maar de weg van het station
naar de buitenplaats is van groter belang.
Uit de analyse blijkt dat de route een ontwikke-
ling heeft door gemaakt. De eerst routes zijn
direct vanaf de infrastructuur gericht op het
gebouw, de hofstede. Met de ontwikkeling van
de tuin ontstaat in de gouden eeuw een route
die infrastructuur, buitenplaats en gebouw aan
elkaar koppelt. In de laatste periode is de route
semi-direct. Vanaf de infrastructuur direct naar
het gebouw, maar dynamisch via een geënsce-
neerde route.
I Buiten Plaats
De principes die uit de analyse naar voren
komen kunnen in het huidige stadslandschap
opnieuw toegepast worden. De trekvaart uit
vroeger tijden is hierin vervangen door de snel-
weg. De auto is een uitermate geschikt element
om een picturale geënsceneerde route te ont-
wikkelen. Het gebouwen het landschap kunnen
hierbij bijzonder element zijn langs de snelweg,
zie Appleyard en Lynch (1966) en Venturi e.a.
(1977). Het beeld van het landschap wordt door
de voorruit ingekaderd. Dit is uitgewerkt bij de
bouw van de Duitse Autobahnen, zie Heesen en
Van Winden (1990). De snelweg is in het Duitse
ontwerp een manier om het landschap te ont-
sluiten en wordt niet gezien als een verstoring
van het landschap. In tegendeel, het is juist een
middel om het landschap te bepalen en vorm te
geven. Deze Duitse principes zijn bijvoorbeeld
toegepast op het traject Utrecht-Arnhem (A 12).
Deze snelweg is zodanig ingepast in het land-
schap dat het lijkt of de weg met het landschap
vergroeid is.
De Duitse principes, maar ook de
Amerikaanse, zullen worden toegepast in het
ontwerp van de nieuwe snelweg. In een ont-
werpvoorstel is tevens getracht alle principes uit
de beschreven perioden te transformeren naar
het snelweglandschap. De nieuwe snelweg
A 13/16 om Rotterdam-Noord is hierbij het proef-
terrein.
Ter ontlasting van de A20 wordt de A 13/16
aangelegd. Deze snelweg vormt een contrast
met de stedelijke boulevard waarin de A20 na
aanleg van de A 13/16 omgevormd kan worden.
De nieuwe snelweg is de doorgaande weg van
Amsterdam naar Antwerpen. Deze weg is de
landschappelijke weg die een reeks van buiten-
plaatsen aan de noordrand van Rotterdam door-
snijdt. Vanaf de snelweg wordt de reeks sceno-
grafisch ervaren als een bijzonder landschappe-
lijk element in het snelwegtraject. De buiten-
plaatsenreeks zelf is een versterking van het grid
van de droogmakerij, het cultuurlandschap. De
buitenplaatsen worden door een circulaire route
ontsloten. Op een buitenplaats als zodanig
wordt vanaf het gebouw naar de snelweg terug-
gekoppeld. Op een buitenplaats komen snel-
weg, stadslandschap en droogmakerij bij elkaar.
De buitenplaats heeft deels snelwegprogram-
Buiten Plaats I 72
ma, zoals een benzinestation en een parkeer-
plaats, deels programma uit de stad, zoals een
restaurant en een spotterplek, en deels een bui-
tenplaatsprogramma als wonen en recreëren.
Deze programma's zijn vermengd met elkaar en
gaan elk een verschillende relatie met het omrin-
gende landschap aan. Zo is het gebouw via een
parterre gekoppeld aan de buitenplaats en de
droogmakerij.
De buitenplaats is op twee punten door routes
verbonden met het stadslandschap, respectie-
velijk het snelweglandschap. De route naar de
buitenplaats is deels direct, vanaf de snelweg en
de stad, deels maniëristisch. Het gebouw staat
als een hofstede en billboard langs zijn stedelij-
ke ader, waarbij de gevel de verbinding is tussen
de stad en de buitenplaatswereld. De bezoeker
van de buitenplaats volgt een route door het
stedelijke landschap naar de buitenplaats toe.
Op de buitenplaats is de route een circuit dat de
blik leidt langs het huis en het domein. Het cir-
cuit loopt over het gehele domein van de buiten-
plaats, het landschap, naar het huis, waar een
terugkoppeling plaats vindt met de snelweg. Zo
versterkt deze route de koppeling tussen de
snelweg, landschap en gebouw. De buitenplaats
zelf is een sleutel tot het lokale polderlandschap,
zowel vanaf de snelweg als vanuit de stad en
vanuit het gebouw.
Waar bij landschapsstijl-buitenplaatsen de
grootschalige infrastructuur slechts een functio-
nele toevoeging is, is in het ontwerp het landelij-
ke netwerk een onderdeel geworden van het
(de) buitenplaats(enlandschap). In dit ontwerp
zijn zowel de grootschalige infrastructuur als de
lokale infrastructuur een onderdeel van de rou-
ting van de buitenplaats.
Inpassing A 13/16 Ontwerp Buitenplaatsenlandschap
Plan schema Route
Literatuur
Appleyard, D., Lynch, K., 1966, View from the road, M.l.T. press, Cambridge, Mass.
Backer, Anne Mieke, 1995, Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschaparchitectuur; Deel Noord (Groningen, Friesland. Drenthe,
Overijssel, Flevoland), Uitgeverij de Hef, Rotterdam.
Bijhouwer, Dr. J. T. P., 1943, Nederlandsche tuinen en buitenplaatsen; Heemschut serie deel 18, Allert de Lange, Amsterdam.
Buis, Dr. Ir. J., 1995, Elke tijd zijn nieuwe landgoed; ontwikkelingen en basisvoorwaarden voor landgoed aanleg in verleden en heden,
De Landeigenaar, juni, p. 5-7.
Donkersloot-de Vrij, Dr. M., 1985, De vechtstreek; oude kaarten en geschiedenis van he landschap, Uitgeverij Wanders, Zwolle.
Heesen, W., Winden, W. van, 1990, Het landschap van de Reichsautobahnen, Oase, nr. 28, Delft.
Jong, Eric de, 1993, Natuur en Kunst; Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur 1650-1740, Uitgeverij Thoth, Amsterdam.
Kolman, C., Olde Meierink, B. , Stenvert, R., Tholens, M., 1996, Monumenten in Nederland, Utrecht, Uitgeverij Waanders, Zwolle.
Lutterveld, Dr. R. van, 1948, De buitenplaats aan de Vecht, "de Tijdstroom", Lochem.
Ministerie van LNV, 1995, Visie stadslandschappen, Van de Rhee, Rotterdam.
Ministerie van LNV, 1996, Balans visie stadslandschappen, Van de Rhee, Rotterdam.
Moos, 8tanilas von, 1987, Venturi, Rauch and Scott Brown, Rizzoli, New Vork.
Steenbergen, Clemens & Reh, Wouter, 1996, Architecture and Landscape; The design experiment of the great European gardens and
lands(;ar:;les, Uitgeverij Thoth, Bussum.
dienst, Historische atlas van Nederland (1 ;50.000), Topografische kaarten (1:100.000, 1 :50.000, 1 :25.000), Emmen
Tummers, L. J. M. en Tummers-Zuurmond, J. M., 1997, Het land in de stad; de stedebouw van de grote agglomeratie, Uitgeverij
THOTH, Bussum.
Veenland-Heineman, K. M. (red.), 1992, Tuin en Park; historische buitenplaatsen in de provincie Utrecht, stichting Matrijs, Utrecht.
Venturi, R., Izenour, S., Scott Brown, 0., 1977, Learning from Las Vegas; the forgotten symbolism of architectural form, M.I.T. press,
Cambridge, Mass.
Wijck, Jhr. Dr. H. W. M. van der, 1982, De Nederlandse buitenplaats; aspecten van ontwikkeling bescherming en herstel, Canaletto,
Alphen aan de Rijn.
Wilmer, C. C. S., 1982, Buitens in Utrecht, Kwadraat, Vianen.
73 I Buiten Plaats
Saskia Heusmann - Eric van der
De historische buitenplaats was exclusief, sei-
zoensgebonden, in gebruik voor langere perio-
des per dagdeel) en was te bereiken vanuit
de stad na het doorkruisen van verschillende
schaal- en openbaarheidsniveau's. Een buiten-
plaats impliceert contrasten: stad versus natuur,
stadsritme versus afwisseling van de seizoenen
en otie versus negotie: genoegen versus arbeid.
Een buitenplaats is een verbijzondering binnen
een groter geheel, binnen het landschap.
Bij toenemende verstedelijking kan men zich
afvragen wat een 'buiten' binnen de stad zou
kunnen zijn. Een vlucht uit de drukte van de
stad, een verre blik over de stad of een ander
programma dan dat van de rest van de stad?
Een verbijzondering in het stedelijk weefsel, een
vlucht uit de maatschappij van de metropool.
De opgave van het afstudeerproject is het ont-
werpen van een uitbreiding voor een bestaande
bibliotheek in Berlijn. Deze bibliotheek bevindt
zich op een verkeerseiland en is daardoor zowel
Gekleurde stenen in het hek van het Guggenheim
Museum in Venetië, gebouwen in het stedelijk weefsel
2
Foto: S,M,L,XL. O.M.A. Rem Koolhaas. Bruce Mau. The
Monacelli Press, 1995, New Vork.
2 Foto: Saskia Heusmann. Venetië.
Buiten Plaats I 74
ruimtelijk als functioneel geïsoleerd. Het is een
solitair gebouw uit de jaren vijftig en vormt een
uitzondering binnen het negentiende eeuwse
stedelijk weefsel.
De locatie van de bibliotheek heeft vele decen-
nia buifen de stadspoorten gelegen. Pas de
negentiende eeuwse stadsuitbreidingen in
Berlijn brachten hier verandering in. Na de bom-
bardementen van de Tweede Wereldoorlog is er
behalve de bibliotheek echter niets herbouwd.
Van een knooppunt van activiteiten is het een
geïsoleerde locatie geworden, omringd aan vier
kanten door overgedimensioneerde wegen. De
bibliotheek richt zich op een as, de
Friedrichstrasse, die nu slechts nag voetganger-
zone is en eigenlijk eindigt in het door Sharoun
ontworpen RondelI ten noorden van de locatie.
In de laat barokke stadsuitbreiding van het his-
torische centrum is de woning ondergeschikt
aan de gevel, de gevel aan het bouwblok en het
bouwblok aan de stadsmatrix. Het bijzondere
van het 'object gebouw', dat voortkomt uit de
Vlucht boven de stad - vlucht uit de stad - escape
1
idealen van 11et moderne bouwen dat gericht
was tegen de ellende van de negentiende eeuw-
se huurkazernes, is dat het deze stads matrix als
het ware 'opblaast'. Tegelijkertijd echter vormt
het vaak ook een probleem. 'Object-gebouwen'
als deze staan vaak zonder samenhang in de
context en ook voor de ontwerpopgave moet
een nieuwe manier van plaatsing in het stedelijk
weefsel gevonden worden.
Otie en neaotle
'At the moment when the e/ectronlcs revo/u-
tlon seems about to melt alf that is so/id - to eli-
minate all necessity for concentration and physi-
cal embodiment - it se ems absurd to imagine
the ultimate library. '3
Een buiten binnen de stad, een vlucht uit het
stedelijk leven, een escape. Behalve dat men
. moet denken over het programma en verande-
ring van programma van een bibliotheek (zie
citaat), heeft een buitenplaats ook te maken met
otie en negotie: werk en genoegen, specifiek
programma verwoven met specifieke aanleidin-
gen in de context. De welgestelden rustten uit
op de bel-etage terwijl er op hun landgoed hard
gezwoegd werd. De eigenaar van Glaspaleis
Schunck in Heerlen woonde op de mooiste plek
boven zijn eigen winkel; na kennis op te hebben
gedaan in New Metropolis in Amsterdam kan
men op het hoogste punt boven het water terug
kijken op de stad vanuit het café; de bibliotheek
van Mecanoo in Delft verleidt de blik boven de
gebouwde omgeving uit; de bibliotheek van
Richard Meier in Den Haag zit op het kruispunt
van verkeersdrukte, stad en de winkels voor een
Stadsplattegrond Rome G. Nolli 1748
3 S,M,L,XL. O.MA Rem Koolhaas. Bruce Mau. The Monacelli
Press, 1995, New Vork.
drukbezochte bibliotheek 'van het volk' (zie ana-
lyses).
en fabric
Tot in de dertiende eeuw waren kerken, in bij-
voorbeeld Venetië, hoofdzakelijk op het Oosten
georiënteerd
4
. Na die tijd werden kerken voor
het eerst niet meer als vanzelfsprekend in Oost-
West-richting herbouwd (vaak na brand), maar
werden ze bewust ingezet om bij te dragen aan
het architectonische straatbeeld.
Plerre von Meiss
5
laat aan de hand van gravu-
res uit een achttiende-eeuwse atlas van
Zwitserse steden van G. Bodenehr zien hoe
gebouwen als object zich tot het stedelijk weef-
sel kunnen verhouden. Een gebouw als object-
building is alleen mogelijk als het zich af kan
zetten tegen een (neutraal) stadsweefsel. Er is
duidelijk spral<e van hiërarchie.
Een plattegrond van Rome door Giambattista
Nolli uit 1748 laat duidelijk de elkaar comple-
menterende textuur van de stad en haar objec-
ten zien. Deze manier van tekenen maakt het
mogelijk de relaties tussen schaal en ruimtelijke
organisatie van externe ruimtes, interne openba-
re ruimtes, en de massa van het stedelijk weef-
sel af te lezen. Ook al is bijvoorbeeld een kerk
aan drie zijden in het stedelijk weefsel opgeno-
men en blijft alleen de façade over om de func-
tie van object waar te maken, toch voldoet een
kerk aan het idee van monument in het weefsel:
de kerkfaçade impliceert waarden die het tot
object verheffen.
Isometrische weergave openbare gebouwen
4 Die Campi Venedigs. Entwicklungsgeschichtliche
Untersuchungen zu den Venezianischen Kirch- und
Quartiersplatzen. Erica Wichmann. Scan eg, München 1987.
5 Elements of architecture. From farm to place. Pierre von
Meiss. E & FN Spon, 1990, London.
75 I Buiten Plaats
Stad als driedimensionale nlY'\-r\JU,ov",_
opgave
Zowel Sitte
6
als Brinckmann
7
onderzochten de
stad in hun toenmalige verschijningsvorm met in
hun achterhoofd de stad als vaststaande groot-
heid, als 'gegebenes Gesamtkunstwerk'.
'Les vil/es sont supposées immortefles; et i!
serait digne de nous de laisser à posterité une
grande idee de notre siècle'. (Patte)
Met dit citaat leidt A.E. Brickmann het voor-
woord in van zijn in 1908 verschenen geschrift
Platz und Monument, Untersuchungen zur
Geschichte und Ästhetik der Stadtbaukunst in
neuerer Zen. Zijn doel is het, aan de hand van
een aantal uitgekozen voorbeelden de werking
en uitdrukkingsmogelijkheden van de historische
stedebouw(kunst) te analyseren, om zo tot een
beter inzicht te komen. Volgens Brinckmann
heeft de geschiedenis echter geen recht het nu
actuele in haar formele expressie voorschriften
op te leggen. Zij kan slechts op de vele moge-
lijkheden en haar wetmatigheden wijzen,
enthousiasmeren, het oordeel scherpen.
De hoofdstukken in zijn boek zijn, in tegenstel-
ling tot Sittes Der Städtebau, ingedeeld naar
plaats en/of chronologie: de middeleeuwse stad,
de renaissance in Italië, de Romeinse barok etc.
hij probeert veel meer dan Sitte zijn eigen waar-
neming te verklaren en te relateren aan de hand
van (kunst)historische feiten: bijvoorbeeld 'tegen
de principes van de gothiek ingaand'. Sitte wil
ook verklaren, maar gaat er meer vanuit dat zijn
subjectieve waarneming door het gros van de
mensen wordt gedeeld.
Sitte probeert algemeen geldende regels en
wetten te extraheren uit een groot aantal speci-
fieke voorbeelden die representatief zijn voor
pre-industriële steden. Het standpunt van waar-
uit hij over de stad oordeelt is aan de ene kant
de natuur, het pittoreske, een voortdurend ver-
anderend visueel referentiekader: deception of
the eye dat een eenduidig rechthoekig plein niet
zou kunnen bewerkstelligen. Aan de andere kant
de 'subconscious power of creation' die hij
noemt: een kinderen-eigen en een in zijn tijd ver-
loren gegaan esthetisch bewustzijn waaruit de
stad voort kan komen, namelijk in natura en niet
6 CamiIlo Sitte: The birth of modern ciy planning. George R.
Collins, Christiane Crasemann Collins. Rizzoli International
Publications inc., New Vork 1986.
7 Platz und Monument. Untersuchungen zur Geschichte und
Ästhetik der Stadtbaukunst in neuer Zeit. A.E. Brinckmann. Ernst
Wasmuth A.-G., 1908 Berlijn.
Builen Plaats I 76
op de tekentafel. Voor hem ligt het karakter van
de stad in de openbare ruimtes voor de bewo-
ners en ligt de schoonheid in de ritmische
samenhang ervan. Architectuur en stedelijk
groen, massa en ruimte (solids en voids. Hij zag
stedebouw als een driedimensionale kunstvorm
en hij analyseert de stad niet vanuit een histo-
risch oogpunt, maar hij analyseert de stad op
een artistieke en technische manier om achter
de compositorische elementen te komen, welke
tot harmonie en aangename effecten kunnen lei-
den of tot disharmonie en saaiheid. Toch beseft
hij ook dat terugkeren naar de 'piitoresque' stad
niet meer mogelijk is. Hij verwerpt de actuele
stedebouw uit zijn tijd maar beseft dat er door
snelheid en massaliteit nieuwe eisen zijn die aan
de stad gesteld worden.
Moderne in de achttien-
de eeuwse matrix van
Eenduidige figuurlijke afleesbaarheid van stra-
ten en plein, heldere omtrekken van geschemati-
seerde blokkentextuur met gebouwen die zich
ondergeschikt maken aan deze gemeenschap-
pelijke structuur, zijn volgens de schrijver van
het zogenaamde Plan werk fnnenstadt
8
de ken-
merken van de historische matrix. In tegenstel-
ling tot dit traditionele type van het bouwwerk
als textuur is volgens hem het bouwwerk als
object de representant van de moderne stedelij-
ke architectuur, namelijk de 'solitair', die -verge-
lijkbaar met een monument- aanspraak maakt
op een recht, zich als individueel gebouw met
zo min mogelijk beperking wat betreft zijn zelf-
presentatie, een eigen kleine stedelijke wereld te
creëeren (de stad in de stad).
In de voor de moderne stedebouw kenmerken-
de object-fixatie is de stadsknoop historisch
gezien een spiegel van de moderne stedebouw,
die, zoals hij schrijft, de stad als ensemble van
individuele architectuurobjecten in een open,
niet ruimtelijk afleesbaar vormgegeven ruimte
als voorbeeld gepropagandeerd heeft. In deze
context ontwikkelde zich de moderne stad van
de jaren zestig tot een plaats van een nieuwe
typologie, namelijk die van grote warenhuizen,
winkelcentra, kantoorflats, amusementspaleizen
en andere grootschalige 'stedelijke machines'
die als gebouwde objecten een soort 'stad in de
8 Planwerk Innenstadt Berlin. Senatsverwaltung für
Stadtentwicklung, Umweltschutz und Technologie. Berlijn 1997.
stad' vormden, die als lichaam optreden in de
ruimte zonder figuurlijk afleesbare stedelijke
ruimtes te creëeren.
De kwaliteiten van deze stadsknopen is de
dialectiek tussen historisch stedelijk weefsel (de
achttiende eeuwse matrix, textuur) en de moder-
ne solitair (object) die de matrix 'opblaast'. Deze
stedelijke I<nooppunten, die zowel een lokale als
een superlokale betekenis hebben, noemt het
Planwerk de wezenlijke kwaliteit van het weste-
lijke centrum in Berlijn. Ze maken functiemen-
ging mogelijk, wat over het monofunctionele
centrum, het historische centrum van Berlijn
(Oost), niet meer gezegd kan worden.
Als nadeel noemt hij de solitairen die, geheel
los van het stedelijk weefsel, geen ruimtelijke en
functionele samenhang hebben en die dus
slechts 'ruimte-bezetter' en niet 'ruimte-defi-
niëerder' (GolIin Rowe) zijn.
Ruimte definieëren
De verticale openbare ruimte in het filmpaleis
van Goop Himmelblau in Dresden is alles behal-
ve vanuit een centraal perspectief te beschrijven:
explosief volume, vloeiende ruimte. In het ont-
werp is volgens de architecten niet het gebouw,
maar de stad tot uitgangspunt genomen. In
tegenstelling tot de 'kritische reconstructie' die
net als in Berlijn hier wordt toegepast: o.a. rooi-
lijnversmalling, de rooilijn-volgende vlakke
gevels, vaststaande goot- en dakhoogtes, groot-
schalige commerciële aanpak in plaats van mul-
tifunctionele complexiteit, stelt Coop
Himmelblau de ruimtelijke verwevenheid van
programma en stedelijk leven centraal. Het idee
van het ontwerp is dat het gebouw een nieuw
soort relatie aangaat met de openbare ruimte.
Het plein loopt door op de begane grond en
loopt vertikaal door in het gebouw.
Deze min of meer openbare route wordt voort-
gezet in de zware betonnen liftschacht. Net als
de betonnen filmzalen in Pathé (Rotterdam) ook
hier een omgekeerde wereld: in plaats van mas-
sieve gebouwen in een open openbare ruimte
met een eenduidig afleesbaar profiel, staat hier
de zware betonnen liftschacht in een luchtig
omhulsel. Letterlijk gaat het gebouw zijn rooilijn
9 Archis artikel over Hans van Dijk.
te buiten door het glazen volume uit te laten kra-
gen boven de begane grond.
In het Berlijn van de negentiende eeuw is voor
de Berlijnse stedebouwkundige en architect
Schincke! ruimte niet het resultaat van een plein-
wand die bestaat uit een omsluitende bebou-
wing, alsof de ruimte als een bepaalde vorm uit
de omringende nassa is gestanst. Ruimte is
voor hem juist het resultaat van een wederkerige
relatie tussen objecten. Het hoort bij de archi-
tectonische kwaliteit en het karakter van deze
objecten dat ze uit het programma en de vert-
aling daarvan in een gebouw, ruimtevormende,
energie' produceren.
Radiance
Von Meiss
5
introduceert in zijn hoofdstuk over
spatiality of objects de term radiance. Hij
omschrijft hoe een vrijstaande sculptuur of
gebouw een straling met zich meebrengt die
meer of minder precies het veld eromheen defi-
nieert. De afbeelding links laat zien hoe een bal-
lustrade, een muur en beelden, in gradaties
ruimte definieëren, rechts hoe volgens hem
radiance letterlijk zichtbaar gemaakt kan wor-
den.
77 1 Buiten Plaats
Pathé IJIOSCC)OO
/'
/
/
van
Het object in het stedelijk weefsleI. Ruimte en routing tussen object en weefsel.
Object op het plein. Begrenzing van het plein. Routes en begleiding.
kantoren en bibliotheek Meier-Den
Het object in het stedelijk weefsel De aaneenschakeling van open ruimtes. Routing en begelei-
ding.
/
;'
/
Begrenzing van open ruimte door gebouwmassa: solid en
void. Verknoping met context.
Buiten Plaats I 78
Het object in het stedelijk weefsel.
Een café op het hoogste punt ontneemt het zicht op het spoor
en leidt de blik terug naar daar waar men vandaan komt.
Bibliotheek TU Delft .. v ..... , ......... ,
Het object in het stedelijk weefsel.
Ontsnappen uit de gebouwde omgeving 'de wolken' in. Door
het ombuigen van het grasvlak wordt het uitzicht oneindig.
\
\
Uitzichten als terugblik over de stad.
/
/
Het verkeerstracé verdwijnt in een tunnel. Daaroverheen
stijgt de bezoeker boven het water uit.
Verweving van object en context.
Het hellende vlak als campus, met zijn gezicht naar de
straat, de aula, de activiteit.
79 I Buiten Plaats
Schund<. Fritz Peutz. Heerlen.
Het object in het stedelijk weefsleI.
Het hoogteverschil van de twee pleinen is opgenomen in de
gevel, om de hoek begleid door een luifel.
Het idee van de markthal in het gebouw. De verkoopvloeren
kijken uit over de markt op het plein en lijken erin door te
willen lopen.
Het glaspaleis: karakteristiek voor het nieuwe bouwen maar
met Peutz-eigen inbreng.
Buiten Plaats I 80
Ruimtes en routing tussen object en weefsel. Verankering in
de context.
Begrenzing van het plein. Openbare route loopt door in
gebouw.
Een ronde erker versterkt het bijzondere van het samenko-
men van de twee pleinen. Hoe hoger in het gebouw; des te
meer privé, des te verder het uitzicht op de heuvels rond
Heerlen.
De eerste woonverdieping: vanuit de lift is het dakterras niet
meteen te bereiken maar het uitzicht en de trap naar boven
zijn door de gang heen al te zien.
Vijf projecten worden met elkaar vergeleken.
Het gaat erom zichtbaar te maken hoe in de ver-
schillende voorbeeldprojecten het gebouw als
object geplaatst is in het stedelijk weefsel.
lilélspalels Schunck
In 1905 stierf de oprichter van de handweverij
die later warenhuis Schunck werd, en werd de
weverij overgenomen door zijn zoon Peter
Schunck in datzelfde jaar. Ook Nederland was
het tijdperk van de mechanisatie ingegaan en de
weefmachines van Tilburg maakten de handwe-
verij in Heerlen kansloos. De vooruitstrevende
zoon Peter introduceerde confectiekleding in zijn
zaak. Toen er tot nieuwbouw besloten werd, was
zijn voornaamste eis dat het gehele assortiment
op plaats van verkoop zou kunnen worden uit-
gestald: dus geen monsters aan een toonbank.
Deze eis is architectonisch omgezet in de grote
etalages en de 'markthal-achtige' grote open
vloeroppervlaktes waar de klant vrij tusendoor
kan lopen.
Context
Het warenhuis ligt tussen twee pleinen in: het
marktplein en het kerkplein. Het marktplein ligt
2,5 m onder het kerkplein. Dit hoogteverschil
komt in het gebouw tot uitdrukking in de ingan-
gen op de twee verschillende nÎveaus. De over-
gang van het hoogteverschil wordt gevolgd door
de luifel, die met het niveauverschil van de plei-
nen mee de hoek om gaat. Langs de gevel,
onder de luifel, wordt de bezoeker langs de eta-
lages geleid en met een paar treden naar de
hogergelegen westelijke ingang gebracht. Het
hoogteverschil komt ook tot uitdrukking in de
extra grote hoogte van de beganegrond en de
daarvan gebruikmakende tussenverdieping.
De in hoogte verspringende luifel bevindt zich
op de hoek van het gebouw, daar waar de twee
pleinen samenkomen. In het verlengde daarvan
bevindt zich op de zesde verdieping, de eerste
woonverdieping, een verbijzondering in de
gebouwmassa: een ronde erker die met zijn
ronde 'panorama' ramen uitnodigt over beide
pleinen uit te kijken en die vanaf straatnÎveau de
hoek nog een keer benadrukt.
De vanuit het Oosten op het marktplein uitko-
mende straat lijkt haast zonder opstakels door
te lopen in het gebouw: een als passage vorm-
gegeven doorsteek met aan beide zijden etala-
ges, opdat de begane grond zowel ruimtelijk als
functioneel op het plein verankerd is.
De letterlijk steeds hoger boven het stedelijk
weefsel uitklimmende woonverdiepingen bevin-
den zich boven de markt, boven de etalages,
boven de winkel, boven het openbare gedeelte
en hebben als hoogste punt het verste uitzicht.
Programma
Het programma is 'verticaal gelaagd': etalages
en winkel, personeelruimtes, privée-
ruimtes/wonen. De etalages en de winkel zijn
openbaar en zijn ook letterlijk het meest toegan-
kelijk, zowel visueel als functioneel: met (voor
die tijd) spectaculair grote transparante glazen
puien, grote verdiepingshoogtes en aan elk plein
een entrée.
Het idee van het opstellen van het gehele
assortiment heeft geleid tot de open plattegrond
met kolommen en de van de vloer losgemaakte
gevel: de 'marktvloer' heeft geen directe beein-
diging maar lijkt door te bewegen naar de
'echte' pleinen. Tegelijkertijd zorgt de afstand
tussem vloer en pui voor natuurlijke ventilatie-
mogelijkheid langs de gehele hoogte van de pui.
Otie en negotie. Hoe minder openbaar, hoe
hoger in het gebouw, hoe verder de blik over de
stad. De eigenaar van het warenhuis woont
boven zijn eigen winkel. Behalve de hoofdtoe-
gang via de lift vanaf de begane grond is er ook
een trap vanaf de eronder gelegen verdieping.
Nog hoger leidt de interne trap van de loggia
naar het daarboven gelegen dakterras. Uit de lift
komend is het uitzicht op de heuvels waarin
Heerlen ligt al te zien, evenals de trap naar het
hoogst gelegen terras.
De markt, straten en looproutes zijn voor de
klanten; zo'n route is dan ook letterlijk opgeno-
men in het gebouw als passage met etalages en
verweeft het gebouw letterlijk met zijn context.
81 I Buiten Plaats
De hoofdopzet is een simpel kubusvormig
volume dat verder is uitgewerkt. De 'kubus' is in
hoofdlijnen vertikaal opgedeeld in drie delen:
een extra hoge begane grond, gescheiden van
de hoger gelegen volumes door een luifel en
met een gevel die beïnvloed wordt door het
niveauverschil van de omliggende pleinen. De
vier 'marktverdiepingen' met 'vrij zwevende'
vloeren op kolommen en met een van de vloeren
losgehouden glazenpui. Scheidingswanden zijn
losse elementen tussen de kolommen. Als derde
laag de twee woonverdiepingen, waarvan de
onderste gedeeltijk toegankelijk is voor publiek:
een café met dakterras. Deze laag is geheel
anders vormgegeven dan de rest: een haast
merkwaardig gesloten gevel, haast sculpturaal in
tegenstelling tot de rechte, transparante winkel-
gevel.
Deze drie elementen reageren allemaal anders
op de context: de etalages en de winkelentrées
laag bij de grond: letterlijk en figuurlijk toeganke-
lijk en in het weefsel verwoven. De tweede laag:
gestapeld op de onderste laag en met visueel
contact met de pleinen. De woonverdieping: het
hoogste punt met het meeste uitzicht en in de
ronde erker uitzicht over beide pleinen.
Planschema
Kort samengevat uit de bovenste alinea's: een
eenvoudig geometrisch volume dat volgens de
ideeën van het nieuwe bouwen zijn uitgewerkt,
samen met enkele Peutz-eigen toevoegingen.
Het is een volume dat zich op verschillende
manieren tot de context verhoudt: zowel functio-
neel als ruimtelijk op verschillende niveaus,
zowel vanaf de context naar het gebouw toe als
vanaf het gebouw terug naar de context. Het
gebouw volgt geen van te voren bedacht vorm-
schema, maar volgt uit het programma en con-
text.
Buiten Plaats I 82
83 I Buiten Plaats
Onderling verband open ruimtes.
Schematische weergave formele betekenis as
Friedrichstrasse in 1947 en 1999: drie stadspoorten.
Ontwerp: omgekeerde wereld. I.p.v. stedebouwkundige
blokken als massa's met ruimte ertussen (afbeelding 1) naar
van binnen uit ontsloten lokatie, verwoven met context
(afb.d).
In het ontwerp worden bij de bestaande as twee nieuwe
assen geïntroduceerd.
Buiten Plaats 1 84
De lokatie wordt opgenomen in de bestaande verkeersrou-
tes. Hier: voetgangers vanuit openbaar vervoer.
Bibliotheek solitair uit de vijftiger jaren. Object in openbare
ruimte. Aangegeven lijn is dezelfde as Friedrichstrasse.
aStedebouwkundige blokkenstructuur in Berlijn centrum
Oost. De aangegeven lijn is de as van de Friedrichstrasse.
Belangrijke ruimtelijke elementen: gesloten bouwblok, kerk,
Rondeli en verhoogd spoor.
t:s(::;a!:le uit het isolement van de stad
De afgelopen drie decennia zijn veranderingen
in een stroomversnelling terecht gekomen.
Volgens Castel/
9
is de betekenis hiervan verge-
lijkbaar met de omwenteling die zich anderhalve
eeuw geleden voltrok en die resulteerde in de
industriële stad. Hij zegt dat deze omwenteling
een gedaanteverandering van de fundamentele
dimensies van het leven bewerkstelligt: tijd en
ruimte.
Heel letterlijk in het boek waaruit CasteIls geci-
teerd wordt, wordt met betrekking tot het aspect
tijd de afgenomen levensduur van produkten en
produktieprocessen genoemd en daarmee die
van de vaardigheden en organisaties die nodig
zijn om deze te realiseren: flexibiliteit voor snel
veranderende activiteiten. De stad moet zich
aanpassen aan andere eisen dan tot voor kort
nog het geval was, wil zij succesvol zijn.
Niet alleen economische processen en de pro-
dukten daarvan, maar ook sociale en culturele
verschijnselen zijn vluchtig geworden.
Vluchtigheid niet alleen in materiele goederen,
maar ook waarden, levensstijlen, relaties en
symbolen.
Voortvluchtig is een raar woord: het zou beter
zijn de maatschappij te omschrijven als een
maatschappij waarin keuzes en gedrag niet
meer, of in ieder geval minder, worden bepaald
door de maatschappelijke verbanden waar het
individu ooit deel van uitmaakte, en waarin door
fragmentatie en individuele keuzevrijheid voor-
spelbaarheid van gedrag is afgenomen.
Isolement van de
Bij de factor ruimte kan men denken aan het
zogenaamde 'kleiner' worden van afstanden:
sneller vervoer zorgt voor groter bereik binnen
dezelfde tijd. Het tempo waarin deze ontwikke-
ling verloopt, is vooral de afgelopen eeuw sterk
toegenomen door de opkomst van nieuwe of
verbeterde transport- en telecommunicatiemo-
gelijkheden en door de grotere toegankelijkheid
van deze middelen voor grote groepen mensen.
Ingrid Krau
10
, in haar tekst over openbare
ruimte, stelt dat in de stad leefruimtes van
karakter veranderen en verder van elkaar verwij-
derd raken. Mensen leggen steeds grotere
afstanden af, door groeiende mobiliteit, en
steeds doelgerichter: door het specifieker wor-
den van functies: niet meer alle functies in de
wijk; maar heel specifiek de meubelboulevard,
het squashcentrum, de gespecialiseerde werk-
9 De stad in het informatietijdperk. Dynamiek, problemen en
potenties. Rein B. Jobse en Sako Musterd. Van Gorcum, 1994
Assen.
10 Der Öffentliche Raum der Stadt. Ingrid Krau. Bauwelt 1987.
Heft 36 p.1314-p1323.
plek. Straat en plein zijn overgenomen door ver-
keer. Hierdoor is het ruimtecontinuüm dat eerst
de openbare ruimte vormde verdwenen.
Groeiende mobiliteit, het doelgericht afleggen
van grote afstanden, zorgt voor isolement van
plekken.
Isolement in
In de Meerjarenvisie ruimtelijk onderzoek dat
door het Programmeringsoverleg Ruimtelijk
Onderzoek Den Haag in 1996 is uitgebracht,
worden vijf themavelden van ruimtelijk onder-
zoek genoemd. Eén daarvan is de relatie tussen
tijd en ruimte (tijd-ruimtelijke dynamiek).
Gesteld wordt dat vooral de temporele oplos-
singsrichtingen een geleidelijke doch totale ver-
andering van het stedelijke leven tot gevolg zuI-
len hebben. De eenduidige tijdordening: times-
cape of tijdschap, tot voor kort gekenmerkt door
een synchroon tijdverloop in alle sectoren van
de samenleving, is in de tweede helft van deze
eeuw gaan uitschiften door de differentiatie van
leefstijlen, glijdende werktijden, deeltijdwerk en
door ruimtelijke schaalvergroting gepaard aan
een grotere mobiliteit. Het tijdverloop zal zijn
synchrone karakter steeds meer verliezen,
anders gezegd de desynchronisatie zal het ste-
delijke leven steeds verder uitspliten. Het is niet
mogelijk om alle taken binnen de officiele tijdre-
gelingen te verrichten: werken, boodschappen
doen, voor de kinderen zorgen enzovoort.
Toename van mobiliteit door individualisering en
emancipatie leidt tot complexere activiteiten-
patronen. Complexere activiteitenpatronen
bewerkstelligen dat minder mensen op hetzelfde
moment hetzelfde doen: isolement in tijd.
.u ..... "" .. ,coo. en ontw'eriDODCla\J'e
De bibliotheek, de escape uit het isolement
van de stad, moet ontmoetingsplek worden in
de stad tegen dit isolement: verschillende func-
ties die op een plek met elkaar geconfronteerd
worden en die op hetzelfde tijdstip verschillende
activiteiten mogelijk maakt.
De bibliotheek, de escape uit de drukte van de
stad, is een plek voor contemplatie in de lees-
zaal en in het boek.
De uitbreiding moet de bibliotheek ruimtelijk en
functioneel in zijn context verankeren, getoetst
aan actuele eisen om in deze huidige maat-
schappij succesvol te zijn. Dit geldt zowel voor
het programma als voor het omgaan met het
ruimte(begrip).
85 I Builen Plaats
De samenhang tussen weefsel en object
moet duidelijk afleesbaar zijn. Om deze
samenhang te maken kan het ontwerp vanaf
het midden van de lokatie op verschillende
manieren op de omgeving reageren: bijvoor-
beeld een zichtas door het ontwerp, vanaf de
belangrijkste doorgaande route, op de duide-
lijk ruimtelijk aanwezige kerk.
2 Het gebouw gaat een andere relatie aan met
de openbare omgeving dan de duidelijk
afleesbare negentiende eeuwse bIokstruc-
tuur: een schuin, in de grond verlaagd vlak
tast letterlijk het maaiveld aan en zoekt een
nieuwe relatie tussen infrastructuur, maaiveld
en openbaar gebouw. Vanuit dat vlak op de
lokatie wordt alles ontsloten, niet vanaf de
randen. De lokatie wordt opgenomen in het
weefsel van voetgangers en auto's in plaats
van er geïsoleerd tussen te liggen.
