You are on page 1of 74

INSTITUUT VOOR ECONOMISCHE

GES<^JJ7TE%*'

N 1

HET VRAAGSTUK
VAN DE GELDRUIMTE IN NEDERLAND
EN DE GOUDPOLITIEK VAN DE
NEDERLANDSCHE BANK
MET BIJLAGE:
NEDERLANDSCH-OOST-INDI EN
DE GOLD-EXCHANGE-STANDAARD

UUUK

MR. G . V I S S E R I N G .

UITGEGEVEN BIJ
NIJGH & VAN DITMAR'S UITGEVERS-MIJ, ROTTERDAM
1917

De Vereeniging Instituut voor Economische Geschriften",


opgericht 29 December 1916, heeft ten doel de bevordering van
de studie van economische en economisch-politieke vraagstukken
en de verbreiding van kennis dienaangaande. Tot de wijzen,
waarop dit doel kan worden nagestreefd, behoort naar het
oordeel van den Raad van Beheer ook het bevorderen van de
uitgave van afzonderlijke studies op economisch en economischpolitiek gebied.
Het Instituut stelt het zeer op prijs, dat de Voorzitter van
den Raad van Beheer bereid werd gevonden, de beschouwingen
door hem in een bijdrage getiteld: The Netherlands Bank and
the War" in den jaargang 1916 van het Internationaal Jaarboek Grotius" aan enkele thans op den voorgrond tredende
economische vraagstukken gewijd, om te werken tot een eerste
nummer dezer afzonderlijke publicaties, hetwelk hierbij het
licht ziet.
G. BRUINS.

HET VRAAGSTUK V A N DE GELDRUTMTE I N


NEDERLAND E N DE GOUDPOLITIEK V A N
DE NEDERLANDSGHE B A N K .
De wereldoorlog heeft ons voor een aantal nieuwe problemen
gesteld, ook op het gebied van de geldmarkt en het geldverkeer.
Een juiste beoordeeling van den toestand wordt zeer bemoeilijkt,
niet alleen omdat die vraagstukken nieuw zijn, maar niet minder
omdat zij zich voor onze oogen voordoen in voorheen nog nooit
gekenden omvang. In dezen oorlogstijd is er zooveel, dat grooter
geworden is dan men zich ooit vroeger heeft kunnen droomen;
de afmetingen van tijd, ruimte en hoeveelheid, en dat wel op allerlei
gebied, hebben alle verwachtingen van vroeger overtroffen. Niemand had aan een zoo langen duur van een mogelijken oorlog
gedacht; de cijfers van de op de been gebrachte legers, en in verband
daarmede ook van de menscheljjke verliezen, overtreffen de ernstigste ramingen van vroeger; de oorlog is in alle werelddeelen doorgedrongen; de oorlogskosten, de aanzwelling der staatsschulden,
hebben reeds cijfers bereikt waarvan de mogelijkheid van bestaan
vroeger ten stelligste ontkend zou zijn. lederen dag staan wij voor
nieuwe feiten, die elkaar met duizelingwekkende snelheid opvolgen.
En zoo worden allen, ook de neutralen, min of meer medegesleurd
in een soort oorlogsroes, die noodzaakt tot het nemen van belangrijke beslissingen, ook al heeft men nog niet alle gegevens om te
beoordeelen of men voldoende goede gronden heeft om tot het
nieuwe besluit te komen.
Niet weinigen trachten uit de ervaringen van vroegere crisistijden lessen te putten om thans den goeden weg te vinden. Men
zal die lessen uit vroegere gebeurtenissen niet over het hoofd mogen
zien, maar de toestanden zijn nu zoo geheel anders, vooral door de
zooveel grootere afmetingen in allerlei opzicht, dat verwijzing naar
vroegere crisis-toestanden een groot gevaar met zich mede brengt
om op den verkeerden weg te komen door vergelijking van ongelijksoortige grootheden.
Toch wordt het met den dag meer noodzakelijk zich rekenschap

6
te geven van de nieuw geschapen toestanden en van onzen wil en
vermogen ons daaraan aan te passen, nu wij minder dan ooit
meester zijn van het terrein, waarop ieder onzer in zijn eigen vak
werkzaam is, terwijl wij meer dan ooit door omstandigheden
worden voortgestuwd ook tegen onzen wil. Wij kunnen ons nauwelijks meer de illusie maken van zeiven te schuiven; wij worden
geschoven door de macht der feiten, die buiten onze beheersching
liggen.
Men heeft zich daarbij neder te leggen. Het zij zoo. Maar dringend noodig wordt het dan ook om zich ten minste zoo goed mogelijk
rekenschap te geven van de beteekenis dier nieuwe toestanden, die
buiten onzen wil ontstaan. Op velerlei gebied moeten wij dus reeds
nu een analyseerend onderzoekjuistellen naar de eigenlijke redenen
van het ontstaan dier nieuwe toestanden en der mogelijkheden van
hunne verdere ontwikkeling in de naaste toekomst. Die taak is niet
gemakkelijk, en pogingen om haar uit te voeren brengen het groote
gevaar mede, dat men niet tot juiste conclusin komt, omdat het
iederen dag zich verder ontwikkelende vraagstuk nog niet rijp is
voor het vormen van een eindoordeel. Men heeft dat gevaar evenwel te trotseeren, want durven wij het niet aan, dan voeren wij een
truisvogel-politiek, wat nog veel erger is.
Reeds twee jaren achtereen heb ik van het internationale Jaarboek Grotius" (verschijnende in Den Haag, bij den uitgever
Martinus Nijhoff) de uitnoodiging ontvangen eene uiteenzetting
te leveren van de positie van De Nederlandsche Bank in den oorlog..
Ofschoon ik ten volle overtuigd ben daarmede voor mij persoonlijk
het gevaar te loopen van te vroegtijdig een oordeel uit te spreken;
heb ik gemeend goed te doen aan die uitnoodiging gevolg te geven;
immers men wordt dan genoodzaakt zijne gedachten eens rustig op
het papier te ontwikkelen en geeft zich daardoor nog beter rekenschap van zijne handelingen.
Die uiteenzetting op schrift heeft echter nog een andere goede
zijde. De circulatiebank heeft in deze bewogen tijden veel meer
directe aanraking gehad met de banken, handel, industrie, landbouw, en verder met een groot deel van het publiek dan vroeger
het geval was, maar toch blijft hare wijze van werken slechts binnen
beperkten kring bekend, en blijkt het zelfs herhaaldelijk, dat de
financieels, dus de deskundige, pers niet eens van hare bemoeiingen
voldoende op de hoogte is. Nu de circulatiebank nog in veel grooter
mate dan vroeger voor het algemeen belang heeft te waken, en

7
daarbij vooral veel meer actief heeft moeten optreden, waar zij
vroeger hare lijdelijkheid als n der eerste beginselen huldigde, is
het ook wenschelijk, dat hare handelingen en de motieven daarvoor
nog meer algemeen bekend worden; ook in het buitenland, nu zij
steeds meer genoopt is geworden met het buitenland direct in aanraking te komen, en tegenover het buitenland eene strikt omlijnde
politiek te voeren.
Een der belangrijkste vraagstukken van het oogenblik op geldelijk
gebied is dat van het al of niet bestaan van eene zoogenaamde
inflatie van geld, en de daarmede direct in verband staande goudpolitiek der landen om ons heen, en ook van ons zeiven. De groote
verschillen in de wisselkoersen houden ons allen nog dag aan dag
bezig, en voortdurend moeten wij ons daarbij rekenschap geven
welke positie het goud daartusschen blijft innemen; reeds zijn
eenige landen, voor zooveel hun goudpolitiek betreft, een nieuwe
richting ingeslagen, en Nederland heeft daarvan de onaangename
gevolgen al ondervonden. Bij onze oostelijke naburen is de drukpers
reeds sterk aan den gang om zeer vr-gaande, nieuwe theorien, te
verkondigen; op al die nieuwe voorstellen, en ten deele nieuwe
feiten, moeten wij scherp het oog gericht houden.
Mijn tweede artikel voor Grotius handelt in hoofdzaak over deze
vraagstukken en de houding van De Nederlandsche Bank daartegenover.
Het Instituut voor Economische Geschriften heeft bij zijne
oprichting vr eenige maanden zich o.a. ook tot taak gesteld om
over actueele onderwerpen afzonderlijke, meer uitgebreide, geschriften te doen verschijnen; na overleg met de Redactie en den
uitgever van Grotius en met den Raad van Beheer van het Instituut voor Economische Geschriften heb ik mij bereid verklaard dat
Grotius-artikel, hetwelk in het Engelsch verschijnt, eenigszins om
te werken om het geschikt te maken voor eene eerste publicatie in
de ontworpen serie van afzonderlijke geschriften van het Instituut,
bepaaldelijk met het doel om de aan den hoofde dezes vermelde
vraagstukken ook in Nederland ter openbare behandeling aan de
orde te stellen. Uit den aard der zaak zullen dus daarbij voornamelijk in beschouwing komen de cijfers bij, en de handelingen van
de Nederlandsche circulatiebank.
Beginnen wij dus eenige merkwaardige cijfers in de balanshoofden van De Nederlandsche Bank uit de laatste jaren tegenover
elkander te stellen.

8
25 Juli
1914

8 Januari
1916

10 Maart
1917

Maximum
Cijfers

DEBET.
Binnenl. Wissels
7 Nov. 1914
Buitenl. Wissels
30 Mei 1914
Beleeningen
13 Febr. 1915
Voorschotten a/h. Rjjk
6 Maart 1916
Munt en Mtfntmateriaal
31 Juli 1916
Effecten
Gebouwen en Meubelen
Diverse Rekeningen . .

67.947.052

20.188.148

79.852.833 79.421.261
/ 186.283.353
4318.602

7.071.225
20.407.151

61.685.882 ,,

87.065.356 ,, 87.407.367

12.444.197

13.678.295 14.602.206

167.222.275

14.998.040

170.341.686 442.496.405 5g8.610.490


602.166.866

8.985.270 8.856.812 9.078.768


1.800.000 1.800.000 1.400.000
509353 23.573.559 73.738.826

CREDIT.
Kapitaal
Reservefonds
Bankbiljetten in omloop
3 Januari 1917
Bankassignatin in omloop
6 Mei 1916
Rek.-Courant saldo's . .
11 Sept. 1916
Diverse Rekeningen . .

20.000.000 20.000.000 20.000.000

5.003.038 5.000.000 5.155.090


310.437375 578.410.090 738349.110
785.151340

1.460.544

1.945.791

1.600.033

4.737.223,, 47.886.628,, M.814.094

2363.410

<

6.642.640

145.881.599
8.199353

8.411316

Daaruit blijkt, dat de metaalvoor raad in het laatste jaar is vooruitgegaan met 156.114.085, en sedert Juli 1914 met 428.268.804
en de bankbiljetten-uitgifte is gestegen sedert Januari 1916 met
160.939.020, sedert Juli 1914 met 428.911.835. De creditealdi
in rekeningcourant zijn sedert Juli 1914 vermeerderd, op 8 Januari
1916 met 43.149.405, op 10 Maart 1917 met 92.076.871. Op
2 December bedroegen zij 36.746.749, zoodat zij in het jaar 1916
is toegenomen met 67.203.245, terwijl tegelijkertijd de rekeninguitgifte der bankbiljetten van 2 September tot 2 December 1916
is toegenomen met 67.203.245, terwijl tegelijkertijd de rekeningoourantsaldi, op 2 September bedragende 132.714.018, zijn teruggeloopen tot 36.746.749. De bankbiljettencirculatie volgde dus in
het algemeen een steeds stijgende lijn, terwijl in de rekeningcourantsaldi ook groote beweging in dalende richting viel waar te nemen.
Deze groote toeneming van cijfers wettigt dus dadelijk de vraag

