You are on page 1of 128

Compilatie van het pleidooi in de zaak W.F.

Holleeder ten
behoeve van het NOS-Journaal.
“Voorzitter, edelachtbaar College:

Al lang voordat de rechter tot een oordeel is gekomen, is Willem Holleeder


geportretteerd als een schurk. Als vaststaand is aangenomen dat hij
vastgoedmagnaten heeft afgeperst. Hij is neergezet als een bikkelharde
leider van de onderwereld. In de publieke opinie, door publieke
autoriteiten, door vertegenwoordigers van politie en justitie, door
volksvertegenwoordigers en door journalisten, is hij al veroordeeld. Een
eerlijke kans, een eerlijk proces is daardoor in feite onmogelijk geworden.

Wie zal immers begrijpen dat Willem Holleeder moet worden


vrijgesproken? Van de afpersing van Endstra, van de afpersing van
Houtman, van de afpersing van Friedländer en van de afpersing van
Wijsmuller.
Bijna niemand zal dat begrijpen, omdat er een beeld van een monster is
gecrëeerd.
Maar Willem Holleeder is geen monster. Hij is een man die net als
iedereen recht heeft op een eerlijk proces.
En hij heeft er recht op dat ook in zijn zaak de waarheid op tafel komt. Die
waarheid is dat er geen overtuigend bewijs is voor de ten laste gelegde
delicten.
Het gaat om de feiten, niet om de beeldvorming.

Feit is dat het enige bewijs voor de vermeende afpersing van Endstra is
hetgeen Endstra daar zelf over heeft gezegd. Alle andere getuigen zeggen
slechts wat zij van Endstra hebben gehoord.
Feit is dat Endstra, ook volgens het openbaar ministerie, niet steeds naar
waarheid heeft gesproken.
Feit is dat er geen enkele geldstroom is te traceren die naar Willem
Holleeder leidt.

Feit is dat Houtman zelf niet heeft verklaard dat hij zou worden afgeperst.
Juist niet.
Toen in de pers verscheen dat Willem Holleeder zich daar aan schuldig
zou hebben gemaakt kwam het circus van papagaaien op gang; men praat
elkaar na; men praat de media na.
Het staat toch in de krant, het is toch op TV, dus het zal wel waar zijn.
Beeldvorming, niet de waarheid dicteert dan de uitkomst van het
strafproces.

Willem Holleeder heeft de familie Friedländer gewaarschuwd voor de


plannen van Mieremet & Klepper. Daarvoor hoeft hij geen lintje. Maar
om hem daarvoor te vervolgen, om te zeggen dat hij medeverantwoordelijk
is voor die vermeende afpersing, is het andere uiterste. Maar ja, het is een
grote boef en ook zonder bewijs durven we wel te zeggen dat hij schuldig
is.

De onbetrouwbaarheid van Willem Endstra blijkt bijvoorbeeld ook uit zijn


mededelingen aan de CIE over de vermeende afpersing van Wijsmuller.
Ook het openbaar ministerie is tot die conclusie gekomen en heeft voor dit
feit vrijspraak gevorderd. Dat was voor het openbaar ministerie ook niet
meer zo belangrijk.
Het beeld was al afdoende neergezet.

Uw rechtbank heeft een keuze. U kunt zich laten leiden door de


beeldvorming en Willem Holleeder veroordelen. Of u doet het werk
waarvoor u bent aangesteld. Dan baseert u zich op de feiten. En dan,
Voozitter, wordt Willem Holleeder vrijgesproken”.

mrs. J-H.L.C.M. Kuijpers en R.C. Honig.


RECHTBANK
TE
HAARLEM

Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/ 750018-04
19 november 2007

Pleitaantekeningen van:
mrs. J-H.L.C.M. Kuijpers & R.C. Honig

Inzake:

Willem Frederik HOLLEEDER

I Inleiding

1.1.
Holleeder zit tegen de zestien jaar gevangenisstraf aan. Dat zei ten minste John Olierook,
die iets bij de Nationale Recherche heeft gedaan. En we zijn nog niet eens halverwege,
aldus Harm Brouwer die iets bij het Openbaar Ministerie doet. En neen, het openbaar
ministerie blaast in de zaak Holleeder – die als prioriteit nummer één wordt bestempeld –
niet te hoog van de toren, aldus dezelfde Brouwer: in de hele operatie verloopt onze
zoektocht naar bewijs goed en er is alle reden om optimistisch te zijn.

Olierook deed zijn uitspraken in Vrij Nederland in november 2006, de


uitlatingen van Brouwer zijn gepubliceerd in het Algemeen Dagblad van
19 mei 2007.

1.2.
Deze publieke uitspraken zijn tekenend. Willem Holleeder is een boef. Niet zo maar een
boef, maar een grote jongen in de onderwereld, die zijn tentakels heeft uitgezet naar de
bovenwereld. Hij heeft Endstra afgeperst. En Friedländer. En Houtman. En Wijsmuller
vast en zeker ook, maar dat is zelfs volgens het openbaar ministerie niet te bewijzen. Het
zal hoe dan ook wel geen toeval zijn dat Zeegers, nog geen week na zijn optreden in deze
zittingszaal, door drugsgebruik is overleden. Hij was immers al de vierde getuige:
Endstra, Van der Bijl en Houtman gingen hem voor. Willem Woelders, die iets bij de
Amsterdamse politie heeft gedaan, heeft toch gezegd dat Willem Holleeder bij zo’n 13
liquidaties is betrokken.

1.3.
Gezaghebbende functionarissen van politie en openbaar ministerie als Olierook en
Brouwer hebben hun oordeel al publiekelijk uitgesproken. Zij hebben bijval gekregen,
bijvoorbeeld van politici. Er zijn immers flink wat stemmen te verdienen, als de Haagse
heren en dames zich

een voorstander tonen van een harde aanpak van boeven. Dat moet bijvoorbeeld een
politicus van CDA-huize hebben gedacht, toen hij op 18 oktober 2007 in het
televisieprogramma Een Vandaag opmerkte dat het vast staat dat Holleeder en Van Hout
in de jaren ’90 op grote schaal in vastgoed hebben kunnen beleggen. Nou geef ik
onmiddellijk toe dat Van Haersma Buma, want over hem heb ik het, niet het grootste licht
onder de dames en heren politici is. Maar zijn uitlating telt wel. Dat geld evenzeer voor
enkele uitspraken van het kamerlid Teeven, die ook nog eens als officier van justitie in
deze strafzaak heeft geopereerd. In het Algemeen Dagblad zei Teeven het vorige week
zo:

“Je hebt de verklaringen van Willem Endstra, die ondersteund worden door veel
andere bevindingen. Ook de verklaringen van de nabestaanden van Kees
Houtman zijn erg sterk. Er is bewijs genoeg.”

En over de verklaringen van Willem Holleeder:

“Dat is niet erg geloofwaardig. Als je luistert naar de Endstra-tapes, hoor je dat
de man écht bang is. Holleeders theorie wordt niet gestaafd door feiten.”

Dat is een rare uitspraak van Fred Teeven, als we ten minste Bram Zeegers mogen
geloven. Zeegers liet immers via ‘Vrij Nederland’ optekenen dat Plooij en Teeven juist
vonden dat Endstra in de gesprekken met de CIE ‘heel vlak’ , dus zonder emotie klonk.

En over de dood van Zeegers zei Teeven in het Algemeen Dagblad:

“Het was een vreemd moment, zo kort na zijn optreden in de rechtszaal. Of ik


denk dat Holleeder er iets mee te maken heeft? Ik heb er zo mijn gedachten bij.
Dat is alles wat ik erover wil zeggen.”

Teeven zei dit niet als officier van justitie in de zittingszaal. Hij is nu een parlementslid,
hoewel hij zijn oude vak kennelijk maar moeilijk kan loslaten. Als parlementariër had hij
moeten weten dat hij andere verantwoordelijkheden heeft dan als aanklager. Nu heeft hij
zich als publiek persoon – ten behoeve van politiek gewin – uitgelaten over een strafzaak
waarmee hij niets meer te maken heeft en daarmee de spelregels van een eerlijk proces
geschonden. Hij heeft uw rechtbank voorgeschreven dat er genoeg bewijs is, dat de
verklaringen van Holleeder niet geloofwaardig zijn.

1.4.
Ook sommige journalisten hebben zich niet onbetuigd gelaten. Willem Holleeder is met
zo’n beetje iedere liquidatie van de afgelopen jaren in verband gebracht. Dat is goed voor
de oplage van de schrijvende pers, dat is goed voor de kijkcijfers van
actualiteitenprogramma’s en nieuwsbulletins.

1.5.
Willem Holleeder is, kortom, een afperser en een moordenaar. Hij is een onmens, die
eerst mensen bedwelmt met een kille charme en die vervolgens - ook als het gaat om
mensen die aanvankelijk dachten een vriendschappelijke relatie met hem te onderhouden
– meedogenloos toeslaat. Het staat al lang vast. Vertegenwoordigers van politie en
openbaar ministerie hebben het immers veelvuldig buiten deze zittingszaal gezegd.
Politici en journalisten weten dat. En laten we eerlijk zijn: bijna iedere Nederlander weet
toch inmiddels ook wel dat Willem Holleeder de grootste boef van Nederland is.

1.6.
Het is daarom nogal raar dat we al zoveel zittingsdagen erop hebben zitten. Waarom zou
hier nog moeten worden onderzocht wat er is gebeurd? Waarom moet deze rechtbank nog
een oordeel uitspreken, als alles al duidelijk is?

Ik weet het. Bij repliek zullen de officieren van justitie zeggen dat mijn voorganger en ik
ons in de media niet onbetuigd hebben gelaten. Misschien zullen ze opmerken dat zij – in
tegenstelling tot mr. Moszkowicz en ik – in deze zaak nimmer in de publiciteit zijn
getreden en hun zegje uitsluitend in de zittingszaal hebben gedaan. Wij hebben toch
schone handen, zie ik ze denken. Mogelijk zullen ze nog een keer erop hameren dat
Willem Holleeder ook zelf achter reportages van Peter R. de Vries en van NOVA zit, of
via De Telegraaf en Vrij Nederland naar buiten is getreden. De pot verwijt de ketel, zal –
zo vermoed ik – hun boodschap zijn. De gedachte dat die publieke optredens van de
verdediging een noodzakelijke poging waren om de beeldvorming te corrigeren en het
echte verhaal te vertellen, zullen ze wegwuiven of weghonen. Het echte verhaal is
immers dat Willem Holleeder hartstikke schuldig is.

1.7.
Die tegenwerping is evenwel niet belangrijk. Bijna iedereen mag hardop zeggen dat ik
niet moet zeuren, omdat ik door deze zaak ben uitgegroeid tot een bijna bekende
Nederlander. Bijna iedereen mag luid en duidelijk verkondigen dat Willem Holleeder de
laatste is die mag klagen, omdat hij het allemaal aan zichzelf heeft te wijten. Bijna
iedereen. Want bepaalde groepen mensen mogen dat niet. Die moeten in de openbaarheid
hun mond houden. Die moeten in ieder geval voorkomen dat zij zich publiekelijk uitlaten
over de schuld van Willem Hollleeder. Dat geldt voor gezagsdragers van politie en
justitie, dat geldt voor politici. En ook aan journalisten worden in dit verband eisen
gesteld.

1.8.
Daarom is het bepaald merkwaardig dat de verdediging in de loop van de behandeling
van deze strafzaak enkele malen is aangesproken op de wijze waarop de publiciteit is
gezocht. De verdediging heeft – gelukkig – geen publieke verantwoordelijkheid. Willem
Holleeder moet publiekelijk alles kunnen zeggen wat hij voor zijn verdediging wil
zeggen. Ik heb mij in dit verband slechts te houden aan de grenzen die het tuchtrecht stelt.
Uw rechtbank had niet verontwaardigd moeten zijn over een uitzending van NOVA, of
over een interview in Vrij Nederland. Uw rechtbank moet zich druk maken over de
publieke uitlatingen van het rijtje

mensen dat ik zojuist heb genoemd. Uw rechtbank moet zich druk maken over de wijze
waarop in een aantal gevallen over deze zaak en deze verdachte is bericht.

1.9.
Want externe openbaarheid is weliswaar een groot goed en voor de voorlichting aan het
publiek is weliswaar een belangrijke taak voor de media weggelegd, maar er is een grens
die voor de verdediging niet geldt. Die grens wordt overschreden, indien iemand al is
veroordeeld voordat de rechter heeft gesproken. Voor overheidsfunctionarissen geldt
daarom dat zij zich niet voorafgaand aan het rechterlijk oordeel mogen uitlaten over de
schuld van de verdachte. Dat geldt in het bijzonder voor vertegenwoordigers van politie
en justitie en voor degenen die zich volksvertegenwoordigers noemen.

Ik baseer me in dit verband op de volgende uitspraken van het EHRM 10


februari 1995 (Allenet de Ribemont tegen Franrijk); EHRM 10 oktober
2000 (Daktaras tegen Litouwen); EHRM 26 maart 2002 (Butkevicius
tegen Litouwen); EHRM 28 november 2002 (Lavents tegen Letland);
EHRM 28 oktober 2004 (Y.B. en anderen tegen Turkije) en EHRM 11
januari 2005 (Sciacca tegen Italië).

Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan, geldt de onschuldpresumptie voor iedere
verdachte, ook als hij Willem Holleeder heet. Dat betekent voor journalisten ook dat de
persvrijheid niet onbegrensd is. Trial by media mag niet; een journalist is geen rechter.

Zie bijvoorbeeld EHRM 29 augustus 1997 (Worm tegen Oostenrijk).

1.10.
Willem Holleeder wordt niet meer voor onschuldig gehouden. Hij is al lang veroordeeld
in publieke uitlatingen van politiemensen, de baas van het openbaar ministerie, politici
waaronder een voormalig officier van justitie en door sommige journalisten. In de
samenleving zullen daardoor niet meer veel mensen zijn die geloven in zijn onschuld. En
daarom is het uw rechtbank eigenlijk onmogelijk gemaakt om Willem Holleeder van de
vermeende afpersingen en aanverwante delicten vrij te spreken. Vrijspraak schoffeert het
openbaar ministerie, dat deze zaak blijkbaar als prioriteit nummer één ziet. Vrijspraak zou
onbegrijpelijk zijn voor de politiemensen die opruiming willen houden in de onderwereld
en die de jaren gevangenisstraf al turven. Vrijspraak leidt ongetwijfeld tot commotie bij
politici. Een aantal van hen zal ongetwijfeld roepen dat rechters wereldvreemd zijn, zoals
onlangs ook al bleek omdat zij taakstraffen opleggen aan moordenaars en verkrachters.
Zij zullen zich gesteund voelen door de publieke verontwaardiging die ongetwijfeld, ook
in de media, uitbreekt. Hoe kan de grootste boef van Nederland nu worden
vrijgesproken?

1.11.
Natuurlijk: uitgangspunt is dat een ieder moet kunnen vertrouwen op de professionaliteit
van de rechter. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van uw rechtbank moeten
meebrengen dat deze strafkamer niet zit te wachten op een populariteitsprijs. In abstracto
zou u, individueel en als collectief, opgewassen moeten zijn tegen de druk om tot een
veroordeling te komen. Voor de vaststelling dat art. 6 EVRM is geschonden, is dat
evenwel niet van belang. Uit de Straatsburgse jurisprudentie blijkt dat het er niet om gaat
of de rechter daadwerkelijk is

beïnvloed door publieke uitlatingen van bijvoorbeeld mensen als Olierook en Brouwer.
Dat zij en anderen die uitlatingen hebben gedaan, is voldoende om vast te stellen dat er
sprake is van een schending van beginselen van een goede procesorde, waardoor
doelbewust en in ieder geval met grove veronachtzaming van de belangen van Willem
Holleeder tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces. Eén van de meest
wezenlijke uitgangspunten van een beschaafd strafproces is immers bij herhaling
geschonden: Willem Holleeder is veroordeeld, voordat er een rechter aan te pas is
gekomen. Dat betekent dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden
verklaard.

1.12.
Zekerheidshalve spreek ik u ook gewoon aan op de professionaliteit die van een rechter
mag worden verwacht.
Ik wil niet verhullen dat er momenten zijn geweest waarop bij de verdediging wel enige
twijfel is gerezen over de onbevangenheid waarmee uw rechtbank naar deze zaak kijkt.
Het is niet goed dat Willem Holleeder wordt aangesproken op contacten met de media,
terwijl de officieren van justitie de toorn van uw rechtbank bespaard blijft als hun hoogste
baas, Harm Brouwer, alvast een voorschot neemt op het vonnis. Het is nogal prematuur
om bepaalde passages uit het verhaal van Endstra als zijnde authentiek aan te merken,
terwijl het waarheidsgehalte van dat verhaal nu juist ter discussie staat. Ik betreur het dat
door deze rechtbank onlangs te kennen is gegeven dat een processtuk dat door de
verdediging als belangrijk is aangemerkt – ik doel op het door mr. Meijers opgestelde
verweerschrift – vooralsnog niet integraal zal worden bestudeerd.

Die incidenten hebben het vertrouwen van Willem Holleeder in deze rechtbank op de
proef gesteld, maar niet weggenomen. Hij vertrouwt erop dat u uw werk goed zult doen.
Wanneer u dat vertrouwen niet beschaamt, zal Willem Holleeder – zo uw rechtbank al
aan de bewijsvraag toekomt – worden vrijgesproken van de afpersing van Endstra, van de
afpersing van Houtman, van de afpersing van Friedländer, van de afpersing van de
Wijsmuller en van de deelname aan criminele organisaties.

II Trial by media

2.1.
Het eerste verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de
vervolging van Willem Holleeder heb ik al gevoerd. Het is goed dat nog iets uit te diepen,
en nader aan te geven welke desastreuze gevolgen de “trial by media” heeft gehad voor
de eerlijkheid van dit proces en voor de waarheidsvinding in deze zaak.

2.2.
Dit is een bijzondere strafzaak. Het is nooit een normale strafzaak geweest. Al voor de
aanhouding van Willem Holleeder en van de andere verdachten had de zaak in de media
al vorm en inhoud gekregen. De ongekende aandacht van de media en de landelijke
bekendheid van de hoofdrolspelers in het dossier, hebben deze strafzaak tot een
onderwerp van nationaal debat èn vertier gemaakt. Bekende Nederlanders en zij die graag
bekend zouden willen zijn, hebben getracht zich met behulp van deze zaak te profileren.

2.3.
Voor een zaak die draait om de vraag of een aantal mensen is afgeperst, is dat hoogst
opmerkelijk. En toch ook weer niet. Want boven deze strafzaak hangt steeds de suggestie
dat Willem Holleeder nog veel meer op zijn geweten heeft. De beeldvorming is van dien
aard dat zo’n beetje iedere liquidatie op zijn conto kan worden geschreven. Als een
getuige overlijdt aan een overdosis drugs, wordt volop gesuggereerd dat Willem
Holleeder daar wel mee te maken zal hebben. De simpele constatering dat hij in
Scheveningen vast zit, en dat al zijn contacten met de buitenwereld worden afgeluisterd,
doet dan niet ter zake. Beeldvorming is hardnekkig, en de mensen die het kunnen weten –
zoals de hoogste baas van het openbaar ministerie en de commissaris die leiding gaf aan
het Kolbak-onderzoek – hebben immers gezegd dat Willem Holleeder een grote boef is.

2.4.
Laten we eens nalopen, aan de hand van wat voorbeelden, hoe de beeldvorming al voor
de aanhouding is gecreëerd.

Ten tijde van de Heineken-ontvoering en de nasleep ervan, krijgt die zaak veel aandacht.
Over de persoon van Willem Holleeder wordt evenwel niet veel bekend. Ook in de jaren
’90 van de vorige eeuw is het rustig rondom zijn persoon.

2.5
Dat verandert aan het begin van deze eeuw. De uitlatingen van Mieremet in De Telegraaf,
in de nazomer van 2002, spelen daarin een grote rol. Ook door de foto in Quote met
Endstra, en de commotie daarover, wordt Willem Holleeder uit de anonimiteit gehaald.

In januari 2004 meldt Jan Pronker, die iets bij de Amsterdamse politie doet, in De
Volkskrant dat Willem Holleeder een sleutelrol speelt in de serie liquidaties in
Amsterdam. Als de officieren van justitie in deze zaak de waarheid hebben gesproken –
en ik heb op dit moment geen enkele aanleiding daaraan te twijfelen – dan moet worden
vastgesteld dat Pronker er destijds slechts op uit is geweest Willem Holleeder als een
slecht mens neer te zetten. Volgens het openbaar ministerie is hij immers geen verdachte,
en dat betekent nog steeds dat er geen

op feiten en omstandigheden gebaseerd redelijk vermoeden bestaat dat hij inderdaad


betrokken is geweest bij liquidaties.

Pronker heeft succes. De verbinding tussen Holleeder en liquidaties is publiekelijk


gelegd. Daags nadat in Amsterdam drie mensen zijn geliquideerd, meldt NRC-
Handelsblad (2 november 2005) bijvoorbeeld het volgende:

“Bij justitie bestaat al een tijdje het vermoeden dat het interview van Mieremet
mogelijk onderdeel was van de afpersingen en dat hij daarin nog steeds met
Holleeder samenwerkte. Afpersingen waarvan onder andere Willem Endstra
slachtoffer zou zijn geweest. Zodra immers bekend is dat ondernemers zaken doen
met mensen uit de onderwereld worden ze door de bovenwereld uitgestoten. Zo
werd Endstra mogelijk onder druk gezet. Begin 2004 was Endstra zo in het nauw
gebracht dat hij met de politie ging praten. Kort daarop werd hij vermoord.”

Ook de nu ten laste gelegde afpersing van Willem Endstra wordt al voor de aanhouding
van Willem Holleeder als een vaststaand feit gepresenteerd. In het weekblad Nieuwe
Revu van 4 mei 2005 is te lezen:

“Holleeder en Endstra gingen elke dag samen trainen in de sportschool. Ze


waren echt ‘ beste vrienden’ dacht Wim. Holleeder kwam bij de hele familie over
de vloer zegt een oud relatie van de vastgoedtycoon. Dat was uiterst vriendelijk.
Maar toen Endstra begreep dat Holleeder minder fraaie bedoelingen had werden
de bezoekjes uiterst bedreigend. Dan is het niet leuk als hij ineens bij de school
van zijn dochter stond. Een klassieke maffiamethode.”

Een paar maanden later weten ook journalisten van het Parool precies hoe het zit (27
augustus 2005):

“Zakenrelaties die wel eens bij Willem Endstra’s hoofdkantoor aan de Apollolaan
109, over de vloer kwamen verbaasden zich er elke keer weer over: bij Stille
Willem stond de papierversnipperaar vrijwel permanent te draaien. Over zijn
transacties ten behoeve van zware criminelen als Willem Holleeder had Endstra
liever niets op papier en wat er wel werd vastgelegd verdween zo snel mogelijk in
de shredder.
Toch heeft hij niet alle papieren sporen weten uit te wissen: Endstra sloot niet
alleen mega-deals af rond prestigieuze objecten als het World-Fashion Center in
Amsterdam, het Kurhaus in Scheveningen of de Seaport Marina in IJmuiden maar
hij had, blijkt uit officiële stukken, in de jaren voor zijn dood in stilte ook
aanzienlijke financiële belangen op de Amsterdamse Wallen.
In stilte want de vastgoedmagnaat trad daarbij volgens bronnen rond de diverse
Endstra onderzoeken op als frontman en witwasser van voormalig Heineken-
ontvoerder Holleeder. Zelfs de gemeente Amsterdam toch uitgerust met
gemeentelijke rechercheurs als het Van Traa-team – wist tot voor kort van niets.
Opmerkelijk want het betrof in het oog lopende objecten: Endstra nam aan het
eind van de jaren negentig in elk geval op papier het vroegere imperium over van
Zwarte Joop de Vries, tot diens dood in 1986 bijgenaamd de koning van de
Wallen.”

2.6.
Na de aanhouding van Willem Holleeder in deze Kolbak-zaak wordt het nog eens
dunnetjes overgedaan. Willem Holleeder is een gewelddadige, meedogenloze
topcrimineel. Hij is de personificatie van de onderwereld. Zonder spoor van twijfel wordt
bericht dat hij in de bovenwereld is geïnfiltreerd en zakenmensen heeft afgeperst. Zonder
terughoudendheid wordt ervan uitgegaan dat hij vastgoedhandelaren als Endstra,
Friedländer, Houtman en Wijsmuller heeft afgeperst. Dat een aantal van de heren uit de
bovenwereld er een strafblad op nahoudt, doet kennelijk niet ter zake.

Illustratief is een artikel dat een dag na de aanhouding van Willem Holleeder is
gepubliceerd in De Volkskrant. Ik citeer enkele passages:

“Willem Holleeder, bijnaam ‘De neus’, heeft een carrière gemaakt van afpersing
en bedreiging. Zijn reputatie werd gevestigd met de ontvoering van Freddy
Heineken en diens chauffeur Ab Doderer in 1983. Na zijn vrijlating in 1992
groeide Holleeder uit tot een van de bekendste en meest gevreesde figuren in de
onderwereld.
Holleeder wordt keer op keer in verband gebracht met liquidaties in de
Amsterdamse onderwereld. Die zouden samenhangen met een vete tussen
criminele groepen. De Amsterdamse recherchechef Jan Pronker noemde
Holleeder publiekelijk de aanstichter van de bloedige vete.
Na liquidatie van de vastgoedmiljonair leek duidelijk te worden waarom Endstra
in 2003 tientallen keren met de politie sprak over afpersing door Holleeder. De
vastgoedman durfde echter geen aangifte te doen.”.

Verderop leeft de betrokken journalist zich pas echt uit. Hij schetst het volgende profiel
van Willem Holleeder, gecreëerd door een ruime dosis fantasie en een fikse dosis pseudo-
psychiatrische prietpraat:

“Wat kan de gedaanteverwisseling verklaren die Holleeder schijnbaar zo


moeiteloos doormaakte? Hoe kan iemand mensen die hem vertrouwen schonken
en toelieten in hun privé-leven, gaan mishandelen, bedreigen met de dood en
genadeloos afpersen? Wat voor psyche huist er in zo’n persoon?
Zeker is dat Holleeder zich heeft schuldig gemaakt aan ontvoering: een wreed
delict waarin slachtoffers en hun naasten wekenlang in doodsangst verkeren. Ook
de langdurige afpersing waarvan justitie hem nu verdenkt is zo’n gruwelijk
misdrijf waarbij de crimineel munt slaat uit de angst van het slachtoffer. Wat dat
betreft vertoont afpersing veel overeenkomsten met ontvoering.
Het is ook bekend dat Holleeder al sedert decennia een onstuimig leven leidt in de
georganiseerde misdaad. Hij ontwikkelde zich van Heineken-ontvoerder tot
maffia-kopstuk met een crimineel vermogen van naar schatting tientallen
miljoenen euro’s. Chef Jan Pronker van de Amsterdamse recherche hield Willem
H. in de Volkskrant openlijk verantwoordelijk voor liquidaties in het criminele
milieu, door zakelijke belangen ingegeven aanslagen door huurmoordenaars,
vaak onder de ogen van het gewone publiek, inclusief kinderen.
Ontvoering, afpersing, moord.
Bij het zoeken naar de plegers achter dit soort geweldmisdrijven wordt in de
forensische psychiatrie al snel gekeken naar de psychopathische persoonlijkheid.
Het
gaat daarbij om mensen bij wie de gewetensfunctie niet of onvoldoende aanwezig
is. Dat uit zich in een kil karakter. Het zijn ook mensen die hoe sociaal vaardig ze
ook kunnen zijn, een zeer gebrekkig vermogen hebben zich in te leven in de
gevoelens van andere mensen. De angst en het verdriet van de ander is voor de
psychopaat altijd ondergeschikt aan de eigen wensen of verlangens zoals de zucht
naar geld.”

Het gaat me niet om dit ene artikel, deze krant of deze journalist. Het gaat me erom dat
deze publicatie tekenend is voor de wijze waarop Willem Holleeder alom is neergezet.
Het beeld dat van hem is gecreëerd, is zo angstaanjagend dat Willem Holleeder soms
welhaast bang van zichzelf wordt.

2.7.
Ik volsta met deze kleine selectie. Als ik nog meer bronnen ga noemen, dan ben ik net zo
lang aan het woord als het openbaar ministerie. Dat moet worden voorkomen. Ik ga ervan
uit dat uw rechtbank zich de afgelopen jaren niet van de buitenwereld heeft afgezonderd,
en dus wel bekend zal zijn met het sfeerbeeld dat van de persoon Willem Holleeder is
getekend en met het gegeven dat in de media beschuldigingen en aantijgingen al lang als
vaststaande feiten zijn gepresenteerd. Als u de naam van Willem Holleeder intikt op
Google, krijgt u zo’n twee miljoen hits. Dat zegt genoeg over de aandacht voor zijn
persoon en voor deze zaak.

2.8.
Ik heb al gezegd dat bij die stand van zaken een eerlijk proces in feite een onmogelijke
opgave is en dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Hoe integer uw rechtbank ook te werk zal gaan, beelden laten zich nu eenmaal niet uit
een hoofd verwijderen. Iedereen kent het beeld van Willem Holleeder op de scooter in de
PC Hooftstraat. Iedereen ziet het door een laken bedekte lijk van Willem Endstra liggen
op de Apollolaan. Al ver voor de inhoudelijke behandeling van de zaak kon een ieder zich
verlekkeren aan een boek waarin de achterbankgesprekken met Endstra te lezen waren.

2.9.
Maar het gaat niet alleen om het recht op een eerlijk proces. Het gaat ook om de
waarheidsvinding. Die is ook beïnvloed door de massale publiciteit over deze zaak en
deze verdachte. In zijn conclusie in de bekende zaak van de moord op Romy en haar
kindje heeft de toenmalig advocaat-generaal Jörg daarover het volgende opgemerkt:

“Het zou niet de eerste keer zijn dat berichtgeving in de pers de vraag oproept
waaraan getuigen nu eigenlijk hun wetenschap ontlenen, of dat personen in een
interview tot uitspraken worden gebracht die zij in een rechtszaal niet of anders
hadden geformuleerd. Het komt mij voor dat het afwegingsschema zoals door de
Hoge Raad opgelegd bij de beoordeling of vormverzuimen in het voorbereidend
onderzoek tot niet-ontvankelijkheid van het OM in het kader van art. 359a Sv
moeten leiden evenzeer dienst kan doen bij het oordeel of later optreden van het
OM of van onder auspiciën van het OM optredende politiefunctionarissen van
deze sanctie moet worden

voorzien. Dit zogenaamde (Zwolsman) criterium is immers in betrekkelijk


algemene bewoordingen geformuleerd en leent zich voor toepassing op de wijze
waarop (onder anderen) opsporingsambtenaren bij het verrichten van
onderzoekshandelingen te werk gaan, ook buiten het voorbereidend onderzoek.”

2.10.
Dat is een belangrijke opmerking, omdat de publiciteit in deze strafzaak, zoals uit de
hiervoor genoemde voorbeelden blijkt, minst genomen ten dele is gestuurd door
functionarissen van politie en justitie.
En diezelfde strafvorderlijke overheid heeft vervolgens die publiciteit gebruikt in de
ondervraging van getuigen. Dat is niet alleen funest voor het recht op een eerlijk proces
door de invloed die daarvan uitgaat op de oordelende rechter. Daardoor is bovendien een
integere en goede waarheidsvinding zo goed als onmogelijk gemaakt. Als de kranten er
vol van staan dat Willem Holleeder betrokken is bij afpersingen en bij liquidaties en als
getuigen vervolgens ook nog eens tijdens ondervragingen met die mediaberichtgeving
worden geconfronteerd, is het ondoenlijk van hen te vragen dat zij bij voortduring een
helder onderscheid kunnen maken tussen eigen wetenschap en pseudo-kennis die uit de
media is opgedaan. Sterker nog: op dergelijke verwarring was het onderzoeksteam
doelbewust uit.

2.11.
Ik volsta wederom met enkele voorbeelden, waar er veel meer zijn te noemen. (De cursief
geprinte passages zijn steeds de woorden van de verhorend ambtenaar).

In een verklaring van Yvonne Koolmees, een goede vriendin van Wim Endstra, is te
lezen:

“Ik vind het trouwens moeilijk te bepalen wat de media mij heeft voorgeschoteld
en wat ik nog daadwerkelijk weet. Mijn geheugen is ook al niet zo, dat ik
gesprekken letterlijk onthoud.”

Dennis Prins, een zakenrelatie van Endstra heeft verklaard:

“Vraag: Wist jij dat Endstra werd afgeperst?


Antwoord:
Laat ik er dit over zeggen. Ik denk dat mijn perceptie van het verhaal waar je nu
naar vraagt, in de loop der tijden dusdanig gewijzigd is dat ik me eigenlijk nu ga
afvragen, wist ik dat al voor die tijd. Daar moet ik heel goed over nadenken
eigenlijk. Ik wist dat Wim het moeilijk had en er waren inderdaad berichten dat er
van afpersing sprake was. Laat ik het zo zeggen. Voor en na de moord, daarna is je
beeld zo verkleurd geraakt. Ik had voor de moord een heel goed gevoel naar Wim,
daarna alle berichtgeving in de kranten en alles dat je dan zegt van, als het
allemaal moet gaan zoals ik gehoopt had dat het zou gaan, dan is het zoals het
hoort te gaan zeg maar. Want in de eerste instantie als we moeten afgaan op de
berichtgeving in de kranten, dan was degene wat ik onder kop moord las, ging ik
er vanuit dat het niet waar was,

laat ik het zo zeggen. Dat Wim was betrokken bij dat soort zaken dat stond als een
paal boven water dat was niet zo. Daarna ga je dan door alle verhalen….ik steek
nu mijn hand niet meer voor hem in het vuur. En als je dan nog verder gaat kijken,
ja ik denk nu dat hij wel slachtoffer is van, die hele afpersingsaffaire en hoeverre
hij daar…. Die hem dan fataal zou zijn geworden.”

Kijk hoe Franciscus Johannes de Vlieger, de broer van Erik de Vlieger wordt bevraagd:

“Nee dit is een hele andere tak van sport. Wij doen een, een op een gesprek met
mensen. Wij baseren ons op publicaties van mensen in bladen. Wij hebben
processen-verbaal van de CIE en wij hebben anonieme brieven gericht aan de
Hoofdofficier van Justitie Teeven waar ook de naam van uw broer is genoemd.”

en:

“Er heeft in de FEM gestaan dat Erik werd afgeperst door Israëlische beleggers
bijgestaan door Willem Holleeder. Kunt u daar wat over vertellen?
Dat heb ik ook gelezen. Ik heb het hele verhaal gelezen over de 4 miljoen. Hoe dat
zit weet ik niet. Voor de rest weet ik euh….dat mijn broer terecht voor bewaking
heeft gezorgd. Terecht als er een neger voor je deur staat gewapend en je krijgt
geen bescherming dan ga je jezelf beschermen. Maar zakelijk zou je kunnen
zeggen hij heeft het wel zwaar.”

en:

“Klaas Hummel heeft verklaard in de krant, dat de afpersing door de Israëliërs


zeker geen onzin verhaal is.
Misschien is hij afgeperst ik weet het niet. Hij zal het toch niet zomaar zeggen.
Het is een heel intelligente man. Als hij dat zegt, dan zal hij ook wel op de lijst
staan. Als hij dat nou zegt wat moet ik daar nou mee.”

Van ophouden weten de verbalisanten niet:

“Wij willen het nu gaan hebben over het stuk dat in het NRC heeft gestaan over
Erik.
Ja, ik wist dat jullie er voor zouden komen, maar ik kijk er wel van op. Het is
eigenlijk een kopie van de aangifte van Fernandez. Dat hebben jullie toch wel
gelezen. Fernandez heeft aangifte gedaan en heeft een aantal dingen gezegd. En
dat heeft NRC in de krant gezet. Jullie hebben toch wel de aangifte gezien van
Fernandez.”

Dezelfde methode is beproefd bij de voormalige echtgenote van Erik de Vlieger:

“Wat ik me nou wel kan voorstellen is als je dit in de Panorama, Actueel of de


Telegraaf leest dan is het gewoon geschreven om die bladen te lezen. Maar nu
heeft

het gestaan in het NRC. Nu staat het NRC bekend als een van de toonaangevende
bladen die daadwerkelijk iets schrijven als het ook heeft plaatsgevonden.

Ik heb zelf ook het NRC en De Telegraaf en Het Parool. Het maakt niet uit wat je leest,
maar ik heb wel het vertrouwen dat men het vrij snel met elkaar eens is. En weinig aan
eigen onderzoek doet. De uitzonderingen daargelaten. Het is wel iets wat ik voor mij zelf
denk dat ik niet gelijk meer wat er in de krant staat hetzij NRC, de Volkskrant of wat dan
ook, voor waarheid beschouw. Zij moeten allemaal een verhaal publiceren. Ik lees het
wel maar ik baseer me op feiten.
Ik wil bewijzen horen.

Kijk naar de verklaring van Rolvink-Roelofs, de secretaresse van Endstra en zie hoe niet
de feiten maar de beeldvorming bepalend is:

“Hoe was de sfeer op het kantoor? Kan je met name de negatieve sfeer
aangeven?
Nou in die eerste jaren zijn er natuurlijk invallen geweest. De eerste heb ik dan
niet meegemaakt. Die scheen in februari te zijn geweest. Ik weet niet wanneer de
volgende was, maar daar was ik wel bij. Ik dacht toen he? Wat is dit. Maar goed
… Wim ontkende altijd alles stellig. En ja … Wanneer Holleeder op kantoor
kwam…. Dat was volgens mij eind jaren negentig. Ik kan niet zeggen in dat
jaar…. En ja. Het verhaal dat Wim toen bracht was: Ja God. Die jongen heeft zijn
straf uitgezeten. En verdient hij dan geen tweede kans? En zo…Die man vond ik
op zich wel een nare man.
Waarom?
Nou gewoon. Je weet wat die man heeft gedaan. Hij deed wel aardig. Maar ja…
verder had ik er niets mee in ieder geval.
Hij was naar omdat verleden van hem…
Ja ik vind dat geen prettige persoon om om je heen te hebben. Meer dat idee.
Maar tegen jou was hij….
Nee, nee, nee. Gewoon altijd vriendelijk. Hoi Daan. Hoe is het? Meer niet hoor.
Maar hij deed heel normaal. Maar goed… Hij kwam eerst geregeld. Dat was toen
vriendschappelijk naar mijn mening. Toen kwam hij een tijd niet. Want toen wilde
Wim niet met hem geassocieerd worden in de pers.
Wim wilde daarmee niet geassocieerd worden.
Nee precies. Op een gegeven moment kwam alle negatieve berichtgeving
vreselijk op gang. Hij werd dus altijd samen genoemd. Eigenlijk als een soort
team. Zo werden ze altijd in de kranten vermeld. En hij zei dat hij dat niet meer
wilde. Het werd natuurlijk van kwaad tot erger, die berichtgeving. En hij werd
steeds in een naam genoemd met Holleeder. Of dat er allemaal achter zit weet ik
niet. Maar dat was wat hij in ieder geval naar buiten bracht.”

De secretaresse van Wijsmuller weet waarover de nationale recherche haar wil horen:

“Ik denk wel dat ik weet waar het over gaat, want ik heb stukken in de krant
gelezen over afpersingen van onroerend goed handelaren.”

En even later:

“Kun jij zeggen waarmee die dingen verband houden en waarom?


Ze hebben mij niet gezegd waarom dat gebeurde. We dachten dat het te maken
had met afpersingen. Maar wij wisten helemaal niks. Je leest stukken in de krant.
Je gaat dan denken misschien heeft het daar ook wel mee te maken. Maar ik heb
het er nooit met meneer Wijsmuller over gehad. Dat weet ik dus niet.”

Zie ook:

“Je hebt dat verhaal gehad dat Endstra met Holleeder op dat bankje zaten.
Dat was later, dat is volgens mij ongeveer pas anderhalf jaar geleden (foto is van
zomer 2001 JHK).
In 2002 heb je dat verhaal in de krant gehad dat hij de bank van de onderwereld
zou zijn.Ja maar het was daarvoor al. Het was daarvoor. Meneer Endstra heeft nog
wel een project van ons overgenomen. Dat was het oude rode kruis gebouw op het
Rapenburg. En waarom hij toen wel weer met hem in zee ging, dat vonden wij
heel apart.
Er wordt gezegd dat Endstra afgeperst werd. Dat er geld betaald werd. Heb jij het
idee dat Wijsmuller daar ook deel aan genomen heeft? Dat hij geld geleend heeft
of werd er wel eens over gesproken? Hoe precies?Het idee is dat Endstra moest
betalen. En hij zal toch bronnen moet hebben waar hij het geld vandaan kreeg.
Het verhaal is ook dat hij hier en daar wat toegeschoven kreeg.Ik kan mij haast
niet voorstellen dat Endstra wat toegeschoven kreeg. Ik kan mij niet voorstellen
dat hij geld leende bij Wijsmuller. Hij had Rapenburg juist overgenomen van
Wijsmuller.”

Theo Fransman, met wie Wijsmuller samenwerkte, heeft op 23 augustus 2006 verklaard:

“Ik moet zeggen dat ik het boek De Endstra tapes heb en ik kan zeggen dat ik
Wijsmuller er wel in kan herkennen. Ik kan zeggen dat ik ook wel begrijp dat hij
niets zegt en niets wil verklaren. Ik denk dat hij zijn leven niet meer zeker is.
Zijn er nog andere dingen die u ons zou kunnen vertellen. U zegt dat u de
Endstra tapes heeft gelezen.
Ik kan daar uit opmaken dat Wijsmuller werd gebruikt als loopjongen voor
Endstra. Ik denk ook dat ze allebei hun mond moeten houden in verband met die
Turken.”

Een zelfde geluid is opgetekend uit de mond van Evers, de administrateur van Endstra:

“U vraagt mij of er mij in de periode dat ik voor de familie Endstra werkzaam


ben, zaken zijn opgevallen die in relatie kunnen staan met de afpersing van John
Wijsmuller. Ik kan u zeggen dat ik die niet heb waargenomen. Ik volg natuurlijk
wel

de media en heb ook het boek de Endstra tapes gelezen. Ik verbaas mij over het
feit dat Wim Endstra kennelijk veel zaken heeft kunnen scheiden. Ik heb het idee
gekregen dat er naast het bedrijf van Endstra waarvan ik de boekhouding deed,
zich allerlei zaken hebben afgespeeld waar ik nooit weet van heb gehad.”

Kijk naar de verklaring van Houtman13

“V: Maar daar heb jij wel een idee bij om welke panden het gaat dan?
A: Het is de hele Dam, het staat in de krant ook, die jongens hebben allemaal goed
geïnvesteerd in Endstra en de centen zijn weg en er staan nog een paar lege
panden. En die zijn van niemand meer. En als er dan andere mensen denken er een
slaatje uit te slaan dan krijg je gewoon een waarschuwing, dat is heel simpel. En
eigenlijk is het niet echt onterecht. Je moet het zo zien, jij kan niet zien van te
voren van wie wat is. Er zitten zoveel groepen, de Merwedegroep en dan zit je
naderhand te kijken hoe……., bij de notaris kom je meestal pas achter hoe het
zit.”

Frans Meijer en Jan Boellaard hebben het dan ook niet ten onrechte over veel lawaai van
verslaggevers. Dat belet de verbalisanten niet:

V: In het boek van Endstra wordt herhaaldelijk gezegd dat Willem Holleeder zijn
zwager Cor van Hout heeft doodgeschoten. En dat proberen we dus uit te zoeken.
Feit is dat hij zelf ook heeft aangegeven dat hij zelf doodgeschoten zou worden,
hetgeen ook uiteindelijk is gebeurd. Dan ga je bijna afvragen, wat er nog meer
waar kan zijn van zijn verhaal. Zo zoeken wij ook naar de moordenaars van Gijs,
Kees en Thomas. Is dit een belemmering voor jullie om zo met de politie te
praten?”

Het is zoals Peter Petersen het zegt: van de dingen die je in de kranten leest gaan je
nekharen overeind staan. En ook hem wordt de waarheid van het krantenbericht
voorgehouden:

“V: In de krant staat al een tijd dat de vastgoedwereld bedreigd, afgeknepen en


dergelijke wordt. Wat weet jij daarvan?
A: Ik weet dat het gebeurt, dat heb ik gelezen. Ik bemoei mij er verder niet mee.”

Bij de echtgenote van Friedländer gaat het niet anders:

“Leest u de Telegraaf ?
Ja ik ken de verhalen
Wij verbalisanten laten de getuige een uitdraai zien van een krantenartikel dat
gestaan heeft in de Telegraaf van 7 september 2002. Dit artikel is als bijlage
opgenomen bij dit proces-verbaal. Als je dit leest dan is dat eigenlijk precies wat
er bij u is gebeurd. Leest u het maar even door.
Ja het lijkt natuurlijk heel sterk op dat er een spel gespeeld wordt.
Maar herkent u wat u verteld heeft?

Het gevoel zegt me dat hij me heeft gewaarschuwd of speelt hij een spel. Dat is
nou de vraag namelijk. Kijk hij werd naar voren geschoven door die lui denk ik.
Of het nou met een lulverhaal of weet ik veel wat. En zoals het hier staat denk je
ja zo is het in elkaar gezet.
U herkent dit eigenlijk wat er bij u thuis is gebeurd.
Ja maar dit is eigenlijk geen bevestiging voor mij. Omdat het verhaal met het
meisje ook wel speelde. Of het kwam wel heel goed uit. Maar dat is voor mij
natuurlijk de vraag. Want hij mocht mij graag en daarom heeft hij mij
gewaarschuwd. Daar was ons gezin misschien wel een goede prooi voor hun. En
waarom ze dus dat op Sanne hebben gegooid.”

Rolf Friedlander wordt het volgende feit van algemene bekendheid voorgehouden:

“Wij denken dat u niet alles vertelt. Het is algemeen bekend dat de groep rond
Holleeder vastgoedmagnaten afperst.”

Zelfs de boekhouder van Endstra, de toch enigszins wonderlijke Joop van der Haar van
wiens verklaringen het openbaar ministerie zo graag gebruik maakt laat optekenen:

“Dit heb ik zelf achteraf en achteraf geconcludeerd, hoe de aankoop is gegaan.


Dit is niet op feiten gebaseerd. Het gaat om een vermoeden bij mij. En om
hetgeen ik heb gezien in de stukken. Dat deze aankoop anders is gegaan dan
normaal geschiedt. En het vermoeden is ingegeven door de media en de namen
die je hoort. Toen heb ik de verbanden gelegd”.

2.12.
Het is niet meer dan een betrekkelijk willekeurige greep uit verklaringen die in het
dossier zijn opgenomen. Twee aspecten vallen op. Ten eerste: getuigen zijn beïnvloed
door berichten in de media. Ten tweede: daarop wordt van harte ingespeeld door de
verhorende ambtenaren, die bij voorkeur die mediaberichten gebruiken om een
vermoeden als een feit – en het liefst een feit van algemene bekendheid – te presenteren.
Onder die omstandigheden is echte waarheidsvinding niet meer mogelijk. Aan de hand
van het bekende Zwolsman-criterium brengt ook dat mee dat het openbaar ministerie
niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.13.
Tot slot van dit onderdeel nog het volgende. Termen als bovenwereld en onderwereld
creëren de illusie van de eenvoud. Boven is goed, onder is fout. Van officieren van justitie
die worden geacht het recht te dienen, had ik niet verwacht dat zij in het requisitoir van
dergelijke stereotypen gebruik zouden maken. Maar dat was waarschijnlijk mijn naïviteit.
Ik had moeten beseffen dat in deze zaak alles geoorloofd is om Willem Holleeder als
vijand aan te merken, die uit onze samenleving moet worden gestoten.

I De status van de achterbankgesprekken

3.1.
In de inleiding van het requisitoir hebben de officieren van justitie veel woorden gewijd
aan de juridische status van de verslagen die zijn opgemaakt van de met Endstra op de
achterbank gevoerde gesprekken. De conclusie van dat lange betoog kan ik
onderschrijven. Die verslagen zijn niet als verklaringen van een getuige aan te merken.
Het argument daarvoor is overigens niet dat van een verhoor geen sprake is geweest –
zoals op p. 6 van het requisitoir is gesteld – maar dat een verklaring van een met naam en
toenaam bekend persoon alleen dan als verklaring van een getuige is aan te merken
wanneer die verklaring ter terechtzitting is afgelegd. Zo staat het namelijk in art. 342 lid 1
Sv. De gespreksverslagen zijn evenmin aan te merken als processen-verbaal die door
daartoe bevoegde opsporingsambtenaren zijn opgesteld. Terecht is daarover in het
requisitoir opgemerkt dat aan de formele criteria voor een proces-verbaal niet is voldaan.
De gespreksverslagen zijn dus hooguit als andere geschriften in de zin van art. 344 lid 1
onder 5 Sv te beschouwen. Daaraan komt alleen bewijskracht toe in verband met de
inhoud van andere bewijsmiddelen.

3.2.
Interessanter dan de formele status is de vraag naar de materiële bewijskracht van die
gespreksverslagen. Ook daarover is door het openbaar ministerie uitvoerig gesproken,
maar toch wel wat minder overtuigend.

Natuurlijk, zo zeggen de officieren van justitie, is het belangrijk behoedzaam te zijn.


Endstra kon niet meer worden ondervraagd, soms is het gissen naar de betekenis van zijn
woorden, de context ontbreekt nogal eens, Endstra was de stijlfiguur van overdrijving
niet vreemd en niet kan worden uitgesloten dat Endstra met de waarheid een loopje nam.
Dat zijn op zichzelf behartenswaardige kanttekeningen bij het verhaal van Endstra. Het
probleem is dat de officieren van justitie daaraan vervolgens slechts lippendienst
bewijzen. Ondanks de waarschuwingen die het zelf heeft geuit, laat het openbaar
ministerie in de rest van zijn betoog iedere terughoudendheid varen. Uiteindelijk komt
het dagenlange betoog van de officieren van justitie er immers toch vooral op neer dat
Willem Holleeder een boef is omdat Willem Endstra dat heeft gezegd. Erg consistent is
het requisitoir dan ook niet.

3.3.
Maar er is meer mis met het antwoord van het openbaar ministerie op de vraag naar de
materiële bewijskracht van de gespreksverslagen. Het requisitoir mondt in dat verband uit
in de volgende conclusie:

“De verdediging heeft het recht de inhoud van de gesprekken zo veel mogelijk op
hun betrouwbaarheid te kunnen toetsen. Zij heeft dat gedaan, althans kunnen
doen door de beschikbare banden zelf te beluisteren en te vergelijken met de
schriftelijke uitwerking, en door getuigen daar omheen te doen horen. Voor zover
toetsing niet (meer) mogelijk is, kunnen die gespreksverslagen niettemin dienen
voor het bewijs (…), als hun inhoud

in belangrijke mate door ander bewijs wordt gesteund. Dat andere bewijs is door
het OM in ruime mate aangedragen in de vorm van stukken en getuigen; de
verdediging heeft de mogelijkheid gehad en doorgaans ook benut om die
bewijsmiddelen, vooral de getuigen, op hun betrouwbaarheid te toetsen. Aldus is
aan het recht van de verdediging om belastend materiaal te (doen) onderzoeken
in voldoende mate tegemoet gekomen.”

3.4.
Die voorstelling van zaken is niet juist. Het openbaar ministerie heeft wel ergens een
juridische klok horen luiden, maar weet niet precies waar de klepel hangt. Het juridisch
betoog over de materiële waarde van de op de achterbank gedane uitlatingen van Endstra
moet zorgvuldiger worden opgebouwd en met meer precisie worden weergegeven dan in
het requisitoir is geschied. Ik begin met een algemene uiteenzetting.

3.5.
De jurisprudentie van het EHRM over het horen van getuigen volgt een vast stramien.
Dat is bijvoorbeeld herkenbaar in de uitspraak van het Hof in de zaak Bocos Cuesta tegen
Nederland. Uitgangspunt voor het EHRM is dat getuigen in aanwezigheid van de
verdachte moeten worden gehoord ter openbare terechtzitting. Dat betekent niet zonder
meer dat verklaringen die in het vooronderzoek zijn afgelegd niet voor het bewijs kunnen
worden gebruikt. Maar dan moeten wel de verdedigingsrechten worden gerespecteerd.
Die verdedigingsrechten brengen als regel mee dat de verdachte in de gelegenheid moet
zijn gesteld

“to challenge and question a witness against him when he was making his
statement or at a later stage of the proceedings.”

3.6.
Soms kan die gelegenheid niet worden geboden, door omstandigheden die niet te wijten
zijn aan de strafvorderlijke overheid. Daarvan was bijvoorbeeld sprake in de zaak die
leidde tot EHRM 27 januari 2004, NJ 2004, 668 (Lorsé tegen Nederland): een
kroongetuige werd kort nadat hij tegenover de politie belastende verklaringen had
afgelegd op straat doodgeschoten, een andere kroongetuige belandde kort na zijn
verklaringen in een Marokkaanse cel en kon vervolgens door tegenwerking van de
Marokkaanse autoriteiten niet daadwerkelijk worden ondervraagd. In zo’n geval heeft
volgens het Straatsburgse Hof het volgende te gelden:

“However, if there has been no negligence on the part of the authorities, the
impossibility of securing the appearance of a witness at the trial does not in itself
make it necessary to halt the prosecution. In such a situation it is open to the
domestic courts, subject to the rights of the defence being respected, to have
regard to the statements obtained by the police and the investigating judge, in
particular if the courts can consider these statements to be corroborated by other
evidence before them and the conviction is thus not based solely or to a decisive
extent on those statements.”

3.7
Als het ondervragingsrecht met andere woorden door force majeur wordt geschonden,
komt het aan op de vraag of er voldoende compensatie aan de verdediging is geboden.
Daarmee komt tot uitdrukking dat het EHRM het strafproces in zijn geheel op eerlijkheid
beoordeelt. In de zaak Lorsé kwam het EHRM tot het oordeel dat voldoende compensatie
was geboden. Daarbij werd rekening gehouden met de volgende omstandigheden:

1. De dood van de ene kroongetuige kan de autoriteiten niet worden verweten.


2. De autoriteiten hebben serieus geprobeerd tot een volwaardige ondervraging te
komen van de andere kroongetuige, die in een Marokkaanse cel zat.
3. Aan de verdediging is alle ruimte geboden om de met deze kroongetuigen
gesloten overeenkomsten, de verhoren van deze kroongetuigen en hun motieven,
de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van deze getuigen en de door hen
afgelegde verklaringen te toetsen.
4. De rechters hebben duidelijk behoedzaam geopereerd, en zich daarbij bewust
getoond van de gevaren die zijn verbonden aan het gebruik voor het bewijs van de
verklaringen van deze getuigen.
5. De veroordeling is niet in beslissende mate gebaseerd op de verklaringen van deze
kroongetuigen, maar is juist in verregaande mate bevestigd door ander
bewijsmateriaal.

3.8.
Wat verstaat het EHRM onder voldoende ander bewijsmateriaal? Dat is moeilijk in
algemene zin te beantwoorden. Maar één grens is wel duidelijk. Verklaringen van derden
die in feite niets anders inhouden dan wat zij uit de mond van de niet-gehoorde getuige
hebben vernomen of wat zij uit diens gedrag hebben opgemaakt, zijn niet als ander
bewijsmateriaal en dus niet als compensatie voor de inbreuk op het ondervragingsrecht
aan te merken. Dat blijkt bijvoorbeeld uit P.S. tegen Duitsland. In die zaak werd de
verdachte beschuldigd van seksueel misbruik van een jong meisje. Naast de verklaring
van dat meisje tegenover de politie, werden ook de verklaring van haar moeder – over
datgene wat haar dochter had gezegd en over het gedrag van haar dochter na het
beweerdelijke misbruik – en die van een opsporingsambtenaar – die het meisje had
gehoord – voor het bewijs gebruikt. In dat aanvullende materiaal zag het EHRM geen
compensatie voor de herhaalde afwijzing van het verzoek om het meisje zelf als getuige
te horen. Compensatie is er pas, aldus Schalken in zijn noot onder het arrest, als sprake is
van zelfstandig nieuw bewijs en hij voegt eraan toe:

“Een onjuiste verklaring die door een derde bevestigd wordt, blijft een onjuiste
verklaring. In het strafrecht zou 1 plus 1 dus eigenlijk 1 moeten blijven.”

3.9.
Verklaringen van derden die zeggen van een getuige te hebben gehoord wat die getuige
ook zelf tegenover de politie heeft verklaard, kunnen niet als compensatie gelden voor
een inbreuk op het ondervragingsrecht. Dat is de vaste jurisprudentie van onze Hoge
Raad:

“In aanmerking genomen dat laatstbedoeld bewijsmiddel niet meer inhoudt dan
de verklaring van de grootmoeder dat het slachtoffer de door haar weergegeven
mededelingen heeft gedaan, kan deze door de verdachte betwiste verklaring,
zonder nadere motivering, die ontbreekt, onder de gegeven omstandigheden niet
gelden als voldoende steunbewijs.”

3.10.
Interessant is dat in de uitspraak van het EHRM in de zaak S.N. tegen Zweden nog een
andere vorm van compensatie is genoemd voor een inbreuk op het ondervragingsrecht.
Als een getuige niet of niet meer kan worden ondervraagd, kan namelijk ook het vertonen
van geluids- of beeldopnamen van een politieverhoor compenserend werken.

3.11.
De vraag die daarbij rijst, is of daarbij een selectie mag worden gemaakt en – zo ja – wie
daartoe bevoegd is. Ik herinner eraan dat de verdediging tot op heden vergeefs heeft
gevraagd om te kunnen beschikken over de integrale geluidsopnamen van alle
gesprekken die Endstra op de achterbank heeft gevoerd. Die constatering alleen al is van
belang om het contrast met de zaak Lorsé te benadrukken: in die zaak heeft het EHRM
vastgesteld dat de verdediging alle ruimte had gekregen om de betrouwbaarheid en de
geloofwaardigheid van de niet-gehoorde kroongetuigen te onderzoeken. Zo’n
ruimhartigheid is tot op heden in de strafzaak tegen Willem Holleeder niet te ontdekken.

3.12.
De geluidsbanden van de achterbankgesprekken zijn volgens mij processtukken. Wanneer
daarover anders wordt gedacht, dan verzoek ik het openbaar ministerie op te dragen dat
alle beschikbare banden integraal aan mij ter beschikking worden gesteld – dus zonder
gewiste passages. Dat verzoek baseer ik op de zogenoemde Dev Sol-jurisprudentie van
de Hoge Raad: omdat Willem Holleeder en ik de betrouwbaarheid en de rechtmatigheid
van de door Endstra afgelegde verklaringen betwisten, brengen beginselen van een goede
procesorde mee dat de verdediging de beschikking over die banden, ook al worden zij
niet als processtukken aangemerkt, niet mag worden onthouden.

3.13.
Het openbaar ministerie zal mogelijk tegenwerpen dat uit de Straatsburgse jurisprudentie
geen onbeperkt recht op kennisneming van stukken voortvloeit. Maar die tegenwerping
zou slechts het halve verhaal vertellen. Een absoluut recht op kennisneming is er volgens
het EHRM inderdaad niet, maar een uitzondering op dat recht is slechts toegelaten indien
dat strikt noodzakelijk is. De relevante jurisprudentie daarover volgt de bekende
jurisprudentie over het horen van anonieme getuigen. Dat betekent onder meer dat, naar
mate het materiaal belangrijker is, er minder verborgen mag blijven. Dat betekent
bovendien dat de strikte noodzaak tot afscherming met harde feiten moet zijn
aangetoond.
Dus: als de verklaringen van Endstra van wezenlijk belang worden bevonden door het
openbaar ministerie – en het requisitoir bewijst dat – dan moet het tegelijkertijd
onderkennen dat het eigenlijk gewoon alle banden integraal ter beschikking moet stellen.

3.14.
Nu kan er voor de afscherming van informatie compensatie worden geboden door een
speciale procedure te volgen. In die procedure moet de verdediging dan de gelegenheid
krijgen haar visie te geven op de onthouding van het afgeschermde materiaal. In
Engeland bestaat zo een procedure. Daar is het de zittingsrechter zelf die van het
afgeschermde materiaal kennis neemt en die gedurende de zitting voortdurend moet
toetsen of door de afscherming essentiële verdedigingsrechten worden geschonden. Zodra
die situatie zich voordoet, moet de rechter ingrijpen.
Dan moet ofwel de afgeschermde informatie alsnog prijs worden gegeven, of de
vervolging wordt gestopt. Om die procedure goed te begrijpen, is het van belang te weten
dat in Engeland in beginsel niet de zittingsrechter maar een jury oordeelt over schuld of
onschuld.

3.15.
Dat verschil tussen Nederland en Engeland maakt duidelijk waarom precies dezelfde
procedure hier geen optie is. In Nederland oordeelt de zittingsrechter namelijk over de
bewijsvraag. Als die zittingsrechter dan kennis neemt van afgeschermde informatie –
zoals de gewiste passages van de geluidsbanden van de achterbankgesprekken – wordt
het beginsel van interne openbaarheid geschonden. Dan weet de rechter meer dan de
verdediging, en dat kan in een fatsoenlijk strafproces niet.

3.16.
Dat is dus geen oplossing. Een oplossing is het evenmin om de beslissing dan maar te
laten bij het openbaar ministerie. Daarover is het EHRM volstrekt duidelijk geweest in
zijn uitspraak in de zaak Rowe and Davis tegen het Verenigd Koninkrijk van 16 februari
2000:

“Such a procedure, whereby the prosecution itself attempts to assess the


importance of the concealed information to the defence and weigh this against the
public interest in keeping this information secret, cannot compy with the (…)
requirements of Article 6 par. 1.”

3.17.
Is de inschakeling van de rechter-commissaris dan een goede gedachte? Dat is de optie
die in deze zaak is beproefd. Als de zittingsrechter de integrale banden niet kan
beluisteren in verband met het fundamentele uitgangspunt van interne openbaarheid en
als de officier van justitie niet zelfstandig kan besluiten bepaalde passages achterwege te
laten omdat de Straatsburgse rechtspraak dat verbiedt, dan moet de oplossing maar
worden gevonden in de persoon van de rechter-commissaris. Die wordt immers bij zo’n
beetje ieder strafvorderlijk probleem te hulp geroepen. Het is in het algemeen reeds de
vraag of dat grote vertrouwen in de rechter-commissaris in de praktijk van alledag wel
waar kan worden gemaakt.
Maar nog los van deze algemene kanttekening speelt in dit geval nog veel meer. Wat is er
gebeurd? In zijn proces-verbaal van 4 mei 2006 heeft de (toenmalig) CIE-officier van
justitie Van Straelen opgemerkt dat uit alle gesprekken passages zijn geschrapt. Volgens
Van Straelen gaat het daarbij onder meer om “passages die betrekking hebben op zaken
die geen enkele relatie hebben met het onderzoek Kolbak of Enclave”, om passages
waarin personen werden aangeduid die volgens Endstra “met de CIE praatten of daartoe
bereid zouden zijn” en om passages die de “tactiek van de opsporing en die van de CIE
in het bijzonder” zouden betreffen. Van Straelen zou volgens eigen zeggen hebben
vastgesteld dat die passages geen
ontlastend bewijs of ontlastende aanwijzingen vormen voor enige verdachte in het
Kolbak-onderzoek. Dat mag hij vinden, maar volgens de hiervoor geciteerde uitspraak
van het EHRM heeft zijn standpunt geen enkele betekenis.

3.18.
Die laatste opmerking van Van Straelen is overigens wel typerend voor het Nederlandse
openbaar ministerie. Een officier van justitie ziet zich graag als iemand die niet alleen
aanklaagt, maar ook nog weet wat goed voor de verdachte is. Een officier van justitie
weet namelijk niet alleen wat belastend materiaal is, hij kan ook heel goed beoordelen
wat ontlastend is. Daarvoor is eigenlijk geen verdachte of raadsman nodig.

3.19.
Wat voor de officier van justitie geldt, is ook van toepassing op de rechter-commissaris.
In deze zaak hebben de rechter-commissaris, mr. Scherpenhuijsen-Rom en de griffier
Kooiker op 21 december 2006 een proces-verbaal opgesteld waarin zij mededelen dat zij
de geschrapte passages, zoals door Van Straelen beschreven, hebben beluisterd. Daaruit
blijkt dat nog steeds niet alles wat is gezegd in de gespreksverslagen is opgenomen.
Zaken die geen enkele relatie zouden hebben tot Kolbak of Enclave, mensen die met de
CIE zouden praten of daartoe bereid zouden zijn en passages over de tactiek van de
opsporing, zijn niet opgenomen. Dat heeft de rechter-commissaris besloten. Die
beslissing is in december 2006 genomen. Daarvoor heeft de rechter-commissaris geen
contact gehad met de verdediging. Aan Willem Holleeder of mij is niet gevraagd wat wij
ervan vinden. Voor zover ik weet, is evenmin aan de andere verdachten en hun
raadslieden gevraagd wat zij ervan vinden. Niet in december 2006, en ook niet nadien.
Het gaat dus om een eenmalige toetsing, verricht door een rechter-commissaris die
slechts de opvatting van het openbaar ministerie kende. De toegevoegde waarde van die
toets is nihil. In het licht van de Straatsburgse rechtspraak is namelijk vereist dat een
voortdurende rechterlijke toetsing van de waarde van afgeschermde informatie
plaatsvindt. Daarbij moet de controlerende rechter voortdurend op de hoogte zijn van de
inzichten van de verdediging. Nu aan beide voorwaarden niet is voldaan, is de
inschakeling van de rechter-commissaris een betekenisloos gebaar geweest. Het klinkt zo
leuk, dat de onafhankelijke rechter heeft getoetst, maar het EHRM heeft al eerder laten
zien dat het daar doorheen prikt. De oplossing die in deze zaak is bedacht, miskent met
andere woorden dat de rechter-commissaris niet voortdurend heeft getoetst en binnen de
Nederlandse kaders niet kan interveniëren op het moment dat volgens hem het recht op
een eerlijk proces wordt geschonden.

3.20.
Mijn eerste conclusie is dan ook dat er voor het openbaar ministerie niets anders opzit
dan te kiezen of te delen: ofwel het stelt alle banden integraal ter beschikking, ofwel het
onderkent dat het recht tot vervolging verloren moet gaan. Die banden zijn belangrijk,
daarvan kunnen geen delen achter worden gehouden. Compensatie voor die
afgeschermde informatie is niet geboden, en kan in de Nederlandse verhoudingen ook
niet worden geboden. En als de officieren van justitie niet willen kiezen, dan moet uw
rechtbank de knoop doorhakken door het openbaar ministerie ook op deze grond niet-
ontvankelijk te verklaren. Van een eerlijk proces is geen sprake als de verdediging niet
alle beschikbare banden integraal kan uitluisteren, zonder dat een officier van justitie daar
als filter tussen heeft gezeten. Als niet-

ontvankelijkheid een brug te ver wordt bevonden, dan zullen de gespreksverslagen in


ieder geval van het bewijs moeten worden uitgesloten.

3.21.
Ik maak in dit verband nog een korte opmerking over de relevantie van die
achtergehouden informatie. Het is niet bekend wat Endstra en de CIE-mensen in de
desbetreffende passages precies hebben gezegd. Maar dat betekent niet dat met Van
Straelen kan worden gezegd dat die onderdelen voor de beoordeling van de ten laste
gelegde feiten niet relevant zijn. Zo’n opmerking gaat voorbij aan de kern. Die kern is dat
de verdediging Endstra niet heeft kunnen
ondervragen en dat voor die inbreuk op het ondervragingsrecht alle mogelijke
compensatie moet worden geboden om tot een effectieve toetsing van diens
betrouwbaarheid en geloofwaardigheid te kunnen komen. En hoe belangrijk uitlatingen
van een getuige over iets anders dan de ten laste gelegde feiten in dat opzicht kunnen
zijn, is onlangs nog eens gedemonstreerd in de strafzaak tegen Mink Kok.

Eén van de getuigen die in die zaak zijn gehoord, heeft verklaard dat Kok betrokken zou
zijn geweest bij de moord op Jaap van der Heijden op 8 juni 1993. In andere
verklaringen, die lange tijd door het openbaar ministerie buiten het dossier waren
gehouden, heeft die getuige gesproken over – kort gezegd – gevallen van ambtelijke
corruptie en over bezoeken aan een seksclub door leden van het openbaar ministerie. Een
in opdracht van het College van Procureurs-Generaal verricht onderzoek naar het
waarheidsgehalte van die verklaringen zou hebben geleerd dat die getuige onzin zou
hebben verkocht. Daarop is in de strafzaak tegen Mink Kok door het openbaar ministerie
zelf het standpunt ingenomen dat er teveel vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de
betrouwbaarheid van deze getuige en dat diens verklaringen over de moord op Van der
Heijden dus ook niet voor het bewijs konden worden gebruikt.

3.22.
Wat voor Mink Kok geldt, is ook van toepassing op de strafzaak tegen Willem Holleeder.
Aan de hand van de achtergehouden fragmenten kan zeer wel blijken dat Endstra
onbetrouwbaar en ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd. Hier wreekt zich ook
ten ene male het feit dat, onder meer, de eerste en laatste tussen de CIE en Endstra
gevoerde gesprekken niet werden opgenomen dan wel in het ongewisse geraakten. Die
voor de verdediging essentiële eerste en laatste gesprekken zouden evident aanwezig
moeten zijn, eveneens in het kader van de broodnodige toetsing van de betrouwbaarheid
van hetgeen Endstra vertelde daar op die achterbank en waarom hij dat deed. Dat is de
relevantie.

3.23.
Daarmee is volgens mij een afdoende juridisch kader geschetst voor de beoordeling van
de waarde van de achterbankgesprekken. Als de banden niet integraal ter beschikking
worden gesteld dan wel niet meer integraal ter beschikking kùnnen worden gesteld omdat
ze er niet (meer) zijn, dan moet het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden
verklaard. Het enige open einde is nog de vraag of er voldoende steunbewijs is in de
vorm van andere verklaringen. Daarop kom ik bij de bespreking van de ten laste gelegde
feiten die betrekking op Endstra, Wijsmuller en Friedländer terug. Dan zal worden
nagegaan of de verklaringen van Endstra in verregaande mate worden bevestigd door
ander bewijsmateriaal dat niet bestaat uit verklaringen van getuigen die slechts verhalen
uit de mond van Endstra hebben gehoord dan

wel of er òbjectief steunmateriaal voorhanden is dat niet (in)direct uit de koker van
Endstra komt.
IV De inbreuken op het verschoningsrecht en de geheimhoudingsplicht

4.1.
In zijn pleitaantekeningen voor de terechtzitting van 4 januari 2007 heeft mijn
voorganger, mr. A. Moszkowicz, al aandacht besteed aan de verklaringen van zijn
voormalige secretaresse De Witt vanuit het perspectief van het verschoningsrecht en de
geheimhoudingsverplichting. Dat perspectief is ook van belang voor andere informatie
die is verkregen over en van mr. Moszkowicz en diens kantoor.

4.2.
Laat ik op dit punt ook beginnen met wat algemene beschouwingen. Het
verschoningsrecht van de advocaat is gebaseerd op het algemene rechtsbeginsel dat
eenieder zich zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene voor advies en
bijstand moet kunnen wenden tot een advocaat – als professioneel vertrouwenspersoon –
waaraan het maatschappelijk belang van de waarheidsvinding ondergeschikt is.

Dat verschoningsrecht staat in nauw verband met de geheimhoudingsplicht van diezelfde


advocaat. Opzettelijke schending van het beroepsgeheim is strafbaar gesteld in art. 272
Sr. Bovendien is de geheimhoudingsplicht vastgelegd in regel 6 van de Gedragsregels
voor advocaten, in relatie tot de algemene norm van art. 46 Advocatenwet.

Het verschoningsrecht van advocaten vindt tevens erkenning in de uitleg die het EHRM
geeft aan art. 6 EVRM. Onder meer in zijn uitspraak in de zaak Niemietz heeft het Hof
een relatie gelegd tussen een inbreuk op het beroepsgeheim enerzijds en “the proper
administration of justice and hence (…) the rights guaranteerd by Article 6 of the
Convention” anderzijds.
De uitspraak van het EHRM in de zaak Niemietz is in nog een ander opzicht van belang.
Het Straatsburgse Hof onderkent namelijk dat een onderscheid tussen zakelijk en privé
niet altijd gemakkelijk is te maken:

“There appears, furthermore, to be no reason of principle why the


understanding of the notion of private life should be taken to exclude
activities of a professional or business nature since it is, after all, in the
course of their working lives that the majority of people have a significant,
if not the greatest, opportunity of developing relationships with the outside
world. This view is supported by the fact that (…) it is not always possible
to distinguish clearly which of an individual’s activities form part of his
professional or business life and which do not. Thus, especially in the case
of a person exercising a liberal profession, his work in that context may
form part and parcel of his life to such a degree that it becomes impossible
to know in what capacity he is acting at a given moment of time.”

4.3.
Die Straatsburgse wijsheid laat zien dat het verschoningsrecht niet eenvoudig kan worden
weggezet met de mededeling dat het gaat om informatie die niet aan de advocaat in zijn

hoedanigheid van vertrouwenspersoon is toevertrouwd. Onduidelijke scheidslijnen tussen


zakelijk en privéleven betekenen dat – gelet op het fundamentele rechtsbeginsel dat door
EHRM en Hoge Raad steeds weer wordt benadrukt – een ruim toepassingsbereik aan dat
verschoningsrecht moet worden toegekend.

Dat ruime bereik komt in tal van facetten van de jurisprudentie over het
verschoningsrecht tot uitdrukking. Informatie die niet van een cliënt is verkregen maar
van een derde, kan bijvoorbeeld gelden als wetenschap die de advocaat in het kader van
zijn beroepsuitoefening is toevertrouwd. En ogenschijnlijk neutrale gegevens, zoals de
personalia van een cliënt, kunnen eveneens onder het bereik van het verschoningsrecht
vallen.

HR 24 januari 2006, NJ 2006, 109 respectievelijk onderdeel 3 van de


annotatie van Knigge onder HR 29 juni 2004, NJ 2005, 273 en Hof
Amsterdam 9 september 2002, Nieuwsbrief Strafrecht 2002, 284.

Bovenal komt het ruime toepassingsbereik van het verschoningsrecht tot uitdrukking in
de vaste jurisprudentie dat het primair aan de advocaat zelf is te bepalen wat onder zijn
verschoningsrecht valt. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat de informatie onder
dat recht valt, moet dit standpunt, behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden, door
politie en justitie worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan
bestaan dat dit standpunt onjuist is.
Zie bijvoorbeeld de arresten van de Hoge Raad van 12 februari 2002 en
van 29 juni 2004, ook vaste jurisprudentie.

4.4.
Er zijn dus twee ontsnappingsroutes voor degenen die in dat verschoningsrecht een lastig
obstakel zien. Ten eerste kunnen zij stellen dat reeds bij een marginale beoordeling blijkt
dat het beroep van de advocaat op dat verschoningsrecht onjuist is. Dat beroep moet dan
evident onjuist zijn. Ten tweede: in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan een terecht
beroep op dat verschoningsrecht toch opzij worden geschoven. Er zijn omstandigheden
denkbaar waarin het belang van de waarheidsvinding toch moet prevaleren boven het
belang dat met het verschoningsrecht is gemoeid. Tot op heden is in de jurisprudentie van
de Hoge Raad zo’n uitzonderlijke omstandigheid in zaken die advocaten betreffen slechts
aangenomen indien de advocaat ervan wordt verdacht als het ware “in functie” ernstige
strafbare feiten te hebben begaan in samenwerking met zijn cliënt.

En tot slot geldt, en dat is voor deze zaak niet onbelangrijk, het verschoningsrecht niet
alleen voor de advocaat maar ook voor de mensen die bij hem in dienst zijn. Zij hebben
een afgeleid verschoningsrecht, en een dito geheimhoudingsplicht.

4.5.
Als dit juridische kader wordt afgezet tegen de wijze waarop in deze zaak is
omgesprongen met het verschoningsrecht en de geheimhoudingsplicht, dan ligt – om het
openbaar ministerie

te parafraseren – een onthutsend beeld op tafel. Ik stel daarbij twee opmerkingen voorop.
In het dossier noch anderszins is op enigerlei wijze gebleken dat het
standpunt van mr. Moszkowicz over de inhoud en de reikwijdte van zijn
verschoningsrecht in redelijkheid niet als juist kan worden aanvaard. Bovendien was en is
mr. Moszkowicz geen verdachte. Dat betekent dat beide ontsnappingsroutes zijn
afgesloten om de inbreuk op het verschoningsrecht alsnog gelegitimeerd te achten.

4.6.
Mevrouw De Witt is actief door de politie benaderd om verklaringen af te leggen over
informatie die zij als secretaresse van mr. Moszkowicz – en dus als iemand met een
afgeleid verschoningsrecht – heeft vergaard. Reeds dat enkele feit geeft aan dat het
openbaar ministerie niet weg kan komen met de opmerking dat mevrouw De Witt zelf
heeft besloten geen beroep te doen op dat recht. Zij is actief en doelbewust benaderd, en
daarmee heeft de strafvorderlijke overheid de hand gehad in de inbreuk op één van de
pijlers waarop het Nederlandse strafproces berust en op één van de pijlers die volgens
Straatsburg het recht op een eerlijk proces vorm geven. Niet mevrouw De Witt maar mr.
Moszkowicz had bovendien een stem moeten hebben in het antwoord op de vraag of
afstand van dat verschoningsrecht kon worden gedaan. Dat is aan de advocaat, niet aan de
secretaresse. Het is bepaald jammer dat het openbaar ministerie dat in het requisitoir niet
wil begrijpen. Maar dat begrijp ik ook wel weer, zou Willem Holleeder zeggen.

4.7.
De keuze van mevrouw De Witt brengt mee dat zij een strafbaar feit heeft gepleegd. Zij
heeft zich schuldig gemaakt aan de overtreding van art. 272 Sr. Degenen die haar hebben
gehoord, zijn daaraan minst genomen medeplichtig geweest. Als de strafvorderlijke
overheid aldus aanzet tot een strafbare gedraging, mag zij niet profiteren van de aldus
verkregen vruchten. Alleen al daarom moeten haar verklaringen van het bewijs worden
uitgesloten.

4.8.
Uit de pleitaantekeningen van mr. Moszkowicz voor de terechtzitting van 4 januari 2007
blijkt dat dit optreden geen incident is geweest en dat ook een andere secretaresse
bijvoorbeeld bij herhaling is benaderd om een verklaring af te leggen. En mr. Comans,
zijn juridisch medewerker, is gehoord. Bij de belastingdienst is informatie opgevraagd
over alle medewerkers van het kantoor van mr. Moszkowicz. Er zijn tekstberichten van
mr. Mozskowicz die per mobiele telefoon zijn verzonden in het dossier opgenomen. Er is
een proces-verbaal opgesteld van een kennelijk vertrouwelijk gesprek dat mr.
Moszkowicz heeft gehad met onder meer de toenmalig CIE-officier van justitie Van
Straelen.

4.9.
Dat alles bijeen creëert het onthutsende beeld dat stelselmatig pogingen zijn ondernomen
om de positie van mr. Moszkowicz als verschoningsgerechtigd geheimhouder onderuit te
halen. Dat raakt de positie van Willem Holleeder direct. Hij is namelijk degene die
aanspraak kan maken op de bescherming die voortvloeit uit het verschoningsrecht en de
daarmee verbonden geheimhoudingsplicht. Dat het hier gaat om belangrijke voorschriften
behoeft nauwelijks

betoog. Dat de verklaringen van De Witt van het bewijs moeten worden uitgesloten
behoeft, na hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt, evenmin nog enige toelichting.
V Wijsmuller

5.1.
Helemaal bont en blauw is Wijsmuller geslagen, op zijn kantoor, waar iedereen bij was.
Aldus Willem Endstra in het derde gesprek op de achterbank: “niet een klein klapje
hoor”. Op onnavolgbare wijze hebben de officier van justitie in hun requisitoir
geprobeerd dat als een betrouwbare verklaring af te schilderen. Dat andere getuigen
hooguit spreken van stemverheffing, gerommel met stoelen en een kapotte asbak en op
geen enkele wijze van mishandeling, bont en blauw, is voor het openbaar ministerie niet
van belang. Ik citeer maar het requisitoir:
“Vooraf gaan wij in de op de vraag of Endstra alleen geloof verdient als wat hij
hierover heeft verklaard letterlijk en exact klopt, of dat zijn opmerkingen ook voor
het bewijs bruikbaar kunnen zijn als de strekking van zijn verhaal wordt
bevestigd, namelijk dat Wijsmuller geruime tijd vóórdat Endstra dit vertelde op
zijn kantoor is mishandeld.”

5.2.
Het staat er echt, in het requisitoir.
Dat is klaarblijkelijk waarheidsvinding à la het openbaar ministerie. We geloven
Wijsmuller ook als het niet klopt. Het is bijna een tekst voor een tegeltje. Maar op
tegeltjes mogen alleen levenswijsheden komen te staan. En dat is deze uitspraak zeker
niet. Het wordt helemaal bizar als wordt onderkend dat hetzelfde openbaar ministerie er
in hetzelfde requisitoir over dezelfde zaak Wijsmuller erop aandringt om de
gespreksfragmenten van Endstra letterlijk op je te laten inwerken: dan zou blijken dat
Endstra zich oprecht zorgen maakte over zijn vriend Wijsmuller. We moeten Endstra toch
niet letterlijk volgen volgens het openbaar ministerie?

5.3.
Ik heb nog een mooie passage uit het requisitoir in de aanbieding. Sprekend over
Wijsmuller, merken de officieren van justitie op:

“(…) het feit dat hij zich de door Endstra genoemde ontmoetingen niet kan
herinneren, geeft steun aan de stelling dat ze ook daadwerkelijk hebben
plaatsgevonden.”

Als het openbaar ministerie met die opmerking heeft geprobeerd humoristisch te zijn, dan
kan ik u melden dat ik er niet om kan lachen.

5.4.
Ik stel vast dat het openbaar ministerie in de zaak Wijsmuller heeft betoogd dat er een
directe vermogensrelatie is te leggen tussen Wijsmuller en Turfanda: de overdracht van
Villa Skyros. Dat is belangrijk en opmerkelijk. Directe geldstromen zijn dus wel van
belang, volgens het openbaar ministerie. Als dat zo is, dan zou de officieren van justitie
enige mate

van consequentie hebben gesierd: dan is dus in ontlastende zin, voor alle vermeende
afpersingszaken, van belang dat er nergens in het toch bepaald omvangrijke dossier ook
maar
één geldstroom van een vermeend slachtoffer naar Willem Holleeder is getraceerd. Maar
misschien is het wel naïef om te denken dat het openbaar ministerie consequent
redeneren hoog in het vaandel heeft staan.

5.5.
Ik wil verder aan de ten laste gelegde feiten die op Wijsmuller betrekking hebben niet
teveel woorden vuil maken. Het openbaar ministerie heeft voor beide feiten vrijspraak
gevorderd. De argumenten die ze voor dat deel van het requisitoir aandragen, deugen
gelukkig wel. Alleen Endstra heeft iets gezegd over een mogelijke rol van Willem
Holleeder in de vermeende afpersing van Wijsmuller. Maar die uitspraken van Endstra
zijn wisselend, niet consistent. En meer is er niet tegen Willem Holleeder. Alleen wat
uitspraken van mensen die Endstra als bron opvoeren. En dan geldt de juridische regel
die ik hiervoor heb uiteengezet: op één zo’n getuige, die door de verdediging niet kan
worden ondervraagd, mag een bewezenverklaring nimmer worden gebaseerd.

5.6.
Juridisch is een bewezenverklaring dus niet mogelijk. Wat de officieren van justitie
vergeten zijn te zeggen, is dat de uitlatingen over Wijsmuller de onbetrouwbaarheid van
Endstra’s uitspraken op de achterbank aantonen. Dat is de tweede reden voor vrijspraak
van deze onderdelen van de tenlastelegging. Daarvoor is eigenlijk alleen maar nodig om
te onderkennen dat – anders dan het openbaar ministerie volhoudt – voor de beoordeling
toch echt cruciaal is dat die uitspraken kloppen. Wat niet klopt, kan niet worden gebruikt.
Zo simpel is het.

VI Friedländer

6.1.
Al eerder in mijn pleidooi heb ik een opmerking geciteerd van de verbalisanten die
Friedländer op 25 augustus 2005 hebben verhoord:

“Wij denken dat u niet alles vertelt. Het is algemeen bekend dat de groep rond
Holleeder vastgoedmagnaten afperst.”

6.2.
Als uw rechtbank die mening onderschrijft, moet Holleeder worden veroordeeld. Feiten
van algemene bekendheid behoeven namelijk geen bewijs. Dan is het niet van belang dat
ook in deze zaak ieder bewijs ontbreekt. Dat is, ik zeg het nog eens, niet nodig voor feiten
van algemene bekendheid. Ik aarzel daarom of ik nog wel verder moet pleiten. Volgens
de nationale recherche zou ik dan namelijk feiten van algemene bekendheid betwisten.
Als ik dan de tenlastelegging bestrijdt, dan zou ik kennelijk tegen windmolens vechten en
dus hartstikke gek zijn. Daarom vraag ik voor de zekerheid maar aan uw rechtbank of het
volgens u een feit van algemene bekendheid is dat “de groep rond Holleeder
vastgoedmagnaten afperst.” Want als u dat ook vindt, dan stop ik nu en zijn we vandaag
allemaal lekker vroeg thuis, of in Scheveningen natuurlijk.

6.3.
Aan de zaak Friedländer ligt een beeld van een tumultueus liefdesleven van Pel
Friedländer ten grondslag. Deze zou in 1998 omgang hebben gehad met Sanne Berding,
en in 1999 met Pauline Nuisker. Maar alleen had hij die dames niet. Sanne zou het ook
met Mieremet hebben aangelegd, en Pauline zou haar liefde ook geven aan Jesse
Remmers.
Rolf, de vader van Pel, zou daarvan vooral last hebben gehad. In 1998 zou hij in verband
met Sanne zijn afgeperst door Mieremet, Klepper, Femer, De Kok en Willem Holleeder.
En op 7 december zou zijn auto zijn beschoten in verband met Pauline. Dat is het
basisidee van het openbaar ministerie.

6.4.
Willem Endstra heeft op de achterbank niet veel over Friedländer gezegd. Friedländer
zou hebben betaald, omdat zijn zoon met dat meisje van Jan Steen ging en zij ook met
Mieremet scharrelde. De naam van Willem Holleeder valt in dit verband alleen in het
tweede gesprek en in het derde gesprek, en wel in de volgende passages:

“Je hebt er nog eentje die ook wat gaat zeggen, die man van dat ijshockeyteam. (J
noemt de naam: Friedländer). Ja, hij was als de dood. Ik moest toen met hem
gaan praten van Willem Holleeder. Dat hij het alleen maar had gedaan om hem te
helpen en zo. (…) Hij was bang dat hij een aangifte zou doen.”

En:

“Hij is toch een nette man. (…) Hij was inderdaad bang. En eh.. ik moest ook van
Willem aan hem vragen om geen aangifte te doen. Daar was Willem bang voor.”

6.5.
Willem Holleeder zou bang zijn dat Friedländer aangifte zou doen. Dat is een
opmerkelijke uitspraak. In de eerste plaats, omdat de uitlating van Endstra toch vooral
ontlastend voor Willem Holleeder is. Zij bevestigt immers wat Willem Holleeder ook uw
rechtbank heeft verteld: hij heeft slechts Friedländer gewaarschuwd. In de tweede plaats,
omdat Endstra op dit punt een ander beeld schetst dan hij en het openbaar ministerie op
andere plaatsen schetsen. Ik heb in het requisitoir nogal eens gehoord dat mensen die
zouden zijn afgeperst geen aangifte willen doen en geen belastende verklaring willen
afleggen omdat ze doodsbang zijn voor Willem Holleeder. Maar hier wordt het ineens
anders: Willem Holleeder is bang voor een aangifte. Misschien dat de officieren van
justitie mij bij repliek willen uitleggen wie nu volgens hen voor wie bang is. Ik snap het
namelijk niet meer.

6.6.
Willem Holleeder heeft verklaard dat en waarom hij Friedländer heeft gewaarschuwd.
Mieremet was woest toen hij in de auto stapte: de ex van Sanne was lastig en moest dood.
Hij heeft uitgelegd dat Ankie Oudt een ex-geliefde is en dat hij zodoende wist wie Rolf
Friedländer is. Daarom voelde hij zich verplicht naar Friedländer te gaan. Ik weet het: dat
soort menselijke gevoelens dicht het openbaar ministerie niet toe aan Willem Holleeder.
Dat is immers een man die er zelfs niet voor terugdeinst een voormalige partner af te
persen. Want daar komt dit ten laste gelegde feit gewoon op neer. Ankie is immers
getrouwd met Rolf.

6.7.
Te gek voor woorden, vond Willem Holleeder het, de moordopdracht. Dat is ook te gek
voor woorden. Daar zullen we het snel over eens zijn. Luister naar wat Bas van Hout
daarover heeft gezegd:

“(…) Friedländer. Het verhaal dat nu zo’n beetje overal verteld wordt. Dat is bij
mijn weten correct. Omdat ik het van de betrokkenen zelf heb gehoord. Van
Klepper en van Mieremet. Dat ze de zoon van Friedländer, die had een vriendin.
Die vriend kwam op een gegeven moment thuis en die vriendin ging vreemd.
Maar dat kan een lul verhaal zijn want ze moesten natuurlijk een aanleiding
hebben. Mieremet wilde hem laten vermoorden. En nou weet ik dat er iemand
anders is die daar lucht van heeft gekregen en dat diegene Klepper daarop heeft
aangesproken. Dat vertelde Klepper mij hè. Die vertelde dat diegene een
dissonant was. Hij had geen respect voor hem. Zijn reputatie was heel anders dan
de buitenwereld dacht. Hij sprak niet respectvol over hem. Hij noemde woorden
als …. ik zoek nu even naar de woorden maar het kwam erop neer dat het ging om
iemand die anti geweld was. In dat milieu word je beoordeeld op de mate waarop
je power of sterk bent of wat dan ook. Maar hij was door de mand gevallen in dat
opzicht. Want als er geweld aan te pas kwam dan was hij in geen velden of wegen
te bekennen. In dat geval van Friedländer zag hij het helemaal niet zitten. (…) In
het geval van Friedländer was het geval dat hij Klepper erop had aangesproken
of hij wel goed bij zijn hoofd was. Dat hij een jongen wilde vermoorden

omdat hij bij zijn vriendin was geweest. Maar daar was niet veel voor nodig want
in Diemen hadden ze ook wel eens keer iemand vermoord die over Ria had gezegd
dat ze kromme benen had. (..) Wat ik van Klepper heb gehoord is hij degene
geweest die geïntervenieerd heeft toen hij erachter kwam dat dat allemaal zou
gaan gebeuren. Klepper heeft Mieremet er van weten te overtuigen. Er werd ook
denigrerend over Holleeder verteld over dit soort onderwerpen. Als het op geweld
aankwam dan lag hij altijd dwars zei Klepper. (…)”

En, iets verderop:

“Nee, hij heeft gezegd ben je wel goed bij je hoofd. Omdat iemand bij een meisje
op bezoek gaat om die te willen vermoorden. Hij heeft gezegd sporen jullie niet of
zo (…)”

En in vraag- en antwoord variant:

“(…) Ik vraag hier naar omdat je net aangaf dat Holleeder je een verhaal verteld
heeft dat hij ervoor heeft gezorgd dat de zoon van Friedländer niet vermoord
werd. Dat hij daar een soort van reddende engel in geweest is.
Dat heeft hij mij niet verteld. Hij heeft het mij bevestigd. Hij is niet zo naar mij
toegekomen zo van ik de zoon van Friedländer. ..Hij vond het vervelend dat ik die
informatie had.
Wat zei je toen?
Hij zei dat klopt. Zo is dat gegaan. Het waren twee psychopaten bij elkaar. Die
Mieremet was nog erger dan Sam. Want Sam kon je nog wel redelijk op in praten.
Mieremet was de gek volgens Klepper. Dat was degene die de moordaanslagen
uitdeelde (…).”

6.8.
Ter terechtzitting van 13 september 2007 heeft Van Hout dit nog eens bevestigd. Hij
hoorde het verhaal van Sam Klepper, en Willem Holleeder heeft het bevestigd. Willem
Holleeder vond het achterlijke idioten omdat ze – Klepper en Mieremet – op die manier
met dat soort zaken omgingen. En:

“Holleeder heeft ingepraat op Klepper en die is gezwicht. Hij heeft gezegd dat het
raar was om een buitenstaander, niet zijnde een crimineel, iets aan te doen alleen
maar omdat hij vreemd ging met het meisje van Mieremet.”

6.9
Willem Holleeder hoeft geen lintje te hebben omdat hij Friedländer heeft gewaarschuwd.
Hij is geen bijzonder nobel mens omdat hij het niet echt een goed idee vond Pel uit de
weg te laten ruimen omdat deze zoon van Rolf Friedländer met hetzelfde meisje als
Mieremet vree. Maar het is toch wel een beetje bizar dat het openbaar ministerie de door
Willem Holleeder afgelegde verklaring ongeloofwaardig vindt omdat een moord zonder
enige goede reden niet voor de hand ligt. Het ligt niet voor de hand om iemand van buiten
de penoze zo maar te

doden, hebben zij betoogd. Holleeders verklaring dat hij dat ook vindt en dus naar Rolf
Friedländer is gegaan, is daarom ongeloofwaardig. Maar dan is die verklaring
ongeloofwaardig omdat Willem Holleeder het een keer met het openbaar ministerie, op
dit
specifieke punt, eens is. Dat is wel één van de meest wonderlijke bewijsredeneringen die
ik ooit heb gehoord.

6.10.
Het openbaar ministerie vindt de verklaring van Van Hout nauwelijks bruikbaar. Van
Hout zou namelijk geheel afhankelijk zijn van wat Klepper, Mieremet en Holleeder en
een mysterieuze allesweter hem hebben verteld. Als dat een serieus argument is, dan is
ook het requisitoir nauwelijks bruikbaar: de officieren van justitie zijn namelijk geheel
afhankelijk van wat Endstra ze heeft verteld. Maar die consequentie trekt het openbaar
ministerie nou weer niet.

6.11.
In een telefoongesprek heeft Ankie Oudt over “de eerste zaak” opgemerkt:

“Ja toch van die Holleeder die aan de deur is geweest.”

6.12
Uw rechtbank moet goed opletten hoe het openbaar ministerie met die opmerking
omspringt. De eerste zaak zou betrekking hebben op “een oud probleem met Holleeder”,
“een kwestie met Holleeder” of “die eerste zaak betreffende Holleeder” en “met
betrekking tot Holleeder”.
Sterker nog: van die ene zin worden ineens “gesprekken” gemaakt die gaan over de
“eerdere bedreiging en afpersing door Klepper, in samenwerking met Holleeder”. Een
zaak van, wordt in het requisitoir heel soepeltjes een probleem of kwestie met. Het is een
subtiel verschil, maar een bepaald belangrijk verschil. Want als het openbaar ministerie
die redeneerwijze doorzet, heb ik straks ook een probleem: wanneer ik als advocaat zeg
dat deze zaak van mij is, betekent dat volgens de officieren van justitie dat ik een
probleem met hen heb.

6.13.
Zo raar lijkt het mij overigens niet dat Ankie Oudt de eerste zaak die van Holleeder
noemt. Hij heeft haar man immers gewaarschuwd, en met hem – Holleeder – heeft ze in
het verleden een relatie gehad.
6.14
Dan het interview van Mieremet met John van den Heuvel. Belangrijk volgens het
openbaar ministerie, ook in de zaak Friedländer. Mieremet zou namelijk uit de doeken
hebben gedaan hoe het allemaal in zijn werk ging:

“Op een zeker moment werd dan het verhaal opgehangen dat Sam en ik het op
een bepaalde zakenman hadden voorzien. Holleeder kwam dan met een
oplossing: hij kon
zogenaamd voorkomen dat er geweld zou worden gebruikt, maar dan moest er
wel grof worden betaald.”

Behalve Dennis Prins heeft niemand op enig moment gezegd dat het bij Friedländer zo is
gegaan. Alleen Dennis Prins beweert dat hij het zo min of meer van Endstra heeft
gehoord, maar op de achterbank heeft Endstra zich zo bepaald niet uitgedrukt. En dat is
belangrijk. Zelfs in de door het openbaar ministerie zo authentiek gevonden verklaringen
van Oudt en Rolf Friedländer tegenover de nationale recherche, wordt nergens gezegd dat
Willem Holleeder heeft gezegd dat hij het kon oplossen als er maar geld werd betaald.
Iets anders gezegd: het is dus zelfs volgens de verklaringen die het openbaar ministerie
als geloofwaardig en betrouwbaar bestempelt, niet zo gegaan als Mieremet als de
gebruikelijke methode heeft geschilderd. Dan heeft Willem Holleeder dus geen strafbare
rol gespeeld in de “eerste zaak”.

6.15.
Laat ik het nog anders zeggen. Zelfs als uw rechtbank geneigd zou zijn om met het
openbaar ministerie geloof te hechten aan de verklaringen van Friedländer en zijn vrouw
bij de nationale recherche kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen. Er blijkt
namelijk niet dat Mieremet, Klepper en Willem Holleeder het gezamenlijke opzet hadden
om Friedländer af te persen. Zelfs als wordt gedacht dat Holleeder aan de deur kwam,
verdween en dat toen meteen Klepper opdook, kan daaruit namelijk dat gezamenlijke
opzet niet volgen. Volgens Friedländer en Oudt was Willem Holleeder al verdwenen,
toen Sam Klepper als een gek uit zijn slof schoot. Meer dan aanbellen heeft Holleeder
niet gedaan. Hij is niet nog eens teruggekomen om op de door Mieremet gesuggereerde
wijze dat probleempje op te lossen. Daarvoor werden juist De Kok en Femer ingezet. Dat
Willem Holleeder bij die tactiek betrokken was, blijkt werkelijk nergens uit. Ankie Oudt
heeft nooit “puur en ongezouten” – zoals dat in het requisitoir heet – de bedenkelijke rol
van Willem Holleeder benoemd; wat zij en haar man bij de nationale recherche hebben
verklaard over Willem Holleeder, is namelijk niet bedenkelijk. Dat maken de officieren
van justitie ervan, maar dat staat er niet.
6.16.
Uw rechtbank weet dat Oudt en Friedländer bij de rechter-commissaris anders hebben
verklaard dan bij de nationale recherche. Door een bovenmenselijke gave weten de
officieren van justitie evenwel precies waarom de latere verklaringen niet authentiek zijn,
en de aanvankelijke verklaringen wel. Uw rechtbank weet dat uit de door Mink Kok
afgelegde verklaring blijkt dat Willem Holleeder geen gezamenlijk opzet met Mieremet
en Klepper had, integendeel. Uw rechtbank weet dat Friedländer en Oudt hebben
verklaard dat Holleeder niets anders heeft gedaan dan hen waarschuwen. U heeft kunnen
lezen dat de buurvrouw, Caro de Vries, heeft verklaard dat Willem Holleeder niet één van
degenen was die Rolf Friedländer

dreigend toesprak. Als het goed is, heeft u net zo min als ik enige geldstroom – direct of
indirect – tussen Friedländer en Willem Holleeder kunnen traceren.

6.17 .
Nogmaals: een lintje hoeft Willem Holleeder niet. Maar om hem te vervolgen omdat hij
iemand heeft gewaarschuwd voor Klepper en Mieremet, lijkt me wel het andere uiterste.
Ik vertrouw erop dat uw rechtbank dat ook inziet, en ook van dit feit zal vrijspreken.
VII en VIII Houtman

7.1.
Ten aanzien van de zaak Houtman herhaal ik ten eerste de twee verweren die ik op de
zittingen van 2 april en 24 september 2007 heb gevoerd. Beide verweren strekken tot
niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van Willem Holleeder
ten aanzien van de feiten die op Houtman betrekking hebben.

Ik zal ze hier niet uitgebreid beschrijven. Daarvoor verwijs ik uw rechtbank naar de


pleitnotities van 2 april 2007 en 24 september 2007, de reactie daarop van het openbaar
ministerie en ook naar de processen-verbaal van die zittingsdagen.

Omdat ik de jurisprudentie van de Hoge Raad ken zal ik beide weren kort nogmaals
aanstippen.

A Het eerste verweer ziet op het door het openbaar ministerie willens en wetens
doen aanmerken van Maria Houtman als bedreigde getuige ex art. 226a Sv. Dat
wilde men enkel en alleen om het beeld dat ten aanzien van Willem Holleeder
bestond overeind te houden. Een beeld dat in eerdere jaren werd gecreëerd als zou
hij een niets ontziende topcrimineel zijn die niet op een mensenleven meer of
minder kijkt.
Op grond van wettig bewijs dient de rechter de overtuiging te krijgen en niet
andersom. Het openbaar ministerie heeft getracht om het systeem van de wet om
te draaien, uiteindelijk louter ten behoeve van een jegens cliënt te voeren oneerlijk
proces.
Een en ander raakt direct de beginselen van een goede rechtspleging (w.o. de
zorgvuldigheid, en het verbod van détournement de pouvoir) en het daarmee
samenhangende recht op een eerlijk proces ex art. 6 EVRM.
B Het tweede verweer ziet op de juridische doodzonde om de verdediging niet uit te
nodigen voor een ‘aanvullend’ verhoor dat werd afgenomen van mevrouw
Houtman naar aanleiding van haar verklaring van 3 november 2005.
In dat aanvullende verhoor werd er overduidelijk en op instigatie van de officier
naar toegewerkt om, buiten de verdediging om, alle ontlastende, in elk geval niet
belastende, antwoorden van mevrouw Houtman in haar verklaring van 3
november 2005 om zeep te helpen.

Beide situaties in onderling verband en samenhang bezien, maar ook op zich zelf staand,
dienen te leiden tot de uitspraak van uw rechtbank dat het openbaar ministerie niet-
ontvankelijk zal worden verklaard in de zaak Houtman.

Subsidiair zal het aanvullende verhoor van mevrouw Houtman van het bewijs dienen te
worden uitgesloten.

7.2.
Dan nu de feiten. Eerst maar weer enkele citaten waarvan het dossier over loopt:

“Iedereen in Amsterdam wijst naar Holleeder. Ik zie het een beetje als in een
voetbalstadion; als er één gek wordt, worden er drie gek en opeens het hele vak.”

aldus Quino Wilkes.

En Han Reep zegt het zo:

“U houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat ik vermoed dat Maria en de
kinderen van Cees bang waren voor Willem Holleeder door de media. U vraagt
mij of ik dat idee heb gehad, voordat Willem Holleeder in de media werd
genoemd.
Nee.”

7.3.
Voor de verandering gaat het bij deze zaak eens niet om iets wat Endstra-gerelateerd is,
niet in woord noch in geschrift. Dat kan ook niet want de CIE-informaties ten aanzien
van ‘Dikke Peter’, een voorheen gewapende zakenpartner van Houtman, dateren pas
vanaf 27 oktober 2004. Vijf-en-een-halve maand na de liquidatie van Endstra.

Die eerste info luidde letterlijk als volgt:


“(…) Dikke Willem, een zakenrelatie van Kees Houtman, heeft recent aan Willem
Holleeder een geldbedrag van rond de 1 miljoen euro moeten betalen. Willem
Holleeder heeft dit geld van “Dikke Willem” opgeeist en gekregen omdat hij,
Holleeder, recht meende te hebben op genoemd bedrag in verband met het feit dat
“Dikke Willem” in het verleden zaken heeft gedaan met Willem Endstra (…)”.

7.4.
De kwestie Houtman laat zich opdelen in een tweetal periodes en een tweetal groepen
mensen die menen iets te kunnen, en met name menen te moeten verklaren.

Tijdspanne I: de periode voor de liquidatie van Houtman, lopend van


ongeveer 27 oktober 2004 t/m 2 november 2005.

7.5.
Dit is de periode waarin de CIE informaties ontvangt met als inhoud een vermeende
afpersing van ‘ Dikke Peter’ voor een miljoen euro omdat hij in het verleden zaken zou
hebben gedaan met Endstra en omdat men aan pandjes had gezeten uit de aankoop
waarvan Mieremet zou zijn betaald. En dat mocht niet.

‘ Dikke Peter’ zou een pseudoniem zijn voor Peter Petersen, tevens een zakenrelatie in
het onroerend goed van Cees Houtman, die ook iets met pandjes deed.

7.6.
Houtman, op 10 februari 2005, en Petersen naar aanleiding van zijn wapenbezit worden
beiden bevraagd maar zij bevestigen niet dat de man met de (bij)naam die de aandacht
heeft van de runners –‘de neus’ – een rol zou hebben gespeeld in het kader van enige
afpersing

Of, zoals Petersen verklaarde: ‘Als je mij op mijn kop houdt komt er een euro uitrollen’ .

Peter Petersen wordt hierover concreet gehoord en diens antwoord is even eenvoudig als
eenduidig:

“(…)
V: Ben je zelf wel eens bedreigd of gedwongen om iets te doen wat je niet wilde?
A: Nee, nooit.
V: Wij hebben een anonieme tip binnen gekregen waarin staat dat jij een seksclub
in de Roompotstraat moet over nemen. Dat moet van Willem Holleeder.
A: Ik ga je wat uitleggen. Als hij dat zou willen, dan heeft hij aan mij de
verkeerde. Als je een seksclub over wil nemen dan heb je liquiditeit nodig. Ik heb
die liquiditeit in mijn panden zitten. Als hij mij om keert komt er één euro
uitrollen.
V: Hoe komt het dan dat wij die tip krijgen ?
A: Dat weet ik niet. Ik heb die ervaring niet met hem.
V: Of durf je daar niets over te zeggen ?
A: Ik heb er niets over te zeggen.
“(…)”.

Niets dus. Hij werd niet afgeperst.

7.7.
Houtman zelf praat op 24 maart 2005 met CIE-runners, die hem confronteren met
geluiden die ze hebben opgevangen en die klinken als dat hij – Houtman – zou worden
afgeperst door Van Kleef, Van Deene en Holleeder; dat hij thuis in aanwezigheid van
vrouw en kinderen zou zijn bedreigd met vuurwapens en dat hij, zoals dat eerder al door
een informant (wellicht dezelfde) ook al over Petersen werd verteld, bij mr. Moszkowicz
te Amsterdam een verklaring zou hebben ondertekend dat hij niet door Holleeder zou zijn
afgeperst.

7.8.
Houtman bevestigt het bezoek bij Moszkowicz maar geeft aan dat ‘ Bram niet achterlijk
is’ en dat hij helemaal niets heeft ondertekend. Tevens geeft hij aan dat Van Kleef en Van
Deene hem inderdaad aan de deur hebben ‘ overrompeld’ maar dat hij de volgende keer
zelf wel maatregelen neemt en het dan op de koop toe zal nemen dat hij een paar jaar
moet opknappen. Hij zal ze gewapend tegemoet treden, om het maar eens zachtjes te
zeggen.

Laten we eens kijken, Voorzitter, wat Kees Houtman zelf precies verklaarde tegenover
‘zijn’ runners.

- Hij is immers degene om wie het allemaal draait.

- Hij is degene die op de dag dat hij met de CIE praat toch al ruimschoots
wetenschap zou moeten hebben van een afpersing, tezamen en in vereniging
gepleegd door derden en samen met cliënt, en welke hem – Houtman – zèlf zou
zijn overkomen.

- Hij is degene die op de desbetreffende dag, ergens in het jaar 2004, bedreigd zou
zijn aan de deur van zijn huis door mannen met helmen op.

- Hij is degene die een aantal malen zou zijn gedwongen om in verschillende café’s
en Yab Yum te gaan ‘zuipen’.

- Hij is degene die, al dan niet gewapend, werd gedwongen om ten behoeve van dat
‘zuipen’ bij die cafés en/of Yab Yum bij iemand achterop een, opgevoerde,
brommer te gaan zitten.

- en hij is toch degene die onder andere aan cliënt 1 miljoen euro zou hebben
betaald, tegen zijn wil.

7.9.
Ten aanzien van hetgeen hem scheen te zijn overkomen, werd Houtman op 24 maart 2005
door de CIE de volgende, ‘zachte informatie’, die een maand eerder (februari 2005) was
ontvangen, voorgehouden:

“Cees Houtman afgeperst is of wordt door Willem Holleeder, Jappie van Kleef en
Rene van Deenen, dat hij door hen thuis in aanwezigheid van zijn vrouw en
kinderen met vuurwapens bedreigd is en dat hij met Dikke Peter bij Bram
Moszkowicz een verklaring heeft afgelegd dat hij niet door Willem Holleeder is
afgeperst.

Houtman reageerde op hierop in duidelijke taal:

“(…) –Ik (lees: Cees Houtman) wil eerst zeggen dat er een hoop ouwehoer
verhalen de wereld in worden geholpen.
Ik wilde met Dikke Peter een blokje huizen kopen. Kort nadat dit bekend werd
kwamen Japie van Kleef en Dikke Richard bij mij aan de deur en bedreigden mij
met vuurwapens. Dit is inderdaad gebeurd in aanwezigheid van mijn vrouw en
kinderen. Ik was overbluft en ernstig teleurgesteld in Jappie en Richard. Het zijn
ouwe gabbers van vroeger en die nu voor de neus werken. Mij werd te verstaan
gegeven dat ik moest afzien van de koop omdat de opbrengst van die panden dan
in handen van Mieremet zou komen. Dat vond die neus niet goed.
Ik weet niets van een boete en heb zeker niets betaald (…)”;

“(…) Ik ben door dit voorval totaal overbluft geweest maar wanneer zoiets weer
voorkomt schiet ik de betrokkenen direct kapot en knap ik die paar jaar straf wel
op (…)”;

“(…) Bij Bram is door mij of Dikke Peter niets getekend. Die Bram is niet
achterlijk en laat zoiets ook niet gebeuren (…)”;

“(…) Als ik met vrouw en kinderen moet vluchten, dan zijn er meer die
wegmoeten. Bij verdere bedreigingen neem ik zelf maatregelen (…)”.

7.10.
Houtman geeft niets aan over de bij de CIE bestaande gedachte dat er geld moest worden
of zou zijn betaald aan de bezoekers. Ook niet ten behoeve van cliënt.
Ook tegenover gewone rechercheurs op 10 februari 2005, als hij tactisch wordt gehoord
maakt hij geen melding van welke betalingen ten behoeve van cliënt dan ook, door hem
noch door Petersen gedaan:

“(…)
V: De info is dat de Dikke, zakenpartner van Kees Houtman, wordt afgeperst door
Willem Holleeder en heeft een miljoen betaald.
A: Ik weet niet waar hij het vandaan zou moeten halen. Ik ken wel een Dikke, ik
heb panden met die man. Dat is Peter Petersen, mijn compagnon, dat is simpel.
V: Jij hebt nooit gehoord van hem dat hij afgeperst wordt of betaald heeft ?
A: Nee, maar er zijn natuurlijk wel wrijvingen op het ogenblik in die pandjes, dat
weten jullie ook. Er worden natuurlijk een heleboel mensen gewaarschuwd van
bepaalde dingen, dat is wat ik weet. En wie er achter zit, weet jij het ? (…)”.

“(…)
V: Maar heb jij wel een idee bij om welke panden het gaat dan ?
A: Het is de hele Dam, het staat in de krant ook, die jongens hebben allemaal
goed geïnvesteerd in Endstra en de centen zijn weg en er staan nog een paar lege
panden. En die zijn van niemand meer. En als er dan andere mensen denken er
een slaatje uit te slaan dan krijg je gewoon een waarschuwing, dat is heel simpel.
En eigenlijk is het niet echt onterecht.
“(…)”.

“(…)
V: Je weet natuurlijk ook wel uit de krant dat er een heleboel mensen worden
afgeperst. Wij krijgen nu ook melding dat Peter Petersen een miljoen betaald
heeft.
A: Ik weet niet waar hij het vandaan moet halen. Hij moet altijd geld bij me lenen,
dus ik weet niet waar hij het vandaan moet halen.
“(…)”.

Vervolgens wordt de naam van cliënt weer ingebracht door de verbalisanten:

“(…)”
V: Het gaat er wel om wie dat zegt natuurlijk. Als Holleeder dat zegt of een of
andere oetlul, dan moet je wel even uitkijken.
A: Of een andere jongen die er een heel zwaar belang in heeft (…)”.
“(…)”
V: Jij zegt die zijn van die jongens, zijn die panden in het beheer van Endstra
geweest voor Holleeder of Mieremet ?
A: Dat kan je niet zien. Je weet ook niet of het van een Mieremet of Holleeder is,
of misschien is het wel van een derde of een vierde.
“(…)”.

“(…)”
V: Ben jij ooit afgeperst of hebben ze jou ooit benaderd ?
A: Nee.“(…)”.

7.11.
De runners geven later in hen verhoren bij de rechter-commissaris aan dat Houtman met
het milieu bekend is. De indruk van de runners, en eentje van hen kent hem al veel langer
dan vanaf de dag van die 24e maart, is dat Houtman niet voor een kleintje vervaard is.
Houtman meent wat hij zegt.

Dat laatste lijkt in dat verband ook opgeld te doen als Houtman zegt: “Er worden zoveel
ouwehoer verhalen de wereld in geholpen.”

7.12.
Voor de volledigheid, Voorzitter, wens ik uw rechtbank opmerkzaam te maken op de
persoon Houtman. Want dat acht ik relevant voor de voorliggende vraag in het kader van
hetgeen aan cliënt ten laste wordt gelegd, namelijk of Houtman zich wel zou láten
afpersen. Of dat wel allemaal zo makkelijk gaat als er wordt verteld.

7.13.
Houtman stond bekend als een gelouterd crimineel die zijn sporen in het milieu al lang
had verdiend. Hij was de leider van de “Houtman-bende” geweest en maakte deel uit van
“de Denkers”, een groepering die op uiterst geraffineerde wijze bijvoorbeeld bankroven
pleegden, onder andere met gebruikmaking van ‘geraffineerde’ raketwerpers. De
gebroeders Geisterfer en Richard Deene zouden ook aan die groepering gelieerd zijn, al
dan niet indirect.
Willem Holleeder niet.

In de pers wordt Houtman sinds zijn overlijden ook wel omschreven als zijnde een
‘onroerend goed handelaar’, maar die vlag dekt de lading minst genomen niet geheel. Hij
was de laatste tijd wel actief in de vastgoedhandel, maar daar is dan ook veel tot alles
mee gezegd-.

7.14.
Volgens Thomas van der Bijl “handelde hij (Houtman, toevoeging jhk) een beetje in de
soft drugs zoals blijkt uit het gesprek dat Van der Bijl had met de CIE op 3 november
2005.
Drugs is een onderwerp waarover Van der Bijl – als zijnde de compagnon en vriend van
Houtman - kan meepraten. Op Van der Bijl, bedreigde getuige B, kom ik zo nog even
terug.

7.15.
Houtman was dus niet zomaar een ‘lulletje rozewater’, als ik dat zo van Uw rechtbank
mag uitdrukken, maar iemand die het klappen van de zweep en het milieu door en door
kende en niet zomaar over zich heen liet lopen.
Hij ging door het leven met Maria Houtman die “alles mocht eten, maar niet mocht
weten”.

Ze had met die leefwijze blijkbaar vrede en nam de rest voor lief.
Op haar rol als getuige kom ik zo terug, alsook op haar rol als mogelijke opdrachtgeefster
voor de moord op George van Kleef en de mogelijke, potentiële aanslagen op Van Deene
en diens vader. Voor die klussen zou door haar al zijn betaald. Een en ander raakt
namelijk eveneens direct de kwestie van de bedreigde getuigen A-B-C-D.
Ook zij, Maria, bedreigde getuige A, kende het klappen van de zweep, van binnen uit.

7.16.
Dat er zoveel ‘ouwehoer verhalen de wereld worden in geholpen’, zoals Houtman het zei,
lijkt te kloppen, want op geen enkele wijze worden strafbare feiten zoals die Holleeder
worden verweten, in eerste instantie bevestigd.

De enige mededeling die Houtman doet in dat verband is dat Van Kleef en Van Deene
voor ‘de neus’ zouden werken en dat deze volgens Van Kleef en Richard Geisterfer niet
zou willen dat bepaalde pandjes door Houtman zouden worden aangekocht omdat anders
de opbrengst naar Mieremet zou gaan. Maar dat betekent bepaald niet dat Willem
Holleeder dus de hand heeft gehad in het bezoekje dat de familie Houtman heeft gehad,
laat staan dat Willem Holleeder de hand heeft gehad in een afpersing van Houtman.

7.17.
Onderzoek naar het betreffende pandje aan de Scheldestraat (de andere panden aan de
Maas- en Scheldestraat werden niet onderzocht) levert het beeld op dat de aandelen van
de Ganico

BV’s (1 t/m 14) zonder medeweten van de beheerders (‘Makelaardij Van Eijsden, Ter
Borgh & Roos’) eind jaren ’90 in andere handen over gingen.
Endstra werd een van de nieuwe aandeelhouders. Endstra had heel veel van die aandelen.
Je zou hem een ‘grootaandeelhouder’ kunnen noemen.

7.18.
Het politieverhoor van Ter Borgh en Van Eijsden, de makelaars, ontwikkelt zich als volgt:

“Vraag: De panden op de hoek Scheldestraat-Churchilllaan, onder andere waar


de voormalige apotheek gevestigd was.
Ter Borgh: Nee, daar hebben we geen bemoeienis mee gehad.
Vraag: Volgens onze informatie is dit naar u gegaan.
Ter Borgh: Nee dat is niet juist. Het zit als volgt. Ik was tot 1 december 2005 zo’n
13 jaar directeur geweest van Libra International. Libra International is het
eigendom van een voormalig accountant.
Het blok Scheldestraat is verkocht aan Libra. Althans de vennootschap hiervan.
Libra heeft onroerend goed uit de vennootschap gehaald en dit gesplitst in 44
appartementen. Houtman zou daar een unit van kopen, maar daar heeft hij vanaf
gezien. Dit betrof het deel van de voormalige hypotheek. Dit is later gekocht door
een meneer die er een hypotheekshop heeft gevestigd”.
“Vraag: Hoe zit het nu precies met die Ganico’s hoe zijn die nu verdeelt ?
Ter Borgh: Er zijn er een groot aantal naar Neste gegaan, er is wat naar Libra
gegaan, er zijn er een paar naar Hout en Van der Linden gegaan en er is er een
naar Oerlemans gegaan. Ik weet van deze bedrijven of personen ook niet of zij
problemen hebben gehad. Volgens mij niet, althans het is mij niet bekend”.

7.19.
Hoewel deze verklaring van de heren niet overloopt van duidelijkheid in
tijdsaanduidingen, kunnen we in de onderliggende stukken lezen dat de eigendom van de
Scheldestraat 37 op 23 juni 2004 van Ganico BV was overgegaan naar Libra International
BV.
Vanuit Libra International BV wordt het betreffende pand verkocht aan Peter Petersen die
een jaar later daadwerkelijk zou gaan afnemen.

Petersen kocht dus niet van Endstra (in de CIE-info blijkbaar gelijkgesteld met Mieremet,
want Endstra had geld moeten genereren voor Mieremet) maar van Libra. Het geld ‘voor’
Mieremet – als we al van deze premisse uitgaan – was dus al ‘binnen’ door de verkoop
van Ganico BV aan Libra International BV.

Dat Petersen en/of Houtman pas een jaar later zouden afnemen doet niet ter zake.
Met deze gang van zaken is de suggestie van de officieren van justitie dat niet van
Endstra (lees: Mieremet) zou mogen worden gekocht, naar het land der fabelen verwezen.
Want die schakel was er al tussenuit omdat immers van Libra International BV werd
gekocht.

De achterliggende gedachte van de inhoud van de betreffende CIE-info wordt hier door
de feiten achterhaald.

7.20.
De officieren van justitie requireren met betrekking tot de verklaring van cliënt over dit
onderwerp als volgt:

“De verklaring van Holleeder ter terechtzitting dat dit pand ‘al lang’ door
Endstra was verkocht, zodat de koopprijs hoe dan ook nooit (indirect) aan
Mieremet ten goede had kunnen komen, gaat niet op: het pand is pas na de dood
van Endstra en bijna tegelijk met de overeenkomst met Petersen in andere handen
overgegaan(…)”.
De officieren maken hier weer zo’n hen toevertrouwd berucht sprongentje in de
grammatica (‘overgegaan’), logica en tijd.

Endstra had het boeltje uiteraard al verkocht vóór de ondertekening van de stukken op 23
juni 2004.
Immers zal het niet zo zijn geweest dat hij op die 23e juni besloot om te gaan verkopen,
hij prijsonderhandelingen voerde op diezelfde dag en vervolgens ook nog eens de op die
dag opgemaakte stukken door alle partijen direct zouden zijn ondertekend en het boeltje
zelfs nog binnen 24 uur van eigenaar zou zijn verwisseld.
Zo werkt dat niet.

Getuige Reep geeft ook aan dat hij verbouwingswerkzaamheden aan het pand heeft
uitgevoerd in de zomer van 2004. Dat geeft al aan dat een en ander wel heel erg dicht, te
dicht, op elkaar volgt als we de conclusies, want het zijn niet meer dan dat, van de
officieren van justitie volgen.

7.21.
Het is zeer aannemelijk dat, zoals cliënt tegenover uw rechtbank verklaarde, Endstra in
de loop van de periode voorafgaande aan de daadwerkelijke overdracht aan Libra
International BV tegen cliënt heeft verteld dat hij het betreffende pand aan de
Scheldestraat had verkocht.

Dus ondanks het feit dat het natrekken van de CIE-info geen enkel resultaat opleverde
gaat men als vanzelf weer met dezelfde gedachte aan het werk nadat Houtman het leven
heeft gelaten. Barbertje moet hangen.

Het relaas-verbaal van 8 september 2006 maakt derhalve na het hernieuwde onderzoek
melding van de volgende conclusie:

“(…) Op grond van informatie van de criminele inlichtingendienst, diverse


verklaringen, observaties en telefoongesprekken bestaat het vermoeden dat de
onroerend goedhandelaren Peter Petersen en Kees Houtman bedreigd en
afgeperst zijn door Willem Holleeder en zijn handlangers George van Kleef,
Richard Geisterfer en Rene van Deene. Kennelijk mochten Kees Houtman en
Peter Petersen bepaalde

panden in Amsterdam niet aankopen, omdat er anders geld zou vloeien in de


richting van John Mieremet (…)”.

Het onderzoeksteam had trouwens gedurende hun bevindingen na de opstart van het
onderzoek op grond van die CIE info van 27 oktober –telefoontaps en observaties- geen
enkele reden gezien om te kunnen veronderstellen dat Houtman in levensgevaar zou zijn.
Anders zou men wel hebben ingegrepen, toch? Men had Houtman gedurende diens
carrière wel eens vaker gewaarschuwd.

Niets vanuit de hoek van Van Deene; niets vanuit de hoek van Geisterfer, niets vanuit de
hoek Van Kleef en al helemaal niets vanuit de hoek van cliënt, de groep van personen die
op dat moment klaarblijkelijk subject van onderzoek was.

7.22.
Na het overlijden van Houtman zien we dus een tweede inspanning van de politie om een
lijntje uit te leggen naar cliënt.

Tijdspanne II: 2 november 2005 - heden.

Zo weinig men weet voor zijn dood, namelijk niets, zoveel wordt daarna over Houtman
en de stelling dat hij zou zijn afgeperst opgemerkt. Al heeft het bepaald niet de ‘kracht’
die we van getuigenverklaringen en de inhoud daarvan mogen verwachten.

Het komt wel allemaal uit een bepaalde hoek, dat moet gezegd. En het heeft ook allemaal
een bepaalde geur en kleur.
Ik kom daar op terug bij de twee groepen mensen die als getuigen in deze zaak hebben
opgetreden en wiens verklaringen ik dan met u zal gaan bespreken.

7.23.
De moord op Houtman is blijkbaar voor de politie aanleiding om de oude gesprekken met
Houtman en Petersen uit de kast te halen om opnieuw ten aanzien van cliënt te kunnen
insteken.
Van een redelijk vermoeden in de richting van cliënt is op dat moment geen enkele
aanleiding. Ten aanzien van geen enkel strafbaar feit. Niet ten aanzien van een afpersing,
noch ten aanzien van de moord op Houtman.

7.24.
Ik roep in herinnering, Voorzitter, de verklaring van Guiseppe la Serpe, van beroep
‘kroongetuige’, die ten overstaan van de rechter-commissaris te Amsterdam in het kader
van zijn verhoor als getuige in het onderzoek naar de moord op Houtman (welke moord
hij overigens naar eigen zeggen samen met Jesse Remmers zou hebben gepleegd)
verklaarde dat

hij geen enkele wetenschap heeft omtrent enige rol van Holleeder ten aanzien van welke
liquidatie dan ook. Niemand had hem daar ooit iets over verteld.

7.25.
Ook de criminele inlichtingen eenheid laat het deze keer afweten: in de bundels
ingekomen ‘zachte’ informatie, welke in het dossier Kolbak zijn gevoegd, werd geen als
serieus te nemen informatie opgenomen over een relatie tussen cliënt en de moord op
Houtman.

7.26.
Ambtshalve weet ik overigens ook nog, Voorzitter, neemt u dat van me aan, dat ook in het
kader van het onderzoek ‘Agenda’ (betreffende die moord) niets strafrechtelijk
verwijtbaars over cliënt in die stukken wordt beschreven, behoudens dan de schokkende
mededeling dat hij Dino (Soerel) kent. Het regelen van een auto, in dat verband
publiceerde De Telegraaf afgelopen vrijdag, voor Jesse Remmers is oud nieuws. Cliënt
heeft een en ander ter zitting al lang met uw rechtbank besproken tijdens de behandeling
van de zaak Friedländer. Noch het Amsterdamse noch het Landelijk Parket heeft reden
gezien om aan zijn verklaring te twijfelen. La Serpe linkt cliënt ook helemaal nergens
aan. Dus, geen enkel redelijk vermoeden van schuld.

7.27.
Dat verklaart Voorzitter, waarom de officier van justitie een verklaring van 3 november
2005 – een dag na de aanslag op haar man – van Maria Houtman in een zeer laat stadium
aan de stukken heeft moeten toevoegen.
Hij had pas laat kennis genomen van het bestaan van die verklaring maar die was wel
broodnodig voor het historisch besef en om begrip te krijgen voor het ontstaan van een
vermeende relatie, al is die zeer fragiel (Maria Houtman zegt in dat stuk ‘jullie moeten
niet speculeren’) tussen de afpersing die Houtman zou zijn overkomen en ‘de
bierkoning’. Die ‘bierkoning’ zou cliënt betreffen.

Op deze verklaring van Maria zal ik, zoals gezegd, nog uitgebreid terugkomen.

7.28.
Ook komen er op 6 januari 2006 (2x) en op 1 maart 2006 (ruim twee maanden na de
arrestatie van cliënt op de 30e januari van dat jaar) spontaan nog wat meldingen binnen
bij, jawel, de CIE.

7.29.
Houtman zou panden ‘voor de neus’ van cliënt hebben verkocht; hij zou twee miljoen
hebben moeten betalen; hij zou bereid zijn om te betalen maar later weer niet; hij zou niet
meer afgeperst worden want hij zou een half miljoen hebben betaald waarmee alles
geregeld was; later zou hij nog eens een miljoen hebben betaald; Houtman zou zijn
geliquideerd omdat hij waarschuwingen van Holleeder om bepaalde, aan Mieremet
toebehorende, panden niet te kopen in de wind zou hebben geslagen etc. etc.

7.30.
Cliënt staat dus weer enigszins in de verf, maar slechts CIE-matig.
Want het verhaal dat Maria op de 3e november 2005 haar verhoorders zal vertellen sluit
niet aan bij die zachte info, dat is bekend.
Die verklaring sluit wel aan bij de inhoud van het gesprek dat Cees Houtman zèlf had met
‘zijn’ runners op 24 maart 2005, behoudens het feit dat zij –in tegenstelling tot haar man-
niet de namen kan noemen van de mannen die eerder aan de deur waren geweest. Want
zij was toen boven, zij zag enkel ‘mannen met helmen’ en in het zwart gekleed en zij kon
géén stemmen herkennen van die kerels.
Toen nog niet…

Maar nogmaals, op die verklaring kom ik, zoals de officieren het in hen requisitoir
noemen ‘in de tijd achter elkaar’ geplaatst, nog terug.

7.29.
Zoals gezegd, na de dood van Houtman gaat het balletje rollen. Ook de media lijkt in dit
verband, onbewust, een rol te hebben gespeeld. We zagen dat al in het eerste citaat dat ik
in het begin van de behandeling van deze zaak gaf, dat van de heer Reep.

Groep van personen I: Maria Houtman, Van der Bijl en ‘bedreigde getuige
C’.

Wat toch wel opvalt in dit dossier, Voorzitter, is het feit dat er buiten de getuigen die
familieleden van Houtman zijn of mensen die op enigerlei wijze arbeidsrechtelijk
(indirect) dan wel strafrechtelijk aan hem zijn verbonden, niemand is opgestaan die
bijvoorbeeld als stamgast van café ‘De Hallen’ kunnen worden gekwalificeerd.

7.30.
Er zijn geen mensen die als volstrekt objectieve waarnemers, getuigenis hebben afgelegd
over hetgeen blijkbaar met enige regelmaat in dat etablissement zou zijn voorgevallen.
Niemand.

Niemand van een dergelijk kaliber heeft met de politie gesproken over bedreiging met
een vuurwapen of het waarnemen van, überhaupt, een vuurwapen, bijvoorbeeld achter
een broeksband, door of bij een van de andere gasten.
Niemand.

7.31.
Niemand van de bezoekers van die gradatie heeft gezien dat Houtman, toch wel een
plaatselijk bekend, tot de verbeelding sprekend figuur en klaarblijkelijk evident een
stamgast, gedwongen achter op een scootertje moest gaan zitten om naar Yab Yum of een
andere gelegenheid te gaan.

En ook niemand van de gewone bezoekers heeft de politie verteld dat hij werd begeleid
naar het toilet, terwijl hij eigenlijk, waarschijnlijk, niet eens een sanitaire stop hoefde te
maken.
Niemand.
7.32.
Niemand van die andere gasten is gehoord over ‘die psychopaat’ Holleeder die zonder
enige reden glazen door de tent gooide of die mensen als boksbal gebruikte.
Niemand.
En dat geeft te denken.

7.33.
In de aangehaalde eerste groep horen mensen thuis als Maria Houtman; Thomas van der
Bijl en bedreigde getuige C.
Zij allen behoorden tot de ‘harde kern’, daar waar het gaat om het groepje mensen
rondom Cees. Ze zijn of familie of ze zagen en spraken Houtman in het café als hij daar
zijn dagelijkse bezoekjes aflegde.

7.34.
De officieren van justitie zeiden het al Voorzitter:

“Hoewel de verleiding voor de verdediging groot is om dat wat in een café zoals
De Hallen werd besproken allemaal onder ‘kroegpraat’ te scharen (…)”

en

“De verdediging van Holleeder liet na de behandeling van het Houtmandossier in


de media al optekenen dat het bewijs in deze zaak weinig voorstelt, omdat het in
essentie gebaseerd zou zijn op elkaar na pratende en elkaar beïnvloedende
bezoekers van café De Hallen (…)”.

7.35.
Die verleiding is inderdaad groot.
Niet omdat met het louter bagataliseren van dat soort verklaringen de kous af zou zijn en
ze daardoor zonder meer weg zouden moeten vallen.

Maar wel omdat de situatie nu eenmaal zo is dat het nu eenmaal om kroegpraat gaat. De
officieren weten dat. Hoe valt anders te verklaren dat iedereen die na de dood van
Houtman inhoudelijk met de politie spreekt zoals dat werd gedaan, dat niet voor diens
overlijden deed ?

7.36.
Hoe is het mogelijk dat niemand van die mensen, die hem allemaal zo goed zeggen te
kennen en hem zo graag mogen, anoniem (meldpunt) of op welke wijze dan ook, met de
sterke arm contact heeft gezocht om te vertellen dat wat er daar allemaal in die kroeg
gebeurde ècht niet kon ?
7.37.
Hoe kan het dan dat nooit iemand naar cliënt, gezien de verklaringen die er thans liggen,
is toegelopen en hem op de man af heeft gevraagd wat er allemaal aan de hand was ?
Anita Schuts heeft dat naar eigen zeggen toch ook eens gedaan ?

7.38.
De enige die er een ander bij heeft gehaald is cliënt zelf geweest. Hij verzocht, toen hij
een zoveelste akkefietje had met Thomas van der Bijl in De Hallen, zijn eigen zusje
Sonja om naar De Hallen te komen. En zij kwam. En ook Francis was ter plaatse. Dat is
waargenomen en cliënt heeft uw rechtbank uitgelegd waarom zij er bij waren en moesten
zijn. Van der Bijl had namelijk weer praatjes lopen verkondigen. Een akkefietje,
voortgesproten uit liefde, wat al jaren lang voor Van der Bijl onderwerp van gesprek was.
Op deze manier werd dat, zoals het hoort, opgelost en tijdelijk uit de wereld gehaald.
Is dat nou zo moeilijk ?!

7.39.
De officieren van justitie requireren dat de verklaringen van de ‘kroegtijgers’, als ik ze zo
van u mag noemen Voorzitter, ‘met elkaar in onderling verband en samenhang
beschouwd’ dienen te worden gezien omdat dan een totaalbeeld zou worden verkregen.

7.40.
De officieren van justitie hebben ook gezegd dat wat hen betreft de geloofwaardigheid
van het geheel ook ten goede komt dat geen van de verdachten ‘ooit enig probleem van
betekenis met een van de getuigen heeft gehad. Er is dus geen enkele reden te bedenken
waarom deze getuigen, ieder voor zich, onterecht belastend zou hebben verklaard over
Holleeder, Van Deene en de broers Geisterfer’.

7.41.
Dat is een gedachte, gebaseerd op theorie, uit studieboeken. Logisch dat de officieren dit
zeggen, het is namelijk het enige dat ze kùnnen zeggen.
Tuurlijk hebben de getuigen nooit een probleem gehad met cliënt, want die zijn er ook
nooit geweest. Of het zou zo moeten zijn dat hij mevrouw Nieuwenhuis misschien te hard
heeft laten werken omdat hij wel eens, net zoals Houtman, een rondje gaf.
Nee, het motief om cliënt te willen belasten komt uit een heel andere hoek, de hoek van
de dood.
Wraak: dat staat ook in diezelfde studieboeken, onder hetzelfde hoofdstuk: ‘Waarom zegt
iemand iets ? (…)’.

7.42.
Zoals al gezegd in het begin van mijn pleidooi, wordt zoals bijna gewoonlijk de laatste
jaren bijna dagelijks door overheidsfunctionarissen als opdrachtgever van die vele
liquidaties, direct de naam van cliënt genoemd.

Zoals dat eerder onder andere Klaas Bruinsma; Etiënne Urka; Mink Kok; Sam Klepper &
John Mieremet en Streten Joca Jocic ook overkwam.

En ook talloze malen in die voorliggende jaren heeft cliënt te maken gehad met
publicaties die hem niet bepaald welgevallig waren in dit verband en waar hij iets aan had
willen doen, voor de zoveelste keer.

7.43.
Ter illustratie: een afgeluisterd en opgenomen telefoongesprek uit onderzoek ‘Domino’
van 3 maart 2000 te 20.07 uur, tussen waarschijnlijk cliënt en John Mieremet en
vervolgens tussen cliënt en Sam Klepper.
Het gesprek heeft een nogal sarcastische ondertoon:

“(…)
Een nn man belt naar Willem Holleeder.
De man zegt, WIM, je zet ons wel te schande he, heb je het weer gelezen
ELSEVIER.
Willem: Wat nou weer
Man; He ?
W; ik heb het niet gelezen, wat nou weer ?
Man; och man, JIJ BENT DE LIJN NAAR ONS en naar die Mink,
WAPENHANDEL ALLES, he, drugs, jij bent de grootste leider staat erin.
Willem lacht minzaam
Man; heb je het nog niet gelezen ?
W; nee, nee.
Man; jij bent de lijn naar ons toe, de wapens.
W; deze week of van verleden week.
Man; EEEhhhhh, nou, ik denk dat ie nieuw is, anders had je het wel geweten !
(beiden lachen)

en vervolgens:

W; nee, ik ga effe naar Bram, ik ga er effe wat van zeggen nou een keer.

7.44.
Talloze malen heeft hij zijn voormalig raadsman, al dan niet vroeg in de ochtend of laat
op de avond, bezocht.
Talloze malen werd hem geadviseerd om het maar zo te laten want ‘morgen zit de rotte
vis er weer in’, en talloze malen heeft hij moeten constateren dat de beeldvorming
rondom zijn persoon bij de burgerij buitenproportionele vormen had aangenomen en nog
meer aan het aannemen was. Hij heeft u dat uit en te na verteld.
Dat is erg. Want met name dáár diende hij in het dagelijkse leven, in de jaren voor zijn
arrestatie rekening mee te houden, hij leek het aureool van onaantastbaarheid aangemeten
te krijgen.
Dat aureool breekt hem op, op de momenten dat mensen moeten verklaren bij de
recherche over zijn persoon.
Ze kennen hem al, al is het bepaald niet persoonlijk.

7.45.
In de zaak Houtman wordt er nog eens een schepje op gedaan via de ether. Het
achterhalen van een motief om cliënt zo slecht en zwart mogelijk af te schilderen behoeft
niet al te veel fantasie.
Dat motief wordt ook nog eens via de officiële kanalen aangegeven, Voorzitter:

‘Zou het kunnen zijn dat Willem Holleeder achter de bedreigingen zit ?
Ik was bij Maria op het moment dat er een bericht over Holleeder op teletekst
(onderstreping, jhk) stond. Uit het commentaar begreep ik dat het uit de hoek van
Holleeder kwam. Ik bedoelde de liquidatie op Kees Houtman’.

Uit de stukken blijkt vervolgens dat Maria Houtman op dat moment zou hebben
uitgeroepen: ‘Oh, wat zijn het toch een beesten !’.

7.46.
Is er een beter motief om iemand te belasten dan het motief wat voortvloeit uit de
gedachte dat die iemand een goede kennis, vriend, familielid of echtgenoot heeft
vermoord ?
Kùnnen er dan úberhaupt nog objectieve verklaringen worden afgelegd door die
nabestaanden ?

Is het niet bovenmenselijk om te verwachten, en tart het niet elk voorstellingsvermogen


dat toch nog een zuiver onderscheid wordt gemaakt tussen wat men ècht weet en wat men
niet weet maar wèl verklaard omdat men dat wil verklaren ?
Is het niet volstrekt illusoir te veronderstellen wat de officieren menen wel te kunnen
doen, namelijk dat alle getuigen er in zijn geslaagd:

‘duidelijk te maken, en ook onderscheid te maken tussen wat zij zelf hebben
gezien, gehoord en meegemaakt, en wat er aan verhalen rond ging’.

7.47.
Vast staat dat de verklaringen van ‘getuigen’ die door politie en justitie jegens cliënt als
belastend worden uitgelegd, tot stand zijn gekomen na de dood van Houtman. Zelfs
Maria Houtman had kort na diens overlijden, maar voor het teletekst bericht, geen
strafrechtelijk relevante mededelingen over cliënt en diens vermeende betrokkenheid bij
de afpersing van haar man.
7.48.
Overigens wordt 8 dagen na de moord op Houtman op 10 november 2005 George van
Kleef geliquideerd, vlak bij zijn huis…. Zou hij veertien maanden eerder aan de deur van
Houtman bedreigingen hebben geuit samen met Van Deene ? Zou Van Deene niet eens
het volgende slachtoffer kunnen worden ?

Maria Houtman-Wijk.

7.49.
Zij is de eerst aangewezen persoon om te verklaren, de echtgenote van Houtman. Zij
levert direct en indirect al het strafvorderlijke “bewijs” dat tegen cliënt wordt ingebracht.
Zij is de bron waarvan het OM het in deze zaak moet hebben. Zij werd in het requisitoir
de hemel in geprezen. Zij wordt moedig en dapper genoemd.
Eerder liet het openbaar-ministerie haar vallen als een baksteen.

Voor cliënt belastende verklaringen zoals ze die later als bedreigde getuige A en
vervolgens alsnog op naam heeft afgegeven trof de verdediging niet aan tussen de
stukken.

Het feit dat het zonder meer evident was dat door de verdediging zou worden verzocht
om mevrouw Houtman als getuige te mogen horen is reeds eerder ter zitting van aan de
orde gesteld. Ik heb daar zojuist weer een punt van gemaakt. Wat zou er gebeurd zijn als
de verdediging mevrouw Houtman niet als getuige zou hebben opgeroepen. Zouden de
officieren dan tot de dagvaarding van cliënt voor deze zaak zijn overgegaan ?

Want zij is de enige, buiten haar man om, die mensen aan de deur zou hebben gehad en
wel, zoals zij middels haar slachtoffer-verklaring laat weten, op 21 augustus 2004. Ze
heeft die mannen toen niet herkent, maar toch.

7.50.
Zij is degene die anderen, zoals Van der Bijl (en deze twee visa versa) haar zussen Carla
en Yvonne en ook de medewerkers van café De Hallen, Nieuwenhuis, Nap, en anderen
‘informeert’. Maar wel pas ná de moord op haar man.

7.51.
Behalve Van der Bijl, die zou het eerder hebben ‘geweten’. Deze Van der Bijl heeft van
dat bezoek aan de deur gehoord van òf Houtman zelf, zegt hij, òf van mevrouw Houtman.
Hij komt er echter pas mee in januari 2005 in zijn ‘kluisverklaringen’.
Misschien al eerder als echte informant, maar ook dat kunnen we niet controleren.
Recherchewerk levert in die tijd (Houtman leeft nog) geen enkele bevestiging op.
Op Van der Bijl, bedreigde getuige B, zal ik terugkomen na de bespreking van mevrouw
Houtman en de inhoud van de door haar afgelegde verklaringen.
7.52.
Zoals gezegd, op 2 november, de dag van de moord op haar man, en de dag daarna, 3
november 2005 wordt Maria Houtman uitgebreid gehoord door de Amsterdamse
recherche in het kader van onderzoek “Agenda”. Het betreft een verhoor in het kader van
dat onderzoek naar de moord op haar man.

Zij verklaarde op die 3e november 2005 over een klaarblijkelijke door haar
veronderstelde relatie tussen het bezoek aan de deur door 2 mannen ruim 14 maanden
eerder, en de moord op haar man. Ook de politie gaat er in de loop van dat verhoor
opeens van uit dat er een dergelijke relatie zou zijn;

“Kijk ze hebben natuurlijk een risico genomen nu. Ze weten dat als ze je man
doodschieten dat de politie gaat praten met de vrouw”.

Waarop mevrouw Houtman antwoordt:

“Ja maar ze hebben mij niet gezien en ik hun niet. Ik heb hun stemmen niet
kunnen horen”.

Later geeft ze aan dat ze ‘agressieve’, ‘Amsterdamse’ stemmen heeft gehoord aan de
deur, ruim een jaar eerder. In ieder geval geeft ze niet aan dat ze stemmen zou hebben
herkent als zijnde de stem/stemmen van een of meerdere bekende(n) die ze al jarenlang
zeer goed zou kennen.

7.53.
In het verloop van het verhoor geeft mevrouw Houtman er geen enkele blijk van dat ze
niet zou willen of niet zou kunnen meewerken aan het verhoor. Ze verklaarde alles wat ze
op dat moment leek te kunnen verklaren. Ze wil verklaren.

Ook het verhoorkoppel ziet volgens het proces-verbaal geen enkele –psychologische-
aanwijzing waar uit zou kunnen hebben blijken dat mevrouw Houtman niet in staat zou
zijn om gehoord te worden. Door het dossier heen vindt u talloze psychologisch getinte
opmerkingen en beschreven waarnemingen door de agenten(…). Ten aanzien van dit
verhoor van mevrouw Houtman worden dergelijke opmerkingen niet geplaatst. Hooguit
dat ze wat zenuwachtig lijkt te zijn. Logisch.

7.54.
Graag wijs ik u, Voorzitter op het gebrek aan mededelingen ten aanzien van mijn cliënt in
dit verhoor.
Nergens wordt door haar verklaard dat cliënt een straat verder of ergens op een hoek zou
hebben gestaan. In een later verhoor verklaart ze dat wel, net als Van der Bijl al deed en
net zo als de hem verhorende CIE rechercheurs dat ook deden (…)
In geen enkel verband wordt in deze verklaring een relatie gelegd tussen de redenen van
het bezoek en cliënt en ook niet dat de twee personen überhaupt gestuurd zouden zijn
door cliënt.

Ook verteld ze niet dat haar man meerdere malen onder ‘dwang’ op een scooter mee zou
moeten. Wel dat hij mee ging ‘om te zuipen’.
Het enige in haar verklaring dat zou kunnen slaan op cliënt is de volgende frase:

V: “ Over bier gesproken. U noemde gisteren de bierkoning ? ”


A: “ Nou je gaat nu speculeren “.

Uit het begin van de volgende pagina kan blijken waarom dit onderwerp ter sprake komt,
namelijk dat mevrouw Houtman de politie heeft aangegeven dat de mannen die aan de
deur waren bekenden zouden zijn van ‘de bierkoning’. Maar waaruit moet blijken wat er
‘gisteren’ door haar is verteld blijft in het ongewisse.

7.55.
Uit het daaropvolgende blijkt dat zij hoogstwaarschijnlijk die relatie legt omdat de
mannen aan de deur blijkbaar op een scootertje reden waar cliënt ook op reed, en ook
haar man zelf, als ze op kroegentocht gingen. Houtman had zelfs ook zo’n scootertje van
cliënt gekregen, als compensatie voor alle rondjes die hij in de loop der tijd had gegeven.
Cliënt heeft ter zitting bevestigd dat hij Houtman kende en wel eens met hem en anderen
op kroegentocht door Amsterdam dan wel naar Yab Yum ging als dat zo uit kwam.

Mevrouw Houtman denkt ‘dat het uit‘die hoek komt’ maar kan dat niet bevestigen aan de
politie want ‘Kees heeft dat niet aan mij gezegd dus ik kan dat ook zomaar niet aan jou
zeggen’.

Ook heeft ze geen enkele wetenschap of haar man ooit geslagen zou zijn ‘Nou ik heb hem
nog nooit met blauwe ogen of zo thuis zien komen’ of dat hij ooit lichamelijk onder druk
zou zijn gezet of zo ‘Nee, ik ga er van uit van niet. Ik heb niet echt iets kunnen
ontdekken’.

En tevens kan ze niet concreet verklaren over betalingen die zouden hebben plaatsgehad
‘Dat weet ik niet hoor. Daar was ik niet bij. Ik heb ook geen geld van de bank hoeven
halen of zo dus ik weet niet hoe ze dat geregeld hebben. Kijk dat zijn transacties tussen
hun. Ik weet dat het veel geld was. Maar in dat soort dingen hield hij mij volledig buiten
schot’.

7.56.
Ook de eerdere gedeelten uit dit verhoor zijn van belang in het kader van de verklaringen
die later van mevrouw Houtman werden afgenomen.
Want zoals bekend lijkt zij, al dan niet ingegeven door emotie, in de loop van de tijd meer
te willen verklaren dan dat zij kan rechtvaardigen.
Begrijpelijk, maar in het kader van het eventueel gebruiken van haar latere verklaringen
voor het bewijs: aardsgevaarlijk.

7.57.
We gaan door Voorzitter.

“(…) Ja, maar dit verhaal is ergens begonnen ? Kijk in de krant zeggen ze wel:
Hij was een oude vriend van John Mieremet.
Ze hebben nooit met elkaar gewerkt. Ze moesten elkaar helemaal niet… wat ik er
van weet, kijk, ze hebben goed met elkaar omgegaan. Dat was vrienden. En op
een gegeven moment gaan ze zich ontwikkelen en je kan geen drie kapiteins op
een schip hebben.
Je gaf net al aan, een jaar geleden ongeveer is er iets.. Dat heeft een hoop geld
gekost.
Ja, we hebben bedreiging aan de deur gehad. Twee mannen. En die hebben dus
kenbaar gemaakt wat we moesten doen. En of we gingen daarmee akkoord of we
kregen een plak dynamiet op het dak. En ik denk niet een plak maar wel een paar
plakken (…)”..

“(…) Heb jij die mannen ook aan de deur gezien ?


Ja, maar ze hadden bescherming op, dus. Kijk net als de mannen van gisteren
waren ze helemaal in het zwart. Ik kan hun postuur omschrijven, kort en
gedrongen. Voor een man vrij klein. 170 of zo. Eigenlijk klein voor een man
omdat ze zo gezet waren. Ze hadden van die blousonjacks aan, dat bollige. Maar
wel in het zwart. Alles was in het zwart. De handschoenen, alles.
En de schoenen ?
Die kon ik niet zien. Ik stond achter het gordijntje bij het keukenraam. Ik heb wel
gezien dat ze hevig euh… en toen die kant opliepen. En Kees hebt ze nog
uitgescholden. Ik hoorde hem zeggen Kankerleijer… Kankerleijers.., keihard (…)
”..

“(…) Hadden ze toen geen maskers op ?


Helmen, helmen hadden ze op. Dus dat kan je niet zien dan he, en ik heb donker
glas, kijk maar ik heb donker glas. En als je dan om acht uur wordt opgehaald,
dan is het dit weer. Ik kan dan niet meer zien hoor of (…)”.

“(…) En kende Kees die mannen ook ?


Waarschijnlijk wel. Ik heb alleen die stemmen gehoord. Dat is zo jammer. Ik kon
ook niet naar beneden gaan rennen en naast de deur gaan staan. Ik hoorde al aan
de dwang in de stem en de agressiviteit in de stem… Zo van: luisteren… Ik denk
oh. En anders ploffen we jullie weg hierzo..
Ik dacht zo. En mijn dochter kwam net aan.
Nou ja dus euh dat is het. Dat is een jaar geleden.
Daarna hebben ze hem een paar keer opgehaald.
Wanneer hebben ze hem voor het laatst opgehaald ?
Ach, dat is alweer. Ik denk januari of februari (…)”..

“(…) Is er ook nog iemand na de bedreigingen zeg maar in beeld gekomen ?


Nee, want dat is allemaal al veelvuldig altijd in beeld geweest, weet je. Dat zeg ik,
buiten dat ze hem hier af en toe op kwamen halen, wat ik dus heel angstig vond
altijd (…)”.

“(…) Even concreet. Hoe vaak is dat gebeurd, 1 keer, 2 keer, 10 keer ? Dat ze
hem op kwamen halen ?
Misschien wel vier of vijf keer.
Dan gingen ze zuipen he met zijn allen. Ik denk ook dat dat hun politiek was. Zo
van he kom..
Ze wilden hem binnen hun clubbie trekken ?
Ja. Ik denk dat dat het geweest is. En dat heeft ie geweigerd. Kijk, hij had een
gezin en kinderen. Wat heb je te verliezen. Alles. We zaten op het goede spoor.
Heeft Kees nooit geopperd om naar de politie te gaan ?
Ik. Ik wel. Maar dan zei hij: Maar Marie, ik kan ze toch niet verraden (…)”..

7.58.
Mevrouw Houtman wordt vervolgens in Kolbak bedreigde getuige A.
Tijdens haar verhoren bij de rechter-commissaris op naam, geeft ze aan dat het zo ver is
gekomen via Thomas van der Bijl. Hij zou via hem bekende politiemensen hebben
geregeld dat mevrouw Houtman, onder een deken, de weg kon vinden naar Teeven.

7.59.
Thomas van der Bijl, bedreigde getuige B, doet een duit in het zakje in dat verband als hij
één of twee dagen na de moord op zijn compagnon/vriend, op 2 november 2005, een
gesprek heeft met (zijn) runners van de CIE.
Het gesprek wordt zonder medeweten van die runners door Thomas van der Bijl
opgenomen, zoals het in het milieu blijkbaar betamelijk is, en op 10 september 2007
overhandigde de broer van Thomas, Joop van der Bijl, volgens het proces-verbaal
afkomstig uit het ‘Perugia’ onderzoek (naar de moord op die Van der Bijl) en van de
hand van verbalisant T047 en gedateerd 15 september 2007, de betreffende opname aan
die agent.

7.60.
Buiten het feit dat Van der Bijl tegen een persoon die in eerste instantie bij hem is, Sander
Huisman, aangeeft dat hij al 5 keer eerder met “ze” heeft gesproken, waarmee kennelijk
bedoeld; gesproken met functionarissen van de CIE, geeft hij aan:

“(…) T; Jullie… had toch aangegeven dat Kees afgeperst is. Heb ik aangegeven
bij die hogere mensen. Ik wil jullie niet voor het hoofd slaan. Maar die mensen
hebben mij verteld praat niet met die mensen van het hoofdbureau. Misschien
wordt je zelf ook vermoord. Oké, dat is mij gezegd. Heb een van de hoogste bazen
tegen mij gezegd. Jullie weten wie ik bedoel ?
Cie: Eerlijk gezegd niet.
T: Die heeft mij zelf benaderd.
Cie: Hoe heten die jongens ?

T: ene Peter en ntv.. die komen vanuit Rotterdam volgens mij.


Cie: Rotterdam.. van de CIE ?
T: Ja, ik heb de baas gesproken. Die baas heb even in de politie gezeten, een kale
man met een brilletje… officier..
Cie: oh.. je bedoeld Teeven. Die heb tegen je gezegd dat je niet met Amsterdam
mocht praten.
T: Dat ik anders gevaar liep.
Cie: dat is vorig jaar gebeurd ?
T: Ja. Het schijnt toch … dat mensen bij jullie praten.
Cie: Wat een lul zeg. Sorry dat ik het zeg maar.. we staan allemaal voor hetzelfde
Thomas.
T: Ik ben natuurlijk zelf heel bang nu..
Cie: Ja, natuurlijk.
T: Want Kees en ik waren natuurlijk toch een hechte band.
Cie: Door wie werd hij afgeperst ?
T: Dat weten jullie toch.
Cie: Ja, ik weet het wel maar ntv..
T: Hij werd door zijn oude vrienden afgeperst en die ene jongen zat daar gewoon
achter (vetgedrukt jhk). Die ene grote jongen. Jullie weten donders goed wie ik
bedoel.
Cie: Holleeder.
T: Holleeder ja.

7.61.
Het gesprek kabbelt nog eventjes voort en ‘en passant’ geven de runners ten onrechte en
dus in strijd met de waarheid Van der Bijl eventjes aan dat, ze laten in het midden door
wie, dat “de neus” –waarmee klaarblijkelijk bedoeld cliënt- gezien zou zijn terwijl hij om
de hoek zou hebben gestaan gedurende het vermeende bezoek dat Houtman het vorige
jaar aan zijn deur zou hebben gehad van, zoals later uit het gesprek opgemaakt zou
moeten worden, ene ‘Deene’ en ene ‘George’.

Voor de goede orde: uit geen enkele verklaring uit het Kolbak dossier kan blijken dat
iemand cliënt zou hebben gezien terwijl hij om de hoek, dan wel een straat verderop, zou
hebben gestaan gedurende het vermeende bezoek aan de deur van Houtman door twee
mensen met twee Uzi’s.

7.62.
Kees Houtman zelf spreekt daar zelf ook niet over. Hij had het immers over twee knapen
die voor de neus zouden werken en dat de neus het niet goed zou vinden dat door hem –
Houtman- pandjes zouden worden aangekocht waardoor Mieremet zijn geldbuidel zou
kunnen spekken.
Hij spreekt er bij geen enkele gelegenheid over dat cliënt ergens op een hoek zou hebben
gestaan dan wel bedreigingen zou hebben geuit aan diens adres, laat staan hem zou
hebben afgeperst;

“(…)
V: Ben jij ooit afgeperst of hebben ze jou ooit benaderd ?
A: Nee.
“(…)”.

7.63.
Cliënt betwist een en ander overigens ook met klem. Hij heeft aangegeven dat, daar waar
hem gevraagd wordt naar de Endstra-panden in Amsterdam-Zuid waaronder de
Scheldestraat, hij al geruime tijd eerder van Endstra te horen had gekregen dat die panden
al waren verkocht. Hij heeft dus geen interventie gedaan na de dood van Endstra om
Mieremet dwars te zitten.

Uit het hiervoor weergegeven door Van der Bijl opgenomen gesprek met de runners blijkt
onverkort dat hij aan het gokken is. Hij weet het niet, en zegt daarom maar “die ene
jongen zat daar gewoon achter”.

7.64.
Dit gesprek, nogmaals, zou hebben plaatsgehad kort na de moord op zijn
vriend/compagnon Houtman en toch komt hij op dat moment niet verder dan die ene
jegens de CIE uitgesproken gedachte. Hij probeert het wel, maar daar prikken we door
heen.
Maar niet getreurd, dat gaat hij later gewoon eventjes “goedmaken”. In zijn
kluisverklaringen van januari 2005 probeert hij cliënt alsnog zo hard mogelijk te raken.

7.65.
Thomas van der Bijl.

“Van der Bijl had in het milieu gehoord dat de enige manier om De Neus onderuit
te halen is om meer dan drie verklaringen tegen hem te krijgen”.

Voorzitter, het is overduidelijk, als de latere verklaringen van Maria Houtman (NB:
chemische drugs -typisch), Thomas van der Bijl (NB: chemische drugs –typisch-) en
bedreigde getuigen C naast elkaar worden gelegd.

7.66.
Tussen Van der Bijl en Maria Houtman heeft een kruisbestuiving plaatsgevonden.
Wanneer is onduidelijk. Duidelijk is wel dat dit ‘vrijwillig’ gebeurde. Mevrouw Houtman
werd niet met een wapen bedreigd.
Bedreigde getuige C wel.
Die is door Van der Bijl bedreigd met een vuurwapen om een verklaring af te leggen die
in strijd moest zijn met de waarheid, voor zover bedreigde getuige C die kende.

Want bedreigde getuige C heeft dat verteld, van die bedreiging. En ook vertelde hij over
zijn leugens in zijn verklaringen tegen de rechter-commissaris. Hij/zij kon er niet van
slapen.
Niet de justitie noch de politie en ook niet mevrouw Houtman zou, om hem/haar op weg
te helpen, een wapen hebben getoond. Het moet Thomas van der Bijl geweest zijn.
Bedreigde getuige C verkeert thans in psychische problemen.

7.67.
Deductie maakt dat het niemand anders geweest kan zijn dan Van der Bijl die het op zijn
geweten heeft.
Hij was degene die contact had met de politie over het (anoniem) kunnen afleggen van
verklaringen.
Hij was degene die bij mr. Teeven terecht is gekomen en uiteindelijk mevrouw Houtman,
en ook ‘C’, onder een deken die kant oploodste.
Mevrouw Houtman zegt getuige C niet te kennen.
En niemand anders dan Van der Bijl is het dus geweest die getuige C moet hebben
gekend –want verder was niemand anders op de hoogte van het traject- en hem/haar
zover heeft gekregen dat die onwaarheden ging lopen verkondigen.
Dat zegt heel veel, over die Van der Bijl. Dat zegt ook iets over de zorgvuldigheid die
door het openbaar ministerie in acht werd genomen en dat zegt ook iets over de marginale
toets die door de rechter-commissaris in het kader van de status-verlening ex art. 226a
e.v. WvSv werd uitgevoerd.
Te marginaal misschien ?

7.68.
Thomas van der Bijl werd, zoals algemeen bekend verondersteld, maanden geleden
opgepakt in verband met het aantreffen van een partij van 6.000 kilo softdrugs in een van
diens loodsen.
In het kader van dat onderzoek werd een totale hoeveelheid van 33.000 kilo in beslag
genomen en is gebleken dat, in ieder geval, Van der Bijl handel dreef in dat verband met
een groepering uit het Zuiden des Lands.
Van der Bijl werd, dwars door het regiem van de beperkingen heen, in vrijheid gesteld
omdat de officier van justitie –enkel jegens hem- de gevangenhouding niet wenste te
vorderen.

De overige verdachten bleven in de beperkingen en –vrijwel zonder uitzondering- tot op


de dag van vandaag in voorarrest.
Achteraf gezien logisch, want Van der Bijl was fungerend “bedreigde getuige” en het
staat natuurlijk een beetje slordig als een ‘o zo betrouwbare’ (bedreigde) getuige vast zit
omdat die verdacht wordt van het plegen van een strafbaar feit.
Wellicht dat de hand van mr. Teeven in deze gang van zaken te herkennen is… Het komt
me namelijk zo bekend voor.

7.69.
Van der Bijl had al jaren ‘de pik’ op cliënt, hij kon het maar niet vergeten wat er in een
eerdere liefdesrelatie van hem was gebeurd.

Van der Bijl is zeer wraaklustig jegens cliënt. Evident duidelijk wordt dat als hij zegt: ‘Ik
wil enkel maar Willem Holleeder. Het is een overloper. Hitler was een hond en hij had
zijn zoon kunnen zijn’
Aandacht verdient het feit dat hij hier dus niet zegt: ‘Het is een afperser’.

Van der Bijl informeerde ook de CIE als hem dat uitkwam maar vroeg er dan wel
blijkbaar wat voor terug.
Wie weet hoeveel info’s van Van der Bijl terug te vinden zijn in de D-rubrieken van ons
dossier.

7.70.
De (kluis)verklaringen van Van der Bijl geven niet meer kennis bloot dan dat hij de
informatie die hij heeft, heeft gehoord van Houtman.
En de verklaringen van Houtman kennen we. Die bevestigd, in ieder geval voor wat
betreft de afpersing niet wat Van der Bijl zegt.

7.71.
Op de keeper beschouwd geeft hij, in relatie tot deze zaak, alles gehoord te hebben van
Houtman, zelf weet hij niks.
- Hij was niet bij het bezoek dat eerder aan de woning van Houtman zou zijn
gebracht maar geeft wel aan dat ‘De Neus stond op dat moment aan de overkant
van de straat’;
- hij was niet bij betalingen die door Houtman zouden zijn gedaan aanwezig maar
denkt dat het cash is gebeurd;
- hij heeft nimmer cliënt zelf bedreigingen horen uiten jegens Houtman, al dan niet
in het kader van afpersing;
- hij heeft geen redenen van wetenschap uit eigen koker. Noch Houtman, noch Van
der Bijl kunnen we nu nog iets vragen.

Het enige dat hij zegt te weten uit eigen wetenschap is dat hij klappen tegen zijn hoofd
zou
hebben gehad van cliënt.

7.72.
Ik roep nog maar eens in herinnering, Voorzitter, hetgeen Van der Bijl aan de runners liet
weten kort na de moord op Houtman: ‘Hij werd door zijn oude vrienden afgeperst en die
ene jongen zat daar gewoon achter’.

Van der Bijl is wraaklustig en hij gokt, maar hij weet niks !

7.73.
Waarover hij niet spreekt, behalve dat hij zegt dat Houtman ‘een beetje in de soft drugs
deed’ maar wat hij naar de mening van de verdediging wel weet, dan wel moet weten, is
het feit dat Cees Houtman in de periode november/december 2004, nog volop telefonisch
en lijfelijk contact had met Rene van Deene met betrekking tot een loods in Amsterdam.
Ze maakten in die tijd ook afspraken om elkaar te ontmoeten.

Die contacten zijn gelegen in de periode na het bezoek aan de woning van Houtman toen
die door onder andere Rene van Deene zou zijn bedreigd. Dat is raar.

De stellige indruk bij de verdediging is dat Houtman zakelijke (verdovende middelen)


banden had met Van Deene, in ieder geval voor wat betreft het gebruik kunnen maken
van de loods van Van Deene (en diens vader) om daar wellicht wat drugs in te kunnen
opslaan.

Deze situatie zou zonder meer die afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken


kunnen verklaren. Dan is het allemaal opeens niet meer zo vreemd.

Groep van personen II “De Hallen” gerelateerd.

7.74.
Nieuwenhuis, Nap, Carla en Yvonne Houtman, Kater, allemaal hebben ze een ding
gemeen: ze komen allemaal veelvuldig in café ‘De Hallen’ maar niet op het moment van
het vragenuurtje.
Nee de meesten lijken er te wonen.

Allen worden na de dood van Houtman geïnformeerd over wat in de voorliggende


periode Cees zou zijn overkomen.
Iedereen gaat zijn conclusies trekken naar aanleiding van wat ze zich zeggen te kunnen
herinneren uit het verleden.
De ene weet van pistolen, de ander van glazen gooien. Weer een ander van begeleid naar
het toilet moeten en de volgende weet dat Cees gedwongen achter op een opgevoerde
brommer moest gaan zitten.
Sommige hebben de indruk dat het voorheen inderdaad allemaal niet goed zat, maar
niemand heeft er toen acht op geslagen.

7.75.

Voorzitter, ‘Ik ken er niks mee’ zou Willem zeggen. Hoe moet je je verdedigen tegen
dergelijke opmerkingen van mensen die allemaal bedroefd zijn omdat Cees er niet meer
is. Van mensen die menen te weten op grond van welke ‘bron’ dan ook dat cliënt degene
is die de dood van Houtman op zijn geweten zou hebben. Ik vraag u: Hoe moet je je
verdedigen tegen ‘psychologie van de koude grond’ ? Hoe ?!

Feiten wil ik horen Voorzitter, en uw rechtbank ook. Hoe betreurenswaardig het ook
allemaal is.

We kunnen en mogen iemand niet veroordelen op verklaringen van mensen die, zo wordt
verklaard, pas na dertig bier door Cees in vertrouwen werden genomen.
We mogen niet veroordelen op verklaringen van mensen die menen iets te hebben gezien
wat voor velerlei uitleg vatbaar kan zijn geweest.
Cees heeft zich nooit beklaagd tegenover politie en justitie dat hij een scooter kreeg van
cliënt en dat ze samen op kroegentocht gingen. Hij niet.

Is het niet ook een beetje onlogisch, voor wat dat in ons strafproces waard is, dat iemand
steeds maar weer in een vol café onder dwang, soms met wapens zou worden opgehaald ?
Is het niet onlogisch om in het kader van het mee moeten, achter op een brommertje te
worden gezet ?

Wilde Cees niet voor Maria verbergen dat hij naar ‘de dames van plezier’ ging, zoals
cliënt verklaarde, is dat niet veel logischer. Moest hij daarom niet ook bijna een kilometer
voor zijn huis weer worden afgezet als ze terug kwamen, zodat Cees kon terug rennen en
dan zo bezweet was dat Maria de eau de cologne van andere vrouwen niet meer zou
kunnen waarnemen ?
Ligt dat niet veel meer voor de hand.

Het enige dat in deze zaak opduikt, Voorzitter, is het gerucht, want meer is het niet, dat
cliënt aan de overkant van de straat of een straat verder of op de hoek, zou hebben staan
wachten toen Jappie van Kleef en/of Richard Geisterfer en/of Rene van Deene aan de
deur zouden hebben gestaan en Houtman zouden hebben bedreigd.

Cliënt betwist ook met de grootst mogelijke klem dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
deze verdenking.

Voorwaar te weinig voor een veroordeling.

Met andere woorden Voorzitter, verzoek ik uw rechtbank om Willem Holleeder ook


integraal vrij te spreken van de kwestie Houtman.

XIII: Endstra, een stukje voorgeschiedenis.

8.1.
Omdat ze allemaal zo toepasselijk zijn in deze zaak, Voorzitter, trakteer ik u op nog een
paar citaten. Ze slaan steeds weer de spijker op de kop:

“Het nadeel is dat wij er op zich niets mee kunnen. Dat is het probleem met de
CIE”

en:

“U vraagt mij of ik de indruk had dat hij geen openheid van zaken gaf.
Wij hadden de indruk dat er meer was dan hij zei. Wij hadden de indruk dat hij
het hele gebeuren wilde richten op Holleeder en wij vermoedde dat er meer
speelde. Ik had die indruk op basis van zijn houding en op basis van mijn eigen
ervaring”.

Extase-onderzoek.

“(…) In de periode 1990 tot 14 februari 1992 is door het Interregionaal


Recherche Team Noord-Holland/Utrecht een strafrechtelijk onderzoek onder de
naam EXTASE verricht op een criminele organisatie, die zich bezig hield met de
handel in verdovende middelen, namelijk XTC. Als belangrijkste leden worden
aangemerkt Tonny VAN DALEN, Ronald VAN ESSEN en de inmiddels
geliquideerde Danny LECLERE. In dat onderzoek kwam Willem ENDSTRA naar
voren vanwege betrokkenheid bij investeringen uit het netto beschikbare saldo
van de criminele organisatie. De zaak is afgedaan en heeft in ieder geval geleid
tot jarenlange gevangenisstraffen voor Tonny VAN DALEN en Ronald VAN
ESSEN (…)”.

“(…) Het dossier van het onderzoek EXTASE is niet getraceerd. Wel getraceerd is
een financiëel rapport waarin de verdiensten van de criminele organisatie zijn
geschetst. Daar dit geld kennelijk tenminste voor een deel in de
bedrijvenstructuur van Willem ENDSTRA is opgenomen en dat later in de tijd
kennelijk een rol speelde bij allerhande ontwikkelingen wordt dit rapport relevant
geacht (…)”.

8.2.
De oorsprong van alle ellende volgens het openbaar-ministerie is gelegen in de
verdiensten die uit verdovende middelen handel, in eerste instantie middels Van Dalen,
Van Essen en

Leclere alias “Docter Love”, werden verkregen en die vervolgens, middels Endstra en
diens ondernemingen werden geïnvesteerd, in ‘stenen’.

8.3.
Begin jaren 90 was Endstra volgens justitie medeverdachte van de bende van Van Dalen
(o.a. divisie geweld), Van Essen (o.a. divisie distributie) en Leclere (divisie productie).
Leclere was de laborant van de familie. Hij werd inmiddels geliquideerd.
Endstra was de trotse bezetter van de positie “financiëen” (divisie ‘witwassen’).

8.4.
In die periode begaf Endstra zich overduidelijk middels die financiële lijn in het drugs
milieu en investeerde hij samen met zijn mededaders in de bovenwereld.
Zo kocht hij (middels onder meer de familie onderneming Convoy-vastgoed) tezamen
met Van Dalen; Van Essen; Leclere en Fabrie drie (3) cacaoloodsen op een terrein te
Amsterdam nabij de Oceaanweg en aan de zuidzijde van een aan te leggen insteekhaven
voor binnenschepen.

8.5.
Ten behoeve van de financiering bewandelde Endstra op zijn’eigen’ vertrouwde wijze de
tot stand koming van die financieringen.
Het is hem niet vreemd om zonder contracten te werken. Veel wordt in het hoofd
gehouden en soms wordt iets op kladjes genoteerd.
Dat de handel en wandel van Endstra in de boeken niet helemaal koosjer is, is niets
nieuws. Tot op de dag van zijn dood heeft hij zich bezondigd aan constructies die
eigenlijk het daglicht niet konden verdagen. Justitie had daar in deze zaak voor het eerst,
drugs gerelateerd, ten aanzien van Endstra een vinger achter gekregen.

8.6.
In een later onderzoek genaamd ‘Buizerd’, onder leiding van de Amsterdamse officier
van justitie mr. Tonino, werd Endstra voor de zoveelste keer als verdachte aangemerkt.
Voordien had hij zich nog nooit daadwerkelijk in het kader van een strafzaak voor een
rechter dienen te verantwoorden.
Bij die eerdere gelegenheden had hij voor een miljoen gulden verdere vervolging kunnen
afkopen dan wel had zijn zaak “te lang op de plank gelegen” –zoals mr. Plooij een
dergelijke werkwijze omschreef tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen
cliënt toen de verdediging Zeegers ondervroeg met betrekking tot een door
laatstgenoemde door de verdediging vermeend gesloten ‘deal’ tussen hem en justitie in de
‘Campo Allegro-zaak- waardoor het recht op strafvervolging was verspeeld door justitie.

8.7.
In de bij het Kolbak-dossier gevoegde zogenoemde ‘separate onderzoeken’ bevindt zich
een uiterst summier gedeelte van het eerder aangehaalde EXTASE-onderzoek. Dat is zeer

jammer. Ook is het jammer dat niet de gehele doopceel van Endstra, daar waar het gaat
om de wijze waarop hij zaken deed, werd gelicht. Waarschijnlijk hadden we dan niet
meer zo moeilijk hoeven doen om de geldstromen die nu als verdacht worden
aangemerkt. Waarschijnlijk hadden we dan gezien dat hij vaak op een dergelijke manier
opereerde. Hij was een man van geld en voor geld.

Uit het gedeelte dat we wel ter beschikking hebben blijkt eigenlijk al genoeg. Daaruit
blijkt hoe Endstra, toen al, zaken deed. Het liefst met verborgen identiteit, afgeschermd
voor de buitenwacht.

Uit dat gedeelte alleen al blijkt tevens dat Endstra in die periode ook al het systeem van
‘goedkoop huren’ (in Kolbak: ‘goedkoop wonen’) toepaste.

8.8.
Uit dat gedeelte alleen al blijkt ook dat Endstra constructies aanwendde om zaken die het
daglicht niet konden verdragen voor elkaar te krijgen, zoals bijvoorbeeld het ongezien
laten mee investeren door criminelen van naam en faam (zoals Van Essen en Van Dalen)
in, in dit geval, aandelentransacties.

8.9.
Constructies zoals die ook konden worden beluisterd in het televisieprogramma NOVA
van 2 oktober 2007.
Daarin liet Endstra de kijker horen hoe hij op zeer eenvoudige wijze, en zoals het lijkt uit
de losse pols, Harrie Pen uitlegt hoe de weduwe Driesen voor een schijntje (in)direct een
zeer forse erfenis afhandig werd gemaakt. Zij mocht van Endstra wel in haar huis blijven
wonen overigens. Maar dat was dan ook alles.

Zeegers moet het bedrijf verder maar liquideren. Zeegers, ter zitting bevraagd, kon op
vragen in dat verband niet al te veel antwoorden met u en mij delen.

8.10.
Tussen de bedrijven door immiteert hij, zo konden we bij NOVA horen, nog even
Maxima als hij Pen, respectloos, laat weten dat Niqvist ‘wel een beetje dom is’ omdat hij
twéé, in plaats van één, persoon heeft vermoord. Hij zegt tegen Pen dat Niqvist er beter
eentje had kunnen doden want dat was goedkoper geweest.
Ik zou bijna zeggen: ‘Endstra kan het weten’.

8.11.
Niqvist, de man over wie Endstra spreekt had namens de Juliët-bende (bepaald niet de
minst gewelddadige groepering in Nederland) op zijn minst 24 miljoen aan Endstra
gegeven om te beleggen. Ook hij heeft nooit iets terug gezien. We kunnen dat
terugvinden in de laatstelijk door de officier van justitie aan het Kolbak dossier
toegevoegde OVC gesprek tussen Ron Niqvist en diens vriendin.
Zelfs in 2006 wordt er nog steeds door hem over gesproken.

Niqvist vertelde het weekblad Panorama recentelijk in een interview het volgende over
zijn ervaringen met Endstra en het door hem beleggen van criminele gelden:

“Ik keek echt op tegen Willem Endstra. Hij bracht het als een soort gunst dat ik
mijn geld bij hem mòcht brengen, dat ik er blij mee moest zijn dat hij mijn geld in
ontvangst wilde nemen. En zo voelde ik het ook echt. Die 24 miljoen waren
peanuts voor hem. Vereerd was ik dat de grote Willem Endstra mijn geld wilde
beleggen. We zagen elkaar vooral op de Antillen. Zo onopvallend mogelijk. Als hij
aankwam vertrok ik. We hadden daar huizen en belangen. Hij liet mij dan zien
waar ik allemaal belangen in had. Dat zag er imposant uit. Ik had het volstre
vertrouwen in Willem. Hij was dé meester van de illusie. Geen seconde heb ik
eraan getwijfeld of het goed zat. Nee, het zat gewoon goed”.

Tussen de weinige stukken uit het (strafrechtelijke) verleden van Endstra die we wel
hebben zitten in beslag genomen, door Endstra met de hand geschreven, briefjes met
bedragen en namen daar op vermeld.

8.12.
Niets vreemds dus voor hem om stiekem te opereren, hij deed het altijd al zo. Bepaald
niet alles werd in de boeken verwerkt.
Mr. Tonino zag dat later ook in het door hem geleide onderzoek ‘Buizerd”, waarover
hierna meer.
In ieder geval zover we kunnen traceren aan de hand van de stukken blijkt dat. Stukken
die opgemaakt zijn door justitie ten laste van Endstra in dit Extase-onderzoek.
De aan het Kolbak dossier toegevoegde Extase stukken zijn, nogmaals, verre van
volledig. We treffen tussen die stukken niet aan een boekhouding van Endstra uit de jaren
van voor de huidige aan cliënt ten laste gelegde periode.
Maar de stukken die we wel hebben spreken al boekdelen.

8.13.
Toen Van Essen later nogmaals verdacht werd naar aanleiding van een
opsporingsonderzoek door ‘het Dreamteam’ dat draaide in Flevoland bleek dat grote
geldbedragen richting : Bos(s) gingen: daarmee werd Endstra bedoeld.
De speurders vragen zich in goede gemoede af, en relateren dat ook in hen verbalen, om
het maar eens zachtjes te zeggen, of de indruk een verkeerde is als zij denken dat ‘Bos’ in
het geval van Endstra met twéé SS-en dient te worden geschreven.
Kunnen we daar een bepaalde conclusie aan verbinden ? was hij de baas ?

8.14.
Buizerd/Mercurius-onderzoeken.

In deze zaak laat de CIE Amsterdam-Amstelland waar J. van Looijen toen nog werkzaam
was zich ook weer van zijn beste kant zien als zij kenbaar maakt de navolgende
informatie te hebben ontvangen in december 2000 inhoudende dat:

“(…) Willem ENDSTRA een aantal panden heeft aangekocht, die feitelijk
eigendom zijn van Ronald van Essen. Deze panden zijn betaald door Van Essen
uit de opbrengst van de handel uit verdovende middelen. Endstra zou diverse van
zijn bedrijven hebben gebruikt om het zwarte geld van Van Essen wit te wassen en
zou op de hoogte zijn geweest van het feit dat het geld afkomstig was van de
handel in verdovende middelen. Het zou onder meer gaan om de volgende
panden: Minervalaan, Hoek Gerrit van der Veenstraat en Courbetstraat, Hoek
met de Michelangelostraat en Stadionkade (…)”;

en vervolgens de info die bij de CIE Amsterdam in augustus 2001 binnen kwam en welke
luidde:

“(…) Willem Endstra is momenteel grote bedragen aan het terugbetalen aan
Ronald van Essen. Dit gebeurd middels een constructie, met allerlei bedrijven. De
contactpersoon tussen Endstra en Van Essen is Danny, de zoon van Van Essen
(…)”.

Endstra is dus volop in beeld en mr. Tonino wil hem pakken.

“(…) Het onderzoek BUIZERD heeft plaatsgevonden te Amsterdam, onder leiding


van de officier van justitie, mr. Tonino, in de periode van 1 januari 2001 tot het
eind 2002 en was gericht tegen de inmiddels geliquideerde Willem ENDSTRA en
enige andere verdachten. De aan het licht gebrachtte delicten betroffen onder
meer heling, vals opgave in authentieke akte en oplichting. Het onderzoek
BUIZERD was nog onder de rechter op het moment dat Willem ENDSTRA werd
vermoord. Willem ENDSTA was in dit onderzoek justiteel bekend onder
parketnummer 13/129216-01.

8.15.
Uit de door mr. Tonino jegens Endstra uitgevaardigde ‘kennisgeving van verdere
vervolging’ van 6 oktober 2003 blijkt dat het in dit geval inderdaad onder meer ging om
de door Endstra van Van Essen (en Van Dalen) ingenomen gelden uit misdrijf afkomstig
(verdovende middelen).

“(…) uit diverse strafrechtelijke onderzoeken is naar voren gekomen dat er een
relatie bestaat tussen de verdovende middelen handelaar
Ronald van Essen,
geboren te Amsterdam op 12 januari 1953

wonende te Amsterdam, Minervalaan 24 huis

en de vastgoed/onroerend goed makelaar

Willem Alexander Arnold Peter Minne Endstra,


geboren te Amsterdam op 12 januari 1953,
wonende te amsterdam, Diepenbrockstraat 11,

waaruit kan worden opgemaakt dat Endstra door misdrijf verkregen gelden
beheert en heeft beheerd voor Van Essen.
Het vermoeden bestaat dat Endstra kennelijk op versluierde wijze het indertijd
verkregen criminele geld aan Van Essen terug betaald.
(de verdenking heling).

8.16.
Uit deze, op grond van het Kolbak dossier eveneens beperkt voorhanden zijnde, stukken
blijkt dat Endstra onder andere vele panden aankoopt en op die wijze het door Van Essen
bij hem –Endstra- ingelegde geldbedrag lijkt te moeten gaan terug betalen. Van Essen zit
immers achter zijn centen aan op dat moment. Van Essen werd overigens nooit
gedagvaard voor vermeende ‘afpersing’ van Endstra.

8.17.
Endstra heeft, kunnen we aannemen op grond van het bovenstaande, weinig anders
gedaan dan het vervolvoeren van duistere geldzaken, gecombineerd met legale
activiteiten. Dat daarbij duistere en vreemdsoortige financiële constructies ontstonden is
inherent aan de wijze waar op Endstra ‘zaken’ deed.
Witwas constucties zijn meestentijds immers nogal diffuus en bijna onnavolgbaar. Hij
was daar meester in (niet in de rechten) want hij verdween nooit achter slot en grendel.

8.18.
Nog even terug naar Ronald van Essen.
Dat uiteindelijk zal blijken dat hij –verhoudingsgewijs- bijna niets heeft teruggekregen
van de door hem ingelegde gelden, ook niet middels een van de vermeende beheerders
van Endstra-gelden Hein van Hoeckel te Spanje –die naar eigen zeggen toestemming
moets verkrijgen van Haico Endstra, staat zo ongeveer wel vast. Gaby Bernard, de
partner van Van Essen moest om haar gehavende gezin te voeden, boodschappen gaan
stelen bij Albert Heijn omdat Endstra haar, en ook Ronald, in de kou liet staan na de rond
kerst 1999, op hem gepleegde moordaanslag. Iedereen in het Amsterdamse milieu kent
dat verhaal, zo ook getuige Y.

8.18.
Ricardo van Essen, zo vertelde hij bij gelegenheid van zijn verhoor te Madrid, heeft het
zelf van dichtbij mee gemaakt:

“(…) Er is zelfs gezegd dat Gaby zelfs haar boodschappen moest jatten in Albert
Heijn, omdat Endstra niets deed.
Dat klopt. De buurman kwam naar mij toe en zei: wat ben jij voor klootzak, je
moeder loopt boodschappen uit Albert Heijn te stelen en jij rijdt in zo’n auto? Ik
schrok hiervan, want ik dact dat ze maandelijks een inkomen van Wim Endstra
kreeg. Wim Endstra en mijn moeder hadden niet zo’n goede band met elkaar.
Daarom ging mijn broertje (Danny, toevoeging jhk) dan.Wim Endstra gaf aan
hem af en toe een paar ruggen. Ook had hij een busje betaald voor mijn vader,
waar hij met zijn rolstoel in kon. Maar meer heeft Wim Endstra niet gedaan. In
mijn idee, deed Wim Endstra dit van het geld van mijn vader (…)”.

De auto waar Ricardo over spreekt is een auto van Endstra die hij mocht gebruiken omdat
hij in de jachthaven in IJmuiden als nachtwaker een baantje had gekregen van Endstra.
Overigens had ook Ronald daar een baantje en ook hij kreeg een auto ter beschikking,
maar ook niet in eigendom.
8.19.
Dat Endstra zich weinig gelegen liet liggen ten aanzien van het lot van Van Essen, voor
noch na de aanslag, terwijl deze toch miljoenen guldens zal hebben ingelegd, blijkt ook
uit het relaas van getuige Y.

Als Van Dalen en hij een afspraak willen maken met Endstra na de mislukte aanslag op
Van Essen over de afwikkeling van de door Van Essen ingelegde drugsgelden, houdt hij
zich weg. Hij laat zeggen dat hij niet aanwezig is. Hij wil geen afspraak maken. Buiten
ziet getuige Y Holleeder staan.

8.20.
Pas als getuige Y zich onder een gefingeerde naam telefonisch meldt bij Endstra krijgt hij
Endstra aan de telefoon. Die kan er dan niet meer onderuit en pas dan wordt er een
vergadering belegd op de Apollolaan, op het kantoor van de ‘Bos(s?)’.

Getuige Y verhaalt over die eerste ontmoeting:

“(…) U vraagt mij hoe die eerste ontmoeting tot stand is gekomen. Van de zoon
van Van Essen hadden we een A-4 tje gekregen met alle namen en adressen van
Endstra en zijn familie. We hebben een aantal malen voor het kantoor gestaan en
Van Dalen had een aantal malen gebeld en dan werd er gezegd dat Endstra niet
aanwezig was. Ik heb toen onder de naam NN naar Endstra gebeld en toen nam
hij de telefoon aan.

Daarna heeft Van Dalen een normaal gesprek gehad met Endstra waar ik bij was.
Endstra deed of hij zwaar onder de indruk was. De voorzitter vraagt mij hoe ik
zag dat Endstra deed alsof. Ik vond het door de manier van doen en laten
duidelijk niet gemeend, gewoon poppenkast.
U vraagt mij wat hij dan deed. Hij deed heel zielig. Hij vond het verschrikkelijk
voor Gaby en de kinderen. Het was niet gemeend (…)”.

8.21.
Voorzitter, later zal blijken dat Endstra vervolgens Sam Klepper de kastanjes uit het vuur
zal laten halen en die doet dat zo goed dat de familie Van Essen uiteindelijk met een fooi
wordt afgescheept.

Getuige Y lijkt Endstra dus wel degelijk zeer goed te hebben ingeschat vooraf en tijdens
die ontmoeting.
De familie Van Essen krijgt verhoudingsgewijs slechts een fractie terug van de door hen
man/vader ingelegde miljoenen. Behoudens wat handgeld cash en enkele bedragen over
de rekening al dan niet via Van Hoeckel , maar enkel met toestemming van voorheen
Willem- en later Haico Endstra, en een voor een invalide aangepast busje. Endstra laat ze
volledig stikken, maar deed alsof hij het allemaal zo zielig vond.

8.22.
In dat laatste verband, met betrekking tot het in de kou laten staan, wil ik graag het
volgende afgeluisterde en opgenomen telefoongesprek met u delen zodat een stevige
indruk wordt verkregen van de persoon Endstra in relatie tot de wereld waarin hij zich ten
gevolge van zijn ‘hang naar spanning’ had begeven.

8.23.
Die indruk die dan ontstaat is een geheel andere dan de indruk zoals de officieren van
justitie deze wensen te schilderen als zij het hebben over een man die onder andere
‘bijzonder slim in zaken’ en ‘ruimhartig’ was, ‘openhartig’ kon zijn en wiens valkuil zijn
‘hang naar spanning’ was. Dat zijn familie en directe, nabije kennissen –waaronder
Zeegers- en of medewerkers hem zo schetsen is begrijpelijk, maar hoogstwaarschijnlijk
bezijdens de waarheid.

Endstra is over de onderstaande gebeurtenis niet bepaald ‘openhartig’ geweest.

“(…) Naar aanleiding van het overlijden van Isidore Aslander begin november
2001 vond er op 5 november 2001 een telefoongesprek plaats tussen Ronald van
Essen en Bert Marks en Marina de Vries.
Ronald verteld dat zijn beste vriend Issy is overleden.

Ronald vertelde hem verder dat: Issy hem verteld had dat hij had vastgezeten met
een Joegoslaaf genaamd Paja. Deze Paja zou aan Issy verteld hebben dat een
Joegoslaaf genaamd Bato, “hem had gedaan” en dat was gebeurd in opdracht
van Willem Endstra.
Opmerking:
Met de opmerking “Hem had gedaan” wordt bedoeld “Op hem geschoten heeft
(…)”.

8.24.
Vervolgens vindt er op 7 november 2001 wederom een gesprek plaats met een dergelijke
inhoud. Een gesprek dat wordt gevoerd tussen wederom Ronald van Essen en Hanneke
Aslander-Bijl, de weduwe van Isidore Aslander. Ik citeer hieruit het in dit verband
relevante gedeelte:

“(…)
R: Kijk eh….Ik had op een bepaald moment ook zoiets, ze pikken van mijn
kinderen. Daar moeten ze niet aan beginnen. Door mij neer te schieten hebben ze
bijna mijn kinderen van hun erfenis beroofd. En ik weet nou wie het gedaan heeft
dus. Ies heeft het mij verteld toch.
H:Ja, ja. Het is inderdaad een hele moeilijke zaak natuurlijk. Ik heb nooit
helemaal van de hoed en de rand geweten dus…
R: Dat is maar goed ook (…)”.

8.24.
Dat ‘Isie’ het wel eens bij het rechte eind zou kunnen hebben gehad moge blijken uit de
getuigen verklaringen van Bas van Hout, getuige Y, en cliënt ter terechtzitting van uw
rechtbank.
Van Hout en Y verklaarden beiden onder de belofte van Klepper te hebben vernomen c.q.
impliciet te hebben begrepen dat hij in opdracht van Endstra de liquidatiepoging op
Ronald van Essen had uitgevoerd dan wel had laten uitvoeren.
Klepper zou zijn spijt hebben betoond ten aanzien van die aanslag aan Van Hout. Niet
omdat hij er emotioneel door geraakt zou zijn maar omdat het kwartje blijkbaar was
gevallen en hij het voor mogelijk hield dat, indien hij zijn eigen geld zou gaan claimen bij
Endstra, hem –Klepper- wel eens hetzelfde zou kunnen overkomen als Van Essen; een
moordaanslag.

8.25.
Tot zover de oprechte en ruimhartige, lees eventueel liever ‘hartvochtige’, Willem
Endstra ten aanzien van wie al met al nou niet bepaald direct de indruk ontstaat dat hij
‘per ongeluk’ en ‘sporadisch’, ‘incidenteel’, in de periferie van de zware, georganiseerde
misdaad verkeerde.

Nee, hij heeft er willens en wetens voor gekozen om grote geldbedragen aan te pakken
van hele gevaarlijke jongens met de insteek om nooit meer terug te betalen. Zoals uit de
stukken, verklaringen kan worden gedestilleerd kan er van worden uitgegaan dat in ieder
geval Ronald van Essen; Tonnie van Dalen; Sam Klepper; John Mieremet; (leden van) de
Julliët-bende;

Marco Eijk; Jan Femer; Streten Joca Jocic; en wellicht ook Mike Jalink en Mink Kok
veel geld bij Endstra hadden ingelegd opdat ze later, conform wel ‘ruimhartige’ beloften
van Endstra, hen rendement zouden kunnen innen. Deze opsomming dient echter niet
bepaald als zijnde uitputtend te worden gezien.

8.26.
Zo ver kwam het echter niet, behalve voor Mieremet, gedeeltelijk. Onder dreiging van
een pistool en zwaar geweld.
In het verband van Mieremet is het volgende voor uw rechtbank nog relevant om te
weten.

8.26.
Op 4 oktober 2007 heeft de Rotterdamse raadkamer uitspraak gedaan op een namens mr.
Beckers, de raadsman van Ria Eelzak (voormalig echtgenote en thans erfgename van
Mieremet) op 25 juni 2007 ingediend klaagschrift ex art. 552a WvSv.
8.27.
Mr. Beckers wil stukken terug hebben die bij gelegenheid van een zoeking in diens
kantoor in het kader van het ‘Eelt’-onderzoek in beslag waren genomen. De Deken van
de Orde van Advocaten was daarbij aanwezig.
Dat ‘Eelt’-onderzoek was een vervolgonderzoek op het Kolbak-onderzoek dat
klaarblijkelijk was gestart op de verdenking afpersing van Endstra door Mieremet.
In het kader van onderzoek naar de moord op Mieremet in Thailand op 2 november 2005
heeft er tevens een huiszoeking plaatsgehad in de woning van Mieremet/Eelzak te
Neerpelt, België.

8.28.
De raadkamer geeft in haar uitspraak, onder meer, de navolgende motivering weg :

Ad a: De Belgische doorzoeking

Op grond van het dossier en het verhandelde in raadkamer kunnen de volgende


feiten worden vastgesteld:
-Onder de naam KOLBAK heeft de Nationale Recherche een onderzoek ingesteld
naar, kort gezegd, afpersingen, heling en witwassen van gelden in georganiseerd
verband, in welk onderzoek Johannes Mieremet als verdachte is aangemerkt;
-Johannes Mieremet is op 2 november 2005 in Thailand geliquideerd. In het
kader van het onderzoek naar de moord op Mieremet heeft op verzoek van de
Nederlandse autoriteiten door middel van een rechtshulpverzoek aan België op
diezelfde dag een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van Mieremet en E.
in België. Hierbij is onder meer een aantal documenten in beslag genomen;
-Met de dood van Mieremet is het onderzoek KOLBAK gestaakt, maar wel verder
voortgezet onder de naam Eelt naar geldstromen in relatie tot witwassen;

-De Belgische autoriteiten hebben toestemming gegeven om de bij de


eerdergenoemde doorzoeking aangetroffen en inbeslaggenomen documenten te
gebruiken in het onderzoek EELT;
-In laatstgenoemd onderzoek zijn onder andere mevrouw E. én klager (vetgedrukt
en cursief: jhk) als verdachte aangemerkt.

8.29.
Goed om te weten dat Kolbak eerst draaide om Mieremet en dat de heer mr. Beckers als
verdachte werd aangemerkt in het onderzoek Eelt terzake witwassen !? Het moet niet
gekker worden.

Indien het toch zover zou moeten komen, het terugbetalen, dan lijkt het er sterk op dat hij
het inzetten van zwaar geweld niet bepaald schuwde. Hij had immers naar eigen zeggen
500 a 600 miljoen

8.30.
Ik memoreer in dat verband tevens nog aan het gesprek dat Endstra en mr. Beckers
hadden op de Apollolaan, het kantoor van Endstra. Opnamen daarvan werden
uitgezonden via het misdaadprogramma van Peter R. De Vries “Misdaadverslaggever”,
welke uitzending ik u bekend veronderstel.
In dat gesprek gaf Endstra aan mr. Beckers aan, kort samengevat en zakelijk
weergegeven, huurmoordenaars op Mieremet af te zullen sturen als men niet tot
overeenstemming zou kunnen komen. Hij -Endstra- zou voor een eventuele moord op
Mieremet veel geld hebben over gehad. De normen en waarden stonden bij Endstra niet
bepaald hoog in het vaandel. Zakelijk, noch privé, zo weten wij inmiddels.

8.31.
Endstra was geen ‘bovenwereld’ zoals wel eens wordt verondersteld. Hij zat midden in en
was onderwereld. Hij zat tot over zijn oren in het drugsgeld.
De verdediging denkt, voor wat het waard is (het openbaar ministerie denkt ook zoveel)
dat Endstra een van de grootste witwassers is geweest die Nederland ooit in haar
criminele geschiedenis heeft gekend.

8.32.
Over de achterbankgesprekken van Endstra met de CIE heb ik al het nodige gezegd in het
eerste deel van mijn pleidooi. Ik zal dat niet gaan herhalen, schrikt u niet.
De boodschap van de verdediging aan uw rechtbank is duidelijk: de
achterbankgesprekken zijn naar onze stellige overtuiging absoluut niet bruikbaar voor het
bewijs.

8.33.
Wel wil ik nog graag iets zeggen over een aantal getuigen die in het kader van dit proces
hebben opgetreden en wiens verklaringen door uw rechtbank met enige regelmaat werden
voorgehouden aan, onder meer, cliënt gedurende de behandeling ter zitting.

8.34.

Een van die personen is wijlen Bram Zeegers.


Hij kreeg ten onrechte een soort van speciale status aangemeten door niet-proces
deelnemers. “Kroongetuige” werd hij genoemd en vertrouwensman van Endstra die alles
zou weten. Hij zou de inhoud van de gesprekken van Endstra op de CIE achterbank
kunnen bevestigen.

Afgezien van het feit dat Endstra Zeegers nou niet bepaald omschreef als zijnde zijn
vertrouwensman, was Zeegers natuurlijk geen kroongetuige.

De verdediging had hem niet eens opgeroepen om bij de rechter-commissaris te worden


gehoord. Wij kenden Zeegers zijn reputatie die hij samen met voormalig advocaat mr.
Rieske had verdiend in de ‘Campo Allegro’ zaak waarvoor beiden werden veroordeeld.
Uit de stukken bleek al dat hij niet meer zou kunnen vertellen dan hetgeen hij van Endstra
had gehoord. Dat is ook gebleken.

Wist de verdediging veel dat het openbaar ministerie met een oud advocaat, die van het
tableau zou zijn geschrapt als hij dat niet zelf zou hebben laten doen, kluisverklaringen
aan het opnemen was.
Wist de verdediging veel dat het openbaar ministerie met Zeegers in zee zou wìllen gaan.
Een getuige die op zijn minst dezelfde levensvisie had als Endstra zelf.

8.35.
Zeegers moest ter zitting komen verklaren omdat pas in een laat stadium zijn
kluisverklaringen aan de stukken werden toegevoegd. Kort voordat Willem ziek werd.
Uw rechtbank wilde hem zelf ook wel eens spreken. En hij werd gehoord.

8.36.
Al uit de kluisverklaringen kon blijken dat hij van Endstra had gehoord dat die zou
worden afgeperst. Hij zou het dan ook over cliënt hebben gehad, maar ook over
Mieremet. Die was bezig en bezig geweest om via de eerder besproken advocaat van zij
partner Ria Eelzak, mr. Beckers, zo’n 40 miljoen terug te krijgen van Endstra.
Zelf had Zeegers nooit iets meegemaakt waaruit zou kunnen hebben blijken dat Holleeder
aan het afpersen was.
Een maal zag hij, toen Endstra naar de voordeur liep omdat de bel ging, dat Endstra
achter zijn rug een “ga weg” of “bemoei je er niet mee” gebaar maakte. Zeegers wist niet
of Endstra toen wist tegen wie hij dat gebaar maakte. Hij had niet omgekeken.
Tot zover de feitelijkheden van zoals Zeegers die ons kon vertellenn.

8.37.
Een andere figuur die prominent in het dossier naar voren komt is Joop van der Haar. Zijn
verklaringen zoals hij die in Enclave bij de politie aflegde in 2004 laten zien dat hij
eigenlijk niet veel weet en ook niet kan weten. Hij werkte pas vanaf maart 2003 op het
kantoor van Endstra en kort na diens overlijden ging hij weer weg…
Het gevaar met Van der Haar is dat het iemand is die graag dingen verteld die hij niet
weet alsof hij ze wel weet.

Bij de rechter-commissaris is hij danig door de mand gevallen. Hij verklaarde


tegenstrijdig. Met grote regelmaat moest hij op vragen van de verdediging tevens
aangeven dat hij

inderdaad geen conclusies had mogen trekken omdat hij bijvoorbeeld maar half
geïnformeerd was door Endstra (hij mocht ook niet overal bij zijn zei Van Tatenhove) en
dat hij er inderdaad maar zelf, en niet gesteund door feiten, vanuit was gegaan dat
bijvoorbeeld bepaalde geldstromen ten behoeve van Holleeder zouden zijn omdat zijn
vriendinnetje Dijkhuis in het plaatje voorkwam.
Bijvoorbeeld laat hij optekenen Voorzitter, als het gaat om de ‘in de mik van Willem
Endstra geschoven Gokhallen’:
‘Dit heb ik zelf achteraf geconcludeerd, hoe de aankoop is gegaan. Dit is niet op feiten
gebaseerd. Het gaat om een vermoeden bij mij. En om hetgeen ik heb gezien in de
stukken. Dat deze aankoop anders is gegaan dan normaal geschiedt. En het vermoeden is
ingegeven door de media en de namen die je hoort. Toen heb ik de verbanden gelegd. Dat
die onderneming in Wim zijn mik is geschoven en gewoon moest kopen zijn mijn
woorden. Ik weet alleen dat hij liever géén gokkasten had in Amsterdam en deze liever
kwijt dan rijk was”.

We kunnen minstgenomen niet al te zeer varen op de verklaringen van Van der Haar, zou
mijn conclusie dan ook zijn. Juist niet, omdat hij eigen ‘onderzoekjes is begonnen voor,
tijdens en na zijn verhoren bij de politie. Zij lieten hem zijn gang gaan.

8.38.
Ook Dennis Prins doet van zich spreken. Hij is de laatste die ik de revue zal laten
bespreken. De 20 getuigen die het openbaar ministerie noemt als zouden zij het verhaal
van Endstra bevestigen, laat ik voor wat ze zijn. Direct dan wel indirect, altijd komt hen
wetenschap via uitlatingen van Endstra.
Ik luister liever naar Holleeder.
Hij verklaarde, ondanks zijn zeer ernstige hartproblemen, maanden lang in uw rechtbank
en gaf antwoord op alle honderden vragen die uw rechtbank en ook het openbaar
ministerie op hem afvuurden. Hij aarzelde geen moment met zijn antwoorden.
Daar waar hij antwoord kon geven, gaf hij het. Daar waar zijn wetenschap niet ver
genoeg rijkte kon hij dat niet: ‘daar ken ik niks mee’. Daar waar hij geen derden wilde
noemen vroeg hij uw respect daarvoor.

8.39.
In hen requisitoir laten de officieren weten dat ze Holleeder niet geloven. Ze doen dat
echter alleen op momenten dat hen het uit komt en een deugdelijke onderbouwing voor
de stelling dat Holleeder zou hebben gelogen wordt niet gegeven, en kan ook niet worden
gegeven. Het komt namelijk altijd neer op het woord van Endstra tegen het woord van
Holleeder.

Op vele andere momenten geloven ze hem blijkbaar wel. Ter zitting bedankte mr. Plooij
Holleeder zelfs voor diens verklaringen in verband met nader onderzoek in andere zaken.
Enige tegenstrijdigheid in de uitlatingen van het openbaar ministerie valt, zachtjes
gezegd, dan ook dus wel te bespeuren. Het openbaar ministerie stelt veel maar kan
daarvan niets bewijzen. Het kan de verklaringen van Holleeder niet weerleggen.

Vast staat dat het openbaar ministerie een groot bewijs probleem heeft nu Holleeder alles
heeft uitgelegd.
Want hij kòn ook alles uitleggen, feiten waarvan het openbaar ministerie had gedacht dat
die tegen hem gebruikt zouden kunnen worden. Dat kan nu niet meer. Holleeder heeft
gesproken over wat hij heeft meegemaakt. En dat is veel. Hij had nog zes jaar kunnen
spreken, zo vertelde hij onlangs aan een journalist van ‘Vrij Nederland’. Maar het woord
is straks aan uw rechtbank.

8.40.
Het openbaar ministerie heeft herhaaldelijk gesuggereerd dat Holleeder zijn dossiers uit
het hoofd heeft geleerd en dat hij bij elke vraag een passend verhaal heeft gecrëerd. Hij
zou dat slim hebben gedaan.
Wàt een zwaktebod.
Die gedachte draagt in zich de wetenschap die bij het openbaar ministerie lijkt post te
vatten dat het niet ‘het een èn het ander’ kan zijn, maar ‘het een òf het ander’.
Holleeder heeft verklaard zoals hij dat heeft gedaan. Hij heeft uw rechtbank gevraagd om
onder ede te mogen verklaren. Hij had dan hetzelfde gezegd als dat hij als verdachte heeft
gedaan.

Hij heeft geen 200 ordners uit zijn hoofd geleerd. Hij heeft die ordners niet eens ter
beschikking in het ziekenhuis in Scheveningen. Want daar werd hij naar toe gebracht toen
zijn hart het op een haar na begaf. En uit dat zieknhuis is hij tot op de dag van vandaag
niet meer weggeweest.
Hij heeft niets opgedreund, hij heeft uit zijn herinnering geput.

8.41.
Holleeder heeft verklaard, kort na zijn aanhouding tegen de politie. Op de verschillende
pro-forma zittingen heeft hij niet de kans gehad om een verklaring af te leggen. Holleeder
heeft niet gekozen voor al die pro-forma zittingen.
Hij heeft in een vroeg stadium na zijn aanhouding altijd al aangegeven dat hij zou gaan
verklaren bij de rèchtbank nadat hem eind januari 2006 al direct duidelijk werd gemaakt
door een vrouwelijke rechercheur dat men een ‘verkokerd’ onderzoek op hem had
losgelaten.

De rechtbank tegen wie hij het eerst heeft kùnnen verklaren, dat bent u geweest.

8.41.
Eigenlijk is de enige vraag die is overgebleven de vraag waarom Endstra zegt dat hij door
Holleeder zou zijn afgeperst. Holleeder weet dat niet, hij kan daar alleen maar naar
gissen. Hij kan niet bij Endstra in het hoofd kijken, net zo min als wij dat kunnen. We
kunnen het Endstra ook niet meer vragen. Was dat maar waar. Wat zouden we een hoop
vragen voor hem hebben gehad.
Holleeder betwist dat hij Endstra heeft afgeperst.
8.42.
Terug naar Dennis Prins:

‘G: ik bedoel, Wim wordt neergeschoten en we rennen met zijn allen naar buiten.
Eigenlijk heb ik daarna een, een hele goeie band opgebouwd, gemaakt met, met
de mannen en, maar eigenlijk, de stukjes die we allemaal wisten waar het
puzzelstuk zit, op een gegeven moment ga je dus met z’n allen die puzzel maken,
en dan kom je d’r eigenlijk achter eigenlijk allemaal niks weet, en dat je met
mekaar die puzzel kan invullen en kan aanvullen waardoor ook daarna je beeld
van wat je daarvoor en daarna wist, volledig vertroebeld is.
I: ja.
G: Wat wist ik daarvoor, en wat ben ik daarna te weten gekomen, en wat is dan
parate kennis en wat is… Is vreselijk moeilijk’.
I. Endstra: de fiananciën -geen sprake van afpersingsgelden-

1.1.
Dit onderdeel van het pleidooi betreft de geldstromen uit het Kolbak- en Enclave dossier.
Een en ander in relatie de tenlastelegging zoals die in de zaak van cliënt voor ligt. Het
raakt direct de (on)betrouwbaarheid van het materiaal dat Endstra achter liet en waarvan
uw rechtbank door politie en justitie werd voorzien ten behoeve van een veroordelend
vonnis. Daar zult u het mee moeten doen. U wordt geacht de door hen getrokken
conclusies die u in die processen-verbaal worden voorgehouden als feitelijk juist aan te
merken (we hebben ter zitting ten aanzien van Bay Line overigens al meegemaakt dat dit
niet zonder meer kan worden aangenomen), en vonnis te wijzen. Meer hoeft niet. Meer is
er ook niet. Volgens hen dan.

Voor wat betreft het financiële gedeelte van het Kolbak onderzoek, met name neergelegd
in de Enclave stukken, lijkt ernstige onvolledigheid aan de orde te zijn. Stukken
ontbreken, conclusies worden beschreven als zijnde feiten zonder dat daar draagvlak voor
te vinden is in het dossier.
Zonder slag om de arm wil ik zeggen dat daar geen andere reden voor is, en ook niet kan
zijn, dan de reden die heet “verkokering”.

1.2.
Voor zoveel mogelijk wordt dat door mij hersteld door dit pleidooi en met gebruikmaking
van verwijzingen naar de bijlage van de pleitnota zoals die op 8 november jl. door mij
aan uw rechtbank werd overhandigd en vervolgens, toen nog partiëel, aan het dossier
werd toegevoegd.
In eerste instantie betrof die bijlage een ‘inleidend verweerschrift inzake Jan Dirk
Paarlberg (parketnummer 13/077040-04) terzake van de feiten 1 en 2 op de vordering
gerechtelijk
vooronderzoek d.d. 5 april 2006’. Dat verweerschrift werd opgesteld door mr. Gabriël
Meijers, advocaat te Amsterdam. De inhoud, in elk geval het grootste gedeelte daarvan,
werd verzorgd door forensisch financiëel experts.
Die financiëel experts wensen niet met naam en toenaam in een strafprocedure te worden
betrokken, zelfs als dat onder de kwalificatie van ‘deskundigen’ zou zijn. De verdediging
van Holleeder kan niet anders dan, en dient, die keuze te respecteren.

1.3.
De verdediging in de strafzaak tegen Holleeder heeft, zoals dat aan uw rechtbank op 8
november werd medegedeeld, de inhoud en conclusies van dat verweerschrift volledig
over genomen, tot de hare gemaakt en, zoals gezegd, heeft zij afschrift daarvan als bijlage
gevoegd bij de eerder genoemde pleitnotities van 8 november 2007.
Van die mededelingen werd akte gevraagd.
Daarom verzoekt die verdediging uw rechtbank of u kunt instemmen -en daar akte van
zult doen opnemen in het proces-verbaal van deze zitting en die akte-neming middels de
griffier ook terstond zult doen voorlezen- met het in het kader van dit pleidooi als
herhaald en ingelast te beschouwen van de integrale inhoud van die bijlage zoals gevoegd
bij de notities van de 8e november 2007.

Indien uw rechtbank daarmee niet akkoord zou kunnen gaan zal ik graag in de
gelegenheid worden gesteld die bijlage in zijn geheel aan u voor te dragen.

1.4.
Door de verdediging wordt gesteld dat vanaf de aanvang van het onderzoek bij de (ook
financiële) politiediensten ‘de wens de vader was van de gedachte’ waarmee wordt
bedoeld dat er veelvuldig doelredeneringen werden gehanteerd. Cliënt was het doel, de
trofee.
De (financiële) recherche heeft een zogenoemd ‘verkokert’ onderzoek ingesteld op een
wijze die zijn weerga niet kent.

1.5.
Op grond van het door de politie bij voorbaat ingenomen standpunt dat hetgeen Endstra
op de achterbank van een CIE voertuig verkondigde, de waarheid is (men wil daar niet
aan twijfelen. Eerder werd Endstra nóóit geloofd) in relatie tot de door hem genoemde en
hierna te bespreken geldstromen in beide dossiers, meent het openbaar ministerie aan te
kunnen tonen dat er verschillende transacties bestaan die dermate ongebruikelijk zouden
zijn, in ieder geval indien deze worden afgezet tegen het ‘normale’ handelsverkeer, op
grond van welke stelling, het bewijs zou zijn geleverd dat er sprake is geweest van
andere- dan legitieme krachten, die tot die betalingen hebben geleid zoals daarover door
Endstra werd verteld. Volgens hem zouden die geldstromen zijn ontstaan ten gevolge van
afpersing.

Dus: Wat Endstra zegt is waar, kijk maar, want er wordt op een ‘wonderlijke’ manier met
geld omgesprongen. Dat is de kern van het betoog van de officieren van justitie.

1.6.
Dit financiële gedeelte van het pleidooi geeft een inzicht in de transacties die Endstra
meent te moeten betitelen als zijnde betalingen welke hij zou hebben gedaan als gevolg
van afpersingen door Holleeder en/of Dino Soerel en/of Stanley Hillis en/of Paarlberg.
Waar uit zou moeten blijken dat Paarlberg medepleger is dan wel waaruit zou moeten
blijken dat hij zelf onder dwang zou staan wordt in de stukken op geen enkele wijze
onderbouwd. Paarlberg betwist overigens ook nog eens hetgeen hem door justitie wordt
verweten.

1.7.
En ten aanzien van Soerel, Hillis en cliënt is het enkel Endstra die wat verteld of heeft
opgeschreven. Een notoire witwasser met grote belangen.
Een van die klemmende belangen was mr.Tonino van zijn huid zien te krijgen. Een ander
levensgroot belang was de onderwereld van zijn lijf houden. Hij kon/wilde de criminlele
“inleggers” echter niet terug betalen. Het zou een ‘hele kluif’ worden.

1.8.
Voor het beoordelen van deze geldstromen zal steeds gekeken moeten worden naar de
betrouwbaarheid van de beweringen van Endstra en de verifieerbaarheid van zijn
aantekeningen.
In dat verband is het noodzakelijk dat uw rechtbank hetgeen ik u voorhoud en hetgeen
wordt beschreven in de eerder aangehaalde bijlage steeds naast elkaar legt en af zet tegen
de

conclusies van de politie, zodat u zult zien dat er sprake is van een reëel alternatief
scenario, zoals door de verdediging wordt gesteld.
Vanaf ‘1.16.’ wordt in deze pleitnotities een dubbele verwijzing aangegeven, dan wel gaat
deze over naar de verwijzing zoals die in de bijlage bij de pleitnotities van 8 november jl.
wordt aangehouden.
Dit vergemakkelijkt het terugvinden van de onderwerpen en de gedetailleerde
beschrijving daarvan in die bijlage.

1.9.
Het financiële onderzoek baseert zich op gesprekken tussen Endstra en de CIE en op de
nagelaten ‘aantekeningen’ van Endstra.
Aantekeningen die evident –door Endstra- werden geantidateerd en/of die geruime tijd
later dan het moment waarop het beschrevene zou zijn voorgevallen, door hem werden
geschreven. Endstra heeft namelijk gezegd dat de originele aantekeningen zouden zijn
gestolen door ‘duikers’ (van de politie, toevoeging jhk/rc) uit zijn appartement in
IJmuiden.
De aantekeningen zijn verder evident verre van duidelijk, op verschillende manieren te
interpreteren en op te veel door hem gestelde ‘feiten’ onjuist gebleken.
De verdediging is van mening dat, onder andere, op die gronden die aantekeningen niet
als bewijs gehanteerd zullen mogen worden.

1.10.
Het gehele onderzoek –tactisch en financiëel- kent als basis dus enkel gesprekken tussen
Endstra en medewerkers van de CIE, handgeschreven aantekeningen (door politie en
justitie aangeduid als ‘dagboeken’, verklaringen van Endstra tegen derden (met name
Beckers) en een verklaring bij notaris Van Lidth de Jeude van 10 april 2003.
Nooit werd door Endstra een zogenaamde ‘kluisverklaring’ afgelegd. De CIE, noch de
CIE officier van justitie, tijdelijk waargenomen door mr.Plooij, heeft hem op die
mogelijkheid gewezen voor zover de verdediging kan zien. Misschien is hij er wel op
gewezen maar wilde hij daar niet aan meewerken.
De verdediging kan dat allemaal niet controleren. Hier wreekt zich wederom het feit dat
de achterbankgesprekken bepaald niet volledig en daardoor niet te controleren zijn. Iets
wat over de ‘dagboeken’ in een nog ernstigere mate aan de orde is.

1.11.
De ‘litigieuze’ betalingen waar het volgens de verbalisanten om gaat zijn de volgende:

datum bedrag ontvangen op


30-12-2002 € 3.176.461,50 Fortis 25.61.84.887/ Ballados Inv NV
09-01-2003 € 1.361.340,60 Fortis 25.61.84.887/ Ballados Inv NV
28-02-2003 € 3.400.000,00 Fortis 25.61.84.887/ Ballados Inv NV
02-04-2003 € 900.000,00 Fortis 25.61.84.887/ Ballados Inv NV
18-04-2003 € 450.000,00 Fortis 25.61.84.887/ Ballados Inv NV
18-07-2003 € 400.000,00 Fortis 25.61.84.887/ Ballados Inv NV
26-05-2003 € 1.500.000,00 Fortis 25.61.84.887/ Ballados Inv NV

14-03-2003 € 1.500.000,00 UBS/ 502.886


24-06-2003 € 2.800.000,00 UBS/ 502.886
24-12-2003 $ 2.000.000,00 ABN AMRO, Xenia

TOTAAL ca. €17.000.000,00

1.9.
Eind 1999 en in 2000 vond een ontvlechting van de gemeenschappelijke belangen van
Endstra en Paarlberg in diverse vennootschappen plaats. Deze ontvlechting betrof met
name de belangen in a) de v.o.f. Bosch en Duin, die (30%) hing onder Bergvalk 4 BV en
vervolgens Bayline; en b) Holding Seaport IJmuiden die (50%) hing onder Ballados en
Xenia.
Tevens had Ballados aan HSIJ een aanzienlijke lening verstrekt ter financiering van de
voorgenomen projectontwikkeling in HSIJ. Bayline, Bergvalk 4, Xenia en Ballados
waren ten behoeve van hun investeringen door Paarlberg gefinancierde vennootschappen.
Uit de in het dossier opgenomen stukken blijkt dat: Ballados op 31 december 1999 haar
aandelen in HSIJ aan Marpollo (Endstra) heeft verkocht voor f1,-; en dat de aandelen van
Bayline en Xenia zouden zijn overgedragen in mei 2000. Dit laatste is in de tweede helft
van 2002 ongedaan gemaakt.

1.10.
Het verhaal van Endstra komt in grote lijnen samengevat en zakelijk weergegeven, op het
volgende neer:

Paarlberg heeft ‘zijn aandelen in de Seaport Marina IJmuiden aan de familie Endstra
verkocht en geleverd’. Daarna ‘heeft hij Ballados aan mij, W. Endstra, overgedragen
voor f 1,- hoewel er een vordering was van Ballados op Seaport Marina van
f12.500.000,00,-. De vordering was niet volwaardig i.v.m zware verliezen van Seaport
Marina, daarom was de koopsom f1,-. Ik ben gedwongen deze NV terug over te dragen
aan Paarlberg om niet, zulks in december 2002. Daarvoor heb ik bij FTC Trust stukken
moeten tekenen dat ik geen eigenaar meer was van Ballados. Na de overdracht heb ik de
vordering op Ballados ad ongeveer f12.500.000,00,- moeten voldoen aan Ballados.’
Endstra heeft ‘onder dreiging van liquidatie van hem in persoon’ betalingen verricht en
‘een verpandingsakte getekend op 26 februari 2003’ en een onherroepelijke volmacht
getekend ‘waarbij de aandelen in Port Greve NV zouden worden verpand aan Bergheim
Inv SA gevestigd te Panama voor een fictieve schuld van €6.806.703,- (f15.000.000,-)
aan Ballados en een gefingeerde schuld van €3.857.000 aan Bergheim. Achter de
afpersing zaten te weten de heer Willem Holleeder en zijn vriend Dino.’ De fiscalist van
Paarlberg, de heer Van Tatenhove, zou tegenover Endstra hebben verklaard dat Paarlberg
onder dwang aan de verpanding en/of afpersing meewerkte, maar dat Paarlberg ook onder
dwang handelde.’

1.11.
Paarlberg kan niet anders concluderen dan dat de verpandingsakte en de daarin genoemde
commissie uit de koker van Endstra zijn gekomen. Volgens Paarlberg is Endstra hem
nooit gelden verschuldigd geweest terzake van commissie.

Door de CIE-gesprekken wordt impliciet bevestigd dat Endstra fiscale motieven kan
hebben gehad voor het opnemen van de commissies. Uit het onderzoek blijkt in ieder
geval dat de commissie in samenspraak met Endstra alsnog geschrapt is. Volgens
Paarlberg was Endstra deze gelden eind 2002 nog verschuldigd aan Paarlberg in verband
met de ontvlechting, omdat Endstra ondanks de overdrachten en gemaakte afspraken
nooit betaald had.
Bemoeilijkend is dat afspraken in deze branche mondeling plaatshebben en niet
behoorlijk gedocumenteerd worden.

In grote lijnen is wel duidelijk dat het bij de afspraken met Endstra volgens Paarlberg
moet zijn gegaan om:

1. een vordering terzake van de overgedragen vennootschap Bayline, en met name


de daaronder, via Bergvalk 4 BV, hangende v.o.f. Bosch en Duin ten belope van f10
miljoen. Bij de oorspronkelijke afspraken ging het nog om een waarde van circa f7
miljoen, maar ultimo 2002 kon deze waarde in verband met de inmiddels grotendeels
plaatsgehad hebbende liquidatie van de investeringen in de v.o.f. Bosch en Duin
vastgesteld worden op circa f10 miljoen;

2. een vordering in verband met de overdracht van Xenia en Ballados en de


daaronder hangende HSIJ BV in verband met de waarde die toegekend werd aan te
verwachten toekomstige winsten in verband met projectontwikkeling in HSIJ voor f15
miljoen;

3. een - in verband met de overdracht van Ballados relevante - vordering in verband


met de lening van Ballados aan HSIJ, die per ultimo 1999 volgens de boeken bedroeg
f12.794.093,-, en per ultimo 2002 becijferd kan worden op (incl. overeengekomen 10%
rente) f17.028.937,-.
Die vermelde vorderingen overtreffen de verrichte litigieuze betalingen ruimschoots.
Daarnaast is er nog:

4. de betaling van 14 maart 2003 van €1.500.000,- die voor zover zich nu laat
vaststellen geen betaling (direct) ten behoeve van Endstra of zijn vennootschappen betrof,
maar een verschuldigde betaling door en/of voor zijn broer Haico Endstra terzake van de
overdracht van Leopard Ltd. die belangen had in Threeglen en Tuapi, waarbij Tuapi weer
een belang had in Heerfur.

1.12.
Tegenstrijdigheden tussen Paarlberg en Endstra overziende, kan worden vastgesteld dat
het primair de vraag is of:

1. de verklaringen van Endstra betrouwbaar zijn en of;

2. Paarlberg betrokken is bij enige afpersing door bedreigingen van Holleeder en


Dino;

Gezien het ontbreken van voldoende concrete en verifieerbare feiten dienaangaande is het
vervolgens de vraag;

3. - gezien het bestaan van de lening van Ballados aan HSIJ en de niet terugbetaling
daarvan voor 30 december 2002 - of: partijen aan die lening enige waarde hebben
toegekend;

4. - gezien het bestaan van een door Endstra op 25 februari 2003 ondertekende
overeenkomst dienaangaande vermeldende een bedrag van 15 miljoen gulden - of:
Endstra en Paarlberg meenden dat aan het belang in HSIJ, middels Ballados en Xenia,
een waarde was toe te kennen in verband met in de toekomst te realiseren winsten in
verband met projectontwikkeling rond de haven van IJmuiden;

5. - gezien de overname door Endstra van Bayline en het vaststaan van de waarde
van de v.o.f. Bosch en Duin per ultimo 1999 en ultimo 2002 - of: Endstra al voor 30
december 2002 aan Paarlberg betaald had voor Bayline.

Los daarvan bestaat, gezien het feit dat Endstra hier zelf niet concreet en uit eigen
wetenschap over verklaart, nog steeds de vraag:

6. Moet Paarlberg de ontvangen gelden aan Holleeder afdragen? En is er


betrokkenheid tussen Holleeder en Paarlberg bij enige op afpersing gerichte dreigingen,
gericht op de ligitieuze betalingen.
Daarbij kan worden opgemerkt dat waar de vragen 3 t/m 5 slechts dienen ter bevestiging
van de beweringen van Endstra (vraag 1), de eventuele falsificatie van één van die drie
vragen (3 t/m 5) al directe repercussies moet hebben voor de eerste primaire vraag naar
de betrouwbaarheid van Endstra als basis voor het aannemen dat er betrokkenheid van
client en Paarlberg zou zijn bij enige afpersing.

1.13.
Op het onderzoek naar de vragen 3 t/m 5 zal ingegaan worden in de paragrafen II
(Bayline), III (winstrecht HSIJ) en IV (lening HSIJ). Gezien de antwoorden op de vragen
3 t/m 5 zal hieronder nauwelijks toegekomen worden aan vraag 6. Dit terwijl uit het
onderzoeksdossier blijkt dat het OM in het strafrechtelijk onderzoek aanneemt dat a) er
een relatie tussen Holleeder en Paarlberg bestaat en b) dat Paarlberg de ontvangen gelden
voor Holleeder houdt.

Ad a.) Bij zorgvuldige beschouwing blijkt dat de bekende zeer beperkte contacten
tussen Paarlberg en Holleeder - alle ten gevolge van Endstra zelf - geen voor de
verdenking relevante context kennen. Die context is er telkens bij bedacht.

Ad b.) Na grootschalig en intensief daarop gericht onderzoek is niet gebleken: 1)


dat er samenwerking tussen Holleeder en Paarlberg heeft bestaan. 2) dat Paarlberg gelden
zou hebben doorgeleid naar Holleeder. Thans blijkt het OM ervan uit te gaan dat
Paarlberg geen

betalingen aan Holleeder c.s. heeft gedaan maar maar hun ‘bankier’ is. De voornaamste
reden hiervoor is kennelijk dat geen geldstromen naar Holleeder zijn aangetroffen die
verband houden met de betalingen van Endstra. Ook in de fiscale procedure is de stelling
verlaten dat Paarlberg te beschouwen is als houder voor Holleeder.

1.14.
Tevens blijkt uit het hierover opgemaakte proces-verbaal dat Paarlberg de van Endstra
ontvangen gelden volledig ten eigen bate heeft aangewend. De suggestie dat Paarlberg in
opdracht van Holleeder geїnvesteerd zou hebben in de Van Asselt Groep, gaat
voorbij aan het feit dat Paarlberg ook zelf grote bedragen heeft geleend om in van Asselt
te investeren.
Uit de in dit verband relevant geachte pasages uit de verklaringen van Endstra blijkt dat
het Endstra zelf van aanvang ook niet duidelijk is geweest of en hoe Paarlberg bij enige
afpersing door Holleeder betrokken zou zijn. Dit valt ook af te leiden uit de verklaringen
van Van der Haar over hetgeen Endstra hem verteld heeft. Het zal blijken dat de vage
verklaringen van Endstra niet alleen insinuaties zijn, maar ook maar dat zij bezien in
samenhang met andere bekende feiten wel vals moeten zijn.

1.15.
II. Bayline
Bekend is dat Bayline is overgedragen in 2000, dat dit is teruggedraaid in 2002 en dat
deze wederom is overgedragen in 2004 aan Endstra. De kernvraag is of Endstra iets
verschuldigd was ter zake van de verwerving van Bayline, of hij dit betaald heeft en of de
betalingen eind 2002 en in 2003 in aflossing op die bestaande schuld konden strekken.

1.16.
II.1 De ‘staatjes’, de betalingen en de verklaring bij notaris Van Lidth de Jeude
Bayline komt in diverse ‘staatjes’ van Endstra voor. Een bedrag van f10,- miljoen wordt
telkens genoemd met de vermelding Bayline. Er is echter geen betaling van f10,- miljoen
bekend met de referentie Bayline.
De eerste twee betalingen betreffen omgerekend wel een bedrag van f10,- miljoen, maar
kennen als referentie de lening HSIJ. In (slechts) een van de staatjes krijgt de betaling van
4 april 2003 van €900.000,- ook de aanduiding Bayline mee (elders ‘Baly’ en ‘Balla’).
Moeilijk is te duiden wat Endstra zou bedoelen doordat in incidentele staatjes, die ook
f10,- miljoen Bayline vermelden, ook nog melding maakt van ‘Uit transport 2.500 Bayl’;
‘3400 3750 350 Te Wein’ (bij Bayline) en ‘[7500 Bayline ontvangen]’.
De 3e betaling van 28 februari van €3.400.000,- krijgt wel de referentie Bayline, maar
deze komt weer niet in de staatjes terug.

Opvallend is dat de schuld terzake van Bayline in de verklaring bij notaris Van Lidth de
Jeude niet voorkomt, terwijl deze wel in de staatjes én als referentie bij een betaling
voorkomt. Dit terwijl Endstra in deze verklaring omstandig uitlegt waarom de betalingen
betrekking zouden hebben op ‘gefingeerde’ en ‘fictieve’ schulden. Hij verwijst naar de
Verpandingsakte van 26 februari 2003 met daarin de commissie en het winstrecht HSIJ,
maar niet de ‘onvolwaardige’ lening door Ballados aan HSIJ. Ook verklaart hij dat het
teruggeven van de aandelen van Xenia (en daarmee Ballados) onder dwang zou zijn
geschied. Dat Bayline niet voorkomt is nog opvallender omdat uit het ‘Overzicht
gemaakte afspraken’ duidelijk wordt dat kort voor de Verpandingsakte gesproken is over
Bayline als reden voor betaling.
In feite zijn de staatjes met vermelding Bayline bij betalingen (en de betaling van 28
februari 2003) innerlijk tegenstrijdig met de verklaring bij de notaris, die beweert dat de
betalingen gefingeerde of fictieve schulden betreffen omdat die betalingen op de
commissie, het winstrecht en de lening zien en dienovereenkomstig alléén de overdracht
van aandelen in Xenia volgens Endstra afgedwongen zou zijn.

NB. De waarde van de v.o.f. was eind 1999 rond de f7,- miljoen en eind 2002 f10,-
miljoen. Dit komt overeen met de staatjes van Endstra die bij Bayline f10,- miljoen
vermelden en het ‘Overzicht gemaakte afspraken’ en ligt dit in lijn met het
onderzoeksmateriaal en de openbare bronnen.

1.17.
Overigens opvallend dat op de bewuste 10 april 2003 als Endstra schrijft in zijn dagboek
dat hij na het (eerste) bezoek die dag bij Lexence advocaten waar hij notaris Wijma en de
heer Tatenhove ontmoet en hij gedwongen wordt het contract aandelen PT Greve te
tekenen, hij daarover niets concreets zegt op de achterbank. Terwijl hij in het dagboek
stelt dat hij er wel met de drie vrienden over heeft gesproken. Hij stelt in het dagboek:

‘Ik loop weg zonder iets te zeggen en pak al mijn spullen mee. Ik rij snel naar de
Boshuizenstr. Waar ik met 3 vrienden heb afgesproken. Ik vertel (veel = doorgehaald)
over Tatenhove die door de telefoon om 12.45 mij belde of ik terug wou komen en daarbij
meer door telefoon sprak als hij gewend is.’

Op de achterbank:

C: En dat belletje kwam uit de hoek van Holleeder?


13.19.23
W: Indirect wel hele nette mensen, maar je hoort wel….. (nvt)

1.18.
Ook de tijdlijn die hierin zou bestaan. gezien de uitwerkingen van het gesprek komen mij
vreemd voor. Het hele gesprek dat dus niet compleet weergegeven lijkt te zijn duurt
ongeveer

30 minuten en hebben de 4 heren over de snelweg gereden terwijl Endstra ruim een uur
zou hebben gehad om te gaan van Lexence advocaten naar de Boshuizenstraat, autorijden
met de heren en weer terug naar Lexence advocaten om te tekenen. In het tussenliggende
uur is er helemaal niet of nauwelijks een woord gerept volgens de uitwerking van de
achterbank gesprekken (3e gesprek) over de ontmoeting en gedwongen tekenen bij
Lexence advocaten.

1.19.
II.2 Betaling voor Bayline voor eind 2002

II.2.1 Gebruik van de opbrengsten v.o.f. Bosch en Duin door Endstra


Uit de jaarstukken van Bergvalk 4 blijkt dat Endstra - na de overdracht van Bayline in
2000 - in 2002 het grootste deel van de opbrengst van v.o.f. Bosch en Duin kennelijk zelf
heeft gebruikt voor leningen aan derden. Dit lijkt met name te volgen uit een lening aan
Convoy (van Endstra) en Imca (van De Vlieger), waarmee Endstra gezamelijk
investeerde, en een betaling aan Merwede op 5 maart 2002.
In 2002 is de v.o.f Bosch en Duin grotendeels geliquideerd. Ten gevolge van de liquidatie
van het onroerend goed kan Bergvalk 4 in 2002 voor een bedrag van € 3.691.211,- over
liquide middelen beschikken. Die middelen worden kennelijk op instructie van Endstra
gebruikt voor, volgens althans de jaarrekening van Bergvalk 4:

Convoy vastgoed €1.165.444


Imca vastgoed €2.060.667
Merwede woningen € 465.100
Totaal: € 3.691.211

1.20.
De lening Merwede woningen blijkt echter geen lening te zijn maar een door Convoy
verschuldigde aanbetaling op de Akagron-transactie van €450.000,-. De lening aan
Convoy strekt uiteraard ook niet ter aflossing van de schuld aan Paarlberg. Hetzelfde
geldt voor de lening aan Imca. Die leningen vertegenwoordigen ondertussen wel een
waarde die nog steeds in Bergvalk 4 zit.
Duidelijk is dat de gerealiseerde opbrengsten uit Bosch en Duin niet worden aangewend
ter betaling van de schuld aan Paarlberg terzake van de verkrijging van Bayline /
Bergvalk 4 / Bosch en Duin maar voor door Endstra zelf convenierende doeleinden.

1.21.
Gezien de insinuaties van Endstra en de verdenking van het OM is de kernvraag of
Paarlberg al betaald was voor Bayline voor 31 december 2002. Belangrijk is dat uit het
dossier overigens nergens - behalve bij de ‘litigieuze’ betalingen in eind 2002 en 2003 -
blijkt van een geldstroom naar Paarlberg of gelieerde vennootschappen in verband met
Bayline / Bergvalk 4 / Bosch en Duin. Slechts impliciet en veronderstellenderwijs wordt
ervan uitgegaan dat Paarlberg is betaald voor Bayline / de v.o.f. in mei 2000.

Wanneer deze kwestie nader was onderzocht, zou dit onderzoek hebben uitgewezen dat;
A: Endstra voor de eerste overdracht van Bayline niet had betaald;
B: het aandeel Bayline vanwege het indirecte belang in Bosch en Duin een
substantiёle waarde vertegenwoordigde en
C: de opbrengst van Bosch en Duin aan Endstra ten goede was gekomen.

1.22.
Hierboven werd al besproken dat Bayline weliswaar in de staatjes genoemd wordt voor
de betalingen in december 2002 en januari 2003, en daarmee slechts impliciet in verband
gebracht met Holleeder. Maar Bayline en het ongedaan maken van de overdracht in 2002
worden juist niet genoemd in de verklaring van 10 april 2003 en ook nergens anders, ook
niet in de CID-gesprekken of het dagboek. Nergens wordt door Endstra gezegd dat, en
nog minder verklaard waarom, betalingen voor Bayline met afpersing te maken zouden
hebben of dat, en wanneer, en hoe, Endstra al eerder voor Bayline betaald zou hebben.
Zou het OM niet op voorhand hebben aangenomen dat er in mei 2000 betaald zou zijn,
dan zou het direct hebben moeten constateren dat betalingen die Endstra in zijn staatjes
kwalificeert als zowel Bayline als betalingen aan Holleeder geen afpersingsgelden
kunnen zijn geweest maar aan Paarlberg verschuldigde bedragen, zodat er op zijn minst
ruimte had moeten komen voor een andere interpretatie van de staatjes.

1.23.
III Winstrechten HSIJ
Blijkens het dossier gaat het OM ervan uit dat de betalingen eind 2002 en in 2003 geen
betrekking kunnen hebben op een vordering van Paarlberg terzake van uiteindelijk het
overgedragen belang in Xenia en daarmee Ballados en HSIJ. De aanleiding voor die
hypothese is te vinden in de verklaring van Endstra van 10 april 2003, waarin hij spreekt
over een fictieve schuld van f15,- miljoen aan Ballados.
Thans gaat het over de vraag of de schuld van f15,- miljoen fictief was en of HSIJ
inderdaad geen waarde vertegenwoordigde zoals Endstra suggereert. Hierbij gaat het er
niet om welke waarde partijen aan HSIJ hebben toegedicht maar of zij hier wel of niet
waarde aan hebben toegedicht. De kernvraag is derhalve of Endstra en Paarlberg
meenden dat aan het belang in HSIJ, middels Ballados en Xenia, een substantiёle
waarde was toe te kennen in verband met in de toekomst te realiseren winsten in
verband met projectontwikkeling rond de haven van IJmuiden.

1.24.
III.2 De belangen
Vaststaat dat Endstra en Paarlberg in 1999 gezamelijke (indirecte) belangen hadden. Het
belang van Paarlberg in HSIJ liep middels Xenia, met daaronder Ballados die voor 50%
aandeelhoudster was in HSIJ. De andere 50% werd indirect door Endstra gehouden
middels Marpollo. HSIJ was niet alleen met aandelenkapitaal maar ook ruimschoots met
leningen gefinancierd door zowel Ballados als Marpollo.

In HSIJ werden activiteiten ontwikkeld bestaande uit de inrichting en exploitatie van een
jachthaven en vooral de ontwikkeling van onroerend goed aldaar. In dit hoofdstuk zal
duidelijk worden dat de voorgenomen ontwikkelling van onroerend goed in 1999 slechts
voor een relatief kleiner deel was voltooid. Het eigen vermogen van HSIJ was in 1999 in
verband met de wel reeds gedane investeringen maar nog niet gerealiseerde ontwikkeling
aanzienlijk negatief. Het indirecte belang van Paarlberg in HSIJ bestond uit zowel het
indirect aandeelhouderschap als de (indirecte) lening.

1.25.
Omstreeks 1998/1999 wilde Paarlberg tot een ontvlechting van zijn gemeenschappelijke
belangen met Endstra komen. Daartoe zijn in 1999 afspraken gemaakt strekkende tot
overdracht van zijn belangen in alle vennootschappen die van doen zouden hebben met
HSIJ en Bosch en Duin. Vaststaat dat Ballados in december 1999 haar aandelen in HSIJ
heeft verkocht aan Marpollo voor de koopsom van f1,-. Daarnaast was het kennelijk de
bedoeling dat de aandelen in Xenia (en daarmee het belang in Ballados) en Bayline
zouden worden overgedragen aan Endstra c.s. in mei 2000. Er zijn geen documenten
bekend uit 2000 waarin de koopprijs e.d. zijn vastgelegd. Er is geen enkele aanwijzing
dat in verband met die overdrachten toen enig bedrag betaald is door Endstra aan
Paarlberg.
Volgens Paarlberg was de overdracht van HSIJ, Ballados en Bayline een samenhangende
afspraak. Dat betekent dat het met name wat betreft de overdracht van zowel HSIJ als
Xenia ging om in feite één afspraak om tegen een bepaalde prijs alle
aandeelhoudersbelangen, inclusief de lening in Ballados aan HSIJ, over te dragen aan
Endstra. Dat betekende dat het belang in HSIJ vooruitlopend op de overdracht en betaling
voor Xenia is overgedragen voor f1,- en dat die prijs niet bepalend is voor de door
Endstra en Paarlberg gemaakte afspraken.
Dat er voor Xenia, Ballados en HSIJ niets voor eind 2002 betaald is vindt bevestiging in
de verklaringen van Endstra (‘fictieve’ en ‘gefingeerde’ schulden). Op basis van de
verklaringen van Endstra, zou aangenomen kunnen worden dat Xenia, Ballados en HSIJ,
alsook indirect de lening van Ballados aan HSIJ, voor een symbolische prijs van f1,- zou
zijn overgedragen omdat HSIJ feitelijk failliet zou zijn.

Vaststaat dat Endstra met betrekking tot zowel Xenia een verklaring heeft getekend in
2002 waaruit blijkt dat hij geen eigenaar is van deze vennootschappen (idem Bayline).
Volgens Endstra is hij, in ieder geval voor wat betreft Ballados (lees: Xenia), in december
2002 gedwongen tot het ondertekenen van het stuk. Even goed kan worden aangenomen
dat, als Endstra de overeengekomen vergoedingen inderdaad niet had betaald de beide
transacties zijn teruggedraaid (lees: ontbonden met terugwerkende kracht wegens
wanprestatie onder toepasselijk oud BW). Sterker nog, het is geenzins uitgesloten dat de
juridische overdracht aan Endstra van de toonderaandelen eigenlijk nooit heeft
plaatsgevonden. Alleen de onjuiste administratie van de Trust diende dan eigenlijk
hersteld te worden.

In bijlage 2.1.33 bij zaakdossier 2.1 gaat het OM ervan uit dat er een overdracht van de
aandelen van Xenia heeft plaatsgehad. FTC Trust heeft een verklaring voor Paarlberg
voorbereid, gericht aan Amicorp, de trustmaatschappij van Paarlberg voor Xenia,
gedateerd 4 mei 2000, die ook door Paarlberg is ondertekend en geretourneerd. Ook
wordt er vanuit FTC Trust naar Amicorp een fax gestuurd met de mededeling dat ‘Mr
Paarlberg has transferred

his shares...Can you please take care of the shareholdership?’. De voortvarende


mededeling has transferred is kennelijk onjuist. Aan de schijnbaar plaatsgehad hebbende
‘overdracht’ is kennelijk door Amicorp in die zin uitvoering gegeven dat er door Amicorp
een nieuw certificaat is vervaardigd met Endstra als aandeelhouder. Let wel, zowel FTC
Trust als Amicorp zijn op dat moment aangesteld door Paarlberg. Het eerste contact
tussen Amicorp en Endstra, dat bekend is, is van 9 juni 2000.

Kortom er is geen verklaring van Paarlberg aan Endstra dat hij afstand doet van Xenia
bekend en er is evenmin een acceptatie door Endstra dat hij het aandeel in Xenia
aanvaardt bekend, of dat hij weet dat Paarlberg de verklaring van 4 mei 2000 heeft
getekend. Dat de overdracht niet heeft plaatsgevonden klopt exact met de omschrijving in
de verklaring van Endstra gedateerd 15 oktober 2002 (volgens Wolfswinkel i.o.v. Endstra
vervaardigd): ‘I declare never to have accepted the legal ownership an/or beneficial
ownership...’.
De vraag of Endstra moest betalen en of hij dit dan heeft gedaan voordat hij gerechtigd
werd, althans leek te worden, op Bayline en Xenia, wordt nu juist niet beantwoord door
de volgens het OM plaatsgehad hebbende overdracht, omdat deze juist ook ongedaan is
gemaakt (voor zover die al had plaatsgevonden!) en overigens de voorwaarden voor de
overdracht niet bekend zijn.

1.26.
NB. Door een slordige constructie van Van Tatenhove is de term ‘winstrecht’ in de
stukken een eigen leven gaan leiden. Het spreken over ‘winstrecht’ is ongelukkig omdat
het feitelijk blijkt te moeten gaan over een vergoeding door de verkrijgende
aandeelhouder voor het over te dragen aandeelhoudersbelang (zie ook de overdracht van
Xenia in 2000). Waar echter in de documenten en het dossier steevast over ‘winstrecht’
gesproken wordt zal ook hier die ongelukkige benaming gebruikt blijven worden.

1.27.
III.3 Het ontstaan en de ontwikkeling van het Kennemerstrand
Zonder meer doorslaggevend voor de mogelijke falsificatie van de hypothese van het
onderzoeksteam blijkt te zijn dat de gemeente Velsen in 1997/1998/1999 blijkens het
door de gemeente in 1999 vastgestelde plan (Kustvisie IJmuiden 1999) het plan en de
verwachting had dat het gebied op en rond de jachthaven zeer aanzienlijk verder
ontwikkeld zou worden en dat in feite ook mogelijk had gemaakt. De gemeente en
Seaport IJmuiden Onroerend Goed BV (een dochter van HSIJ) waren tezamen de
enigaandeelhouders in Kennermerstrand NV die was opgericht voor de ontwikkeling van
het gebied op en rond het Kennemerstrand. De gemeente zou juist voor de benodigde
vergunningen zorgdragen en had naar heel eenvoudig en objectief is vast te stellen (het
vastgestelde en gepubliceerde plan Kustvisie IJmuiden 1999) de verwachting dat verder
ontwikkeld kon en zou worden.
Uit het verkennend onderzoek blijkt dat er weliswaar na het vaststellen van dit plan in
1999, vermoedelijk vanaf 2000, discussies met vooral RWS zijn geweest en dat de
aanmelding van het Kennemermeer als habitat-gebied later tot aanpassing moest leiden.
Maar ondanks

bestuurlijke discussie zijn de plannen tot ontwikkeling nooit afgesteld, zijn deze in feite
door het Streekplan Noord-Holland Zuid 2003 bevestigd, en zullen deze thans (Herziene
kustvisie IJmuiden aan Zee juni 2006) naar verwachting in 2008 daadwerkelijk ook
gerealiseerd gaan worden.

Kortom, anders dan het onderzoeksteam heeft aangenomen bestonden er naar


aangenomen moet worden 1998 bij Endstra en Paarlberg gerechtvaardigde verwachtingen
voor te plegen projectontwikkeling, die plannen hadden ten tijde van de betaling
omstreeks 2003 nog meer reёle vorm gekregen, en die verwactingen zijn
thans (Herziene kustvisie IJmuiden aan Zee juni 2006) gebleken reёl te zijn. Ook
andere bronnen zoals de jaarcijfers van HSIJ en de verklaring van
directeur Küpper, de verklaring van accountant Van Steenbergen en haar
aantekeningen, blijken te bevestigen dat er - ook bij Endstra zelf - reёle
winstverwachtingen bestonden en dat er toen al afspraken zijn
gemaakt tot betaling van f15,- miljoen aan Paarlberg.

Samenvattend blijkt de onderzoekshypothese van het OM kennelijk onjuist te moeten


zijn. Gezien de objectieviteit van de bronnen (de door de overheid gepubliceerde plannen
en de door Endstra zelf goedgekeurde en gecontroleerde en gepubliceerde
jaarrekeningen) is de door Paarlberg gegeven verklaring voor betalingen ter van naar
verwachting in de toekomst te realiseren winsten, veel meer dan, geloofwaardig.

1.28.
Endstra is van 2000 tot 2004 commissaris geweest van Kennemerstrand NV (met
wethouders van de gemeente). Voornoemde Funke Küpper is vanaf 2000 - toen Paarlberg
de aandelen van HSIJ had overgedragen aan Endstra - directeur van HSIJ en
Kennemerstrand NV. Thans is de broer van Endstra, Haico, sedert 2004 commissaris.
Informatie uit het handelsregister en kadaster maakt direct duidelijk welke centrale rol
Endstra had bij de ontwikkeling van het gebied op en rond de jachthaven.

De ondererfpachtrechten van alle onroerende goederen op of rond de jachthaven staan -


met uitzondering van de al verkochte appartementen en gebouwen - staan op naam van
door Enstra indertijd volledig gecontroleerde vennootschappen, Seaport IJmuiden
Onroerend Goed BV (vanaf 2000 na vertrek Paarlberg 100%), Kabbelaarsbank BV, Iduna
BV, Beach Resort IJmuiden BV (hotel). Daarnaast hebben Endstra, zijn vennootschappen
of zijn broer nog zeer vele appartementsrechten in zowel het appartementcomplex als in
de horeca en detailhandel gebouwen.

1.29.
Het OM heeft er bewust of onbewust geen rekening mee willen houden dat de overdracht
HSIJ en de moeder en grootmoeder Xenia en Ballados samenhangende transacties zijn
geweest. Alleen daardoor heeft het OM de doelredenering kunnen formuleren dat de
overdracht van HSIJ voor f1,- maatgevend zou zijn voor de waarde van de investering
door uiteindelijk Xenia in HSIJ.

1.30.
Uit het Enclave dossier blijkt dat Justitie de verificatie van hun hypothese op een 8
bronnen baseert, te weten:

6. De verklaring van Endstra bij Van Lidth de Jeude van 10 april 2003.
7. Een brief van Minister van Verkeer en Waterstaat aan de Gedeputeerde Staten van
Noord-Holland gedateerd op 11 februari 1997.
8. Een citaat uit een verklaring van een ingenieur van Rijkswaterstaat.
9. Een deel van een aan Paarlberg voorgehouden verklaring van Funke Küpper.
10. De Habitat-regelgeving uit 2002 als door de Europese Unie vastgelegd.
11. De jaarrekeningen van Ballados die in 1999, 2000 en 2001 geen post winstrechten
vermelden.
12. De overdracht van Xenia als moeder van Ballados die op haar beurt
aandeelhouder en schuldeiser van de jachthaven was in 2000 aan Endstra.
13. Het commissariaat van Endstra in Kennemerstrand BV.
1.31.
Uit een proces-verbaal van 8 maart 2005 blijkt dat het onderzoeksteam bij aanvang van
het onderzoek beschikte over cruciale informatie die de verdenking van Paarlberg direct
had moeten ontkrachten, althans tot nader onderzoek had moeten leiden. Uit deze stukken
blijkt namelijk dat het team op de hoogte is gesteld van het hiervoor besproken plan
Kustvisie en de voorgenomen samenwerking in 1998 tussen de gemeente Velsen en HSIJ
(Endstra) met betrekking tot de projectontwikkeling op en rond de haven.

1.32.
III.4 Evaluatie van de in het strafrechtelijk onderzoek gebruikte bronnen

ad a: De bron, en niet een bevestiging, van de verdenking is hier de verklaring van


Endstra bij Van Lidth de Jeude, waarin hij verklaart dat de vordering op Seaport Marina
niet volwaardig zou zijn. Hiervoor werd al geconstateerd dat de betrouwbaarheid van de
verklaring onvoldoende steun vindt in concrete en verifieerbare feiten. Bevestiging van
de vraag of partijen waarde aan HSIJ zullen hebben toegekend, zal uit andere feiten
moeten blijken die niet gebaseerd zijn op verklaringen van Endstra zelf.
Juist door Endstra zelf ondertekende stukken waaruit blijkt dat het winstrecht wel is
afgesproken geven reden voor scepsis. Temeer omdat bij nader onderzoek zal blijken dat
het document dat op 25 februari 2003 tot driemaal toe ondertekend door Endstra werd
opgestuurd niets met enige dwang te maken lijkt te hebben (zie verder III.6).

ad b: Het bouwverbod in de brief naar aanleiding van de Nota Kustbalans heeft


inderdaad tot discussie en uitstel geleid. Dit is echter langs de weg van overleg opgelost.
De Nota was overigens een beleidsvoornemen met alleen betekenis voor nieuwe
vergunningen. De algemene vergunning onder de Wbr was reeds in 1992 afgegeven.
Bovendien wordt een uitzondering gemaakt voor bouw conform het bestemmingsplan
binnen de bebouwde kom van kustplaatsen. Inmiddels is duidelijk dat de plannen onder
deze uitzondering vallen.

ad c: De ingenieur zegt in zijn verklaring: ‘Op dat moment, 31 december 1999, waren
de kansen om te bouwen in Seaport Marina nihil.’ Justitie maakt hier echter uit op dat de
kansen op verdere bouw in Seaport Marina in 1997, 1998 en 1999 nihil waren. Uit het
hiervoor vermelde onderzoek (III.3) blijkt dat de verklaring van de ingenieur, hoe
‘stellig’ook

op essentiële punten, een onjuist en onvolledig beeld geeft. Zijn opvatting is in strijd met
de afgegeven vergunning in 1998, het plan Kustvisie IJmuiden van 1999, etc. (zie III.3).

ad d: In de door Küpper, bij aanvang van het onderzoek, afgelegde verklaring lag juist
al besloten dat er wél plannen en verwachtingen voor projectontwikkeling bestonden en
dat die in de door hem genoemde Kustvisie IJmuiden eenvoudig verifieerbaar waren.

ad e: De vaststelling van het gebied van het Kennemerstrand onder de habitat-


regelgeving is niet, zoals in het dossier gerelateerd wordt, in 2002. De aanmelding van
het gebied door de Minister van LNV aan de EC dateert van april 2003. Voorlopig was
het gebied al genoemd in 1998. De Ec heeft de gebieden onder de habitat-richtlijn eerst
op 7 december 2004 vastgesteld. Pas daarná heeft dit betekenis voor daarna uit te voeren
plannen. Dat overigens het vast te stellen gebied wel van belang is geweest voor het
proces en de wijziging van plannen bleek hiervoor. Vooruitlopend op een mogelijke
definitieve aanwijzing – waartegen de gemeente zich heeft verzet - heeft de gemeente er
wel al vroegtijdig rekening mee gehouden dat de bestaande plannen dan alsnog in en rond
de jachthaven geconcentreerd zouden moeten worden. Om redenen van doelmatigheid is
er voor gekozen die weg ook te bewandelen en de huidige plannen voorzien dan ook in
een uitgebreide ontwikkeling geconcentreerd op de jachthaven (Herziene kustvisie
IJmuiden aan Zee juni 2006). Die plannen hadden in hoofdzaak geen betrekking op het
habitat-gebied, en daarmee is de redenering van de onderzoekers ongegrond.

ad f: Justitie concludeert op grond van de jaarrekeningen dat hetzij de winstrechten dus


niet bestaan hetzij de jaarrekeningen onder verantwoordelijkheid van Paarlberg onjuist
zouden zijn opgesteld. Justitie gaat er in haar redenering van uit dat er samenhang bestaat
tussen de overdracht van HSIJ (1999) en de overdracht van Xenia (2000). Immers indien
de samenhang wel bestaat is de genoemde prijs voor de aandelen HSIJ niet
doorslaggevend. Het ontbreken van die samenhang kent geen waarschijnlijkheid.

Waar het bij ontvlechting van de belangen juist ging om de uiteindelijke belangen als
aandeelhouder moet het bij de gemaakte afspraken zijn gegaan om de waarde van in de
toekomst naar verwachting te realiseren winsten die uiteindelijk waren verbonden was
aan de aandelen Xenia. Daarmee gaat het uiteindelijk dus ook niet om de aandelen in
HSIJ die kennelijk in samenhang met alle afspraken op voorhand werden overgedragen
voor f1,-. Volgens Paarlberg is het aandeel Xenia ten onrechte overgedragen voordat
Endstra betaald had (uitleg zie IV.2 onder punt 3). De trust die de overdracht regelde zal
er dus ook van uit zijn gegaan dat er al afgerekend was voor de aandelenoverdracht. Ook
in dat licht is het logisch dat er in Ballados – die in 2000 ook al indirect via Xenia was
overgedragen – geen nog te ontvangen winstrecht wordt geactiveerd. Daarbij kan het
immers ook niet de bedoeling zijn geweest dat Endstra, sedert 2000 nieuwe
aandeelhouder van (indirect) Ballados, zelf de door hem te betalen vergoeding zou
opstrijken voor de aandelen Xenia via Ballados. De bedoeling van de ontvlechting kan
niet anders zijn geweest dan dat de waarde van de belangen in Xenia en daarmee ook
HSIJ aan Paarlberg zelf ten goede zouden komen.

ad g: Uit het resumé bij het proces-verbaal van het verhoor van Paarlberg d.d. 31
januari 2006 lijkt te moeten volgen dat aan de overdracht inhield dat er niet betaald
hoefde te worden. Het OM had dienen te onderzoeken of het aannemelijk is dat Endstra
voor de overdracht had moeten betalen en zo ja, of en wat er is afgesproken en betaald.
De niet betaling is immers een zeer valide reden voor het terugdraaien van de transactie.
Het terugdraaien van de transactie met Xenia en indirect Ballados is juist niet in staat te
bevestigen dat Endstra in het kader van de ontvlechting geen gelden schuldig zou zijn aan
Paarlberg. Dit wordt ook bevestigd door de door Endstra op 25 februari tot driemaal toe
ondertekende brief van Ballados inzake het winstrecht.

ad h: Endstra was blijkens de inschrijving in de KvK pas sedert 2000 commissaris.


Daaruit concluderen dat Endstra wetenschap had ‘in de jaren 97, 98 en 99 kent geen
logica. Niettemin is het niet onaannemelijk dat Endstra al voor 2000 nauw betrokken was
bij de ontwikkeling (zie III.3.3.4 en III.4 en de brief van de gemeente aan Endstra n.a.v.
een bespreking juli 1998) en daarover overleg zal hebben gehad met de gemeente. Uit
bovenstaand onderzoek blijkt zonneklaar dat de gemeente in genoemde jaren zelf de
verwachting had dat het gebied tot verdere ontwikkeling gebracht kon worden (Kustvisie
IJmuiden 1999) en niet dat enig verbod daar ook in de visie van de gemeente prohibitief
zou zijn. Naar thans inmiddels lijkt vast te staan, met recht. Dat Endstra in de jaren 97, 98
en 99 op de hoogte was van een verbod betreft wederom een onjuiste doelredenering.

1.33.
III.5 Nog een aantal falsificatiemogelijkheden

III.5.1 Winstverwachtingen en aandeelhouders


HSIJ werd voor een zeer belangrijk deel gefinancierd met leningen van aandeelhouders.
Zolang die leningen niet zouden worden opgeëist was HSIJ zeer wel in staat om aan haar
verplichtingen te voldoen. Het eigen vermogen van HSIJ was dus verre van
doorslaggevend voor de vraag of HSIJ al dan niet failliet zou gaan. De onderneming is
dan ook na 1999 gewoon blijven bestaan en is 8 jaar daarna nog steeds niet failliet.

Ook verliesgevendheid van HSIJ in het verleden zegt niets over de ontwikkelingsplannen
voor de toekomst. De verliezen van HSIJ hebben te maken met aanloopverliezen en de
(aanvankelijk) verliesgevende exploitatie van de jachthaven in MSIJ. Er blijken
overigens ook in het verleden winsten te zijn geboekt, juist met projectontwikkeling van
appartementen.
Het eigen vermogen van een onderneming heeft voor haar aandeelhouders slechts een
relatief belang. Het rationele economische belang dat een aandeelhouder aan zijn
investering hecht wordt bepaald door verwachtingen met betrekking tot in de toekomst te
realiseren winsten. Hiervoor werd aangetoond dat zowel ten tijde van de door Paarlberg
genoemde afspraken over ontvlechting als ten tijde van de betalingen eind 2002 en 2003
bij Paarlberg en Endstra gerechtvaardigde winstverwachtingen bestonden. Het is op
voorhand onaannemelijk dat Paarlberg zijn belang in de jachthaven zou hebben verkocht
zonder een prijs te bedingen voor op dat moment reële winstverwachtingen.
Daarmee lijkt ook te zijn aangetoond dat het onaannemelijk is dat, zoals Endstra beweert,
de geboekte verliezen maatgevend waren voor de economische rationaliteit van de
overname van de lening met de overname van de aandelen. De verwijzing door Endstra
naar verliezen is een opzettelijk opgezet maar nogal simpel dwaalspoor.

1.34.
III.5.1.2 Jaarrekeningen
Het beeld dat in bovenstaande paragraaf wordt geschetst wordt ook nadrukkelijk
bevestigd bij nadere beschouwing van de jaarrekeningen. Voor zover het is na te gaan,
waren voor 1995 Coltof en Smit (al dan niet via Coltof Beheer BV en Bentveld NV) de
enige aandeelhouders van HSIJ.

Vermoedelijk in of omstreeks 1995 heeft Endstra via Marpollo het belang van Coltof
overgenomen en daarna Paarlberg verzocht deel te nemen door een deel van zijn aandeel
en dat van Smit over te nemen via Ballados. Te oordelen aan de hand van de
gepubliceerde jaarrekeningen van Marpollo zal het in 1997 zijn geweest dat Marpollo en
Ballados de resterende aandelen van Smit hebben overgenomen (beide daarna 50%). Het
kan ook 1996 zijn geweest. De geconsolideerde en vennootschappelijke jaarrekeningen
van Marpollo zijn op dit punt tegenstrijdig. Het geplaatste en volgestorte kaptitaal per
ultimo 1997 bestaat uit het aanvangskapitaal van f40.000,- gulden en kennelijk de
omzetting van een achtergestelde lening, oorspronkelijk van Bentveld NV in
aandelenkapitaal voor f3,- miljoen. In 1997 worden kennelijk ook winsten geboekt in
vernband met de verkoop van appartementen. Uit de liquide middelen worden in 1998
ook betalingen aan (onder andere) Ballados gedaan op de uitstaande lening ten bedrage
van f2.327.655,-, hetgeen niet duidt op een ‘niet volwaardige’ lening, zoals Endstra
beweert.

De eigen vermogenspositie bij toetreding door Endstra en Paarlberg in 1995 is licht beter
dan de eigen vermogenspositie ultimo 1998. De eigen vermogenspositie per ultimo 2002
is aanzienlijk slechter. Na 2002, in 2003 en 2004, is een verbetering van het eigen
vermogen zichtbaar van circa €1,5,- miljoen. Uit de gepubliceerde jaarrekeningen van
HSIJ is op te maken dat de dochter MSIJ vanaf 2003 winstgevend is. Een voorziening
van de negatieve netto vermogenswaarde van ruim €8,- miljoen ultimo 2002 wordt in
2005 definitief weggewerkt.

De kennelijke investering die Marpollo heeft gedaan voor de verwerving van het
aandelenbezit van 50% is f1.736.400,- (zie jaarrekeningen 1996, 1997 3n 1998).
Daarnaast heeft Marpollo kennelijk geïnvesteerd in de vorm van leningen, in 1997 nog
f2.780.260,- en in 1999 oplopend tot vermoedelijk f9.321.972,- (zie balans jaarrekening
2000; balans jaarrekening 1999 vermeldt echter f8.479.110,-). Uit het verstrekken van
deze aanzienlijke oplopende leningen mag worden opgemaakt dat Marpollo (Endstra)
brood zag in HSIJ.
Dit wordt ook bevestigd door de in 1998 en 1999 door Marpollo voor HSIJ afgegeven
continuïteitsgaranties.
1.35.
III.5.2 Waardering uitgaande van continuïteit en accountant Van Steenbergen RA

Bij discontinuïteit of gerede twijfel omtrent de continuïteit mag een vennootschap in haar
jaarrekening niet meer uitgaan van ‘waardering’ volgens continuïteit, zie boek 2 art. 348
lid 3 BW. De accountant kan dan alleen een goedkeurende verklaring geven als wordt
gewaardeerd naar liquidatiewaarde en inclusief vorderingen die acuut worden bij
liquidatie. Volgens de richtlijn bij dit artikel komt het aan op de vaste medewerking van
belanghebbenden. Bij HSIJ werd de continuïteit mogelijk gemaakt doordat Endstra als
belanghebbende (en voor overdracht ook Paarlberg) leningen had vertstrekt en Endstra
verder de continuïteit van de onderneming had gegarandeerd voor telkens één jaar na
publicatie van de jaarrekening.

De accountantsverklaring bij de jaarrekening van HSIJ die hier van belang is betreft een
zogenaamde ‘goedkeurende verklaring met verplichte toelichting’. Dat betekent dat er
een zekere ‘onzekerheid’ was, maar niet zodanig dat er sprake was van ‘gerede twijfel’.
Feitelijk werd de onzekerheid telkens tenminste voor één jaar weggenomen door de
continuïteitsgarantie. De accountant zal zich daarvoor een beeld moeten hebben gevormd
van de continuïteit en met name de in de vermelde paragraaf vermelde plannen om tot
projectontwikkeling te komen.

De jaarrekening HSIJ werd gecontroleerd en goedgekeurd door mevrouw Van


Steenbergen RA van Deloitte. Haar verklaring hierover vormt een duidelijke falsificatie
van de onderzoekshypothese van Justitie en bevestigt bovenstaande analyse en het
realiteitskarakter van de winstrechten, ook in de visie van Endstra.
Zij verklaart onder andere dat Endstra haar in het kader van de toestemming voor de ‘de
2e tranche’ plannen heeft laten zien en vanaf boekjaar 1999 de toelichting heeft gegeven.
Ook verklaart zij in 2001 gebeld te hebben met de wethouder van IJmuiden over de
kennelijk gegeven toestemming voor de 2e tranche. Deze zaken zijn volgens haar ieder
jaar met Endstra besproken.

Uit een onder Funke Küpper bij Seaport Marina in beslag genomen brief van 19
november 2002 van Eurisdence aan Van Steenbergen RA blijkt dat de toekomstige
ontwikkeling de aandacht is blijven houden en dat ook in 2002 de verwachting bleef
bestaan ‘dat uiteindelijk concensus (tussen de diverse overheden m.b.t. de ontwikkeling
in Seaport IJmuiden) gevonden zal worden’.
1.36.

Uit de verklaring van Van Steenbergen RA op 6 februari 2007 en haar aantekeningen zijn
diverse (de verklaring van Endstra falsifiërende) zaken op te maken:

14. In maart 1999 was er volgens Endstra al sprake van een voorgenomen uittreden
van Paarlberg.
15. In 1999, 2000 en 2001 was er sprake van een reëel perspectief van voortzetting
van de onderneming. Dat werd gedragen door Endstra die financieel ook zijn nek
heeft uitgestoken door de continuïteit te garanderen. Dat werd ook gedragen door
de

16. gemeente Velsen die de plannen voor ontwikkeling kennelijk reëel. Dat werd na
onderzoek ook gedragen door de accountant.
17. De afgegeven continuïteitsgarantie betekent ook dat vorderingen op HSIJ een
volwaardig karakter hadden en Endstra zonodig zou ‘bijstorten’.
18. Voor zover de getuige weet bleef de lening na overdracht van HSIJ bij Ballados
en Paarlberg.
19. Er is destijds kennelijk afgesproken 15 miljoen te betalen aan Paarlberg in
verband met de te verwachten winst in verband met de appartementen. Dat is in
overeenstemming met het later door Endstra tot driemaal toe ondertekende stuk
van 25 februari 2003 en het ‘Overzicht gemaakte afspraken’.

1.37.
III.5.3 Fiscaal advies aan Endstra d.d. 3 augustus 2000
Endstra heeft ook op 10 april 2003 verklaard ‘dat naar Baladas een verklaring is
afgegeven aan de accountant van Seaport Marina dat Baladas geen vordering meer had’.
Wat mij toch overigens opvalt is dat Endstra in zijn geschriften opvallend veel
schrijffouten maakt. Op zich was schrijven mogelijk niet zijn sterkste kant. Toch is het
vreemd te noemen dat hij namen van eigen bedrijven niet goed kan schrijven, van
zakenrelaties Parelberg, Kattee. Meest opvallend is dat zowel hand als getypte
documenten door hem weer handmatig ondertekend zijn eigen initialen onjuist schrijft of
laat bestaan in geschriften, W.A.A.P.M., wordt regelmatig W.A.P.A.M., raar maar waar.

Wat de op 10 april 2003 gemaakte verklaring betreffende Ballados zou moeten zijn is nog
steeds niet duidelijk. Een dergelijke verklaring is kennelijk niet aangetroffen. Dat
accountant Van Steenbergen een verklaring met die inhoud zou afgeven moet onjuist zijn,
gezien de continuïteitsverklaring in de gecontroleerde jaarrekening en gezien de
aantekeningen van de accountant in het dossier.

Er zijn wel aanwijzingen dat Endstra, nadat hij enig aandeelhouder van HSIJ was
geworden, via Van Steenbergen belastingadviseurs heeft laten onderzoeken of er fiscale
voordelen waren te bereiken door middel van compensatie van verliezen door de lening
van Ballados over te nemen of af te kopen voor een lager bedrag dan het nominale
bedrag. De ‘verklaring’ waar Endstra mogelijk op doelt is een fax met als bijlage een
notitie van een belastingadviseur van 3 augustus 2000, gemaakt op verzoek van Endstra.

Echter, uit dit document blijkt bepaaldelijk niet dat er geen vordering meer was of dat
deze onvolwaardig zou zijn. Integendeel er blijkt slechts uit dat er nog een vordering van
circa 13 miljoen was, en dat Endstra overwoog die vordering om louter fiscale motieven,
vervroegde verliescompensatie, over te nemen of door HSIJ voor bijvoorbeeld 7 miljoen
gulden te laten afkopen. Er blijkt ook uit dat de projectontwikkeling nog in gang was en
dat in de perceptie van Endstra rond augustus 2000 Paarlberg nog steeds als
aandeelhouder de gerechtigde tot Ballados zou zijn.

1.38.
III.5.4 Verklaringen Funke Küpper en Beesemer
Om tot hun conclusies te komen moesten de onderzoekers wel voorbij gaan aan de
verklaringen van Funke Küpper en Beesemer. Funke Küpper verklaarde dat Endstra zelf
tegen

hem gezegd heeft winsten te verwachten van 40 miljoen. De verklaring van Paarlberg
wordt hier (indirect) uit de mond van Endstra zelf bevestigd, terwijl Endstra de
vooralsnog enige bron voor de verdenking is. Deze verklaring bevestigt ook de
eensluidende verklaring van Van Tatenhove dienaangaande.

Beesemer, tot eind 1998 directeur van HSIJ, verklaart op 9 augustus 2004 onder
andere:

‘Naast deze achtergestelde leningen was er ook een grote stille reserve. Deze zit
in de mogelijkheid tot het ontwikkelen van woningen op het gebied tussen de
reeds gebouwde appartementen en het kanaal in. Deze winstpotentie moest ook
worden afgereken. U zegt mij dat de aandelen HSY zijn overgedragen voor f1,-.
Er zal hier ongetwijfeld over onderhandeld zijn. De haven was uiteraard meer
waard. Zeker wanneer je het ontwikkelingspotentieel meeneemt...Nogmaals die
prijs van f1,- is niet reёel.’.

Bovenstaande verklaringen dateren van 17 respectievelijk 9 augustus 2004 en hadden in


het beginstadium van het onderzoek al een gezonde twijfel moeten wekken aan de
verklaring van Endstra.

1.39.
III.6 Gang van zaken tweede helft februari en maart 2003
Zoals eerder vermeld werd de door Van Tatenhove opgestelde (concept)brief die
betrekking heeft op het ‘winstrecht HSIJ’ op 25 februari 2003 door Endstra tot driemaal
toe ondertekend. Deze brief blijkt bij goede lezing een bijlage te moeten zijn bij het
‘Overzicht gemaakte afspraken’ waarin het winstrecht staat vermeld. Er wordt ook naar
verwezen in de onderhandse Verpandingsakte. De ondertekening van de drie
(concept)brieven (‘please send original/please send original agreed/agreed’) wijzen niet
bepaaldelijk op een onder dwang getekende overeenkomst.

In het ‘Overzicht gemaakte afspraken’ staat bij het te vestigen pandrecht vermeld: ‘Een
nadere overeenkomst wordt hiervoor opgesteld en zal begin maart worden afgestemd.’ .
Uit de agenda van Van Tatenhove blijkt dat hij op 3 maart terug zou komen van
wintersport. Dit lijkt te betekenen dat de Verpandingsakte van de hand van Endstra zelf is
en hij op eigen initiatief hiermee aan de gang is gegaan. Dit is bepaaldelijk geen
aanwijzing voor enige dwang.

Endstra beweert ook een ‘real time’dagboek te hebben bijgehouden over de


‘praktijken’van Holleeder en diens clan. Dat zou een overzicht bevatten van de bedragen
waarvoor hij was afgeperst en documenten waaruit dat kon blijken. Hij verklaart ook dat
het niet kan missen dat Holleeder daar nu van in het bezit is, omdat Holleeder onder
andere gezegd zou hebben: ‘Ik weet meer dan je denkt!’. Het lijkt echter uitermate
onwaarschijnlijk dat Holleeder volstond met deze opmerking, terwijl hij toch aan kon
nemen dat Endstra daarna weer voor hem, Holleeder, belastende aantekeningen en
documenten zou gaan verbergen.

De in het dossier opgenomen dagboekaantekeningen beginnen voor wat de uitgeschreven


gedateerde fragmenten op 3 februari. Deze aantekeningen zijn echter vrijwel zeker enige
tijd na de daarop vermelde data op schrift gesteld. Dat blijkt onder meer het feit dat alle
aantekeningen op pagina 3 van 12/3 t/m 20/3 zijn verbeterd in die zin dat ‘feb’ is
doorgestreept en daarvan maart (‘-3’) is gemaakt. Dat lijkt erop te wijzen dat er in een
keer een collectieve vergissing is gemaakt met betrekking tot de datering en dat de
betreffende fragmenten in een keer opgeschreven zijn. Dat lijkt ook bevestigd te worden
door de omgekeerde volgorde bij 13, 12 en 14 maart.

De aantekening gedateerd op ’21 feb’ is de eerste aantekening op ‘pagina 4’ en kent als


eerst volgende datum 1 april. ‘Pagina 3’ kent als laatste vermelding de aantekening
gedateerd, na verbetering, op 20 maart. Het is derhalve aannemelijk dat de eerste
vermelding op pagina 4 verbeterd had moeten worden in maart. Zo niet, dan sluit pagina
4 niet aan op pagina 3, terwijl die aansluiting anders wel bestaatgezien de
daaropvolgende vermelding van 1 april.

Ook de vermeldingen per 3 en 5 februari over Van Tatenhove blijken onjuist te zijn, en
moeten zien op maart. De agenda van Van Tatenhove bevestigt dat hij, zoals hij ook heeft
verklaard, tot 3 maart op wintersport is. Na terugkomst van vakantie op 3 maart heeft hij
Ballados en Bergheim ter hand genomen (‘stukken Ballados’ en ‘stukken Bregheim’) en
op 5 maart heeft hij inderdaad een lunchafspraak met Endstra in restaurant Spring: ’12.30
Spring AHW overleg’. Na terugkeer van Van Tatenhove stuurt hij op 3 maart een fax naar
Lexence.

Daarbij si kennelijk als bijlage gevoegd de Verpandingsakte als opgesteld en ondertekend


op 26 februari 2003. (zie faxkenmerk). Bij de instructie van 3 maart aan de notaris daarop
valt op dat de boeterente van 0,5% moet aangevuld worden met de vermelding dat dit
‘per dag’ is..

De notaris wordt verzocht uit te gaan van een commissie WFC voor € 6.806.703,- (15,-
miljoen gulden), conform het ‘Overzicht gemaakte afspraken’ in plaats van € 3.857.000,-
(8,5,- miljoen gulden) vermeld in de Verpandingsakte. De notaris wordt kennelijk voor
het eerst ingeschakeld en wel om alsnog een echte notariёle Akte van Verpanding
op te stellen.

Hij vraagt de notaris ook een concept te maken (idem Overzicht gemaakte afpraken).
Deze instructies sluiten naadloos aan bij de vermeldingen in het dagboek op 3 en 5
februari. Ook de vermelding ‘Van Tatenhove lunch spring’sluit naadloos aan bij de
agenda van Van Tatenhove op 5 maart.

Uit de fragmenten van Endstra zelf blijkt dus dat begin maart nog volstrekt normale
discussies plaats hebben tussen hem en Van Tatenhove over de te maken afspraken. Het
blijkt redelijkerwijs dat Endstra ook zelf het voortouw heeft genomen en de vrijwillige
auteur is geweest van de Verpandingsakte. Enige aanwijzing voor afpersing blijkt juist
nadrukkelijk te ontbreken.

In het onderzoek is kennelijk niet onderkend dat in het dagboek alle fragmenten van 3
februari op pagina 3 t/m 21 februari op pagina 4 betrekking moeten hebben op maart.
Daaruit kan worden opgemaakt dat al deze fragmenten een reconstructie achteraf moeten
zijn die pas gemaakt is omstreeks september 2003. Dat Endstra in één keer in
retrospectief zijn verhaal doet, betekent dat alle vermeldingen voor april gekleurd kunnen
zijn door getrokken conclusies in september. Uit het dagboek kan dus niet worden
opgemaakt of, en dat, Endstra al voor april de perceptie had dat Paarlberg betrokken zou
zijn bij enige afpersing.

1.40.
Omstreeks 10 april 2003 is er een kentering zichtbaar in de perceptie van Endstra en zijn
nagelaten aantekeningen over Paarlberg. In zijn verklaring op 10 april 2003 zegt hij van
Van Tatenhove gehoord te hebben dat Paarlberg onder dwang meewerkte. Uit de
verklaringen van Van Tatenhove wordt aannemelijk dat Endstra aanvankelijk geen moeite
had met de boeterente, omdat hij voor de ingangsdatum daarvan het WFC verkocht dacht
te hebben en dus tijdig aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen. Op grond van deze
informatie en de aantekeningen van Endstra over de totstandkoming van de
Verpandingsakte wordt aannemelijk dat de agitatie bij Endstra en de aanvankelijke onwil
om de akte te tekenen het gevolg is van het feit dat Endstra op 10 april 2003 door
vertraging in de transactie met het WFC toch met de boeterente geconfronteerd te zullen
worden.

Ook wordt duidelijk dat er tussen Endstra en Van Tatenhove over gesproken is waarom
Paarlberg zich zo hard opstelde in verband met de nakoming en dat Van Tatenhove toen
iets gezegd kan hebben als ‘Jan Dirk moet wel.’, daarmee bedoelende dat Paarlberg
dringend geld nodig had. Mogelijk heeft Endstra dit verkeerd vertaald in ‘Paarlberg moet
aan de verpanding meedoen.’
1.41.
In feite moet het dagboek van Endstra voorafgaand aan 10 april 2003 de concrete
onderbouwing te vinden zijn voor zijn op die dag afgelegde verklaring bij de notaris.
Waar die nu juist niet concreet te vinden is (geen wie, wat, waar, hoe, etc.), moest er
serieus rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat Endstra bij Van Lidth de
Jeude niet geheel naar waarheid verklaarde.

De bevestigingen die Justitie meent te hebben gevonden voor de juistheid van de


vermeldingen op 3 en 5 februari, blijken bij beschouwing van de agenda van Van
Tatenhove onjuist te zijn. De Verpandingsakte blijkt niet onder dwang tot stand gekomen,
maar een eigen initiatief van Endstra moet zijn geweest als reactie op het ‘Overzicht
gemaakte afspraken’ met de daarbij behorende briefovereenkomst die hij op 25 februari
2003 driemaal ondertekent en waarin Van Ttaenhove aankondigt na terugkomst met een
overeenkost voor de verpanding te zullen komen. De zichtbare discussies (o.a. dagboek,
fax aan notaris 3 en 5 maart) lijken duidelijk te maken dat geen sprak kan zijn geweest
van dwang.

Waar er al voor eind maart betalingen zijn gedaan met de expliciete referentie aan HSIJ
en Bayline, lijkt in samenhang met de eerder onderzochte maar afgewezen buistransactie

duidelijk te worden dat de ‘commissie’ ook uit fiscale (en wellicht ook andere) motieven
uit zijn koker is gekomen. In feite falsifieert het dagboek zich grotendeels zelf.

1.42.
III.7 Samenvatting mogelijke falsificaties
Met betrekking tot Xenia / Ballados / HSIJ bleek het aanzienlijk meer dan aannemelijk
dat daarin een waarde besloten lag in verband met de toekomstige winstverwachtingen
door projectontwikkeling. Uit de historisch beschikbare gegevens blijkt met grote mate
van hardheid (gepubliceerde stukken gemeente en GS) dat er in 1990 en 2003 reёle
vooruitzichten voor een lucratieve projectontwikkeling op en om de
jachthaven, waarbij Endstra zelf direct betrokken was. De toelichting
bij de jaarcijfers maakt ook duidelijk dat die plannen gekoesterd
werden en reёl werden geacht te zijn, zowel door de gemeente als
Endstra als de directie van HSIJ.

De goedkeurende verklaringen en met name de toelichting bij de jaarrekeningen, en de


door Endstra c.s. afgegeven continuїteitsgarantie bevestigen dit onverkort.
Ook de verklaring van Küpper bevestigt dat dit bij Endstra zo leefde De verklaring
van Beesemer bevestigt het levende realiteitskarakter van de winstrechten.

De verklaring en aantekeningen van accountant Van Steenbergen (o.a. de pijl van tussen
‘15M winst woningen en ‘JD Paarlberg’ in een notitie van juli 1999) laten eigenlijk geen
ruimte voor twijfel. Het uitgangspunt van continuїteit was reёl vanwege de in de
toekomst te verwachten winsten, Endstra garandeerde de continuїteit
en zou zonodig bijstorten en uit de aantekeningen blijkt dat toen ook al
het winstrecht voor f15,- miljoen met Endstra besproken is.

1.43.
Er kan geen twijfel bestaan dat de verklaringen van Endstra onjuist zijn. Uit twee
onafhankelijke bronnen (briefovereenkomst en aantekeningen accountant) blijkt dat de
waarde die hieraan voor de aandeelhouder van Xenia (Paarlberg) werd gekoppeld door
partijen f15,- miljoen was.
Uit het dagboek van Endstra zelf blijkt dat als men de dateringen op juiste wijze aanpast,
en deze beziet in samenhang met de bekende stukken uit die tijd, het hogelijk
onwaarschijnlijk is dat Endstra onder dwang de Verpandingsakte zou hebben opgesteld,
maar dat er juist in maart normaal overleg moet zijn geweest over de vormgeving van de
afspraken voor betaling van Paarlberg.

Ook de verklaringen van Van der Heide, Schmidt en Wolfswinkel bleken overigens te
bevestigen dat het terugdraaien (of: het niet accepteren) van de transacties (Xenia en
Bayline) vermoedelijk alles te maken had met de niet betaling door Endstra, en niets met
enige afpersing.

Wanneer de theorie in overeenstemming gebracht wordt met de feiten in plaats van


andersom kan de conclusie niet anders luiden dan dat de verklaringen en aantekeningen
van Endstra als onhoudbaar verworpen dienen te worden.

1.44.
Betalingen in verband met lening aan HSIJ

IV.1.1 Vraagstelling
In I.4 werd reeds geconstateerd dat - gezien het bestaan van de lening van Ballados aan
HSIJ en de niet terugbetaling daarvan voor 30 december 2002 - de centrale vraag is, of:
partijen aan die lening enige waarde hebben toegekend, of dat deze, zoals Endstra zelf
zegt in zijn verklaring van 10 april 2003, volledig ‘onvolwaardig’ was.

Het OM gaat ervan uit dat als HSIJ zelf omstreeks 1999 of 2003 niet in staat was de
terugbetaling van de lening op eigen kracht te doen dan ook vaststaat dat de insinuaties
van Endstra dat het afpersing moet betreffen omdat de schuld niet volwaardig was, juist
is. Bij de ontvlechting van belangen moet de onderzoekshypothese luiden of de lening al
dan niet een ‘volwaardige’ schuld was, in de zin van of er voor Endstra c.s. in het kader
van de ontvlechting van hun belangen, goede reden was de lening over te nemen of te
laten nemen en daarvoor te betalen.
Achter de onjuiste van het OM onderzoekshypothese schuilt een redeniering die geen
basis kent in de feiten, namelijk dat waar HSIJ in december 1999 voor f1,- is
overgedragen, ‘dus’ ook zou zijn afgesproken dat Xenia en de lening voor niets zouden
worden overgedragen.
In feite is in paragraaf III het antwoord reeds gegeven.

Gezien de verwachte winsten door projectontwikkeling in HSIJ is het hoogst


onaannemelijk dat de lening ‘onvolwaardig’ zou zijn en dat partijen daarover geen
afspraken tot betaling zouden hebben gemaakt. Toch zal hier nog nader op de lening
worden ingegaan.

IV.1.2 Feiten en achtergronden.

1.45.
IV.1.3 Onduidelijkheden bij de hoogte van de lening
De vaststelling van de lening HSIJ op zich is goed mogelijk op basis van de contractueel
vastgelegde rente van 10% en de hoofdsom inclusief rente die vanuit HSIJ en Ballados
per ultimo 1998 bekend en eenduidig is: f11.630.994,-. Op basis van de brief van
Ballados aan HSIJ van 19 juni 2001 kan worden vastgesteld dat de schuld per ultimo
1998 volgens Ballados dezelfde was als volgens HSIJ. Daarmee kan, ervan uitgaande dat
er geen relevante aflossingen hebben plaatsgehad, de totale schuld van de lening per
ultimo 2002 berekend worden op f17.028.937,- inclusief 10% samengestelde rente.

Vanaf 2000 zijn echter diverse andere percepties van de hoogte van de lening
waarneembaar geweest - die niet juist lijken te zijn, maar - die een reconstructie van de
(dwalende?) bedoeling van partijen kan bemoeilijken.

Deze leiden samengevat tot de volgende percepties van de hoogte van de lening per
ultimo 2002:

20. Uitgaande van de in HSIJ geadministreerde rente van 6% zou deze f15.273.968,-
zijn.
21. Volgens het niet aanvaarde aanbod van 19 juni 2001 zou deze bijna f14.000.000,-
zijn.
22. Ingevolge de opgave door HSIJ inclusief de betaling aan Pampero en 6% rente
zou het f12.610.785,- zijn.
23. Volgens Endstra’s verklaring van 10 april 2003 ging het om f12,5,- miljoen,
vermoedelijk per eind 1999. Volgens het advies van de belastingadviseur aan
Endstra van 3 augustus 2000 ging het eind 1999 om ongeveer f13,- miljoen.
24. Uitgaande van de door Paarlberg genoemde f14,- miljoen voor HSIJ inclusief
winstrecht zou het kunnen gaan om circa f15,8,- miljoen per omstreeks mei 2003.
Dit sluit aan bij de Verpandingsakte van 26 februari 2003 van de hand van
Endstra.
25. Uitgaande van het ‘overzicht gemaakte afspraken’ van Van Tatenhove, en ervan
uitgaande dat de daarin ten onrechte vermelde commissie eigenlijk ziet op de niet
vermelde lening, zou het moeten gaan om f15,- miljoen.

1.46.
Uit het onderzoeksmateriaal kan niet met zekerheid worden vastgesteld of, en in
hoeverre, Paarlberg dan wel Van Tatenhove en Endstra andere afspraken hebben gemaakt,
voor de hoogte van de terug te betalen lening dan het feitelijk verschuldigde bedrag van
ruim f 17,- miljoen.

In ieder geval wordt ook uit de verklaring van Endstra op 10 april 2003 duidelijk dat de
lening bij de gedane betalingen betrokken moet worden. Dat betekent dus dat er een
lening was. De betaling aan Pampero betekent eigenlijk al dat deze niet onvolwaardig
was.

Endstra verklaart ook op 10 april dat hij ongeveer f12,500.000,- moest voldoen aan
Ballados. Dit betekent dat voor de betalingen van circa 37,3 miljoen gulden (volgens
Paarlberg inclusief Leopard/Heerfur 3,3 miljoen gulden) ook volgens Endstra zelf een
verklaring gevonden kan worden in - behalve het winstrecht HSIJ (15 miljoen) en
Bayline (10 miljoen) - de lening voor een bedrag van 12,5 miljoen plus interest na 1999.

1.47.
Uitgaande van de binnen HSIJ zelf geadministreerde lening (6%, exclusief betaling t.b.v.
Pampero), kan worden vastgesteld dat de afspraken met Endstra kennelijk betrekking
zouden moeten hebben op:

Winstrecht HSIJ 15 miljoen gulden


Bayline 10 miljoen gulden
Lening HSIJ 15 miljoen gulden
Totaal 40 miljoen gulden

Van deze posten is althans voor wat betreft de hoogte, alleen de lening mogelijk voor
enige discussie vatbaar, maar het genoemde bedrag zou ongeveer juist moeten zijn. De
andere posten, winstrecht en Bayline, staan qua omvang vast. Op basis van de
verklaringen van Endstra is het bij deze posten slechts de vraag of ze zelf niet ‘fictief’ of
‘gefingeerd’ zijn.

1.48.
IV.2 Falsificatie op grond van nadere analyse
Vanuit zeer verschillende invalshoeken blijkt de verklaring van Endstra dat de lening
onvolwaardig zou zijn in strijd met de waarheid. Dat blijkt vanuit:

1. De bestaande reёle winstverwachtingen: in paragraaf III werd reeds


geconcludeerd dat het niet van belang is te kijken naar de in het
verleden geboekte verliezen en vermogenspositie van HSIJ, maar naar
de in dit geval aanzienlijke toekomstige winstverwachtingen.

2. De overname van de lening op aandeelhouderniveau in plaats van betaling door


HSIJ: feitelijk ging het onderzoek ook niet om de vermogenspositie van HSIJ. De lening
werd niet door HSIJ terugbetaald maar door de andere aandeelhouder (Endstra/Marpollo)
overgenomen doordat Xenia en daarmee Ballados werd overgedragen. Dit blijkt ook uit
het in HSIJ in stand blijven van de lening. Ook blijkt dit uit de omschrijving bij de
betalingen in december 2002 en januari 2003 ‘lening SMIJ in opdracht van Marpollo’.
Zie ook in die zin de verklaring van Küpper over de lening van Paarlberg.

3. De brief van 19 juni 2001 aan HSIJ: uit dit document blijkt dat Ballados op 19
juni 2001 een regeling voorstelt ter betaling van de lening. Dit is opmerkelijk omdat
Endstra in juni 2001 nog de enige aandeelhouder van HSIJ en indirect Ballados zou zijn.

Het lijkt erop dat Paarlberg deze opdracht toen aan de Trust heeft gegeven, zich niet
bewust van het feit, dat Ballados (indirect) al aan Endstra was overgedragen (althans
volgens het dossier van Amicorp) zonder dat er betaald was.

Dat betekent ook dat terugbetaling van de lening al ruimschoots voor december 2002 aan
de orde was en dus niets te maken kan hebben met de gesuggereerde afpersing. Uit de
brief blijkt dat Ballados de lening zeker niet onvolwaardig vindt, maar wel op kortere
termijn in der minne betaling wil en korting wil geven.

4. De terugbetaling van een deel van de lening (f1,9,- miljoen, Pampero) in


juli 2001: In IV.1.3 is reeds stilgestaan bij de door Endstra zelf geїnstigeerde
aflossing op de lening van Ballados die niet ten gunste van Paarlberg
kwam.
Deze aflossing is in strijd met de verklaring van Endstra op 10 april 2003 dat de
vordering niet volwaardig zou zijn.

26. De kennelijk oplopende investeringen door Endstra zelf en het feit dat HSIJ
niet in 1998, 2002/3 of daarna failliet is gegaan: HSIJ was in staat haar
verplichtingen tijdig te voldoen doordat HSIJ voor een zeer groot deel
gefinancierd werd met leningen die het negatieve eigen vermogen verre
overtroffen.

