You are on page 1of 101

Typologische ordening van gevels

Typologische ordening
van gevels
Een onderzoek naar de typologische ordening van gevels
voor het ontwerp, de aanpassing en beoordeling
Onder verantwoording en begeleiding van ir. C.Th.H. van Rongen
Deel 1
ir. C.Th.H. van Rongen / ir. L.G.W. Verhoef / Jolanda van Tooren
Annemiek van Galen / Jacomine Boonstra / Sjack van de Bergh
Han van Diepen / Reinier Gooijer / Coen Koenders / Gert Koster
Carolien van de Rest / Wim Scheurs / Wouter Willers
Deel 2
ir. A. Helfferich / ir. M.C. Stellingwerff
I=-:J Publikatieburo Bouwkunde 1994
Colofon
Uitgave en distributie Publikatieburo Bouwkunde / Faculteit der Bouwkunde
Technische Universiteit Delft / Berlageweg 1 /2628 CR Delft
Telefoon (015) 78 4737
In opdracht van de Ontwerp en Onderzoeksgroep 'Architectonische en Technische
Aanpassingen van Gebouwen", ARTEAG, onder verantwoording en begeleiding van
ir. e.Th.H. van Rongen
Omslagontwerp H.E.M. van Rongen
Lay-out ir. M.e. Stellingwerff
Herkomst afbeeldingen dia's van ir. A. Helfferich, ir. M.e. Stellingwerff,
ir. e.Th.H. van Rongen en de Mediatheek Bouwkunde
Druk Universiteitsdrukkerij
Clp-gegevens Koninklijke Bibliotheek, Den Haag
Rongen, e.Th.H. van
Typologische ordening van gevels: een onderzoek naar de typologische ordening van
gevels voor het ontwerp, de aanpassing en beoordeling / e .Th.H. van Rongen,
A. Helfferich, M.e. Stellingwerff. - Delft: Publikatieburo Bouwkunde. - 111.
Met lit. opg.
ISBN 90-5269-148-7
Trefw.: gevels
Copyright ©1994 by e.Th. H. van Rongen
All rights reserved. No parts of this book may ba reproduced in any form, by print,
photoprint. microfilm or any other means without written permission trom the publisher.
Voorwoord
Bij het onderzoek naar hergebruik van gebouwen bleek al snel behoefte te zijn aan
methoden en technieken om gevels aan te passen aan nieuwe eisen van gebruik,
techniek en architectuur. Voor het ordenen en weer terugvinden van onderzochte
gevels en de erbij behorende aanpassingen is het handig om de onderzoeken in een
systeem onder te brengen. Het voordeel van zo'n systeem is bovendien dat de
onderzoek gegevens op gelijke wijze worden genoteerd, waardoor de onder1inge
kruisverbanden en wetmatigheden kunnen worden opgespoord. De eisen die wij aan
het systeem hebben gesteld zijn, dat het systeem niet gecompliceerd moest zijn en
dat de ordening zowel architectonische- als technische informatie moest bevatten.
Het eerste deel van deze onderzoeksraportage gaat over het onderzoek naar- en het
gevonden resultaat van- een typologie systeem voor gevels. Het onderzoek heeft
bovendien tot gevolg gehad dat er een theoretische basis onder het onderzoek is
gelegd. Deze theoretische basis geldt niet allen voor het gevelonderzoek maar ook
voor het onderzoek naar draagconstructies.
Aanvankelijk is gestart met het bestuderen van bestaande systemen, nadat deze een
voor een wegvielen doordat ze niet voldeden aan het gestelde doel, is met de
opgedane kennis een eigen systeem ontwikkeld en werd zoals reeds gezegd een
theoretisch fundament onder het onderzoek gelegd.
Het tweede deel van deze onderzoeksraportage geeft voorbeelden van geveltypen
en compositiesystemen. Dit deel is gericht op het ontwerpen en beoordelen van
gevels en maakt een aantal geveleigenschappen, die onafhankelijk zijn van cultuur
en bouwstijl, benoembaar.
Inhoud
Voorwoord
Inhoud
Deel 1.
Inleiding
1 Omschrijving van het onderzoek
1.1 Doelstelling en methode van onderzoek
1.2 Randvoorwaarden
1.3 De gevel
2 Een typologische ordening
2.1 Een bruikbare typologie
2.2 Architectonische eigenschappen
2.3 Samenvatting
3 De techniek als ingang
3.1 Diverse typologische ordeningen
3.2 Gevelsoort
3.3 Gevelfunctie
3.4 Gevelsysteem
3.5 Gevelopbouw
3.6 Objectieve eigenschappen
4 De architectuur als ingang
5 Evaluatie en conclusies
Bijlage 1
Bijlage 2
Literatuur
13
14
15
18
20
21
25
28
29
29
33
36
38
39
41
44
48
50
Deel 2
Verantwoording
1 Geveltypen en compositiesystemen
1.1 Welke aspecten?
1.2 Hoe ziet men de gevel?
1.3 Objectieve en subjectieve kenmerken
2 Analyse van gevels
2.1 Wat is een gevel?
2.2 Geveltypen
2.3 De 'gatengevel'
2.4 De 'skeletgevel'
2.5 De 'vlakkengevel'
2.6 De 'knipgevel'
2.7 De 'dubbele gevel'
2.8 Richtingen in de gevel
2.9 Verticaal
2.10 Horizontaal
2.11 Neutraal
2.12 De ruimten achter de gevel
3 Gevel en klimaat
3.1 Inleiding
3.2 Warmen nat
3.3 Warm en droog
3.4 Koud en droog
3.5 Koud en nat
3.6 Conclusie
4 Het raam in de gevel
4.1 Het raam in relatie tot het gevelvlak
4.2 Korte geschiedenis van het raam
55
56
56
57
58
61
62
64
66
67
68
70
7(\
71
72
73
74
78
79
80
81
81
82
84
5 Indelen van gevels
5.1 Inleiding
86
5.2 Compositiesystemen
88
5.3 De 'klassieke' gevel
89
5.4 Het systeem met 'assen'
90
5.5 Symmetrie
91
5.6 Ritme
92
5.7 Compositie met ongelijke elementen
93
5.8 Het vormen van 'groepjes' 94
5.9 Contrast
95
5.10 Patronen
96
5.11 Conflictsituaties in gevels 97
6 Conclusie 99
7 Literatuur 100
Deel 1
12
Inleiding
In het kader van het VF onderzoek "Architectonische en Technische Aanpassing van
Gebouwen" (ARTEAG VF5) worden deelonderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken
vinden plaats onder leiding en/of deelname van de verantwoordelijke universitair
hoofddocent. Aan het onderzoek naar een typologische ordening voor gevels. hebben
een aantal studenten als D2-project (van de differentiatie "Ontwerpen van gebouwen
en voorraadbeheer") deelgenomen.
De vraag naar een typologische ordening voor gevels is ontstaan uit de
hergebruikproblematiek. Bij het hergebruiken van gebouwen is het noodzakelijk om
kennis en inzicht in het bouwdeel gevels te vergroten. De gevel is een belangrijk
onderdeel van het gebouw, zowel in architectonische-, technische- als economische
betekenis. Een nieuwe functie in een bestaand gebouw zal niet alleen invloed hebben
op de ruimtelijke structuur en de constructie van het gebouw, maar ook op de
verschijningsvorm van de gevel. De gevel, als architectonische expressie, is een
kostbaar en representatief bouwdeel. Inzicht in de architectonische- en technische
eigenschappen van zowel oude als nieuwe gevels is daarom van belang. Het gaat
hier om een betrekkelijk nieuw wetenschapsgebied dat nog in ontwikkeling is en
waarvoor nog geen eenduidig begrippenkader bestaat. In eerste instantie is het dus
nodig om een theoretisch kader van het onderwerp en een nadere omschrijving van
de begrippen te ontwikkelen.
In het eerste hoofdstuk van deze studie wordt ingegaan op het begrip gevel, de
doelstelling en de methode van het onderzoek. Het resultaat van het onderzoek: een
typologische ordening voor gevels, wordt behandeld in hoofdstuk twee. Het derde
hoofdstuk behandelt de verschillende soorten typologische ordeningen uit de
beschikbare vakliteratuur. De verschillende modellen voor typologische ordening
worden op hun geschiktheid voor een aantal doelgroepen onderzocht. In het vierde
hoofdstuk komen de architectonische eigenschappen van de gevel aan de orde en r'J
moeilijkheden omtrent het onderbrengen van deze eigenschappen in een typologische
ordening. Het vertelt tevens over de gedachtesprong die nodig was om de
architectonische eigenschappen van de gevel als ingang voor een typologische
ordening te gebruiken. Het vijfde hoofdstuk bevat een aantal conclusies en suggesties
voor het vervolg van dit onderzoek.
13
1 Omschrijving van het onderzoek
1.1 Doelstelling en methode van onderzoek.
De aandacht op professioneel nivo voor hergebruik van gebouwen uit economische
in plaats van culturele motieven is sinds enkele jaren versneld op gang gekomen. Op
specifieke onderdelen van het bouwproces, dit geldt met name voor utilitaire gebouwen,
ontbreekt het echter nog steeds aan de nodige kennis. Met name geldt dit voor het
gebied van de aanpasbaameid van gevels. De gevel is een relatief kostbaar
gebouwdeel dat bij hergebruik van gebouwen om een aantal redenen een belangrijke
rol speelt. Ten eerste zijn functionele wijzigingen in het gebouw altijd van invloed op
de gevel. Dit hoeft overigens niet altijd te leiden tot een ingrijpende wijziging van de
gevel. Ten tweede geeft de gevel in belangrijke mate uitdrukking aan de
architectonische verschijningsvorm van een gebouw. Functiewijziging kan een andere
gebouwuitdrukking en daarmee een andere gevel noodzakelijk maken. Ten derde
moet de gevel bij hergebruik van een gebouw nagenoeg aan dezelfde technische
eisen (warmte/geluidisolatie, brandveiligheid e.d.) voldoen als nieuwbouw.
Het primaire doel van het onderzoek is om bij hergebruik van gebouwen al in de
eerste stadia van het ontwerproces vlug en adequaat informatie te bieden met
betrekking tot de aanpasbaameid van gevels. Hiervoor is het noodzakelijk om inzicht
te hebben in de gangbare gevelsystemen, hun technische en architectonische
eigenschappen en de mogelijke aanpassingen aan deze gevelsystemen. Het is
tevens van belang om ook inzicht te hebben in de nieuwe ontwikkelingen op
gevelgebied en de daaruit volgende nieuwe gevelsystemen. Het vervangen van een
bestaande gevel door een nieuwe gevel kan een altematief zijn voor aanpassing van
een bestaande gevel.
Om al deze informatie op te slaan en toegankelijk te maken, is het nodig om een
ordening op basis van typologie te ontwikkelen. In deze typologische ordening moet
d8 informatie op zodanige wijze worden geordend, dat deze in onderdelen of als
geheel opvraagbaar en te gebruiken is. De complexheid en de hoeveelheid te
ordenen informatie is groot en is te onderscheiden in de volgende drie hoofdgroepen
die onderling weer verbonden zijn:
- technische aspecten (draagconstructie, materialen, bouwfysische eigenschappen,
aansluitingen op andere bouwdelen e.d.)
- architectonische aspecten (zonering van de gevelvlakken, ritme, plasticiteit,
expressie e.d.)
- financieel economische aspecten (investeringskosten, onderhoudskosten,
schoonmaakkosten)
De eerste en belangrijke stap in het onderzoek is het maken van een doelmatig
typologisch ordeningsysteem voor gevels. In de verschillende typologische modellen
die op hun geschiktheid zijn onderzocht, gaan vrijwel alle modellen uit van een
aspect, zoals ordening van materialen, bouwfisica etc. De architectonische en de
financieel economische aspecten worden buiten beschouwing gelaten, omdat het
ordenen van de technische en materiaalkundige aspecten reeds voldoende problemen
opleverden.
14
Doel
Het doel van dit onderzoek is om een typologische ordening op te stellen voor te
analiseren bestaande gevels. Deze ordening dient de architectonische- en technische
aspecten van de onderzochte gevels te bevatten. De registratie dient op uniforme
wijze in tekst en beelden vastgelegd te worden.
Aan de hand van eisen uit de maatschappij, de functie en de technische ontwikkelingen
kan worden aangegeven op welke punten de gevel niet meer voldoet en hoe hieraan
tegemoet kan worden gekomen. Ook deze gegevens moeten in de registratie worden
opgenomen.
Vervolgens kan een kosten vergelijking worden gemaakt tussen de
aanpassingsmogelijkheden.
Uit de analyses kan onderzochtworden of en hoe de diverse gevelsystemen geordend
kunnen worden en of er enige wetmatigheid in de aanpassingen bestaat. Dit laatste
zou vooral handig zijn bij kosten calculaties vooraf.
1.2 Randvoorwaarden
Tijdvak
Het onderzoek heeft betrekking op het tijdvak van ca 1960 tot nu. Er is om een aantal
redenen voor deze tijdsperiode gekozen.
Ten eerste stamt het grootste deel van de gebouwenvoorraad uit de naoorlogse
periode. Hoewel de meeste hergebruikprojecten tot nu toe betrekking hadden op de
vooroorlogse voorraad, neemt men de laatste jaren een verschuiving waar naar de
naoorlogse voorraad (b.v. NMB-gebouw, IISG)1. In de toekomst zal het aantal
hergebruikprojecten in de naoorlogse voorraad naarverwachting nog meertoenemen.
Ten tweede is er in de periode daarvoor (1945-1960) sprake van een overgang V;:l'l
een traditionele, gestapelde bouw naar skelet- en systeembouw. De rigide
plattegrondindeling kenmerkend voor deze "overgangsgebouwen" zijn moeilijk te
veranderen en/of aan te passen in het kader van hergebruik. Tevens zijn gevel en
draagconstructie zo met elkaar verweven dat er technische problemen ontstaan (b.v.
koudebruggen). Aanpassen aan modeme eisen voor hergebruik van deze gebouwen
is doorgaans economisch onhaalbaar.
Ten derde kampt men bij de gebouwvoorraad van 1960 tot nu, al met een aanzienlijke
leegstand. Ondanks het feit dat deze relatief jonge gebouwen in technische zin nog
lang niet rijp zijn voor sloop, zijn ze evenmin verhuurbaar. Er is dus sprake van een
discrepantie tussen de economische en de technische levensduurvan deze gebouwen.
Hergebruik of renovatie van deze gebouwen kan een oplossing zijn voor dit probleem.
De doelgroep
Het is de bedoeling om de te ontwikkelen typologische ordening van gevels te
automatiseren. De mogelijke aanpassingen aan de bestaande gevels en de nieuwe
gevelsystemen kunnen bijvoorbeeld op het beeldscherm worden weergegeven met
principedetails. Verder horen daar verschillende analyses van de geveleigenschappen
bij, die zowel betrekking hebben op technische als op de architectonische aspecten.
Naast het vaststellen van het onderzoeksdoel en het afbakenen van het tijdvak, is
inzicht in het gebruik van het onderzoek tevens van belang. Het gebruik is namelijk
een belangrijk uitgangspunt voor het maken van een typologische ordening voor
gevels. Gebruik hangt samen met de gebruiker. De potentiële doelgroep van het
onderzoek is in eerste instantie de eigenaren en gebruikers van gebouwen en in het
verlengde daarvan de ontwerpers, producenten en uitvoerders van gevels.
Gezien vanuit de doelgroep gebruikers, ontwerpers en producenten zijn er drie
verschillende gebruiksmodellen te onderscheiden. In deze modellen wordt een
onderscheid gemaakt tussen de opbouwen de kenmerken van de gevel. De opbouw
15
16
van de gevel is de samenstelling van de gevel uit verschillende onderdelen. Deze
onderdelen kunnen zich aan de buitenkant (zichtbaar) of aan de binnenkant
(onzichtbaar) van de gevel bevinden. De eigenschappen van de gevel zijn de
inwendige en de uitwendige kenmerken van de gevel als geheel.
gebruiksmodel I
INVOER UITVOER
O F ~ O U W VI>N DE GEVEL
KENMERKEN VI>N DE GEVEL
Invoer:
- opbouw van de gevel (materialen, maten, draagconstructie, aansluitingen).
Uitvoer:
- kenmerken van de gevel (warmteweerstand, geluidisolatie, draagvermogen,
onderhoudgevoeligheid, plasticiteit e.d.)
In dit model is de opbouw van de gevel bekend, maar wil men de kenmerken van de
gevel weten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in een haalbaarheidsonderzoek, waar
men naast de ruimtelijke en constructieve kenmerken van het gebouw als geheel, ook
de kenmerken van de gevel wil analyseren.
gebruiksmodelIl
INVOER
UITVOER
OPBOUW V I>N DE GEVEL
KENMERKEN VI>N DE GEVEL
Invoer:
- opbouw van de gevel (materialen, maten, draagconstructie, aansluitingen e.d.)
- kenmerken van de gevel (warmteweerstand, geluidisolatie, draagvermogen,
onderhoudgevoeligheid, plasticiteit e.d.)
-gewenste kenmerken van de gevel (grotere warmteweerstand, goede geluidisolatie,
onderhoudvrij, grote plasticiteit e.d.)
Uitvoer:
- mogelijke aanpassingen aan de bestaande gevel
- nieuwe gevels geschikt voor het gebouw
In dit model zijn de opbouw, de kenmerken en de gewenste kenmerken van de gevel
bekend. De gebruiker wenst een aantal gevelkenmerken en wil weten welke
aanpassingen aan de bestaande gevel daar voor nodig zijn of welke nieuwe gevels
in het project toepasbaar zijn. Interessant hierbij is natuurlijk het variëren van de
gewenste kenmerken waardoor de uitvoer verandert. Het effect van een hoge
prioriteit geven aan een hoge warmteweerstand of lage onderhoudskosten in
vergelijking met een hoge prioriteit voor een weersonafhankelijke produktie en
montage, of een combinatie van prioriteiten. De uitvoer zal afhankelijk van de invoer
steeds veranderen. Hierdoor kan men in het eerste stadium van het ontwerpproces,
de vergaande consequenties van een bepaalde keuze zichtbaar maken.
gebruiksmodel '"
INVOER UITVOER
GEWENSTE KENMERKEN VAN DE GEVEL
NIEUWE GESCHIKTE GEVELS
Invoer:
-gewenste kenmerken van de gevel (grotere warmteweerstand, goede geluidisolatie,
onderhoudvrij, grote plasticiteit e.d.)
Uitvoer:
- nieuwe gevels geschikt voor het nieuwe gebouw
Dit model heeft geen prioriteit, maar volgt uit de meerwaarde van model I en 11. Door
het maken van kruisverbanden, in dit geval tussen de opbouwende kenmerken van
de gevel is model 111 waarschijnlijk zonder veel extra inspanning mogelijk. Het heeft
betrekking op de nieuwbouwsituatie, waarin men een aantal gevelkenmerken wenst
en hiervoor de geschikte gevels wil weten. In dit model kan men net als in model 11
de verschillende prioriteiten tegen elkaar afwegen. Andere gewenste gevelkenmerken,
geven andere gevels en maakt deze onderling vergelijkbaar.
17
1.3 De gevel
Het laatste begrip dat beschreven wordt is het onderzoeksonderwerp zelf: met een
bouwkundige/architectonische invalshoek is de gevel te beschouwen als een
zelfstandig element dat een scheiding tussen binnen en buiten teweeg brengt en als
grensvlak tussen een inteme en een exteme ruimte dient. Openingen (ramen en
deuren) maken de relatie tussen binnen en buiten mogelijk en krijgen hierdoor een
belangrijke functionele en architectonische betek-enis. De gevel brengt dus zowel
een scheiding als een verbinding tussen binnen en buiten teweeg. De functies van
een gevel zijn:
- reguleren van omgevingsfactoren (regen, wind, temperatuur, licht, lawaai,
indringers).
- afschermen en beschermen van de gebruikers en functies.
- expressie geven aan identiteit van gebruikers of functie.
- inpassing in de stedebouwkundige context zodat het gebouw een logisch of
contrasterend onderdeel vormt van het grotere geheel.
2
De verschillende aan de gevel toebedachte functies zijn soms tegenstrijdig met
elkaar. Gesloten voor kou, hitte en indringers staat tegenover open voor licht, lucht
en bezoekers. De gewenste eigen identiteit van een gebouw kan tegenstrijdig zijn
met de omgeving waarin het gebouw zich bevindt.
De specifieke functies van de gevel, worden door de verschillende lagen waaruit een
gevel is opgebouwd geleverd. In de tekening zijn deze functies in een klassieke
bakstenen spouwmuurconstructie en in een buitenisolatie gevel weer gegeven. In de
buitenlaag worden de functies zoals: esthetische beleving, lichtreflectie, geluid reflectie
en -absorptie en waterkering geleverd. In de binnenlaag functies als: stabiliteit,
draagvermogen, warmteaccumulatie, geluidreflectie en -absorptie en esthetische
bdeving. Tussen de binnenste en buitenste laag bevinden zich functies als:
warmteisolatie en eventueel ventilatie.
-H--,>.t---.- A 8 eDE A 8 eDE G _---JO,
H ----l .. ~
_L_
7t--11__- H
---fi-- G K D
18
Technische en
architectonische aspecten van
de gevel:
A. esthetische beleving
B. lichtreflectie
C. geluidreflectie
D. geluidabsorptie
E. waterkering
F. ventilatie
G. winddichting
H. warmte isolatie
I. draagvermogen
J. stabiliteit
k. warmte accumulatie
I. dampremming
Iedere gewenste functie kan andere eisen stellen aan de gevel. Soms is het aantal
eisen zo klein dat men met de keuze van één materiaalsoort kan volstaan, bijvoorbeeld
bij de gevel van een berging of een loods. Wanneer meerdere functies gewenst zijn,
kan men denken aan een combinatie van materialen, met ieder hun eigen functie. Er
zijn ook materialen die de diverse functies met elkaar combineren zoals bijvoorbeeld
gasbeton (dragend en isolerend). In deze context spreekt men ook wel van een
geïntegreerde (één materiaal met meerdere functies) of een gedifferentieerde gevel
(meerdere materialen met ieder hun eigen functie). 3
De gevel is een zone waarin naast de specifieke gevelfuncties ook een aantal andere
bouwdelen geïntegreerd kunnen zijn enlof waarop deze kunnen aansluiten. Deze
bouwdelen zijn:
- draagconstructie; balk, kolom, vloer (een dragende of een gedragen gevel)
- klimaatinstallatie; verwarming, koeling, luchtbehandeling
- binnenwanden; open wanden, gesloten wanden, schuifwanden
- plafonds; open plafonds, gesloten plafonds, platen, tegels
- voorzieningen; zonwering, (was)balkons, loggia's.
Een gevel kan niet alleen een ruimte omsluiten, maar kan zelf ook ruimte bevatten.
Bijvoorbeeld in de vorm van een arcade en of een loggia. Het gebied tussen de twee
gevels valt binnen de invloedssfeer van het gebouwen niet van de omgeving.
4
Opmerking
In deze context dient men zich te realiseren dat de gevel slechts één van de middelp'l
is om architectuur te maken: dat wil zeggen het scheppen van ruimtes die aan de
functionele en emotionele behoeften van de mens voldoen. In samenhang met de
andere middelen zoals, constructie, materiaal, kapitaal is de gevel een onderdeel om
dat doel te bereiken.
19
H.2 Een typologische ordening
2.1 Een bruikbare typologie
Het veldwerk voor het onderzoek is uitgevoerd door studenten van de differentiatie
"Ontwerpen van gebouwen en voorraadbeheer" in het kader van het projectonderwijs.
Het onderzoeksproject heeft in deze vorm tweemaal een bimester (acht weken)
gedraaid en een deel van het rapport is hiervan het resultaat. De conclusies en de
voorstellen van de eerste groep studenten werden door de tweede groep opnieuw ter
discussie gesteld en veranderd. Achtereenvolgens werden typologische ordeningen
onderzocht volgens; materialen, gevelsoort, gevelfunctie, bouwfysica en
constructie. Een eenvoudige en eenduidige typologische ordening voor gevels werd
niet snel gevonden. Deze frustratie mondde uit in het geheel in twijfel trekken van het
nut en het doel van het ordenen van gevels. De vraag kwam of het niet beter zou zijn
een systeem te zoeken dat directtoepassingsgerichtwas, (alle informatie onmiddellijk
invoeren in de computer). Uiteindelijk werd na lang discusseren de voorkeur gegeven
aan het in eerste instantie ontwikkelen van een goede typologische ordening en deze
pas daarna te automatiseren.
Het onderzoek naar een typologische ordening bleek niet zo eenvoudig als het in
eerste instantie leek. Gevonden indelingen en definities bleken steeds weer niet te
voldoen aan een logische en inzichtelijke manier om alle typen gevels te kunnen
onder brengen. Veel van deze indelingen waren te eenzijdig van benadering of door
hun complexiteit totaal niet inzichtelijk. Het vinden van de juiste typologische ordening
van gevels voor de omschreven doelgroep: gebruikers, ontwerpers en producenten
was een groot probleem. Dat is dan ook de reden waarom er verschillende typologische
ordeningen zijn onderzocht en waarvan erevenveel weerzijn verworpen als mogelijke
oplossing voor de doelgroep. Achter elkaar werden er typologische ordeningen
o'lrjerzocht met als uitgangspunten; materiaal, lagen opbouw, gevelsystemen, zonering
en bouwfysica.
Een speciaal probleem was het omschrijven van de architectonische eigenschappen
van de gevel. Een technische omschrijving is concreter en daarom eenvoudiger dan
een omschrijving op basis van beeldvorming. De techniek alleen was echter voor de
doelgroep niet de meest logische ingang. Er is lange tijd gezocht in de richting van
een ordening op basis van ontwerpopvatting en architectonische middelen. Vooral de
architectonische opvattingen waren zo subjectief en vaaktegenstrijdig in zich dat een
ordening op deze basis onhaalbaar bleek. De architectonische middelen boden meer
houvast aangezien het hier om te definiëren middelen gaat. Het zogenaamde "in
zoomen" op de gevel geeft een ingang voor het typologisch ordenen van de gevel. De
techniek kan vervolgens op basis van objectieve eigenschappen worden geordend.
De typologische ordening op basis van architectonische eigenschappen met daaraan
gekoppeld de technische eigenschappen is uiteindelijk een bruikbare ingang gebleken
voor het beoogde doel.
20
2.2 Architectonische eigenschappen
In de loop van het onderzoek zijn voorde typologische ordening van de architectonische
eigenschappen van de gevel diverse ingangen onderzocht. Het geven van een
omschrijving van de architectonische eigenschappen van de gevel bleek een groot
probleem. Architectonische kwaliteit hangt samen met de ontwerpopvatting van de
architect en de architectonische middelen die hij hanteert om dit tot uitdrukking te
brengen. De eerste pogingen tot het ordenen van de architectonische eigenschappen
van de gevel gingen uit van ontwerpopvattingen en architectonische middelen. In de
loop van de tijd bleek het moeilijk te zijn om uit het beschrijvende vlak te komen en
deze ingangen te concretiseren. De begrippen waren niet eenduidig en dientengevolge
waren zij aan meerdere betekenissen onderhevig. Er werd daarom besloten om de
gevel meer vanuit zijn opbouw te bekijken en als het ware op de gevel "in te zoomen"
van groot naar klein. Deze methode wordt hier beschreven.
Een analyse van de gebruikte architectonische middelen.
Het "in zoomen" op de gevel houdt in dat het hele gebouw in eerste instantie als één
compositie bekeken wordt. Vervolgens wordt gekeken of het gebouw uit meerdere
gebouwdelen bestaat. Indien dit het geval is wordt per gebouwdeel de compositie (die
bepaald wordt door de gevelvlakken en hun ritmering) bekeken. Daarna worden de
gevelvlakken afzonderlijk bestudeerd, om uiteindelijk bij de detaillering uit te komen.
Het architectonische ordenen van de gevel vindt plaats op basis van drie onderdelen
namelijk:
I. Hetgebouw
11. De gebouwdelen
111. De gevelvlakken.
I. Het gebouw (de gebouwdelen waaruit het gebouw is opgebouwd)
1 . Het gebouw bestaat uit:
A. één gebouwdeel, door naar onderdeel 11
B. meerdere gebouwdelen
A B
D
1 GEBOUWDEEL MEERDERE GEBOUWDELEN
21
2. De ordening van de gebouwdelen is:
A. symmetrisch
B. a-symmetrisch
SYMMETRISCH A.sYMMETRISCH
3. Onderbeëindiging
A. geen sprake van
B. door aparte bouwdelen
4. Bovenbeëindiging
A. geen sprake van
B. door aparte bouwdelen
D D D D
GEEN BEINDIGING ONDERBEEINDIGING BOVENBEEINDIGING ONDER· EN BOVEN·
BEEINDIGING
5. Maak een compositieschets met maten en ritmering van de
verschillende gebouwdelen.
De gebouwdelen dienen met letters te worden aangegeven.
6. De gebouwdelen hebben:
22
A. dezelfde gevelbehandeling, onderdeel 11 maar één keer doorlopen
B. andere gevelbehandelingen, onderdeel 11 voor elke gevelbehandeling
doorlopen.
24
I 16 I
24
I 16 I
24
A
B 32
C
A
I B I
A
I B I
A
COMPOSITIESCHETS MET MATEN EN RITMERING
11. De gebouwdelen (de gevelvlakken waaruit de gebouwdelen zijn opgebouwd)
1. De gevel van het gebouwdeel bestaat uit:
A. één gevelvlak, door naar vraag 4
B. meerdere gevelvlakken
D
1 GEVELVLAK
2. De ordening van de gevelvlakken is:
A. symmetrisch
B. a-symmetrisch
[]
SYMMETRISCH
MEERDERE GEVEL-
VLAKKEN
[]
A-SYMMETRISCH
23
3. De verschillende gevelvlakken staan als volgt:
A. boven/onder elkaar
B. naast elkaar
C. geknipt
D. in elkaar (het ene gevelvlak omsluit het andere)
E. een combinatie van de hierboven genoemde mogelijkheden
BOVEN/ONDER
ELKAAR
NAAST ELKAAR GEKNIPT
4. De onderbeëindiging van het gebouwdeel is:
A. niet aanwezig
B. gekenmerkt door een ander gevelvlak
C. gekenmerkt door een afwijkende verdiepingshoogte
D. gekenmerkt door een terugliggende gevel
E. gekenmerkt door een uitspringende gevel
F. opgetild door kolommen
IN ELKAAR
G. een combinatie van de hierboven genoemde mogelijkheden
DOOR EEN ANDER
GEVELVLAK
AFWIJKENDE
VERDIEPINGS-
HOOGTE
TERUGLIGGENDE
GEVEL
UITSPRINGENDE
GEVEL
OPGETlUD DOOR
KOLOMMEN
5. De bovenbeëindiging van het gebouwdeel is:
A. niet aanwezig
B. gekenmerkt door een ander gevelvlak
C. gekenmerkt door een afwijkende verdiepingshoogte
D. gekenmerkt door een terugliggende gevel
E. gekenmerkt door een uitspringende gevel
F. een combinatie van de hierboven genoemde mogelijkheden
24
Ü ËJ U EJ
DOOR EEN ANDER AFWIJKENDE VER- TERUGUGGENDE UrrsPRINGENDE
GEVELVLAK DIEPINGSHOOGTE GEVEL GEVEL
6. Maak een compositieschets van alle voorkomende gevelvlakken met
maten en ritmering (ritmering aangeven met letters).
A
A
A
A
B
COMPOSrTlESCHETS MET MATEN EN RITh1ERING
111. De gevelvlakken (de onderdelen waaruit ieder gevelvlak is opgebouwd)
In dit onderdeel komen de opbouw, materialen, detaillering en dergelijke van ieder
gevelvlak aan de orde. Het is daarom nauw verbonden met het technische deel van
de typologische ordening. De indeling van groot naar klein zoals deze is aangegeven
in dit architectuurdeel, vormt de a a n L ' . : ~ naar het technische deel. In het onderdeel
gevelvlak dienen dan ook de technischE:: ulgenschappen van de gevel aan de orde te
komen. Hiermee komt de koppeling tussen de technische en de architectonische
beschrijving van de gevel tot stand.
Voor de typologische ordening van gevels is het nodig om de totale gevel van een
gebouw door middel van het "in zoomen" op te delen in gelijksoortige geveltypen. De
technische eigenschappen van de geveltypen worden geordend op basis van hun
fysische grootheden. De verschillende fysische grootheden die voor een gevel of een
geveldeel kunnen worden weergegeven zijn bijvoorbeeld: de warmteweerstand, de
(damp)diffusieweerstand, de geluidisolatie en de lichtreflectiefactor. Deze getallen
geven achter elkaar gezet een combinatie van objectieve eigenschappen in een soort
streepjescode. Deze combinatie geeft een typologische ordening op basis van
techniek en de combinatie is voor iedere gevel anders en dus uniek. De combinatie
kan aan de typologische ordening op basis van architectuur worden gekoppeld. Na
het "in zoomen" op de gevel en het architectonisch omschrijven van het gebouwen
de gebouwdelen kunnen de gevelvlakken technisch omschreven worden met de
combinatie.
2.3 Samenvatting
Bij de studies naar een typologische ordening voor gevels en draagconstructies is het
ontbreken van theoretische uitgangspunten oorzaak dat ordeningen dubieus blijken
en dat de samenhang tussen gevel- en draagconstructie typologie ontbreekt.
De begrippen enkelbladig en meerbladig zijn niet exact genoeg om er een indeling op
25
te kunnen baseren. Elke onderzoeker kan zijn eigen interpretatie hanteren, waardoor
onderlinge vergelijking moeilijk, zoniet onmogelijk wordt.
Hetzelfde probleem doet zich voor bij de termen massief versus homogeen, massief
gelaagd en niet massief gelaagd.
Bij het onderscheid tussen dragende en niet dragende gevels blijft het onduidelijk
welk geveldeel draagt en welk niet.Ook blijft het moeilijk om constructie delen, zoals
kolommen enlof balken, welke deel uitmaken van een niet dragende gevel te kunnen
plaatsen.
Conclusie
Voorafgaande aan een typologie voor gevels en draagconstructies moet een
theoretisch model opgesteld worden.
De theoretische samenhang
Het vakgebied van de Bouwkunde gaat over de kennis en de samenhang van ruimte,
gebruik en techniek. De omvang en de maat van de ruimte wordt door het gebruik
bepaald. De ruimte zelf wordt door de techniek begrensd. (Althans in het westerse
cultuurdenken). Het onderwijs en onderzoek binnen het vakgebied van de bouwkunde
zal dan ook altijd moeten stoelen op de kennis en integratie van ruimte, gebruik en
techniek.
Bij het typologie onderzoek naar draagconstructies en gevels is de samenhang van
ruimte, gebruik en techniek dan ook het uitgangspunt van de ordening. De binnenruimte
wordt bepaald door het gebruik en gevormd door de draagconstructie en wanden. Het
gebruik geeft statische voorwaarden voor de draagconstructie. Deze statische
voorwaarden worden in subjectieve waarden weergegeven, zoals vrije ruimte,
materiaalgebruik, draagvermogen, doorbuiging, stijfheid. Aangezien deze waarden
subjectief en kenmerkend zijn voor de constructie, zijn ze geschikt voor een
typologische ordening.
De typologie van de draagconstructie heeft als basis de ruimtevormen en statische
waarden.
Een gevel is het scheidingsvlak tussen binnen en buiten ruimte en heeft een vaste
relatie tot de draagconstructie, hetzij als onderdeel ervan, hetzij als gedragen
element.
Evenals de ruimte zelf wordt het scheidingsvlak tussen ruimten zintuigelijk
waargenomen. De waameming is fysisch en wordt psychisch geïnterpreteerd. De
interpretatie is subjectief en daardoor niet erg geschikt voor ordenings doeleinden.
Het zintuigelijke waarnemen is in fysische grootheden weer te geven, zoals licht,
geluid, warmte vocht.
Bekende grootheden zijn lichtabsorbsie c.q. reflectie, thermisch isolatievermogen,
geluidsisolatie en damptransport. Deze waarden zijn objectief en kenmerkend voor
een gevel en daardoor geschikt voor een typologische ordening.
Een gevel van een gebouw is meestal samengesteld uit verschillende
bouwconstructies. Het doel van de gevel kan per plaats verschillen. Ontwerp effecten
werden nagestreefd of de draagconstructie maakte het nodig om een andergeveltype
te kiezen. Voorbeelden hiervan zijn gesloten gevels t.o.v doorzichtige gevels, puien
t.o.v. borstweringen, kopgevels t.o.v.langsgevels.
Alvorens een typering te kunnen geven van de gevelfragmenten is een onderverdeling
van een gebouw in gelijksoortige gevelfragmenten nodig.
26
Onderzoekstheorie
Voor typologie van draagconstructies is het nodig een gebouw op te delen in
gelijksoortige draagconstructies. Deze draagconstructies worden onderscheiden in
hun relatie tot de ruimtevorm en statische grootheden.
Voor typologie van gevels is het nodig om een gebouw op te delen in gelijksoortige
geveltypen. Deze geveltypen worden onderscheiden in hun relatie tot de draagstructuur
en hun fyisische grootheden.
27
H.3 De techniek als ingang
De in de voorgaande hoofdstukken gepresenteerde overwegingen en conclusies zijn
gebaseerd op de, in de volgende hoofdstukken gepresenteerde, onderzoeken.
3.1 Diverse typologische ordeningen
De gevel kan men vanuit verschillende uitgangspunten analyseren en ordenen. In de
literatuur is er een duidelijke voorkeur voor: een indeling in materialen en het
beschrijven van hun eigenschappen of een indeling in gevelsystemen gerelateerd
aan het belangrijkste materiaal en een beschrijving van de eigenschappen van dit
materiaal. In deze indelingen komen de bouwfysische aspekten uitvoerig aan bod.
Andere belangrijke eigenschappen zoals esthetische kwaliteit, duurzaamheid,
onderhoudgevoeligheid, uitvoering, montage e.d. worden hierdoornaardeachtergrond
verschoven of komen geheel niet aan de orde. Geen van deze systemen beschrijft de
gevel in al zijn eigenschappen, onderdelen en functies. Het bestuderen ervan heeft
voornamelijk nut om een deel van de elementen die met gevels te maken hebben op
te sporen. Als systeem zijn deze ordeningen nogal primitief en bleken niet geschikt
om ze uit te breiden tot een meer algemeen informatie bevattende ordening.
Gezocht werd naar een typologische ordening voor gevels, die èn alle invloeden,
eigenschappen, onderdelen en functies bevat èn daarnaast ook overzichtelijk en
begrijpelijk is voor de gebruiker. Hierbij kan de computer een belangrijk hulpmiddel
zijn, maar voor de overstap naar een geautomatiseerde gegevensverwerking moet er
eerst een goede typologische ordening worden gemaakt. Om verwarring door
verschillende interpretaties te voorkomen moet deze typologische ordening eenduidig
zijn en dat geldt ook voor de gebruikte termen. De typologische ordening moet
bovendien de verschillende gevelsystemen kunnen bevatten.
Er zijn in de loop van het onderzoek vijf typologische ordeningen met de techniek als
ingang bestudeerd en getoetst op hun bruikbaarheid. Deze werkten op basis van:
- gevelsoort (traditionele-, vlies-, elementen- en houtskeletbouwgevels)
- gevelfunctie (bouwfysica, constructie en architectuur)
- gevelsysteem (techniek, architectuur en kosten)
- gevelopbouw (opbouw, techniek, architectuur en kosten)
- objectieve eigenschappen (R-waarde, gewicht, geluidisolatie enz.)
De laatste optie biedt momenteel de meeste mogelijkheden voor een verdere uitwerking
en een bruikbare toepassing voor de doelgroep, ontwerpers en gebruikers. De
bestudeerde typologische ordeningen worden in dit hoofdstuk in het kort behandeld.
28
3.2 Gevelsoort
Een eerste onderverdeling is er één naar gevelsoort:
- traditionele gevels
- vliesgevels
- elementengevels
- houtskeletbouwgevels etc.
De termen verwijzen naar veel gebruikte bouwsystemen, dit werkt vroegtijdig
beeldvorming in de hand. Het voordeel hiervan is dat de termen voor iedereen
begrijpbaar zijn. Daarentegen kleven aan deze ordening nogal wat bezwaren. De
onderverdeling is niet homogeen, omdat deze afwisselend op opbouw of op maakwijze
is gebaseerd. De gevels samengesteld uit verschillende systemen (bijvoorbeeld een
houtskeletbouw binnenblad met een metselwerk buitenblad of een draagconstructie
van betonnen prefabelementen aan de buitenzijde met een afsluitend vlies aan de
binnenzijde) zijn bovendien niet onder deze termen te rangschikken. De begrippen
elementengevels en vliesgevels zijn in de praktijk dikwijls synoniemen en de
verschillende soorten klimaatgevels zijn moeilijk in het systeem onder te brengen.
Deze problemen werden reeds in het eerste stadium onderkent en worden als
structureel voor dij systeem beschouwd. Het systeem is daarom nietverder uitgewerkt.
3.3 Gevelfunctie
Een andere typologische ordening is een indeling in bouwfysica, constructie tn
architectuur. Het selectieproces van geveleigenschappen zou plaats kunnen vinden
met behulp van matrices. In ieder onderdeel van de matrix bevinden zich meerdere
opties, waaruit een keuze wordt gem:lakt. Het combineren van deze keuzes levert
één of meerdere mogelijke gevels op. I" , irincipe kunnen hiermee alle soorten gevels
aan de hand van gewenste eigenschappen geordend worden. Ten behoeve van het
overzicht zijn de belangrijkste eigenschappen in schema's in plaats van in matrices
ondergebracht. Andere eigenschappen kunnen in de vorm van kleinere schema's
hieraan gekoppeld worden. Verder is voorde verschillende eigenschappen geprobeerd
een eenduidige definitie te vinden, om discussie op dat vlak te voorkomen. Deze
typologische ordening heeft een groot aantal mogelijkheden in zich, daarom is hier
dieper op ingegaan dan op de typologische ordening gebaseerd op gevelsoort.
KEU2E COMBINATIE
BOUWFYSICA
CONSTRUCTIE
ARCHITECTUUR
29
Bouwfysica
De bouwfysica ingang geeft een aantal termen waarbij geen sprake is van een keuze.
Een gevel kan aan de buitenzijde neerslag kerend zijn en aan de binnenzijde
dampremmend. Dit geldt ook voor de andere termen en met name voor gevels die uit
meerdere lagen zijn opgebouwd.
Verklaring van de termen:
neerslagkeren:
dampremmerl:
geluidabsorbtie:
geluidreflectie:
winddicht:
ventilatie:
warmteaccumulatie:
warmteweerstand:
lichtrellectie:
lichtdoorlaten:
30
opvangen en afvoeren van regen, hagel ol sneeuw ol uitwendige condens
dampdiffusie van binnen naar buiten tegen gaan, voorkomen van condensatie in de constructie
geluidopnemen, zowel binnen als b u ~ e n
terugkaatsen van geluid
tegenhouden van wind, voorkomen van tocht
doorlaten van buitenlucht
opnemen van warmte en hierdoor temperatuurschommelingen beperken
beperken van warmteverlies in de winter, tegengaan van hinderlijke koudestraling en
oppervtakteoondensatie
terugkaatsen van straling om hoge oppervlaktetemperaturen te vermijden
doorlaten van licht
Constructie
Een dragende gevel is een gevel waarvan één of meerdere lagen dragen, dat wil
zeggen deel uitmaken van de hoofddraagconstructie. Het gebied constructie is zeer
omvangrijk en het is daarom moeilijk om alle termen in één schema onder te brengen.
In het afgebeelde schema zijn de belangrijkste constructietermen weer gegeven.
Deelgebieden met betrekking tot aansluitingen, bevestigingen, uitvoering e.d. zouden
apart moeten worden ondergebracht in kleinere schema's. Een gevel opgebouwd uit
dragende kolommen ingevuld met een lichte puiconstructie is niet als één geheel te
beschouden. De doorsnedes over de kolom en de pui zijn totaal verschillend, maar
zowel kolom en pui vormen samen de gevel.
Verklaring van de termen:
dragend:
niet dragend:
stabiliteitselement:
geen stabilitertselement:
monoliet:
meerlagig:
stapelwerk:
grote elementen:
stijl- en regelwerk:
voorltussen/achter vertikale hdc:
voorltussen hor. hdc:
~
vloerbelasting dragend, onderdeel van de hoofddraagconstructie
geen vloerbelasting dragend, geen onderdeel van de hoofddraagconstructie
draagt bij aan de stabiliteit van de hoofddraagconstructie
draagt niet bij aan de stabiliteit van de hoofddraagconstructie
opgebouwd uit één laag
opgebouwd urt meer dan één laag
opgebouwd uit stenen of blokken van diverse materialen, bijvoorbeeld baksteen,
betonsteen, kalkzandsteen vertlonden met specie of lijm
geprefabriceerde (verdiepingshoge) elementen van diverse materialen bijvoorbeeld
beton, kunststof, metaal opgehangen aan de vloer of aan afzonderlijke hulpstijlen
opgebouwd uit stijl en regelwerk met beplating, bijvoorbeeld vliesgevel, houtskeletbouw
voor/tussen/achter verticale hoofddraagconstructie (kolom, sChijf).
voor/tussen horizontale hoofddraagconstructie, voor / tussen vloer of dak.
31
Architectuur
De architectonische termen kunnen bij beschrijving van een gevel voor meerdere
interpretaties vatbaar zijn. Vaak zal de neiging bestaan om de gevels te beschrijven
in termen die tussen twee termen uit het schema in liggen, bijvoorbeeld half open,
half gesloten, deels eenvoudig, deels complex. Hierdoor lijken de gevels in terminologie
erg veel op elkaar, terwijl de gevels in werkelijkheid wel degelijk verschillen. Er zijn
bovendien een aantal begrippen die in eerste instantie moeilijk in het schema in te
passen zijn zoals de relatie vorm/functie, materiaalgebruik, zonering en
ontwerpopvatting.
Het systeem van drie ingangen levert nogal wat problemen op ten aanzien van het
omschrijven van de termen en het onderbrengen van alle mogelijkheden (montage-
en uitvoeringsaspecten, bevestiging e.d.). Een andere mogelijkheid om gevels te
ordenen is het opzetten van een grof systeem van één eigenschap en
hieraan de verschillende andere eigenschappen in de vorm van schema's te koppelen.
Constructie zou als de meest eenduidige van deze ingangen als hoofdingang genomen
kunnen worden met een koppeling van andere schema's (bouwfysica,
aansluitingen, materiaaleigenschappen, produktie en uitvoering, kosten e.d.).
Verklaring van de termen:
open: hoog percentage glas
gesloten:
vlak:
plastisch:
laag percentage glas
plat, met weinig in· en urtspringende delen
met veel in· en uitspringende delen
eenvoudig: simpel, urt weinig delen samengesteld
complex: moeilijk te doorzien, urt veel delen samengesteld
verticaal: overwegend vertikaal gerichte elementen
horizontaal: overwegend horizontaal gerichte elementen
grote elementen: (half) verdiepingshoge elementen
kleine elementen: metselwerk, stijl en regelwerk
32
3.4 Gevelsysteem
De typologische ordening naar gevelsysteem, is gebaseerd op het begrip 'systeem'
met daaraan gekoppeld: techniek, architectuur en kosten. De ''van Dale" verklaart de
begrippen als volgt:
- systeem;
- techniek;
- architectuur;
- kosten;
stelsel, geleed en geordend geheel, complex, een geheel
van geordende principen heet een systeem, ordening der
natuurobjecten volgens kenmerken; de indeling der planten
volgens het systeem van Linnaeus.
de bewerkingen of het geheel van bewerkingen of
verrichtingen nodig om in een bepaalde tak van kunst,
handwerk, nijverheid enz. iets tot stand te brengen.
bouwkunst, de kunst en de leer van het ontwerpen en
uitvoeren van bouwwerken, bouwstijl, bouw, constructie,
bouwsel(s), bouwwerk(en)
datgene waarop een zaak die verhandeld wordt, een
handeling, een gebeurtenis enz. die plaats heeft te staan
komt, wat ervoor betaalt wordt of moet worden, de prijs
ervan.
5
Deze termen zijn vanuit een andere invalshoek namelijk dat van de gevel ook anders
te omschrijven. De gevel is als systeem, geordend in onderdelen of een samenhangend
geheel van onderdelen, beiden zijn geldige verklaringen. Het gevelsysteem is een
kunstmatige ordening opgebouwd uit een aantal gekozen principen. De techniek van
de gevel, is de wijze waarop de gevel gemaakt is, de toegepaste materialen en
bewerkingen en de volgorde waarin het heeft plaats gevonden. De architectuur van
de gevel, is de gevel als wezenlijk onderdeel van de expressie van een gebouw
(gerelateerd aan de omgeving) en van de ontwerpopvatting (bouwstijl) van de
architect. De gevel aan de buitenzijde is te beschouwen als een afdruk van de
binnen en aan de binnenzijde als een indrukking van de context buiten. De kosten van
een gevel zijn zowel de prijs voor het maken van de gevel als voor het gebruik.
Hieronder vallen onderhoudskosten, maar ook bijvoorbeeld de invloed van de gevel
op de energiekosten van het gebouw.
De eerste stap van ordening in dit typologische ordening gebeurt op basis van het
begrip systeem. De gevels worden ingedeeld onder de begrippen geïntegreerd en
gedifferentieerd systeem. Na deze eerste verdeling volgt bij het geïntegreerde
systeem een verdeling naar dragend en niet dragend. In het gedifferentieerde
systeem vindt voor de verdeling in dragend en niet dragend een verfijning plaats naar
de hoeveelheid en soorten functionele lagen (tweelagig, tweelagig met luchtspouw,
meerlagig en klimaatgevel).
Geïntegreerd systeem:
Alle gevelfuncties worden geleverd door één laag. Deze laag kan heel eenvoudig zijn
omdat het aantal gewenste functies beperkt is, bijvoorbeeld gasbetonblokken als
gevel in een loods. Deze laag kan echter ook heel complex zijn en vele functies
bevatten, bijvoorbeeld een spiegelende vliesgevel van een kantoor.
Gedifferentieerd systeem:
De verschillende gevelfuncties worden door verschillende lagen geleverd. Dit kan op
eenvoudige wijze, bijvoorbeeld een traditionele spouwmuur, of op zeer complexe
wijze, bijvoorbeeld een gevel waarin de klimaatinstallatie is opgenomen.
33
GEINrEGREERD SYSTEEM GEDIFFERENTlEERD SYSTEEM
Binnen het gedifferentieerde systeem vindt een verfijning plaats naar:
- tweelagig; opgebouwd uit twee functionele lagen
-tweelagig met luchtspouw; opgebouwd uit twee functionele lagen en een luchtspouw
- meerlagig; opgebouwd uit meer dan twee functionele lagen
- klimaatgevel; een gevel met daarin opgenomen een klimaatinstallatie
Door hettoepassen van de typologische ordening kan bekeken worden of er nog meer
soorten van gevelopbouw aan toegevoegd moeten worden. Een tweede aspect
binnen de ordening volgens het gevelsysteem is de constructieve functie.
- dragend; onderdeel van de hoofddraagconstructie, vloer- of dakdragend
- niet dragend; geen onderdeel van de hoofddraagconstructie, de gevel draagt alleen
zichzelf
Na een ordening aan de hand van de gevel als systeem, ontstaan ertien verschillende
groepen. Het aantal kan nog toe- of afnemen, afhankelijk van de resultaten van het
toepassen van deze typologische ordening. Iedere gevel kan ingedeeld worden in
één van de tien groepen. Andere geveleigenschappen worden voor ieder onderdeel
(techniek, architectuur en kosten) per gevel bepaald en beschreven.
34
architectuur:
techniek:
kosten:
- architectonische middelen (maat, ritme, zonering,
plasticiteit, helderheid e.d.)
- ontwerpopvattingen (functionalisme, brutalisme,
post-modemise e.d.)
- bouwfysische aspecten
- aansluitingen: - bevestiging
-voegen
- binnenwanden
- plafonds
- vloer/dak
- klimaatinstallaties
- materiaalsoorten en -eigenschappen
- produktiemethoden
- uitvoering en montage
- ramen, deuren, kozijnen
- toegevoegde elementen
- investeringskosten
- exploitatiekosten
Het ordenen van de gevel onder de begrippen: tweelagig, tweelagig (met luchtspouw),
meerlagig en klimaatgevel gaf enige problemen ten aanzien van het omschrijven van
een laag. Een dampremmend folie kan men beschouwen als een onderdeel van een
laag, maar ook als een laag op zich.
35
3.5 Gevelopbouw
ENKELBLADIG MEERBLADIG
MASSIEF HOMOGEEN (MH) MASSIEF GELAAGD (MG)
NIET MASSIEF GELAAGD (NMG)
De typologische ordening op basis van gevelopbouw haakt in op de vorige typologische
ordening (gevelsysteem) en probeert die te verbeteren. Hierbij is gebruik gemaakt
var. een dictaat gemaakt door de Bouwmethodiekgroep, dat dient ter ondersteuning
van de ontwerpprojecten.
6
De presentatie van de gevels vindt hierin plaats volgens
een typologie die ook in de Nederlandse Bouwdocumentatie wordt gehanteerd. De
termen geïntegreerd en gedifferentieerd worden vervangen door enkelbladig en
meerbladig. Daama vindt er een scheiding plaats in dragend en niet dragend en
vervolgens een verdeling in massief homogeen, massief gelaagd en niet-massief
gelaagd. Deze termen zijn duidelijker dan een verdeling in lagen zoals in de vorige
typologische ordening op basis van gevelsysteem het geval is.
36
Het systeem werd in eerste instantie opgezet met vier gelijkwaardige ingangen:
1. Opbouw
2. Techniek
3. Architectuur
4. Kosten
Na het verplaatsen van het materiaalgedeelte van techniek naar opbouw, bleek de
opbouw van de gevel, zowel in de doorsnede als in het aanzicht van de gevel, beter
tot uitdrukking te komen. De drie andere ingangen zijn nu meer de aanvullende
onderdelen.
De opzet van de typologische ordening ziet er uiteindelijk als volgt uit:
- Opbouw - ordening: - enkel- of meerbladig
- massief homogeen, massief gelaagd of niet
massief gelaagd
- dragend of niet dragend
- plaats van de gevel t.o.v. de draagconstructie
- materialenomschrijving
- productiemethode
- afmetingen
- installaties
- Techniek - aansluitingen
- kozijnen, ramen en deuren
- toegevoegde elementen
- installaties
- Architectuur
- Kosten
37
3.6 Objectieve eigenschappen
Uit de voorafgaande studies naar een typologische ordening voor gevels, bleek dat
de voorgestelde ordeningen niet altijd aan de verwachtingen voldeden. Het ontbreken
van theoretische uitgangspunten is hier waarschijnlijk de oorzaak van. Iedere
ontwerper kan zijn eigen interpretatie hanteren, waardoor onderlinge vergelijking
moeilijk, zoniet onmogelijk wordt. Hieruit kan men concluderen dat voorafgaand aan
het opstellen van een typologie voor gevels er eerst een theoretisch model opgesteld
moet worden.
Het vakgebied van de bouwkunde heeft betrekking op de samenhang van ruimte,
gebruik en techniek. De omvang en de maat van de ruimte worden do or het gebruik
bepaald. De ruimte zelf wordt door de techniek begrenst (althans in westerse
cultuurdenken). Het onderwijs en onderzoek binnen het vakgebied bouwkunde zal
ook altijd moeten stoelen op kennis en integratie van de ruimte, gebruik en techniek.
Het scheidingsvlak tussen de binnen- en buitenruimte (de gevel) wordt zintuigelijk
(zien, voelen) waargenomen, maar wordt psychologisch geïnterpreteerd. Deze
interpretatie is subjectief en daarom niet erg geschikt voor ordeningsdoeleinden. Het
zintuigelijk waarnemen is in fysiche grootheden weer te geven, zoals licht, geluid,
warmte en vocht. Bekende grootheden zijn de warmteweerstand, de
(damp)diffusieweerstand, de geluidisolatie en de lichtreflectiefactor. Deze waarden
zijn objectief en kenmerkend vooreen gevel en daarom geschikt vooreen typologische
ordening. Een gevel van een gebouw bestaat meestal uit verschillende geveldelen.
Het doel van een gevel kan per onderdeel verschillen: ontwerpeffecten worden
nagestreeft of de draagconstructie maakt het nodig om plaatselijk een ander geveltype
te kiezen. Voorbeelden hiervan zijn gesloten gevels ten opzichte van doorzichtige
gevels, puien ten opzichte van borstweringen en kopgevels ten opzichte van
langsgevels. Alvorens een typering te kunnen geven van de gevel is een onderverdeling
in gelijksoortige gevelfragmenten noodzakelijk.
Voor de typologische ordening van de gevels is het nodig om de totale gebouwgevel
op te delen in gelijksoortige geveldelen De technische eigenschappen van de
g8veldelen worden geordend op basis van hun fysische grootheden. De verschillende
fysische grootheden die voor een gevel of een geveldeel kunnen worden weergegeven
zijn: het eigengewicht, de warmteweerstand, de (damp)diffusieweerstand, de
geluidisolatie en geluidsreflexie, de lichtreflectiefactor. Deze getallen geven achter
elkaar gezet een combinatie van objectieve eigenschappen in grootheden en kunnen
genoteerd worden als een soort streepjescode. De combinatie geeft een typologische
ordening op basis van eigenschappen en is voor iedere gevel anders en dus uniek.
Deze combinatie kan aan de typologische ordening op basis van architectuurworden
gekoppeld. Na het "in zoomen" op de gevel en het beschrijven van het gebouwen de
gebouwdelen kunnen de gevelvlakken beschreven worden met deze combinatie.
Het ordenen van de gevel op basis van objectieve eigenschappen is niet zo objectief
als het in eerste instantie lijkt. Het waarnemen, het ordenen vanuit een bepaalde
cultuur en tijd is altijd subjectief. Hoewel een grootheid als bijvoorbeeld de
warmteweerstand een objectief getal is, is de keuze om dit bouwfysisch aspect als
één van de uitgangspunten te nemen subjectief bepaald. Het kiezen van een
bouwfysisch aspect en in het bijzonder de warmteweerstand wordt dus bepaald door
het denken vanuit een bepaalde cultuur en tijd. De warmteweerstand van de gevel
bepaalt het isolerend vermogen van die gevel en daaruit volgt de mogelijke
energiebesparing. Het besparen van energie geeft lagere stookkosten en ontziet het
milieu, twee apecten die tegenwoordig van groot belang zijn.
38
H.4 De architectuur als ingang
Het deel architectuur is in het begin van het onderzoek onafhankelijk van het
technische deel onderzocht, omdat kort na de start van het onderzoek leek dat het
ordenen van de gevel op architectonische eigenschappen weinig perspectief bood.
De eerste vraag die opkwam leek dit te bevestigen Wat zijn nu eigenlijk de
architectonische eigenschappen van de gevel? De architectonische kwaliteit van een
ontwerp blijkt samen te hangen met de ontwerpopvatting van de architect en de
architectonische middelen die hij/zij hanteert. De eerste pogingen tot het ordenen
van de architectonische eigenschappen van de gevel gingen dus uit van
ontwerpopvattingen en architectonische middelen. In de loop van het onderzoek
bleek het moeilijk te zijn om uit het beschrijvende vlak te komen en deze ingangen te
concretiseren. Daamaast bleek dat een groot deel van de gebouwenvoorraad niet
onder deze ingang te ordenen is. Uit het oogpunt van architectuur opvattingen is het
niet mogelijk gebleken om een ordening te maken. Met de architectonische middelen
is het anders gesteld. Deze zijn op zich veel eenduidiger en beter te definiëeren. Er
werd daarom besloten om de gevel meer vanuit zijn opbouw te bekijken en als het
ware op de gevel "in te zoomen" van groot naar klein. De drie typologische ordeningen
voor de architectonische kenmerken van de gevel die in de loop van de tijd zijn
ontwikkeld worden in dit hoofdstuk in het kort behandeld.
Ontwerpopvatting en architectonische middelen
De ontwerpopvatting van de architect (mlv) en de architectonische middelen die hij
in zijn werk toepast worden beïnvloed door een aantal factoren van technische,
sociaal-economische en communicatieve aard.
Technische factoren
De mogelijkheden of de beperkingen van materialen, constructiewijze zijn van
invloed op de architectuur. Een voorbeeld is de sociale woningbouw eind jaren '60,
waar de ideeën van de architect ondergeschikt waren aan die van de aannemer en
zijn produktiesysteem. Nieuwe uitvindingen kunnen ook architectonische trends
teweeg brengen zoals de spiegelgevels, die mogelijk zijn door verbeterde
constructiemethoden en klimaatinstallaties.
7
Sociaal-economische factoren
Architectuur is sterk verbonden met maatschappelijke ontwikkelingen en is daar in
zekere zin ook een afspiegeling van. Architectuur kan niet los worden gezien van
bepaalde sociaal-economische ontwikkelingen in de maatschappij .
8
De noodzaak tot
rationalisatie en industrialisatie hield bijvoorbeeld in, dat het veelvuldig toepassen
van omamenten (veel arbeidsuren) in de jaren vijftig verdween. Het functionalisme
deed zijn intrede. In reactie op het functionalisme en het veranderde mensbeeld
kwam in de jaren zestig het populisme op. Een architectuur die tot doel heeft zich aan
te passen aan de wensen van de gebruiker en het toegankelijk maken van de
architectuur voor het volk.
Communicatieve factoren
Nieuwe trends ingezet in een bepaald land, worden al snel overgenomen in andere
landen. Architecten houden zich, door middel van architectuurtijdschriften en -
boeken op de hoogte van de ontwikkelingen in eigen land en in de wereld. De sterk
verbeterde communicatie tussen de verschillende landen houdt ook een nivellering
van de architectuur in, modes en trends verspreiden zich snel.
39
Ontwerpopvattingen
In de moderne architectuur van na 1960 is steeds minder sprake van één
ontwerpopvatting. De verschillende architectuurstromingen volgen elkaar snel op en
bestaan naast elkaar of in verschillende mengvormen. Een aantal van de te
onderscheiden ontwerpopvattingen na 1960 zijn: functionalisme, formalisme,
brutalisme, team Xlstructuralisme, populisme, high-tech, rationalisme en post-
modemisme. Een korte beschrijving van deze stromingen en hun opvattingen over de
verschijningsvorm van de gevel is te vinden in bijlage I. Hoewel er een groot aantal
ontwerpopvattingen zijn te onderscheiden behoren de meeste gebouwen niet tot een
van deze categoriëen: ze zijn meestal goed functionerend, maar architectonisch niet
expressief. Dit houdt in dat zowel de gebruiker, opdrachtgever en architect tevreden
zijn met het resultaat, maar dat het moeilijk is om zo'n gebouw onder een speciefieke
architectuurstroming te rangschikken.
Architectonische middelen
De toegepaste architectonische middelen zijn van grote invloed op de
verschijningsvorm van een gebouwen de gevel. Goede en foute middelen bestaan
niet, wel het goed of fout toepassen van die middelen. Het gebruik van bepaalde
architectonische middelen is afhankelijk van de tijdsgeest en de op dat moment
heersende ontwerpopvatting. In bijlage II worden de verschillende te onderscheiden
architectonische middelen als: vorm, materiaalgebruik, zonering, context en kleur in
het kort beschreven.
De gevel in opbouwen onderdelen benaderen
Het bleek moeilijk om bij het ordenen van de gevel volgens de ontwerpopvatting en
de architectonische middelen uit het beschrijvende vlak te komen. Een volgende
typologische ordening die werd ontwikkeld is gebaseerd op het "in zoomen" van de
gevel. Het ordenen op basis van toegepaste architectonische middelen. Deze
typologische ordening biedt eenduidige en objectieve criteria voor het ordenen van
de gevel. Het systeem is gebaseerd op het steeds meer naderen van de gevel, het "in
zoomen". Het hele gebouw wordt in eerste instantie als één compositie bekeken.
Vervolgens wordt gekeken of het gebouw uit meerdere gebouwdelen bestaat. Indien
dit het geval is, wordt per gebouwdeel de compositie (die bepaald wordt door de
gevelvlakken en hun ritmering) bekeken. Daarna worden de gevelvlakken afzonderlijk
bestudeerd, om uiteindelijk bij de detaillering uit te komen. Het architectonisch
ordenen van de gevel vindt plaats op basis van drie onderdelen namelijk:
I. Het gebouw
11. De gebouwdelen
111. De gevelvlakken
In het tweede hoofdstuk is deze methode van typologische ordening van de gevel
uitgebreid behandeld. Een verwijzing naar dit hoofdstuk is hier dan ook voldoende.
40
H.S Evaluatie en conclusies
Het primaire doel van het onderzoek is om bij hergebruik van gebouwen al in de
eerste stadia van het ontwerproces vlug en adequaat informatie te bieden met
betrekking tot de aanpasbaarheid van gevels. Hiervoor is het noodzakelijk om inzicht
te hebben in alle gangbare gevelsystemen, hun technische en architectonische
eigenschappen en de mogelijke aanpassingen aan deze gevelsystemen. Het is
tevens van belang om ook inzicht te hebben in alle nieuwe ontwikkelingen op
gevelgebied en de daaruit volgende nieuwe gevelsystemen. Het vervangen van een
bestaande gevel door een nieuwe gevel kan een alternatief zijn voor aanpassing van
een bestaande gevel.
Om al deze informatie op te slaan en toegankelijk te maken, is het nodig om een
ordening op basis van typologie te ontwikkelen. In deze typologische ordening moet
de informatie op zodanige wijze worden geordend, dat deze in onderdelen of als
geheel opvraagbaar en te gebruiken is. De complexiteit en de hoeveelheid te ordenen
informatie moet niet worden onderschat. De verschijningsvorm van de gevel is
immers van een groot aantal factoren afhankelijk. Deze factoren zijn moeilijk te
herkennen in het uiteindelijke beeld. De huidige gevels zijn niet alleen ten gevolge
van andere gebruikseisen anders dan voorheen. Nieuwe technische mogelijkheden,
andere ontwerpopvattingen, betere isolatie, moderne klimaatregeltechnieken zijn
van invloed geweest op het beeld en de opbouw van de gevel door de jaren heen.
Het schematisch weergeven van invloedsfactoren en geveleigenschappen en het aan
de hand hiervan typologisch ordenen van de gevels is een complexe opgave, waarbij
het overzicht soms verloren gaat. Het onderzoek naar een typologische ordening
blijkt niet zo eenvoudig als het lijkt. Met een bepaalde doelgroep voorogen, wordt een
ordening ontwikkelt, definities bepaald en het blijkt dat er telkens weer een aantal
geveltypen zijn die niet in de ordening passen. De verschillende typologische
ordeningen die zijn onderzocht en opgesteld waren niet allemaal even geschikt voor
de doelgroep. Een ander probleem dat opgelost moest worden was het beschrijven
van de architectonische eigenschappen van de gevel. Een technische beschrijving
leek veel concreter en daarom in eerste instantie eenvoudiger. Toch lag de oplossing
van het typologisch ordenen van de gevel in het architectonische vlak in plaats van
het technische.
Het beschrijven van de ontwerpopvattingen en de architectonische middelen die aan
een gevel ten grondslag liggen bood veel informatie, maar was geen geschikte
ingang voor een typologische ordening. Het "in zoomen" op de gevel, zoals beschreven
is in het tweede hoofdstuk gaf wel een goede ingang voor het typologisch ordenen
van de gevel. Het "in zoomen" op de gevel houdt in dat het hele gebouw in eerste
instantie als één compositie bekeken wordt. Vervolgens wordt ook gekeken of het
gebouw uit meerdere gebouwdelen bestaat. Indien dit het geval is wordt per
gebouwdeel de compositie (die bepaald wordt door de gevelvlakken en hun ritmering)
bekeken. Daarna worden de gevelvlakken afzonderlijk bestudeerd, om uiteindelijk bij
de detaillering uit te komen. Een technische ordening op basis van objectieve
eigenschappen moet hieraan gekoppeld worden. Het toetsen van deze typologische
ordening is dan ook de volgende stap in het onderzoek.
Voorafgaande aan een typologie voor gevels en draagconstructies moet een
theoretisch model opgesteld worden.
41
De theoretische samenhang
Het vakgebied van de Bouwkunde gaat over de kennis en de samenhang van ruimte,
gebruik en techniek. De omvang en de maat van de ruimte wordt door het gebruik
bepaald. De ruimte zelf wordt door de techniek begrensd. (Althans in het westerse
cultuur-denken) Het onderwijs en onderzoek binnen het vakgebied van de bouwkunde
zal dan ook altijd moeten stoelen op de kennis en integratie van ruimte, gebruik en
techniek.
Bij het typologie onderzoek naar draagconstructies en gevels is de samenhang van
ruimte, gebruik en techniek dan ook het uitgangspunt van de ordening. De binnenruimte
wordt bepaald door het gebruik en gevormd door de draagconstructie en wanden. Het
gebruik stelt statische eisen aan de draagconstructie. Deze statische eisen worden
in subjectieve waarden weergegeven, zoals draagvermogen, doorbuiging, styfheid.
Aangezien deze waarden subjectief en kenmerkend zijn voor de constructie, zijn ze
geschikt voor een typologische ordening.
De typologie van de draagconstructie heeft als basis de ruimtevormen en statische
waarden.
Een gevel is het scheidingsvlak tussen binnen en buiten ruimte en heeft een vaste
relatie tot de draagconstructie, hetzij als onderdeel ervan, hetzij als gedragen
element. Aangezien deze relatie objectief en kenmerkend is, is zij geschikt om
gebruikt te worden voor een typologische ordening.
Evenals de ruimte zelf wordt het scheidingsvlak tussen ruimten zintuigelijk
waargenomen. De waarneming is fysisch en wordt psychologisch geïnterpreteerd.
De interpretatie is subjectief en daardoor niet erg geschikt voor ordenings doeleinden.
Het zintuigelijke waarnemen is in fysische grootheden weer te geven, zoals licht,
geluid, warmte vocht.
Bekende grootheden zijn lichtabsorbsie c.q. reflectie, isolatievermogen, geluidsisolatie
en damptransport. Deze waarden zijn objectief en kenmerkend voor een gevel en
daardoor geschikt voor een typologische ordening.
Eer, gevel van een gebouw bestaat meestal uit verschillende gevelconstructies. Het
doel van de gevel kan per plaats verschillen. Ontwerp effecten werden nagestreeft
of de draag-constructie maakte het nodig om een ander geveltype te kiezen.
Voorbeelden hiervan zijn gesloten gevels t.o.v doorzichtige gevels, puien t.o.v.
borstweringen, kopgevels t.o.v. langsgevels.
Alvorens een typering te kunnen geven van de gevelfragmenten is een onderverdeling
van een gebouw in gelijksoortige gevelfragmenten nodig.
Definitie
Voor typologie van draagconstructies is het nodig een gebouw op te delen in
gelijksoortige draagconstructies. Deze draagconstructies worden onderscheiden in
hun relatie tot de ruimtevorm en statische grootheden.
Voor typologie van gevels is het nodig om een gebouw op te delen in gelijksoortige
geveltypen. Deze geveltypen worden onderscheiden in hun relatietotdedraagstructuur
en hun fyisische grootheden.
42
1 [Prof. J. van Stigt e.a., 1989] [ir. S. van den Eerenbeemt, 1989] [L. Melis, 1989]
2 [ir. E. Kleijer; p. 7.01, 1989]
3 [Th. de Fouw, p. 7, 1989] [prof. ir. A. van Randen, p. G1-2]
4 [E. Hartsuyker, p. 17, 1982]
5 [prof. dr. G. Geerts, dr. H. Heestermans, dr. C. Kruyskamp, 1984]
6 [L. Hulsbos, 1990]
7 [Co Zwinkels, p. 13, 1989]
8 [prof. ir. Tj. Dijkstra, p. 5 en 9, 1985]
43
Bijlage 1
In de modeme arcMectuur na de Tweede Wereldoorlog is steeds minder sprake van
een hoofdstroming. Verschillende architectuurstromingen en individuele
ontwerpopvattingen bestaan naast elkaar of in verschillende mengvormen. In deze
bijlage worden enkele architectuurstromingen uit de periode na 1960 in het kort
besproken.
Functionalisme
Een belangrijk kenmerk van het functionalisme is de zogenaamde werkesthetiek, de
combinatie van schoonheid en bruikbaarheid tot één geheel. Functionalistische
architecten wilden voor de nieuwe tijd een nieuwe architectuur creëren, een
architectuur zonderverwijzingen naar het verleden. De algemene kenmerken van het
functionalisme zijn:
- In het gebouw worden rechte lijnen en rechte hoeken toegepast.
- De constructieve opbouw van het gebouw is aan de buitenzijde afleesbaar en is een
belangrijk vormgevend element in de gevel.
- In het gebouw wordt gekleurd, glad, ruw of getint pleisterwerk dan wel triplex
toegepast, om machinaal vervaardigd staal, aluminium of plastic na te bootsen
1
- De sterke relatie binnen-buiten wordt door het gebruik van grote glasvlakken over
totale (verdiepings)hoogte en/of breedte benadrukt. Binnen en buitenruimte lijken
hierdoor zonder scheiding in elkaar over te lopen
Formalisme
Het formalisme is een reactie tegen het streven naar technische perfectie in het
functionalisme. Volgens architecten van het formalisme was het noodzakelijk de
architectuur die alleen ontstond vanuit de functie, te vervangen door een architectuur
die de betekenis van de vorm onderkende. Het is een architectuurwaarin vormen met
op voorhand bedachte esthetische betekenissen werden toegepast. Gotische of
romaanse bogen in de gevel werden gebruikt om een gebouw een monumentaal
karakter te geven en mensen een gevoel voor schaal en ontzag bij te brengen. Het
formalisme bracht met historische vormcitaten de conservatieve hiërarchische
maatschappelijke verhoudingen tot uitdrukking.
2
De algemene kenmerken van het formalisme zijn:
- De hiërarchische opbouw, dat wil zeggen een opéénvolging van voorhof, hal, trap,
gallerij en het toepassen van monumentale assen.
- Het gebruik van traditionele symbolen en historische citaten zoals torens, carillons,
zuilen, gotische/romaanse bogen, bordessen, trappenvluchten en fonteinen
3
- Het beeld van de gevel heeft geen directe relatie met de functie van de ruimte er
achter, maar komt voort uit vormwil. Het is een expressie van het monumentale
karakter van het gebouw.
Een belangrijk architectonisch middel hierbij is de dubbele gevel. Aan de buitenzijde
bestaat deze gevel uit prefab betonelementen met een dragende functie. Het glazen
vlies aan de binnenzijde heeft alleen een afsluitende functie.
44
Brutalisme
Naast het functionalisme en het formalisme trad nog een geheel andere stroming op
de voorgrond namelijk het brutalisme. Binnen het brutalisme kan men onderscheid
maken tussen het engelse en het intemationale brutalisme. Het engelse brutalisme
is gebaseerd op de theorieën van Alison en Peter Smithson, die meer betrekking
hebben op de ethische dan de esthetische aspecten. In tegenstelling tot het
internationale brutalisme waar het vooral ging om de esthetische kwaliteit.
4
Karakteristiek voor zowel het engelse als het internationale brutalisme was het
onbekleed toepassen van materialen als baksteen, staal, beton en hout, ook de
leidingen bleven in het zicht. Iedere specifieke functie kreeg zijn eigen ruimte en vorm
en deze ruimtes werden onderling verbonden. De gevel gaf uitdrukking aan de
samenvoeging van autonome ruimtes.
De algemene kenmerken van het brutalisme zijn:
- De constructie is duidelijk herkenbaar en beton is vaak voorzien van een
oppervlaktestructuur
- De ruimtes zijn aan de hand van hun functie verschillend vormgegeven en als
zodanig te herkennen en te onderscheiden in de gevel. Dit geldt met name voor de
verticale transportelementen als trappen, liften en buitenruimtes e.d.
- De gevel geeft door het gebruik van zware materialen een gevoel van geborgenheid
en bescherming.
Team XlStructuralisme
In 1959 werd de CIAM officieel dood verklaard. Onmiddelijk na de opheffing van de
CIAM werd een nieuwe groep in het leven geroepen, het team X. De heersende
ontwerppraktijk werd volgens de architecten van Team X bepaald door een l e t t p ~ : j ~ e
vertaling van de planningseisen van de overheid, de bouwmaatschappijen en de
grote ingenieursburo's. De architect was geheel naar de achtergrond verdrongen.
Team X wilde de architect weer tot de centrale figuur in het bouwproces maken. In
Nederland zijn de ontwerpopvattingen van Team X beter bekend als structuralisme.
De algemene kenmerken van het structuralisme zijn:
- De menslijke maat is een belangrijk uitgangspunt. Een gebouw is opgebouwd uit
kleinere onderdelen waarvan de afmetingen aan de menselijke maat zijn gerelateerd.
De verschillende verdiepingen zijn als zodanig in de gevel te onderscheiden.
- Articulatie van sociale relaties. Het gebouw wordt niet vormgegeven als vrijstaand
objekt, maar als een aanéénschakeling van eenheden die onderling relaties met
elkaaronderhouden. Een hiërarchie van prive, semi-prive, semi-openbaar en openbare
plekken. Geen hiërarchie in de zin van de belangrijkste persoon op de beste plek,
maar in de zin van verschillende karakters van ruimtes.
- De draagstructuur is een belangrijk vormgevend element. De constructie roept een
beeld van organische groei en veranderbaarheid op. De eenheden waaruit de gevel
is opgebouwd kunnen in horizontale en verticale richting verspringen, zodat er
terassen ontstaan.
45
Populisme
De populisten in de architectuur vonden dat de éénduidige ontwerpnormen van het
functionalisme vervangen moesten worden door het pluralistische normenstelsel van
de gewone man. De door de professionele architecten gehanteerde visuele idealen
zouden plaats moeten maken voor de behoeften van de gebruikers. Sommigen
gingen daarin zover dat zij niet alleen traditionele architectonische normen wilden
opheffen, maar ook het beroep van architect.
In het midden van de jaren '60 kwam de stelling in de mode dat openbare gebouwen
geen monumenten mochten zijn, maar een bijdrage moesten leveren aan de stad en
daamaast democratische gebruiksmogelijkheden moesten hebben. Het politieke en
culturele klimaat was in vergelijking met de jaren '50 en het begin van de jaren '60
wel gewijzigd. De overheid had zich opgeworpen als hoeder van sociale gelijkheid,
maatschappelijk welzijn en politieke medezeggenschap en hierbij hoorde een ander
architectonisch beeld dan tot dan toe gebruikelijk was.
De algemene kenmerken van het populisme zijn:
- Anti-monumentaliteit, het gebouw moet zich onopvallend en op democratische wijze
in de stedelijke structuur inpassen. De gebouwen immiteren hierbij de kleinschalige
binnenstad.
- De verschillende functies in het gebouw zijn niet in de gevel afleesbaar. Een
herhaalbare functionele eenheid moet voor alle gebruiksmogelijkheden voldoen.
- Erwordt een beeld opgeroepen van organische groei en veranderbaarheid, de gevel
geeft weer dat het gebouw nog niet af is. De gebruikers moeten er zelf nog elementen
aan toevoegen. De architect probeert hiermee afwisseling en variatie te bereiken,
maar truttigheid is meestal het gevolg.
High-tech
Het high-tech is zowel een reactie tegen het functionalisme, het brutalisme en het
structuralisme. Het toepassen van slanke, gladde, transparante materialen en
bouwdelen kan worden gezien als een reactie op het "zware" materiaalgebruik
(beton) van de brutalisten. De doctrine van het functionalisme werd door een sterk op
vormgerichte architectuur vervangen. De stroming is niet maatschappijcritisch (men
gelooft niet in het veranderen van de maatschappij door een middel van architectuur).
5
Algemene kenmerken van de high-tech zijn:
- Indrukwekkende gevels als uitdrukking van de nieuwste mogelijkheden van de
techniek.
- De verschijningsvorm, het visuele aspect is van groot belang. Er worden dure, high-
tech-achtige materialen toegepast.
- Een ontkenning van de relatie tussen vorm en functie, de vorm is geen afgeleide van
de functie, maar staat er geheel los van.
46
Post-modernisme
Het post-modernisme is nogmaals een reactie tegen het functionalisme. De post-
modernen willen ter verrijking van de architectonische taal naar een historisch
eclecticisme. Het functionalisme heeft volgens de postmoderne architecten in haar
doel het creëren van een nieuwe architectuur zonder wortels in het verleden gefaald.
De algemene kenmerken van het post-modernisme zijn:
- Het toepassen van sterke op zichzelf staande vormen, zoals de cirkel, het vierkant
in de plattegrond, gecombineerd met monumentale (symmetrie) assen.
- Historische vormcitaten uit de klassieke architectuur (griekse, romeinse, bouwstijlen)
worden in fragmenten toegepast.
- Verschillende kleuren en materialen worden op collage-achtige wijze gecombineerd
in één bouwwerk.
6
Rationalisme
De rationalisten verwerpen de modernistische pretenties ten aanzien van de rol van
het ontwerp op het gedrag of zelfs op de emancipatie van de mens. Rationalisten
verbinden hun methode niet aan een idee over emancipatie van de mens, ze geloven
daarentegen in de autonomie van de architectuur. Functie s p e e ~ naast vorm een
zelfstandige rol in het ontwerpproces. Een analytische bewerking van het programma
van eisen kan worden vertaald in een ruimtelijk en materieel ontwerp. 7 Het rationalisme
heeft geen eigen vormentaal, maar bestaat uit een mengeling van monumentaliteit,
traditie, abstractie en high-tech. De betekenis van de dingen wordt er bij de gebruiker
zonder enige subtiliteit ingehamerd. De algemene kenmerken van het rationalisme
zijn:
- Het toepassen van monumentale en klassieke vormen (basementen) en materialen
(natuursteen, beton)
- Het loskoppelen van de gevel van de gebouwfunctie. De gevel volgt niet uit de
plattegrond van het gebouw, maar heeft een eigen compositie en een eigen logica.
1 [prof. A. Tzonis, L. Lefaivre; p. 11, 1982)
2 [J. Joedicke, p. 141, 146, 148, 1969) [E. Taverne, p. 28, 1983)
3 [E. Taverne, p. 28, 1983)
4 [J. Joedicke, p. 28, 1969)
5 [William J.R. Curtis, p. 354-355,1982)
6 [Co Jencks, 1980)
7 [ir. L. van Duin, 1989)
47
Bijlage 2
De ontwerpopvatting die aan de gevel ten grondslag ligt komt tot uitdrukking in vorm,
materiaalgebruik, zonering van de gevel, de verhouding van het gebouw met de
context en kleur.
Vorm
De gevel is een zelfstandig architectonisch element waarbij de functie van het
gebouw een belangrijke rol speelt. Het is vanzelfsprekend dat woningen van andere
gevels zijn voorzien dan stadhuizen, zwembaden of kantoren. De gebouwen geven
aan verschillende functies onderdak, de relaties tussen binnen en buiten zijn
verschillend en daarmee ook het beeld van de gevel. De overgangen tussen binnen
en buiten zijn, omdat de gevel als scheidend element werkt zowel bij de visuele
waameming als bij het in en uitgaan van groot belang. Muuropeningen als ramen en
deuren (min of meer uit fysieke en functionele noodzaak ontstaan) krijgen hierdoor
een architectonische betekenis.
1
Materiaalgebruik
Niet alleen de gevelopening bepaalt het karakter van de architectuur, het materiaal
(de wand) rondom de opening is van even groot belang. Naar afwerkingswijze en
constructie van de wand kunnen de volgende gevels worden onderscheiden:
- metselwerk (baksteen, betonsteen, kalkzandsteen, natuursteen)
- stucwerk
- betonelementen (grindbeton, gasbeton, beton met houttextuur, horizontaal of
vertikaal spannende elementen).
- sandwichelementen (metaal, kunststof)
- stijl- en regelwerklvliesgevel (met ingeklemd glas of kunststofpanelen)
- bekledingen van dunne platen op wanden of raamwerken (natuursteen, keramiek,
eternit, kunsthars, staal, aluminium, glas, lood, zink, koper, hout, leien e.d.)2
Zowel verandering van materiaalgebruik in de dichte vlakken als verandering van
ritmering, afmetingen en detaillering van de gevelopeningen geven een gevel een
ander karakter.
Zonering van de gevel
Een belangrijk hulpmiddel bij het ontwerpen van een gevel is het in verticale zin de
gevel indelen in zones. Deze verdeling is klassiek en wordt overal in de architectuur
toegepast, in een griekse tempel maar ook in een villa van Le Corbusier.
3
Deze zones
zijn:
1 e zone: ontmoeting van het verticale vlak met het horizontale (grond)vlak (deur,
drempel, trasraam, stootrand).
2e zone: de verdiepingen (ramen, lateien, balkons, loggia's)
3e zone: de afsluitende rand van het gebouw (dak, kroonlijst, boei boord)
De zones moeten vanuit praktische overwegingen een andere behandeling krijgen,
in verband met waterkering, toegang, relatie binnen-buiten, constructie e.d .. De
verschillen zijn te benadrukken door in architectonische zin juist wel of geen
onderscheid te maken.
48
Context
De gevel is niet alleen een exteme begrenzing van de eigen ruimtes, maar vormt
samen met de gevels van andere gebouwen de wanden van de stedelijke ruimte. De
gevel van een gebouw is van invloed op de kwaliteit van de Het gebouw
en de openbare ruimte kunnen elkaar bepalen en versterken. Een steeg bijvoorbeeld
roept om een ander (gevel)beeld dan een brede boulevard of een groot opgezet plein.
De openbare buitenruimte stelt zo haar eigen eisen aan de uitdrukking van de gevel.
Kleur
Kleur speelt anders dan in het verleden het geval was een steeds grotere rol bij het
ontwerpen van gebouwen. Nieuwe, sterk visueel gerichte architectuurstromingen en
de ontwikkelingen in de bouwtechniek zijn hierop van grote invloed geweest. De
opbouw van de gevel is steeds complexer geworden, met als gevolg dat de buitenste
laag slechts een deel is van het materiaal waarmee de gevel wordt opgetrokken. Dit
geldt bijvoorbeeld voor baksteen datvoorheen een constructief materiaal was, maar
tegenwoordig alleen als bekleding- of afwerkingmateriaal dient. Het tonen van kleur
als natuurlijk aspect van het materiaal waarmee de gevel is opgebouwd is door de
veranderingen in de techniek niet meer vanzelfsprekend. Een belangrijk
architectonisch principe is hierdoor weggevallen en voor het gebruik van kleur staan
alle mogelijkheden open. Geografische verschillen in lokatie en lichtinval spelen
hierbij een rol. In de zuidelijke landen van Europa is het kleurgebruik anders dan in
het noorden.
4
Kleur was oorspronkelijk een element van een lagere orde, maar tegenwoordig is het
een zelfstandig onderdeel in het scala van architectonisch middelen. Wanneer kleur
ontbreekt, blijkt dat ondanks alle andere architectonische middelen een bouwwerk
toch iets essentieels mist. Een al te naïeve benadering van kleur kan een
zich tegenwoordig niet meer veroorloven.
In het algemeen kan worden gesteld dat voor de keuze van architectonische middelen
het belangrijk is dat zij hun betekenis ontlenen aan het architectonisch concept,
gerelateerd aan zijn omgeving. In een goed ontwerp gaat het niet alleen om de
diverse architectonische middelen (vorm, materiaalgebruik, zonering van de gevel,
context en kleur) op zich, maar om hun onderlinge samenhang. Het is van groot
belang het architectonische concept in twee richtingen door te zetten: van
stedebouwkundigecontext (ordening van de bouwvolumes) en met de bouwtechnische
detaillering (vormgeving van de kozijnen).5
1 [prof. ir. Tj. Dijkstra, p. 4, 1985] [E. Hartsuyker, p. 16, 1982]
2 [ir. E. Kleijer; p. 7.01-7.02,1989]
3 [E. Hartsuyker, p. 17, 1982]
4 [J. Meeuwissen, p. 130-138, 1986]
5 [prof. ir. Tj. Dijkstra, p. 15-17,1985]
49
Literatuur
- Curtis, W. J. R., ModemArchitecturesince 1900,1982
- Dijkstra, prof. ir. Tj., Architectonische kwaliteit; een notitie over architectuurbeleid,
Rijksgebouwendienst, 1985.
- Duin, ir. L. van, Funktionele Analyse, fac. Bouwkunde, TU - Delft, 1989.
- Eerenbeemt, ir. S. van den, "Verbouwing groots pakhuis geslaagde huisvesting
instituut sociale geschiedenis", Renovatie en Onderhoud, juni1989.
- Fouw, ir. T., "Wat kiezen we voor de gevel", Bouwwereld, maart 1989.
- Geerts, prof. dr. G., Heestermans, dr. H., Kruyskamp, dr. C., Van Dale, groot
woordenboek der nederlandse taal, Van Dale Lexicografie bv UtrechVAntwerpen,
elfde, herziene druk, januari 1984.
- Gerritse, ir. C., Integratie in de gevelzone, D.U.M.P., TH - Delft, 1986.
- Hartsuyker, E., "Gevels maken nog geen architectuur", deArchitect,Jhernanummer
gevels, 1982.
- Hulsbos, L., Bouwmethodiek 1/, fac. Bouwkunde, TU - Delft, 1990.
- Jencks, C., "Post-Modern Classicism", Architectural Design, 5/6 - 1980.
- Joedicke, J., Architecturesince 1945, 1969.
- Kleijer, ir. E., Ontwerpen van utilitaire gebouwen, Bk 208A, vakgroep OPBG, fac.
Bouwkunde, TU - Delft, 1989.
- Melis, L., "Massiviteit doorbroken, Atelier Pro verbouwt pakhuis", de Architect,
november1989.
- Meeuwissen, J., Heer, J. (red), Cornips M. H (red), Kleur en Architectuur,
Rotterdam 1986.
- Stigt, prof J. van, e.a., Atrium kantoorgebouw Amsterdam, fac. Bouwkunde, TU -
Delft, november1989.
- Randen, prof. ir. A. van, Groep van Randen, Gevel, TH - Delft, 1980.
- Tzonis, A., Lefaivre L., "Enkele facetten van de crisis in de moderne architectuur",
Bouw, nr. 26, 1982.
- Taverne, E.,"Architects without architecture" , Architectuur en Planning: Nederland
1940 - 1980, p.24 - 47,1983.
- Zwinkels, C., ''themanummer: Glas", de Architect, mei 1989.
50
----------
51
52
Deel 2
Geveltypen
Compositiesystemen
53
54
Verantwoording
Goede gevels ontwerpen is moeilijk, dat is bekend. Jarenlange werkzaamheden in
welstandcommissies en de begeleiding van de vakoefening 'Gevels ontwerpen' in
Delft hebben mij het inzicht gegeven dat het zelfs erg moeilijk is. Het blijkt dat bij
ontwerpers de voorkennis die nodig is om met redelijke kans op succes gevels te
kunnen ontwerpen, betrekkelijk gering is.
Van de vele aspecten die het uiterlijk van de gevel bepalen, heb ik getracht de
belangrijkste op een rij te zetten en met name die, welke de gevelarchitectuur het
meest beïnvloeden.
A. Helfferich
55
1. Inleiding
1.1 Welke aspecten?
Met enige overdrijving kan men zeggen dat de verschijningsvorm van de gevel de
architectuur zelf is. Immers de grond waarop men staat is er al en het dak, vooral als
het plat is, ziet men meestal niet. Er is veel over gevels geschreven, maar bijna altijd
over onderdelen: ramen en deuren, constructiesystemen, bouwfysische
eigenschappen, materiaaltoepassingen, stijlkenmerken. Weinig over manieren waarop
gevels ontworpen kunnen worden. Het onderwerp is ook erg complex.
Goed ontwerpen is nat'Jurtijk rekening houden met alle aspecten, maar er zijn zoveel
aspecten aan de gevel, dat er keuzes gemaakt moeten worden die altijd betrekkelijk
zijn.
Men kan gevels op vele manieren classificeren. Er zijn indelingen te maken op grond
van de materiaalkeuze, de constructiewijze, de stijl, de architectuuropvatting, de
kunsthistorische waarden, enz. De bedoeling is hier buiten te blijven en die aspecten
op te sporen, die overal en altijd aanwezig zijn en die de gevel in essentie bepalen.
Het gaat in dit verhaal om de visuele aspecten van de gevel. De architectonische
kwaliteit van een gevel is moeilijk exact te definiëren. Dikwijls bestaat er in het hoofd
van de ontwerper een esthetiek, die als toegevoegde waarde ten opzichte van de
puur functionele en bouwkundige wordt aangebracht.
Het gaat in en om gebouwen om de ruimte. Om de ruimte die door de vloer, de wanden
en het dak gevormd wordt. Het karakter van een ruimte binnen of wordt
behalve door de vormgeving van de gevels, ook bepaald door de afstand of juist de
nabijheid van de wanden of de gevels. De gevels krijgen hun expressie door de
materiaalkeuze, de plastiek, de indeling van de openingen, de textuur en de kleur.
Belangrijk is steeds de vormgeving van de gevel in relatie tot de directe omgeving.
1 .2 Hoe ziet men de gevel?
Het hangt er maar vanaf wie deze ziet en vanuit welke optiek men er tegenaankijkt.
Bijvoorbeeld vanuit het standpunt van:
de projectontwikkelaar, de ontwerper, de kunsthistoricus;
de voorbijganger, de eigenaarlbewoner, de huurder, de verhuurder;
de baksteenfabrikant, de houthandel, de betonelementenfabriek, het
staalbedrijf;
bouw en woningtoezicht, de brandweer, de welstand, enz.
AI die belangen, vooral de eigenbelangen, kleuren het oordeel en het vooroordeel
en bepalen de voorkeuren. Afgezien van belangen roepen gevels bij de beschouwer
ook emotionele en associatieve reacties op en die kunnen steeds anders uitpakken,
afhankelijk van de psychische ervaringen en de stemming van het moment bij de
betreffende persoon.
56
Vreemd, speels, overdadig,
versierd, oneerlijk, boeiend,
modieus ???
1.3 Objectieve en subjectieve kenmerken
Een bakstenen gevel is voor iedereen natuurlijk een bakstenen gevel. Dat lijkt waar.
Hoewel dat vaak nog niet zo zeker is. Je weet maar nooit wat in of vlak achter het
bakstenen oppervlak verborgen zit (zijn het geplakte steenstrips?).
De begrippen 'mooi' en 'lelijk' zijn zeer subjectief. Deskundigen kunnen tot op zekere
hoogte gelijksoortige oordelen geven. Maar in het algemeen blijken beoordelingen
sterk afhankelijk van de culturele achtergrond, de kennis en de ervaring van de
betreffende personen. Men kan een grove indeling in drieën maken:
1) gevels die bijna iedereen mooi vindt;
2) gevels die bijna niemand mooi vindt;
3) gevels waarin de verhouding ongeveer 50% ligt.
De vraag is: wat doe je ermee? Met de volgende contrasten zijn gevels ook te
karakteriseren. Bijvoorbeeld:
open-gesloten herkenbaar-vreemd
zacht-hard speels-strak
zwaar-licht sober-overdadig
chaotisch-ordelijk goedkoop-duur
boeiend-saai kaal-versierd
licht-donker eenvoudig-deftig
modieus-tijdloos eerlijk-oneerlijk, enz.
Maar wat de één 'open' vindt, vindt de ander nog 'gesloten'. Wat de één boeiend
vindt, vindt een ander saai. Het zijn allemaal subjectieve kenmerken net als 'mooi' en
'lelijk'.
Met dit soort tegenstellingen categorieën maken, heeft naar mijn mening weinig zin.
Het blijft subjectief en leent zich nauwelijks voor onderzoek.
Welke architectonische aspecten van de gevel redelijk objectief zijn en zich wel voor
onderzoek lenen, probeer ik in de volgende hoofdstukken duidelijk te maken.
57
2. Analyse van gevels
2.1 Wat is een gevel?
Een gevel is een deel van een gebouw. Op zich heel vanzelfsprekend. Gebouwen zijn
te splitsen in ruimtedelen, bouwdelen en bouwelementen. Ruimtedelen bijvoorbeeld:
de ruimtelijke structuur, het ingangsgebied, het verkeersgebied. Bouwdelen
bijvoorbeeld: de gevel, het dak. Bouwelementen bijvoorbeeld: een balk, een
raamkozijn. Grenzen zijn natuurlijk nooit scherp te trekken. Na de eerste deling zijn
verdere delingen mogelijk.
Het gevaar van het bestuderen van onderdelen is dat men tracht een onderdeel te
isoleren en daarmee dan ook een geïSOleerde oplossing nastreeft en krijgt. Alle
onderdelen hebben onderling verband en als we trachten elk facet afzonderlijk op te
lossen, scheppen we verdeling en bouwen voor de gebruiker conflict in. Dat is het
gevaar van elk specialisme.
Het denken zelf verdeelt, omdat het denken probeert een antwoord te vinden voor een
speciaal probleem, apart van alle andere problemen, de nooit ophoudende analyse
van een onderdeel. Elk onderdeel is weer te splitsen in een aantal problemen en dat
is door analyse weer te verdelen. De analyse van de analyse, een doodlopende weg.
Belangrijk is het vermogen om de verbanden in de gaten te hebben en die aan te
duiden, waarmee het onderdeel steeds in het geheel geplaatst wordt. Via de studie
van de delen te komen tot een beter begrip van het geheel. Het gaat om de synthese.
Het gaat nooit alleen om het onderdeel, maar vooral om de relatie met de omgeving
van het betreffende onderdeel. Het komt vaak voor dat maatregelen, ter oplossing
van één aspect van het onderdeel, geen stand houden en zelfs leiden tot het slechter
worden van de andere aspecten van het onderdeel. Waarlijk goede oplossingen
moeten alle aspecten omvatten. In een systeem dat uit delen bestaat, die organisch
met elkaar verbonden zijn, hangt de afmeting van het ene deel af van de afmeting van
de andere delen.
Belangrijk lijkt niet alleen het soort onderdeel, maar ook de manier van aanpak. Het
onderdeel totaal te bezien tegen een zo breed mogelijk spectrum van
criteria.
Een gevel is een onderdeel van een gebouw, dat een zekere scheiding tussen binnen
en buiten teweeg brengt, o.a. tegen:
het klimaat; regen, wind, zon, teveel licht, vervuilde lucht;
geluid van buiten, zien en horen door anderen;
ongewenste toegankelijkheid door anderen.
Een gevel is een ti Iter, dat naar twee kanten moet werken:
dingen erin: licht, lucht;
58
dingen eruit: vocht, afgewerkte lucht;
doorlaten: bevriende personen;
tegenhouden: inbrekers, insecten.
Gevelanalyse
Banco Populare di Verona,
Carlo Scarpa
Assen en vlakken,
- compositie
- symmetrie I a-symmetrie
- ritme
Gelaagdheid van de gevel:
- vlak
- dieper liggend
- opliggend
Materialen:
-staal, glas, brons
-stucwerk
-natuursteen
Rechts: een detail van de
natuurstenen band die tussen
het stucwerk en de travertin-
platen loopt.
11
I 11 11 11
1 j=j=
DI
0-
I
1
I'
.r-:
II! 11 I1 I11
I!IUJ
0
000 0
I 10
P l]
CJCJD
88LJ[
o 0 000 0
Lr-L-
B BB
ÇlQ p-
I 11

lJI[
o D 1illi

0
D 0 DDD DO i I
I 11 10

---u----uu=

= I
== -
"111" or Jl nn

59
........ lu_
D
......... U I Juli 11
Ir
MASSIEVE
STRUCTUUR
VLAKKENGEVEL

GATENGEVEL
KNIPGEVEL ~
omkeergevel
60
••

SCHIJVEN
STRUCTUUR
KOLOM
STRUCTUUR
SKELETGEVEL
gelaagde gevel vliesgevel
De gatengevel en de
skeletgevel zijn principieel
elkaars tegengestelde. In het
ene geval is de muur het
uitgangspunt, in het andere
geval de lege ruimte tussen
de kolommen.
In deze driehoek die door
prof. Ronner (ETH Zürich) is
ontwikkeld, worden drie
structuur-modellen en hun
mengvormen in beeld
gebracht. Dergelijke
hoofdindelingen zijn ook van
toepassing op gevels.
De vijf basis-geveltypen met
enkele varianten.
l
Het tweeslachtige karakter van de gevel is ook dat het de omsluiting van de
binnenruimte vormt en de sfeer daarvan bepaalt, maar dat het tevens de sfeer van de
buitenruimte bepaalt (plein, straat).
Eigenlijk zijn er altijd, zoals bij de spouwmuurconstructie, twee gevels, de
'binnenkantgevel' en de 'buitenkantgevel'. Men kan gebruik maken van dit aspect,
door de dubbele gevel ook echt te maken (zie 2.2). Daardoor ontstaat een
gevelzone met een zekere dikte: overgangszone, overgangsgebied, bijvoorbeeld een
loggia, winkelgalerij, balkon met doorlopend hekwerk en pergola. Er ontstaan dan
twee gevels met een tussengebied.
2.2 Geveltypen
Grof ingedeeld zijn er twee manieren van werken; àf men ontwerpt een muur waarin
men als het ware gaten hakt of spaart, àf men ontwerpt in de gevel een
openwandconstructie van kolommen en balken (hout, staal of beton). Nu is het
probleem niet hoe spaar je gaten, maar hoe vul je de openingen. Hiermee ontstaat de
'gatengevel' (of perforatiegevel) en de 'skeletgevel' (of invulgevel).
De geveltypen zijn principieel elkaars tegengestelde. In het ene geval is de muur het
uitgangspunt, in het andere geval de lege ruimte tussen de kolommen.
Naar analogie van de driehoek van Ronner bestaat er naast de 'gatengevel' (nadruk
drie-dimensionaal) en de 'skeletgevel' (nadrukééndimensionaal) de 'vlakkengevel'
of schijvengevel (nadruk tweedimensionaal). Dit type wordt in de Westerse wereld
pas na de eerste wereldoorlog ontwikkeld (Mies van der Rohe, Rietveld).
In Japan bestaat de 'vlakkengevel' al veel langer, waarschijnlijk sinds het eind van de
middeleeuwen.
Na de tweede wereldoorlog ontstaat uit de 'gatengevel' en de 'vlakkengevel', wat ik
hiema wil noemen, de 'knipgevel' (of omkeergevel) (zie 2.6) en als laatste grondvorm
de 'dubbelegevel' ; een combinatie van meestal een 'skeletgevel' en een 'gatengl'>' ':j"
op een zekere afstand van elkaar. Een type dat vooral in warme landen voorkomt en
reeds lang bestaat (zie 2.7). Hiermee zijn vijf grondvormen van gevels benoemd,
welke onafhankelijk zijn van de stijl, de materiaalkeuze en het compositiesysteem
(zie 5.2). Dit afgezien van de varianten die daaruit ontwikkeld kunnen worden (zie
schema).
61
2.3 De 'gatengevel'
In de 'gatengevel' is er een duidelijk verschil tussen de muur en het gat (de niet
aanwezige muur). De nadruk ligt op gaten sparen, gaten prikken. Wat de muur
letterlijk en figuurlijk reduceert zijn de gaten erin. Een gat wordt van buitenaf gezien,
meer gat naarmate de muur dikker wordt en het glas meer achterin geplaatst wordt.
De 'gatengevel' is al zo oud als de mensheid - de holbewoners kenden bij wijze van
spreken al het begrip 'gatengevel' - en is blijkbaar nog steeds nieuw.
Op het gevelvlak van de 'gatengevel' kan men, om te beginnen, altijd een soort
'ruimtelijke ordening' toepassen door de gevelonderdelen een zodanige plaats te
gunnen, dat zij elkaar niet storen, maar ondersteunen. Het gaat hierbij tevens om het
toedelen van de meestal beperkte gevelruimte aan de gevelopeningen en de
gevelelementen, waaromheen zich de activiteiten afspelen.
Men kan in feite alle gevels van alle denkbare gebouwen met de 'gatengevel'
ontwerpen en tevens voldoen aan alle eisen van gebruik, verlichting, ventilatie,
optimale indeelbaarheid van de achterliggende ruimten, etc. Ontwerpers en
producenten van gevelelementen bedenken echter steeds nieuwe, niet altijd betere,
oplossingen. Zo ontstaan vanzelf de verschillende geveltypen en het grote aantal
varianten daarop.
62
Gaten prikken in de muur,
de dikte van de muur wordt
zichtbaar.
Il IH-l
~ Jtlli
Vlak met gat. Veel gaten:
toch
ontstaat er
geen
skeletvorm,
het
muurvlak
blijft
herkenbaar.
Gatengevels
Het licht strijkt langs de gevel
en accentueert de gaten en
de onderdorpels door
schaduwen.De indeling van de
gaten deelt het lange blok in
stukken en maaktde ingangen
en trappen zichtbaar.
Gaten in metselwerk krijgen
toevoegingen in het geveI-
vlak om water van de gevel af
te voeren, en om de krachten
boven het raam over te
dragen;
-bogen, lateien of strekken,
-loodslabben (soms met een
versierd randje),
-stukken hardsteen of
betonblokjes bij de hoeken,
-raamdorpelstenen of
profielen aan de onderzijde.
Bij stucwerk gevels zijn
dergelijke toevoegingen aan
de gaten minder zichtbaar,
ze krijgen daardoor een
abstracter uiterlijk, de hoofd
massa's van het gebouw
worden beter zichtbaar.
De gaten in de gevel kunnen
sterk van karakter verschillen.
Hier ontstaan de verschillen
door stucwerk structuren op
het gevelvlak, door de vorm
van de randen, door de maat
van de gaten en door de
indeling en materialisatie van
de ramen.
63
2.4 De 'skeletgevel'
In de 'skeletgevel' of openwandgevel of invulgevel is er het contrast tussen het skelet
(de kolommen en de balken) en de in te vullen ruimte; de open vakken. Het probleem
van de 'skeletgevel' is niet alleen de kolomstelling, maarvooral wat gebeurt ertussen
de kolommen. De nadruk ligt op het vullen. Hoe vul je de ruimte tussen de kolommen
en de balken? De vormgeving van de invulling bepaald meestal het beeld van de
gevel. De invulling kan glas of een dicht paneel of iets ertussenin zijn. Het gat tussen
de kolommen valt als gat weg; het gat wordt paneel. De skeletgevel zal, net als de
gatengevel, zeer oud zijn - al is daar uiteraard door de vergankelijkheid van het
materiaal hout niets meer van bewaard gebleven.
Een variant van de skeletgevel is de z.g. gordijngevel of vliesgevel, waarbij de wand
gereduceerd wordt tot een licht stijl- en regelwerk met glasvulling, met daarachter
(meer naar binnen) het dragende skelet. De gevels met de z.g. structurele beglazing
zijn meestal 'dubbele gevels' of 'gelaagde gevels' (zie 2.7). Een betonnen gatengevel
met daar overheen geschoven een vliesgevel. Als er geen stijlen en regels zichtbaar
zijn, ontstaat het typische gladde 'blauwe walvis' effect.
64
1II IIIII III
Skeletgevel
11 I I 111 I I I1
Knipgevel
r-r-
r=
~ f-
~
Kmpgevel
Als de balk van een
skeletgevel zo hoog wordt
gemaakt dat heteen muurvlak
wordt, of als kolommen
worden verbreedt tot
schijven, dan ontstaat de
knipgevel.
Skeletgevels
e
I I
(9
Bij deze vliesgevel is het
dragende skelet van
kolommen, balken en vloeren
los achter het gevelvlak
geplaatst.
De balken zijn in de
borstweringen opgenomen en
in de ruimte tussen deze
borstweringen en de gevel kan
de warme lucht uit de ruimte
worden afgezogen.
De vliesgevel is hier 100%
glas, de draagconstructie
staat geheel achter het
gevelvlak en de voegen
tussen het glas zijn gekit.
Een afgespannen draad
constructie neemt de krachten
op die loodrecht op het
gevelvlak staan.
Deze vliesgevel is
opgebouwd uit grote panelen
met daarachter een
gatengevel.
65
2.5 De 'vlakkengevel'
In de 'vlakkengevel' overheerst sterk het tweedimensionele beeld van het vlak of de
schijf, dat uiteraard het kenmerk daarvan is. In de 'vlakkengevel' zijn de openingen
geen doorbrekingen, maar onderbrekingen van het muurvlak. Een raam wordt
daarmee een pui.
De 'vlakkengevel' ontstond bewust pas na de eerste wereldoorlog. De mogelijkheden
van de zuivere vlakkengevels lijken vanuit hun basisprincipe veel beperkter dan
bijvoorbeeld gatengevels. Een grote opening tast het
vlak aan.
66
~
~
~
~
~ ~

~ ~
~
~
~ ~

~ ~
~
~
~ ~

Het zelfde gatoppervlak
verdeeld over een groot
aantal kleinere gaten
behoudt het vlak als één
geheel.
De bekendste vlakkengevel.
Het thema van autonome
vlakken is hier niet alleen van
toepassing op de gevel, maar
ook op het dak, de vloer, de
lange muur en het water. Door
de hoofdvormen onaangetast
te laten, is elk vlak duidelijk
herkenbaar.
Knipgevels
2.6 De 'knipgevel'
Naar analogie van het bekende prentje, waarin bf een vaas bf twee gezichten
zichtbaar zijn, is goed de 'knipgevel' of de 'omkeergevel' te karakteriseren. Dit is een
na 1945 ontwikkeld en veel gebruikt geveltype. Het wisselend effect geeft de gevel
iets ambivalents, beide effecten moeten gecontroleerd worden; de vorm van de
uitgeknipte openingen en apart, de overblijvende vorm.
67
2.7 De 'dubbele gevel'
De 'dubbele gevel', een veel gebruikt geveltype in warme landen, is altijd een
combinatie van bijvoorbeeld twee 'skeletgevels' of een 'skeletgevel' en een
'gatengevel' op een zekere afstand van elkaar. Daardoor ontstaat een tussengebied
met een bepaalde gebruikswaarde, bijvoorbeeld een winkelgalerij of een veranda. In
landen met minder zon komt dit type uiteraard niet veel voor, omdat het interieur dan
te weinig daglicht ontvangt. Om toch een zekere plastiek te verkrijgen, schuift men
de gevels direct over elkaar, waardoor de 'gelaagde gevel' ontstaat. Het voordeel
van de 'dubbele gevel' is dat met een formele 'skeletgevel' aan de voorzijde, de
openingen in de op afstand gelegen 'gatengevel' geheel willekeurig geplaatst kunnen
worden, aangezien die nauwelijks invloed op het gevelbeeld hebben. Flats met
gallerij-ontsluiting en gebouwen met giazenwas-ivlucht- balcons hebben een zeer
utilitaire dubbele gevel.
68
Dubbele gevels
DD DD
~ ~
[I
o D 0 0
DO
Gelaagde gevel, een optell i ng
van gevelvlakken.
De kopgevel van di t
gerenoveerde woongebouw is
voorzien van balkons en een
raster waar planten langs
omhoog kunnen groeien, zo
ontstaat er een minder saaie,
dubbele, kopgevel.
69
2.8 Richtingen in de gevel
Heel belangrijk voor het beeld is de hoofdrichting van de gevel, meestal is de
gerichtheid zelfs bepalend voor de hoofdindruk van de gevel. Er zijn in principe drie
mogelijkheden: verticaal, horizontaal en neutraal.
Op een verticale (gevel)periode volgt dikwijls een horizontale (gevel)periode (als
reactie). Het lijkt of de geschiedenis zich steeds herhaald; na de verticale gotiek, de
horizontale renaissance. Na de horizontale renaissance de verticale barok en daama
het nogal horizontale classicisme. Na het verticale eclecticisme (neo-gotiek, e.a.),
aan het eind van de negentiende eeuw, volgen de horizontale gevels van de
'stijlgroep' en de 'nieuwe zakelijkheid'. Aan het eind van deze eeuw de 'post-
modeme' periode; motieven uit verschillende stijlperioden worden in één gevel bijeen
gebracht, met meestal weer een verticale gevelindeling. Door toeval eindigt blijkbaar
deze eeuw weer even 'kitscherig' als de negentiende eeuw. Waarschijnlijk brengt het
begin van de eenentwintigste eeuw versobering en vemieuwing.
2.9 Verticaal
Verticale gevels zijn gevels met een verticale structuur. De plastiek en de openingen
zijn zodanig gevormd dat een duidelijke verticale richtlijn overheerst. Over het
algemeen zal een nieuwe, 'verticaal' ontworpen gevel beter passen in een historische
stadswand met verticale gevels, dan een horizontaal ingedeelde gevel. Ook in een
nieuwe, stedelijke locatie zal een verticaal ingedeelde gevel het vaak beter doen;
juist omdat zoveel stedelijke elementen horizontaal zijn: wegen, verkeersstrepen,
trambanen, bedradingen, trottoirbanden, luifels, dakgoten, enz., levert een horizontaal
ingedeelde gevel een teveel aan horizontale lijnen op.
70
1-
Horizontaal
11

1I1
Verticaal

Neutraal
11=11
I
-
••
Horizontaal en verticaal
gecombineerd in een kleine
gevel geeft een onrustig
beeld. Bij voldoende
tussenruimte kan het wel
samen gaan.
Verticale gevels
Horizontale gevels
2.10 Horizontaal
Horizontaal in gedeelde gevels versterken uiteraard de lengtewerking van een
gebouw. Er ontstaat daardoor dikwijls een nadruk op het horizontale verkeer in het
gebouw. Wat in bepaalde gebouwen, zoals bijvoorbeeld een luchthavengebouw op
zijn plaats is, maar wat in gestapelde woningbouw als niet prettig wordt ervaren. Het
lopen langs de galerijen wordt als het ware extra benadrukt. Extreem voorbeeld zijn
de beruchte 'Bijlmermeerflats'.De horizontale galerijen en balkons versterken een
overdreven perspectief naar de horizon. Een gevoel van wegwezen, weg met de
metro naar Amsterdam centrum. De herkenbaarheid van de eigen woning valt voorde
bewoners totaal weg. Men heeft getracht hiervan alles aan te doen, door met kleuren
en bouwkundige elementen (trappenhuizen) verticale accenten aan te brengen, met
matig
Horizontale lijsten en regels geven evenzoveel extra aanhechtingsmogelijkheden
voor vuil. Datgene wat blijft liggen op de horizontale vlakken in een vervuild, zuur
klimaat verhoogt de schoonmaak- en onderhoudskosten aanzienlijk.
71
------------------------------------------------------- ---
2.11 Neutraal
Sommige gevels kunnen, wat betreft hun richting, als 'neutraal' worden omschreven.
Er zijn in principe twee manieren om een gevel 'neutraal' te ontwerpen, dat wil
zeggen, dat er geen overheersende richting in voorkomt. Ten eerste: uitgaan van een
zodanige verdeling van horizontale en verticale elementen, zodat geen enkele
richtzing overheerst, maar dat een zeker evenwicht daartussen wordt bereikt.Ten
tweede: meteen uitgaan van neutrale grondfiguren, vierkanten, cirkels of driehoeken,
zodat een patroon ontstaat en er vanzelf geen richting in de gevel aanwezig is.
Extreme voorbeelden zijn de 'vierkante' gevels van Aldo Rossi en Richard Meier.
72
Vierkante, neutrale
gevelindeling van Rossi.
Links: de diagonalen voor
dwarsstabiliteit in de
draagconstructie bepalen hier
het gevelbeeld.
Rechts: de bouwvolumes
geven hier een verticale
richting aan de gevel, maar
de uitsparingen voor de
balcons zijn juist bandvormig
en horizontaal.
De aanpassingen aan de gevel
van dit pakhuis laten zien dat
er andere ruimten en functies
in het gebouw zijn gekomen.
Achter de lange glasstrook
zit een studieruimte met zicht
op het water en achter het
met glas gevulde, vierkante,
glasvlak zit een vide met de
kantine en een
tentoonstellingsruimte.
Het gesloten deel heeft nog
steeds een opslagfunctie die
geen daglicht nodig heeft.
2.12 De ruimten achter de gevel
De keuze van het geveltype is natuurlijk erg afhankelijk van de functie van de
achterliggende ruimten. Evenzo beperkt het gekozen geveitype de functie van de
achterliggende ruimten. De mogelijkheid om tussenwanden achter de gevel te
plaatsen hangt, behalve van de draagstructuur, volledig af van het gekozen geveltype.
De 'skeletgevel' blijkt in dit opzicht veel minder vrij te zijn dan de 'gatengevel' . De
'gatengevel' is in het voordeel, omdat men over de breedte van de penanten
betrekkelijk willekeurig scheidingswandjes kan plaatsen. Muurdammen, brede
kolommen en veel stijlen vergroten de mogelijkheid om de achterliggende ruimte in
kleinere vertrekken in te delen. Wat dat betreft zijn 'verticaal' ingedeelde gevels veel
handzamer in het 'gebruik' en in het 'hergebruik' dan horizontaal ingedeelde gevels;
de veranderbaarheid en daarmee de bruikbaarheid van een gebouw wordt sterk
vergroot. Dichte panelen en veel stijlen in de puien van de 'skeletgevel' verruimen
uiteraard de mogelijkheid om wanden te plaatsen. Worden de kolommen en de balken
om redenen van isolatie weggewerkt, dan ontstaat in feite weer de 'gatengevel' ,
waarbij als het goed gaat toch nog iets van de skeletstructuur zichtbaar blijft.
In Nederland is het de gewoonte om de voor- en achtergevel niet dragend, maar in
een lichte constructie met veel glas uit te voeren. Direct na de tweede wereldoorlog
was dit trouwens in veel steden een eis van bouw- en woningtoezicht. De voor- en
achtergevel kunnen er nu uitklappen, zonder dat de draagstructuur wordt aangetast
(bijvoorbeeld bij een gasontploffing in de straat). Er ontstaat een groot karakterverschil
tussen voor- en achtergevel en de dichte zij- of sluitgevels. Dit zat trouwens reeds in
hettraditionele grachtenhuis ingebouwd. In de loop van de eeuwen werd de voorgevel
steeds aangepast aan de mode en de veranderende architectuuropvatting, terwijl de
draagstructuur van het achterliggende huis in tact bleef (de 'voorzetgevel').
73
3. Gevel en klimaat
3.1 Inleiding
Klimatologisch gezien is de gevel een bouwkundig onderdeel, dat een zekere
scheiding tussen het binnen- en buitenklimaat teweeg moet brengen. De gevel
ondervindt uiteraard veel invloed van de klimaatzone, waarin hij staat. Vooral bij de
oudere oorspronkelijke gebouwen is dit te zien, omdat men vroeger noodgedwongen
meer rekening met het klimaat moest houden (o.a. de beperkte
verwarmingsmogelijkheid).
De meeste atlassen hanteren de klimaatindeling van de bioloog W. Köppen u ~ 1918.
Met de twee belangrijke klimatologische elementen; de luchttemperatuur en de
neeïslag, worden uit vijf hoofdgroepen (A tlm E) elf klimaatzones onderscheiden.
A Tropische regen klimaten
- tropisch regenwoudklimaat (Af)
- savanneklimaat:
met droge zomer (As)
met droge winter (Aw)
B. Droge klimaten
- steppenklimaat (Bs)
- woestijnklimaat (Bw)
c. Gematigde regenrijke klimaten
- neerslag in alle jaargetijden (Cf)
- met droge zomer, Mediterraan klimaat (Cs)
- met droge winter, Chinees klimaat (Cw)
D. Continentale klimaten
- zonder uitgesproken droge tijd (Df)
- met droge winter, Oost-Siberië (Dw)
E Sneeuwklimaten
- toendraklimaat (Et)
- klimaat van de eeuwige vorst en
hooggebergteklimaat (Ef en Eh)
Lettersymbolen stellen klimaatformules voor; elk volgende letter in het symbool bevat
een nadere detaillering van een bepaald klimaat. Nederland valt in de klimaatzone
(Cfb):
C: gematigd, regenrijk klimaat koudste maand, warmer dan -3°C,
maar kouder dan 18°C
f: neerslag in alle jaargetijden
b: gemiddelde temperatuur van de warmste maanden beneden
22°C, maar meer dan vier maanden met een gemiddelde
temperatuur boven 10°.
74
Wereldkaart je, schema van
klimaatverdeling.
De invloed van het klimaat
op de woningtypen in
frankrijk.

••• warm, droog
koud, nat
koud, droog

û
".,- .-
/' .
/
// +20°c in juli
/ Cfb

75
Frankrijk heeft vier klimaatzones:
Cfb vochtig, gematigd klimaat (in het noord-westen);
CS Mediterraan klimaat, droge zomer (het zuiden);
Dfb continentaal klimaat, zonder uitgesproken droge tijd (het noord-
oosten);
8-l hooggebergte klimaat (Alpen, Pyreneeën).
Voorbouwkundige doeleinden zijn door samenvoeging van de 0- en de E-klimaten (in
E wordt niet veel gebouwd) vier hoofd klimaten te onderscheiden. Anders gezegd, de
klimaten op aarde zijn te verdelen in warme en koude klimaten, welke weer zijn te
verdelen in: warm en nat, warm en droog, koud en droog, koud en nat. Zo ontstaan
vier basisklimaten waarbij typische, door eeuwenlange ervaring, ontwikkelde en
aangepaste geveloplossingen horen. Deze grove indeling gaat voorbij aan allerlei
overgangsklimaten en miniklimaten. Het maakt ook wel uit of de neerslag het hele
jaar valt in een bepaald klimaat of hoofdzakelijk in de winter (Mediterraan klimaat) of
alleen in de zomer (Chinees klimaat). Bovendien is in sommige klimaten de zomer
koud en de winter relatief warm (mild), zoals bijvoorbeeld in Ierland.
In de grote, stedelijke agglomeraties zijn de temperaturen 2 à 3 'C warmer dan in het
omliggende platteland en er is extra vochtigheid in de steden die ontstaat door
uitlaatgassen en menselijke uitademing. In Nederland juist weer niet, omdat vooral
in het westen zoveel water op het platteland voorkomt. In het miniklimaat van
Nederland zijn niet alle geveltypen geschikt. Echt rekening houden met het klimaat
in Nederland kan zeer veel kosten besparen.
Gelijke klimaten zorgen meestal voorgelijke geveltypen. De reden waarom bijvoorbeeld
de gevels van de chalets uit het Alpengebied, Baskenland en sommige gebieden in
de Himalaya op elkaar lijken is het gelijke klimaat.
Een reis naar het noorden van Skandinavië is bouwkundig gesproken, h e t z e ~ d e als
een tocht van een laagvlakte naar een berggebied, bijvoorbeeld de Alpen. Men zal
min of meer dezelfde klimaatzones passeren en d e z e ~ d e geveltypen en daktypen
achtereenvolgens tegenkomen. Uiteraard is het klimaat niet de enige reden voor een
vormovereenkomst of vormverschil. Allerlei culturele invloeden spelen ook een rol.
Waren er in 1650 ca. 500 miljoen mensen op aarde, in 1990 zijn dat er tienmaal
zoveel; 5 miljard. Het is zeker dat door menselijke activiteiten de klimaatzones gaan
verschuiven en veranderen. Hoe precies, schijnt nog niet duidelijk te zijn.
76
Overeenkomst in klimaat
geeft soms een overeen komst
in het gevel- en daktype.
Links: Oberammergau,
Beieren.
Rechtsboven: Vera de
Bidusoa, Spaans Baskenland.
Rechtsonder: Bhutan,Tibet.
77
3.2 Warm en nat
Warm en nat; het tropische regenwoudklimaat. Voorbeelden: Indonesië, Zaïre,
Suriname, Sri Lanka.
Warm en nat betekent:
overdadige plantengroei, veel hout;
temperatuurverschil dag en nacht gering ca. 5°C;
vocht heeft een nivellerende werking;
het hele jaar door ca. 30°C;
veel stortbuien, af en toe orkanen;
platte daken niet gewenst, i.v.m. plassen op het dak, waarin de larven
van de malariamuskiet zich ontwikkelen;
dus bijna altijd hellende daken.
factoren van belang voor de gevel:
warme-accumulatie heeft geen zin;
dikke, isolerende wanden zijn niet nodig;
dunne, tralie-achtige rasterwerkwanden, soms dicht voor meer
privacy;
open, ondiepe gebouwen met veel ventilatiemogelijkheden;
enig dakoverstek tegen de regen;
doorlopende veranda's om het gebouw;
arcades geven schaduwen bescherming tegen de regen;
overdekte balcons verschaffen extra verblijfsruimte in de frisse lucht
en geven schaduw aan het raam of verdieping eronder.
Geschikte geveltypen:
Eigenlijk alleen de 'dubbele gevel', bestaande uit tweemaal de 'skeletgevel' of een
'skeletgevel' aan de buitenkant en een 'gatengevel' of een 'vlakkengevel' aan de
binnenkant.
78
Woning in het tropische
regenwoud klimaat, bijv. een
papua woning.
,Sit
. . ... : .. ..
Door luchtsleuven in de gevel
aan te brengen ontstaat een
natuurlij ke ventilatiestroom in
de ruimte tussen het plafond
en het dak Het dak werkt
daardoor als een
zonnescherm met een
geventileerde spouw.
Een modern gebouw in
Suriname, het overstek zorgt
voor schaduw op de gevel , de
open strook bij het dak is de
inlaat voor natuurlijke
ventilatie. De gevel met de
ventilatie strook staat onder
een hoek van 45· ten opzichte
van de overheersende
windrichting.
3.3 Warm en droog
Warm en droog betekent door de afwezigheid van water in extreme gevallen 'het
woestijnklimaat'. Voorbeelden: delen van Spanje, de Arabische landen, Iran, Pakistan,
Califomië, Arizona.
_ ...... .....lo...::...;....;;;"'""-___ ~ À I o . . . Warm en droog betekent:
Woning in een warm en droog
klimaat, bijveen arabische
woning.
Door toepassing van zware
gevels en daken ontstaat een
groot thermisch accumulatie
vermogen, de vensters zijn
klein: binnen blijft het
daardoor aangenaam donker
en koel.
geen regen, geen hout;
temperatuurverschil dag en nacht groot (door de afwezigheid van vocht
in de lucht);
als het waait, stofwind;
platte daken, 's avonds verblijfsruimte op het dak;
platte dak dient voor opvang regenwater (als het een keer regent).
Faktoren van belang voor de gevel:
zware wanden, steen, klei;
zware hitte absorberende bouwmaterialen die de grote dergelijke
temperatuurschommelingen verminderen, doordat ze gedurende de dag de
hitte absorberen en in de nacht langzaam weer afgeven;
kleine diepliggende openingen;
draaibare panelen tegen zon en stofwind;
vlakke witgesausde daken en wanden (reflecteren de hitte).
Geschikte geveltypen:
De 'gatengevel' met kleine openingen. De 'dubbele gevel' met aan de buitenkant de
'skeletgevel' en een 'gatengevel' aan de binnenkant.
79
3.4 Koud en droog
Koud en droog, extreem is dit het poolklimaat. Voorbeelden: Lapland, Siberië, Noord
Canada, maar ook de Alpen, de Pyreneeën en de Himalaya.
Koud en droog betekent:
geen vocht in de lucht, groot temperatuurverschil tussen dag en nacht
en zomer en winter (- 30°C en + 30°C);
neerslag in de vorm van sneeuw;
niet veel wind, soms sneeuwstorm.
Faktoren van belang voor de gevel:
zwaar geïsoleerde wanden en daken;
kleine openingen;
flauw hellende daken met een overstek, om sneeuwvrij om het huis te
kunnen lopen;
het met sneeuw bedekte dak werkt als extra isolatie.
Geschikte geveltypen:
Eigenlijk alleen de 'gatengevel' met kleine openingen.
80
# ........... ............. .
,
Woning in een koud en droog
klimaat, een chalet.
Chalet met gaten gevel in een
koud en droog klimaat, de
luiken voor de ramen geven
extra bescherming tegen de
koude.
Woning in een koud en nat
klimaat, bijv. een nederlandse
woning.
3.5 Koud en nat
Koud en nat; het zogenaamde gematigde klimaat o.a. het Nederlandse klimaat.
Voorbeelden: - NoordWest Europa, Noord Amerika, Noord China, Japan.
Koud en nat betekent:
veel regen, veel hout;
veel rivieren, klei voor baksteen;
door de nivellerende werking van het vocht weinig verschil tussen zomer- en
wintertemperatuur en tussen dag- en nachttemperatuur;
bewolkte lucht;
regelmatig regen en regelmatig veel wind, meestal samen optredend.
Faktoren van belang voor de gevel:
licht en warmtestraling gewenst, daarom bijvoorbeeld in Noorwegen, Noord-
West Spanje en Nederland traditioneel ondanks warmteverlies in de winter
toch grote ramen, open voor licht en lucht;
zoveel mogelijk warmte van de zonnestraling vangen, dus donkere kleuren
voor dak en gevels;
compacte bouw, minimaal buiten oppervlak bij maximaal volume.
Geschikte geveltypen:
De meeste geveltypen zijn geschikt zoals: de 'gatengevel', de 'skeletgevel ', de
'vlakkengevel' en de 'knipgevel'. Het minst in aanmerking komt de 'dubbele gevel'
omdat er daarmee te weinig daglicht binnenkomt.
3.6. Conclusie
Overziet men de vier klimaten dan blijkt dat in het klimaat 'koud en nat'; wat door de
nivellerende werking van het vocht relatief het meest gematigde klimaat is; het meest
met de geveltypen mogelijk te zijn. Ramen zijn nodig wanneer er weinig licht is.
Daarom hebben ramen meer vooruitgang geboekt in bewolkte donkere klimaten. Dat
is dan ook de reden, waarom de gevels in de gematigde klimaatzones een belangrijkere
ontwikkeling hebben doorgemaakt dan in andere meer extreme klimaten. Noord-
West Europa met zijn typische 'gevelarchitectuur' is hiervan het meest sprekende
voorbeeld.
81
4. Het raam in de gevel
4.1 Het raam in relatie tot het gevelvlak
Het beeld van de gevel wordt vooral bepaald door de vorm en de veelheid van de
raamopeningen; dit omdat ramen meestal meer voorkomen dan deuren. En het zijn
ook meestal de ramen die door hun vorm de 'richting' van de gevel bepalen.
Vierkante en ronde ramen hebben geen richting en maken het gevelvlak uitgesproken
neutraal. Het gaat altijd om de relatie van het raam tot een bepaald gevelvlak. Een
neutraal vierkant raam wordt bijvoorbeeld ineens veel agressiever in het gevelvlak
als het een kwartslag gedraaid wordt.
Soms komt het gevelvlak naar ons toe als een dicht plat vlak, soms als een
opengewerkt vlak met ramen en deuren en soms kan het gevelvlak met uitstekende
balcons en inspringende hoeken zo worden aangetast dat het als vlak bijna niet meer
waameembaar is. Als de assen van de ramen verspringen per verdieping, werkt de
hele gevel meer als vlak, dan als de assen van de ramen op elke verdieping loodrecht
boven elkaar staan, zodat de gevel in staande stroken wordt verdeeld.
Het raam is een 'tegenstrijdig' element in de gevel. De tegenstrijdigheid is dat het
zowel open als dicht moet kunnen zijn. Toch is het open-zijn het meest karakteristiek,
dit in contrast tot het dicht-zijn van de muur. Er is een wezenlijk verschil tussen een
raam en een pui. Een raam is een doorbreking van het gevelvlak, een pui is een
onderbreking van het gevelvlak.
Bekijkt men de plaats van het glas (al of niet in een kozijn) in de gevel, dan blijkt dat
de negge zeer belangrijk is voor het gevelbeeld. Een neggemaat van 4 cm in een
bakstenen spouwmuurwerd vroeger als ideaal gezien: een vemouding van ongeveer
1:2 met het aanzicht van de kozijnstijl.
Een ongeïsoleerd stalen raam uit de jaren vijftig, achter in de muur geplaatst geeft
van buitenaf gezien het meest de indruk van een 'gat' in de muur. De dikte van een
wand kan trouwens alleen bij de openingen zichtbaar worden gemaakt.
Een kozijn met glas midden in de relatief dunne Nederiandse spouwmuur geplaatst
is eigenlijk de minst interessante oplossing, zowel binnen als buiten ontstaan
vensterbanken, waaraan men eigenlijk niets heeft. Wordt het gelijk met het
geveloppervlak geplaatst, dan valt het raam als gat weg en wordt mede door de
spiegeling van het glas één geheel met het buitenoppervlak van de gevel. Met een
breed kozijn voor in de muur of een omlijsting wordt het raam een zelfstandig
element in de gevel, waar men door heen kijkt. Brengt men het raam nog meer naar
buiten dan ontstaat via het zogenaamde 'bloemen raam' de 'erker', een los op de
gevel aangebracht plastisch element, of uiteindelijk een aparte aangeplakte
bouwmassa, uiteraard mogelijk met de huidige techniek die grote overstekken
mogelijk maakt.
gevelgat - zelfstandig element - - erker
Ordening van de openingen in het gevelvlak is in elk geval nodig. De vemouding
tussen muurvlak en opening moet goed bekeken worden, want de expressie van de
gevel hangt hier in wezen vanaf.
82
kh
~ [ D ] J
_ JlLrrL
Bij het ontwerpen van een
raam komen stede-
bouwkundige- en interieur-
aspecten bij elkaar. Van
binnenuit moet het raam
functioneel zijn voor de
bezigheden die bij de
betreffende ruimte horen, van
buiten moet de gevel een
relatie hebben met de
omgeving.
De ramen kunnen als een
schilderijlijst werken en het
uitzicht een kader geven.
Bij hergebruik van het
Castelvechio in Verona is de
oude gevel voorzien van
nieuwe ramen. Er zijn nieuwe
vierkante gaten in het
gevelvlak aangebracht en de
bestaande gaten zijn met een
afwijkende indeling gevuld.
De nieuwe invulling met
stijlen en regels speelt met
de symmetrie van de
bestaande gevelopeningen.
De ramen verspringen in de
diepte van het gevelvlak.
Door de afwijkende indeling
wordt de gevel gefrag-
menteerd en wordt het
gevelvlak met de bogen en
versieringen duidelijk
afzonderlijkwaargenomen ten
opzichte van de nieuwe raam
invullingen.
Deze ramen zijn gedetailleerd
als glazen dozen die door het
gevelvlak heen steken. Het
worden daardoorzelfstandige
elementen, die niet zoals
gewone vensters deel uit
maken van het gevelvlak.
Door het vooruit steken
ontstaat een ruimte, deze
biedt een beter uitzicht op de
straat.
83
4.2 Korte geschiedenis van het raam
De gevels in de veertiende, de vijftiende, de zestiende en het grootste deel van de
zeventiende eeuw werden in Neder1and geheel beheerst door het houten of stenen
kruiskozijn; of de helft daarvan, het kloosterkozijn en het bolkozijn.
Omstreeks 1650 werden voor het eerst in plaats van glas-in-loocJ, houten roeden
toegepast met de komst van scherpere beitels. Voor het eerst in de veertiende eeuw
toegepast, bleef men het kruiskozijn tot diep in de achttiende eeuw toepassen. Voor
ons, aan het einde van de twintigste eeuw is het moeilijk voorstelbaar, dat alle gevels
die toendertijd in Nederland te zien waren, beheerst werden door het kruiskozijn.
Het beeld van de gevel in de achttiende eeuw werd bepaald door het verticale
schuifraam. Uitgevonden in ± 1685 door de Engelse architect Christopher Wren,
veroverde het schuifraam in korte tijd heel Europa. Met de vierkante roedeverdeling
ontstond een raam, met een abstract netwerk, wat paste bij het tijdsbeeld van
gestucte plafonds en gepoederde pruiken. Dit in tegenstelling tot het wat constructieve
uiter1ijk (o.a. de dragende middenstijl) van het kruiskozijn, behorende bij de zichtbare
eikenhouten balklaag in het plafond. In feite is het kruiskozijn een deel van een
houten vakwerkconstructie.
Aan het eind van de negentiende eeuw kwamen de lateien van staal en gewapend
beton, en de beschikbaarheid van grote glasplaten. In principe was nu elke raamgrootte
mogelijk. Aan het eind van de van deze eeuw ontstond de glazen
'gordijngevel', de 100% glazen gevel.
De Deense architect Ame Jacobson maakte zelfs de 103% glazen gevel (windstijlen
ook van glas). Vanaf die tijd is er eigenlijk een weg terug naar minder glas. Het glas
wordt nu ook meer1agig en om diverse redenen meer als bekledingsmateriaal gebruikt.
Een betrekkelijk nieuwe ontwikkeling is de zogenaamde 'structurele beglazing' (een
glazen gevel die over een betonnen 'gatengevel' is geschoven).
84
Kloosterkozijn met luiken.
Een houten kozijn in een
metselwerk gevelvlak. De
bouwvolgorde is als volgt:
eerst wordt het raam- en
deurkozijn gesteld, daarna
wordt er omheen ge-
metseld.Aan de doorge-
trokken dorpels is te zien dat
het houten kozijn ontwikkeld
is vanuit het houten vakwerk.
Links: de vensters zijn zo
groot, dat het gevelvlak uit
een soort metselwerk balken
en kolommen gaat bestaan.
Rechts: hier is de dragende
functie van het metselwerk
overgenomen door een
betonskelet, het venster en
het metselwerk zijn daardoor
gelijkwaardige vullingen
Terugliggende kozijnen
maken het gevelvlak en de
gaten zichtbaar, de erker is
een verbijzondering.
Toepassing van een
gietijzeren of een stalen
skelet maakt gevels mogelijk
met een hoog percentage
glas.
85
5. Indelen van gevels
5.1 Inleiding
Het belangrijkste architectonische aspect van de gevel is de keuze - om wat voor
reden dan ook - van het 'geveltype' of juist een combinatie van twee of meer typen
(hoofdstuk 2). In tweede instantie is de keuze van de 'richting' van de gevel, het
volgende belangrijke aspect. Hiermee is naast de plastiek, de materiaalkeuze en de
kleurkeuze een groot deel van het beeld van de gevel bepaald. En daarmee de indruk
die de gevel op de beschouwer overbrengt. Maar er is nog niets over de
compositie gezegd; wat het onderwerp van hoofdstuk is.
Het zoeken naar wetmatigheden van de esthetische beleving is waarschijnlijk zo oud
als de mensheid. Alle bekende architecten hadden en hebben hun eigen
voorkeursmaten en Meestal houden ze die zelfs geheim (hun
eigen geheime compositieleer). In de Romaanse tijd, de Gotiek en daama vooral in
de Renaissance werd zeer geometrisch gedacht. Veelal werd van de
'Gulden Snede', de 'Egyptische driehoek' en de 'driehoek van Pythagoras' (de
bekende 3, 4, 5 steek). Niet alleen voor het ontwerpen van de plattegronden, maar
ook voor het indelen van de gevels. Of men hier nu wel of niet in gelooft, feit is dat
als men proefpersonen vraagt om een lijnstuk in twee stukken te verdelen, maar niet
te halveren, men gauw op de 'Gulden snede' verhouding terecht komt, 3:5 en 5:8; als
zijnde een natuur1ijke mooie maatverhouding. Aan de andere kant hoeft een vertrek
met Ixbxh=8x5x3 meter niet per sé mooi te zijn, waarschijnlijk Ouist helemaal) niet.
Er zijn zoveel andere factoren die de esthetische beleving mede beïnvloeden.
Meestal berusten de composities op verhoudingen van eenvoudige getallen,
bijvoorbeeld 1 :1, 1 :2, 2:3 enz. In de negentiende en vooral in de twintigste eeuw
neemt men wat afstand van de te strenge ontwerpregels.
86
Indelingsschema volgens het
klassieke principe.De halve
breedte van het gebouw is de
basis, de hoogte incl. koepel
is de hoogte van de
Egyptische driehoek, waarvan
de zijden zich verhouden als
3:4:5. De halve middenpartij
verhoudt zich tot de hoogte
als 1:1,62, dit is de gulden-
snede verhouding.
Travee van de Kathedraal van
Chartres. De verhoudingen
komen voort uit een vijfhoek.
In de hoogtematen komt de
gulden snede meerdere malen
voor.
Voorbeelden van het verband
tussen de indelingprincipes
voor de plattegrond en voor
de gevel. Uit: Precedents in
Architecture, Roger H. Clark.
Het lijkt in ieder geval gevaarlijk om met schemalijnen gevels te beoordelen. Als er
maar voldoende schemalijnen over de gevel worden getrokken; dan valt er altijd wel
iets samen en is er een compositietheorie aan vast te knopen. Sommige architecten
trachten hun gebouwen, bewust of onbewust, een eenheid te geven door de gevels
min of meer een afspiegeling van de plattegrond te laten zijn. De gevelindeling is
dan bijna gelijk aan de plattegrond indeling.
r
r 1

U
~
In
87
5.2 Compositiesystemen
Er zijn bijna onopgemerkt algemeen gangbare - onafhankelijk van 'stijl' en overal
zichtbaar - door de eeuwen heen ontwikkelde en gebruikte methodes, manieren of zo
men wil 'maniertjes' ontstaan, waarmee men gevels ontwerpt.
Een aantal van deze 'compositiesystemen' heb ik hier samengebracht en worden in
dit hoofdstuk verder uitgewerkt. Een 'compositiesysteem' is niet de compositie
zelf; maar definieer ik hier, als het onderliggende schema waarop de eigenlijke
compositie gemaakt wordt. Vooral met de 'gatengevel' zijn deze compositie systemen
goed toe te lichten. Het ene systeem volgt uit het andere en ze zijn uiteraard om een
aantal redenen verwant. Om de verschillen tussen de systemen zichtbaar te maken
is van elk compositiesysteem een schematische gevel getekend, bestaande uit een
abstract gevelvlak waarin steeds dezelfde gevelopeningen - gekozen uit een
betrekkelijk willekeurig samengesteld rijtje - zodanig geplaatst dat de systemen (5.3
tlm 5.10) ontstaan (zie schema). Uiteraard zijn binnen deze systemen 'goede' en
'slechte' composities mogelijk. Bewust zijn hierbij de subjectieve begrippen 'mooi' en
'lelijk' buiten beschouwing gelaten.
81-
..
I
I
1:1
KLASSIEK SYSTEEM VAN ASSEN
II
• •

• •
-
I I I I
8
...
I
SYMMETRIE
••
RITME COMPOSmE MET HET VORMEN VAN
ONGELIJKE ELEMENTEN GROEPJES
III

lil
11
ij

CONTRAST PATRONEN
88
-
I
In al deze voorbeelden van
historische- en moderne-
klassieke gevels zijn de
zelfde kenmerken leesbaar:
verticale driedeling, ritme en
(deel-) symmetrie.
5.3 De 'klassieke' gevel
De indeling van de zogenaamde 'klassieke' gevel is waarschijnlijk het meesttoegepast
compositiesysteem. Het werd uiteraard in de Romeinse tijd gebruikt en maakte vooral
in de zestiende eeuw tijdens de Renaissance opgang (Palladio). Met het
Postmodernisme en de Spaanse architect Bofill krijgt de klassieke architectuur in de
tachtiger jaren nieuwe aandacht. Het geveloppervlak wordt zowel in horizontale als
in verticale zin krachtig ingedeeld; horizontaal door de metrische plaatsing van de
openingen, verticaal door de opbouw in drie lagen. Een aparte onderbouw, waarin
bijvoorbeeld een winkelgalerij (dubbele gevel) het contact met de straat tot stand
brengt. Een over meerdere etages doorlopend meestal neutraal middengedeelte
(romp) en een toplaag; dikwijls licht geconstrueerd, soms alleen een dakvlak, wat
voor de omwonenden de geruststellende mededeling bevat, dat niet hoger gebouwd
gaat worden. Ook voor gevels die qua vormgeving niets met klassieke architectuurte
maken hebben, wordt de indeling dikwijls gebruikt omdat die zo vanzelfsprekend is.
Een bouwmassa met een gelijke indeling op elke laag geeft behalve een saaie gevel
dikwijls een onaf gevoel en het idee dat er nog uitbreiding in de hoogte volgt.
89
5.4 Het systeem met 'assen'
Dit systeem is vooral in Frankrijk te zien. In de Provence en de Languedoc waar
relatief minder glasoppervlak nodig is, is dit een veelvuldig toegepaste methode; hele
straatwanden in steden en dorpen zijn met deze 'assen' ontworpen. Het systeem
geeft vooral in smalle betrekkelijk hoge gevels snel resultaat en de denkbeeldige 'as'
kan verschillende raamtypen per etage visueel tot een eenheid maken.
I I
~ ~ I
, I

I
I' -::1 "
11 11
5.5 Symmetrie
Als men één as sterk benadrukt ontstaat de symmetrie-as. Er kunnen vanuit gebouwen
redenen voor symmetrische of juist a-symmetrische gevels zijn. Symmetrische
gevels zijn erg lang uit de mode geweest. Ze werden te autoritair of te monumentaal
gevonden. De laatste jaren is de symmetrische gevel weer in de belangstelling
gekomen. Symmetrie wordt pas interessant als er asverschuivingen mee gemaakt
worden
Symmetrie levert een sterk beeld op, kleine afwijkingen en toevoegingen kunnen
soms bijna onopgemerkt worden aangebracht.
Wanneer een gevel streng symmetrisch wordt ontworpen, verliest hij steeds meer het
wandkarakteren wordt meereen ding op zichzelf. Een alzijdig symmetrisch ontworpen
gebouw wordt dan ook een monument dat op zichzelf staat en geen gebouwen in de
directe omgeving duldt, tenzij ze aan die symmetrie ondergeschikt zijn gemaakt.
91
5.6 Ritme
Herhaling van 'assen' op een bepaalde afstand kan tot ritme leiden in gevels. De
belangrijkste factor is steeds de herhaling: het steeds weer voorkomen van dezelfde
of vergelijkbare gevelelementen. In tegenstelling tot het metrum waarin de afstanden
gelijk zijn, is ritme flexibeler. De afstanden zijn ongeveer gelijk, soms oplopend soms
onregelmatig. Ritme suggereert in ieder geval altijd een continue beweging. Het
horizontaal indelen en ritmeren van de gevelelementen is vooral bij lange en lage
gevels een veel gebruikte methode.
92
••
• •
I
I 11 1
Het ritme in een gevel kan
met het ritme in muziek
worden vergeleken. Als
onderliggend regelsysteem is
er de maatverdeling, deze kan
voortkomen uit b.v.
constructie maten, uit
materiaal maten of uit
ontwerp methoden.
De onderdelen waardoor het
ritmezichtbaarwordt, kunnen
zeer divers zijn, meestal zijn
het de ramen in het gevelvlak
of delen van de
draagconstructie zoals de
kolommen. De melodie in
muziek is in gevels soms een
wisselend kleurgebruikofeen
gebogen lijn. Bij de vorming
van groepjes zou je over de
accoorden kunnen spreken.
De vergelijking van gevels
met muziek gaat natuurlijk
niet helemaal op, de meeste
gevels kunnen met saaie
deuntjes worden vergeleken.
Toch worden de nieuwste
ontwikkelingen in de muziek,
zoals sampling van andere
klanken, ook in de
architectuur toegepast, dan
worden het citaten genoemd.
Bij de bovenste afbeelding
begint het ritme met een
uitzondering aan de hoek,
deze balkons zou je in de
muziek als opmaat kunnen
duiden.
Ritme Q-Ab bAAb bAAb ...
Daaronder, een ritme met
een soort herhaalde
accoorden met tussendoor
veel rust (groot muurvlak).
Het ritme in de gevel
hiernaast ziet er zeer strak
uit, de glooiende lijnen van
de grasheuvels (melodie)
contrasteren daarmee.
Het ritme van de onderbouw
(de gewelven) houdt zich hier
streng aan de maatverdeling.
De grote en kleine ramen in
de bovenste helft maken het
ritme spannend door kleine
afwijkingen (Iets lager of
hoger of net een beetje opzij).
5.7 Compositie met ongelijke elementen
Een methode om met onderling heel verschillende gevelelementen, zodanig over het
gevelvlakte schuiven, totdat een interessante a-symmetrische vlakverdeling ontstaat.
Het ontwerpsysteem, vooral op een wit gevelvlak, refereert soms aan schilderijen van
Mondriaan en Klee. De gevelelementen staan in het vlak in een bepaalde spannende
relatie tot elkaar. Zoals bij een schilderij van Mondriaan worden de openingen
opgevat als vlakken, uiterst nauwkeurig tegen elkaar afgewogen. Alles heeft een heel
preciese plaats, al ziet het er toevallig uit. Soms krijgt dit systeem het karakter van
een 'collage'.

93
5.8 Het vormen van groepjes
Het vormen van 'groepjes' van gevelelementen is een systeem om door bundelen van
de verschillende gevelelementen tot grotere eenheden, het aantal onderdelen in de
gevel te verminderen. Soms tendeert dit naar de 'knipgevel'. In andere gevallen
ontstaat weer de 'compositie met de ongelijke elementen'.
94
Elke kamer heeft hier een
groepje ramen, de groepjes
worden onderling geordend
door de draagstructuur aan
de buitenkant van de gevel.
Deze groep van geveI-
openingen is symmetrisch
geordend.
Bij deze twee gevels wc ,' ,j t
het contrast duidelijk dc (;,'
het verschil in vorm,
materiaal en structuur in de
diverse geveldelen,
5.9 Contrast
Contrast bestaat natuurlijk in elke gevel , bijvoorbeeld het raam ten opzichte van de
muur; de pui ten opzichte van de schijf, Contrast is ook te gebruiken om een grote
tegenstelling en daarmee een sterke werking in de gevel op te roepen, daardoor
wordt het een systeem. Het is nauw verwant met de 'knipgevel' en de 'vlakkengevel' .
Contrast kan ook gebruikt worden om een saaie straatwand te verlevendigen met een
nieuwe opvallende gevel, waardoor de hele wand wordt opgewaardeerd.
95
5.10 Patronen
Bij lage gebouwen (één of twee lagen) bepaalt de dakvorm (schuin- of een platdak)
mede sterk het karakter van de gevels. Hoe meer lagen het gebouw telt, hoe
belangrijker in het beeld, de beleving van de gevels wordt. Drie tot zes lagen is
misschien optimaal voor het goed zichtbaar zijn van gevels. Bij hoge gebouwen
worden de gevels boven een zekere hoogte minder zichtbaar. Die gevels worden
dan ook meestal 'neutraal' als een 'patroon' of minder eerbiedig als 'behang' of
'ruitjespapier' ontworpen.
Bij echte hoogbouw is hetdakoppervlak ( v i ~ d e gevel) een te verwaarlozen percentage
van het buitenoppervlak geworden. Bij wolkenkrabbers wordt dit soms
gecompenseerd dooreen expressieve dakvorm te kiezen. PhilipJohnson beëindigde
- voor de ogen van de toen geschokte architectenwereld - de wolkenkrabbers van
het AT&T Building, in New Vork city in 1978, met een top die er uitzag als een
'Chippendale' boekenkast.
De neiging bestaat de laatste tijd om in de gevel steeds meer te laten zien wat de
'company' inhoudt. De gevel wordt neutraal met een 'patroon' ontworpen en daarop
komt het 'logo' van het bedrijf. Extreem voorbeeld is een hamburger-eetgelegenheid
in de vorm van een hamburger. De architectuur vervalt dan, en wordt
overgenomen door een ander vakgebied, namelijk de reclame.
Het maken van 'patronen' in gevels, resulteert vaak in het ontstaan van een nieuw
homogeen neutraal vlak, waarin geen enkele richting overheerst. Hetgeen meestal
ook de bedoeling is. Uiteraard wordt het principe ook wel voor laagbouw toegepast
om bepaalde effecten te bereiken.
Structurele beglazing past geheel in de 'patroon'gedachte, met het blauwe walvis
effect (slick skin, Norman Foster).
96
--
Hier gebeurt te veel in een te
klein geveloppervlak.
5.11 Conflictsituaties in gevels
Conflictsituaties in gevels kunnen zich op drie niveaus afspelen. Ten eerste: in het
vlak van de gevel zelf. Ten tweede: in relatie tot de gevels in de directe omgeving. Ten
derde: in relatie tot een hele straatwand of een stadsgedeelte, zoals de gevel(s) van
een belangrijk gebouw.
Bij het te veel door elkaar heen gebruiken van allerlei geveltypen en
compositiesystemen (behoefte aan complexiteit?) en het gebruiken van een veelheid
van op elkaar botsende gevelelementen ontstaan conflictsituaties waardoor de
gevelcompositie ontspoort. Behalve een te hoge onderhoudspost, ontstaan ook een
onaanvaardbaar esthetisch beeld zowel in de gevel zelf als in relatie tot de omgeving.
Streefde men in vroegere eeuwen meestal naar harmonieuze gevelcomposities; aan
het eind van deze eeuw met zijn net als aan het eind van de negentiende eeuw
eclectisistische eindperiode, (Postmodemisme, citaten-architectuur, historisme, enz.)
zien we de conflicten letterlijk en figuurlijk ontstaan, door de op elkaar botsende
gevelelementen, gekozen uit verschillende architectuurstijlen (conflictmodel in steen).
Elke dag langs een conflict in steen lopen verveelt snel. Ook harde kleurcontrasten
veroorzaken conflicten. Evenals de grote reclameborden die de gevels overwoekeren
en de stadsbeelden aantasten.
Er zijn in Nederland erg weinig hedendaagse voorbeelden te vinden van gevels die
een openbare belangrijke ruimte goed vormgeven. De meeste gebouwen staan als
objecten - als gebakjes in de vitrine - naast elkaar in de stad, of zijn geparkeerd in het
landschap naast de autobaan, zoals de vele 'brain'parken, zonder met elkaar rekening
te houden, laat staan dat de tussenliggende ruimte enige betekenis heeft. Een
bekend voorbeeld van een mislukte stedelijke ruimte is het Schouwburgplein in
Rotterdam, dat tot nu toe geen vorm kon krijgen door het ontbreken van voor de
ruimtevorm bepalende gevelwanden. Vooral de lage gevel van de Doelen levert een
groot gat op. Een bekend geslaagd historisch voorbeeld is de markt in Delft. Hoewel
in feite - op de plattegrond goed zichtbaar - de toren van de Nieuwe kerk de
gevelwand nauwelijks vult, wordt visueel door de grote hoogte van de toren ten
opzichte van de gevels van de andere wanden, de wand toch helemaal gevuld.
In een volgebouwd land als Nederland staat bijna elke nieuwe gevel naast en
tegenover andere gevels. Dit beperkt opzich de mogelijkheden. Men kan in principe
'aanpassen' 'of contrasteren'. Beide mogelijkheden kunnen goede resultaten
97
98
Hier is van alles mis mee ...
Saaie gevel, er is geen
duidelijke keuze gemaakt
tussen: skeletgevel, gaten-
gevel of knipgevel.
Onduidelijke gevelindeling en
massa opbouw. Is het een
dakkapel of een door-
getrokken voorgevel? De
schuurdeur lijkt de voordeur
te zijn.
Enige jaren later, het groen
verzacht veel ...
6. Conclusie
Heel veel aspekten bepalen de verschijningsvorm van de gevel. In het voorgaande
heb ik getracht hierin enige ordening aan te brengen. Niet alleen om gevels te kunnen
ontwerpen, maar ook om ze te kunnen classificeren en te beoordelen, is ingegaan op
'geveltypen', richtingen in gevels, invloed van het klimaat en 'compositiesystemen'
(de onderliggende schema's waarop de feitelijke composities gemaakt worden).
Het blijkt mogelijk om gevels stapsgewijs te bekijken en de kwaliteit in essentie te
bepalen aan de hand van het volgende lijstje:
1. De 'stijl' (het kunsthistorisch aspect).
2. Het 'geveltype' of combinatie van meerdere geveltypen.
3. De 'richtingen' in de gevel.
4. De bruikbaarheid in een gegeven klimaatzone.
S. Het 'compositiesysteem'.
6. De kwaliteit van de compositie (in samenhang met de
materiaal- en kleurkeuze).
7. De gevel in relatie tot de directe omgeving; hetzij gebouwen,
hetzij de natuur.
De volgorde van dit lijstje is natuurlijk niet dwingend en kan ook anders; elke
schematische opzet brengt wat dat betreft zijn eigen beperkingen mee.
De compositie, het architectonische meest belangrijke aspect, kan 'mooi' of 'Ieliik'
uitvallen en is geheel afhankelijk van het talent van de ontwerper. Kleine verschillen
in plaatsing en in de afmetingen van de gevelelementen veroorzaken soms een groot
verschil en kunnen het verschil tussen 'mooi' en 'lelijk' uitmaken. Trouwens de
begrippen 'mooi' en 'lelijk' zijn erg subjectief en lenen zich nauwelijks vooronderzoek.
Natuurlijk zijn er gevels, meestal niet de beste, die eigenlijk nergens bijhoren en niet
in te delen zijn; geen bepaald geveltype, geen richting, geen duidelijk
compositiesysteem. In het voorgaande zijn vooral de duidelijke voorbeelden en
geveltypen naar voren gehaald.
99
Literatuur
Arnheim, R.: Art and visual perception. London, 1956.
Aronin, J. E.: Climate & Architecture, New Vork, 1953.
Babel, M .. : Klimaatbewust bouwen! Architectonisch ontwerpen, Delft, 1993.
Beljon, J. J.: Hoe doe je dat, grondbeginselen van vormgeving. Amsterdam, 1976.
Boerman, W. E.: Klimaat. Gorinchem, 1946.
Ching, F. D. K.: Architecture - Form, space and order. New Vork, 1979.
Chitham, R.: The classicalorders of architecture. London, 1985.
Clark, R. H.: Precedents in architecture. New Vork, 1985.
Gerritse, C.: Integratie in de gevelzone. T.U.Delft, 1986.
Grillo, P. J.: Form, function and design. New Vork, 1960.
Janse, H.: Vensters. Nijmegen, 1971.
Kloot Meyburg, H. van der: Bouwkunst in de stad en op het land. Rotterdam, 1918.
Laan, H. van der: Oe architectonische ruimte. Leiden, 1977.
Leerdam, B.F. van, en G.w. Verhoef: Kijk op gevels van beton. 's-Hertogenbosch,
1984.
Olgyay, V.: oisign with climate, New Jersey, 1973.
Oliver, P. J.: Climate and man's environment. New Vork, 1973.
Oudejans, H. Th.: Verstandhoudingsmiddelen. T.U.Delft, 1990.
Prak, N. L.: Oe visuele waarneming van de gebouwde omgeving. T.U.Delft, 1973.
Randen, A. van, (e.a.): Klimaat - gevel- toekomst. Nijmegen, 1969.
Rasmussen, S. E.: Experiencing architecture. New Vork, 1959.
Santen, Ch. van, en A. J. Hansen: Licht in de architectuur. Nijmegen, 1989.
100