9
of in Nederland een inflatie van geld is ontstaan. Ik wil dus eerst
dit vraagstuk onder de oogen zien.
De uitzettingen van de Bank op disconto en beleeningen wijzen
ongeveer dezelfde cijfers aan als vr den oorlog; tegenover Januari
1916 wijzen zij eene vermindering van slechts 431.572 bij disconto,
en eene vermeerdering van slechts 342.011 bij beleeningen. Het
geheel van het uitgeleende kapitaal in Maart 1917 verschilt dus zeer
weinig met Januari 1916. Gaat men de samenstelling dier cijfers
echter analyseeren, dan blijkt er een groot verschil te bestaan.
Immers onder de disconto's bevindt zich een bedrag van 60.000.000
aan schatkistpromessen, door de Regeering door bemiddeling en
medeteekening van bankiers en effectenhuizen bij de Bank gebracht.
De disconteeringen voor de gewone takken van bedrijf, in hoofdzaak
handel, industrie en landbouw, zijn dus op 10 Maart 1917 teruggeloopen tot slechts 19.421.261, zijnde een bijna ongekend laag
cijfer in de geschiedenis der Bank. Men moet meer dan vijftig jaren
teruggaan, toen de Bank als algemeene Nederlandsche instelling
nog maar weinig ontwikkeling had verkregen, om een zoo laag
cijfer terug te vinden.
Hiernaast willen wij dadelijk op een ander feit wijzen.
In de particuliere disconto-markt is geld voortdurend goedkooper
geworden; langen tijd bewoog de rente zich aldaar tusschen lVa en
1 pCt en viel zelfs een oogenblik terug tot */a pCt. Natuurlijk was
dit n van de voornaamste redenen voor het afloopen der discontoportefeuille bij de Bank. Na half November 1916 liep de rente
evenwel weder sterk op, zelfs tot boven 4 pCi
Het Gouvernement leende telkens voor de vlottende schuld in de
open markt, en plaatste zijne 3- tot 6-maands schatskistpromessen
en schatkistbiljetten voor een rentevoet afwisselend tusschen
3,425 pCt. en 0,949 pCt. Schijnbaar betaalde het Rijk dus veel meer
bij disconteering direct bij de Bank door tusschenkomst van een
bankier; door de participatie voor / van de overwinst der circulatiebank was de disconteering direct bij de Bank op den voet van
4 / pCt. echter ten slotte nog voordeeliger voor het Rijk dan in de
open markt met zijne lagere rente.
Geld ter beurze op prolongatie op onderpand van effecten bewoog
zich tusschen 4 en 2 pCt. en was doorloopend hooger dan privaatdisconto; eerst half November 1916 kwam ook daarin verandering
en liep de rente tot 3Va a 4 pCt. op, ditmaal lager dan privaatdisconto een zeldzaam voorkomend verschijnsel.
2

10
Zoodra men echter met leeningen op langen termijn aan de
markt kwam, was de rentevoet zeer veel hooger. In het begin van
de crisis moest het Rijk voor 5 pCt ter markt komen, en eerst veel
later was een rentevoet van 4Va pCt. met een emissiekoers van
100 pCt. mogelijk (leening Februari 1916). Het Rijk heeft in
Februari 1917 eene leening uitgegeven op den voet van 4 pCt., zij
het dan ook eenige percenten beneden pari (97 pCt) en het welslagen dier leening is ongetwijfeld mede te danken aan de indirecte
verplichting van geheel Nederland om aan die leening in het landsbelang deel te nemen. Na de uitgifte zakte deze leening ettelijke
percenten beneden den emissie-prijs. De rentevoet van deze leening
geeft dus geen beeld van de rente in de open markt.
Particuliere lichamen moesten voor leeningen op langeren termijn
in het begin van de crisis 6 pCt betalen en konden later op 5 pCt.
en enkele op 4V2 pCt. komen. In de laatste maanden hebben eenige
steden en provincin het 4 pCt.-type geprobeerd; met een koers tot
en beneden 96 pCt. gelukte de emissie voor slechts enkelen, met een
koers boven dien prijs gelukte deze voor niemand. Bij dezen prijs
was dus blijkbaar de kentering gekomen in de daling van prijs en
rentevoet; bovendien gelukten emissin tot dien prijs slechts gedurende enkele weken.
Ofschoon dus beslist kenteekenen aanwezig zijn, dat de rentestand voor solide zaken lager geworden is sedert het begin van
de crisis, is het toch allengs zeer duidelijk gebleken, dat een rentevoet van 4 pCt. voor langer loopende leeningen nog niet bereikt is.
Het is dus duidelijk, dat er in de geldmarkt twee stroomingen, of
liever twee factoren zijn, welke ieder een eigen oorzaak van bestaan
hebben, en die dan ook ter beoordeeling van den toestand scherp gescheiden moeten worden; dat is het geld voor langeren termijn, en
geld voor korten tijd, zijnde daggeld, maandgeld of hoogstens driemaandsgeld. Gewoonlijk loopen de noteeringen voor de twee factoren van kort en lang geld niet zoo ver uiteen; thans zijn zij
gedurende vele maanden door verscheidene percenten gescheiden
geweest. Ook op dit punt zijn dus andere invloeden aan het werk
dan in vredestijd.
Geld op korten termijn maakte wel den indruk van overvloedig
te zijn; dit kan echter bedriegelijk wezen, indien men daaruit den
toestand van de geldmarkt zou willen beoordeelen; de zaken op
korten termijn hbben gewoonlijk niet zoo grooten omvang, zoodat
tijdelijk een eenigszins ruim aanbod van geld den marktprijs spoe-

11
dig omlaag kan drukken. De voorraad van geld, voor korten termijn
beschikbaar, kan niettemin niet zoo buitengewoon groot geweest
zijn; immers bij eene tijdelijke grootere vraag, als bij een kwartaalseinde, is ook het daggeld (call-money) en geld voor prolongatie
snel omhoog gegaan. Ware geld op langen termijn in groote massa's
werkelijk dringend aangeboden geweest, dan zou de rente voor die
categorie veel sneller omlaag hebben moeten gaan. Het is dus
duidelijk, dat er op de geldmarkt voor langen termijn, en zelfs op
die voor korten termijn, nog steeds niet zoo veel geld aanwezig is
geweest, dat dientengevolge de rentestand in de markt laag is
worden; men zal dus op dien grond niet kunnen besluiten tot het
bestaan van een inflatie van geld op de markt in Nederland.
Niettemin doet zich het verschijnsel voor, dat n de goudvoorraad
der circulatiebank n de bankbiljetten-emissie in voor ons land
ongekende mate zijn toegenomen, en dat tevens, zij het tot meer
afwisselend bedrag, de saldi-tegoed in rekening-courant zeer zijn
gestegen.
De zeer vermeerderde bedragen van die drie groepen van beschikbare middelen zouden onder gewone omstandigheden op zich zelf
reeds eene inflatie van geld beteekenen; maar ondanks deze feiten
doen zich tpch niet de directe gevolgen van inflatie voor, zijnde
in de eerste plaats eene algemeene prijsstijging en eene verlaging
van den rentevoet.
Wij staan bier dus voor een serie van zeer ongewouo verschijnselen, welke niet de in de praktijk gebruikelijke gevolgen hebben;
bjj oppervlakkige beschouwing zijn zij dus even zoovele raadselen.
Hoe vinden wij eene oplossing daarvoor, hoe kan eene juiste verklaring daarvan gegeven worden?
Nederland is van oudsher geweest een land, dat naar verhouding
van zijn inwoner-tal veel invoer, veel uitvoer, en in gewone tijden
ook veel doorvoer kon aanwijzen. De doorvoer staat nu stil tot
groote schade van het land en van vele arbeiders. De in- en uitvoer
moeten echter blijven voortgaan voor het bestaan van het land,
zij het dan ook in mindere mate dan vroeger. Nederland heeft niet
de natuurlijke hulpbronnen van de Staten met een groot grondgebied; het heeft geen eigen ijzermijnen, is voor de volksvoeding
grootendeels op het buitenland aangewezen; steenkolen, meststoffen
en nog vele zaken meer moet het uit het buitenland betrekken.
Daartegenover is het een belangrijk producent van vee- en melkproducten, van tuinbouwvoortbrengselen, van bloembollen, en in zijne

12
kolonin van suiker, rijst, kina, copra en in de latere jaren ook van
thee en rubber. Vele van die producten moeten uitgevoerd worden
op gevaar van bederf, en dus van ondergang van het bedrijf waarvan zeer velen leven. De uitvoer is echter voor een groot deel naar
andere landen dan van waar het den invoer betrekt. Het graan
voor eigen voeding komt uit Amerika en vr den oorlog uit Rusland en Roemeni; de landbouwproducten gaan voornamelijk naar
Engeland, Frankrijk, Duitschland. In gewone omstandigheden zou
de internationale arbitrage die betalingen over en weer liquideeren;
de oorlog heeft ook hierin groote stoornis gebracht, omdat de internationale arbitrage zeer werd belemmerd. Vele saldi in den vreemde
waren tijdelijk niet eens realiseerbaar.
Nog in een ander opzicht werkte die stoornis op de wisselkoersen.
In gewone omstandigheden is de betalingsbalans van Nederland
tegenover den vreemde vrijwel in evenwicht; de geldelijke bedragen
van in- en uitvoer dekken elkaar vrijwel. Nu de invoer van uit de
oorlogvoerende landen hu Nederland zooveel kleiner werd ten opzichte van den uitvoer, ja de invoer van verscheidene artikelen
zelfs werd gestaakt, werd niet alleen het gewone betalingsmiddel
uit het verkeer met het buitenland gelicht, zijnde de goederen, welke
vroeger werden ingevoerd, en dus vorderingen op Nederland veroorzaakten, doch nog een ander proces speelde zich in Nederland zelf
af: het moest zijne nog aanwezige voorraden dier invoer-goederen,
zijne reserves, opteren; het meest kenbaar was dit met ijzer, cement,
steenkolen en dergelijke artikelen. Scheepswerven, machinefabrieken, enz. zijn ernstig bezorgd, dat hunne voorraden aan grondstof
uitgeput geraken, en verscheidene inrichtingen hebben reeds hunne
werklieden tot korteren werktijd moeten brengen, of hen zelfs moeten ontslaan, en vele andere vreezen dit binnenkort te moeten
doen.
Niet alleen zond het buitenland ons dus veel goud, omdat het saldo
van Uitvoer boven invoer bij ons zoo groot was geworden, maar ook
in ons land zelf verkregen vele industriele en handelszaken veel
grootere ruimte van contante en liquide middelen door die uitputting van voorraden, welke zij anders reeds lang weder zouden
hebben aangevuld. De aankweeking van liquide middelen was dus
in dit opzicht geheel onvrijwillig. Die toeneming van liquide middelen in den vorm van credit-saldi bij banken, van oplegging van
biljetten der circulatiebank, en ten slotte ook die ophooping van
goud in Nederland,rijnniet alleen ontstaan als een zoete winst op

ia
voordeelige zaken, doch er zit ook een element van stilstand, achteruitgang en ellende in.
Wij hebben dus weder met n van die gevallen te doen, dat de
verhoudingen door den oorlog zoo worden verschoven; voor de
eene groep van personen beteekent die ophooping van liquide middelen en die goud-toevoer aangroeiing van winst, voor de andere,
vermoedelijk veel grootere groep, beteekent bij een begin van uitputting en van werkloosheid. Dit onderscheid zal men scherp
in het oog moeten houden om het karakter van de geldmarkt te
kunnen begrijpen. Die laatste groep zal dien goudvoorraad of hetgeen daartegen valideert moeten beschouwen als een zeer noodige
reserve, uit hun eigen bedrijf door den drang der omstandigheden
opgelegd, welke liefst zoo spoedig mogelijk weder moet verbruikt
worden om nieuwen voorraad grondstoffen aan te schaffen, ten
einde het bedrijf weder op gang te brengen en om aan werkloosheid en ellende een einde te maken. Voor die groep beteekenen die
liquide middelen dus geen kapitaal voor belegging, doch opgehoopte, ongebruikte bedrijfskracht, welke noodwendig in reserve
moet worden gehouden. Die opgelegde reserve kan bestaan zoowel
in het vormen van ongebruikte credit-saldi, waardoor de deposito's
bij de banken tijdelijk zeer zwellen en de rekening-courant-saldi
tegoed bij de circulatiebank ook tijdelijk zoo hoog zijn opgeloopen;
zij kan ook bestaan in het aflossen van op crediet opgenomen
gelden, waardoor disconto's en beleeningen zoo sterk zijn teruggeloopen. Zoodra de toestand echter een keer neemt, zullen die creditsaldi en deposito's opgevraagd worden en zal opnieuw bedrijfskapitaal gezocht worden door disconteering en beleening; en dan
zullen die liquide middelen misschien niet eens in staat zijn om de
oude voorraden weder aan te vullen, indien de prijzen der grondstoffen intusschen mochten zijn gestegen.
Indien men al deze omstandigheden in aanmerking neemt, zal
men noodzakelijk tot de conclusie moeten komen, dat ook de ophooping dier liquide middelen nog niet het karakter heeft van een
inflatie van kapitaal of van geld. Houdt men dit wel in het oog
dan heeft men tevens eene verklaring waarom geld op langen
termijn duur moest blijven en geld op korten termijntijdelijksterk
kon gedrukt worden, doch niettemin ten slotte niet zeer overvloedig
kon worden.
Er zijn ongetwijfeld door niet weinigen groote winsten gemaakt
en een deel daarvan komt als geld ter belegging op de markt; een