1 zichtas
Buiten Plaats I 86
3 Het gebouw als bemiddelaar vormt een
browsing circuit om de bestaande bibliotheek
als boekenkast heen. De ooit formele en
functionele as laat zien wat het nu is: een
voetgangerszone: opgepikt, verdraaid en
over de geparkeerde auto's heen.
Een tweede bouwvolume haalt het eenduidi-
ge van de jaren vijftig-solitair weg, definieert
het gebied ruimtelijk en gaat (verschillende)
relaties aan met het maaiveld, het vlak, de
infrastructuur, de omliggende bebouwing.
2 vlak
Na de laat-barokke stadsuitbreiding in Berlijn
met eenduidig afleesbaar straatprofiel en na de
objecten van het nieuwe bouwen waarin welis-
waar al de grenzen tussen binnen en buiten ver-
legd werden, kan misschien een nieuw verband
tussen openbaar gebouwen stedelijk weefsel
gevonden worden. Coop Himmelblau en Koen
van Velzen hebben dit gedaan: niet door de
grens tussen binnen en buiten te verleggen
maar door ze om te draaien: harde massa's en
betonnen volumes binnen in het gebouw voor
de eigenlijke functies, omgeven door een dunne
gevel voor een niet-eenduidig volume, waarin de
scheiding tussen binnen en buiten lijkt te ver-
dwijnen. Mecanoo laat letterlijk het maaiveld
doorlopen in en op de bibliotheek, net als New
Metropolis, dat geen duidelijke grens trekt waar
het gebouw begint en lucht en water ophouden.
3 browsing zone om bestaande bibliotheek; verweving met
stedebouwkundig weefsel
87 I Buiten Plaats
Auke van der Weide = Eric van der
Misschien wel het meest fascinerende van
Nederland is dat het groene en bewerkte land zo
plat is als een koek. Subliem zijn onze verre
horizonten, die soms al op ooghoogte, of soms
iets hoger, het karakteristieke Nederlandse cul-
tuurlandschap bepalen. De uitzondering op deze
horizon is al het verticale dat boven de horizon
uitsteekt: in het buitenland zijn dat de bergen, in
Nederland zijn het vooral de grootschalige
bouwwerken. Het verschil tussen beide ligt in de
overtreffende schaal van de natuur ten opzichte
van die van de mens. Dit schaalverschil valt het
meest op wanneer beide schaalniveaus in een
directe confrontatie tegenover elkaar komen te
staan. Zoals dat gebeurt op hoogte, wanneer
vergezichten het oog tegelijkertijd confronteren
met de karakteristieken van veraf en dichtbij. De
thema's, die in dit onderzoek de aandacht krij-
gen, hebben dan ook te maken met de onderlin-
ge relatie, die een 'buitenplaats' in architectoni-
De Griekse Oudheid:
het landschap als een decor van een theaterstuk (1)
Buiten Plaats I 88
sche zin kan hebben met het door de hoogte
ver omringende en verschaalde landschap. Om
dit te illustreren worden er een zestal voorbeel-
den gegeven. Enerzijds een drietal hoogbouw-
projecten met een gestapeld pluriform program-
ma, anderzijds een drietal kleinschalige progam-
maloze architectonische objecten, die, ondanks
hun verschil in schaal, functie en inzet van mid-
delen, voorbeelden bevatten van architectoni-
sche abstracties van het landschap. Ze staan
dan ook op landschappelijk strategische loca-
ties, alwaar ze een terugblik werpen op de
omringende schaalniveaus van landschap en
architectuur. De voorbeelden getuigen van ruim-
tes die door hun architectonische vormgeving
en hun specifieke ligging zowel een fysieke als
een visuele binding met het buiten leggen.
De compacte stad als gestapelde buitenplaats (2)
Boven de Unité
Een voorbeeld van een grootschalig buiten is
de Unité d'Habitation in Marseille. In dit gebouw
projecteerde Le Corbusier zijn humanistische
ideeën voor de sociale woningbouw: buiten,
groen, zicht, zonlicht, ruimte, recreatie en voor-
zieningen. Verdeeld over een aantal schaalni-
veaus heeft Le Corbusier deze ideeën vormge-
geven. Zo is de Unité buiten, en met de rug
naar, de stad geplaatst, aan een lange rechte
boulevard, die rechtstreeks de oude binnenstad
binnenvoert. De oriëntatie aan deze lange rechte
is overhoeks, alsof de Unité zich wil meten met
een kerk of een tempel. De onafhankelijkheid
van het gebouw wordt naast de autonome rich-
ting ook uitgedrukt door de rij pilotis waar het
gebouw op staat Het gebouw staat daardoor
los van het maaiveld. Ook het programma van
de Unité benadrukt de onafhankelijke positie ten
opzichte van de stad. Het programma van dit
betonnen passagierschip loopt uiteen van een
klein winkel- en kantorencentrum (inclusief hotel
en restaurant) op de zevende en achtste verdie-
ping, tot en met een kleuterschool op de zeven-
tiende. De hoogste etage biedt ruimte aan het
dakterras. Waar het gebouw als geheel al gele-
zen kan worden als een collectieve buitenplaats,
daar komt de 'collectieve escape' toch wel het
meest voelbaar 'boven' op het dakterras. Op
meer dan 50 meter hoogte is hier een onver-
wacht nieuwe wereld geschapen, met misschien
wel als meest cruciale architectonische ingreep
de manshoge dakrand. Juist door de hoogte
van de dakrand keert het dakterras zich af van
de onderliggende stedelijke buitenwereld en laat
alleen de puur natuurlijke elementen over, zoals
de bergen, de blauwe hemel koepel , de wolken,
de zon en de zee.
In de beleving van deze naar buiten gekeerde
binnenwereld is de dakrand zowel de artificiële
horizon als de fysieke grens van het dakterras.
De relatieve grens van het dakterras wordt ech-
ter gemarkeerd door een stoeprand van een
trede hoog. Binnen het domein van deze stoep-
rand is de vloer belegd met betonnen tegels, in
tegenstelling tot de asfaltering van het resterend
vloeroppervlak tussen stoep- en dakrand. Het
asfalt vormt daarmee niet alleen de trimbaan,
maar is ook het medium, waar het dakterras als
een eiland op drijft.
Gefascineerd als Le Corbusier is door objecten
in het landschap, bestaat ook het dakterras uit
sculpturale en losstaande objecten. Sommige
daarvan steken boven de artificiële horizon uit,
zoals de in natuurlijke vormen gegoten ventila-
tiepijpen en de torenachtige liftmachinekamer. In
hun opgaande beweging vormen zij een link tus-
sen het fysieke en het visuele domein van het
dakterras. Een meer letterlijke vertaling van het
landschap als link tussen de omringende
schaalniveaus is gegeven in de vorm van een
hellende en bergachtige afbakening van de kin-
derspeelplaats. Een dergelijke associatie roept
ook het zwembadje op. De bodem van dit piere-
badje is afgewerkt met - ten opzichte van het
beton - contrasterende blauwe tegels. Het is
alsof boven op het dakterras het water van de
Middellandse Zee en de hierin gereflecteerde
blauwe hemel, letterlijk in het zwembad terug-
keert. Daarnaast lijkt de wand- en dakomhulling
van het fitnesscentrum sterk op een omgekeer-
de reddingssloep, en vertoont de kindercrèche
gelijkenis met het stuurdek van een groot schip.
Het lijkt erop alsof Le Corbusier de bewoners
van de Unité een permanente cruisevakantie
heeft willen aanbieden. Het dakterras lijkt op een
passagiersdek van een grote oceaanstomer, die
- gezien het aantal zonnebanken een zonnige
en avontuurlijke reis maakt langs de kust van de
Middellandse Zee en tegelijkertijd een subliem
panorama biedt op al haar natuurlijke ingrediën-
ten Het is de vertaling van dit soort landschap-
pelijke bet3ldt-ypen die Le Corbusier heeft weten
om te tovèrel,l tot architectonische abstracties,
en waarmee hij van het dakterras, in combinatie
met het recreatieve programma, een buiten op
een buiten maakt.
89 I Buiten Plaats
Unité d'Habitation, Marseille -
Unité d' Habitation
1.
2.
3.
4. solarium
6.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
:dcht en licht door Unlté
Met twee verdiepingen hoge, gebouwdiepe wooncellen, collectieve voorzieningen en een subliem dakterras
Buiten Plaats I 90
Een grootschalig gebouw, los van het maaiveld, met de rug naar de stad, aan een monumentale boulevard,
autonome noord-zuid oriëntatie (3)
De absolute en de relatieve grens van het dakterras; respectievelijk de manshoge dakrand en de één optrede hoge stoeprand (4)
Veraf en dichtbij: een blauw pierebadje en een azuurblauwe zee en hemel; kunstmatige rotsen en echte bergen (5)
91 I Builen Plaats
Abstractie van het stedelijk landschap
Een met de Unité vergelijkbaar gebouw, maar
in een totaal andere stijl, is The Atlantis in
Miami. Gebouwd in 1981 door de architecten-
groep Arquitectonica is het één van de vele
hoogbouwprojecten, die als si abs loodrecht op
de kustlijn van Biscane Bay staan, en tezamen
als een rij lamellen het waterfront van Miami vor-
men. Het klimaat en de strategische ligging van
de stad aan het water, nodigt uit om vooral aan
de kust woon-, werk- en recreatiefuncties met
elkaar te mengen. En dat gebeurt dan ook volop
aan het waterfront van deze kleurrijke, bijna
Caribische, subtropische en avantgardistische
stad, waar het leven bestaat uit wonen, geld
verdienen, geld uitgeven, sporten, ontspannen
en, vooral, kijken en bekeken worden.
SchaalvelWeving
Een belangrijke inspiratiebron voor
Arquitectonica is het grid - de ordende structuur
van de Amerikaanse stad. Het grid staat voor
Arquitectonica symbool voor architectonische
vrijheid, die het mogelijk maakt om 'objectmati-
ge en contextloze' gebouwen te ontwerpen. In
de Atlantis bepaalt deze contextloosheid de
aard van de architectonische compositie. Zo is
bijvoorbeeld het blauwe raster aan de zuidgevel
van de Atlantis een letterlijke verwijzing naar het
stedelijke grid. De afwijkingen in het grid, zoals
die in Miami bijvoorbeeld te vinden zijn langs de
kustlijn van Biscane Bay (de locatie van The
Atlantis), worden in de blauwe brise-soleil ver-
beeld door een diagonale beweging, die het ras-
ter als het ware doorkruist. Het visuele spel tus-
sen de rode driehoek, het open gat en de gele
kubus (of de gele balkons), is te interpreteren als
Buiten Plaats I 92
een landschappelijke abstractie van de afwijken-
de richtingen en de objectmatige mogelijkheden
van het grid. Bovendien verschalen deze objec-
ten het gebouw zodanig, dat The Atlantis ook
vanaf een grote afstand altijd herkenbaar blijft.
En dat is altijd handig als je met grote snelheid
in je speedboot of sportauto aan komt varen of
rijden.
De schaalverweving tussen object en land-
schap houdt niet op op het niveau van het
gebouw, maar wordt doorgezet tot op het
niveau van het interieur, namelijk in het karakte-
ristieke open gat van de glazen slab. De diago-
nale compositie tussen spiltrap, bubbelbad en
balkon leidt het blikveld naar buiten en confron-
teert het oog vervolgens met het omringende
landschap. De spiltrap steekt daarbij net iets uit
de noordgevel, en geeft zo in de opgaande
beweging extra ruim zicht op het water en het
groene bladerdak van Florida. In de neergaande
beweging richt de aandacht zich meer op het
interieur, waar de palmboom en het opborrelen-
de water de natuurlijke elementen van het
omringende landschap verbeelden, en waar het
groene bladerdak, samen met de horizon en de
blauwe hemel opeens het decor van het interi-
eur bepalen. Daarnaast brengt Arquitectonica
een verschil aan tussen beweging en stilstand.
De door de afstand verstilde bewegingen van de
zee en het bladerdak, worden op het binnenter-
ras gecompenseerd door het opborrelende
geluid van het bubbelbad en de ritselende top-
pen van de palmboom. Verder is er de tegen-
stelling tussen de rondtrekkende beweging van
de rode spiltrap en het moment van stilstand op
het uit de wand stekende rode balkon.
Daarnaast lijken de golvende contouren van het


Miami km
De afwijking van het grid: schaalverweving tussen het niveau van de stad en het niveau van het gebouw (6)
93 I Buiten Plaats
bubbelbad te verwijzen naar de vloeiende vor-
men van de kustlijn, en doet de geplooide gele
wand sterk denken aan een geopend gordijn,
dat vanuit het rechthoekige kader letterlijk het
omringende landschap presenteert. Tot slot zijn
natuurlijk ook de primaire kleuren van de archi-
tectonische objecten een letterlijke aanvulling op
de veelkleurigheid van het bijna Caribische land-
schap in Miami.
Het boeiende aan het interieur van deze vier-
verdiepingen-hoge loggia, is dat niet alleen
aspecten van de omgeving naar binnen worden
gehaald, maar ook het aangename buitenklimaat
en het daaraan relaterende programma. Zo haalt
Arquitectonica de jacuzzi uit het private domein
van de badkamer, en verplaatst het als een col-
lectief onderdeel van het woon programma naar
de grens tussen binnen en buiten, en dus naar
de grens tussen openbaar en privé. Hier kan de
bewoner eindelijk ontspannen van zijn verrichtin-
gen in het fitnesscentrum, de squashbaan, het
zwembad of de tennisbaan, en met een glas
champagne in zijn hand uitkijken op het omrin-
gende landschap van de stad en de natuur
beneden hem. En tegelijkertijd zal hij genieten
van zijn - naar exhibitionisme neigende -
behoefte aan aandacht: de talloze anonieme
blikken die vanuit de wereld beneden op hem
gericht zijn.
AI met al ontstaat in The Atlantis een boeiende
wisselwerking tussen vele aspecten van veraf en
dichtbij, zoals beweging en stilstand, privé en
openbaar, binnen en buiten en kijken en beke-
ken worden. Het is deze voortdurende abstracte
verweving van thema's en schaalniveaus, die
The Atlantis tot op het laatste schaalniveau zo
enorm boeiend maakt. Juist de overgang van
uitzondering in het grid, naar een verzameling
objecten in de architectonische compositie, tot
een terugkoppeling naar het omringende land-
schap op het niveau van het interieur, geeft het
gebouw letterlijk diepte en betekenis.
De essentie van het interieur: kijken en bekeken worden, ontspannen vanuit een jacuzzi terugblikken op het kleurrijke kustland-
schap van Miami (7)
Buiten Plaats I 94
overgang van binnen naar bulten, van varaf en dichtbij
Exploded view Atlantis - Miami, het buiten naar binnen gehaald
95 I Builen Plaats
Pronken met de stad
Een totaal ander voorbeeld van een collectief
buiten is de Downtown Athletic Club in New
Vork, gebouwd in 1931. Op het eerste gezicht is
het een weinig opvallend gebouw. Het past zich
anoniem aan de vormgeving van zijn tijd en
voegt zich naar de zoning-Iaws van de stad. Wat
het gebouw bijzonder maakt is de bijzondere
locatie, namelijk op de grens van land en water,
en zijn bijzondere stapeling van activiteiten, die
alle gericht zijn op het op peil houden van de
lichamelijke conditie van de vrijgezelle kantoor-
yup in Downtown Manhattan. De Downtown
Athletic Club is bijna te zien als een voorloper
van het tegenwoordige fitness- of gezondheids-
centrum: een typische voortvloeisel van de
moderne dienstverlenende samenleving waar
het gebrekkig-fysieke, maar stressvolle bestaan
op een kunstmatige manier wordt gecompen-
seerd - om over ijdelheid nog maar niet te spre-
ken.
De activiteiten in de Downtown Athletic Club
beginnen op de lagere niveaus met een reeks
van conventionele inspanningen, zoals biljart,
squash, handbal, midgetgolf en gymnastiek.
Naarmate men hoger in het gebouw komt,
nemen de inspanningsniveaus toe. Op de acht-
ste verdieping wordt gebokst en geworsteld, en
volgens Koolhaas
1
plot zelfs naakt oesters
gegeten aan een kleine bar met uitzicht over de
Hudson. Na de achtste verdieping, veranderen
de inspanningsniveaus in ontspanningsniveaus.
Nu wordt het lichaam niet meer getraind, maar
juist verzorgd. Op de negende verdieping zijn
onder andere aanwezig Turkse stoombaden,
massagetafels, hoogtezon en zes kappers, maar
er is ook een medische afdeling en zelfs een
Context (9)
Koolhaas' Delirious New York, 010 PUbIishers Rotterdam,
1994, p155
Buiten Plaats I 96
ruimte waar het darmstelsel met bacteriologi-
sche culturen kan worden gereinigd (Colonic
Irrigation). De elfde verdieping bevat het zwem-
bad, waar eventueel nog een laatste inspanning
wordt gepleegd, of juist ontspannend een baan-
tje wordt getrokken, al naar gelang de gewenste
volgorde van activiteiten, die men, met behulp
van liften aan de noordzijde, zichzelf oplegt
8
.
Vanaf de twaalfde verdieping is het tijd voor
rust, eten en converseren. De verdiepingen
bevatten een lounge, een bibliotheek, een keu-
ken en een grote eetkamer, met een tot serre
omgebouwd dakterras. Pas na deze verdieping
is de man in optimale geestelijke en lichamelijke
conditie om op de zestiende verdieping, de roof-
garden (de tegenpool van de stad), de confron-
tatie met de andere sekse - de vrouw - aan te
gaan. Dit is het meest cruciale moment in de
reeks van activiteiten en waarschijnlijk het
belangrijkste argument voor de man om al zijn
inspanningen te rechtvaardigen. De vrouwen
worden met een eigen lift rechtstreeks naar de
daktuin gebracht. Ze passeren dus in één keer
alle niveaus, die de man nodig heeft gehad om
op gelijke hoogte met de vrouw te komen. Op
de dansvloer van de roofgarden kan de metro-
politaan zijn vrouw met verfijnde bewegingen het
hof maken, en haar tijdens een wandeling over
het dakterras imponeren met een schitterend
uitzicht over zijn werkterrein, The Financial
District. Waar dit voorspel zal eindigen is een
groot raadsel, aangezien de resterende twintig
verdiepingen slechts slaapkamers bevatten.
Volgens Koolhaas zal het spel eindigen in sterili-
teit, aangezien het vrijgezellenbestaan de enige
manier is om in de jungle van Wal! Street te
overleven.
Relatie met het grote buiten vanuit de serre in de eetzaal en de dakterrassen van de wintertuin
97 I Buiten Plaats
Buiten in New Vork
In het gebouw wordt de zoning-regelgeving
van New Vork aangegrepen om op twee
momenten in de specifieke opeenvolging van
activiteiten een visuele relatie met de stad te
leggen. Dat gebeurt vlak voor én op het
moment, dat de yup-atleten de vrouwen ont-
moeten. Het lijkt alsof het uitzicht vanuit de
dining-room op de grote open ruimte van de
Hudson, inclusief haar horizon, pieren, schepen
en al haar havenactiviteiten, een generale repeti-
tie vormt voor het nog komende moment, twee
verdiepingen hoger, waarop de vrouwen daad-
werkelijk worden ontmoet. Op het dakterras van
de zestiende verdieping is het zicht naar de
stadskant van het waterfront gericht, namelijk
het stedelijk labyrint van Downtown ManhaUan.
Toch laat deze kant van het gebouw ook nog
zicht door - tussen de hoogbouw van West
Street en Greenwich St reet op Battery Park, de
East River en de grote open ruimte van Upper
Bay. Waar je de schepen boordevol immigranten
vanuit de serre ziet aanmeren, daar zie je ze
twee verdiepingen hoger op het dakterras tot
aan de ginder wegvaren. Het buiten-zijn in het
gebouw heeft op deze manier een sterke relatie
met het grote buiten van New Vork zelf, namelijk
de Hudson en de Upper Bay. Het water is dan
ook de levensader van New Vork, die bij uitstek
de aan- en afvoer regelt van goederen, bezoe-
kers en een stroom nieuwe immigranten. Alleen
zo wordt het tijdelijke leven in New Vork in stand
gehouden, aangezien voor het gezinsleven in
Downtown ManhaUan tijd noch ruimte is.
Omkering in programma; gevels springen terug en dakterrassen ontstaan (8)
Buiten Plaats I 98
99 I Buiten Plaats
Onder, tegen en boven de bomen
Hotel Tjaarda was begin 20e eeuw een soort
pretpark. Het strategisch aan een vijfsprong
gelegen karakteristieke witte hotel was in de
bossen van Oranjewoud één van Friesland's
belangrijkste toeristische attracties. Oranjewoud
was in die tijd een gewild reisdoel van menig
schoolreisje en toerist, want naast hotel en res-
taurant, bevonden zich rondom de vijfsprong
ook een kinderspeeltuin, een doolhof met lach-
spiegels, een oranjerie, een volière en een
Germaanse grot nabij de belvédère.
De belvédère bevindt zich op een kilometer
afstand van de vijfsprong in Tjaarda's Bosch. Dit
bos is te bereiken vanaf de Bieruma
Oostingaweg, een belangrijke lange rechte laan,
die begint bij de vijfsprong. Wanneer een flauwe
S-bocht een einde maakt aan de lange rechte,
bevindt de toegang tot Tjaarda 's Bosch zich aan
de linkerkant, direct na een open veld.
Aangezien de bezoeker zich voortdurend onder
de boomkruinen begeeft, ontwaart men pas aan
het eind van een vierhonderd meter lange dicht-
beboste laan, tussen de takken en bladeren
door, voor het eerst een glimp van de construc-
tie, die boven óp een tien meter hoge zandbult
staat. Om de belvédère daadwerkelijk te bestij-
gen wijkt men van de boslaan af, om vervolgens
een met houten aantreden belegd pad over de
flauwe helling van de zandbult te betreden, die
recht op de belvédère toeloopt. Pas op een
enkele meters voor de toren is tussen de bomen
door voor het eerst een compleet beeld van
deze in 1924 gebouwde betonconstructie te
zien.
Wat meteen aan de constructie opvalt is haar
rankheid en haar openheid, waar de takken en
bladeren als het ware dwars doorheen kunnen
groeien. De spil van de constructie is de trap,
die zich tussen de acht, zo slank als boomstam-
Buiten Plaats I 100
men ogende kolommen, een weg omhoog cir-
kelt en tegelijkertijd de gehele constructie stabiel
houdt. In het interieur van de constructie lijken
de kolommen en de balken als boomtakken in
verschillende richtingen om je heen te schieten,
aangezien de koppelingsbalken elkaar op halve
hoogte kruisen. Wie de belvédère beklimt moet
dan ook goed oppassen om zijn hoofd niet te
stoten aan één van deze balken, die na elk bor-
des weer opduiken. De analogie met de boom
zet zich ook op detailniveau voort, aangezien de
balustrade met haar schoongewassen grind het-
zelfde grove oppervlakte lijkt te hebben als de
korst van een boom. Hier wordt geen uitkijktoren
beklommen, maar een in beton gegoten herin-
nering aan een jeugd, waarin men zelf nog
bomen beklom.
Eenmaal de wereld van boomtakken ontste-
gen, ontstaat een totaal ander landschap. Boven
het bladerdak bevindt zich een wereld vol verge-
zichten, slechts nog tijdelijk onderbroken door
balken en kolommen. Een paar trappen verder
bevindt zich uiteindelijk het uitzichtplatform; de
(boom)kroon van de toren. Op slechts dertig
meter boven het maaiveld, bevindt de bezoeker
zich letterlijk boven het landschap. Hier wordt
het uitzicht niet meer 'gefilterd' door de con-
structie, maar ontstaat een volledig vrij uitzicht
naar het omringende land, waar de menselijke
maat opeens sterk verschaald, en waar groot-
schalige bouwwerken als kleine solitaire bakens
boven de horizon uitsteken. Het is nu ook duide-
lijk dat de belvédère zich aan het eind van
Tjaarda's Bosch bevindt, net los van de rand
van het grote aaneengesloten bladerdak van
Oranjewoud en midden tussen de open, niet-
beboste weidegronden. Goed is nu te zien hoe
de 'jonge' bossen van Oranjewoud zich voegen
naar de oude opstrekkende veenverkaveling, zo
kenmerkend voor de maat en de richtingen van
de karakteristieke rechte lanen van dit bos.
onder, tegen en boven de bomen
de constructie als filter tussen veraf en dichtbij, een directe confrontatie tussen de schaalniveaus van bouwtechniek, architectuur
en 'landschap
101 1 Builen Plaats
Escher
Tijdens de beklimming van de belvédère ont-
staat er door de perspectivische divergentie van
zowel constructie als landschap, een schitteren-
de wisselwerking tussen de lijnen en kleuren van
het landschap en de strakke lijnen van de con-
structie. De structuur van de belvédère werkt
hier als een filter, die het oog tegelijkertijd con-
fronteert met het groen en het blauw van het
vergezicht én met de in grijstinten gekleurde en
met mos bevlekte betonnen structuur. Het con-
trast wordt extra benadrukt, wanneer de zon
schijnt en er heldere schaduwvlakken op de bal-
ken en kolommen ontstaan. Pas dan is te zien
hoe plastisch en ruimtelijk de constructie in
elkaar steekt, en hoe sterk de structuur gelijke-
nis vertoont met de ruimtelijke en perspectivi-
sche tekeningen van Escher, zoals het
Trappenhuis en de Belvédère. Net zoals de wer-
ken van Escher, perspectivische schaalverwevin-
gen bewerkstelligen is ook de beleving van de
belvédère een onbewuste perspectivische ver-
weving tussen de structuur van het bouwwerk
en de maat en structuur van het omringende
landschap. Het is dan ook deze wisselwerking
tussen de schaalniveaus van veraf en dichtbij
die de belvédère tot op de dag van vandaag tot
één van Frieslands meest bijzondere monumen-
tale constructies maakt.
de plastiek en de perspectivische vertekening van de ruimtelijke structuur (10)
Buiten Plaats I 102
Doorsneden dijk
Een ander mooi voorbeeld van een klein
bouwwerk dat een sterke relatie heeft met het
omringende landschap staat, is een kunstwerk
dat in het kader van de omstreden verhoging
van de Waddenzeedijk is gemaakt. Het kunst-
werk staat bovenop de Deltadijk en plaatst let-
terlijk het oude profiel van de dijk op een zwart
stalen dienblad. Dit Presenteerblad - zoals kun-
stenaar lds Willemsma zijn werk noemt - wordt
ondersteund door een twaalftal kolommen met
een hoogte gelijk aan de oude zeedijk. Het
twaalftal verwijst naar het aantal provinciën, en
de vrouwelijke vorm verwijst naar de essentie
van bescherming en verzorging. Wat opvalt is
dat de taps toelopende kolommen, net als
Griekse kolommen, perspectivisch vertekenen.
Bovendien weerspiegelt 'wit' licht (black light)
zich op het zwarte staal, en spiegelen de kolom-
men als geheel zich in het zwartstalen plafond,
waardoor ze nog langer en slanker lijken.
Tezamen met het enorme dakoverstek wordt zo
een illusie van lichtheid gecreëerd, alsof het de
twaalf zwart geklede vrouwen geen enkele moei-
te kost om tweehonderd ton klei, zand en gras
te dragen.
Vanaf een afstand wordt de relatie van het
kunstwerk met het omringende landschap dui-
delijk. Het is net als een oude wind-
molen of een boom partij, een uitzondering in het
object op de zeedijk: onderbreking van de kunstmatige horizon
kale landschap van Noord-Friesland. Het kunst-
werk is dus een object in het landschap en
daarmee uitzondering, onderbreking en verbij-
zondering van de kaarsrechte horizontale lijn van
de zeedijk. Van een afstand is tevens te zien hoe
strak de zwarte stalen plaat het opgetilde dijk-
profiel doorsnijdt. Bijna net zo strak als de
kunstmatige horizon dat - vanaf een grotere
afstand - doet met het Noord-Friese kustland-
schap.
In de beweging naar het Presenteerblad toe
zien we dat het kunstwerk langzamerhand ver-
andert van object in het landschap naar een
podium van dat landschap. De twaalf zwarte
kolommen lijken telkens van onderlinge volgorde
te veranderen, alsof het om een steeds wisse-
lende streepjescodes gaat. Onderaan de dijk
valt op dat het groene 'dijkhoedje' buiten het
zichtveld valt. Wat overblijft is een dreigende
zwarte vierhoek, die op 11 meter hoogte en met
een sterke perspectivische vertekening, boven
ons hoofd hangt. De betonnen trap die naar de
tempel leidt, loopt ietwat scheluw over het talud
van de dijk. De trap staat namelijk precies in het
verlengde van de weg, die recht op het kunst-
werk toeloopt. De richting van het kunstwerk
volgt daarentegen weer de bocht in de dijk en
wijkt dus af van de richting van de betonnen
trap. Eenmaal bovenop de dijk, in het interieur,
is vervolgens een andere richting terug te vin-
103 I Buiten Plaats
den: de richting van de afwateringsgeul en de
verkaveling van het buitendijkse gebied. Het
kunstwerk staat dan ook op de rand van de
oude kustlijn van de Middelzee die ooit het
Friese land indook. Aan de andere kant van de
dijk wordt de richting van de weg - en dus van
de betonnen trap - doorgezet in een klinkerbes-
trating die tot in de dijksloot van het kwelderland
doorloopt. Bij hoog water loopt deze bestrating
rechtstreeks de Waddenzee in. Zo probeert Ids
Willemsma niet alleen een visuele link tussen
beide landschappen aan te brengen, maar even-
eens een fysieke link tussen land en zee.
In het interieur van het kunstwerk is de relatie
tussen object en landschap het sterkst. Het
kunstwerk is net als de belvédère een filter en
condensator van het omringende landschap, dat
aan de noordkant wordt door het jonge
kwelderlandschap met zijn rijsdammen, water-
dobbes, zonsondergang en contouren van de
Waddeneilanden, en aan de zuidkant door het
duizenden jaren oude terpenlandschap van
Noord-Friesland met karakteristieke terpdorpen
als Hogebeintum, Ferwerd, Hallum en Holwerd.
De grap daarbij is dat juist het jonge kwelder-
landschap visueel nog het meeste lijkt op het
prehistorische terpenlandschap van Noord-
Nederland. Dat het juist de dijk is, die het pre-
historische natuurlandschap definitief in een cul-
tuurlandschap heeft veranderd, zal bij deze
hommage aan een ieder die vocht voor het
droge, geen toeval zijn.
Een brug slaan
Een met het Presenteerblad vergelijkbaar land-
art project is een bruggetje in de droogmakerij
de Zijpe in Noord-Holland. De Zijpe is een oude
droogmakerij in Noord-Holland en een ingepol-
derd oud Waddenzeegat. De middenvaart is in
deze polder niet in het midden uitgegraven,
tegen, op en onder de dijk
Buiten Plaats I 104
maar juist op het laagste niveau, waar vroeger
de oude grillige zeekreek liep. Vandaar ook dat
de verkavelingstructuur in de Zijpe een 'natuurlij-
ke' knik maakt naar het noordoosten. De breed-
teverdeling van de polder is gericht op de dorp-
jes Schagen en Sint Maarten. Op de kruising
van de weg naar Sint Maarten en de midden-
vaart (de Grote Sloot) is het dorpje Sint
Maartensbrug ontstaan. Bij de kolonisatie van
de polder was net als in de vele andere droog-
makerijen in Noord-Holland - de stolp het meest
toegepaste boerderijtype. De stolpboerderij
bestaat uit een eenvoudige kubus met daar
bovenop een piramidedak. De kubus is de kern
van de stolp en bevat de hooiberg. De door de
piramide overlapte overige ruimtes bevatten de
stallen, de werkruimten en de woonruimtes. De
stolpboerderij is zogezegd niet meer dan een
aangeklede hooiberg met een heldere geometri-
sche structuur en een eenvoudige programmati-
sche ordening.
In 1997 is een tweede brug gebouwd in Sint
Maartensbrug. Ditmaal niet vanuit een infrast-
ructurele noodzaak, maar slechts met een cul-
tuur-toeristisch doel. Het bruggetje is een kunst-
werk, dat letterlijk een brug wil slaan tussen de
landschappelijke structuren van de droogmakerij
en het type van de zo karakteristieke stolpboer-
derij. De ontwerpers van het bouwwerk hebben
daartoe de stolpboerderij als het ware uitge-
kleed, waardoor de transparante structuur van
de hoofddraagconstructie en het sporendak een
relatie krijgt met de structuren van de droogma-
kerij. Wat aan het bouwwerk opvalt is dat het
sporendak als een reeks jaloezieën over het
dakvlak is gelegd. Afhankelijk van de benade-
ringshoek lijken de transparante filters van het
dakvlak te veranderen in dichte oppervlakten,
alsof op een afstand de jaloezieën van het spo-
rendak langzamerhand worden dichtgedraaid.
Binnenin de brug werkt het interieur als een
condensator en filter van het omringende land-
schap. Het middenbordes van de steektrap
vormt het strategisch middelpunt van zowel de
constructie als het omringende landschap. Wat
meteen opvalt is het visuele lijnenspel tussen
enerzijds het sporenkap en de eikenhouten
hoofddraagstructuur, en anderzijds de verkave-
lingsrichting van de bouw- en graslanden en de
richting van de Groote Sloot. Nu wordt ook de
graslanden
strategische ligging van de brug duidelijk. De
locatie laat overduidelijk zien dat de stolpboer-
derij een gemengd bedrijf huisvestte, afhankelijk
was van de afvoer van het boezemwater, en in
sterke relatie stond met het nabijgelegen dorp
en haar voorzieningen. Niet voor niets lopen in
het middelpunt van deze brug de structuren van
de droogmakerij over in de structuren van de
stolp.
bouwlanden
Het interieur als filter tussen het lijnenspel van landschap, architectuur en bouwtechniek
De stolpbrug als optisch verdwijnpunt en perspectivische
overgang tussen de hemelkoepel en het water
Exterieur: 'dichte' en open dakvlakken
105 I Buiten Plaats
De architectonische interventie
Misschien de enige overeenkomst tussen de
beschreven voorbeelden ligt hem in het feit dat
alle genoemde buitenruimtes zich ten opzichte
van het omringende landschap verheffen en
daardoor ruim zicht bieden op dat landschap.
Het afstudeeronderzoek richt zich echter op de
wederkerige relatie tussen architectuur en land-
schap, waarbij meer wordt bedoeld dan alleen
maar het naar binnen gehaalde zicht en klimaat.
In de beleving van de architectuur en het land-
schap speelt de route naar het gebouw, in het
gebouwen van het gebouw af, een belangrijke
rol. Opvallend daarbij is dat de route naar de
objecten toe in geen enkel geval is geënsce-
neerd. In geen van de gevallen is dan ook spra-
ke van 'landschapsarchitectuur' om een bepaald
effect in de route naar het architectonisch object
toe te bewerkstelligen. Daarentegen staan ze
alle wel op landschappelijk strategische locaties.
De Unité bijvoorbeeld staat dan wel buiten de
stad, maar is toch gesitueerd aan een monu-
mentale boulevard, die rechtstreeks met de stad
verbonden is. The Atlantis en de Downtown
Athletic Club staan beide op de grens tussen
land en water in prestigieuze delen van de stad
en ook de kleinschalige architectonische objec-
ten kennen alle een 'logische' plek in het land-
schap.
De 'visuele route' vanuit de gebouwen naar het
landschap toe is echter wel gemanipuleerd.
Vanuit het interieur van de bouwwerken vindt
een terugkoppeling plaats naar het omringende
landschap, die de kwaliteiten en de eigenschap-
pen van de plek extra benadrukken. Hoewel in
abstracte zin, zeggen de manshoge dakrand, de
rotsachtige vormen en het lichtblauwe pierebad-
je van de Unité, of de palmboom en het bubbel-
bad in The Atlantis, of het letterlijk naar binnen
gebrachte tuin op de zestiende verdieping van
de Downtown Athletic Club, toch veel over het
landschap, waarmee de bouwwerken zijn
omringd. Datzelfde geldt ook voor de kleinscha-
lige bouwwerken, waar de transparante draag-
structuur als belangrijkst (maar ook als meest
minimaal) middel is ingezet om de karakteristie-
ken van het landschap te filteren en te bena-
drukken. De architectonische vormgeving speelt
in de gegeven voorbeelden dus een essentiële
rol bij het leggen van visuele relaties met het
buiten. De vormgeving verweeft in één oogop-
slag de schaalniveaus van het buiten binnen het
gebouw (dichtbij), met het buiten buiten het
gebouw (veraf) en bevestigt daarmee het visuele
buiten en het fysiek buiten-zijn van de 'collectie-
ve' buitenplaats.
Het programma dat van toepassing is op de
beschreven buitenruimtes, betreffen alle recre-
atieve functies. De kleinschalige bouwwerken
zijn hoofdzakelijk bedoeld om de recreërende
de ruime ingekaderde buitenruimte als overgang tussen binnen en het fysieke en visuele buiten: de ingekaderde wereld als virtuele
tuin (11)
Buiten Plaats I 106
De transparante constructie als landschapsfilter (12)
107 I Buiten Plaals
passant op bepaalde landschappelijke kwalitei-
ten te wijzen, terwijl de buitenruimtes van de
hoogbouw in het verlengde staan van een meer
volledig programma, waar een zekere verhou-
ding is aangebracht tussen het woon-, werk- en
voorzieningenprogramma (ot ie) enerzijds, en het
recreatieve programma (negotie) anderzijds. Het
is dan ook geen toeval dat op strategische rest-
ruimten binnenin het gebouw een moment van
ontspanning, reflectie of bezinning is gecreëerd,
en dat juist hier de specifieke eigenschappen,
de kwaliteiten en identiteit van de plek - de
genius locus - het meest inzichtelijk tot uitdruk-
king komen.
Wat dit onderzoek in essentie wil aantonen is
Afstudeerlocatie-Spannenburg: bestaande PTT-toren bewerkt (13)
Buiten Plaats I 108
dat gebouwen, die het maaiveld ontstijgen en
zich buiten, aan of in steden bevinden, vele
potentiële mogelijkheden bezitten om een fysie-
ke en een visuele relatie met het grote buiten (de
visuele context) te bewerkstelligen. De mogelijk-
heid om zo nu en dan aan de stad te ontsnap-
pen en het landschap inzichtelijk te maken, is
veelal afwezig in Nederland. Het monotone
stadslandschap biedt wel ruimte aan licht en
lucht, maar mijns inziens te weinig aan contex-
tuele binding, ontsnapping en vervreemding van
het alledaagse. En dat is toch vreemd, gezien de
visuele escape van de horizon zich in Nederland
op relatief weinig meters van het maaiveld
bevindt.
Afbeeldingen
foto: " AB. van der Weide, eveneens alle volgende ongenummerde illustraties
2 foto's: r.) Robert Durandaud, uit Geoffrey and Sasan Jellicoe's The Landscape of Man, London 1995; 1.) G. Sioen, Escalier de Dentelle,
uit Enzo Caramaschi's Mont-Saint-Michel, Atrium Cultuurgidsen, Alphen a/d Rijn, 1984
3 foto's: m.) Musée d'Histoire de Marseille, uit J. Sbriglio's, Le Corbusier, L'Unité d'Habitation de Marseille, Editions Paranthêses,
Marseille, 1992; r) H. Brugo, uit J. Sbriglio's, Le Corbusier, L'Unité d'Habitation de Marseille, Editions Paranthêses, Marseille, 1992
4 foto's: 1.) Peter Cook, uit David Jenkin's Unité d'Habitation Marseilies, Le Corbusier, Pheidon, London, 1993
5 foto's: r.l Lucien Hervé, uit David Jenkin's Unité d'Habitation Marseilies, Le Corbusier, Pheidon, London, 1993
6 foto's: r.o.) Norman Mc Grath, uit P. Gossel's en G. Leuthauser's Architectuur van de 20e eeuw, Taschen, Keulen, 1991
7 foto's: 1.), r.) Norman Mc Grath, uit P. Gossel's en G. Leuthauser's Architectuur van de 20e eeuw, Taschen, Keulen, 1991; m.) Norman
Mc Grath, uit Archis no. 4 1988
8 foto's: 1.), r.m.), r.) uit R. Koolhaas' Delirious New Vork, 010 Publishers Rotterdam, 1994; I.m.) Scott Murphy, New Vork
9 foto's: 1.), m.) W. Fried, uit New Vork in aerial views, Dover, New Vork, 1980; r.) uit B. Harris' New Vork, A Picture Memory, erescent,
New Vork, 1994
10 foto's: 1.) Maquette R. Wielinga, uit Monumenten 2 - '89; I.m.) Escher's Trappenhuis; r.l Escher's Belvédère, uit Bruno Ernst's De tover-
spiegel van M.e. Escher, Taschen, Keulen, 1994
11 schets: Le Corbusier, terras plan Obus, Algiers, 1932
12 foto: P. van Gunst, luchtspiegeling Unia State Bears, drukkerij van der Eems, Easterein, 1998
13 foto's: r.) J. Zonderland, Spannenburg
109 I Buiten Plaats
ten Kate
Bij dit project zijn onderzoek en ontwerp hand
in hand gegaan. De resultaten van het onder-
zoek, samengevat in de 'landgoedformule' , zijn
sterk bepalend geweest voor het uiteindelijke
ontwerp. Er heeft een wederzijdse beïnvloeding
van de verschillende onderdelen van het onder-
zoek en het ontwerp plaatsgevonden.
Door een aantal maatschappelijke en economi-
sche factoren wijzigt de situatie op het platte-
land sterk. De landbouw gaat een steeds minder
prominente rol spelen en er zullen zelfs gebie-
den zijn waar deze geheel verdwijnt. De
beheersfunctie die de landbouw in deze gebie-
den voorheen op vanzelfsprekende wijze vervul-
de, zal opnieuw ingevuld moeten worden. Dit
afstudeerproject onderzoekt op welke wijze
deze beheersfunctie opgevangen kan worden
door het inzetten van landgoederen. Hierbij
wordt het beheersprobleem van de grond
gekoppeld aan de vraag naar landelijke woonmi-
Heus. Het landgoed vormt een duurzamer en op
termijn goedkoper alternatief dan landschaps-
en natuurbeheer door landbouwers, die hiervoor
subsidies toegekend krijgen. Deze laatste vorm
van landschapsbeheer zal onvermijdelijk een
zware last worden voor het overheidsbudget,
gezien de hoeveelheid grond die met deze pro-
blematiek gemoeid is.
Een enkel landgoed zal niet in staat zijn voor-
genoemde problemen op te lossen. De gebie-
den die met deze problematiek gemoeid zijn
hiervoor te groot. Door met meerdere landgoe-
deren reeksen te creëren, kan deze oplossing
aanmerkelijk in betekenis toenemen. In de
Vechtstreek en langs de Amstel wordt het land-
schap gevormd door grote aantallen buitens en
landgoederen. Kenmerkend voor deze land-
schappen is, dat de verschillende landgoederen
worden georganiseerd langs een element van
een nog grotere schaal, zoals een rivier. Ook
wegen en gradiënten kunnen dienst doen als
grootschalig landschappelijk structurerend ele-
ment. De aanwezigheid van een dergelijk ele-
ment is een kenmerk van een landgoederen-
landschap.
De bebouwing vormt een gezichtsbepalend
onderdeel van een landgoed. Het is echter van
belang dat de bebouwing niet de overhand
krijgt, zodat het landschap dichtslibt. Er moet
een correlatie zijn tussen de grootte van het
domein en de hoeveelheid bebouwd oppervlak,
temeer omdat de landbouwcomponent van het
landgoed niet langer een zekere mate van leegte
waarborgt.
Natuurbeelden door de eeuwen heen. Van links naar rechts: hortus conclusus (omsloten tuin), renaissance tuin, barok tuin,
romantische tuin, natuur-cultuur nu.
Bullen Plaats I 112
De rol die het landgoed door de eeuwen heen
heeft als indicator van de verhouding
cultuur\natuur, maakt het inzetten van landgoe-
deren voor natuurbehoud en -ontwikkeling des
temeer voor de hand liggend. Natuur en cultuur
blijken niet elkaars tegenpolen te zijn, immers
elk natuurbeeld is een cultuuruiting, die plaats-
en tijdafhankelijk is. Dit maakt het aannemelijk
dat ook een andere vorm van cultuur, in de vorm
van bebouwing in lage dichtheid, aanspraak kan
maken op een plaats in de 'natuur'.
Het concept van het landgoed en de buiten-
plaats als wijkplaatsen voor het drukke leven in
de stad, is in de afgelopen eeuw zwaar aange-
tast. Het contrast tussen stad en land, waarop
dit concept is gebaseerd, is dramatisch vermin-
derd. Met de introductie van de 'Spelende
Mens' (Huizinga
1
) wordt het fenomeen landgoed
nieuw leven ingeblazen, De 'Spelende Mens'
staat voor ontspanning, vrije tijd, hobby's, ont-
snapping naar het paradijs, kortom voor het
klassieke thema otium versus negotium. De
Bruijn
2
rekent het verschijnsel 'buitenplaats' tot
Natuur is cultuur: afhankelijk van plaats en tijd krijgt het
begrip 'natuur' een andere invulling.
een typisch geval van Spelende Mens. Hij
onderscheidt verschillende maatschappijen die
na elkaar, en deels ook tegelijkertijd hun beslag
hebben gehad. Achtereenvolgens waren dit de
jagers, de boeren, de burgers en de huidige
maatschappij, die de interdependente maat-
schappij wordt genoemd. Aan de Spelende
Mens wordt gestalte gegeven door terug te grij-
pen op thema's van voorgaande maatschappij-
en, die men neigt te verheerlijken. De boer gaat
jagen, de burger gaat tuinieren. De huidige inter-
dependente mens geeft invulling aan de
Spelende Mens door terug te grijpen op het bur-
gerdom.
Samenvattend is voor de definitie van het
landgoed, als onderdeel van een reeks landgoe-
deren de volgende formule te geven:
LANDGOED = E + D + B + N + S
E= Grootschalig landschappelijk structurerende Element
D= Domein
B= Bebouwing
N= Natuurvisie
s= Spelende mens
113 I Buiten Plaats
Het ""In'hAl' .............
De landgoedformule is toegepast op een loca-
tie in de Hoeksche Waard, ten zuiden van
Rotterdam. Deze locatie, een veenpolder
genaamd het Oude land van Strijen, is een
gebied van circa 17 km
2
, met voor de landbouw
slechte economische perspectieven. Behalve
een landschappelijk ontwerp voor een reeks van
HOOFDACTIVITEIT:
De Spelende Mens volgens De Bruijn.
Johan Huizinga, Homo ludens, Proeve ener bepaling van het
spelelement der cultuur, Amsterdam, Antwerpen 1938.
2 Ir. W. De Bruijn, Enkele Gedachten over Wonen, (inauguratie-
rede), Delft 1966.
Buiten Plaats I 114
landgoederen is een van de landgoederen ook
architectonisch uitgewerkt. De landgoedformule
is hierbij uitgebouwd tot een ontwerp-methode,
die eveneens bij andere locaties gebruikt zou
kunnen worden.
Kenmerkend voor deze methode zijn de
schaalsprongen die worden gemaakt tussen de
verschillende grootheden van de formule.
BURGERDOM

element (E)
Het grootschalig landschappelijk element ( E )
omvat de schaal van de totale polder. Door het
bepalen van zones die niet bebouwd mogen
worden, zal ook in de toekomst, nadat er land-
goederen zijn aangelegd, de grote maat nog te
ervaren zijn. Deze zones vormen een stelsel van
vista's die telkens aangrijpen op punten waar
het wegennet in de polder aansluit op de omrin-
gende dijk. Naast deze visueel openbare zones
is een van oudsher aanwezige kreek (ooit een
zeearm), gedempt en zelfs opgehoogd, waar-
door een route ontstaat, die fysiek openbaar
moet blijven. In plaats voor het toevoegen van
bos, traditioneel behorend bij landgoederen, is
er gekozen voor het aanleggen van meer water.
Water is evenals bos een zeer gewild woonmi-
Heu, maar veel geschikter om toe te passen in
bij dit type bodem. Bij het waterontwerp zijn de
patronen van de verkaveling en bestaande
waterlopen als onderlegger gebruikt.
Het grootschalig landschappelijk element ( E ) in de vorm van onbebouwbare zones, die als vista's werken.
115 I Buiten Plaats
Domein en ( D & B )
Het domein en zijn bebouwing ( D & B ) zijn op
ongebruikelijke wijze vastgelegd. Gezien de
lange tijd die het kan duren voordat een reeks
landgoederen is voltooid, is het wenselijke om
flexibiliteit in het programma mogelijk te laten.
Het bepalen van een eindbeeld voor de hele
polder, door middel van een ontwerp, ligt daar-
om niet voor de hand. Door het limiteren van het
geveloppervlak en het bepalen van het minimale
vloeroppervlak blijkt de hoeveelheid bebouwing
en de spreiding daarvan goed in de hand te
kunnen worden gehouden. Met deze twee rand-
voorwaarden kunnen bovendien grotere gebou-
wen gerealiseerd worden, zonder dat men het
100 x 1700 rn
.'
50 x 50 m
risico loopt dat de polder dichtslibt met bebou-
wing. Met behulp van een random-simulatie is
een voorstelling gemaakt van een mogelijke
invulling van de polder met landgoederen. Een
van de kavels uit de simulatie is uitgewerkt tot
een ontwerp voor een landgoed.
Het onderzoek naar de effecten van 'D'en 'B'
op het gekozen perceel, logenstraft de uitspraak
van Van den Broek: 'Rond is stront'. Vooral als
de bebouwing geconcentreerd wordt, is het wat
betreft de verhouding vloeroppervlak/gevelop-
pervlak, uitermate gunstig om een rond gebouw
te maken. Voor de uitwerking van het eindont-
werp is dan ook gekozen voor een rond
gebouw.
"
10 x 10 Ol
Gebledsoppervlakte: 1700 hectare
bebouwingspercentage: 1%
Geb!edsoppervlalde: 1700 hectare
bebouwingspercentage: 1%
Gebiedsoppervlakte: 1700 hectare
bebouwingspercentage: 1%
Buiten Plaats I 116
VASTSTELLING MINIMAAL
VLOEROPPERVLAK PER GEBOUW
BEPAALT DE MAXIMALE
HOEVEELHEID BEBOUWING
GEEFT DE MINIMALE
'KORRELGROOTIE' VAN
DE BEBOUWING
'weinig' m2 gevel/ha 'veel' m2 gevel/ha
----------------------------------------------------
DEANIEERT DE MINIMALE DOMEINGROOTTE; DE COMBINATIE VAN 'S' EN '0'
GEEFT CONTROLE OVER DE MAXIMALE SPREIDING VAN DE BEBOUWING
117 I Buiten Plaats
Polderdobbelen
Buiten Plaats I 118
119 I Buiten Plaat,
Natuurvisie (N)
Door het toestaan van bebouwing op plekken
die als natuurgebied worden beschouwd, wordt
duidelijk stelling genomen in de discussie of er
plaats is voor de mens in de 'Natuur'. Uit deze
natuurvisie ( N ) volgt verder dat natuur ook
vormgegeven mag worden. Dit is nadrukkelijk
gedaan bij het landgoedontwerp. Hier zijn de
vista's bepalend voor de terreinindeling en de
vormgeving van de waterpartijen sluit aan bij de
strakke belijning van de bosblokken en hagen.
