You are on page 1of 200

HZ31, deel H107 en H939

Ontwerp van constructiecomponenten


Achtergrond en oefeningen bij het ontwerp van
constructiecomponenten: staal, hout en metselwerk

dr. ir. L. Schueremans


prof. dr. ir. D. Van Gemert
Departement Burgerlijke Bouwkunde
Kasteelpark Arenberg 40
B-3001 Heverlee
Luc.schueremans@bwk.kuleuven.ac.be

Academiejaar 2003/2004

Woord vooraf
Het ontwerpen van constructiecomponenten is gesteund op de principes en
methodes die in de elasticiteitsleer op een universele manier werden aangebracht.
Het toespitsen van de ontwerpberekening op een welbepaald materiaal, noodzaakt
het in rekening brengen van de bijzondere ervaringen en procedures die in die tak
van de bouwbedrijvigheid opgebouwd werden. Deze zijn verschillend voor de
verschillende materiaalfamilies: staal, aluminium, hout, composieten. Zij worden
vertaald in een groot aantal normvoorschriften, zowel nationale (NBN: Norme
Belge/Belgische Norm), Internationale (ISO: International Standards Organisation)
als Europese (Eurocodes en Europese normen).
Ontwerpberekeningen moeten in overeenstemming zijn met deze normvoorschriften.
Deze normvoorschriften zijn voortdurend in evolutie. Een tiental jaren geleden werd
het ontwerp voornamelijk gesteund op Belgische normen. Het Europa van vandaag
heeft ook voor de bouwnijverheid geleid tot een reeks van uniforme regels: de
Eurocodes. Deze vervangen reeds grotendeels de Belgische normen.
De set van Eurocodes omvat volgende ontwerpnormen:
EN 1990 Eurocode : Grondslag voor het ontwerp;
EN 1991 Eurocode 1: Belastingen op constructies;
EN 1992 Eurocode 2: Berekening van betonconstructies;
EN 1993 Eurocode 3: Berekening van stalen draagsystemen;
EN 1994 Eurocode 4: Berekening van staalbeton draagsystemen;
EN 1995 Eurocode 5: Berekening van houten draagsystemen;
EN 1996 Eurocode 6: Berekening van draagsystemen van metselwerk;
EN 1997 Eurocode 7: Geotechnische ontwerpen
EN 1998 Eurocode 8: Berekening van draagsystemen tegen aardbevingen
EN 1999 Eurocode 9: Berekening van aluminium draagsystemen
In de hoorcolleges worden de Eurocodes behandeld zoals ze op dit moment van
toepassing zijn.
De eerste twee Eurocodes zijn algemeen van aard en onafhankelijk van het
gebruikte materiaaltype. Ze vormen de basis voor het ontwerp van een
constructiecomponent.
Het ontwerp van constructiecomponenten (staal, hout, aluminium, beton) verloopt
volgens de methode der grenstoestanden. Deze methode wordt toegelicht in EN
1990 Grondslag voor het ontwerp. Begrippen zoals veiligheid, belastingen,
belastingeffecten, materiaaleigenschappen en weerstand worden er behandeld. Ze
vormen de basis voor het ontwerp dat verder wordt vastgelegd in de volgende
normen. Het eerste hoofdstuk van deze curs us gaat dieper in op het begrip
veiligheid en plaatst de methode der grenstoestanden in een ruimer kader. Deze
norm vervangt de Belgische norm NBN B03-001 (1988): grondslagen voor de
beoordeling van de veiligheid en de bruikbaarheid van draagsystemen.
De belastingen die aangrijpen op constructies worden behandeld in Eurocode 1.
Deze vervangt de Belgische normen NBN B03-101 (1976): Belastingen op
constructies Rechtstreekse belasting Blijvende belasting te wijten aan het eigen

gewicht, en NBN B03-103 (1976): Belastingen op constructies Rechtstreekse


belastingen Gebruiksbelasting van gebouwen. Volgende delen komen aan bod en
maken intrinsiek deel uit van de cursus:
ENV 1991-1: Basis of design (1994). Is vervangen door EN 1990 (2002);
ENV 1991-2-1: Actions on Structures Densities, self-weight and imposed
loads (1995);
ENV 1991-2-2: Actions on Structures Actions on structures exposed to fire
(1995);
ENV 1991-2-3: Actions on structures snow loads
De Eurocode 3 omvat de berekening van stalen draagsystemen. De cursus beperkt
zich tot ENV 1993, deel 1-1: Algemene regels en regels voor gebouwen. Dit deel
maakt intrinsiek deel uit van de cursus. Deze Europese norm vervangt de Belgische
norm NBN B51-002 (1988): Stalen bouwconstructies - Berekening volgens de
methode der grenstoestanden. Na een korte overgangsperiode waarin beide
methodes parallel mochten gebruikt worden, kwam een einde aan de methode der
toelaatbare spanningen, dewelke was opgenomen in de Belgische norm NBN B51001 (1977).
Een aantal onderwerpen uit Eurocode 3 vallen buiten het bestek van deze cursus:
Brandweerstand (deel 1-2);
Koud gevormde dunwandige elementen en platen (deel 1-3);
Bruggen en plaatconstructies (deel 2) vervangt NBN B52-001 (1995): Stalen
bruggen;
torens, masten en schoorstenen (deel 3);
tanks, silos pijpleidingen (deel 4);
palen (deel 5);
kranen en hefwerktuigen (deel 6) vervangt NBN E52-002 (1980) en -003
(1981): hijswerktuigen;
marine en maritieme constructies (deel 7);
landbouwconstructies (deel 8).
In de nabije toekomst (2003-2005) is een globale herschikking te verwachten van de
indeling van de Eurocode 3. Voor een aantal delen zal dit leiden tot een grondige
wijziging. Hierna wordt een lijst gegeven van deze onderdelen, de onderwerpen die
erin behandeld worden alsook de vermoedelijke datum (jaar/maand) waarop deze
van toepassing zullen zijn (zoals opgemaakt in 2002):
EN 1993-1-1: General rules (2003/02)
EN 1993-1-2: Structural fire design (2003/02)
EN 1993-1-3: Cold Formed an Thin Gauge Members and Sheeting (2003/02)
EN 1993-1-4: Structures in Stainless Steel (2003/02)
EN 1993-1-5: Strength and Stability of Planar Plated Structures without
Transverse Loading (2004/06)
EN 1993-1-6: Strength and Stability of Shell Structures (2004/08)
EN 1993-1-7: Strength of Planar Plated Structures Loaded Transversally
(2004/08)
EN 1993-1-8: Design of Joints (2003/02)
EN 1993-1-9: Fatigue Design (2003/02)
EN 1993-1-10: Fracture Toughness Assessment (2003/02)
EN 1993-1-11: Use of High Strength Cables (2004/06)

EN 1993-2: Bridges (2004/06)


EN 1993-3: Buildings (2003/02)
EN 1993-4.1: Silos, Tanks and Pipelines Silos (2005/01)
EN 1993-4.2: Silos, Tanks and Pipelines Tanks (2005/01)
EN 1993-4.3: Silos, Tanks and Pipelines Pipelines (2005/01)
EN 1993-5: Piling (2004/04)
EN 1993-6: Crane Supporting Structures (2004/04)
EN 1993-7.1: Towers, Masts and Chimneys Towers and Masts (2003/11)
EN 1993-7.1: Towers, Masts and Chimneys Chimneys (2003/11)

De hoofdstukken 2 tot en met 4 van deze cursus, geven achtergrondinformatie bij


deel 1 -1 van de Eurocode 3. Ze vormen daarmee een brug tussen de cursus
Kansrekenen en Statistiek, (aanvullingen) Sterkteleer, Elasticiteitsleer en de
Eurocode 3. Deze hoofdstukken geven enkel aanvullende informatie. De
berekening van de doorsneden van elementen en van elementen van stalen
bouwconstructies volgens de methode der grenstoestanden komt uitgebreid aan bod
in de Eurocodes. Er wordt dan ook naar deze normen verwezen.
Er wordt dieper ingegaan op de achtergrond bij een aantal belangrijke onderwerpen
die voorkomen in de EC3 en de basis vormen bij het ontwerp van staalconstructies:
Knik van op druk belaste staven, Hoofdstuk 2;
Kip van op buiging belaste liggers, Hoofdstuk 3
Verbindingen belast op statische belastingen (boutverbindingen, lasnaden en
kolomvoeten), Hoofdstuk 4. Dit hoofdstuk omvat tevens de methodes voor het
berekenen van de spanningen in lasnaden, zoals deze opgenomen waren in
de Belgische norm NBN 212 (1970)
Naast staal komen ook twee andere vaak voorkomende bouwmaterialen aan bod.
Hoofdstuk 5 geeft een inleiding tot het berekenen van houten structuren,
overeenkomstig de Eurocode 5.
Hoofdstuk 6 geeft een inleiding tot de specifieke krachtswerking voor
metselwerkstructuren en vormt daarmee een inleiding tot Eurocode 6.
Hoofdstuk 7 bevat een reeks voorbeeldoefeningen die de toepassing van de
Eurocode 3 toelichten.
De cursustekst kan in pdf-formaat worden gedownload van de bouwkunde website,
op volgend adres: http://www.kuleuven.ac.be/bwk/materials/Teaching/index.htm
De slides van de powerpoint presentaties die doorheen de hoorcolleges gebruikt
worden, kunnen via Toledo worden geraadpleegd.

oktober 2003

Inhoudstafel
Woord vooraf
1

Veiligheid van constructies


1.1
Inleiding
1.2
Overzicht van de betrouwbaarheidsmethodes
1.3
Berekenen van de faalkans volgens een niveau II procedure
1.3.1
Het basis R -E probleem
1.3.2
Voorbeeld betrouwbaarheid van een trekstaaf
1.4
Doelwaarden voor de betrouwbaarheid
1.5
Het Faalpunt ontwerppunt (E:design point)
1.6
Aanpak voor de calibratie van rekenwaarden
1.7
Het bepalen van de partile veiligheidsfactoren

1-1
1-1
1-1
1-2
1-2
1-3
1-5
1-7
1-9
1-10

Instabiliteit van staven Knik


2.1
Inleiding
2.2
Knik elastische instabilieit
2.2.1
De Euler kniklast - differentiaalvergelijking
2.2.2
Euler kniklast kolom belast op druk
2.2.3
Knikkrommen in EC3
2.2.4
Voorbeeld 1: cirkelvormige holle sectie als kolom

2-1
2-1
2-1
2-1
2-2
2-4
2-10

Instabiliteit van staven Kip van op buiging belaste liggers


3.1
Inleiding
3.2
Het theoretisch elastisch kipmoment
3.2.1
Keuze van het assenstelsel
3.2.2
Verplaatsingen
3.2.3
Krommingen
3.2.4
Differentiaal vergelijkingen
3.2.5
Randvoorwaarden
3.2.6
Oplossing differentiaal vergelijking
3.2.7
Voorbeeld 1: I-profiel vorkoplegging aan beide uiteinden
3.3
Smalle rechthoekige sectie
3.3.1
Evenwichtsvergelijkingen het elastisch kipmoment
3.3.2
Voorbeeld 2: een smalle rechthoekig houten sectie
3.4
Effect van slankheid
3.5
Ontwerp kipweerstand overeenkomstig EC3
3.6
Bepalen van
3.6.1
Algemene werkwijze
3.6.2
Voorbeeld 1: I-profiel - hernomen
3.7
Effect van het belastingspatroon C1
3.8
Effect van de randvoorwaarden van de oplegpunten
3.9
Hoogte van het aangrijpingspunt van de belasting zgC2
3.10
Balken met tussenliggende zijdelingse steunpunten
3.11
Continue balken op meerdere steunpunten

3-1
3-1
3-1
3-2
3-2
3-2
3-3
3-3
3-4
3-5
3-6
3-6
3-6
3-7
3-8
3-8
3-8
3-8
3-9
3-9
3-10
3-11
3-11

Verbindingen onderworpen aan statische belastingen


4.1
Inleiding
4.2
Classificatie van verbindingen
4.2.1
Classificatie naar stijfheid
4.2.2
Classificatie naar sterkte
4.2.3
Classificicatie naar ductiliteit
4.2.4
Ontwerpmogelijkheden modellen voor verbindingen
4.3
Bout-, klink- en penverbindingen
4.3.1
Classificatie van bouten
4.3.2
Boutgeometrie
4.3.3
Bouttoleranties

4-1
4-1
4-3
4-3
4-3
4-3
4-3
4-4
4-4
4-5
4-5

4.4

4.5

4.6
4.7

4.8

4.9

4.3.4
Klinknagels
4-6
4.3.5
Positionering van de gaten voor bouten en klinknagels
4-7
Sterkte van verbindingen op afschuiving belast
4-7
4.4.1
Boutbreuk
4-8
4.4.2
Gatbreuk stuikdruk
4-9
4.4.3
Plaatbreuk
4-10
Sterkte van een verbinding belast op trek
4-11
4.5.1
Grenstrekkracht van een bout
4-11
4.5.2
Grensponskracht van een boutkop
4-11
Combinatie van trek en afschuiving
4-12
Voorspannen van bouten
4-12
4.7.1
Verbindingen belast op trek
4-12
4.7.2
Verbindingen belast op afschuiving
4-14
4.7.3
Voorspanning
4-14
4.7.4
Aanbrengen van voorspanning
4-14
4.7.5
Glijweerstand
4-15
Effecten van externe krachten en verificatie van sterkte
4-16
4.8.1
Afschuiving en torsie
4-16
4.8.1.1 Verdeling van de dwarskracht
4-17
4.8.1.2 Dwarskrachtverdeling in lange verbindingen
4-17
4.8.1.3 Verdeling van het wringmoment
4-18
4.8.1.4 Het gecombineerd effect
4-19
4.8.2
Trekkracht en buigmoment
4-19
4.8.2.1 Krachten binnen middenkern
4-20
4.8.2.2 Krachten buiten de middenkern
4-20
4.8.2.3 Zuivere buiging (N=0)
4-22
4.8.2.4 Buiging en axiale kracht stijve flenzen
4-23
4.8.2.5 Buiging en axiale kracht maximaal draagvermogen
4-24
Lassen
4-25
4.9.1
Druklassen
4-26
4.9.2
Smeltlassen
4-26
4.9.2.1 Booglassen met gas- en slakbescherming
4-27
4.9.2.2 Booglassen met gasbescherming
4-28
4.9.2.3 Booglassen met poederbescherming
4-29
4.9.3
Lasverbindingen
4-29
4.9.4
Lasprocedures
4-30
4.9.4.1 Materiaalkeuze
4-30
4.9.4.2 Gevolgen van de metallurgische fenomenen
4-31
4.9.4.3 Kwaliteit van de lasprocedure defecten en controle
4-33
4.9.5
Sterkte van een lasnaad
4-34
4.9.5.1 De berekeningsdikte van de lasnaad keeldikte a
4-34
4.9.5.2 De nuttige lengte van de lasnaad l
4-34
4.9.5.3 Definitie
van
het
kritieke
vlak
en
erop
aangrijpende
spanningscomponenten
4-34
4.9.6
Stukken belast op trek of druk
4-35
4.9.6.1 Koplassen
4-35
4.9.6.2 Zijlassen
4-36
4.9.6.3 Schuine lasnaden
4-36
4.9.6.4 Samengestelde lasnaden, kop- en zijlassen of schuine lassen
4-36
4.9.7
Stukken belast op buiging
4-37
4.9.7.1 Verbindingslas continue lasnaden die de lijfplaat met de flenzen
verbinden van een ligger belast op buiging
4-37
4.9.7.2 Lasnaden die de verbinding verwezenlijken van twee loodrechte
elementen in een raamwerk
4-38
4.9.7.3 Geval van buiging en afschuiving ligger verbonden door lasnaden
op een vlakke plaat, evenwijdig met de lijfplaat
4-39
4.9.8
Stukken belast op wringing
4-41
4.9.8.1 Dunwandige buisvormige ligger
4-41
4.9.8.2 Balken met dunne en vlakke samenlopende wanden
4-42

4.10

4.9.8.3 Liggers met vlakke dunne wanden onderworpen aan niet-gelijkmatige


wringing
4-42
Kolomvoeten
4-43
4.10.1 Normaalkracht en buigmoment - geometrie van de voetplaat
4-44
4.10.1.1
Centrisch belaste voetplaten
4-45
4.10.1.2
Excentrisch belaste voetplaten
4-47
4.10.1.3
Excentrisch
belaste
voetplaten

lineaire
drukspanningsverdeling
4-48
4.10.1.4
Excentrische
belaste
voetplaten

niet-lineaire
drukspanningsverdeling
4-50
4.10.1.5
Excentrisch
belaste
voetplaten

uniforme
drukspanningsverdeling
4-52
4.10.1.6
Aanbrengen van verstijvingsribben
4-53
4.10.2 Dwarskracht
4-55
4.10.2.1
Dwarskracht opname door ankerbouten
4-55
4.10.2.2
Dwarskracht opname door wrijving tussen staal en beton
4-55
4.10.2.3
Dwarskracht opname door speciale voorzieningen
4-56
4.10.3 Ankerbouten
4-56
4.10.3.1
Ingestorte ankerbouten
4-57
4.10.3.2
Ankerbouten met een haak
4-57
4.10.3.3
Ankerbouten met een hamerkop
4-57

Hout. Structureel gedrag


5.1
Inleiding
5.2
Sterkteklassen
5.3
Van karakteristieke waarde naar ontwerpwaarde
5.4
De partile veiligheidsfactor voor het materiaal hout - gm
5.5
De modificatiefactor - kmod
5.6
De volumefactor of hoogtefactor kh
5.7
Hout in druk/trek
5.8
Hout in Buiging
5.8.1
Kip - kinst
5.8.2
Load Sharing - kls
5.8.3
Doorbuiging
5.8.4
Trillingen
5.9
Afschuiving
5.10
Lokale effecten
5.11
Brandweerstand
5.12
Verbindingen
5.12.1 Mechanische verbindingen
5.12.2 Bezwijken van het hout in trek loodrecht op de vezelrichting
5.12.3 Stiftachtige verbindingen in afschuiving
5.12.4 Nagel- en schroefverbindingen op trek
5.12.5 Schrijnwerkverbindingen
5.12.6 Ingelijmde ankers
5.13
Voorbeeld - Controle van een houten moerbalk
5.13.1 Controle van de uiterste grenstoestanden
5.13.2 Controle van de gebruiksgrenstoestand
5.13.3 Brandweerstand

5-1
5-1
5-2
5-4
5-5
5-5
5-7
5-9
5-9
5-10
5-11
5-12
5-13
5-14
5-14
5-14
5-16
5-16
5-17
5-18
5-19
5-20
5-20
5-21
5-23
5-24
5-25

Metselwerk als stapelstructuur


6.1
Inleiding - Metselwerk als stapelstructuur
6.1.1
Baksteen -Natuursteen
6.1.2
Metselmortel
6.1.3
Mortel/steen combinatie - metselwerk
6.2
Sterkte van metselwerk
6.2.1
Bepalen van de druksterkte van metselwerk
6.2.2
Metselwerk belast met een excentrische drukkracht
6.3
Bogen, koepels en gewelven

6-1
6-1
6-2
6-3
6-7
6-8
6-9
6-10
6-12

6.4

6.5

7
7.1
7.2
7.3

7.4
7.5

7.6

6.3.1
Krachtswerking in een boog
6.3.2
Zelfregulerend effect van een boog
6.3.3
Luchtbogen
6.3.4
Veiligheid van bogen
6.3.5
Koepels
6.3.6
Gewelven
Andere structurele elementen
6.4.1
De afschuifsterkte van metselwerk
6.4.2
De buigtreksterkte van metselwerk
6.4.3
Buiging loodrecht op het vlak - gewapend metselwerk
Meettechnieken
6.5.1
Druksterkte van metselwerk
6.5.2
Afschuif- en buigtreksterkte van metselwerk
6.5.3
De kwaliteit van metselwerk

6-12
6-15
6-16
6-17
6-18
6-20
6-21
6-22
6-23
6-24
6-24
6-26
6-27
6-27

Voorbeeldoefeningen
Inleiding
Belastingcombinaties en Raamwerkimperfecties
Controle van Staven knik en kip
7.3.1
Knikcontrole van een cirkelvormige holle sectie als kolom
7.3.2
HEB-profiel als kolom
7.3.3
HEA profiel belast in buiging en normaaldrukkracht
7.3.4
Rechthoekig kokerprofiel belast op druk en buiging
7.3.5
Kolom in een raamwerk
Controle van doorsneden en staven
7.4.1
Ontwerp van een dakligger
Verbindingen
7.5.1
Boutverbinding op afschuiving
7.5.2
Hoekstaal verbonden met een koppelplaat
7.5.3
Boutverbinding belast op Moment en Trekkracht
7.5.4
Boutverbinding belast op Torsie en Dwarskracht
7.5.5
Koplassen en zijlassen in een op Trek belast verbinding
7.5.6
Lasnaad ligger-kolomverbinding
Controle van een portiek
7.6.1
Gegevens
7.6.2
Gevraagd
7.6.3
Controle van een portiek

7-1
7-1
7-2
7-5
7-5
7-6
7-8
7-11
7-13
7-18
7-18
7-23
7-23
7-25
7-27
7-29
7-31
7-33
7-35
7-35
7-39
7-40

1 Veiligheid van constructies


1.1 Inleiding
De veiligheid van constructies wordt behandeld in EN 1990 (2002), Bijlage B en C.
Referenties:
H. Galvanesssian, J-A Calgaro and M. Holicky, Designers guide to EN 1990 Eurocode: Basis
of Structural Design, Designers guides to the Eurocodes, 2002.
L. Schueremans, Probabilistic evaluation of structural unreinforced masonry, Ph.D. Thesis,
KULeuven, 2001.
P. Bourrier en J. Brozetti, Construction mtallique en mixte acier-bton, Calcul et
dimensionnement selon les Eurocodes 3 et 4, Chapitre 2, La scurit des constructions en
acier, 1996.
R.E.Melchers, Structural Reliability: Analysis and Prediction, John Wiley, 1999.
J. Van Dyck, Probabilistisch ontwerp, cursustekst, KULeuven, 2001.
D. Diamantidis, Probabilistic Assessment of Existing Structures, A publication of the Joint
Committee on Structural Safety (JCSS), Rilem Publications S.A.R.L., januari 2001.
T2881, Koordination und Entwicklung eines probabilistisches Sicherheitskonzepts fr neue
und bestehende Tragwerke, Fraunhofer IRB Verlag, 1999, ISBN 3-8167-5451-1.
Het ontwerp van een stalen structuur aangegeven in Eurocode 3 verloopt volgens de methode der
grenstoestanden gebruik makend van partile veiligheidsfactoren.
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie met betrekking tot:
De methodes voor het berekenen van structurele betrouwbaarheid;
De methodes die gehanteerd worden om via calibratie de rekenwaarden en partile
veiligheidsfactoren te bepalen.

1.2 Overzicht van de betrouwbaarheidsmethodes


Vandaag de dag bestaan er krachtige rekentechnieken om de structurele betrouwbaarheid van een
constructie te beoordelen. Deze technieken laten toe om de globale faalkans te berekenen van een
complexe structuur. De geschiedenis kent een permanente evolutie in de ontwerpmethodes. Steeds
worden meer verfijnde en meer nauwkeurige technieken gehanteerd voor het ontwerp van nieuwe
structuren alsook voor de evaluatie van de veiligheid van bestaande structuren.
De verschillende methodes op een rijtje:
Niveau 0:
Initieel werden de zogeheten niveau 0 methodes gebruikt. Dit niveau bevat
historische methodes, empirische methodes, vuistregels alsook de elastische methode. Het is
een deterministische methode;
ste
Niveau I: gedurende de laatste decennia van de 20 eeuw is de niveau I methode
gentroduceerd voor de toepassing van verschillende bouwmaterialen.
Deze methodes
steunen op het principe van de partile veiligheidsfactoren. Het levert een eerste objectieve
methode om principes van structurele veiligheid te incorporeren in de methode.
De
ontwerpwaarden, of rekenwaarden (E: Design values), zijn afgeleid uit karakteristieke
waarden. Deze karakteristieke waarden zijn gebaseerd op de waarschijnlijkheidsverdeling
van de desbetreffende parameters, dewelke verkregen is op experimentele basis.
Niveau II: Om een objectieve waarde te kennen van de faalkans van een structureel systeem,
worden in EN1990 de niveau II en III methodes vooropgesteld. Beide zijn het probabilistische
procedures. De niveau II methode maakt gebruik van vereenvoudigde procedures voor het
berekenen van de faalkans, de zogenaamde Eerste Orde en Tweede Orde
Betrouwbaarheidsmethodes (E: FORM/SORM: First Order and Second Order Reliability
Method).
Deze methodes berekenen de faalkans van de structuur waarbij de
waarschijnlijkheidsverdeling wordt benaderd door een equivalente normaalverdeling.
Daardoor is de verkregen faalkans een benadering van de rele faalkans;
Niveau III: de niveau III procedures zijn de meest nauwkeurige. Ze berekenen de exacte
faalkans
van
een
geheel
structureel
systeem,
op
basis
van
de
exacte

1-1

waarschijnlijkheidsverdeling van alle toevalsvariabelen.


verdelingen voorlopig meestal niet gekend zijn.

De moeilijkheid hierbij is dat deze

De methode der partile veiligheidsfactoren niveau I procedure - zoals beschreven in de Eurocode


3, kan gecalibreerd worden op basis van zowel niveau 0, II en III procedures. Dit is weergegeven in
Figuur 1.1.
In praktijk is de huidige Eurocode voornamelijk gecalibreerd op basis van voorgaande normen, zodat
een gelijkwaardig veiligheidsniveau ontstaat. De nieuwe edities van de Eurocode zullen steeds meer
gecalibreerd zijn op basis van niveau II en III berekeningen.
Deterministische methodes
Historische methodes
Empirische methodes

Calibratie

Probabilistische methodes
FORM/SORM
(Niveau II)

Calibratie

Volledig probabilistis ch
(Niveau III)

Calibratie

Semiprobabilistische
methode
(Niveau I)

Ontwerp op basis van


partile factoren
Figuur 1.1: Overzicht van de betrouwbaarheidsmethodes en calibratie van de methode der partile
veiligheidsfactoren [EN 1990, Figuur C.1, blz. 68]

1.3 Berekenen van de faalkans volgens een niveau II procedure


1.3.1 Het basis R-E probleem
De niveau II methodes kunnen best uitgelegd worden aan de hand van het basis R-E probleem:
R: de weerstand (E: R resistance)
E: het effect van de aangrijpende belastingen.
Beschouw slechts n enkel belastingseffect E en n enkele weerstand R. Het uitgangspunt is dat
zowel het belastingsfeffect E alsook de weerstand R toevalsvariabelen zijn. Elkeen wordt beschreven
door zijn kansdichtheid: fE(e) en fR(r). Over het algemeen zijn zowel het belastingeffect E alsook de
weerstand R een functie van de tijd t. De belastingen variren willekeurig in functie van de tijd.
Mogelijks hebben ze de neiging om toe te nemen (geleidelijke verhoging van de dienstlast). De
weerstand (R) neigt af te nemen als functie van de tijd t ten gevolge van degradatie processen (denk
bijvoorbeeld aan roestvorming). De veiligheid zal niet langer gegarandeerd zijn, wanneer, op een
zeker ogenblik in de tijd geld dat R(t) E(t) <0, Figuur 1.2. De kans op deze gebeurtenis is de
faalkans Pf. Aangezien zowel R als E een functie van de tijd zijn, is ook de faalkans een functie van
de tijd.

1-2

f R(r|t=t 1)
R(t)

f E(e|t=t 1)
E(t)

Figuur 1.2: Het basis R -E probleem


Omwille van de wiskundige complexiteit, worden de waarschijnlijkheidsverdelingen omgevormd tot
tijdsonafhankelijke
waarschijnlijkheidsverdelingen.
Dit
heeft
tot
gevolg
dat
de
betrouwbaarheidsanalyse
wordt
uitgevoerd
voor
een
welbepaalde
referentieperiode
of
ontwerplevensduur tL. Deze ontwerplevensduur dient dus vooraf bepaald te worden.

Pf = P [R E < 0 ], voor een referentieperiode t L

(1.1)

Deze vergelijking, vgl. (1.1), kan veralgemeend worden tot [EN1990, vgl.C.2a]:

pf = P [g (R, E ) < 0] =

R, E

g (R ,E ) < 0

(r , e)drde, voor

tL

(1.2)

waarin g(R,E) de grenstoestandsfunctie wordt genoemd. De faalkans is dan gelijk aan de kans dat de
grenstoestandsfunctie wordt overschreden. Deze kan berekend worden als het volume onder de
gezamenlijke waarschijnlijkheidsverdeling fR,E (r,e) voor het gebied waarin de grenstoestand wordt
overschreden: g(R,E) <0.
De grenstoestandsfunctie definieert zo 3 gebieden:

g (R, E ) > 0, het veilige gebied,

g (R, E ) = 0, de kritieke situatie en


g (R, E ) < 0, het onveilige gebied.

(1.3)

1.3.2 Voorbeeld betrouwbaarheid van een trekstaaf


Om de methode verder toe te lichten worden de betrouwbaarheid en faalkans berekend van een staaf
belast met een trekkracht. De kracht en de sterkte zijn zodanig dat ze eveneens beantwoorden aan
de eisen gesteld in de Eurocode 3.

1-3

E
Figuur 1.3: Trekstaaf belast door een permanente last
Beschouw een trekstaaf uit staal S235 (fyk = 235 N/mm). Deze trekstaaf wordt enkel belast met een
permanente last Gk = 1 MN, Figuur 1.3.
De minimale vereiste doorsnede A volgt uit het
ontwerpcriterium:

A=

GGk 1. 35 1.0 10 6 N
=
= 6319mm
fyk
235N / mm

1.10

De ontwerpwaarden zijn:
Voor het belastingeffect: E d = Gd = G x Gk = 1.35 x 1 MN = 1.35 MN;
Voor de weerstand: R d=A x fyk/M = 6319 mm x 235 N/mm / 1.10 = 1.35 MN
Hierin zijn G en M de partile veiligheidsfactoren op de
materiaalparameters respectievelijk.

(1.4)

permanente

last

en

In de betrouwbaarheidsanalyse worden de beide variabelen (R=A.fy en E=G) voorgesteld door


toevalsvariabelen.
De grenstoestandsfunctie kan geschreven worden als:

g = R E = Af y G

(1.5)

Om een vereenvoudigde schatting te maken van de faalkans, wordt aangenomen dat de twee
toevalsvariabelen normaal verdeeld zijn. Voor het belastingeffect (E) wordt aangenomen dat de
gemiddelde waarde (E) overeenstemt met de karakteristieke waarde van de aangrijpende belasting:
Gk = 1 MN en dat de variatiecofficint gelijk is aan 10%, dus E =0.10E=0.10 MN. Samenvattend
geldt dus:

) (

E N E , E2 = N 1MN ,(0.1MN )

(1.6)

Voor de weerstand R wordt aangenomen dat de gemiddelde waarde (R) uitgaat van de gevonden
benodigde dwarsdoorsnede (A = 6319 mm) en de gemiddelde vloeigrens yf. Op basis van lange
termijn ervaring voor deze staalsoort weet men dat de gemiddelde waarde overeenstemt met yf = 280
N/mm.
Dus geldt voor R:

R = 6319 mm 280N / mm = 1. 769MN

(1.7)

De variatiecofficint wordt gelijk genomen aan 8%. Dit houdt zowel de variatie in op de staalkwaliteit,
als op de geometrie van de dwarsdoorsnede.
R = 0.08 R = 0. 1416MN

(1.8)

1-4

Samenvattend geldt voor de weerstand R:

) (

R N R , R2 = N 1. 769MN , (0.1416MN )2

(1.9)

Omdat beide toevalsvariabelen normaal verdeeld zijn, kan de faalkans eenvoudig berekend worden.
De som van normaal verdeelde toevalsvariabelen is immers opnieuw normaal verdeeld. Stel:

Z = R E

(1.10)

Voor de nieuwe toevalsvariabele Z (ook wel eens safety margin of veiligheidsmarge genoemd), kan
de gemiddelde waarde, alsook de spreiding berekend worden uit:

= = 1.769 1. 0 = 0. 769MN
Z : z2 R 2 E 2
2
2
2
Z = R + E = (0.1416 ) + (0.1) = (0.173MN )

(1.11)

De faalkans kan vervolgens geschreven worden als:


Pf = P [(R E ) < 0] = P [(Z ) < 0 ]

(1.12)

Om deze kans te berekenen wordt overgegaan op de standaard normaal verdeling ( ) via de


transformatie:

u=

z z
z

(1.13)

Door deze transformatie gaat de toevalsvariabele Z over in de toevalsvariabele U, die standaard


normaal verdeeld is:

U N (0,1)

(1.14)

Dit levert:

Z z 0 z


Pf = P [Z < 0] = P
<
= P U < z

z
z
z

(1.15)

Omdat door de transformatie van Z naar U, U standaard normaal verdeeld is, kan deze faalkans
berekend worden uit de standaard normaalverdeling (ook beschikbaar in tabelvorm):



Pf = P U < z = z

z
z

(1.16)

De betrouwbaarheidsindex () wordt gedefinieerd als [EN1990, vgl. C.2c, Blz. 69]:

z 0. 769
=
= 4.445
z 0. 173

(1.17)

Aldus geldt [EN1990, vgl. C.1, Blz. 68]:

Pf = ( ) = ( 4. 44) = 4. 5 10 6

(1.18)

1.4 Doelwaarden voor de betrouwbaarheid


Tabel 1.1 geeft de relatie weer tussen de faalkans (Pf) en de betrouwbaarheidsindex ().

1-5

-1

-2

-3

pf

10

10

10

1.3

2.3

3.1

10

-4

3.7

-5

-6

10

10

4.2

4.7

10

-7

5.2

Tabel 1.1: Verband tussen de faalkans (P f) en de betrouwbaarheidsindex () [EN1990, Tabel C1, Blz.
69]
De vraag stelt zich naar de veiligheid die moet vooropgesteld worden bij het ontwerp van een
constructie. Tabel 1.2 geeft een overzicht van het risico, uitgedrukt als de kans op overlijden voor een
doorsnee persoon blootgesteld aan de aangegeven gevaren.
Hazard

Risk
(x10-6 p.a.)

Building hazards:
Structural failure (UK)
Building fires (Australia)

Hazard

Risk
(x10-6 p.a.)

Occupations (UK)
Chemical and allied industries
85
Ship building - marine engineering
105
Agriculture
110
Construction industries
150
Railways
180
Coal mining
210
Quarrying
295
Mining (non-coal)
750
Offshore oil and gas (1967-76)
1650
Deep sea fishing (1959-78)
2800
Natural hazards (USA):
Sports (USA)
Hurricanes (1901-72)
0.4
Cave exploration (1970-78)
45
Tornadoes (1953-71)
0.4
Glider flying (1970-78)
400
Lightning (1969)
0.5
Scuba diving (1970-78)
420
Earthquakes (California)
2
Hang gliding (1977-1979)
1500
Parachuting (1978)
1900
General accidents (USA 1969)
All causes (UK, 1977)
Poisoning
20
Whole population
12000
Drowning
30
Woman aged 30 years
600
Fires and burns
40
Man aged 30 years
1000
Falls
90
Woman aged 60 years
10000
Road accidents
300
Man aged 60 years
12000
Tabel 1.2 Risico uitgedrukt als de kans op overlijden per jaar voor een gemiddeld blootgesteld individu
[overgenomen uit: H. Galvanesssian et al., Table 8.2, 2002]
0.14
4

Algemeen wordt bij het ontwerp van een doorsnee constructie een jaarlijks risico op ongevallen gelijk
-6
aan P f=10 aanvaard. Met deze faalkans komt een betrouwbaarheidsindex overeen, gelijk aan: =4.7.
Deze waarden zijn van toepassing voor een referentieperiode van 1 jaar.
Om de
betrouwbaarheidsindex voor een referentieperiode van n jaar te begroten, wordt gebruik gemaakt van
[EN1990, vgl. C.3, Blz. 70]:

( n ) = [( 1 )]

(1.19)

Zo wordt benaderend voor 50 = 3.8 verkregen. Merk op dat 1 = 4.7 en 50 = 3.8 verwijzen naar
eenzelfde betrouwbaarheidsniveau, maar voor een verschillende referentieperiode.
De doelwaarden voor de betrouwbaarheid mogen verder gediversifieerd worden als een fu nctie van
de gevolgen die verbonden worden aan het falen:
Het verlies aan mensenlevens;
Gevolgen voor het milieu en sociale gevolgen;
Economische gevolgen
Het is bijvoorbeeld zo dat het mogelijk verlies van mensenlevens, economische, sociale gevolgen voor
het milieu klein of verwaarloosbaar zijn voor een tuinhuis of een serre.

1-6

Daar kan een verlaagde betrouwbaarheid aangenomen worden.


voor een referentieperiode van 1 jaar verlaagd worden tot:

Bijvoorbeeld kan de doelwaarde


-5

-6

1 = 4.2 ipv: 1 = 4.7 (wat overeenkomt met een orde-grootte verschil in faalkans: Pf,1=10 ipv 10 ).
Er tevens van uitgaande dat de ontwerplevensduur van een landbouwgebouw beperkter is,
bijvoorbeeld 30 jaar, volgt hieruit dat:

(3 .4) = [ (4.2 )]30

(1.20)

Waaruit volgt dat 30 = 3.4


Deze differentiatie is opgenomen in de ENV 1990. Om ze mogelijk te maken zijn er verschillende
betrouwbaarheidsklasses (E: RC: Reliability Class) gedefinieerd, waarin de gevolgen van het falen
worden gespecifieerd [EN1990, Tabel B2, Blz. 63]:

RC3: hoog verlies aan mensenlevens, economische, sociale gevolgen voor het milieu zeer
groot (bijvoorbeeld: stadium, concertzaal, wolkenkrabbers, bruggen);
RC2: middelmatig verlies aan mensenlevens, economische, sociale gevolgen voor het milieu
aanzienlijk (bijvoorbeeld: residentile-kantoorgebouwen, hotel, school);
RC1: laag verlies van mensenlevens, economische, sociale gevolgen voor het milieu klein of
verwaarloosbaar (landbouwgebouwen waar mensen normaal niet binnenkomen, afdak,
tuinhuis).

Dit leidt tot volgend overzicht in doelwaarden voor de betrouwbaarheid, Tabel 1.3. Ze worden
weergegeven, niet enkel voor het structureel bezwijken (UGT), maar eveneens voor vermoeiing en
gebruiksgrenstoestanden (GGT: trillingen, doorbuigingen, comfort en uitzicht).
Aanbevolen doelwaarden voor de betrouwbaarheidsindex
Uiterste grenstoestand
vermoeiing
Gebruiksgrenstoestand
(UGT)
(GGT)
tL =1 jaar
tL=50 jaar
tL =1 jaar
tL=50 jaar
tL =1 jaar
tL=50 jaar
RC3
5.2
4.3
RC2
4.7
3.8
1.5-3.8
2.9
1.5
RC1
4.2
3.3
Tabel 1.3: doelwaarden voor de betrouwbaarheid referentieperiode 1 jaar en 50 jaar [EN1990,
Tabel C2, Blz. 70]
Betrouwbaarheids Klasse

1.5 Het Faalpunt ontwerppunt (E:design point)


De rekenwaarden of ontwerpwaarden kunnen rechtstreeks afgeleid worden uit de niveau II procedure.
Dit wordt toegelicht aan de hand van het voorbeeld van de trekstaaf.
Algemeen geldt dat de betrouwbaarheidsindex kan worden berekend in de standaard normaal ruimte
(u-ruimte), volgens, Figuur 1.4:

( u )

= min

2
i

met : g (u ) = 0

(1.21)

De betrouwbaarheidsindex is de minimale afstand tussen het punt gelegen op de


grenstoestandsfunctie (g(u*)=0) en de oorsprong in de standaard normaal ruimte, Figuur 1.4. Dit punt
is het faalpunt, of ontwerppunt (E: design point): u*.

1-7

10

g(u)<0 onveilig domein

uE

g(u)=0
g(u)>0 veilig domein

9
8
7
6

E
u*
R

g(u)=g(uR,u E)

5
4
3

uE*

u*=[-3.632;2.565]

2
1

0
-1 -9 -8 -7 -6 -5 -4 -3 -2 -1-1 0
uR*
0
-2

uR*= -3.632
uE*= 2.565
1

9 10

uR

-3

R=-0.871
E=0.577

-4

=4.445

-5
-6
-7
-8
-9

Contourlijnen van de
Gezamenlijke
kansmassafunctie:
fUrUe(uR,u E)

-10

Figuur 1.4: Voorstelling van de betrouwbaarheidsindex en sensitiviteitscofficinten in de standaard


normaal ruimte (u-ruimte) [zie ook EN1990, Figuur C2, Blz. 71]
De sensitiviteitscofficinten (i) zijn de richtingscofficinten van de naar buiten gerichte normaal op
het faaloppervlak in het faalpunt (u*):

i =

g
ui
g

ui
i =1
n

(1.22)

u =u *

Aldus kan het faalpunt eveneens geschreven worden als:

ui * = i

(1.23)

Voor het voorbeeld van de trekstaaf kan de grenstoestandfunctie herschreven worden in de standaard
normaal ruimte:

g (R, E ) = R E = 0

g (u ) = g (u R , uE ) = R uR + R ( E uE + E ) = 0

(1.24)

want:

R R
uR =
R = R u R + R
R

E E
E = E uE + E
uE =

(1.25)

Ingevuld met de parameterwaarden resulteert dit in:

1-8

g (u R , uE ) = 0. 1416uR 0. 1u E + 0.769 = 0

(1.26)

De afgeleiden van de grenstoestandsfunctie naar u R en u E zijn gelijk aan:

g
= R = 0. 1416
u R

(1.27)

g
= E = 0. 1
u E
Gezien het lineaire verloop van g(u)=0 zijn deze constant.
bepaald worden overeenkomstig vgl.(1.22):

g
uR

R =

E =

u R, E

g
uE

u R,E

R
R2

+ S2

0. 1416
0. 1416 2 + 0.12

De richtingscofficinten R en E kunnen

= 0 .817

(1.28)

E
R2 + S2

0. 1
0. 14162 + 0. 12

= 0. 577

Met deze informatie kan het faalpunt of ontwerppunt berekend worden, overeenkomstig vgl. (1.21):

uR* = R = 0.817 4. 445 = 3. 632


2
2
2
2
= u * = uR + u E = R + E = 4.445
uE* = E = 0.577 4. 445 = 2.565

(1.29)

Met behulp van de inverse transformatie kunnen hieruit opnieuw de ontwerpwaarden berekend
worden, vgl.(1.25):

Rd = R uR* + R = 0. 1416 3.632 + 1. 769 = 1. 256MN


E d = E uE* + E = 0. 1 2.565 + 1. 0 = 1. 256MN

(1.30)

1.6 Aanpak voor de calibratie van rekenwaarden


Wanneer de rekenwaarden gedefinieerd zijn voor alle basisvariabelen die betrekking hebben op het
structureel probleem, dan wordt de structuur als voldoende veilig beschouwd wanneer ze voldoet aan
de volgende voorwaarde [EN1990, vgl. C4, Blz. 70]:

Ed R d

(1.31)

Dit is de praktische manier die wordt gehanteerd bij het ontwerp volgens de partile
veiligheidsfactoren om te verzekeren dat de betrouwbaarheidsindex van een welbepaald structureel
element groter dan of gelijk is aan de doelwaarde.
De rekenwaarden E d en R d zijn functie van [EN1990, vgl. C5, Blz. 70]:

E d = E{Fd 1, Fd 2 ,..., ad1, ad 2,..., d1, d 2 ,... }

Rd = R{X d1, X d 2,..., ad 1, ad 2 ,..., d 1, d 2,... }

(1.32)

waarin:
E: het belastingseffect;
R: de weerstand;

1-9

F: een aangrijpende belasting


X: een materiaaleigenschap
a: een geometrische eigenschap
: een modelonzekerheid.

In EN1990 wordt de methode beschreven die gevolgd wordt bij het bepalen van de rekenwaarden.
De rekenwaarden van de belastingeffecten Ed en de weerstanden Rd behoren zo bepaald te worden
dat de kans om een meer ongunstige waarde te bekomen gelijk is aan [EN 1990, vgl. C6, Blz. 71]:

( )
) = ( u ) u

P [R < Rd ] = ( R ) = u *R uR* = R
P [E > E d ] = (+ E

*
E

*
E

(1.33)

= E

met hierin de streefwaarde van de betrouwbaarheidsindex. Stel bijvoorbeeld dat =3.8, dan worden
de ontwerpwaarden:

( )
( ) +

Rd = R R + R = 0. 1416 0. 871 3.8 + 1. 769 = 1. 30MN


Ed = E

(1.34)

= 0.1 0. 577 3. 8 + 1.0 = 1.22MN

En geldt inderdaad dat Ed<R d.


In dit voorbeeld werd gebruik gemaakt van de sensitiviteitscofficinten zoals ze (exact) berekend
werden. Deze zijn in praktijk voor elke grenstoestandsfunctie en parameter verschillend. Daarom
stelt de EN1990 voor om standaard volgende waarden te hanteren [EN 1990, vgl. C8, Blz. 72]:

R = 0. 8

(1.35)

E = 0.7

Merk op dat de kwadratische som van deze richtingscofficinten groter is dan 1. Het is een
conservatieve aanname. Deze waarden zijn bruikbaar tussen volgend geldigheidsdomein [E N 1990,
vgl. C7, Blz. 72]:

0.16 <

E
0.10
=
= 0. 706 < 0.76
R 0.1416

(1.36)

De getalwaarden van de trekstaaf vallen binnen dit geldigheidsdomein.


Gebruik maken
rekenwaarden op:

( )
( )+

van

de

standaardwaarden

voor

de

richtingscofficinten

Rd = R R + R = 0. 1416 0. 8 3. 8 + 1. 769 = 1. 34MN


Ed = E

= 0.1 0. 7 3. 8 + 1.0 = 1. 27MN

levert

volgende

(1.37)

Ook hier is voldaan aan de ontwerpeis: Ed<Rd.

1.7 Het bepalen van de partile veiligheidsfactoren


De rekenwaarde Fd van een belasting F kan worden uitgedrukt als:

Fd = f Frep

(1.38)

Waarin:
Frep=Fk: de relevante representatieve waarde is van de belasting. Deze is functie van de
karakteristieke waarde Fk van de belasting vermenigvuldigd met een combinatiefactor ;
f: de partile veiligheidsfactor die rekening houdt met de mogelijkheid van ongunstige
afwijkingen van de waarde van de balastingen ten opzichte van de representatieve waarden;

1-10

: of 1.00 of 0, 1, 2 is.

De rekenwaarde van het belastingeffect wordt algemeen uitgedrukt als [EN1990, vgl. C13, Blz. 74]:

E d = Sd E f , i F rep ,i ; a d

(1.39)

Waarin:
Sd: een partile factor die onze kerheden in rekening brengt in het model van de
belastingeffecten of het belastingmodel;
ad: de rekenwaarde van de geometrische gegevens.
In de meeste gevallen wordt dit vereenvoudigd tot:

E d = E F ,i Frep , i ; a d , met aldus: F ,i = Sd f ,i

(1.40)

Het is deze partile veiligheidsfactor die waarden krijgt toebedeeld in de EN1990 Grondslag voor
het ontwerp.
Voor de karakteristieke waarde van de belasting Fk wordt de 95% quantiel gehanteerd.
overeen met de waarde die slechts met een kans van 5% wordt overschreden, Figuur 1.5.
4

Deze stemt

fE(e)

3.5

E k Ed Rd

Rk
fR(r)

2.5

1.5

Pf=P[R<S]

0.5

R,S [MN]
0
0

0.5

1.5

2.5

Figuur 1.5: Karakteristieke waarde, ontwerpwaarde en het begrip veiligheid


De rekenwaarde Xd van een materiaal of producteigenschap kan uitgedrukt worden als volgt [EN1990,
vgl. C10, Blz. 73]:

Xd =

Xk
m

(1.41)

Waarin:
Xk: de karakteristieke waarde van een materiaal- of producteigenschap;
: de gemiddelde waarde van de omrekeningsfactor die rekening houdt met bijvoorbeeld
volume- en schaalfeffecten, temperatuur- en vochtigheidsinvloeden. Vo or staal is deze gelijk
aan 1;

1-11

m: de partile factor van de materiaal- of producteigenschap die rekening houdt met de


mogelijkheid van een ongunstige afwijking van een materiaal- of producteigenschap ten
opzichte van zijn karakteristieke waarde alsook de onzekerheid op de omrekeningsfactor .

De rekenwaarde van de weerstand R d kan bepaald worden uit [EN1990, vgl. C11, Blz. 73]:

Rd =

1
Rd

R i k ,i ; ad
m, i

(1.42)

Waarin:
Rd: een partile factor die onzekerheden in rekening brengt in het weerstandsmodel;
ad: de rekenwaarde van de geometrische gegevens.
In de meeste gevallen wordt dit vereenvoudigd tot:

Rd = R i k ,i ; ad met aldus: M ,i = Rd m ,i
M, i

(1.43)

Voor de karakteristieke waarde van de materiaal- of producteigenschap wordt het 5% quantiel


gebruikt. Deze stemt overeen met de waarde die slechts met 5% kans onderschreden wordt, Figuur
1.5.
Figuur 1.5 geeft de rekenwaarden voor de weerstand Rd en het belastingeffect Ed weer op basis van
het getalvoorbeeld van de trekstaaf. Voor dit eenvoudige voorbeeld wordt abstractie gemaakt van
belasting (F) en belastingeffect (E), van materiaaleigenschap (X) en weerstand (R).
De karakteristieke waarden voor het belastingeffect en de weerstand stemmen overeen met:

Rk = R 1. 645 R = 1. 769 1.645 0.1416 = 1. 536MN


E k = E + 1.645 E = 1 + 1.645 0.1 = 1. 165MN

(1.44)

Gebruik makend van de vereenvoudigde uitdrukkingen tussen rekenwaarde en karakteristieke


waarde, kan hieruit de partile veiligheidsfactor berekend worden voor zowel het belastingeffect
alsook de weerstand:

Rd =

Rk
R
1. 536MN
M = k =
= 1.22
M
R d 1. 256MN

Ed = F Ek F

E
1.256MN
= d =
= 1. 08
E k 1.165MN

(1.45)

Deze waarden wijken sterk af van de waarden die in de norm aangegeven zijn voor staal als product
(M0=1.10) alsook voor het eigengewicht als belasting (g=1.35). Dit is enerzijds te wijten aan de
vereenvoudigde voorstelling door een normaal verdeling van de toevalsvariabelen en anderzijds door
het feit dat de partile veiligheidsfactoren die in de EC1 en EC3 gehanteerd worden, gemiddelde
waarden zijn, die voor een brede waaier van ontwerpen moeten leiden tot een voldoende veilig
ontwerp. De hierboven aangegeven theoretische berekening van de partile veiligheidsfactoren geeft
basis- en referentiewaarden voor een politiek-economische beslissing omtrent de waarden die in de
normen worden opgenomen.
Daarbij speelt eveneens de concurrentie tussen de verschillende
materialen: staal, beton, hout en andere.

1-12

2 Instabiliteit van staven Knik


2.1 Inleiding
De toetsing van de stabiliteit van staven, knik [E: buckling] wordt behandeld in EC3:
EC3, 5.5 Toetsing van de stabiliteit van staven
Referenties:
Timoshenko and Gere Theory of Elastic Stability, 1961, pp. 132-142, John
Publications;
Dionys Van Gemert, Aanvullingen Sterkteleer, 1993, Wouters Boekhandel, Leuven
Dionys Van Gemert, Guido De Roeck, Sterkteleer, 1993, wouters Boekhandel, Leuven.

Wiley

Knik werd reeds behandeld in de cursus Aanvullingen Sterkteleer. In dit hoofdstuk wordt de
basistheorie kort herhaald. De oplossing van de differentiaalvergelijking leidt tot de Euler kniklast.
Deze theoretische waarde wordt verder aangepast om rekening te houden met de praktijk. Deze
wijzigingen ten opzichte van de basisformule geven rechtstreeks aanleiding tot de formulering in de
EC3.

2.2 Knik elastische instabiliteit


Wanneer een verticale last (P) op een kolom perfect centraal aangrijpt, veroorzaakt deze geen
moment, Figuur 2.1.
In de praktijk zal dit echter nooit het geval zijn. Door een bijkomende
horizontale belasting (Q) zal er een zekere doorbuiging optreden (v(x)). Daardoor zal de verticale
kracht (P) aanleiding geven tot een bijkomend moment:
P

v
Figuur 2.1: Verticale last (P) op een kolom aanleiding tot moment op de staaf

M (x ) = P [v (L) v (x )]

(2.1)

Algemeen zal een balk belast op een drukkracht volgens zijn langsas met een initile vervorming een
bijkomend moment ondervinden. Door het uitschrijven van de evenwichtsvergelijkingen en oplossen
van de differentiaalvergelijking voor buiging, rekening houdend met dit bijkomend moment, wordt de
kritieke belasting gevonden waarbij dit uitknikken een mogelijke uitwijkingsvorm wordt: de Euler
kniklast.

2.2.1 De Euler kniklast - differentiaalvergelijking


Beschouw een horizontale balk, belast op twee gelijke maar tegengestelde drukkrachten (P), die
aangrijpen ter hoogte van de neutrale lijn. De iso-statische balk heeft een kleine initile doorbuiging,

2-1

of een doorbuiging, veroorzaakt door een uitwendige belasting (p(x)). Het evenwicht in de vervormde
positie wordt uitgeschreven, Figuur 2.2.
p(x)
p(x)
P

T
P

dx

dv
dx
dx

P
M

v(x)

dv (x )
dx
Figuur 2.2: isostatische balk evenwicht in vervormde toestand

P
M+dM
Td+T

Het verticaal evenwicht geeft aanleiding tot:

p(x )dx + dT = 0 p( x ) =

dT
dx

(2.2)

Het momentenevenwicht leidt tot, mits verwaarlozing van de tweede orde termen (dxdx en dTdx):

M (M + dM ) + p(x )dx

dx
dv
dM
dv
+ (T + dT )dx + P
dx = 0 T =
P
2
dx
dx
dx

(2.3)

De eerste term van de dwarskracht stemt overeen met de formule uit de sterkteleer. De tweede term
is de bijkomende term ten gevolge van de vervormde toestand. De klassieke buigingsvergelijking (cfr.
Sterkteleer) luidt:

EI

d 2v
= M ( x )
dx 2

(2.4)

Wanneer we vgl.(2.3) nmaal en vgl.(2.4) tweemaal afleiden naar x, en we vervangen vervolgens de


tweede afgeleide van het moment uit vgl(2.4) met het resultaat uit vgl.(2.3), resulteert dit in:

EI

d 4v
dT
d 2v
=

P
dx
dx 4
dx 2

(2.5)

Invullen van vgl.(2.2) in vgl.(2.5) levert:

EI

d 4v
d 2v
=
p
(
x
)

P
dx 4
dx 2

(2.6)

Stel in het meest eenvoudige geval dat p(x)0, dan verkrijgen we de differentiaalvergelijking waaruit
de Euler kniklast kan worden bepaald:

EI

d 4v
d 2v
+
P
=0
dx 4
dx 2

(2.7)

2.2.2 Euler kniklast kolom belast op druk


De differentiaalvergelijking kan nu opgelost worden, rekening houdend met verschillende
randvoorwaarden. Starten we met het eenvoudige geval van een kolom belast op druk, die aan beide
uiteinden scharnierend is verbonden met de omgeving, Figuur 2.3.

2-2

P
n=2

n=3

n=1

2EI
2EI
2EI
4 2
9 2
P=Pcr= 1 2
L
L
L
Figuur 2.3: Kolom belast op druk, bijhorende knikkrommen en Euler kniklast
Vooreerst herschrijven we vgl.(2.7), tot:
2
d 4v
P
2d v
+
k
= 0 , met: k =
4
2
EI
dx
dx

(2.8)

De algemene oplossing van deze differentiaalvergelijking, luidt:

v = A1 cos(k x) + A2 sin(k x) + A3 x + A4

(2.9)

De 4 onbekenden A1,..,A 4 kunnen opgelost worden door de randvoorwaarden opgelegd aan een
kolom met twee scharnierende uiteinden. Voor x=0 geldt:

v (0 ) = 0 A1 + A4 = 0

d 2v (0)
A1 = A4 = 0
M (0) = 0
=
0

A
=
0
1
2

dx

(2.10)

Voor x=L geldt:

v (L ) = 0 A2 sin(kL) + A3L = 0
d 2v (L)
M (L) = 0
= 0 A2k 2 sin(kl ) = 0
dx 2

(2.11)

Er zijn twee mogelijkheden voor A2 en A3 om hieraan te voldoen. De eerste mogelijkheid:

A2 = 0 A3 = 0 v 0

(2.12)

Dit is een mogelijke oplossing. De andere oplos sing luidt:

A3 = 0 en sin(k L) = 0 v ( L) = A2 sin(k L) = 0

(2.13)

Hieraan is voldaan, wanneer geldt:

sin(k L) = 0 k L = n

(2.14)

2-3

Invullen van k uit vgl.(2.8) levert de Euler kniklast. Voor n=1 wordt de eerste knikvorm gevonden, die
optreedt bij de laagste kniklast. Deze zal dus eerst optreden:

P = Pc r = n2

2EI
L2

(2.15)

De Euler kniklast is functie van het traagheidsmoment (I) en is zeer gevoelig voor de lengte (L).
Slanke kolommen zullen een lage kniklast kennen.
De kritieke knikspanning wordt verkregen door de kniklast te delen door het staaloppervlak van de
doorsnede (A):

cr =

2EI
AL2

(2.16)

Gebruik makend van de slankheid (=L/i) en de traagheidsstraal (i=I/A), geeft dit:

cr =

2E
2

(2.17)

Knik zal optreden in concurrentie met het vloeien van het staal (fy) door de optredende drukkracht.
Zolang de kritieke kniklast boven de vloeigrens gelegen is, zal de kolom bezwijken door vloeien. Ligt
de kritieke kniklast beneden de vloeigrens, dan zal de kolom eerder uitknikken, Figuur 2.4.

Falen door vloeien


fy
Falen door uitknikken

Euler knik-kurve

1
Figuur 2.4: Euler knikspanning in concurrentie met vloeien van staal
1 wordt gedefinieerd als de slankheid waarbij de kritieke Eulerspanning overeenstemt met de
vloeispanning van het staal (cr=fy)[5.5.1.2.(1) vgl.(5.46)]:

1 =

E
fy

(2.18)

Dit betekent het kantelpunt tussen uitknikken en vloeien, Figuur 2.4.

2.2.3 Knikkrommen in EC3


Om te komen tot de knikkrommen uit de EC3, wordt de verkregen knikkromme, Figuur 2.4 omgezet in
een dimensieloze grafiek, Figuur 2.5.
Dit maakt de curve bruikbaar voor de verschillende
staalkwaliteiten (met verschillende vloeigrens fy) en verschillende slankheden ().
De relatieve
slankheid ( ) wordt gedefinieerd als [5.5.1.2.(1), vgl.(5.46)]:

2-4

(2.19)

De theoretische reductiefactor () is de verhouding van de bezwijkspanning (Eulerspanning en


vloeien) tot de vloeigrens:

fy
=

(2.20)

fy

Falen door vloeien

1
Falen door uitknikken

Euler knik-kurve

=
1

Figuur 2.5: Dimensieloze knikkromme


Deze grafiek is niet bruikbaar in de praktijk voor het ontwerp van stalen kolommen belast op druk. In
de praktijk ligt de kniklast lager dat de theoretische waarde zoals hierboven afgeleid. Dit komt
voornamelijk door:
initile kromming van de staven;
residuele spanningen (R) in de staven, Figuur 2.6;
excentriciteit van de aangrijpende lasten;
strain-hardening.
R ~0.3 fy
druk
+

R ~0.2 fy
trek
R ~0.2 fy
druk

N/A

Of =

n<fy

n bereikt fy
fy

Figuur 2.6: Residuele spanningen in warmgewalste staven


Een typisch residueel spanningsverloop voor warmgewalste profielen is afgebeeld in Figuur 2.6.
Door de residuele spanningen zal, in aanwezigheid van een externe drukkracht (N) het profiel niet
langer optimaal benut kunnen worden.
Ook het initieel uit het vlak gelegen zijn van de aslijn, de initile kromming van het profiel, induceert
een bijkomend buigmoment en overeenstemmende buigspanningen (B), Figuur 2.7.
Deze
reduceren verder het optimaal benutten van de profieldoorsnede.

2-5

N/A

max

e0

+
e

B
N

Figuur 2.7: Initile kromming bijkomende buigspanningen


Kolommen met grote slankheid zijn relatief onafhankelijk van imperfecties. De ultieme drukkracht is
nagenoeg gelijk aan theoretische Euler kniklast, onafhankelijk van de vloeispanning fy.
Bij kolommen met een gemiddelde slankheid daarentegen, zijn imperfecties wel degelijk van belang
bij de knikinitiatie. De voornaamste zijn het initieel uit het vlak liggen en residule spanningen. De
faallast ligt gevoelig lager dan de Euler kritische kniklast (Pcr). Dit omvat een groot deel van de
kolommen in de dagdagelijkse toepassingen. De knikkrommen worden gecorrigeerd voor deze
imperfecties.
Een statistische ondergrens wordt aangegeven op basis van een groot aantal
experimenten uitgevoerd op verschillende types kolommen van varirende slankheid, Figuur 2.8.

Medium
slankheid

Grote
slankheid

fy

Figuur 2.8: Invloed van imperfecties op knikkromme proefresultaten


De knikkrommen [Tabel 5.5.2] zijn gebaseerd op meer dan 1000 exp erimenten. Verschillende
doorsnede types werden in het onderzoek betrokken (I H T [ O). De slankheid van de staven
varieerde tussen: 55 < < 160.
Om dit naar praktisch hanteerbare krommen te vertalen, wordt een schare van 4 knikkrommen
gedefinieerd ( ifv. ). Dit laat toe de verschillen (in residuele spanningen en imperfecties) in functie
van de betreffende doorsnede makkelijk in rekening te brengen.
De reductiefactor () toe te passen op de vloeigrens (fy) bij de berekening van de ontwerp kniklast
(N b.Rd), zal dus verschillen van het theoretisch verloop.
Het praktisch verloop van de knikkromme ( ifv. ) vertrekt vanuit een initile kromming gelijk aan:

e0 =

L
1000

(2.21)

Er wordt aangenomen dat deze beginimperfectie een sinusodaal verloop kent, Figuur 2.9:

2-6

x
v 0 (x ) = e0 sin
L

(2.22)

x
v 0 = e0 sin
L
v

Figuur 2.9: Initile kromming bijkomende vervorming die destabiliserend werkt


Deze initile kromming zal, bij aanwezigheid van een drukkracht P, destabiliserend werken. Ze geeft
aanleiding tot een bijkomend moment in de buigingsvergelijking, vgl.(2.4):

EI

d 2v
= M (x ) = P (v + v 0 )
dx 2

(2.23)

Invullen van vgl.(2.22) in (2.23) geeft:

x
P
+ k 2v = Pe0 sin , met: k =
EI
dx
L
d 2v
2

(2.24)

De oplossing van deze differentiaalvergelijking is van de vorm:

x
k 2 e0 sin
L
v = v h + v p = A1 cosh(x ) + A2 sinh(x ) +
2
k2
L2

(2.25)

De constanten A 1 en A 2 kunnen bepaald worden uit de randvoorwaarden aan de oplegpunten:

x = 0 v (0 ) = 0 A1 = 0
x = L v (L ) = 0 A2 = 0

(2.26)

Daaruit volgt:

x
k 2e0 sin
L
v=
2
k2
L2

(2.27)

2-7

Invullen van k uit vgl.(2.24) en de Euler kniklast (P cr) overeenkomstig vgl.(2.15), leidt tot:

v=

P
x
1
e0 sin =
v0
P
P Pc r
L
cr
1
P

(2.28)

De maximale doorbuiging wordt verkregen in het midden van de kolom (x=L/2).


totale uitwijking (e) is gelijk aan:

e = v 0 + v = e0 +

1
1
e0 =
e
Pcr
P 0
1
1
P
Pcr

Deze factor wordt genterpreteerd als een vergrotingsfactor.


aldus:

M max = Pe0

De waarde van de

(2.29)

Voor het maximaal buigmoment geldt

1
P
1
Pc r

(2.30)

De maximale spanning, die beperkt moet blijven tot de vloeigrens wordt daarmee:

max = f y =

P
1
+ Pe0
P
A
1
Pc r

I
v

(2.31)

Deze vergelijking kan worden omgevormd tot een kwadratische vergelijking in P. In een eerste stap
worden beide leden vermenigvuldigd met de doorsnede A:

(fy A P )(Pc r P ) = Pc r P e0Iv A ,

(2.32)

Met:

e0v
A
I

(2.33)

en met:

Py = f y A

(2.34)

wordt dit:

(Py P )(Pcr

P ) = Pcr P

(2.35)

In een tweede stap wordt gedeeld door Py:

1 P
Py

Pcr P Pcr P

Py Py Py Py

(2.36)

Er geldt:

2-8

E
2EI
2
2
fy
Pc r
12
1
= L
=
=
=
Py
Af y
L2
2 2
i2
Met:
P =

P
Py

(2.37)

(2.38)

wordt vgl.(2.37) omgevormd tot:

(1 P ) 1

1
P = 2 P

(2.39)

De kwadratische vergelijking in functie van P wordt hiermee:

( (

2 P 2 2P 0.5 1 + + 2 + 1 = 0

(2.40)

Met [5.5.1.2.(1)]:

= 0.5 1 + + 2

(2.41)

kan deze herschreven worden tot:

2P 2 2P + 1 = 0

(2.42)

Deze kwadratische vergelijking heeft twee wortels. De kleinste is gelijk aan:

P =

2 2
P

1
=
= =
=
Py f y
2
+ 2 2

(2.43)

Deze reductie op de vloeigrens stemt overeen met de formule aangegeven in EC3 [vgl.(5.46)].
De term is functie van de beginkromming, vgl.(2.33):
=

e0v
v
Lv
A = e0 2 = 2
I
i
i

(2.44)

In de praktijk is er niet enkel de invloed van de beginkromming. Om ook de restspanningen,


beginimperfecties, toevallige lastexcentriciteiten, niet constante fy in rekening te brengen, wordt in de
EC3 volgende formulering gebruikt:

L fy

= 0. 2 =
0.2
i E

(2.45)

Deze experimentele formule volgt uit 1500 proeven op commercile kolommen. Bij gebruik van deze
formule voldoet 98% van de proefstukken.
De waarde voor is functie van het typ e profiel: I, L, H,...5 waarden worden gedefinieerd, wat leidt tot
een schare van 5 knikkrommen [Tabel 5.5.2], Figuur 2.10:
Knikkrome a0: =0.125;
Knikkrome a: =0.21;
Knikkrome b: =0.34;

2-9

Knikkrome c: =0.49;
Knikkrome d: =0.76.

1,20
1,00
Theoretisch verloop
a0: =0.125
a: =0.21
1
=
b: =0.34
+ 2 2
c: =0.49
d: =0.76
= 0. 5 1+ 0.2 + 2

0,80
chi

( (

0,60

0,40
0,20
0,00
0,0 0,2 0,4 0,6 0,8 1,0 1,2 1,4 1,6 1,8 2,0 2,2 2,4 2,6 2,8 3,0 3,2 3,4 3,6 3,8

lambda

Figuur 2.10: De reductiefactor in functie van de relatieve slankheid ( ) theorie en praktijk


Daar een reductie is op de vloeigrens, kan de rekenwaarde voor de knikcapaciteit [5.5.1.1,
vgl.(5.45)] best als volgt gelezen worden:

Nb.Rd =

(fy )( A A )
M1

(2.46)

Voor relatieve slankheden beneden <0.2 is knikcontrole niet nodig. De reductiefactor is gelijk aan
1. Het profiel zal dus bezwijken door vloeien onder de normaalkracht en niet uitknikken.

2.2.4 Voorbeeld 1: cirkelvormige holle sectie als kolom


Gegeven:
Cirkelvormige holle sectie (CHS 219.1x4.5) warmgewalst
Staalkwaliteit: Fe360b
Systeemlengte: l=3.50 m
Aan beide uiteinden scharnierend verbonden met de omgeving
Ontwerp drukkracht: N Sd = 600 kN
Classificatie van de doorsnede: (ronde buizen)[Tabel 5.3.1., Blz. 77]
Klasse 1: d t = 219. 1 4. 5 = 48. 7 < 50 2 = 50 : voldaan, besluit: Klasse 1: A=1
Bereken de kniklengte voor de twee hoofdtraagheidsassen
De kniklengte is gelijk aan de systeemlengte: L=l= 3.50 m
Bereken de relatieve slankheid

2-10

L 3500
=
= 46. 11
i
75.9

46. 11
De relatieve slankheid: =
=
= 0. 491 (>0.2 knikcontrole vereist)
1
93.9
Selectie van de knikkromme [Tabel 5.5.3, Blz. 101]:
Warmgewalst profiel: knikkromme a

De slankheid: =

Bereken de reductiefactor
=0.927
Bereken de rekenwaarde van de knikcapaciteit:
f y ( A A ) (0 .927 235 N mm )(1 3030mm )

Nb. Rd =
=
= 600. 1kN
M1
1. 1

( )

2-11

3 Instabiliteit van staven Kip van op buiging belaste


liggers
3.1 Inleiding
Kip (E: Lateral Torsional Buckling of Beams) wordt behandeld in EC3:
EC3, 5.5.2
EC3, Bijlage E, F
Referenties:
Timoshenko and Gere Theory of Elastic Stability, 1961, John Wiley Publications, pp. 251268.
Dionys Van Gemert, Aanvullingen Sterkteleer, Wouters Boekhandel, Leuven, 1993.
Dionys Van Gemert, Guido De Roeck, Sterkteleer, Wouters Boekhandel, Leuven, 1993.
Naast het knikgevaar bestaat de mogelijkheid dat een balk die belast wordt op buiging volgens zijn
buigstijve as, zijdelings uitbuilt voor een zekere kritieke waarde van de belasting: kip. De controle van
het kippen is voornamelijk belangrijk bij balken zonder zijdelingse steun waarbij de buigstijfheid van de
balk in het vlak van de buiging groot is in vergelijking tot de zijdelingse buigstijfheid, Figuur 3.1.
Zolang de optredende belasting beneden de kritieke waarde blijft, is de balk stabiel. Wanneer de
belasting toeneemt, worden de voorwaarden bereikt die een licht vervormde en getordeerde
evenwichtsvorm van de ligger mogelijk maakt. De balk is niet langer stabiel. De kleinste belasting die
overeenstemt met deze kritieke toestand, wordt de kritieke belasting van de balk genoemd.
Inklemming aan balkuiteinde
z
x
u

Niet-belaste
vorm
gekipte
vorm

Eigengewicht
grijpt verticaal aan

Figuur 3.1. Zijdelings uitwijken van een uitkragende balk onder verticale belasting
De evenwichtsvergelijkingen moeten opgesteld worden voor de vervormde toestand.
kritieke waarde voor de belasting worden afgeleid: het theoretisch elastisch kipmoment.

Daaruit kan de

3.2 Het theoretisch elastisch kipmoment


Voor de afleiding van de evenwichtsvergelijkingen wordt gebruik gemaakt van een
dubbelsymmetrische doorsnede. Er wordt uitgegaan van een perfect elastische, initieel rechte balk,

3-1

belast met eindmomenten (M0: gelijk maar tegengesteld van teken).


waarvoor een vorkoplegging wordt genomen, is de balk niet zijdelings gesteund.

Tussen de oplegpunten,

3.2.1 Keuze van het assenstelsel


Voor de afleiding wordt gebruik gemaakt van twee assenstelsels, Figuur 3.2:
Het vaste assenstelsel x, y, z:
o x-as: lengte-as van de balk;
o y-as: buigingsas overeenkomstig het grootste traagheidsmoment;
o z-as: buiginsas overeenkomstig het kleinste traagheidsmoment;
Het lokaal assenstelsel ter hoogte van een willekeurige snede m-n: , ,
o : raaklijn aan de lengte-as van de uitgebogen vorm van de balk ter hoogte van de
snede m-n;
o : buigingsas overeenkomstig het grootste traagheidsmoment;
o : buigingsas overeenkomstig het kleinste traagheidsmoment.

3.2.2 Verplaatsingen

u en v zijn de verplaatsingen van het zwaartepunt van de doorsnede i n de y en z richting;


is de rotatie-hoek van de doorsnede. De rotatie wordt positief genomen rond de x-as
overeenkomstig de tekenconventie van de rechterhandregel.

Vooraanzicht
M0

M0

x M M
0

-u

y
-v

d v

Kromming:
y

dx 2

Doorsnede m -n

Planzicht
x

n
M0

Kromming:
M0

d 2u
dx

M0

Figuur 3.2. Definitie en symbolen dubbelsymmetrische balk opgelegd op een vorkoplegging en belast
met eindmomenten M0

3.2.3 Krommingen
Aangenomen dat het om beperkte doorbuigingen gaat, kunnen de krommingen van de as van de balk
gelijk genomen worden aan:

d 2u
dx 2
d 2v
dx 2

voor het xy - vlak


(3.1 )

voor het xz - vlak

3-2

In de afleiding zullen tevens de hoeken tussen de beide as senstelsels nodig zijn.


verplaatsingen u, v en klein zijn, dan gelden de benaderingen aangegeven in Tabel 3.1:
x
1

du
dx

y
du
dx
1

Wanneer de

z
dv
dx

1
-
dv
dx
Tabel 3.1: cosinussen van de hoeken tussen de assen
-

3.2.4 Differentiaal vergelijkingen


De buigingsvergelijkingen (cfr.: sterkteleer), worden:

EI

EI

d 2v
dx 2

= M = M 0

(3.2 )

d 2u
= M = M 0
dx 2

(3.3 )

De torsievergelijking (St. Vnant wringing - GIt - en welfwringing - EI) van de uitgekipte vorm is gelijk
aan (Aanvullingen Sterkteleer, V.19-23):

GIt

d
d 3
du
EI
= M =
M0
dx
dx
dx 3

(3.4 )

Vgl.(3.2 ) beschrijft de buiging om de as met grootste buigstijfheid.


Dit is de klassieke
buigingsvergelijking uit de sterkteleer. Deze evenwichtsvergelijking blijft uiteraard geldig.
Vgl.(3.3 en 2.4) beschrijven het kippen van de balk door het optredend buigmoment. Dit zijn twee
gekoppelde differentiaalvergelijkingen.
Door de aanwezige belasting zullen twee bijkomende
verplaatsingen optreden, zie ook Figuur 3.1:
zijdelingse uitwijking u ,vgl.(3.3 ) (E: lateral buckling), gekoppeld aan
torsie ,vgl.(3.4 ) (E: torsion).
De gekoppelde differentiaalvergelijking kan als volgt opgelost worden.
vgl.(3.4) naar x:

GIt

d 2
dx 2

EI

d 4
dx 4

d 2u
dx 2

Vooreerst afleiden van

M0 = 0

(3.5 )

Vervolgens elimineren van de tweede afgeleide van u naar x uit vgl.(3.5), via vgl.(3.3):

EI

d 4
dx 4

GI t

d 2
dx 2

M 02
=0
EI

(3.6 )
de

Met de 4 vereiste randvoorwaarden, kan deze 4 graads differentiaalvergelijking opgelost worden.

3.2.5 Randvoorwaarden
De balk is aan beide uiteinden opgelegd in een vorkoplegging.
belemmerd:
verplaatsingen volgens de x- , y- en z-as;
rotatie volgens de x-as.

Volgende vrijheidsgraden zijn

3-3

Daardoor geldt:

= 0 voor x = 0 en x = l
d 2
= 0 voor x = 0 en x = l
dx 2

(3.7 )

3.2.6 Oplossing differentiaal vergelijking


De differentiaal vergelijking heeft volgende vorm:

GI t
M 02
d 4
d 2

=
0
,
waarin:

=
en

=
2EI
dx 4
dx 2
E 2I I

(3.8 )

Deze differentiaalvergelijking is van het type:

(D

2D 2 = 0

(3.9 )

De algemene oplossing luidt:

= A1 sin(mx ) + A2 cos(mx ) + A3 exp(mx) + A4 exp(nx )

(3.10)

met daarin:

m = + 2 + en: n = + 2 +

(3.11)

Vanuit de randvoorwaarden voor x=0, vgl.(3.7), geldt:


A2 = 0
(3.12)
A3 = -A4
De rotatiehoek kan hierdoor reeds herschreven worden als:

= A1 sin(mx ) 2 A4 sinh(nx )

(3.13)

Vanuit de randvoorwaarden voor x = L, vgl.(3.7 ), geldt:

= A1 sin(mL) 2A4 sinh(nL ) = 0


= A1m2 sin(mL) 2 A4n 2 sinh(nL ) = 0

(3.14)

Gelijkstellen aan nul van de determinant, leidt tot:

(sin(mL))(n 2 sinh(nL ) + m 2 sinh(nL )) = 0

(3.15)

Omdat m en n positieve getallen zijn, kan hieraan enkel voldaan zijn, indien:
sin(mL) = 0 en A 4 = 0

(3.16)

De torsiehoek kan herschreven worden als:

= A1 sin(mx)

(3.17)

De kleinste waarde waarvoor de sinus gelijk is aan nul, levert:

3-4

m=

(3.18)

Of, gebruik makend va n vgl.(3.11):

m = + 2 + =

(3.19)

Met de waarden van en uit vgl.(3.8) leidt dit finaal tot:

M cr =

2 EI

L2

Iz

L2GIt

(3.20)

2 EI

Deze laatste vergelijking (3.20) stemt overeen met het elastisch kipmoment [F.1.1.(1), vgl. (F.1), EC3]
Belangrijk hierin is op te merken dat:
het theoretisch elastisch kipmoment Mcr is functie van:
o de geometrie (L),
o de randvoorwaarden (vorkoplegging);
o de buigstijfheid (EIz), welfstijfheid (GI) en torsiestijfheid (GIt).
het theoretisch elastisch kipmoment Mcr is geen functie van:
o de vloeigrens fy van het staal;
o de buigstijfheid (EIy) volgens de buigingsas
Kip zal dus in concurrentie met vloeien van het staal optreden ten gevolge van buiging rond de
buigstijve as, vgl.(3.2).

3.2.7 Voorbeeld 1: I-profiel vorkoplegging aan beide uiteinden


Gegevens:
L=5.00 m
E=210.000 N/mm
G=E/2(1+)=80.770 N/mm
Fe360b, fy = 235 N/mm
3
o Wel,y = 557 10 mm
IPE300 (Staalcatalogus)
3
6
o I = 125.9 10 mm
4
4
o It = 15.7 10 m m
4
4
o I = Iz = 604 10 m m
Het kritieke kipmoment overeenkomstig vgl.(3.20) bedraagt:

M cr =

2EI

L2

Iz

L2GIt
2EI

= 79.7kNm

(3.21)

De vloeigrens wordt bereikt bij het elastisch buigmoment, gelijk aan:

M el = fy Wel = 130kNm

(3.22)

Deze balk zal dus eerder uitkippen dan vloeien.

3-5

3.3 Smalle rechthoekige sectie


3.3.1 Evenwichtsvergelijkingen het elastisch kipmoment
In het geval van een smalle rechthoekige sectie, vereenvoudigen de evenwichtsvergelijkingen.
Wanneer b<<h, is de welfstijfheid verwaarloosbaar klein. Dit leidt tot volgende torsievergelijking:
GI t

d du
+
M =0
dx dx 0

(3.23)

De gekoppelde differentiaalvergelijking wordt op dezelfde wijze opgelost als het algemene geval,
vgl.(3.5 en 2.6). Vooreerst afleiden van vgl.(3.23) naar x:

GI t

d 2 d 2u
+
M0 = 0
dx 2 dx 2

(3.24)

Vervolgens elimineren van de tweede afgeleide van u naar x uit vgl.(3.23), via vgl.(3.3):

GI t

d 2
dx 2

M 02
=0
EI

(3.25)

De differentiaal vergelijking heeft volgende vorm:

d 2
M 02
2
2
+
k

=
0
,
waarin:
k
=
GI t EI
dx 2

(3.26)

Deze differentiaalvergelijking is van het type:

(D

k2 = 0

(3.27)

De algemene oplossing luidt:


= A1 sin(kx) + A2 cos(kx)

(3.28)

Vanuit de randvoorwaarden voor x=0, vgl.(3.7), geldt:


A2=0

(3.29)

De rotatiehoek kan hierdoor reeds herschreven worden als:


= A1 sin(kx )

(3.30)

Vanuit de randvoorwaarden voor x=L, vgl.(3.7), wordt de oplossing gegeven door de kleinste waarde
waarvoor de sinus gelijk is aan nul:

k=

(3.31)

Of, gebruik makend van vgl.(3.26):

M cr =

GIt EI
L

(3.32)

3.3.2 Voorbeeld 2: een smalle rechthoekig houten sectie


Gegevens: smalle houten rechthoekige sectie

3-6

L=10.00 m
E=10.000 N/mm
=0.1; G=E/2(1+)=4.545 N/mm
bxh = 100 x 1000 mm
fm,k = 30 N/mm (klasse C30)
6
o Wel,y = bh/6 = 16.7 10 mm
8
4
o It = bh/3 = 3.333 10 m m
6
4
o I = Iz = hb/12 = 83.33 10 mm

Het kritieke kipmoment overeenkomstig vgl.(3.32) bedraagt:

Mcr =

GI t EI = 353kNm
L

(3.33)

De vloeigrens wordt bereikt bij het elastisch buigmoment, gelijk aan:


M el = fm ,k W el , y = 500 kNm

(3.34)

Deze houten balk zal dus eerder uitkippen dan gaan vloeien.

3.4 Effect van slankheid


Vorige afleiding laat toe om in ideale omstandigheden het kritieke kipmoment te begroten. Deze
theoretische waarde wijkt af van wat in de praktijk wordt teruggevonden.
Figuur 3.3 geeft een
vergelijking van het theoretisch verloop en proefresultaten.
De resultaten worden op een
dimensieloze grafiek geplaatst om de resultaten van uitgebreide proefcampagnes met mekaar te
kunnen vergelijking.

M
M pl
1,0

M cr
M pl

gedrongen

tussenliggend

slank

0
0

0.4

1,0

1.2

LT =

M pl
M cr

Figuur 3.3. Elastische kipmoment vergelijking tussen theoretisch verloop en proefresultaten


(schematisch)
Drie gebieden kunnen onderscheiden worden als een functie van de relatieve slankheid ( LT ):

LT <0.4: de gedrongen liggers zijn niet onderhevig aan kip [5.5.2.(7)];

0.4 < LT < 1.2: voor tussenliggende slankheden wordt de waarde van het kritieke kipmoment
(Mcr) beinvloed door:
o geometrische imperfecties;
o niet-elastisch gedrag;
LT > 1.2: voor slanke liggers ligt de waarde van het kritieke kipmoment M
( cr) dicht in de buurt
van de theoretische waarde.

3-7

3.5 Ontw erp kipweerstand overeenkomstig EC3


Om de ganse waaier van relatieve slankheden in rekening te kunnen brengen, wordt in EC3 een
reductiefactor (LT) op de rekenwaarde van de momentcapaciteit van de doorsnede (Mpl.Rd) in rekening
gebracht. De rekenwaarde van de kipcapaciteit van een zijdelings ongesteunde ligger wordt als volgt
bepaald [5.5.2 (1), vgl.: (5.48)]:

M b.Rd =

( LT fy )(W W pl,y )

(3.35)

M1

De reductiefactor LT voor het bepalen van de rekenwaarde van de kipcapaciteit, vgl.(3.35), wordt
berekend volgens dezelfde procedure als bij knik [5.5.2 (2), vgl.(5.49)]:

LT =

1
2
2
LT + LT
LT

2
1 , waarin: LT = 0. 5 1 + LT LT 0 .2 + LT

(3.36)

Om rekening te houden met de imperfecties van de profielen, wordt onderscheid gemaakt tussen
gewalste en gelaste profielen. Dit door middel van de imperfectiefactor LT [5.5.2 (3)]:
LT= 0.21 voor gewalste profielen:
LT= 0.49 voor gelaste profielen.
In de praktijk kan dus gebruik gemaakt worden van de knik-curven a en c [Tabel 5.5.2], voor het
bepalen van de reductiefactor (LT) als functie van de relatieve slankheid ( LT ).

3.6 Bepalen van LT


3.6.1 Algemene werkwijze
De relatieve slankheid ( LT ) kan berekend worden op twee manieren.
De eerste methode gaat via het theoretisch elasti sch kipmoment (Mcr).
gedefinieerd via [5.5.2.(5)]:

LT =

De relatieve slankheid is

M pl

(3.37)

Mcr

Voor het bepalen van het kritieke kipmoment (Mcr), wordt verwezen naar [F.2.1]. De tweede methode
werkt via de slankheid (LT) [5.5.2(5)]:

LT = LT
1

E
W , met: 1 =
= 93. 9
fy

(3.38)

3.6.2 Voorbeeld 1: I-profiel - hernomen


Hernemen we het voorbeeld uit 2.2.7.
Gegevens:
Wpl,y = 628.4 10 mm
Gewalst profiel: LT=0.21
Het plastisch vloeimoment (Mpl) is gelijk aan:

M pl = W pl, y fy = 628. 410 3 235N / mm = 147. 7kNm

(3.39)

De relatieve slankheid ( LT ) bedraagt daarmee:

3-8

LT =

M pl

M cr

147 .7kNm
= 1. 36
79. 7

(3.40)

De reductiefactor LT overeenkomstig [Tabel 5.5.2] is:


LT =f( LT ,LT)=0.4380

(3.41)

De rekenwaarde voor de kipcapaciteit (Mb.Rd) wordt:

M b.Rd =

( LT fy )(W Wpl ,y ) = (0.4380 235 N


M1

mm )(1 628.4 10 )
= 58. 8kNm
1.1

(3.42)

3.7 Effect van het belastingspatroon C1


Tot hiertoe werd bij de berekening enkel rekening gehouden met imperfecties van de doorsnede.
Voor de aangrijpende belasting werd uitgegaan van twee gelijke maar tegengestelde eindmomenten
(M0), zie Figuur 3.2. In de praktijk zullen vele andere belastinggevallen voorkomen.
Het theoretisch elastisch kipmoment voor verschillende frequent voorkomende belastinggevallen
wordt gerelateerd aan het basisgeval (= theoretisch elastische kipmoment voor twee gelijke maar
tegengestelde eindmomenten) via een correctiefactor C1.
M

M
Figuur 3.4: Verschillend belastingspatroon
Voor een centraal aangrijpende puntlast (P), Figuur 3.4 onderaan, wordt het theoretisch elastisch
kipmoment, vergelijk met vgl.(3.20):

M cr = C1

2EI
2

I
Iz

L2GIt
EI
2

= 1. 365

2EI
2

I
Iz

L2GIt
2EI

(3.43)

De waarden voor C 1, als functie van de aangrijpende belasting, kunnen worden teruggevonden in
[Tabel F.1.1 en F.1.2].
De waarde van C 1 kan ook berekend worden door in de evenwichtsvergelijkingen het eindmoment M0
te vervangen door het werkelijk optredend moment, dat nu eveneens functie is van x, Figuur 3.4.
Door deze bijkomende term in x, zal de oplossing van de differentiaalvergelijking kunnen gevonden
worden uit een reeksontwikkeling.

3-9

3.8 Effect van de randvoorwaarden van de oplegpunten


In realiteit zal de oplegging haast nooit de theoretische aangehouden vorkoplegging zijn.
Eindvoorwaarden die de zijdelingse verplaatsing verhinderen (verplaatsing in planzicht, Figuur 3.2),
zullen de kipcapaciteit verhogen.
Het effect van verschillende types randvoorwaarden voor de steunpunten wordt in rekening gebracht
door het herdefiniren van de zijdelings niet-gesteunde lengte naar een effectieve lengte. Twee
factoren k en k w bepalen de effectieve lengte in functie van de niet-gesteunde lengte:
k: verhinderen van zijdelingse buiging (k = 0.5 0.7 1.0), Figuur 3.5 [F.1.2.(2) en (3)];
kw: verhinderen van welving (kw = 1 wordt aanbevolen, tenzij speciale voorzieningen worden
getroffen) [F.1.2 (4)].
Planzicht
Vorkoplegging zijdelingse
uitbuiging niet belemmerd
aan de oplegpunten: k=1

Leff = L

Zijdelingse
uitbuiging
belemmerd aan n van
beide oplegpunten: k=0.7

Leff = 0.7L

Zijdelingse
uitbuiging
belemmerd
aan
beide
oplegpunten: k=0.5
Leff = 0.5L
Figuur 3.5: k effect van randvoorwaarden aan de oplegpunten

3.9 Hoogte van het aangrijpingspunt van de belasting zgC2


Wanneer de belasting niet bestaat uit eindmomenten, maar uit een verticaal aangrijpende belasting,
wordt het aangrijpingspunt van deze belasting van belang. De referentie voor het aangrijpingspunt is
het dwarskrachtenmiddelpunt van het dubbel symmetrisch profiel (wat hier samenvalt met de
buigingsas).
Belastingen die hoger aangrijpen (bv. op de bovenflens) zullen destabiliserend werken, ten gevolge
van het bijkomend torsiemoment in de vervormde toestand. Belastingen die lager aangrijpen (bv. op
de onderflens) daarentegen, hebben een stabiliserende effect en verhogen de kipcapaciteit, Figuur
3.6 [F.1.2., vgl. (F.2-F.6)].

Equivalent uniform moment

1.4

1.2

1.0

0.8

0.6

L2GIt
EI

0.4
1m

10 m

100 m

1000 m

Figuur 3.6: (de)stabiliserende werking van de hoogte van het aangrijpingspunt van de belasting

3-10

Dit wordt in rekening gebracht door een bijkomende correctie op het basisgeval (zgC 2):
z g = za-zs: de afstand tussen belastingspunt en dwarskrachtenmiddelpunt [F.1.2.(1)];
C2: correctiefactor die functie is van het belastingstype en de randvoorwaarden aan de
oplegpunten [Tabel F.1.1 en F.1.2].

3.10 Balken met tussenliggende zijdelingse steunpunten


Voor balken met tussenliggende zijdelingse steunpunten in de overspanning, mogen de verschillende
segmenten tussen de steunpunten afzonderlijk doorgerekend worden. Het ontwerp is gebaseerd op
het meest kritieke segment. Voor de lengte van het segment tussen 2 zijdelingse steunen moet een
effectieve lengte in rekening gebracht worden waarin k = 1.0 en NIET 0.7.
In de vorm van de uitgekipte balk, zal het naburige niet-zijdelings gesteunde segment mee uitkippen,
Figuur 3.7.
Zijdelingse
steun

Zijdelingse
....steun

Zijdelingse steun
k = 1,0
Balk in planzicht

Figuur 3.7: uitgekipte vorm van balken met tussenliggende zijdelingse steunpunten

3.11 Continue balken op meerdere steunpunten


Voor continue balken op meerdere steunpunten, wordt elke overspanning tussen 2 steunpunten
afzonderlijk behandeld, rekening houdend met het buigmomenten verloop. Hierbij wordt uitgegaan
van de continuteit van het verloop van de buigmomenten over de balk en van de correctiefactor op de
belasting C 1, [Tabel F.1.1] op basis van de eindmomenten voor elke overspanning, Figuur 3.8.
Voor de eenvoud mag de benaderende formule gehanteerd worden die een waarde geeft voor C1 in
functie van de verhouding ( ) tussen de eindmomenten M1 en M2(=M1) [F.1.2 vgl.: (F.3)]:

C1 = 1. 88 1. 40 + 0. 52 2 , doch : C1 2.70

(3.44)

Deze formule is een kwadratische benadering doorheen de waardes van C 1 teruggevonden voor
verschillende verhoudingen van de eindmomenten.
Steunpunt

Steunpunt

=0, C1=1,88

Steunpunt

=1, C 1=2,752

Steunpunt

=0, C 1=1,88

Figuur 3.8: Correctiefactor C1 voor eindmomenten bij balken op meerdere steunpunten

3-11

4 Verbindingen onderworpen aan statische belastingen


4.1 Inleiding
De berekening van verbindingen, onderworpen aan statische belastingen, wordt behandeld in EC3:
6 Verbindingen onderworpen aan statische belastingen
7 Fabricage en Montage;
Bijlage B.2.1, Lasbare constructiestaalsoorten;
bijlage J, Ligger-kolomverbinding
Referenties:
OverSpannend Staal, deel 2 Construeren A, Uitgave van Bouwen met staal, Hoofdstuk 1
Inleiding, pp. 11-32 en Hoofdstuk 3 Verbindingen, pp. 127-252, 2001.
Chapter six, Technology of bolts, pp. 181-212.
Construction mtallique et mixte acier-bton, Calcul et dimensionnement selon les Eurocodes
3 et 4, Chapitre 6 Les assemblages 267-355, 1996.
Structural Steelwork Eurocodes Development of a Trans -National Approach, module 5,
joints, lectures, 15-18,2001.
NBN B212, Staalconstructies: Berekening van spanningen in gelaste constructies
onderworpen aan statische belasting, 1970.
In een klassieke staalstructuur komen verscheidene types verbindingen aan bod, Figuur 4.1:
A: ligger-kolom verbinding
B: ligger-ligger verbinding
C: kolom -kolom verbinding
D: kolomvoeten

Figuur 4.1: verschillende types van verbindingen


Alvorens dieper in te gaan op de rekenmethodes, wordt de vervormbaarheid van een knoop en het
belang daarvan voor de constructie, aangegeven.
Voor een enkelvoudige knoop tussen ligger en kolom (ligger-kolomverbinding), zijn er verschillende
spanningszones die aanleiding geven tot vervormingen. Het uitwendig aangrijpend moment (Mb)

4-1

[b:beam] kan worden omgezet in een equivalent koppel (trek/druk) op de flenzen van de ligger. Deze
krachten geven aanleiding tot, Figuur 4.2 [6.9.7.1 (2), Figuur 6.9.10]:
Een drukzone:
o In de onderflens van de ligger en in het verlengde daarvan in het lijf van de kolom
o Gedeelte van het lijf van de ligger
Een trekzone:
o In de bovenflens van de ligger en in het verlengde daarvan in het lijf van de kolom
o Gedeelte van het lijf van de ligger
o Eindplaat in buiging
o Bouten in trek
o Kolom flenzen in buiging
Een zone in afschuiving
o Middenzone van het lijf van de kolom
Vwp

Vwp

Vb
Nb

Mb

Mb1

Mb2

Mb

Figuur 4.2: ligger-kolom verbinding bronnen van vervorming


In elk van deze zones zullen de optredende spanningen vervormingen opwekken. Finaal resulteert dit
in een rotatiehoek () tussen de aslijnen van de verbonden elementen. Het gedrag van een
verbinding wordt weergegeven in een zogenaamd M- diagramma.
De belangrijkste bijdragen tot vervorming zijn afkomstig van de afschuiving in het lijf van de kolom en
de vervorming van de verbinding door het aangrijpend buigmoment, Figuur 4.2.
Voor een dubbelzijdige ligger-kolomverbinding gelden dezelfde bedenkingen. De afschuifvervorming
in het lijf van de kolom is functie van de waarden Mb1 en Mb2. Zijn deze twee gelijk aan mekaar, dan
verdwijnt de afschuifvervorming.
De totale vervorming kan worden neergeschreven als de som van twee componenten, Figuur 4.3:
Afschuiving van het lijf van de kolom;
Vervorming van de verbinding door het aangrijpend moment.
Mb

Mb

Mb, Mj
Moment
capaciteit

c,i

Mb,i

c,i+i

Mb,i

Mb,i
=

+
Verbinding
in buiging

Afschuiving lijf
c

Rotatie
capaciteit
Knoop

Stijfheid

Figuur 4.3: knoopvervorming = afschuiving lijf kolom en vervorming van de verbinding door
buigmoment

4-2

Dit moment-rotatie diagramma wordt gekarakteriseerd door 3 parameters, Figuur 4.3 (rechts):
De rotatie-stijfheid (stijfheid);
De moment-capaciteit (sterkte);
De rotatie-capaciteit (ductiliteit).

4.2 Classificatie van verbindingen


De verbindingen kunnen op verschillende manieren doorgerekend worden, in functie van de
vervormbaarheid.

4.2.1 Classificatie naar stijfheid


Een eerste methode bestaat erin de verbindingen onder te verdelen als functie van hun rotatiestijfheid,
Figuur 4.4 (a):
Scharnierende verbindingen (E: pinned joint, Fr:articul)
Stijve verbindingen (E: rigid joint; Fr: rigide)
Flexibele verbindingen (E:semi-rigid joint; Fr: semi-rigide)
Mj

(a) Stijfheid

(b) Sterkte
Mj
volledig sterk

stijf
flexibel

Mj

(c) Ductiliteit

S j,ini
niet-volledig sterk

ductiel
Semi-ductiel
bros

scharnier

scharnier

Figuur 4.4: classificatie van verbindingen naar stijfheid

4.2.2 Classificatie naar sterkte


Een tweede methode bestaat erin de verbinding onder te verdelen naar sterkte, Figuur 4.4(b):
Scharnierende verbinding (E: pinned joint; Fr: articul)
Volledig sterke verbinding (E: full-strength; Fr: totalement rsistant)
Niet-volledig sterke verbinding (E: partial-strength; Fr: partiellement rsistant)

4.2.3 Classificicatie naar ductiliteit


Een laatste methode, die niet in de EC is opgenomen, bestaat erin de verbindingen onder te verdelen
als functie van de ductiliteit, Figuur 4.4(c):
Bros (E:brittle; Fr: friable);
Ductiel (E:ductile; Fr : ductilit) ;
Semi-ductiel (E:semi-ductile ; Fr : semi-ductilit).

4.2.4 Ontwerpmogelijkheden modellen voor verbindingen


Vaak worden slechts een beperkt aantal van deze mogelijkheden gehanteerd in het ontwerp van
verbindingen.
Naar rotatiestijfheid toe zijn scharnierende en stijve verbindingen de traditionele
verbindingen. Naar sterkte toe komen alle klasses voor in een traditioneel ontwerp.
Volgende modellen wordt traditioneel het meest gebruikt:
Stijve/volledig sterke verbinding;
Stijve/niet-volledig sterke verbinding;
Scharnierende verbinding.
Echter, door het in rekening brengen van de stijfheid van de verbinding, zijn ook andere modellen
mogelijk:
Flexibele/volledig sterke verbinding;
Flexibele/niet-volledig sterke verbinding.
De verschillende mogelijkheden worden overlopen in Tabel 4.1.

4-3

Sterkte
Stijfheid
Volledige sterkte
Niet-volledige sterkte
Stijf
continu
Semi-continu
Flexibel
Semi-continu
Semi-continu
scharnier
/
/
Tabel 4.1: modellen voor het doorrekenen van verbindingen

scharnierend
/
/
eenvoudig

Het type raamwerkanalyse hangt samen met het model van de verbinding dat beoogd wordt. Tabel
4.2 geeft een overzicht van het raamwerkmodel in functie van model voor de verbinding en
verbindingstype.
Model van de
verbinding
Continu
Semi-continu

Type raamwerkanalyse
Elastisch
Plastisch
Stijf
Volledige sterkte
Flexibel
Niet-volledige sterkte

Elastisch-plastisch
Stijf/volledige sterkte;
Stijf/niet-volledige sterkte;
Flexibel/volledige sterkte;
Flexibel/niet-volledige sterkte
eenvoudig
scharnier
scharnier
scharnier
Tabel 4.2: raamwerkmodellering versus modellen voor verbindingen
Bij een elastische raamwerkanalyse is enkel de stijfheid een parameter, vandaar dat enkel een
classificatie naar stijfheid kan worden gemaakt. Bij een plastische (eerste orde) raamwerkanalyse is
enkel de sterkte een parameter. Daarom dat enkel een classificatie naar sterkte kan worden gemaakt.
Een elastisch-plastische analyse is functie van beide parameters, zodat meerdere types van
verbindingen mogelijk worden.
Het rele gedrag van de verbinding (M--diagramma) bepaalt in grote mate de respons van een ganse
structuur, Figuur 4.5. De invloed is niet enkel beperkt tot het momentenverloop zoals getoond in de
figuur. Ook de doorbuiging, de andere snedekrachten en de faalmodes worden erdoor benvloed.
Het is daarom van groot belang een correct ontwerp te maken van de verbinding en hun globaal effect
op het structureel gedrag correct te modelleren.

Mj

Mj

Mj

Figuur 4.5: Structurele respons van een portaal scharnierende, flexibele en stijve ligger-kolom
verbinding

4.3 Bout-, klink- en penverbindingen


Bout: E:bolt F:boulon
Klinknagel: E,F:rivet
Pen: E:pin; F:goujon

4.3.1 Classificatie van bouten


Tabel 4.3 geeft een overzicht van de materiaalkarakteristieken die overeenstemmen met de
sterkteklassen gelegen tussen boutklasse 4.6 en 10.9. De nominale waarden vermeld in de tabel
dienen gehanteerd te worden als karakteristieke waarden in de berekeningen. De vloeigrens fyb kan
berekend worden uit de sterkteklasse, als het product van de twee cijfers (x10 [N/mm]). De

4-4

treksterkte fub stemt overeen met het eerste getal uit de sterkteklasse (x100 [N/mm]). In de laatste rij
wordt de breukrek (t) vermeld. Experimenteel worden deze waarden bepaald op haltervormige
proefstukken die uit de bouten gedraaid worden.
Sterkteklasse 4.6
4.8
5.6
5.8
6.8
8.8
fyb [N/mm]
240
320
300
400
480
640
fub [N/mm]
400
400
500
500
600
800
25
20
12
t [%]
Tabel 4.3: nominale waarden van de vloeigrens fyb en treksterkte fub voor bouten [3.3.2.1, Tabel 3.3]

10.9
900
1000
8

4.3.2 Boutgeometrie

dc
df
d

Om de sterkte van een bout of een boutverbinding te begroten, is het nodig om de weerstandbiedende
oppervlakte van de bouten te kennen. Deze is functie van de boutdiameter, Figuur 4.6. Voor
metrische bouten wordt de bout gekenmerkt door zijn diameter in mm, bv.: M12.

Figuur 4.6: boutgeometrie


Tabel 4. 2 geeft volgende oppervlaktes:

d 2
: de bruto oppervlakte van de doorsnede van de schacht van een bout
4
d 2S
AS =
: de spanningsdoorsnede van een boutdoorsnede ter hoogte van de schroefdraad
4
A=

(4.1)
(4.2)

met d f de gemiddelde boutdiameter en d s de weerstandsdiameter:

df =

dc + d
d + dc
; en: d s = f
2
2

(4.3)

De tweede kolom geeft de spoed (p) aan.


d
P
AS
A
AS/A
d [mm]
p
AS
[mm]
[mm]
[mm]
[mm]
[mm]
[mm]
8
1.25
36.6
50.3
0.77
33
3.50
694
10
1.50
58.0
78.5
0.74
36
4.00
817
12
1.75
84.3
113
0.75
39
4.00
976
14
2.00
115
154
0.75
42
4.50
1120
16
2.00
157
201
0.78
45
4.50
1310
18
2.50
192
254
0.75
48
5.00
1470
20
2.50
245
314
0.78
52
5.00
1760
22
2.50
303
380
0.80
56
5.50
2030
24
3.00
353
452
0.78
60
5.50
2360
27
3.00
459
573
0.80
64
6.00
2680
30
3.50
561
707
0.82
68
6.00
3060
Tabel 4.2: Boutdoorsnedes A en AS als functie van de boutdiameter d Metrische bouten

A
[mm]
855
1018
1195
1385
1590
1810
2124
2463
2827
3217
3632

AS/A
0.81
0.80
0.82
0.81
0.82
0.81
0.83
0.82
0.83
0.83
0.84

4.3.3 Bouttoleranties
Bouttoleranties zijn noodzakelijk om de verbindingen bout/gat te kunnen realiseren, alsook om de
lengte van de schacht zonder schroefdraad te kunnen bepalen [7.5].

4-5

Boutdiamter

Gatspeling [mm]
Nominale afmetingen [mm]
Standaardgat
Ruime gaten
Korte sleufgaten
Lange sleufgaten
M12
1
3
(d+1) bij (d+4)
(d+1) bij 2.5d
M14
1
4
(d+1) bij (d+4)
(d+1) bij 2.5d
M16-M22
2
4
(d+2) bij (d+6)
(d+2) bij 2.5d
M24
2
6
(d+2) bij (d+8)
(d+2) bij 2.5d
M27 en groter
3
8
(d+3) bij (d+10)
(d+3) bij 2.5d
Tabel 4.3: Gatspeling nominale afmetingen gat als functie van de boutdiameter
Voor wat de lengte van de schacht zonder schroefdraad betreft, is het van belang de krachtswerking
in het oog te houden. De optimale lengte van het gedeelte zonder schroefdraad is gelijk aan de dikte
van de te verbinden platen, zodat alle contact tussen de te verbinden platen plaatsvindt in het
gedeelte zonder schroefdraad. De schroefdraad begint in de onderlegring. De afschuifsterkte kan
daardoor berekend worden op de volledige doorsnede A, terwijl de treksterkte dient berekend te
worden op de spanningsdoorsnede AS, Figuur 4.7.
Boutkop
Schacht

Draad
Onderlegring O-ring
Moer
Figuur 4.7: bouten in trek en afschuiving belang van gepaste schachtlengte

4.3.4 Klinknagels
Gebruik van klinknagels (E: goujon, rivet; F:rivet) vindt men nog vaak terug in bruggen. Voor de
berekening van klinknagels worden dezelfde formules gebruikt als voor bouten. Een verbinding met
klinknagels zorgt steeds voor een grote voorspanning in de klinknagel. Daardoor ontstaat eveneens
een grote weerstand tegen afschuiving in de aanwezige afschuifvlakken.
Klinknagels worden roodgloeiend (T=500 600C) aangebracht en vervolgens wordt het hoofd aan
het uiteinde eveneens plat geslagen met een hamer. Door het afkoelen van de klinknagel gaat deze
krimpen. Deze krimp wordt verhinderd door de platen die ingeklemd worden. Daardoor ontstaat een
aanzienlijke voorspanning in de klinknagel, Figuur 4.8.

opgewarmde klinknagel

Figuur 4.8: aanbrengen van een klinknagel


Neem aan dat de temperatuur bij het aanbrengen 520C bedraagt.
De omgevingstemperatuur
bedraagt ongeveer 20C, zodat het temperatuurverschil T=500C is.
De lineaire

4-6

-6

uitzettingscofficint =12 10 en wordt verondersteld constant te zijn voor de eenvoud.


temperatuurvariatie treedt een rek op gelijk aan:

l
= T = 12. 0 10 6 500 = 6 10 3
l0

Door deze

(4.4)

Daar deze rek verhinderd wordt (ga uit van een volledige verhindering), leidt dit tot spanningen ni de
klinknagel, gelijk aan:

r = Er = 5. 5 10 3 210.000 N mm = 1260 N mm

(4.5)

Voor normaal staal (Fe360b) is de vloeigrens beperkt tot fy=235 N/mm. Dit wil zeggen dat het
plaatmateriaal lokaal gaat vloeien onder invloed van de krachten opgewekt door de klinknagel. Voor
een klinknagel met diameter d=20 mm, leidt dit tot een verticale kracht op de platen, gelijk aan:

d 2
= 235 N mm 20 = 74k N
F = f y

4
4

(4.6)

Rekening houdend met n enkel wrijvingsvlak en een wrijvingscofficint =0.50, levert de wrijving in
het contactvlak een weerstand tegen afschuiving, gelijk aan:

V = F = 0. 50 75k N = 37.5k N

(4.7)

Door de grote krachten die op de platen ontstaan, kunnen de platen kromtrekken.

4.3.5 Positionering van de gaten voor bouten en klinknagels


Voor de positionering van de gaten voor bouten en klinknagels worden een aantal grenzen opgelegd.
Door deze grenzen beantwoorden de boutverbindingen aan [6.5]:
roestvorming en lokaal plooien worden voorkomen;
de plaatsing van de bouten is realiseerbaar;
de herverdeling van de krachten over de verschillende bouten is zodanig dat ze beantwoordt
aan de aannames om de sterkteberekening uit te voeren alsook de experimentele
vaststellingen hieromtrent.

4.4 Sterkte van verbindingen op afschuiving belast


Een typisch voorbeeld van een verbinding belast op zuivere afschuiving is een rechte liplas, Figuur
4.9. In dit eenvoudig voorbeeld wordt de uitwendig aangrijpende belasting FV die aangrijpt op n
plaat, overgedragen op twee platen en dit via n bout die de verbinding vormt tussen de 3 platen.
Fv
Fv/2

Fv,u
IV
Fv
A

Fv/2

III
3

B
Fv,f

II

1
I
L
Figuur 4.9: Rechte liplas verbinding belast op afschuiving

4-7

Figuur 4.9 toont het typisch verloop van de afschuifkracht (FV) op de verbinding in functie van L, de
relatieve verplaatsing tussen de punten A en B. 4 Verschillende fases kunnen onderscheiden worden
(volle lijn):
1. De kracht neemt toe, zonder toename van relatieve verplaatsing L.
De kracht wordt
overgedragen door wrijving tussen de platen.
Deze fase eindigt wanneer de
wrijvingsweerstand van de verbinding wordt overschreden (Fv,f);
2. Het glijden van de verbinding begint plots omwille van de initile ruimte tussen de bouten en
de platen. Gedurende deze fase is de aangrijpende kracht nagenoeg constant;
3. De elastische fase. De toename in relatieve verplaatsing is nagenoeg proportioneel met de
aangrijpende belasting. Deze fase eindigt wanneer de vloeigrens wordt bereikt, hetzij in de
bout, hetzij in n van de platen;
4. Het plastisch gebied wordt bereikt. Relatief grote verplaatsingen worden genoteerd voor een
beperkte toename van de uitwendige belasting. De verbinding faalt bij ultieme belasting (FV,u).
Hierbij kunnen volgende faalmechanismen optreden, Figuur 4.10:
Bezwijken door boutbreuk (a);
Bezwijken door gatbreuk (b, c);
Bezwijken door het overschrijden van de treksterkte van de plaat (d).
a boutbreuk

b
gatbreuk

Fv/2
c

Fv
Fv/2

d
plaatbreuk

Figuur 4.10: faalmechanismen van een verbinding, belast op afschuiving


Wanneer ofwel de voorspanning dan wel de oppervlakte-behandeling van de platen wordt verhoogd,
blijft het kwalitatief verloop gelijkaardig. Enkel de kracht waarop het glijden aanvangt zal variren,
Figuur 4.10, onderbroken lijn).

4.4.1 Boutbreuk
De hoofdbelasting op de bout is een afschuifkracht op zijn dwarsdoorsnede door de tegengestelde
contactdrukken van de platen in de verbinding.
De elastische verdelingen van deze
contactspanningen en spanningen in de bout zijn eerder complex. Echter, voor volledig plastische
voorwaarden, zal de verdeling van de schuifspanningen min of meer uniform zijn zodat de
afschuifweerstand van de bout overeenstemt met het product van de afschuifsterkte en de
oppervlakte van de dwarsdoorsnede.
Afschuifproeven op bouten hebben aangetoond dat de afschuifweerstand ongeveer overeenstemt met
60% van de treksterkte.
Dit komt omdat de effectieve afschuifsterkte gereduceerd wordt door
secundaire buigmomenten, veroorzaakt door, Figuur 4.11:
Onevenwicht in contactdrukken;
Buiging op de bouten door grote gatspeling.

4-8

spanningsconcentraties
Fv

Fv

Figuur 4.11: spanningsconcentraties door onevenwicht in de contactdrukken


Dit verschil is het meest significant bij een lipverbinding met n enkele bout. Door de aangrijpende
belasting neigt de verbinding uit de vlakken, waardoor de bout roteert en zowel afschuiving en buiging
aanwezig zijn in de bout.
De afschuifsterkte van de verbinding wordt als volgt berekend:

Fv . Rd =

0.6fub AS
, voor boutklasse 4.6, 5.6 en 8.8;
M b

(4.8)

Fv . Rd =

0.5fub AS
, voor boutklasse 4.8, 5.8, 6.8 en 10.9.
Mb

(4.9)

De cofficint 0.5 is het resultaat van een statistische evaluatie gebaseerd op een groot aantal
proefresultaten. Bouten van dit type zijn minder ductiel waardoor breuk plots optreedt.
In het geval dat het afschuifvlak door het gedeelte van de schacht zonder schroefdraad gaat, geldt:

Fv . Rd =

0.6fub A
Mb

(4.10)

4.4.2 Gatbreuk stuikdruk


Het vloeien door de contactdruk tussen de boutschacht en het plaatmateriaal kan leiden tot niettoelaatbare vervorming van de plaat rond de bout en mogelijk ook van de bout zelf. Het oppervlak dat
weerstand bied aan de stuikdruk (oplegdruk) (E: bearing pressure) wordt verondersteld gelijk te zijn
aan het product van de kleinste plaatdikte en de nominale boutdiameter (txd).
De afstand (e1) van de bout tot het einde van de plaat moet voldoende zijn om de nodige weerstand te
bieden tegen het uitscheuren van het boutgat, dat gedomineerd wordt door het oppervlak van het
afschuifvlak.
De optredende stuikspanningen zijn weergegeven in Figuur 4.12.
De aanwezige
spanningen verlopen zoals aangegeven in Figuur 4.8(a). Ze zijn gelijk aan nul op de rand van het
boutgat, en maximaal in het midden. De berekening zal rekenen met een gemiddelde stuikspanning
(fb,m). Dit is immers de waarde die experimenteel kan worden vastgesteld.

4-9

Fv/2

b
Fv
A

Fv/2

e1
Figuur 4.12: Grensstuikkracht stuikspanningen en faalmechanismen
De aanwezigheid van de schroefdraad in het contactvlak blijkt geen significante invloed te hebben op
de stuikdruk, maar zal wel leiden tot een toename van de vervorming.
Als de afschuifweerstand groter is dan de stuikdruk van de platen, zal n van de faalmodes (b,c,
Figuur 4.10) optreden. In dat geval zal de vervormingscapaciteit van de verbinding zeer groot zijn.
De verbinding heeft een ductiel karakter.
Opmerking: in het andere geval, wanneer falen optreedt door het bereiken van de afschuifweerstand
van de bout, zal de vervormingscapaciteit van de verbinding zeer klein zijn. De verbinding heeft een
bros gedrag.
De ontwerp stuikdruk wordt gegeven door:

Fb.Rd = f b, m dt = 2.5fu dt

(4.11)

De gemiddelde stuikdruk wordt gerelateerd aan de ultieme sterkte van het plaatmateriaal, via een
cofficint 2.5 . Deze cofficint (>1) is functie van:
De randafstand (e1);
De tussenafstand tussen de bouten (p1);
De verhouding van de boutsterkte en plaatsterkte (fub/fu).
Vgl.(4.11) is enkel toepasbaar wanneer voldaan is aan e2>1.5d 0 en p2>3.0d0. Worden gereduceerde
eind- en tussenafstanden gehanteerd, dan moet ook de stuikdruk gereduceerd worden.

4.4.3 Plaatbreuk
Wanneer de netto sectie van de plaat klein is, kan plaatbreuk de maatgevende faalmode zijn van de
verbinding, Figuur 4.10d.
Wanneer naar het spanningsverloop in de plaat wordt gekeken, dan zullen ter hoogte van het boutgat
spanningspieken aanwezig zijn, Figuur 4.13.

4-10

max

min
Figuur 4.13: spanningsverdeling in plaat rond boutgat
Omwille van de plastische herverdeling van de spanningen bij breuk, kan opnieuw gebruik gemaakt
worden van een gemiddelde waarde voor het berekenen van de plaatweerstand. De plastische
rekensterkte van de netto -doorsnede (Anet) (boutgaten in mindering brengen):

Nnet.Rd =

Anet fy

(4.12)

M0

4.5 Sterkte van een verbinding belast op trek


4.5.1 Grenstrekkracht van een bout
In het algemeen wordt de trekweerstand van een bout gebaseerd op de spanningsdoorsnede:

Ft = f ub AS

(4.13)

Het resultaat van een statistische evaluatie van een zeer groot aantal trekproeven heeft geleid tot een
aanpassing van dit theoretisch verband:

Ft = 0. 9f ub AS

(4.14)

De ontwerptreksterkte van een bout wordt daarmee gegeven door [Tabel 6.5.4]:

Ft .Rd =

0. 9f ub AS
Mb

(4.15)

Omwille van verplaatsingen tussen bout en plaat, en boutkop en moer, zal een bijkomend
buigmoment de ultieme trekweerstand van de verbinding verkleinen [Figuur 6.5.8]. De boutverbinding
moet berekend worden op het geheel van de aangrijpende normaalkracht (FN) en wrikkracht (Q)
[J.3.3, Figuur J.3.2 -J.3.3, zie ook Figuur 4.19]. Deze wrikkracht zal functie zijn van de stijfheid van de
verbindingselementen (hier flenzen).
Deze wrikkrachten kunnen vermeden worden door het
aanbrengen van verstijvingsribben [Figuur 6.5.9].

4.5.2 Grensponskracht van een boutkop


De grensponskracht (B p.Rd) van een boutkop wordt bepaald door de dikte van de plaat onder de
boutkop of de moer (tp) en het minimum van de gemiddelde diameter van de ingeschreven en de
omschreven cirkel van de boutkop of van de moer (dm), Tabel 4.4:

Bp.Rd =

0.6d m t pfu

(4.16)

Mb

bout M8
M10
M12
M14
M16
M18
M20
M22
d
8
10
12
14
16
18
20
22
dm
14
18.3
20.5
23.7
24.58
29.1
32.4
34.5
Tabel 4.4: dm gemiddelde van ingeschreven en omschreven cirkel van boutkop

M24
24
38.8

M27
27
44.2

M30
30
49.6

4-11

4.6 Combinatie van trek en afschuiving


In vele verbindingen zal een combinatie van trek en afschuiving op bouten aanwezig zijn.
Verschillende interactie-criteria werden voorgesteld. De Eurocode hanteert een bi-lineair interactie
verloop, Figuur 4.14:

Fv .Sd
Ft .Sd
+
<1
Fv .Rd 1.4Ft .Rd

(4.17)

Dit verloop is het resultaat van experimenteel onderzoek. De volle trekweerstand is aldus aanwezig
voor waarden van afschuiving tot ongeveer 30% van de afschuifsterkte.
Ft
1.4Ft.Rd
Ft.Rd

Fv
0.286Fv.Rd

Fv.Rd

Figuur 4.14: Interactieformule voor grensafschuif- en grenstrekkracht van bouten

4.7 Voorspannen van bouten


Het voorspannen van bouten (voorspankracht:Fp.Cd) gebeurt door het aanbrengen van een
wringmoment op de bouten alvorens de uitwendige belastingen aangrijpen. Door deze voorspanning
zal de schacht van de bout verlengen (trekkracht) en zullen de moer en bouthoofd verkorten
(drukkracht). Een gedeelte van de voorspanning gaat verloren in wrijving tussen plaat en bouthoofd
enerzijds en plaat en moer anderzijds. De rest van de voorspanning zit in de schacht van de bout.
Volgende krachtswerking treedt op:
trekkracht in de bout, in evenwicht met de drukkrachten in bouthoofd en moer en dus platen;
torsie in de bout, in evenwicht met plaat/bout wrijving.
Het voorspannen verhoogt de performantie:
in een verbinding belast op afschuiving zorgt de voorspanning ervoor dat de platen niet
onderling gaan glijden.
Daardoor worden niet-elastische zettingen in de verbinding
voorkomen;
in een verbinding belast op trek vermijdt de voorspanning het loskomen van de twee platen.
Dit reduceert het gevaar op corrosie en verhoogt daarenboven de weerstand tegen
vermoeiing.

4.7.1 Verbindingen belast op trek


Figuur 4.15 geeft het verband tussen de verlenging van de bout en het verkorten van de
plaatverbinding door de voorspanning. Wanneer een externe kracht (Fe) op de verbinding wordt
aangebracht, zal de kracht op de bout (Fp.Cd+X) toenemen. Op hetzelfde moment zal de verlenging
van de bout toenemen en zal de samendrukking van de platen in de verbinding evenveel afnemen
(L). De krachten zullen toenemen in verhouding tot hun stijfheid. In praktijk is de stijfheid van de
platen in de verbinding ongeveer 4 tot 10 maal deze van de boutstijfheid. De externe trekkracht zal
dus voor 75-90% opgenomen worden door een afname in drukkracht, en voor 10-25% door een
toename in trekkracht in de bout. De uitwendige belasting (Fe) zorgt voor een verlenging van de bout
(Lb) en een decompressie van de platen (Lp). Deze verlenging is evenredig met de aangrijpende
kracht, via de stijfheid van de elementen (k b voor de bout, k p voor de plaat):

4-12

Lb =

X
kb

Lp =

Y
kp

(4.18)

Zone
in
voorspanning

druk

Fe

door
Fe/2

Fe/2

Fp.Cd-Y
Fp.Cd+X
Fp.Cd

Fp.Cd+X
Fe/2

Fp.Cd-Y

Fe/2

Fp.Cd

Fe

X
Y
Ft

Fc

Figuur 4.15: verlengen van bout en samendrukken van platen in voorgespannen verbinding op trek
De boutstijfheid (k b) wordt gegeven door de stijfheid van de schacht zonder draad (A ) en met draad
(A S):

kb =

LA LA S
+
EA EAS

(4.19)

De stijfheid van de plaat wordt aangenomen 10 keer groter te zijn dan deze van de bout (de kracht
verdeelt zich over een oppervlak ongeveer 10 maal groter dan de boutsectie):

k p 10k b

(4.20)

Verticaal evenwicht leert dat:

Fe = X + Y

(4.21)

Compatibiliteit van de verplaatsingen leidt tot:

Lp = Lb =

X
Y
=
kb k p

(4.22)

Uit beide vergelijkingen kunnen X en Y opgelost worden als een functie van de uitwendige belasting
(Fe) en de verhouding van de stijfheden (kp en kb):

4-13

X =

Fe
F
e
k p 11

1 +

k b

Y = 1
k
1 + p
kb

(4.23)

10

Fe 11 Fe

(4.24)

Deze formules zijn enkel geldig wanneer plaatcontact behouden blijft, dus: YFe.
neemt de bout de volledige uitwendige belasting op: X=F e, en geldt: Fe1.1Fp.

Op dat moment

Met deze toename in trekkracht dient rekening gehouden te worden bij het ontwerp van de
boutverbinding, zodat de ultieme treksterkte van de bout niet overschreden wordt bij het aangrijpen
van de externe belasting [6.5.8.4 Trek en afschuiving gecombineerd].

4.7.2 Verbindingen belast op afschuiving


Daarnaast zijn voorgespannen bouten verplicht in verbindingen belast op krachten met wisselend
teken of dynamische belastingen (UGT). Door de voorspankracht ontstaat er een klemspanning in de
platen die de verbinding uitmaken. De afschuifkracht wordt niet langer overgedragen door direct
contact tussen boutgat en bout, maar door wrijving, Figuur 4.16. Bouten die krachten overdragen
door wrijving, zijn gekend als HSFG-bouten (E: High Strength Friction Grip). Dit type van verbinding
heeft een hoge stijfheid, weerstaat aan krachten met wisselend teken en kent een verhoogde
weerstand tegen vermoeiing.
Daartegenover staat hun hogere kostprijs, omwille van de
voorbehandeling van het oppervlak om de verbeterde grip te realiseren.
Daarom worden ze
voornamelijk gebruikt in die toepassingen waar hun sterke punten vereist zijn, bv.: bruggen, kranen en
kraanliggers.

Fv/2

Krachtsoverdracht via wrijving


Fv
A

Fv/2
Onderlegring uit gehard staal
Vrije ruimte tussen bout en boutgat

Figuur 4.16: voorgespannen bouten - krachtsoverdracht door wrijving bij op afschuiving belaste
verbinding

4.7.3 Voorspanning
Om voldoende wrijving te kunnen realiseren voor verbindingen belast op afschuiving, alsook het
overschrijden van de treksterkte van de bouten te vermijden, wordt volgende ontwerpvoorspanning
(Fp.Cd) voorgeschreven:

Fp.Cd = 0.7fub AS

(4.25)

4.7.4 Aanbrengen van voorspanning


Door de voorspanning mag echter de boutcapaciteit niet overschreden worden.
Experimenteel
onderzoek (zie ook 4.7.1) toont aan dat de ultieme boutcapaciteit voor een statische belasting niet
wordt benvloed door de voorspanning, op voorwaarde dat zij wordt beperkt en aldus gecontroleerd
wordt aangebracht.

4-14

Het aanbrengen van de voorspanning kan op 3 manieren worden uitgevoerd.


De eerste methode bestaat erin de gewenste voorspanning te realiseren door het aanbrengen van het
overeenstemmend wringmoment (Ma) met behulp van een dynamometrische sleutel (of:
momentsleutel):

M a = k d Fp

(4.26)

Met:

Fp: de gewenste voorspanning [N];


d: de boutdiameter [mm];
k: wrijvingscoefficient tussen de staalvlakken. Praktijkwaarden voor k:
o Tussen 0.12-0.20;
o k=0.18 kan als richtwaarde gebruikt worden voor licht geoliede bouten;
o k=0.14 kan als richtwaarde gebruikt worden voor bouten behandeld met het glijmiddel
(molubdeen sulfide).

Deze methode wordt frequent gebruikt, maar de spreiding op de resulterende voorspanning is redelijk
groot, afhankelijk van de factor k in de prakti jk. Wanneer k zeer laag blijkt te zijn, is er het gevaar dat
de bout het begeeft bij het voorspannen reeds, wanneer k zeer hoog blijkt te zijn, kan het zijn dat de
gewenste voorspanning niet wordt bereikt.
Een tweede methode bestaat erin om de voorspanning te realiseren door het vooropstellen van een
hoekverdraaiing van de moer, die via de spoed van de schroefdraad p
( , Tabel 4.2 ) leidt tot verlenging
van de schacht en dus voorspanning. De bout wordt eerst met de hand of moersleutel aangeschroefd
tot de platen contact maken.
Vervolgens wordt de gewenste voorspanning geleverd door een
vooropgesteld aantal omwentelingen van de moer.
Door de voorspanning bevindt de bout zich in het plastisch gebied. Door de grote ductiliteit van de
bout (die voornamelijk functie is van het gedeelte met schroefdraad, opgepast voor bouten met korte
stukken draad) zal een variatie in hoek slechts een beperkt effect hebben op de voorspanning. Het
gevaar voor het overbelasten van de bout is kleiner dan bij het gebruik van een momentsleutel.
In het geval dat de platen niet vlak zijn, en geen goed contact wordt bereikt bij het handmatig
aandraaien van de moer, zal het vooropgestelde aantal omwentelingen niet leiden tot de gewenste
voorspanning.
Het is dan ook een basisvereiste dat de platen vlak zijn en een goed contact
gerealiseerd is alvorens de omwentelingen worden aangebracht.
De gecombineerde methode komt tegemoet aan de nadelen van beide voorgaande. In een eerste
fase wordt met behulp van een momentsleutel 75% van de voorspanning gerealiseerd. Daardoor is
het gevaar op overbelasting beperkt. De kracht is voldoende groot om elke opening tussen de platen
dicht te drukken, waardoor de platen volledig contact maken.
In een tweede fase wordt de voorspanning op 100% gebracht door het verder aandraaien van de
moer volgens een vooraf bepaalde rotatiehoek. Deze bedraagt meestal 90 of 120, in functie van de
lengte van de bout. Als in de eerste fase reeds een grote voorspanning is gerealiseerd, dan zal de
bijkomende rotatiehoek geen grote toename van de voorspanning teweeg brengen. Als daarentegen
in de eerste fase de voorspanning redelijk laag ligt, dan zal de bijkomende rotatie leiden tot een
behoorlijke voorspanning.

4.7.5 Glijweerstand
HSFG (High Strength Friction Grip) bouten in afschuiving brengen deze krachten over door wrijving
tussen de contactvlakken. De weerstand van dit type verbinding is functie van de aangelegde
voorspanning (Fp.Cd), de wrijvingscofficint () en het aantal afschuifvlakken (n):

FS.Rd =

nF p.Cd
Ms

(4.27)

4-15

De wrijvingscofficint is functie van de voorbereiding van het oppervlak, Tabel 4. 5.


Klasse
A

0.50

Oppervlakte-behandeling
Oppervlakken gestraald met zand of grit en met:
- verwijderen van alle loszittende roest, geen put-corrosie aanwezig
- met aluminium gemetalliseerd;
- met een bekleding op basis van zink, die een van 0.50 waarborgt
B
0.40
Oppervlakken gestraald met zand of grit, en geschilderd met een alkali-zink
silicaatverf met een dikte van 50-80m.
C
0.30
Oppervlakken met een staalborstel of met de vlam gereinigd, met verwijdering van
alle losse roestvorming
D
0.20
Niet-behandeld oppervlak
0.10
Zandstralen van het oppervlak en warm gegalvaniseerd door onderdompeling
Tabel 4.5: wrijvingscofficint als functie van de voorbereiding van het oppervlak

4.8 Effecten van externe krachten en verificatie van sterkte


Voor de verdeling van de interne krachten tussen bouten of klinknagels kan elke rationele en redelijke
verdeling aangenomen worden, die beantwoordt aan een aantal vereisten:
de interne krachtsverdeling is in evenwicht met de aangrijpende spanningsresultante;
elk onderdeel van de verbinding is geschikt om te weerstaan aan de krachten en spanningen
waarvan de berekening uitgaat;
de vervormingscapaciteit van de verbindingsmiddelen of lassen enerzijds en van de
aangesloten onderdelen anderzijds laten de vervormingen toe, die uit de aangenomen
verdeling resulteren;
de interne krachtverdeling moet realistisch zijn ten aanzien van de relatieve stijfheden in de
verbinding. De interne krachtverdeling zal de weg van de grootste stijfheid willen volgen.
Deze weg dient duidelijk bepaald te worden en doorheen het volledige ontwerp en de
berekening van de verbinding te worden gerespecteerd.
Hierna zullen een aantal frequent voorkomende combinaties van externe belastingen behandeld
worden in combinatie met een rationele aanname voor de verdeling van de interne krachten in de
bouten [6.5.4]:
afschuiving en torsie;
lange verbindingen op afschuiving;
trek en buiging;
normaalkracht, dwarskracht en buigmoment;
afschuiving en buigmoment [Figuur 6.5.7].

4.8.1 Afschuiving en torsie


Een wringmoment moet gerelateerd worden aan een rotatiepunt dat gekoppeld wordt aan de
geometrie van de boutverbinding, Figuur 4.17. Dit punt stemt overeen met het rotatiecentrum van de
verbinding. In realiteit zal dit punt niet vast liggen wanneer de uitwendige belasting in grootte
toeneemt, omwille van:
de onregelmatige spreiding van wrijvingskrachten;
het elastisch materiaalgedrag;
de wijziging van de vrije ruimte tussen boutgat en bout.

Daarom worden enkele vereenvoudigingen aangenomen die aan de veilige kant liggen:
de verbindingsplaten worden verondersteld oneindig stijf te zijn;
de bouten zijn perfect elastisch.
Door deze aannames zijn de relatieve verplaatsingen van elke bout constant voor wat betreft de
dwarskracht en proportioneel tot de afstand met het zwaartepunt van de boutgroep voor wat betreft
het wringmoment.
Voor de berekening van de interne krachtsverdeling leidt dit tot volgende werkwijze, Figuur 4.17:

4-16

de externe kracht wordt gerelateerd aan het zwaartepunt van de boutgroep, c. De externe
kracht wordt ontkoppeld in een dwarskracht en wringmoment;
de dwarskracht wordt gelijk verdeeld over alle bouten in de werkingsrichting van de
dwarskracht;
het wringmoment wordt verdeeld in krachten op de bouten die loodrecht staan op de
verbindingslijn van de bouten met het zwaartepunt van de boutgroep en de grootte van de
kracht is proportioneel met de afstand tussen de twee.

Bijdrage
dwarskracht

Gecombineerd
effect

Bijdrage
wringmoment
FT.Sd,6

FT.Sd,1

160mm

e=300mm
c

FV.Sd
=24 kN

160mm

Fv.Sd,i

FT.Sd,5

FT.Sd,4

FT.Sd,2

FT.Sd,3

y
x

Figuur 4.17: interne krachtsverdeling


Deze aannames houden geen rekening met de mogelijke kracht herverdeling tussen de meest belaste
en minst belaste bouten, maar houdt wel rekening met het ontwikkelen van een plastische zone rond
de boutgaten om de schuifspanning over de bouten te verdelen. Er wordt van uitgegaan dat alle
bouten in contact staan met de platen. Dit betekent niet dat alle bouten gelijktijdig gaan glijden over
een hoeveelheid gelijk met de afstand tussen bout en boutgat, maar wel dat een locale plastische
vervorming van het boutgat optreedt daar waar het eerste contact plaatsvindt.
4.8.1.1 Verdeling van de dwarskracht
Voor de optredende afschuifkracht geldt aldus, FV.sd=24 kN bijvoorbeeld:

Fv .Sd
24k N
=
= 4k N ,
n nb
1 6

Fv .Sd,i =
met:

(4.28)

n: het aantal vlakken waartussen contactwrijving optreedt;


nb: het aantal bouten

4.8.1.2 Dwarskrachtverdeling in lange verbindingen


De aangenomen interne krachtsverdeling is aanvaardbaar, zolang de afstand (Lj) tussen de eerste en
de laatste bout, gemeten in de richting van de afschuiving, beperkt blijft:
L j 15 d

(4.29)

Wordt de tussenafstand groter, dan is de aanname dat elke bout een gelijk deel van de dwarskracht
opneemt niet langer aanvaardbaar, Figuur 4.18.

4-17

FV.Sd/2
FV.Sd
FV.Sd/2
1

FV.Sd,5

FV.Sd,m=Fv.Sd/9
FV.Sd,1

FV.Sd,9

Figuur 4.18: Lange verbinding belast op afschuiving


Als resultaat van een groot aantal experimenten (vergelijk met de berekening van gelijmde
verbindingen in Technologie der Bouwmaterialen), blijkt de kracht op de meest belaste bout gelijk te
zijn aan:

Fv .Sd,max = Fv .Sd ,i

(4.30)

met gelijk aan:

1
voor : L j 15d

L j 15d
= 1 + 0. 33
voor : 15d L j 65d
50d

voor : L j > 65d


1. 33
Deze toename in afschuifkracht wordt niet doorgerekend in de EC.
afschuifsterkte van de meest belaste bout gereduceerd met een factor Lf:
Fv . Rd, Lf = Lf Fv .Rd

(4.31)

In de plaats daarvan wordt de

(4.32)

met:

Lf

0. 75
L j 15d
= 1
200d

1. 00

(4.33)

4.8.1.3 Verde ling van het wringmoment


Het wringmoment wordt verdeeld tussen de bouten als functie van de afstand tot het zwaartepunt van
de boutgroep (ai). Voor een bout i, Figuur 4.17, wordt de aangrijpende belasting daarmee gelijk aan
[T: Torsion]:

FT .Sd ,i = kai

(4.34)

Uit het globale rotatie-evenwicht volgt:


nb

TSd = Fv .Sd e = n

T .Sd ,i ai

= 24kN 300mm = 7200kNmm

(4.35)

i =1

Hieruit kan de kracht op een individuele bout berekend worden:

4-18

TSd

FT .Sd,i =

ai FT . Sd,1 =

nb

ai2

7200kNmm
802 + 1602 = 9.15kN; FT .Sd ,2 = 4. 09kN
1 (2 x80 + 4 160 )

(4.36)

i =1

4.8.1.4 Het gecombineerd effect


De vectorile som, Figuur 4.17, van de krachten Fv.Sd,i en FT.Sd,i, levert de kracht dit werkt op een
doorsnede van bout i.
Om deze vectorile som te berekenen wordt een x-y-assenstelsel
aangenomen, Figuur 4.17. Dit leidt tot volgende krachtscomponenten:

Fv .Sd,i , x =

Fv .Sd ,x
n nb

Fv .Sd, y
0
24kN
= 0 , en: Fv .Sd,i , y =
=
= 4kN
1 6
n nb
1 6

TSd

FT .Sd,i , x =

(
nb

x i2

y i2

i =1

TSd

FT .Sd,i ,y =

(
nb

x i2

y i2

i =1

FT .Sd ,1, x = y i =

x i FT .Sd,1, y ==

(4.37)

7200kNmm
160mm = 8. 18kN , en :
1 140. 800

7200kNmm
80 = 4.09kN
1 140.800

(4.38)

(4.39)

De kracht op een individuele bout wordt daarmee gelijk aan:

FSd,i =

(Fv.Sd,i ,x + FT .sd,i ,x )2 + (Fv .Sd,i ,y + FT .sd,i ,y )2 FSd,1 = (0 + 8.18)2 + (4 + 4.09)2 = 11.50k N (4.40)

4.8.2 Trekkracht en buigmoment


De interne verdeling van de krachten in de boutgroep is voor dit geval een stuk complexer. De
verdeling hangt in grote mate af van de stijfheid van de flens waarop de externe kracht wordt
overgedragen.
Om vooreerst de aannames kwalitatief te analyseren, wordt de eenvoudige verbinding bekeken,
Figuur 4.19. Als de flens voldoende stijf is, dan kan de vervorming worden verwaarloosd en kan men
aannemen dat de bouten belast worden op een zuivere trekkracht. Het falen van de verbinding is dan
het gevolg van het falen van de bouten.
FN=F

FN=F

FN=F+Q

FN=F+Q

Qe

Momentenverloop
in flens
Figuur 4.19: Trekkracht en buigmoment stijfheid der flenzen
2F

2F

In het andere geval, als de flens niet voldoende stijf is, ontstaan er extra contactkrachten Q en zullen
de bouten de opgetreden vervorming volgen.
Ze zijn daardoor eveneens onderhevig aan een
buigmoment. De krachten Q zijn functie van de stijfheid van de flens, van de bouten alsook van de
aangrijpende belasting. Het falen van de verbinding kan het gevolg zijn van de kracht die aangrijpt op
de bout: FN = F+Q, of het plastisch vloeien van de flens.

4-19

Dit eenvoudige voorbeeld geeft aanleiding tot twee verschillende methodes om de verdeling van trek
en buiging door te rekenen:
De flens is vervormbaar en de contactkrachten Q reduceren het buigmoment in de flenzen. In
dit geval zal de krachtverdeling in de bouten afhankelijk zijn van de boutgeometrie en de
stijfheid van de flenzen. De ontwerpsterkte van de bouten moet dan eveneens de secundaire
momenten op de boutschacht in rekening brengen. Experimenteel onderzoek laat niet toe
een algemene methodiek te formuleren zodat de interactie tussen flensstijfheid en het gedrag
van de bouten correct wordt begroot;
De vervormbaarheid van de flens wordt verwaarloosd. Het gedrag van de doorsnede kan
beschouwd worden als een gewapend betonnen doorsnede. Trek wordt opgenomen door de
bouten en druk door contact tussen de flenzen. De krachtverdeling in de boutgroep is dus
enkel functie van de boutgeometrie. De ontwerpsterkte van de bouten kan dan berekend
worden zonder het in rekening brengen van secundaire momenten op de boutschacht.
De tweede methode wordt algemeen aanvaard als ontwerpmethode voor verbindingen belast op trek
en enkelvoudige buiging. Belangrijk hierbij is ervoor te zorgen dat aan de voorwaarde van een
voldoende stijve flens wordt voldaan. In de praktijk wordt de spanning best beperkt tot de vloeigrens.
Spanningsherverdelingen door plastisch gedrag brengen grote vervormingen met zich mee en zijn
daardoor niet in overeenstemming met de aanname.
4.8.2.1 Krachten binnen middenkern
Wanneer de kracht aangrijpt binnen de middenkern gevormd door de boutgroep enkel, Figuur 4.20,
dan worden alle bouten belast op trek. De kracht op een individuele bout kan berekend worden
uitgaande van het behoud van platte vlakken gevormd door de weerstand biedende sectie van de
bouten.
Dan geldt:

Nb, i =

FN.Sd FN.Sd e
+ n
yi
n
2
yi

(4.41)

i =1

Hierin is:
e: de excentriciteit waarmee de trekkracht aangrijpt ten opzicht van het zwaartepunt van de
boutgroep;
yi: de afstand van de neutrale lijn tot de bout i.
y

2N b,1
b1

G
FN.Sd

y1

b2

2Nb,2

b3

2Nb,3

Figuur 4.20: Excentrisch aangrijpende normaalkracht


4.8.2.2 Krachten buiten de middenkern
Wanneer de trekkracht aangrijpt buiten de middenkern van de boutgroep, Figuur 4.21, of de
drukkracht aangrijpt buiten de middenkern van de eindplaat, staat de eindplaat gedeeltelijk onder druk
en gedeeltelijk in trek.

4-20

De boutgaten worden over het algemeen verwaarloosd, zodat het gedeelte in druk kan beschouwd
worden als rechthoekig.
Een lineaire verdeling van de rekken () en spanningen () wordt algemeen aangenomen voor het
gedeelte van de eindplaat in druk.
In dat geval roteert de doorsnede rond een rotatie-as door het punt C.
FN

Spanningen
c

Rekken

x
yc

a/2

b1

e1

y
b2

y3
2Nb,2/A2

b3

2N b,3/A3

b4

2Nb,4/A4

b
Figuur 4.21: krachten buiten de middenkern trekkracht en buigmoment
De kracht op een individuele bout (Nb,i) is evenredig met de afstand tot de neutrale lijn door C (yi-yc) en
kan berekend worden uit:
N b, i = k (y i y c )Ai

(4.42)

De drukspanningen in de eindplaat zijn evenredig met de afstand tot de neutrale lijn door C. De
maximale spanning op het uiteinde (yc) is daarmee gelijk aan:

c = k yc

(4.43)

waarin:
k: een evenredigheidsconstante
Ai: het oppervlak van een boutdoorsnede
Door het uitschrijven van het translatie-evenwicht en rotatie-evenwicht, wordt een stelsel van
vergelijkingen gevonden waaruit de positie van de neutrale lijn (C), de waarde van de maximale
spanning in de einplaat (c) en de axiale krachten in de bouten (Nb,i) kunnen berekend worden.
Het horizontaal evenwicht leidt tot:

= NSd : c y c

b,i

= NSd (opmerking: N Sd>0 in geval van druk)

(4.44)

i =1

Het momentenevenwicht resulteert in:

= M Sd :

N
i =1

b, i

(y i y c ) + c y c b 2y c
2 3

= M Sd NSd y c
2

(4.45)

4-21

Invullen van vgl.(4.42) en vgl.(4.43) in vgl.(4.44) geeft de positie van de neutrale lijn:

y c2b

kA (y
i

y c ) = N Sd

(4.46)

i =1

of:

k =

N Sd

(4.47)

by 2
Ai (y i y c ) c
2
i =1

Invullen van vgl.(4.42) en vgl.(4.43) in vgl.(4.45) geeft de volgende uitdrukking voor de konstante k:

by 3c
+
3

kA (y
i

i =1

2
y c ) = M Sd N Sd y c
2

(4.48)

Definieer:

e=

M Sd
NSd

(4.49)

Dan wordt vgl.(4.48) herschreven tot:

by 3c
+
3

kA (y
i

i =1

2
y c ) = NSd e + y c
2

(4.50)

De uitdrukking voor k, vgl.(4.47) in vgl.(4.50) levert een derde graadsvergelijking waaruit de positie
van de neutrale lijn (yc) kan berekend worden:

y c3

b
b
a
y c2 e + y c
6
2
2

Ai e + y i +
2

i =1

y A e + 2 y
i

i =1

=0

(4.51)

Met de ligging van de neutrale lijn kan vervolgens de evenredigheidsconstante k bepaald worden uit
vgl.(4.47). Deze parameters laten toe de normaalkracht (Nb,i) in elk van de bouten te begroten
overeenkomstig vgl.(4.42). De bovenstaande vergelijkingen zijn van toepassing voor bouten op trek.
Als de neutrale lijn (yc) een waarde heeft groter dan de ordinaat van de eerste boutrij (y1), dan wordt
de eerste boutrij niet op trek belast. De berekening moet dan herhaald worden zonder deze boutrij.
4.8.2.3 Zuivere buiging (N=0)
In het eenvoudige geval van zuivere buiging (NSd=0), vereenvoudigen de formules.
evenwicht leidt tot:

= 0 : cyc

Het horizontaal

b, i

=0

(4.52)

i =1

Het momentenevenwicht resulteert in:

= M Sd : c y c

b 2 yc
+
2 3

b,i

(y i y c ) = M Sd

(4.53)

i =1

Invullen van vgl.(4.42) en vgl.(4.43) in vgl.(4.52) geeft de positie van de neutrale lijn:

4-22

ky c y c

k (y

y c )Ai = 0

(4.54)

i =1

of:

y c2

b
+ yc
2

Ai

i =1

y A
i

=0

(4.55)

i =1

Invullen van vgl.(4.42) en vgl.(4.43) in vgl.(4.52) geeft de volgende uitdrukking voor de konstante k:

ky c y c

b 2y c
+
2 3

k (y

y c ) Ai = M Sd
2

(4.56)

i =1

of:

k =

MSd
by c3
3

(y

(4.57)

y c ) Ai
2

i =1

De neutrale lijn kan berekend worden uit de kwadratische vergelijking vgl.(4.55).


Eens de
evenredigheidsconstante bepaald is uit vgl.(4.57), kan opnieuw de normaalkracht in elk van de bouten
(N b,i) berekend worden uit vgl.(4.42).
4.8.2.4 Buiging en axiale kracht stijve flenzen
Wanneer het contactoppervlak in druk beperkt is, of wanneer de flens verstijfd is, dan is het meer
realistisch om de resultante van de contactdruk op een aanvaardbaar punt C te plaatsen en het
momentenevenwicht rond dit rotatiepunt te dwingen, Figuur 4.22. Hierbij opnieuw uitgaande van een
lineaire verdeling van de krachten in de bouten.
FN.Sd

Spanningen

Rekken

yc

C
a/2

b1

e1

yc
yc

2Nb,1/A1

y3
b2

2
2Nb,2/A2

3
y4

b3

b4

2Nb,3/A3

2Nb,4/A4

b
Figuur 4.22: buiging en axiale kracht C a priori bepaald
Door het vastleggen van (yc) a priori en de uitwendige belasting (FN.Sd) positief in druk, geldt:
N b , i = kAi (y i y c )

(4.58)

4-23

AN
i

b,i

(y i y c ) = M Sd

i =1

FN .Sd y c
2

(4.59)

Daaruit kan (N b,i) bepaald worden:

Nb, i

M Sd FN .Sd y c
2

A (y y )
=
i
i
c
n

A (y
i

(4.60)

yc )

i =1

Uit het horizontaal evenwicht in de richting van de aangrijpende kracht, kan de resultante (Rd) van de
contactdruk worden bepaald. Deze is gelijk aan:
n

Rd =

b, i

+ FN .Sd

(4.61)

i =1

Omwille van de stijfheid van de flens, kan een uniforme verdeling over een rechthoekige doorsnede
worden aangenomen. De grootte van het drukvlak is gelijk aan bx2y c, met het zwaartepunt in C:
n

b, i

c =

+ FN.Sd

i =1

(4.62)

2y c b

4.8.2.5 Buiging en axiale kracht maximaal draagvermogen


Een laatste alternatief bestaat erin het maximaal draagvermogen te begroten.
verdeling aangehouden worden, zoals aangegeven in Figuur 4.23.
FN.Sd

Rekken

x
O

a/2

b1

e1

In dit geval kan een


Spanningen

=
=

fu.Rd
yc

y2
b2

2
2Ft.Rd/A2

b3

b4

y4=ymax
4=max

2Ft.Rd /A3

2Ft.Rd /A4

b
Figuur 4.23: buiging en axiale kracht maximaal draagvermogen
Alle bouten zijn belast op de ontwerp normaalkracht (Ft.Rd) en de contactdruk bereikt de
ontwerpsterkte van het flensmateriaal (fu.Rd=fy/M0). De enige onbekende grootheid is de positie van de
neutrale lijn. Deze wordt bepaald uit het horizontaal evenwicht:
n bFt .Rd + f u.Rd y c b = FN.Sd

(4.63)

met nb het aantal bouten in trek.

4-24

Daaruit volgt de ligging van de neutrale lijn (yc):

yc =

FN .Sd + nbF t .Rd


fu.Rd b

(4.64)

Eens yc gekend is, kan het maximaal moment (MSd) bepaald worden, dat samen met de
normaalkracht (Ft.Sd) kan optreden:

M Sd = FN .Sd e = Ft .Rd

nb

y
i =1

yc
2

a y
+ FN .Sd c

2 2

(4.65)

Opgelet. Dit moment kan niet altijd beschouwd worden als het maximaal toelaatbaar moment. Opdat
dit wel zo zou zijn, moet de bout het dichtst bij de neutrale lijn de maximale trekkracht (F t.Rd) kunnen
opnemen, zonder dat de verst gelegen bout een verlenging ondergaat die groter is dan de breukrek
(t), Tabel 4.3. Dus moet gelden, Figuur 4.23:
max < t

(4.66)

De waarde voor de maximale rek kan gevonden worden uitgaande van de rek 2 voor de eerste bout
in trek, zodat deze de maximale sterkte bereikt:

2 =

f u.Rd
Eb

(4.67)

Daardoor geldt:

max = 2

y max y 2 fu.Rd y max y 2


=
< t
y2 yc
Eb y 2 y c

(4.68)

4.9 Lassen
Naast bouten, klink- en penverbindingen, vormen lasnaden een alternatieve verbindingstechniek voor
staalstructuren. De verbinding van het staal vindt plaats door het aan mekaar smelten van de te
verbinden onderdelen. Dit kan plaatsvinden in het atelier voor kleinere onderdelen, maar tevens op
de werf, waar grotere onderdelen in situ worden verbonden. Omdat de krachtswerking van de
structuur volledig door de lasnaad wordt overgedragen tussen de onderdelen, is het duidelijk dat de
kwaliteit van de lasnaad van groot belang is. Niet enkel het materiaal en materieel dat gehanteerd
wordt, maar eveneens de kwalificatie van het personeel alsook de werkomstandigheden zullen deze
kwaliteit bepalen. Daarbij komt nog dat defecten in lasnaden een stuk moeilijker zijn vast te stellen,
dan bijvoorbeeld bij boutverbindingen. Daartegenover staat dat met lasnaden een kwalitatieve en
vaak meer esthetische verbinding kan gerealiseerd worden.
ste

Het aan mekaar lassen van onderdelen startte aan het begin van de 20 eeuw. De nadelen die men
ondervond bij het aan mekaar klinken van stukken dacht men te kunnen oplossen door ze monoliet
met mekaar te verbinden door het staal lokaal te smelten.
De grootste moeilijkheid hierbij lag duidelijk bij de invloed van het smelten van het staal en de invloed
ervan op de micro-structuur van het staal. Het opwarmen moest tot een minimum beperkt worden.
Om hieraan tegemoet te komen werd eerst gebruik gemaakt van een elektrische boog, waardoor een
zeer locale bron van warmte kon worden gerealiseerd.
Eerst werden twee koolstof electrodes
gebruikt die in de onmiddellijke omgeving van het stuk geplaatst werden (Zrener). Later wordt de
boog gevormd door n elektrode en het stuk zelf (Bernados).
Tenslotte wordt de elektrode
vervangen door een gesoleerde metalen draad (Kielberg, 1908). Deze laatste techniek heeft zich

4-25

snel verspreid doorheen de USA en daarna ook over Europa.


betrouwbaarheid van deze techniek steeds bevestigd.

Laboratorium proeven hebben de

De basis van deze techniek heeft geleid tot de ontwikkeling van vele andere lasprocedures.
Momenteel bestaan er wel een 40-tal verschillende lasprocedures, afhankelijk van het te verbinden
materiaal, de omgevingsomstandigheden, de te realiseren verbinding,...
De vele bestaande
lasprocessen onderscheiden zich voornamelijk door de wijze waarop de benodigde warmte wordt
toegevoerd en waarop de metalen delen zonodig tegen of op elkaar worden gedrukt. Lasprocessen
kunnen zo in twee grote groepen worden onderverdeeld:
Druklassen;
Smeltlassen.

4.9.1 Druklassen
Bij het druklassen (ook: weerstandslassen) worden de te verbinden delen ter plaatse van de las in een
deegachtige toestand gebracht en tegelijkertijd op of tegen elkaar gedrukt. Daardoor ontstaat een
verbinding zonder toevoeging van extra materiaal.
Het druklassen komt bij de fabricage van
staalconstructies weinig voor.
Een vorm van druklassen is bijvoorbeeld het rollassen. Deze techniek wordt toegepast bij het op
elkaar bevestigen van dunne platen voor bijvoorbeeld radiatoren. Een andere vorm is het stiftlassen
voor het bevestigen van pennen, draadeinden en deuvels op een staalconstructie, Figuur 4.24.

Figuur 4.24: aanbrengen van deuvels door middel van stiftlassen vorm van druklassen [overgenomen
uit: ESDEP, Figure 01A_021.gif]

4.9.2 Smeltlassen
Bij dit lasproces worden de te verbinden delen, het moedermateriaal, plaatselijk verhit tot een
vloeibare toestand. Meestal voegt men tegelijkertijd (las)materiaal in vloeibare toestand toe, waarvan
de samenstelling zoveel mogelijk gelijk is aan dat van het moedermateriaal. Na het stollen ontstaat
een hechte verbinding waarvan de sterkte minimaal overeenkomt met deze van het moedermateriaal.
Figuur 4.25 geeft een overzicht van de verschillende smeltlasprocds.

4-26

Figuur 4.25: Smeltlassen een overzicht [overgenomen uit Construeren A, 2001, pp.162, Figuur 3.50]
Tot de smeltlasprocds behoren ondermeer:
het autogeenlassen (warmtebron: O2 en acetyleengas: C2H2 of HC=CH). De temperatuur in
het heetste punt loopt op tot 3100C. Staal smelt bij 1500C. Van deze lasprocds komt
het autogeenlassen nog maar zelden voor. In het huidige staalbouw is het nagenoeg volledig
verdrongen door het elektrisch lassen.
het elektrisch lassen (warmtebron: elektrisch opgewekte vlamboog): Gezien de elektrische
geleidbaarheid van staal kan een elektrische stroom doorheen het staal geleid worden. Eerst
wordt de kring gesloten, en wordt het geheel capacitief opgeladen, vervolgens is er overslag
van een vonk ;
thermietlassen (warmtebron: chemische reactie tussen ijzeroxide en aluminium).
Het
thermietlassen ook wel bekistlassen genoemd is bijzonder geschikt voor werkstukken met
grote doorsneden, zoals kraanrails.
In de volgende paragrafen wordt een beknopte beschrijving van verschillende procds van elektrisch
lassen of booglassen gegeven. Tijdens het lassen is het noodzakelijk om zowel het vloeibare
lasmateriaal alsook het moedermateriaal te beschermen tegen atmosferische invloeden, met name de
inwerking van zuurstof (O2) en stikstof (N). Afhankelijk van de wijze waarop dit gebeurt, onderscheidt
men drie soorten elektrische lasprocds.
4.9.2.1 Booglassen met gas- en slakbescherming
Dit lasproces (E: SMAW: Shielded Metal Arc Welding) wordt voornamelijk gebruikt bij het handlassen,
waarbij de lasser alle noodzakelijke handelingen handmatig uitvoert. Met een lastang trekt de lasser
een lasboog tussen de elektrode (ook wel lasdraad genoemd) en het werkstuk. Hierdoor worden
zowel het moedermateriaal als de elektrode verhit tot een vloeibare toestand, Figuur 4.26. Gelijktijdig
met de elektrode smelt ook de bekleding van de elektrode en ontstaan er gassen en een slak, die
beide het lasproces beschermen tegen inwerking van de buitenlucht.
Daarnaast komen
toeslagstoffen vrij die volgende functies vervullen:
Kalmeren van het vloeibare metaal;
Verwijderen van verontreiniging uit het bad;
Stabiliseren van de vlamboog;
Verhogen van het rendement en de kwaliteit van het neergesmolten materiaal door het
toevoegen van legeringselementen.

4-27

1 Kerndraad
2 bekleding
3 uiteinde kerndraad in vloeibare toestand
4 bescherming door (vloeibare) slak
5 elektrische boog
6 werkstuk (moedermateriaal)
7 smeltbad
8 gestolde slak
9 vloeibare slak
10 kelk, geeft richting aan gastroom en metaaldruppels
11
gasstroom,
veroorzaakt
door
verbranding
van
bestanddelen uit de bekleding
12 overgaande druppel lasmateriaal (omgeven door slak)
13 stollend lasmateriaal
Figuur 4.26: Principe van het booglassen met gas- en slakbescherming [overgenomen uit Constueren A,
Figuur 3.51 pp.163]

De slak, die uit de bekleding ontstaat, moet in het smeltbad goed boven komen drijven en vormt dan
een warmte -isolerende laag. Dit bovendrijven wordt verzekerd door het verschil in dichtheid (2.6
kg/m tegen 7.85 kg/m voor staal). Daarnaast heeft ook een lagere smelttemperatuur, zodat het
eerder smelt. Daardoor koelt de las minder snel af en verbetert de structuur van het staal. De slak
beschermt ook de oxidatie van het warme FeO aan de zuurstof O2 van de omgeving. De slak moet
echter gemakkelijk kunnen worden verwijderd met bijvoorbeeld een staalborstel of een bikhamer. De
elektroden zijn in vele typen en soorten te koop.
Het belangrijkste onderscheid is echter de
samenstelling van de bekleding, die bepalend is voor het toepassingsgebied. Bij de keuze van de
elektroden moet onder meer worden gelet op de mechanische eigenschappen van het
moedermateriaal, het gewenste uiterlijk van de las en de positie waarin moet worden gelast (verticaal
lassen, plafond lassen, in het gootje lassen).
Het handlassen met elektroden is te mechaniseren via het zwaartekrachtlassen, Figuur 4.27. Deze
techniek maakt gebruik van sleepelektroden en een eenvoudig statief. De sleepelektrode, met een
lengte van 600 tot 800 mm, rust in de lasnaad en is ongeveer 300 mm langer dan de gebruikelijke
handelselektroden. Het blanke eind is aan een lastang geklemd, die langs een stang op het statief
glijdt. Aan de bekleding van sleepelektroden is meestal een metaalpoeder toegevoegd. Hierdoor is
het redement, de hoeveelheid neergesmolten materiaal, hoog.

Figuur 4.27: Zwaartekrachtlassen met slakbescherming [overgenomen uit Constueren A, Figuur 3.52 pp.164]

4.9.2.2 Booglassen met gasbescherming


Bij deze vol- of halfautomatische lasprocessen (E: GAW: Gas Arc Welding) beschermt een gas het
vloeibare las - en moedermatieriaal tegen atmosferische invloeden. Er ontstaat daarbij dus geen slak,
tenzij gebruik wordt gemaakt van een gevulde draad. De meest bekende lasprocds van dit type
zijn:
MIG-lassen (E:Metal Inert Gas): Het MIG-lassen maakt gebruik van een inert edelgas en een
afsmeltende elektrode. Het inerte gas zal zich dus niet binden met het lasmetaal. De
elektrode is bij dit lasproces een continu toegevoerde lasdraad omgeven door een mondstuk,
waar het beschermgas doorheen wordt geleid. Het MIG-lassen is in principe gebaseerd op
het gebruik van zuiver argon (Ar). Dit edelgas is echter minder geschikt voor het lassen van

4-28

staal. Beter, en tevens goedkoper, is een menggas van bijvoorbeeld 80-85% Ar met een
toevoeging van koolzuurgas (CO2) en/of zuurstof (O2).
CO2-lassen. Dit lasproces vertoont overeenkomst met het MIG-lassen, alleen gebruikt het
geen edelgas maar koolzuurgas (CO2). Over het algemeen wordt een gevulde lasdraad
gebruikt, bestaande uit een zachtstalen mantel met daarin een slakvormend poeder. Het
voordeel van een gevulde draad is onder meer een hoog rendement, dus meer
neergesmolten materiaal en een verbetering van het uiterlijk van de las. Ten opzichte van het
MIG-lassen is bij het CO2-lassen de kans op lasfouten zoals binding- en plakfouten, Figuur
4.25, en een onvoldoende doorlassing, significant groter.
MAG-lassen (Metal Active Gas):
Bij dit lasproces wordt gebruik gemaakt van een
beschermgas, dat bestaat een uit edelgas met enkele procenten CO2 en O2. In dit geval is het
beschermgas dus niet inert.
TIG-lassen (Tungsten Inert Gas). Het TIG-lassen gebruikt een edelgas als bescherming en
een niet-afsmeltende elektrode van wolfraam (tungsten) samen met een toevoegmateriaal.
Dit lasprocd komt in de staalbouw weinig voor en is vooral geschikt voor moeilijk lasbare
metalen en voor roestvast staal.

4.9.2.3 Booglassen met poederbescherming


Bij dit lasproces (E: SAW: Submerged Arc Welding) wordt een vlamboog getrokken tussen een
onbeklede lasdraad en het werkstuk, waarbij een laspoeder de vlamboog geheel afdekt.
Het
booglas sen onder poederdek is een automatisch lasproces: de lasautomaat staat op een wagentje dat
met een instelbare snelheid langs de te leggen lasnaad loopt. Het laspoeder komt via een trechter op
de naad. De blanke elektrode wordt vervolgens, via een stroomgeleider, vanaf een grote haspel in het
laspoeder gebracht, Figuur 4.28. Het gehele lasproces speelt zich daarna nagenoeg onzichtbaar af.
Een deel van het laspoeder vormt een slak, het overblijvende poeder wordt afgezogen en opnieuw
gebruikt. Ten opzicht van het handlassen wordt bij het lassen onder poederdek met een veel grotere
stroomsterkte gelast, zodat een veel diepere inbranding ontstaat. Hierdoor kan de voorbewerking van
stompe lassen vaak geheel of gedeeltelijk vervallen. Omdat in een korte tijd zeer veel lasmateriaal
kan worden neergesmolten, is het booglassen onder poederdek zeer geschikt voor het leggen van
lange, horizontale lasnaden in bijvoorbeeld brugdekken, plaatliggers en scheepsbouwsecties.

Figuur 4.28:

Booglassen onder poederdek slakbescherming [overgenomen uit Constueren A, Figuur 3.53

pp.165]

4.9.3 Lasverbindingen
Een lasverbinding komt tot stand door in een lasnaad van een bepaalde vorm vloeibaar materiaal te
brengen. De lasnaad is de ingesloten ruimte tussen de al of niet bewerkte plaatranden voor aanvang
van het lassen. De dwarsdoorsnede van de lasnaad bepaalt de lasnaadvorm, bijvoorbeeld een X-,
een K- of een V-las. De belangrijkste lasnaadvormen zijn, Figuur 4.29:
Hoeklassen.
De hoeklas is de meest voorkomende lasvorm voor het verbinden van
constructiedelen die loodrecht op elkaar staan. De minimale dikte voor een hoeklas bedraagt
3 mm. Men onderscheidt een enkelzijdige, een dubbelzijdige alsook een hoeklas met schuin
aansluitende plaatdelen (60<<120). Lasnaden tot 6 mm dikte kunnen in n laag gelegd
worden. Voor dikkere hoeklassen zijn meerdere lagen nodig, waarbij steeds de slak van de
onderste laag moet worden verwijderd.

4-29

Stompe lassen. Stompe lassen gebruikt men zowel voor het verbinden van plaatdelen die
een hoek met elkaar maken als voor plaatdelen die in elkaars verlengde liggen. Stompe
lassen zijn in principe bedoeld voor een volledige doorlassing van het moedermateriaal.

Enkelzijdige
hoeklas

Dubbelzijdige
hoeklas

Hoeklas
met
schuin
aansluitende
plaatdelen
Figuur 4.29: Lasverbindingen hoeklas en stompe las

Stompe las

4.9.4 Lasprocedures
Met de moderne lasprocedures zijn lasverbindingen te maken die voldoen aan hoge kwaliteitseisen
met betrekking tot vorm en de homogeniteit van de las. De kwaliteit van de lasverbinding wordt echter
niet alleen bepaald door het lasprocd. Even belangrijk is een juiste materiaalkeuze, een juiste
lasnaadvorm en de maatvoering voor het lassen.
4.9.4.1 Materiaalkeuze
Zuiver ijzer is een materiaal met een zeer lage vloeigrens en treksterkte. Om de sterkte te verbeteren
voegt men daarom bij de staalbereiding bepaalde chemische elementen toe zoals silicium (Si), koper
(Cu), chroom (Cr), nikkel (Ni) en/of aluminium (Al). Elementen die van nature in ijzererts aanwezig
zijn, vooral koolstof (C), fosfor (P) en zwavel (S) reduceert men zover totdat de samenstelling aan de
gestelde eisen voldoet:
Zwavel (S) en fosfor (P) noemt men verontreinigingen, omdat deze elmenten de
eigenschappen van het staal negatief benvloeden, met name de taaiheid, de gevoeligheid
voor bros breken en lamellair scheuren;
Koolstof (C) geeft een grotere sterkte maar verlaagd de taaiheid en de weerstand tegen bros
breken;
Mangaan (Mn) geeft niet alleen een grotere sterkte, maar verbetert ook de
taaiheidseigenschappen en vermindert de gevoeligheid voor bros breken.
Silicium (Si) verhoogt eveneens de sterkte, hoewel de belangrijkste functie is om het staal te
kalmeren. Daartoe kan ook aluminium worden gebruikt.
Koper (Cu), chroom (Cr), nikkel (Ni) en vanadium (V) worden vooral toegevoegd met het oog
op de weerstand tegen corrosie. Nikkel geeft tevens gunstige kerftaaiheidseigenschappen bij
zeer lage temperatuur.
De lasbaarheid van het materiaal karakteriseert de mogelijkheid om in een staalsoort een geschikte
lasverbinding te maken. De mate van lasbaarheid hangt samen met de mate waarin bepaalde
voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen. Een voorbeeld daarvan is het voorverwarmen of
het nauwkeurig specifiren van het lasproces en te gebruiken lastoevoegmateriaal.
Bij lassen vindt een snelle afkoeling plaats van het gestolde lastoevoegmateriaal. Deze snelle
afkoeling treedt ook op in het moedermateriaal direct naast de las (HAZ: Heat Affected Zone).
Hierdoor kunnen harde en brosse kristalstructuren ontstaan. De mate waarin dat gebeurt, hangt af
van de chemische samenstelling en van de afkoelsnelheid van het austeniet naar ferriet. Dit vindt
plaats tussen 800C en 500C. Met name het gehalte aan koolstof speelt hierbij een belangrijke rol.
Is er bovendien ook waterstof aanwezig, dan diffundeert deze waterstof binnen het kristalrooster naar
plekken met hoge spanning en bouwt er ter plaatse een hoge druk op. Er ontstaat dan gevaar voor
koudscheuren, Figuur 4.30.
Waterstof is bijvoorbeeld aanwezig in de vorm van water in de
atmosfeer, in vet, in verf en in de bekleding van de laselektroden. Dit laatste is vaak de oorzaak van
een hoog waterstofgehalte in de las.
Drie elementen bepalen de lasbaarheid van het moedermateriaal:

4-30

Het koolstofequivalent. De hoeveelheid koolstof en andere legeringselementen dient beperkt


te blijven. Een maat hiervoor is het koolstofequivalent (CEV) dat globaal genomen beneden
0.40-0.45 moet gelegen zijn. Door verschuivingen in de chemische samenstelling kan de
lasbaarheid worden verbeterd, zonder de sterkte te kort te doen, bijvoorbeeld door koolstof te
vervangen door mangaan. Uite raard maakt dit het staal duurder: koolstof is van nature
aanwezig, terwijl mangaan moet worden toegevoegd. Een andere zeer effectieve methode is
het toepassen van een korrelverfijning. Er zijn dan minder legeringselementen nodig om een
bepaalde sterkte te bereiken. Dit leidt uiteraard tot een lager koolstofequivalent.

CEV = C +

Mn Cr + Mo + V Ni + Cu
+
+
6
5
15

(4.69)

Lagere afkoelsnelheid. De lasbaarheid kan verhoogd worden door het voorverwarmen van
het werkstuk tot 100C of maximaal 200C. De afkoelsnelheid is een functie van de dikte van
de te verbinden delen, de voorverwarmingstemperatuur en de hoeveelheid ingebrachte
warmte tijdens het lassen. Voorverwarmen kan worden vermeden, ook bij zeer dik materiaal
in Fe510, door een juiste keuze van zowel een goed lasbaar materiaal met een laag
koolstofequivalent als van een gunstig lastoevoegmateriaal met een laag waterstofgehalte en
van de lasparameters.
Waterstofgehalte. Het waterstofgehalte kan beperkt worden door zorg te dragen voor goed
gedroogde (gebakken) elektroden om te voorkomen dat zich in de hygroscopische bekleding
te veel vocht ophoopt. Tegenwoordig zijn ook speciale laagwaterstofelektroden leverbaar.
Deze zijn luchtdicht verpakt in aluminiumfolie of in blikken om toetreden van waterdamp te
voorkomen.

Slecht lasbaar zijn bijvoorbeeld bouten en moeren in de hoge sterkteklasse (hoge treksterkte en dus
hoog koolstofgehalte of CEV), zoals kwaliteit 8.8. De kwaliteit 4.6 heeft een veel lager CEV en is dus
veel beter lasbaar.
Ook betonstaal, voorspanstaal en normaalgegloeid Fe510 met een hoog
koolstofequivalent zijn slecht lasbaar.
4.9.4.2 Gevolgen van de metallurgische fenomenen
In essentie treden er 2 metallurgische fenomenen op:
Stollen van het materiaal dat gesmolten is gedurende de verschillende lasgangen;
de warmtebehandeling van het moedermateriaal rond de las.
Deze kunnen leiden tot voornamelijk twee gevaarlijke vormen van scheurvorming, Figuur 4.30:
koudscheuren.
Lassen wordt gekarakteriseerd door kleine hoeveelheden metaal, snel
gesmolten en snel afgekoeld door de warmte -absorptie van het naburige materiaal. Deze
thermische cycli van snelle afkoeling leiden tot zones met een hoge hardheid, voornamelijk
voor het materiaal in de onmiddellijke omgeving van de las. Deze harde zones in het
moedermateriaal naast de las kunnen onderhevig zijn aan zogenaamde koudscheuren. De
oorzaak van deze scheuren wordt toegeschreven aan de zuurstof die wordt geabsorbeerd
door het lasmateriaal in de gesmolten toestand en door het naburige moedermateriaal dat op
hoge temperatuur is gebracht. Deze zuurstof komt over het algemeen van de boogomgeving.
Dit kan vermeden worden door een voorverwarmen van het moedermateriaal, Figuur 4.30.
Deze scheuren ontstaan lange tijd (uren, dagen) nadat het laswerk is voltooid;
Warmscheuren.
Warmscheuren kan voorkomen in de gesmolten zone van zodra de
hoeveelheid moedermateriaal groot is. Deze scheuren vormen zich gedurende het stollen
omwille van de segregatie van onzuiverheden in preferentile zones van het gesmolten
oppervlak die stollen op een lagere temperatuur dan staal. Deze materiaalverschillen leiden
tot krimpspanningen in het materiaal.

4-31

koudscheur
Figuur 4.30: Heat affected zone (HAZ) en koudscheuren [overgenomen uit Construeren A, Figuur 1.7 en 1.8, pp.
18]

De lasnaadvorm en de lasvolgorde bepalen in belangrijke mate de grootte van de laskrimp. Wanneer


de vervorming als gevolg van laskrimp wordt verhinderd, kunnen aanzienlijke spanningen in de
constructie en in de las optreden. Scheurvorming is hierbij niet uitgesloten.
Lassen gaat steeds gepaard met de ontwikkeling van een grote hoeveelheid warmte. Dit veroorzaakt
belangrijke thermo-plastische vervormingen in de te verbinden elementen. Door de hoge temperatuur
verlaagt de vloeigrens en de elasticiteitsmodulus van het staal drastisch. Het fysisch gedrag kan
eenvoudig gellustreerd worden aan de hand van een voorbeeld. Veronderstel een staaf met een
initile lengte L, met in het midden een gelaste zone met lengte L0. Veronderstel dat de longitudinale
vervorming van de staaf aan beide uiteinden volledig verhinderd wordt, Figuur 4.31.
650C

L0
20C

L
L
Figuur 4.31: Krimpvervorming bij het lassen

Door het afkoelen van het staal na het lassen (650C) naar omgevingstemperatuur (20C), zal de las
een verkorting L ondergaan. Overeenkomstig experimenteel onderzoek op staalplaten met een dikte
van 14 mm is deze krimp van de orde van grootte van 18% van de initile lengte (L0). Daardoor
ontstaat een rek gelijk aan:

0. 18L0
L

(4.70)

Rekening
houdend
met
een
gemiddelde
elasticiteitsmodulus
Em
gelijk
aan
Em=0.75E=0.75x210.000N/mm over het temperatuurgebied (650C 20C), leidt dit bij volledige
verhindering van de verkorting tot een spanning in het staal gelijk aan:

= E m = 0.18

L0
L
0. 75 210000 N mm = 280 10 0 [N mm ]
L
L

(4.71)

Deze spanning bereikt de vloeigrens (235 N/mm) bij een verhouding L0/L van de grootte orde 1/100.
Tot besluit wil dit zeggen dat, Figuur 4.32:
Ofwel relatief grote vervormingen optreden als de vervormingen vrij kunnen optreden
Ofwel relatief grote interne (residuele) spanningen in de doorsnede aanwezig zijn.

4-32

Lasnaad

Figuur 4.32: Mogelijke vervormingen bij lassen


Om deze te voorkomen, zijn volgende technieken mogelijk:
Initieel voorbuigen van de elementen
Inklemmen van de onderdelen in de beginfase
Voorverwarmen
Rationele studie van de gevolgen.
Eens de lasnaad is gerealiseerd kan een geconcentreerde warmtetoevoer de vervormde onderdelen
rechttrekken, of kunnen de residuele spanningen opgeheven worden door het ganse werkstuk traag
op te warmen tot een uniforme temperatuur en vervolgens opnieuw traag af te koelen.
4.9.4.3 Kwaliteit van de lasprocedure defecten en controle
Voor belangrijke lasverbindingen is daarom een goede samenwerking tussen constructeur en
lasspecialist noodzakelijk. Beiden zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit en de sterkte van de gelaste
verbinding.
Zij bepalen de keuze van de benvloedende parameters: lasvorm, de te treffen
voorzieningen tijdens het lassen, het aantal lagen, het lastoevoegmateriaal, de gewenste kwalificatie
en het vereiste onderzoek.
Volkomen foutloze lasnaden zijn economisch nauwelijks haalbaar. Het normale kwaliteitsniveau is
zodanig gekozen dat een enigszins bekwame lasser ruimschoots aan de gestelde eisen kan voldoen,
Figuur 4.33.
De mogelijke defecten op een rijtje, Figuur 4.33:
Scheurvorming;
Koudscheur;
Bindingsfout of plakfout;
Gasholtes (poreusheid);
Slakinsluitsels (slakbanen);
Onvoldoende doorlassing: gebrek aan penetratie van de las doordat het lasmateriaal niet
voldoende diep doordringt in de te vullen opening;
Krimpholte;
Randinkarteling of scherpe fout.
Scheuren, bindings- of plakfouten zijn nooit toegelaten. Van belang is te weten welke soort lasfouten
gevaarlijk zijn en wanneer deze defecten moeten worden gerepareerd. Lasfouten zijn op te sporen
met destructief en niet-destructief onderzoek. Destructief onderzoek is voor een staalconstructie niet
echt praktisch. Tot het niet-destructief onderzoek behoren visueel, manetisch, penetrant, ultrasoon en
radiografisch onderzoek. De meest gebruikte niet-destructieve test is X-stralen.

Figuur 4.33: mogelijke fouten in een lasnaad [overgenomen uit Construeren A, Figuur 3.58, pp.170]

4-33

4.9.5 Sterkte van een lasnaad


De sterkteberekening van een lasnaad is volledig gebaseerd op experimenteel onderzoek.
berekening behelst de bepaling van de grenssterkte van een hoeklas en een stompe las.

De

De grenssterkte van een stompe las zonder spleet benodigd geen verdere berekening indien aan een
aantal basisvoorwaarden voldaan is [6.6.6.1]. De sterkte van een stompe las is immers de sterkte van
de zwakste schakel in een ketting. Er wordt van uit gegaan dat de lasnaad minstens even sterk is als
het moedermateriaal. Voor de sterkte van een stompe las met spleet wordt verwezen naar een
hoeklas met diepe inbranding.
De formules kunnen dus beperkt worden tot het geval van een hoeklas.
4.9.5.1 De berekeningsdikte van de lasnaad keeldikte a
De keeldikte van een hoeklas of de lasdikte in de keeldoorsnede, is de hoogte van de grootste
ingeschreven driehoek tussen de hechtingsvlakken en het oppervlak van de las, gemeten loodrecht
op de zijde van de driehoek die correspondeert met de buitenkant van de las, Figuur 4.34 [Figuur
6.6.6 en 6.6.7].

Figuur 4.34: keeldikte a


4.9.5.2 De nuttige lengte van de lasnaad l
De nuttige lengte van de lasnaad stemt overeen met de werkelijke lengte, verminderd met de som van
de lengte aan kraters aan lasrupsuiteinden. Een lasrupsuiteinde wordt gelijk genomen aan de
keeldikte a.
4.9.5.3 Definitie van het kritieke vlak en erop aangrijpende spanningscomponenten
Figuur 4.35 vat de inwendige spanningen die aangrijpen op het kritieke vlak van de lasnaad alsook de
belangrijkste geometrische grootheden samen.
De maximale spanningen zullen teruggevonden
worden op de kleinste doorsnede van de lasnaad. Wanneer we een driehoekige vorm aannemen
voor deze doorsnede, stemt dit kleinste oppervlak overeen met het vlak gevormd door de hoogtelijn
van de driehoek en de lengte van de lasnaad.

//

l
//

a
Figuur 4.35: kritieke vlak en definitie spanningscomponenten

4-34

In het algemene geval geeft een uitwendige belasting aanleiding tot 4 spanningscomponenten:
//: gemiddelde normaalspanning (+:trek) volgens de richting van de lengteas, aangrijpend
loodrecht op het eindvlak van de lasnaad;
: gemiddelde normaalspanning (+:trek) loodrecht op de lengteas, aangrijpend loodrecht op
het kritieke vlak van de lasnaad;
//: gemiddelde schuifspanning evenwijdig aan de lengteas aangrijpend evenwijdig aan het
kritieke vlak van de lasnaad;
: gemiddelde schuifspanning loodrecht aan de lengteas aangrijpend evenwijdig aan het
kritieke vlak van de lasnaad.
De normaalspanning // wordt buiten beschouwing gelaten bij de toetsing van de lassterkte.
De sterkte van een hoeklas is voldoende indien aan beide volgende voorwaarden voldaan is:

2 + 3 2 + 2//

fu
w Mw

(4.72)

fu

(4.73)

Mw

met:

fu: de n ominale treksterkte van het zwakste verbonden onderdeel;


w: de gepaste correlatiefactor

De correlatiefactor w is ingevoerd om ervoor te zorgen dat de berekende sterktewaarden


overeenstemmen met wat experimenteel wordt vastgesteld, Tabel 4.6.
Staalsoort
Treksterkte
EN 10025
fu
Fe360
360
Fe430
430
Fe510
510
Tabel 4.6: Correlatiefactor w

Correlatiefactor
w
0.80
0.85
0.90

Staalsoort
EN 10025
Fe E275
Fe E355

Treksterkte
fu
390
490

Correlatiefactor
w
0.80
0.90

4.9.6 Stukken belast op trek of druk


4.9.6.1 Koplassen
De breuk doet zich voor in de langse doorsnede, Figuur 4.36a. Indien het buigmoment voortvloeiend
uit de kleine excentriciteit in de krachtswerking te verwaarlozen is, dan geldt:

// = 0
F
= t .Sd
al 2
// = 0
Ft .Sd
=
al 2

(4.74)

4-35

(b)

(a)

a l

Ft.Sd

Ft.Sd

Ft.Sd

Ft.Sd

Ft.Sd

x
l

(c)
Ft.Sd

a
Ft.Sd

Ft.Sd

Figuur 4.33: Stukken belast op trek of druk (a) koplas, (b) zijlas en (c) schuine las
4.9.6.2 Zijlassen
De breuk doet zich voor in de langse doorsnede, Figuur 4.36b. Indien het buigmoment voortvloeiend
uit de kleine excentriciteit in de krachtswerking te verwaarlozen is, dan geldt:

// = 0
=0
F
// = t .Sd
ai l i

= 0

(4.75)

op voorwaarde dat:

x1 a2 l2
=
x2
a1l1

(4.76)

4.9.6.3 Schuine lasnaden


De breuk doet zich voor in de langse doorsnede, Figuur 4.36c. Indien het buigmoment voortvloeiend
uit de kleine excentriciteit in de krachtswerking te verwaarlozen is, dan geldt:

// = 0
F sin( )
= t .Sd
al 2
Ft .Sd cos( )
// =
al
Ft .Sd sin( )
=
al 2

(4.77)

4.9.6.4 Samengestelde lasnaden, kop- en zijlassen of schuine lassen


Aangezien de lasnaden van nzelfde verbinding elkaar benvloeden, is de totale weerstand van de
verbindingen over het algemeen niet gelijk aan de som der weerstanden van elke las afzonderlijk.
Verschillende gevallen zijn dan ook te onderscheiden:
de verbinding bevat zijlassen en een kop- of schuine las; er is geen kop- of schuine las op de
vrije boord van het grootste te verbinden stuk.
o Wanneer de lengte van de zijlassen veel groter is dan deze van de kop- en schuine
lassen (l2>1.5l1) wordt er aangenomen dat de volledige kracht wordt opgenomen door
de zijlassen, Figuur 4.37(a);

4-36

Ft .Sd = F2.Rd +

Wanneer de lengte van de lasnaden ongeveer gelijk is (0.5l1<l2<1.5l 1) wordt


aangenomen dat de weerstand van de verbinding gelijk is aan de som van de
weerstand van de zijlassen en een derde van de koplas of schuine las,
overeenkomstig vgl.4.20, , Figuur 4.37(b,c):

1
F1.Rd
1+ 2 sin( )

(4.78)

Wanneer er eveneens een kop- en schuine las voorkomt op de vrije boord van het breedste te
verbinden stuk, wordt de totale weerstand van de verbinding de som van de weerstand van de
kop- of schuine las op de vrije boord en slechts n derde van die der zijlassen, Figuur
4.37(d).
(b)

Ft.Sd

a2

a1

a2

Ft.Sd

Ft.Sd

(c)

l1

a1

(d)

a2

Ft.Sd

Ft.Sd

l1

l2

Ft.Sd

l1

l2

a1

l1

l2

(a)

a1

a2

Ft.Sd

Ft.Sd

Figuur 4.37: Samengestelde lasnaden

4.9.7 Stukken belast op buiging


4.9.7.1

Verbindingslas continue lasnaden die de lijfplaat met de flenzen verbinden van een
ligger belast op buiging
Uit de grootheden MSd en TSd die de uitwendige belasting opnemen, kunnen onmiddellijk de
benodigde spanningscomponenten berekend worden, Figuur 4.38:

MSd h

e
Iy 2

=0
T S
// = Sd
2I y a
= 0
// =

met:

(4.79)

Iy: traagheidsmoment van de ganse doorsnede tov de buigingsas y;


S: statisch moment van de flens tov de as AA die door het zwaartepunt van de ganse
doorsnede gaat.

4-37

b
e

//
a

h/2-e

//
G
h

Figuur 4.38: Verbindingslas lijfplaat met de flenzen


4.9.7.2

Lasnaden die de verbinding verwezenlijken van twee loodrechte elementen in een


raamwerk
In het hieronder behandelde voorbeeld gaat het om de verbinding van twee dubbele T-liggers,
waarvan n doorlopend is en de andere, dwarsligger genaamd, aanleunt tegen de eerste, Figuur
4.39. Dit kan gezien worden als een klassieke ligger-kolom verbinding. Voor de opname van de
uitwendige aangrijpende belasting (N Sd, TSd, MSd) worden volgende aannames gemaakt:
De dwarskracht TSd wordt enkel door de lijfplaatlassen opgenomen en de eruit voortvloeiende
schuifspanningen worden verondersteld gelijkmatig verdeeld te zijn over de lengte van de
lassen;
Het buigmoment MSd wordt opgenomen door het geheel der lasnaden.
Het
traagheidsmoment is de som van de langse doorsneden van de lasnaden, neergeslagen in
het contactvlak. Om de berekening eenvoudig te houden, wordt geen rekening gehouden met
de hoogten a1 en a3 van de lasnaden van de flens.

l1

a1

a2

l3

h1

h3

l2

a3

Figuur 39: verbinding van twee loodrechte elementen in een raamwerk


Voor de lasnaden die de flenzen van de dwarsligger verbinden, geldt:

4-38

nSd =

NSd

(ai l i )

M Sd h
2I y

(4.80)

met:
Iy: het traagheidsmoment: I y =

(a l ) = 2a l
i i

11

a1l1h12 a2l 32
+
+ a3 l3h32 ;
2
6

+ 2a2l 2 + 4a3 l3

(4.81)
(4.82)

Dit leidt tot volgende spanningen in de te toetsen doorsnede:

// = 0
n
= Sd
2
T Sd
// =
2a2 l2
nSd
=
2

(4.83)

4.9.7.3

Geval van buiging en afschuiving ligger verbonden door lasnaden op een vlakke
plaat, evenwijdig met de lijfplaat
De aangrijpende belasting bestaat uit een verticale kracht P Sd, die kan worden omgezet in een
equivalente dwarskracht TSd en buigmoment MSd, Figuur 4.40a.
Het uitwendige moment MSd=P SdxL veroorzaakt een dwarskracht in de lasnaden, gelijk aan:

TSd =

PSd L
P L
Sd
h + a2
h

(4.84)

// = 0
=

PSd

2 2a2 l 2
PSd L
// =
a2 l 2 h
PSd
=
2 2a2 l 2

(4.85)

4-39

l2

(a)

a2

PSd

l1

(b)

P Sd

a1
L

a1

l2

(d)

P Sd

l1

a2

a2
PSd

l1

l2

(c)

a1
l

l
L

Figuur 40: Buiging en afschuiving


Voor het geval zoals geschetst in Figuur 4.40b, kan men eveneens aannemen dat de lassen belast
worden door schuifspanningen in de langsrichting te wijten aan equivalente dwarskracht TSd en
buigmoment MSd:

// = 0
=0
P
P L
// = Sd + Sd
2a1l1 a1l1l
= 0

(4.86)

Voor het geval zoals geschetst in Figuur 4.40c, wordt de opname van de snedekrachten per lasnaad
bekeken.
Voor het moment (P SdL):
De lasnaden met lasdikte a2 kunnen een maximaal moment opnemen gelijk aan:
M2 = a2l 2h //,2 ;

De lasnaden met dikte a1 kunnen een maximal toelaatbaar moment opnemen gelijk aan:

M1 = a1l 1l //,1 ;

//,1 =

(4.87)

(4.88)

Men neemt aan dat het moment P SdL kan ontbonden worden in twee delen evenredig met M1
en M2, waaruit de waarden // kunnen afgeleid worden die optreden i n elke las:

P L h
PSd L
l
en: //,2 = Sd 2
a1l1 l 2 + h 2
a2l 2 l + h 2

(4.89)

Voor de dwarskracht (P Sd):


Men neemt aan dat de dwarskracht P Sd aangrijpt in het zwaartepunt van de vier lassen en dat
zij evenredig kan verdeeld worden volgens hun respectievelijke weerstand:

a1l1
a2 l 2
voor a1;
voor a2.
a1l1 + a2l 2
a1l1 + a2l 2

(4.90)

4-40

Dit leidt tot:

//,1 = 0

PSd
a2 l 2
//,1 = 0
,1 =

a
l

=
0

2
2
a
l
1 1 + a2 l 2
2 2
,1

P
L
en:
h
P
a
l
P
L
l

= Sd
Sd
11
Sd
//,1 = 2a l a l + a l + a l l 2 + h2
//,1 a l
l2 + h2
2 2
1
1
1
1
2
2
1
1

P
a2 l 2

=
0
Sd
,1
,1 =

2 2a2 l2 a1l1 + a2l 2

(4.91)

Voor het geval zoals geschetst in Figuur 4.40d, wordt de opname van de snedekrachten per lasnaad
bekeken.
Voor het moment (P SdL):
De lasnaden met lasdikte a2 kunnen een maximaal moment opnemen gelijk aan
M2 = a2l 2h //,2 ;

De lasnaden met dikte a1 kunnen een maximal toelaatbaar moment opnemen gelijk aan:

M1 = a1l 1l //,1 ;

//,1 =

(4.92)

(4.93)

Men neemt aan dat het moment P SdL kan ontbonden worden in twee delen evenredig met M1
en M2, waaruit de waarden // kunnen afgeleid worden die optreden in elke las:

PSd L
l
P L
h
en: //,2 = Sd 2
2
2
a1l1 l + h
a2 l 2 l + h 2

(4.94)

Voor de dwarskracht (P Sd):


Men neemt aan dat de dwarskracht P Sd volledig opgenomen wordt door lasnaad 2.
Dit leidt tot:

//,1 = 0

PSd
//,1 = 0
,1 =
= 0

2 2a2 l 2
,1

PSd L
h
l
en:
= 0 + PSd L
=

//,1
//,1 a2l 2 l 2 + h 2
a1l1 l 2 + h 2

,1 = 0
,1 = PSd

2 2a2 l 2

(4.95)

4.9.8 Stukken belast op wringing


De spanningen voortvloeiend uit een uitwendig wringmoment moeten gesuperponeerd worden op
deze van de eventuele normaalkracht, dwarskracht en buigmoment.
4.9.8.1 Dunwandige buisvormige ligger
Het uitwendig wringmoment (Mt.Sd) leidt toe spanningen, Figuur 4.41:

// = 0
= 0

M t .Sd
// = 2Aa
= 0

(4.96)

4-41

Met daarin:
A: inwendige oppervlakte van het deel begrensd door de middellijn van de neergeslagen
lasnaad;
a: de dikte van de lasnaad.
Voor een buisvormige doorsnede, met diameter dbuis, geldt:

(dbuis + a )
4

A=

(4.97)

Voor een rechthoekige koker met buitenmaten bxc, met lasnaaddiktes a1 en a2 respectievelijk, geldt:

A = (b + a1 )(c + a2 )

(4.98)

dbuis + a

Mt.Sd

a2

a
a1 c
Figuur 4.41: wringing van dunwandige buisvormige liggers
4.9.8.2 Balken met dunne en vlakke samenlopende wanden
Bij balken van dit type valt de snijlijn van de wanden samen met de wringingsas, Figuur 4.42. Het
wringcentrum ligt in de doorsnede. Er treedt geen welving op. Het wringmoment levert ook hier enkel
schuifspanningen // op. De maximale schuifspanningen treden op in het midden van de lasnaad van
elke wand en worden berekend door:

// = 0

= 0
Mt . Sdai

// = 1

k
lai3

3 i
= 0

met:

(4.99)

k=1 voor doorsneden L en +;


k=1.25 voor doorsneden .

Figuur 42: Balken met dunne en vlakke samenlopende wanden


4.9.8.3 Liggers met vlakke dunne wanden onderworpen aan niet-gelijkmatige wringing
De beoogde profielen zijn weergegeven in Figuur 4.43. De lasnaden zijn tegelijkertijd onderworpen
aan schuifspanningen () en normaalspanningen (), veroorzaakt door de verhinderde welving die bij

4-42

de wringing optreedt (zie ook cursus Aanvullingen Sterkteleer, Hoofdstuk V).


b

b1 y

b y
A
a +

b2 y
A
a +

e1

x
e

e1

e
e2

e1

x
d1

d2

e1

e1

A
- a

b B
++

b
b

A
+ a

B
-

Mt.Sd

Mt.Sd
B

+ A

Mt.Sd
-

Mt.Sd

+ A

Figuur 4.43: liggers met vlakke dunne wanden onderworpen aan niet-gelijkmatige wringing
De spanningen ( en ) worden gecontroleerd in de kritieke punten: punt A en B:
Indien de flens verbonden wordt door twee lasnaden met dikte a, geldt:
// = 0
// = 0

= B 1
A e1
=
2 2a

2 2a voor A; en:

= 0
= B 1 voor B.
// 2 2a
//
= Ae1

e

= B 1
2 2a

2 2a

(4.100)

Indien de flens verbonden wordt door n lasnaad met dikte a, geldt:


// = 0
// = 0

= B 1
A e1
=
2a

2a voor A; en:
= B e1
= 0
//
//
2a
= Ae1

= Be1
2a

2a

(4.101)

Voor de berekening van het schuifspannings- en normaalspanningsverloop wordt naar de cursus


Aanvullingen Sterkteleer verwezen (Aanvullingen Sterkteleer, Hoofdstuk VI: Wringing).

4.10 Kolomvoeten
Kolomvoeten vormen de basis in krachtoverdracht tussen de bovenstructuur en fundering. In de
praktijk kunnen ze onderhevig zijn aan een eenvoudige drukkracht, Figuur 4.44a, of bijkomend aan
een buigmoment en dwarskracht, Figuur 4.44b. Met bijkomende windverbanden kan een combinatie
trek/druk en afschuiving voorkomen, Figuur 4.44c.
Over het algemeen kunnen kolomvoeten als
scharnierend over flexibel tot volledig stijve knopen beschouwd worden, afhankelijk van de
ontwerpaannames en de praktische uitvoering.

4-43

a)

b)

c)

d)

Figuur 4.44: kolomvoeten verschillende types


Het ontwerp van een kolomvoet biedt antwoord op volgende vragen:
De dimensies van de voetplaat (axb);
De overdracht van dwarskracht naar het beton;
De dikte van de voetplaat (t), die eveneens afhankelijk is van de positie van verstijvingsribben;
Het ontwerp van de ankerbouten.

4.10.1 Normaalkracht en buigmoment - geometrie van de voetplaat


De geometrie van de voetplaat volgt uit de ontwerpwaarden van het aangrijpende moment (MSd) en
normaalkracht (NSd). De doorsnede wordt verondersteld enkel op druk te werken. Een lineaire
verdeling van de spanningen kan worden aangenomen. In functie van de excentriciteit (e=MSd/N Sd)
waarmee de normaalkracht aangrijpt, kan onderstaande krachtsverdeling worden aangehouden,
Figuur 4.45, a en b.
De maximale spanningen in de opvulmortel kunnen bepaald worden uit:

NSd
, voor e=0
ba

NSd
ba

6e

a
1+
, voor 0 e
a
6

(4.102)

(4.103)

Als e>a/6, wordt de doorsnede ontworpen zoals een klassieke betondoorsnede. Dit wil zeggen dat
het gedeelte in trek niet in rekening wordt gebracht. De boutgaten voor het gedeelte in druk wordt
verwaarloosd. Dit stemt overeen met de methode zoals uiteengezet in 4.8.2., Figuur 4.45 c.

4-44

N Sd

NSd

NSd

Figuur 4.45: Mogelijke krachtsverdelingen in de voetplaat als functie van de excentriciteit e


De afmetingen van de voetplaat moeten zodanig zijn, dat de drukkracht in de stalen kolom voldoende
wordt verdeeld over het minder sterke beton van de fundering of onderbouw. Bij sterk excentrisch of
op trek belaste kolommen moet de voetplaat in staat zijn de trekkrachten naar de ankers over te
brengen, Figuur 4.45c.
De ruimte tussen de onderkant van de voetplaat en de bovenkant van de fundering is de stelruimte.
Deze ruimte is noodzakelijk voor het opvangen van maatafwijkingen in zowel de staalconstructie als
de betonnen onderbouw. Na het stellen van de staalconstructie vult men de stelruimte met een
krimparme voegmortel. De vullen wordt ook ondersabelen genoemd.
4.10.1.1 Centrisch belaste voetplaten
Bij een centrisch, op druk belaste voetplaat gaat men uit van een gelijkmatige drukverdeling op de
voegmortel. In werkelijkheid wordt de belasting meer geconcentreerd onder de flenzen en het lijf
overgedragen, Figuur 4.46. Veronderstel volgende gegevens:
Kolom: HEA300, Fe360b (S235), dus: fy=235 N/mm;
Funderingsbeton: C25/35, dus: fck = 25 N/mm;
FSd = 2100 kN (centraal aangrijpende drukkracht);
kj=1.2. Neem aan dat de concentratiecofficint gelijk is aan 1.2.

4-45

FSd
Rekenmodel voor strook met
1mm breedte

tf

MSd
FSd;flens

FSd;lijf

FSd;flens
FSd;flens

FSd;flens

t
qSd

fj,d
c

Strook 1 mm
b=400

tw

tf

h
a
Figuur 4.46: Dragend oppervlak onder de voetplaat [zie ook, Figuur 4.45]
Naarmate de stijfheid van de voetplaat toeneemt, zal de oplegdruk zich meer gelijkmatig verdelen
over de gehele voetplaat. De stijfheid van de voetplaat kan worden verhoogd door het aanbrengen
van verstijvingsribben of door de keuze van een grotere dikte (t). Voor een eenvoudig ontwerp is dit te
verkiezen boven de relatief dure oplossing van het oplassen van verstijvingsribben. De vereiste
oppervlakte van de voetplaat hangt af van de rekenwaarde van het onderliggende voegmateriaal. De
rekensterkte van de voeg bedraagt [vgl. 4.104] (fj,d):

f j ,d = j k j fcd =

2
N
1.2 16.7 = 13.3
3
mm

(4.104)

[subscipt: j: joint; c: concrete], met:


j=2/3.
De voegcofficint mag gelijk gesteld worden aan 2/3 op voorwaarde dat de
karakteristieke sterkte van de opgietmortel (fck,m) niet kleiner is dan 0.2 maal de karakteristieke
sterkte van de betonfundering f(ck,f) en de dikte van de opgietmortel niet groter is dan 0.2 maal
de kleinste breedte van de stalen voetplaat. Aan de eerste voorwaarde is reeds voldaan daar
fj,d=13.3N/mm>0.2fcd=3.34N/mm;
kj: de concentratiefactor. Dit wordt bepaald door de verhouding van de afmetingen van het
effectieve funderingsoppervlak (a1xb 1) en het op druk belaste gedeelte (axb) van de voetplaat
[vgl., Figuur 4.45]:

kj =

a1b1
=1.2 (aanname)
ab

(4.105)

fcd: de ontwerpdruksterkte van beton.


Deze wordt berekend overeenkomstig
betonkwaliteit, bijvoorbeeld voor C25/35 [EC2, Tabel 3.1; Blz. 68; EC2, Blz. 34-40]:

de

4-46

fcd =

fck
25
N
=
= 16.7
c
1.5
mm

Voor de bepaling van de dikte van de voetplaat kan een strookje met een breedte van 1mm worden
beschouwd. Dit strookje is een ligger op twee steunpunten (de steunpunten zijn de kolomflenzen) en
een overstek. De ligger wordt belast op een gelijkmatig verdeelde belasting qSd=fj,d. De voetplaatdikte
t per eenheid van de breedte volgt uit het moment MSd, Figuur 4.46 (rechtsboven):

f y ,d

M
= Sd =
Wel ,y

qSd 1l s2
3qSd
2
t = l
2
fy ,d
1t
6

(4.106)

Het rekenen met een gelijkmatig verdeelde belasting wijkt af van het werkelijk gedrag, maar is een
veilige benadering.
Een meer realistische benadering, die leidt tot een gunstiger materiaalverbruik gaat uit van de directe
belastingoverdracht via de flenzen en het lijf van de kolom, Figuur 4.46 (linksboven).
De meewerkende breedte c aan de weerszijden van de flens volgt uit het verticale krachtenevenwicht:

FSd;flens = Aflens y ,d =
FSd; flens =

Sd =

met:

1
(11250mm 208mm 8.5mm)187 N
2
mm

FSd
2100kN
N
Sd =
= 187
Aprofiel
11250mm
mm

FSd;flens
bf j,d

1
A
hl t w y ,d
2 profiel

(4.107)

(4.108)

1 FSd;flens
1
886
.
6
k
N
= 2c + t f c =
tf c =
14 = 76mm

2 bf j,d
2 400mm 13. 3 N

mm

(4.109)

FSd;flens: de drukkracht in de flens van de kolom;


hl: de afstand tussen de afrondingsstralen van de beide flenzen.

De dikte van de voetplaat kan dan opnieuw berekend worden, gelijkaardig aan de bovenvermelde
methode, vgl.(4.106):

f j,d 1c 2
f y ,d

M
= Sd =
Wel ,y

2
1t 2
6

t =c

3f j ,d
f y ,d

t = 76mm

N
mm = 32.9 mm = 33mm
235 N
1.1 mm

3 13.33

(4.110)

4.10.1.2 Excentrisch belaste voetplaten


Voor het bepalen van de afmetingen van excentrisch op druk belaste voetplaten bestaan verschillende
rekenmethodes. Van belang daarbij is de spanningsverdeling onder de voetplaat, die afhangt van de
grootte en van de excenttriciteit van de drukkracht, Figuur 4.46 en Figuur 4.47.
De meest
gebruikelijke drukspanningsverdelingen voor het beton zijn:
lineaire, Figuur 4.47 a;
niet-lineaire, Figuur 4.47 b;
uniforme, Figuur 4.47 c.

4-47

l2

l2

tf

tf
MSd

FSd

FSd

t
c

a)
y=1.75/oo

2x/3

b)

u=3.5/oo

7x/18

x/3
fj,d

N T,Sd

fj,d

x/2

N T,Sd

x/2
x

b
a

b
1.75
a

3.75

c)

e
N T,Sd

u=3.5/oo

fy
fj,d
a
y

N T,Sd

x/2

x/2
x

Figuur 4.47: Mogelijke spanningsverdelingen onder de voetplaat van de kolom


De berekening verloopt als volgt:
Schat de afmetingen b en a van de voetplaat en de hart op hart afstand van de ankers l1;
Bepaal de betondruksterkte fj,d en de vervormingslijn;
Bepaal de lengte x van de betondrukzone en de resulterende betondrukkracht N b;Sd uit het
momentenevenwicht om de ankers;
Bepaal de trekkracht op de ankers uit het verticale evenwicht.
4.10.1.3 Excentrisch belaste voetplaten lineaire drukspanningsverdeling
De methode wordt toegelicht en gellustreerd aan de hand van een concreet getalvoorbeeld.
Veronderstel volgende gegevens, Figuur 4.47, a:
kolom HEA320, Fe360b, dus fy=235 N/mm;
Drukkracht: F Sd=250kN;
Moment: M Sd=280kNm;
Funderingsbeton: C25/35, dus: fck = 25 N/mm;
kj=1.2. Neem aan dat de concentratiecofficint gelijk is aan 1.2.

4-48

De afmetingen a en b worden geschat:


b=450 mm;
a=510mm;
l1=410 mm,
zodat e=50mm en l2=100mm.
De betondruksterkte bedraagt: fj,d=13.3 N/mm.
De lengte x van de betondrukzone en de resulterende betondrukkracht (Nb,Sd) volgen uit het
momentenevenwicht om de ankers:

= 0 FSd

l1
x
1

+ M Sd Nb,Sd a e = 0 , met: N b,Sd = xbf j ,d


2
3
2

(4.111)

Dit geeft:

N
x 450 mm 13. 3
410mm
mm 510 50 x = 0 x=309 mm
250k N
+ 280kNm
2
2
3

Nb,Sd =

1
N
309mm 450mm 13.3
= 928k N
2
mm

De trekkracht op de ankers volgt uit het verticaal evenwicht:

= 0 N t .Sd + FSd N b.Sd = 0 Nt . Sd = N b. Sd FSd = 928k N 250k N = 678k N

(4.112)

De dikte van de voetplaat hangt af van het overstek van de voetplaat aan de druk- of aan de trekzijde.
En van beide zal leiden tot een maximale spanning in de voetplaat en is dus maatgevend. Beide zijn
te controleren, Figuur 4.48:
Drukzijde. Het drukspanningsdiagram onder het overstek is niet rechthoekig. Gezien de
kleine afwijking, wordt het benaderend rechthoekig beschouwd. Het moment in de voetplaat
ter plaatse van de kolomflens (snede 1-1) is:

M11, d

l2
100
1 + 1
1
+1
1
x
1
309
N
2
= bl22
f j,d M 11,d = 450mm (100mm )
13. 3
= 25kNm (4.113)
2
2
2
2
mm
Trekzijde. Het moment in de voetplaat ter plaatse van de kolomflens (snede 2-2) wordt
bepaald door de trekkracht in de ankers:

M 2 2 ,d = N t .Sd (l 2 e ) M 2 2 ,d = 678 k N(100 mm 50 mm) = 33 .9 kNm

(4.114)

4-49

l2

h
tf

M1-1,Sd

MSd

a)
FSd
M2-2,Sd
2x/3
t
c

x/3
fj,d

c
N T,Sd

Figuur 4.48: Momentenverdeling in voetplaat


Snede 2-2 is maatgevend. De dikte van de voetplaat volgt uit vgl. (4.106):

M
M Sd
= 2 22,d t =
Wel ,y
bt
6

f y ,d =

6M 2 2, d
b fy ,d

t=

6 33.9kNm
= 48mm
215 N
450
1. 1 mm

(4.115)

Opgelet. Daar de dikte van de voetplaat t>40 mm, wordt de vloeigrens (fy) beperkt tot 215 N/mm
[Tabel 3.1].
Opmerking. Bij de rek- en spanningsverdeling is aangenomen dat de ankers vloeien. Deze aanname
kan eenvoudig gecontroleerd worden:

x1 = a e x x1 = 510mm 50mm 309mm = 151mm


a =

x1
151
1.75 o o a =
1.75 o o = 0.49 o o
x
309

(4.116)

(4.117)

De rek in de ankers (a) is kleiner dan 1.12 /00, zodat de ankers in praktijk niet vloeien in uiterste
grenstoestand. Bij het ontwerp zal moeten uitgegaan worden van de rele rek om de werkspanning te
begroten. De bouten worden daarop gedimensionneerd. In het andere geval zal de rek van de
ankers in praktijk toenemen tot ze gaan vloeien en de vereiste kracht leveren. Daardoor zal ook de
rek in het beton het elastische gebied overschrijden. Daarmee belanden we automatisch in de
hiernavolgende aangepaste rekenmethode.

4.10.1.4 Excentrische belaste voetplaten niet-lineaire drukspanningsverdeling


De methode wordt toegelicht en gellustreerd aan de hand van hetzelfde getalvoorbeeld, Figuur
4.47,b.
De betondruksterkte bedraagt: fj,d=13.3 N/mm.
De lengte x van de betondrukzone en de resulterende betondrukkracht (Nb,Sd) volgen uit het
momentenevenwicht om de ankers:

= 0 FSd

l1

7x
3
+ MSd Nb,Sd a e
= 0 , met: Nb, Sd = xbf j, d
2
18
4

(4.118)

Dit geeft:

4-50

N
3 x 450mm 13. 3
410mm
mm
510 50 7x = 0 x=191 mm
250kN
+ 280 kNm
2
4
18

Nb,Sd =

3
N
191mm 450 mm 13. 3
= 858k N
4
mm

(4.119)

De trekkracht op de ankers volgt uit het verticaal evenwicht:

= 0 Nt .Sd + FSd Nb.Sd = 0 Nt .Sd = Nb.Sd FSd = 858k N 250k N = 608k N

(4.120)

De dikte van de voetplaat hangt af van het overstek van de voetplaat aan de druk of aan de trekzijde.
En van beide zal leiden tot een maximale spanning in de voetplaat en is dus maatgevend. Beide zijn
te controleren, Figuur 4.49:
Drukzijde. Het drukspanningsdiagram onder het verstek is niet geheel rechthoekig, immers:
0.5x=191/2=95.5mm<l1=100 mm.
Gezien de kleine afwijking, wordt het benaderend
rechthoekig beschouwd. Deze aanname is aan de conservatieve zijde. Het moment in de
voetplaat ter plaatse van de kolomflens (snede 1 -1) is:

M11,d =

1 2
1
N
bl f M11,d = 450 mm (100 mm)2 13. 3
= 30kNm
2 2 j, d
2
mm

(4.121)

Trekzijde. Het moment in de voetplaat ter plaatse van de kolomflens (snede 2-2) wordt
bepaald door de trekkracht in de ankers:

M 22,d = Nt .Sd (l 2 e) M 22,d = 608kN(100mm 50mm ) = 30, 4kNm


l2

(4.122)

h
tf

M1-1,Sd

MSd

a)
FSd
M2-2,Sd
7x/18
t
c

fj,d
e
NT,Sd

x/2

x/2
x

Figuur 4.49: Momentenverdeling in voetplaat


Snede 2-2 is maatgevend. De dikte van de voetplaat volgt uit vgl. (4.106):

f y ,d =

M
M Sd
= 2 22,d t =
Wel ,y
bt
6

6M 2 2, d
b fy ,d

t=

6 30.4kNm
= 46mm
215 N
450
1. 1 mm

(4.123)

Opgelet. Daar de dikte van de voetplaat t>40 mm, wordt de vloeigrens (fy) gereduceerd tot 215
N/mm [Tabel 3.1].
Opmerking. Bij de rek- en spanningsverdeling is aangenomen dat de ankers vloeien. Deze aanname
kan eenvoudig gecontroleerd worden:

x1 = a e x x1 = 510mm 50mm 191mm = 269mm

4-51

a =

x1
269
3. 5 o o a =
3.5 o o = 4. 9 o o
x
181

(4.124)

De rek in de ankers (a) is groter dan 1.120/00, zodat de ankers inderdaad vloeien in uiterste
grenstoestand.
4.10.1.5 Excentrisch belaste voetplaten uniforme drukspanningsverdeling
De uniforme drukspanningsverdeling is eigenlijk bedoeld voor centrisch belaste kolommen, maar kan
eveneens toegepast worden voor een excentrisch belaste kolom. De rekenmethode gaat uit van een
tegendrukpunt ter plaatse van de gedrukte kolomflens en van een gelijkmatig verdeelde
drukspanningsverdeling in het beton.
De methode wordt gellustreerd aan de hand van hetzelfde getalvoorbeeld als voor de niet-lineaire
drukspanningsverdeling, zodat de onderlinge verschillen duidelijk naar voor komen, Figuur 4.47,c.
De volgorde in de werkwijze is gelijkaardig aan de voorgaande methode.
De afmeting b (niet a) wordt geschat:
b=450 mm;
l1=410 mm.
De betondruksterkte bedraagt: fj,d=13.3 N/mm.
De drukkracht FSd,flens volgt uit de gemiddelde spanning in de flens als gevolg van druk en buiging:

Sd ,flens

F
= Sd +
A

Sd,flens =

M Sd

1
(h tf )
2
Iy

250k N
+
12440mm

FSd ,flens = Aflens Sd ,flens =


FSd, flens =

280kNm

1
(310mm 15.5mm )
N
2
= 200
4
mm

22930cm

1
(A hl t w ) Sd ,flens
2

1
(12440mm 225mm 9mm )200 N = 1041.5kN
2
mm

(4.125)

(4.126)

De lengte van de uniforme betondrukzone (c) volgt uit het verticaal evenwicht:

FSd;flens
b fj,d

1 FSd;flens
1
1041
.
5
kN
= 2c + t f c =
tf c =
15. 5 = 79mm

2 b fj ,d
2 450mm 13. 3 N

mm

(4.127)

De dikte van de voetplaat hangt af van het overstek van de voetplaat aan de druk of aan de trekzijde.
En van beide zal leiden tot een maximale spanning in de voetplaat en is dus maatgevend. Beide zijn
te controleren, Figuur 4.50:
Drukzijde. De dikte van de voetplaat volgt uit:

f j,d 1c 2
f y ,d

M
= Sd =
Wel ,y

2
1t 2
6

t =c

3f j ,d
f y ,d

t = 79mm

N
mm = 34.2mm = 35mm
235 N
1.1 mm

3 13.33

(4.128)

Trekzijde. Het moment in de voetplaat ter plaatse van de kolomflens, snede 2-2, volgt
opnieuw uit de trekkracht in de ankers. De trekkracht in de ankers is daarvoor

4-52

benodigd. De trekkracht in de ankers volgt uit het momentenevenwicht om het


centrum. De lengte van de voetplaat a=470 mm (h+2c=310+2x79). Met l1=410mm,
volgt hieruit dat: l2=80mm en e=30 mm.
De trekkracht in de ankers
(momentenevenwicht om het drukcentrum):
l2

c)
tf

M1-1,Sd

MSd
FSd
M2-2,Sd
t
c

fj,d
x/2

x/2

NT,Sd
x

Figuur 4.50: Momentenverdeling in de voetplaat

Nt .Sd

1
1
= 0 Nt .Sd h t f + (l 2 e) MSd + FSd h t f = 0
2
2
2

1
1
1
1

M Sd FSd h t f
280kNm 250kN 310mm 15. 5mm
2
2
2
2

= 690. 4kN
=
N t .Sd =
1
1

h t f + (l 2 e)
310 mm 15. 5mm + (80mm 30mm )
2
2

Het moment in de voetplaat van de kolomflens (snede 2-2) volgt uit de trekkracht van
de ankers:

M 22,d = Nt .Sd (l 2 e) M 2 2,d = 690. 4kN(80mm 30mm ) = 34. 5kNm


f y ,d =

(4.129)

M
M Sd
= 2 22,d t =
Wel ,y
bt
6

6M 22, d
b fy ,d

t =

6 34. 5kNm
= 48.5mm = 50mm
215 N
450
1. 1 mm

(4.130)

(4.131)

Vergelijken we beide methodes, dan zijn de verschillen in geometrie voor de voetplaat (axbxt) klein te
noemen. De verschillen in de trekkracht in de ankers is groter: 608 tegen 690.4 kN.
4.10.1.6 Aanbrengen van verstijvingsribben
Door het aanbrengen van verstijvingsribben kan de dikte van de voetplaat gevoelig gereduceerd
worden. Dit wordt vooreerst gellustreerd aan de hand van een getalvoorbeeld. De algemene
werkwijze wordt daarna kort aangegeven.
Veronderstel volgende gegevens, Figuur 4.51:
kolom HEA300, Fe360b, dus fy=235 N/mm;
Drukkracht: F Sd=2100kN;
Funderingsbeton: C25/35, dus: fck = 25 N/mm;
kj=1.2. Neem aan dat de concentratiecofficint gelijk is aan 1.2;
a=315mm. De lengte van de voetplaat wordt beperkt tot 315 mm.

4-53

Rekenmodel voor strook b

qSd=fj,d

Strook a

tw

Rekenmodel voor strook a


qSd=fj,d

Strook b

h
a
Figuur 4.51: Aanbrengen van verstijvingsribben
De benodigde breedte van de voetplaat volgt uit de maximaal toegelaten spanning in de mortelvoeg:

Avoetplaat =

Avoetplaat 1750000mm
FSd
2100k N
=
= 175000mm b =
=
= 555mm
N
f j ,d
a
315mm
13. 3
mm

(4.132)

Beschouw voor de bepaling van de plaatdikte een strookje a met een breedte van 1 mm. Dit strookje
kan beschouwd worden als een uitkragende ligger, ingeklemd ter plaatse van het lijf van de kolom.
Uit dit maximale inklemmingsmoment volgt de dikte van de plaat:

M aa,d =

t=

1
1
N
f b 2 M aa,d = 13. 3
(274mm)2 = 0.5kNm
2 j ,d 1
2
mm

6M aa,d
f y ,d

t=

6 0. 5kNm
= 150mm
175 N
1. 1 mm

(4.133)

(4.134)

De aangehouden vloeigrens bedraag fy=175N/mm, omdat de dikte groter is dan 100mm.


De dikte van de voetplaat kan gereduceerd worden door aan de kolomflenzen verstijvingsribben te
lassen. Beschouw voor deze situatie strookje b. Deze strook kan beschouwd worden als een ligger
op twee steunpunten. Uit het maximale (veld)moment volgt:

M b b, d =
t=

1
1
N
f j ,d l 22 M bb,d = 13. 3
(276mm )2 = 0. 127kNm
8
8
mm

6M b b, d
f y ,d

t=

6 0.127kNm
= 62mm
215 N
1. 1 mm

(4.135)
(4.136)

4-54

Krachtswerking op ribbe A-A

Strook a

Strook a

Krachtswerking op ribbe B-B

qSd=fj,d

Figuur 4.52: aanbrengen van verstijvingsribben


Figuur 4.52 somt enkele andere mogelijkheden op om de voetplaatdikte te reduceren, dan wel om de
verticale krachten over te dragen op een groter oppervlak onder de kolom:
verstijvingsribben in het verlengde van de kolomflenzen (a);
verstijvingsribben in het verlengde en dwars op de kolomflenzen (b).
De contactdruk die werkt op de voetplaat wordt verkregen door het inrekenen van een invloedszone
rond de verstijvingsribbe, uitgaande van een gelijkmatig verdeelde contactdruk onder de voetplaat.
Dit is aanvaardbaar voor hoge stijfheden van de voetplaat, wat beoogd wordt door het aanbrengen
van de verstijvingsribben.
Na de berekening van de voetplaatdikte, is eveneens een controle van de verstijvingribben
noodzakelijk. Daar het gaat om korte balken, zal buiging slechts een verwaarloosbare rol spelen. De
lasnaden zullen voornamelijk dwarskrachten overbrengen tussen voetplaat en kolom.

4.10.2 Dwarskracht
Er zijn 3 mogelijkheden voor de opname van dwarskracht:
Opname door de ankerbouten zelf;
Opname door wrijving tussen staal en beton;
Opname door speciale voorzieningen (bv.: aangelaste blokken of staven).
4.10.2.1 Dwarskracht opname door ankerbouten
Wanneer de dwarskracht rechtstreeks wordt opgenomen door de ankerbouten, dan moeten de bouten
ontworpen worden zoals gezien in 4.6. Combinaite van Trek en Afschuiving. De dwarskracht wordt
gelijk verdeeld over de verschillende bouten, en voor de meest belaste bout moet gelden (vgl.4.17):

Fv .Sd
Ft .Sd
+
<1
Fv .Rd 1.4Ft .Rd

(4.17)

4.10.2.2 Dwarskracht opname door wrijving tussen staal en beton


Een tweede mogelijkheid bestaat erin beroep te doen op de wrijving tussen staal en mortelvoeg om de
aangrijpende dwarskracht over te dragen naar de onderbouw. De aangenomen wrijvingscofficint
bedraagt: =0.2-0.30. De controle luidt aldan:

4-55

Fv .Sd
< 0.3
Ft .Sd

(4.137)

4.10.2.3 Dwarskracht opname door speciale voorzieningen


Wanneer de dwarskracht op normaalkracht verhouding te groot wordt, dient de dwarskracht
rechtstreeks te worden ingeleid in het beton. Er bestaan vele varianten om dit te realiseren, Figuur
4.53:
een ribbe onder de kolom gelast, die mee wordt ingebetonneerd, Figuur 4.53 b,c;
een extra stuk kolom, met zelfde afmetingen, gelast onder de voetplaat, Figuur 4.57 a,d.

b)
a)
Figuur 4.53: Opname dwarskracht door speciale voorzieningen

c)

De controle bestaat erin om na te gaan dat de contactdruk die ontstaat, de betondruksterkte niet
overschrijdt.

4.10.3 Ankerbouten
Bij kolommen die uitsluitend op druk worden belast, zijn theoretisch geen ankers nodig. In de praktijk
past men toch ankers toe voor het monteren en stellen van de bovenstructuur. Wanneer het afstellen
van de staalconstructie geschiedt via extra stelmoeren op de ankers, fungeren de ankers tijdens de
montage als drukstaven. De ankers moeten dan op dit belastinggeval zijn berekend.
Ankerbouten kunnen in drie klasses onderverdeeld worden, Figuur 4.54:
ankerbouten die geplaatst worden vooraleer het beton gestort wordt, Figuur 4.54 a, c;
ankerbouten met haken, Figuur 4.54 b;
ankerbouten met een hamerkop, Figuur 4.54 d.
a)

b)

c)

d)

Figuur 4.54: verschillende types ankerbouten


Ankers kunnen vooraf in het beton worden ingestort (vast) of worden aangebracht in geboorde of
uitgespaarde gaten (met ruimte). In het algemeen verdient het aanbeveling de gaten voor de ankers
in de voetplaten wat groter te boren en ringen onder de moeren aan te brengen.
Geringe
plaatsafwijkingen kunnen dan gemakkelijk worden opgevangen. Indien het vast of met ruimte

4-56

instorten van ankers niet of moeilijk uitvoerbaar is, worden de ankergaten ook wel geboord na het
monteren van de staalconstructie. De ankers worden dan ingelijmd.
4.10.3.1 Ingestorte ankerbouten
Het eerste type wordt geplaatst alvorens het beton te storten. De krachtsoverdracht vindt plaats door
de hechting tussen staal en beton. Dit type van ankers laat geen speling toe achteraf en moet aldus
zeer nauwkeurig geplaatst worden. Daarnaast zal de bevestiging moeten voldoen aan de nodige
voorwaarden, voldoende getest zijn, en aanvaard worden door zowel ontwerper, bouwheer en
bevoegde instantie.
De ankerlengte wordt berekend overeenkomstig ENV1992 (Eurocode 2, Beton). Uiteraard zal een
extra haak onderaan de weerstand verhogen, daar niet enkel beroep wordt gedaan op de hechting of
kleefsterkte tussen staal en beton.
De basisankerlengte (lb) voor een recht anker wordt berekend als de trekkracht die vereist is om het
anker uit het beton te trekken, waarbij de doorsnede vloeit. Daardoor wordt een veilige verankering
verkregen. Deze is gelijk aan [EC2, 5.2.2.3, vfl.5.3]:

Ft .Rd = l bfb, d =
met:

2
f y ,d
4

(4.138)

lb: de basisankerlengte;
: de diameter van het anker;
fb,d: de ontwerphechtsterkte (kleefspanning) van het beton (functie van de betonkwaliteit,
Tabel 4.7 [EC2, Tabel 5.3]);
fy,d: de ontwerp vloeispanning van het ankerstaal.

fc,k [N/mm]
12
16
20
25
30
35
40
fb,d [N/mm]
1.6
2.0
2.3
2.7
3.0
3.4
3.7
Tabel 4.7: ontwerphechtsterkte van beton (voor staven met verbeterde hechting)

45
4.0

50
4.3

De netto-ankerlengte (lb,net) volgt dan uit:

l b,net = a lb
met:

AS,req
AS, prov

l b,min

(4.139)

a: reductiecofficint voor het in rekening brengen van verankering anders dan hechting
(haakweerstand);
o a=0.7: anker met een haak;
o a=1: recht anker;
AS,req: de vereiste staalsectie om de aangrijpende kracht op te nemen;
AS,prov: de voorziene staalsectie om de aangrijpende kracht op te nemen;
lb,min: minimale verankeringslengte:
o lb,min >0.3lb en >10.

4.10.3.2 Ankerbouten met een haak


Ankerbouten met een haak laten enige speling toe bij montage. De dwarse pin onderaan, die in het
beton wordt gestort, is nuttig om de ankerbout reeds te bevestigen tijdens de constructie, alvorens de
ankerholte wordt gevuld. Ook in dit geval is de krachtoverdracht gebaseerd op de hechting tussen
staal en beton.
4.10.3.3 Ankerbouten met een hamerkop
Dit type van ankerbouten laat de nodige fijnregeling toe van de ankerbouten bij plaatsing van de
bovenstructuur. De krachten worden niet langer overgedragen door de hechting staal/beton. De
hamerkop wordt vooraf aan de betonwapening vastgelast. De nodige uitsparingen voor het plaatsen
van de ankerbouten wordt gevrijwaard door een stalen bekisting of polystyreen vulling. Na het storten

4-57

van het funderingsbeton kunnen de ankerbouten worden aangebracht.


De trekkrachten worden
rechtstreeks op de onderliggende fundering overgedragen door de hamerkop. Er wordt geen rekening
gehouden met de bijkomende hechting tussen staal en beton. De sterkte van de verankering kan
begroot worden uit de toelaatbare stuikdruk op het beton.

4-58

5 Hout. Structureel gedrag


5.1 Inleiding
Dit deel behandelt het structureel gedrag van hout. Voornamelijk deze punten zullen belicht
worden waar het gedrag afwijkt van dat van een klassiek materiaal zoals staal of beton.
Daarmee wordt in dit hoofdstuk de specificiteit van hout als constructiemateriaal benadrukt.
Voor het berekenen van houten structuren wordt beroep gedaan op de geldende Europese
norm EC5 Design of Timber Structures (EC5, 1993). Deze norm steunt op de algemene
principes van het ontwerp volgens de methode der grenstoestanden, gebruik makend van
partile veiligheidsfactoren, zoals dat ook het geval is voor bijvoorbeeld beton (EC2), staal
(EC3) of metselwerk (EC6). Het rekenen volgens de grenstoestanden komt uitgebreid aan
bod in het deel II.2 Beton. Structureel gedrag. Deze algemene ontwerpprincipes alsook
informatie over het ontwerp van belastingen en het samenstellen van belastingscombinaties
kan teruggevonden worden in EC1. Ook dit onderwerp wordt behandeld in het deel II.2
Beton. Structureel gedrag.
Doorheen de hoofdstukken zal worden aangegeven hoe de microscopische opbouw van hout
en zijn anatomische structuur het structureel gedrag benvloeden. Immers, omwille van de
anisotropie is de richting van de krachtswerking een bijkomende parameter. Ook de invloed
van vocht laat zich gevoelen in het structureel gedrag. Daarnaast zijn de vervormingen
functie van de tijd. Hout vertoont een specifiek kruipgedrag.
Aangezien de berekening van hout volgens de methode der grenstoestanden verloopt,
behelst dit de verificatie van zowel de uiterste grenstoestanden als van de
gebruiksgrenstoestanden.
Speciale aandacht gaat naar deze grenstoestanden waar het
specifieke structureel gedrag van hout een belangrijke impact heeft: de vervormingen,
trillingen, alsook de brandweerstand. Een rekenvoorbeeld is toegevoegd aan het einde van
dit hoofdstuk waarin de verschillende elementen gebundeld worden.
Als structureel element zijn de toepassingen van hout sterk vergelijkbaar met deze van staal
of beton. Houten elementen zullen dus belast worden in druk, buiging en afschuiving. Naast
een hoge druksterkte heeft hout in tegenstelling tot beton een aanzienlijke treksterkte. Het
ontwerp van houten elementen zal (in onbeschadigde toestand) dan ook sterk aanleunen bij
dat van staal.
In beschadigde toestand, wanneer scheuren of barsten de
spanningsoverdracht verhinderen, kan het wapenen van hout soelaas bieden, cfr. II. 3. Hout.
Herstelling. Aldan sluit het ontwerp nauwer aan bij gewapend beton.
Referenties:
Eurocode 5, "Design of Timber Structures", EN 1995, 1993.
Timber Engineering, STEP 1, Edt. Salland De Lange, Deventer, 1995.
Timber Engineering, STEP 2, Edt. Salland De Lange, Deventer, 1995.
Brandveiligheid, Cursustekst, VTK, 1995.
EN 338, "Structureel houtw erk - sterkte klasses", 1995.
prEN 1194, "Timmerwerk gelijmd gelamelleerd hout Sterkteklassen
bepalingen van de kenmerkende waarden", 1999.
Van Gemert, D., "Elasticiteitsleer", Cursustekst, VTK, KULeuven, 1995.
Timoshenko S. en Gere J.M., "Theory of Elastic Stability", McGraw-Hill Book Co. Inc.
New York, NY, 2nd edition, 1961.
Robson, P., Structural Repair of Traditional Buildings, edt. Donhead Publishing Ltd.,
1999.
EN 518, Hout voor dragende toepassingen classificatie Eisen voor sterkteindeling naar uitzicht, 1995.
EN 518, Hout voor dragende toepassingen classificatie Eisen voor machinale
sterkte-indeling en voor sterkte-indelende machines, 1995.
Van Gemert, D., De Roeck, G., Beginselen van Sterkteleer, cursustekst, KULeuven,
Wouters, 1996.
STS 31, Timmerwerk, Deel 3: Uitvoering, 1990.

5-1

5.2 Sterkteklassen
Omwille van de anisotropie van het materiaal hout, zijn de sterkte- en stijfheidsparameters
sterk verschillend naargelang de orintatie ten opzichte van de vezelrichting. Figuur 5.1
geeft het spanning-rek diagramma voor hout belast volgens en loodrecht op de vezelrichting.
Omwille van de vezelstructuur is de sterkte volgens de vezelrichting vele malen groter.

[N/mm 2]
Trek volgens de
vezelrichting van het
hout

ft,0

E90
Druk loodrecht op de
vezelrichting van het
hout

Druk volgens de
vezelrichting van het
hout

Trek loodrecht op de
vezelrichting van het
hout

ft,90

[mm/mm]

fc,90
E0
fc,0

Figuur 5.1: Spanning-rek (-)-diagram voor hout in druk- en trekzone


De sterk verschillende microstructuur tussen loofhout (D) en naaldhout (C) enerzijds en
gelijmd gelamelleerd hout (GL) anderzijds, heeft tot 3 verschillende sterkteklasseringen
geleid. De sterkte varieert van het dennenhout C14 tot hardhout D70, Tabellen 5.1 -5.3.
C14 C16 C18 C22 C24 C27 C30 C35 C40
2

fm,k
ft,0,k
ft,90,k
fc,0,k
fc,90,k
fv,k

14
8
0.3
16
4.3
1.7

16
10
0.3
17
4.6
1.8

in [N/mm ]
18
22
24
11
13
14
0.3 0.3 0.4
18
20
21
4.8 5.1 5.3
2.0 2.4 2.5

27
16
0.4
22
5.6
2.8

30
18
0.4
23
5.7
3.0

35
21
0.4
25
6.0
3.4

40
24
0.4
26
6.3
3.8

12
8.0
0.40
0.75

12
8.0
0.40
0.75

13
8.7
0.43
0.81

14
9.4
0.47
0.88

in [kN/mm ]
8
9
10
11
E0,mean 7
4.7
5.4
6.0
6.7
7.4
E0,05
E90,mean 0.23 0.27 0.30 0.33 0.37
Gmean 0.44 0.50 0.56 0.63 0.69
3

in [kg/m ]
290 310 320 340 350 370 380 400 420
k
Tabel 5.1: Sterkteklassen en karakteristieke waarden overeenkomstig EN 338 naaldhout en
populier
Volgende notaties worden aangehouden:
2
f staat voor een sterktewaarde in [N/mm ],
2
E voor de elasticiteits- of Youngs modulus [kN/m m ],
2
G voor de glijdingsmodulus [kN/mm ] en
3
voor de dichtheid [kg/m ].

5-2

Bij de sterktewaarden specifiren de suffixen om welke sterkte het gaat: m voor buiging, t
voor trek, c voor druk, v voor afschuiving. Verder wordt de orintatie ten opzichte van de
vezelrichting van het hout aangegeven: 0 volgens de vezelrichting, 90 loodrecht op de
vezelrichting van het hout. Dit geldt ook voor de Tabel 5.2 en Tabel 5.3.
D30

fm,k
ft,0,k
ft,90,k
fc,0,k
fc,90,k
fv,k

30
18
0.6
23
8.0
3.0

E0,mean 10
E0,05 8.0
E90,mea 0.64

D35
35
21
0.6
25
8.4
3.4
10
8.7
0.69

D60

D70

in [N/mm2]
40
50
24
30
0.6
0.6
26
29
8.8
9.7
3.8
4.6

D40

D50

60
36
0.7
32
10.5
5.3

70
42
0.9
34
13.5
6.0

in [ kN/mm 2]
11
14
9.4
11.8
0.75
0.93

17
14.3
1.13

20
16.8
1.33

11.06

1.25

700

900

Gmean

0.60

0.65

0.70

0.88
3

530

560

in [kg/m ]
590
650

Tabel 5.2: Sterkteklassen en karakteristieke waarden overeenkomstig EN 338 loofhout


GL20

fm,g,k
ft,0,g,k
ft,90,g,k
fc,0,g,k
fc,90,g,k
fv,g,k

20
15
0.35
21
5.0
2.8

GL24
24
18
0.35
24
5.5
2.8

GL28

GL32

in [N/mm
28
21
0.45
27
6.0
3.0

GL36

LVL

36
27
0.45
31
6.3
3.5

48-51
42
0.6
42
6-9
3.0

14.5
11.6

14
12.4

480

500

]
32
24
0.45
29
6.0
3.5
2

E0,mean,g 10
8.0
E0,05,g

11
8.8

in [ kN/mm ]
12
13.5
9.6
10.8

380

in [kg/m ]
410
440

g,k

360

Tabel 5.3: Sterkteklassen en karakteristieke waarden overeenkomstig prEN 1194 (1993) voor
GL (gelijmd gelamelleerd) hout en LVL (Laminated Veneer Lumber) (KERTO) (Step 1, 1995)
De laatste kolom geeft de karakteristieke waarden weer voor LVL. Dit type werd ontwikkeld
in de jaren 1960 en verder gecommercialiseerd sinds 1980. De idee bestaat erin om het hout
te snijden in dunne vellen en deze opnieuw aan mekaar te lijmen. Bedoeling is om de
defecten zoals kwasten, die een grote invloed hebben op de uiteindelijke sterkte, te
elimineren. Immers, de intrinsieke sterkte van hout ligt een stuk hoger dan deze van een balk
of plank gezaagd uit hout, juist omwille van al die mogelijke onregelmatigheden. Door de
combinatie van alleen vellen van goede kwaliteit verkrijgt men een gelijmd composiet met
hoge weerstand.
Het indelen van zaaghout in sterkteklassen gebeurt visueel of machinematig.
Bij het visueel indelen in sterkteklassen, overeenkomstig EN 518, worden de gebreken van
het hout over een referentiestuk visueel bestudeerd. Daarbij wordt gekeken naar:

5-3

elementen die de karakteristieke sterkte van het hout beperken zoals: kwasten, de
helling van de vezelrichting ten opzichte van de lengterichting van het gezaagde hout,
de groeiringbreedte en scheuren,
elementen die de geometrie aantasten: wankanten, vervormingen zoals kromming op
het vlak in de lengte, kromming op het zijvlak in de lengte, kromming op het vlak in de
breedte, scheluwte,
andere benvloedende elementen zoals groeifouten of mechanische schade.

Deze methode heeft voor- en nadelen. Ze is eenvoudig, vereist weinig technische of dure
uitrusting, maar is tevens arbeidsintensief en onefficint in die zin dat de houtstructuur en de
dichtheid die de sterkte in een grote mate benvloeden, onvoldoende in rekening worden
gebracht.
De bovenstaande nadelen kunnen worden opgevangen door een machinale indeling volgens
sterkteklassen, overeenkomstig EN 519. De meeste toestellen die momenteel op de markt
zijn, zijn zogenaamde buigtoestellen die de gemiddelde buigmodulus bepalen over een
korte referentielengte (0.5 tot 1.2m). Meer geavanceerde toestellen zijn tevens uitgerust met
optische instrumenten die automatisch kwasten in het hout detecteren (absorptie van
straling), de dichtheid en het vochtgehalte bepalen en de groeiringbreedte opmeten.
Daarnaast wordt ook de geometrie van het hout opgemeten, Figuur 5.2.

Figuur 5.2: Schematische voorstelling van een machinale sterkteklassering zoals toegepast
in Europa: (a) opmeten van vervormingen, (b) buigmodulus, (c) absorptie van straling, (d)
kromming, (e) dikte en (f) vochtgehalte [Overgenomen uit STEP 1, 1995, Figuur 5. 4,
pp.A6/6].

5.3 Van karakteristieke waarde naar ontwerpwaarde


De ontwerpsterkte van hout wordt net zoals bij andere materialen (staal, beton, metselwerk)
bepaald door de karakteristieke waarde te delen door een veiligheidscofficint, die de
onzekerheid op de materiaaleigenschap weergeeft. Om het specifieke materiaalgedrag in
rekening te brengen, worden correctiefactoren toegevoegd.
Voor hout wordt de
ontwerpsterkte:

f d = k mod k h

fk
m

waarin:
fd: de ontwerpsterkte,
fk: de karakteristieke sterkte,
k mod: een modificatiefactor die de belastingsduur, de dienstklasse alsook
materiaaltype in rekening brengt,
k h: een schaalfactor die het volume- en spanningverdelingseffect in rekening brengt,
m: de materiaal veiligheidscofficint.

(5.1)

het

5-4

5.4 De partile veiligheidsfactor voor het materiaal hout - m


De partile veiligheidsfactor voor het materiaal hout is weergegeven in Tabel 5.4. Ter
illustratie zijn ook de partile veiligheidsfactoren voor enkele andere vaak voorkomende
constructiematerialen in de tabel opgenomen.
hout en afgeleide Staal
houtmaterialen

Beton

metselwerk

Uiterste grenstoestand
1.3
1.15
1.5
1.5-3.0
Gebruiksgrenstoestand
1.0
1.0
1.0
1.0
Tabel 5.4: Partile veiligheidsfactor voor hout overeenkomstig EC5 en enkele andere
constructiematerialen

5.5 De modificatiefactor - kmod


De modificatiefactor
van vocht en tijd.

k mod wordt toegevoegd omdat het materiaalgedrag van hout functie is

Om rekening te houden met het vochtgehalte, worden de ontwerptoepassingen ingedeeld in 3


dienstklassen.
Deze
dienstklassen
beantwoorden
aan
een
zone
in
het
evenwichtsvochtgehalte () in het hout.

30
Dienstklasse 3

20
Dienstklasse 2

Desorptiecurve
10
Dienstklasse 1

Adsorptiecurve

Oscillerend

0
0

10

20

30

40

50

60

70

80

90

100

Relatieve Vochtigheid [%]


Figuur 5.3: Evenwichtsvochtgehalte in hout [%] in functie van de relatieve vochtigheid RV
[%] Afbakening van de 3 dienstklassen: dienstklasse 1: <12%, dienstklasse 2: 12% < <
20%, diensklasse 3: geen grenzen opgelegd aan
Figuur 5.3 geeft een typisch verloop van het evenwichtsvochtgehalte in hout ( [%]) in
functie van de relatieve vochtigheid (RV [%]). De overeenstemmende dienstklassen zijn
aangegeven op de y-as. Volgende toepassingen stemmen overeen met deze indeling (EC5,
1993):
Dienstklasse 1: klimaatomstandigheden met een omgevingstemperatuur van 20C en
een relatieve vochtigheid die slechts enkele malen per jaar 65% overschrijdt.

5-5

Dienstklasse 2:klimaatomstandigheden met een omgevingstemperatuur van 20C en


een relatieve vochtigheid die slechts enkele malen per jaar 85% overschrijdt. Het
gaat hier om buitentoepassingen,
Diensklasse 3: klimaatomstandigheden die tot hogere vochtgehaltes leiden.

Buiten het krimpen en zwellen van het hout en het anisotroop karakter hiervan ten gevolge
van de opbouw van het hout heeft het evenwichtsvochtgehalte een grote invloed op de
materiaaleigenschappen. Het effect van een wijziging van het evenwichtsvochtgehalte op de
mechanische eigenschappen van hout is samengevat in Tabel 5.5.
De basis voor
vergelijking is een evenwichtsvochtgehalte gelijk aan 12%.
Materiaaleigenschap

Verandering tgv 1%
daling in
Druksterkte evenwijdig met de vezelrichting
fc,0 5 ()
Druksterkte loodrecht op de vezelrichting
fc,90 5 ()
Buigsterkte evenwijdig met de vezelrichting
4 ()
Treksterkte evenwijdig met de vezelrichting treksterkte fm,0 2.5 ()
ft,0
loodrecht op de vezelrichting
2 ()
Afschuifsterkte evenwijdig met de vezelrichting
ft,90 3 ()
Impact buigsterkte evenwijdig met de vezelrichting
fv,0 0.5 ()
Elasticiteitsmodulus evenwijdig met de vezelrichting
E0 1.5 ()
Tabel 5.5: Benaderend effect in [%] van een wijziging in het evenwichtsvochtgehalte van 1%
ten opzichte van de basiswaarde = 12%
Deze veranderingen in negatieve zin zijn gedeeltelijk het gevolg van het zwellen van de
cellen, waardoor er minder celwand aanwezig is per eenheid oppervlak. Belangrijker echter
is het effect van verweken van de celwand wanneer het water de celwand penetreert.
Daardoor verkleint de bindingssterkte tussen de celwanden.

1
Dienstklasse 1 [EC5]
0,9
Madison-curve
0,8
0,7
Dienstklasse 2-3 [EC5]
0,6
1 week

6 maanden 10 jaar

0,5
0,01

100

10000

1000000

log10(t) [h]
Figuur 5.4: Madison-curve, gebaseerd op experimenteel onderzoek (Wood 1951) en
afgeleide ontwerpcurven voor het bepalen van k mod in functie van de dienstklasse en de
belastingsduur
De sterkte van hout is functie van de tijdsduur van de aangrijpende belasting. Daarom zijn de
sterktewaarden voor belastingen van lange duur slechts 60% van de waarden die gevonden
worden bij korte duur experimenten (Wood 1947, 1951). De sterktereductie als functie van de

5-6

tijdsduur werd experimenteel bepaald en weergegeven op een logaritmische schaal.


verband staat bekend als de "Madison"-curve, Figuur 5.4.

Dit

Om rekening te houden met de belastingsduur worden 5 belastingsduurklassen voorgesteld.


Tabel 5.6 geeft een overzicht van k mod in functie van belastingsduur en dienstklasse. Enkele
typische belastingen zijn toegevoegd om de belastingsduur te illustreren.
Belastingsduur

duur

type voorbeeld

k mod voor betreffende dienstklasse


Dienstklasse 1, 2

dienstklasse 3

Permanent
> 10 j
eigen gewicht
0.6
0.50
Lange Duur
6 m - 10 j
opslag goederen
0.7
0.55
Middellange Duur
1 w-6m
nuttige vloerlast
0.8
0.65
Korte Duur
<1w
sneeuw en wind
0.9
0.70
Ogenblikkelijk
accidentele last
1.1
0.90
Tabel 5.6: Waarden voor k mod overeenkomstig EC5 in functie van belastingsduur en
dienstklasse, geldig voor gezaagd hout en gelijmd hout
Belangrijk hierbij is op te merken dat in belastingscombinaties, waarbij de belastingen
behoren tot verschillende klassen van belastingsduur, de waarde voor kmod moet genomen
worden voor de belasting met de kortste duur uit de combinatie. Evenwel moet steeds de
meest nadelige belastingscombinatie opgezocht worden, inbegrepen de waarde van kmod.

5.6 De volumefactor of hoogtefactor k h


De eerste toepassingen van schaaleffecten behelzen de modificatie van de karakteristieke
sterkte zoals ze worden weergegeven in prENV 338 "Structureel houtwerk - sterkte klassen".
Voor zaaghout en gelijmd hout worden een volume- en spanningsverdelingsfactor k h
ingevoerd. Deze is gebaseerd op de theorie van de zwakste schakel bij brosse materialen in
trek (Weibull, 1939). Een ketting in trek is immers maar zo sterk als haar zwakste schakel.
Veronderstel een referentie volume (V), dat belast is in trek. De kans dat dit volume faalt (Pi),
wordt gedefinieerd als de kans (P) dat de treksterkte (ft) kleiner is dan de optredende
trekspanning (t):

Pi = P( f t < t )

(5.2)

Wanneer de faalkans van een serieel systeem wordt berekend dat bestaat uit N identieke
schakels, zal de faalkans van dit systeem gelijk zijn aan:

P = 1 [1 Pi ] = 1 e
N

N log (1 Pi )

1 e NPi

(5.3)

De staart van de cumulatieve verdeling F die de faalkans van een schakel weergeeft, kan
worden beschreven door volgend model:

Pi = P( ft < t ) = F ( t ) = a k

(5.4)

Hiermee kan de faalkans van het serieel systeem worden herschreven tot:

P = 1 [1 Pi ] = 1 e
N

Na k

= 1 e

V
m

(5.5)

De parameters m en k kunnen worden bepaald uit de verwachte waarde en variantie van de


verdeling. Voor hout geldt: 1/k 0.2, Figuur 5.5.

5-7

Naar de sterkte van hout toe is voornamelijk deze laatste vergelijking van belang.
Bij het bepalen van de karakteristieke sterkte van hout, gezaagd of gelijmd, op basis van
proeven, wordt vooraf een bepaalde proefstukgrootte aangehouden. Veronderstel immers
twee volumes V 1 en V2, met respectieve experimenteel bepaalde karakteristieke
sterktewaarden 1k en 2k. De faalkans voor deze karakteristieke waarde moet dezelfde zijn
en bedraagt 5%:

P( f t < 1 k ) = P( f t < 2 k ) 0.05

(5.6)

Gebruikmakend van vergelijking (5.5) leidt dit tot:


1

V k

kh = 2 k = 1
1 k V2

( 0 .2 )

(5.7)

Voor gelijmd hout in trek loodrecht op de vezelrichting wordt gebruik gemaakt van
3
proefstukken met een referentievolume (V0) gelijk aan V0= 0.01 m . Voor hout met een
volume V groter dan deze referentie, geldt aldus:

kh =

V ,g ,k
V0 ,g ,k

V
= 0
V

0 .2

<1

(5.8)

Met deze lagere karakteristieke sterkte (V,g,k< V0,g,k) wordt rekening gehouden in de
volumefactor k h. Dezelfde volumefactor wordt aangehouden voor afschuiving.

2,5

Gezaagd hout:

Gelijmd hout:

600 0.2

kh = min h
115
.

150 0.2

kh = min h
1.3

2
1,5
1,3
1,15
1
0,5
0
0

100

200

300

400

500

600

700

800

hoogte h [mm]
Figuur 5.5: Schaaleffect kh, als functie van de hoogte voor gezaagd en gelijmd hout
theoretisch verloop en afbakening onder- en bovengrens voor ontwerpdoeleinden
overeenkomstig EC5
Voor hout in buiging wordt een zelfde redenering toegepast. De karakteristieke waarde wordt
experimenteel bepaald via een 3-puntsbuigproef op proefstukken met een referentie

5-8

balkhoogte gelijk aan 150 mm voor gezaagd hout en 600 mm voor gelijmd hout. Voor
hoogtes, kleiner dan deze waarde, wordt de sterkte vermenigvuldigd met een schaalfactor, k h,
die een bovengrens heeft. Het schaaleffect is hier vertaald naar een hoogte-effect. Dit is
grafisch weergegeven voor gezaagd hout en voor gelijmd hout in buiging, Figuur 5.5.

5.7 Hout in druk/trek


De controle bij hout in trek beperkt zich tot het controleren of de sterkte van de
weerstandbiedende sectie (Rd) de aangrijpende belasting in trek (Sd) kan opnemen. Dus
moet gelden:

t , ,d < f t , ,d

(5.9)

Voor hout in druk moet gelden:

c , ,d < f c, ,d

(5.10)

Naast een weerstandscontrole is tevens een instabiliteitscontrole (knik) vereist.

5.8 Hout in Buiging


Buiging is een van de meest voorkomende belastingsvormen bij structurele elementen in
hout. Denk daarbij aan de vele houten vloeren in historische gebouwen, opgebouwd uit
moerbalken en kinderbalken. Wanneer de randvoorwaarden zodanig zijn dat buiging alleen
kan optreden in het vlak van de belastingen, dan volgt uit de sterkteleer (Van Gemert en De
Roeck, 1996) dat de buigspanningen gelijk zijn aan:

m =

Mv
I

(5.11)

waarin:
M: optredend buigmoment [Nmm],
I: traagheidsmoment volgens de optredende buigingsas [mm4],
v: de afstand tot de neutrale as [mm],
m: de buigspanning op een afstand v van de neutrale as [N/mm2].
Omdat EC5 toelaat om structurele elementen in hout te ontwerpen uitgaande van elastisch
materiaalgedrag, kan bovenstaande vergelijking gebruikt worden voor het ontwerp volgens de
uiterste grenstoestand. Aldus moet gelden:

m, d f m, d

(5.12)

In beginsel is de ontwerpbuigsterkte van hout te bepalen overeenkomstig vgl. 5


( .1). Om het
specifieke materiaalgedrag in buiging in rekening te brengen, worden twee extra
correctiefactoren toegevoegd. Voor hout wordt de ontwerpbuigsterkte:

f m ,d = kmod kinst k ls k h

f m ,k
m

(5.13)

waarin:
kinst: een instabiliteitsfactor die het kipgevaar in functie van de slankheid van het
balkelement in rekening brengt,
kls: een factor die "load sharing" in rekening brengt.

5-9

5.8.1 Kip - kinst


Wanneer een buigmoment wordt aangelegd op een balk, is het meestal zo dat de stijfheid
van de balk volgens de as van het buigmoment vele malen groter is dan volgens de andere,
zwakkere as. Net zoals bij een kolom onder druk bestaat dan het gevaar dat de balk toch
uitbuilt in het meer flexibele vlak, Figuur 5.6.

A-A
Figuur 5.6: Kip [overgenomen uit STEP 1, Figuur 5. 1, pg. B3/4 ]
Het buigmoment waarvoor instabiliteit optreedt wordt het kritieke buigmoment genoemd. De
formule voor kritieke buigmomenten voor balken is terug te vinden in standaardwerken zoals
het werk van Timoshenko en Gere (Timoshenko en Gere, 1961). Daarbij wordt aangenomen
dat het materiaal isotroop is (zoals het geval voor staal, EC3). Hooley en Madsen hebben
aangetoond dat deze theorie ook toepasbaar is voor houten balken waar het materiaal niet
isotroop is (Hooley en Madsen, 1964):

Mcrit =

lef

EI z I tor G
I
1 z
Iy

(5.14)

waarin:
Iy en I z: de traagheidsmomenten volgens de buigingsas en loodrecht op de buigingsas
respectievelijk,
E: de elasticiteitsmodulus,
G: de glijdingsmodulus,
Itor : het rotatietraagheidsmoment,
lef: de niet belemmerde lengte waarover uitbuiling mogelijk is.
Voor een balk met rechthoekige sectie (bxh), kan volgende kritieke buigspanning worden
berekend uit bovenstaande vergelijking:

m ,crit

b2
=E
lef h

G 1 0.63

h
2
b
E 1 2
h

(5.15)

EC 5 legt op dat een controle wordt uitgevoerd voor de instabiliteitsvoorwaarden, waarbij de


ontwerpbuigsterkte wordt gereduceerd met een factor k inst. De waarden die deze factor k inst
aanneemt in functie van de slankheid, zijn weergegeven in Figuur 5.7.

5-10

1,2

( 1 ) kinst = 1
ref ,m 0 .75
( 2 ) kinst = 1.56 0 .75 ref ,m 0 .75 ref ,m 1.4
1
( 3 ) kinst =
1.4 ref ,m
ref ,m

k inst

0,8
0,6
(1)

0,4

(2)

(3)

0,2
0
0

ref

Figuur 5.7: k inst in functie van de slankheid rel,m


Hierin wordt de relatieve slankheid rel,m wordt bepaald via:

rel ,m =

f m,k
m,crit

(5.16)

5.8.2 Load Sharing - kls


Het verdelen van lasten voor assemblages die zijn opgebouwd uit een aantal parallelle
elementen die verbonden zijn met een lastenverdelend systeem, kan worden toegepast op
een eenvoudige vloerstructuur.
Dit effect verhoogt het draagvermogen van het geheel.
Immers, een stijvere balk zal een hoger deel van de last opnemen. Gezien de positieve
correlatie tussen sterkte en stijfheid is dit een gunstig effect. Omgekeerd zal een zwakker
element, dat minder stijf is, een kleiner deel van de last opnemen. Dit wordt grafisch
weergegeven in Figuur 5. 8.

F
F

(a)
(b)
Figuur 5.8: Het verdelen van de lasten in functie van de stijfheid van parallelle elementen
voor een eenvoudige vloeropbouw links: spreiding van een geconcentreerde puntlast over
naburige balken rechts: effect van lastenverdeling op de draagbalken, (a) zonder
lastenherverdeling, (b) met lastenherverdeling, waarbij (L) een lagere stijfheid, (H) een hogere
stijfheid hebben dan de gemiddelde stijfheid (G)

5-11

In gevallen waar lastenherverdeling van toepassing is, stelt EC 5 voor volgende waarde te
hanteren:

k ls = 11
.

(5.17)

5.8.3 Doorbuiging
Voor de doorbuiging van hout is het belangrijk het gedrag op lange termijn van nabij te
bekijken. Hout is onderhevig aan kruip: de vervorming neemt toe onder een constante
belasting, Figuur 5.9.

t
u
u fin
kdef uinst
u inst
t
t 0 tinst

t fin

Figuur 5.9: Een schematische weergave van het gedrag van hout als visco-elastisch
materiaal. u is de vervorming, F de belasting. De onmiddellijke vervorming bedraagt uinst, de
finale vervorming neemt toe tot ufin onder invloed van kruip. De hoeveelheid kruipvervorming
wordt begroot als kdef uinst
Zoals aangegeven in Figuur 5.9 begint het kruipen van het hout na de initile vervorming
uinst. In het kruipgedrag kunnen volgende fenomenen onderscheiden worden:
initieel is er een relatief snelle toename van de vervorming. Dit wordt aangegeven door
de helling van de curve, die de kruipsnelheid definieert,
na voldoende lange tijd stabiliseert het kruipen naar een constante kruipsnelheid.
De belangrijkste parameters die het kruipgedrag benvloeden zijn:
het vochtgehalte. Daarom wordt in de ontwerpregels onderscheid gemaakt tussen de 3
dienstklassen, Tabel 5.5;
de temperatuur.
Zolang de temperatuur beneden 50C ligt, is het effect op het
kruipgedrag verwaarloosbaar;
het spanningsniveau. Voor een hoger spanningsniveau zal de kruipsnelheid ook hoger
liggen en aldus de tijd tot breuk korter zijn.
In de ontwerpmethodes worden de
spanningsniveaus beperkt tot dat gebied waarin de kruipsnelheid stabiel is en de
vervormingsgraad beperkt blijft gedurende de volledige levensduur van de structuur. Dit
wil zeggen dat in de ontwerppraktijk de spanningsniveaus beperkt blijven tot ongeveer
35% van de onmiddellijke sterkte van het materiaal;
de belastingsduur. Dit is uiteraard de belangrijkste parameter omdat deze onmiddellijk de
grootte van de bijkomende kruipvervorming uitmaakt.
In het ontwerp wordt het
gecombineerd effect van belastingsduur en vochtgehalte weergegeven door de factor
kdef. De finale vervo rming wordt daarmee berekend als:

u fin = uinst 1 + kdef = uinst + kdef uinst

(5.18)

5-12

De tweede vorm van de vergelijking geeft duidelijk het effect weer zoals het ook uit Figuur
5.8 kan worden afgeleid. De finale vervorming is een som van de onmiddellijke vervorming
uinst plus een bijkomende kruipvervorming. Deze laatste wordt begroot als het product van de
onmiddellijke vervorming en een factor k def. Deze is functie van de belastingsduur alsook van
het vochtgehalte, Tabel 5.7 .
kdef voor gezaagd hout en gelijmd gelamelleerd hout
Dienstklasse
Belastingsduur
1
2
3
Permanent
0.60
0.80
2.00
Lange duur
0.50
0.50
1.50
Middellange duur
0.25
0.25
0.75
Korte duur
0.00
0.00
0.30
Tabel 5.7: k def - functie van belastingsduur en vochtgehalte, weergegeven voor de
verschillende dienstklassen
De doorbuiging van een balk kan onderverdeeld worden in verschillende fracties, Figuur
5.10:
0: het tegenpijl in onbelaste toestand ten opzichte van de koorde tussen de twee
steunpunten (toestand 0),
1: de doorbuiging ten gevolge van permanente lasten, onmiddellijk na het aanbrengen
van deze last (toestand 1),
2: de doorbuiging van de balk ten gevolge van variabele plus tijdsafhankelijke
doorbuiging bij permanente lasten (toestand 2),
net: de doorbuiging van de balk relatief ten opzichte van de koorde tussen de twee
steunpunten.

(0)

(1)

net

(2)

Figuur 5.10: Doorbuigingscomponenten voor een balk op twee steunpunten (EC1)


EC 5 legt beperkingen op aan de onmiddellijke doorbuiging ten gevolge van de nuttige
overlast u 2,inst en de netto finale doorbuiging u net,fin :

u2 ,inst l

300
unet, fin l
200

(5.19)

Deze vereisten aan de doorbuiging zijn veelal maatgevend voor de dimensies van een balk.

5.8.4 Trillingen
Een tweede belangrijke gebruiksgrenstoestand, die voornamelijk van toepassing is voor
houten vloeren, is het storende effect van trillingen onder dienstlast.
Hierbij moet
voornamelijk gedacht worden aan het discomfort ten gevolge van trillingen genduceerd door
voetimpact of (roterende) toestellen.
De menselijke gevoeligheid voor trillingen is:
gerelateerd aan de versnelling voor frequenties f > 8 Hz,
groter naarmate de duur van de trillingen toeneemt,
kleiner naarmate de nabijheid en de kennis van de bron van de trillingen toeneemt,
kleiner naarmate de fysieke activiteit toeneemt.
Houten vloeren zijn trillingsgevoelig net omwille van hun lage buigstijfheid (EI) en lage
demping ( 0.01). Bij het ontwerp worden volgende regels in acht genomen:
de eerste eigenfrequentie van de vloer ligt hoger dan 8 Hz: f1 > 8 Hz,

5-13

de maximale snelheid (vmax) van de belangrijkste eigenmodes tussen 8 en 40 Hz blijft


beperkt tot een bovengrens.

Voor een rechthoekige vloer die aan de 4 randen is opgelegd, kunnen volgende benaderende
formules gebruikt worden:
4

l ( EI ) b
fn = f 0 1 + n 4
> 8 Hz , met: f 0 = 2
b ( EI ) l
2l

( EI ) l

(5.20)

Waarin:
n: het mode nummer is, n=1 voor de frequentie van de eerste eigenmode,
m: de massa per oppervlakte-eenheid [kg/m2],
l: de overspanning van de vloer [m],
b : de breedte van de vloer [m],
EI: de equivalente plaat buigstijfheid per eenheidsbreedte [Nm2/m]. Index l verwijst naar
de lengterichting (grootste buigstijfheid) en b de breedterichting (laagste buigstijfheid).
De maximale snelheid dient beperkt te worden overeenkomstig:

vmax =

4(0.4 + 0.6n40 )
mbl + 200

< vvel ,max = 100

f1

1
1 Hz

40 2 b 4 ( EI )

l
, met: n40 = 1

f1

l
(
EI
)

0.25

(5.21)

5.9 Afschuiving
Net als bij druk/trek, bestaat de controle van de uiterste grenstoestand erin om na te gaan of
de optredende afschuifspanning (d) kleiner blijft dan de ontwerpschuifspanning (fv,d) van het
hout:

d < fv ,d

(5.22 )

Deze controle wordt uitgevoerd bijvoorbeeld aan de oplegpunten van moerbalken en


kinderbalken, waar de dwarskracht (Vd) en dus ook de afschuifspanningen (d) maximaal zijn.
In het geval van een rechthoekige sectie, doet de maximale schuifspanning zich voor ter
hoogte van de neutrale lijn en bedraagt deze:

d =

3Vd
2bh

(5.23)

5.10 Lokale effecten


In voorgaande paragrafen werden enkel de basisprincipes besproken. Door geometrische
afwijkingen of bijzondere samenstellen, kunnen lokale effecten aanleiding geven tot
spanningsconcentraties. Deze moeten op een gepaste wijze worden in rekening gebracht,
overeenkomstig EC5. Hierbij moet gedacht worden aan:
Voor balken met een gereduceerde hoogte aan het balkuiteinde moet met deze effectieve
(gereduceerde) hoogte (he) gerekend worden.
Voor balken met geleidelijk reducerende sectie, dient met dit eenzijdig of tweezijdig taps
verloop rekening gehouden te worden bij het berekenen van de buigmomenten. Ook de apex
zone verdient dan speciale aandacht.

5.11 Brandweerstand
Brandweerstand is een belangrijk aspect bij het structureel gedrag van hout. Het is algemeen
bekend dat hout zonder extra maatregelen ontvlambaar is.
Echter, onderscheid moet

5-14

gemaakt worden tussen deze twee belangrijke, maar fundamenteel verschillende begrippen.
Enerzijds is er de ontvlambaarheid, het gemak waarmee het materiaal vuur vat, het vuur zich
over het oppervlak verspreidt en de snelheid waarmee de warmte wordt vrijgegeven. Hout
wordt ingedeeld in de categorie "ontvlambaar". Voor vol hout is een temperatuur van 300400C vereist om het hout te doen ontvlammen. Anderzijds is er de brandweerstand. Dit is
de mate waarin het materiaal in staat is zijn dragende functie te blijven uitvoeren (Gheysel,
1995). Het gedrag van hout in een standaard brand is redelijk goed voorspelbaar omdat een
brand voornamelijk leidt tot een lineaire reductie van de dikte van het structureel element
(balk of kolom) in functie van de tijd. De snelheid waarmee het hout verkoolt 0 of [mm/min]
is experimenteel bepaald en varieert van 0.5 tot 1.0 mm/min voor uiteenlopende houtsoorten,
Tabel 5.8. In het geval wordt gerekend met , wordt naast de lineaire afname van breedte en
dikte (0), ook rekening gehouden met de afrondingen aan de hoeken van de
dwarsdoorsnede (r), Figuur 5.11.
Materiaal
Gezaagd zachthout
Gelijmd zachthout
Houten panelen
Gezaagd hardhout
Gelijmd hardhout
Eik
Gezaagd hardhout
Gelijmd hardhout

0 [mm/min]
0.8
0.7
0.9
0.5
0.5
0.5
0.7
0.7

Karakteristieken
met k > 290 kg/m 3 en a>35 mm
met k > 290 kg/m 3
met k = 450 kg/m 3 en tp = 20 mm
met k > 450 kg/m 3
met k > 450 kg/m 3
met k > 290 kg/m 3
met k > 290 kg/m 3

[mm/min]
0.67
0.64

0.54
0.54

Legende: a : breedte/dikte verhouding van doorsnede en tp: dikte van de panelen


Tabel 5.8: Verkolingssnelheid 0 of [mm/min ] voor verschillende houttypes

60
50
40
30
20
10
0

(1)

r(t)

(2)

30

60
t [min]

90

120

Figuur 5.11: Reductie van de dwarsdoorsnede bij brand


Tabel 5.8 laat toe om voldoende houtsectie te voorzien zodat een brandweerstand van
bijvoorbeeld 60 minuten kan worden gerealiseerd: R f = 60 min. In dat geval wordt de controle
van de grenstoestanden uitgevoerd voor de gereduceerde sectie, met resulterende
afmetingen na 60 minuten brand.
In EC5 worden 3 methodes aangereikt om de brandweerstand te bepalen.
samengevat in Tabel 5.9.

Deze zijn

5-15

Rekenmethode
Methode
van
effectieve
dwarsdoorsnede

Verschillende stappen
de Voor standaard brandblootstelling:
Belastingen en structureel gedrag overeenkomstig EC5:deel
1-2:2.5.33
verkoolde diepte d kool=0.t
draagvermogen van elementen overeenkomstig effectieve
dwarsdoorsnede:
Aef = (h-2def)(b-2def) voor 4-zijdige blootstelling aan brand
Aef = (h-2def)(b-def) voor 3-zijdige blootstelling aan brand
Met def = dkool+k0d0 overeenkomstig EC5: deel 1-2:4.1
Methode
van
de belastingen en structureel gedrag overeenkomstig EC5:deel
gereduceerde
sterkte
1-2:2.5.33
en stijfheid
Voor standaard brandblootstelling:
verkoolde diepte d kool=0.t of dkool=.t
Voor een parametrische brandblootstelling:
verkoolde diepte overeenkomstig EC5, deel 1-2: Annex D
draagvermogen van elementen overeenkomstig residuele
dwarsdoorsnede:
Ar = (h-2dkool)(b-2dkool) voor 4-zijdige blootstelling aan brand
Ar = (h-2dkool)(b-dkool) voor 3 -zijdige blootstelling aan brand
Algemene
belastingen overeenkomstig EC5:deel 2.2
rekenmethode
globale structurele analyse volgens EC5: deel 1-2:2.5.1
verkoolde diepte overeenkomstig EC5:deel 1-2 Annex A of
veralgemeende modellen voor verkoling
temperatuurprofielen in de residuele dwarsdoors nede
sterkte en stijfheid functie van temperatuur en vochtgehalte
Tabel 5.9: Structureel ontwerp brandweerstand overeenkomstig EC5
Deze methodes laten ook toe om na een brand de schade op te meten en uitgaande van de
residuele doorsnede de resterende weerstand van een dwarsdoorsnede te bepalen. Aldus
kan gecontroleerd worden of bij restauratie/renovatie een structurele versteviging vereist is.

5.12 Verbindingen
Voor het verbinden van hout zijn de mogelijkheden minstens zo uitgebreid als bij stalen
verbindingen.
Voor de vaak gebruikte verbindingen wordt onderscheid gemaakt tussen
mechanische verbindingen waarbij verschillende types bevestigingsmiddelen gebruikt worden
en de klassieke ambachtelijke verbindingen. In het verleden werden vaak conische houten
pinnen of toognagels gebruikt om schrijnwerkverbindingen te consolideren. Heden ten dage
wordt meestal gebruik gemaakt van metalen bevestigingsmiddelen om twee of meer houten
elementen met mekaar te verbinden en de krachtsoverdracht te garanderen. Steeds meer
speciale verbindingsstukken verschijnen op de markt. Deze worden gebruikt om een speciaal
type verbinding te realiseren of maken de verbinding minder arbeidsintensief of efficinter.
Elk van deze verbindingen moet op een gepaste wijze berekend worden, daarbij steeds het
achterliggend structureel gedrag van het hout en bevestigingsmiddel in het oog houdend.
Een vrij recent type bevestigingsmiddelen zijn de ingelijmde verbindingen. Deze worden
afzonderlijk behandeld omdat ze regelmatig voorkomen bij de herstellings- en
versterkingswerkzaamheden.

5.12.1 Mechanische verbindingen


De mechanische verbindingen kunnen in twee grote groepen verdeeld worden, Figuur 5.12.
Enerzijds zijn er de stiftachtige verbindingen, met daaronder: nagels (a), schroeven (b),
bouten en deuvels.
Anderzijds zijn er de speciale verbindingsstukken zoals geponste
metalen platen (c), kramplaten (d) of ringverbindingen (e), Figuur 5.12. Deze laatste zijn
veelal bedoeld om grote krachten over te brengen.
De krachtsoverdracht wordt dan
gerealiseerd door een toename van het verbindingsoppervlak.

5-16

(a)

(b)

(c)

(d)

(e)

Figuur 5.12: Verschillende types verbindingen

5.12.2 Bezwijken van het hout in trek loodrecht op de vezelrichting


Bij het realiseren van een verbinding, waarbij trek optreedt loodrecht op de vezelrichting van
het hout, moet voldoende zorg besteed worden aan de verbinding zodat de treksterkte van
het hout niet overschreden wordt, Figuur 5.13. Om dit risico te vermijden, worden de
verbindingen best zo dicht mogelijk bij het niet-belaste uiteinde gerealiseerd. Een tweede
techniek bestaat erin om de verbinding over een voldoende groot oppervlak te spreiden zodat
het spanningsniveau beperkt blijft.

Figuur 5.13: Voorbeelden van verbindingen waarbij trek optreedt loodrecht op de


vezelrichting van het hout, met het mogelijke scheurpatroon: (a) ophang van een kinderbalk,
(b) kramplaten in een dakspant, (c) boutverbinding met een opgehangen verticale last, (d)
ingelijmde bouten op trek belast [overgenomen uit STEP 1, 1995, pp.C2/1, Figuur 1]

5-17

5.12.3 Stiftachtige verbindingen in afschuiving


Voor stiftachtige verbindingen (nagels, schroeven, bouten, stiften) in afschuiving,
Figuur 5.14, zijn er een reeks mogelijke faalmodes, Figuur 5.16 (Johansen, 1949).

(a)

(b)

(c)

Figure 5.14: boutverbinding met een enkel afschuifvlak (a), een dubbel afschuifvlak (b), met
een (dunne of dikke) metalen plaat (c)
De ontwerpweerstand (R d) van de verbinding kan bepaald worden, rekening houdend met de
verschillende faalmodes die kunnen optreden, Figuur 5.16. Deze zijn functie van:
de dikte van de te verbinden houten elementen t1 en t2 en de overeenstemmende
ontwerpstuikdruk: fh,1,d en fh,2,d[N/mm2], =fh,2,d/fh,1,d,
de diameter van de stiftachtige verbinding: d [mm],
het plastisch moment van de stiftachtige verbinding: My,d [Nmm],
de kwaliteit van het hout,
de belastingsduur en dienstklasse: k mod.
Figuur 5.15 geeft weer hoe de (ontwerp)stuikdruk fh wordt gedefinieerd. De stuikdruk is
functie van de houtkwaliteit, de diameter van de stift alsook van de dichtheid van het hout.
Voor frequent voorkomende gevallen werden experimentele verbanden
opgesteld.

fh =

k f
Fmax
en: f h ,d = mod h ,k
dt
m

Gezaagd hout
(d<8 mm)

Vezelplaat

t
Hardboard

0.082 k d 0.3 (niet voorgeboord gat)


f h ,k =
0.082(1 0.01d ) k (voorgeboord gat)
011
. k d 0.3 (niet voorgeboord gat)
f h ,k =
. (1 0.01d ) k (voorgeboord gat)
011
f h ,k = 30 d 0 .3t 0 .6

F
Figuur 5.15: Stuikdruk fh voor een stiftachtige verbinding
Het plastisch moment (My,k) van een stiftachtige verbinding hangt af van de materiaalkwaliteit
en de diameter van de stift. Voor vaak voorkomende stiften zijn
relaties voorhanden:

M y ,k

2 .6
180d voor ronde nagels

= 270d 2 .6 voor vierkante nagels

d3
voor bouten
0.8f uk

(5.24)

met fuk de karakteristieke treksterkte van de bout (EC3).


De verschillende mogelijke
faalmodes die kunnen optreden in een stiftachtige verbinding op afschuiving, met een enkel

5-18

afschuifvlak, bij een hout-hout verbinding, zijn afgebeeld in Figuur 5. 16. Voor het geval van
twee afschuifvlakken alsook voor de verbinding met een dunne of dikke stalen plaat, Figuur
5.14 (b) en (c), wordt verwezen naar EC5.

Rd

t1

Rd

Rd

t2

t1

t2

f h,1,d

t1

Rd

t1

t2

f h,1,d

t2

fh,2,d f h,1,d

fh,1,d
f h,2,d

My,d
My,d

Rd

Rd
My,d
My,d

t1

t2

fh,1,d

f h,2,d

f h,2,d

f h,2,d

t1

t2

f h,1,d
fh,2,d

fh ,2,d

f h,1,d

Rd

Rd

Rd

Rd

Faalmode 1a

Faalmode 1b

Faalmode 2

Faalmode 3a

Rd
Faalmode 3b

Rd
Faalmode 4

Figuur 5.16: Verschillende faalmodes bij hout-hout verbindingen en een enkel afschuifvlak
De ontwerpsterkte stemt overeen met de minimumwaarde die voor deze faalmodes wordt
teruggevonden:

( 1a ) fh ,1,d t1d
( 1b ) f t d
h ,2 ,d 2

2
2

( 2 ) f h ,1 ,d t1 d + 2 2 1 + t2 + t2 + 3 t2 1 + t2

1+
t1
t1
t1 t1

4( 2 + ) M y ,d
f td
Rd = min( 3a ) 11
. h ,1,d 1 2 (1 + ) +

2+
f h ,1,d t12 d

f h ,1,d t2 d
4 (1 + 2 ) M y ,d

(
3
b
)
11
.
2

1
+

(
)

1 + 2
f h ,1 ,d t 22 d

2
.
2 M y ,d f h ,1,d d
( 4 ) 11
1 +

(5.25)

5.12.4 Nagel- en schroefverbindingen op trek


Het gebruik van gladde nagels voor de opname van axiale treklasten wordt afgeraden omdat
ze maar een beperkte weerstand bieden tegen deze belasting. Beter is het om geribde,
getordeerde nagels of schroeven te gebruiken, Figuur 5. 12 (a). Voor nagels wordt de
ontwerptreksterkte (R d) een minimum van twee faalmodes, Figuur 5.17:

Rd

f1,d dl voor alle nagels


hechting:
2
Rd = min
f 2,d d voor geribde of getordeerde nagels
doorponsen van nagelkop: f dh + f d 2
1,d
2 ,d

f1,k = 18 10 6 k2 [N / mm2 ]

f2 ,k = 300 10 6 k2 [N / mm2 ]

Rd
Figuur 5.17: Nagelverbinding op trek

5-19

De axiale weerstand voor een schroefverbinding (Rd) bedraagt:

Rd = f3,d lef d , met: f3,k = (15


. + 0.6d ) k

(5.26)

waarbij lef, de effectieve lengte is in het verbindend element waarover schroefdraad aanwezig
is, Figuur 5.12 (b).

5.12.5 Schrijnwerkverbindingen
Bij oude gebouwen wordt het timmerwerk samengehouden met klassieke hout op hout
verbindingen. De krachtsoverdracht tussen de verschillende elementen gebeurt dan meestal
door contactdruk of wrijving. Sommige van deze schrijnwerkverbindingen worden aangevuld
door stalen beugels of houten pinnen om een correcte verbinding te garanderen of om extra
krachten over te dragen. Hoewel vele varianten bestaan, zijn deze verbindingen terug te
brengen tot 4 basistypes, Figuur 5.18.

(a)

(c)

(b)
afschuifvlak

(d)

Drukspanningen onder hoek

Figuur 5.18: Basistypes bij hout op hout schrijnwerkverbindingen:


verbinding, (c) tand en gat verbinding, (d) tapverbinding.

(a) liplas, (b) tand en hiel

Bij deze verbindingen worden drukkrachten van het ene element overgedragen op het andere
element onder een zekere hoek. Dit induceert zowel afschuifkrachten als normaalkrachten in
het andere element. Deze normaalkrachten zijn daarom niet langer volgens de vezelrichting.
Bij de controle moet nagegaan worden of de druksterkte- en afschuifsterkte van het hout niet
overschreden wordt.
Daarbij wordt de toelaatbare druksterkte van hout onder een
willekeurige hoek ( ) gelijk genomen aan:
2

c , ,d =

fc ,0 ,d
2
f c ,0 ,d sin + fc ,90 ,d cos2

(5.27)

5.12.6 Ingelijmde ankers


Ingelijmde ankers worden in de Scandinavische landen reeds 25 jaar toegepast. Het grootste
toepassingsdomein is gelijmde liggers. De ankers worden preventief gebruikt om in zones
van spanningsconcentraties het afpellen tussen de laminaten te voorkomen. Bij herstellings en verstevigingswerken worden ze momenteel in Belgi steeds meer toegepast. Daarbij
wordt niet alleen beroep gedaan op wapeningsstaal of RVS draadstangen, maar ook (G)FRP
((glas)vezelversterkte) staven worden ingelijmd. Het inlijmen van staven wordt daarbij vaak
gebruikt bij de aansluiting tussen verschillende elementen (a), bij balkkoppen (b) of om een
scheur of barst in het hout te overbruggen (c). Zowel afschuiving als trek in de staven kunnen
dus verwacht worden, Figuur 5.19.

5-20

F
d
F

(a)

lg
F

(c)

(b)

lg
Figuur 5.19: Ingelijmde staaf belast op trek en afschuiving
De ontwerptreksterkte (Rd) is voornamelijk functie van, Figuur 5.19:
de treksterkte van de staven (staal, FRP of andere),
de ankerlengte lg,
de schuifspanningen die worden opgewekt aan de omtrek van de staven.
de houtkwaliteit, weergegeven door de dichtheid k,
de vezelrichting.
Formules voor de axiale sterkte (Rax,k) van ingelijmde staven zijn steeds het resultaat van een
statistische regressie van proefresultaten. De volgende ontwerpformule voor stalen ankers
wordt voorgesteld door Riberholt (Riberholt, 1988):

Rax ,k = f ws k d lg , voor lg 200mm


Rax ,k = f wl k dlg ,

(5.28)

voor l g < 200mm

Hierin is:
fws: een sterkteparameter [Nmm1.5] die de kwaliteit van de lijm weergeeft:
- fws= 0.520 voor brosse lijmen zoals epoxy en phenol-resorcinol,
- fws= 0.650 voor niet-brosse lijmen zoals twee-component polyurethaan.
fwl: een sterkteparameter [Nmm] die de kwaliteit van de lijm weergeeft:
- fwl= 0.037 voor brosse lijmen zoals epoxy en phenol-resorcinol,
- fwl= 0.046 voor niet-brosse lijmen zoals twee-component polyurethaan.
d: het maximum van de staafdiameter en boorgatdiameter.
Voor de afschuifsterkte (Rk) van ingelijmde ankers kan gerekend worden met:

Rk = 2 M y ,k df h ,k , met: f h,k = 0.0023 + 0.75d 15. k

(5.29)

waarin d opnieuw het maximum is van boutdiameter en boorgatdiameter en My,k het plastisch
moment van het anker. Bovenstaande formules zijn bruikbaar voor het voorontwerp. Voor
het definitieve structureel ontwerp wordt gerekend met experimenteel bepaalde
verankeringssterkten, opgemeten voor elk specifiek ankertype met zijn specifieke
verlijmingstype.

5.13 Voorbeeld - Controle van een houten moerbalk


In dit voorbeeld wordt een houten moerbalk gecontroleerd volgens de methode der uiterste
grenstoestanden.
Het betreft een uitgevoerd restauratieproject waarbij een 17de eeuws
klooster te Namen werd omgevormd tot gebouw met bureelfunctie. Wegens de verhoogde
dienstlast werd niet voldaan aan alle grenstoestanden. In het volgende deel. II.3. Hout.

5-21

Herstelling en Versterking. zal dit voorbeeld


versterkingstechnieken van naderbij te bestuderen.

verder

gebruikt

worden

om

enkele

De originele geometrie van de vloeropbouw is samengevat in Figuur 5. 20. Het gaat om een
typische opbouw met moerbalken en kinderbalken, waarop de houten plankenvloer is
bevestigd. De vrije overspanning (L) bedraagt 7.70 m, de afdragende lengte (LA) ongeveer
3.00 m. De moerbalken hebben een nominale breedte en hoogte gelijk aan: bxh = 320 x 400
mm. In de moerbalken zijn om de 300 mm hart op hart uitsparingen voorzien om de
kinderbalken (130 x 130 mm) in op te leggen. Aangezien deze uitsparingen de sectie
verzwakken, wordt de sectie ter hoogte van een uitsparing als maatgevend aangehouden
voor de berekeningen. De geometrische gegevens zijn toegevoegd in Figuur 5.20.

130 mm

130 mm

h=400 mm

v
300 mm

b=320 mm

L=7.7 m

A= 0.1098 m2
v = 0.222 m
S= 0.00505 m3
I = 0.00129 m4

LA=3.00 m

Schaal : 1/10

kinderbalk
moerbalk
Schaal : 1/100

Figuur 5.20: Overzicht vloeropbouw


Gezien de hoge graad van defecten, barsten en krimpscheuren in het hout, wordt voor de
berekening van eikenhout gerekend met sterkteklasse D30, Tabel 5.2. Daar het om een
zuivere binnentoepassing gaat, wordt dienstklasse 1 gehanteerd.
De lasten op de vloer kunnen in twee klassen worden ingedeeld:
Permanente lasten afkomstig van het eigengewicht, aangevuld met de permanente
lasten afkomstig van kinderbalken en vloerplanken,
Mobiele lasten afkomstig van de nuttige dienstlast. Voor de nuttige vloerlast wordt
2
geopteerd voor een gelijkmatig verdeelde last q=3 kN/m , voor kantoorfunctie (EC1,
Categorie B, kantoorfunctie).
De verdeelde last op de moerbalk is samengevat in Tabel 5.10. Het maximale buigmoment,
de maximale dwarskracht en doorbuiging zijn tevens aangegeven.

5-22

Eigen gewicht
permanente last
p = 4 kN/m
Maximaal
(m):

M=

buigmoment

(M) en buigspanning

pL
M
en m =
8
( I v)

Maximale dwarskracht (V) en schuifspanning ():

pL
VS
V=
en =
2
bI

5 p( L )
384EI

Middendoorbuiging (u):

u=

Nuttige
vloerlast
(kantoorfunctie)
q = 9 kN/m

Mp=29.7 kNm
2
m,p=5.10 N/mm

Mq = 66.7 kNm
2
m,q = 11.48 N/mm

Vp=15.4 kN
2
p=0.19 N/mm

Vq = 34.65 kN
q = 0.43 N/m m2

up = 14.19 mm

uq = 31.93 mm

Tabel 5.10: Lasten, reactiekrachten en optredende spanningen in de moerbalk


De belastingscombinaties die gecontroleerd worden in de uiterste grenstoestand en in de
gebruiksgrenstoestand zijn weergegeven in Tabel 5.11. Omwille van het verschil in duurtijd
hebben deze hun effect op de factoren kmod en kdef.
Deze zijn in de laatste kolom
aangegeven. Volgende grenstoestanden worden gecontroleerd:
buigspanningen ten gevolge van het optredend buigmoment,
afschuifspanningen ter hoogte van de balkoplegpunten,
middendoorbuiging,
trillingen ten gevolge van voetimpact,
brandweerstand.
Uiterste grenstoestand
Belastingscombinatie
Bc.UGT.1
g.S(P)
Bc.UGT.2
g.S(P)+ q.S(Q)
Bc.UGT.3
g,A.S(P)+ 1,1.q,A.S(Q)
Gebruiksgrenstoestand
Belastingscombinatie
Bc.GGT.1
S(P)
Bc.GGT.2
S(P)+S(Q)
g=1.35, q=1.5, g,A=1.0, q,A= 1.0, 1,1=0.2
Tabel 5.11: Belastingscombinaties en factoren k mod en k def

kmod
0.6 lange duur belasting
0.8 middellange duur
1.0 accidenteel
kdef
0.6
0.6(P),0.25(Q)

5.13.1 Controle van de uiterste grenstoestanden


De toelaatbare ontwerpbuigspanning kan bepaald worden volgens:

f m ,d = k mod kinst kls kh

f m, k
m

De factor k mod is functie van de belastingsduur, Tabel 5.11; k inst kan gelijk gesteld worden aan
1, omdat de balk over de ganse lengte zijdelings gesteund is. Zowel de kinderbalken als de
vloerplanken zorgen voor deze horizontale verstijving. De moerbalk maakt geen deel uit van
een parallel systeem waarbij een lastenherverdeling optreedt. De tussenafstand tussen twee
moerbalken bedraagt 3.0 m: k ls = 1.0. Voor de berekening van de kinderbalken kan men wel
rekenen op dit lastenherverdelingsprincipe.
Omwille van de hoogte van de moerbalken
(h=400 mm>150 mm), geldt dat kh = 1.0.
Tabel 5.12 vat de resultaten voor de uiterste grenstoestanden samen.
belastingscombinaties waarin de toelaatbare waarde overschreden wordt, zijn vet aangeduid.

De

5-23

Grenstoestand

Optredende ontwerp spanningen

Toelaatbare
ontwerpspanning

Buigmoment:
Bc.UGT.1
m,d,1=1.35(5.10) = 6.89 N/mm2
Bc.UGT.2
m,d,2=1.35(5.10)+1.5(11.48) = 24.11 N/mm2
Dwarskracht:
Bc.UGT.1
d,1=1.35(0.19) = 0.26 N/mm2
Bc.UGT.2
d,2=1.35(0.19)+1.5(0.42) = 0.89 N/mm2
Tabel 5.12: Samenvattende tabel uiterste grenstoestanden

fm,d = 13.85 N/mm


2
fm,d = 18.46 N/mm
2

fv,d = 1.38 N/mm


2
fv,d = 1.85 N/mm

Hier is reeds duidelijk dat een uiterste grenstoestand wordt overschreden en dat versterking
van de moerbalk vereist zal zijn, wil deze voldoen aan die nieuwe, opgelegde dienstlast.

5.13.2 Controle van de gebruiksgrenstoestand


De controle van de gebruiksgrenstoestand houdt vooreerst een controle van de
middendoorbuiging in. De controle moet worden uitgevoerd, zowel voor de onmiddellijke
doorbuiging, ten gevolge van de mobiele last, als voor het lange duur effect waarbij rekening
wordt gehouden met het kruipen van het hout. De resulterende doorbuiging alsook de
toelaatbare doorbuigingen zijn aangegeven in Tabel 5.13. In beide gebruiksgrenstoestanden
beantwoordt de huidige situatie niet aan de normvereisten. Een ingreep dringt zich op.
Grenstoestand

Toelaatbare waarde

Doorbuiging:
Bc.GGT.1
Bc.GGT.2
Trilling:

uinst,1= 31.93 mm
unet,fin,2=14.2(1+0.6)+31.9(1+0.25)=62.61mm
f0=8.25 Hz, f 1 = 37.8 Hz
vmax = 6.9 10-4 m/s
Tabel 5.13: Samenvattende tabel gebruiksgrenstoestand

(L/300) = 25.7mm
(L/200) = 38.5mm
> 8Hz
vvel,max= 5.510-2 m/s

Voor de controle van de optredende trillingen wordt eerst de basisfrequentie f0 berekend


alsook de eerste frequentie f1 horende bij de eerste eigenmode:

f0 =

2l 2

( EI )l
m

l
f1 = f 0 1 + 1
b
4

(10.000 10

2 (7.7 )

( EI )b
( EI )l

0.00129

133.3

= 8 .25 Hz

(
(

)
)

6
4
. 10 4
7 .7 10 .000 10 595
= 8 .25 1 + 1
3 10 .000 10 6 0 .00129
4

De frequentie f1 ligt boven de grenswaarde van 8 Hz.


berekend worden uit:

= 37 .8 Hz > 8 Hz

De snelheid (vmax) kan vervolgens

5-24

vmax

f1

40 2 b 4 ( EI )

1
4(0 .4 + 0 .6 n40 )
1 Hz


l
=
< vvel ,max = 100
, met: n40 = 1

mbl + 200
f
l
EI

(
)

1
b

40 2 b 4 ( EI )
l
n40 = 1
l ( EI )
f1

b
vmax =

0 .25

(
(

)
)

40 2 3 4 10 109 0.00129
l
=
1
9
4
37 .8

7
.
7
10 10 5.95 10 b

0 .25

0 .25

= 0.278

4(0.4 + 0.6n40 ) 4(0.4 + 0.6 0.278)


=
= 6.9 10 4 m s
mbl + 200
133.3 3 7.7 + 200
f 1 1

vvel ,max = 100 1 Hz

37 .8 0 .01 1

= 100

= 5.45 m s

Waaruit kan worden afgeleid dat de snelheid voldoende klein blijft.

5.13.3 Brandweerstand
Voor de moerbalk wordt gecontroleerd of een brandweerstand van 1 uur wordt gehaald: Rf =
60 min. De eerste methode uit tabel 9 wordt toegepast om de werkwijze te illustreren. De
verkolingssnelheid 0=0.5 mm/min. Dit resulteert in een verkoolde diepte dkool = 30 mm .
Deze wordt driezijdig toegepast, Figuur 5.21.
De resulterende sectie en
stijfheidseigenschappen zijn tevens aangegeven. Vervolgens kan nagegaan worden of het
maximaal optredend buigmoment en dwarskracht nog kunnen opgenomen worden, Tabel
5.14.
2

A= 0.0962 m
v = 0.20 m
3
S= 0.00378 m
4
I = 0.00091 m

h=370 mm

b=260 mm

dkool = 30 mm

Figuur 5.21: Verkoolde diepte voor R f = 60 min


Voor de ontwerpwaarden worden volgende formules gebruikt:

f m ,d = kmod k f

f m ,k
30
= 10
. 125
.
= 37 .5 N mm2
m ,A
10
.

f v ,d = kmod k f

f v ,k
3.0
= 10
. 125
.
= 375
. N mm2
m,A
10
.

De materiaalveiligheidscofficint wordt gereduceerd tot m,A = 1.0.


De factor kf wordt
ingevoerd om opnieuw over te gaan van karakteristieke waarde naar gemiddelde waarde: kf =
1.25.
Omwille van de gereduceerde dwarssectie, zullen de buigspanningen en de
schuifspanningen gevoelig hoger liggen. Volgende waarden worden bereikt:

5-25

m, p , A = 6.5 N mm2

m ,q ,A = 14.63N mm2

m , p , A = 0.20N mm2

m , p , A = 0.45N mm2

Grenstoestand

Optredende ontwerp spanningen

Buigmoment:
Bc.UGT.3
m,d,3=1.0(6.5)+0.21.0(14.63) = 9.43 N/mm2
Dwarskracht:
2
Bc.UGT.3
d,3=1.00(0.20)+ 0.2 1.0(0.45) = 0.29 N/mm
Tabel 5.14: Samenvattende tabel uiterste grenstoestand

Toelaatbare
ontwerpspanning
fm,d = 37.5 N/mm2
fv,d = 3.75 N/mm2

Gezien de resulterende spanningen ver beneden de toelaatbare waarden blijven, kan gesteld
worden dat er ruimschoots voldaan is aan een Rf = 60 min.

5-26

6 Metselwerk als stapelstructuur


6.1 Inleiding - Metselwerk als stapelstructuur
Dit hoofdstuk behandelt het structureel gedrag van metselwerk. Het vormt daarmee een inleiding tot de
Eurocode 6: Berekening van draagsystemen van metselwerk.
Onder metselwerk wordt verstaan het op elkaar stapelen van bouwstenen met gebruikmaking van een
vulmiddel - mortel - om de openingen in de stapeling te vullen. Die bouwstenen kunnen van verschillend
materiaal zijn.
Het kan zowel om baksteen als natuursteen gaan.
Daarenboven kunnen beide
afzonderlijk van elkaar, maar ook gelijktijdig en soms ook door elkaar zijn toegepast. De gebruikte
formaten vertonen doorheen de geschiedenis grote verschillen.
De wijze van stapelen - het
steenverband - is mee met de formaten gevolueerd. Voor de onderlinge samenhang van de stapeling
zijn mortels met kalk en toeslagstoffen gebruikt. De voegen werden eerst met metselspecie afgewerkt.
Sedert de 18de eeuw wordt er meer aandacht besteed aan het vizuele aspect van metselwerk en worden
de voegen afgewerkt met een apart aangemaakte voegmortel.
Omwille van zijn specifieke opbouw zal het structureel gedrag sterk verschillen van lineair-elastische
materialen zoals bijvoorbeeld staal of homogene materialen zoals beton.
De klassieke
berekeningsmethodes uit de sterkteleer en de bouwmechanica, die gebaseerd zijn op een lineairelastisch materiaalgedrag, zijn dan ook ontoereikend voor het berekenen van structuren opgetrokken uit
metselwerk. Vooreerst zou het nodig zijn het juiste spannings-vervormingsgedrag van het materiaal
metselwerk voorbij het elastisch domein in te rekenen. Verder is de lineair-elastische theorie niet in staat
rekening te houden met het aanpassingsvermogen en van het metselwerk en van de structuur in haar
geheel.
Volgens de lineair-elastische theorie zijn bijvoorbeeld bogen uiterst gevoelig aan
steunpuntsverplaatsingen en aan temperatuursinvloeden.
Nochtans ziet men dat boogstructuren in
metselwerk weinig of niet gevoelig zijn aan steunpuntsverplaatsingen en temperatuurseffecten.
Zij
ontlenen hun ductiliteit aan de weerstandseigenschappen van het metselwerk bestaande uit stenen en
voegen, namelijk hoge druksterkte en lage treksterkte, waardoor de steenblokken de ene ten opzichte
van de andere kunnen draaien.
De studie van de standzekerheid van deze metselstructuren moet dan ook gebaseerd worden op de
grenstoestanden van het evenwicht: het is een breukmethode.
Omwille van het specifieke materiaalgedrag van metselwerk wordt vooreerst ingegaan op de
componenten baksteen en mortel. Vervolgens komen de verschillende configuraties aan bod die leiden
tot het composiet metselwerk: de metselverbanden. Alvorens in te gaan op het structureel gedrag van
metselwerk onder een excentrisch aangrijpende druklast, wordt de druksterkte van het metselwerk als
composiet beoordeeld. Dit levert mede de basis voor het begrijpen van het structureel gedrag van
bogen, koepels en gewelven. Modern metselwerk wordt ook belast op buiging en afschuiving. Deze
structurele elementen worden in een afzonderlijke paragraaf behandeld.
Tot slot wordt ingegaan op de verschillende proeftechnieken die beschikbaar zijn om dit structureel
gedrag - zowel kwantitatief als kwalitatief - experimenteel te bepalen.
Referenties:
Eurocode 6, Design of masonry structures - Part 1-1: General rules for buildings - Rules for
reinforced and unreinforced masonry, 1995.

J. Heyman, The Stone skeleton, International Journal of Solid Structures, 1966, vol. 2, pp. 249279, Pergamon Press Ltd.
J. Heyman, The masonry arch, Ellis Horwood Series in Civil Engineering, 1985, 117 bladzijden.
P. Smars, Etudes sur la stabilit des arcs et votes, Doctoraatsthesis, KULeuven, Faculteit
Toegepaste Wetenschappen, Centre Raymond Lemaire pour la Conservation, 2000, 229
bladzijden.
D. Van Gemert, Technologie der bouwmaterialen, deel II, KULeuven, VTK, cursustekst, 1995.
D. van Gemert, Vernieuwbouw van structuren, KULeuven, VTK, cursustekst, 1995.

6-1

6.1.1 Baksteen -Natuursteen


Metselwerk kan opgetrokken worden uit een combinatie van baksteen en/of natuursteen met mortel.
Meestal is metselwerk opgetrokken uit metselstenen: stenen van gebakken klei, leem of leisteen, van
beton, van kalkzand of een ander gelijkaardig materiaal.
Historisch werd enkel gebruik gemaakt van volle metselstenen of metselstenen die van een al dan niet
doorlopende uitsparing waren voorzien, zoals een trog of gleuf. Deze laatste worden samengevat onder
de noemer holle metselstenen. Momenteel wordt de markt beheerst door geperforeerde metselstenen,
snelbouwsteen in de volksmond. Het marktaandeel bedraagt momenteel 95%, ten opzichte van 5% voor
de volle metselsteen. Deze evolutie kan verklaard worden door toenemende inzichten in het structureel
en bouwfysisch gedrag van metselwerk.
Metselwerk werkt voor een doorsnee woning aan lage
spanningen, veel lager dan de druksterkte van een volle metselsteen. Om de thermische kwaliteit van de
gemetselde muur te verhogen, worden perforaties aangebracht.
Door de beschikbare marge aan
druksterkte stelt de beperktere effectieve doorsnede structureel geen probleem.
De norm NBN B24-001 (1980) heeft voornamelijk betrekking op moderne baksteenformaten. Wanneer
bij een renovatie- of restauratieproject bakstenen moeten worden vervangen, dringt een identificatie zich
op om een zo groot mogelijke overeenstemming met de originele metselstenen te bereiken. Deze
identificatie gebeurt op basis van een aantal uitwendige kenmerken, zoals: maatvoering, plaats van het
bouwwerk, kleur of bakgraad van de steen, eventuele merktekens, de onregelmatige vorm (gevolg van
het gebruik van houten mallen) en de gelaagde structuur die wijst op een handgevormde steen. Veelal
zijn daarbij nog regionale verschillen merkbaar. Elke baksteenfabrikant had zijn eigen houten mallen met
specifieke afmetingen als een soort huiskenmerk.
Aanvankelijk werd de steen in de naaste omgeving van het bouwwerk gebakken (12de eeuw). Wanneer
op de bouwplaats geen geschikte klei voorhanden was, kon deze van elders worden aangevoerd.
Naamgeving

Formaat [mm]

Boer(ke), (Gentse vorm), superboerke

180 x 85 x 65

Booms formaat

175 x 82 x 50

Brussels formaat

200 x 95 x 65

Kloostermop

270 x 130 x 90

Moduul 40, standaard 40

190 x 90 x 40

Moduul 50, standaard 50

190 x 90 x 50

Moduul 57, standaard 57

190 x 90 x 57

Moduul 65, standaar 65

190 x 90 x 65

Moduul 90, standaard 90

190 x 90 x 90

Normaal formaat = traditioneel Duits formaat

240 x 115 x 71

Rijnvorm

180 x 85 x50

Romeins formaat

220 x 105 x 40 of 210 x 100 x 40

Spaanse steen

290 x 140 x 90

Vechtformaat

210 x 100 x 40

Waalvorm: in Nederland/

in Belgi

Ijsselformaat = oude Nederlands formaat

210 x 100 x 50/220 x 105 x 55


160 x 80 x 40

Tabel 6.1: Traditionele baksteenformaten

6-2

Later (14de-15de eeuw) is men overgegaan om bij de


Meestal werden bij de bouw stenen uit de nabijheid
beperken. Dit is echter geen algemene waarheid. Het
werd gebruikelijk bij grotere werken. Hoewel in het
gemaakt van zeeklei is de latere baksteenindustrie
geconcentreerd.

vindplaats van de klei ook de steen te bakken.


gebruikt om het transport tot een minimum te
aanvoeren van stenen uit verschillende plaatsen
begin (begin 14de eeuw) veelvuldig gebruik is
(vanaf eind 14de eeuw) langs onze rivieren

Deze ontwikkeling heeft duidelijk invloed op de afmetingen, kleur en verwerkingswijze van de steen. Bij
de eerste eerste gebouwen is een fors baksteenformaat gebruikt. Vanwege zijn omvang en toepassing
werd het kloostermop genoemd. Het had een strekmaat van ongeveer 30 cm. De oudste bakstenen
houden hiermee vast aan de voetmaat, zo ook de Spaanse steen. Na 1325 begint een verkleining van
het formaat op te treden. En van de bekendste is het Ijsselformaat met een strek van ongeveer 16 cm.
Tabel 6.1 geeft een overzicht van meer traditionele maatvoeringen.
Met deze informatie is het mogelijk na te gaan waar de steen gebakken werd, uit welk materiaal en
ongeveer bij welke temperatuur. Dat maakt het mogelijk om nieuwe stenen aan te maken op de oude
methode in een klampoven, veldoven, paepoven of ringoven.

6.1.2 Metselmortel
Metselmortels worden omschreven in NBN B14-001 (1985) als een homogeen mengsel van
bindmiddel(en), zand, water en mogelijks hulpmiddel(en). Deze definitie dekt ook de lading van wat nu
historische mortels worden genoemd. De eerste sporen van het gebruik van een bindmiddel dateren van
6000 voor Christus waar gebruik wordt gemaakt van een bindmiddel uit gebakken rots (atal Hyk,
Turkije).
De evolutie in het gebruik van de verschillende bindmiddelen is samengevat in Figuur 6.1,
[Van Gemert, 1995a]. De evolutie van de bindmiddelen hangt sterk samen met de technologische
ontwikkeling, waarbij het ontdekken van hydraulische eigenschappen en het calcinatieproces een grote
stap voorwaarts betekenden.

Prehistorie

Oudheid

Middeleeuwen

Moderne Tijd
1850

Natuurlijke
bindmiddelen

Klei

190
0

1950

2000

Bitumen
Babylonirs en assyrirs

Luchthardende
bindmiddelen

Plaaster

Kalkpuzzolanen

Hydraulische
bindmiddelen

Egyptenare

Kalk

Romeinen

Cement, romeins cement, natuurlijke cement


Hydraulische kalk
Portland Cement
Andere cementen op basis van klinker
Aluminium cementen
Synthetische harsen

Organische
bindmiddelen

Bitumineuze produkten

Figuur 6.1: Gebruik van bindmiddelen vanaf de prehistorie tot onze dagen

6-3

De bindmiddelen worden klassiek ingedeeld in 3 groepen:


- hydraulische bindmiddelen (cement (C), hydraulische kalk (HL)),
- luchthardende bindmiddelen (luchthardende kalk (CL),
- latent hydraulische bindmiddelen (puzzolaanaarde, Trass).
Naargelang enkel cement aanwezig is, kalk wordt toegevoegd, of de mortel zuiver op basis van kalk is,
spreekt men van cementmortel, bastaardmortel of kalkmortel. Nieuw metselwerk wordt vrijwel altijd
opgetrokken met een zuivere cementmortel. Historische mortels zijn daarentegen in de meeste gevallen
zuivere kalkmortels.
In sommige gevallen wordt er een bindmiddel aan toegevoegd met latent
hydraulische eigenschappen, zoals Trass (uit het Duitse Eifel afkomstig).
De hydraulische
eigenschappen activeren pas wanneer een katalysator aanwezig is, zoals cement of hydraulische kalk.
Het kan beschouwd worden als een natuurlijk hulpmiddel.
De luchthardende kalk heeft CO2 uit de lucht nodig om uit te harden. Dat kon bij dikke muren nogal eens
problemen opleveren waar mede omwille van de beperkte porositeit, het diffusieproces van CO2
doorheen de mortel sterk vertraagd wordt. Er zijn gevallen bekend waarin de stootvoegen systematisch
niet opgevuld zijn, een manier om lucht tot het binnenste van de muur toe te laten. Het kan jaren duren
alvorens deze mortels volledig zijn uitgehard.
Naargelang de samenstelling van het cement is recent (1994) een nieuwe indeling gemaakt.
geeft een overzicht van de genormaliseerde cementsoorten met hun samenstelling.

Tabel 6.2

Aanduiding

Benaming

Samenstelling

Oude benaming

CEM I

Portlandcement

Klinker: 95-100%

P: Portlandcement

CEM II

Portlandcomposiet

Klinker
(K),
vliegas
(V), PPZ:
Puzzolaanslakken (S) en kalk (L) in portlandcement
verschillende verhoudingen
Klinker: 80-95 %
Klinker: 65-79 %

hoogovencement

36/65

Klinker: 35-64 %
hoogovenslakken: 36-65 %

HK: Hoogovencement

66/80

Klinker: 20-34 %
hoogovenslakken: 66-80 %

HL:Hoogovencement

81/95

Klinker: 5-19 %
hoogovenslakken: 81-95 %

LK: Permetaalcement

Klinker: 40-64 %
hoogovenslakken: 18-30 %
vliegas: 18-30%

CEM II/A-M
CEM II/B-M
CEM III/A
CEM III/B
CEM III/C
CEM V/A

Samengesteld
cement

Tabel 6.2: Overzicht van de genormaliseerde cementsoorten


De norm NBN B14-001 (1985) definieert mortelsamenstellingen volgens sterkteklassen en bepaalt hun
kenmerken voor metselwerk, Tabel 6.3. Er wordt gevraagd dat de mortel aangepast zou worden aan de
mechanische karakteristieken van de verwerkte metselstenen.
De traditionele samenstellingen van
weleer worden als voorbeeld mortelsamenstellingen opgenomen, ter herinnering en om de
overeenstemming met de prestatiemortel M1 tot M5 aan te duiden. Deze zijn enkel richtinggevend en
waarborgen geenszins dat de vereiste prestaties gehaald worden, vermits aanmaak, verwerking en
uithardingsomstandigheden sterk bepalend zijn voor het eindresultaat.

6-4

In de Europese norm EC6 wordt op een gelijkaardige wijze de mortel volgens zijn prestatie beoordeeld.
De mortelcategorie wordt aangegeven door de letter M, gevolgd door zijn karakteristieke drukstertke.
2
Mortel M10 bijvoorbeeld heeft een karakteristieke druksterkte gelijk aan 10 N/mm .
Naast het bindingsmateriaal, speelt het zand een grote rol. De matrix van de mortel bestaat voornamelijk
uit zand. Het bepaalt mee de structuur en het uiterlijk van de mortel. Voor de kwaliteit van de mortel
naar sterkte en vorstgevoeligheid toe, is de korrelverdeling of granulometrie van het zand essentieel. De
korrelverdeling wordt bepaald overeenkomstig NBN B11-011 (1981), Tabel 6.4.
Een aantal vuistregels geven de invloed van het zand op de mortel weer.
Hoe grover het gebruikte zand voor het aanmaken van de mortel, hoe minder aanmaakwater nodig is en
hoe moeilijker verwerkbaar (stroever) de mortel wordt, maar het leidt tot een grotere sterkte en een
beperktere krimp. Voor metselmortel wordt een middelgrof tot grof zand gebruikt, terwijl fijn zand niet
toegelaten is.
Verbeterde
karakteristieke
sterkte
van
metseldelen
volgens NBN B24301
[(f bk)corr in N/mm2]

Genormaliseerde
mortelaanduiding

Gemiddelde
druksterkte van
de mortel op 28
dagen [f M in
N/mm2]

Voorbeelden van mortelsamenstelling


In
massa
(kg)
bindmiddel
3
per m droog
zand

In volumedelen
Cement
(C)

Kalkhydraat
(CL)

Hydraulische
kalk
(HL)

zand

> 20

M1

20

C400

12 #(f bk)corr#48

M2

12

C300

8 #(f bk)corr#32

M3

C250 CL50

C200 HL100

10

C200
CL100

C150 HL150

C150
CL150

2.5

C100 HL200

2.5

11

HL400

8
5 #(f bk)corr#20

M4
5

2.5 #(f bk)corr#10

M5

2.5

Tabel 6.3: Normsamenstelling voor mortel [NBN B14-001, 1985]


De kleur van het gebruikte zand is mede bepalend voor de kleur van de verharde mortel. Door menging
van uiteenlopende verhoudingen van wit zand (vb. duinzand), geel zand (vb. groevezand) en grijs zand
(vb. rivierzand) kunnen zandmengsels volgens een uitgebreid kleurenpalet samengesteld worden.
Daarmee kan bij restauratiewerken de originele textuur en kleur zo goed mogelijk benaderd worden.
Dikwijls zijn in oude mortels kalkinsluitsels zichtbaar. Deze wijzen op het gebruik van schelpkalk.
Gemalen schelpen kunnen dit effect opnieuw weergeven.
Het aanmaakwater laat toe dat de hydraulische bindmiddelen chemisch reageren en leiden tot chemische
verbindingen. De mortel bindt en hardt uit. Het water moet zuiver zijn, waardoor een voorkeur wordt
gegeven aan leidingwater of drinkbaar putwater. De hoeveelheid water die wordt toegevoegd is van
cruciaal belang voor de sterkte-eigenschappen. Een minimum aan water is vereist om de chemische

6-5

binding te realiseren.
Toevoegen van extra water bovenop wat minimaal vereist is, verhoogt de
verwerkbaarheid. Dit leidt tot een hogere porositeit van de mortel en een daling in de sterkte. Het is dus
een compromis tussen prestatie-eisen en handelbare uitvoering.
ISO-zeef
maaswijdte [mm]

2
1.0
0.50
0.25
0.125
0.080

Type zand - opgehoopte zeefrest [%]


Middelgrof zand

Grof zand

Type A

Type B

Type C

0
0
0 - 15
30 - 50
80 - 90
100

0
0
15 - 30
50 - 95
90 - 100
100

0
5 - 25
20 - 50
50 - 80
85 - 100
100

Tabel 6.4: Indeling van zand volgens de korrelverdeling [NBN B11-011, 1981]
Bovenop deze basisingredinten worden vaak hulpstoffen toegevoegd aan de mortel. Dit is van alle
dagen. Reeds in de oudheid bestond er een lijst van hulpstoffen die bepaalde eigenschappen van de
mortel benvloedden: glaspoeder, stro, steenkool, paardenhaar, dierlijke uitwerpselen,... . Tot in de 19de
eeuw is gebruik gemaakt van gemalen baksteen, tegels en dakpannen als hulpstof. Als kleurstof en
inherente vulstof kan dit, mits voldoende fijn gemalen, goede diensten hebben bewezen.
Op de
verharding zal dit slechts een marginaal effect kennen.
Meer recent worden de hulpstoffen beschreven in NBN T61. Een hulpstof wordt omschreven als een
product dat aan de mortel wordt toegevoegd met de bedoeling bepaalde morteleigeschappen te
verbeteren, ofwel in verse toestand, ofwel gedurende zijn binding of verharding, ofwel in verharde
toestand. Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
plastificeerders: maken de mortel beter verwerkbaar, minder stroef voor eenzelfde hoeveelheid
aanmaakwater,
luchtbelvormers: zorgen voor een net van gesloten luchtbellen in de mortel. Dit verbetert de
thermische eigenschappen en maakt de mortel lichter,
waterweerhoudende producten (=hydrophoberende producten),
bindingvertragers en bindingversnellers: benvloeden de reactietijd waarbinnen de mortel kan en
mag verwerkt worden.
Ze dienen allen met de nodige omzichtigheid gebruikt te worden en de richlijnen van de fabrikant moeten
strikt opgevolgd worden om neveneffecten tot een minimum te beperken.

6-6

6.1.3 Mortel/steen combinatie - metselwerk


Metselwerk is in de zuivere zin van het woord een composiet materiaal. Het is opgebouwd uit twee
samenstellende componenten: baksteen en mortel.
Deze opbouw kan zeer uiteenlopende vormen
aannemen. Naargelang het aantal metselwerkschalen spreekt men van nschalig of vol metselwerk (a),
tweeschalig metselwerk of de klassieke spouwmuur (b) en meerschalig metselwerk (E: three leaf
masonry) waarbij de ruimte tussen de schalen is opgevuld met een opvulmetselwerk, Figuur 6.2.
(a)

(b)

(c)

Figuur 6.2: En- twee en meerschalig metselwerk.


Een parement kan daarenboven nog op verscheidene manieren worden opgebouwd, afhankelijk van het
gebruikte metselverband.
NBN B24-002 (1986) geeft een overzicht van de verschillende
metselverbanden die in Belgi frequent voorkomen, Figuur 6.3 en Figuur 6.4. De maatvoering van de
baksteen is veelal zodanig dat ze meest geschikt zijn voor een welbepaald metselverband.
Wanneer de metselstenen dezelfde breedte hebben als de gewenste dikte van het parement, dan worden
de stenen alle in dezelfde richting in het verband geplaatst. Naargelang de afstand tussen de verticale
voegen maakt men onderscheid tussen, Figuur 6.3: halfsteensverband (a), 1/3 verband (b) en 1/4
verband of klezorenverband (c).

(a)

(b)

(c)

Figuur 6.3: Verschillende verbanden met enkel strekken


Wanneer bij de metselstenen de breedte gelijk is aan de helft van de lengte min de voegdikte, kunnen
verbanden gerealiseerd worden waarbij afwisseld koppen en strekken in het dagvlak van de muur
verschijnen. Deze verbanden laten toe muren te metselen waarvan de dikte gelijk is aan de volledige
steenlengte. De meest courante verbanden zijn, Figuur 6.4: kruisverband -type openbare werken (a)
en type priv-bouwwerken (b), kettingverband (c), Vlaams verband (d) en staand verband (e).

6-7

(a)

(b)

(c)

(d)

(e)

Figuur 6.4: Steenverbanden met koppen en strekken

6.2 Sterkte van metselwerk


De sterkte van metselwerk bepaalt de wijze waarop metselwerkontwerpen tot stand kwamen en komen.
Vanuit historisch perspectief is metselwerk een losse stapelstructuur. Het metselwerk wordt enkel op
druk belast. Metselwerk is immers redelijk sterk in druk. Recenter wordt het gebruik van metselwerk
uitgebreid naar andere structurele elementen, waarbij het niet enkel meer op druk wordt belast, maar ook
op afschuiving en zelfs op trek. Metselwerk heeft een redelijke weerstand tegen afschuiving volgens de
horizontale voegen. Daarentegen is het zwak in trek. Wanneer metselwerk wordt ontworpen in trek,
neemt men zijn toevlucht tot gewapend metselwerk.
Specifiek aan metselwerk is dat het een redelijk bros materiaal is, zeker in trek.
In druk blijft het lineair-elastisch tot ongeveer 2/3 van de breukspanning, Figuur 6.5. Daarna ontstaat
een plastische zone waarbij de eerste microscheuren optreden en er een progressie is van het
scheurpatroon.
Na de breuklast wordt het metselwerk verder verbrijzeld.
De mate waarin het
metselwerk, belast op druk, bros is, hangt voornamelijk af van de gebruikte mortel. Een kalkmortel heeft
een meer uitgesproken plastisch gedrag en is meer vervormbaar, wat het minder brosse karakter van
historisch metselwerk verklaart, Figuur 6.5. In praktijk werkt het metselwerk aan lage drukspanningen.
2
In historische gebouwen loopt de drukspanning zelden op tot boven 1 N/mm . Ook in de traditionele
2
woningbouw is de drukspanning in het metselwerk laag, zelden hoger dan 0.5 N/mm .

6-8

elastisch
plastisch
fc

580 mm

post-breuk
572 mm

Spanning [MPa]

5
2/3 fc

4
3
2

1
0
-0.005

-1

0 ft

0.005

0.01

0.015

0.02

Rek [mm/mm]

Figuur 6.5: Spanning-rek verloop voor metselwerk - vergelijking met experimentele resultaten op
metselwerk met handgevormde steen moduul 50 en bastaardmortel met hydraulische kalk
In trek is het materiaal nagenoeg lineair-elastisch tot aan de breuk en valt de sterkte na breuk plots
volledig weg: een brosse breuk dus. De treksterkte van metselwerk is bij benadering maar 1/10 van de
druksterkte.
Dit verklaart waarom de originele ontwerpen voornamelijk op de druksterkte van het
materiaal zijn gebaseerd.
Omwille van de lage treksterkte en het brosse gedrag in trek is een frequent voorkomend schadepatroon
voor metselwerk scheurvorming. Vaak gaat het dan om trek- en/of afschuifscheuren. Deze kunnen
verscheidene oorzaken hebben: opgelegde verplaatsingen, differentile zettingen, te hoge horizontale of
laterale lasten, uitknikken van de structuur ten gevolge van zijn slankheid, of uitknikken van de
metselwerkschalen opgevuld met vulmateriaal of opvulmetselwerk (E: rubble stone masonry).

6.2.1 Bepalen van de druksterkte van metselwerk


De druksterkte van metselwerk kan experimenteel worden bepaald, zowel in situ op het bestaande
gebouw als in laboratorium. De Belgische norm schrijft een aantal standaardproeven voor waaruit de
druksterkte van metselwerk kan worden afgeleid: drukproeven op muurtjes (NBN B24-211) en
drukproeven op muren (NBN B24-212). De verschillende proeftechnieken worden afzonderlijk besproken
in paragraaf 6.5. Meettechnieken.
Omdat het bepalen van de druksterkte op werkelijke schaal hoge kosten met zich meebrengt en praktisch
niet steeds kan worden uitgevoerd op bestaand metselwerk, bestaat de mogelijkheid de druksterkte van
het metselwerk af te leiden uit de sterkte van de materialen. De Belgische norm NBN B24-301 en de
Europese norm EC6, reiken beide een methode aan om de sterkte van het metselwerk te berekenen aan
de hand van de materiaalsterktes.
De karakteristieke druksterkte van het metselwerk overeenkomstig EC6 wordt berekend aan de hand van
de gemiddelde druksterktes van de materialen:

f k = K ( fb ) 0. 65 (fm )0. 25

(6.1)

6-9

Hierin zijn:
2
fk: de karakteristieke druksterkte van het metselwerk [N/mm ],
K: een constante die functie is van het type metselsteen en de aard van het metselwerk
0.1
[N/mm ]. De waarde van K varieert tussen 0.40 en 0.60 [EC 6, pg. 51-52.],
*: de vormfactor om over te gaan naar de genormaliseerde druksterkte voor de metselsteen. De
vormfactor * houdt rekening met de invloed van het formaat van de metselsteen op de gemeten
druksterkte. De rekenformule werd opgesteld op basis van een kubus van 100 x 100 mm. In
functie van het formaat van het proefstuk varieert de vormfactor tussen 0.70 en 1.15 [EC 6, table
3.2, pg. 44; ENV 772],
2
fb: de gemiddelde druksterkte voor de metselsteen [N/mm ],
2
fm: de gemiddelde druksterkte voor de mortel [N/mm ].
De karakteristieke druksterkte van het metselwerk overeenkomstig NBN B24-301 wordt bepaald aan de
hand van een tabel, waarbinnen interpolatie toegestaan is, Tabel 6.5.
Net zoals bij EC6 wordt in de Belgische Norm NBN B24-301 de sterkte van de baksteen gecorrigeerd
voor het formaat:

(fbk )corr

= c fbk

(6.2)

Hierin is:
c: een vormfactor. De waarden voor c varieren tussen 0.86 en 1.73, overeenkomstig Tabel 3, pg 9,
NBN B24-301 (1980),
fbk: de karakteristieke druksterkte van de baksteen.
De verschillende mortelcategorin stemmen overeen met een verschillende sterkte.
weergegeven in paragraaf 6.1.2. Metselmortel.
2

(fbk)corr voor baksteen [N/mm ]

Deze zijn

Mortelcategorie
M1

M2

M3

M4

M5
2

karakteristieke druksterkte voor de mortel fk [ N/mm ]


$60
50
45
40
35
30
25
20
15
10
5
2.5

17.7
15.5
13.2
16.5
13.8
11.5
15.3
12.8
10.5
14.3
12.0
10.0
13.3
11.0
9.0
12.2
10.0
8.0
10.9
9.2
7.3
9.6
8.0
6.3
8.2
6.8
5.3
5.9
5.3
4.2
3.3
3.1
2.7
1.6
1.6
1.6
Tabel 6.5: Karakteristieke druksterke voor metselwerk [NBN B24-301, 1980]

12.0
10.2
9.5
8.5
7.7
7.0
6.2
5.3
4.5
3.6
2.5
1.6

10.0
8.5
8.0
7.0
6.5
6.0
5.3
4.5
3.8
3.0
2.2
1.6

6.2.2 Metselwerk belast met een excentrische drukkracht


Zelden grijpt een verticale last centrisch aan. Dit heeft gevolgen op de spanningsverdeling in het
metselwerk. Wanneer de excentriciteit groot wordt, kan dit aanleiding geven tot trekscheuren in het
metselwerk. Zelfs dan is er nog geen onmiddellijk structureel gevaar, Figuur 6.2. Wanneer de verticale
last (P) centraal aangrijpt, zal de spanning uniform verdeeld zijn over de doorsnede, Figuur 6.6.a. Treedt
een beperkte excentriciteit op, dan zal dit leiden tot een lineair spanningsverloop over de
dwarsdoorsnede, Figuur 6.6.b.

6-10

Figuur 6.6: Spanningsverdeling onder excentrisch aangrijpende belasting

6-11

Zolang de verticale belasting aangrijpt binnen de middenkern, zal ieder punt in de dwarsdoorsnede onder
druk staan. Voor een vierkante sectie komt deze middenkern overeen met een vierkant waarvan de zijde
t/3 meet. Op de grens waar de excentriciteit juist overeenstemt met t/6, zal de drukspanning aan n
zijde terugvallen tot nul, Figuur 6.6.c. Verdere toename van de excentriciteit heeft trekspanningen tot
gevolg, Figuur 6.6.d. Omdat de treksterkte van het metselwerk beperkt is, kunnen deze trekspanningen
niet opgenomen worden en zal het metselwerk scheuren. Er zal een spanningsherverdeling optreden
totdat de inwendige spanningen opnieuw in evenwicht zijn met de uitwendige belasting, Figuur 6.6.e.
Verdere toename van de excentriciteit leidt tot een meer dan evenredige toename van de
drukspanningen die steeds verder geconcentreerd worden op een kleinere niet-gescheurde dwarssectie,
dit tot de druksterkte van het metselwerk bereikt wordt en de tip wordt verbrijzeld onder de excentrische
drukkracht: het metselwerk begeeft, Figuur 6.6.f. In de praktijk zal bij historisch metselwerk de zwakke
(kalkmortel) voeg plastisch vervormen en/of verbrijzelen totdat de ganse sectie die op druk belast wordt
de maximale spanning bereikt, Figuur 6.6.g. Op deze laatste plastische fase wordt zelden gerekend. Bij
sterk vervormde metselwerkbogen doet ze zich wel eens voor. Ingeval de stenen koud op mekaar
worden geplaatst, is enkel de sterkte van de metselsteen maatgevend. Aangezien de druksterkte van
metselstenen en natuursteen een stuk hoger ligt dan die van kalkmortel, leidt dit tot een grotere
toelaatbare excentriciteit. Het spanningsverloop in functie van de excentriciteit is grafisch samengevat in
Figuur 6.7 voor het voorbeeld van een kolom met afmetingen 600x600 mm, excentrisch belast. Dit
voorbeeld wordt hierna verder uitgewerkt.

t = 600 mm, P = 72 kN
2
2
fm = 1N/mm ; fc = 4 N/mm

=oo
=fc

e=t/6

Spanning [N/mm ]

4.5

3.5

ongescheurd

3
2.5

600

1.5

falen

verbrijzelen metselstenen

600

gescheurd

e=t/2

metselstenen-koud contact
bezwijken voegmortel

emax,el
emax,pl

0.5
0
0

20

40

60

80 100 120 140 160 180 200 220 240 260 280 300

Excentriciteit e [mm]
Figuur 6.7: Drukspanning en scheurvorming als functie van de optredende excentriciteit voor de
drukkracht op een kolom 600 mm x 600 mm

6.3 Bogen, koepels en gewelven


6.3.1 Krachtswerking in een boog
Kolommen, pijlers en wanden dragen verticale lasten door het ontwikkelen van verticale drukspanningen,
zoals beschreven in vorige paragraaf. Bogen, gewelven en koepels dragen verticale lasten door het
ontwikkelen van spanningen die de vorm van de structuur volgen.
Om het gedrag van deze structuren visueel voor te stellen, is het spiegelbeeld van een eenvoudige boog
een goed hulpmiddel. Dit is het beeld van een slappe koord, opgehangen aan twee steunpunten A en B,

6-12

figuur 8. De slappe koord kan enkel zuivere trekkrachten opnemen. Het eigengewicht van de slappe
koord wordt verwaarloosd. Figuur 6.8.a toont aan de linkerzijde een slappe koord, die op twee punten A
en B wordt vastgehouden en die onderworpen wordt aan 4 puntlasten P1, P2, P3 en P4. De 4 puntlasten
zijn verticaal en hebben voor de eenvoud dezelfde grootte.
Aan de rechterzijde van figuur 8.a wordt de krachtenveelhoek weergegeven waaruit de trekkrachten in de
verschillende delen van de koord worden bepaald, uitgaande van de verticale krachten Pi. R p is de
resultante van de verticale krachten, R a en R b zijn de reactiekrachten in respectievelijk de ophangpunten
A en B. Het diagramma wordt geconstrueerd door de convergerende lijnen R A, 1-2, 2-3, 3-4 en R B
evenwijdig aan de respectievelijke stukken koorde te tekenen op de figuur aan de linkerzijde. Merk op
dat, hoewel de lasten Pi verticaal aangrijpen, de reacties in de koord geheld zijn en daardoor ook een
horizontale component ontwikkelen. De koord tracht de eindpunten A en B naar mekaar toe te trekken,
wat wordt verhinderd door het opnemen van de reactiekrachten in de steunpunten A en B: R A en R B.
Wanneer nu opnieuw naar het originele beeld van de boog wordt gekeken, waarbij de lasten Pi verticaal
naar beneden blijven werken, verkrijgt men de typische boogwerking. De koord is nu een reeks van
drukschoren geworden, die samen een druklijn uitmaken.
Metselwerk beantwoordt typisch aan het inverse materiaalgedrag van een koord. Het materiaal kan goed
drukkrachten opnemen, maar (zo goed als) geen trekkrachten. Hoewel de aangrijpende krachten enkel
verticaal zijn georinteerd, zijn de reacties in het metselwerk geheld en hebben ze een horizontale
component. De boog heeft de neiging de steunpunten A en B naar buiten te drukken, wat wordt
verhinderd door de steunpunten, die de reactiekrachten R A en R B opnemen.
Een ander belangrijk element dat uit de koord-analogie kan worden afgeleid, is dat de vorm van de koord
bepaald wordt door de positie en de grootte van de verticale lasten Pi en dus niet door de vorm van de
boog zelf (wanneer het eigengewicht van de boog verwaarloosd wordt).
Bij het ontwerpen van een boog kunnen dus volgende fazen worden onderscheiden:
- bereken de lasten die inwerken op de boog,
- bepaal de druklijn die deze lasten verbindt met de steunpunten,
- construeer daaromheen een boog, zodat de druklijn binnen het metselwerk gelegen is zodat de
toelaatbare materiaalgrenzen niet overschreden worden.
Dit laatste werd reeds in de vorige paragraaf toegelicht. Zolang de druklijn binnen de middenkern van de
dwarsdoorsnede van de boog gelegen is, zal de volledige sectie onder druk staan. Gaat de druklijn
buiten deze middenkern, dan zullen trekscheuren ontstaan en zullen de drukspanningen verder
geconcentreerd worden. In functie van de druksterkte van het metselwerk is een maximale drukspanning
toelaatbaar, die de maximaal toelaatbare excentriciteit definieert.
In praktijk zijn vele bogen opgetrokken uit natuursteen of baksteen. Bij de oudste bogen werden de
stenen koud op mekaar gestapeld. Bij recentere bogen is een bindmiddel of voegmateriaal aanwezig
De stenen hebben daarbij een sterkte die veel hoger ligt dan die van tussenliggend het voegmateriaal.
2
De sterkte van natuursteen kan ruwweg op 40 N/mm begroot worden, die van baksteen is meestal lager
2
2
dan 10 N/mm . Kalkmortel heeft daarentegen vaak een beperktere druksterkte tot 1 2 N/mm .
Daardoor wordt bij grote excentriciteiten de mortelvoeg verbrijzeld tot de stenen opnieuw koud contact
2
maken. Voor het voorbeeld uit Figuur 6.7 is de sterkte van het steenmateriaal 4 N/mm . De maximaal
toelaatbare excentricteit is dan e = 0.467t, zoals kan worden afgeleid uit figuur 7. In de praktijk wordt er
meestal van uitgegaan dat de druklijn tot 5% (e = 0.450t) van de rand van de boog mag lopen om een
voldoende veiligheid te garanderen. Er wordt op een nuttige sectie van 90% van de totale sectie
gerekend. Deze maximale excentriciteit werd initieel opgesteld voor gotische bogen, waar de sterkte van
de steen haast nergens critisch is. Voor zwaar belaste bogen, of bogen die opgetrokken zijn uit zachte
steen of baksteen, moet de maximale excentriciteit mogelijks verlaagd worden naar 15 % (e=0.425t) om
het verbrijzelen van de stenen te vermijden. Algemeen kan de maximaal toelaatbare excentriciteit in
functie van de druksterkte van het metselwerk worden afgeleid, analoog aan Figuur 6.7.

6-13

P2

P3

P1

P4

RA
P4

RA

RB

P3

1-2
2-3

P2

3-4

RP
P1

P1

RB

P4
P2

RA

P3
R B

P2

P3
P4

P1
F
f1

RB

P4

RB

P3

f2

P2

fmin

P1

RA

l
RA

R B
H B,1
H B,2
P2

H B,max

P3

P4

P1

P4

RB
P3
H

P2
P1

l
RA

RB

Figuur 6.8: Boogwerking


6-14

Hieruit volgt dat scheuren in een boog niet onmiddellijk tot een gevaarlijke situaties leiden. Zolang een
druklijn kan gevormd worden die de steunpunten verbindt en binnen de gestelde marges in de boog
gelegen is, is de boog stabiel. Wanneer deze druklijn buiten de middenkern valt, dan moet de boog
scheuren. De boog moet dus scheuren om een stabiele spanningsherverdeling te realiseren zodat het de
uitwendige lasten kan overdragen op de steunpunten. De gescheurde toestand kan aldus als de normale
toestand worden aanzien.
Dit wordt vertaald in het veiligheidstheorema: Als een druklijn kan gevonden worden welke in evenwicht
is met de uitwendige belasting en geheel binnen het metselwerk ligt, dan is de structuur veilig. Zoals het
veiligheidstheorema doet vermoeden is de druklijn niet enig, Figuur 6.8.b. Uit de krachtenveelhoek van
Figuur 6.8.b volgt dat er nog andere mogelijkheden tot een evenwicht leiden tussen de inwendige en
uitwendige krachten die gelegen zijn binnen de boog. Dit zijn valabele oplossingen.
Daarbij is in de steunpunten de grootte van de horizontale component van de reactiekracht niet gelijk. Ze
hangt af van de hoogte van de druklijn (f). Wanneer de hoogte f toeneemt, daalt de horizontale
component. Wanneer de hoogte van de druklijn afneemt - in uiterste tot fmin - dan stijgt de horizontale
component - maximaal tot H max. Er zal dus een minimale en een maximale horizontale reactiecomponent
als twee uitersten kunnen berekend worden, uitgaande van de mogelijke uiterste druklijnen.
Dit verband kan rekenkundig worden afgeleid, Figuur 6.8.b, uitgaande van de halve symmetrische
constructie. In de sleuteldoorsnede is de de verticale krachtscomponent gelijk aan nul. De resultante in
de sleuteldoorsnede is de sleuteldruk H. Weze F = P3+P4 de resultante van de aangrijpende vertikale
belastingen voor een halve boog, dan volgt uit het evenwicht:

H =

F (l x )
f

(6.3)

De horizontale component is evenredig met de totale last (F) en met de afstand tussen de steunpunten (lx), Figuur 6.8.c en is omgekeerd evenredig met de hoogte van de boog (f).
Wanneer de afstand tussen de steunpunten toeneemt van l naar l, zal de horizontale component H
evenredig toenemen naar H, Figuur 6.8.c.

6.3.2 Zelfregulerend effect van een boog


Wanneer een boog afdraagt op twee muren en deze onvoldoende zijdelings gesteund zijn, kan het
voorkomen dat de twee steunpunten zijdelings naar buiten verplaatsen, Figuur 6.9. De boog zal
trachten om dit te compenseren door te scheuren. Scheuren ontstaan aan de intrados ter hoogte van de
sleutel en aan de extrados ergens boven de aanzet of geboorte. Als gevolg daarvan ontstaat er eigenlijk
een nieuwe boog met overspanning l en hoogte f, die afdraagt op twee consoles. Er ontstaat in extremis
een enige druklijn die bovenaan ter hoogte van de sleutel de bovenrand van de boog raakt en boven de
geboorte de binnenrand van de boog raakt. Daardoor wordt de overspanning kleiner terwijl de hoogte
van de boog slechts een weinig verandert. Dit heeft tot gevolg dat de horizontale resultante afneemt tot
een waarde die opnieuw door de ondersteunende wanden kan worden opgenomen.

6-15

P2

P3
P4

P1

l
Steunpuntsverplaatsing

l
H
H

Figuur 6.9: Steunpuntszetting en zelfregulerend effect van een boog

6.3.3 Luchtbogen
Om de horizontaal naar buiten toe werkende krachten van de gewelfbogen op te nemen worden
luchtbogen toegevoegd.
Daarmee wordt de horizontale component verder afgeleid naar extra
steunberen buiten de kerk. Voordeel daarbij is dat de steunberen onder de gewelven slanker kunnen
worden uitgevoerd. Ze moeten immers enkel de verticale component van de drukkrachten opnemen. De
afstand tussen de slanke steunberen kan dan worden ingevuld door hoge glasramen, een
schoolvoorbeeld van gotiek.
Stel dat de luchtboog met zeer rudimentaire vorm als voorgesteld in Figuur 6.10, doorzakt als na het
bouwen de stellingen worden weggenomen. Dan worden 3 scharnieren gevormd: I0, IL en EX. De
stippellijn geeft deze passieve druklijn weer. Passief omdat de druklijn in dat geval geen actieve rol
speelt bij het ondersteunen van de gewelven. Veronderstel dat w het gewicht per strekkende meter is
van de luchtboog, horizontaal geprojecteerd. Coulomb (1773) stelt dat de waarde van H een maximum
moet zijn, of met andere woorden dat de luchtboog een maximale steundruk opzoekt. Hieraan is voldaan
wanneer de druklijn raakt aan de extrados (EX) voor x = L/2. Dan geldt:

H =

wL 2
8b

(6.4)

Merk op dat de waarde van de passieve steundruk H steeds kleiner moet zijn dan de druk afkomstig van
de gewelven opdat het gewelf niet binnenwaarts zou gedrukt worden door de boog.
*

Beschouwen we nu dezelfde luchtboog, waarop nu een toenemende horizontale kracht H wordt op


uitgeoefend, afkomstig van de gewelfboog. De luchtboog speelt nu een actieve rol in de ondersteuning
van het gewelf. Deze actieve druklijnen zijn met volle lijn aangeduid in figuur 10. De locatie waar de
*
druklijn de extrados raakt, is functie van H :

6-16

x =

2 bH *
w

(6.5)
*

Deze betrekking is geldig voor x < L of H < wL /2b . Voor nog grotere waarden van H loopt de druklijn
*
rechtstreeks van I0 naar EL. De theoretische H kan aldus verhoogd worden tot verbrijzeling van de steen.

H of H*

Ex

I0
V

EL

b
L/2
IL

x
L
Figuur 6.10: Werking van een luchtboog

6.3.4 Veiligheid van bogen


De mate waarin een metselwerk boog in staat is zich aan te passen aan zijn omgeving, kan worden
weergegeven in 3 veiligheidsfactoren.
De eerste veiligheidsfactor - " g of geometrische veiligheidsfactor - geeft aan in hoevere de geometrie
geschikt is, Figuur 6.11.a, om de lasten over te dragen naar de steunpunten. De dikte van de boog
wordt geleidelijk aan verminderd, tot de druklijn uniek is en aldus de kritieke situatie wordt bereikt, Figuur
6.11.b, waarbij de druklijn op 4 plaatsen net op de rand de boog raakt en aldus een mechanisme
ontstaat. De originele dikte gedeeld door de kritieke dikte geeft de geometrische veiligheidsfactor.
De tweede veiligheidsfactor - " S of statische veiligheidsfactor - weerspiegelt de capaciteit van de boog om
een niet-compatibele last op te nemen, Figuur 6.11.c. De uitwendige belasting F wordt geleidelijk
verhoogd tot opnieuw de druklijn enig is en raakt aan de boog: een kritieke toestand, Figuur 6.11.d.
Deze ultieme last of breuklast, gedeeld door de rele belasting is een maat voor de veiligheid van de
boog onder de externe belasting.
Tot slot is er nog de capaciteit tot aanpassen van de boog aan mogelijke steunpuntszettingen - " k of de
kinematische veiligheidsfactor - Figuur 6.11.f. De kinematische veiligheidsfactor geeft het vermogen
weer van de boog om steunpuntszettingen te ondergaan, Figuur 6.11.g.
Zolang de veiligheidsfactoren groter zijn dan 1, is de structuur veilig. De mate waarin ze groter zijn dan 1,
is een maat voor de resterende veiligheidsmarge.

6-17

Figuur 6.11: Veiligheid van bogen [Smars, 2000]

6.3.5 Koepels
Het structureel gedrag van koepels is complex daar er krachten in betrokken zijn in de drie dimensies
waarbij zowel buigspanningen, trek- alsook drukspanningen voorkomen. Nochtans is het mogelijk twee
aannames te maken die het geheel van berekeningen sterk vereenvoudigen.
Elk van die twee
uitgangspunten verklaart daarenboven gedeeltelijk het werkelijke structureel gedrag van een koepel.
In eerste benadering wordt een koepel gelijkgesteld met een schaalstructuur. De dikte van de koepel is
klein ten opzichte van de andere dimensies, zoals de overspanning, Tabel 6.6. Omwille van die kleine
dikte kan de schaal geen buigmoment opnemen.
Locatie

Overspanning L [m]

Schaaldikte d [mm]

L/d-verhouding

St. Pieter, Rome


Frauenkirche, Dresden
Kippe-ei
Zeis Planetarium, Jena
Grote Markt, Bazel
Salle dExpositions, Paris

40
24
0.04
40
60
205

3000
1250
0.4
60
85
130

13
19
100
667
700
1570

Tabel 6.6: Verhouding tussen schaaldikte en overspanning van enkele bestaande koepels

6-18

Wanneer de basisprincipes van evenwicht worden toegepast op zulk een schaal, wordt een set van
differentiaalvergelijkingen verkregen.
Met een gekende geometrie kunnen deze opgelost worden en
geven ze aan hoe de inwendige spanningen in evenwicht zijn met de uitwendige belasting.
In het eenvoudigste geval van een halve bol met straal (a) enkel belast op zijn eigen gewicht (w), kunnen
volgende spanningsverlopen berekend worden, Figuur 6.12:

n =

w a
1 + cos

(6.6)

Figuur 6.12: Membraanspanningen in een half bolvormige koepel


Volgens de meridianen (de krommen die een doorsnede tussen de het koepeloppervlak en verticale
vlakken door de apex volgen) zijn er steeds drukspanningen (nN).

n + n = w a cos

(6.7)

De spanningen volgens de parallelcirkels, of omtrekspanningen (n2)(E: hoop stresses), wijzigen van druk
naar trek over de hoogte van de koepel. De nuldoorgang gebeurt bij ongeveer 52E.
Wanneer een koepel aldus als een membraanschaal werkt, moet het die omtrekspanningen in trek
onderaan kunnen opnemen. Een halfbolvormige koepel in metselwerk zal een neiging tot barsten
vertonen aan de basis, omdat het metselwerk zwak is in trek.
De tweede benadering komt tegemoet aan dit euvel en gaat uit van een koepel als een serie van
boogsegmenten.
Elke boog bestaat uit twee appelsienschil-vormige segmenten die uit de koepel
gesneden worden door verticale vlakken door de apex, Figuur 6.13. Voor deze bogen kan opnieuw de
druklijn berekend worden. Wanneer deze niet buiten de intrados of extrados gelegen zijn, dan is de
boog stabiel. Wanneer de boog stabiel is, zal ook de volledige koepel die een aanneenschakeling is van
deze boogsegmenten, stabiel zijn. Daarbij is het mogelijk dat de boog scheuren vertoont volgens de
meridianen, aangezien dit het verloop van de druklijnen in de boogsegmenten niet benvloedt. Nadeel
van dit model is dat daardoor bovenaan, waar de boogsegmenten oneindig dun worden, een oneindig
grote drukspanning ontstaat.

6-19

Figuur 6.13: Boogwerking in een koepel


In praktijk zal een mengeling van bovenbeschreven modellen het rele structurele gedrag benaderen.
Wanneer de helling kleiner is dan deze waarop de omtrekspanningen van teken wisselen, zal
waarschijnlijk het membraan-gedrag domineren. Daar beneden zal het appelsienschil-model beter
aansluiten bij de realiteit. Daarmee worden de beperkingen van de beide m echanismen gecompenseerd.
Radiale scheurvorming in het benedengedeelte van de koepel zijn daarom niet noodzakelijk alarmerend.
Wanneer ze echter continu toenemen, geven zij aan dat onderaan de koepel de horizontale
krachtcomponent onvoldoende kan worden opgenomen.
Dit is omdat koepels, net zoals bogen,
spatkrachten ontwikkelen aan de basis, die door de steunpunten moeten worden opgenomen. Dit
ongeacht of het gedrag van de koepel als membraan dan wel als appelsienschil wordt bestudeerd. Om
deze redenen werden onderaan ijzeren ringen ingemetseld bij het bouwen van onder andere de koepel
van de St. Pietersbasiliek te Rome.

6.3.6 Gewelven
Een gewelf is een combinatie van ribben en gewelfschalen. De gewelfschalen dragen de belasting over
naar de ribben, die ze op hun beurt verder afdragen naar de pijlers.
De ribben werken daarbij als bogen, de gewelfschalen als stukken van een koepel.
Bij de berekening kan opnieuw gebruik worden gemaakt van de membraantheorie. Voor geometrisch
gedealiseerde vormen (cirkelvormig en constante dikte) kan alzo een analytische oplossing gevonden
worden die inzicht verschaft in het structureel gedrag. In de praktijk is de vorm van de gewelfschalen
meestal niet cirkelvormig. In vele gevallen is ook de (eigen-)belasting niet constant per oppervlakteeenheid van de gewelfschalen. Daarom wordt het evenwicht van het gewelf gecontroleerd met een
benaderende techniek. De gewelfschalen worden opgedeeld in verticaal staande bogen, Figuur 6.14.
Voor elk van deze bogen worden de horizontele en verticale steunpuntskrachten )V en )H berekend.
Deze steunpuntskrachten worden vervolgens als belasting op de ribben overgebracht. Met de gekende
geometrie van deze kruisribben kan vervolgens de druklijn in de kruisribben berekend worden en de
lastenafdracht naar de pijlers toe.
Merk op dat voor deze methode de geometrie van het gewelf
nauwkeurig moet worden opgemeten.

6-20

Figuur 6.14: Opdeling van de gewelfschaal in verticale bogen

6.4 Andere structurele elementen


Naast de druksterkte die de voornaamste parameter is bij het ontwerp van historisch metselwerk, wordt
voor recenter metselwerk ook beroep gedaan op zijn weerstand tegen afschuiving en zijn
buig(trek)sterkte.
Figuur 6.15 geeft een gedealiseerd beeld van het structureel gedrag van een
bouwwerk in de opname van de horizontale windbelasting.

Figuur 6.15: Horizontale lastenverdeling


De voorgevel neemt deze belasting op en wordt daardoor belast op buiging in het vlak.
De
reactiekrachten aan de uiteinden van de voorgevel e
l iden tot dwarskrachten in de zijgevel. Deze werken
als stijve schijven (E: shear wall) in de opname van de dwarskracht. Aan dit structureel gedrag wordt

6-21

zowel aandacht besteed in de Belgische norm NBN B14-301 als in de Europese norm EC6.
recenter onderzoek op metselwerk richt zich op dit terrein.

Ook

Voor de weerstand tegen aardbevingen is de afschuifsterkte eveneens van groot belang.


De
voornamelijk horizontale verplaatsingen, snelheden en versnellingen van de grondbewegingen ten
gevolge van de seismische actie, leiden tot een horizontale krachtswerking op het gebouw, die
schuifspanningen introduceert. De mate waarin deze kunnen worden opgenomen door het bouwwerk
hangt voornamelijk af van de afschuifsterkte van het metselwerk waaruit het is opgetrokken.

6.4.1 De afschuifsterkte van metselwerk


Overeenkomstig de Belgische Norm NBN B24-301 (1980) wordt de afschuifsterkte experimenteel
bepaald, of overgenomen uit een proefondervindelijk opgestelde relatie, die beantwoordt aan de
wrijvingswet van Coulomb (J=c+F.tan(N)):

fvk fvk ,0 + 0 .4 g fvk ,lim

(6.8)

Karakteristieke afschuifsterkte volgens de Belgische Norm NBN B24-301 (1980)


Druksterkte
van
de
2
baksteen fbk,corr [N/mm ]
#15

> 15

Mortelcategorie

fvk0 [N/mm ]

M1 - M2 - M3

0.3

M4 - M5

0.2

M1 - M2 - M3

0.3

M4 - M5

0.2

fvklim [N/mm ]

1.0

1.2

Karakteristieke afschuifsterkte voor metselwerk volgens de Europese Norm EC6 (1995)


2

Baksteen kwaliteit

Mortelcategorie

fvk0 [N/mm ]

fvklim [N/mm ]

Groep 1, Klei

M10-M20
M2.5-M9
M1 - M2

0.3
0.2
0.1

1.7
0.5
0.2

Groep 1, natuursteen

M10-M20
M2.5-M9
M1 - M2

0.2
0.15
0.1

1.7
1.5
1.2

Groep 1, andere

M2.5-M9
M1 - M2

0.15
0.1

1.0
1.0

Groep 2a, klei

M10-M20
M2.5-M9
M1 - M2

0.3
0.2
0.1

0.15 fb

Groep 2a andere en 2b

M10-M20
M2.5-M9
M1 - M2

0.2
0.15
0.1

Groep 3, klei

M10-M20
M2.5-M9
M1 - M2

0.3
0.2
0.1

1.4
1.2
1.0
1.4
1.2
1.0

0.065 fb

Tabel 6.7: Afschuifsterkte van metselwerk [NBN B24-301, 1980 en EC6, 1995]
Hierin is:

6-22

fvk de karakteristieke afschuifsterkte van het metselwerk,


fvk0 de karakteristieke afschuifsterkte van het metselwerk, zonder verticale samendrukking,
Fg: de drukspanning van het metselwerk onder karakteristieke blijvende belastingen op het
beschouwde peil.

De waarden van fvko en van fvk,lim zijn in Tabel 6.7 opgenomen. Daaruit blijkt dat fvk0 en fvk,lim functie zijn
van de kwaliteit van zowel de baksteen alsook van de mortel.
De Europese Norm EC6 geeft een volledig gelijkaardige methode voor het bepalen van de afschuifsterkte
van metselwerk. Ook hier wordt er de nadruk op gelegd dat de afschuifsterkte bij voorkeur experimenteel
wordt bepaald. Zijn geen proefresultaten voorhanden, dan kan een analoge formule gehanteerd worden:

fvk = fvk , 0 + 0 .4 d fvk ,lim

(6.9)

Hierin hebben de symbolen dezelfde betekenis, op Fd na. Fd is de ontwerpdrukspanning loodrecht op het


afschuifvlak. De waarden voor fvk0 en fvk,lim zijn mee opgenomen in Tabel 6.7. Opnieuw zijn ze functie
van de kwaliteit van baksteen en mortel.

6.4.2 De buigtreksterkte van metselwerk


De treksterkte van metselwerk is beperkt. Daarom wordt ze bij de berekening van bogen en gewelven
verwaarloosd. Dit is een veilige benadering. Voor de karakteristieke buigtreksterkte van metselwerk
verwijst zowel de Belgische Norm NBN B24-301 alsook de Europsese Norm EC6 naar proefresultaten. In
afwezigheid van resultaten mag hierop niet gerekend worden overeenkomstig de EC6. De Belgische
norm daarentegen geeft twee richtwaarden naargelang de buigingsas evenwijdig dan wel loodrecht met
de horizontale voegen loopt, Figuur 6.16.a en Figuur 6.16.b. De karakteristieke buigsterkte mag in het
2
2
eerste geval gelijk genomen worden aan 0.25 N/mm en in het tweede geval 0.5 N/mm . Voorwaarde is
2
wel dat de karakteristieke druksterkte van de baksteen groter dan 10 N/mm bedraagt en de mortel
kwaliteit minstens M4 bedraagt. Bij historisch metselwerk zal dit laatste zelden het geval zijn.
Proefresultaten op proefstukken van enige omvang wijzen ondertussen uit dat deze buigtreksterkte niet
zo klein is als algemeen wordt aangenomen, Tabel 6.8.

Figuur 6.16: Buigproeven op metselwerkproefstukken [NBN B24-301, 1980]

6-23

Orintatie

mortelsamenstelling [c:k:z]

0 (verticaal: ffl,xx)
1: :4
30
1: :4
70
1:2:9
70
1: :4
70
1: :4
90
1: :4
90
1:2:9
90
1:2:9
90 (horizontaal : ffl,yy)
1:2:12
Tabel 6.8: Buigtreksterkte van metselwerk

Buigtreksterkte [N/mm ]
0.45
0.73
0.71
2.45
1.54
1.96
1.68
1.46
1.37

Voor dragend metselwerk dat belast wordt op buiging in het vlak door een externe windlast is de
buigtreksterkte over het algemeen geen probleem. Ten gevolge van de verticale drukspanningen door
hoger gelegen delen zoals het dak, wordt het een geval van samengestelde buiging en zal de windlast
zelden tot nooit trekspanningen veroorzaken:

c =

Fv
M
+
0
A Iv

(6.10)

Eenzelfde gedachtengang geldt voor kelderwanden onder inwerking van horizontale grondspanningen.
Door de bovenstructuur is de verticale druklast groter dan de buigtrekspanningen ten gevolge van de
grondlast, waardoor resulterende trekspanningen uitzonderlijk zijn.

6.4.3 Buiging loodrecht op het vlak - gewapend metselwerk


Bij buiging loodrecht op het vlak - typevoorbeeld: een latei - kan gebruik worden gemaakt van gewapend
metselwerk. De berekening van gewapend metselwerk is niet opgenomen in de Belgische Norm NBN
B24-301. In de Europese Norm EC6 is de berekeningsmethode daarentegen wel expliciet aanwezig.
De berekening van gewapend metselwerk verloopt volledig volgens de rekenmethodes die gelden voor
gewapend beton, waarbij wordt uitgegaan van gescheurd metselwerk in de trekzone. Daarmee wordt het
mogelijk een gewapend metselwerk balk (latei) te ontwerpen. Gewapend metselwerk wint aan belang bij
nieuwbouw- en restauratieprojecten. Aanwezige scheurvorming getuigt van het gebrek van het materiaal
om de aanwezige trek- en/of afschuifspanningen op te nemen. In dat geval kan het nuttig zijn gebruik te
maken van gewapend metselwerk. Metselwerk heeft het voordeel dat de wapeningsstaven ter hoogte
van de oorspronkelijke voegen kunnen worden gelokaliseerd, zodat het uitzicht onaangetast blijft.

6.5 Meettechnieken
De metingen en proeven die op metselwerk worden uitgevoerd, zijn in bepaalde gevallen gebaseerd op
hetzelfde principe als bij betononderzoek.
Er zijn echter ook een groot aantal proeven specifiek
ontwikkeld voor metselwerk. Metselwerk is immers een zeer heterogeen materiaal in vergelijking tot
bijvoorbeeld beton. Daardoor is de spreiding van de materiaalkarakteristiek typisch ook groter dan bij
beton.
Het zal dan ook nodig zijn een voldoende groot aantal proeven uit te voeren om een
representatief beeld te verkrijgen van de verdeling van een bepaalde metselwerkeigenschap, Figuur
6.17.

6-24

200 mm

h = 360 mm

LVDT

d = 188 mm
w = 188 mm
n = 19
= 4.26 N/mm2
= 0.81 N/mm2
cov = 17 %
fk = 2.93 N/mm2

95%
fk

fd
5%
600mmx600mm

Figuur 6.17: Druksterkte van metselwerk bepaald op pijlertjes (180x180x360 mm) - experimenteel
bepalen van een materiaakarakteristiek van een heterogeen materiaal
De proefresultaten kunnen worden weergegeven onder de vorm van een histogram. Op basis van dit
resulterend histogram, worden de gemiddelde waarde (:), spreiding (F) en variatiecofficint (cov)
berekend overeenkomstig:

X=

1
n

(6.11)

i =1

(X x )

n 1

cov [%] =

100 %

(6.12)

(6.13)

Uitgaande van deze parameters, worden een aantal afgeleide grootheden als de karakteristieke waarde
en ontwerpwaarde berekend:

fk = X 1 .645
fd =

fk
M

(6.14)

(6.15)

De karakteristieke waarde (fk) wordt zodanig bepaald dat 95% van de waarden een getal oplevert dat
groter is. Het is dus een veilige ondergrens met maar 5% onderschrijdingen.
Bij een ontwerp volgens de methode der grenstoestanden wordt op deze karakteristieke waarde een
extra veiligheid genomen. Om tot de ontwerpwaarde (fd) te komen, wordt de karakteristieke waarde

6-25

gedeeld door de materiaalveiligheidsfactor ((M). Deze veiligheidsfactor ((M) op het materiaal is functie
van de metselstenen en de uitvoeringskwaliteit en varieert tussen 1.7 en 3.0. (EC 6, pg 39, tabel 2.3)
Klassiek wordt onderscheid gemaakt tussen niet-, semi- en volledig destructieve proeftechnieken. Omdat
in historische gebouwen het aantal destructieve proeven tot een minimum dient beperkt te worden, wordt
bij voorkeur gebruik gemaakt van de weinig-(semi-) of niet-destructieve onderzoekstechnieken.
Bij het overlopen van de verschillende proeftechnieken en hun destructief karakter is het vaak zo dat nietdestructieve proeftechnieken enkel kwalitatieve informatie opleveren of hoogstens kwantitatieve waarden
zonder absoluut karakter. Daartegenover staan de semi- of destructieve proeftechnieken die kwantitatief
absolute cijfers opleveren. Voor de beoordeling van een structuur zal het dan ook noodzakelijk zijn om
na te gaan in hoeverre dat absoluut cijfermateriaal nodig is en hoe dit kan verkregen worden met een
minimum aan schade aan het bouwwerk.

6.5.1 Druksterkte van metselwerk


Daar de druksterkte van metselwerk vanuit historisch oogpunt nog steeds de belangrijkste
materiaalkarakteristiek is voor metselwerk, hoeft het niet te verwonderen dat het gamma aan
proeftechnieken zeer uitgebreid is. Naast het rechtstreeks bepalen van de sterkte op metselwerk, kan ze
ook woren afgeleid uit de sterkte van de componenten. Tabel 6.9 geeft een overzicht van beschikbare
proeftechnieken, hun al dan niet destructief karakter (D/SD/ND), de materiaalkarakteristiek waarop ze
betrekking hebben en de toepassingsmogelijkheden in situ of in labo (IS/IL).
Proeftechniek

D/SD/ND
IS/IL

Werkingsprincipe /toepassing

Drukproef op mortel

D
IL

druksterkte
mortel

Chemische analyse mortel

SD
IS+IL

nagaan samenstelling originele mortel voor NBN B15-250


het
namaken
van
mortelstalen
voor
drukproeven, chemische samenstelling en
mengverhoudingen

Drukproef
kernen

mortel,

Referentie

elasticiteitsmodulus NBN B14-209


EN 1015-11

op

baksteen D
IL

druksterkte baksteen materiaal

EN 772-1

Drukproef
op
(doubletten)

baksteen D
IL

druksterkte baksteen materiaal


elasticiteitsmodulus baksteen

EN 772-1
NBN B24-001

Drukproef op pijlertjes

D
IL

druksterkte metselwerk
elasticiteitsmodulus metselwerk

NBN B24-301

Drukproef op muurtjes

D
IL

druksterkte metselwerk
elasticiteitsmodulus metselwerk

NBN B24-211

Drukproef op muren

D
IL

druksterkte metselwerk
elasticiteitsmodulus metselwerk

NBN B24-212

In-situ drukproef met platte D


vijzel
IS

druksterkte metselwerk
elasticiteitsmodulus metselwerk

Drukproef op
uit metselwerk

druksterkte metselwerk
elasticiteitsmodulus metselwerk

boorkernen D
IS+IL

Legende: D: destructief, SD: semi-destructief, ND: niet-destructief IS: in situ, IL: in labo
Tabel 6.9: Proeftechnieken ter bepaling van de druksterkte van metselwerk

6-26

De meest representatieve resultaten worden verkregen door het in situ beproeven van metselwerk van
voldoende grote omvang.
Dat resulteert in de druksterkte van het originele metselwerk in de
omstandigheden en randvoorwaarden waarin het zich bevindt. Drukproeven op boorkernen zijn een
valabel alternatief in zoverre de monstername mogelijk is. Dikwijls is dit niet uitvoerbaar omwille van de
afwezigheid van een minimum aan hechtsterkte van het materiaal nodig om boorkernen te ontnemen.
Drukproeven op muurtjes en muren of pijlertjes opgetrokken uit originele bakstenen en een zo getrouw
mogelijke copie van de mortel bieden een alternatief dat met enige omzichtigheid moet bekeken worden.
Het gaat om nieuw metselwerk zodat de geschiedenis (vb. brandschade), omstandigheden en
randvoorwaarden waarin het gebouw zich bevindt, verloren gaan.
Daarbij is het niet altijd even
eenvoudig om bakstenen of natuurstenen uit het gebouw te nemen zonder beschadiging en dus ook
zonder de sterkte te benvloeden. Oude mortels (met luchthardende kalk bijvoorbeeld) hebben hun
sterkte zeer traag opgebouwd over een lange periode. Ze zijn dikwijls veel sterker dan de nieuwe mortels
met identieke samenstelling die beproefd worden na 28 dagen. Drukproeven op baksteen en mortel
afzonderlijk zijn uiteraard het eenvoudigst en betekenen economisch ook de laagste kost. Het rele
metselwerkgedrag wordt geschat op basis van experimenteel bepaalde formules.

6.5.2 Afschuif- en buigtreksterkte van metselwerk


Voor materiaalkarakteristieken ter bepaling van afschuifsterkte en buigtreksterkte zijn de proeftechnieken
minder ontwikkeld en genormeerd, wat ongetwijfeld samenhangt met de hogere complexiteit van de
proeven, Tabel 6.10. Voor wat betreft buigtreksterkte en afschuifsterkte van metselwerk, is er geen
specifieke Belgische Norm die de proeftechniek beschrijft. Een beknopte proefopstelling kan worden
teruggevonden in NBN B24-301. De Europese Norm EC6 verwijst naar de norm EN 1052-2.
Recent onderzoek heeft geleid tot de ontwikkeling van proefopstellingen die het mogelijk maken deze
materiaalkarakteristieken nauwkeurig op te meten.
Proeftechniek

D/SD/ND
IS/IL

Werkingsprincipe /toepassing

Buigtreksterkte

D
IL

Bepalen
van
metselwerk op
omvang

afschuifproeven

D
IL of IS

afschuifsterkte van het metselwerk

EN 1052-2
NBN B24-301
[van der Pluijm]

directe trekproef

D
IL

Bepalen van de hechtsterkte van metselwerk

[Min 576/B5]

Bond test

D
IL

Bepalen van de hechtsterkte van metselwerk

[van der Pluijm]

de
buigtreksterkte
proefstukken van

Legende: D: destructief, SD: semi-destructief, ND: niet-destructief

Referentie.
van EN 1052-2
grote NBN B24-301
[van der Pluijm]

IS: in situ, IL: in labo

Tabel 6.10: Proeftechnieken ter bepaling van de trek- afschuif en buigtreksterkte van metselwerk

6.5.3 De kwaliteit van metselwerk


Naast het rechtstreeks bepalen van een of andere materiaalkarakteristiek zijn er nog tal van technieken
die meer informatie opleveren omtrent de kwaliteit van het metselwerk. Gezien het niet- of beperkt
destructieve karakter van deze metingen, verdienen zij dikwijls de voorkeur boven destructieve metingen.
Daar metselwerk meestal aan lage spanningen werkt, is de druksterkte meestal niet steeds een
probleem. Het heeft in die gevallen dan ook weinig zin om via destructieve weg deze te willen bepalen.
Tabel 6.11 geeft een overzicht van deze veralgemeende proeftechnieken die bijkomende informatie
opleveren omtrent metselwerk en het structureel gedrag.

6-27

Proef-techniek

D/SD/ND
IS/IL

Werkingsprincipe /toepassing

Historisch
onderzoek

ND
IS+IL

Informatie over de geometrie van de


materialen,
de
belasting,
eventuele
gebeurtenissen, ...

Visuele
inspectie

ND
IS

Wordt in alle gevallen toegepast. Dit is nog steeds de goedkoopste en


vaak ook de meest efficinte, niet-destructieve methode.

Fotogrammetrie

ND
IS

Evolutie van grote scheuren en relatieve verplaatsingen.


Vooral
gebruikt voor het opmeten en documenteren van schade aan structurele
elementen en materialen

Electrische
resistiviteit

ND
IS

Kwalitatieve benadering van de globale toestand van metselwerk (holle


ruimten, gelaagde structuur, ...). Zeer waardevol om de effectiviteit van
consolidatie-injecties te controleren.

Radiografie

ND
IS

De doorlichting van elementen met gammastraling brengt diep


verborgen discontinuteiten zoals wapening, holten, trekkers, ... aan het
licht.
Toegang aan weerszijden is vereist.
Enkel de krachtigste
apparatuur
is
bruikbaar
voor
metselwerk.
Zeer
strenge
veiligheidsvoorzieningen moeten in acht genomen worden.

Infra-rood
thermografie

ND
IS

Indentificatie van de opbouw van de structuur (bv. verborgen achter


pleisterlagen), opsporen van verborgen holten en discontinuteiten

Magnetische
methoden

ND
IS

Lokaliseren van metalen elementen in dikke metselwerkwanden (vb.


wapeningsstaven, verbindingskrammen,...)

Radar

ND
IS

Het ontvangen van doorgaande of gereflecteerde electrische energie


maakt het mogelijk verschillende lagen te detecteren alsook verborgen
holten, oude funderingen,...

Mechanical
pulse velocity

ND
IS

Door een impact worden golven van 0.3 tot 5kHz in het materiaal
gestuurd. De voortplantingssnelheid is een maat voor de densiteit en de
integriteit van het materiaal.

Ultrasoon
onderzoek

ND
IS

Enkel geschikt voor homogene materialen zoals bv. sommige


natuursteensoorten. Bij heterogeen metselwerk is de indringdiepte te
gering

Trillingsproeven

ND
IS

Relatieve stijfheid, controle van eventuele progressieve beschadiging


van de structuur in de tijd

Endoscopie

ND
IS

Controle van de inwendige structuur van het metselwerk. Bruikbaar in


boorgaten. Kan gecombineerd worden met foto- of video-opnamen.

Platte vijzel

(S)D
IS

Kwantitatieve bepaling van het spanning-rek verloop van metselwerk


(SD) en eventueel ook druksterkte (D).

Belastingsproef

ND
IS

Controle van de weerstand van een structuur tegen de verwachte


belasting. ND wanneer enkel in het elastisch gebied belast wordt.

Monitoring

IS

constructie, de
verstevigingen,

gebruikte
nadelige

Permanente bewaking van de structuur waarbij voor het structureel


gedrag belangrijke parameters worden opgevolgd.
Tabel 6.11: Beoordeling van de kwaliteit van metselwerk

6-28

7 Voorbeeldoefeningen
7.1 Inleiding
Dit hoofdstuk bevat een aantal voorbeeldoefeningen. Deze oefeningen hebben betrekking op de
verschillende onderdelen die aan bod komen bij de behandeling van de Eurocodes 0, 1 en 3.

7-1

7.2 Belastingcombinaties en Raamwerkimperfe cties

Referenties:

Gegevens: Onderstaand raamwerk draagt de belastingen van de bovenstructuur af naar


het onderliggend dragend vakwerk. De aangrijpende bovenbelasting stemt overeen met:
Gk=480 kN: eigengewicht van de bovenstructuur;
Qk=360 kN: nuttige vloerlast;
Wk=60 kN: windlast.
Staalkwaliteit: Fe360b
Staven: [1,2]: IP (gelast): A = 104 10 mm;
[3]: IPE 400: A= 84,5 10 mm;
[4,5]: IPE 200: A=28,5 10 mm.
Qk
Wk

Gk

Qk
Gk

[3]

[2]
6m

[1]

[4]

[5]

B
3m

Figuur 7.xx: Opbouw vakwerk geometrie, randvoorwaarden en aangrijpende lasten


Gevraagd: Bereken voor dit vakwerk de maatgevende belastingcombinaties. Houd hierbij
rekening met de raamwerkimperfecties die kunnen optreden.
Oplossing:
Voor het in rekening brengen van de raamwerkimperfecties is het nodig de initile
scheefstand te kennen. Deze is gelijk aan:

0 =

1
200

5.2.4.3.
blz. 62

De in rekening te brengen scheefstand is functie van het aantal kolommen en


verdiepingen:
nc = 2 (number of columns) k c = 0.5 +
ns = 1 (number of storeys) k s = 0. 2 +

1
1 kc = 1
nc

1
1 ks = 1
nS

7-2

Dit resulteert in :

= k sk c0 =

Referenties:

1
200

Om rekening te houden met deze raamwerkimperfecties worden voor de aangrijpende


verticale lasten (N) equivalente horizontale belasting (N)
Bepalen van de snedekrachten voor de individuele lasten: G k, Qk, Wk en de horizontale
last ten gevolge van de optredende raamwerkimperfecties (I k). Uit de knoopevenwichten
kunnen de snedekrachten (druk (-)/trek (+)) bepaald worden, Figuur 7.xx.
Gk
480

[1]
-480

[3]

Qk
480

360

[2]
-480

[1]
-360

[4]

[5]

A
480

B
480

[4]

A
360

[3]

Wk
360

60

[2]
-360

[3] -30

[1]
+60

[3] -0.5

[2]
-60

[1]
+1

-67.082
[4]
[5]
+67.082

[5]

B
360

Ik

30
120

B
120

-1

[4]
+1.118
30

-1.118
[5]

0.5

0.5

A
2

[2]

B
2

Figuur 7.xx: snedekrachten in vakwerkstructuur voor de verschillende belastinggevallen


Bepalen van de maatgevende belastingcombinaties
Voor het bepalen van de nevencombinaties zijn de combinatiefactoren horende bij de
mobiele belasting vereist:
Qk: 0 = 0.7; 1 = 0.5; 2=0.3;
Wk: 0 = 0.6; 1 = 0.5; 2=0.0.
1. Maatgevende belastingcombinatie die leidt tot maximale druk in staaf [2] (type: STR):
NSd=1.35G k+1.50Qk+1.50 0Wk+NSd(FI,d,1)
NSd=1.35x480+1.50x360+1.50x0.6x60+11.88 = 1199 kN
Met: FI,d,1 = x2x(1.35Gk+1.50Qk)=11.88kN
En N Sd(FI,d,1) = 11.88 KN is de snedekracht in staaf [2] tgv de horizontaal
aangrijpende belasting F I,d,1.
2. Maatgevende belastingcombinatie die leidt tot maximale Reactiekracht in knoop B
(type: STR) (Dit is dezelfde belastingcombinatie als voor staaf [3]:
NSd=1.35G k+1.50Qk+1.50 0Wk+NSd(FI,d,3)
NSd=1.35x480+1.50x360+1.50x0.6x60+2x11.88 = 1320 kN
Met: FI,d,3 = x2x(1.35Gk+1.50Qk)=11.88kN

7-3

3. Maatgevende belastingcombinatie voor maximale TREK/DRUK in de diagonalen,


staven [4,5] (type: STR). Opmerking: de windlast zorgt voor het solliciteren van de
diagonale staven.
NSd=1.35G k+1.50Wk+1.50 0Qk+NSd(FI,d,2)
NSd=1.35x0+1.50x67.082+1.50x0.7x0+10.26x1.118 = 112 kN

Referenties:

Met: FI,d,2 = x2x(1.35Gk+1.50 0Qk)=10.26kN


En N Sd(FI,d,2) = 10.25 KN is de snedekracht in staaf [4,5] tgv de horizontaal
aangrijpende belasting F I,d,2.
4. Maatgevende belastingcombinatie voor maximale DRUK in de horizontale staaf [3]
(type: STR). Opmerking: de windlast zorgt voor het solliciteren van staaf [3]. Dit is
dezelfde belastingcombinatie als voor d e maximale TREK/DRUK in de diagonalen.
NSd=1.35G k+1.50Wk+1.50 0Qk+NSd(FI,d,4)
NSd=1.35x0+1.50x30+1.50x0.7x0+10.26x0.5 = 50.13 kN
Met: FI,d,4 = x2x(1.35Gk+1.50 0Qk)=10.26kN
En N Sd(FI,d,4) = 10.26 KN is de snedekracht in staaf [3] tgv de horizontaal
aangrijpende belasting F I,d,4.
5. Maatgevende belastingcombinatie voor de controle van het optillen van de structuur in
knoop A. (type: EQU). Opmerking: de windlast zorgt voor het optillen.
NSd=0.9Gk+1.50Wk+0x 0Q k+NSd(FI,d,5)
NSd=0.9x480+1.50x-120+0x0.7x360+-8.64 = 243.36 kN
Met: FI,d,5 = x2x(0.9Gk+0x 0Q k)=4.32kN
En N Sd(FI,d,5) = -8.64 KN is de reactiekracht in knoop A tgv de horizontaal
aangrijpende belasting F I,d,5.
De resulterende reactiekracht in knoop A blijft een drukkracht. De kolom zal niet
opgetild worden.

7-4

7.3 Controle van Staven knik en kip

Referenties:

7.3.1 Knikcontrole van een cirkelvormige holle sectie als kolom


Gegevens:

CHS 219.1 x 4.5 warmgewalst


Staalkwaliteit: Fe360b
Systeemlengte: l=3.50m
NSd = 600 kN

Gevraagd: knikcontrole
Oplossing:
Stap 1: Classificatie van de doorsnede (ronde buizen)
Klasse 1: d/t=219.1/4.5=48.7 <50 = 50x1 Klasse 1 (A=1)
Met: =(235/fy)^0.5 = 1
Want: f y=235N/mm (Fe360b)

Tabel 5.3.1
Blz. 77

Stap 2: Bepalen van de kniklengte en (relatieve)slankheid


De kniklengte l = de systeemlengte L = 3.50 m
De slankheid: =l/i = 3500mm/75.9 mm = 46.11
De relatieve slankheid: =/1=46.11/93.9 = 0.491
1 = 93.9=93.9

=/1>0.2 knikcontrole vereist


Stap 3: Selectie van de gepaste knikkurve: warmgewalst profiel knikkurve a
Stap 4: Reductie-factor =0.9273 (op basis van uitgebreide tabellen)
Stap 5: Rekenwaarde van de knikstabiliteit

Nb. Rd =

(fy )( A A ) = (0.927 235N / mm )(1 30.3 10 mm ) = 600.1kN


M1

1.1

Tabel 5.5.3
Blz. 101
Tabel 5.5.2
Blz. 98
Vgl. 5.45
Blz. 97

NSd

3500

4.5

219.1

N Sd
Controle: N Sd = 600 kN < N b.Rd= 600.1 kN
Figuur 7.xx: Circular Hollow Section (CHS) als kolom, belast op druk

7-5

Referenties:

7.3.2 HEB-profiel als kolom


Gegevens:

Kolom: HEB 300


Staalkwaliteit: Fe 360
Systeem lengte: L=6.00 m
Belasting: N Sd = 2900 kN

Stap 1: Classificatie van de doorsnede


Fe360b =(235/f y)^0.5 = 1, want: fy=235N/mm
tf=19
c=150

d=208

Flens:
Lijf:
tw=11

c/tf = 150/19 = 7.9 < 15 = 15


d/tw=208/11 = 18.9 < 42 = 42

Besluit: Klasse 1:

Klasse 1
Klasse 1

Aeff = A, A=1

L=6000

Knik rond de STERKE as (yy-as):


Stap 2: Bepalen van de kniklengte en (relatieve)slankheid
De systeemlengte L = 6000 mm
Bepalen van de verdelingsfactoren 1 en 2 voor gesteund
raamwerk

1 =
2 =

kc
k c + K 11 + K 12
kc
k c + K 21 + K 22

Tabel 5.3.1
Blz. 77
Tabel 5.9

I L
=1
I L+0

I L
=0
I L+

Dit levert: l/L=0.7


De kniklengte: l y= 0.7L = 0.7x6000 = 4200 mm
De slankheid: y=ly/i y = 4200mm/130 mm = 32.30

Bijlage E

Vgl. E.1

Vgl. E.2,
Blz.: 261
Figuur E.2.1
Blz. 262

De relatieve slankheid: y =y/1=32.30/93.9 = 0.34


1 = 93.9=93.9
y =y/1>0.2 knikcontrole vereist
Stap 3: Selectie van de gepaste knikkurve:
warmgewalst profiel
h=290 mm, b=300 mm: h/b = 290/300 = 0.97 < 1.2 knikkurve b (yy)

Tabel 5.5.3
Blz. 101

Stap 4: Reductie-factor =0.949 (op basis van uitgebreide tabellen)

Tabel 5.5.2
Blz. 98

Stap 5: Rekenwaarde van de knikstabiliteit


f y ( A A ) (0. 949 235N / mm )(1149 .0 10 mm )
Nb.Rd =
=
= 3021k N
M1
1.1

( )

Vgl. 5.45
Blz. 97

Controle: N Sd = 2900 kN < N b.Rd = 3021 kN ok: voldoet

7-6

L=3000

L=3000

Knik rond de ZWAKKE as (zz-as):


Stap 2: Bepalen van de kniklengte en (relatieve)slankheid
De systeemlengte L = 3000 mm
Bepalen van de verdelingsfactoren 1 en 2 voor gesteund
Raamwerk (kniklengte van het bovenste gedeelte meest negatief):

1 =
2 =

kc
kc + K 11 + K12
kc
k c + K 21 + K 22

I L
=1
I L +0

Vgl. E.1

IL
= 0.667
I L + 0. 5 I L

Vgl. E.2,
Blz.: 261

Stap 3: Selectie van de gepaste knikkurve:


warmgewalst profiel
h=290 mm, b=300 mm: h/b = 290/300 = 0.97 < 1.2 knikkurve c (zz)
Stap 4: Reductie-factor =0.9131 (op basis van uitgebreide tabellen)
Stap 5: Rekenwaarde van de knikstabiliteit

(fy )( A A) = (0.9131 235N / mm )(1 149.0 10 mm ) = 2907k N


M1

Bijlage E

Dit levert: l/L=0.88


De kniklengte: l z= 0.88L = 0.88x3000 = 2640 mm
De slankheid: z=lz/i z = 2640mm/75.8 mm = 34.8
De relatieve slankheid: z =z/1=34.8/93.9 = 0.371
1 = 93.9=93.9
z =z/1>0.2 knikcontrole vereist

Nb.Rd =

Referenties:

1. 1

Figuur E.2.1
Blz. 262

Tabel 5.5.3
Blz. 101

Tabel 5.5.2
Blz. 98

Vgl. 5.45
Blz. 97

Controle: N Sd = 2900 kN < N b.Rd = 2907 kN ok: voldoet

7-7

Referenties:

7.3.3 HEA profiel belast in buiging en normaaldrukkracht


Gegevens:
kolom HEA140
Staalkwaliteit Fe360b
Systeemlengte: L = 5.0 m
Belastingen:
NSd = 120 kN
wk = 2.67 kN/m.
5.0 m

Gevraagd: controle van de stabiliteit van staven

d=92

W
Oplossing:
Belastingcombinatie (UGT): w Sd=1.5wk=4 kN/m.
Dit leidt tot volgend buigmoment in de middendoorsnede:
w L2
M Sd = Sd = 12.5kNm
8
Knikcontrole van een op DRUK belaste staaf: N Sd = 120 kN
Stap 1: Classificatie van de doorsnede
Fe360b =(235/f y)^0.5 = 1, want: fy=235N/mm
tf=8.5
c=70
Druk
Flens: c/tf = 70/8.5 = 8.2 < 10 = 10
Klasse 1
Lijf:
d/tw=92/5.5 = 16.7< 33 = 33
Klasse 1
tw=5.5

Besluit: Klasse 1:
Aeff = A, A=1
Lokaal plooien van het lijf: d/tw=92/5.5=16.7<69 =69
geen gevaar op lokaal plooien

Knik rond de
STERKE as (yy-as)
Stap 2: Bepalen van de kniklengte en (relatieve)slankheid
De systeemlengte L = 5000 mm = kniklenkte: l
ly=5000 mm
De slankheid: y=ly/i y = 5000mm/57.3 mm
= 87.26
De relatieve slankheid:
y =y/1=87.26/93.9
= 0.93
1 = 93.9=93.9
=y/1>0.2
knikcontrole vereist

5.5.1
Tabel 5.3.1
Blz.74-77

5.4.6
Blz. 90

ZWAKKE as (zz-as)

lz=5000mm
z=lz/i z = 5000mm/35.2 mm
= 142

z =z/1=142/93.9
=1.51

z =z/1>0.2
knikcontrole vereist

Stap 3: Selectie van de gepaste knikkurve:


warmgewalst profiel
h=133 mm, b=140 mm: h/b = 133/140 = 0.95 < 1.2
knikkurve b (yy)
knikkurve c (zz)

Tabel 5.5.3
Blz. 101

Stap 4: Reductie-factor
y=0.6419
z=0.3113
(op basis van uitgebreide tabellen)
Stap 5: Rekenwaarde van de knikstabiliteit: N b.Rd > N Sd = 120 kN ?
y f y ( A A )
z f y ( A A )
Nb.Rd =
Nb.Rd =
M1
M1
(
0. 6419 235 )(1 31. 4 10 )
(
0. 3113 235 )(1 31. 4 10 )
=
=
1. 1
1. 1
= 430.6k N
= 208.8k N

Vgl.(5.45)
5.5.1.1
Blz. 97

Controle: N Sd = 120 kN < N b.Rd = 208.8 kN ok: voldoet

7-8

Referenties:
5.5.2
Blz. 103

Kip van een op buiging belaste ligger: M Sd = 12.5 kNm


De ongesteunde lengte (of kiplengte) bedraagt:
l LT = L = 5000mm .
Het theoretisch elastisch kipmoment wordt berekend uit:

Mc r

2 EI z k
= C1

(klLT )2 kw

met:

Bijlage F
Vgl. (F.4)
Blz. 269

I (klLT )2 GI t

+
C2 zg
2
EI z
Iz

k = 1: geen belemmering van de eindverdraaiing uit het vlak van het raamwerk
(lLT/L=1);
kw=1: geen speciale voorziening tegen het verhinderen van welving op het einde
van de staven.
lLt = 5000 mm: kiplengte
9
6
I= 15.06 10 mm : sectorieel traagheidsmoment
4
4
It = 8.16 10 m m : torsietraagheidsmoment
4
4
Iz= 389.3 10 mm : traagheidsmoment om de zwakke buigingsas
G=80000 N/mm
E=210000 N/mm
C1 = 1.132 (Tabel F.1.1, =0), op basis van de momentenverdeling
C2=0.459 (Tabel F.1.2) belasting grijpt aan op bovenrand

Mcr = 1.132

(2) blz. 269


(4) blz. 269

Staalcatalogus

Vgl. (F.3)
Of
Tabel
F.1.2,
Blz.
271

2
2 210000 389.3 104 1 15.06 109 (1 5000 ) 80000 8.16 10 4

+
0.459 66.5mm

4
2 210000 389.3 10 4
(1 5000)2
1 389.3 10

Mcr = 45.6 kNm


Stap 2: De kiplengte en relatieve slankheid:
De kniklengte: l LT= L = 5000 = 5000 mm
De relatieve slankheid:

Wpl , y f y

LT =

(5) blz. 103

1 173 10mm 235 N mm

= 0. 94 >0.4 kipcontrole vereist.


45.7 10 6 Nmm
Stap 3: Selectie van de gepaste knikkurve: warmgewalst profiel: LT=0.21 kurve a
M cr

Stap 4: Reductie-factor LT=0.7071 (op basis van uitgebreide tabellen)


Stap 5: Rekenwaarde van de kipstabiliteit:
f W
(0.7071 235 N mm ) 1 173 103 mm = 26 .1kNm
M b.Rd = LT y w pl. y =
M1
1. 1
Mb.Rd = 26.1 kNm > MSd = 12.5 kNm (voldoet)

)(

Op BUIGING en DRUK belaste staven: MSd = 12.5 kNM en N Sd = 120 kN


Knikcontrole :
Kipcontrole:

NSd
minA

fy
M1

k y M y .Sd
1
f
Wpl ,y y
M1

Er geldt: M.y=1.3

y = y 2 M . y 4 +

Wpl , y Wel, y

y = 0. 93(2 1.3 4 ) +
y = 1. 186 0. 9

k LT M y .Sd
NSd
+
1
fy
fy
z A
LT Wpl, y
M1
M1

Wpl, y

M.LT =1.3 (buiging om yy-as)

0.9

(173 155 ) 10
173

10

(3) Blz. 103


(4) blz. 103
Tabel 5.5.2,
blz. 98
Vgl.
(5.48)
blz. 103

5.5.4
(1) en (2)

(7) blz. 105


Figuur 5.5.3
Blz. 106

LT = 0. 15z M . LT 0. 15 0. 9
LT = 0. 15 1. 51 1. 3 0. 15
LT = 0. 144 0. 9

7-9

ky = 1

y N Sd
y Af y

Referenties:

1. 50

k LT

1.186 120 10
0.6419 31.4 10 235
k y = 1.30 1.50
Invullen in de controle:
ky = 1

120 10

N
= 1 LT Sd 1. 00
z Af y

0.144 120 10
0. 3113 31. 4 10 235
= 0.925 1.00

k LT = 1
k LT

1.30 12.5 10 6
0.925 12.5 10 6
1 0.575 +
1
235
235
235
0. 3113 31. 4 10
173 10
0.7659 173 10
1.1
1. 1
1.1
0.575 + 0. 44 = 1.01 > 1
0.575 + 0. 408 = 0. 98 < 1
voldoet theoretisch gesproken niet.
Gezien de zeer beperkte overschrijding (en alle
ingerekende veiligheden) is dit een aanvaardbaar ontwerp.
+

7-10

Referenties:

7.3.4 Rechthoekig kokerprofiel belast op druk en buiging


P 1,d

P2,d

NSd

MSd
400kN

18kNm

L2=3500

Gegevens:
Profiel: RHS 250x10.0, warm gewalsd;
Staalkwaliteit: FE430b, f y = 275 N/mm;
Systeemlengtes: L1=L2=3500 mm
Kniklengte:
l1 = 10.85 m
l2 = 15.34 m
Belastingen:
P1,d = 300 kN
P2,d = 100 kN

P2,d

800kN

36kN
m

L1=3500

P 1,d

180
Gevraagd: stabiliteit van de staven

tf=10

Knikcontrole van een op DRUK belaste staaf


Stap 1: Classificatie van de doorsnede
Fe430b =(235/f y)^0.5 = 092, want: fy=275N/mm
Druk
Flens: d/tf = 220/10=22<33 = 30
Klasse 1
Buiging
tw=10
Lijf:
d/tw=220/10=22<72 = 67
Klasse 1
d=220
250

Besluit: Klasse 1:
Aeff = A, A=1, =1
Lokaal plooien van het lijf: d/tw=220/10=22<69 =63
geen gevaar op lokaal plooien

Knik
Deel 1 (yy-as)
Stap 2: Bepalen van de kniklengte en (relatieve)slankheid
ly=10850 mm
De slankheid: y=ly/i y = 10850mm/96.7 mm
= 112.2
De relatieve slankheid:
y =y/1=112.2/86.4
= 1.29
1 = 93.9=86.4
=y/1>0.2
knikcontrole vereist

5.5.1
Tabel 5.3.1
Blz.74-77

5.4.6
Blz. 90

Deel 2 (yy-as)
ly=15340mm
y=ly/i y = 15340mm/96.7 mm
= 158.32

y =y/1=158.32/86.4
=1.83

y =y/1>0.2
knikcontrole vereist

Stap 3: Selectie van de gepaste knikkurve:


warmgewalst profiel, om elke as:
knikkurve a (yy)
knikkurve a (yy)
Stap 4: Reductie-factor
y=0.4760
y=0.2623
(op basis van uitgebreide tabellen)

Tabel 5.5.3
Blz. 101

7-11

Stap 5: Rekenwaarde van de knikstabiliteit:


Nb.Rd > N Sd = 800 kN ?
y f y ( A A )
Nb.Rd =
M1
(0. 4760 275 )(1 91. 7 10 )
=
1. 1
= 1091.2kN

Controle:

NSd = 800 kN
< Nb.Rd = 1091.2 kN
ok: voldoet

Op BUIGING en DRUK belaste staven:


Knikcontrole deel 1:
MSd = 36 kNm en N Sd = 800 kN
k M
NSd
+ y y .Sd 1
fy
f
minA
Wpl ,y y
M1
M1

Nb.Rd > N Sd = 400 kN ?


y f y ( A A )
Nb.Rd =
M1
(0. 2623 275 )(1 91. 7 10 )
=
1. 1
= 601.3kN

NSd = 400 kN
< Nb.Rd = 601.3 kN
ok: voldoet
5.5.4
Knikcontrole deel 2:
MSd = 18 kNm en N Sd = 400 kN
k M
NSd
+ y y .Sd 1
fy
f
minA
Wpl ,y y
M1
M1

Er geldt: M.y=1.8-0.7=1.1
want: =1
Wpl , y Wel, y
y = y 2 M . y 4 +
0.9
Wpl, y

M.y=1.8 -0.7=1.1
want: =1

y = 1. 29(2 1.1 4) +

y = 1. 83(2 1.1 4) +

(1)

(7) blz. 105


Figuur 5.5.3
Blz. 106

(832.8 707) 10
832. 8

y = 2. 1441 0.9

ky = 1

Referenties:
Vgl.(5.45)
5.5.1.1
Blz. 97

y N Sd
y Af y

10

y = 3. 116 0. 9

(832.8 707) 10
832. 8

10

1. 50

2. 1441 800 10
0.4760 91. 7 10 275
k y = 3. 81 1.50
Dus: ky = 1.50
Invullen in de controle:
ky = 1

3. 116 400 10
0.2623 91.7 10 275
k y = 2.9 1.50
Dus: ky = 1.50
ky = 1

400 10
1.50 18 106
1.50 36 106
+
1
1
275
275
275
275
0.476 91. 7 10
832. 8 10
0.2623 91.7 10
832.8 10
1. 1
1. 1
1.1
1.1
0.733 + 0.260 = 0.99 < 1
0.665 + 0.130 = 0. 795 < 1
800 10

7-12

7.3.5 Kolom in een raamwerk


Gegeven:
NSd=100 kN
MSd

1.50 m

200 kNm

3.00 m

133 kNm

Gegevens:
kolom: IPE 360 A
Staalkwaliteit: Fe510b
Systeemlengte: L=4.50 m
Kniklengte:
o ly = 18.00 m
o lz,1=3.00 m
o lz,2=1.50 m
Belasting:
o Axiale druk: N Sd = 100 kN
o Momentenverdeling, zie figuur
DRUK: Knikcontrole
Stap 1: Classificatie van de doorsnede
Fe510b =(235/f y)^0.5 = 0.81, want: fy=355N/mm
tf=11.5 c=85

Tabel 5.3.1
Blz.74-77

c/tf = 85/11.5 = 7.4 < 10 = 8.9


Klasse 1
d/tw=299/6.6 = 45.3 <72=58.32
Klasse 1
d/tw=299/6.6 < 69=58.32; geen lokaal plooien 5.4.6
van het lijf te controleren.
Blz. 90
Besluit: Klasse 1:
Aeff = A, A=1, W=1

d=299

Flens:
Lijf:
tw=6.6

Knik rond de STERKE as (yy-as):


Stap 2: Bepalen van de kniklengte en (relatieve)slankheid
De systeemlengte L = 4500 mm
De kniklengte: l y = 18000 mm
De slankheid: y=ly/i y = 18000mm/151 mm = 119.2
De relatieve slankheid: y =y/1=119.2/76 = 1.567
1 = 93.9=76
y =y/1>0.2 knikcontrole vereist
Stap 3: Selectie van de gepaste knikkurve:
warmgewalst profiel

7-13

h=360 mm, b=170 mm: h/b = 360/170 = 2.11 > 1.2 knikkurve a (yy); b (zz)
Stap 4: Reductie-factor =0.3482 (op basis van uitgebreide tabellen)
Stap 5: Rekenwaarde van de knikstabiliteit
f y ( A A ) (0. 3482 355N / mm )(1 64. 0 10mm )
Nb.Rd =
=
= 719 .2kN
M1
1. 1

( )

Tabel 5.5.3
Blz. 101

Vgl.(5.45)
5.5.1.1
Blz. 97

Controle: N Sd = 100kN < N b.Rd = 719.2kN ok: voldoet


Knik rond de ZWAKKE as (zz-as):
Stap 2: Bepalen van de kniklengte en (relatieve)slankheid
De kniklengte: l z= 3000 mm
De slankheid: z=lz/i z = 3000mm/38.4 mm = 78
De relatieve slankheid: z =z/1=78/76 = 1.02
1 = 93.9=76

z =z/1>0.2 knikcontrole vereist


Stap 3: Selectie van de gepaste knikkurve:
warmgewalst profiel
h=360 mm, b=170 mm: h/b = 360/170 = 2.11 > 1.2 knikkurve b (zz)

Tabel 5.5.3
Blz. 101

Stap 4: Reductie-factor =0.0.5844 (op basis van uitgebreide tabellen)


Stap 5: Rekenwaarde van de knikstabiliteit

Nb.Rd =

(fy )( A A ) = (0.5844 355N / mm )(1 64.0 10 mm ) = 1207.1kN


M1

1. 1

Controle: N Sd = 100 kN < N b.Rd = 1207.1 kN ok: voldoet


BUIGING
Alle delen tussen de zijdelingse steunen zijn afzonderlijk te bekijken, met k=1 en niet 0.7.
Deel 1: met lengte L = 3000 mm
De ongesteunde lengte (of kiplengte) bedraagt: l LT = L = 3000mm .
Het theoretisch elastisch kipmoment wordt berekend uit:

M cr = C1
met:

2 EIz

(k lLT )2

Vgl.(5.45)
5.5.1.1
Blz. 97

kw

5.5.2
Blz. 103

I (k lLT )2 GIt

+
2 EIz
Iz
2

k = 1:
kw=1: geen speciale voorziening tegen het verhinderen van welving op het einde
van de staven.
StaallLt = 3000 mm: kiplengte
9
6
catalogus
I= 282 10 mm : sectorieel traagheidsmoment
4
4
It = 26.5 10 m m : torsietraagheidsmoment
4
4
Iz= 944 10 mm : traagheidsmoment om de zwakke buigingsas
G=80000 N/mm
E=210000 N/mm
C1 = 1.879 (Tabel F.1.1, =0), op basis van de momentenverdeling

2 210000 944 10 4 1 282 10 9 (1 3000) 80000 26. 5 10 4



+
(1 3000)2
1 944 10 4
2 210000 944 10 4
Mcr = 814.2 kNm
2

M c r = 1.879

Vgl. (F.3)
Of
Tabel
F.1.2, Blz. 271

Stap 2: De kiplengte en relatieve slankheid:


De kniklengte: l LT= L = 3000 mm
De relatieve slankheid:

7-14

LT =

Wpl , y f y

1 907 10mm 355 N mm

= 0.63 >0.4 kipcontrole vereist.

814. 2 10 6 Nmm
Stap 3: Selectie van de gepaste knikkurve: warmgewalst profiel: LT=0.21 kurve a
M cr

(4) blz. 103


Tabel
5.5.2,
blz. 98

Stap 4: Reductie-factor LT=0.8783 (op basis van uitgebreide tabellen)


Stap 5: Rekenwaarde van de kipstabiliteit:
f W
(0. 8783 355 N mm ) 1 907 103 mm = 257. 1kNm
M b.Rd = LT y w pl. y =
M1
1.1
Mb.Rd = 257.1 kNm > M Sd = 133.3 kNm (voldoet)

)(

M cr = C1
met:

(k lLT )2

kw

Vgl. (5.48) blz.


103

5.5.2
Blz. 103

Deel 2: met lengte L = 1500 mm


De ongesteunde lengte (of kiplengte) bedraagt: l LT = L = 1500mm .
Het theoretisch elastisch kipmoment wordt berekend uit:

2 EIz

Referenties:
(5) blz. 103
(3) Blz. 103

I (k lLT )2 GIt

+
2 EIz
Iz
2

k = 1:
kw=1: geen speciale voorziening tegen het verhinderen van welving op het einde
van de staven.
lLt = 3000 mm: kiplengte
9
6
I= 282 10 mm : sectorieel traagheidsmoment
Staal4
4
It = 26.5 10 m m : torsietraagheidsmoment
catalogus
4
4
Iz= 944 10 mm : traagheidsmoment om de zwakke buigingsas
G=80000 N/mm
E=210000 N/mm
C1 = 1.88-1.40 +0.52=1.175, met (vgl. F.3), =0.667, op basis van de
momentenverdeling

M c r = 1.175

2 210000 944 10 4

(1 1500 )2

1 282 10 9 (1 1500 ) 80000 26. 5 104



+
1 944 10 4
2 210000 944 10 4
2

Mcr = 1837.4 kNm

Vgl. (F.3)
Of
Tabel
F.1.2, Blz. 271

Stap 2: De kiplengte en relatieve slankheid:


De kniklengte: l LT= L = 1500 mm
De relatieve slankheid:

LT =

Wpl , y f y

1 907 10mm 355 N mm

= 0.42 >0.4 kipcontrole vereist.


1837. 4 106 Nmm
Stap 3: Selectie van de gepaste knikkurve: warmgewalst profiel: LT=0.21 kurve a

(5) blz. 103

Stap 4: Reductie-factor LT=0.9474 (op basis van uitgebreide tabellen)

(4) blz. 103


Tabel
5.5.2,
blz. 98

M cr

Stap 5: Rekenwaarde van de kipstabiliteit:


f W
(0.9474 355 N mm ) 1 907 10 3 mm = 277.3kNm
M b.Rd = LT y w pl. y =
M1
1. 1
Mb.Rd = 277.3 kNm > M Sd = 200 kNm (voldoet)

)(

Op BUIGING en DRUK belaste staven zonder KIP: Moment:yy-as en uitwijking:yy-as


Knikcontrole deel 1:
MSd = 133 kNm en N Sd = 100 kN

(3) Blz. 103

Vgl. (5.48) blz.


103

5.5.4
(1)

7-15

NSd
minA

fy
M1

k y M y .Sd
1
f
Wpl ,y y
M1

Referenties
(7) blz. 105
Figuur 5.5.3
Blz. 106

Er geldt: M.y=1.8-0.7=1.8
want: =0
Wpl , y Wel, y
y = y 2 M . y 4 +
0.9
Wpl, y

y = 1. 567(2 1. 8 4) +
y = 0. 5 0. 9

ky = 1

y N Sd
y Af y

(907 812 ) 10
907

10

1. 50

0.8 100 10
0. 3482 64.2 10 355
k y = 1.06 1.50
Dus: ky = 1.06
Invullen in de controle:
100 10
1. 06 200 106
+
1
355
355
0.3482 64. 2 10
907 10
1.1
1. 1
0.14 + 0. 72 = 0. 86 < 1
ky = 1

Op BUIGING en DRUK belaste staven met KIP: moment yy-as en uitwijking zz-as
Kipcontrole deel 1:
Kipcontrole deel 2:
MSd = 133 kNm en N Sd = 100 kN
MSd = 200 kNm en N Sd = 100 kN
k LT M y .Sd
k LtM y . Sd
NSd
NSd
+
1
+
1
fy
fy
fy
f
z A
LT Wpl, y
z A
LtWpl ,y y
M1
M1
M1
M1

5.5.4

Er geldt: M.y=1.8-0.7=1.8
want: =0
LT = 0. 15LT M .LT 0.15 0.9

M.y=1.8 -0.7=1.333
want: =0.667

5.52

LT = 0. 15 1. 02 1. 8 0.15
LT = 0. 125 0. 9

LT = 0. 15 0. 511. 33 0.15
LT = 0. 05 0. 9

ky = 1

Vgl. 5.53

LT NSd
1.50
z Af y

0. 125 100 10
0.5844 64. 2 10 355
k y = 0.991 1.00
ky = 1

vgl 5.54

0. 05 100 10
0.8798 64. 2 10 355
k y = 1.003 1.00
ky = 1

Dus: ky = 0.991
ky = 1.00
Invullen in de controle:
100 10
0. 991 133 106
+
1
355
355
0.5844 64.2 10
0. 8783 907 10
1. 1
1.1
0.083 + 0.513 = 0.596 < 1

7-16

100 10
355
1.1
0.055 + 0.723 = 0. 78 < 1
0.8798 64.2 10

1. 00 200 106
0. 0.9474 907 10

355
1.1

7-17

Referenties:

7.4 Controle van doorsneden en staven


7.4.1 Ontwerp van een dakligger
Gegevens: De hoofdligger maakt deel uit van een dakstructuur (enkel toegankelijk voor
onderhoud). In het midden van de hoofdligger grijpt een secundaire ligger aan die zijn
krachten op de te dimensioneren hoofdligger afdraagt, Figuur 7.xx.
Q k=27.2 kN
P k=24.0 kN
qk=3.4 kN/m
pk=3.0 kN/m
a=4.0m

b=4.0m
L=8.0m

Figuur 7.xx: Hoofdligger op twee steunpunten geometrie en randvoorwaarden


De secundaire ligger grijpt scharnierend aan op de hoofdbalk, ter hoogte van de langsas
van de hoofdligger
Staalkwaliteit: Fe360b
Om een glijvaste verbinding te realiseren in de uiterste grenstoestand (UGT), worden
twee voorgespannen bouten gebruikt. De bouten hebben volgende specificaties:
Boutklasse: 8.8;
Boutdiameter: te bepalen;
De ruwheid van het contactoppervlak beantwoordt aan klasse A.
Gevraagd:
1. Berekenen de relevante belastingcombinaties voor de controle van de uiterste
grenstoestand (UGT) alsook voor de controle van de gebruiksgrenstoestand
(GGT) voor de hoofdligger.
2. Voer volgende controles uit in de UGT:
a. Weerstand van de ligger in de maatgevende doorsneden;
b. kipcontrole van de maatgevende ligger;
3. Voer volgende controles uit in de GGT:
a. Controle van de middendoorbuiging van de ligger
4. In het midden van de overspanning wordt de secundaire ligger verbonden met de
hoofdligger door middel van een scharnierende verbinding die tevens geen slip
toelaat in de UGT. Ontwerp deze ligger-ligger verbinding.
Oplossing:
1. Belastingcombinaties: (de puntlast en lijnlast zijn afkomstig van dezelfde belasting. Dit
zijn geen onafhankelijke belastingen)
UGT: 1.35(Gk+gk)+1.50(Q k+qk)
GGT: 1.00(Gk+gk)+1.00(Q k+qk)
2. Controle van de middendoorbuiging (GGT):
De middendoorbuiging (GGT) wordt eerst getoetst.
Vaak is deze grenstoestand
maatgevend voor het ontwerp van de doorsnede. Het dak is enkel toegankelijk voor
onderhoud. Dit bepaalt de toelaatbare waarden voor de middendoorbuiging.

7-18

Referenties:
Tabel 4.1,
blz. 51

L
max =
200
L
2 =
250
De voorwaarde op de mobiele last zal niet maatgevend zijn, omdat:

q
3. 4
200
=
= 0. 53
= 0.8
g + q 3.4 + 3
250
De totale doorbuiging (max) is maatgevend voor het ontwerp van de doorsnede.
middendoorbuiging is gelijk aan:

vy =

De

5 pSd L4 PSd L3
L
+

384EI 48EI 200

5 pSd L4 PSd L3 200

+
Iy
384
LE
48

5(6.4 N mm)(8000mm)4
51.2 103 N (8000 mm)3
200

+
Iy

384
48

8000mm 210000 N mm
Waaruit volgt:

Iy >10.565 cm

Uit de staalcatalogus kan op basis van het traagheidsmoment een gepaste profielkeuze
gemaakt worden:
Staalcatalogus

HEA 280:
4
Iy = 13.673 cm
Wel,y = 1013 cm
Wpl,y= 1112 cm
3. Snedekrachten (UGT):
De snedkrachten zijn samengevat in Tabel 7.xx. Omdat bij de weerstandscontrole de
meest negatieve doorsnede moet gecontroleerd worden, worden de snedekrachten
bepaald, zowel in de middendoorsnede als de oplegpunten.
UGT
MSd [kNm]

VSd [kN]

pSd =9.15 kN/m

M Sd =

VSd =

P Sd =73.2 kN

PSd L
pSd L2
= 73 .2 M Sd = 4 = 146 .4
8

pSd L
= 36.6
2

VSd =

PSd
= 36.6
2

Totaal
Midden
219.6 kNm

Totaal
oplegpunt
0 kNm

36.6 kN

73.2 kN

Tabel 7.xx: Snedekrachten

7-19

4. Controle van de doorsnede (UGT):


Classificatie van de doorsnede:
Fe360b =(235/f y)^0.5 = 1, want: fy=235N/mm
tf=13
c=140
Flens:
d=196

Lijf:

c/tf = 140/13 = 10.7 < 10= 10


< 11 = 11
d/tw=196/8 = 24.5 < 72 = 72

neen
Klasse 2
Klasse 1

Referenties:
Tabel 5.3.1
Blz. 77
Tabel 5.9

Besluit: Klasse 2:
Aeff = A, A=1
Plastische scharnier kan zich ontwikkelen, maar
de rotatiecapaciteit is beperkt.
Lokaal plooien van het lijf: d/tw=196/8 = 24.5 < 69 = 69
5.4.6, blz. 90
geen gevaar op lokaal plooien
Controle op M Sd enkel (middendoorsnede):
5.4.5, blz. 87
W pl, y f y 1113 10 mm 235 N mm
MSd Mc .Rd =
=
= 237.6 >MSd = 219.6 kNm
M0
1. 1
tw=8

Controle op M Sd en VSd interactie vereist voor de middendoorsnede ?

VSd 0.5Vpl. Rd = 0.5

Av f y

= 0. 5

5.4.7, blz. 90

31. 74mm 235 N mm

= 0.5 391.5k N
M0 3
1. 1 3
VSd = 36.6 kN < 0.5Vpl,Rd=195.8 kN (interactie tussen buigmoment en dwarskracht moet
niet in rekening gebracht worden.)
Controle op VSd enkel (ter hoogte van het steunpunt is MSd = 0):
Av f y
31.74mm 235 N mm
VSd = 73. 2kN V pl.Rd =
=
= 391. 5kN Hieraan is voldaan.
M0 3
1 .1 3
Stabiliteit van staven: kip van een op buiging belaste ligger
De o ngesteunde lengte (of kiplengte) bedraagt:

5.4.6, blz. 89

5.5.2,
blz. 103

L
= 4000mm . Omwille van de gording die op de halve overspanning aangrijpt, is de Bijlage F
2
Blz. 269
primaire ligger zijdelingsgesteund ter hoogte van het midden van de overspanning.
Omdat de verticale belasting aangrijpt in het dwarsdrachtenmiddelpunt Het theoretisch
elastisch kipmoment wordt berekend uit:
l LT =

M cr = C1
met:

2 EIz

(k lLT )2

kw

Vgl. (F.1)
Blz. 268

I (k lLT )2 GIt

+
2 EIz
Iz
2

k = 1: geen belemmering van de eindverdraaiing uit het vlak van het raamwerk (2) blz. 269
(lLT/L=1); de uitgekipte vorm is anti-symmetrisch. Het andere deel zal gelijktijdig
mee uitkippen, vandaar k=1;
(4) blz. 269
kw=1: geen speciale voorziening tegen het verhinderen van welving op het einde
van de staven.
lLt = 4000 mm: kiplengte
Staal9
6
I= 770.1 10 mm : sectorieel traagheidsmoment
catalogus
4
4
It = 61.42 10 mm : torsietraagheidsmoment
4
4
Iz=4763 10 m m : traagheidsmoment om de zwakke buigingsas
G=80000 N/mm
Tabel
F.1.1,
E=210000 N/mm
Blz. 270
C1 = 1.879 (Tabel F.1.1, =0), op basis van de eindmomenten

2 210000 4763 10 4 1 770. 1 109 (1 4000) 80000 61.42 10 4



+
(1 4000)2
1 4763 104
2 210000 4763 10 4
Mcr = 1800 kNm
2

M c r = 1.879

7-20

Referenties:

Stap 2: De kiplengte en relatieve slankheid:


De kniklengte: l LT= 0.5L = 0.5x8000 = 4000 mm
De relatieve slankheid:

Wpl ,y f y

1 1112 10 mm 235 N mm
=
= 0.38 <0.4
M cr
1800 10 6 Nmm
vereist. Bij wijze van illustratie wordt de werkwijze verdergezet.
kan hier worden beindigd.)
LT =

(geen

kipcontrole

De eigenlijke controle

Stap 3: Selectie van de gepaste knikkurve: warmgewalst profiel: LT=0.21 kurve a


Stap 4: Reductie-factor LT=0.9580 (op basis van uitgebreide tabellen)
Stap 5: Rekenwaarde van de kipstabiliteit:
f W
(0. 9580 235 N mm ) 1 1112 10 3 mm = 227.6kNm
M b.Rd = LT y w pl. y =
M1
1. 1
Mb.Rd = 227.6 kNm > M Sd = 219.6 kNm (voldoet)

)(

7-21

Referenties:

270

100

Ontwerp van de verbinding


Gegevens:
280

100

100
Keuze bouttype: 8.8 fy,b = 640 N/mm; fu,b=800N/mm Mb=1.25.
Verbinding in afschuiving: FV.Sd,UGT = 73.2 kN; FV.Sd,GGT = 51.2 kN
Ontwerp glijvast in UGT: Categorie C
Controle van de boutverbinding 6.5:
Verbinding: Categorie C:
FV.Sd < FS.Rd
FV.Sd < Fb.Rd

Tabel 6.5.2,
Blz. 150

Met:FV.Sd = FV.Sd,UGT/2 = 73.2/2=36.6 kN. Bij de verbinding met de kinderbalk zijn er twee
afschuifvlakken. Bij de verbinding met de hoofdligger is er n afschuifvlak, maar zijn er
twee bouten. De dwarskracht per bout en per afschuifvlak is dus gelijk.
Glijvast in UGT voorgespannen bouten van hoge treksterkte: d = 18 mm, d 0 = 20 mm
Fp.Cd = 0. 7f ub AS = 0. 7 800 N mm 192mm = 107. 5kN

kS n
1 1 0.5
FS.Rd =
107. 5kN = 43 >FV.Sd = 36.6 kN (OK)
M S.ult
1. 25
Stuikdruk:
2. 5fu dt 2.5 0.83 360 N mm 18mm 8 mm
Fb.Rd =
=
= 86. 4k N > FV.Sd = 36.6 kN
Mb
1. 25
FS .Rd =

e1
60
3d = 3 20 = 0. 833
0
p1 1 = /
waarin: = min 3d 0 4
= 0. 833
fub 800

=
>1
360
fu
1
Controle van de positionering van de boutgaten:
e1=50 mm: 1.2d0=1.2x20=324mm e1=50mm buiten:40+4t=40+4x8=72mm
e2=50 mm: 1.5d 0=1.5x20=30mm e2= 50mm buiten:40+4t=40+4x8=72mm
Controle van de plaat:
NSd < N t.Rd= min(Npl.Rd,Nu.Rd)
Af y 100mm 8mm 235 N mm
N pl. Rd =
=
= 188kN >RV.Sd = 73.2 kN (OK)
M0
1. 1

Nu.Rd =

6.5.8,
Blz.
158-159

Tabel 6.5.3,
Blz. 154

6.5.1,
141

Blz.

6.5.2.3,
Blz. 147

2. 0(e2 0.5d 0 )tfu 2.0(50 0. 5 20) 8mm 360 N mm


=
= 184 .3k N >FV.Sd (OK)
M2
1.25

7-22

Referenties:

7.5 Verbindingen
7.5.1 Boutverbinding op afschuiving

12

Gegevens:

a=5mm

NSd

12

NSd

80

60

120

120

60

Buisprofiel: CHS 101.6x5.0, Fe360b (Circular Hollow Section): A=15.17 10 mm


Plaat: 120x12 mm, Fe360b
Koppelplaat: 120x12, Fe360b
Bouten: M24, Type 8.8
Lasnaad: a=5 mm
Belasting: N Sd = 260 kN
Controle van de weerstand van de elementen 5.4
Buisprofiel:N Sd < N t.Rd= min(Npl.Rd,N u.Rd)
Af y 15. 17 10 mm 235 N mm
N pl.Rd =
=
= 324. 1kN >NSd = 260 kN (OK)
M0
1 .1
Plaat: Bruto doorsnede A = bxt=120x12 mm=14 10 mm
Netto doorsnede Anet= (b-d0)xt=(120-26)x12 mm = 11.3 10 mm
De gatdiameter bedraagt, voor standaardgaten: d 0 = d+2 mm (M24) = 26 mm.

N pl. Rd =

Nu.Rd =

Af y
M0

5.4.3, Blz. 86

14. 0 10mm 235 N mm


= 307.6kN >NSd = 260 kN (OK)
1. 1

0.9 Anetf u 0.9 11.3 10 mm 360 N mm


=
= 292. 9kN NSd (OK)
M2
1. 25

Controle van de boutverbinding 6.5:


Verbinding: Categorie A:
FV.Sd < FV.Rd
FV.Sd < Fb.Rd

Tabel
6.5.2,
Blz.150;
Tabel
6.5.3,
Blz. 154.

Met:FV.Sd = NSd/2 = 130 kN

FV .Rd =

0. 6fub AS 0.6 800 N mm 353mm


=
= 135. 6kN >FV.Sd = 130 kN
Mb
1. 25

Fb.Rd =

2.5fu dt 2. 5 0.77 360 N mm 24mm 12mm


=
= 159. 7k N > FV.Sd = 130 kN
Mb
1.25

7-23

e1
60
3d = 3 26 = 0. 77
0
p1 1 = 0.77
waarin: = min 3d 0 4
= 0. 77
f ub 800

=
>1
360
fu
1

Referenties:
6.5.1,
Blz.
141

Controle van de positionering van de boutgaten


e1=60 mm: 1.2d0=1.2x26=31.2mm e1=60mm buiten:40+4t=40+4x12=88mm
e2=60 mm: 1.5d 0=1.5x26=39mm e2= 60mm buiten:40+4t=40+4x12=88mm
p1 = 80 mm: 2.2d 0=2.2x26=57.5mmp1=80mm max(14t=168mm, 200mm)=168mm

7-24

Referenties:

7.5.2 Hoekstaal verbonden met een koppelplaat


Gegevens:

L70x7
NSd
30

100

NSd

50

80

50

L-profiel: 2 L70x7, Fe410b A=9.40 10 mm


Plaat: 120x15 mm, Fe430b
Bouten: M20, Type 8.8
Belasting: N Sd = 285 kN
5.4.3

Controle van de weerstand van de elementen 5.4


Plaat:N Sd < N t.Rd= min(Npl.Rd,N u.Rd)
Af y 100mm 15mm 275 N mm
N pl. Rd =
=
= 375k N >NSd = 285 kN (OK)
M0
1.1
Plaat: Bruto doorsnede A = 9.4 10 mm
Netto doorsnede Anet= A-d0xt=(9.4 10 - 22x7) mm = 7.86 10 mm
De gatdiameter bedraagt, voor standaardgaten: d 0 = d+2 mm (M20) = 22 mm.

N pl. Rd =

Af y

2x 9.4 10mm 275 N mm


= 470. 0kN >N Sd = 285 kN (OK)
1 .1

M0
2 Anet fu 0. 536 2 7.86 10 mm 430 N mm
Nu.Rd =
=
= 292.9k N >N Sd (OK)
M2
1. 25
waarin: 2: reductie op de sterkte omwille van niet-symmetrische staaf (met 2 6.5.2.3,
Blz. 147
bouten). Te bepalen via lineaire interpolatie uit waarden tabel 6.5.1
Tabel 6.5.1,
Blz. 147
0.7 0.4
2 = 0. 4 +
(p1 2.5d 0 ) = 0. 536
(5 2.5)d 0
Controle van de boutverbinding 6.5:
Tabel 6.5.2,
Verbinding: Categorie A:
FV.Sd < FV.Rd
FV.Sd < Fb.Rd
Blz.150;
Tabel 6.5.3,
Met:FV.Sd = NSd/2 = 142.5 kN. De afschuifkracht per bout.
Blz. 154.

0. 6fub AS 0.6 800 N mm 145 mm


=
= 94. 1k N
De
afschuifweerstand
Mb
1.25
afschuifvlak (2 afschuifvlakken) x 2 = 188.2 kN >F V.Sd = 142.5 kN
De stuikdrukkracht van de plaat:
2.5fu dt 2. 5 0. 76 430 N mm 20mm 15 mm
Fb.Rd =
=
= 196.1k N > FV.Sd = 130 kN
Mb
1.25
FV .Rd =

per

7-25

e1
50
3d = 3 22 = 0.76
0
p1 1 = 0.96
waarin: = min 3d 0 4
= 076
f ub 800

=
>1
430
fu
1
De stuikdrukkracht van een hoekprofiel (2 afschuifvlakken per bout):
2.5fu dt 2. 5 0. 76 430 N mm 20mm 7mm
Fb.Rd =
=
= 91. 5kN .
Mb
1. 25
hoekprofiel. 2 Hoekprofielen: x 2 = 183 kN > F V.Sd = 130 kN
e1
50
3d = 3 22 = 0.76
0
p1 1 = 0.96
waarin: = min 3d 0 4
= 076
f ub 800

=
>1
430
fu
1

Referenties:
6.5.1,
Blz.
141

De stuikdruk per

Controle van de positionering van de boutgaten:


6.5.1,
Blz.
e1=50 mm: 1.2d0=1.2x22=26.4mm e1=50mm buiten:40+4t=40x4x15=100mm
141
e2=30 mm: 1.5d0=1.5x22=33mm??e2= 30mm buiten:40+4t=40x4x15=100mm. Hieraan
is niet voldaan. De ondergrens beantwoordt wel aan:
1.5d0=1.2x22=26.4mm e2= 30mm
Door deze verlaagde afstand dient de opneembare stuikkracht gereduceerd te worden:
6.5.5
Voor e2 = 1.2 d 0: reductie tot 2/3
Voor e2 = 1.5d 0: 1
Tabel 6.5.4
2 (1. 36 1. 20) 1
= 0. 844
Ertussen: lineaire interpolatie: +
3 1.50 1. 20 3
Daarmee geldt:
2. 5fu dt
2. 5 0. 76 430 N mm 20mm 7mm
Fb.Rd = 0. 844
= 0. 844
= 77.3kN .
De
Mb
1. 25
stuikdruk per hoekprofiel. 2 Hoekprofielen: x 2 = 154.6 kN > FV.Sd = 130 kN
p1 = 80 mm: 2.2d 0=2.2x22=58.4mmp1=80mm max(14t=210mm, 200mm)=200mm

7-26

Referenties:

7.5.3 Boutverbinding belast op Moment en Trekkracht


Gegevens:

280

yc

120

140

400

N Sd
360

MSd

Bouten: Type 8.8: f y,b=640 N/mm; fub= 800 N/mm


Lasten: N Sd = 80 kN (Druk); MSd = 70 kNm
Kopplaat: Fe510b: fy = 355 N/mm; f u = 510 N/mm
Ontwerp van de boutverbinding
Ontwerpkeuzes:
3 boutrijen (y1= 120 mm; y2 = 280 mm; y3 = 360 mm; 2 bouten per rij, d=20 mm,
dus: d0 = 22 mm; AS = 245 mm.
Kopplaat: bxh=140x400mm; (dus a/2=200mm)
Berekening van de krachtsverdeling in de bouten, op basis van de uitwendige belasting
e = MSd/N Sd = 70 kNm/-80kN= -875 mm
Ligging van de neutrale lijn (yc)

y c3

y 3c

b
b
a
y c2 e + y c
6
2
2

e + 2 y + y A e + 2 y
a

i =1

i =1

140
140
400
y c2
875 +
y c 2 245
6
2
2

( 875 + 200 y
i =1

=0

) + 2 245 y i ( 875 + 200 y i ) = 0


i =1

140 3
y c + 47250 y c2 + 1364650 y c 360346000 = 0
6
yc = 55 mm
Aangezien dat y1=120 mm>yc=55 mm, bevinden alle bouten zich in de trekzone.
Bepalen van de constante k:

k =

N Sd
n

A (y
i

yc )

i =1

by c2
2

80 10

k =
2 245

(y i 55)
i =1

140 55 2

= 1 .0025 N

mm

Maximale contactspanning in de kopplaat:

c = k yc = 1. 0025 55 = 55N / mm

7-27

Referenties
:

Normaaltrekkracht in de bouten:
N b, i = k (y i y c )Ai

Nb,1 = 1. 0025(120 55)245 = 16. 0kN

Nb, 2 = 1.0025(280 55 )245 = 55. 3kN


N b ,3 = 1 .0025 (360 55 )245 = 74 . 9 k N

Controle van de bouten


Categorie E: Ft.Sd = 74.9kN < Ft.Rd
f A
0.9 800 N mm 245mm
FT . Rd = 0.9 ub S =
= 141. 2kN >Ft.Sd = 74.9 kN (OK)
Mb
1. 25
Bijkomende opgave
Stel: Glijvast in UGT Categorie C. Wat is dan de maximaal opneembare dwarskracht ?
Categorie C: FV.Sd < FS.Rd
Voor voorgespannen bouten van hoge sterkte die op trek worden belast, geldt:

Fp.Cd = 0. 7f ub AS = 0. 7 800 N mm 245mm = 137. 2kN


FS.Rd =

k S n F p.Cd 0.8Ft .Sd


M S.ult

) = 1 1 0.5(137.2 0.8 74.9) = 30.91kN voor bout op y3.

Tabel 6.5.2,
Blz. 150
Tabel 6.5.3
Blz. 154

Tabel 6.5.2
Blz. 140
6.5.8,
158

Blz.

6.5.1,
141

Blz.

1. 25

Dit levert volgende waarden:


FS.Rd,3 = 2x30.91 kN = 61.82 kN (2 bouten per boutrij)
FS.Rd,2 = 2x37.18 kN = 74.37 kN
FS.Rd,1 = 2x49.73 kN = 99.52 kN
FS.Rd,tot
= 235.7 kN
Ontwerp van de kopplaat
Uitgaande van de maximale contactspanning en de breedte van de plaat, kan de
gewenste dikte worden bepaald.
Immers, het aangrijpend moment is (uit de contactspanning) gelijk aan:

c y c b 2y c 55 N mm 55mm 140mm 2 55mm


=
= 7.76 kNm
2
3
2
3
Dit leidt tot volgende spanningen:
M Sd =

f
MSd
M
355 N mm
= Sd2 y =
= 323N / mm
I
M0
1.1
bht
v
6
Hieruit kan de nuttige hoogte of plaatdikte (ht) berekend worden:
d =

ht =

M Sd
=
fy b
M0 6

7. 76 10 6 Nmm
= 32. 1mm . De vereiste dikte t = 33 mm
355 N mm 140
1. 1
6

7-28

7.5.4 Boutverbinding belast op Torsie en Dwarskracht


Gegevens:
Bijdrage
dwarskracht

Gecombineerd
effect

Bijdrage
wringmoment
FT.Sd,6

FT.Sd,1
a1

e=300mm

160

160mm

a2

FV.Sd
=24 kN

Fv.Sd,i

FT.Sd,5

c
FT.Sd,2

FT.Sd,4

FT.Sd,3

80

Verbinding: glijvast in UGT


Bouten: Type 8.8
Plaat: dikte = 10 mm
Berekening van de krachtsverdeling in de bouten, op basis van de uitwendige belasting
Voor de optredende afschuifkracht geldt, FV.sd=24 kN:
F
24k N
Fv .Sd,i = v .Sd =
= 4k N ,
n nb
1 6
met:
n:=1 het aantal vlakken waartussen contactwrijving optreedt;
nb:6 het aantal bouten
Het wringmoment wordt verdeeld tussen de bouten als functie van de afstand tot het zwaartepunt van
de boutgroep (ai). Voor een bout i, wordt de aangrijpende belasting daarmee gelijk aan [T: Torsion]:
FT .Sd ,i = k ai
Uit het globale rotatie-evenwicht volgt:
nb

TSd = Fv .Sd e = n

i =1

nb

FT .Sd ,i ai = 24kN 300mm = 7200kNmm = n

ka

2
i

i =1

TSd

k =

nb

2
i

i =1

Hieruit kan de kracht op een individuele bout berekend worden:


T
7200kNmm
FT .Sd,i = n Sd ai FT . Sd,1 =
802 + 1602 = 9.15kN; FT .Sd ,2 = 4. 09kN
b
1

(
2
x
80

+
4

160

)
n ai2

i =1

De vectorile som van de krachten Fv.Sd,i en FT.Sd,i, levert de kracht die werkt op een doorsnede van
bout i. Om deze vectorile som te berekenen wordt een x-y-assenstelsel aangenomen. Dit leidt tot
volgende krachtscomponenten:
Fv .Sd, y
F
0
24kN
Fv .Sd,i , x = v .Sd ,x =
= 0 , en: Fv .Sd,i , y =
=
= 4kN
n nb 1 6
n nb
1 6

7-29

TSd

FT .Sd,i , x =

(x
nb

2
i

+ y i2

i =1

TSd

FT .Sd,i ,y =

(x
nb

i =1

2
i

+ y i2

y i FT .Sd ,1,x =

7200kNmm
160mm = 8. 18kN , en :
1 140. 800

x i FT .Sd,1, y ==

7200kNmm
80 = 4.09kN
1 140.800

De kracht op de zwaarst belaste bout (boutnr. 1) wordt daarmee gelijk aan:

FSd,i =

(Fv .Sd,i ,x + FT .sd,i ,x )2 + (Fv .Sd,i ,y + FT .sd,i ,y )2

FSd,1 =

(0 + 8.18)2 + (4 + 4.09)2

= 11. 50k N

Controle van de boutverbinding 6.5:


Verbinding: Categorie C:
FV.Sd < FS.Rd
FV.Sd < Fb.Rd
Met:FV.Sd,1 = 11.50 kN.
In ontwerptermen geschreven:
11. 5k N MS.ult 11. 5k N 1.25
FS.Rd > FV .Sd Fp.Cd >
=
= 28. 75k N
kS n
1 1 0. 5
en:
F p.Cd
28.75kN
Fp.Cd = 0.7f ub AS AS >
=
= 51. 33mm
0.7f ub 0. 7 800 N mm
Keuze: voorgespannen bouten van hoge treksterkte: d = 10 mm, d 0 = 11 mm
Fp.Cd = 0.7f ub AS = 0.7 800 N mm 58mm = 32. 5kN

kS n
1 1 0.5
F p.Cd =
32.5kN = 13. 0kN >FV.Sd,1 = 11.5 kN (OK)
M S.ult
1.25
Stuikdruk:
2.5fu dt 2. 5 1 360 N mm 10mm 10mm
Fb.Rd =
=
= 72. 0k N > FV.Sd = 36.6 kN
Mb
1.25
FS.Rd =

e1
80
3d = 3 11 = 2.42
0
p1 1 = 160 1 = 4. 6
waarin: = min 3d 0 4 3 11 4
=1
fub 800

=
>1
360
fu
1
Plaatcontrole (afbreken van een hoek, waar de afschuifkracht het grootst is)
Bruto doorsnede A = (e1+e2)xt=(80+80)x10 mm=16 10 mm
Netto doorsnede Anet= (e1+e2-d0)xt=(160-11)x10 mm = 14.9 10 mm
De gatdiameter bedraagt, voor standaardgaten: d 0 = d+1 mm (M10) = 11 mm.
Af y 16. 0 10mm 235 N mm
N pl. Rd =
=
= 341.0kN >NSd = 11.5 kN (OK)
M0
1. 1

Nu.Rd =

0.9 Anetf u 0.9 14. 9 10 mm 360 N mm


=
= 386. 2k N NSd (OK)
M2
1. 25

Controle van de positionering van de boutgaten


e1=80 mm: 1.2d0=1.2x11=13.2mm e1=80mm buiten:40+4t=40+4x10=80mm
e2=80 mm: 1.5d 0=1.5x11=16.5mm e2= 80mm buiten:40+4t=40+4x10=80mm
p1 = 160 mm: 2.2d0=2.2x11=24.2mmp1=160mm max(14t=140mm, 200mm)=200mm
p2 = 160 mm: 3d 0=3x11=33mmp2=160mm max(14t=140mm, 200mm)=200mm

7-30

7.5.5 Koplassen en zijlassen in een op Trek belast verbinding


Gegevens:

a=3mm, l=55mm

N Sd

NSd

a=3mm, l=50mm

Koppelplaten: 2 x 50mmx5mm, Fe360b


Trekstaaf: 150 x 5 mm, Fe360b
Lasnaden hebben minimale keeldikte: a=3 mm
Zijlassen: l z = 55 mm
Koplassen: l k = 50 mm
Aangrijpende belasting: N Sd = 150 kN
Controle van de lasnaad
Voor staalkwaliteit Fe360b geldt: w=0.80 en: Mw=1.25.
Voor de koplassen geldt:
// = 0
F
= t .Sd
al 2
// = 0
Ft .Sd
=
al 2
Gebruik makend van het algemeen vloeicriterium wordt het draagvermogen:

+ 3 2

+ 2//

of:

Ft .Rd ,k =

fu

fu


w Mw

al

w Mw
2
Voor de zijlassen geldt:
// = 0
=0
F
// = t .Sd
ai l i

fu
+ 3 Ft .Sd =

w Mw
al 2
al 2

Ft . Sd

360 N mm 2 3mm 50mm


2 = 76. 4k N
0. 8 1.25
2

= 0
Gebruik makend van het algemeen vloeicriterium wordt het draagvermogen:

7-31

2 + 3 2 + 2//

2
of: Ft .Rd ,z = ai li

i =1

fu
w Mw

F
3 2 t . Rd

ai l i

i =1

fu
=

w Mw

fu
360 N mm

= 4 3mm 55 mm
= 137. 2kN
3
3 0. 80 1.25
w Mw

Wanneer zowel zij- als koplassen voorkomen, dan is het totaal niet gelijk aan de som van beide.
Wanneer de lengte van beide ongeveer gelijk is (0.5lz<lk<1.5lz), geldt:
1
76. 4k N
Ft .Sd = Fz.Rd +
Fk .Rd = 137 .2k N +
= 162. 7k N
1 + 2 sin( )
3
Deze laatste vergelijking kan eveneens geschreven worden als een lineaire functie van de keeldiktes
a1 en a2:
FT.Sd = a 1x...+a2x =
Wanneer de vooropgestelde keeldikte niet voldoet, kan makkelijk een correcte waarde worden
teruggevonden.

7-32

7.5.6 Lasnaad ligger-kolomverbinding


Gegeven:
l1

a1

a2

l3

h1

h3

l2

a3

Ligger: IPE360, Fe360b


Dikte van de kopplaat = dikte flens IPE360
Aangrijpende belasting: N Sd = 300 kN; T Sd = 100 kN; MSd = 150 kNm
Voor de opname van de lasten wordt ervan uitgegaan dat TSd wordt opgenomen door de
lasnaden ter hoogte van het lijf; NSd+MSd worden opgenomen door het geheel van de
lasnaden.
Aanname: alle lasnaden hebben een zelfde dikte: a = a 1 =a2=a3 = 4 mm.
Horizontale lasnaden ter hoogte van de flenzen (a1 en a 3)
De spanningen in de doorsnede:
// = 0
n
232. 4
= Sd =
= 163.6 N mm
2
2
T
// = Sd = 0
2a2 l 2
nSd 232.4
=
=
= 163.6 N mm
2
2
Met:

nSd =

N Sd

(a l )

i i

M Sd h 300 10 N 150 106 Nmm347 .3mm


=
+
= 39.7 + 191.7 = 232.4 N mm
2I y
7546mm
2 135. 89 10 6 mm 4

waarin:
h= gemiddelde hoogte waarop de spanningen aangrijpen in de lasnaden 1 en 3:
h=(h1+h3)/2=334.6+360)/2=347.3mm
2

2
2

h
h
2843
a l3
360
334. 6
I y = 2a1l1 1 + 2 2 2 + 4a3 l3 3 = 7 2 156
+ 2
+ 4 49

2
2
12
12

2
2


6
4
Iy = 135.89 10 mm .

en

7-33

(a l ) = 2a l
i i

11

+ 2a2l 2 + 4a3 l3 = 7 (2 156 + 2 284 + 4 49) = 7 1124 = 7546mm

De lengtes van de lasnaden rekening houdend met het lasrupseinde met lengte gelijk
aan de keeldikte zijn gelijk aan:
l1= b-2a = 156 mm
l2=h-2tf-2r-2a=360-2x12.7 -2x18-2a=284 mm
l3=b/2tw-r-2a =170/2 8 18 2a = 49 mm
De hoogte s:
h1 = 334.6 mm
h3 = 360 mm
De spanningscontrole:
Voor staalkwaliteit Fe360b geldt: w=0.80 en: Mw=1.25.
Het algemeen criterium luidt:

2 + 3 2 + //2 = 163.6 2 + 3 163. 62 + 0 2 = 327. 2 N mm

fu
360 N mm
=
= 360 N mm
w Mw
0.8 1. 25

Hieraan is voldaan.
Controle van de normaalspanningen enkel:
f
360 N mm
= 163. 6 N mm u =
= 288 N mm (OK)
Mw
1. 25
Verticale lasnaden ter hoogte van de flenzen (a2)
De spanningen in de doorsnede:
// = 0
n
200
= Sd =
= 141. 2 N mm
2
2
T
100 10
// = Sd =
= 25.2 N mm
2a2l 2 2 7 284
nSd 200
=
=
= 141. 2 N mm
2
2
Met:

nSd =

N Sd

(a l )

i i

M Sd h 300 10 N 150 106 Nmm 290 mm


=
+
= 39. 7 + 6. 06 = 200 N mm
2I y
7546mm
2 135. 89 106 mm4

waarin:
h/2=l 2/2=290mm/2: De maximale hoogte van de verticale lasnaad a2.
spanning het grootst zijn.
De spanningscontrole:
Het algemeen criterium luidt:

2 + 3 2 + //2 = 1412 + 3 1412 + 252 = 285 N mm

Daar zal de

fu
360 N mm
=
= 360 N mm
w Mw
0.8 1. 25

Hieraan is voldaan.
Controle van de normaalspanningen enkel:
f
360 N mm
= 141. 2 N mm u =
= 288 N mm (OK)
Mw
1. 25
Besluit: zowel de verticale als horizontale lasnaden, met keeldikte gelijk aan a=4 mm
volstaan om de aangrijpende belasting op te nemen.

7-34

7.6 Controle van een portiek


Controleer de stabiliteit van onderstaande portaal, Figuur 1, overeenkomstig de Eurocodes 1990,
1991 en 1993. Dit portaal maakt deel uit van een stalen loods. De tussenafstand tussen de portalen
bedraagt 5 m. De loods bevat geen kraanbaan.
De controle wordt beperkt tot een 2D model.
krachtswerking uit het vlak.

Er dient geen rekening gehouden te worden met

4
3 - IPE-500 - staal - Fe 360
600
3
2 - IPE-500 - staal - Fe 360
600
2
4 - HEA-500 - staal - Fe 360
800

1 - HEA-500 - staal - Fe 360


800
5

y
x

y
x

Figuur 1: portaal geometrie en randvoorwaarden

7.6.1 Gegevens
Afmetingen aslijnen:
Breedte = 12 m
Hoogte = 8 m
Randvoorwaarden:
De kolommen zijn scharnierend verbonden met de fundering
De kolom-ligger verbinding is een momentstijve verbinding.
Volgende gewalste staalprofielen worden gehanteerd:
Kolommen: HEA 500
Ligger: IPE 500
Staalkwaliteit: Fe360
De ligger bestaat uit 2 gelijke delen en is in het midden verbonden met een momentstijve
boutverbinding, Figuur 2. Om een glijvaste verbinding te realiseren in de uiterste grenstoestand
(UGT), worden voorgespannen bouten gebruikt. De bouten hebben volgende specificaties:
Boutklasse: 8.8
Boutdiameter: 20 mm
De ruwheid van het contactoppervlak beantwoordt aan klasse A

7-35

Figuur 2: boutverbinding midden ligger


Wanneer de verbinding belast wordt op een combinatie van krachten N, M en N 0, dan
vereenvoudigen de in de cursus afgeleide formules zich sterk. Hierna worden de vereenvoudigde
formules (omkaderd) aangegeven. Voor de volledigheid is de afleiding eveneens weergegeven. De
aannames, notaties en tekenconventies zijn identiek aan deze gehanteerd bij het algemene geval
M0, N0, zie cursus.
De drukspanningen zijn evenredig met de afstand tot de neutrale lijn, evenredigheidsconstante k:
c = kyc
(1)
De trekkrachten in de bouten (N i) zijn evenredig met de afstand tot de neutrale lijn:
Ni = k (y i y c )Ai

(2)

Horizontaal evenwicht:

N = 0 : cy c

=0

(3)

i =1

Momentenevenwicht:

M = 0 : cy c

b 2y c
+
2 3

N (y
i

yc ) M = 0

(4)

i =1

Invullen van (1) en (2) in (3) geeft de ligging van de neutrale lijn yc:

7-36

ky c y c

k (y

y c )Ai = 0

i =1

of:

y c2

b
+ yc
2

y A

Ai

i =1

=0

(5)

i =1

Invullen van (1) en (2) in (4) geeft volgende uitdrukking voor de constante k:

ky c y c

b 2y c
+
2 3

k (y

y c ) Ai = M
2

i =1

of:

k=

M
byc3
3

(y

y c ) Ai

(6)

i =1

De in rekening te brengen aangrijpende belastingen:


Eigengewicht van ligger en kolommen
Permanente belasting (dakbedekking enkel): p = 1.5 kN /m
Onderhoud op het dak (enkel rekening te houden met de gelijkmatig verdeelde belasting).
Het dak is enkel toegankelijk voor onderhoud.
Windlast
Hanteer de aanbevolen combinatiefactoren voor de belastingen aangegeven in EN 1990.
De karakteristieke waarden voor de windlast zijn aangegeven op Figuur 3.
Voor de berekening van de snedekrachten (M,N,T) alsook voor de verplaatsingen en doorbuiging, kan
superpositie gebruikt worden, op basis van onderstaande diagrammas. De uitgevoerde berekeningen
maken gebruik van een lineair-elastisch model van het portaal, Figuur 3.

7-37

Figuur 3: Benodigde
verplaatsingen

belastinggevallen,

overeenstemmende

N,M,V-diagrammas en optredende

7-38

Op de ligger worden op regelmatige tussenafstanden gordingen aangebracht, waarop de dakplaten


worden bevestigd. Deze zijdelingse steunen zorgen ervoor dat de kniklengte van de ligger volgens de
zwakke as zodanig gereduceerd wordt, dat controle niet langer benodigd is.

7.6.2 Gevraagd
5.
6.

7.

8.

Berekenen de relevante belastingcombinaties voor de controle van de uiterste grenstoestand


(UGT) alsook voor de controle van de gebruiksgrenstoestand (GGT).
Voer volgende controles uit in de UGT:
a. Weerstand van de kolom in de maatgevende doorsnede
b. Knik- en kipcontrole van de maatgevende kolom
c. Weerstandscontrole van de ligger in de maatgevende doorsnede
d. Knikcontrole van de ligger. Door de zijdelingse steunen gordingen - is kipcontrole
niet benodigd.
Voer volgende controles uit in de GGT:
a. Controle van de middendoorbuiging van de ligger
b. Controle van de zijdelingse verplaatsing van de kolom
In het midden van de overspanning worden de twee liggerhelften aan mekaar verbonden met
een momentstijve verbinding die tevens geen slip toelaat in de UGT. Controleer deze liggerligger verbinding.

7-39

Referenties

7.6.3 Controle van een portiek


1. Aangrijpende belastingen
Eigen gewicht (IPE 500): p = 90.7 kg/m
pL = 0.9 kN/m;
Eigen gewicht (HEA 500): p = 155 kg/m pK = 1.55;
Permanente lasten p = 1.5 kN/m
Onderhoud
o Qk = 1.5 kN puntlast wordt niet verder in rekening gebracht
o qk = 0.75 kN/m x ss (=5 m) = 3.75 kN/m;
Windlast: uit figuur 3, opgave.

Staalcatalogus
ENV19912-1 (1995)
Tabel 6.6
Roof
Categorie H

2. Raamwerkimperfecties
De raamwerkimperfectie wordt in rekening gebracht door een equivalente horizontaleEC3
5.2.4.3
belasting (H=N) aan te brengen op de structuur:
Blz. 62
= k s k c 0 = 1x1x1 / 200 = 1/ 200
met:
kc = 1, daar het aantal kolommen, nc = 2;
ks = 1, daar het aantal verdiepingen n s = 1.
3. Belastingcombinaties
De in rekening te brengen combinatiefactoren zijn aangegeven in Tabel 1.
Belasting
0
1
e.g.
1
1
permanente last
1
1
onderhoud
0
0
wind
0.6
0.2
Imperfecties
Tabel 1: In rekening te brengen combinatiefactoren

2
1
1
0
0

ENV1990
Appendix
A1
Tabel A.1.1
Blz. 53

UGT: UGT-BC1: Maximaal moment midden ligger ontwerp boutverbinding [STR]


BC1: 1.35(eg+p)+1.5q+0w+Id,1
Met voor de imperfectie:
FId,1 = [1.35(pLxLL+pkxLK+pxLL)+1.5qL]=(14.58+16.76+24.3+67.5)1/200=0.616
Dit resulteert in de snedekrachten:
MSd=(1.35(0.9+1.50)+1.5x3.75)x8.377+0.616x0
VSd= (1.35(0.9+1.50)+1.5x3.75)x0.000+0.616x0.67
NSd=(1.35(0.9+1.50)+1.5x3.75)x0.000+0.616x( -0.5)

= 74.33 kNm
= 0.41 kN
= -0.31 kN

UGT: UGT-BC2: Maximale dwarskracht midden ligger ontwerp boutverbinding [STR]


BC2: 1.35(eg+p)+1.5w+0q+Id,2
Met voor de imperfectie:
FId,2 = [1.35(pLxLL+pkxLK+pxLL)+1.5wLL]=-0.082
Dit resulteert in de snedekrachten:
MSd=(1.35(0.9+1.50)x8.377+1.5x-33.506+-0.082x0
VSd= (1.35(0.9+1.50)x0.000+1.5x27.75+-0.082x0.67
NSd=(1.35(0.9+1.50) x0.000+1.5x0.000+-0.082x(0.5)

= -23.81 kNm
= 41.57 kN
= -0.041 kN

UGT: UGT-BC3: Maximale moment in de ligger doorsnede thv knoop ligger-kolom


[STR]
Tabel A.1.2
BC3: 1.00(eg+p)+1.5w+0q+Id,3 (opgepast: moment eg en permanente last werkt gunstig)
EN1990
Met voor de imperfectie:
FId,3 = [1.00(pLxLL+pkxLK+pxLL)+1.5wxL L]=-0.154

Blz. 57

7-40

Dit resulteert in de snedekrachten:


MSd=(1.00(0.9+1.50)x9.623+1.5x-198.5+(-0.154)x-4
VSd= (1.00(0.9+1.50)x6.000+1.5x-50.7+(-0.154)x-0.67
NSd=(1.00(0.9+1.50) x0.000+1.5x0.000+(-0.154)x(-0.5)

= 274 kNm
= 61.5 kN
= 0.08 kN

Referenties

UGT: UGT-BC4: Maximale moment in de kolom doorsnede thv knoop ligger-kolom


[STR]
BC4: 1.00(eg+p)+1.5w+0q+Id,4 (opgepast: moment eg en permanente last werkt gunstig)
Met voor de imperfectie:
FId,4 = [1.00(pLxLL+pkxLK+pxLL)+1.5wL]=-0.154
Dit resulteert in de snedekrachten:
MSd=(1.00(0.9+1.50)x9.623+1.5x-198.5+(-0.154)x-4
VSd= (1.00(0.9+1.50)x1.200+1.5x-4.800+(-0.154)x-0.5
NSd=(1.00(0.9+1.50) x-6.00+1.5x50.770+(-0.154)x(0.67)

= 274 kNm
=
-4.2
= 61.65 kN (TREK)

kN

GGT: GGT-BC5: Maximale middendoorbuiging ligger


BC5: 1.00(eg+p)+1.00q+Id,5
Met voor de imperfectie:
FId,5 = [1.00(pLxLL+pkxLK+pxLL)+1.0qxL L]=0.43
Dit resulteert in de middendoorbuiging:
max=(1.00(0.9+1.50)+1.00x3.75)x0.968+0.43x0= 5.95 mm.
2 =

(1.00x3.75)x0.968+0.43x0= 3.63 mm.

GGT: GGT-BC6: Maximale horizontale uitwijking thv knoop ligger-kolom


BC6: 1.00(eg+p)+1.00w+Id,6
Met voor de imperfectie:
FId,6 = [1.00(pLxLL+pkxLK+pxLL)+1.0wxL L]=0.15
Dit resulteert in de horizontale uitwijking:
ux=(.00(0.9+1.50)x0+1.00x48.71+0.15x1.1= 48.875 mm.
4. Controle in de GGT
Middendoorbuiging (daken algemeen):
L
max = 5. 95mm <
= 60 mm
200
L
2 = 3. 63mm <
= 48mm
250
Horizontale uitwijking (raamwerk zonder kraanbaan):
h
ux = 48.875mm <
= 53mm
150

EC3
Blz. 51
4.2.2
4.2.3

7-41

5. Classificatie van de doorsnede

Referenties:

Classificatie van de doorsnede:


Fe360b =(235/f y)^0.5 = 1, want: fy=235N/mm
Ligger IPE500
Kolom HEA 500

EC3
Blz. 74-76

c=100

tw=10.2

tf=23

d=390

d=426

tf=15

c=150

tw=12

Flens:
c/tf = 100/16 = 6.25 < 10= 10
ja: Klasse 1

c/tf = 150/23 = 6.52 < 10= 10


ja: Klasse 1

d/tw=426/10.2 = 41.7 < 72 = 72


ja: Klasse 1

d/tw=390/12 = 32.5 < 72 = 72


ja: Klasse 1

Lijf:

Besluit: Klasse 1:Aeff = A, A=1, W=1


Lokaal plooien van het lijf:
d/tw=426/10.2 = 41.7 < 69 = 69
geen gevaar op lokaal plooien
Te hanteren knik en kipcurve :
Knik: h/b = 500/200 = 2.5 >1.2
yy-as: knikkurve a
zz-as: knikkurve b
Kip: gewalst profile
knikkurve a

Besluit: Klasse 1:Aeff = A, A=1, W=1


d/tw=390/12 = 32.5 < 69 = 69
geen gevaar op lokaal plooien

Knik: h/b = 500/300 = 1.67 >1.2


yy-as: knikkurve a
zz-as: knikkurve b
Kip: gewalst profiel
knikkurve a

EC3
Blz. 101
Tabel 5.5.3

6.
Controle UGT KOLOM Maatgevende doorsnede UGT-BC4 ligger-kolom
verbinding
Snedekrachten:
MSd = 274 kNm
VSd = -4.2 kN
NSd = 61.65 kN
Controle op VSd dwarskracht
Av f y
6240mm 235 N mm
VSd = 4.2kN V pl. Rd =
=
= 770 kN . Hieraan is voldaan.
M0 3
1.1 3

EC3, Blz. 89
5.4.6

VSd = 4.2 kN < 0.5Vpl,Rd=385 kN (interactie tussen buigm oment en dwarskracht moet niet
in rekening gebracht worden.)
Buigmoment MSd en Normaalkracht N Sd:

Afy 197. 5x10 x 235


NSd M Sd

+
< 1
N pl. Rd =
=
= 4641k N
M0
1. 1
NRd M Rd
met:
Wpl ,y f y 394 x103 x 235
61. 65k N 274kNm
M pl .Rd =
=
= 843kNm

+
<1
M0
1.1
4641k N 843kNm
0.325 + 0.013 = 0.34 < 1 (OK)
2

EC3, Blz.90
5.4.7

Controle van de stabiliteit van de staven Knik en Kip


Op buiging en Trek belast enkel Kip te toetsen

7-42

De ongesteunde lengte (of kiplengte) bedraagt:

Referenties:

l LT = L = 8000mm . Het theoretisch elastisch kipmoment wordt berekend uit:

EC,blz.104
5.5.3

M cr = C1
met:

2 EIz

(k lLT )2

kw

I (k lLT )2 GIt

+
2 EIz
Iz
2

k = 1: geen belemmering van de eindverdraaiing uit het vlak van het raamwerk
(lLT/L=1);
kw=1: geen speciale voorziening tegen het verhinderen van welving op het einde
van de staven.
lLt = 8000 mm: kiplengte
I= 5643 109 mm 6: sectorieel traagheidsmoment
4
4
It = 309.3 10 mm : torsietraagheidsmoment
4
4
Iz=10370 10 mm : traagheidsmoment om de zwakke buigingsas
G=80000 N/mm
E=210000 N/mm
C1 = 1.879 (Tabel F.1.1, =0), op basis van de eindmomenten

Bijlage F
Blz. 270
Tabel F.1.1

2 210000 10370 10 4 1 5643 109


(1 8000) 80000 309.3 10 4

+
2
4
(1 8000 )
1 10370 10
2 210000 10370 10 4
Mcr = 2264 kNm
2

M c r = 1.879

Stap 2: De kiplengte en relatieve slankheid:


De kiplengte: l LT= L = 8000 mm
De relatieve slankheid:

LT =

Wpl , y f y
M cr

1 927.3 10 mm 235 N mm
2264 10 6 Nmm

= 0. 64 >0.4 Kipcontrole vereist.

Stap 3: Selectie van de gepaste knikkurve: warmgewalst profiel: LT=0.21 kurve a


Stap 4: Reductie-factor LT=0.8742 (op basis van uitgebreide tabellen)
Stap 5: Rekenwaarde van de kipstabiliteit:
f W
(0. 8742 235 N mm ) 1 3949 103 mm = 737. 5kNm
M b.Rd = LT y w pl. y =
M1
1. 1
Mb.Rd = 737.5 kNm > M Sd = 274 kNm (voldoet)

)(

Combinatie van Buiging MSd en Trek (NSd)

EC3
5.5.3

Meff.com = Wcom com.eff = Wpl , y com.eff = 3949 103 66.26 N mm = 261. 7kNm
want:

com, eff =

M Sd
N
274
61.65 10
1 t .Sd =
1
= 69 .38 3. 12 = 66.26N / mm
W pl, y
A
3949 10
197. 5 10

En dus geldt:

M eff .Sd
261.7
=
= 0. 355 < 1 (OK)
M b.Rd
737.5

7-43

7.
Controle UGT LIGGER Maatgevende doorsnede UGT-BC3 ligger-kolom Referenties:
verbinding
Snedekrachten:
MSd = 274 kNm
VSd = 61.5 kN
NSd = 0.08 0 kN
Controle op VSd dwarskracht:
Av f y
6115. 2mm 235 N mm
VSd = 61.5kN V pl .Rd =
=
= 754kN . Hieraan is voldaan.
M0 3
1. 1 3
Voor het afschuifoppervlak kan benaderend Av = 1.04h tw = 1.04x490x12 x 6115.2 mm
genomen worden.
VSd = 61.5 kN < 0.5Vpl,Rd=377 kN (interactie tussen buigmoment en dwarskracht moet niet
in rekening gebracht worden.)
Buigmoment MSd:
met: M Sd = 274kNm < M c. Rd = M pl .Rd =

W pl, y f y
M0

2194x10 3 x 235
= 469kNm (OK)
1.1

Controle van de stabiliteit van de staven Knik e n Kip


Geen kipcontrole vereist want ligger is op meerdere plaatsen zijdelings gesteund
Geen knikcontrole volgens de zwakke as, want ligger op meerdere plaatsen zijdelings
gesteund.
Knikcontrole volgens de buigstijve as: yy-as
Stap 1: De kniklengte van de ligger:

1 = 1 =

kc
k c + K 12

IL L L
48200 12
=
= 0 .33
I L LL + 0. 75 I K L K 48200 12 + 0. 75 86970 8

EC3, Bijlage E

Dat geeft: l/L = 0.61 of: l = 0.61L=7.32 m


Stap 2:
De slankheid: y=ly/i y = 7320mm/204.3 mm = 35.8
De relatieve slankheid: y =y/1=35.8/93.9 = 0.38
1 = 93.9=93.9

y =y/1>0.2 knikcontrole vereist


Stap 3: Selectie van de gepaste knikkurve: kurve a
Stap 4: Reductie-factor y=0.9580 (op basis van uitgebreide tabellen)
Stap 5: Rekenwaarde van de kipstabiliteit:
f W
(0.9580 235 N mm ) 1 2194 10 3 mm = 449kNm
M b.Rd = y y w pl. y =
M1
1.1
Mb.Rd = 449 kNm > MSd = 274 kNm (voldoet)

)(

7-44

8. Ligger-ligger verbinding UGT BC 1 en UGT BC 2


Snedekrachten:UGT BC1
MSd = 274 kNm
VSd = 0.41 kN
NSd = -0.31 0 kN

Referenties

UGT- BC2
MSd = -23.81 kNm
VSd = 41.57 kN
NSd = -0.041 0 kN

Ontwerp van de bouten op trek op basis van UGT-BC1


Ligging van de neutrale lijn yc:

y c2

y c2

b
+ yc
2

A y A
i

i =1

=0

i =1

200
+ y c 2 245 2 2 245 (540 + 444 ) = 0
2

y c2100 + y c 4 245 482160 = 0


yc = 64.71 mm
Bepalen van de evenredigheidsconstante k:

k=

k=

M
byc3
+
3

(y

y c )2 Ai

i =1

200(64. 71)

74. 33 106 Nmm

+ 2 245 (540 64. 71) + (444 64.71)


2

= 0. 3731N / mm

Dit laat toe de krachten in de bouten te bepalen:

Ni = k (y i y c )Ai
N1.Sd = 0. 3731(540 64. 71)245 = 43.44kN
N2.Sd = 0. 3731(444 64. 71)245 = 34. 67kN
De contactdrukspanning op de verbindingsplaat c:
c = kyc = 0. 3731x 64. 71 = 24.14N / mm

Daaruit kan een waarde voor de plaatdikte worden afgeleid:


Het aangrijpend moment uit de contactdrukken is gelijk a an:

MSd =

2 c byc2
= 6.63kNm
2 3

Het elastisch weerstandsmoment van de plaat is gelijk aan:

Wel, y =

bt
6

Beperken van de optredende spanningen tot de ontwerpgrens leidt tot:

7-45

6 M
t > Sd = 30. 51mm . Neem t = 33 mm bijvoorbeeld.
b fy
M0

Referenties

Controle van de bouten op trek: Nt.Sd = 43.44 kN, Categorie E: voorgespannen bouten
belast op Trek

FT .Rd = 0.9

fub AS 0.9 800 N mm 245mm


=
= 141. 2k N > Nt.Sd = 43.44 kN (OK)
Mb
1. 25

Controle van de bouten op afschuiving, op basis van UGT-BC2 : VSd = 41.57 kN,
Aanname: wordt opgenomen door 4 bouten,
De andere twee bouten staan in voor de opname van het moment (M Sd = -23.81
kNm<<274 kNm)
Categorie C: glijvast in uiterste grenstoestand
Te controleren:
FV.Sd < FS.Rd
FV.Sd < Fb.Rd (stuikdrukkracht)

Fp.Cd = 0. 7f ub AS = 0. 7 800 N mm 245mm = 137. 2kN

1 1 0. 5(137. 2 0. 8 0 )
=
= 54.88kN
M S.ult
1. 25
Oppervlak klasse A: =0.5
ks = 1.0 (standaardgaten)
MS.ult = 1.25
n=1 (aantal afschuifvlakken in de verbinding)

FS.Rd =

k S n F p.Cd 0.8Ft .Sd

De totale afschuifweerstand van de 4 bouten:


FS.Rd = 4x54.88kN = 219.5kN > 41.57kN
Stuikdrukkracht:
2 .5fu dt 2.5 0. 61 360 N mm 20mm 33mm
Fb.Rd =
=
= 290k N >FV.Sd = 41.57 kN
Mb
1.25

e1
40
3d = 3 22 = 0.61
0
p1 1 = 96 0 .25 = 1.20
waarin: = min 3d 0 4 3 22
= 0. 61
f ub 800

=
>1
360
fu
1

7-46