Kijkwijzer voor Strips.

1.- Tekeningen. Wat zie je? Zwart-wit of kleur? Omtreklijnen? Arceringen? ♦ Een strip is in zwart-wit of in kleur. Geef aan wat er voor deze strip geldt ♦ Met de zwarte omtreklijnen worden de contouren van personen en voorwerpen aangegeven. Deze lijnen verdelen de tekening in een aantal afgebakende sectoren, die van elkaar te onderscheiden zijn door hun inkleuring. Bij het ene uiterste, ‘de klare lijn’, zijn de omtreklijnen dik en de kleurvlakken egaal. Aan de andere kant zitten tekeningen die meer schilderachtig zijn met geleidelijke overgangen tussen personen en voorwerpen. Binnen de kleurvlakken vloeien de kleuren in elkaar over. ♦ Als een tekenaar iets meer relief wil geven, zal hij waarschijnlijk zijn toevlucht nemen tot arceren. Met een hele reeks parallelle of kruisende lijntjes of een massa puntjes worden in de tekening schakeringen tussen licht en donker aangebracht. 2.- Tekeningen. Wat zie je? Veel details? Is er een achtergrond? Proporties? ♦ Heeft de tekenaar veel details gebruikt? Of juist heel weinig om het verhaal te vertellen. ♦ Is er gebruik gemaakt van een achtergrond of heeft de tekenaar geen achtergrond gebruikt? ♦ Bij realistische proporties zijn de verhoudingen precies zoals ze in werkelijkheid zijn. Bij onrealistische proporties vind je b.v. enorme hoofden op kleine lichamen. 3.- Plaatindeling. Wat zie je? Is de plaatindeling standaard of experimenteel?:

Een plaat is een hele strippagina. Een plaat bestaat meestal uit drie of vier stroken (naast elkaar staande plaatjes op dezelfde hoogte) met verschillende plaatjes. Sommige boeken hebben een standaard plaatindeling waar niet vanaf geweken wordt. In andere boeken experimenteert de tekenaar juist met de plaatindeling, en kiest hij voor verschillende formaten plaatjes variërend van een plaatje verdeeld over twee pagina’s tot plaatjes van een halve pagina en tot plaatjes van 1 vierkant centimeter.

4.- Wordt er veel gebruik gemaakt van tekst of is er geen tekst? Zijn er tekstballonnen of tekststroken? ♦ Er zijn stripboeken die het verhaal zonder tekst vertellen, andere stripboeken hebben weinig of veel tekst. ♦ Als er tekst wordt gebruikt kan dit in tekstballonnen, een strook onder of boven de tekening of los in de tekening geplaatst. 5.- Tekst: Zijn er veel onomatopeeën of is er juist geen gebruik van onomatopeeën?

♦ Onomatopeeën zijn woorden die een klank nabootsen, de ‘geluidseffecten’ van de strip. Voorbeelden: DRIIING (telefoon gaat), VRAAAOOOM (draaiende motor) etc. 6.- Verhaal: Hoe is het tijdsverloop? Lineair of niet? ♦ Verloopt het verhaal chronologisch, dan is het lineair. 7.- Wat is de historische tijd? ♦ In welke tijd vindt het verhaal plaats? 8.- Omschrijf de plaats. ♦ Waar vindt het verhaal plaats? 9.- Omschrijf de hoofdpersonen ♦ In het stripverhaal zijn er meestal 1 of meerdere hoofdpersonen. Omschrijf die personen kort. 10.- Geef het verhaal weer in 1 tot 10 zinnen. ♦ Vertel in het kort het verhaal. 11. Genre: tot wat voor genre wordt deze strip gerekend? ♦ ♦ ♦ ♦ ♦ ♦ ♦ ♦ ♦ Science fiction Oorlog Western Avonturen Humor Detective Historisch Psychologisch Anders: