You are on page 1of 19

Preaching - Communicating Faith in an Age of Skepticism

Samenvatting en reflectie door Bart Visser (studentnummer 2518762), geschreven voor het vak Homiletiek
(G_BSHOM), Vrij Universiteit Amsterdam (Baptisten Seminarium), 2016.

Overzicht
Het boek Preaching van Tim Keller bestaat uit een proloog, drie delen en een appendix. In de proloog wordt
de vraag beantwoord: Wat is een goede preek? Een goede preek doet recht aan de Bijbel, betrekt de de cultuur
erbij1 en raakt de harten van mensen (p21). Hiervoor is ook de kracht van heilige Geest nodig (1 Kor. 2:4). De
drie delen van het boek zijn vervolgens: (1) Het Woord dienen [Serving the Word], (2) Mensen raken
[Reaching People] en (3) Door de kracht van de Geest [In demonstration of the Spirit and of power].
In het eerste deel gaat Keller in op de vraag hoe het Woord het beste gediend wordt. Zijn belangrijkste
overtuiging daarbij is dat Christus en het evangelie altijd moeten klinken. Een preek is niet af voordat is
aangetoond hoe een specifieke tekst verwijst naar het samenbindende principe. En dat principe is het
evangelie, zichtbaar geworden door Jezus.
Het tweede gedeelte draait vervolgens om de manier waarop mensen worden aangesproken/geraakt. Hierbij
wordt ingegaan op de laat-moderne cultuur waarin iedereen in het Westen is ondergedompeld. Keller laat
zien welke overtuigingen er leven en hoe een preek daarop kan ingaan (zowel aansluiten als tegenspreken).
Waar het eerste en tweede gedeelte van het boek gaan over de eigenschappen van de preek zelf, draait het in
het derde deel vooral om de geestelijke gesteldheid van de spreker. Om een krachtige preek te houden moet
deze dicht bij God leven en zelfs dan is het uiteindelijk Gods Geest die, af en toe en op basis van zijn genade,
van een goede preek een geweldige preek maakt.
Het boek sluit af met een appendix. Hierin worden de stappen beschreven die gezet moeten worden bij het
schrijven van een preek. Deel 1-3 kunnen beschouwd worden als een filosofie over preken, de appendix is een
concrete methodiek voor de voorbereiding.
(Na deze gedeelten volgen nog zon vijftig paginan aan eindnoten. In sommige gevallen hebben deze veel weg
van mini-essays over specifieke punten).

Kernbegrippen en fundamentele standpunten

Het verschil tussen een slechte en een goede preek ligt in de handen van de spreker (diens gaven,
vaardigheden en voorbereiding). Het verschil tussen een goede preek en een geweldige preek ligt in
de handen van God (door de heilige Geest).2

Een preek heeft twee objecten: het Woord van God en de menselijke luisteraar.3

Christus is de sleutel om elke bijbeltekst te begrijpen.4 Volgens Paulus kun je alleen met geestelijke
overtuiging spreken [spiritual power] als je laat zien dat Jezus een levende realiteit is die de
luisteraar moet ontmoeten en omarmen.5

Om de betekenis van een tekst te begrijpen, moet deze gelezen worden in de context (hoofdstuk,
boek, Bijbel als geheel). Het evangelie is de focus/oplossing van elk verhaal, elk concept, elk beeld.6

1
2
3
4
5
6

Keller spreekt over engaging the culture, ik zal engaging vanaf nu vertalen met (erbij) betrekken.
p10-11
p14
p16
p23
p38-39
1

De centrale boodschap uit het OT is dat alleen God kan redden (Jona 2:9). In het NT leren hoe
God redt: door Jezus. Bij de uitleg van de bijbeltekst ben je daarom niet klaar voordat je laat zien
dat we onszelf niet kunnen redden. Alleen Jezus kan dat doen.7

Het evangelie is geen abstract concept dat draait om vergeving. Het is een persoon, Jezus zelf, en
draait om alles wat Hij voor ons deed. Daarom moet Christus worden gepredikt uit elke passage.8

Een preek waarin alleen wordt verteld dat mensen moeten veranderen, communiceert dat ze alles
in zich dragen om dat te doen.9

Paulus contextualiseert voortdurend en doelbewust. Ook een christelijke spreker moet aanpassen
en contextualiseren om daarmee de waarheid in liefde te kunnen delen. Hij moet zorgen en
confronteren [care and confront] (p101).

Het evangelie is niet alleen een boodschap tot bekering, maar ook een motor tot verandering.10

Secularisatie is niet de afwezigheid van geloof maar een nieuw web van geloofsovertuigingen.11

Vrijheid is niet leven zonder restricties maar leven met gezonde restricties. Liefde is daarvan het
ultieme voorbeeld. Geen enkele liefdesrelatie kan groeien zonder dat beide partijen hun vrijheid
deels wegdoen en de ander dienen. Alleen als ze dat doen, zullen ze de bevrijdende toestand
kennen die alleen liefde (en geliefd zijn) kan brengen.12

7
8
9
10
11
12

p48
p56
p60
p119
p126
p144
2

Proloog
De reacties die op een preek komen zijn vaak opvallend tegenstrijdig. Sommige luisteraars vonden de preek
geweldig terwijl anderen diezelfde preek erg slecht vonden. Wat is het geheim van een goede preek? In
Handelingen 16 is te lezen hoe Paulus spreekt in Filippi. Hoewel er meerdere luisteraars waren, lijkt het erop
dat alleen Lydia daadwerkelijk veranderd werd door de preek (Hand. 16:4). Het verschil tussen een slechte en
een goede preek ligt in de handen van de spreker (diens gaven, vaardigheden en voorbereiding). Het verschil
tussen een goede preek en een geweldige preek ligt in de handen van God (door de heilige Geest).
Deze opvatting moet echter niet leiden tot de gedachte dat het niets uitmaakt wat een spreker doet.
Augustinus zei dat een spreker moest instrueren/bewijzen (probare), verheugen [delight] (delectare) en raken/
bewegen (flectere). Daartoe moesten sprekers zich verdiepen in de retoriek, niet als doel op zich maar omdat
de waardevolle inhoud van het evangelie vraagt om een zo kundig (en geestdriftig) mogelijke verkondiging (P
13-14). Een preek heeft twee doelen: het Woord van God dienen en de menselijke luisteraar raken (p14).
1 Kor. 1:18-2:5 kan beschouwd worden als een van de belangrijkste bijbelteksten over preken. De retorica
begint met het kiezen van een onderwerp (vinding en status, inventio). Voor Paulus was slechts n
onderwerp mogelijk: Jezus. Christus is de sleutel om elke bijbeltekst te begrijpen (p16). Een spreker zou niet
alleen over Hem moeten praten, maar laten zien [demonstrate] hoe groot/waardevol Hij is en dat Hij alle lof
en eerbied waard is.
Naast het belang van de schrift schrijft Paulus in dit gedeelte ook over de wereld van de luisteraar. Paulus ging
op zoek naar de denkpatronen en afgoden uit zijn tijd en zorgde dat die werden aangesproken/uitgedaagd.
Een spreker heeft dus twee verplichtingen: recht doen aan de tekst en recht doen aan de specifieke groep
luisteraars. Vervolgens ligt het in Gods handen of Hij, door zijn Geest (1 Kor. 2:4) de preek laat landen in de
harten van de mensen.

Deel 1 - Het Woord dienen


Hoofdstuk 1 - Het Woord preken
William Perkins schreef in 1592 de eerste protestantse handleiding voor het maken van preken. Hij verzette
zich daarin tegen kunstige oraties waarbij de Bijbel zelf ondergesneeuwd raakte. Volgens Perkins moest het
woord van God klinken. Volgens hem ging het in preken niet om het tentoonspreiden van je kennis en
inzichten. Ook draaide het volgens hem niet om de last die God op het hart van de spreker had gelegd (waar
vervolgens bijbelteksten bij werden gezocht). In een preek moesten de Schrift en de inzichten daaruit centraal
staan.

Expository en thematische prediking


De beste manier om de Bijbel centraal te zetten is door middel van expository preaching: het wekelijks,
systematisch uitleggen/uitdiepen van de Schrift. Er zijn ook andere vormen van prediking (evangeliserend,
catechetisch, op basis van de hoogtijdagen en profetisch). Deze vormen zijn samen te vatten onder de noemer
thematische prediking. De beide hoofdvormen van prediking overlappen deels (ook in een thematische preek
kun/moet je de Bijbel uitdiepen). Toch zijn er goede redenen om vooral te kiezen voor expository preaching:
1.

Het is de beste manier om te laten zien dat jij gelooft dat de hele Bijbel Gods Woord is.

2.

De luisteraar zal begrijpen dat de preek niet/minder om de mening van de spreker draait maar om
de visie van de Bijbel.

3.

Door op deze manier te spreken krijgt God de kans om de prioriteiten voor de gemeente/luisteraars
te bepalen, in plaats van mensen. Vaak wordt de Bijbel gezien als een boek met antwoorden op
onze vragen. Als we de tekst laten spreken, zullen we echter ontdekken dat we niet eens de juiste
vragen stellen (p36).

4.

De tekst bepaalt ook de prioriteiten voor de spreker (het voorkomt het berijden van stokpaardjes).

5.

Het vormt de luisteraar in hun persoonlijke bijbelstudie doordat ze wekelijks horen hoe teksten
worden uitgediept.

6.

Het leert om ook het belangrijkste bijbelse thema te onderscheiden. Om de betekenis van een tekst
te begrijpen, moet deze gelezen worden in de context (hoofdstuk, boek, Bijbel als geheel). Het
evangelie is de focus/oplossing van elk verhaal, elk concept, elk beeld.

7.

Valkuilen om te vermijden
Hoewel expository preaching dus centraal zou moeten staan, heeft het ook enkele gevaren in zich:
1.

De samenleving als geheel (en dus ook de gemeente) is altijd in beweging. Bij de lectio continua kan
gerust een jaar genomen worden om een heel boek door te werken. Dat is een goede methode als je
zeker weet dat je een jaar lang dezelfde mensen voor je neus hebt, maar de gemeente is altijd in
beweging. Daarnaast verhouden de luisteraars zich op verschillende manieren tot het geloof (niet-,
jong-, lang-gelovig, etc.). Daarom is het tegenwoordig beter om te werken met mini-series (vijf tot
tien weken).

2.

Het uitdiepen (en etaleren) van de tekst gaat gemakkelijk ten koste van de gerichtheid op de
luisteraar.

3.

Expositie wordt teveel beperkt tot het alleen bespreken van de tekst (een soort commentaar bij elk
vers) zonder dat deze omgevormd wordt tot preek. Ook wordt soms te gemakkelijk het

hoofdonderwerp van de tekst het hoofdonderwerp van de preek. Vaak spreekt een tekst echter over
meerdere onderwerpen (of is ht onderwerp niet zo gemakkelijk te vinden).
Charles Spurgeon gebruikte een behulpzaam (en beroemd) voorbeeld: sommige mensen hebben de neiging
om er over op te scheppen hoe krachtig de leeuw is of om de leeuw te beschermen tegen aanvallen van buiten.
Het is echter beter om de leeuw los te laten. Hij kan zichzelf beschermen en zelf zijn kracht laten zien
(p45-46).

Hoofdstuk 2 - Laat elke keer het evangelie klinken


De centrale boodschap uit het OT is dat alleen God kan redden (Jona 2:9). In het NT leren wij hoe God redt:
door Jezus. Bij de expositie van de bijbeltekst ben je daarom niet klaar voordat je laat zien dat we onszelf niet
kunnen redden. Alleen Jezus kan dat doen.