27. Uit het oplopen met zo’n f14,- miljoen van de langlopende leningen van 1998
t/m 2002 moet worden opgemaakt dat de toekomstverwachtingen bepalend
waren voor de bereidheid van de financier/aandeelhouder om meer ter
beschikking te stellen in plaats van eigen faillissement aan te vragen.
28. Uiteindelijk zijn alle langlopende leningen (behalve teruglopende van de
Rabo) vermoedelijk (indirect) in handen van Endstra. Dat Endstra kennelijk
grote waarde hecht aan HSIJ blijkt ook uit

29. a) de afgegeven contnuїteitsverklaring vanaf 1998 door Endstra!;


b) de inhoud van de continuїteitsparagraaf in de toelichting; c)
de toelichting bij de balans 1999: voor de lening aan Rabo
en/of Bouwfonds wordt aannemelijk dat dit onroerende
goederen betreffen die indirect aan Endstra toebehoren, aangezien
Endstra per ultimo 1999 enigaandeelhouder van HSIJ wordt.
Nogmaals, voor de volwaardigheid van de lening is niet de eigen
vermogenspositie, maar de waarde van de investering in de toekomst te
genereren inkomsten doorslaggevend.

9. De verklaringen en aantekeningen van Van Steenbergen RA: uit de verklaringen


van Van Steenbergen in paragraaf III bleek al:

- dat in maart 1999 volgens Endstra al sprake was van een voorgenomen uittreden
van Paarlberg,
- dat in 1999, 2000, en 2001 sprake was van een reёl perspectief van
voortzetting van de onderneming. Dat werd gedragen door
Endstra die financieel ook zijn nek heeft uitgestoken door vanaf
1998 de continuїteit te garanderen. Dat werd ook gedragen door
de gemeente Velsen die de plannen voor de ontwikkeling
kennelijk als reёl zag. Het werd na zelfstandig onderzoek ook
gedragen door de accountant,
- dat de afgegeven continuїteitsgarantie betekent dat vorderingen op
HSIJ een volwaardig karakter hadden en Endstra zonodig zou
‘bijstorten’,
- dat voor zover de getuige Van Steenbergen weet de lening na overdracht van HSIJ
bij Ballados en Paarlberg bleef,
- dat er destijds al is gesproken over f15,- miljoen winst in verband met de
appartementen en Paarlberg. Dat is in overeenstemming met het later door
Endstra tot driemaal toe ondertekende stuk van 25 februari 2003.

Dit spreekt reeds voor zich. Uit de aantekeningen uit het dossier van de accountant kan
aanvullend nog blijken:

- dat de betaling van f2,3,- miljoen in 1998 aan Ballados uit de opbrengst van de
eerder ontwikkelde appartementen al verband hield met het voorgenomen vertrek
van Paarlberg, maar er kennelijk nog meer betaald moest worden,
- dat Marpollo aanvankelijk ook de lening van Ballados zou overnemen en aldus
Paarlberg zou betalen,
- dat Endstra al in 1999 de rente op de leningen wilde omzetten van de contractuele
10% in 6%. Daarvan werd door de accountant vervolgens bevestiging van
Ballados verlangd. Endstra zou dat regelen maar die bevestiging is kennelijk niet
gevraagd of niet gekomen, de rente in 1999 is op 10% blijven staan,
- dat van afboeking van de lening van Ballados wegens onvolwaardigheid juist
geen sprake is geweest.

10. De goedkeurende verklaring met toelichting bij de jaarrekening.

De betalingen in december 2002 en januari 2003 aan Ballados ter aflossing van de
lening in opdracht van Marpollo: de vermelding ‘in opdracht van Marpollo’
maakt dat het niet gaat om een aflossing van een lening door HSIJ, maar om de
overname van de lening van Ballados door Marpollo in het kader van de
ontvlechting. Zie ook de hierboven genoemde aantekeningen van de accountant.
Weliswaar verklaart Endstra op 10 april 2003 bij Van Lidth de Jeude dat dit door
afpersing zou zijn geschiedt en dat dat blijkt uit de niet volwaardigheid, maar
daarmee staat geenszins vast dat de verklaring van 10 april 2003 juister is dan die
gedaan bij de betalingen.

NB. De waarde van deze lening bleek inclusief overeengekomen rente (en exclusief
betalingen ten behoeve van Endstra zelf) per ultimo f12.794.093,- en per ultimo 2002
f17.028.937,- te bedragen.

1.49.
V. Van der Haar, Akagron, Wilbury, buis, ‘de staatjes’ en Beckers

V.1 Verklaringen Van der Haar

V.1.1 Aansluiting bij de administratie bij in dienst treden in maart 2003


In de eerste plaats is het belang van de verklaringen van Van der Haar erin gelegen dat
wordt gesteld dat het Endstra-concern de betalingen ‘niet kwijt kon’ in de administratie.
Het verhaal van Van der Haar begint in maart 2003 als hij bij Endstra wordt aangenomen
om de bestaande ‘administratieve chaos en enorme achterstand’ op orde te brengen.

Elke administratie is afhankelijk van de informatie die daarin verwerkt wordt.


Als Endstra verplichtingen niet in de administratie laat opnemen kan de juiste verwerking
van betalingen ook niet blijken.
Het niet ‘kwijt kunnen’ van betalingen is derhalve geen aanwijzing voor afpersing maar
een noodzakelijk gevolg van de bestaande chaos.

Veelzeggend voor de chaos is onder andere hetgeen uit de verklaring van Van der Haar op
5 juli 2007 kan worden afgeleid.
In de eerste plaats vertelde Endstra aan Van der Haar een verhaal over de financiële
afwikkeling van de ontvlechting dat afwijkt van de bij Van Lidth de Jeude afgelegde
verklaring.
Tegen Van der Haar zegt hij immers niet dat de lening onvolwaardig was, maar noemde
de Euromast als onderdeel van de verrekening van de ontvlechting. De mededeling dat
alles al, o.m. middels de Euromast, verrekend was en dat daarom ten onrechte een schuld
aan HSIJ in de boeken stond, wijst op het bestaan van en niet fictieve of gefingeerde
(want te verrekenen) schuld van HSIJ aan Ballados.

Daarnaast valt het op dat Van der Haar het blijkbaar heel gewoon vond (en vindt) dat
Endstra een belang zou hebben gehad in de Euromast en dit overgedragen zou hebben
aan Paarlberg, zonder dat dit in de administratie of elders te vinden is.
Nogmaals, Van der Haar is een ‘wonderlijk’ type.

1.50.
V.1.2. Endstra vermeldt afpersing
In de tweede plaats verklaart Van der Haar dat hij van Endstra heeft gehoord dat hij
afgeperst zou worden en dat betalingen aan Paarlberg daarop betrekking zouden hebben.
Daarbij verklaart hij echter ook dat Endstra heeft gezegd: ‘Ik weet niet hoe Paarlberg
erin zit: ik weet niet of Paarlberg meewerkt aan afpersing’.

Over hoe hij weet dat een bedrag naar Holleeder is gegaan, zegt Van der Haar zelf: ‘Ik
weet niet of dat klopt. Ik heb dit nooit gezien. Voor mij hield het zakelijk spoor op bij
Ballados...’. Uit zijn verklaring blijkt ook dat Endstra - in het beste geval giste.

Dat Van der Haar de mededeling van Endstra voor zoete koek aannam blijkt niet alleen
uit het feit dat hij er genoegen mee nam dat hij bij besprekingen de kamer werd
‘uitgestuurd’. Als Van der Haar wordt gevraagd of de betalingen ook hun oorsprong
kunnen hebben in banden tussen Endstra en Paarlberg van vóór zijn aantreden, wijst hij
dit resoluut van de hand: ‘Hij heeft er nooit over gesproken, maar wel gezegd dat hij
werd afgeperst. Punt uit.’. Er moet rekening mee worden gehouden dat dit
onvoorwaardelijke geloof in de mededelingen van Endstra de percepties en verklaringen
van Van der Haar heeft beïnvloed.

1.60.
V.1.3. Wetenschap van Van Tatenhove?
Van der Haar heeft verklaard dat hij ook van Van Tatenhove heeft begrepen dat Van
Tatenhove wist dat afpersing in het spel was en dat Holleeder daarbij betrokken zou zijn.

Van Tatenhove heeft zelf nadrukkelijk ontkend ooit tegen Van der Haar gezegd te hebben
dat Holleeder achter de betalingen aan Paarlberg zou zitten. Wel lijkt het erop dat Van der
Haar daar naar heeft willen verwijzen bij Van Tatenhove door zelf bij Van Tatenhove te
opperen dat het iets te maken zou hebben met Holleeder.
Uiteindelijk verklaart Van der Haar in het laatste verhoor bij de RC te Amsterdam (onder
ede) van 5 juli 2007 als hem is voorgehouden dat hij alleen uit eigen wetenschap mag
verklaren, dat Van Tatenhove hier niet op inging.

Uit de verklaringen van Van der Haar is gebleken dat hij aan de bewoordingen van Van
Tatenhove van de ‘achterliggende partij’ zelf de conclusie verbond dat het om Holleeder
zou gaan. Ook de verwijzing naar een ‘man met een grote neus’ komt Van Tatenhove
onbekend voor.

Kortom, dat betalingen niet konden worden aangesloten bij de chaotische administratie
van de ondernemingen van Endstra is geen reden voor verdenking.

Het gegeven dat Van der Haar heeft gehoord van Endstra dat hij afggeperst zou worden
bevestigt niet dat de mededelingen van Endstra zelf betrouwbaar zijn. Het blijkt ook uit
de verklaring van Van der Haar dat Endstra daar zelf naar giste.

Tenslotte heeft Van der Haar niet mogen begrijpen dat Van Tatenhove ook wist dat
afpersing in het spel zou zijn en dat Holleeder daarbij betrokken zou zijn.

1.70.
V.2 Akagron
Voor een goed begrip van de implicaties van de dagboekvermelding moeten twee
kwesties onderscheiden worden: a) De Akagron-transactie, en b) de betaling op een
volgens Endstra fictieve schuld aan Ballados.

Endstra insinueert in zijn dagboek (ten onrechte) dat hij ook in het kader van de Akagron-
transactie zou zijn afgeperst. Dit was een volstrekt zakelijke transactie waar Endstra zich
zelf eind 2001 heeft binnengedrongen maar de verplichtingen niet tijdig nakwam.

Dat de transactie zelf tot afpersing zou hebben geleid blijkt onjuist te zijn.
Voorst waren de voor Endstra vrijgekomen middelen uit die transactie (1,7 miljoen),
afkomstig van Paarlberg c.s. en zijn door Endstra slechts deels (1,5 miljoen) gebruikt
voor betalingen aan Paarlberg c.s..

Zowel de feitelijke financiering van de betaling als de kennelijke vrijheid van Endstra te
bepalen in hoeverre hij deze middelen gebruikte ter betaling aan Paarlberg, maken ook de
hypothese van afpersing bij de betaling zeer onwaarschijnlijk. Aangenomen moet worden
dat de verdachtmakingen van Endstra bewust vals zijn geweest.

Het eminente belang van deze constateringen is dat het dagboek daarmee wederom blijkt,
vermoedelijk zelfs doelbewust, ongefundeerde en onjuiste verdachtmakingen jegens
Paarlberg, en daarmee indirect ook jegens cliënt, bevatten.

1.71.
V.3 Wilbury
Op valutadatum 28 februari 2003 wordt een betaling van € 3.400.000,00,- aan Ballados
(Fortis) door Convoy Vastgoed o.v.v. ‘Bayline’ uitgevoerd. Het betaalde bedrag komt in
(niet alle) staatjes voor en aldus wordt een verband gesuggereerd met betalingen aan
Holleeder e.a. De betaling werd feitelijk mogelijk gemaakt door Paarlberg zelf, zo zal
hieronder blijken. Dat doet niet bepaaldelijk afpersing veronderstellen.

Paarlberg neemt op verzoek van Endstra een bestaande financiering over van €4,-
miljoen. Daartoe maakt Paarlberg op 20 februari 2003 vanuit Wilbury, een aan Paarlberg
gerelateerde vennootschap, het totaalbedrag van €4,- miljoen over naar de notaris. Op 26
februari maakt de notaris daaruit twee bedragen, in totaal €3,4,- miljoen over naar
Convoy.
Waarom dit niet in totaal €4,- miljoen was is niet duidelijk, maar vermoedelijk had
Endstra geen lening voor €4 maar voor €3,4 miljoen. Dat kan verklaren waarom Endstra
op 28 februari 2003 maar €3,4 miljoen heeft overgemaakt.

In ieder geval lijkt vast te staan dat de betaling door Endstra van €3,4 miljoen door
Paarlberg indirect gefinancierd is. Dit wijst bepaald niet op enige vorm van afpersing. Het
feit dat juist op 26 februari 2003 de Wilbury-transactie leidt tot betaling door de notaris
aan Endstra van een door Paarlberg c.s. beschikbaar gekomen bedrag staat ook haaks op
de bewering van Endstra in de verklaring bij Van Lidth de Jeude op 10 april 2003 dat hij
op die dag gedwongen zou zijn de Verpandingsakte te ondertekenen. Wie gaat er nu
iemand afpersen en hem tegelijkertijd het geld beschikbaar stellen waarmee hij (deels)
betaald moet worden dankzij die afpersing ?

Met name kan de de hypothese van betrokkenheid van Paarlberg bij afpersing door
Holleeder geen stand houden omdat er geen aanwijzingen bekend zijn waarom de door
Wilbury gesloten overeenkomst onzakelijk zou zijn. De leningsovereenkomst was
zakelijk en de rente en rentebetalingen zijn normaal. Kortom, de Wilbury-financiering is
juist een sterke aanwijzing voor de falsificatie van de hypothese van afpersing waar
Paarlberg bij betrokken zou zijn.

1.72.
V.4 De voorgenomen buistransactie

V.4.1 Enkele algemene opmerkingen in verband met de gefingeerde titels


Rode draad in het onderzoek is geweest dat verschillende gefingeerde titels dienden om
te verhullen dat de door Endstra verrichte betalingen in werkelijkheid afpersingsgelden
waren. Daarbij heeft men zich blijkbaar nooit afgevraagd waarom allerlei moeite gedaan
werd om evident valse titels op te tuigen, terwijl zeer voor de hand liggende en reёle
titels voorhanden waren.

Er is geen enkel bewijs dat Paarlberg het initiatief zou hebben genomen voor gefingeerde
titels als de commissies en het buisproject.

Uit alle verklaringen wordt duidelijk dat Paarlberg na de algemene afspraken met Endstra
de afwikkeling van de ontvlechting aan Van Tatenhove heeft overgelaten. Daarbij komt
dat voor zover thans vastgesteld kan worden de voorgestelde titels met name voor
Endstra fiscaal voordelig uitpakken. Hoewel Van Tatenhove, en in mindere mate in
verband met het buisproject Paarlberg, wel bijdragen hebben geleverd aan de
voorbereiding, werd het leeuwendeel van de ontwikkeling van de titels (zo te zien met
groot enthousiasme) gedaan door Endstra.

1.73.
V.4.2 Niet doorgaan van de buistransactie
Aan wie het gelegen heeft dat de transactie niet doorging is niet zonder meer duidelijk. In
het vijfde CIE-gesprek doet Endstra het nog wel voorkomen dat hij de investering
belachelijk vond en daarom niet zou meewerken. Maar dat lijkt geen hout te snijden,
omdat Endstra inmiddels lijkt te insinueren dat al zijn betalingen in de litigieuze periode
afpersingsgelden zouden betreffen die witgewassen zouden worden met ‘fictieve’ of
‘gefingeerde’ titels waarbij hij juist geen keuze zou hebben.
Zowel Paarlberg als Van Tatenhove zeggen dat het niet doorgaan hun beslissing was. De
mededeling ‘gelukkig’ in de mail van Van Tatenhove lijkt ook onmiskenbaar te
bevestigen dat Paarlberg/Van Tatenhove niet ‘gelukkig’ waren met de voorgestelde
transactie.

1.74.
V.4.3 De buis in de diverse verklaringen van Endstra
Vaststaat dat er in januari 2003 sprake is geweest van een voorgenomen transactie met
betrekking tot een telecom-buis tussen Endstra c.s. en Paarlberg c.s.. De buis komt - lang
na januari 2003 - driemaal voor in de verklaringen van Endstra, te weten in twee
dagboekfragmenten, beide gedateerd op 8 mei 2003 en in het vijfde en het elfde CIE-
gesprek.

1.75.
Dagboek Endstra 8 mei 2003: ‘Wil originele retour van Buisproject heb kopiёn achter
gehouden’ en ‘18 uur. Vincent gaat computer wissen brieven van 15 januari 2003
inzake buisproject. Moet van WH opdracht.’.
Van het eerste fragment is de betekenis nog steeds niet duidelijk. Van een indicatie van
enige betrokkenheid van Paarlberg is in ieder geval geen sprake. Dat Justitie dat op
voorhand heeft aangenomen blijkt uit de zaakdossier 2.1 paragraaf 10.1: Paarlberg en
Van Tatenhove verhullen vermoedelijk de daadwerkelijke aard van deze 3.176.461,50;
immers, de geldontvangst zou aanvankelijk in verband staan met de verkoop van de holle
kabelbuis; deze titel werd geschrapt, nadat de desbetreffende betaling al van Endstra was
ontvangen.’

1.76.
De betalingen van 30 december 2002 en 9 januari 2003 zijn echter van vóór de eerste
conceptovereenkomst die (kennelijk) door Endstra op 15 januari is opgesteld en
ondertekend. Deze betalingen kenden al als omschrijving de lening HSIJ. Het kan dus
niet juist zijn dat de geldontvangst aanvankelijk in verband stond met de daarna
voorgenomen buistransactie die vervolgens ook niet doorgaat.

1.77.
In het tweede dagboekfragment wordt gesproken over het laten wissen van de
documenten door Vincent Heus. Dit is in het kader van een afpersing onlogisch,
aangezien de documenten de voorgenomen buistransactie geloofwaardig maken.

Het laten wissen van alleen enkele documenten zou ook een zinloze actie zijn om de
transactie aan het zicht te onttrekken, omdat bij meerdere personen en bedrijven
documenten daaromtrent aanwezig waren.

Voor Endstra zelf was er meer reden om de documenten te wissen. Wanneer de transactie
door Endstra, zoals zal blijken, mogelijk was voorgesteld om fiscale motieven wordt het
begrijpelijk dat hij, na verwerping van het voorstel, geen bewijs daarvoor meer op zijn
computer wil hebben.

1.78.
Uit het vijfde CIE-gesprek blijkt niet van enige dwang van ‘Vincent’ als hij de schijf
komt verwijderen. Als de CIE daarop doorvraagt blijkt ook niet dat Vincent gezegd zou
hebben - zoals het dagboek wel vermeld - dat hij dit komt doen voor Holleeder. Vincent
Heus heeft op de zitting in de zaak tegen Holleeder c.s. verklaard dat hij op verzoek van
Endstra diens harde schijf heeft verwisseld.

Uit de verklaringen van Haico Endstra, Funcke Küpper en Heus zelf wordt duidelijk dat
Heus mogelijk door Holleeder bij Endstra werd geїntroduceerd, maar daarna
deels zeer vertrouwelijke werkzaamheden voor met name Endstra
heeft verricht. Zoals Heus zelf ook ter zitting verklaarde. Ten aanzien van zijn
verklaring op de zitting over het in opdracht van Endstra plaatsen van afluisterapparatuur
bij Klaas Hummel werd onderzoek verricht. Dat onderzoek wees uit dat Hummel
inderdaad moet zijn afgeluisterd. Heus had gelijk. De apparatuur werd nog aangetroffen.
Klaas Hummel werd naar aanleiding van die bevindingen gehoord. Hij verklaarde op de
vraag wie de afluisterapparatuur zou hebben opgehangen:

‘Wie de apparatuur heeft opgehangen; volgens zijn verklaring door meneer Heus.
Maar of dat gedaan is voor de heer Endstra of Holleeder, dat kan ik niet
beoordelen. Als ik het zou moeten inschatten, subjectief volgens mijn mening, dus
niet feitelijk, dan denk ik dat Endstra dat wilde. Wij hadden ruzie gekregen en hij
was doodsbang dat ik buiten hem om allerlei zaken zou doen, c.q. dat ik actie zou
ondernemen. Bijvoorbeeld praten met de politie of dat ik zou praten met relaties
dat ze geen zaken moesten doen met Endstra. Als ik dat over de telefoon zou doen
zou hij dat horen. Ik kan mij voorstellen dat hij graag zou willen weten wat ik aan
het doen was. Uit dien hoofde kan ik me dat voorstellen’.

1.79.
Uit het elfde CIE-gesprek blijkt dat Endstra de buis voor Holleeder wil verwerven. Hij
verklaart dat de betalingen die hij zelf aan Holleeder heeft gedaan ‘gewoon wit zijn
gedaan’.

Het gaat hier dus nadrukkelijk niet om investeringen door Paarlberg voor Holleeder. Het
voorbeeld van Endstra van investeringen voor Holleeder is niet goed verenigbaar met de
hypothese, waar kennelijk mee wordt gewerkt, namelijk dat ten gevolge van de afpersing
niet Endstra maar Paarlberg (te investeren) middelen voor Holleeder zou beheren. Dit
past in het beeld dat ontstaat in staatje 9, waarin Paarlberg niet meer voorkomt.

1.80.
Endstra kan met de vormgeving van een bestaande schuld als een te verrichten
investering fiscale voordelen hebben beoogd. Een aanwijzing is te vinden in zijn
verklaring bij de CIE: ‘ik word gearresteerd voor het zwartmaken van geld’.

Afgaande op de verklaringen van Van Tatenhove werd de feitelijke invulling rond de


transactie ‘puur’ ingevuld door Endstra. Dat lijkt ook te kloppen met de
conceptovereenkomst van 15 januari 2003 waarin de buistransactie, hoogstwaarschijnlijk
door Endstra zelf, wordt opgenomen voor een bedrag van maar liefst €15.655.417,-.

Voor de hand liggende reden is fiscaal voordeel voor Endstra. Later blijkende mogelijke
nadere reden kan zijn geweest het compromitteren van Paarlberg. Dat kan, zo zal blijken,
bij nauwkeurige lezing zelfs uit de verklaringen van Endstra zelf bij de CIE worden
opgemaakt waar hij het heeft over ‘zwartwassen’ als reden voor zijn zwijgzaamheid en
het kennelijk niet noemen van Paarlberg. Met die mogelijkheid wordt kennelijk geen
rekening gehouden hoewel Endstra wat dat betreft juist een ‘naam’ had.

Het meest opmerkelijk is nog wel dat de buis niet voorkomt in de verklaringen van
Endstra vóór 8 mei 2003 terwijl deze voorgenomen transactie speelt in januari/februari
2003 en vermoedelijk tussen 11 en 18 februari is afgeschoten.
Evenzeer opmerkelijker is dit waar het beginpunt in het dagboek op p.3 juist de
betalingen van 30 december 2002 en 9 januari 2003 is.
In de door Justitie gehanteerde hypothese, worden deze betalingen voor totaal f10,-
miljoen in verband gebracht met de buis op grond van de hieronder nog te bespreken 2nd
draft licence agreement. In het staatje staat echter niet ‘buis’ vermeld maar ‘Bayline’. De
omschrijvingen bij de betaling zelf verwijzen overigens ook niet naar de buis maar naar
de lening HSIJ.

1.81.
V.4.4 Betekenis van de conceptovereenkomst
Er zijn twee conceptovereenkomsten met betrekking tot de buis, één kennelijk opgesteld
door Endstra (en zijn echtgenote) op 15 januari 2003, en een tweede afkomstig van Van
Tatenhove van 17 januari 2003.
Opmerkelijk is aan het eerste document, dat (hoewel het haast wel van Endstra afkomstig
moet zijn) het niet is toegevoegd aan het dagboek, dat het hier over een veel hoger bedrag
gaat dan genoemd in het tweede, de boeterente (waar over zo’n heisa onstaat op 10 april

2003) al in dit document voorkomt en dat de geheimhouding zeer prominent en


ongebruikelijk als eerste bepaling voorkomt.

Daarbij is bepaaldelijk niet op te maken dat dit document onder dwang is opgemaakt of
ondertekend. In geen van de concrete verklaringen van Endstra is daar ook een
aanwijzing voor te vinden. Het initiatief lijkt dus bij Endstra te liggen. Dat blijkt ook
impliciet uit het latere tweede concept van Van Tatenhove.

In vergelijking tot de 2nd draft en de aanschafwaarde van Kalston blijkt dat Endstra een
heel groot bedrag (€15.655.417,-) wil aanwenden voor aanschaf van de buis. Het daarna
door Van Tatenhove genoemde bedrag als licentievergoeding voor het eerste jaar bestaat
uit - de feitelijk al betaalde - 10 miljoen en de rest wordt juist nog open gelaten.
Kennelijk was er nog geen overeenstemming over het bedrag.

Het feit dat Endstra kennelijk een extreem hoog bedrag opgenomen wilde zien worden,
bevestigt het vermoeden dat Endstra zelf fiscale doeleinden voor ogen had bij de
benoeming van te betalen schulden als een af te schrijven investering. Dit vindt ook
bevestiging in de nadrukkelijke geheimhouding.

Ook is Endstra kennelijk van plan alles voor 3 maart te betalen. De boeterente komt
namelijk al in deze overeenkomst voor per 3 maart.
Kortom, met name de niet bij het dagboek gevoegde conceptovereenkomst van 15 januari
2003, die ook al door Endstra getekend was, wijst bepaaldelijk niet op afpersing door
Paarlberg, maar eerder op een poging van Endstra zijn bestaande betalingsverplichtingen
te fiscaal te ‘modelleren’.

1.82.
V.5 De staatjes in het dagboek

V.5.1 Bron van verdenking


Uit zaakdossier 2.1 blijkt dat voor de verdenking van Paarlberg voor Justitie de in het
dagboek van Endstra opgenomen ‘staatjes’ van wezenlijk belang zijn. Het belang van de
staatjes voor het onderzoek van Justitie concentreert zich op in de staatjes opgetelde
bedragen, onder andere bestaande uit mogelijke betalingen aan Paarlberg c.s., die worden
afgezet tegen ‘te betalen’ bedragen aan vermoedelijk Holleeder, Mieremet, Wijsmuller
en/of anderen. Aan deze slechts heel impliciet gelegde band tussen concrete betalingen
aan Paarlberg en een vermelde schuld aan Holleeder en anderen ontleent Justitie het
vermoeden van betrokkenheid van Paarlberg bij afpersingen door Holleeder.

In de staatjes op de pagina’s 1, 10, 12, 13 en 15 is daar overigens in het geheel geen


sprake van. Van belang zijn in dat verband de staatjes 1, 2, 3, 5 en 9. Over de betekenis en
inconsistenties van de staatjes is veel meer te zeggen dan Justitie heeft gedaan. Hierop
zal, ten behoeve van de grote lijn slechts op twee kwesties ingegaan worden: de betekenis
van staatje 9 en de toeschrijving van betalingen aan niet alleen Holleeder, maar ook
Mieremet en anderen. Dit laatste zal in het volgende onderdeel V.6 besproken worden.

1.83.
V.5.2 Staatje 9
In de staatjes 1, 3, 5 en 9 worden kennelijk betaalde bedragen afgezet tegen een te betalen
bedrag van f49.500(.000),- Opvallend is dat in het, naar aan te nemen is, laatste staatje 9,
pagina 18, de vermelde betaalde bedragen - die nog steeds worden afgezet tegen de
f49.500 - niet langer meer te relateren zijn aan betalingen aan Paarlberg c.s., zoals wel
mogelijk is in de staatjes 1, 3 en 5.

Indien dit inderdaad het laatste staatje is kan dit zeer wel betekenen dat Endstra inmiddels
inziet dat het geen zin meer heeft valse insinuaties jegens Paarlberg langer voort te zetten,
althans dat Endstra tot de conclusie is gekomen dat het bij Paarlberg niet om afpersing
gaat en dat betalingen aan Paarlberg niet in mindering strekken op te verrichten
betalingen aan Holleeder, Mieremet en/of Wijsmuller of anderen.

Evenzeer opvallend is in dat verband dat Endstra ook zijn gedateerde


dagboekvermeldingen na 27 juni 2003 staakt en dat staatje 8 vermoedelijk van op of kort
na 26 juni 2003 is.
Het is aannemelijk dat staatje 9, als sluitstuk van het dagboek, zelf de verdenking van
afpersing falsificeert.
Enige aandacht is daar door Justitie niet aan gegeven.

1.84.
V.6 Beckers
Van Beckers is bekend dat hij (indirect) de belangen van Mieremet behartigde. De
verklaring van Beckers en de brief van Endstra aan Beckers van 2 december 2003
vermelden geen verband met Paarlberg. Zij bevestigen slechts dat Endstra op 2 december
2003 nog zegt dat hij bedreigd wordt.

Toch zijn brief en verklaring wezenlijk voor de mogelijke falsificatie van de verklaringen
van Endstra die een betrokkenheid van Paarlberg bij afpersing impliceren.
De staatjes in het dagboek leggen een band tussen Mieremet en Paarlberg. Kort gezegd
bleek uit de staatjes dat er daarin vanuit gegaan wordt dat er aan Holleeder betaald moet
worden (‘tegoed Willem’), tenminste 49,5 miljoen gulden, waarvan slechts 10 miljoen
een schuld aan
Holleeder zelf zou betreffen. De rest, 39,5 miljoen betreft volgens die staatjes
vermoedelijk een schuld aan Mieremet van 27,5 miljoen en (wellicht ook) 10 miljoen aan
Mieremet.

Echter, volgens de staatjes in het dagboek is er in staatje 1 en 3 al meer betaald aan


Paarlberg dan verschuldigd zou zijn aan alleen Holleeder en dat dan in ieder geval een
deel van de betalingen aan Paarlberg dan volgens Endstra zouden moeten betreffen
betalingen aan Mieremet. De staatjes gaan er derhalve kennelijk van uit dat betalingen
aan Holleeder (via Paarlberg) strekken ten behoeve van Mieremet

De hier aangenomen band tussen Mieremet en Paarlberg wordt gefalsifieerd door:

30. De verklaring van Beckers en de brief aan Beckers van 2 december 2003: Uit
de verklaring en de brief blijkt dat noch Holleeder, noch Paarlberg belast
waren met de inning van de schuld van Endstra aan Mieremet, maar dat dit
geschiedde door Beckers. De datering van de brief is opmerkelijk, omdat voor
zover het - in de kennelijke visie van het OM - om ‘oneigenlijke betalingen
aan dhr. W. Holleeder’ gaat, waarbij Paarlberg betrokken zou zijn, de laatste
betaling daarvóór aan Paarlberg van 18 juli 2003 was.

De tot 2 december ‘aanhoudende’ bedreigingen volgens de brief kunnen


derhalve moeilijk verband houden met betalingen aan Paarlberg. In de tweede
helft van 2003 zijn er ook voor 2 december geen betalingen aan Paarlberg
gedaan, oftewel geen betalingen aan Paarlberg die van invloed kunnen zijn
geweest op de liquiditeit van Endstra en de al dan niet betaling van de ‘cliёnt’
van Beckers, te weten feitelijk Mieremet.

Dat de schuld aan Mieremet betaald moet worden aan Holleeder lijkt zeer
moeilijk verenigbaar met het slot van de brief van 2 december 2003 waarin
vermeld staat: ‘De reden dat deze achterstand (van betaling) is ontstaan is ...
veel van onze liquiditeit verdwenen aan oneigenlijke betalingen aan de heer
W Holleeder..ook is medegedeeld dat wij niet aan uw cliёnt mochten
betalen, dit zou tot gevolg hebben dat ondergetekende dan
wel familievan mij zou worden opgeruimd.’

2. Het Telegraaf interview van 28 augustus 2002: Dat Holleeder als handlanger
van Mieremet Endstra zou afpersen is zeer onwaarschijnlijk aangezien
Holleeder volgens Mieremet juist achter de poging tot liquidatie van Mieremet
zou zitten. Daarbij fungeert Holleeder volgens hem als een soort ‘bewaker’
voor Endstra. Ook zegt hij: ‘Ik was het gedoe met Endstra en Holleeder zat..’.
De volgende dag zit Beckers, advocaat van Mieremet, al bij Endstra:

3. De bandopname van Peter R. De Vries van een gesprek tussen Endstra en


Beckers de dag na het Telegraaf interview: Daaruit blijkt dat als Mieremet een
deal wil hij van Endstra niet meer met Justitie of de pers mag praten. Endstra
zegt onder andere: ‘geen enkele accountant zet zijn handtekening onder een
overnamebalans waar plotseling 45 miljoen op staat...uitgerekt 35 miljoen.
Daar zou ik me hard voor kunnen maken...de helft is 17,5. Er is 1,6 miljoen
geleend. Dus zit je dan op 16 miljoen uitbetalen. Als je dan zegt: ik wil nog
geld hebben, dan moet dat een andere titel worden...Als we nu 40 miljoen
overmaken dan kan ik net zo goed meteen zelf de handboeien
omdoen...substantieel bedrag (..) in de 1e week september misschien de helft
kan betalen (..) over de rest een afspraak maken...Ik kan ook 20 of 40 miljoen
aan iemand anders geven. En dan zeggen...Begrijp je wat ik bedoel?’.

4. De verklaring van Van Tatenhove: Volgens Van Tatenhove meldde Endstra aan
hem dat hij niet tijdig aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen aan
Paarlberg wegens te verrichten betalingen aan Mieremet.

5. Een bekende betaling aan Beckers op 28 februari 2003 van € 850.000,- (zie
pagina 2 van het dagboek: een bankafschrift): Deze betaling komt niet voor in
de staatjes hoewel Mieremet daarin wel als ‘te betalen schuld’ wordt vermeld
waarop betalingen aan Paarlberg in mindering zouden strekken. De betaling
die in de staatjes niet in aftrek op de schuld aan Mieremet wordt gebracht lijkt
de juistheid van de staatjes ook te kunnen falsifiёren.

1.85.
Kortom, de staatjes leggen een band tussen Mieremet en Paarlberg. Deze band wordt
gefalsifieerd door de verklaring van en brief aan Beckers, het Telegraaf interview en de
bandopname van het gesprek tussen Endstra en Beckers, de verklaring van Van
Tatenhove, en een bekende betaling van aan Becjers op 28 februari 2003 van €850.000,-.
Overigens vervalst het laatste staatje 9 van Endstra zelf elke band van Paarlberg met
afpersing.

1.86.
In de zaak tegen cliënt is een van kernvraag hoe betrouwbaar de dagboekaantekeningen,
gesprekken met de CIE en andere postume uitlatingen van Willem Endstra zijn. In
bovenstaand kort betoog worden de verklaringen en aantekeningen van Endstra op
tientallen punten aangevochten en onderuitgehaald
.
Te wijzen valt op bijvoorbeeld, dus niet eens uitputtend bedoeld, de volgende elementen:

a. Het wordt op zijn minst aannemelijk dat Endstra wel de opbrengsten van het
vastgoed in Bosch & Duin heeft genoten, terwijl hij in 2000 niet had betaald voor
Bayline (waaronder Bergvalk 4 en Bosch & Duin). Het feit dat Paarlberg aan de
Belastingdienst heeft verzocht om te onderzoeken aan wie de inkomsten uit de
verkoop van het vastgoed Bosch & Duin ten goede zijn gekomen blijkt dat hij er
alle vertrouwen in heeft dat dit onderzoek zal uitwijzen dat hij, Paarlberg, deze
opbrengst niet genoten heeft.
Wanneer we van deze aannemelijkheid uitgaan dan is het dus niet waar dat Endstra,
zoals in de processen-verbaal wordt gesuggereerd, twee keer betaald heeft voor
Bayline of dat Bergvalk 4, zoals sommige getuigen beweren, een 'lege huls'
geweest zou zijn.
Als Endstra maar één keer betaald heeft voor Bayline lijkt het eveneens zeer aan-
nemelijk dat de in de bankoverschrijvingen voorkomende referentie "Bayline" geen
fictieve is, maar ziet op een volkomen legale zakelijke transactie.

b. De winstrechten.
Verder wordt aan de hand van deels wel, deels niet eerder (!!!) in het dossier
opgenomen documenten aannemelijk gemaakt dat Endstra en Paarlberg in 1999 wel
degelijk verwachtten dat het project IJmuiden in de toekomst winstgevend zou
blijken. In dit verband verwijs ik bijvoorbeeld naar de nota 'Kustbalans', de
verklaringen van Funke Kupper en David Beesemer en de aantekening van
accountant Steenbergen uit

juni 1999 (15M winst-> JD Paarlberg). Het befaamde door haar getekende pijltje
richting de naam Paarlberg.

c. Wat betreft de derde titel, de lening van Ballados aan HSIJ verwijs ik naar
paragraaf IV van de bijlage van de pleitnotities van 8 november 2007, pagina's 104
tot en met 127. Met de stelling van het Openbaar Ministerie (in navolging van
Endstra in zijn verklaring bij notaris mr. Van Lidth de Jeude) dat de lening
onvolwaardig was omdat HSIJ in 1999 verlieslatend was en de vooruitzichten
uitermate somber zouden zijn is onder meer in strijd met de (wel in het dossier
opgenomen maar niet in het onderzoek betrokken !!!) brief van 19 juni 2001 van
Ballados aan HSIJ (pagina 122 van de bijlage bij de pleitnotities van 8 november
2007) waarin namens Ballados aan de directie van Holding Marina Seaport BV het
aanbod wordt gedaan de lening versneld, te weten voor 1 oktober 2001 af te lossen
tegen een lagere rente. Deze brief, die blijkbaar van Seaport IJmuiden gefaxt is naar
Convoy, bewijst dat de lening in ieder geval in de zomer van 2001 nog als zeer
reëel werd beschouwd.

Uit dit document en tal van andere in de bijlage bij de pleitnotities van 8 november
2007 weergegeven documenten en argumenten wordt op zijn minst aannemelijk dat
ook de derde titel, de lening van Ballados aan HSIJ een volkomen legaal en zakelijk
karakter had.

1.87.
In het bovenstaande alsmede uit de inhoud van het aan de pleitnotities van 8 november
’07
jl. aangehechte bijlage wordt ook op zijn minst aannemelijk gemaakt dat de
fictieve titels (de holle buis en de commissies) uit de koker van Endstra zijn gekomen en
dat
in ieder geval de hollebuis-constructie door Paarlberg na advies van Van Tatenhove is
afgekeurd.

Terecht werd aan Van Tatenhove de vraag gesteld waarom er vergezochte en


makkelijk als fictief te ontmaskeren titels zouden worden gekozen wanneer er toch veel
plausibeler (want reële) titels voorhanden waren. Met die vraag in het achterhoofd wordt
het
op zijn minst aannemelijk dat de fictieve titels op aangeven van Endstra zijn besproken.
Dan
wordt ook de verklaring van Joop van der Haar dat Endstra opdracht had gegeven om
alle originele documenten in verband met de concept verpandingsovereenkomst te laten
vernietigen aannemelijk.

1.88.
Wanneer er binnen het onderzoeksteam werkelijk sprake was geweest van tegenspraak,
zoals
voorgestaan na de gerechtelijke dwaling in de Schiedamse parkmoordzaak, zou deze
vraag op
zijn minst gesteld zijn.

1.89.
In dat geval zou er in het dossier niet alleen een proces-verbaal van verificatiepunten van
de
verklaringen van Endstra (bijvoorbeeld dat er in IJmuiden inderdaad een Japans
restaurant is)
aangetroffen worden, maar ook een proces-verbaal met falsificaties van de
achterbankgesprekken, de dagboekaantekeningen en de bij notaris Van Lidth de Jeude
afgelegde verklaring van Endstra.

1.90.
In dat geval zou niet onopgemerkt gebleven zijn dat Endstra zich waarschijnlijk vergist
heeft
bij de datering van zijn dagboekaantekeningen en zou de dwang, die Endstra
ondervonden
zou hebben in verband met het opmaken van de verpandingsakte, tijdig naar het rijk der
fabelen zijn verwezen.

Wanneer de teamleiding en de zaaksofficieren van Justitie bereid waren geweest om de


ver
halen van Endstra kritisch te toetsen dan hadden zij zich bij de voor
het bewijs zo belangrijk gevonden staatjes niet beperkt tot een enkel staatje dat wel in
hun
kraam te pas kwam, maar op zijn minst ook de andere staatjes besproken, die in een
geheel
andere richting wijzen of, zoals het laatste staatje, een falsificatie vormt van de eerdere
staatjes omdat de betalingen aan Paarlberg daarop niet meer worden vermeld (zie nader in
de
bijlage bij de pleitnotities van 8 november 2007, pagina's 174 tot en met 182 en pagina
184).

1.91.
Hoewel de bijlage bij de eerder bedoelde pleitnotities dus voor de bewijsvraag in de zaak
tegen cliënt essentiële, nieuwe gegevens bevat (deels op basis van nieuwe en deels op
basis
van in het dossier opgenomen, maar niet in het onderzoek betrokken gegevens) hebben de
Officieren van Justitie hardnekkig geprobeerd het gehele stuk onder het tapijt te vegen.

Daarnaast blijkt uit de betreffende bijlage en de toelichting daarop van 30 oktober 2007,
die ik
eveneens aan mijn pleitnotities hechtte op 8 november jl., dat het onderzoek naar de
betrouwbaarheid van de verklaringen van Endstra een onderzoek geweest is met
oogkleppen
op, uitsluitend gericht op bevestiging van de verklaringen van Endstra. Alle
aanwijzingen, die
zouden kunnen leiden tot falsificatie van de verklaringen van Endstra werden genegeerd.

Daarmee heeft het Openbaar Ministerie de waarheidsvinding, conditio sine qua non voor
een
eerlijk proces, doelbewust of in ieder geval met grove verwaarlozing van de belangen van
mijn cliënt gefrustreerd.

Conclusie:
Primair: de Officier van Justitie dient niet ontvankelijk verklaard te worden in zijn
vervolging.

Subsidiar: vrijspraak.