14
ander deel moet als extra-belasting worden opgebracht; nog een
deel wordt vrij nutteloos besteed in luxe, omdat de nieuw gecreerde
rijkdom naar genot en vertering haakt. De geldruimte, uit die
winsten voortgekomen, is echter niet zoo groot, dat alleen daaruit
een inflatie zou kunnen voortkomen en kon dus niet eene groote
daling in de geldmarkt op langen termijn in het leven roepen.
Die groote groep daarentegen, welke hunne liquide middelen
zeer tegen hun zin zagen toenemen door inkrimping van hunne
voorraden en van hun bedrijf, kon niet in de beleggingsmarkt
komen, tenzij voor korten tijd en op beslist liquide wijze; financiele kantoren, die om dezelfde reden terugbetaling van credieten
door hunne clinten moesten ondervinden en daarenboven hunne
deposito's zagen toenemen door de ongebruikte gelden van nog
vele anderen, konden die vrijkomende middelen ook niet vastleggen
in leeningen op langen termijn. Voor deze groote groep bleven dus
slechts twee middelen over: het geld zeer tijdelijk uitzetten op beslist
zeer liquide wijze om dat geld ten minste nog eenigszins rentegevend te maken; op dat gebied drongen zij allen tezamen op tegenover een beleggingsmateriaal, dat natuurlijk slechts beperkt kon
zijn, wil het aan dergelijke eischen van groote liquiditeit voldoen;
zjj kunnen dus tijdelijk op dat gebied de rente tot 2 pCt, 1 pCt. en
zelfs lager neerdrukken. Vele andere konden evenwel zelfs hiertoe
niet besluiten, omdat zjj de risico van die korte beleggingen niet eens
wilden aanvaarden tegenover hunnen plicht om volstrekt liquide
te blijven; deze wilden het geld in natura opleggen en kwamen
dus noodzakelijk tot de circulatiebank om aan haar hunne
gelden toe te vertrouwen. Zij vragen daarvoor eene crediteering in
rekening-courant, of, wat nu eenmaal in Nederland meer gebruikelijk is, afgifte van bankbiljetten. Het bankbiljet, dat bestemd is voor
de circulatie, wordt bier dus uitverkoren voor eene geheel andere
functie; het is een tijdelijk beleggings-object geworden ondanks dat
het renteloos is, omdat men het onwankelbare vertrouwen heeft,
dat men steeds bij de circulatiebank zijne middelen bij eerste opvraging terug kan krijgen; de schuldbekentenis der Bank, vervat in
het biljet, wordt bovendien door een ieder in betaling aangenomen.
Wij zien dan echter een nieuw verschijnsel tijdens den oorlog
opkomen: van de circulatiebank wordt hoe langer hoe minder
crediet gevraagd; zij ziet hare disconto's en beleeningen tot welhaast ongekende cijfers terugloopen; het publiek gaat thans echter
omgekeerd aan haar crediet geven, waarom zij niet gevraagd heeft,

15
maar waarvoor zij zich, als de centrale, aller vertrouwen genietende
instelling, evenzeer behoort beschikbaar te stellen; zjj wordt de
groote bewaarster van de noodgedrongen tijdelijk opgelegde
reserves, onder de verplichting die dan ook ieder oogenblik weder
ter beschikking te houden van die bewaargevers.
Deze eigenaardigheid moet eene Bank-directie zich wel scherp
voor oogen stellen. Dan veroorzaakt de uitgifte van die biljetten
echter ook geen inflatie, want zij zijn voor den houder niet eens
bestemd als circulatiemiddel; zij zijn als het ware een regu voor
tijdelijk in bewaring opgelegde middelen, een deposito-biljet. Twee
omstandigheden bevestigen die opvatting; ten eerste, dat het percentage der uitgegeven biljetten der groote coupures gelijken tred houdt
met de geheele vermeerdering der biljetten-uitgifte, en ten tweede,
dat de biljetten bij terugontvangst door de Bank in zoo schoonen
toestand zijn, dat zij kennelijk niet in veelvuldige circulatie van
hand tot hand zijn geweest.
De ophooping dier middelen bij de circulatiebank is ook geen
inflatie, omdat de Bank die middelen evenmin gebruikt; zij bergt
ze slechts op voor anderen. )
De circulatiebank in een land heeft zich ook aan die nieuwe taak
aan te passen; dan moet zij zich echter wel wachten om maatregelen te nemen, welke voor de gemeenschap zeer nadeelig kunnen
worden. Zij moet dus niet weigeren verder het algemeen reservoir
voor het land t blijven. Zij moet dus goud blijven aannemen, mits
dit zal dienen tot betaling van reele zaken met het buitenland
x

) Wel merkwaardig is het, dat Mr. N. G. Pierson in zijn leerboek der


Staathuishoudkunde, Deel I, bladzijde 511/12, reeds de mogelijkheid voorzien
heeft, dat bankbiljetten in tijd van crisis worden gevraagd eigenlijk als een
soort depositobiljetten. De geleerde schrijver zegt daaromtrent:
Het eigenaardige van een handelscrisis bestaat in de levendige vraag naar
ruilmiddelen, die zich dan altijd vertoont. Velen verkoopen dan hunne goederen en bij voorkeur contant; daarna bewaren zij het geld, omdat zij er geen
bestemming voor weten. Hierdoor stijgt de geldbehoefte in bijzondere mate.
In zulk een tijd kan een centrale bank de uitnemendste diensten bewijzen,
want door het ongeschokt vertrouwen, waarvan zjj ook dan meestal het
voorwerp blijft, kan zij de vraag naar ruilmiddelen door uitgifte van biljetten
gemakkelijk bevredigen. Vermeerdert een bank onder gewone omstandigheden
hare ongedekte circulatie, zoo vermindert zij haren metaalvoorraad, dus hare
dekking. Maar in een tijd van crisis worden de biljetten eenvoudig bewaard,
opgestapeld; zij dienen dan minder tot ruil dan wel tot vermogensbelegging;
door ze in zulk een tijd op groote schaal uit te geven, doet de Bank geen
gevaren ontstaan, maar brengt zij beangstigde gemoederen tot rust. Nergens
is gewoonlijk een crisis zoo hevig als daar, waar een centrale bank f ontbreekt,
f, wat de uitzetting harer circulatie betreft, aan te strenge regels is gebonden."
1

16
gedaan, en mits die zaken natuurlijk niet tegen het eigen landsbelang zullen mdruischen. Maar dan moet zij voor dat goud ook den
vollen prijs betalen, tenzij vaststaat, dat goud gedeprecieerd zou
zijn; wil zij slechts een lageren prijs voor goud betalen, dan moet
dit feit der depreciatie als een paal boven water staan. Is dit op het
oogenblik het geval met goud? Laten wij ook dit punt even onder
oogen zien.
Van verschillende zijden hoort men beweren, dat goud gedeprecieerd zou zijn, omdat de prijzen der goederen zoozeer zijn gestegen
en er zooveel nieuw kapitaal is gevormd door den oorlog, o.a.
blijkende uit de groote vermeerdering van circulatiemiddelen in
alle landen; de koopkracht van het goud zou dus verminderd zijn,
het goud derhalve gedeprecieerd. Dit geeft aanleiding tot voorstellen'
om bij den aankoop van goud door de circulatiebanken een lageren
prijs in het geld van het land te geven, en werkelijk is dat in eenige
landen reeds geschied. Wij komen hier op een uiterst moeilijk terrein, te meer omdat de discussies nog meer verward worden door
degenen, die met de vroegere theorien over het ontstaan van
crises alle verschijnselen van thans willen verklaren.
Blijkbaar is hier een ruim gebied voor begripsverwarringen
aanwezig. De schok van dezen wereldoorlog is z geweldig geweest,
dat men niet te veel moet turen naar theorien van oude crises,
waarmede onze huidige toestand bijna geen overeenkomst heeft
Men zal verstandiger handelen met dezen oorlogstoestand als een
verschijnsel op zichzelf te beschouwen, en den aard en de gevolgen
van dat verschijnsel op zichzelf te analyseeren.
Dit doende zien wij dan, dat onmiddellijk bij het uitbreken van
den oorlog de prijzen van vele zaken naar boven vliegen; zoowel
voedingsmiddelen als grondstoffen voor de nijverheid, zoowel wisselkoersen, als scheepsvrachten en assurantin. Op een aantal
goederen blijven de prijzen in die zelfde richting werken, op andere
vallen zij van n uiterste naar een ander. Dit laatste had o.a.
plaats bij verschillende wisselkoersen.
Engeland had als naar gewoonte bij den aanvang van den oorlog
vele vorderingen op korten termijn op het buitenland uitstaan; toen
Engeland die plotseling ging opvragen, moesten de wisselkoersen
van alle landen natuurlijk sterk ten gunste van Engeland oploopenbet goud stroomde van alle zijden naar Engeland toe, en, waar het
niet tot saldeering kon worden gebruikt, stegen de wisselkoersen op
Engeland onrustbarend. E r werd toen van verschlende zijden met

17
bewondering gewezen op die buitengewone kracht van Engeland,
om op een gegeven oogenblik heel de wereld tot zijn debiteur te
hebben. Ik zal niets zeggen ten nadeele van de financiele kracht
van Engeland en van zijne financiele organisatie als wereldmarkt
van het geld- en wisselverkeer, waarvoor ook ik groote bewondering
heb, maar toch geleek mij die juichtoon in den aanvang van den
oorlog voorbarig. De plotselinge opeisching van kort loopende verbintenissen bracht opeens die hausse in de wisselkoersen ten bate
van Engeland mede; oogenblikkelijk gaf dit ongewijfeld een groote
kracht; toen die kort loopende vorderingen echter afgewikkeld
waren, kwam Engeland voor de zelfde consequentin te staan als
de andere oorlogvoerende landen, die hun invoer moesten doen
toenemen en hun uitvoer beperken. Blijkbaar heeft dit Engeland
verrast, want later zijn de wisselkoersen in de neutrale landen zoo
ernstig gedaald ten nadeele van Engeland, dat omvangrijke maatregelen noodig waren om dat euvel tegen te gaan. Engeland kon
toen opnieuw een blijk geven van zijn innerlijke financiele kracht
en van zijn financieel organisatie-vermogen; niettemin bleven ook
na die organisatie de koersen in de neutrale landen verre beneden
de vroegere normale, zij het dan, dat de kosten van verscheping
van goud en van assurantie z hoog waren geworden, dat men
met recht zou kunnen zeggen, dat de goudpunten zeer belangrijk
naar boven en naar beneden waren verplaatst.
Heeft ook maar iemand in het begin van den oorlog in Engeland
het denkbeeld geopperd, dat het goud in die periode ten opzichte
van Engeland was gedeprecieerd? De rollen zijn nu omgedraaid;
de neutrale staten, die eerst disagio deden tegenover Engeland,
zagen in de latere jaren hunne wisselkoersen ten nadeele van
Engeland, vooral ten nadeele van andere landen, oploopen. In
alle landen zag men de hoeveelheid circulatiemiddelen in ongewone
mate toenemen, een zelfde verschijnsel dus als in Nederland. Zijn
die circulatiemiddelen zoo toegenomen door vermeerdering van
kapitaal? Heeft die vermeerdering van fiduciair geld de prijzen
zoo naar boven gedreven? Ik geloof er niets van. De prijzen zijn
reeds dadelijk na den aanvang van den oorlog omhoog gegaan, toen
de vermeerdering der fiduciaire middelen nog niet zoo grooten
omvang had genomen. De prijzen der goederen liepen op, omdat
de vraag daarnaar plotseling zeer vergroot werd, zoowel omdat
zooveel meer noodig was, als omdat de voorzichtigheid velen er toe
bracht voorraden aan te leggen, waaraan zij vroeger niet zouden
2

18
gedacht hebben, alsook omdat in den oorlog abnormale prijzen
worden gegeven.
Die behoefte aan een aantal goederen is gedurende den oorlog
nog meer gestegen, zoowel omdat het verbruik zoo buitengewoon
was toegenomen, alsook omdat vernietiging op groote schaal plaats
vond tegelijk met verhindering van productie, waar die vroeger
regelmatig plaats vond. Noord-Frankrijk en Belgi, die in gewone
omstandigheden tot de nijverste deelen der wereld behoorden, rijn
voor de productie bijna geheel uitgeschakeld. Rusland kon bijna
niets meer uitvoeren; in alle oorlogvoerende landen wordt menschenkracht op vreeselijke wijze verspild; er worden voor de ammunitie-aanmaak inillioenen aan ander werk onttrokken; een menigte
schepen rijn met kostbare lading in den grond geboord. De prijzen
van benoodigde artikelen moesten daardoor naar boven vliegen;
daartegenover daalden prijzen van oogenblikkelijk niet noodige,
en anders toch zoo nuttige zaken; laten wij als voorbeeld van dit
laatste aanhalen de steenindustrie waarin de prijzen aanvankelijk
ernstig dreigden te dalen, en later in vergelijking met andere
artikelen niet noemenswaard stegen. Daarnaast ontstond een
groote vermeerdering in de circulatiemiddelen, omdat circulatiemiddelen door de vele contante betalingen zooveel meer vereischt
werden; dit feit staat echter geheel naast de andere factoren en
heeft m.i. maar zeer weinig invloed gehad op de verhooging der
prijzen; eene algemeene inflatie van geld zou alle prijzen omhoog
gebracht moeten hebben; die vermeerdering van fiduciaire middelen sproot niet voort uit eene vermeerdering, uit een ophooping
van kapitaal; rij ontstond in een tijdvak, dat de vernietiging van
kapitaal steeds vreeselijker omvang ging aannemen. Verschuivingen van kapitaal, waardoor een beperkte groep van nouveaux
riches door hunne uitspattingen de minder bedeelden de oogen
uitsteken, mogen niet tot verkeerde gevolgtrekkingen leiden.
De vermeerdering van fiduciaire circulatiemiddelen ontstond
in andere landen, behalve door de groote behoefte aan betaalmiddelen, evenzeer omdat meer crediet gegeven werd, zoowel door de
circulatiebanken aan de Regeeringen en aan een zekere groep van
landsinwoners, maar omgekeerd ook in ongekende mate door het
publiek aan de circulatiebanken. Wij nemen in andere landen herhaaldelijk hetzelfde verschijnsel waar als in Nederland. Is het niet
kenmerkend, dat bijv. de Deutsche Reichsbank kort voor de storting
op de vijfde oorlogsleening een nog nimmer bereikt maximum van

19
Guthaben van meer dan zes milliard Mark heeft gehad, die al vast
bij de Bank door de particulieren waren opgestapeld om te dienen
voor storting op inschrijvingen op de oorlogsleening? Dadelijk na
openstelling van de storting Hepen die Guthaben met ongeveer 3
milliard Mark terug. Hebben die 3 milliard extra, zijnde meer dan
het totaal der obligo's van de Reichsbank vr den oorlog, eene
inflatie van geld beteekend, of zjjn zjj niet veeleer een crediet geweest door het publiek in Duitschland aan de Reichsbank gegeven
in den vorm van een bewaarpost, voortgekomen uit middelen van
provincin, steden, industrielen, enz. enz., welke aan hunne
gewone bestemming zijn onttrokken? Zien wij hier dus niet weder
in Duitschland hetzelfde feit van eene ophooping van middelen,
onttrokken aan hunne gewone bestemming, hetwelk dus welbeschouwd op een stilstand van het normale bedrijf, op een economischen achteruitgang van het land neerkomt? Ook bij de Bank of
England zijn de deposits tegen de betaling op de oorlogsleeningen
tijdelijk sterk opgeloopen.
Maar als dan de prijzen van goederen om andere redenen zijn
gestegen, en die groote vermeerdering van fiduciaire middelen op
zichzelf nog geen inflatie beteekent, waarom mag men dan tot
eene depreciatie van het goud besluiten op het enkele feit, dat tijdelijk een grootere hoeveelheid goud noodig is om quantiteiten van
eenige soorten van goederen te koopen, terwijl integendeel andere
nuttige goederen in prijs zijn gedaald, of althans niet noemenswaard gestegen, omdat de vraag daarnaar tijdelijk verminderd is?
Eene circulatiebank behoort in het land leiding te geven. Indien
nu onder al deze omstandigheden eene circulatiebank zou gaan
decreleeren, dat goud gedeprecieerd is, en zij dus slechts tot lageren
prijs goud wil gaan aankoopen, laadt zij eene zeer zware verantwoordelijkheid op zich. Eene dergelijke handeling mag niet op
eene hypothese berusten; zij moet steunen op feiten, die rotsvast
staan; anders zal zij door hare handeling het toch reeds zoo ontwrichte geldverkeer voor nieuwe moeilijkheden stellen, terwijl zij
juist in vermijding en oplossing van moeilijkheden hare roeping
moet zoeken.
Er is nog een andere reden waarom men zeer voorzichtig moet
zijn met mede den stoot te geven tot de meening als zou goud gedeprecieerd zijn. In den laatsten tijd hoorde men opnieuw van verscheidene zijden beweren, dat crises in het leven worden geroepen
zoowel door een teveel aan kapitaal als door een gebrek aan kapi-

20
taal. Ik geloof, dat het, vooral met het oog op de ondervinding van
den oorlogstijd, van veel meer beteekenis is om te letten op de mate
en de wijze van credief-verleening. De ernstigste financiele crisis
in den oorlogstijd hebben de meeste landen in de eerste weken van
den oorlog doorgemaakt. Toen was kapitaal nog maar zeer weinig
vernietigd, doch toen hoorde men allerwegen om moratoria roepen,
en zijn vele landen ook tot het instellen van een moratorium overgegaan; dit was omdat de oorlog plotseling een stilstand had gebracht
in het internationale geldverkeer, maar in nog meerdere mate,
omdat bijna overal crediet werd ingetrokken. Dit geschiedde door
den particulier, die zijne deposito's opvroeg bij den bankier, ofschoon de particulier dat geld niet eens kon gebruiken; dit geschiedde door de banken, die de uitgezette gelden opvroegen en niet verder
crediet wilden geven; dit geschiedde door het publiek, dat geen
pand- en schuldbrieven meer wilde nemen, en het geschiedde ook
door een deel van het publiek, dat zelfs het vertrouwen in de biljetten der circulatiebanken scheen te hebben verloren en een run op
de 'kassen dier banken veroorzaakte ten einde metaalgeld te bemachtigen. Al die excessen zijn vrij spoedig beindigd, toen de eerste
oorlogs-schrik voorbij was en de menschen weder tot bezinning
kwamen. Het was de psychologie van de massa, die naar een
onlogisch uiterste drong.
In den loop van den oorlog zien wij echter langzamerhand tot
een ander uiterste schrijden; een nieuwe psychologie van de massa
is bereikt: die van een vertrouwen schenken en een crediet-geven
tot vroeger geheel ongekenden omvang. Ten deele was dit noodzaak,
maar aan die noodzaak heeft het groote pubhek zich dan toch
buitengewoon gemakkelijk aangepast. In enkele jarentijdszijn de
Staatsschulden verveelvoudigd, en telkens moesten nieuwe vormen
worden uitgedacht om opnieuw crediet te scheppen. Onder dat
nieuwe crediet behoorde ook de verhooging van de uitgifte der biljetten der circulatiebanken en van de credit-saldi bij die banken; een
vermeerdering dus dier biljetten, zoowel doordat de circulatiebanken
deze in omloop brachten, toen zjj het goud voor het vervolg gingen
vasthouden, alsook doordat het publiek vrijwillig die biljetten verkoos, feitelijk als recu's voor inbewaargeving van ongebruikte
middelen, waarover ik hierboven reeds schreef. Maar vooral de
techniek van crediet-scheppen is gedurende den oorlog overal veel
meer ontwikkeld; juist door de steeds verder voortgaande kapitaalsvernietiging zal ook in de naaste toekomst de kunst van het scheppen,

21
maar ook van het in stand houden van het crediet meer volmaakt
moeten worden; de geheele wereld zal het in de eerste tientallen van
jaren onmogelijk kunnen stellen zonder gebruik te maken van crediet
in veel grooter omvang dan ooit te voren. Aan dat crediet moeten
natuurlijk ten grondslag liggen vorderingen op debiteuren, die men
op den duur vertrouwt; dat crediet zal ook voor een deel gegrond
zijn op tegenwoordige goederen, zoowel roerende als onroerende,
of op goederen, waarvan men met zekerheid kan aannemen, dat zij
alsnog geproduceerd zullen worden. Dat crediet moet echter in de
toekomst voor een deel ook op de waarde van edel metaal blijven
berusten, en dat wel bepaaldelijk het crediet, dat belichaamd wordt
in biljetten der circulatiebanken. Er zal toch eentijdkomep, dat de
houders dier in zooveel grooter hoeveelheid uitgegeven biljetten
deze willen gebruiken om andere praestaties daarvoor te verlangen;
de fabrikanten zullen op den duur die biljetten weder willen omzetten in grondstoffen, welke zij uit het buitenland moeten betrekken; de landbouw zal daarvoor meststoffen uit den vreemde willen
ontbieden, enz. Met die biljetten zullen zij wissels, cheques, of
telegrafische overmakingen op het buitenland willen koopen, en
ongetwijfeld zullen alle circulatiebanken er op bedacht zijn in verhoogde mate de theorie van de gold-exchange toe te passen, en om
de particuliere bankiers in hunnen buitenlandschen wisselhandel
te steunen door tijdig in het buitenland een tegoed te kweeken in
den vorm van een buitenlandsche wisselportefeuille of credit-saldi
in den vreemde.
Juist echter als na den oorlog dat buitenlandsche wisselverkeer
zich zoo sterk zal gaan ontwikkelen, zullen ook op dat punt nieuwe
moeilijkheden ontstaan, hetzij uit een nog tijdelijk voortgezette i
vijandelijke gezindheid, hetzij omdat opeens veel vraag zal zijn I
naar liquide vorderingen op het buitenland (chque of T.T.), terwijl |
bijv. de vorderingen op dat buitenland voor het meerendeel zijn belichaamd in verplichtingen, die eerst na vrij geruimen tijd aflosbaar zijn (n- of meerjarige schatkistbiljetten, obligatin); in
weiken vorm dan ook, het is te verwachten, dat de vraag naar betalingsmiddelen voor het buitenland meermalen het direct beschikbare materiaal zal overtreffen; dan zal echter ook in de toekomst
het goud van zeer groot nut kunnen zijn. Gaat nu eene circulatiebank medewerken om dat, feitelijk tch hoogst geriefelijke,
betalingsmiddel voor de toekomst minder bruikbaar te maken, door
het vertrouwen in de waarde daarvan te ondermijnen, dan zullen

22
de consequentin daarvan in de eerste plaats voor de circulatiebanken zeker zeer ernstig zijn. Als de circulatiebanken niet in staat
zullen zijn ieder aangeboden bedrag harer biljetten om te wisselen
in liquide vorderingen op het buitenland, hoe kunnen z dan van
het publiek verwachten, dat dit op den duur vertrouwen in hare
biljetten zal blijven stellen? Ongetwijfeld zal men tot zekere hoogte
aan de bankbiljetten het karakter van chartaal geld volgens de
theorie van professor Knapp kunnen opleggen, maar dit kan
natuurlijk alleen geschieden in zooverre de binnenlandsche circulatie behoefte aan die biljetten houdt. Krimpt die behoefte in, dan
moet de bank in staat zijn ieder bedrag, dat een teveel zou worden
in de circulatie, terug te nemen, en daartegen een andere waarde
te verschaffen; die andere waarde kan niet steeds zijn vermindering
van zijne schuld bij de bank voor den houder, want zooals wij bijv.
bij De Nederlandsche Bank thans zien, zijn de uitzettingen der
Bank nog nimmer zoo gering geweest. In die omstandigheden zal
goud onontbeerlijk worden; en heeft de Bank dan medegewerkt om
goud te deprecieeren, dan zal haar leed niet te overzien zijn.
De Nederlandsche Bank heeft dus als haar stelregel gehouden,
dat zij nog steeds ieder bedrag aan goud aanneemt tot de volle
waarde van vroeger. Weliswaar is de afrekeningsprijs van het
goud voor den buitenlandschen verkooper gewijzigd, omdat de
kosten van vervoer, assurantie, expeditie, enz. zooveel hooger zijn
geworden; de goudpunten voor in- en uitvoer zijn dus veel verder
uit elkaar liggende dan vroeger. Vr den oorlog was het gouduitvoerpunt voor goud van Nederland naar Engeland ongeveer
12,15; het goudinvoerpunt ongeveer 12,05; sedert den oorlog
zijn deze prijzen steeds aan wisseling onderhevig en de goudpunten
zijn reeds verplaatst geweest naar 4 pCt. hooger en lager, dus naar
12,63 voor uitvoer en 11,57 voor invoer. De goudprijs door de
Bank loco Amsterdam in haar gebouw te betalen, los van al die
bijomstandigheden, is echter steeds dezelfde gebleven. E n het ligt
wel in het voornemen bij die goudpolitiek te volharden, tenzij internationaal zoo nieuwe toestanden op dit gebied zouden worden
geschapen, dat de Bank deze politiek niet meer zou kunnen volhouden. Stel bijv., dat Engeland, Duitschland, Oostenrijk en t.t.q.q.
alle zouden gaan verklaren, dat goud gedeprecieerd is, dan zou
de zooveel kleinere Nederlandsche Bank haar standpunt natuurlijk
niet meer kunnen blijven innemen. De depreciatie van goud, door
de circulatiebanken in Zweden, Noorwegen en Denemarken, en