De twee vijanden van het evangelie


Een klassieke samenvatting van het evangelie is dat we alleen door Christus gered kunnen worden, door het
geloof alleen, maar dat het geloof niet het eindpunt is.13 Er zijn twee belangrijke fouten die gemaakt kunnen
worden als deze waarheid uit het oog wordt verloren:
1.

Wetticisme - Een netwerk van kleine overtuigingen die uiteindelijk leiden tot het geloof dat je zelf
iets kunt toevoegen aan je redding.

2.

Antinominalisme - Een netwerk van kleine overtuigingen die uiteindelijk leiden tot het geloof dat
omdat God van me houdt, het helemaal niet uitmaakt wat ik doe.
Deze twee fouten kunnen gezien worden als een niet-eeneige tweeling uit dezelfde baarmoeder. Wetticisme
geeft de wet een verkeerde plek in het leven omdat het niet langer gaat om gezonde leefregels, maar om een
belastend systeem waarmee ons gedrag Gods zegen afdwingt. Antinominalisme erkent niet dat de wet en de
genade twee middelen zijn die God gebruikt om ons vrijheid te geven, maar ziet het als een zinloze inperking
van onze vrijheid door God.

Twee redenen waarom Christus elke keer gepredikt moet worden


Het evangelie is geen abstract concept dat draait om vergeving. Het betreft een persoon, Jezus zelf, en draait
om alles wat Hij voor ons deed. Daarom moet Christus worden gepredikt uit elke passage (p56). Daar zijn
twee redenen voor:
1.

Alleen als we elke week naar Christus verwijzen, kunnen we laten zien dat de Bijbel een geheel
vormt (Lucas 24:25-27, 44).

2.

Alleen zo zullen luisteraars van binnen naar buiten worden veranderd. Een preek waarin alleen
wordt verteld dat mensen moeten veranderen, communiceert dat ze alles in zich dragen om dat te
doen. Mensen zijn geneigd tot moralisme en moeten gaan zien dat het christendom iets compleet
anders is dan een set regels om te volgen.

Twee valkuilen om te vermijden


Het is belangrijk om het evangelie altijd te laten klinken. Er zijn daarbij echter twee valkuilen om te
vermijden:
1.

13

De tekst preken (ook als die over Jezus gaat) zonder het evangelie te preken. Als een specifieke
episode (zelfs uit het leven van Jezus) niet wordt verbonden aan het grote verhaal, is de kans groot

We are saved throughout Christ alone, by faith alone, but not by faith Wicher remains alone (p48-49).
5

dat het evangelie niet klinkt. Er moet niet alleen uitgelegd worden dat Jezus redt, maar ook hoe
(kruisdood, vrolijke ruil).
2.

Over Christus spreken zonder recht te doen aan de tekst. De neiging kan bestaan om Christus op
een oneigenlijke manier aan de tekst te verbinden. Het gaat hier om een balans. Enerzijds moet
recht gedaan worden aan de tekst en de oorspronkelijke betekenis. Anderzijds moet getoond
worden hoe deze specifieke tekst (of het thema, etc.) wijst naar Christus.

Hoofdstuk 3 - Christus preken uit de hele Schrift


Als je bij elke tekst wil laten zien hoe die verwijst naar Christus, dan is het belangrijk dat je gaat inzien hoe de
specifieke tekst verwijst naar Hem.

Christus in elk genre en elk gedeelte van de Bijbel


Elk genre in het OT kijkt vooruit naar Christus. Een voorbeeld: de verhalen tussen Jozua en 2 Kronieken
gaan over het verbond. Telkens opnieuw blijkt dat het volk de richtlijnen/afspraken uit het verbond niet volgt.
De grote vraag is daarom telkens: hoe gaat God hierop reageren? Kan Hij weg blijven kijken? Zal Hij zijn volk
verlaten? En dan komt Jezus. Aan het kruis riep Hij: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?.

Christus uit elk thema in de Bijbel


Binnen de Bijbel zijn er veel themas die genre- (of verhaal-) overstijgend zijn. Voorbeelden:

Koninkrijk - We zijn gemaakt om de ware Koning te dienen, maar maken onszelf slaaf van andere
koningen. Jezus is de ware Koning; zijn dood en opstanding verbrak de banden van zonde en dood.
Nu kunnen we Hem dienen in volmaakte vrijheid.

Verbond - We zijn gemaakt voor een relatie met God maar sluiten telkens verbonden met andere
dingen. Hoe kan God trouw blijven aan zijn verbond (inclusief straf)? In Jezus kwamen liefde en
straf samen. Hij vervulde het verbond namens ons.

Ballingschap en thuiskomst - De wereld was een plek van shalom, een veilig thuis. Maar door de
zonde moesten we allemaal in ballingschap. Wie kan ons thuis brengen? Christus werd verstoten
voor ons, verlaten door alles en iedereen. Hij kan ons thuis brengen naar de nieuwe hemel en
aarde.

Gods aanwezigheid en aanbidding - Hoe kunnen zondige mensen toch bij een heilig God komen?
Jezus maakte de weg open.

Rust en sabbat - Mensen zijn rusteloos en vermoeid doordat we onze identiteit laten afhangen van
ons werk (het werk onder het werk). In Jezus kunnen we werkelijk rust vinden want Hij is de
belichaming van Gods acceptatie.

Recht en gerechtigheid - De wereld heeft recht nodig en daarom ook een rechtvaardige rechter.
Maar welk mens kan werkelijk een rechtvaardige rechter zijn? Jezus is deze rechter en hij nam/
neemt ook de straf op zich.

Rechtvaardigheid en naaktheid - Eerst hadden mensen niets te verbergen. Maar na de zondeval


moeten we onszelf (deels) verbergen voor God en anderen. Gods genade omkleedt ons omdat
Jezus naakt aan een kruis werd gehangen. Wij dragen nu het kleed van gerechtigheid.

Christus in elke hoofdpersoon in de Bijbel


Alle hoofdpersonen en leiders in de Bijbel verwijzen naar Christus, ook de sociale en morele outsiders. Met
name hen die in de lijn van het gekozen zaad staan. (Zie de prachtige opsomming op pagina 77-78). Een
voorbeeld is Jona. Het verhaal in Marcus 4 (storm op het meer) is een verwijzing naar Jona. Jona moest
6

overboord, maar Jezus lijkt aan boord te blijven. Lijkt. Want de discipelen vragen: Heer, maakt het U niet uit
dat wij verdrinken? Uiteindelijk blijkt het andersom te zijn. In het midden van de allergrootste storm, vallen
de discipelen in slaap (Getsemane). En Jezus wordt wel degelijk overboord gezet. Hij verbleef drie dagen in
de buik van de vis. Marcus 4 verwijst naar Jona en Jona verwijst naar Jezus.

Christus in elk belangrijk beeld (of elke metafoor) in de Bijbel


Er zijn veel beelden en symbolen die naar Jezus verwijzen. De bronzen slang, water uit de rots, de sabbat, het
jubeljaar, het pesachlam, enzovoorts.

Christus in elk bevrijdingsverhaal


In veel verhalen in de Bijbel zit een patroon: leven-door-dood of kracht-door-zwakheid. Bij Naman is
iedereen die macht heeft radeloos (en hulpeloos), alle reddende inzichten komen van de dienaren. Zij kunnen
misschien niet gezien worden als typen van Christus, maar doen wel dingen die Christus deed (liefhebben,
risico nemen, etc.).
Ook de volgorde van Exodus Wet is belangrijk. Niet eerst de wet dan de Exodus, maar eerst de bevrijding,
dan de wet. We zijn niet gered door de wet maar voor de wet.
David en Goliat is een ander voorbeeld. Vaak wordt dit verhaal gebruikt om iets te zeggen over ons (we
hebben allemaal onze reuzen te verslaan). Het verhaal zegt echter iets over Christus. Hij versloeg de ultieme
reuzen van zonde en dood, niet met gevaar voor eigen leven maar ten koste van zijn eigen leven.
Kortom: alle belangrijke verhalen en gebeurtenissen uit de Bijbel verwijzen op de een of andere manier naar
Christus.

Een zesde zintuig in het preken van Christus14


Een allesomvattende formule voor het preken van Christus is niet te geven. Deels draait het ook om een soort
zesde zintuig. De beste sprekers voelen instinctief aan hoe een tekst naar Christus verwijst. De
zaligsprekingen, de wet, de Psalmen, alles verwijst naar Christus.

14

Preach Christ Through Instinct


7

Deel 2 - De mensen bereiken/raken


Hoofdstuk 4 - Christus bij de cultuur brengen
Terry Eagleton zegt dat samenlevingen steeds seculierder worden, niet doordat ze religie wegdoen, maar
omdat ze er niet meer door tegengesproken worden (p93). Alle westerse samenlevingen bewegen die kant op.
De schrijvers brachten het evangelie in een samenleving waarin men zich (net als nu) niets aantrok van het
christendom. Wat kunnen wij van hen leren?

Uitdagen of veranderen?
De meeste sprekers gaan er nog altijd vanuit dat hun luisteraars iets van het christelijke vocabulaire begrijpen.
Toch vinden steeds minder mensen de boodschap begrijpelijk. Er zijn verschillende manieren gesuggereerd
om hen te bereiken:

De manier aanpassen: niet langer een monoloog, maar de preek als dialoog of een interactieve
discussie.

De inhoud aanpassen: niet beginnen bij de Bijbel maar bij de vragen van de luisteraars.15
De vraag of christelijke sprekers zich moeten aanpassen aan de cultuur of deze moeten uitdagen, zal nooit
beantwoord worden.

Aanpassen om te veranderen
De gedachte dat expository preaching ontwikkeld werd in een tijd waarin iedereen christelijk was, klopt niet.
Daarom is het niet terecht om deze manier van preken af te doen als ouderwets. Daarbij is het ook niet juist
om te beweren dat expository preaching niet kan aansluiten bij menselijke noden. Als we niet bij de Bijbel
beginnen, stellen we misschien de verkeerde vragen en diagnoses.
(Dan volgt een uitgebreid voorbeeld van de manier waarop de evangelist Johannes het begrip logos gebruikt/
aanpast).

Toegewijd aan de context


Contextualisering is hier het kernwoord. Het betekent dat de afgoden van een samenleving worden
blootgelegd terwijl de mensen en hun dromen en verwachtingen serieus worden genomen. Paulus doet dit
meesterlijk:
1.

Hij gebruikt woorden en beelden die bekend en begrijpelijk zijn voor zijn luisteraars.

2.

Hij citeert liederen waar zijn luisteraars wat mee hebben.

3.

Hij kiest voor beelden/elementen waarmee hij contact kan maken.

4.
Hij gebruikt ook beelden/elementen waarmee hij contrast kan scheppen.
Paulus contextualiseert voortdurend en doelbewust. Ook een christelijke spreker moet aanpassen en
contextualiseren om daarmee de waarheid in liefde te kunnen delen. Hij moet zorgen en confronteren [care
and confront] (p101).
Er zijn zes manieren om dat te doen:
1.

Gebruik toegankelijke (en evt. toegelichte) taal.

2.

Gebruik gerespecteerde bronnen om je stellingen te onderbouwen.

3.

Laat zien dat je twijfels en tegenwerpingen begrijpt.

4.

Bevestig onderliggende denkpatronen [cultural narratives] en daag die uit.

15

Keller bespreekt hier heel kort het boek Communicating for change van Andy Stanley.
8

5.

Breng het evangelie bij de situaties waar de cultuur wringt.

6.

Roep op om het evangelie als drijfveer te gebruiken.

Ad 1. Toegankelijke taal
Je luisteraars zullen het christelijke vocabulaire niet meer begrijpen. Vermijd begrippen als verbond,
koninkrijk, eschatologie, etc. Als het begrip belangrijk genoeg is, moet je het omschrijven of een begrijpelijke
en toegankelijke eigen definitie geven.
Vermijd evangelisch jargon (je eigen wandel met de Heer...). Dit soort insiders-taal is ook voor jezelf
gevaarlijk (je kunt heel geestelijk klinken terwijl je hart ver van God is).
Praat niet in termen als wij-zij. Mensen uit andere religies of denominaties of mensen die jouw overtuigingen
niet delen, moet je niet in de hoek zetten. Daarmee doe je namelijk geen recht aan het evangelie waarin we
juist ontdekken dat we allemaal verkeerde denkpatronen hebben.
Ad 2. Gerespecteerde bronnen
Zoek naar bronnen die je luisteraars respecteren en gebruik die om je standpunten te onderbouwen (zie
Hand. 17:28). De Bijbel is natuurlijk uniek en heeft ongelofelijke kracht. Het gebruiken van een andere bron
kan goed ter ter illustratie dienen en de bijbelse waarheid laten landen.
Ad 3. Twijfels en tegenwerpingen erkennen
Hoewel een spreker kritisch mag staan tegenover ongeloof moet hij trachten niet onsympathiek/onverschillig
[unsympathetic] over te komen. Mensen met twijfels moeten voelen dat je hen begrijpt en met hen meevoelt.
Wees je bewust van je eigen vooronderstellingen en benoem twijfels (en spreek twijfelaars direct aan). Als je
apologetische argumenten gebruikt, moeten ze zo krachtig zijn dat je luisteraar denkt als dit waar is, dan
moet het christendom waar zijn.
Ad 4. Onderliggende denkpatronen
In je preek moet je zowel bekende en veelgehoorde kritiek op het geloof behandelen, maar ook de
onderliggende grondpatronen waarop het denken van je luisteraars is gebaseerd (zie hoofdstuk 5).
Ad 5. Draag het evangelie aan bij punten waar de cultuur wringt
Laat in je preek zien dat het geloof veel aantrekkelijkere (en betere) antwoorden heeft op de vragen die uit de
cultuur opkomen.
Ad 6. Het evangelie als drijfveer
Zijn we op deze manier niet teveel gericht op niet-gelovigen? Wat moeten we met mensen die al geloven?
Allereerst is het belangrijk om te onthouden dat ook gelovigen gevormd zijn door de culturele
grondpatronen. Daarnaast moeten zowel gelovigen als ongelovigen vanuit een andere manier gaan denken en
werken: het evangelie is de motor. Het evangelie is niet alleen een boodschap tot bekering, maar ook een
motor tot verandering (p119). Als je gelovigen aanmoedigt om royaal te delen van wat ze hebben, moet je hen
ook helpen om hun angsten en afhankelijkheden te overwinnen door te wijzen op Christus die rijk was maar
arm werd zodat wij (door zijn armoede) rijk kunnen zijn.

Hoofdstuk 5 - Preken en het laat-moderne denken


Hoe kunnen wij het evangelie communiceren in de (laat-)moderne cultuur? Forsyth was van mening dat de
belangrijkste grondgedachte van de moderniteit draaide om het wegdoen van alle autoriteiten buiten het zelf
(p122). Met name in de laat-moderne cultuur heeft het individu een nog grotere waarde gekregen. Als we tot
de laat-moderne denkwereld willen spreken, moeten we die begrijpen.

Het verborgen geloof van de secularisatie


Voor de laat-moderne mens is individuele vrijheid een groot goed. Mensen moeten vrij zijn hun leven zo in
te richten als ze zelf willen. Godsdienst staat daarbij in de weg. Charles Taylor noemt dit the substraction
story: het rationele denken heeft God onttrokken aan het denken en daarom een seculier denken
achtergelaten (p124). Hij laat zien dat het geloof niet weg is, maar is vervangen door nieuwe overtuigingen.
Secularisatie is niet de afwezigheid van geloof maar een nieuw web van geloofsovertuigingen. Er zijn, kortom,
nieuwe narratieven die het denken bepalen. Wat zijn deze narratieven?
1.

Rational narrative - De natuurlijke wereld is het enige wat er is en er toe doet. Alles heeft een
fysieke oorzaak en kan rationeel worden verklaard. God is niet meer nodig.

2.

History narrative - De geschiedenis is niet cyclisch maar lineair. Elke nieuwe fase is (per definitie)
beter dan wat vooraf ging.

3.

Society narrative - Elk individu moet vrij zijn om zijn eigen keuzes te maken, waarden of normen
behoren niet te worden opgelegd.

4.

Morality/Justice narrative - De laat-moderne samenleving is moralistischer dan elke eerdere


samenleving met dit verschil dat de morele normen niet van God
mogen komen. Mensen bepalen die voor zichzelf.

5.

Identity narrative - We moeten onszelf kunnen zijn ook al vraagt de samenleving of situatie iets
anders van ons. Het gaat erom dat je true to yourself bent.
Hoe kun je deze narratieven behandelen in je preek?16

Het identiteits-narratief (5)


In het laat-moderne denken heerst de gedachte dat we onze diepste verlangens moeten ontdekken en dan
alles op alles zetten om die te bevredigen (p133). Er zijn problemen met deze manier van denken:
1.

De vooronderstelling is dat we zelf (kunnen) weten wat we willen.

2.

De gedachte dat je helemaal zelf, zonder benvloeding van buiten, kunt doen en denken is een
illusie. Iedereen vindt zijn waarden (of bepaalt wat waardevol is) op basis van anderen.
De enorme behoefte aan zelfexpressie enerzijds en bevestiging anderzijds, legt een enorme druk op mensen.
Het christendom geeft hier een antwoord. De mens is geschapen naar het beeld van God. Dit betekent dat
onze waarde enerzijds inherent (onderdeel van het mens-zijn) is en anderzijds contingent (we worden telkens
herinnerd aan het feit dat we afhankelijk zijn van God).
Het thema van de christelijke identiteit kan op verschillende manieren worden gebruikt in je preken. Het
belangrijkste is misschien wel de aard van de verlossing (rechtvaardig gemaakt, geadopteerd, in Christus zijn).
Dit is enerzijds goed voor het zelfbeeld (want wij zijn veel geliefder dan we ons ooit kunnen voorstellen) en
anderzijds slecht voor het zelfbeeld (want wij zijn veel zondiger dan we ons kunnen voorstellen).
Ook de moderne interesse in een unieke identiteit wordt op deze manier aangesproken: God geeft ons een
eigen naam, een roeping, een nieuw zelf.

Het absolute vrijheids-narratief (3)


In het laat-moderne denken is vrijheid zonder grenzen heilig verklaard (zonder - dus negatief). De enige
zonde die niet wordt getolereerd is intolerantie. De problemen hiermee:
1.

16

Door persoonlijke vrijheid zo te verheerlijken, brokkelt de gemeenschap af.

Keller bespreekt de narratieven in een andere volgorde dan de eerdere opsomming.


10

2.

Ultieme vrijheid leidt tot schade-principe: ik mag doen wat ik wil, zolang ik niemand schade
toebreng. Maar wat is schade en kan ik dat echt helemaal zelf bedenken?

3.

Het vrijheidsideaal holt de betekenis van het leven uit [meaning of life]. Als er geen God is dan
maakt het uiteindelijk niets uit of je goed of slecht doet.

4.

Vrijheid is een illusie, er zijn altijd grenzen. Als jij je vrijheid wil gebruiken om alleen vet voedsel te
nuttigen, zul je uiteindelijk vast lopen. Vrijheid is niet leven zonder restricties maar leven met
gezonde restricties. Liefde is daarvan het ultieme voorbeeld. Geen enkele liefdesrelatie kan groeien
zonder dat beide partijen hun vrijheid deels wegdoen en de ander dienen. Alleen als ze dat doen,
zullen ze de bevrijdende toestand kennen die alleen liefde (en geliefd zijn) kan brengen (p144).
Deze denktrant kan op drie manieren worden uitgedaagd in de preek:
1.

Laat zien dat liefde niet kan groeien of overleven in combinatie met enkel zelfgerichtheid of
individuele keuze-vrijheid.

2.

Het koninkrijk van God sluit aan bij het vrijheidsideaal en daagt het uit. Een voetbalteam bloeit op
(en iedereen gaat beter presteren) onder leiding van een goede coach. Hoeveel te meer bloeien
mensen op als ze zich ondergeschikt maken aan de ultieme Koning?

3.

Jezus zegt dat het kennen van Hem echt vrij maakt. Teksten die wijzen op de manier waarop zonde
juist tot slaaf maakt en hoe de wet volgen juist vrijheid geeft, sluiten aan op het vrijheidsideaal.

Zelf-bepaalde moraliteit (4)


In veel delen van de wereld lijkt het alsof men het leven van anderen niet veel waard vindt. In het Westen is
dat anders. Daar wordt het leven op waarde geschat. De vraag is alleen: waarom eigenlijk? Het laat-moderne
denken is erg gericht op rechtvaardigheid en moraliteit, maar verwerpt het verwijzen naar een externe bron
(zoals God) daarvoor. Dat levert drie problemen op:
1.

Het probleem van de motivatie. Christenen geloven dat mensen ertoe doen (en dat zaken als
armoede moeten worden bestreden) vanwege de radicale liefde van God. Zodra Hij niet meer
meedoet, wordt de motor voor moraliteit een vorm van superioriteit. We doen goed zodat we ons
goed voelen en ons superieur aan de ander voelen. Een tweede gevaar is dat sommigen worden
gedemoniseerd om anderen te kunnen helpen.

2.

Het probleem van de morele plicht. Hoewel seculiere mensen moreel kunnen zijn,17 ontstaat er een
probleem als ze andere opvattingen hebben als hun buurman of iemand uit een andere cultuur.
Nietzsche zei dat, wanneer er geen morele bron meer bestaat, er maar een manier is om moraliteit
te bepalen: de sterkste heeft gelijk.

3.

Als we aannemen dat morele posities een sociaal construct zijn, dan is er geen rechtvaardiging te
bedenken om sommige posities af te wijzen. Het is simpelweg niet waar dat morele posities voor
zichzelf spreken. Het opleggen van de westerse visie is niets minder dan imperialistisch.
Hoe kunnen we deze inzichten betrekken in een preek?
1.

Laat zien dat veel van de seculiere morele overtuigingen een christelijke achtergrond hebben
(p151).

2.

Laat zien hoe het ervaren van agape altijd leidt tot een zachtmoedig/zorgzaam [compassionate]
leven.

17

Op pagina 148-150 wordt goed uitgelegd waarom. Samenvattend: de gemene genade.


11

3.

Wijs op de opstanding. Niet alleen hebben christenen een duidelijke motivatie om goed te doen, ze
hebben ook hoop. In de toekomst komt Jezus terug, wordt afgerekend met het kwaad en worden
alle dingen nieuw. Uiteindelijk zal het recht zegevieren.

4.

Apologetisch kun je erop wijzen dat seculiere moraliteit, zonder externe bron, altijd relatief is (je
kunt dan nooit zeggen dat jouw ethiek beter is dan die van de ander).

De seculiere hoop en/van de wetenschap (2)


Er heerst nog altijd de overtuiging dat wetenschap en technologie een betere toekomst zullen brengen. In
werkelijkheid merken we meer en meer dat technologie onze privacy aantast en van mensen meer en meer
nummers maakt. Het idee dat de mensheid in de toekomst betere dingen zal doen, is te optimistisch en houdt
geen rekening met de menselijke natuur. Kortom: de gedachte dat alles wetenschappelijk verklaard kan
worden en dat elk probleem technologisch kan worden opgelost, is naef en simplistisch.
Als je spreekt over een tekst over het (systematische en complexe) kwaad in de wereld, kun deze dingen
bespreken en kritisch tegen het licht houden.
(Hier eindigt de bespreking van de seculiere grond-overtuigingen. Keller gaat dus niet in op het rationaliteitsverhaal.)

Laat je niet bang maken


Het voelt misschien spannend om op deze manier de seculiere grond-overtuigingen aan te spreken. Je zou ze
echter moeten zien als een soort ruimte waarin seculiere gedachten gevangen zitten. Deze dingen benoemen
en er het evangelie bij betrekken is bevrijdend (p155-156).

12

Hoofdstuk 6 - Christus tot het hart prediken


Het is belangrijk om het Woord uit te leggen en om daarbij ook de laat-moderne cultuur te betrekken. Maar
met een preek die alleen waar (en duidelijk) is, ben je er nog niet. Het verhaal moet echt zijn voor de
luisteraar [be real to the listeners p157].
Het hart staat in de Bijbel voor meer dan alleen emoties. Het gaat ook om het denken en doen van mensen
(gedachten, wil, emoties). Ook hier moet het zo worden opgevat: de kern van iemands aandacht en motivatie
[attention and commitment].

Preken tot de emoties


Jonathan Edward zag geen tegenstelling tussen verstand en gevoel. Hij ging er vanuit dat als iemand zou
zeggen ik weet dat God voor mij zorgt maar ben nog steeds bang deze persoon niet daadwerkelijk wist dat
God voor hem zorgde. Als iemand dat echt wist (volgens Edwards), zouden de emoties/aecties van hoop en
vertrouwen in iemand op de voorgrond komen (p161). In die lijn denkend zouden we in een preek op zon
manier over Christus moeten spreken, dat Hij belangrijker werd dan wat dan ook en daarmee de wil en
emoties (en goede) zou gaan beheersen.
Hoe kunnen we dit bereiken? Twee stappen.
1.

In een preek moet het niet gaan om logica of emoties alleen, maar om vurige logica (p165).

2.
Vervolgens moeten mensen geholpen worden om daaruit zinnige ideen te destilleren.
Als het waar is dat het ten diepste onze aecties zijn die ons vormen (en motiveren), dan kunnen mensen op
deze manier ter plekke worden veranderd door een preek.

Hoe kunnen we tot het hart preken?


Naast de eerder besproken contextualisatie, is het ook belangrijk om pastoraal te preken. Pastoraal preken kan
worden samengevat in enkele kernwoorden:
1.

Aectionaly - De boodschap moet eerst jou als spreker in vuur en vlam zetten. Als deze je zelf
onverschillig laat, kun je hem nooit vurig brengen. Hoe doe je dat? (1) Zorg dat jij je materiaal van
buiten kent zodat je tijdens het preken bijvoorbeeld niet hoeft na te denken over wat je volgende
punt is. (2) Een diep en rijk gebedsleven is noodzakelijk (p166-169).

2.

Imaginatively - Spreek tot de verbeelding. Gebruik illustraties zodat abstracte concepten worden
verbonden aan iets dat je kunt vastpakken (en daarmee onthouden).18 Enkele vormen van
beeldend spreken: analogien (a is als b), voorbeelden (je idee op een behapbare/concrete manier
uitgewerkt), beeldspraak (p169-174).

3.

Wondrously - Probeer verwondering op te wekken.

4.

Memorably - Neem tijd voor praktische applicatie en gebruik memoreerbare taal. Gebruik frisse
manieren om bekende dingen te zeggen, gebruik geen schrijftaal maar spreektaal, maak gebruik
van geigende en geaccepteerde technieken uit de retorica (bijv. alliteraties).

5.

Christocentrically - Zie eerdere hoofdstukken. Bedenk dat het inbrengen van Christus niet alleen
helpt om de tekst beter te begrijpen maar ook om de preek persoonlijk te maken (want Christus
was een mens). Dat raakt de luisteraar.

18

Op pagina 169-173 geeft Keller allerlei bruikbare voorbeelden.


13

6.

Practically - Om zowel recht te doen aan de tekst als aan de luisteraar zijn expositie (deel 1 van dit
boek) en applicatie (deel 2 van dit boek) nodig. De rest van dit hoofdstuk gaat daarom over het
toegepast (en daarmee praktijkgericht) spreken.
Hoe kunnen de luisteraars geholpen worden om het evangelie toe te passen in hun levens?
1.

Zorg dat je met veel verschillende mensen in gesprek bent (p180-182) - Je preek is vaak gericht op
de mensen die je het meest op je hart hebt. Zorg daarom dat je met meerdere typen mensen
spreekt (of hen leest in je voorbereiding).

2.

Houdt verschillende mensen voor ogen in je voorbereiding (p182-183) - Denk in je voorbereiding


aan mensen die zich op verschillende manieren verhouden tot het geloof en die in verschillende
levensfasen zitten (of verschillende levensvragen hebben).

3.

Maak de toepassing onderdeel van je hele preek (p183-185) - Wacht niet tot het einde van je preek
met de toepassing, maar bespreek elk (bijbels) concept in toepasbare bewoording. Wees zo
concreet mogelijk zonder specifieke mensen te noemen.

4.

Wees gevarieerd (p185-187) - Stel directe vragen, stel vragen ter reflectie, , gebruik verschillende
vormen van toepassing (waarschuwen, aanmoedigen, geruststellen, pleiten, etc.).

5.

Wees gevoelig voor emoties (p187) - Soms merk je dat iets wat je zegt op een bijzondere manier
landt. Durf in zon geval je outline los te laten en neem even de tijd om emoties te benoemen (of
geef er op een andere manier ruimte voor).

14

Deel 3 - Bewijzen door de kracht van de Geest


Hoofdstuk 7 - Preken en de Geest
Je luisteraars zullen alleen overtuigd worden in je preek, als ze overtuigd zijn door/van jou als persoon. Van
George Whitefield werd gezegd dat hij geweldig kon preken, maar niet altijd een goede preek had.
In Kol 1:25-29 spreekt Paulus over zijn taak en zegt hij (samengevat) dat hij zowel is toegewijd aan het woord
als aan de harten van zijn luisteraars. Hoe kwam het dat de heilige Geest zo krachtig werkte door mannen als
Paulus en Whitefield?
1.

Wat ze deden - Ze spraken niet alleen over Christus, maar verkondigden Hem, maakten Hem
groot, brachten verwondering over Hem.

2.

Wie ze waren - De grootste sprekers hebben niet alleen geweldige sprekersvaardigheden, maar
dragen ook geestelijk vrucht (liefde, vreugde, vrede, etc.).
Zowel wat je doet (dus je sprekersvaardigheden) als wie je bent is belangrijk. Als je godly19 bent, ben je
interessant als spreker, ook al heb je misschien wat minder sprekersvaardigheden. Andersom is het gevaarlijk:
je bent dan niet integer (p197).

Zachtmoedigheid en kracht verenigen


In westerse literatuur is de ideale held altijd iemand die zowel zachtmoedig en aardig is als dapper en sterk.
C.S. Lewis toonde aan dat het voor mensen niet mogelijk is om beide te combineren. Grote sprekers deden
dat echter wel. Het waren zachtmoedige mannen die op de preekstoel konden vlammen (en daarmee ontzag
konden wekken). Ook over Paulus kan dit gezegd worden (1 Tes. 2). Een goede spreker verenigt
zachtmoedigheid en kracht (p197-200).

De test van de derde tekst


Een manier om over preken te denken is binnen het kader van drie teksten: de bijbelse tekst, de context en
de subtext van je eigen hart.20 Het grootste gedeelte van dit boek ging over de eerste twee. Nu nog enkele
dingen over de derde tekst.
De manier waarop je iets zegt zegt vaak veel over wat je eigenlijk bedoelt (als je ruzie hebt met je partner en
zegt dat er niets is, weet deze heel goed dat het mores is). Er zijn allerlei van dit soort subteksten mogelijk.
Hieronder volgen er een paar (in gradaties, dus van niet- tot wel wenselijk)21:

Bevestiging/afbakening - Een spreker kan in de manier waarop hij praat, gemakkelijk afbakenen
(wij zijn mensen die zus en zo geloven, alleen rare mensen denken er anders over).

Presteren - Een spreker kan zijn eigen kennis en vaardigheden tentoonspreiden en daarmee de
aandacht op zichzelf vestigen.

Training - Het draait om het kennen en begrijpen van bepaalde geloofsovertuigingen (bijvoorbeeld
door het gebruik van allerlei weetjes).

Aanbidding - Bij deze subtext draait het om de gedachte: kijk eens hoe Christus veel mooier en
groter is dan je ooit kon bedenken.

Preken vanuit het hart


Dit boek ging over preken tot het hart, maar dat kan alleen als een spreker ook preekt vanuit zijn/haar hart.
Als je dat doet, preek je krachtig, verwonderd, aectief, authentiek en zet je Christus centraal.

19
20
21

Zie pagina 196. Lastig te vertalen. Iemand die de aanwezigheid van God als het ware met zich meebrengt.
p200: The biblical text, the listeners context and the subtext of your own heart.
Keller merkt op dat is slecht een selectie is, er zijn er meer denkbaar. Zie p201.
15

(Het boek sluit af met enkele opmerkingen over Johannes de Doper en diens nederige houding).

16

Appendix - Writing an Expository Message


Dit boek moet meer gezien worden als een manifest dan een handleiding. Toch kon Keller het niet laten om
ook iets van een praktische handleiding te geven over hoe je een preek schrijft. Hij beschrijft vier stappen:
1.

Bepaal het doel van de tekst.

2.

Kies het thema van de preek.

3.

Ontwikkel een outline van de preek.

4.
Geef de preek verder vorm met argumenten, illustraties, etc.
Hieronder de stappen in de vorm van een outline die je kunt gebruiken bij de preekvoorbereiding.

Doel van de tekst


1.

Bepaal de tekst (en afbakening). Lees deze in verschillende vertalingen. Schrijf je eigen vragen en
opmerkingen op (wat begrijp je niet, wat spreekt je aan, etc.).

2.

Bestudeer de tekst, kijk specifiek naar enkele dingen (en bestudeer die met behulp van
commentaren, etc.):

Bevat de tekst bepaalde herhalingen?

Bevat de tekst bepaalde verbindingswoorden?

Gebruikt de tekst een vorm van Joodse exegese?

Gebruikt de tekst metaforen en/of beeldspraak?

Specifieke kernwoorden/begrippen of namen?

Overige opvallendheden?

3.

Breng de achtergrond en context in kaart. Lees en bestudeer de gerelateerde gedeelten in het andere
Testament.

4.

Formuleer een kerngedachte.

Doel en thema van je preek


1.

Stel de tekst-vraag: wat is het onderwerp van de tekst en wat zegt de tekst erover?

2.

Stel de pastorale-vraag: welke praktische implicaties had de tekst voor de oorspronkelijke


luisteraar? Welke zou die voor ons moeten hebben?

3.

Stel de Christus-vraag: hoe verwijst de tekst naar Christus?

4.

Bepaal het thema van je preek en geef die weer in een actieve, verkondigende zin.

Maak een outline


Keller beschrijft hier enkele mogelijke outlines. Bijvoorbeeld (p233):
1.

Wat moeten we doen?

2.

Maar dat kunnen we niet

3.

Hier is iemand die het wel kon/deed.

4.

Dit helpt ons dus concreet om te veranderen.

Geef de preek verder vorm


Opnieuw enkele paginas met voorbeelden.

17

18

Notities
Het gedeelte met de notities bevat een gigantische hoeveelheid informatie. Sommige notities zijn mini-essays
over bepaalde themas.

19