You are on page 1of 15

Vragen RZL

Inleiding (p. 11-16)


1. Welke vijf elementen horen bij elke beschrijving van religie?
1. Vaak sluit de relatie met bovenmenselijke wezens een bewustzijn van
afhankelijkheid in en pogingen om met hen in contact te treden door verering, gebed
en offers
2. Religies bestaan vaak voor een groot stuk uit wegen naar heil en verlossing van
eindigheid, kwaad, zonde en lijden.
3. Hun leer heeft betrekking op het hiernumaals en het hiernamaals.
4. Religies bevatten zowel het aspect vroomheid als het aspect ethiek
5. Bij een godsdienst horen geschriften, rituelen, zang, beelden, instituties, plaatsen en
gebouwen.
2. Welke drie etymologische afleidingen van het woord religie vindt men in de literatuur?
Welke implicaties hebben deze voor een beter begrip van religie?
Allen afgeleid van het Latijn
Re-lgere = Opnieuw lezen
Zorgvuldig overwegen
Cicero
(106-43 v.C.)
reflexieve dimensie; religie heeft dus te maken met nadenken over het leven, het
zoeken naar zin en diepte, het zich bewustmaken van dingen die men anders over het
hoofd ziet
Re-ligre = Vastknopen
Verbonden zijn met bovenwereldse wezens
Lactantius (240-320)
meest fundamentele element van elke beschrijving van religie, met name de relatie
tussen de mens en het heilige, het spirituele, het goddelijke
Re-ligere = Opnieuw kiezen
God opnieuw uitkiezen (bekering)
Augustinus (354-430)
religie is het opnieuw kiezen van God in een bekering nadat de mens zich van God
had afgewend in de zonde
Implicatie: Verschillende auteurs hebben essentile aspecten van elke godsdienst onder
het licht willen brengen
3. Wat is religie volgens Dorothee Slle?
Zij beschouwt religies nog fundamenteler als een act van creativiteit waardoor mensen
doen wat mensen in elke cultuur doen: zich de wereld eigen maken, de natuur
humaniseren en het noodlot (begrepen als de vijandige god) overwinnen. Ze begrijpt
religie als zingeving. (De religieuze behoefte is de behoefte zin te ervaren en zin te
geven, )
4. Wat bedoelt Jean-Franois Lyotard met de grote verhalen en wat was volgens hem de
pretentie van de grote verhalen?
Grote verhalen = levensbeschouwingen (ideologien) zoals liberalisme, communisme,
katholicisme en protestantisme
Dezen hadden de pretentie inzicht in de werkelijkheid te kunnen verschaffen en de
werkelijkheid te veranderen. Ze bevatten de belofte om bevrijding uit uitbuiting en
armoede tot stand te brengen.
(In de 20ste E werd duidelijk dat de grote verhalen deze belofte niet hebben kunnen
waarmaken; cfr. WOen)
5. Waarom resulteerde het failliet van de grote verhalen niet in de bevrijding van de mens?
De realisering dat het lot van de mensen door de verlichte grote verhalen niet beter,
maar net erger is geworden, heeft tot een diepe cultuurcrisis geleid en tot het failliet
van de grote verhalen.

De levensbeschouwelijke ideologische kaders zijn in elkaar gestort, de


technowetenschappen bleven onaangetast. economisering en individualisering
Desillusionering en wanhoop zijn bij velen de gevolgen van het failliet van de grote
verhalen. Sommigen vluchten in consumptie (de mens wordt tot consument
gedegradeerd.) Resultaat is dat de bevrijding van de verdrukkende grote verhalen
niet tot vrijheid, maar eerder tot een nieuwe verdrukking heeft geleid.
6. Wat zijn de vijf meest belangrijke verschillen tussen de postmoderne en de verlichte
theologie?
Verlichte theologie
Streven naar helderheid en rationale
zekerheden
Streven naar objectieve, universele inzichten
en uitspraken
Aandacht voor methode
Grote waardering voor individuele, rationeel
beredeneerde standpunten (gevaar van
absolutering
Nadruk op sameness

Postmoderne theologie
Loochening van alle vaste zekerheden
Afwijzen van universele uitspraken: het
belang van het eigen perspectief en social
location worden beklemtoond
Aandacht voor ervaring
Alles is interpretatie (relativisme)
Nadruk op pluralisme en verschil

7. Wat heeft radicaal monothesme te maken met de postmoderne kritiek op universele


claims (op de grote verhalen)?
De vraag die rijst is hoe beperkte mensen in hun particulariteit als theologen uitspraken
kunnen doen over de meeste universele en transcendente realiteit, uitspraken die als
waarheid bedoeld zijn en als dusdanig relevant zijn voor alle mensen.
Radicaal monothesme: alleen God is absoluut, universeel, de enige zekerheid
Beperkte, relatieve mensen maken hypothetische, partile en beperkte theologische
uitspraken over absolute realiteiten. (relative absolute)
8. Waarom is metaforische taal beter geschikt voor postmoderne theologie dan descriptieve
taal?
Theologische uitspraken worden uitgedrukt in metaforische taal. Theologische taal is
niet descriptief, niet empirisch maar noodzakelijk metaforisch. Metaforen zijn pogingen
om in beeldspraak iets te zeggen over de noodzakelijk onzegbare realiteit.
Vgl. Met kunst
De diepste menselijke ervaringen kunnen enkel in metaforen worden uitgedrukt.
Metaforen worden niet gebruikt om te versieren, maar vanuit de overtuiging dat
bepaalde ervaringen simpelweg niet in descriptieve taal kunnen worden uitgedrukt.
Metaforen vergelijken een voor ons anders niet toegankelijke realiteit met iets uit de
ervaarbare werkelijkheid.
(Ze zeggen is en is niet tegelijk. Wie het is niet vergeet of loochent, maakt de
metafoor kapot.)
9. Wat is het doel van postmoderne theologie?
Het doel van deze theologie is de welvaart van de wereld.
The purpose of theology is to glorify God by reflecting on how we might live better on
earth.
Manier waarop deze theologie wordt bedreven is advocacy en collegialiteit.
Theologie is niet in de eerste plaats een intellectuele, maar eerder een praktische
activiteit. Niet in de eerste plaats een religieuze, maar eerder een wereldse activiteit.
Deze theologie blijft niet aan de zijlijn staan, maar mengt zich in het debat; neemt een
standpunt in en is partijdig.
Theologen die vanuit dit perspectief werken zoeken bondgenoten onder economisten,
politici, opvoeders, advocaten en kunstenaars om zich samen voor het welzijn van de
gemeenschap in te zetten.

H1: Tweelingzussen of stiefzussen? (p. 17-28)


1. Wat is het verschil tussen theologie en religiewetenschap volgens de klassieke opvatting?
Klassieke opvatting: theologie en religiewetenschap hebben hetzelfde onderwerp van
studie.
Fundamenteel verschil hangt samen met de relatie van de onderzoeker tot het
voorwerp van onderzoek:
o Theologie: benadert haar voorwerp vanuit een binnenperspectief
Theologen bedrijven hun wetenschap als gelovige mensen
o Religiewetenschap: buitenperspectief
Men mag zich niet identificeren met het voorwerp van studie, maar neemt
een zekere afstand in acht
Agnostische positie: tijdens het onderzoek wordt de eigen
geloofsovertuiging tussen haakjes gezet, of geloven ze niet in de
godsdienst die ze bestuderen
2. Wat zijn drie fundamentele problemen met deze klassieke opvatting?
1. Is een wetenschappelijke benadering vanuit binnenperspectief wel mogelijk?
o Elke wetenschappelijke benadering vereist immers een zekere afstand en dus in
zekere mate een buitenperspectief
2. Laat het fenomeen religie een buitenperspectief toe?
o Twee kampen binnen de religiewetenschap:
o Empiristen: pleiten voor strikt buitenperspectief en verwachten enkel een
respectvolle houding ten opzichte van het studieobject
o Transcendentalisten: religiestudie veronderstelt een persoonlijke religieuze
ervaring bij de onderzoeker
( de bipolaire opdeling in binnen- en buitenperspectief vereenvoudigt de zaken te
sterk: elke wetenschappelijke benadering bevat tot op zekere hoogte elementen van
beide perspectieven)
3. Welke rol speelt het object, de onderzoeker in het onderzoeksgebeuren?
o Best om subjectiviteit zo veel mogelijk te abstraheren? Is elk spoor van
subjectiviteit een bedreiging voor de bruikbaarheid van de resultaten en dus de
kwaliteit van het onderzoek?
o Of is een zekere subjectiviteit net de mogelijkheidsvoorwaarde van elk onderzoek
en kan een bepaalde vorm hiervan net de onderzoeksresultaten verrijken?
o Is deze relatie tussen objectiviteit en subjectiviteit wel door te trekken naar alle
onderzoeksdomeinen?
o Nuance is nodig; in werkelijkheid veel schakeringen, gradaties, enz. tussen deze
twee uitersten
3. Waarom is het gebruik van de historisch-kritische methode volgens het document De
interpretatie van de Bijbel in de kerk niet alleen geoorloofd maar zelfs vereist?
Historisch-kritische methode (19de-20ste E) legde de nadruk op het feit dat de Bijbelse
tekst tot stand kwam door historische processen en ingebed was in een historische
context. (Ging dus in tegen de dogmatische/letterlijke aanpak van het kerkelijke
leergezag; kon ook rekenen op verzet van de katholieke kerk tot in de 20 ste E.)
Niet langer staat de eeuwige waarheid van de Bijbelste tekst centraal, maar wel de
intentie van de menselijke auteur.
1943: paus Pius XII gaf voor het eerst groen licht voor deze methode in encycliek
Document van de Pauselijke Bijbelcommissie De interpretatie van de Bijbel in de Kerk
(1993):
De Heilige Schrift is, als Woord van God in mensentaal in al haar delen en al haar
bronnen door mensenhand geschreven. Daarom is het gebruik van deze methode voor
het goed verstaan van de Schrift niet alleen geoorloofd, maar ook vereist.
(Theologische reden: incarnatie van het Woord van God in tijd en ruimte.)

4. De katholieke kerk begrijpt de Bijbel als Gods woord in mensenwoord en stelt de autonomie
van de menselijk-historische orde voorop. Welke twee vragen rijzen dan voor de theologie en
de exegese?
(Exegese = tekstuitleg, vnl. van Bijbelse teksten)
1. In welke zin is de Bijbel het woord van God?
2. Wat is de taak van de exegeten met betrekking tot deze dimensie van de tekst?
(discussie werd vooral gevoerd in de context van de Bijbelse of nieuwtestamentische
theologie)
5. Wat is de bijdrage van William Wrede, ber Aufgabe und Methode der sogenannten
neutestamentlichen Theologie? (6 punten).
W. Wrede stelde een aantal fundamentele overtuigingen ter discussie; die de nog
bestaande banden tussen exegese en theologie verder zouden afbouwen.
deze veranderingen bepalen tot op heden (onbewust) de basishouding van exegeten
1. Wrede gaat in tegen de toenmalig door bijna iedereen gedeelde opvatting dat het de
taak van de theologie is om de kerk te dienen.
2. Wrede verklaart de oude inspiratieleer en de latere partile inspiratieleren als
wetenschappelijk onhoudbaar. In haar plaats komt pure historische objectiviteit.
3. Wrede beweert dat de manier waarop de nieuwtestamentische theologie te werk
gaat, louter historisch moet zijn en zo dus op geen enkele manier verschilt van de
manier waarop andere wetenschappen hun studieobject benaderen.
4. Het concept van de canon heeft voor dit soort nieuwtestamentische theologie geen
enkele betekenis.
(De canon van de Bijbel is een lijst van boeken die als doctrinaire autoriteit worden
beschouwd binnen het jodendom en christendom.)
5. Wrede stelt dat het beter is de benaming nieuwtestamentische theologie te
vervangen door vroegchristelijke godsdienstgeschiedenis of geschiedenis van de
vroegchristelijke godsdienst en theologie
6. De zo begrepen godsdiensthistorische wetenschap mag de waarheidsvraag niet
meer aan de orde stellen.
6. Wat is volgens de dogmatische constitutie Dei Verbum 12 de relatie tussen de intentie van
de menselijke auteurs van de Bijbel en de goddelijke bedoeling? (p. 23)
Wordt uitgedrukt in Latijnse zin.
Volgens DV12 bevat de Heilige Schrift de bedoeling van de menselijke auteurs alsook
de bedoeling van de goddelijke auteur. De goddelijke bedoeling gebeurt volgens DV12
door middel van de woorden van de menselijke auteur. Dit geeft meer zelfstandigheid
aan de tekst ten opzichte van de auteur. Het is dus niet iets dat ernaast staat of
erbovenop komt. Het valt op dat de goddelijke bedoeling niet gezien wordt in de
bedoeling, maar in de woorden van de menselijke auteur.
Syntactisch gezien is de zin die de relatie uitdrukt bewust ambigu.
De taak van de exegeten wordt niet gezien als twee van elkaar gescheiden stappen,
maar als n gentegreerde stap. Het aandachtig onderzoeken van de intentio auctoris
en de goddelijke openbaring horen nauw samen.
7. Een van de meest fundamentele vragen van de kritische Bijbelstudie is de vraag hoe men
recht kan doen aan de in de Bijbelse teksten uitgedrukte geloofswerkelijkheid en
waarheidsclaims. Geef hier vijf mogelijke antwoorden (p. 27).
1

De menselijke woorden zijn het symbool, het Woord van God is het gesymboliseerde.

Het Woord van God is altijd meer en mag niet gereduceerd worden tot het woord van
mensen.

Door de Bijbel als symbool te begrijpen, wordt ook duidelijk dat dit boek geen dood
fossiel uit het verleden is, maar een levende realiteit die in tussenmenselijke relaties, in
de netwerken van een gemeenschap telkens tot nieuw leven ontwaakt.

Er is een bijzondere band tussen symbool en gesymboliseerde.

Men moet er altijd rekening mee houden dat het menselijk woord het Woord van God
tegelijk verbergt en openbaart.

H2: De Bijbel, een heilige boek? (p. 33-51)


1. Wat is Bijbels fundamentalisme? (p. 34)
Fundamentalistische Bijbellezingen gaan ervan uit dat de Bijbel als het woord van God,
genspireerd en vrij van fouten, tot in de kleinste details letterlijk gelezen en verstaan
dient te worden.
Bijbels fundamentalisme weigert de idee dat het woord van God is uitgedrukt door
mensen, die slechts beperkte mogelijkheden en bronnen hadden. De Bijbel wordt hier
dus behandeld als een boek dat woord voor woord door God gedicteerd is. Op een
naeve wijze wordt het eindstadium van de redactie van de Bijbelse teksten (bv. wat de
evangelisten schreven) gedentificeerd met de oorspronkelijke betekenis van de tekst
(bv. de woorden en daden van Jezus). Fundamentalisme neemt blindelings de oude,
gedateerde mythologie en kosmologie van de Bijbel over, alsof het zou gaan om
historische feiten, vertolkt in een wetenschappelijke taal.
Moeilijke - zelfs potentieel onmogelijke - verhouding tussen Bijbelse cultuur en
hedendaags geloof.
2. Wat is historisch-kritische Bijbelstudie?
Deze methode benadert de Bijbel met wetenschappelijke methoden als een historisch
boek. Doorheen de historische kritiek wordt men zich ervan bewust dat de tekst een
historisch gesitueerde oorsprong, context en betekenis heeft, waarmee men niet om
het even wat kan doen. De Heilige Schrift is het woord van God in menselijke taal.
Deze methode creert een afstand tussen toen en nu, tussen de Bijbelse context en
onze context. (De h-k methode kan er ons voor behoeden om te snel onze eigen
problematiek te projecteren op de Bijbel en dwingt ons af te stappen van de idee dat de
Bijbelteksten automatisch met ons levensgevoel in overeenstemming gebracht moeten
worden. De tekst biedt zo ook altijd weerwerk, zodat het niet zo gemakkelijk is om de
Bijbelse teksten in de eigen individuele of politieke wereld te integreren.)
3. Historisch-kritische Bijbelstudie wordt gezien en gentendeerd als antigif tegen Bijbels
fundamentalisme? Op welke manier kan soms de historisch-kritische methode niettemin
wetenschappelijk fundamentalisme in de hand werken?
Antigif: cfr. vorig antwoord creert afstand tussen context toen en nu
Belangrijke opzet van de h-k methode is om ondanks en doorheen het geconstrueerde
karakter van de Bijbel terug te grijpen naar de historische kern, naar datgene wat door
Jezus gezegd geweest is, of er toch zo dicht mogelijk bij aanleunt. Op die manier
probeer de h-k methode opnieuw de kloof dicht te rijden tussen feit en constructie. Zo
poogt men bv. een onderscheid te maken tussen dingen die van de aardse Jezus zelf
komen en dingen die niet op Hem kunnen worden teruggebracht.
Ook al beseft men dat de Bijbel in grote mate een reconstructie is van de feiten door
de ogen van het geloof, toch steekt men alle energie in de poging om door te stoten tot
de eigenlijke historische kern ervan, alsof daar, daar alleen of daar in de eerste plaats,
de onbemiddelde waarheid van het geloof te vinden zou zijn.
We kunnen dit wetenschappelijk fundamentalisme noemen. Dit fundamentalisme is
ingegeven door de gedachte dat wat Jezus gezegd en gedaan heeft, geconstrueerd
moet en kan worden, waardoor interpretatie als het ware overbodig wordt.
4. Waarom beschouwen theologen de reductie van de Bijbel tot haar ethische boodschap als
problematisch?

Bij deze reductie tot ethiek, worden de verhalen die eerder spreken van de ontmoeting
met God haast niet meer besproken. Een dergelijke selectieve en niet-pluralistische
omgang met de Bijbelteksten werkt bijbelmoeheid in de hand: steeds dezelfde verhalen
die steeds op dezelfde morele manier gebruikt worden. Mensen die in een verlichte
geest zijn opgevoed verwachten steeds iets nieuw en vinden geen waarde in de
herhaling, of in het geduldig, telkens opnieuw hernemen van een tekst.
Men moet dus oppassen dat de Bijbeltekst geen dwingende betekenis krijgt. Op die
manier zou de Bijbeltekst dan tot buikspreker gemaakt worden van de op voorhand
vastgelegde opvattingen (nl. de zogenaamde grote eenduidige ethische boodschap
van de Bijbel)

5. Wat hebben de verschillende niet-dialogale benaderingen van de Bijbel


gemeenschappelijk? Waar zien zij telkens de locus van openbaring (d.w.z. datgene wat voor
hen de Bijbel tot iets maakt dat autoriteit heeft, waar God tot de mensen spreekt)? (p. 44).
Het Bijbels fundamentalisme, het wetenschappelijk fundamentalisme en de benadering
van de Bijbel als ethisch receptenboek hebben n kenmerk met elkaar
gemeenschappelijk.
Elk op hun eigen wijze willen ze binnen de Bijbel een vast en betrouwbaar punt
aanduiden dat de locus van openbaring zou zijn.
o Het Bijbels fundamentalisme vindt zekerheid in de letterlijke betekenis van de
tekst.
o Het wetenschappelijk fundamentalisme in de poging tot reconstructie van de
historische kern van de Bijbelse boodschap
o De ethische benadering in het destilleren van solide, universele morele
beginselen en humanistische boodschappen uit de Bijbel
Telkens wordt de locus van openbaring geien als voorgegeven in de tekst zelf.
6. Dialogale benaderingen van de Bijbel begrijpen de Bijbelse openbaring als een
dynamisch dialogaal gebeuren en niet een statische overdracht van een geloofsinhoud via de
Schrift (p. 46). De tekst is niet het doel op zich, maar een geprivilegieerd medium van
ontmoeting met God. Hoe vermijden dialogale benaderingen fundamentalisme?
Voor gelovigen heeft de Bijbel een openbarende en transformatieve betekenis. Maar de
openbaring geschiedt niet enkel via de geschreven of gelezen tekst, maar gebeurt in
het gehele proces van lezen, luisteren en interpreteren, bidden en zingen. Anders
gezegd, Bijbelse openbaring is een dynamisch dialogaal gebeuren . Deze openbaring
voltrekt zich niet tussen de tekst en de lezer, maar tussen de lezer en God, waarbij de
tekst een geprivilegieerd medium is en taal, context en verwachtingshorizon biedt.
Zelfs in de Bijbel zien we dit dialogale proces aan de gang. De bijbel is een proces van
een zichzelf voortschrijdende openbaring tussen God en mens. Zij getuigd van de
interpretatie van mensen van Gods zelfcommunicatie aan hen. De vroegste christenen
gingen er blijkbaar niet van uit dat zij de exacte woorden van Jezus nodig hadden om
hun problemen te kunnen oplossen.
7. Dialogale benaderingen lezen de Bijbel niet vanuit een compliant, resistant of sympathetic
reading stance maar vanuit een engaged reading stance. Wat is het specifieke van een
engaged reading stance?
(Betrokkenheid van de lezers van de Bijbel? p. 46)
Als openbaring echt een dialoog met God is, weliswaar bemiddeld door de Schrift, dan
kan dit communicatieproces niet op een bepaald punt stilgelegd worden maar is het
evident dat het door de geschiedenis heen blijft duren. Ook de Bijbel kan mensen niet
ontslaan van de uitdaging om zelf een relatie met God aan te gaan in dialoog met de
Bijbelse teksten. Omdat het hier niet om letterlijke betekenis gaat, is elke nieuwe lezer
belangrijk. Zonder de exegese, als hermeneutiek (studie van interpretatie van teksten),
zou de Schrift voor de mens van geen betekenis zijn. De Schrift presenteert zich als een
mysterie in de vorm van taal die vraagt om telkens opnieuw genterpreteerd en in de
praktijk omgezet te worden.

Als wij de Bijbel lezen, worden wij niet alleen getuige van het verder schrijven van de
overlevering, maar worden wij ook zelf uitgenodigd om in gesprek met de Bijbel en
Bijbelse God nieuwe interpretaties te ontdekken en te maken. De dialogische structuur
van het traditieproces is een invitatie om zelf ook aan deze dialoog te participeren.
De Bijbel laat heel wat plaats voor vragen, weerstanden, kritische kijk, creatieve
invulling,

8. Dialogale benaderingen gaan ervan uit dat men soms protest moet aantekenen tegen
bepaalde delen of uitspraken van de Bijbel in naam van andere delen of uitspraken van de
Bijbel of zelfs in naam van God. Wat is het criterium om een onderscheid te maken tussen
aanvaardbare en onaanvaardbare Bijbelteksten of Bijbelinterpretaties? (pp. 49-50)
(Meerdere mogelijkheden we focussen eerder op welke benaderingen niet
aanvaardbaar zijn.
Niet zeker of het antwoord enkel puntje 1 moet zijn.)
1. Het criterium moet niet in het verleden gezocht worden, maar in de toekomst die wij
in de wereld van de Bijbelse teksten kunnen ontdekken.
o Bv. Niet zoeken in wat Jezus nu echt heeft gezegd
o De Bijbelse teksten bevatten alternatieve werelden als een horizon die vanuit
een eschatologische toekomst telkens weer aan ons verschijnt. Het is aan deze
open horizon dat elke interpretatie dient afgetoetst te worden. Interpretaties die
deze horizon bedreigen zijn in ons oordeel niet aanvaardbaar.
2. Interpretatie heeft altijd ethische implicaties.
o Er is geen neutrale, objectieve observatiepost, noch wat de Bijbeltekst betreft,
noch wat de wereld betreft waarin de interpretatie plaatsgrijpt. Elke (!)
interpretatie is advocacy exegesis, dat wil zeggen dat ze het opneemt voor een
bepaalde zaak en staat in verhouding tot een bepaalde ideologie, een bepaalde
machtsconstellatie die ze tot op een bepaalde hoogte steunt of ondermijnt.
3. Er is enkel toekomst voor de Bijbel als de interpretatie van de Bijbel alle pogingen
om aan mensen toekomst te ontnemen in vraagt stelt en mensen machtigt zich in te
zetten voor een toekomst volgens de droom van God voor alle mensen.
o Hoe weten we hoe de toekomst er zal uit zien?
o Welke criteria?
o Door de vele generaties heen hopen we de droom van God steeds beter in het
vizier te krijgen en gestalte te kunnen geven.

Hoofdstuk 3: pp. 55-68


1. Wat bedoelt men met openbaring als men spreekt over de autoriteit van de Bijbel in het
christelijk geloof? (p. 56).
De uitdrukking Bijbelse openbaring verwijst naar het geloof dat God in de Bijbel met
mensen in contact treedt en hun iets meedeelt of hen uitnodigt tot een wederzijdse
relatie. In deze zin gebeurt in openbaring in de Bijbel ook altijd goddelijke
zelfmededeling. Openbaring beschrijft Gods relatie tot de lezer door middel van de
inhoud van de Bijbel.
2. Wat bedoelt men met inspiratie als men spreekt over de autoriteit van de Bijbel in het
christelijk geloof? (p. 56).
Inspiratie beschrijft Gods invloed, hetzij op de oorspronkelijke gebeurtenissen, hetzij op
het proces van mondelinge overlevering, de schrijver, de tekst, de lezer, het gehele
proces van het lezen en interpreteren, of de werkzame geschiedenis van de tekst (de
traditie), ofwel op een combinatie van dit alles. Gods invloed op n van of op al deze
niveaus wordt gezien als de basis van het gewijde karakter van de Bijbel. Inspiratie
heeft dus te maken met de wijze waarop God zich verhoudt tot de menselijke auteur
van de Schrift, tot de inhoud van de Bijbel en/of tot de lezer.

3. Hoe begrijpt de klassieke doctrinaire benadering het gezag van de Bijbel? (pp. 57-58).
De klassieke doctrinaire benadering ziet teksten als statische vaten met hun inhoud. De
idee van woordelijke inspiratie, dat wil zeggen dictaat, op het moment van de
compositie heeft geleid tot de opvatting dat elk woord en iedere zin woord van God is,
zelfs los van zijn oorspronkelijke context. De waarheid van de Schrift werd gezien als
gebaseerd op stellingen en als drager van een dwingend, absoluut gezag. Elk aspect
van de Bijbel werd beschouwd als zijnde vrij van dwaling. Ten gevolge hiervan werden
teksten en woorden uit hun schriftuurlijke context gelicht en gebruikt als doctrinele
uitspraken ter ondersteuning van theologische standpunten en ter zelfverdediging
tegenover tegenstanders van buitenaf.
In deze benadering betekent de inspiratie van de Bijbel dat de Bijbel een bron is voor
de christelijke leer. De compositie van de tekst wordt gezien als de locus van inspiratie.
Door de bijdrage van de mens aan het proces van schrijven te minimaliseren, wordt de
tekst op exclusieve wijze Gods woord, woord van God dus en niet woord van mensen.
4. Hoe begrijpt de historisch-kritische benadering het gezag van de Bijbel? (pp. 57-58).
De h-k benadering vertrekt vanuit de stelling dat teksten genterpreteerd moeten
worden binnen hun oorspronkelijke historische context. De letterlijke betekenis van een
tekst wordt gezocht in de intentie van de auteur. De bedoeling van God kan alleen
gevonden worden in en door de bedoeling van de menselijke auteur.
(Men heeft verschillende pogingen ondernomen om ruimte te scheppen voor meer-danletterlijke betekenissen. Zo heeft men bv. gesteld dat God in de tekst een sensus
plenior (fuller sense) had gelegd, die voor de oorspronkelijke auteur verborgen bleef,
maar die door de Kerk in een later stadium van haar geschiedenis zou ontdekt worden.
Deze idee heeft men vandaag zo goed als verlaten.)
De genspireerde letterlijke betekenis blijft echter van primordiaal belang voor het
bijsturen van foute interpretaties. Zodoende blijft de locus van inspiratie in het verleden
gesitueerd, ondanks de poging om ook wat ruimte te aanvaarden voor ontwikkeling in
het heden en in de toekomst.
5. Hoe begrijpt de verkondigingstheologie van Rudolf Bultmann het gezag van de Bijbel?
Binnen de verkondigingstheologie van R.B. ligt de waarde van de Schrift niet in
nauwkeurige weergave van de historische feiten, maar eerder in het geloofsgetuigenis
van de vroege christelijke verkondiging, die zich richt tot personen als historische,
verantwoordelijke, toekomstgerichte wezens. De ware bedoeling van de Bijbel bestond
erin om een authentiek zelfverstaan te bieden aan al wie authentiek mens-zijn
nastreeft.
De Bijbel heeft gezag en is normatief zoverre hij een hulp is bij het bereiken van
authentiek mens-zijn.
6. Wat wordt in de interpretatie van de Bijbel bedoeld met intrinsiek verdrukkende teksten?
Verdrukking is niet een accidenteel element in de tekst, maar is er intrinsiek in
aanwezig (slavernij, seksisme, oorlog en apartheid, )
De tekst die voordien normerend, maar niet genormeerde norm werd genoemd; wordt
ervan beschuldigd tekort te schieten op vlak van morele integriteit.
Twee manieren om dit probleem te omzeilen:
o 1. Ofwel stelt men de normativiteit van de Bijbel veilig door dergelijke
aantijgingen te ontkennen en te claimen dat de Bijbel niet verdrukkend is.
o 2. Ofwel pleit men schuldig, erkent men het element van verdrukking in de
Bijbelse tekst en ontkent men effectief de normativiteit ervan.
o Geen van deze twee zal in wat volgt verdedigd worden.
De uitdrukking intrinsieke verdrukkend kan aanleiding geven tot misverstanden. Ze
wordt hier gebruikt om uit te drukken dat de verdrukkende aspecten van de tekst niet
beperkt zijn tot het niveau van de accidentie, de niet tot de kern van de tekst zelf
behorende aspecten. Intrinsiek verdrukkend wil ook zeggen dat de verdrukkende
aspecten niet allemaal voortkomen uit een verkeerde interpretatie van de tekst, maar
als gevaarlijk potentieel in de tekst zelf aanwezig zijn. Het gebruik van de uitdrukking
intrinsiek verdrukkend impliceert dat men aanvaardt dat menselijke zondigheid op de