Een persoonlijke natuurvisie kunnen bewoners
uitleven in hun privétuinen.
Buiten Plaats I 120
De ...... ""11"' ... ''"'''''' mens
De spelende mens (S) heeft in het ontwerp
gestalte gekregen door terug te grijpen op de
collectieve aspecten van de burgerstad. Deze
collectieve voorzieningen waren bepalend voor
de status van de burgerstad. In het ontwerp
vormt de verweving van de gemeenschappelijke
en meer private programmaonderdelen een
belangrijk thema. Het eindontwerp is een bewer-
king van de villa der villa's: La Rotonda van
Palladio. De plattegrond van de Rotonda is
getransformeerd door de factor tijd toe te voe-
gen. De collectieve ruimtes (grijs) vormen, als ze
121 I Buiten Plaats
alle op eenzelfde grondvlak worden geprojec-
teerd, een volledige cirkel. De diverse cirkelseg-
menten liggen echter alle op een andere verdie-
ping, waardoor men moet verplaatsen om een
compleet overzicht te krijgen. In het midden van
de ronde plattegrond bevindt zich hiertoe een
schroeflift, die de ruimtes aan elkaar koppelt.
Samen vormen de verschillende gemeenschap-
pelijke ruimtes bovendien een doorlopende, spi-
raalvormige ruimte.
Beneden in de spiraal richt het programma
zich op lichamelijke bezigheden (zwemmen, fit-
Builen Plaats I 122
ness), bovenin ligt de nadruk meer op geestelij-
ke ontspanning en vorming (atelier, bibliotheek).
Op het dak, de plek waar onbelemmerd uitzicht
verwacht zou worden, bevindt zich de sauna-
tuin, vormgegeven als hortus conclusus (omslo-
ten tuin). Naast een collectief gedeelte bevat
elke verdieping twee appartementen, waardoor
de verweving privé/collectief tot stand komt. De
appartementen zijn flexibel indeelbaar. De groot-
te en plaats van de keuken en kamers is aan-
pasbaar.
1231 Buitef\ Plaats
Jaco
Het cultuurlandschap rond de Amstel is onderhevig aan een onvermijdelijke sluipende urbanisering.
Een offensieve landschapsarchitectonische strategie biedt uitkomst. Het vergroot de recreatiedichtheid
en formaliseert het landschap van de rivier met de bibliotheek als symbolisch middelpunt.
Het afstuderen betreft het ontwerp van een bibliotheek in de vorm van een bakstenen toren aan de
Amstel, in de polder. De bibliotheek staat centraal in een lineair eilandenrijk met badhufs, hotel en stu-
die-instituut. Een binnenwereld van baksteen, water en wilgen. Het is een constructie van idealen die
tot uitdrukking is gebracht in architectuur. Hierin vormt het een kritiek op de moderniteit en haar ver-
schijningsvorm in de wereld. Het omarmt de Hollandse mythe, het Hollands landschap.
De bibliotheek is een gelede bakstenen toren van 25 bij 25 meter, 40 meter hoog. Beton, hout en boe-
ken vormen de binnenwereld van de bibliotheek. Het gebruik van staal heb ik op voorhand buitengeslo-
ten. De constructie draagt bij aan de diversiteit en de dubbelzinnigheid van de ruimtelijkheid. De boe-
kenkast met 200.000 boeken (1000 mi boekenkast) is een houten spantconstructie over vier verdiepin-
gen in het midden van de toren. De boekenkasten hangen tussen de spanten. Met de groei van het
aantal boeken groeit de opbouw van de kasten tussen de spanten. In deze wereld van hout en boeken
brengt een centrale vide schemerlicht en promoot een onregelmatig houten en krakend trappenhuis de
dwaaltocht tussen de boeken.
De plek waar de houten constructie de bakstenen buitenwand ontmoet is een moment van rust. Hier
komt de wereld van het boek en van het (nieuwe) landschap samen. Hier leest men Faust.
~ - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - ---j
Eilandenrijk en de positie van de bibliotheek
Buiten Plaats 1124
kappen
strategie t + 50
Amstelscheg met het eiland aan de Amstel
125 I Buiten Plaats
Judith de Koster
De Hollandse kust wordt in dit afstudeerwerk als ontwerpopgave neergezet. Haar potenties als buiten-
plaats van de Randstad worden hierin uitgewerkt. In het plan wordt de wisselwerking tussen randstad
en kust, dynamische natuurvisies en bestaande toekomstplannen opgenomen. Door de toegankelijk-
heid van de kust op strategische punten te verbeteren en te 'verslechteren' worden verstedelijking en
natuurontwikkeling beheerste processen waarmee de kust aan variatie wint. Voor Katwijk aan Zee is
deze strategie verder uitgewerkt. Een multifunctioneel parkeerveld en een 'wild natuurgebied' creëren
mogelijkheden en stellen grenzen aan de groei van Katwijk aan Zee en haar recreantenstromen.
Intensiveren van een aantal lijnen naar de kust en het extensiveren van de gebieden daartussen
Builen Plaats I 126
127 I Builen Plaats
Verwers
Het plan is een reactie op de ruimteverslindende Vinex wijken die het landschap opsnoepen. Als alter-
natief is er een kwetsbaar landschap opgezocht dat juist door het toevoegen van woningen ecologisch
en ruimtelijk versterkt kan worden. Gekozen is voor een locatie ten zuidoosten van Eindhoven bij
Geldrop in verband met de goede bereikbaarheid, de nabijheid van voorzieningen en het gevarieerde
landschap. Er is een reeks bebouwingstypes en verkavelingen voorgesteld die exclusief wonen voor de
massa als reële optie presenteert. Buiten wonen in zeer lage dichtheden waarbij het landschap een

Het concept
Het concept dat een verdeling van het bosgebied in stroken laat zien. De stroken zijn onbebouwd of met verschillende verkavelin-
gen bebouwd. De schema's tonen de open en dichte delen, de stroken met bebouwing, de niet te bebouwen oost-west zones en
de bosbanen/-Ianen en -paden.
Buiten Plaats I 128
De bosbanen, -lanen en -paden
Open en dichte delen
Stroken met bebouwing
Niet te bebouwen zones
129 I Buiten Plaats
Cristel EVE!!ISdll]k LU
Het afstudeerwerk toont aan dat een buitenplaatsen reeks -vergelijkbaar met bijvoorbeeld de buiten-
plaatsen aan de Amstel of aan de Vecht- een regionale samenhang kan bieden aan een stadsland-
schap. Voor het gebied tussen Amsterdam en Utrecht is een integraal plan gemaakt dat ruimte biedt
aan diverse invullingen. De buitenplaatsen worden gevuld met een stedelijk programma
zoals een kinderopvang, tuincentrum of hoofdkantoor telkens gecombineerd met wonen en recreatie.
Dwarsverbindingen
Verschillende "niveaus"
Studiegebied
Buiten Plaats I 130
Fragmentatie
De gebieden tussen
de verschillende stromen
vormen losse fragmenten
Dwarsprofielen
131 I Builen Plaats
naam
prof. dr. ir. Clemens Steenbergen
ir. Eric van der Kooij
ir. Rob Aben
Deelnemers atelier 1 e lI .... t"i"u"n
naam
Saskia Heusmann (Al
Valentijn Nouwens (Al
Mark Verdoold (A+S)
Bart Bordes (A+S)
Anjo Peeters (Al
Gert-Jan Maat (Al
titel
City Escape
Holland, waterland
Ondergronds leven
in de natuur
Buiten de stad
Natuurmuseum
Waterrijk wonen in de
ronde Venen
Auke-Bonne van der Weide (A) Knoop Punt Spannenburg
Gerdy Verschuure (Al Stilte in Breukelen
Deelnemers atelier 2e
naam
Richard Benneker (Al
Eelco Dekker (Al
Mark Veldman (Al
Doesjka Majdandzic (A+S)
Johan v.d. Zwart (Al
Buiten Plaats I 132
titel
1.000.000 Playground
Complex[c]ity
Ontsnapping van de stad
Een overijssels landgoed
uit het jaar 2000
functie
onderzoeksleider
redacteur publicatie
medewerker onderzoek
Mentoren
ir. J.D. Besch
Ir. E. v.d. Kooij
ir. M. Meijs
ir. J.R. van Zwol
ir. W. Reh
ir. C.D. van Bruggen
prof. dr. ir. C.M. Steenbergen
prof. ir. C. Van Weeren
ir. J. van der Voort
ir. D. Vitner
ir. V.J. Meyer
ir. E. v.d. Kooij
ir. J. A. Westerik
ir. J. de Jong
ir. R.R.F. Verbeek
ir. W. Reh
ir. D. Vitner
ir. J. van der Woord
prof. dr. ir. C.M. Steenbergen
ir. U. Barbieri
ir. E. v.d. Kooij
ir. P.M.C. Scheers
ir. D. Vitner
ir. F. van Voorden
ir. R.R.F. Verbeek
Mentoren
ir. v.J. Meyer
ir. E. v.d. Kooij
ir. R.R.F. Verbeek
ir. R.J. NoUrot
ir. W.JA Hermans
R.R.F. Verbeek
ir. D. Hauptmann
ir. M. Risselada
prof. dr. ir. C.M. Steenbergen
ir. W.J.A. Hermans
ir. BAJ. Leupen
ir. E. v.d. Kooij
ir. J. van der Woord
startdatum afstuderen
8-4-99
11-1-99
2000
6-6-1997
5-2-1999
11-6-1999
5-2-1999
11-9-1998
startdatum afstuderen
5-10-1999
7-12-1999
17-12-1999
2-11-1999
naam titel Mentoren einddatum afstuderen
Sandra van Assen (A) Architectuur ir. F. v.d. Berg okt. 1999
ir. E. v.d. Kooij
ir. p.M.e. Scheers
ehristel Everdijk Buitenplaatslandschappen ir. R. Aben 1998
(LU-Wageningen) ir. E. v.d. Kooij
Martijn de Haan (A) Idylle aan de stedelijke ring ir. M. Risselada okt. 1999
prof. dr. ir. e.M. Steenbergen
ir. J. v.d. Voort
Wanda Hellema (S) Buiten Groningen-Assen ir. M. Risselada 1999
prof. Ir. H. Bekkering
ir. U. Barbieri
Marije ten Kate (A) Wonen in het landschap prof. Ir. e. Weeber mei 1999
ir. E. v.d. Kooij
ir. J. v.d. Woord
Judith de Koster (S) De Hollandse kust ir. P. de Bois 1999
ir. R. Aben
ir. L. de Wit
Maurits Ruis (A) (in-door) bergsportcentrum ir. L. van Duin nov. 1998
prof. dr. ir. e.M. Steenbergen
ir. e. van Weeren
Annet-Jantien Smit (A) Woon/werkgemeenschap prof. dr. ir. e.M. Steenbergen 1999
buiten de stad ir. P. Lüthi
ir. J. v.d. Voort
Lonneke Steenbakkers (S) De nieuwe waranda Tilburg ir. W.JA Hermans 1999
prof. dr. ir. e.M. Steenbergen
ir. J.M. Koelink
Karlijn Verwers (S) Door de huizen het bos zien prof. ir. H. Bekkering okt. 1999
ir. R. Aben
drs. M.J. Moens
Walter de Vries (S) Het Nieuwe Meer in Amsterdam prof. ir. H. Bekkering mrt. 1999
prof. dr. ir. e.M. Steenbergen
ir. E. Hulsbergen
Jaco Woltjer (A) Aan den Aemstel ir. M. Risselada okt. 1999
prof. dr. ir. e.M. Steenbergen
ir. H. Mihl
Rinske van Ramshorst (A) De kruitfabriek ir. W. v.d. Berg 1999
prof. ir. W. Reh
ir. J. v.d. Voort
133 I Buiten Plaats
referenten
ir. Gerrit Smienk
drs. Erik de Jong
Eindredactie van de reeks
drs. Ina Klaasen
Redactie
ir. Eric van der Kooij
Productie & Coördinatie
ir. Rob Aben
ir. Eric van der Kooij
ing. Auke Bonne van der Weide
Delft University Press
Postbus 98
2600 MG Delft
tel: *31 15 2783254
fax: *31 152781661
Grafisch nn1t\/lU:li"n
Jantien Methorst, Rotterdam
Architectonische bewerking van het landschap - Spannenburg
ing. Auke Bonne van der Weide
Druk
Drukkerij Wyt & Zonen, Rotterdam
Informatie
www.bk.tudelft.nl/aî/buitenplaats/index.htm
Trefwoorden
buitenplaats, landgoed, binnentuin, landschapsarchitectuur
ISBN
90-407 -2022-3
© 2000 De betreffende auteurs
Buiten Plaats I 134

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful