You are on page 1of 53

Wilde planten

van de Benelux,
een veldgids

Ruud van der Meijden,


Maarten Strack van Schijndel en
Fabienne Van Rossum

//HOE DEZE VELDGIDS GEBRUIKEN?


Het GEBIED: Benelux (Nederland, Belgi, Groothertogdom Luxemburg).
De PLANTEN zijn gerangschikt in de wetenschappelijke orde van hun families,
maar de volgende zijn daarnaast ook gegroepeerd volgens gemeenschappelijke en gemakkelijk zichtbare kenmerken:
Landplanten zonder bladgroen p. 336-341
Water- en moerasplanten p. 342-389
Kustplanten van zeeduinen en kwelders p. 390-405
Klimplanten p. 406-421
Bomen en struiken p. 422-471
Varens, paardenstaarten en wolfsklauwen p. 472-489
De FOTOS tonen de planten in kleur, met belangrijke details van de bloemen,
bladeren en vruchten.
De TEKSTEN beschrijven de kenmerken die belangrijk zijn voor het determineren;
voor sommige sterk op elkaar lijkende soorten wordt alleen aangegeven waarin
een tweede soort van de vorige verschilt. De zeldzaamheid in het hele gebied
wordt door n tot drie asterisken aangeduid, zoals uitgelegd op p. 13.
De KAARTEN tonen de verspreiding van de soorten, waarbij de abundantie binnen elk district wordt aangeduid door drie kleurintensiteiten, van hoogste (donker) tot laagste (licht) abundantie. Onder elke kaart is de aanwezigheid van de
soorten in de aangrenzende streken van Noord-Frankrijk vermeld: N (Nord-Pasde-Calais), P (Picardi), A (Ardennes-Marne), L (Lotharingen) of (aanwezig in
de vier streken).
DETERMINATIE. Gebruik de tekst, de fotos en de kaarten samen. Vergeet niet de
familie-inleidingen te lezen en in gedachten te houden, aangezien ze op alle
soorten van een familie van toepassing zijn. Twee determinatiesleutels kunnen
verder hulp bieden:
Al de planten in het boek zijn als geheel geordend volgens een gemakkelijk te
gebruiken determinatiesleutel. Binnen elke groep of grote familie zijn de planten
gegroepeerd onder omlijnde en doorheen de tekst genummerde tussenkopjes.
De hoofdsleutel op p. 26-31 vat de belangrijkste in de tekst weergegeven sleutel-tussenkopjes samen, maar bevat daarnaast ook een uitgebreide sleutel
voor de grote groep A (Landplanten buiten de groepen B-I).
Het boek bevat een bondige inleiding, een gellustreerde verklarende woordenlijst, bibliografische notas en registers van de wetenschappelijke en Nederlandse
plantennamen.

//HOE DEZE VELDGIDS GEBRUIKEN?


Het GEBIED: Benelux (Nederland, Belgi, Groothertogdom Luxemburg).
De PLANTEN zijn gerangschikt in de wetenschappelijke orde van hun families,
maar de volgende zijn daarnaast ook gegroepeerd volgens gemeenschappelijke en gemakkelijk zichtbare kenmerken:
Landplanten zonder bladgroen p. 336-341
Water- en moerasplanten p. 342-389
Kustplanten van zeeduinen en kwelders p. 390-405
Klimplanten p. 406-421
Bomen en struiken p. 422-471
Varens, paardenstaarten en wolfsklauwen p. 472-489
De FOTOS tonen de planten in kleur, met belangrijke details van de bloemen,
bladeren en vruchten.
De TEKSTEN beschrijven de kenmerken die belangrijk zijn voor het determineren;
voor sommige sterk op elkaar lijkende soorten wordt alleen aangegeven waarin
een tweede soort van de vorige verschilt. De zeldzaamheid in het hele gebied
wordt door n tot drie asterisken aangeduid, zoals uitgelegd op p. 13.
De KAARTEN tonen de verspreiding van de soorten, waarbij de abundantie binnen elk district wordt aangeduid door drie kleurintensiteiten, van hoogste (donker) tot laagste (licht) abundantie. Onder elke kaart is de aanwezigheid van de
soorten in de aangrenzende streken van Noord-Frankrijk vermeld: N (Nord-Pasde-Calais), P (Picardi), A (Ardennes-Marne), L (Lotharingen) of (aanwezig in
de vier streken).
DETERMINATIE. Gebruik de tekst, de fotos en de kaarten samen. Vergeet niet de
familie-inleidingen te lezen en in gedachten te houden, aangezien ze op alle
soorten van een familie van toepassing zijn. Twee determinatiesleutels kunnen
verder hulp bieden:
Al de planten in het boek zijn als geheel geordend volgens een gemakkelijk te
gebruiken determinatiesleutel. Binnen elke groep of grote familie zijn de planten
gegroepeerd onder omlijnde en doorheen de tekst genummerde tussenkopjes.
De hoofdsleutel op p. 26-31 vat de belangrijkste in de tekst weergegeven sleutel-tussenkopjes samen, maar bevat daarnaast ook een uitgebreide sleutel
voor de grote groep A (Landplanten buiten de groepen B-I).
Het boek bevat een bondige inleiding, een gellustreerde verklarende woordenlijst, bibliografische notas en registers van de wetenschappelijke en Nederlandse
plantennamen.

Dankwoord
We zijn Sven Bellanger (Plantentuin Meise) dankbaar voor het lay-out ontwerp
en het afwerken van de basisverspreidingskaart bezorgd door Baudewijn Od
(Floron). De verspreidingskaartjes werden door het programma MapDis (Van Rossum en Parmentier) gegenereerd. We bedanken Ivan Hoste (Plantentuin Meise)
voor het nalezen van gedeelten van de Nederlandse vertaling en Wout Holverda
voor de suggestie van boektitel.
Voor de realisatie van de fotos op zwarte achtergrond, konden we, als aanvulling bij de levende collecties van Plantentuin Meise, rekenen op de collecties van
de Plantentuin Jean Massart (ULB), die dankzij het talent van Jean Vermander,
schatten van onze flora herbergt, en op de collectie van varens en paardenstaarten van Wim Tavernier. Ook dank aan Bruno Jurdant van Aqua Production
en aan tal van collegas van Plantentuin Meise en veldbotanisten voor hulp bij
het zoeken van planten om te fotograferen, o.a. Rutger Barendse, Filip Verloove,
Filip Vandelook, Francine Bailly, Luc Bailly, Sarah Le Pajolec, Pascal Dupriez, Ivan
Hoste, Andr Vanhoof, Leo Vanhecke, Sandrine Godefroid, Anne Ronse, Nand
Van Belle, Dirk De Meyere, Guido Houben, Quentin Groom en Marc Sosef.

//Behalve de fotos van Maarten Strack van Schijndel werden ook fotos aangeleverd door Fabienne Van Rossum en door:
Francine Bailly (soort nr. 1310); Luc Bailly (soort nr. 36, 88, 139, 403, 456, 757, 797,
798, 842, 851); Rutger Barendse (soort nr. 14, 37, 50, 55, 57, 61, 62, 119, 124, 143,
151, 166, 167, 180, 183, 186, 229, 247, 252, 263, 264, 289, 294, 315, 317, 340, 347, 353,
372, 393, 399, 407, 421, 434, 438, 452, 456, 457, 458, 463, 466, 478, 487, 499, 503,
507, 513, 528, 530, 559, 563, 579, 626, 641, 711, 725, 726, 741, 742, 748, 762, 766,
776, 780, 808, 809, 826, 828, 829, 841, 842, 843, 844, 847, 853, 857, 894, 896, 985,
987, 988, 989, 999, 1002, 1015, 1020, 1033, 1037, 1039, 1046, 1049, 1052, 1053, 1056,
1060, 1061, 1062, 1071, 1075, 1083, 1084, 1089, 1090, 1098, 1099, 1100, 1163, 1164,
1168, 1181, 1200, 1203, 1204, 1337, 1357, 1380, 1385, 1387); Bert Block (soort nr. 38,
790, 1053); Ilse Boeren (soort nr. 1341, 1355, 1356); Paul Borremans (soort nr. 106,
109, 110, 201, 415, 1113, 1254, 1269, 1275, 1277, 1285, 1287, 1301, 1303, 1323, 1326,
1330, 1342); Willem Braam (soort nr. 48, 137, 138, 154, 175, 180, 256, 263, 306, 372,
384, 434, 453, 456, 463, 466, 501, 522, 563, 726, 789, 790, 808, 831, 841, 842, 844, 894,
907, 946, 969, 982, 1029, 1031, 1036, 1041, 1049, 1052, 1082, 1128, 1133, 1148, 1181,
1203, 1204, 1232, 1239, 1240, 1312, 1335, 1370, 1381); John Breugelmans (soort nr.
35, 105, 979, 981, 984); Julien Buchet (soort nr. 982, 1158); Bernard Clesse, Centre
Marie-Victorin, Cercles des Naturalistes de Belgique asbl (soort nr. 32, 35, 37, 61
(stuifmeelklompjes), 136, 253, 315, 338, 340, 347, 366, 413, 434, 500, 501, 530, 559,
563, 626, 641, 742, 748, 765, 789, 793, 829, 844, 853, 873, 902, 915, 969, 977, 999,
1002, 1007, 1278, 1357, 1381); Thierry Cornier (soort nr. 1027); Damien Ertz (soort
nr. 968); Jean-Christophe Hauguel (soort nr. 412, 729, 783, 843, 929, 1158); Franck
Hidvgi (soort nr. 251, 345, 346, 692, 791, 1047, 1130, 1218, 1233, 1242, 1247, 1249,
1252, 1261, 1263, 1283, 1332, 1336, 1337, 1338); Philippe Housset (soort nr. 683);
Indra Jacobs (soort nr. 175, 180, 264, 305, 448, 579, 626, 725, 726, 742, 752, 761, 762,
808, 873, 907, 942, 944, 1060, 1061, 1090); Dick Kerkhof (soort nr. 316, 1071, 1204);
Peter Meininger (soort nr. 11, 124, 253, 336, 366, 393, 394, 463, 478, 506, 507, 513,
528, 552, 554, 574, 604, 641, 650, 665, 719, 752, 773, 780, 782, 793, 808, 851, 853, 885,
894, 914, 979, 982, 984, 985, 986, 987, 990, 1005, 1007, 1009, 1016, 1020, 1028, 1050,
1053, 1081, 1133, 1135, 1153, 1155, 1177, 1181, 1232, 1379, 1387); David Mercier
(soort nr. 306); Daniel Parmentier (soort nr. 23, 65, 63, 66, 79, 178, 195, 210, 219,
268, 333, 348, 353, 394, 396, 411, 416, 417, 442, 450, 479, 480, 483, 503, 505, 506,
531, 537, 539, 597, 606, 625, 629, 635, 698, 706, 722, 775, 792, 810, 819, 860, 897,
901, 904, 908, 914, 926, 951, 974, 977, 989, 1004, 1070, 1079, 1080, 1137, 1140, 1141,
1144, 1201, 1210, 1227, 1238, 1239, 1274, 1276, 1294, 1317, 1343); Charles Reckinger

(soort nr. 290, 291, 413, 487, 746, 762, 766, 769, 783, 929, 940); Marc Sosef (soort nr.
1020); Anne Ronse (soort nr. 116); J. Sturm (soort nr. 827, 828, 1193; http://www.
biolob.de); Hans Toetenel (soort nr. 318, 574, 961, 981); Benot Toussaint (soort nr.
761, 1020, 1027, 1034); Luc Van Conkelberge (soort nr. 73, 80 (bol), 89, 133, 148,
153, 158, 187, 203, 208, 223, 245, 246, 251, 252, 265, 267, 272, 273, 281, 297, 299,
313, 322, 378, 385, 420, 431, 443, 481, 492, 510, 520, 539, 571, 588, 590, 591, 593,
607, 615 (knol), 642, 663, 670, 685, 714, 722, 750, 763, 778, 839, 862, 865, 867, 886,
911, 937, 938, 950, 966, 973, 1117, 1187, 1190, 1218, 1228, 1236, 1241, 1245, 1254,
1258, 1262, 1268, 1284, 1288, 1293, 1300, 1302, 1304, 1316, 1317, 1318, 1320, 1327,
1342, 1358, 1369); Adrie van Heerden (soort nr. 36, 105, 290, 316, 340, 366, 372, 448,
486, 497, 598, 773, 811, 837, 844, 944, 988, 1002, 1015, 1018, 1021, 1036, 1046, 1050,
1052, 1053, 1071, 1081, 1116, 1128, 1153, 1175, 1204, 1240, 1387); Leo Vanhecke
(soort nr. 989, 1001, 1003, 1010, 1034, 1041, 1082, 1108); Bert Verbruggen (soort nr.
1005, 1105, 1237); Ward Vercruysse (soort nr. 66, 124, 143, 393, 499, 792, 841, 853,
987, 1100, 1105, 1148, 1153, 1177); Eric Walravens (soort nr. 9, 19, 21, 23, 24, 26, 27,
28, 29, 33, 34, 36, 38, 40, 41, 42, 45, 46, 47, 52, 54, 55, 56, 58, 59, 61, 62, 64, 315, 352,
448, 562, 603, 785, 811, 869, 883, 885, 961, 969, 970, 976, 978, 1014, 1031, 1116, 1168,
1274, 1341, 1384, 1385, 1386).
//Voor het bezorgen van de verspreidingsgegevens bedanken we van harte:
Nederland:
Stichting FLORON (http://www.floron.nl)
Belgi:
Floristische Werkgroepen (Flo.Wer; http://www.plantenwerkgroep.be) en
Association pour lEtude de la Floristique (AEF; http://www.aef-flor.be)
Groothertogdom Luxemburg:
Muse national dHistoire naturelle du Luxembourg (http://www.mnhn.lu)
Frankrijk:
Nord / Pas-de-Calais en Picardie: Conservatoire botanique national de Bailleul
(http://www.cbnbl.org)
Ardennes-Marne: Conservatoire botanique national du Bassin parisien
(http://cbnbp.mnhn.fr)
Lorraine: Floraine (http://www.floraine.net)

Dankwoord
We zijn Sven Bellanger (Plantentuin Meise) dankbaar voor het lay-out ontwerp
en het afwerken van de basisverspreidingskaart bezorgd door Baudewijn Od
(Floron). De verspreidingskaartjes werden door het programma MapDis (Van Rossum en Parmentier) gegenereerd. We bedanken Ivan Hoste (Plantentuin Meise)
voor het nalezen van gedeelten van de Nederlandse vertaling en Wout Holverda
voor de suggestie van boektitel.
Voor de realisatie van de fotos op zwarte achtergrond, konden we, als aanvulling bij de levende collecties van Plantentuin Meise, rekenen op de collecties van
de Plantentuin Jean Massart (ULB), die dankzij het talent van Jean Vermander,
schatten van onze flora herbergt, en op de collectie van varens en paardenstaarten van Wim Tavernier. Ook dank aan Bruno Jurdant van Aqua Production
en aan tal van collegas van Plantentuin Meise en veldbotanisten voor hulp bij
het zoeken van planten om te fotograferen, o.a. Rutger Barendse, Filip Verloove,
Filip Vandelook, Francine Bailly, Luc Bailly, Sarah Le Pajolec, Pascal Dupriez, Ivan
Hoste, Andr Vanhoof, Leo Vanhecke, Sandrine Godefroid, Anne Ronse, Nand
Van Belle, Dirk De Meyere, Guido Houben, Quentin Groom en Marc Sosef.

//Behalve de fotos van Maarten Strack van Schijndel werden ook fotos aangeleverd door Fabienne Van Rossum en door:
Francine Bailly (soort nr. 1310); Luc Bailly (soort nr. 36, 88, 139, 403, 456, 757, 797,
798, 842, 851); Rutger Barendse (soort nr. 14, 37, 50, 55, 57, 61, 62, 119, 124, 143,
151, 166, 167, 180, 183, 186, 229, 247, 252, 263, 264, 289, 294, 315, 317, 340, 347, 353,
372, 393, 399, 407, 421, 434, 438, 452, 456, 457, 458, 463, 466, 478, 487, 499, 503,
507, 513, 528, 530, 559, 563, 579, 626, 641, 711, 725, 726, 741, 742, 748, 762, 766,
776, 780, 808, 809, 826, 828, 829, 841, 842, 843, 844, 847, 853, 857, 894, 896, 985,
987, 988, 989, 999, 1002, 1015, 1020, 1033, 1037, 1039, 1046, 1049, 1052, 1053, 1056,
1060, 1061, 1062, 1071, 1075, 1083, 1084, 1089, 1090, 1098, 1099, 1100, 1163, 1164,
1168, 1181, 1200, 1203, 1204, 1337, 1357, 1380, 1385, 1387); Bert Block (soort nr. 38,
790, 1053); Ilse Boeren (soort nr. 1341, 1355, 1356); Paul Borremans (soort nr. 106,
109, 110, 201, 415, 1113, 1254, 1269, 1275, 1277, 1285, 1287, 1301, 1303, 1323, 1326,
1330, 1342); Willem Braam (soort nr. 48, 137, 138, 154, 175, 180, 256, 263, 306, 372,
384, 434, 453, 456, 463, 466, 501, 522, 563, 726, 789, 790, 808, 831, 841, 842, 844, 894,
907, 946, 969, 982, 1029, 1031, 1036, 1041, 1049, 1052, 1082, 1128, 1133, 1148, 1181,
1203, 1204, 1232, 1239, 1240, 1312, 1335, 1370, 1381); John Breugelmans (soort nr.
35, 105, 979, 981, 984); Julien Buchet (soort nr. 982, 1158); Bernard Clesse, Centre
Marie-Victorin, Cercles des Naturalistes de Belgique asbl (soort nr. 32, 35, 37, 61
(stuifmeelklompjes), 136, 253, 315, 338, 340, 347, 366, 413, 434, 500, 501, 530, 559,
563, 626, 641, 742, 748, 765, 789, 793, 829, 844, 853, 873, 902, 915, 969, 977, 999,
1002, 1007, 1278, 1357, 1381); Thierry Cornier (soort nr. 1027); Damien Ertz (soort
nr. 968); Jean-Christophe Hauguel (soort nr. 412, 729, 783, 843, 929, 1158); Franck
Hidvgi (soort nr. 251, 345, 346, 692, 791, 1047, 1130, 1218, 1233, 1242, 1247, 1249,
1252, 1261, 1263, 1283, 1332, 1336, 1337, 1338); Philippe Housset (soort nr. 683);
Indra Jacobs (soort nr. 175, 180, 264, 305, 448, 579, 626, 725, 726, 742, 752, 761, 762,
808, 873, 907, 942, 944, 1060, 1061, 1090); Dick Kerkhof (soort nr. 316, 1071, 1204);
Peter Meininger (soort nr. 11, 124, 253, 336, 366, 393, 394, 463, 478, 506, 507, 513,
528, 552, 554, 574, 604, 641, 650, 665, 719, 752, 773, 780, 782, 793, 808, 851, 853, 885,
894, 914, 979, 982, 984, 985, 986, 987, 990, 1005, 1007, 1009, 1016, 1020, 1028, 1050,
1053, 1081, 1133, 1135, 1153, 1155, 1177, 1181, 1232, 1379, 1387); David Mercier
(soort nr. 306); Daniel Parmentier (soort nr. 23, 65, 63, 66, 79, 178, 195, 210, 219,
268, 333, 348, 353, 394, 396, 411, 416, 417, 442, 450, 479, 480, 483, 503, 505, 506,
531, 537, 539, 597, 606, 625, 629, 635, 698, 706, 722, 775, 792, 810, 819, 860, 897,
901, 904, 908, 914, 926, 951, 974, 977, 989, 1004, 1070, 1079, 1080, 1137, 1140, 1141,
1144, 1201, 1210, 1227, 1238, 1239, 1274, 1276, 1294, 1317, 1343); Charles Reckinger

(soort nr. 290, 291, 413, 487, 746, 762, 766, 769, 783, 929, 940); Marc Sosef (soort nr.
1020); Anne Ronse (soort nr. 116); J. Sturm (soort nr. 827, 828, 1193; http://www.
biolob.de); Hans Toetenel (soort nr. 318, 574, 961, 981); Benot Toussaint (soort nr.
761, 1020, 1027, 1034); Luc Van Conkelberge (soort nr. 73, 80 (bol), 89, 133, 148,
153, 158, 187, 203, 208, 223, 245, 246, 251, 252, 265, 267, 272, 273, 281, 297, 299,
313, 322, 378, 385, 420, 431, 443, 481, 492, 510, 520, 539, 571, 588, 590, 591, 593,
607, 615 (knol), 642, 663, 670, 685, 714, 722, 750, 763, 778, 839, 862, 865, 867, 886,
911, 937, 938, 950, 966, 973, 1117, 1187, 1190, 1218, 1228, 1236, 1241, 1245, 1254,
1258, 1262, 1268, 1284, 1288, 1293, 1300, 1302, 1304, 1316, 1317, 1318, 1320, 1327,
1342, 1358, 1369); Adrie van Heerden (soort nr. 36, 105, 290, 316, 340, 366, 372, 448,
486, 497, 598, 773, 811, 837, 844, 944, 988, 1002, 1015, 1018, 1021, 1036, 1046, 1050,
1052, 1053, 1071, 1081, 1116, 1128, 1153, 1175, 1204, 1240, 1387); Leo Vanhecke
(soort nr. 989, 1001, 1003, 1010, 1034, 1041, 1082, 1108); Bert Verbruggen (soort nr.
1005, 1105, 1237); Ward Vercruysse (soort nr. 66, 124, 143, 393, 499, 792, 841, 853,
987, 1100, 1105, 1148, 1153, 1177); Eric Walravens (soort nr. 9, 19, 21, 23, 24, 26, 27,
28, 29, 33, 34, 36, 38, 40, 41, 42, 45, 46, 47, 52, 54, 55, 56, 58, 59, 61, 62, 64, 315, 352,
448, 562, 603, 785, 811, 869, 883, 885, 961, 969, 970, 976, 978, 1014, 1031, 1116, 1168,
1274, 1341, 1384, 1385, 1386).
//Voor het bezorgen van de verspreidingsgegevens bedanken we van harte:
Nederland:
Stichting FLORON (http://www.floron.nl)
Belgi:
Floristische Werkgroepen (Flo.Wer; http://www.plantenwerkgroep.be) en
Association pour lEtude de la Floristique (AEF; http://www.aef-flor.be)
Groothertogdom Luxemburg:
Muse national dHistoire naturelle du Luxembourg (http://www.mnhn.lu)
Frankrijk:
Nord / Pas-de-Calais en Picardie: Conservatoire botanique national de Bailleul
(http://www.cbnbl.org)
Ardennes-Marne: Conservatoire botanique national du Bassin parisien
(http://cbnbp.mnhn.fr)
Lorraine: Floraine (http://www.floraine.net)

Inhoud

Voorwoord

Voorwoord xx

Wat bloeit daar? Het is een vraag die elke natuurliefhebber zich wel vaker heeft
gesteld. De vraag wetenschappelijk correct beantwoorden is vaak niet gemakkelijk. Voor de wilde planten van de Benelux is een wetenschappelijke flora voorhanden die eerder gericht is op professionelen, gepassioneerden en studenten.
Met de voorliggende veldgids willen we het mogelijk maken voor alle genteresseerden om wilde planten te herkennen.

Eerbetoon aan Ruud van der Meijden (1945-2007)  xx


Inleiding xx
Bibliografische notas xx
Verenigingen om zich aan te sluiten xx
Verklarende woordenlijst xx
Hoofsleutel xx
Soortenbeschrijving xx
Groep A Landplanten met bladgroen xx
Groep B Landplanten zonder bladgroen xx
Groep C Water- en moerasplanten xx
Groep D Kustplanten van zeeduinen en kwelders xx
Groep E Klimplanten met ranken of windende stengels xx
Groep F Bomen en struiken  xxx
Groep G Varens xxx
Groep H Paardenstaarten  xxx
Groep I Wolfsklauwen  xxx
Register van Nederlandse namen  xxx
Register van wetenschappeklijke namen  xxx

De veldgids behandelt en illustreert meer dan 1300 soorten en is daarmee de


meest volledige gids voor de Benelux. Enkel de grassen, russen en zeggen zijn
niet opgenomen. De flora volgt de allernieuwste inzichten in de classificatie van
bloemplanten en de begrenzing van de soorten. Determinatiesleutels en verspreidingskaartjes laten toe om gemakkelijk tot een correcte identificatie te komen.
Deze rigoureuze wetenschappelijke basis wordt aangevuld met meer dan 5000
haarscherpe fotos. Ze illustreren zowel de groeiwijze van de plant als de allerkleinste bloemdetails, waarvan sommige voor het eerst werden vastgelegd. Door
zijn up-to-date taxonomie en rijke illustraties is deze gids het ideale instrument om
de flora van Belgi, het Groothertogdom Luxemburg en Nederland (beter) te
leren kennen, zowel voor de academicus als de natuurliefhebber.
Deze veldgids is ontstaan door de succesvolle ontmoeting tussen Ruud van der
Meijden en Fabienne Van Rossum, twee plantkundigen met dezelfde passie: de
studie van de flora van onze streken. Hun wetenschappelijk werk wordt gellustreerd door de getalenteerde fotograaf Maarten Strack van Schijndel. Het boek
is ook een mooi voorbeeld van nauwe Europese plantkundige samenwerking
niet alleen zijn de auteurs afkomstig uit verschillende landen, maar de verspreidingsgegevens en fotos werden aangeleverd door plantkundigen uit gespecialiseerde instituten en verenigingen van Nederland, Belgi, Groothertogdom
Luxemburg en Frankrijk.
Een florawerk kan niet statisch blijven. We hopen dit boek voortdurend up-to-date te kunnen houden en bij elke uitgave te verbeteren. Daarvoor zijn alle commentaren of suggesties van gebruikers welkom. Alle suggesties zullen zorgvuldig
in overweging genomen worden; dank om ze door te sturen naar benelux@botanicgardenmeise.be
Hopelijk draagt deze publicatie bij tot een grotere interesse in en kennis van de
Benelux flora.
Steven Dessein
Administrateur-generaal Plantentuin Meise, Belgi

Inhoud

Voorwoord

Voorwoord xx

Wat bloeit daar? Het is een vraag die elke natuurliefhebber zich wel vaker heeft
gesteld. De vraag wetenschappelijk correct beantwoorden is vaak niet gemakkelijk. Voor de wilde planten van de Benelux is een wetenschappelijke flora voorhanden die eerder gericht is op professionelen, gepassioneerden en studenten.
Met de voorliggende veldgids willen we het mogelijk maken voor alle genteresseerden om wilde planten te herkennen.

Eerbetoon aan Ruud van der Meijden (1945-2007)  xx


Inleiding xx
Bibliografische notas xx
Verenigingen om zich aan te sluiten xx
Verklarende woordenlijst xx
Hoofsleutel xx
Soortenbeschrijving xx
Groep A Landplanten met bladgroen xx
Groep B Landplanten zonder bladgroen xx
Groep C Water- en moerasplanten xx
Groep D Kustplanten van zeeduinen en kwelders xx
Groep E Klimplanten met ranken of windende stengels xx
Groep F Bomen en struiken  xxx
Groep G Varens xxx
Groep H Paardenstaarten  xxx
Groep I Wolfsklauwen  xxx
Register van Nederlandse namen  xxx
Register van wetenschappeklijke namen  xxx

De veldgids behandelt en illustreert meer dan 1300 soorten en is daarmee de


meest volledige gids voor de Benelux. Enkel de grassen, russen en zeggen zijn
niet opgenomen. De flora volgt de allernieuwste inzichten in de classificatie van
bloemplanten en de begrenzing van de soorten. Determinatiesleutels en verspreidingskaartjes laten toe om gemakkelijk tot een correcte identificatie te komen.
Deze rigoureuze wetenschappelijke basis wordt aangevuld met meer dan 5000
haarscherpe fotos. Ze illustreren zowel de groeiwijze van de plant als de allerkleinste bloemdetails, waarvan sommige voor het eerst werden vastgelegd. Door
zijn up-to-date taxonomie en rijke illustraties is deze gids het ideale instrument om
de flora van Belgi, het Groothertogdom Luxemburg en Nederland (beter) te
leren kennen, zowel voor de academicus als de natuurliefhebber.
Deze veldgids is ontstaan door de succesvolle ontmoeting tussen Ruud van der
Meijden en Fabienne Van Rossum, twee plantkundigen met dezelfde passie: de
studie van de flora van onze streken. Hun wetenschappelijk werk wordt gellustreerd door de getalenteerde fotograaf Maarten Strack van Schijndel. Het boek
is ook een mooi voorbeeld van nauwe Europese plantkundige samenwerking
niet alleen zijn de auteurs afkomstig uit verschillende landen, maar de verspreidingsgegevens en fotos werden aangeleverd door plantkundigen uit gespecialiseerde instituten en verenigingen van Nederland, Belgi, Groothertogdom
Luxemburg en Frankrijk.
Een florawerk kan niet statisch blijven. We hopen dit boek voortdurend up-to-date te kunnen houden en bij elke uitgave te verbeteren. Daarvoor zijn alle commentaren of suggesties van gebruikers welkom. Alle suggesties zullen zorgvuldig
in overweging genomen worden; dank om ze door te sturen naar benelux@botanicgardenmeise.be
Hopelijk draagt deze publicatie bij tot een grotere interesse in en kennis van de
Benelux flora.
Steven Dessein
Administrateur-generaal Plantentuin Meise, Belgi

Eerbetoon aan Ruud van der Meijden (1945-2007)

Inleiding

Een plantengids die toegankelijk is voor een breed publiek, dat was een lang gekoesterde wens van Ruud van der Meijden. Een plantengids met mooie illustraties
en tegelijkertijd taxonomisch gezond: dat is wat deze veldsgids van de Benelux
geworden is.

Deze gids van de wilde bloemen die de lezer in het wild in Nederland, Belgi
en het Groothertogdom Luxemburg kan vinden, omvat alle soorten die in het
gebied van nature voorkomen, plus een groot aantal niet-inheemse soorten die
gentroduceerd werden en die er sinds enige tijd ingeburgerd zijn. Deze gids behandelt echter niet de in het gebied uitgestorven soorten, planten die nog niet
echt ingeburgerd zijn en alleen toevallig en kortstondig voorkomen, en deze die
alleen aangeplant gevonden worden. Grassen, zeggen en russen zijn uitgesloten
omdat het complexe en vaak moeilijke groepen betreft; hun behandeling zou
veel volume en gewicht aan het boek toegevoegd hebben.

Ruud was een enthousiast en inspirerend botanicus. Al in zijn jonge jeugd heeft
zijn moeder in hem de liefde voor planten aangewakkerd. Vakanties met het
gezin in NIVON-natuurvriendenhuizen hebben dat enthousiasme verder doen
toenemen. Naarmate hij ouder werd ging hij meer zelfstandig op excursies. Zo
vaak als mogelijk fietste hij vanuit zijn woonplaats Rotterdam op zaterdagmiddag
na school naar zijn favoriete plek, Oostvoorne, om er stiekem in een bunker te
overnachten en pas zondag weer naar huis terug te fietsen. En hij sloot zich aan
bij kampjes van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie, op de fiets naar
de Waddeneilanden en naar Zuid-Limburg. Zijn plantenkennis groeide gestaag.
Zoals hij het mooi vond om erop uit te trekken, zo had hij ook een passie voor
tuinen met wilde bloemen. Niet alleen om het mooie, maar ook om de eigenaardigheden van die planten van dag tot dag te kunnen volgen. Zoals het geval
Krabbescheer, waarom zie ik geen vruchten, drijft de plant echt? De tuin bij het
ouderlijk huis veranderde langzamerhand in een wildeplantentuin en toen Ruud
het huis uit ging moesten zijn ouders verhuizen. Ze konden de tuin met al die wilde planten niet bijhouden. De latere tuinen die hij samen met zijn vrouw Nelleke
inrichtte en onderhield, hield zij graag blauw-paars maar raakten op onverklaarbare wijze toch regelmatig besmet met gele bloemen. Hij kon het gewoon niet
laten, zijn nieuwsgierigheid won het altijd.
Dat hij Biologie zou gaan studeren om vervolgens bij het Rijksherbarium in Leiden
als onderzoeker aan de slag te gaan was voor hem vanzelfsprekend. Aangesteld
om te werken aan tropische planten was het onvermijdelijk dat hij vanwege zijn
kennis en interesse steeds meer ingezet werd als expert Nederlandse Flora. Binnen
de Leidse Universiteit heeft hij met succes gestreden voor het behoud van excursies
in het onderwijspakket voor studenten Biologie. Excursies binnen Nederland, maar
ook naar Zuid-Spanje omdat het voor hem als een paal boven water stond dat je
een ruimer blikveld moet hebben om de plantendiversiteit in Nederland goed te
kunnen plaatsen. Dat laatste paste hij ook toe op zijn eigen werk voor de Heukels
Flora. Hij had veel internationale contacten en nam de kennis uit het buitenland
mee in de bewerkingen van zijn Floras. Als eerste wereldwijd besloot hij - ambachtelijk taxonoom! - toen duidelijk werd dat de nieuwe inzichten uit het moleculaire
onderzoek zich bestendigden (Angiosperm Phylogeny Group, APG), deze toe te
passen in de 23e editie van zijn Heukels. Inmiddels is er bijna geen Flora meer die
de APG niet volgt. Zijn visie reikte echter veel verder dan alleen de taxonomie. Hij
had veel oog voor het maatschappelijk belang van plantenwaarnemingen door
de tijd heen. Bovendien had hij een groot bindend vermogen en organisatietalent.
Hij wist subsidies vanuit drie verschillende ministeries te verkrijgen om met partners
vele en omvangrijke florabronnen gedigitaliseerd in een landelijk databank voor
plantenwaarnemingen onder te brengen, FLORBASE. Ook hiermee was hij zijn tijd
ver vooruit. Hij deed aan Big Data voordat de term bestond.
Deze Benelux veldsgids van de Benelux straalt het enthousiasme uit dat Ruud zo
kenmerkte. Enthousiasme voor planten, om kennis te bundelen en te delen en dat
liefst met een zo breed mogelijk publiek. Hij zou trots zijn geweest op deze veldgids.

Leni Duistermaat
Naturalis (Leiden, Nederland)

Het bestreken gebied is de Benelux, d.w.z. Nederland, Belgi en het Groothertogdom Luxemburg (vervolledigd met informatie over de aanwezigheid van
soorten in de aangrenzende delen van Noord-Frankrijk: Nord-Pas-de-Calais, Picardi, Ardennes-Marne en Lotharingen). De drie Benelux-landen hebben veel
plantensoorten gemeen, maar toch bestaan er aanzienlijke verschillen als een
gevolg van hun diversiteit aan milieus (vooral afhangend van vochtigheid en bodemcondities) en klimaatcondities (atlantisch dicht bij de zee, meer continentaal
in het binnenland, kouder naar het noorden). Daardoor kan het Benelux-gebied
botanisch in zones verdeeld worden. Deze plantendistricten (zie de kaart) worden elk apart gekenmerkt door de samenstelling van hun flora.
Nederland is het meest vlakke land van Europa en omvat de deltas van de Maas
(ook over de Belgische grens voortgezet) en de Rijn het Fluviatiel district. Het
land zou zonder zijn kordon van duinen en dijken voor de helft onder water liggen. Door een dicht netwerk van greppels, sloten, vaarten en kanalen heeft het
land zeer veel water- en moerasplanten (Groep C, p. 342-389), die bovendien
vaak in grote aantallen voorkomen. De hele noord- en westkust, sterk onder de
invloed van de Noordzee, is gekarakteriseerd door planten die aangepast zijn
aan zoutrijke bodems: het Maritiem district en het Estuarindistrict (dit laatste met
brakke gebieden en veel dijken). Langs de kust liggen de duinen van het kalkrijke
Duindistrict en het relatief kalkarme Waddendistrict, elk met een typische, vaak
fraai ontwikkelde flora. Samen vormen ze Groep D (p. 390-405). Een derde bijzonderheid zijn de plaatselijk grote plassengebieden die ontstaan zijn door afgraving
van de grote (laag)veengebieden: het Laagveendistrict, dat thans tot de belangrijke Europese wetlands wordt gerekend.
Verder is meer dan de helft van Nederland bedekt door rivierzand. Deze gebieden zijn meestal gekenmerkt door voedselarme bodems: het bosplantenrijke
Subcentreuroop district, het zure Kempens district, het Gelders district, rijk aan
droge heiden, en het Drents district met een meer noordelijke flora. In het westen en noorden is veel klei afgezet: het Noordelijk kleidistrict. Kalkrijke gesteenten (kalk en krijt) komen alleen voor in het uiterste zuiden, dat geheel aansluit
bij Belgi: het Zuidlimburgs district. Sommige recentelijk drooggelegde terreinen
hebben nog geen welbepaalde flora: de IJsselmeerpolders.
Belgi verschilt aanzienlijk van Nederland, behalve in het uiterste westen en noorden. Aan de kust is er een smalle strook duinen, die ook kwelders omvat, met
daarbij aansluitend een Polderzone. Een belangrijk deel van Vlaanderen bestaat
uit zandgebieden: het intensief gecultiveerde Vlaams district en het voedselarme, zure Kempens district. Midden-Belgi is een groot, zwak golvend leemgebied, met zeer diverse milieus: het Brabants district. Op bepaalde plaatsen in dit
district, namelijk in het meest oostelijke gedeelte en in de omgeving van Doornik
en Bergen komen kalkrijke gesteenten (kalk en krijt) voor. Ten zuiden van de lijn
Samber-en-Maas dagzomen diverse gesteenten. Deze zijn vaak kalkhoudend

Eerbetoon aan Ruud van der Meijden (1945-2007)

Inleiding

Een plantengids die toegankelijk is voor een breed publiek, dat was een lang gekoesterde wens van Ruud van der Meijden. Een plantengids met mooie illustraties
en tegelijkertijd taxonomisch gezond: dat is wat deze veldsgids van de Benelux
geworden is.

Deze gids van de wilde bloemen die de lezer in het wild in Nederland, Belgi
en het Groothertogdom Luxemburg kan vinden, omvat alle soorten die in het
gebied van nature voorkomen, plus een groot aantal niet-inheemse soorten die
gentroduceerd werden en die er sinds enige tijd ingeburgerd zijn. Deze gids behandelt echter niet de in het gebied uitgestorven soorten, planten die nog niet
echt ingeburgerd zijn en alleen toevallig en kortstondig voorkomen, en deze die
alleen aangeplant gevonden worden. Grassen, zeggen en russen zijn uitgesloten
omdat het complexe en vaak moeilijke groepen betreft; hun behandeling zou
veel volume en gewicht aan het boek toegevoegd hebben.

Ruud was een enthousiast en inspirerend botanicus. Al in zijn jonge jeugd heeft
zijn moeder in hem de liefde voor planten aangewakkerd. Vakanties met het
gezin in NIVON-natuurvriendenhuizen hebben dat enthousiasme verder doen
toenemen. Naarmate hij ouder werd ging hij meer zelfstandig op excursies. Zo
vaak als mogelijk fietste hij vanuit zijn woonplaats Rotterdam op zaterdagmiddag
na school naar zijn favoriete plek, Oostvoorne, om er stiekem in een bunker te
overnachten en pas zondag weer naar huis terug te fietsen. En hij sloot zich aan
bij kampjes van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie, op de fiets naar
de Waddeneilanden en naar Zuid-Limburg. Zijn plantenkennis groeide gestaag.
Zoals hij het mooi vond om erop uit te trekken, zo had hij ook een passie voor
tuinen met wilde bloemen. Niet alleen om het mooie, maar ook om de eigenaardigheden van die planten van dag tot dag te kunnen volgen. Zoals het geval
Krabbescheer, waarom zie ik geen vruchten, drijft de plant echt? De tuin bij het
ouderlijk huis veranderde langzamerhand in een wildeplantentuin en toen Ruud
het huis uit ging moesten zijn ouders verhuizen. Ze konden de tuin met al die wilde planten niet bijhouden. De latere tuinen die hij samen met zijn vrouw Nelleke
inrichtte en onderhield, hield zij graag blauw-paars maar raakten op onverklaarbare wijze toch regelmatig besmet met gele bloemen. Hij kon het gewoon niet
laten, zijn nieuwsgierigheid won het altijd.
Dat hij Biologie zou gaan studeren om vervolgens bij het Rijksherbarium in Leiden
als onderzoeker aan de slag te gaan was voor hem vanzelfsprekend. Aangesteld
om te werken aan tropische planten was het onvermijdelijk dat hij vanwege zijn
kennis en interesse steeds meer ingezet werd als expert Nederlandse Flora. Binnen
de Leidse Universiteit heeft hij met succes gestreden voor het behoud van excursies
in het onderwijspakket voor studenten Biologie. Excursies binnen Nederland, maar
ook naar Zuid-Spanje omdat het voor hem als een paal boven water stond dat je
een ruimer blikveld moet hebben om de plantendiversiteit in Nederland goed te
kunnen plaatsen. Dat laatste paste hij ook toe op zijn eigen werk voor de Heukels
Flora. Hij had veel internationale contacten en nam de kennis uit het buitenland
mee in de bewerkingen van zijn Floras. Als eerste wereldwijd besloot hij - ambachtelijk taxonoom! - toen duidelijk werd dat de nieuwe inzichten uit het moleculaire
onderzoek zich bestendigden (Angiosperm Phylogeny Group, APG), deze toe te
passen in de 23e editie van zijn Heukels. Inmiddels is er bijna geen Flora meer die
de APG niet volgt. Zijn visie reikte echter veel verder dan alleen de taxonomie. Hij
had veel oog voor het maatschappelijk belang van plantenwaarnemingen door
de tijd heen. Bovendien had hij een groot bindend vermogen en organisatietalent.
Hij wist subsidies vanuit drie verschillende ministeries te verkrijgen om met partners
vele en omvangrijke florabronnen gedigitaliseerd in een landelijk databank voor
plantenwaarnemingen onder te brengen, FLORBASE. Ook hiermee was hij zijn tijd
ver vooruit. Hij deed aan Big Data voordat de term bestond.
Deze Benelux veldsgids van de Benelux straalt het enthousiasme uit dat Ruud zo
kenmerkte. Enthousiasme voor planten, om kennis te bundelen en te delen en dat
liefst met een zo breed mogelijk publiek. Hij zou trots zijn geweest op deze veldgids.

Leni Duistermaat
Naturalis (Leiden, Nederland)

Het bestreken gebied is de Benelux, d.w.z. Nederland, Belgi en het Groothertogdom Luxemburg (vervolledigd met informatie over de aanwezigheid van
soorten in de aangrenzende delen van Noord-Frankrijk: Nord-Pas-de-Calais, Picardi, Ardennes-Marne en Lotharingen). De drie Benelux-landen hebben veel
plantensoorten gemeen, maar toch bestaan er aanzienlijke verschillen als een
gevolg van hun diversiteit aan milieus (vooral afhangend van vochtigheid en bodemcondities) en klimaatcondities (atlantisch dicht bij de zee, meer continentaal
in het binnenland, kouder naar het noorden). Daardoor kan het Benelux-gebied
botanisch in zones verdeeld worden. Deze plantendistricten (zie de kaart) worden elk apart gekenmerkt door de samenstelling van hun flora.
Nederland is het meest vlakke land van Europa en omvat de deltas van de Maas
(ook over de Belgische grens voortgezet) en de Rijn het Fluviatiel district. Het
land zou zonder zijn kordon van duinen en dijken voor de helft onder water liggen. Door een dicht netwerk van greppels, sloten, vaarten en kanalen heeft het
land zeer veel water- en moerasplanten (Groep C, p. 342-389), die bovendien
vaak in grote aantallen voorkomen. De hele noord- en westkust, sterk onder de
invloed van de Noordzee, is gekarakteriseerd door planten die aangepast zijn
aan zoutrijke bodems: het Maritiem district en het Estuarindistrict (dit laatste met
brakke gebieden en veel dijken). Langs de kust liggen de duinen van het kalkrijke
Duindistrict en het relatief kalkarme Waddendistrict, elk met een typische, vaak
fraai ontwikkelde flora. Samen vormen ze Groep D (p. 390-405). Een derde bijzonderheid zijn de plaatselijk grote plassengebieden die ontstaan zijn door afgraving
van de grote (laag)veengebieden: het Laagveendistrict, dat thans tot de belangrijke Europese wetlands wordt gerekend.
Verder is meer dan de helft van Nederland bedekt door rivierzand. Deze gebieden zijn meestal gekenmerkt door voedselarme bodems: het bosplantenrijke
Subcentreuroop district, het zure Kempens district, het Gelders district, rijk aan
droge heiden, en het Drents district met een meer noordelijke flora. In het westen en noorden is veel klei afgezet: het Noordelijk kleidistrict. Kalkrijke gesteenten (kalk en krijt) komen alleen voor in het uiterste zuiden, dat geheel aansluit
bij Belgi: het Zuidlimburgs district. Sommige recentelijk drooggelegde terreinen
hebben nog geen welbepaalde flora: de IJsselmeerpolders.
Belgi verschilt aanzienlijk van Nederland, behalve in het uiterste westen en noorden. Aan de kust is er een smalle strook duinen, die ook kwelders omvat, met
daarbij aansluitend een Polderzone. Een belangrijk deel van Vlaanderen bestaat
uit zandgebieden: het intensief gecultiveerde Vlaams district en het voedselarme, zure Kempens district. Midden-Belgi is een groot, zwak golvend leemgebied, met zeer diverse milieus: het Brabants district. Op bepaalde plaatsen in dit
district, namelijk in het meest oostelijke gedeelte en in de omgeving van Doornik
en Bergen komen kalkrijke gesteenten (kalk en krijt) voor. Ten zuiden van de lijn
Samber-en-Maas dagzomen diverse gesteenten. Deze zijn vaak kalkhoudend

(kalk, maar ook schisten) en zijn diep doorsneden door talrijke rivieren. De vegetatie heeft er meer zuidelijke, zelfs mediterrane trekjes: het Maasdistrict. Vrij scherp
van het Maasdistrict gescheiden, ligt net ten zuiden daarvan het Ardens district,
dat bestaat uit meestal koude, zure bodems en dagzomende kiezelgesteenten.
In het oosten, bij de grens met Duitsland (Hoge Venen), maar ook op een paar
plateaus (Tailles, Nassogne, Serpont en Croix Scaille), overschrijden de heuvels de
hoogtegrens van 550 m; deze zones van de Hoge Ardennen bezitten een montane flora. In het uiterste zuiden van Walloni (Lotharings district) ligt weer een
meestal kalkhoudende zandstreek, met een wat zuiders karakter, maar ook met
een opmerkelijk netwerk van laagveenmoerassen en moeraslanden.
Het vrij heuvelrijke Groothertogendom Luxemburg bestaat uit twee contrasterende deelgebieden: enerzijds de Oesling (de voortzetting van het Ardens district,
maar meer continentaal), anderzijds het meestal kalkrijke Gutland (dat tot het
Lotharings district behoort).
1 Maritiem district
2 Waddendistrict
3 Noordelijk kleidistrict
4 Laagveendistrict
5 Drents district
6 IJsselmeerpolders
7 Gelders district
8 Subcentreuroop district
9 Estuarindistrict
10 Zuidlimburgs district
11 Duindistrict
12 Fluviatiel district
13 Kempens district
14 Polders
15 Vlaams district
16 Brabants district
17 Maasdistrict
18 Hoge Ardennen
19 Ardens district
20 Lotharings district

3
4

6
1

6
6

11

7
7

12
1

9
13

9
9

11
14

14

15

13
10

16
16

18

17

19

19
20

10

Bloeiende planten. De planten in deze gids worden gekenmerkt door de aanwezigheid van vaatweefsels (transportsysteem); dit is een verschil ten opzichte van
mossen en levermossen, die uit dit book zijn weggelaten. Het grootste deel ervan
behoort tot de Zaadplanten of Spermatofyten. De meeste zijn echte Bloeiende
planten (Angiospermen of Bedektzadigen), met daarnaast ook nog acht bomen
en struiken die behoren tot de Coniferen (Gymnospermen of Naaktzadigen, p.
468-471). Deze laatste groep wordt gekenmerkt door naaldvormige bladeren
en in kegels gegroepeerde bloemen (en zaden). Varens, paardenstaarten en
wolfsklauwen behoren niet tot de Zaadplanten, aangezien ze geen zaden produceren. Deze planten, sporenplanten genoemd, produceren sporen, meestal in
zakjes op de onderzijde van de bladeren. De sporen ontkiemen en groeien uit tot
een kleine plant, de gametofyt, die zichzelf voortplant om een nieuwe sporofyt
te vormen.
De systematische orde. Binnen de grote groepen (Angiospermen, Gymnospermen, Varens, enz.) worden de planten in families gegroepeerd. De families,
waarvan de naam eindigt met -aceae (niet cursief), bestaan uit geslachten, en
de geslachten uit soorten. Alle soorten van hetzelfde geslacht hebben gemeenschappelijke sleutelkenmerken, en alle geslachten in een familie delen dezelfde diagnostische kenmerken. Elke soort heeft een wetenschappelijke (Latijnse)
naam, die bestaat uit twee cursief geschreven woorden: eerst het geslacht (met
hoofdletter), gevolgd door de soortaanduiding (in kleine letters). Zo is bijvoorbeeld de wetenschappelijke naam van Lelietje-van-dalen Convallaria majalis.
Sommige plantensoorten kunnen nog verder opgesplitst worden, bijvoorbeeld in
ondersoorten en variteiten, aangeduid door respectievelijk subsp. en var., gevolgd door een cursief geschreven naam.
De Nederlandse en wetenschappelijke namen volgen Heukels Flora van Nederland (Ruud van der Meijden, Wolters-Noordhoff, 23e uitgave, 2005) en Hoste et al.
2014 (Dumortiera 104:83-88), aangevuld indien de plant afwezig is in Nederland
met namen ontleend aan de Nouvelle Flore de la Belgique, du Grand-Duch
de Luxembourg, du nord de la France et des rgions voisines, 6e dition (Lambinon & Verloove 2012). Voor een paar soorten verschillen de wetenschappelijke
namen enigszins in de beide floras. Zo kan bijvoorbeeld de ene auteur een plant
als een soort beschouwen, terwijl de andere auteur ze behandelt als een ondersoort. Ook kunnen aparte soorten in de Nouvelle Flore... in Heukels Flora tot een
enkele soort herleid zijn. Indien er verschillen zijn tussen de twee floras, zijn de
kruisverwijzingen in het register vermeld (p. 502-516).
Familie-inleiding. De families, zeker indien ze soortenrijk zijn, worden meestal ingeleid door een korte tekst, waarin de belangrijke kenmerken van de familie zijn
samengevat. Daardoor kan herhaling in de soortenbeschrijvingen vermeden
worden, maar het is belangrijk ze in gedachten te houden.

20

Ordening. De planten zijn systematisch gerangschikt, dit wil zeggen verwijzend


naar hun evolutionaire verwantschap. Deze ordening is gebaseerd op de resultaten van recente DNA studies. Op n punt is van die regel afgeweken: om het
determineren te vergemakkelijken, is een aantal planten ondergebracht in kunstmatige categorien, zoals waterplanten, kustplanten, klimplanten, en bomen en
struiken. Varens (behalve vier soorten), paardenstaarten en wolfsklauwen, die als
meer primitieve groepen beschouwd worden (en die in feite geen bloeiende
planten zijn aangezien ze geen bloemen hebben), zijn voor de eenvoud samen
op het einde geplaatst.

Determinatiesleutels. De ordening van de planten doorheen het hele boek is in


de vorm van een gemakkelijk te gebruiken determinatiesleutel. De planten zijn
in het boek niet enkel geordend volgens de systematische classificatie; ze zijn
verder in groepen en subgroepen verdeeld op basis van gemakkelijk herkenbare, gemeenschappelijke kenmerken. Binnen de groepen of de grote families zijn
de planten gegroepeerd onder sleutel-tussenkopjes. Deze tussenkopjes zijn groen
gekleurd en doorheen de tekst op een hirarchische manier genummerd.

11

(kalk, maar ook schisten) en zijn diep doorsneden door talrijke rivieren. De vegetatie heeft er meer zuidelijke, zelfs mediterrane trekjes: het Maasdistrict. Vrij scherp
van het Maasdistrict gescheiden, ligt net ten zuiden daarvan het Ardens district,
dat bestaat uit meestal koude, zure bodems en dagzomende kiezelgesteenten.
In het oosten, bij de grens met Duitsland (Hoge Venen), maar ook op een paar
plateaus (Tailles, Nassogne, Serpont en Croix Scaille), overschrijden de heuvels de
hoogtegrens van 550 m; deze zones van de Hoge Ardennen bezitten een montane flora. In het uiterste zuiden van Walloni (Lotharings district) ligt weer een
meestal kalkhoudende zandstreek, met een wat zuiders karakter, maar ook met
een opmerkelijk netwerk van laagveenmoerassen en moeraslanden.
Het vrij heuvelrijke Groothertogendom Luxemburg bestaat uit twee contrasterende deelgebieden: enerzijds de Oesling (de voortzetting van het Ardens district,
maar meer continentaal), anderzijds het meestal kalkrijke Gutland (dat tot het
Lotharings district behoort).
1 Maritiem district
2 Waddendistrict
3 Noordelijk kleidistrict
4 Laagveendistrict
5 Drents district
6 IJsselmeerpolders
7 Gelders district
8 Subcentreuroop district
9 Estuarindistrict
10 Zuidlimburgs district
11 Duindistrict
12 Fluviatiel district
13 Kempens district
14 Polders
15 Vlaams district
16 Brabants district
17 Maasdistrict
18 Hoge Ardennen
19 Ardens district
20 Lotharings district

3
4

6
1

6
6

11

7
7

12
1

9
13

9
9

11
14

14

15

13
10

16
16

18

17

19

19
20

10

Bloeiende planten. De planten in deze gids worden gekenmerkt door de aanwezigheid van vaatweefsels (transportsysteem); dit is een verschil ten opzichte van
mossen en levermossen, die uit dit book zijn weggelaten. Het grootste deel ervan
behoort tot de Zaadplanten of Spermatofyten. De meeste zijn echte Bloeiende
planten (Angiospermen of Bedektzadigen), met daarnaast ook nog acht bomen
en struiken die behoren tot de Coniferen (Gymnospermen of Naaktzadigen, p.
468-471). Deze laatste groep wordt gekenmerkt door naaldvormige bladeren
en in kegels gegroepeerde bloemen (en zaden). Varens, paardenstaarten en
wolfsklauwen behoren niet tot de Zaadplanten, aangezien ze geen zaden produceren. Deze planten, sporenplanten genoemd, produceren sporen, meestal in
zakjes op de onderzijde van de bladeren. De sporen ontkiemen en groeien uit tot
een kleine plant, de gametofyt, die zichzelf voortplant om een nieuwe sporofyt
te vormen.
De systematische orde. Binnen de grote groepen (Angiospermen, Gymnospermen, Varens, enz.) worden de planten in families gegroepeerd. De families,
waarvan de naam eindigt met -aceae (niet cursief), bestaan uit geslachten, en
de geslachten uit soorten. Alle soorten van hetzelfde geslacht hebben gemeenschappelijke sleutelkenmerken, en alle geslachten in een familie delen dezelfde diagnostische kenmerken. Elke soort heeft een wetenschappelijke (Latijnse)
naam, die bestaat uit twee cursief geschreven woorden: eerst het geslacht (met
hoofdletter), gevolgd door de soortaanduiding (in kleine letters). Zo is bijvoorbeeld de wetenschappelijke naam van Lelietje-van-dalen Convallaria majalis.
Sommige plantensoorten kunnen nog verder opgesplitst worden, bijvoorbeeld in
ondersoorten en variteiten, aangeduid door respectievelijk subsp. en var., gevolgd door een cursief geschreven naam.
De Nederlandse en wetenschappelijke namen volgen Heukels Flora van Nederland (Ruud van der Meijden, Wolters-Noordhoff, 23e uitgave, 2005) en Hoste et al.
2014 (Dumortiera 104:83-88), aangevuld indien de plant afwezig is in Nederland
met namen ontleend aan de Nouvelle Flore de la Belgique, du Grand-Duch
de Luxembourg, du nord de la France et des rgions voisines, 6e dition (Lambinon & Verloove 2012). Voor een paar soorten verschillen de wetenschappelijke
namen enigszins in de beide floras. Zo kan bijvoorbeeld de ene auteur een plant
als een soort beschouwen, terwijl de andere auteur ze behandelt als een ondersoort. Ook kunnen aparte soorten in de Nouvelle Flore... in Heukels Flora tot een
enkele soort herleid zijn. Indien er verschillen zijn tussen de twee floras, zijn de
kruisverwijzingen in het register vermeld (p. 502-516).
Familie-inleiding. De families, zeker indien ze soortenrijk zijn, worden meestal ingeleid door een korte tekst, waarin de belangrijke kenmerken van de familie zijn
samengevat. Daardoor kan herhaling in de soortenbeschrijvingen vermeden
worden, maar het is belangrijk ze in gedachten te houden.

20

Ordening. De planten zijn systematisch gerangschikt, dit wil zeggen verwijzend


naar hun evolutionaire verwantschap. Deze ordening is gebaseerd op de resultaten van recente DNA studies. Op n punt is van die regel afgeweken: om het
determineren te vergemakkelijken, is een aantal planten ondergebracht in kunstmatige categorien, zoals waterplanten, kustplanten, klimplanten, en bomen en
struiken. Varens (behalve vier soorten), paardenstaarten en wolfsklauwen, die als
meer primitieve groepen beschouwd worden (en die in feite geen bloeiende
planten zijn aangezien ze geen bloemen hebben), zijn voor de eenvoud samen
op het einde geplaatst.

Determinatiesleutels. De ordening van de planten doorheen het hele boek is in


de vorm van een gemakkelijk te gebruiken determinatiesleutel. De planten zijn
in het boek niet enkel geordend volgens de systematische classificatie; ze zijn
verder in groepen en subgroepen verdeeld op basis van gemakkelijk herkenbare, gemeenschappelijke kenmerken. Binnen de groepen of de grote families zijn
de planten gegroepeerd onder sleutel-tussenkopjes. Deze tussenkopjes zijn groen
gekleurd en doorheen de tekst op een hirarchische manier genummerd.

11

Bij de Kruisbloemenfamilie bijvoorbeeld, op p. 168-193, verdelen de tussenkopjes


de verschillende soorten als volgt:
1a Bloemen (bleek) geel

2a Vruchten (tamelijk) breed

2b Vruchten smal

3a Bovenste bladeren stengelomvattend
455 Wede Isatis tinctoria
456 Torenkruid Arabis glabra
457 Koolzaad Brassica napus

3b Bovenste bladeren niet stengelomvattend

4a Bovenste bladeren ongedeeld

4b Alle bladeren gedeeld
1b Bloemen wit (indien roze of paars: apart vermeld)

5a Vruchten tamelijk lang

5b Vruchten tamelijk breed

6a Stengels onbebladerd

6b Bovenste bladeren stengelomvattend

6c Bovenste bladeren zittend of gesteeld
Tussenkopje nummer 3 is een onderverdeling van tussenkopje 2 dat een onderverdeling is van tussenkopje 1. Op elk hirarchisch niveau moet er gekozen worden tussen twee of meer mogelijkheden (a, b, c). Een voorbeeld: wanneer uw
plant (bleek) gele bloemen (1a), smalle vruchten (2b), en bovenaan de stengel
stengelomvattende bladeren (3a) vertoont, heeft u de keuze uit Wede, Torenkruid en Koolzaad. U zult vervolgens de beschrijvende tekst, de fotos en de kaarten moeten gebruiken om de determinatie te voltooien.

12

De hoofdsleutel kan ook gevonden worden op p. 26-31; deze sleutel vat de belangrijkste in de tekst ingelaste sleutel-tussenkopjes samen, en omvat verder ook
een uitgebreide sleutel voor de grote groep A (Landplanten buiten de groepen
B-I). Door na elkaar verschillende goed zichtbare kenmerken te bekijken, kan de
lezer met behulp van de hoofdsleutel stap voor stap zijn (haar) keuze maken en
het aantal waarschijnlijke soorten beperken tot slechts enkele planten. De referenties in de sleutel richten de lezer rechtstreeks naar de hoofdsectie of naar de
nummers waar de planten beschreven en gellustreerd worden.
Een voorbeeld:
Sleutel A: Landplanten (exclusief de groepen B-I)
a Bloemen in hoofdjes Sleutel A1:

1a Planten met een uiengeur: 95

1b Groene bladeren na de bloei verschijnend: 965, 966

1c Bladeren in kransen: 586

1d Planten stekelig

2a Bloemen paars, blauw of witachtig: 796, 797, 868-885, 888,
1140

2b Bloemen geel of gelig-bruin: 860-867, 886, 887

1e Bladeren 3-tallig of geveerd: Vlinderbloemenfamilie: 373-395, 398;
895

1f Bloemen groenig, bruinig (paarsig) of donker paars, of bloemen in
kleine hoofdjes gegroepeerd

2a Planten geheel witwollig, of tenminste zo aan de bladonderkant: 901-910, 915, 1179

2b Bloemen zeer klein, in hoofdjes gegroepeerd en aan de
voet omgeven door 1 of meer rijen schutbladen: 522, 896,
910-916

2c Geen rijen schutbladen die de bloemen aan de voet omgeven: 425, 426, 736, 788

Als de plant bloemen in hoofdjes (Sleutel A1) heeft, en bladeren in kransen (1c),
ga dan naar soort nummer 586 (Blauw walstro op p. 212). Als in plaats daarvan de
plant stekelig (1d) is, met gele bloemen (2b), verwijst de sleutel naar de soorten
onder de nummers 860-867, 886 en 887. De fotos, de tekst en de kaarten kunnen
helpen om de determinatie af te ronden.
Voor elke plant omschrijft de tekst de zeldzaamheid, vorm en hoogte van de
plant, nuttige determinatiekenmerken, habitats en bloeitijd. De bijhorende fotos
geven een algemeen beeld van de plant, maar ook sommige details die belangrijke identificatietips illustreren. Elke plant heeft een nummer dat overeenstemt
met het nummer onder de kaart en/of foto(s). Bij sterk op elkaar lijkende soorten
worden soms alleen de verschillen ten opzichte van de vorige plant omschreven.
Zeldzaamheid. De asterisken die de namen van inheemse soorten voorafgaan
hebben de volgende betekenis:
* = schaars, weinig talrijk in de hele Benelux, of algemeen, maar dan alleen
binnen een beperkt geografisch gebied
** = zeldzaam, met een beperkte verspreiding
*** = zeer zeldzaam, alleen gekend van een paar vindplaatsen in de hele Benelux
Vorm en hoogte. Tenzij anders vermeld, wordt aangenomen dat de plant rechtopstaand en niet-houtig is. De verschillende vormtypes worden in de verklarende
woordenlijst (p. 20-25) beschreven. De hoogte van een plant kan sterk variren
naar gelang van hoogteverschillen, klimaat, bodem, lichtintensiteit en voor wat
houtige planten betreft ouderdom. De gegeven afmetingen betreffen typische
exemplaren. Soms is de lengte van een plant vermeld: een kruipende plant kan
zeer lang zijn zonder hoog te zijn.
Bloeiende delen. Bloemgrootte, -kleur en -vorm, en structuur van de bloemen zijn
belangrijk, en daarnaast vaak ook meer subtiele kenmerken, zoals kelkblad- en
kroonbladlengte, of de aanwezigheid en lengte van een spoor (zoals bij Orchideen en springzaad) of van schutbladen aan de voet van de bloemen. Tenzij
anders vermeld, verwijzen alle gegeven afmetingen van bloemen en bloemdelen (kroonslippen, kelkbladen, stijlen, enz.) naar hun lengte, en kleuren naar de
kroonbladen (of naar de kelkbladen als er geen kroonbladen zijn). De verschillende bloeiwijzen en de vormen en onderdelen van de individuele bloemen worden
in de verklarende woordenlijst (p. 20-25) beschreven.
De bladeren zijn gesteeld, tenzij anders vermeld. De kenmerken omschreven in
de tekst zijn meestal identificatietips (vorm, haren, stekels of tanden aanwezig ).
De ontwikkeling van de bladeren wordt direct benvloed door de groeiplaats. De
bladeren kunnen wat variatie vertonen binnen eenzelfde soort. Zo kunnen ze bij
eenzelfde soort groot, dun en bijna onbehaard zijn in een beschaduwd en vochtig milieu, of klein, dikker en behaard in droge, open, zonnige condities. Bij waterplanten zijn de ondergedoken bladeren vaak langer en smaller dan drijvende of
boven de waterspiegel uitstekende bladeren.
De vrucht is het orgaan dat de zaden beschermt. Sommige vruchten hebben
bijzondere structuren ontwikkeld, die de zaden helpen om zich over soms lange afstand te verspreiden, zoals vleugels en haarkroontjes voor vervoer door de
wind (bv. bij esdoorns en paardenbloem), haakvormige haren of schubben die
zich vasthaken in de pels van een dier of in kleren (bv. bij klit en kleefkruid) en
smakkelijke vlezige delen (bv. bij bessen en appels) die bijvoorbeeld vogels of
plantkundigen moeten verleiden om de vrucht op te eten. Deze kenmerken zijn
meestal zeer belangrijke determinatiecriteria.

13

Bij de Kruisbloemenfamilie bijvoorbeeld, op p. 168-193, verdelen de tussenkopjes


de verschillende soorten als volgt:
1a Bloemen (bleek) geel

2a Vruchten (tamelijk) breed

2b Vruchten smal

3a Bovenste bladeren stengelomvattend
455 Wede Isatis tinctoria
456 Torenkruid Arabis glabra
457 Koolzaad Brassica napus

3b Bovenste bladeren niet stengelomvattend

4a Bovenste bladeren ongedeeld

4b Alle bladeren gedeeld
1b Bloemen wit (indien roze of paars: apart vermeld)

5a Vruchten tamelijk lang

5b Vruchten tamelijk breed

6a Stengels onbebladerd

6b Bovenste bladeren stengelomvattend

6c Bovenste bladeren zittend of gesteeld
Tussenkopje nummer 3 is een onderverdeling van tussenkopje 2 dat een onderverdeling is van tussenkopje 1. Op elk hirarchisch niveau moet er gekozen worden tussen twee of meer mogelijkheden (a, b, c). Een voorbeeld: wanneer uw
plant (bleek) gele bloemen (1a), smalle vruchten (2b), en bovenaan de stengel
stengelomvattende bladeren (3a) vertoont, heeft u de keuze uit Wede, Torenkruid en Koolzaad. U zult vervolgens de beschrijvende tekst, de fotos en de kaarten moeten gebruiken om de determinatie te voltooien.

12

De hoofdsleutel kan ook gevonden worden op p. 26-31; deze sleutel vat de belangrijkste in de tekst ingelaste sleutel-tussenkopjes samen, en omvat verder ook
een uitgebreide sleutel voor de grote groep A (Landplanten buiten de groepen
B-I). Door na elkaar verschillende goed zichtbare kenmerken te bekijken, kan de
lezer met behulp van de hoofdsleutel stap voor stap zijn (haar) keuze maken en
het aantal waarschijnlijke soorten beperken tot slechts enkele planten. De referenties in de sleutel richten de lezer rechtstreeks naar de hoofdsectie of naar de
nummers waar de planten beschreven en gellustreerd worden.
Een voorbeeld:
Sleutel A: Landplanten (exclusief de groepen B-I)
a Bloemen in hoofdjes Sleutel A1:

1a Planten met een uiengeur: 95

1b Groene bladeren na de bloei verschijnend: 965, 966

1c Bladeren in kransen: 586

1d Planten stekelig

2a Bloemen paars, blauw of witachtig: 796, 797, 868-885, 888,
1140

2b Bloemen geel of gelig-bruin: 860-867, 886, 887

1e Bladeren 3-tallig of geveerd: Vlinderbloemenfamilie: 373-395, 398;
895

1f Bloemen groenig, bruinig (paarsig) of donker paars, of bloemen in
kleine hoofdjes gegroepeerd

2a Planten geheel witwollig, of tenminste zo aan de bladonderkant: 901-910, 915, 1179

2b Bloemen zeer klein, in hoofdjes gegroepeerd en aan de
voet omgeven door 1 of meer rijen schutbladen: 522, 896,
910-916

2c Geen rijen schutbladen die de bloemen aan de voet omgeven: 425, 426, 736, 788

Als de plant bloemen in hoofdjes (Sleutel A1) heeft, en bladeren in kransen (1c),
ga dan naar soort nummer 586 (Blauw walstro op p. 212). Als in plaats daarvan de
plant stekelig (1d) is, met gele bloemen (2b), verwijst de sleutel naar de soorten
onder de nummers 860-867, 886 en 887. De fotos, de tekst en de kaarten kunnen
helpen om de determinatie af te ronden.
Voor elke plant omschrijft de tekst de zeldzaamheid, vorm en hoogte van de
plant, nuttige determinatiekenmerken, habitats en bloeitijd. De bijhorende fotos
geven een algemeen beeld van de plant, maar ook sommige details die belangrijke identificatietips illustreren. Elke plant heeft een nummer dat overeenstemt
met het nummer onder de kaart en/of foto(s). Bij sterk op elkaar lijkende soorten
worden soms alleen de verschillen ten opzichte van de vorige plant omschreven.
Zeldzaamheid. De asterisken die de namen van inheemse soorten voorafgaan
hebben de volgende betekenis:
* = schaars, weinig talrijk in de hele Benelux, of algemeen, maar dan alleen
binnen een beperkt geografisch gebied
** = zeldzaam, met een beperkte verspreiding
*** = zeer zeldzaam, alleen gekend van een paar vindplaatsen in de hele Benelux
Vorm en hoogte. Tenzij anders vermeld, wordt aangenomen dat de plant rechtopstaand en niet-houtig is. De verschillende vormtypes worden in de verklarende
woordenlijst (p. 20-25) beschreven. De hoogte van een plant kan sterk variren
naar gelang van hoogteverschillen, klimaat, bodem, lichtintensiteit en voor wat
houtige planten betreft ouderdom. De gegeven afmetingen betreffen typische
exemplaren. Soms is de lengte van een plant vermeld: een kruipende plant kan
zeer lang zijn zonder hoog te zijn.
Bloeiende delen. Bloemgrootte, -kleur en -vorm, en structuur van de bloemen zijn
belangrijk, en daarnaast vaak ook meer subtiele kenmerken, zoals kelkblad- en
kroonbladlengte, of de aanwezigheid en lengte van een spoor (zoals bij Orchideen en springzaad) of van schutbladen aan de voet van de bloemen. Tenzij
anders vermeld, verwijzen alle gegeven afmetingen van bloemen en bloemdelen (kroonslippen, kelkbladen, stijlen, enz.) naar hun lengte, en kleuren naar de
kroonbladen (of naar de kelkbladen als er geen kroonbladen zijn). De verschillende bloeiwijzen en de vormen en onderdelen van de individuele bloemen worden
in de verklarende woordenlijst (p. 20-25) beschreven.
De bladeren zijn gesteeld, tenzij anders vermeld. De kenmerken omschreven in
de tekst zijn meestal identificatietips (vorm, haren, stekels of tanden aanwezig ).
De ontwikkeling van de bladeren wordt direct benvloed door de groeiplaats. De
bladeren kunnen wat variatie vertonen binnen eenzelfde soort. Zo kunnen ze bij
eenzelfde soort groot, dun en bijna onbehaard zijn in een beschaduwd en vochtig milieu, of klein, dikker en behaard in droge, open, zonnige condities. Bij waterplanten zijn de ondergedoken bladeren vaak langer en smaller dan drijvende of
boven de waterspiegel uitstekende bladeren.
De vrucht is het orgaan dat de zaden beschermt. Sommige vruchten hebben
bijzondere structuren ontwikkeld, die de zaden helpen om zich over soms lange afstand te verspreiden, zoals vleugels en haarkroontjes voor vervoer door de
wind (bv. bij esdoorns en paardenbloem), haakvormige haren of schubben die
zich vasthaken in de pels van een dier of in kleren (bv. bij klit en kleefkruid) en
smakkelijke vlezige delen (bv. bij bessen en appels) die bijvoorbeeld vogels of
plantkundigen moeten verleiden om de vrucht op te eten. Deze kenmerken zijn
meestal zeer belangrijke determinatiecriteria.

13

Het milieu cruciaal om de verspreiding van een plant uit te leggen is voornamelijk het resultaat van de combinatie van klimaat en vochtigheids- en bodemcondities. Belangrijk is de zuurtegraad van de bodem: sommige planten komen
alleen op kalkrijke bodems voor, d.w.z. op krijt en kalk, of in zandduinen die rijk zijn
aan schelpen (opgebouwd uit calciumcarbonaat). Andere vermijden calciumcarbonaatrijke bodems en geven de voorkeur aan zure bodems op graniet en
leisteen. De verspreidingspatronen van deze habitatspecialisten op de kaarten
geven de verbreiding van de kalkrijke of zure gesteenten in het gebied weer.
De bloeitijd is gegeven voor het hele Beneluxgebied. Voor planten met een wijde
geografische verspreiding kunnen de vroegste bloeidata enkele weken afwijken,
afhankelijk van de regionale, lokale en jaarlijkse condities van klimaat en weer. Af
en toe kunnen gesoleerde individuele planten ook vroeger of later dan de andere bloeien; dergelijke exemplaren mogen niet als typisch beschouwd worden.
Sommige planten kunnen variabele bloeitijden vertonen, soms met een tweede
bloeiperiode in de herfst, in het bijzonder als het weer zacht is of nadat een plant
laat in de lente of in het begin van de zomer gemaaid werd. Bij sommige planten
kan klimaatverandering tot bloeitijdverschuivingen geleid hebben, zonder dat dit
tot nog toe voldoende werd onderkend.
De kaarten geven een idee van de geografische verspreiding van de planten,
d.w.z. waar elke soort in de Benelux voorkomt, maar ze duiden ook de abundantie aan binnen elk plantendistrict. Ze zijn gebaseerd op de meest recente beschikbare gegevens. De kaarten maken geen onderscheid tussen arealen waar
de plant inheems is of gentroduceerd werd (behalve wanneer dit in de tekst
vermeld is). De verspreiding van sommige soorten kan ook lokaal zijn binnen een
district. Dit is het geval voor soorten die beperkt zijn tot kalksteen of krijt (vooral in
het uiterste oosten van het Brabants district).
De abundantie binnen elk district is
aangeduid door verschillende kleurintensiteiten. Ze is gebaseerd op gegevens verzameld tijdens botanisch
inventarisatie-veldwerk in het kader
van atlasprojecten volgens een 4 4
of 5 5 km rastersysteem (zie bibliografische notas p. 16-18):
Licht: aanwezig in slechts een paar
rastereenheden (max. 1,9 % van de
rastereenheden)
Tussenkleur: aanwezig in 2 tot 30 %
van de rastereenheden
Donker: aanwezig in tenminste 30 %
van de rastereenheden
Binnen de rastereenheden, kunnen
de planten in lokale abundantie
variren, afhankelijk van hun milieubehoeften: planten van zeer specifieke habitats zullen vaak minder algemeen zijn dan minder kieskeurige
soorten.

14

Onder de kaarten is beknopt de aanwezigheid van de planten in vier aangrenzende streken in Noord-Frankrijk aangeduid:

N=N
 ord-Pas-de-Calais
(departementen 59
en 62)
P=P
 icardi (departementen 02, 60 en 80)
A=A
 rdennes-Marne (departementen 08 en 51)
L = L otharingen (departementen 54, 55 en 57;
Vosges departement
uitgesloten)
= aanwezig in de vier
streken
Voorbeeld: NPA betekent dat de soort aanwezig is in alle aangrenzende streken, behalve in Lotharingen.
Kennis van de verspreiding van een plant kan nuttig zijn om uw determinatie te
bevestigen. Het is onwaarschijnlijk dat de gevonden plant is wat u denkt indien
u zich ver buiten het verspreidingsgebied van de veronderstelde soort bevindt.
Nochtans kunnen planten soms gevonden worden buiten hun bekend areaal.
Sommige van de in dit boek behandelde regios moeten nog systematisch genventariseerd worden, en dit kan tot nieuwe vondsten leiden, zelfs van welbekende en geliefde planten. Zo werden bijvoorbeeld recent in Zuid-Belgi enkele
regionaal als uitgestorven beschouwde planten teruggevonden. Sommige plantensoorten, vooral indien ze zich pas recentelijk gevestigd hebben, kunnen zich
snel uitbreiden. Andere zijn alleen sporadisch te vinden in sommige districten, of
worden, meestal als een gevolg van menselijke activiteiten, steeds zeldzamer of
dreigen zelfs regionaal uit te sterven.
Bescherming. Teneinde ze beter te beschermen, is bij zeldzame soorten doorgaans geen precieze informatie weergegeven op de kaarten. Het plukken van
wilde bloemen is overigens ongepast, en vaak ook onwettig. Zelfs als een plant
duidelijk zeer algemeen en wijdverspreid is en u zich niet in een beschermd natuurgebied bevindt, kunt u ze beter niet plukken en er anderen na u ook van laten genieten. In geval van twijfel kunt u beschrijvende notities nemen of de plant
fotograferen, maar let er dan wel op de omgeving niet onnodig te vertrappelen.
Graaf geen planten uit. Talrijke soorten zijn beschermd op gewestelijk of nationaal
niveau. Het is onwettig deze planten te ontwortelen, en vaak is ook het plukken
ervan of het verzamelen van delen van de plant (zelfs zaden) verboden. Lijsten
met nationaal beschermde soorten zijn beschikbaar op de volgende websites:
Nederland: http:// www.nederlandsesoorten.nl
Belgi: http://flora.inbo.be en http://biodiversite.wallonie.be/
Luxemburg: www.mnhn.lu/

15

Het milieu cruciaal om de verspreiding van een plant uit te leggen is voornamelijk het resultaat van de combinatie van klimaat en vochtigheids- en bodemcondities. Belangrijk is de zuurtegraad van de bodem: sommige planten komen
alleen op kalkrijke bodems voor, d.w.z. op krijt en kalk, of in zandduinen die rijk zijn
aan schelpen (opgebouwd uit calciumcarbonaat). Andere vermijden calciumcarbonaatrijke bodems en geven de voorkeur aan zure bodems op graniet en
leisteen. De verspreidingspatronen van deze habitatspecialisten op de kaarten
geven de verbreiding van de kalkrijke of zure gesteenten in het gebied weer.
De bloeitijd is gegeven voor het hele Beneluxgebied. Voor planten met een wijde
geografische verspreiding kunnen de vroegste bloeidata enkele weken afwijken,
afhankelijk van de regionale, lokale en jaarlijkse condities van klimaat en weer. Af
en toe kunnen gesoleerde individuele planten ook vroeger of later dan de andere bloeien; dergelijke exemplaren mogen niet als typisch beschouwd worden.
Sommige planten kunnen variabele bloeitijden vertonen, soms met een tweede
bloeiperiode in de herfst, in het bijzonder als het weer zacht is of nadat een plant
laat in de lente of in het begin van de zomer gemaaid werd. Bij sommige planten
kan klimaatverandering tot bloeitijdverschuivingen geleid hebben, zonder dat dit
tot nog toe voldoende werd onderkend.
De kaarten geven een idee van de geografische verspreiding van de planten,
d.w.z. waar elke soort in de Benelux voorkomt, maar ze duiden ook de abundantie aan binnen elk plantendistrict. Ze zijn gebaseerd op de meest recente beschikbare gegevens. De kaarten maken geen onderscheid tussen arealen waar
de plant inheems is of gentroduceerd werd (behalve wanneer dit in de tekst
vermeld is). De verspreiding van sommige soorten kan ook lokaal zijn binnen een
district. Dit is het geval voor soorten die beperkt zijn tot kalksteen of krijt (vooral in
het uiterste oosten van het Brabants district).
De abundantie binnen elk district is
aangeduid door verschillende kleurintensiteiten. Ze is gebaseerd op gegevens verzameld tijdens botanisch
inventarisatie-veldwerk in het kader
van atlasprojecten volgens een 4 4
of 5 5 km rastersysteem (zie bibliografische notas p. 16-18):
Licht: aanwezig in slechts een paar
rastereenheden (max. 1,9 % van de
rastereenheden)
Tussenkleur: aanwezig in 2 tot 30 %
van de rastereenheden
Donker: aanwezig in tenminste 30 %
van de rastereenheden
Binnen de rastereenheden, kunnen
de planten in lokale abundantie
variren, afhankelijk van hun milieubehoeften: planten van zeer specifieke habitats zullen vaak minder algemeen zijn dan minder kieskeurige
soorten.

14

Onder de kaarten is beknopt de aanwezigheid van de planten in vier aangrenzende streken in Noord-Frankrijk aangeduid:

N=N
 ord-Pas-de-Calais
(departementen 59
en 62)
P=P
 icardi (departementen 02, 60 en 80)
A=A
 rdennes-Marne (departementen 08 en 51)
L = L otharingen (departementen 54, 55 en 57;
Vosges departement
uitgesloten)
= aanwezig in de vier
streken
Voorbeeld: NPA betekent dat de soort aanwezig is in alle aangrenzende streken, behalve in Lotharingen.
Kennis van de verspreiding van een plant kan nuttig zijn om uw determinatie te
bevestigen. Het is onwaarschijnlijk dat de gevonden plant is wat u denkt indien
u zich ver buiten het verspreidingsgebied van de veronderstelde soort bevindt.
Nochtans kunnen planten soms gevonden worden buiten hun bekend areaal.
Sommige van de in dit boek behandelde regios moeten nog systematisch genventariseerd worden, en dit kan tot nieuwe vondsten leiden, zelfs van welbekende en geliefde planten. Zo werden bijvoorbeeld recent in Zuid-Belgi enkele
regionaal als uitgestorven beschouwde planten teruggevonden. Sommige plantensoorten, vooral indien ze zich pas recentelijk gevestigd hebben, kunnen zich
snel uitbreiden. Andere zijn alleen sporadisch te vinden in sommige districten, of
worden, meestal als een gevolg van menselijke activiteiten, steeds zeldzamer of
dreigen zelfs regionaal uit te sterven.
Bescherming. Teneinde ze beter te beschermen, is bij zeldzame soorten doorgaans geen precieze informatie weergegeven op de kaarten. Het plukken van
wilde bloemen is overigens ongepast, en vaak ook onwettig. Zelfs als een plant
duidelijk zeer algemeen en wijdverspreid is en u zich niet in een beschermd natuurgebied bevindt, kunt u ze beter niet plukken en er anderen na u ook van laten genieten. In geval van twijfel kunt u beschrijvende notities nemen of de plant
fotograferen, maar let er dan wel op de omgeving niet onnodig te vertrappelen.
Graaf geen planten uit. Talrijke soorten zijn beschermd op gewestelijk of nationaal
niveau. Het is onwettig deze planten te ontwortelen, en vaak is ook het plukken
ervan of het verzamelen van delen van de plant (zelfs zaden) verboden. Lijsten
met nationaal beschermde soorten zijn beschikbaar op de volgende websites:
Nederland: http:// www.nederlandsesoorten.nl
Belgi: http://flora.inbo.be en http://biodiversite.wallonie.be/
Luxemburg: www.mnhn.lu/

15

Bibliografische notas
//ALGEMEEN
Heukels Flora van Nederland, door R. van der Meijden (Wolters-Noordhoff, 23e
druk, 2005). D essentile referentie voor Nederland, met talrijke sleutels en illustraties, al aangepast aan de gereviseerde classificatie gebaseerd op DNA studies.
Flora van Belgi, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden, door J. Lambinon, L. Delvosalle en J. Duvigneaud (Nationale Plantentuin van Belgi, 3e druk, 1998; 6de geactualiseerde uitgave in het
Frans: 2012). D essentile referentie voor Belgi, Luxemburg en Noord-Frankrijk,
met talrijke determinatiesleutels, illustraties en een goede verklarende woordenlijst.

Plantes protges et menaces de la rgion Nord/Pas-de-Calais (Centre Rgional de Phytosociologie agr Conservatoire Botanique National de Bailleul,
2005), geeft een vrij gedetailleerd profiel (soortenbeschrijving, foto, ecologie,
bedreigingen en verspreidingskaarten) van de zeldzame en bedreigde plantensoorten in Nord/Pas-de-Calais (Frankrijk).
Flore de la Flandre franaise, door B. Toussaint et al. (Centre rgional de phytosociologie agr Conservatoire botanique national de Bailleul, 2008). Alles over de
flora van deze regio van Noord-Frankrijk, met o.a. verspreidingskaarten, ecologische voorkeur, habitats, bedreigingen en didactische illustraties.

Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties, door E. Weeda


et al. (IVN-VARA-VEWIN, 5 delen, 1985-1994). Bevat zeer uitgebreide informatie
over de ecologie van de wilde planten die in Nederland voorkomen.

Plantes protges de la rgion Picardie (Centre Rgional de Phytosociologie


agr Conservatoire Botanique National de Bailleul, 2006), geeft fiches (soortenbeschrijving, foto, ecologie, bedreigingen en verspreidingskaarten) van de beschermde plantensoorten in Picardie (Frankrijk).

Veldgids Nederlandse Flora, door H. Eggelte (KNNV Uitgeverij, 5de uitgave, 2005).
Bevat vereenvoudigde determinatiesleutels, die gemakkelijk te gebruiken zijn
door beginnelingen.

//PLANTENGROEPEN

De gellustreerde flora, door M. Blamey en C. Grey-Wilson (Tirion Natuur, 2003), is


een fraai gellustreerd boek, dat het hele gebied van Noordwest-Europa bestrijkt.

16

Red List of the Vascular Plants of Luxembourg, door G. Colling (Ferrantia 42, 2005),
bevat een checklist van de inheemse en ingeburgerde soorten in Luxemburg,
met vermelding van hun bedreigingscategorie.

The Grasses, Sedges, Rushes and Ferns of Britain and Northern Europe, door R.
Fitter, A. Fitter en A. Farrer (Collins Pocket Guide), is een gellustreerde gids voor de
grassen, zeggen, russen en varens.

Mabberleys Plant-Book, door D. Mabberley (Cambridge Univ. Press, 3de uitgave,


2008), is een draagbaar plantenwoordenboek dat qua systematische classificatie helemaal aangepast is aan de resultaten van de recente DNA studies.

Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen: herkenning, verspreiding, geschiedenis en gebruik, door B. Maes et al. (Boom, 2013), omvat een compleet overzicht van de bomen en struiken die in Vlaanderen en Nederland voorkomen, met kaarten, veel illustraties en historische en ecologische informatie.

Nieuwe atlas van de Nederlandse flora verspreiding van wilde planten in Nederland, door Floron (KNNV, Zeist, 2011), bevat verspreidingskaarten van alle plantensoorten op een 5x5 km raster. Ook op www.verspreidingsatlas.nl

Bomen en struiken van Belgi, door L. Debot (KBIN, 1984), is een gemakkelijk te
gebruiken gids voor beginnelingen.

Rode Lijst Vaatplanten Nederland, door L.B. Sparrius, B. Od en R. Beringen


(FLORON, Nijmegen 2012), geeft een analyse van de zeldzaamheid en trend van
de inheemse en ingeburgerde soorten.

Veldgids Nederlandse Orchideen, door K. Kreutz (Meijs Publishers, 2de uitgave,


2005), is een veldgids met prachtige fotos, bestemd voor het determineren van
alle ooit in Nederland gevonden orchideensoorten.

Atlas van de Belgische en Luxemburgse flora. Pteridofyten en Spermatofyten,


door E. van Rompaey en L. Delvosalle (Nationale Plantentuin van Belgi, 2de
uitgave, 1979), was de eerste atlas met verspreidingskaarten van de wilde flora
in Belgi en Luxemburg gebaseerd op een systematische inventarisatie volgens
een raster-systeem. Ook op http://projects.biodiversity.be/ifbl

Guide des orchides de France, de Suisse et du Benelux, door P. Delforge (Delachaux & Niestl, 2007). Een gellustreerde determinatiegids, die een uitgebreid
overzicht geeft van de diversiteit aan orchideen in onze streken.

Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest, door W. Van Landuyt
et al. (Instituut voor natuur- en bosonderzoek, Nationale Plantentuin van Belgi
en Flo.Wer, 2006), toont recente en geactualiseerde verspreidingskaarten van de
plantensoorten in Vlaanderen en het Brusselse Gewest, maar biedt ook een overzicht van de veranderingen in de flora en het landschap gedurende de laatste
65 jaar.

Het Nederlands Soortenregister geeft een overzicht van de biodiversiteit in Nederland. De informatie betreffende flora en fauna is door experten bijeengebracht; ze omvat fotos en allerlei gegevens over de taxonomie, ecologische
voorkeuren en wettelijke bescherming van de individuele soorten. Website: www.
nederlandsesoorten.nl

Catalogue of neophytes in Belgium (1800-2005), door F. Verloove (Scripta Botanica Belgica 39, 2006), biedt een volledige checklist van alle exotische planten
die ooit in Belgi zijn waargenomen. Ook geactualiseerd op http://alienplantsbelgium.be/

//INTERNET

Soortenbank.nl - Dieren, planten en paddestoelen in Nederland. Geeft soortenbeschrijving en verspreidingskaarten voor Nederland. Website: http://www.soortenbank.nl

17

Bibliografische notas
//ALGEMEEN
Heukels Flora van Nederland, door R. van der Meijden (Wolters-Noordhoff, 23e
druk, 2005). D essentile referentie voor Nederland, met talrijke sleutels en illustraties, al aangepast aan de gereviseerde classificatie gebaseerd op DNA studies.
Flora van Belgi, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden, door J. Lambinon, L. Delvosalle en J. Duvigneaud (Nationale Plantentuin van Belgi, 3e druk, 1998; 6de geactualiseerde uitgave in het
Frans: 2012). D essentile referentie voor Belgi, Luxemburg en Noord-Frankrijk,
met talrijke determinatiesleutels, illustraties en een goede verklarende woordenlijst.

Plantes protges et menaces de la rgion Nord/Pas-de-Calais (Centre Rgional de Phytosociologie agr Conservatoire Botanique National de Bailleul,
2005), geeft een vrij gedetailleerd profiel (soortenbeschrijving, foto, ecologie,
bedreigingen en verspreidingskaarten) van de zeldzame en bedreigde plantensoorten in Nord/Pas-de-Calais (Frankrijk).
Flore de la Flandre franaise, door B. Toussaint et al. (Centre rgional de phytosociologie agr Conservatoire botanique national de Bailleul, 2008). Alles over de
flora van deze regio van Noord-Frankrijk, met o.a. verspreidingskaarten, ecologische voorkeur, habitats, bedreigingen en didactische illustraties.

Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties, door E. Weeda


et al. (IVN-VARA-VEWIN, 5 delen, 1985-1994). Bevat zeer uitgebreide informatie
over de ecologie van de wilde planten die in Nederland voorkomen.

Plantes protges de la rgion Picardie (Centre Rgional de Phytosociologie


agr Conservatoire Botanique National de Bailleul, 2006), geeft fiches (soortenbeschrijving, foto, ecologie, bedreigingen en verspreidingskaarten) van de beschermde plantensoorten in Picardie (Frankrijk).

Veldgids Nederlandse Flora, door H. Eggelte (KNNV Uitgeverij, 5de uitgave, 2005).
Bevat vereenvoudigde determinatiesleutels, die gemakkelijk te gebruiken zijn
door beginnelingen.

//PLANTENGROEPEN

De gellustreerde flora, door M. Blamey en C. Grey-Wilson (Tirion Natuur, 2003), is


een fraai gellustreerd boek, dat het hele gebied van Noordwest-Europa bestrijkt.

16

Red List of the Vascular Plants of Luxembourg, door G. Colling (Ferrantia 42, 2005),
bevat een checklist van de inheemse en ingeburgerde soorten in Luxemburg,
met vermelding van hun bedreigingscategorie.

The Grasses, Sedges, Rushes and Ferns of Britain and Northern Europe, door R.
Fitter, A. Fitter en A. Farrer (Collins Pocket Guide), is een gellustreerde gids voor de
grassen, zeggen, russen en varens.

Mabberleys Plant-Book, door D. Mabberley (Cambridge Univ. Press, 3de uitgave,


2008), is een draagbaar plantenwoordenboek dat qua systematische classificatie helemaal aangepast is aan de resultaten van de recente DNA studies.

Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen: herkenning, verspreiding, geschiedenis en gebruik, door B. Maes et al. (Boom, 2013), omvat een compleet overzicht van de bomen en struiken die in Vlaanderen en Nederland voorkomen, met kaarten, veel illustraties en historische en ecologische informatie.

Nieuwe atlas van de Nederlandse flora verspreiding van wilde planten in Nederland, door Floron (KNNV, Zeist, 2011), bevat verspreidingskaarten van alle plantensoorten op een 5x5 km raster. Ook op www.verspreidingsatlas.nl

Bomen en struiken van Belgi, door L. Debot (KBIN, 1984), is een gemakkelijk te
gebruiken gids voor beginnelingen.

Rode Lijst Vaatplanten Nederland, door L.B. Sparrius, B. Od en R. Beringen


(FLORON, Nijmegen 2012), geeft een analyse van de zeldzaamheid en trend van
de inheemse en ingeburgerde soorten.

Veldgids Nederlandse Orchideen, door K. Kreutz (Meijs Publishers, 2de uitgave,


2005), is een veldgids met prachtige fotos, bestemd voor het determineren van
alle ooit in Nederland gevonden orchideensoorten.

Atlas van de Belgische en Luxemburgse flora. Pteridofyten en Spermatofyten,


door E. van Rompaey en L. Delvosalle (Nationale Plantentuin van Belgi, 2de
uitgave, 1979), was de eerste atlas met verspreidingskaarten van de wilde flora
in Belgi en Luxemburg gebaseerd op een systematische inventarisatie volgens
een raster-systeem. Ook op http://projects.biodiversity.be/ifbl

Guide des orchides de France, de Suisse et du Benelux, door P. Delforge (Delachaux & Niestl, 2007). Een gellustreerde determinatiegids, die een uitgebreid
overzicht geeft van de diversiteit aan orchideen in onze streken.

Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest, door W. Van Landuyt
et al. (Instituut voor natuur- en bosonderzoek, Nationale Plantentuin van Belgi
en Flo.Wer, 2006), toont recente en geactualiseerde verspreidingskaarten van de
plantensoorten in Vlaanderen en het Brusselse Gewest, maar biedt ook een overzicht van de veranderingen in de flora en het landschap gedurende de laatste
65 jaar.

Het Nederlands Soortenregister geeft een overzicht van de biodiversiteit in Nederland. De informatie betreffende flora en fauna is door experten bijeengebracht; ze omvat fotos en allerlei gegevens over de taxonomie, ecologische
voorkeuren en wettelijke bescherming van de individuele soorten. Website: www.
nederlandsesoorten.nl

Catalogue of neophytes in Belgium (1800-2005), door F. Verloove (Scripta Botanica Belgica 39, 2006), biedt een volledige checklist van alle exotische planten
die ooit in Belgi zijn waargenomen. Ook geactualiseerd op http://alienplantsbelgium.be/

//INTERNET

Soortenbank.nl - Dieren, planten en paddestoelen in Nederland. Geeft soortenbeschrijving en verspreidingskaarten voor Nederland. Website: http://www.soortenbank.nl

17

Flora Databank. Bevat veel basisgegevens over de wilde planten van Vlaanderen, o.a. verspreiding, zeldzaamheid, habitatvoorkeur en wettelijke bescherming.
Website: http://flora.inbo.be

Verenigingen om zich aan te sluiten

Invasieve soorten in Belgi (Belgian Biodiversity Platform), geeft een zwarte lijst en
een bewakingslijst van exotische soorten, met een beschrijving van de potentieel
invasieve exoten (die een bedreiging voor de inheemse biodiversiteit vormen of
zouden kunnen vormen). Website: http://ias.biodiversity.be/

Koninklijke Nederlandse Botanische Vereniging (KNBV voor iedereen die ernstig


genteresseerd is in plantkunde, zowel amateurs als professionelen. Publiceert het
wetenschappelijke tijdschrift Plant Biology en organiseert veldexcursies en wetenschappelijke studiedagen en symposia. Website: http://www.knbv.org

Premire liste des espces rares, menaces et protges de la Rgion Wallonne


(Ptridophytes et Spermatophytes) Version 1, door J. Saintenoy-Simon en medewerkers. De eerste Rode Lijst van de zeldzame en bedreigde plantensoorten in
Walloni. Website: http://biodiversite.wallonie.be/

Stichting FLORON, zorgt voor floristische inventarisatie (atlas project), organiseert


veldexcursies en studiedagen, en beheert FlorBase, een databank met plantenwaarnemingen op 1 x 1 km niveau, opgebouwd met gegevens van provincies,
particulieren, terreinbeherende organisaties en instituten. Website: http://www.
floron.nl

The Flora of Brussels (2003-2005): geeft verspreidingskaarten voor de flora van het
Brussels Gewest, gebaseerd op een inventarisatie gemaakt in 2003-2005. Website:
http://www.floraofbrussels.be/indexfr.php
LUXNAT: Portail du patrimoine naturel luxembourgeois (Muse national dhistoire
naturelle du Luxembourg). Geeft informatie over de biodiversiteit in Luxemburg,
o.a. verspreidingskaarten. Website: http://mnhn.lu
Online atlas of the Pteridophytes of Luxembourg, door Y. Krippel. Een zeer complete en regelmatig geactualiseerde lijst van de varens, paardenstaarten en
wolfsklauwen van Luxemburg, met onder meer verspreidingskaarten en een rode
lijst. Website: www.mnhnl.lu/atlas/pterido
Conservatoire botanique national du Bassin parisien. Ht kenniscentrum betreffende de flora van Champagne-Ardennes tot de Centre Regio. Geeft waardevolle informatie over plantendiversiteit en -behoud (inclusief soortenverspreiding,
beschrijving en bescherming) en geeft geregeld nieuwe publicaties uit. Website:
http://cbnbp.mnhn.fr
Conservatoire botanique national de Bailleul. Ht kenniscentrum betreffende de
flora van Nord-Pas-de-Calais tot Haute-Normandie. Geeft veel informatie over
de wilde planten en de vegetatie, en geeft geregeld nieuwe publicaties uit.
Website: www.cbnbl.org
Atlas de la flore de Lorraine, door Floraine. Toont recente en regelmatig geactualiseerde verspreidingskaarten van plantensoorten in Frans Lotharingen. Website:
www.floraine.net

18

//Nederland:

//Belgi:
Koninklijke Belgische Botanische Vereniging (KBBV), voor iedereen die ernstig genteresseerd is in plantkunde, zowel amateurs als professionelen. Publiceert samen met Plantentuin Meise het wetenschappelijke tijdschrift Plant Ecology and
Evolution en het botanische tijdschrift Dumortiera, en organiseert wetenschappelijke studiedagen. Website: www.botany.be
Flo.Wer (Vlaanderen) en Association pour lEtude de la Floristique (Brussel en Walloni) zorgen voor floristische inventarisatie (atlasprojecten) en organiseren veldexcursies. Websites: http://www.plantenwerkgroep.be en http://www.aef-flor.be
//Luxemburg:
Luxembourg Naturalist Society (SNL): heeft een botanische werkgroep en organiseert veldexcursies en studiedagen. Website: http://www.snl.lu
Veel regionale of lokale natuurwetenschappelijke of natuurbehoudsverenigingen hebben botanische werkgroepen en organiseren veldexcursies. Sommige
publiceren determinatiesleutels voor bijzondere plantengroepen en voor beginnelingen. Een lijst van deze verenigingen kan gevonden worden op:
Nederland: http://www.floron.nl/ en http://www.nederlandsesoorten.nl
Belgi: h
 ttp://natuurvereniging.startpagina.be/, http://environnement.wallonie.be/
en http://www.centrepaulduvigneaud.be/
Luxemburg: http://www.snl.lu

19

Flora Databank. Bevat veel basisgegevens over de wilde planten van Vlaanderen, o.a. verspreiding, zeldzaamheid, habitatvoorkeur en wettelijke bescherming.
Website: http://flora.inbo.be

Verenigingen om zich aan te sluiten

Invasieve soorten in Belgi (Belgian Biodiversity Platform), geeft een zwarte lijst en
een bewakingslijst van exotische soorten, met een beschrijving van de potentieel
invasieve exoten (die een bedreiging voor de inheemse biodiversiteit vormen of
zouden kunnen vormen). Website: http://ias.biodiversity.be/

Koninklijke Nederlandse Botanische Vereniging (KNBV voor iedereen die ernstig


genteresseerd is in plantkunde, zowel amateurs als professionelen. Publiceert het
wetenschappelijke tijdschrift Plant Biology en organiseert veldexcursies en wetenschappelijke studiedagen en symposia. Website: http://www.knbv.org

Premire liste des espces rares, menaces et protges de la Rgion Wallonne


(Ptridophytes et Spermatophytes) Version 1, door J. Saintenoy-Simon en medewerkers. De eerste Rode Lijst van de zeldzame en bedreigde plantensoorten in
Walloni. Website: http://biodiversite.wallonie.be/

Stichting FLORON, zorgt voor floristische inventarisatie (atlas project), organiseert


veldexcursies en studiedagen, en beheert FlorBase, een databank met plantenwaarnemingen op 1 x 1 km niveau, opgebouwd met gegevens van provincies,
particulieren, terreinbeherende organisaties en instituten. Website: http://www.
floron.nl

The Flora of Brussels (2003-2005): geeft verspreidingskaarten voor de flora van het
Brussels Gewest, gebaseerd op een inventarisatie gemaakt in 2003-2005. Website:
http://www.floraofbrussels.be/indexfr.php
LUXNAT: Portail du patrimoine naturel luxembourgeois (Muse national dhistoire
naturelle du Luxembourg). Geeft informatie over de biodiversiteit in Luxemburg,
o.a. verspreidingskaarten. Website: http://mnhn.lu
Online atlas of the Pteridophytes of Luxembourg, door Y. Krippel. Een zeer complete en regelmatig geactualiseerde lijst van de varens, paardenstaarten en
wolfsklauwen van Luxemburg, met onder meer verspreidingskaarten en een rode
lijst. Website: www.mnhnl.lu/atlas/pterido
Conservatoire botanique national du Bassin parisien. Ht kenniscentrum betreffende de flora van Champagne-Ardennes tot de Centre Regio. Geeft waardevolle informatie over plantendiversiteit en -behoud (inclusief soortenverspreiding,
beschrijving en bescherming) en geeft geregeld nieuwe publicaties uit. Website:
http://cbnbp.mnhn.fr
Conservatoire botanique national de Bailleul. Ht kenniscentrum betreffende de
flora van Nord-Pas-de-Calais tot Haute-Normandie. Geeft veel informatie over
de wilde planten en de vegetatie, en geeft geregeld nieuwe publicaties uit.
Website: www.cbnbl.org
Atlas de la flore de Lorraine, door Floraine. Toont recente en regelmatig geactualiseerde verspreidingskaarten van plantensoorten in Frans Lotharingen. Website:
www.floraine.net

18

//Nederland:

//Belgi:
Koninklijke Belgische Botanische Vereniging (KBBV), voor iedereen die ernstig genteresseerd is in plantkunde, zowel amateurs als professionelen. Publiceert samen met Plantentuin Meise het wetenschappelijke tijdschrift Plant Ecology and
Evolution en het botanische tijdschrift Dumortiera, en organiseert wetenschappelijke studiedagen. Website: www.botany.be
Flo.Wer (Vlaanderen) en Association pour lEtude de la Floristique (Brussel en Walloni) zorgen voor floristische inventarisatie (atlasprojecten) en organiseren veldexcursies. Websites: http://www.plantenwerkgroep.be en http://www.aef-flor.be
//Luxemburg:
Luxembourg Naturalist Society (SNL): heeft een botanische werkgroep en organiseert veldexcursies en studiedagen. Website: http://www.snl.lu
Veel regionale of lokale natuurwetenschappelijke of natuurbehoudsverenigingen hebben botanische werkgroepen en organiseren veldexcursies. Sommige
publiceren determinatiesleutels voor bijzondere plantengroepen en voor beginnelingen. Een lijst van deze verenigingen kan gevonden worden op:
Nederland: http://www.floron.nl/ en http://www.nederlandsesoorten.nl
Belgi: h
 ttp://natuurvereniging.startpagina.be/, http://environnement.wallonie.be/
en http://www.centrepaulduvigneaud.be/
Luxemburg: http://www.snl.lu

19

Verklarende woordenlijst
Aangedrukt: tegen een
orgaan aanliggend (maar er
niet mee vergroeid).

Aangedrukt

1-

.jpg

Aar: bloeiwijze bestaand


uit een lange as met
ongesteelde (of zeer kort
gesteelde) bloemen.

Bolletje: op een kleine bol


lijkend orgaan dat een
nieuwe plant kan vormen.

Bolletje

8-

Boom: meerjarige houtige


plant met een duidelijke
hoofdstam; meestal groot
wordend (hoger dan 7m).

.jpg

Asymmetrisch: zonder enig


symmetrievlak.

Braakland: ongebruikt
terrein, door menselijke
activiteiten verstoord en
door spontane vegetatie
gekoloniseerd.

Bes: vlezige vrucht.


Blaadje: onderdeel van een
samengesteld blad.
Bloeiwijze: het geheel
van bloemen en
bijhorende assen (stengels,
bloemstelen), eventueel met
schutbladen.

Aar

2-

.jpg

Bes

3-

.jpg

Blaadje

4-

Bloem: voortplantingsorgaan
van de plant, bestaand uit
verschillende bloemdelen
(kelkbladen, kroonbladen,
meeldraden en/of
vruchtbeginsel(s) met n
of meer stijlen); de bloem is
vrouwelijk () als ze geen
fertiele meeldraden bevat
(alleen vrouwelijke organen
aanwezig), en mannelijk
() als alleen meeldraden
aanwezig zijn (geen goed
ontwikkelde stijlen en
vruchtbeginsels).

.jpg

Bloemknop: de bloem vr
het ontluiken.

Bloemkroon

5B-

.jpg

Bloemkroon: Geheel
van meestal opvallend
gekleurde bloemdelen (de
kroonbladen), ingeplant
boven de kelkbladen
indien deze aanwezig.
Kroonbladen soms vergroeid
tot een buis.

Bloempjes

Bol

7-

.tif

.jpg

Gevleugeld: met n of
meer vleugels.

Buisbloempjes

9-

Buisvormig

10-

.jpg

.jpg

Buisvormig: cilindervormig,
met de vorm van een buis;
bij de Composietenfamilie
(zie p. 292), gezegd van
een bloempje met een
regelmatige bloemkroon
bestaand uit vergroeide
kroonbladen.

Geveerd

15-

Gevleugeld

16B-

Hei(de): vegetatie, meestal


met struiken, voorkomend op
zure, voedselarme bodem
en vooral bestaand uit hei(of brem-)soorten.

.jpg

Handvormig

Doorn

.jpg

Bloempje: zeer kleine bloem


van een hoofdje.

Drietallig

13-

Klier: klein orgaan, van uiteenlopende vorm, dat een


vocht afscheidt; klierachtig,
met n of meer klieren.

Kelkblad

22-

Hoogveen: voedselarme,
onder invloed van
regenwater ontstaande
veenvegetatie; het
belangrijkste bestanddeel is
veenmos.

Hoofdje

18B-

.jpg

Kalkrijk: gezegd van een


plaats waar de bodem rijk
is aan calciumcarbonaat;
kalk-, op kalkrijke bodem
voorkomend.

Klieren

23A-

.jpg

Knolletje: op een kleine


knol lijkend orgaan dat een
nieuwe plant kan vormen.
Klierharen

.jpg

Eenjarig: gezegd van een


plant die n jaar of korter
leeft.
.jpg

Mannelijk katje

.jpg

Keel: zie
Vlinderbloemenfamilie p. 142
en Vleugeltjesbloemen p. 156.

Knoop: aanhechtingsplaats
van een blad op een
stengel.
Krans: geheel van in een
cirkel rondom een as
gerangschikte organen.
Krijt: witte en brokkelige
kalksteen.

Knol

24-

Kroon: zie bloemkroon.

.tif

Kroonblad: bloemdeel,
meestal opvallend
gekleurd; onderdeel van de
bloemkroon.
Knolletje

25-

.jpg

Katje: hangende of soms


rechtopstaande tros met
zeer kleine bloemen ( of ).

19B-

Kluwen: groep van


bijna zittende, dicht
opeengedrongen bloemen.

.jpg

Knol: ondergronds
reservevoedsel bevattend
orgaan bestaand uit de
gezwollen voet van een
stengel of uit een gezwollen
ondergrondse stengel.

23B-

Duin: heuvel of
uitgestrektheid van zand,
meestal aan de kust
(zeeduinen), soms in het
binnenland.

Enkelvoudig: niet
samengesteld noch vertakt.

.jpg

Hoofdje: dichte groep


van ongesteelde of kort
gesteelde bloemen op het
soms verbrede uiteinde van
een hoofdsteel.

Drietallig: met drie blaadjes.

.jpg

Kelkblad: buitenste
bloemdeel, meestal groen;
onderdeel van de kelk.

Kelk

Honingblad: schub in een


bloem die nectar afscheidt.

Doosvrucht: droge vrucht die


bij rijpheid openspringt om
de zaden vrij te laten.

Doosvrucht

.jpg

Honingbakje: nectar
afscheidend orgaan.

.jpg

Conifeer: boom of struik met


naaldvormige bladeren en
in kegels gegroepeerde
bloemen (zie p. 468).

11-

Kelk: het buitenste deel van


de bloem, meestal groen, bestaand uit de kelkbladen (ingeplant onder de kroonbladen indien deze aanwezig).

Keel

20-

Grondstandig: aan de voet


van een stengel.

.jpg

Handvormig: gezegd van


een in lobben of blaadjes
gedeeld blad, met vanaf de
voet straalsgewijs uitlopende
nerven, en dat op vingers
lijkt.

17-

Doorn: een scherpe punt


op een stengel of op een
tak van een houtige plant,
bestaand uit een vervormd
plantenorgaan (takje,
steunblaadje...); gedoornd,
met doorns.

Kegel: bij Coniferen,


katjesvormige bloeiwijze
met houtige of leerachtige
schubben.

21-

.jpg

Bol: ondergronds
reservevoedsel bevattend
orgaan bestaand uit een
korte stengel, omgeven
door vlezige bladeren of
schubben.

20

Gelobd

14-

Geveerd: gezegd van een


blad waarvan de blaadjes
in twee rijen zijn ingeplant
(eventueel met een blaadje
eindigend).

Buisbloempje: bij de
Composietenfamilie (zie p.
292), een bloempje met een
buisvormige bloemkroon.

12-

6-

Gelobd: met ingesneden


randen (maar niet in
afzonderlijke blaadjes
gedeeld).

Knoop

26-

.jpg

Kwelder: aan zee of in


een estuarium gesitueerd
grasland dat meestal bij
zeer hoge vloed (springtij)
onderloopt.
Laagveen(moeras):
voedselarm, met water
doortrokken (onder invloed
van het grondwater) moeras
op veen.

21

Verklarende woordenlijst
Aangedrukt: tegen een
orgaan aanliggend (maar er
niet mee vergroeid).

Aangedrukt

1-

.jpg

Aar: bloeiwijze bestaand


uit een lange as met
ongesteelde (of zeer kort
gesteelde) bloemen.

Bolletje: op een kleine bol


lijkend orgaan dat een
nieuwe plant kan vormen.

Bolletje

8-

Boom: meerjarige houtige


plant met een duidelijke
hoofdstam; meestal groot
wordend (hoger dan 7m).

.jpg

Asymmetrisch: zonder enig


symmetrievlak.

Braakland: ongebruikt
terrein, door menselijke
activiteiten verstoord en
door spontane vegetatie
gekoloniseerd.

Bes: vlezige vrucht.


Blaadje: onderdeel van een
samengesteld blad.
Bloeiwijze: het geheel
van bloemen en
bijhorende assen (stengels,
bloemstelen), eventueel met
schutbladen.

Aar

2-

.jpg

Bes

3-

.jpg

Blaadje

4-

Bloem: voortplantingsorgaan
van de plant, bestaand uit
verschillende bloemdelen
(kelkbladen, kroonbladen,
meeldraden en/of
vruchtbeginsel(s) met n
of meer stijlen); de bloem is
vrouwelijk () als ze geen
fertiele meeldraden bevat
(alleen vrouwelijke organen
aanwezig), en mannelijk
() als alleen meeldraden
aanwezig zijn (geen goed
ontwikkelde stijlen en
vruchtbeginsels).

.jpg

Bloemknop: de bloem vr
het ontluiken.

Bloemkroon

5B-

.jpg

Bloemkroon: Geheel
van meestal opvallend
gekleurde bloemdelen (de
kroonbladen), ingeplant
boven de kelkbladen
indien deze aanwezig.
Kroonbladen soms vergroeid
tot een buis.

Bloempjes

Bol

7-

.tif

.jpg

Gevleugeld: met n of
meer vleugels.

Buisbloempjes

9-

Buisvormig

10-

.jpg

.jpg

Buisvormig: cilindervormig,
met de vorm van een buis;
bij de Composietenfamilie
(zie p. 292), gezegd van
een bloempje met een
regelmatige bloemkroon
bestaand uit vergroeide
kroonbladen.

Geveerd

15-

Gevleugeld

16B-

Hei(de): vegetatie, meestal


met struiken, voorkomend op
zure, voedselarme bodem
en vooral bestaand uit hei(of brem-)soorten.

.jpg

Handvormig

Doorn

.jpg

Bloempje: zeer kleine bloem


van een hoofdje.

Drietallig

13-

Klier: klein orgaan, van uiteenlopende vorm, dat een


vocht afscheidt; klierachtig,
met n of meer klieren.

Kelkblad

22-

Hoogveen: voedselarme,
onder invloed van
regenwater ontstaande
veenvegetatie; het
belangrijkste bestanddeel is
veenmos.

Hoofdje

18B-

.jpg

Kalkrijk: gezegd van een


plaats waar de bodem rijk
is aan calciumcarbonaat;
kalk-, op kalkrijke bodem
voorkomend.

Klieren

23A-

.jpg

Knolletje: op een kleine


knol lijkend orgaan dat een
nieuwe plant kan vormen.
Klierharen

.jpg

Eenjarig: gezegd van een


plant die n jaar of korter
leeft.
.jpg

Mannelijk katje

.jpg

Keel: zie
Vlinderbloemenfamilie p. 142
en Vleugeltjesbloemen p. 156.

Knoop: aanhechtingsplaats
van een blad op een
stengel.
Krans: geheel van in een
cirkel rondom een as
gerangschikte organen.
Krijt: witte en brokkelige
kalksteen.

Knol

24-

Kroon: zie bloemkroon.

.tif

Kroonblad: bloemdeel,
meestal opvallend
gekleurd; onderdeel van de
bloemkroon.
Knolletje

25-

.jpg

Katje: hangende of soms


rechtopstaande tros met
zeer kleine bloemen ( of ).

19B-

Kluwen: groep van


bijna zittende, dicht
opeengedrongen bloemen.

.jpg

Knol: ondergronds
reservevoedsel bevattend
orgaan bestaand uit de
gezwollen voet van een
stengel of uit een gezwollen
ondergrondse stengel.

23B-

Duin: heuvel of
uitgestrektheid van zand,
meestal aan de kust
(zeeduinen), soms in het
binnenland.

Enkelvoudig: niet
samengesteld noch vertakt.

.jpg

Hoofdje: dichte groep


van ongesteelde of kort
gesteelde bloemen op het
soms verbrede uiteinde van
een hoofdsteel.

Drietallig: met drie blaadjes.

.jpg

Kelkblad: buitenste
bloemdeel, meestal groen;
onderdeel van de kelk.

Kelk

Honingblad: schub in een


bloem die nectar afscheidt.

Doosvrucht: droge vrucht die


bij rijpheid openspringt om
de zaden vrij te laten.

Doosvrucht

.jpg

Honingbakje: nectar
afscheidend orgaan.

.jpg

Conifeer: boom of struik met


naaldvormige bladeren en
in kegels gegroepeerde
bloemen (zie p. 468).

11-

Kelk: het buitenste deel van


de bloem, meestal groen, bestaand uit de kelkbladen (ingeplant onder de kroonbladen indien deze aanwezig).

Keel

20-

Grondstandig: aan de voet


van een stengel.

.jpg

Handvormig: gezegd van


een in lobben of blaadjes
gedeeld blad, met vanaf de
voet straalsgewijs uitlopende
nerven, en dat op vingers
lijkt.

17-

Doorn: een scherpe punt


op een stengel of op een
tak van een houtige plant,
bestaand uit een vervormd
plantenorgaan (takje,
steunblaadje...); gedoornd,
met doorns.

Kegel: bij Coniferen,


katjesvormige bloeiwijze
met houtige of leerachtige
schubben.

21-

.jpg

Bol: ondergronds
reservevoedsel bevattend
orgaan bestaand uit een
korte stengel, omgeven
door vlezige bladeren of
schubben.

20

Gelobd

14-

Geveerd: gezegd van een


blad waarvan de blaadjes
in twee rijen zijn ingeplant
(eventueel met een blaadje
eindigend).

Buisbloempje: bij de
Composietenfamilie (zie p.
292), een bloempje met een
buisvormige bloemkroon.

12-

6-

Gelobd: met ingesneden


randen (maar niet in
afzonderlijke blaadjes
gedeeld).

Knoop

26-

.jpg

Kwelder: aan zee of in


een estuarium gesitueerd
grasland dat meestal bij
zeer hoge vloed (springtij)
onderloopt.
Laagveen(moeras):
voedselarm, met water
doortrokken (onder invloed
van het grondwater) moeras
op veen.

21

Lijnvormig: lang, smal en met


evenwijdige randen.
Lintbloem(pje): bij de
Composietenfamilie (zie
p. 292), een bloem(pje) met
een gekleurde lintvormige
bloemkroon.

Krans

27-

.jpg

Lintvormig: bij de Composietenfamilie (zie p. 292), gezegd van een bloempje met
een bloemkroon bestaand
uit kroonbladen vergroeid
tot een eenzidig tongvormig
verlengsel.

Kroonblad

28-

.jpg

Lip: in 2-zijdig symmetrische


bloemen, deel van de
bloemkroon met n of meer
lobben; bij de Orchideenfamilie (zie p. 36) het grote
binnenste kroonblad van de
bloem; 1-lippig, met n lip.

Lintbloemen

29-

.jpg

Lip

30B-

Ochrea
(Duizendknoopfamilie): zie
p. 74.

Ochrea

33-

Oksel: de hoek tussen een


orgaan (bv. een blad) en
de as waaraan het groeit ;
okselstandig, ingeplant in de
oksel van een orgaan (blad,
schutblad...).

.jpg

Omvattend

34-

.jpg

Meeldraden

31-

Meeldraad: mannelijk
orgaan van de bloem,
bestaand uit een steelvormig
deel (helmdraad) dat de
helmknop (die stuifmeel
produceert) draagt.

Paardenstaart: nietbloeiende plant, met gelede


stengels, zich voortplantend
door middel van sporen;
deze in zakjes, bedekt door
parapluvormige uitsteeksels
in eindelingse kegels (zie p.
486).
Parasiet: plant die ten
koste van een andere
plant (de gastplant) leeft;
parasiterend, met parasitair
gedrag.

Peul

35-

.jpg

22
Nerf

32-

.jpg

Nerf: ader (transportweefsel)


die door een blad (of een
kelk) loopt.

Dubbel scherm

41B-

.jpg

Schutblad

42-

Schutblad: blad, vaak klein


of schubvormig, aan de
basis van een bloem, een
bloemsteel of een bloeiwijze.

.jpg

Spadix

Stempel: het vaak verdikte


uiteinde van de stijl dat
stuifmeelkorrels opneemt.

Stekel

46B-

Pluim

36-

.jpg

.jpg

Steunblaadje: bladachtig of
vliezig aanhangsel aan de
voet van een bladsteel.

Stempel

47B-

Steunblaadje

Spadix: vlezige as met aan


de voet kleine zittende
bloemen, die door een
groot schutblad (spatha)
omsloten is (zie Arum p. 32).

Stijl

Straal

50-

.jpg

.jpg

Bladsteel

45A-

Spoor: aanhangsel van de


bloemkroon of kelk, in de
vorm van een buis of een
trechter, gesloten aan het
uiteinde en vaak nectar
bevattend.

.jpg

Tegenoverstaand: op
hetzelfde niveau tegenover
elkaar ingeplant.
Tegenoverstaand
51-

Rank: draadvormig, soms


vertakt, orgaan windend om
een plant of een voorwerp
om te klimmen of zich vast
te grijpen.

Rank

37-

.jpg

Regelmatig

38-

.jpg

Rozet

39-

.jpg

Regelmatig: straalsgewijs
symmetrie vertonend (meer
dan n symmetrievlak).
Rozet: groep van in een
cirkel gerangschikte
bladeren.

Bloemsteel

45B-

.jpg

Spore:
voortplantingseenheid van
de niet-bloeiende planten
(varens, paardenstaarten,
wolfsklauwen).
Steel: de as van een orgaan,
of de as die een orgaan
draagt (bloem, blad,
vrucht...); gesteeld, met een
steel.
Steelblaadje: klein schutblad
op een bloemsteeltje.

.jpg

Stuifmeel: stoffijne korrels


(meestal geel), gevormd
in de helmknoppen
(meeldraad), die de
mannelijke gameten
bevatten (die de
zaadknoppen zullen
bevruchten).

.jpg

Spoor

44-

Straal: as van een dubbel


scherm (die een schermpje
draagt).
Struik: meerjarige houtige
plant, vlak boven de grond
vertakt (struikgewasachtig).

Soort: basiseenheid
van de planten- en
dierenclassificatie.
.jpg

Stijl: bovenste deel van het


vrouwelijke orgaan van de
bloem, vaak smal, dat de
stempel(s) draagt.

.jpg

48-

49-

Peul: vrucht, meestal lang


en cilindervormig (zie
Vlinderbloemenfamilie p.
142).
Pluim: vertakte tros met
zijbloeiwijzen (meestal
trossen).

Stengel: hoofdas(sen)
van de plant, die meestal
bladeren draagt (soms
ondergronds en/of
reservevoedsel bevattend).

Schub: meestal klein orgaan,


vaak bruinachtig of kleurloos,
leerachtig of vliezig, soms
vlezig of houtig.

Slip: vrij onderdeel van


een gedeeltelijk vergroeid
orgaan (kelk, kroon) of van
een diep gedeeld blad.

43-

Naald: zeer smal blad van


de Coniferen (zie p. 468).
Nectar: suikerrijke vloeistof,
vaak geurig, die insecten
aantrekt.

.jpg

Penwortel: hoofdwortel van


de plant, sterk, onvertakt
en kegelvormig, vaak diep
groeiend.

Meerjarig: gezegd van een


plant die langer dan twee
jaar kan leven.

Moeras: nat of vochtig


gebied dat tenminste een
deel van het jaar onder
water staat; moerassig,
met een natte of vochtige
bodem, zoals in een moeras.

Scherm: bloeiwijze waarvan


alle bloemstelen in n
punt ingeplant zijn (aan de
top van een hoofdsteel);
dubbel scherm, een scherm
opgebouwd uit schermpjes.

Scherm

Ongesteeld: zie zittend.

.jpg

Middennerf: de centrale
hoofdnerf van een blad,
vaak dikker en uitstekend.

Omvattend: waarvan de
voet volledig of gedeeltelijk
een stengel of een takje
omvat.

.jpg

41A-

Stekel: scherp aanhangsel


op een orgaan (stengel,
blad, vrucht...), niet
houtig, bestaand uit een
vervormd plantenorgaan
(steunblaadje, haar...);
stekelig, met stekels of met
stijve punten.

Schede: voet van een


blad, meestal verbreed,
die de stengel omvat (bij
Paardenstaarten, vergroeide
bladeren, zie p. 486).

Samengesteld

40-

Lob: deel van een


ingesneden, maar niet in
aparte blaadjes gedeeld
blad, of van een ander
orgaan (kelk, kroon...); 2- en
3-lobbig, met 2 en 3 lobben.

.jpg

Samengesteld: gezegd van


een blad dat in verschillende
afzonderlijke onderdelen, de
z.g. blaadjes, ingesneden is.

Nootje: een kleine noot


(droog, niet openspringend,
vruchtje).

.jpg

Trilveen: veen met


pioniervegetatie op een
nog niet goed ontwikkelde
bodem (die als een matras
op het water drijft).
Tros: Bloeiwijze bestaand
uit n onvertakte as met
gesteelde bloemen.

Tros

52-

.jpg

Tweejarig: gezegd van een


plant die twee jaar leeft (en
die alleen het tweede jaar
bloeit).

23

Lijnvormig: lang, smal en met


evenwijdige randen.
Lintbloem(pje): bij de
Composietenfamilie (zie
p. 292), een bloem(pje) met
een gekleurde lintvormige
bloemkroon.

Krans

27-

.jpg

Lintvormig: bij de Composietenfamilie (zie p. 292), gezegd van een bloempje met
een bloemkroon bestaand
uit kroonbladen vergroeid
tot een eenzidig tongvormig
verlengsel.

Kroonblad

28-

.jpg

Lip: in 2-zijdig symmetrische


bloemen, deel van de
bloemkroon met n of meer
lobben; bij de Orchideenfamilie (zie p. 36) het grote
binnenste kroonblad van de
bloem; 1-lippig, met n lip.

Lintbloemen

29-

.jpg

Lip

30B-

Ochrea
(Duizendknoopfamilie): zie
p. 74.

Ochrea

33-

Oksel: de hoek tussen een


orgaan (bv. een blad) en
de as waaraan het groeit ;
okselstandig, ingeplant in de
oksel van een orgaan (blad,
schutblad...).

.jpg

Omvattend

34-

.jpg

Meeldraden

31-

Meeldraad: mannelijk
orgaan van de bloem,
bestaand uit een steelvormig
deel (helmdraad) dat de
helmknop (die stuifmeel
produceert) draagt.

Paardenstaart: nietbloeiende plant, met gelede


stengels, zich voortplantend
door middel van sporen;
deze in zakjes, bedekt door
parapluvormige uitsteeksels
in eindelingse kegels (zie p.
486).
Parasiet: plant die ten
koste van een andere
plant (de gastplant) leeft;
parasiterend, met parasitair
gedrag.

Peul

35-

.jpg

22
Nerf

32-

.jpg

Nerf: ader (transportweefsel)


die door een blad (of een
kelk) loopt.

Dubbel scherm

41B-

.jpg

Schutblad

42-

Schutblad: blad, vaak klein


of schubvormig, aan de
basis van een bloem, een
bloemsteel of een bloeiwijze.

.jpg

Spadix

Stempel: het vaak verdikte


uiteinde van de stijl dat
stuifmeelkorrels opneemt.

Stekel

46B-

Pluim

36-

.jpg

.jpg

Steunblaadje: bladachtig of
vliezig aanhangsel aan de
voet van een bladsteel.

Stempel

47B-

Steunblaadje

Spadix: vlezige as met aan


de voet kleine zittende
bloemen, die door een
groot schutblad (spatha)
omsloten is (zie Arum p. 32).

Stijl

Straal

50-

.jpg

.jpg

Bladsteel

45A-

Spoor: aanhangsel van de


bloemkroon of kelk, in de
vorm van een buis of een
trechter, gesloten aan het
uiteinde en vaak nectar
bevattend.

.jpg

Tegenoverstaand: op
hetzelfde niveau tegenover
elkaar ingeplant.
Tegenoverstaand
51-

Rank: draadvormig, soms


vertakt, orgaan windend om
een plant of een voorwerp
om te klimmen of zich vast
te grijpen.

Rank

37-

.jpg

Regelmatig

38-

.jpg

Rozet

39-

.jpg

Regelmatig: straalsgewijs
symmetrie vertonend (meer
dan n symmetrievlak).
Rozet: groep van in een
cirkel gerangschikte
bladeren.

Bloemsteel

45B-

.jpg

Spore:
voortplantingseenheid van
de niet-bloeiende planten
(varens, paardenstaarten,
wolfsklauwen).
Steel: de as van een orgaan,
of de as die een orgaan
draagt (bloem, blad,
vrucht...); gesteeld, met een
steel.
Steelblaadje: klein schutblad
op een bloemsteeltje.

.jpg

Stuifmeel: stoffijne korrels


(meestal geel), gevormd
in de helmknoppen
(meeldraad), die de
mannelijke gameten
bevatten (die de
zaadknoppen zullen
bevruchten).

.jpg

Spoor

44-

Straal: as van een dubbel


scherm (die een schermpje
draagt).
Struik: meerjarige houtige
plant, vlak boven de grond
vertakt (struikgewasachtig).

Soort: basiseenheid
van de planten- en
dierenclassificatie.
.jpg

Stijl: bovenste deel van het


vrouwelijke orgaan van de
bloem, vaak smal, dat de
stempel(s) draagt.

.jpg

48-

49-

Peul: vrucht, meestal lang


en cilindervormig (zie
Vlinderbloemenfamilie p.
142).
Pluim: vertakte tros met
zijbloeiwijzen (meestal
trossen).

Stengel: hoofdas(sen)
van de plant, die meestal
bladeren draagt (soms
ondergronds en/of
reservevoedsel bevattend).

Schub: meestal klein orgaan,


vaak bruinachtig of kleurloos,
leerachtig of vliezig, soms
vlezig of houtig.

Slip: vrij onderdeel van


een gedeeltelijk vergroeid
orgaan (kelk, kroon) of van
een diep gedeeld blad.

43-

Naald: zeer smal blad van


de Coniferen (zie p. 468).
Nectar: suikerrijke vloeistof,
vaak geurig, die insecten
aantrekt.

.jpg

Penwortel: hoofdwortel van


de plant, sterk, onvertakt
en kegelvormig, vaak diep
groeiend.

Meerjarig: gezegd van een


plant die langer dan twee
jaar kan leven.

Moeras: nat of vochtig


gebied dat tenminste een
deel van het jaar onder
water staat; moerassig,
met een natte of vochtige
bodem, zoals in een moeras.

Scherm: bloeiwijze waarvan


alle bloemstelen in n
punt ingeplant zijn (aan de
top van een hoofdsteel);
dubbel scherm, een scherm
opgebouwd uit schermpjes.

Scherm

Ongesteeld: zie zittend.

.jpg

Middennerf: de centrale
hoofdnerf van een blad,
vaak dikker en uitstekend.

Omvattend: waarvan de
voet volledig of gedeeltelijk
een stengel of een takje
omvat.

.jpg

41A-

Stekel: scherp aanhangsel


op een orgaan (stengel,
blad, vrucht...), niet
houtig, bestaand uit een
vervormd plantenorgaan
(steunblaadje, haar...);
stekelig, met stekels of met
stijve punten.

Schede: voet van een


blad, meestal verbreed,
die de stengel omvat (bij
Paardenstaarten, vergroeide
bladeren, zie p. 486).

Samengesteld

40-

Lob: deel van een


ingesneden, maar niet in
aparte blaadjes gedeeld
blad, of van een ander
orgaan (kelk, kroon...); 2- en
3-lobbig, met 2 en 3 lobben.

.jpg

Samengesteld: gezegd van


een blad dat in verschillende
afzonderlijke onderdelen, de
z.g. blaadjes, ingesneden is.

Nootje: een kleine noot


(droog, niet openspringend,
vruchtje).

.jpg

Trilveen: veen met


pioniervegetatie op een
nog niet goed ontwikkelde
bodem (die als een matras
op het water drijft).
Tros: Bloeiwijze bestaand
uit n onvertakte as met
gesteelde bloemen.

Tros

52-

.jpg

Tweejarig: gezegd van een


plant die twee jaar leeft (en
die alleen het tweede jaar
bloeit).

23

Vloedlijn, Vloedmerk:
smalle strook met organisch
materiaal (zeewieren,
planten- en dierenresten),
door de vloed achtergelaten
op het strand of aan de
rand van estuaria, die de
groei van een bijzondere
vegetatie begunstigt.

Tweeslachtig: gezegd van


een bloem of een plant die
ontwikkelde meeldraden
() en vruchtbeginsel(s) met
stijl(en) () vertoont.
Tweezijdig: slechts n
symmetrievlak vertonend.

Tweezijdig

53-

Uitloper

54-

.jpg

.jpg

Uitloper: bovengronds
kruipende stengel, meestal
op de knopen wortelend.

Vrucht: droog of vlezig


orgaan dat de zaden bevat.

Varen: niet-bloeiende plant,


zich voortplantend door
middel van sporen; deze
in zakjes, meestal op de
onderzijde van bladeren
gelegen (zie p. 472).

Vruchtbeginsel: onderste
deel van het vrouwelijke
orgaan van de bloem dat
de zaadknoppen (die na
de bevruchting tot zaden
uitgroeien) omsluit.

Vruchtbeginsel

58-

.jpg

Wolfsklauw: niet-bloeiende
plant, zich voortplantend
door middel van sporen, met
vertakte, vaak kruipende
stengels, dicht bedekt met
kleine bladeren (zie p. 488).

Veen: organisch materiaal


bestaand uit dode
plantenresten (meestal
veenmos, maar niet
altijd), gevormd in een
meestal waterverzadigd en
zuurstofarm milieu; moeras
waarvan de vegetatie
aangroeiend veen vormt.
veen- / venig, op veen of
veenbevattend. Venige
bodems zijn meestal
voedselarm.

Wortelopslag: jonge
bovengrondse takken,
groeiend uit ondergrondse
wortels.
Wortelrozet: rozet aan
de voet van een stengel
(grondstandige bladeren).

Veenmos: mos (Sphagnum)


waarvan de dode onderste
delen veen zullen vormen. In
meestal zure en natte venen.

Veenmos

55-

.jpg

Ven: eerder kleine, meestal


ronde, voedselarme, zure
watervlakte.

Wortelstok

59-

.jpg

Zaad: voortplantingseenheid
van de bloeiende planten,
die na kieming een nieuwe
plant zal geven (bevruchte
zaadknop).

Verspreid: afzonderlijk op
verschillende niveaus van
een as ingeplant.

Vlag

56-

Vlag: zie
Vlinderbloemenfamilie p.
142.

Zaden

60-

.jpg

Zittend: zonder stengel noch


steel.

.jpg

Vleugel: dunne vliezige


en brede lijsten op
een orgaan (stengel,
bladsteel, vrucht...); zie ook
Vlinderbloemenfamilie p.
142 en Vleugeltjesbloemen
p. 156.
Vliezig: membraanachtig,
doorschijnend of doorzichtig.

24
Vleugel

57B-

Wortelstok: ondergrondse,
meestal horizontaal
groeiende stengel die
bovengrondse stengels
voortbrengt.

.jpg

Zoutmoeras: aan zee


of in een estuarium
gesitueerd moeras op een
zouthoudende aangeslibde
kleibank, dat meestal bij
vloed onderloopt.
Zuur: gezegd van een
kalkarme bodem; vaak
gevormd op kiezelgesteente
(bv. graniet, leisteen).

25

Vloedlijn, Vloedmerk:
smalle strook met organisch
materiaal (zeewieren,
planten- en dierenresten),
door de vloed achtergelaten
op het strand of aan de
rand van estuaria, die de
groei van een bijzondere
vegetatie begunstigt.

Tweeslachtig: gezegd van


een bloem of een plant die
ontwikkelde meeldraden
() en vruchtbeginsel(s) met
stijl(en) () vertoont.
Tweezijdig: slechts n
symmetrievlak vertonend.

Tweezijdig

53-

Uitloper

54-

.jpg

.jpg

Uitloper: bovengronds
kruipende stengel, meestal
op de knopen wortelend.

Vrucht: droog of vlezig


orgaan dat de zaden bevat.

Varen: niet-bloeiende plant,


zich voortplantend door
middel van sporen; deze
in zakjes, meestal op de
onderzijde van bladeren
gelegen (zie p. 472).

Vruchtbeginsel: onderste
deel van het vrouwelijke
orgaan van de bloem dat
de zaadknoppen (die na
de bevruchting tot zaden
uitgroeien) omsluit.

Vruchtbeginsel

58-

.jpg

Wolfsklauw: niet-bloeiende
plant, zich voortplantend
door middel van sporen, met
vertakte, vaak kruipende
stengels, dicht bedekt met
kleine bladeren (zie p. 488).

Veen: organisch materiaal


bestaand uit dode
plantenresten (meestal
veenmos, maar niet
altijd), gevormd in een
meestal waterverzadigd en
zuurstofarm milieu; moeras
waarvan de vegetatie
aangroeiend veen vormt.
veen- / venig, op veen of
veenbevattend. Venige
bodems zijn meestal
voedselarm.

Wortelopslag: jonge
bovengrondse takken,
groeiend uit ondergrondse
wortels.
Wortelrozet: rozet aan
de voet van een stengel
(grondstandige bladeren).

Veenmos: mos (Sphagnum)


waarvan de dode onderste
delen veen zullen vormen. In
meestal zure en natte venen.

Veenmos

55-

.jpg

Ven: eerder kleine, meestal


ronde, voedselarme, zure
watervlakte.

Wortelstok

59-

.jpg

Zaad: voortplantingseenheid
van de bloeiende planten,
die na kieming een nieuwe
plant zal geven (bevruchte
zaadknop).

Verspreid: afzonderlijk op
verschillende niveaus van
een as ingeplant.

Vlag

56-

Vlag: zie
Vlinderbloemenfamilie p.
142.

Zaden

60-

.jpg

Zittend: zonder stengel noch


steel.

.jpg

Vleugel: dunne vliezige


en brede lijsten op
een orgaan (stengel,
bladsteel, vrucht...); zie ook
Vlinderbloemenfamilie p.
142 en Vleugeltjesbloemen
p. 156.
Vliezig: membraanachtig,
doorschijnend of doorzichtig.

24
Vleugel

57B-

Wortelstok: ondergrondse,
meestal horizontaal
groeiende stengel die
bovengrondse stengels
voortbrengt.

.jpg

Zoutmoeras: aan zee


of in een estuarium
gesitueerd moeras op een
zouthoudende aangeslibde
kleibank, dat meestal bij
vloed onderloopt.
Zuur: gezegd van een
kalkarme bodem; vaak
gevormd op kiezelgesteente
(bv. graniet, leisteen).

25

Hoofdsleutel
A Landplanten (exclusief de groepen B-I) Sleutel A
B Landplanten zonder bladgroen Sleutel B
C Water- en moerasplanten, een deel van het jaar onder water Sleutel C
D Kustplanten van zeeduinen en kwelders Sleutel D
E Klimplanten met ranken of windende stengels Sleutel E
F Bomen en struiken Sleutel F
G Varens Sleutel G
H Paardenstaarten Sleutel H
I Wolfsklauwen Sleutel I
//Sleutel A: Landplanten (exclusief de groepen B-I)
a Bloemen in hoofdjes Sleutel A1
b Bloemen klein en onopvallend (kroon / kelk 0 of niet goed zichtbaar), soms
met een bijzondere structuur Sleutel A2
c Bloemen opvallend, 2-zijdig symmetrisch (soms alleen iets 2-zijdig of asymmetrisch) Sleutel A3
d Bloemen opvallend, regelmatig (of bijna regelmatig; soms bloemen met buitenste kroonbladen langer dan de binnenste) Sleutel A4
//Sleutel A1 Bloemen in hoofdjes
1a Planten met uiengeur: 95
1b Groene bladeren na de bloei verschijnend: 965, 966
1c Bladeren in kransen: 586
1d Planten stekelig
2a Bloemen paars, blauw of witachtig: 796, 797, 868-885, 888, 1140
2b Bloemen geel of gelig-bruin: 860-867, 886, 887
1e Bladeren 3-tallig of geveerd: Vlinderbloemenfamilie: 373-395, 398; 895
1f Bloemen groenig, bruinig (paarsig) of donker paars, of bloemen in kleine
hoofdjes gegroepeerd

2a 
Planten geheel witwollig, of tenminste zo aan de bladonderkant:
901-910, 915, 1179

2b Bloemen zeer klein, in hoofdjes gegroepeerd en aan de voet omgeven
door 1 of meer rijen schutbladen: 522, 896, 910-916

2c 
Geen rijen schutbladen die de bloemen aan de voet omgeven:
425, 426, 736, 788
1g Bloemen helder gekleurd

2a Bloemhoofdjes verlengd, bloemen blauw of gelig-wit: 805, 806

2b Kroonbladen vrij, roze, paars of rood: 216-218

2c Kroonbladen aan de voet vergroeid

3a Meeldraden duidelijk boven de kroonbuis uitstekend of in de
kroonbuis maar goed zichtbaar: 792-795, 798-804, 810, 1169

3b 
Meeldraden in de kroonbuis verborgen, bloemen zeer klein
(bloempjes), het geheel ziet eruit als n enkele bloem: Composietenfamilie

4a A
 lle bloempjes lintvormig. Planten met melksap

5a B
 loemen blauw, lila of paars: 821-823

5b Bloemen geel of oranje

6a 
Bladeren zeer smal. Uitlopers afwezig: 824829
6b 
Bladeren breder. Uitlopers aanwezig (behalve 832): 830-835
6c Bladeren breder. Uitlopers 0

26

7a Stengelbladen 0: 836-844
7b 
Stengel met minstens 1 blad halverwege: 845-859

4b 
Tenminste de middelste bloempjes buisvormig. Geen
melksap
5a 
Buitenste bloempjes trompetvormig, bloemen
paars of blauw: 889-894

5b L intbloempjes vlak of 0

6a Tenminste de middelste en onderste bladeren tegenoverstaand: 895-900, 1083-1087

6b Alle bladeren verspreid of in een rozet (soms
verwelkt)

7a Lintbloempjes 0 of zeer kort: 889, 892,
917-924, 961, 966
7b 
Lintbloempjes smal, niet zuiver wit:
925-929
7c 
Lintbloempjes vrij breed, zuiver wit:
930-938
7d 
Lintbloempjes geel: 939-960, 962-965,
1081, 1082
//Sleutel A2 Bloemen klein en onopvallend (kroon / kelk 0 of niet goed zichtbaar),
soms met een bijzondere structuur
1a Bloemen dicht opeen langs een spadix, die door een groot opvallend gelig
of groenig schutblad omsloten is: 3-4
1b Bloemen van een unieke structuur, klein, groenig, in een klokvormig omhulsel:
Wolfsmelk: 323-334 (zie ook 1077, 1143)
1c Bloemen onopvallend, groenig, gelig, witachtig of bruinig

2a Alle bladeren verspreid of grondstandig (of na de bloei verschijnend)

3a B
 laderen even lang als breed: 244, 443, 738-739

3b Bladeren langer dan breed, ongedeeld, getand of alleen gelobd: 150-160, 221-243, 516, 737, 1152

3c Bladeren diep gedeeld of geveerd: 100, 121, 122, 444, 445, 489,
512, 518

2b Stengelbladen tegenoverstaand of in kransen: 162-164, 169, 170, 178180, 245, 246, 321, 322, 409, 736
//Sleutel A3 Bloemen opvallend, 2-zijdig symmetrisch (soms alleen iets 2-zijdig of
asymmetrisch)
1a Kroonbladen vrij tot de voet (soms met 2 kroonbladen vergroeid)

2a Bladeren ongedeeld

3a K
 roonbladen 3 of 6: Orchideenfamilie: 20-63, Lis: 64, 1069

3b K
 roonbladen 5, bloemen met een spoor

4a Kelkbladen 5, groen: Viooltjesfamilie: 308-320

4b Kelkbladen 3, niet groen: Springzaadfamilie: 532-534 (zie
ook 1078, 1079)

3c K
 roonbladen 4-5, bloemen zonder spoor: 358-365, 447, 508, 1277

2b Bladeren diep gedeeld

3a Kelkbladen vrij of 0 (of niet te onderscheiden van kroonbladen):
101, 102, 104, 129-135, 287, 446 (zie ook 1197, 1212, 1213)

3b Kelkbladen vergroeid. Bovenste kroonblad (vlag) deels rechtopstaand: Vlinderbloemenfamilie: 363-408 (zie ook 1133, 1176,
1180-1196, 1276-1278)

27

Hoofdsleutel
A Landplanten (exclusief de groepen B-I) Sleutel A
B Landplanten zonder bladgroen Sleutel B
C Water- en moerasplanten, een deel van het jaar onder water Sleutel C
D Kustplanten van zeeduinen en kwelders Sleutel D
E Klimplanten met ranken of windende stengels Sleutel E
F Bomen en struiken Sleutel F
G Varens Sleutel G
H Paardenstaarten Sleutel H
I Wolfsklauwen Sleutel I
//Sleutel A: Landplanten (exclusief de groepen B-I)
a Bloemen in hoofdjes Sleutel A1
b Bloemen klein en onopvallend (kroon / kelk 0 of niet goed zichtbaar), soms
met een bijzondere structuur Sleutel A2
c Bloemen opvallend, 2-zijdig symmetrisch (soms alleen iets 2-zijdig of asymmetrisch) Sleutel A3
d Bloemen opvallend, regelmatig (of bijna regelmatig; soms bloemen met buitenste kroonbladen langer dan de binnenste) Sleutel A4
//Sleutel A1 Bloemen in hoofdjes
1a Planten met uiengeur: 95
1b Groene bladeren na de bloei verschijnend: 965, 966
1c Bladeren in kransen: 586
1d Planten stekelig
2a Bloemen paars, blauw of witachtig: 796, 797, 868-885, 888, 1140
2b Bloemen geel of gelig-bruin: 860-867, 886, 887
1e Bladeren 3-tallig of geveerd: Vlinderbloemenfamilie: 373-395, 398; 895
1f Bloemen groenig, bruinig (paarsig) of donker paars, of bloemen in kleine
hoofdjes gegroepeerd

2a 
Planten geheel witwollig, of tenminste zo aan de bladonderkant:
901-910, 915, 1179

2b Bloemen zeer klein, in hoofdjes gegroepeerd en aan de voet omgeven
door 1 of meer rijen schutbladen: 522, 896, 910-916

2c 
Geen rijen schutbladen die de bloemen aan de voet omgeven:
425, 426, 736, 788
1g Bloemen helder gekleurd

2a Bloemhoofdjes verlengd, bloemen blauw of gelig-wit: 805, 806

2b Kroonbladen vrij, roze, paars of rood: 216-218

2c Kroonbladen aan de voet vergroeid

3a Meeldraden duidelijk boven de kroonbuis uitstekend of in de
kroonbuis maar goed zichtbaar: 792-795, 798-804, 810, 1169

3b 
Meeldraden in de kroonbuis verborgen, bloemen zeer klein
(bloempjes), het geheel ziet eruit als n enkele bloem: Composietenfamilie

4a A
 lle bloempjes lintvormig. Planten met melksap

5a B
 loemen blauw, lila of paars: 821-823

5b Bloemen geel of oranje

6a 
Bladeren zeer smal. Uitlopers afwezig: 824829
6b 
Bladeren breder. Uitlopers aanwezig (behalve 832): 830-835
6c Bladeren breder. Uitlopers 0

26

7a Stengelbladen 0: 836-844
7b 
Stengel met minstens 1 blad halverwege: 845-859

4b 
Tenminste de middelste bloempjes buisvormig. Geen
melksap
5a 
Buitenste bloempjes trompetvormig, bloemen
paars of blauw: 889-894

5b L intbloempjes vlak of 0

6a Tenminste de middelste en onderste bladeren tegenoverstaand: 895-900, 1083-1087

6b Alle bladeren verspreid of in een rozet (soms
verwelkt)

7a Lintbloempjes 0 of zeer kort: 889, 892,
917-924, 961, 966
7b 
Lintbloempjes smal, niet zuiver wit:
925-929
7c 
Lintbloempjes vrij breed, zuiver wit:
930-938
7d 
Lintbloempjes geel: 939-960, 962-965,
1081, 1082
//Sleutel A2 Bloemen klein en onopvallend (kroon / kelk 0 of niet goed zichtbaar),
soms met een bijzondere structuur
1a Bloemen dicht opeen langs een spadix, die door een groot opvallend gelig
of groenig schutblad omsloten is: 3-4
1b Bloemen van een unieke structuur, klein, groenig, in een klokvormig omhulsel:
Wolfsmelk: 323-334 (zie ook 1077, 1143)
1c Bloemen onopvallend, groenig, gelig, witachtig of bruinig

2a Alle bladeren verspreid of grondstandig (of na de bloei verschijnend)

3a B
 laderen even lang als breed: 244, 443, 738-739

3b Bladeren langer dan breed, ongedeeld, getand of alleen gelobd: 150-160, 221-243, 516, 737, 1152

3c Bladeren diep gedeeld of geveerd: 100, 121, 122, 444, 445, 489,
512, 518

2b Stengelbladen tegenoverstaand of in kransen: 162-164, 169, 170, 178180, 245, 246, 321, 322, 409, 736
//Sleutel A3 Bloemen opvallend, 2-zijdig symmetrisch (soms alleen iets 2-zijdig of
asymmetrisch)
1a Kroonbladen vrij tot de voet (soms met 2 kroonbladen vergroeid)

2a Bladeren ongedeeld

3a K
 roonbladen 3 of 6: Orchideenfamilie: 20-63, Lis: 64, 1069

3b K
 roonbladen 5, bloemen met een spoor

4a Kelkbladen 5, groen: Viooltjesfamilie: 308-320

4b Kelkbladen 3, niet groen: Springzaadfamilie: 532-534 (zie
ook 1078, 1079)

3c K
 roonbladen 4-5, bloemen zonder spoor: 358-365, 447, 508, 1277

2b Bladeren diep gedeeld

3a Kelkbladen vrij of 0 (of niet te onderscheiden van kroonbladen):
101, 102, 104, 129-135, 287, 446 (zie ook 1197, 1212, 1213)

3b Kelkbladen vergroeid. Bovenste kroonblad (vlag) deels rechtopstaand: Vlinderbloemenfamilie: 363-408 (zie ook 1133, 1176,
1180-1196, 1276-1278)

27

1b Kroonbladen tenminste aan de voet vergroeid



2a Kelk 0, bloemkroon scheef trompetvormig: 2

2b Kelk aanwezig

3a Alle bladeren tegenoverstaand
4a Stengel vierkantig

5a Bloemen duidelijk gesteeld, in losse pluimen: 622,
623, 680-683, 1111, 1125, 1126

5b 
Bloemen (bijna) ongesteeld, in trossen, in dichte
kransen of okselstandig

6a Bladeren ongedeeld, getand of ondiep gelobd: Lipbloemenfamilie: 632-692 (zie ook
1057, 1110, 1123, 1124)

6b Bladeren tot over de helft ingesneden: 631,
641, 645, 661, 672, 676
4b Stengels rond
5a Meeldraden uitstekend

6a Meeldraden 2: Ereprijs: 717-735 (zie ook 11141117)

6b 
Meeldraden 1 of 3: 791-795 (zie ook 1112,
1113)
6c Meeldraden 4: 634-635

5b 
Meeldraden verborgen, bloemen zonder spoor:
693-702, 790, 1080

3b Alle bladeren (of tenminste de bovenste) verspreid of in een rozet

4a Kroon met een spoor of aan het eind met een uitzakking,
meeldraden verborgen: 705-713, 789, 1227

4b Geen spoor, meeldraden uitstekend: 567, 612, Ereprijs: 717735 (zie ook 1114-1117)

4c 
Geen spoor, meeldraden verborgen: 410-414, 703, 704,
714-716
//Sleutel A4 Bloemen opvallend, regelmatig (of bijna regelmatig; soms bloemen
met buitenste kroonbladen langer dan de binnenste)
1a Kroonbladen vrij tot de voet

2a Kelk 0 (of afvallend of niet te onderscheiden van kroonbladen; soms
zeer klein)

3a 
Stengelbladeren in 1 krans. Bloemen alleenstaand, groot: 97,
105-108

3b Stengelbladeren tegenoverstaand: 260

3c Bladeren verspreid of grondstandig (of na de bloei verschijnend)

4a Bloemen krokusachtig: 16-18



4b Planten met geur als ui of knoflook. Bloemen in scherm:
Knoflookfamilie: 87-95

4c 
Bloemen in schermen, meestal in dubbele schermen.
Geen geur als ui: Schermbloemenfamilie: 740-787 (zie ook
1002, 1098-1104)

4d Bloemen niet in schermen, gekleurd, wit of groen

5a Bloemdelen 4 (or 2x4): 96, 100, 121-128, 259

5b 
Bloemdelen 5 (or 2x5): 98-100, 103, 120, 139-149,
251-254

5c Bloemdelen 6: 5, 7-15, 19, 65-67, 72-81, 84-86, 1088

2b Kelk aanwezig

3a Meeldraden talrijk

28

4a 
Meeldraden in een buis vergroeid: Kaasjeskruidfamilie:
523-531

4b Meeldraden (bijna) vrij

5a Kelkbladen aan de voet vergroeid. Bladeren diep
gedeeld: Rozenfamilie: 415-442 (zie ook 1097)
5b Kelkbladen vrij
6a 
Bladeren tegenoverstaand: 335-346, 348,
1067
6b 
Bladeren verspreid of grondstandig: Ranonkelfamilie: 109-120 (zie ook 1072-1074), 123128, 261, 262, 347

3b Meeldraden hoogstens 12

4a 
Bladeren met grote gesteelde klieren. Insectenetende
planten: 136-138

4b Bladeren (iets) vlezig: 247-250, 261-272

4c Bladeren 3-tallig (de blaadjes aan de voet met een gewrichtje): 354-357

4d B
 laderen tegenoverstaand of in kransen
5a Kelkbladen 2: 290-292

5b Kelkbladen 4: 6, 299-307, 522, 1109
5c Kelkbladen 5
6a Bloemen geel: 336, 540-543
6b Bloemen niet geel
7a Kelkbladen vergroeid: 201-220
7b Kelkbladen vrij
8a 
Kroonbladen blauw, rood,
paars of roze: 168, 273-287,
539, 1062, 1121
8b Kroonbladen wit (rozig): 165167, 171-200, 349, 353

5d Kelkbladen 6 of 7: 537, 1075, 1122

4e Bladeren verspreid (tenminste deels) of in een rozet

5a Kelkbladen 2 of 3: 247-250, 547
5b Kelkbladen 4

6a Meeldraden 6, de buitenste 2 korter. Geen
blad of schutblad aan de voet van de
bloemsteel (behalve 478): Kruisbloemenfamilie: 448-521 (zie ook 1076, 1090, 1094-1096,
1170, 1171)

6b Meeldraden 8. Bloemen in de oksel van een
blad of een schutblad
7a 
Bloemen roze of paarsroze: 297, 298,
554, 555
7b 
Bloemen geel: 293-296
5c Kelkbladen 5

6a Bloemen roze (rozig), (zwartachtig) paars of
blauw: 273-287, 350-352, 1121
6b Bloemen wit of groenig: 161, 255-258, 559563, 1091

5d Kelkbladen 6: 288, 289

29

1b Kroonbladen tenminste aan de voet vergroeid



2a Kelk 0, bloemkroon scheef trompetvormig: 2

2b Kelk aanwezig

3a Alle bladeren tegenoverstaand
4a Stengel vierkantig

5a Bloemen duidelijk gesteeld, in losse pluimen: 622,
623, 680-683, 1111, 1125, 1126

5b 
Bloemen (bijna) ongesteeld, in trossen, in dichte
kransen of okselstandig

6a Bladeren ongedeeld, getand of ondiep gelobd: Lipbloemenfamilie: 632-692 (zie ook
1057, 1110, 1123, 1124)

6b Bladeren tot over de helft ingesneden: 631,
641, 645, 661, 672, 676
4b Stengels rond
5a Meeldraden uitstekend

6a Meeldraden 2: Ereprijs: 717-735 (zie ook 11141117)

6b 
Meeldraden 1 of 3: 791-795 (zie ook 1112,
1113)
6c Meeldraden 4: 634-635

5b 
Meeldraden verborgen, bloemen zonder spoor:
693-702, 790, 1080

3b Alle bladeren (of tenminste de bovenste) verspreid of in een rozet

4a Kroon met een spoor of aan het eind met een uitzakking,
meeldraden verborgen: 705-713, 789, 1227

4b Geen spoor, meeldraden uitstekend: 567, 612, Ereprijs: 717735 (zie ook 1114-1117)

4c 
Geen spoor, meeldraden verborgen: 410-414, 703, 704,
714-716
//Sleutel A4 Bloemen opvallend, regelmatig (of bijna regelmatig; soms bloemen
met buitenste kroonbladen langer dan de binnenste)
1a Kroonbladen vrij tot de voet

2a Kelk 0 (of afvallend of niet te onderscheiden van kroonbladen; soms
zeer klein)

3a 
Stengelbladeren in 1 krans. Bloemen alleenstaand, groot: 97,
105-108

3b Stengelbladeren tegenoverstaand: 260

3c Bladeren verspreid of grondstandig (of na de bloei verschijnend)

4a Bloemen krokusachtig: 16-18



4b Planten met geur als ui of knoflook. Bloemen in scherm:
Knoflookfamilie: 87-95

4c 
Bloemen in schermen, meestal in dubbele schermen.
Geen geur als ui: Schermbloemenfamilie: 740-787 (zie ook
1002, 1098-1104)

4d Bloemen niet in schermen, gekleurd, wit of groen

5a Bloemdelen 4 (or 2x4): 96, 100, 121-128, 259

5b 
Bloemdelen 5 (or 2x5): 98-100, 103, 120, 139-149,
251-254

5c Bloemdelen 6: 5, 7-15, 19, 65-67, 72-81, 84-86, 1088

2b Kelk aanwezig

3a Meeldraden talrijk

28

4a 
Meeldraden in een buis vergroeid: Kaasjeskruidfamilie:
523-531

4b Meeldraden (bijna) vrij

5a Kelkbladen aan de voet vergroeid. Bladeren diep
gedeeld: Rozenfamilie: 415-442 (zie ook 1097)
5b Kelkbladen vrij
6a 
Bladeren tegenoverstaand: 335-346, 348,
1067
6b 
Bladeren verspreid of grondstandig: Ranonkelfamilie: 109-120 (zie ook 1072-1074), 123128, 261, 262, 347

3b Meeldraden hoogstens 12

4a 
Bladeren met grote gesteelde klieren. Insectenetende
planten: 136-138

4b Bladeren (iets) vlezig: 247-250, 261-272

4c Bladeren 3-tallig (de blaadjes aan de voet met een gewrichtje): 354-357

4d B
 laderen tegenoverstaand of in kransen
5a Kelkbladen 2: 290-292

5b Kelkbladen 4: 6, 299-307, 522, 1109
5c Kelkbladen 5
6a Bloemen geel: 336, 540-543
6b Bloemen niet geel
7a Kelkbladen vergroeid: 201-220
7b Kelkbladen vrij
8a 
Kroonbladen blauw, rood,
paars of roze: 168, 273-287,
539, 1062, 1121
8b Kroonbladen wit (rozig): 165167, 171-200, 349, 353

5d Kelkbladen 6 of 7: 537, 1075, 1122

4e Bladeren verspreid (tenminste deels) of in een rozet

5a Kelkbladen 2 of 3: 247-250, 547
5b Kelkbladen 4

6a Meeldraden 6, de buitenste 2 korter. Geen
blad of schutblad aan de voet van de
bloemsteel (behalve 478): Kruisbloemenfamilie: 448-521 (zie ook 1076, 1090, 1094-1096,
1170, 1171)

6b Meeldraden 8. Bloemen in de oksel van een
blad of een schutblad
7a 
Bloemen roze of paarsroze: 297, 298,
554, 555
7b 
Bloemen geel: 293-296
5c Kelkbladen 5

6a Bloemen roze (rozig), (zwartachtig) paars of
blauw: 273-287, 350-352, 1121
6b Bloemen wit of groenig: 161, 255-258, 559563, 1091

5d Kelkbladen 6: 288, 289

29

1b Koonbladen tenminste aan de voet vergroeid



2a Kelk 0 (of niet te onderscheiden van kroonbladen)

3a Bladeren verspreid of grondstandig (of na de bloei verschijnend):
1, 16, 68-70, 79-83, 86

3b S tengelbladen in kransen: 71, 587-596 (1092-1093)

2b K
 elk aanwezig

3a Alle bladeren (of tenminste de onderste) tegenoverstaand of in
kransen

4a Bloemen blauw, lila of violet: 539, 601-607, Ereprijs: 717-735
(zie ook 1114-1117)

4b Bloemen rood, paars of roze: 539, 548, 549, 551, 586, 599600, 604, 609, 1222, 1280

4c Bloemen geel (gelig), wit of papierbruin: 537, 540-543, 550,
597-598, 608, 736, 1053, 1075

3b Alle bladeren verspreid of in een rozet

4a Meeldraden talrijk, in een buis vergroeid: Kaasjeskruidfamilie: 523-531

4b Meeldraden evenveel of dubbel zoveel als de kroonslippen

5a Bladeren 3-tallig of geveerd: 354-357, 535, 585

5b Bladeren ongedeeld, getand of gelobd, maar niet
samengesteld

6a Kroonbuis gesloten en de meeldraden bedekkend: Ruwbladigenfamilie: 564-584 (zie
ook 1118, 1119)
6b 
Kroonbuis open
7a 
Meeldraden 5, donzig behaard. Bloemen bijna regelmatig: Toorts: 624-630
7b Meeldraden niet donzig behaard
8a 
Bloemen (bruinig) paars, roze of
wit: 536, 538, 552-558, 611, 613615, 617-621, 1308
8b 
Bloemen blauw, blauw-paars
of violet: 610, 614, Klokjesfamilie: 807-820
8c 
Bloemen geel (gelig) of papierbruin: 544-546, 612, 616, 737-739
//Sleutel B: Landplanten zonder bladgroen: 967-984

30

//Sleutel C: Water- en moerasplanten, een deel van het jaar onder water
1a Zoutwaterplanten: 985-988
1b Planten drijvend: 989-996
1c Bloemen en sommige bladeren boven het water uitstekend

2a Bloemen wit of gekleurd: 997-1004

2b Bloemen klein, onopvallend: 1005-1008
1d Planten ondergedoken. Bladeren ongedeeld: 1009-1023
1e Planten ondergedoken. Bladeren fijn gedeeld: 1024-1037
1f Planten met drijfbladen: 1038-1048
1g Planten klein, in de zomer vaak min of meer op het land groeiend: 1049-1068
1h Planten van oevers, rivieren, plassen en sloten

2a Bloemen geel: 1069-1087

2b Bloemen wit:

3a Bladeren ongedeeld: 1088-1093

3b Bladeren gedeeld: 1094-1104

2c Bloemen bleeklila of roze (vaak zeer bleek): 1105-1115

2d Bloemen blauw, lila of paars: 1116-1126


2e Bloemen groenig of bruinig: 1127-1132

//Sleutel D: Kustplanten van zeeduinen en kwelders


1a Zeeduinplanten

2a Bloemen gekleurd: 1133-1139

2b Bloemen niet kleurig: 1140-1152
1b Planten van zoutmoerassen en kwelders

2a Bloemen groenig of onduidelijk: 1153-1161

2b Bloemen wit of roodachtig: 1162-1173

2c Bloemen paars, bruin of geel: 1174-1179
//Sleutel E: Klimplanten met ranken of windende stengels
1a Planten met ranken: 1180-1199
1b Stengels windend of klimmend

2a Bladen afwezig: 1200-1204

2b Bladen tegenoverstaand of in kransen: 1205-1210

2c Bladen verspreid: 1211-1227
//Sleutel F: Bomen en struiken
1a Bloemen in katjes, of : 1228-1256
1b Planten met stekels of doorns

2a Bloemen wit, roze of rood: 1257-1268

2b Bloemen geel, paars, groen of bruin: 1269-1276
1c Bladen samengesteld, planten niet stekelig: 1277-1287
1d Bladeren gelobd: 1288-1296
1e Bladeren ongedeeld

2a Bladeren tegenoverstaand: 1297-1307

2b Bladeren verspreid

3a Bloemen wit: 1308-1321

3b Bloemen niet wit: 1322-1331

2c Bladeren naaldvormig (coniferen), kegels of : 1332-1339
//Sleutel G: Varens
1a Waterplanten, drijvend, blaadjes schubvormig: 989
1b Planten niet drijvend, blaadjes niet schubvormig

2a Bladeren enkelvoudig tot enkel geveerd: 1340-1354

2b Bladeren 2-4-voudig geveerd: 1355-1374
//Sleutel H: Paardenstaarten: 1375-1382
//Sleutel I: Wolfsklauwen: 1383-1387

31

1b Koonbladen tenminste aan de voet vergroeid



2a Kelk 0 (of niet te onderscheiden van kroonbladen)

3a Bladeren verspreid of grondstandig (of na de bloei verschijnend):
1, 16, 68-70, 79-83, 86

3b S tengelbladen in kransen: 71, 587-596 (1092-1093)

2b K
 elk aanwezig

3a Alle bladeren (of tenminste de onderste) tegenoverstaand of in
kransen

4a Bloemen blauw, lila of violet: 539, 601-607, Ereprijs: 717-735
(zie ook 1114-1117)

4b Bloemen rood, paars of roze: 539, 548, 549, 551, 586, 599600, 604, 609, 1222, 1280

4c Bloemen geel (gelig), wit of papierbruin: 537, 540-543, 550,
597-598, 608, 736, 1053, 1075

3b Alle bladeren verspreid of in een rozet

4a Meeldraden talrijk, in een buis vergroeid: Kaasjeskruidfamilie: 523-531

4b Meeldraden evenveel of dubbel zoveel als de kroonslippen

5a Bladeren 3-tallig of geveerd: 354-357, 535, 585

5b Bladeren ongedeeld, getand of gelobd, maar niet
samengesteld

6a Kroonbuis gesloten en de meeldraden bedekkend: Ruwbladigenfamilie: 564-584 (zie
ook 1118, 1119)
6b 
Kroonbuis open
7a 
Meeldraden 5, donzig behaard. Bloemen bijna regelmatig: Toorts: 624-630
7b Meeldraden niet donzig behaard
8a 
Bloemen (bruinig) paars, roze of
wit: 536, 538, 552-558, 611, 613615, 617-621, 1308
8b 
Bloemen blauw, blauw-paars
of violet: 610, 614, Klokjesfamilie: 807-820
8c 
Bloemen geel (gelig) of papierbruin: 544-546, 612, 616, 737-739
//Sleutel B: Landplanten zonder bladgroen: 967-984

30

//Sleutel C: Water- en moerasplanten, een deel van het jaar onder water
1a Zoutwaterplanten: 985-988
1b Planten drijvend: 989-996
1c Bloemen en sommige bladeren boven het water uitstekend

2a Bloemen wit of gekleurd: 997-1004

2b Bloemen klein, onopvallend: 1005-1008
1d Planten ondergedoken. Bladeren ongedeeld: 1009-1023
1e Planten ondergedoken. Bladeren fijn gedeeld: 1024-1037
1f Planten met drijfbladen: 1038-1048
1g Planten klein, in de zomer vaak min of meer op het land groeiend: 1049-1068
1h Planten van oevers, rivieren, plassen en sloten

2a Bloemen geel: 1069-1087

2b Bloemen wit:

3a Bladeren ongedeeld: 1088-1093

3b Bladeren gedeeld: 1094-1104

2c Bloemen bleeklila of roze (vaak zeer bleek): 1105-1115

2d Bloemen blauw, lila of paars: 1116-1126


2e Bloemen groenig of bruinig: 1127-1132

//Sleutel D: Kustplanten van zeeduinen en kwelders


1a Zeeduinplanten

2a Bloemen gekleurd: 1133-1139

2b Bloemen niet kleurig: 1140-1152
1b Planten van zoutmoerassen en kwelders

2a Bloemen groenig of onduidelijk: 1153-1161

2b Bloemen wit of roodachtig: 1162-1173

2c Bloemen paars, bruin of geel: 1174-1179
//Sleutel E: Klimplanten met ranken of windende stengels
1a Planten met ranken: 1180-1199
1b Stengels windend of klimmend

2a Bladen afwezig: 1200-1204

2b Bladen tegenoverstaand of in kransen: 1205-1210

2c Bladen verspreid: 1211-1227
//Sleutel F: Bomen en struiken
1a Bloemen in katjes, of : 1228-1256
1b Planten met stekels of doorns

2a Bloemen wit, roze of rood: 1257-1268

2b Bloemen geel, paars, groen of bruin: 1269-1276
1c Bladen samengesteld, planten niet stekelig: 1277-1287
1d Bladeren gelobd: 1288-1296
1e Bladeren ongedeeld

2a Bladeren tegenoverstaand: 1297-1307

2b Bladeren verspreid

3a Bloemen wit: 1308-1321

3b Bloemen niet wit: 1322-1331

2c Bladeren naaldvormig (coniferen), kegels of : 1332-1339
//Sleutel G: Varens
1a Waterplanten, drijvend, blaadjes schubvormig: 989
1b Planten niet drijvend, blaadjes niet schubvormig

2a Bladeren enkelvoudig tot enkel geveerd: 1340-1354

2b Bladeren 2-4-voudig geveerd: 1355-1374
//Sleutel H: Paardenstaarten: 1375-1382
//Sleutel I: Wolfsklauwen: 1383-1387

31

//1

Groep A: Landplanten met bladgroen (Groep B: na 966)

//2

***1 Mansoor Asarum europaeum (Aristolochiaceae). Meerjarig: wortelstokken,


5-10cm. Bloemen regelmatig, 12-15mm, van buiten bruinig, van binnen donkerrood, verborgen onder de niervormige bladeren. Bossen, meestal kalkrijk. Maartmei.
***2 Pijpbloem Aristolochia clematitis. Meerjarig: lange wortelstokken, 20-90cm.
Bloemkroon scheef trompetvormig, 2-4cm. Kelk 0. De bloem vangt kleine insekten die alleen kunnen ontsnappen na de bestuiving. Droge plaatsen. Mei-juni.
3 Italiaanse aronskelk Arum italicum (Araceae). Giftig. Meerjarig: knollen, 3060cm. Bloemen klein en dicht opeen langs een gele spadix, die door een
groot opvallend schutblad (spatha) omsloten is. Daarin worden kleine insekten
gevangen gehouden tot de bloemen bevrucht zijn. Bladeren bleker langs de
nerven, jonge bladeren in de herfst verschijnend. Bessen in een aar, oranje. Bossen, meestal in parken. Mei-juni. 4 Gevlekte aronskelk A. maculatum. Meerjarig:
knollen. 15-40cm. Spadix donkerpaars. Bladeren gelijkmatig groen, met of zonder
bruinig zwarte vlekken. Bossen. April-mei.

//3

*5 Beenbreek Narthecium ossifragum (Nartheciaceae). Giftig. Meerjarig: wortelstokken, 10-30cm. Bladeren Iris-achtig. Kroonbladen in 2 kransen, vrij, uitstaand,
6-9mm. Meeldraden 6, met wollige helmdraden, oranje. Doosvrucht 3-hokkig,
oranje; zaden aan beide einden met een fijn uitsteeksel. Natte zure graslanden
en heiden. Juni-aug.
6 Eenbes Paris quadrifolia (Melanthiaceae). Giftig. Meerjarig: wortelstokken, 1530cm. Bladeren in 1 krans van (3)4-6. Stengel met n 3-6cm grote bloem. Binnenste kroonbladen 4, zeer smal, de buitenste breder. Bes 4-hokkig, blauwzwart.
Bossen. Eind april-juni.

//4

//5

//6

32

//1

Groep A: Landplanten met bladgroen (Groep B: na 966)

//2

***1 Mansoor Asarum europaeum (Aristolochiaceae). Meerjarig: wortelstokken,


5-10cm. Bloemen regelmatig, 12-15mm, van buiten bruinig, van binnen donkerrood, verborgen onder de niervormige bladeren. Bossen, meestal kalkrijk. Maartmei.
***2 Pijpbloem Aristolochia clematitis. Meerjarig: lange wortelstokken, 20-90cm.
Bloemkroon scheef trompetvormig, 2-4cm. Kelk 0. De bloem vangt kleine insekten die alleen kunnen ontsnappen na de bestuiving. Droge plaatsen. Mei-juni.
3 Italiaanse aronskelk Arum italicum (Araceae). Giftig. Meerjarig: knollen, 3060cm. Bloemen klein en dicht opeen langs een gele spadix, die door een
groot opvallend schutblad (spatha) omsloten is. Daarin worden kleine insekten
gevangen gehouden tot de bloemen bevrucht zijn. Bladeren bleker langs de
nerven, jonge bladeren in de herfst verschijnend. Bessen in een aar, oranje. Bossen, meestal in parken. Mei-juni. 4 Gevlekte aronskelk A. maculatum. Meerjarig:
knollen. 15-40cm. Spadix donkerpaars. Bladeren gelijkmatig groen, met of zonder
bruinig zwarte vlekken. Bossen. April-mei.

//3

*5 Beenbreek Narthecium ossifragum (Nartheciaceae). Giftig. Meerjarig: wortelstokken, 10-30cm. Bladeren Iris-achtig. Kroonbladen in 2 kransen, vrij, uitstaand,
6-9mm. Meeldraden 6, met wollige helmdraden, oranje. Doosvrucht 3-hokkig,
oranje; zaden aan beide einden met een fijn uitsteeksel. Natte zure graslanden
en heiden. Juni-aug.
6 Eenbes Paris quadrifolia (Melanthiaceae). Giftig. Meerjarig: wortelstokken, 1530cm. Bladeren in 1 krans van (3)4-6. Stengel met n 3-6cm grote bloem. Binnenste kroonbladen 4, zeer smal, de buitenste breder. Bes 4-hokkig, blauwzwart.
Bossen. Eind april-juni.

//4

//5

//6

32

//7
Leliefamilie Liliaceae
Meerjarig: Bollen. Meeldraden 6. Doosvrucht 3-hokkig.
**7 Bostulp Tulipa sylvestris. 20-50cm. Bloemknop knikkend. Bloemen 3-6cm, kroonbladen spits. Doosvrucht rechtopstaand. Niet in bossen (zoals de naam suggereert) maar in graslanden, meestal in oude parken. April-mei.

//8

***8 Kievitsbloem Fritillaria meleagris. 20-50cm. Bloemen knikkend, 3-5cm, bleek


tot donker purper, met witte schaakbordachtige tekening, of (speciaal bij tuinplanten) geheel wit. Doosvrucht rechtopstaand. Natte graslanden; ook verwilderd. April-mei.
***9 Roggelelie Lilium bulbiferum. 30-90cm. Bloemen rechtopstaand. Kroonbladen 4-6cm. Stengelbladen talrijk, smal en glanzig. In en langs roggeakkers. Bij
de wilde subsp. croceum ontbreken de bladokselstandige bolletjes. Juni-juli. **10
Turkse lelie L. martagon. 30-100cm. Bloemen knikkend. Kroonbladen 2-3cm,
teruggekromd, licht purper met donkere vlekjes. Meestal kalkrijke bossen en struikgewas in oude parken. Juni-juli.
Geelster Gagea. Kleine planten met gele bloemen die kort opduiken in maartapril om spoedig weer in de grond te verdwijnen. ***11 Spitse geelster G. minima. De kleinste van onze geelsterren, met toegespitste kroonbladen. Tot 15cm.
Bossen. ***12 Akkergeelster G. villosa. Tot 25cm. Vaak bloeien slechts enkele van
vele honderden planten. Grondbladen 2 of 3. Bladachtige schutbladen 2. Bloemen behaard. Begraafplaatsen, lage graslanden, onder heggen. ***13 Schedegeelster G. spathacea. Tot 25cm. Grondbladen 2 of 3. Bladachtig schutblad 1,
half-stengelomvattend. Bloemen onbehaard. Bossen.

//9
//10

/11

//12
/11

34

//13

//7
Leliefamilie Liliaceae
Meerjarig: Bollen. Meeldraden 6. Doosvrucht 3-hokkig.
**7 Bostulp Tulipa sylvestris. 20-50cm. Bloemknop knikkend. Bloemen 3-6cm, kroonbladen spits. Doosvrucht rechtopstaand. Niet in bossen (zoals de naam suggereert) maar in graslanden, meestal in oude parken. April-mei.

//8

***8 Kievitsbloem Fritillaria meleagris. 20-50cm. Bloemen knikkend, 3-5cm, bleek


tot donker purper, met witte schaakbordachtige tekening, of (speciaal bij tuinplanten) geheel wit. Doosvrucht rechtopstaand. Natte graslanden; ook verwilderd. April-mei.
***9 Roggelelie Lilium bulbiferum. 30-90cm. Bloemen rechtopstaand. Kroonbladen 4-6cm. Stengelbladen talrijk, smal en glanzig. In en langs roggeakkers. Bij
de wilde subsp. croceum ontbreken de bladokselstandige bolletjes. Juni-juli. **10
Turkse lelie L. martagon. 30-100cm. Bloemen knikkend. Kroonbladen 2-3cm,
teruggekromd, licht purper met donkere vlekjes. Meestal kalkrijke bossen en struikgewas in oude parken. Juni-juli.
Geelster Gagea. Kleine planten met gele bloemen die kort opduiken in maartapril om spoedig weer in de grond te verdwijnen. ***11 Spitse geelster G. minima. De kleinste van onze geelsterren, met toegespitste kroonbladen. Tot 15cm.
Bossen. ***12 Akkergeelster G. villosa. Tot 25cm. Vaak bloeien slechts enkele van
vele honderden planten. Grondbladen 2 of 3. Bladachtige schutbladen 2. Bloemen behaard. Begraafplaatsen, lage graslanden, onder heggen. ***13 Schedegeelster G. spathacea. Tot 25cm. Grondbladen 2 of 3. Bladachtig schutblad 1,
half-stengelomvattend. Bloemen onbehaard. Bossen.

//9
//10

/11

//12
/11

34

//13

//14
**14 Weidegeelster Gagea pratensis (Liliaceae). Tot 20cm, met 3 bollen. Grondstandig blad 1, 2-5mm breed. Lage graslanden, onder heggen. **15 Bosgeelster
G. lutea. Tot 30cm, met 1 bol. Grondstandig blad 1, 5-10mm breed. Bossen, soms
graslanden.
*16 Herfsttijloos Colchicum autumnale (Colchicaceae). Zeer giftig. Meerjarig:
knollen, 10-25cm. Bladeren en doosvrucht vroeg in het voorjaar opduikend. Bloemen krokusachtig, 1-3 bijeen (vaak meer bij tuinplanten); bladloos tijdens de
bloei. Verschilt van Crocus door zijn ongedeelde stijltakken en 6 (niet 3) meeldraden. Natte graslanden en open bossen. Sept.-okt.
**17 Boerenkrokus Crocus tommasinianus (Iridaceae). Meerjarig: knollen, tot
20cm. Bladeren stijf, zeer smal, in het midden met een witte streep. Kroonbladen
van binnen lila tot lavendel blauw, van buiten grijsachtig. Stijltakken aan de top
gedeeld. Meeldraden 3. Doosvrucht ondergronds. In graslanden, vaak in oude
parken. Febr.-maart. **18 Bonte krokus C. vernus. Meerjarig: knollen, tot 20cm.
Bloemen wit met purperen strepen, of geheel wit of purper. Graslanden, vaak in
oude parken. Febr.-april.

//15
//16

**19 Sisyrinchium Sisyrinchium montanum (Iridaceae). Meerjarig, 10-35cm. Stengel gevleugeld, onvertakt. Bladeren Iris-achtig. Bloemen stervormig, kroonbladen
vrij, 6, violet-blauw, 12-18mm. Meeldraden 3. Vochtige tot natte graslanden, soms
beschaduwd. Mei-juli.

//17

Orchideenfamilie Orchidaceae
Meerjarig: knollen of wortelstokken. Bloemen 2-zijdig, 3 buitenste kroonbladen
meestal verschillend van de binnenste; 1 binnenste kroonblad verschillend van
alle: de lip; deze met of zonder spoor. Meeldraad 1, met 2 zeer gespecialiseerde
stuifmeelklompjes. Doosvrucht met 2 of 3 spleten openend. [Zie ook 967-70]. De
meeste soorten groeien in kalkrijke graslanden; alleen de uitzonderingen worden
hier genoemd.

//18

***20 Veenmosorchis Hammarbya paludosa. Planten tot 12cm, groenachtig,


makkelijk over t hoofd te zien. 2(-4) grondbladen met een rand van kleine bolletjes. Bloemen 7-10mm; lip 2-4mm, rechtopstaand. Tussen veenmos in trilveen en
hoogveen. Juli-aug.

//19
/17

36

//20

//14
**14 Weidegeelster Gagea pratensis (Liliaceae). Tot 20cm, met 3 bollen. Grondstandig blad 1, 2-5mm breed. Lage graslanden, onder heggen. **15 Bosgeelster
G. lutea. Tot 30cm, met 1 bol. Grondstandig blad 1, 5-10mm breed. Bossen, soms
graslanden.
*16 Herfsttijloos Colchicum autumnale (Colchicaceae). Zeer giftig. Meerjarig:
knollen, 10-25cm. Bladeren en doosvrucht vroeg in het voorjaar opduikend. Bloemen krokusachtig, 1-3 bijeen (vaak meer bij tuinplanten); bladloos tijdens de
bloei. Verschilt van Crocus door zijn ongedeelde stijltakken en 6 (niet 3) meeldraden. Natte graslanden en open bossen. Sept.-okt.
**17 Boerenkrokus Crocus tommasinianus (Iridaceae). Meerjarig: knollen, tot
20cm. Bladeren stijf, zeer smal, in het midden met een witte streep. Kroonbladen
van binnen lila tot lavendel blauw, van buiten grijsachtig. Stijltakken aan de top
gedeeld. Meeldraden 3. Doosvrucht ondergronds. In graslanden, vaak in oude
parken. Febr.-maart. **18 Bonte krokus C. vernus. Meerjarig: knollen, tot 20cm.
Bloemen wit met purperen strepen, of geheel wit of purper. Graslanden, vaak in
oude parken. Febr.-april.

//15
//16

**19 Sisyrinchium Sisyrinchium montanum (Iridaceae). Meerjarig, 10-35cm. Stengel gevleugeld, onvertakt. Bladeren Iris-achtig. Bloemen stervormig, kroonbladen
vrij, 6, violet-blauw, 12-18mm. Meeldraden 3. Vochtige tot natte graslanden, soms
beschaduwd. Mei-juli.

//17

Orchideenfamilie Orchidaceae
Meerjarig: knollen of wortelstokken. Bloemen 2-zijdig, 3 buitenste kroonbladen
meestal verschillend van de binnenste; 1 binnenste kroonblad verschillend van
alle: de lip; deze met of zonder spoor. Meeldraad 1, met 2 zeer gespecialiseerde
stuifmeelklompjes. Doosvrucht met 2 of 3 spleten openend. [Zie ook 967-70]. De
meeste soorten groeien in kalkrijke graslanden; alleen de uitzonderingen worden
hier genoemd.

//18

***20 Veenmosorchis Hammarbya paludosa. Planten tot 12cm, groenachtig,


makkelijk over t hoofd te zien. 2(-4) grondbladen met een rand van kleine bolletjes. Bloemen 7-10mm; lip 2-4mm, rechtopstaand. Tussen veenmos in trilveen en
hoogveen. Juli-aug.

//19
/17

36

//20

//21
Orchideenfamilie
**21 Groenknolorchis Liparis loeselii. Planten tot 20cm, geelgroen. De 2 grondbladen tamelijk groot. Bloemen 10mm; lip 5mm, rechtopstaand. Duinvalleien en
trilvenen. Juni-begin juli.
Wespenorchis Epipactis. Bladeren stengelstandig. Lip 2-delig, het onderste deel
kopvormig. De soorten zijn moeilijk te determineren (behalve 22). *22 Moeraswespenorchis E. palustris. 20-60cm. Lip met gewrichtje in het midden, 10-12mm.
Eind juni-begin aug. *23 Bruinrode wespenorchis E. atrorubens. 20-60cm. Bloemen
geheel paarsrood. Lip 5-7mm. Vruchtbeginsel dicht behaard. Juni-juli. **24 Geelgroene wespenorchis E. muelleri. 20-50cm. Bloemknop stomp. Bloemen groenig.
Lip 7-9mm. Bossen. Juni-juli. 25 Brede wespenorchis E. helleborine subsp. helleborine. 30-80cm. Bloemknop spits. Kleur zeer variabel, roodachtig tot geelgroen.
Lip 9-11mm. Schutblad van de onderste bloem meer dan dubbel zo lang als de
bloem. Vruchtbeginsel nauwelijks behaard. Licht beschaduwde plaatsen, ook in
plantsoenen. Midden juni-midden aug. 26 Duinwespenorchis E.h. subsp. neerlandica heeft het schutblad van de onderste bloem minder dan dubbel zo lang als
de bloem. 30-50cm. Droge duinen. Eind juli-begin sept. ***27 Kleinbladige wespenorchis E. microphylla. 15-40cm. Bladeren 3-5, 1-3cm. Lip 6-7mm. Donkere
bossen. Juli.

//22

//24

//26

//23

/24

/26

//27

38

//25

//21
Orchideenfamilie
**21 Groenknolorchis Liparis loeselii. Planten tot 20cm, geelgroen. De 2 grondbladen tamelijk groot. Bloemen 10mm; lip 5mm, rechtopstaand. Duinvalleien en
trilvenen. Juni-begin juli.
Wespenorchis Epipactis. Bladeren stengelstandig. Lip 2-delig, het onderste deel
kopvormig. De soorten zijn moeilijk te determineren (behalve 22). *22 Moeraswespenorchis E. palustris. 20-60cm. Lip met gewrichtje in het midden, 10-12mm.
Eind juni-begin aug. *23 Bruinrode wespenorchis E. atrorubens. 20-60cm. Bloemen
geheel paarsrood. Lip 5-7mm. Vruchtbeginsel dicht behaard. Juni-juli. **24 Geelgroene wespenorchis E. muelleri. 20-50cm. Bloemknop stomp. Bloemen groenig.
Lip 7-9mm. Bossen. Juni-juli. 25 Brede wespenorchis E. helleborine subsp. helleborine. 30-80cm. Bloemknop spits. Kleur zeer variabel, roodachtig tot geelgroen.
Lip 9-11mm. Schutblad van de onderste bloem meer dan dubbel zo lang als de
bloem. Vruchtbeginsel nauwelijks behaard. Licht beschaduwde plaatsen, ook in
plantsoenen. Midden juni-midden aug. 26 Duinwespenorchis E.h. subsp. neerlandica heeft het schutblad van de onderste bloem minder dan dubbel zo lang als
de bloem. 30-50cm. Droge duinen. Eind juli-begin sept. ***27 Kleinbladige wespenorchis E. microphylla. 15-40cm. Bladeren 3-5, 1-3cm. Lip 6-7mm. Donkere
bossen. Juli.

//22

//24

//26

//23

/24

/26

//27

38

//25

//14
**14 Weidegeelster Gagea pratensis (Liliaceae). Tot 20cm, met 3 bollen. Grondstandig blad 1, 2-5mm breed. Lage graslanden, onder heggen. **15 Bosgeelster
G. lutea. Tot 30cm, met 1 bol. Grondstandig blad 1, 5-10mm breed. Bossen, soms
graslanden.
*16 Herfsttijloos Colchicum autumnale (Colchicaceae). Zeer giftig. Meerjarig:
knollen, 10-25cm. Bladeren en doosvrucht vroeg in het voorjaar opduikend. Bloemen krokusachtig, 1-3 bijeen (vaak meer bij tuinplanten); bladloos tijdens de
bloei. Verschilt van Crocus door zijn ongedeelde stijltakken en 6 (niet 3) meeldraden. Natte graslanden en open bossen. Sept.-okt.
**17 Boerenkrokus Crocus tommasinianus (Iridaceae). Meerjarig: knollen, tot
20cm. Bladeren stijf, zeer smal, in het midden met een witte streep. Kroonbladen
van binnen lila tot lavendel blauw, van buiten grijsachtig. Stijltakken aan de top
gedeeld. Meeldraden 3. Doosvrucht ondergronds. In graslanden, vaak in oude
parken. Febr.-maart. **18 Bonte krokus C. vernus. Meerjarig: knollen, tot 20cm.
Bloemen wit met purperen strepen, of geheel wit of purper. Graslanden, vaak in
oude parken. Febr.-april.

//15
//16

**19 Sisyrinchium Sisyrinchium montanum (Iridaceae). Meerjarig, 10-35cm. Stengel gevleugeld, onvertakt. Bladeren Iris-achtig. Bloemen stervormig, kroonbladen
vrij, 6, violet-blauw, 12-18mm. Meeldraden 3. Vochtige tot natte graslanden, soms
beschaduwd. Mei-juli.

//17

Orchideenfamilie Orchidaceae
Meerjarig: knollen of wortelstokken. Bloemen 2-zijdig, 3 buitenste kroonbladen
meestal verschillend van de binnenste; 1 binnenste kroonblad verschillend van
alle: de lip; deze met of zonder spoor. Meeldraad 1, met 2 zeer gespecialiseerde
stuifmeelklompjes. Doosvrucht met 2 of 3 spleten openend. [Zie ook 967-70]. De
meeste soorten groeien in kalkrijke graslanden; alleen de uitzonderingen worden
hier genoemd.

//18

***20 Veenmosorchis Hammarbya paludosa. Planten tot 12cm, groenachtig,


makkelijk over t hoofd te zien. 2(-4) grondbladen met een rand van kleine bolletjes. Bloemen 7-10mm; lip 2-4mm, rechtopstaand. Tussen veenmos in trilveen en
hoogveen. Juli-aug.

//19
/17

36

//20

Orchideenfamilie
**28 Paarse wespenorchis Epipactis purpurata. 25-100cm. Hele plant vaak paars
aangelopen. Lip 8-10mm. Donkere, vochtige bossen. Aug.-sept. ***29 Smallippige wespenorchis E. leptochila. 30-70cm. Einddeel van de lip langer dan breed,
spits; lip 4-9mm. Beukenbossen. Juli-aug. ***30 Groene wespenorchis E. phyllanthes. 10-35cm. Stengels en bloemen (bijna) onbehaard. Lip 6-8mm. Vochtige bossen. Juni-sept.
31 Grote keverorchis Neottia ovata. Planten 20-45cm, stevig. Bladeren 2, langer
dan 5cm. Lip 7-15mm. Half mei-juni. ***32 Kleine keverorchis N. cordata. Planten
5-20cm, slank, rood aangelopen. Bladeren tot 2cm. Lip 3-4mm. Vochtige
dennenbossen. Mei-juni.

//29
//28

**33 Bleek bosvogeltje Cephalanthera damasonium. 20-60cm. Bloemen nauwelijks opengaand, cremewit met geel hart. Onderste schutblad even lang als
de bloem. Kroonbladen 15-20mm. Bossen. Half mei-begin juni. ***34 Wit bosvogeltje C. longifolia. 15-60cm. Bloemen geheel opengaand, zuiver wit met geel
hart. Schutblad veel korter dan de bloem. Kroonbladen 10-16mm. Beukenbossen.
Mei-juni.

//30

//32
//31

/28

/33

40

/29

//34

//33

Orchideenfamilie
**28 Paarse wespenorchis Epipactis purpurata. 25-100cm. Hele plant vaak paars
aangelopen. Lip 8-10mm. Donkere, vochtige bossen. Aug.-sept. ***29 Smallippige wespenorchis E. leptochila. 30-70cm. Einddeel van de lip langer dan breed,
spits; lip 4-9mm. Beukenbossen. Juli-aug. ***30 Groene wespenorchis E. phyllanthes. 10-35cm. Stengels en bloemen (bijna) onbehaard. Lip 6-8mm. Vochtige bossen. Juni-sept.
31 Grote keverorchis Neottia ovata. Planten 20-45cm, stevig. Bladeren 2, langer
dan 5cm. Lip 7-15mm. Half mei-juni. ***32 Kleine keverorchis N. cordata. Planten
5-20cm, slank, rood aangelopen. Bladeren tot 2cm. Lip 3-4mm. Vochtige
dennenbossen. Mei-juni.

//29
//28

**33 Bleek bosvogeltje Cephalanthera damasonium. 20-60cm. Bloemen nauwelijks opengaand, cremewit met geel hart. Onderste schutblad even lang als
de bloem. Kroonbladen 15-20mm. Bossen. Half mei-begin juni. ***34 Wit bosvogeltje C. longifolia. 15-60cm. Bloemen geheel opengaand, zuiver wit met geel
hart. Schutblad veel korter dan de bloem. Kroonbladen 10-16mm. Beukenbossen.
Mei-juni.

//30

//32
//31

/28

/33

40

/29

//34

//33

Orchideenfamilie
***35 Rood bosvogeltje Cephalanthera rubra. 20-60cm. Bloemen lichtpurper,
kroonbladen 8-12mm. Kalkrijke bossen. Juni-juli.

//35

***36 Herfstschroeforchis Spiranthes spiralis. 5-20cm. Bladeren klein, grondstandig,


tijdens of na de bloei verschijnend. Stengel alleen met schubvormige bladeren.
Bloemen 4-6mm. Midden aug.-eind sept.
**37 Dennenorchis Goodyera repens. 10-25cm. Stengel bovenaan kleverig. Bladeren vaak gemarmerd. Bloemen 3-4mm. Vooral in oude dennenbossen. Juli-aug.

//37

***38 Honingorchis Herminium monorchis. 8-20cm. Bladeren 2, grondstandig.


Bloemen met honiggeur, 2-3mm. Juni-juli.

//36

**39 Groene nachtorchis Dactylorhiza viridis. 6-30cm. Spoor zeer kort. Bloemen
6-10mm. Mei.
Handekenskruid Dactylorhiza. Een moeilijke, veel onderzochte plantengroep.
Spoor van de bloem zonder nectar. 40 Bosorchis D. maculata subsp. fuchsii. 2060cm. Bovenste stengelblad de onderste bloem niet rakend. Bladeren gevlekt.
Lip tamelijk diep 3-lobbig, 9-14mm. Vochtige open bossen en graslanden. Juni. 41
Gevlekte orchis D.m. subsp. maculata. 20-60cm. Lip ondiep gelobd, middendeel
veel kleiner dan de zijdlingse. Vochtige, tamelijk zure graslanden, natte heiden.
Eind mei-juli.

//38

//40

/38

/41

//39
42

Orchideenfamilie
***35 Rood bosvogeltje Cephalanthera rubra. 20-60cm. Bloemen lichtpurper,
kroonbladen 8-12mm. Kalkrijke bossen. Juni-juli.

//35

***36 Herfstschroeforchis Spiranthes spiralis. 5-20cm. Bladeren klein, grondstandig,


tijdens of na de bloei verschijnend. Stengel alleen met schubvormige bladeren.
Bloemen 4-6mm. Midden aug.-eind sept.
**37 Dennenorchis Goodyera repens. 10-25cm. Stengel bovenaan kleverig. Bladeren vaak gemarmerd. Bloemen 3-4mm. Vooral in oude dennenbossen. Juli-aug.

//37

***38 Honingorchis Herminium monorchis. 8-20cm. Bladeren 2, grondstandig.


Bloemen met honiggeur, 2-3mm. Juni-juli.

//36

**39 Groene nachtorchis Dactylorhiza viridis. 6-30cm. Spoor zeer kort. Bloemen
6-10mm. Mei.
Handekenskruid Dactylorhiza. Een moeilijke, veel onderzochte plantengroep.
Spoor van de bloem zonder nectar. 40 Bosorchis D. maculata subsp. fuchsii. 2060cm. Bovenste stengelblad de onderste bloem niet rakend. Bladeren gevlekt.
Lip tamelijk diep 3-lobbig, 9-14mm. Vochtige open bossen en graslanden. Juni. 41
Gevlekte orchis D.m. subsp. maculata. 20-60cm. Lip ondiep gelobd, middendeel
veel kleiner dan de zijdlingse. Vochtige, tamelijk zure graslanden, natte heiden.
Eind mei-juli.

//38

//40

/38

/41

//39
42

//42

//43

Orchideenfamilie
*42 Vleeskleurige orchis Dactylorhiza incarnata. 15-60cm. Bovenste stengelblad
ruim over de onderste bloem heen reikend. Bladeren ongevlekt. Lip met met teruggeslagen zijkanten, 5-8mm. Bloemen donker purper, roze of vleeskleurig, zelden wit; verschillend gekleurde planten groeien naast elkaar. Natte graslanden.
Mei-juni. *43 Brede orchis D. majalis subsp. majalis. 15-30cm. Bovenste stengelblad
tot halverwege de bloeiaar reikend. Bladeren afstaand, met gevulde vlekken of
ongevlekt. Lip vlak, 10-14mm, middendeel tamelijk groot. Moerassige graslanden.
Midden mei-midden juni. 44 Rietorchis D.m. subsp. praetermissa. 35-60cm. Als 43
maar middendeel van de lip klein. Bladeren vaak met ringvormige vlekken of
ongevlekt. Natte zandige of venige plaatsen. Juni. ***45 Veenorchis D.m. subsp.
sphagnicola. Bovenste stengelblad de onderste bloem niet rakend. Zijkanten van
de lip nauwelijks teruggeslagen, lip 9-13mm. Zure veenmoerassen, vaak tussen
veenmos. Juni-juli.
*46 Grote muggenorchis Gymnadenia conopsea. 20-80cm. Variabel in bloeitijd
en hoogte. Bladeren smal, ongevlekt. Lip 3-6mm. Spoor zeer smal, dubbel zo
lang als het vruchtbeginsel (de bloemsteel). Juni-midden aug. ***47 Welriekende
muggenorchis G. odoratissima. 15-40cm. Spoor aan de top iets verdikt, even lang
als het vruchtbeginsel. Juni-juli.

/46

//44

//45
//47
/46

/42

44

/42

//46

//42

//43

Orchideenfamilie
*42 Vleeskleurige orchis Dactylorhiza incarnata. 15-60cm. Bovenste stengelblad
ruim over de onderste bloem heen reikend. Bladeren ongevlekt. Lip met met teruggeslagen zijkanten, 5-8mm. Bloemen donker purper, roze of vleeskleurig, zelden wit; verschillend gekleurde planten groeien naast elkaar. Natte graslanden.
Mei-juni. *43 Brede orchis D. majalis subsp. majalis. 15-30cm. Bovenste stengelblad
tot halverwege de bloeiaar reikend. Bladeren afstaand, met gevulde vlekken of
ongevlekt. Lip vlak, 10-14mm, middendeel tamelijk groot. Moerassige graslanden.
Midden mei-midden juni. 44 Rietorchis D.m. subsp. praetermissa. 35-60cm. Als 43
maar middendeel van de lip klein. Bladeren vaak met ringvormige vlekken of
ongevlekt. Natte zandige of venige plaatsen. Juni. ***45 Veenorchis D.m. subsp.
sphagnicola. Bovenste stengelblad de onderste bloem niet rakend. Zijkanten van
de lip nauwelijks teruggeslagen, lip 9-13mm. Zure veenmoerassen, vaak tussen
veenmos. Juni-juli.
*46 Grote muggenorchis Gymnadenia conopsea. 20-80cm. Variabel in bloeitijd
en hoogte. Bladeren smal, ongevlekt. Lip 3-6mm. Spoor zeer smal, dubbel zo
lang als het vruchtbeginsel (de bloemsteel). Juni-midden aug. ***47 Welriekende
muggenorchis G. odoratissima. 15-40cm. Spoor aan de top iets verdikt, even lang
als het vruchtbeginsel. Juni-juli.

/46

//44

//45
//47
/46

/42

44

/42

//46

Orchideenfamilie

//48

*48 Welriekende nachtorchis Platanthera bifolia. 20-50cm. Bladeren 2(3), grondstandig. Lip 8-12mm, spoor 2-3 maal zo lang als de bloemsteel, niet verdikt
aan het eind. Stuifmeelklompjes dicht naast elkaar, evenwijdig (zie foto). Natte
graslanden en heiden. Eind mei-juli. *49 Bergnachtorchis P. montana. 20-50cm.
Als 48 maar spoor aan het eind iets verdikt. Stuifmeelklompjes uiteenwijkend (zie
foto). Open bossen en graslanden. Midden mei-juli.
***50 Witte muggenorchis Pseudorchis albida. Bloemen wit, lip 2-3mm, 3-lobbig,
spoor kort. Bovenste 5 kroonbladen 2-3mm, een helm vormend. Heides en zure
graslanden. Mei-juni.

//49

***51 Poppenorchis Orchis anthropophora. 10-40cm. Spoor 0. Lip 12-15mm. Droge


graslanden en open bossen. Midden mei-midden juni.
*52 Mannetjesorchis Orchis mascula. 15-50cm. Twee kroonbladen rechtopstaand. Spoor omhoog wijzend. Lip 8-15mm. Bladeren meestal met zwarte vlekken. Eind april-midden mei.
***53 Aapjesorchis Orchis simia. 30-40cm. Bloemtros bloeit van top omlaag. Bovenste blad bijna geheel stengelomvattend. Bovenste 5 kroonbladen een helm
vormend, deze spits. Lip 14-16mm, de slippen naar voren gekromd. Mei. *54 Purperorchis O. purpurea. 30-75cm. Helm stomp. Lip 10-15mm, middenslip veel breder dan zijslippen. Open bossen. Mei.

//52

//51

/54
/54

//53

/50

46

/50

/52

//54

Orchideenfamilie

//48

*48 Welriekende nachtorchis Platanthera bifolia. 20-50cm. Bladeren 2(3), grondstandig. Lip 8-12mm, spoor 2-3 maal zo lang als de bloemsteel, niet verdikt
aan het eind. Stuifmeelklompjes dicht naast elkaar, evenwijdig (zie foto). Natte
graslanden en heiden. Eind mei-juli. *49 Bergnachtorchis P. montana. 20-50cm.
Als 48 maar spoor aan het eind iets verdikt. Stuifmeelklompjes uiteenwijkend (zie
foto). Open bossen en graslanden. Midden mei-juli.
***50 Witte muggenorchis Pseudorchis albida. Bloemen wit, lip 2-3mm, 3-lobbig,
spoor kort. Bovenste 5 kroonbladen 2-3mm, een helm vormend. Heides en zure
graslanden. Mei-juni.

//49

***51 Poppenorchis Orchis anthropophora. 10-40cm. Spoor 0. Lip 12-15mm. Droge


graslanden en open bossen. Midden mei-midden juni.
*52 Mannetjesorchis Orchis mascula. 15-50cm. Twee kroonbladen rechtopstaand. Spoor omhoog wijzend. Lip 8-15mm. Bladeren meestal met zwarte vlekken. Eind april-midden mei.
***53 Aapjesorchis Orchis simia. 30-40cm. Bloemtros bloeit van top omlaag. Bovenste blad bijna geheel stengelomvattend. Bovenste 5 kroonbladen een helm
vormend, deze spits. Lip 14-16mm, de slippen naar voren gekromd. Mei. *54 Purperorchis O. purpurea. 30-75cm. Helm stomp. Lip 10-15mm, middenslip veel breder dan zijslippen. Open bossen. Mei.

//52

//51

/54
/54

//53

/50

46

/50

/52

//54

Orchideenfamilie
***55 Soldaatje Orchis militaris. 25-45cm. Helm spits. Lip 12-15mm, middenslip aan
de voet weinig breder dan zijslippen. Open bossen. Midden mei-begin juni.
***56 Aangebrande orchis Neotinea ustulata. 15-25cm. Bovenste 5 kroonbladen
een helm vormend. Lip 4-8mm. Spoor veel korter dan de bloemsteel. Mei.
**57 Bokkenorchis Himantoglossum hircinum. 30-80cm. Lip zeer lang, 30-50mm.
Spoor zeer kort. Ruikt naar geitenbok. Tamelijk droge graslanden met laag struikgewas. Mei-juni.

//55

//56

***58 Hondskruid Anacamptis pyramidalis. 30-60cm. Lip diep en gelijk 3-lobbig,


met 2 rechtopstaande lengterichels, 6-8mm. Spoor omlaag wijzend, zeer smal,
iets korter dan de bloemsteel. Droge graslanden. Juni-juli.
**59 Harlekijn Anacamptis morio. 8-30cm. Lip ondiep en ongelijk 3-lobbig, zonder
uitsteeksels, 7-10mm. Bloemen donker purper of roze of wit, planten van verschillende kleur groeien naast elkaar. Spoor tamelijk dik, horizontaal, iets langer dan
de bloemsteel. Vochtige graslanden. Midden april-midden juni.

//59

//58

//57

**60 Vliegenorchis Ophrys insectifera. 20-50cm. Lip vlak, met 2 zijslippen en een
2-lobbige middenlob, 9-10mm. Buitenste kroonbladen groenig, korter dan de lip.
Struikgewas. Midden mei-begin juni. **61 Bijenorchis O. apifera. 20-50cm. Lip iets
bol, met 2 kleine zijslippen, aan het eind met een teruggekromd aanhangsel, 1012mm. Buitenste kroonbladen wit, roze of roodachtig. Vaak op recent verstoorde
grond. Juni-juli.

/59

/56

48

/57

/58

//60
//61

Orchideenfamilie
***55 Soldaatje Orchis militaris. 25-45cm. Helm spits. Lip 12-15mm, middenslip aan
de voet weinig breder dan zijslippen. Open bossen. Midden mei-begin juni.
***56 Aangebrande orchis Neotinea ustulata. 15-25cm. Bovenste 5 kroonbladen
een helm vormend. Lip 4-8mm. Spoor veel korter dan de bloemsteel. Mei.
**57 Bokkenorchis Himantoglossum hircinum. 30-80cm. Lip zeer lang, 30-50mm.
Spoor zeer kort. Ruikt naar geitenbok. Tamelijk droge graslanden met laag struikgewas. Mei-juni.

//55

//56

***58 Hondskruid Anacamptis pyramidalis. 30-60cm. Lip diep en gelijk 3-lobbig,


met 2 rechtopstaande lengterichels, 6-8mm. Spoor omlaag wijzend, zeer smal,
iets korter dan de bloemsteel. Droge graslanden. Juni-juli.
**59 Harlekijn Anacamptis morio. 8-30cm. Lip ondiep en ongelijk 3-lobbig, zonder
uitsteeksels, 7-10mm. Bloemen donker purper of roze of wit, planten van verschillende kleur groeien naast elkaar. Spoor tamelijk dik, horizontaal, iets langer dan
de bloemsteel. Vochtige graslanden. Midden april-midden juni.

//59

//58

//57

**60 Vliegenorchis Ophrys insectifera. 20-50cm. Lip vlak, met 2 zijslippen en een
2-lobbige middenlob, 9-10mm. Buitenste kroonbladen groenig, korter dan de lip.
Struikgewas. Midden mei-begin juni. **61 Bijenorchis O. apifera. 20-50cm. Lip iets
bol, met 2 kleine zijslippen, aan het eind met een teruggekromd aanhangsel, 1012mm. Buitenste kroonbladen wit, roze of roodachtig. Vaak op recent verstoorde
grond. Juni-juli.

/59

/56

48

/57

/58

//60
//61

//62
***62 Spinnenorchis Ophrys sphegodes (Orchidaceae). 10-35cm. Lip zonder aanhangsel. Buitenste kroonbladen groenig. Droge graslanden. April-juni. **63 Hommelorchis O. fuciflora. 10-35cm. Aanhangsel van de lip naar voren gekromd en
lip langer dan de buitenste roze kroonbladen. Mei-juni.
***64 Stinkende lis Iris foetidissima (Iridaceae). Meerjarig, 30-90cm. Bladeren donkergroen, altijdgroen, na doorbreken met knoflookachtige geur. Bloemen blauwig. Meeldraden 3. Zaden helder rood tot oranje. Kalkrijke duinen. Mei-juli.

//63

Aspergefamilie Asparagaceae
Meerjarig: wortelstokken, knollen of bollen. Kroonbladen 6 (of 4 waar aangegeven), vergroeid tot vrij. Meeldraden 6. Doosvruchten of bessen 3-hokkig.
*65 Grote graslelie Anthericum liliago. Knollen, 20-60cm. Bladeren lang en
grasachtig. Kroonbladen vrij, 16-22mm. Droge kalkrijke plaatsen. Mei-juni.

//64

*66 Liggende asperge Asparagus officinalis subsp. prostratus. Tot 40cm. Planten
of . Jonge scheuten vlezig, dun. Stengels liggend. Bladeren blauwgroen.
Droge kalkrijke duinen. Mei-juli. 67 Asperge A.o. subsp. officinalis. 80-200cm. Stengels rechtopstaand. Bladeren donkergroen, scheuten dik. Droge zandgrond,
wegbermen, grindbanken. Mei-juli.

//65

//67

/62

/62

/63

//66

50

//62
***62 Spinnenorchis Ophrys sphegodes (Orchidaceae). 10-35cm. Lip zonder aanhangsel. Buitenste kroonbladen groenig. Droge graslanden. April-juni. **63 Hommelorchis O. fuciflora. 10-35cm. Aanhangsel van de lip naar voren gekromd en
lip langer dan de buitenste roze kroonbladen. Mei-juni.
***64 Stinkende lis Iris foetidissima (Iridaceae). Meerjarig, 30-90cm. Bladeren donkergroen, altijdgroen, na doorbreken met knoflookachtige geur. Bloemen blauwig. Meeldraden 3. Zaden helder rood tot oranje. Kalkrijke duinen. Mei-juli.

//63

Aspergefamilie Asparagaceae
Meerjarig: wortelstokken, knollen of bollen. Kroonbladen 6 (of 4 waar aangegeven), vergroeid tot vrij. Meeldraden 6. Doosvruchten of bessen 3-hokkig.
*65 Grote graslelie Anthericum liliago. Knollen, 20-60cm. Bladeren lang en
grasachtig. Kroonbladen vrij, 16-22mm. Droge kalkrijke plaatsen. Mei-juni.

//64

*66 Liggende asperge Asparagus officinalis subsp. prostratus. Tot 40cm. Planten
of . Jonge scheuten vlezig, dun. Stengels liggend. Bladeren blauwgroen.
Droge kalkrijke duinen. Mei-juli. 67 Asperge A.o. subsp. officinalis. 80-200cm. Stengels rechtopstaand. Bladeren donkergroen, scheuten dik. Droge zandgrond,
wegbermen, grindbanken. Mei-juli.

//65

//67

/62

/62

/63

//66

50