een of andere manier een invloed heeft gehad op de manier waarop de kern van de
Bijbelse boodschap is uitgedrukt.
Dit betekent geenszins dat we in de Bijbel enkel en alleen verdrukkende aspecten
aantreffen.

7. Beschrijf de interpretatie van openbaring als dialoog.


Openbaring in de betekenis van zelfmededeling die resulteert in de uitnodiging tot
gedeeld leven (DV6).
Openbaring is dus dialogaal. Ware dialoog veronderstelt wederkerigheid. De autoriteit
die openbaring voorwendt, kan zodoende nooit unilateraal, dwingend en absoluut zijn.
Deze autoriteit is eerder dialogaal, relatief, berustend op bewijzen en onthulling in
plaats van op macht. Openbaring mag daarom dus niet herleid worden tot het
meedelen van inhoud.
Naast deze doctrinele dimensie bevat openbaring minstens drie andere dimensies.
o Al degenen die in deze communicatie betrokken zijn, stellen zich voor elkaar
open, nodigen elkaar uit om elkaars leven te delen en verdiepen hun relatie.
Openbaring mag daarom niet herleid worden tot een anonieme of
plaatsvervangende handeling in het verleden die nu afgesloten is omdat al de
mogelijke inhoud meegedeeld is.
o Openbaring is veeleer een aan de gang zijnd, steeds nieuw proces dat elke
deelnemer persoonlijk betrekt in de communicatie.
o Ook de gemeenschap die voortdurend uit deze personen opgebouwd wordt,
maakt deel uit van dit proces. Terwijl christenen Christus belijden als de ultieme
openbaring van God, is deze openbaring in het geheel niet afgesloten.
8. In hoeverre kan men de Bijbelse tekst als dynamisch medium of als symbool begrijpen?
Om persoonlijke ontmoeting tot stand te kunnen brengen, moeten teksten functioneren
als symbolen, als dynamische media. Hiermee wordt bedoeld dat een tekst een
tastbare uitdrukking is van iets dat fundamenteel niet waarneembaar is. Een Bijbeltekst
is getuige van, of een symbolisch medium voor, een persoonlijke ontmoeting die ooit in
het verleden plaatsvond tussen aan de ene kant God, en aan de andere kant een
gemeenschap en bepaalde leden van de gemeenschap. De tekst is niet identiek aan
zijn inhoud, zijn onderwerp, aangezien teksten afgelijnde en begrensde entiteiten zijn
binnen de waarneembare wereld. De inhoud is anderzijds de complexe en op velerlei
wijze transcendente werkelijkheid van menselijk leven, die nooit als dusdanig
uitgedrukt kan worden, maar enkel door middel van symbolische bemiddeling.
9. Wat bedoelt Paul Ricoeur als hij zegt: Indien men van de Bijbel kan zeggen dat hij
geopenbaard is, dan moet dit gezegd worden van het nieuwe zijn dat hij ontvouwt.
De wereld van de literaire tekst is een geprojecteerde wereld, een wereld die op
potische wijze los staat van de alledaagse werkelijkheid. Ook al drukt de Bijbel de
ervaring van de eerste christenen uit, waar de tekst nu eigenlijk over gaat is de wereld
die door de tekst geprojecteerd wordt.
De dimensie van begrensdheid en zondigheid van de historische wereld achter de tekst
maakt blinde gehoorzaamheid aan de tekst onmogelijk. Maar de dimensie van de
alternatieve wereld die de tekst projecteert, sluit ook het andere uiterste uit, namelijk
als meester over de tekst kunnen heersen. We worden veeleer uitgedaagd om op
kritische manier de waarheidsaanspraak van de tekst te onderscheiden en om onszelf
te laten transformeren overeenkomstig de cordinaten van de wereld van de tekst.
In de quote legt Ricoeur het verband tussen de wereld van de tekst en het theologisch
concept van openbaring.

H4 (p. 73-88)
1. De voornaamste naam van God in de Bijbel is JHWH. Wat betekent deze naam?

De naam JHWH representeert de medeklinkers van een werkwoordsvorm van het


Hebreeuwse hawah, zijn. Welke klinkers erbij horen is niet met zekerheid te
achterhalen.
De naam werd aan Mozes geopenbaard tijdens de theofanie (godsverschijning) aan de
brandende braamstruik. Daar antwoordt God op de vraag van Mozes (vertaald) ik ben
hij die is.
Drie duidingen voor deze uitspraak:
o 1. Weigering om een naam te geven, dus JHWH is geen naam
o 2. De God van Isral is, bestaat, in tegenstelling tot de andere goden: ik ben
hij die is.
o 3. Het houdt de belofte in van de hulp van God: ik ben hij die bij jullie zal zijn/die
jullie zal bijstaan
o Waarschijnlijk is de derde betekenis de juiste. Met de opdracht aan Mozes om
zijn volk uit de slavernij in Egypte te bevrijden, geeft God de belofte van hulp.

2. Wat betekenen de namen Jezus en Christus?


De naam Jezus was een gebruikelijke naam bij het volk Isral. Twee boeken in het
Eerste Testament dragen deze naam: het boek Jozua, de helper en opvolger van Mozes
en het boek Jezus Sirach, een wijsheidsleraar in Jeruzalem in de 2 de E v.C.
Jozua is de ingekorte vorm van de Hebreeuwse naam Jehosjoea, werd overgenomen in
het Grieks als Isous en in het Latijn als Iesus. De naam Jehosjoea betekent JHWH
redt. Deze betekenis komt ook naar voren bij de naamgeving van Jezus. In een droom
zegt een engel aan Jozef: Maria zal een zoon krijgen en u moet Hem de naam Jezus
geven, want Hij is diegene die zijn volk zal redden uit hun zonden.
Jodendom: Messias = de gezalfde koning van de Davidische dynastie die de definitieve
heerschappij van god in de wereld tot stand zou brengen door de nationaal-politieke
bevrijding van Isral vd bezetters Christenen zagen in Jezus de vervulling van de joodse
Messiasverwachting. (Maar de bevrijding uit Isral wordt niet in de eerste plaats als
politieke bevrijding gezien, eerder als vergeving van zonden.) Tegen de joodse
Messiasverwachting in wordt Jezus dus als zoon van God beschouwd en heeft hij zijn
zending door lijden en dood vervuld.
In de titel Christus drukken zij die in Jezus geloven uit wat hij voor hen betekent.
Christos is de Griekse vertaling van het Hebreeuwse masjiach en het Aramese
mesjicha. Naast de vertaling als Christos hebben de Grieken ook het Hebreeuwse woord
als Messias onvertaald in hun taal overgenomen.
3. Wat is het verschil tussen de historische en de aardse Jezus?
(Antwoord komt uit slides, niet duidelijk gevonden in HB)
Historische Jezus: alleen wat via historische bronnen toegankelijk is
Aardse Jezus: het gehele aardse leven van Jezus onafhankelijk van de bronnen (niet
meer toegankelijk vandaag).
4. Wat zegt de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus over Jezus?
(In Testimonium Flavianum)
een wijs man
een leermeester
veel joden alsook vele Grieken bracht hij tot zich
Pilatus veroordeelde hem ter dood op voorstel van de joodse leiders (de eerste
mannen)
zij die het eerst in liefde waren gaan leven gaven niet op
tot in de tijd van Josephus zijn er christenen
Wat Josephus zelf zegt over Jezus is voldoende getuigenis van het historische
bestaan van Jezus
(FJ is geen christen!)
5. Onder welke voorwaarden mag men de geschriften van het Nieuwe Testament beschouwen
als historische bronnen voor de reconstructie van het leven van Jezus?

Criterium van de verlegenheid of contradictie = de vraag of een bepaalde uitspraak


Jezus moeilijkheden zou hebben veroorzaakt voor de vroege Kerk
(bv. Jezus is gedoopt, maar Jezus is zondeloos m.a.w. als het niet echt zou geweest zijn,
zou niemand er op gekomen zijn het uit te vinden; bovendien verlegenheid onder de
eerste christenen over dit doopsel)
2. Criterium van de discontinuteit of dissimilariteit = De oudste vorm van een logion
(=uitspraak van Christus) die we kunnen bereiken, kan als authentiek beschouwd
worden wanneer kan worden aangetoond dat die verschillend is van karakteristieke
eigenschappen zowel van het oude judasme als van de vroege Kerk.
(bv. In de vroege Kerk/het Nieuwe Testament was het niet gebruikelijk gebeden aan
Jezus toe te schrijven; het Onze Vader is een eenzame uitzondering die de
authenticiteit bevestigt. Bovendien is de verbinding van komen en rijk ongewoon
(dissimilariteit))
3. Criterium van meervoudige onafhankelijke attestatie = geconcentreerd op de vraag
of een handeling of woord van Jezus in n of meerdere bronnen onafhankelijk is
overgeleverd. Informatie die slechts door n onafhankelijke bron wordt overgeleverd,
is over het algemeen minder betrouwbaar.
(bv. instellingswoorden van de eucharistie)
4. Het coherentiecriterium = steunt op de drie voorafgaande en veronderstelt dat een
handeling of woord van Jezus dat past binnen de handelingen en woorden van Jezus die
men op basis van de eerste drie criteria als historisch heeft aanvaard, goede kans
maakt om ook historisch te zijn.
(Meier: Een Jezus wiens woorden en daden mensen, vooral de machtigen, niet voor het
hoofd stoten, is niet de historische Jezus.)
5. Criterium van de verwerping en terechtstelling = dit criterium neemt als
uitgangspunt het historische feit dat Jezus ter dood werd veroordeeld en
terechtgesteld. Handeling en woorden van Jezus die hiermee samenhangen of die zijn
terechtstelling helpen verklaren, maken ook kans om historisch te zijn.

6. Wat is volgens John P. Meier het absolute minimum dat men over de historische Jezus kan
weten?
Geboorte: ongeveer 7 of 6 v. Chr. in Nazareth
Jeugd in Galilea in een vroom joods boerengezin
Werkt als tektn (timmerman) (at the lower end of the vague middle class)
Jezus werd aangetrokken door de beweging van Johannes de Doper en door hem
gedoopt in de Jordaan
Jezus openbaar optreden in Galilea en Jeruzalem: 28-30 n.Chr.
Jezus afscheidsmaal, arrestatie en verhoor (door Pilatus ter dood veroordeeld) op
donderdag 6 april 30
Jezus kruisiging op vrijdag 7 april 30 buiten Jeruzalem

H6 (p. 109-124)
1. Welke vier types van Jezusfilms onderscheidt men volgens de klassieke typologie?
1. Optreden van Jezus wordt allegorisch voorgesteld
o Dit zijn verfilmingen die slechts indirect of impliciet verwijzen naar de figuur van
Jezus en waarbij de hoofdfiguur een aantal Jezus-achtige eigenschappen
vertoont.
o Dergelijke films hebben een zeer hoog interpretatief karakter.
o Bv. De Intrede
2. Symbolisch
o Hier gaat het over films waarin op symbolische wijze naar Jezus aanwezigheid
verwezen wordt, bijvoorbeeld door het verschijnen van een hand, een voet,
beide voeten of de borstkas (zonder hoofd) van Jezus. De aanwezigheid van
Jezus wordt hier gesuggereerd of opgeroepen, maar Jezus verschijn niet als
zodanig op de scne.
o Ook hier zijn heel wat interpretatieve elementen duidelijk aanwezig.

o Bv. Ben Hur


3. Aanwezigheid van Jezus als gastoptreden
o Jezus speelt zelf niet echt de hoofdrol, maar verschijnt eerder als gast in de film.
o Bv. Jesus Christ Superstar: Het Jezusverhaal wordt niet zozeer vanuit het
perspectief van Jezus, maar vanuit dat van Judas verteld en Jezus is als het ware
de gast-ster die optreedt in de film.
o Door dit perspectivisme is ook duidelijk dat de film een specifiek interpretatief
standpunt inneemt.
4. Jezus treedt op als leidersfiguur
o Jezus speelt in deze films de hoofdrol en neemt het voortouw.
o De meeste klassieke jezusfilms vallen onder deze categorie.
o In deze films wordt meestal een (allesoverziend) helikopterperspectief
ingenomen, of worden de gebeurtenissen gefilmd vanuit het oogpunt van Jezus
zelf. Deze films verstoppen (al den niet bewust) het meest het feit dat zij
interpretatieve elementen in de voorstelling van Jezus binnenbrengen.

2. Wat is volgens Jesus Christ Superstar de reden waarom Jezus gekruisigd wordt? Welke
theorie van het lijden ligt aan de grondslag van deze film? Wat is de link tussen het lijden
(kruisdood) en het heil?
Reden van de kruisiging: In deze film is het niet duidelijk waarom Jezus nu precies
moest sterven aan het kruis, niet alleen voor de toeschouwer, maar blijkbaar ook niet
voor Jezus zelf, behalve en hier is eventueel een parallel met de opkomende
bevrijdingstheologie merkbaar dat hij verpletterd wordt door maatschappelijke
krachten.
Lijden = lijden zonder antwoorden. De vraag naar de metafysische betekenis van het
lijden blijft open. Elk theologisch antwoord wordt geweigerd. De toeschouwer wordt
zonder antwoorden achtergelaten.
3. Wat is volgens The Last Temptation of Christ de reden waarom Jezus gekruisigd wordt?
Welke theorie van het lijden ligt aan de grondslag van deze film? Wat is de link tussen het
lijden (kruisdood) en het heil?
Reden van de kruisiging: Door te verzaken aan de menselijke verlangens en het
opnemen van het kruis dat het goddelijke kan overwinnen en de wereld kan gered
worden. In de film is het God die naar analogie met Abraham die zijn zoon Isaac offert
Jezus kruisdood eist als middel om de wereld te redden. De dood van Jezus is dus
zonder meer de wil van God, en geen executie ten gevolge van menselijk kwaad.
Lijden = lijden als zoenoffer. Het lijden wordt veel scherper en duidelijker in beeld
gebracht. Door de droomscne (waarin Jezus seks heeft met Maria Magdalena) wordt
duidelijk dat hier een eigen interpretatie van Jezus lijden wordt binnengebracht, in het
bijzonder inzake de verhouding tussen de menselijkheid en de goddelijkheid van Jezus.
Link tussen lijden en het heil: Enkel een God-mens kan de menselijke
ongehoorzaamheid van de zondeval weer goedmaken, omdat alleen een God-mens
absolute waarde heeft terwijl de (terug)gave aan God enkel kan gebeuren door een
wezen dat ook volledig menselijk is.
Door het verzaken aan menselijke verlangens en door het opnemen van het kruis
wordt de wereld gered.
4. Wat is volgens Jsus de Montral de reden waarom Jezus gekruisigd wordt? Welke theorie
van het lijden ligt aan de grondslag van deze film? Wat is de link tussen het lijden (kruisdood)
en het heil?
Reden van de kruisiging: Acteurs spelen een passiespel en willen per se doorgaan met
dit toneelstuk, ondanks verzet van o.a. de pastoor. Wanneer men de kruisiging wel
naspelen, grijpen ordehandhavers in. Daardoor wordt het kruis omvergestoten. Als
gevolg komt de Jezusfiguur ongelukkig ten val en loopt hij verwondingen op waaraan hij
uiteindelijk sterft.
Jezus sterft niet op het kruis, maar figuurlijk en letterlijk door het kruis. Het kruis

wordt niet als middel van heil voorgesteld, maar als het instrument waardoor de
Jezusfiguur dodelijk wordt gekwetst. Jezus sterft aan zijn boodschap.
Lijden = lijden als verzet tegen sociaal onrecht.
Link: Het lijden heeft op zich volgens deze film geen verlossende kracht, aan het lijden
wordt geen betekenis gegeven. De eigenlijke lijdenstheologie komt naar voren wanneer
de Jezusfiguur overleden is, en de dokters aan de mede-acteurs vragen of zijn organen
mogen gebruikt worden ter donatie.

5. Wat is volgens De intrede de reden waarom Jezus gekruisigd wordt? Welke theorie van het
lijden ligt aan de grondslag van deze film? Wat is de link tussen het lijden (kruisdood) en het
heil?
Reden van de kruisiging: (Jezus wordt niet gekruisigd, maar ineengeslagen omdat hij
zijn paard wegschonk aan een arme en dit indruist tegen de marktwerking.)
Lijden = lijden als zelfvernedering. In De intrede wordt in de identificatie met de
lijdende een ontoelaatbare, weerzinwekkende grensoverschrijding begaan, waardoor de
protagonisten hun waardigheid verliezen, terwijl in het Jezusverhaal bewaart Jezus zijn
waardigheid zelfs in zijn lijden. Langs deze weg wordt duidelijk waarvoor het
christendom niet staat en waar naastenliefde stopt en onaanvaardbare vernedering van
de andere en van zichzelf begint.
Link: In onze lezing van het christelijk verhaal heeft het lijden geen verlossende kracht
en betekenis op zichzelf, maar is het de uitkomst van Jezus consequente keuze om ook
in confrontatie met de machten van de wereld trouw te blijven kiezen voor de realisatie
van Gods Rijk.
6. Wat is volgens The Passion of the Christ de reden waarom Jezus gekruisigd wordt? Welke
theorie van het lijden ligt aan de grondslag van deze film? Wat is de link tussen het lijden
(kruisdood) en het heil?
Reden van de kruisiging: Het is niet duidelijk waarom Jezus zon extreme wreedheid
ondergaat.
Lijden = sadomasochistisch lijden. Hoe meer lijden, hoe meer redding van de wereld.
Lijden als losgeld dat God aan de duivel betaalt: door het immense lijden van de
zondeloze Christus is de duivel in de val gelopen.
Link: Het enige element in het leven van jezus dat echt van tel is voor de redding van
de mensheid is diens lijden en sterven.
7. Waarom is het volgens een groeiend aantal hedendaagse theologen gevaarlijk de kruisdood
van Jezus toe te schrijven aan het plan of de wil van God?
Plan van God was de wereld te redden door Jezus leven en niet door zijn dood. De
kruisdood was een misdaad van de mensen en werd uitgevoerd tegen de wil of het plan
van God. Mensen doorkruisten het plan van God om de wereld te redden, maar de
verrijzenis toont dat God zijn plan van redding niet liet tenietdoen. De kruisdood was
een executie waarvoor mensen verantwoordelijk waren. Altijd opnieuw zijn mensen
geneigd deze verantwoordelijkheid te ontlopen en een zondebok te zoeken. Door de
kruisdood aan de wil van God toe te schrijven, schuift men de verantwoordelijkheid
helemaal van zichzelf af.

H7 (p. 127-152)
1. Het begrip sociale rechtvaardigheid dat aan de grondslag ligt van dit hoofdstuk neemt de
gemeenschap, niet het individu tot vertrekpunt. Wat wordt bedoeld met gemeenschap?
De rechtvaardige gemeenschap die ons voor ogen staat, is een inclusieve
gemeenschap waarin iedereen meetelt en iedereen kan participeren en bijdragen aan
de opbouw van die rechtvaardige gemeenschap die in toenemende mate op de Stad
van God lijkt. Dit is enkel mogelijk als een grote diversiteit aan mensen aan wederzijds
eerlijke en gengageerde relaties bijdragen, die zowel onderling verbonden

gemeenschappen opbouwen als effectief manieren aanbieden waardoor mensen die


aan de kant geschoven zijn in de gemeenschap, opgenomen worden.
2. Wat is het verschil tussen distributieve en contributieve rechtvaardigheid?
(Komt niet uit HB, maar uit samenvatting)
Distributieve rechtvaardigheid = rechtvaardigheid die verwijst naar een herverdeling
van de goederen overeenkomstig de eisen van het algemeen welzijn (ieder het zijne)
Contributieve rechtvaardigheid = rechtvaardigheid die verwijst naar de plicht van
eenieder om bij te dragen tot het algemeen welzijn
3. Waarom volstaat het niet rechtvaardig handelen volgens de leuze ieder het zijne te
bepalen?
In de benadering van rechtvaardigheid als participatie worden allen herkend en
aangespoord om hun deel bij te dragen tot het handelen in dienst van rechtvaardigheid
en tot het ten goede veranderen van de wereld. Niemand is enkel ontvanger van
rechtvaardigheid. Er is ook nood aan gemeenschapswerk op het vlak van verspreiding
van informatie en het stimuleren van een bewustwording bij mensen. Dit vereist zowel
het geven van informatie door bevoegde instanties als het actief ontvangen ervan door
het grote publiek.
O.a. omwille van het solidariteitsprincipe (waarbij minderbedeelden en bezitslozen
zouden ondersteund worden door de rijkeren) zou er voldoende moeten zijn voor
iedereen.
4. Welke drie interpretaties van armoede worden in dit hoofdstuk voorgesteld?
1. Armoede als een lotsbestemming of de wil van God waaraan niets kan gedaan
worden behalve het verzachten van het lijden door het geven van een aalmoes, het
verzorgen van enkele wonden en het wegvegen van tranen.
2. Armoede als gevolg van ontwikkelingsachterstand, vaak aangepakt door een westers
moderniseringsstreven ondersteund door een trickle down-ideologie met een sociale
piramide van enkele rijken en een grote meerderheid van armen.
3. Armoede als onrechtvaardigheid die op gepaste wijze verholpen moet worden door
de samenleving radicaal te veranderen, door uitbuitingsstructuren af te breken, het
denken van mensen te dekoloniseren en levenswijzen en levensdoelen te herdefiniren.
5. Op welke manier speelt participatieve rechtvaardigheid een rol in man-vrouw relaties?
Wie rechtvaardig wenst te handelen binnen relaties, moet respect tonen voor de
autonomie en de relationaliteit die mensen kenmerken als doel op zich en moet
mensen respecteren als seksuele wezens in een persoonlijke en maatschappelijke
context. Binnen seksuele relaties is het belangrijk om steeds in gedachten te houden
dat men mensen niet mag kwetsen, dat men respect moet opbrengen voor de vrije
instemming van de partner, dat men ruimte geeft aan wederkerigheid,
gezamenlijkheid, gelijkheid, engagement en vruchtbaarheid en dat men sociale
rechtvaardigheid niet uit het oog verliest. Partnerrelaties zijn erg privaat, maar hebben
evenzeer een sterk sociaal belang en zin op die manier sterk verbonden met sociale
rechtvaardigheid. Personen en gemeenschappen moeten dan ook alert reageren op
huiselijk geweld of onrechtvaardige relaties die zich uiten in fysiek, psychologisch,
emotioneel en seksueel misbruik. In dergelijke gevallen zijn zowel de interventie van de
gemeenschap naar het slachtoffer toe, als de manier waarop de daders worden
aangepakt van cruciaal belang.
6. Wat is het verschil tussen liefdadigheid en rechtvaardigheid (vgl. de in het hoofdstuk
geciteerde uitspraak van Dom Helder Camara)?
Quote: Als ik een mens te eten geef, noemen ze mij een heilige; als ik vraag waarom
hij honger heeft, een communist.
Liefdadigheid verhelpt de onmiddellijke noden van mensen, maar men moet ook de
vraag naar de structuren achter armoede bloot leggen en deze proberen te
beantwoorden. Uiteraard moeten er wel instellingen bestaan om in een soort eerste

hulp voor noodbehoevenden te voorzien. Maar tezelfdertijd moeten er ook instellingen


zijn die het probleem op een meer fundamentele manier aanpakken.
7. Waarom kan het probleem van de onrechtvaardigheid niet worden opgelost door
eerstelijnshulp?
Aandacht voor structuren en procedures maakt ons bewust van het feit dat, hoewel de
eerstelijnshulp belangrijk is, de eerste zorgen nooit voldoende kunnen zijn om een
rechtvaardige gemeenschap tot stand te brengen. Zelfs als alle mensen individueel
toegewijd zouden zijn aan rechtvaardigheid en als allen in hun manier van leven van
goede wil zouden zijn, zou dit niet leiden tot rechtvaardigheid zolang structuren en
procedures niet in acht genomen worden.
Dit verklaart ook het gevoel van machteloosheid na confrontaties met situaties van
lijden. We realiseren ons dan dat, ondanks onze onmiddellijke hulpbereidheid, het
probleem niet opgelost geraakt. Zonder een structurele aanpak kunnen geen
permanente oplossingen aangeboden worden.
8. Hoe kan vermeden worden dat rechtvaardigheidstheorien ideologien worden die de
machtsagenda van de machtigen in de hand werken?
Een geloof in God die altijd groter is en die niet genstrumentaliseerd kan worden door
n enkele partij, is een sleutelelement om te verhinderen dat een
rechtvaardigheidstheorie tot een ideologie verwordt. Een God die onophoudelijk de kant
van de armen en onderdrukten kiest, zal gesofisticeerde theorien over
rechtvaardigheid die uiteindelijk enkel het legitimeren van onrecht als doel hebben,
ontmaskeren.
Een ander sleutelelement is de incarnatie en sacramentaliteit, in de mate dat zij ons
herinneren aan de waardigheid van de gehele schepping in Jezus Christus, die God kan
verwelkomen en opnemen.
De Geest waait waar hij wil. Dit is beeldspraak voor Gods transcendentie, met name,
dat God altijd zal weigeren gebruikt te worden voor een ideologie van eigenbelang. God
weigert genstrumentaliseerd te worden voor eender welk doel of eender welke partij.
9. De ervaring van onrechtvaardigheid gaat vaak samen met gevoelens van hulpeloosheid en
moedeloosheid. Hoe is het mogelijk uit de impasse te geraken?
(Cfr. antw op vraag 7)
10. Op welke manier kan de religieuze dimensie van het transcendente bijdragen tot sociale
rechtvaardigheid?
Geloof in God is meer dan louter op deze wereld gerichte focus van rechtvaardigheid
door het toelaten van een realiteit die alles overstijgt en buiten onze controle ligt. Door
het perspectief van deze transcendente werkelijkheid is rechtvaardigheid nooit enkel
onze eigen zaak. Rechtvaardigheid is een gave en een opgave. Binnen de joods en de
christelijke traditie is God een God van overvloed. Terwijl menselijke pogingen om
rechtvaardigheid tot stand te brengen eerder geneigd zijn mensen in nood van hun
bestaansminimum te voorzien, voegt het gelovige perspectief daaraan het wijze inzicht
toe dat men, om waarachtig rechtvaardig te zijn, mensen in de gelegenheid moet
stellen in overvloed te genieten van de gaven van het leven. Focussen op de overvloed
van het leven betekent ook dat steeds meer mensen de volheid van het leven moeten
kunnen leren kennen en zo deel kunnen nemen aan het gemeenschapsleven en kunnen
bijdragen aan het algemeen welzijn. Als meer mensen de kans krijgen hun bijdrage te
leveren aan het leven van de samenleving, dan zullen er meer goederen te verdelen
zijn en wordt de uitoefening van gezag en macht onder meer mensen verdeeld.