23
naar verluidt sedert kort ook in Spanje gedecreteerd, heeft tot nog
toe in de zienswijze van De Nederlandsche Bank echter geen verandering gebracht.
Hierbij moet ik echter dadelijk eene andere belangrijke restrictie
maken. Indien De Nederlandsche Bank goud aanneemt, rekent zij
dit voor den vollen prijs af; zij neemt echter volstrekt niet alle goud
aan, dat haar aangeboden wordt. Talrijk zijn de voorstellen geweest uit het buitenland, hetzij om haar goud te zenden, hetzij om
voor hare rekening goud te deponeeren in den vreemde, waarbij
de transactie bestemd was om alleen het belang van het buitenland te dienen. In al dergelijke gevallen heeft de Bank beslist
geweigerd die transactie aan te gaan, en dus het goud afgewezen;
ten einde ook zooveel mogelijk te voorkomen, dat zij indirect toch
werktuig voor buitenlandsche belangen zou worden, heeft zij over
iedere transactie, waarbij haar goud werd aangeboden, volledige
uitlegging gevraagd, en bijeenigen twijfel werd het goud afgewezen.
Dit doet echter niets af aan den grondslag van hare goudpolitiek,
welke dus tot nog toe gedurende den oorlog onveranderd is gebleven.
Hiertegen is de volgende opmerking gemaakt. Vr den oorlog
kon men bij daling der wisselkoersen ieder bedrag aan goud naar
Nederland zenden, onverschillig voor welk doeleinde dit was, dus
ook voor een zuivere valuta-affaire; waar De Nederlandsche Bank
dus thans goud weigert in eenige gevallen, heeft dat goud niet meer
die eigenschap van vroeger, dat het te allen tijde en voor iedere
zaak gebruikt kan worden, en dus zou goud toch door verlies
van deze eigenschap ook ten opzichte van Nederland gedeprecieerd zijn.
Naar mijne meening gaat deze redeneering niet op. Men zou
vr den oorlog er niet aan gedacht hebben zoo groote bedragen
goud naar Nederland te zenden om daarop valuta-zaken te baseeren; thans wil men dat wel doen; men tracht daarmede echter aan
het goud een nieuwe eigenschap op te dringen, die het vr den
oorlog in het internationaal verkeer niet had; men wil door storting
van goud thans een land dwingen tot zaken, welke in vroegeren
tijd niet konden voorkomen, althans niet in dien omvang, en welke
thans het land (in casu Nederland) niet convenieeren. Die nieuwe
uitgebreide macht van het goud wordt door Nederland niet aanvaard, omdat het zich niet wil laten dwingen die ongewone zaken
over zijn territoir te laten gaan. Het is als met militairen; in

24
vredestijd mag een buitenlandsch militair rustig in Nederland
vertoeven; komt thans een militair van n der oorlogvoerende
landen over onze grenzen, dan wordt hij genterneerd. Evenzeer
weigeren wij thans goud, dat bijv. voor bevordering van oorlogsdoeleinden zou worden gebruikt. Het is dus geen weigering van
goud, doch eene weigering om mede te werken aan eene zaak,
waarbij het goud slechts als instrument wordt gebruikt. Een argument voor depreciatie van goud is daarin niet te vinden.
Die goud-quaestie is zoo belangrijk, dat ik eerst nog eens wil
nagaan in welke omstandigheden goud-transacties met of door
Nederland plaats vonden.
De Nederlandsche Bank heeft in het afgeloopen jaar goud aangenomen en ook goud afgegeven. Zij heeft bij uitzondering ook wel
goud aangenomen buiten Nederland in de volgende gevallen.
De Nederlandsche valuta heeft, met uitzondering van den eersten
tijd van den oorlog en in den lateren tijd tegenover eenige neutrale
landen, belangrijk agio gedaan over alle andere devisen. Vooral
ten opzichte van Amerika was dat merkwaardig. Eerst werd vermeend, dat een belangrijk bedrag aan dollars uit Duitschland
afkomstig den dollarkoers in Nederland zoo drukte; dit kan misschien eentijdlang het geval geweest zijn, maar het komt mij voor,
dat de invloed dier Duitsche dollars zeer is overschat. De dollar
heeft zich daarentegen vrij nauw bij den pondenkoers aangesloten;
toen het in. Nederland het laagst stond, is ook de dollar zeer
gedaald; omgekeerd heeft de dollar in Nederland boven het goudpunt gestaan toen het * nog hoog noteerde, en in dien tijd heeft
de onbelemmerde aanvoer van dollars uit Duitschland geen merkbaren invloed op die hooge dollarkoersen gehad. Later is de handel
in Duitsche dollars in Nederland opgehouden, toen Engeland
bezwaar maakte zijn cables voor den handel in Duitsche dollars
ter beschikking te stellen; niettemin is ook na dien tijd de dollar
verscheidene percenten bneden het goudpunt gebleven, en eerst
in den laatsfentijdopgeloopen tot ongeveer 2,4?) 2,47 (vroeger
goudinvoerpunt 2,47 / ).
Die lage stand van den dollar (de laagste stand is geweest op
6 Januari 1916 2,18) gaf aanleiding tot last naar twee zijden.
Vele Nederlandsche zaken hadden vorderingen uitstaan in Amerika;
diamant en bloembollen o.a. worden op zeer langen termijn verhandeld', het was dus ondoenlijk voor de Hollandsche crediteuren om
1

25
raj verval tegen zoo lage koersen die dollars te incasseeren; de
handel in die goederen dreigde verder geheel stil gelegd te worden,
en het is bekend hoevele arbeiders in die vakken hun brood verdienen; hun aantal beloopt vele duizenden. E r was dus een landsbelang mede gemoeid, dat die branches aan den gang werden
gehouden. Daarom heeft De Nederlandsche Bank zich bereid verklaard die saldi, ongeacht hoe laag de dollarkoers ook was gedaald,
tegen een vasten prijs van 2,42 over te nemen, mits naar genoegen der Bank kon worden bewezen, dat die dollar-saldi voortkwamen uit transacties uit den tijd, dat de daling in de dollars
nog niet was ingetreden, en mits die dollar-saldi in Amerika voor
rekening der Bank bij n harer vertegenwoordigers werden gestort
in gouden muntstukken der Vereenigde Staten. Uit dien prijs van
2,42 tegenover de pariteit van + 2,47 / mag men niet opmaken,
dat de Nederlandsche Bank toch het goud als gedeprecieerd beschouwde; immers die prijs werd door haar betaald voor goud in
Amerika liggende, zoodat de Bank voor hare rekening en risico
nam de eventueele kosten van verscheping en assurantie naar
Nederland, en de kosten van bewaargeving in Amerika voor misschien geruimen tijd; de Bank zou in werkelijkheid niet eens in
staat zijn geweest de kosten van een en ander altijd te dekken door
dat verschil in prijs. Daarom werd een ruim gebruik gemaakt van
deze faciliteit, ook door andere zaken dan de bovengenoemde. De
Vereeniging voor den Geldhandel, (de bekende algemeene steunvereeniging, door de bankiers in samenwerking met De Nederlandsche,
Bank in het begin van de crisis georganiseerd), stelde het onderzoek
voor de Bank in, doch in ieder geval verlangde de Bank een volledig
bewijs naar haar genoegen, dat de dollars voor overneming door
haar in aanmerking kwamen.
Nog voor eene andere categorie van vorderingen nam zij in
Amerika goud aan. Nederland is van oudsher altijd sterk genteresseerd geweest bij Amerikaansche zaken, vooral Amerikaansche
spoorwegen, en ook een aantal industriele zaken (bijv. de Steeltrust, de Marinetrust). Een typisch soort van Nederlandsche instellingen zijn de z.g. Administratiekantoren voor Amerikaansche
Shares, ontstaan ter opheffing van de moeilijkheden bij incasseering van de dividenden en bij overdracht van de origineele sharecertificates, die in Amerika steeds op naam staan; ook verscheidene
administratiekantoren zijn ontstaan in een tijd der reorganisatin, toen de share holders werden opgeroepen hunne shares in te
1

26
leveren bij beschermings-comit's; die comit's hebben zich toen
gevormd tot afzonderlijke juridische lichamen, die ook na afloop
der reorganisatie bleven bestaan om de belangen der share holders
waar te nemen. Deze administratiekantoren laten de origineele
shares op haar naam overschrijven en geven daartegen uit in het
Nederlandsch gestelde certificaten, voorzien van dividend- of couponbewijzen, evenals een gewoon effect. Uit den aard der zaak
worden die Hollandsche certificaten alleen door Nederlanders
gehouden; zij zijn alleen in Nederland verhandelbaar. Ofschoon de
Amerikaansche maatschappijen geregeld hare dividenden betaalden, konden de Nederlanders f dat dividend niet toucheeren
wegens de belemmering in postverkeer en wisselmarkt, f slechts
tegen de zeer verlies-gevende dollarkoersen. Een groot effectenbezit in Nederland, waaronder van de meest solide houders, dreigde
dus onverhandelbaar of gedeprecieerd te worden, door oorzaken,
staande geheel buiten de soliditeit der belegging. De Nederlandsche
Bank beschouwde het als een nationaal belang ook onder deze vorderingen hare schouders te zetten, en verklaarde zich bereid die
dividend-vorderingen in dollars over te nemen, indien de administratiekantoren haar konden verzekeren, dat de tot dividend gerechtigden van Nederlandsche nationaliteit waren. Tegen storting van
eagles in New York betaalde zij die vorderingen ook a 2,42 uit
aan de administratiekantoren. Ook van deze gelegenheid is veel
gebruik gemaakt tot groote geruststelling van het beleggend publiek,
zelfs nog toen de dollarkoers boven 2,42 ging, omdat de af rekening door tusschenkomst van de Bank zooveel zekerder was, wat
den koers betreft en ook wel vlotter ging dan door verkoop in de
open markt.
E r is sprake van geweest, dat de Bank ook hare medewerking
zou verleenen voor afrekening van vervallen coupons van obligatin en voor het incasseeren van naar New York verkochte obligatin; natuurlijk ook alleen voor Nederlanders; de groote moeite
hierbij echter was de verzending der stukken, welke in natura naar
Amerika moest geschieden; later is eene afzonderlijke en nog betere
regeling daarvoor getroffen door bemiddeling van de Nederl.
Overzee Trust Mij. en is bovendien de koers boven 2,42 opgeloopen, zoodat De Nederlandsche Bank daarmede verder geen
bemoeienis behoefde te hebben.
De Nederlandsche Bank heeft echter ook goud afgegeven gedurende den oorlog. Toen de koersen in den eersten tijd van den

27
oorlog op Engeland en op Amerika boven het goudpunt stegen,
heeft rij naar die beide landen goud gezonden; de Bank kon die
uitzendingen van goud natuurlijk alleen doen voor eenige zeer
specifiek-Nederlandsche belangen; anders zou de internationale
arbitrage zich dadelijk daarop geworpen hebben, en de Nederlandsche circulatiebank had zich daarbuiten te houden.
Met de Scandinavische landen heeft zich echter in het voorjaar
van 1916 in dit opzicht een zeer merkwaardig incident voorgedaan.
Terwijl de Scandinavische valuta ook vrij geruimen tijd disagio
tegenover Nederland had gedaan, trad in het voorjaar 1916 vrij
plotseling een agio, vooral van Zweden tegenover Nederland, op.
Dit kwam voornamelijk voort uit het feit, dat Engeland n Duitschland in Zweden nog meer disagio deden dan in ons land, en dat
was vooral schadelijk voor leveranties van hout en cellulose, dat
in vermeerdere hoeveelheid uit Zweden werd betrokken, omdat
de andere bronnen door gebrek aan scheepsruimte vrijwel waren
gestopt. Toen cheque van Nederland op Zweden niet meer i n voldoende mate te verkrijgen was, en de Zweedsche koers, (waarvan
de pariteit is 66,67 per 100 Kronen) opliep tot 69 en hooger,
zijnde hooger dan de kosten van vervoer van goud naar Zweden
onder de huidige omstandigheden, wendden de Nederlandsche
handelaars zich tot de circulatiebank om hulp. De Nederlandsche
Bank zegde die hulp onmiddellijk toe, getrouw aan haar stelregel
om. voor werkelijk nationale handelsbelangen de buitenlandsche
koersen ook in dezen tijd zooveel mogelijk te handhaven; en zonder
moeite werd van de Regeering eene uitzondering op het verbod
van gouduitvoer verkregen. De Bank zond eerst een bedrag aan
Scandinavische goudkronen, dat zij nog in voorraad had; dit bedrag
was echter niet voldoende; daarom zond zij vreemd goud, doch
moest ondervinden, dat dit goud in het Noorden slechts onder
disagio werd aangenomen, eerst van 3 pCt., later tot 5 pCt. oploopende. Het was hoogst onaangenaam voor de Nederlandsche afnemers, dat zonder waarschuwing op reeds te goeder trouw van
vroeger bestaande contracten een zoo zware last bij de betaling
werd opgelegd, ten eerste door de verschuiving van het goudpunt
wegens de hoogere vervoerkosten waaraan niemand iets kon
doen doch daarenboven nog door eene eenzijdige verklaring, dat
goud voor zooveel minderen prijs werd aangenomen. Dit leverde
echter nog niet de grootste moeite op; veel lastiger werd het toen
Zweden zelfs ging weigeren om goud aan te nemen; De Neder-

.28
landsche Bank had de gegevens verzameld hoeveel de Nederlandsche
handel en industrie in den eerstentijdte betalen had aan Zweden;
voor het volle bedrag zegde zij hare medewerking toe, en vroeg
ook voor ditzelfde bedrag vergunning aan Zweden om dit in goud
te zenden; slechts ongeveer 50 pCt. van dit bedrag werd door
Zweden toegestaan, zoodat de Bank ook aan den Hollandschen
handel moest melden, dat deze zijne schulden op deze wijze slechts
voor de helft zou kunnen voldoen. Daarop heeft de Bank de partiliere banken in Nederland uitgenoodigd credieten bij de Zweedsche
banken aan te vragen, waarop chque kon worden getrokken; het
meerendeel der Zweedsche banken wees dit verzoek af, omdat zij niet
open stonden voor het bedrijf van accept-credieten; eenige andere
stelden zoo bezwarende conditin in rente of afsluiting-provisie en
onderpand, dat alleen zou mogen bestaan uit Zweedsche schuld,
aldaar gekocht, en dan nog tot zoo onvoldoende bedragen, dat alle
pogingen in die richting moesten worden opgegeven. De eene neutrale
Staat Holland was dus tegenover den anderen neutralen Staat Zweden in de wonderlijke positie gekomen, dat niet n van de in het
moderne handelsverkeer bekende middelen tot betaling in eenigszins redelijke verhouding tot de muntpariteit kon worden gebruikt,
om geen andere reden dan dat Zweden die middelen niet meer
wilde toelaten. Later vernamen wij als reden, dat de depreciatie
van het goud in Zweden was gedecreteerd, op gronden, die wij nog
niet konden beamen, doch dat de daarop volgende weigering, om
zelfs tegen den gedeprecieerden prijs het geheele aangeboden bedrag
aan goud te accepteeren, gegrond was op den wensch om andere
landen te noodzaken goederen in plaats van goud naar Zweden te
sturen ter saldeering van de betalingsbalans. Die vordering was
echter tegenover Holland zeer onbillijk, want Holland had geen
goederen, die voor uitvoer naar Zweden in aanmerking kwamen;
met den besten wil kon het dus aan dien wensch niet voldoen. Niettemin hadden de Zweedsche verkoopers wel hunne goederen naar
Holland verkocht zonder eenige restrictie in dit opzicht; de afwikkeling der zaken werd dus door Zweden belet op grond van een
theoretischen wensch, welker vervulling practisch onmogelijk was!
Door die moeilijkheden liep intusschen chque Zweden tot 75 op,
zijnde een agio van ongeveer 15 pCt, en De Nederlandsche Bank
stond machteloos daartegenover; het verkeer met Zweden dreigde
geheel te worden stop gezet.
Toch is er spoedig eene oplossing gekomen, langs een weg, waar-

29
aan Nederland echter part noch deel heeft gehad. Blijkbaar kwam
kort daarna een valuta-regeling tusschen Engeland en Zweden tot
stand; immers onverwacht steeg de wisselkoers van Engeland zooveel ten opzichte van Zweden, dat het weder mogelijk werd via
Engeland te arbitrageeren tot koersen niet ver boven en spoedig
zelfs beneden het goudpunt van den dag; Nederland betaalde
daarop vlot zijne schulden aan Zweden via Londen.
In het geheele verloop dezer zaak lag iets onbevredigends. Dat
oorlogvoerende Staten het geldverkeer onderling afsnijden, is eene
onaangename consequentie van de wederzijdsche vi^debjke gezindheid; maar dat het geldverkeer wordt afgesneden tusschen twee
neutrale, over en weer volkomen bevriende Staten alleen op grond
van overwegingen, waarvan de juistheid nog zeer aanvechtbaar is,
stemt toch tot nadenken. Daardoor wordt de algemeene verwarring
grooter dan eigenlijk wel noodig geweest zou zijn.
Nederland kwam tot zekere hoogte terzelfder tijd tegenover
Amerika in dezelfde positie te staan. Amerika had als ieder ander
jaar tabak in Nederland gekocht, en wilde deze ook betalen. De
gulden deed evenwel agio tegenover den dollar, en dit agio was
belangrijk grooter dan de tegenwoordige kosten van verzending
van goud bedroegen. De Amerikanen wilden zich van hunne zijde
niet bij dit agio nederleggen, waarin zij van hun standpunt volkomen gelijk hadden. Zij wilden ook niet begrijpen, dat tegelijk met
dien grooten geld- en goudovervloed in Amerika, en terwijl de Amerikaansche valuta' verder over de geheele wereld agio deed, de dollar
niettemin tegenover het kleine Holland was gedeprecieerd. Zij
verklaarden dus eerst niet meer dollars voor den gulden te willen
geven dan vroeger; daarmede zou de ongunstige 'koers ten laste
van den Hollandschen verkooper gekomen zijn, die in guldens had
verkocht; begrijpelijkerwijze was deze hiertoe niet geneigd. Toen
stelden de Amerikanen voor, dat zij dollars in Amerika zouden
deponeeren ten behoeve van De Nederlandschen Bank, desverlangd
in den vorm van goud. Waar het hier gold eene verplichting van
Amerika om te betalen en het feitelijk een zuiver Amerikaansch
belang gold, kon De Nederlandsche Bank ook in dat voorstel niet
treden. Daarna bood Amerika aan goud naar Nederland te verzenden, dat natuurlijk bij De Nederlandsche Bank terecht moest komen.
De Nederlandsche Bank verklaarde daarop, dat zij er niet zeer op
gesteld was dit goud te ontvangen, nu zij reeds een zoo grooten
voorraad had; had De Nederlandsche Bank in deze omstandigheden

30
eenvoudig dat goud geweigerd, dan zou voor Amerika tegenover
Holland ten slotte dezelfde positie geschapen zijn, waarin Nederland
tegenover Zweden tot zijn ongerief was gekomen. De Dank achtte
dus, dat zij die houding niet mocht aannemen. Zij trad daarom in
nader overleg met verschillende Nederlandsche bankiers, en stelde
dezen voor zich bereid te verklaren tot het geven van een acceptcrediet aan Amerikanen, waarop per drie maanden in guldens kon
worden getrokken, en de Bank verklaarde zich bij voorbaat bereid
dergelijke wissels zonder eenige aarzeling in disconto te nemen,
mits zjj de origine van die wiseels kon vaststellen, en dus zeker
wist, dat die wissels dienden voor betaling van gekochte tabak, en
niet voor verkapte oorlogscredieten door tusschenpersonen langs
dien weg kunstig in elkaar gezet; bij verval zouden die wissels
meermalen kunnen worden verlengd, indien de koers nog niet
normaal geworden zou zijn. Die wissels werden bij voorbaat door
de bankiers aan de Bank opgegeven, en zn in de plaatselijke
di8Contomarkt een begeerd object van belegging geworden, omdat de
makelaar bij de plaatsing voor particulier disconto aan den nemer
de verzekering kon geven, dat de Bank die bij behoefte grifweg
disconteerde. Door de ruimte in de liquide middelen der banken
werden die wissels nagenoeg niet bij de Bank ondergebracht; de
bereidverklaring van de Bank om aan deze regeling mede te werken
heeft echter dit betalingsmiddel voor Amerika volledig ter beschikking gesteld. Voor de Nederlandsche wisselmarkt was bovendien
die regeling zeer aanbevelenswaardig, omdat accept-crediet mits
goed gedekt, daardoor ontwikkeld kon worden als een gezonde tak
van bedrijf voor de particuliere banken, en omdat het wisselmateriaal vermeerderd zou worden met reele handelswissels. Voor het
geval dit accept-crediet niet georganiseerd had kunnen worden,
had de Bank zich subsidiair bereid verklaard om ter betaling
dier transacties goud in Nederland voor den vollen prijs aan te
nemen.
Er waren echter nog andere omstandigheden, welke goudzendingen tegenhielden; immers Engeland legde zeer vele moeilijkheden
aan goudzendingen in den weg uit vrees, dat dit goud of de tegenwaarde daarvan, naar het vnandelijke land zou gaan, een vrees die
volkomen ongegrond was door de voorzorgsmaatregelen van De
Nederlandsche Bank om zich bij aanbieding van elke hoeveelheid
eerst te vergewissen van de oorzaak van de transactie. Ondanks al
die belemmeringen is dus het geldverkeer tusschen Amerika en

31
Nederland toch ook van de zijde van Amerika open gebleven. De
latere stijging van den pondenkoers en ook van den dollarkoers, als
een gevolg van de rijzing van het sterling, omdat de dollar in
Londen op een vasten koers, 4,76Va, werd gehouden, maakte
later de afdoening ook langs den weg van arbitrage weder gemakkelijker.
Zooals men ziet heeft de goudquaestie een groote rol gespeeld
in de geschiedenis van De Nederlandsche Bank gedurende het afgeloopen jaar; het was echter niet alleen de quaestie van al of niet
afwikkeling in goud, doch ingevolge de hevige daling der buitenlandsche wisselkoersen in Nederland is de Bank nog in meer zaken
gemengd, welke anders geheel buiten haar sfeer van actie zouden
hebben gelegen. Die zaken waren o.m. de volgende:
Reeds boven hebben wij uiteengezet, dat Nederland met het oog
op zijn volksbestaan wel genoodzaakt was om uit te voeren. Een
typisch voorbeeld van een bedrijf, dat zonder uitvoer in ons land
niet kan bestaan, is de varkens- en de runderteelt. De voedingsmiddelen voor het vee moeten voor een groot deel uit het buitenland
worden betrokken en zijn zoo buitengewoon in prijs gestegen, dat
de boer niet zonder meer zijn varkens en ander vee kon blijven
voeren; hij kon dat voer alleen betalen uit de winsten te maken
uit export van jonge dieren; zou die export voor langen tijd worden
stop gezet, dan had de teelt dus niet voortgezet kunnen worden en
zou er niets anders overblijven dan ook de moeder- en vaderdieren
te slachten. De geslachte dieren zouden weliswaar gedurende eenige
maanden het eigen land van voedsel voorzien hebben, doch na
afloop dier maanden zou ook in het eigen land een vleeschnood
kunnen ontstaan. Daar verschillende landen om ons heen behoefte
aan die dieren hadden, werd bij herhaling de export voor die
soorten van vee weder door de Regeering toegestaan na overleg
deswege met die vreemde landen. Die exporten waren bovendien
noodig voor Nederland om ten deele daartegen in ruil te verkrijgen
de grondstoffen, welke het absoluut noodig had om zijn bedrijfs- en
maatschappelijk leven voort te zetten.
De uitvoer bleef echter den invoer overtreffen, of was althans
niet in staat de groote daling in de wisselkoersen op te heffen; de
betaling door het buitenland aan Nederland bleef dus, ondanks die
internationale regelingen van im- en export, groote bezwaren
medebrengen. Dientengevolge kwamen dringende vertoogen uit alle
landen om ons heen om regelingen te treffen, dat die uitvoer niet

32
contant zou worden betaald, doch met wissels, Staatsbiljetten en
ander dergelijk papier, meestal door speciale garanties van buitenlandsche banken versterkt. Die garantie van de bankiers voor het
buitenlandsche Staatspapier werd niet gevraagd omdat de solvabiliteit van dat Staatspapier niet werd erkend, maar omdat het in
dezen oorlogstijd zeer moeilijk was alleen met den buitenlandschen
Staat eene transactie aan te gaan. Ten eerste toch wilde men vermijden met een oorlogvoerenden Staat direct zaken te doen, terwijl
het doen van zaken met banken in het buitenland veeleer eene
voortzetting was van vroegere relatin; maar bovendien zou een
vreemde Staat met zijn hoogheidsrecht als Staat misschien aan zijne
crediteuren nieuwe bepalingen kunnen of moeten opleggen, welke,
indien bekend bij den aanvang, de transactie onmogelijk zouden
gemaakt hebben; door de garantie of medeteekening der banken in
het buitenland had men dus bovendien alle waarborgen volgens
het gewone recht, voortspruitende uit verbintenissen tusschen
particulieren onderling.
Er moesten dus verschillende organisaties worden getroffen, dat
die credieten, vervat in die buitenlandsche wissels, Staats-schuldbrieven, of andere voorschotten tegen effecten-onderpand, in Nederland werden omgezet in contant geld, ten einde de leveranciers dier
uitgevoerde producten in contanten te betalen. Die leveranciers
behoorden toch voor het meerendeel tot de boeren en kleine tuinders, die niet in staat waren credietpapier voor hunne leveranties
in betaling aan te nemen. De groote banken en bankiers in ons
land namen daarom de financiering van dat credietpapier op zich,
veelal in onderlinge samenwerking; doch ook deze konden dit
slechts doen indien zjj achter zich hadden de circulatiebank om de
gelden te verschaffen, welke zij niet meer door plaatsing dier
wissels, enz. in de open markt konden verkrijgen, of die zij overigens noodig hadden om hun eigen Uquiditeit als bankinstelling te
behouden. De Nederlandsche Bank werd daarom, weliswaar niet
direct, maar indirect via de bankiers in alle belangrijke credieten
aan het buitenland betrokken, en menige scherpzinnige, juridische
constructie moest worden uitgedacht om telkens weder de medewerking der circulatiebank aan die credietzaken met het buitenland
mogelijk te maken. Bij al die regelingen was de Bank niet alleen
bereid die stukken onder medeteekening van de Nederlandsche
bankiers in hare portefeuille toe te laten, doch ook trachtte zjj de
plaatsing dier wissels, enz. in de open markt mogelijk te maken

83
door zich bereid te verklaren van iederen verderen Nederlandschen
houder, die voor het doen van zaken met de circulatiebank in aanmerking zou kunnen komen, op bepaalde voorwaarden die stukken
in disconto of in onderpand voor voorschotten in rekening-courant
te nemen.
Ook in deze nieuwe richting werd dus de circulatiebank het
centrale lichaam voor het geheele land; zonder haar steun zouden
die regelingen onmogelijk tot stand gekomen zijn; zij werkte evenwel slechts mede in die gevallen, waarin de afsluiting der zaak
een nationaal Nederlandsen belang was te achten.
Vele en veelsoortige zaken werden op die wijze geregeld, zoowel
de financiering van producten van eigen bodem als van de Kolonin
betreffend. De moeilijkheid van den wisselkoers werd dan opgelost
door die wissels, Staatsschuldbrieven, of voorschotten op onderpand, vast te stellen in Nederlandsche guldens, of ook wel in
vreemde valuta, maar dan met een gegarandeerden koers, in
Nederlandsche guldens vrijwel overeenkomende met de vroeger
bestaan hebbende wisselpariteit.
De termijnen van die credieten werden steeds vrij kort genomen,
van n of hoogstens enkele jaren, in de hoop, dat bij verval van
het crediet de wisselkoers op Holland weder tot meer normale
cijfers zal zijn terug gekeerd.
Bij eenige zaken wilde het buitenland zich reeds voor de toekomst
de mogelijkheid voorbehouden die vordering in Nederlandsche
guldens in goud af te dekken; De Nederlandsche Bank heeft zich ook
hiertoe in principe bereid verklaard onder het voorbehoud, dat de
circulatiebank in het andere land op dat tijdstip ook nog steeds
bereid zou zijn goud ter saldeering van internationale betalingen
aan te nemen. Het voorbeeld der Scandinavische Banken, om op
een gegeven moment geen goud meer aan te nemen, was de oorzaak
voor het wederzijds treffen van deze speciale voorzorg. De Nederlandsche Bank heeft gemeend door deze houding mede te werken
om de stabiliteit in de internationale valuta's in het algemeen
belang zoo spoedig mogelijk weder te herstellen.
Op gelijksoortige wijze heeft De Nederlandsche Bank ook medegewerkt om oude saldi in ponden sterling in Nederlandsche handen
weder liquide te maken na den grooten val van den koers van het
in Nederland. Op 6 Januari 1916 was de koers zelfs gevallen
tot lOjlQ ^ tegenover een normale pariteit van 12,107. Evenals
hierboven uiteengezet ten aanzien van de zaken met Amerika
1

34
dreigde die teruggang in den Engelschen koers tot groote moeilijkheden aanleiding te geven; er waren verscheidene zaken, welke
allengs haar geheele maatschappelijk kapitaal en meer in die
-saldo's vastgehouden zagen; zij konden dus die saldi niet realiseeren tegen den lagen koers op gevaar af zeer ernstige verliezen
te lijden, waarmede het bestaan der maatschappijen zoude gemoeid
zn; de stroocartonfabrieken bijv. in het Noorden des lands moeten
in een jaartijdseenige malen haar kapitaal omzetten; zij leveren
voornamelijk naar Engeland op contracten, die reeds lang vr
den oorlog bestonden, en de levering geschiedde natuurlijk tegen
een prijs in ponden sterling; die fabrieken zouden op den
duur de zaak niet hebben kunnen voortzetten, indien niet
eene oplossing gevonden ware om het nadeel van die koersdaling
te ontgaan.
De suikeroogst uit Nederlandsch-Indi wordt in den regel voor
een zeer groot gedeelte gefinancierd door middel van bankaccept
in Londen; alle in Nederlandsch-Indi gevestigde banken nemen
als hun regelmatig bedrijf groote bedragen van die suikerwissels
op Londen over; bij afloop van die wissels verkregen de banken nu
wel een groot tegoed in Londen, maar zij konden dat natuurlijk
niet realiseeren tegen een verlies, dat tijdelijk zelfs 10 a 14 pCt.
op den pondenkoers beliep. Voor enkele instellingen zou dit over
een niet overmatig bedrag van gefinancierde suikerwissels een
verlies van hare geheele reservefondsen hebben beteekend, alleen
wegens het koersverschill Er waren dus groote belangen zoowel
voor Nederland als voor Nederlandsch-Indi mede gemoeid om
eene oplossing voor die moeilijkheid van koersverlies te vinden.
Gedurende verscheidene maanden werd naar eene oplossing van
dit probleem gezocht, welke voor alle wederzijdsche partijen aannehjk zou zijn; eindelijk werd die oplossing op de volgende wijze
gevonden. Engeland zou een gedeelte dier saldi in goud betalen,
welk goud door De Nederlandsche Bank voor den vollen prijs
werd overgenomen; het grootste gedeelte werd echter afgelost door
omzetting van het saldo in Engelsche treasury bills. Deze treasury
bills luidden wel is waar in , maar de betaling in Nederland
werd, ook blijkens eene medeteekening van de Bank of England
in dorso, op den vervaldag gegarandeerd in Nederlandsche guldens
tot den koers van 12. het . Indien de Nederlandschen houder
betaling in guldens wil ontvangen, moet hij veertien dagen voor
verval den wensch hiertoe te kennen geven aan eene bankiersfirma

35
te Amsterdam, die voor dit doel als vertegenwoordigster der Bank
of England in Nederland zal optreden.
De saldi werden aldus omgezet in een verhandelbare Engelsche
treasury bill met vasten koers, die op de wisselmarkt verder
verkocht kon worden, terwijl De Nederlandsche Bank zich bij voorbaat bereid verklaarde ieder bedrag dier treasury bills, uit deze
regeling voortspruitende, als onderpand voor een voorschot in
rekening-courant te willen aannemen van iederen Nederlander,
die voor het doen van zaken met de Bank in aanmerking zou
kunnen komen.
Nauwkeurig is nagegaan welke saldi voor deze omzetting in
treasury bills in aanmerking kwamen, en de vaststelling daarvan
is geschied door de Vereeniging voor den Geldhandel in overleg
met De Nederlandsche Bank. De Bank heeft aanteekening gehouden
van de nummers en verdere kenteekenen dier op grond van deze
regeling afgegeven bills, daar de Bank de medewerking harerzijds
natuurlijk wilde beperken tot de afwikkeling dier Nederlandsche
saldi in Engeland. Had de Bank die beperking niet gemaakt, dan
zou er kans ontstaan, dat ook andere treasury bills als een verkapte
oorlogsleening bij haar ondergebracht konden worden. Tegen
dergelijke pogingen, van welk land dan ook afkomstig, heeft de
Bank zich voortdurend met kracht verzet.
De moeilijkheid der koersdaling op Engeland bleek daarmede
ten aanzien van die zaken voorloopig opgelost te zn. Wegens de
geldruimte in Nederland zijn tot nu toe maar weinig van die bills
bij de circulatiebank terechtgekomen; zij waren een in de discontomarkt gezocht object, omdat ieder wist, dat hij met deze wissels
in geval van nood bij de Bank terecht kon komen. Vele koopers in
de markt namen echter de voorzorg zich vr den aankoop bij de
Bank te vergewissen of de aangeboden nummers inderdaad onder
deze regeling vielen.
Ook nog in andere vormen is de financiering van betalingen
van het buitenland aan Nederland tot stand gekomen, en in den
lateren tijd vooral meer in den vorm van een geconfirmeerd wisselcrediet, waarvoor meestentijds nog afzonderlijk onderpand werd
gevraagd; aldus hebben die regelingen ook nog in menig ander
geval de oplossing gebracht van zeer moeilijke vraagstukken, door
de valutaquaestie ontstaan, en steeds stond De Nederlandsche Bank
achter die regelingen, doch ook steeds uitsluitend indien een werkelijk Nederlandsen nationaal belang daarmede gemoeid was. Boven1

36
dien heeft De Nederlandsche Bank daarmede haar neutraal standpunt tegenover alle oorlogvoerende landen kunnen handhaven.
Het resultaat van al die regelingen was echter ook, dat Nederland
in den loop der jaren tot belangrijke bedragen crediet aan inwoners
van alle omliggende Staten is gaan geven, rij het dan ook niet uit
eigen initiatief, doch beslist zonder voorkeur van het eene land
boven het andere; ook aan neutrale landen heeft het voorschotten
gegeven, als bijv. aan de Amerikaansche tabakskoopers in den
vorm van accept tegen geconfirmeerd crediet, zooals boven uiteengezet. Een en ander had dus tot gevolg, dat de geld- en credietmarkt in Nederland zich op ongewone wijze ging ontwikkelen. De
discontomarkt in Nederland, welke vr den oorlog op bedenkelijke
wijze was ingezakt, door gebrek aan eerste-klasse Nederlandsche
en buitenlandsche handelswissels, heeft dientengevolge eene groote
bedrijvigheid en nieuwe kracht gekregen; de Nederlandsche gulden
is van veel meer beteekenis geworden op d internationale gelden wisselmarkt; dit zal vooral nog duidelijker blijken, indien na
beindiging van den oorlog de wisselmarkt internationaal naar alle
zijden weder vrij geworden zal zijn.
En der voorspellingen in mijn Grotius-artikel van het vorige
jaar is daarmede reeds ten deele bewaarheid, en ik verheug mij
van harte daarover, daar de beteekenis van Nederland als zij
het dan ook secundair centrum van het internationale geldverkeer daarmede ongetwijfeld verhoogd is. Het is dan ook stellig te
hopen, dat de Nederlandsche bankiers ook hunne roeping verder
in die richting zullen begrijpen, en door eene eenerzds voorzichtige, doch anderzijds vooral niet te bekrompen bankpolitiek,
ieder in hun kring zullen medewerken om voor Nederland die
slechts uit vroeger eeuwen bekende positie wederom te verwerven
en deze in de toekomst ook te behouden. Jk herhaal nog eens wat
ik ook reeds elders verklaarde: ik wil mij niet aan dwaze toekomstdroomen te buiten gaan; wij moeten niet denken, dat Nederland
de plaats van Londen zal gaan innemen, maar Nederland is wel
geroepen om internationaal een veel belangrijker rol op het gebied
van het geld- en wisselverkeer te gaan spelen dan in de laatste
decaden voor den oorlog, of beter nog de geheele voorgaande eeuw;
die rol wordt zelfs door de omstandigheden en door de vreemde
landen aan Nederland opgelegd; moge het dan ook genoeg zelfbewust zijn, genoeg durf en helder inzicht hebben om met waardigheid die rol te vervullen.

37
In hooge mate merkwaardig is het hoe de circulatiebank daaraan
kan medewerken, de kern, de ruggegraat voor al die zaken en
regelingen kon worden, zelfs in die gevallen, uit welker regeling
nauwelijks n stuk ten slotte hare portefeuille bereikte, omdat
disconteeren of het opnemen van geld op onderpand wegens de
geldruimte van den lateren tijd slechts in geringe mate noodig was.
De omvang van die credietregelingen met het buitenland is echter
mede oorzaak geweest, dat de geldruimte in Nederland niet ontaard
is in eene inflatie van geld.
Ook om die rden is er naar mijne overtuiging nog geen grond
om zich ongerust te maken over de groote vermeerdering van
den goudvoorraad bij De Nederlandsche Bank; wij worden niet
begraven onder het goud; het gele metaal is nog geen last voor
ons geworden; onze taak is grooter, uitgebreider geworden;
die grootere omvang van credieten, van het accept-crediet, dat
Nederland verleent en dat nog voor veel uitbreiding vatbaar is, zal
medebrengen, dat de circulatiebank bij tijden zal geroepen worden
om in veel grooter mate dan vroeger steun te verleenen; hare
emissiekracht moet dus ook grooter zijn, en de toeneming van den
goudvoorraad levert in verband met haar geheele systeem van
bankpolitiek ook eene vergrooting van hare elasticiteit.
Haar systeem heeft nu sedert meer dan vijftig jaar goed, zelfs
steeds beter gefunctioneerd; er moeten dus wel zeer bijzondere
redenen zijn om met recht te kunnen beweren, dat dit systeem veranderd zou moeten worden. Zijn die redenen aanwezig? Indien
men het munt- en banksysteem van Nederland en ook van de
Nederlandsen-Indische kolonin sedert de laatste vijftig jaren
nauwkeurig bestudeert, zal men m.i. niet tot die conclusie kunnen
komen; integendeel.
Op verzoek van Duitsche zijde heb ik de muntpolitiek van onze
O.-I. kolonin in een afzonderlijk artikel kortelijks beschreven;
waarschijnlijk zal dit artikel binnenkort in een der Duitsche tijdschriften verschijnen. De muntpolitiek van Nederland in Ned.
Oost-Indi is zoo merkwaardig geweest, dat ik meen goed te doen
daarop nog eens bepaaldelijk de aandacht te vestigen; om die reden
laat ik dat artikel in den vorm van eene bijlage als aanhangsel van
dit betoog over de toestanden in Nederland volgen, omdat Nederland bij zijn eigen muntpolitiek ook steeds het oog op zijne kolonin

38
heeft moeten houden en het Nederlandsche stelsel dus zonder het
Nederlandsch-Indische niet goed te begrijpen is. Uit die nadere
bestudeering kan blijken, dat Nederland, ondanks zijne jarenlange
aarzeling om na 1870 het goud als standaard aan te nemen, ten
opzichte van het meer en meer gebruikelijke z.g. gold-exchangesysteem zelfs de pionier is geweest zoowel voor Europa, als, voor
zoover zijne kolonin betreft, voor het geheele Oosten. De wijzigingen
in de muntpolitiek sedert den oorlog in de oorlogvoerende landen
gebracht, en welke nog voor geruimen tijd in de toekomst gevolgd
zullen moeten worden, rijn welbeschouwd in Nederland en zijne
kolonin reeds sedert 1875 als een vast stelsel toegepast. Met het
oog op het verband met het volgende wil ik daarom hier ter plaatse
slechts enkele woorden aan deze zaak wijden.
Terwijl de andere landen hun kracht hebben gezocht in een
grooten omloop van goud in de binnenlandsche circulatie, heeft
Nederland dat om verschillende redenen nimmer gedaan; het
Nederlandsche muntwezen is deswege in den vreemde niet altijd
even welwillend beoordeeld. Het volk heeft zich echter zoozeer
daaraan gewend, dat zelfs pogingen om goud in de circulatie te
persen, niet met succes bekroond werden. Toen De Nederlandsche
Bank eentijdlang op al hare kantoren het goud ongevraagd afgaf,
kwam het even snel weder bij de kassen terug. In Oostenrijk en in
Zweden is dit evenzoo het geval geweest. Nederland bezat dus
steeds weinig eigen gouden tienguldenstukken; de goudvoorraad
werd steeds bij de circulatiebank geconcentreerd en bestond gewoonlijk voor het grootste deel uit goud in baren en buitenlandsch
gemunt goud.
Die concentratie van goud bij de circulatiebank in Nederland
geschiedde ook op grond, dat het muntstelsel voor rijne kolonin
sedert 1854 hetzelfde is als voor het moederland, voor zooveel de
grove munten betreft. In de kolonin is goud-circulatie nog minder
mogelijk gebleken dan in het moederland; als Aziatisch land heeft
Nederlandsch-Indi steeds in de eerste en voornaamste plaats
behoefte aan zilveren munten gehad. Na de aanneming van goud
als standaardmunt voor Nederland bij de wet van 6 Juni 1875
waarmede de Nederlandsche zilver-gulden op een gouden basis
kwam, was dus Nederlandsch-Indi vanzelf ook tot den goudstandaard overgegaan, zijnde aldus het eerste land in Azi, dat het
goud als grondslag voor rijn muntwezen had aangenomen; zeer
langen tijd is het ook het eenige goudland in Azi gebleven, tot

39
sedert 1897 Japan en sedert 1898 successievelijk ook Britsch-Indi,
de Philippijnen en de Straits-Settlements hun muntwezen op
goudbasis brachten. Nederland had dus niet alleen den goudstandaard van zijn eigen land, doch ook van zijne kolonin te
handhaven.
Het muntwezen in Nederland, maar vooral in NederlandschIndi, is sedert 1875 wegens ontbreken van eene circulatie van
goud, dus welbeschouwd niet op een zuivere gouden basis (of op
een hinkenden standaard, zooals men vroeger gaarne zeide), doch
op een variant van den goud-standaard gegrond geweest, een
variant in de latere jaren bij voorkeur betiteld met den naam van
gold-exchange-standaard". Zeer in het kort gedefinieerd wordt
onder den gold-exchange-standaard verstaan een stelsel, waarbij
goud niet in het land in omloop is, doch de circulatie uitsluitend
bestaat in zilveren teekenmunt, staatsmuntpapier en bankpapier,
dus alles fidudair geld, gegrond op eene nominale goudwaarde, en
waarvan de pari-waarde tegenover het buitenland wordt gegarandeerd door goudwaarde in het buitenland ter beschikking te stellen
tegen inbetalinggeving dier fiduciaire circulatiemiddelen, hetzij
door goud in natura voor uitvoer af te staan, hetzij door chque
in buitenlandsche goudvaluta af te geven; om dit laatste mogelijk
te maken, houdt de circulatiebank een tegoed in het buitenland aan,
en eene portefeuille van buitenlandsche wissels, welke aldaar door
disconteering onmiddellijk in een tegoed kan worden omgezet.
Depreciatie van het bmnenlandsche fiduciaire betaalmiddel wordt
dus onder meer voorkomen door ieder teveel in de circulatie dadelijk
op te nemen en desgewenscht in goudwaarde op het buitenland om
te zetten.
De Europeesche circulatiebanken zijn dit stelsel in de laatste
jaren vr den oorlog steeds meer gaan toepassen, door het aanleggen van een buitenlandsche wisselportefeuille; zij hielden daarnaast echter een groote goudcirculatie in het land in stand.
Oostenrijk-Hongarije maakte daarop eene uitzondering, en had
reeds sedert ongeveer 25 jaar eenzelfde stelsel als Nederland
aanvaard. In den oorlog hebben echter alle aan den krijg deelnemende landen het goud op allerlei wijzen naar de circulatiebanken
getrokken, en thans wordt het zelfs in die landen als een verzaken
van burgerplicht beschouwd, indien men goudgeld in particulier
bezit wil houden; zelfs dwangmaatregelen zijn genomen om het
goud naar de circulatiebank te doen toevoeren. De eenige houders

40
van goud in die landen zijn dus de circulatiebanken geworden, en
deze houden dit goud onder hare hoede tot waarborg van het
binnenlandsche geldverkeer, na dien alleen bestaande uit zilveren
teekenmnt en fiduciair papier (in al deze beschouwingen verwaarloos ik de pasmunt als ter zake van geen belang). De Duitschers
aoemen dit nieuwe systeem thans Gold-Kern-Standard.
Dit goud kan echter ook dienen voor verzending naar het buitenland, ten einde internationale schulden met dat metaal te voldoen,
zoodra andere betalingsmiddelen tusschen de landentijdelijkontbreken. Ten einde echter zoo min mogelijk tot goudverzending
genoodzaakt te worden, hebben de circulatiebanken eene buitenlandsche wisselportefeuille aangelegd, door middel waarvan zij
chque op het buitenland kunnen afgeven; en men verneemt nu
reeds, dat men in verschillende landen na den oorlog zich vooral
op de toepassing van dit stelsel verder zal gaan toeleggen. Wat de
Duitschers dus thans Gold-Kern-System noemen, is dus wel
beschouwd niet anders dan wat reeds vr dien tijd onder den naam
van gold-exchange-systeem vooral in het Oosten bekend was.
Welnu, Nederland en Nederlandsch-Indi hebben sedert 1875
dien gold-kern-standaard en gold-exchange-standaard steeds toegepast, zij het dan ook in de latere jaren eerst meer doelbewust
als een uitverkoren stelsel, en zij hebben zich uitstekend daarbij
bevonden.
Terwijl ik voor dit merkwaardige geschiedkundige feit verwijs
naar het afzonderlijk artikel, als bijlage bij deze beschouwingen
gevoegd, wil ik er hier aan herinneren, dat Nederlandsch-Indi zijn
muntstelsel, dat vr 1845 wanhopig verward was, na 1845 op
zeer logische wijze binnen korten tijd heeft veranderd in een
practisch en rustig muntstelsel; die hervorming was in 1854 in de
hoofdlijnen voltooid, afgezien van eenige plaatselijke misstanden,
die om bijzondere redenen zelfs thans nog niet geheel uit den weg
geruimd zijn. Dit neemt echter niet weg, dat in het algemeen
Nederlandsch-Oost-Indi sedert 1854 een buitengewoon rustige en
gelukkige muntpolitiek heeft gehad te midden tusschen de groote
muntzorgen, waaronder de omliggende Aziatische landen, kolonin
en zelfstandige staten, nog vele jaren hebben geleden.
De bestudeering van dit stuk muntgeschiedenis wordt thans van
het hoogste belang met het oog op de plannen in verschillende
Europeesche landen, die, gedwongen door den oorlogstoestand, op
wijziging van hun muntstelsel bedacht zijn.

41
Vooral in Duitschland is in de laatste jaren een vrij heftige
gedachtenstrijd over deze muntquaestie ontbrand. Reeds sedert
1905 heeft Professor G. F . Knapp met zijn bekend werk: Die
Staatliche Theorie des Geldes" de leer verkondigd, dat bet geld,
in een land gebruikt, zijne waarde feitelijk alleen ontleent aan het
charter, dat van overheidswege aan de geldmiddelen het karakter
van geld verleent; dit zou niet alleen met fiduciair geld en teekenmunt het geval zijn, doch zelfs met gouden munten, welke een eigen
volle intrinsieke waarde hebben; ook die gouden munten zouden
slechts krachtens een wettelijk voorschrift het karakter van geld
verworven hebben. Professor Knapp heeft vele aanhangers van
deze z.g. nominalistische theorie gekregen, en daaronder, zooals
het dikwijls gaat, verscheidene die veel verder gaan dan de leermeester. Professor Knapp erkent ook wel degelijk het groote nut
van het goud voor het internationale verkeer; nu de oorlogstoestand
het voor Duitschland wenschehjk gemaakt heeft het goud uit de
circulatie te nemen en bij de Reichsbank te concentreeren, staat
een nieuwe groep schrijvers op, die hieruit afleiden, dat de oude,
z.g. metallistische school (welke de waarde van het geld afleidde
uit de innerlijke goudwaarde der muntstukken of voor zoover
fiduciair geld betreft uit de goudwaarde, welke tegen deze fiduciaire
hulpmiddelen in reserve werd gehouden) tbans geheel heeft afgedaan, en dat het goud geen rol meer speelt. Zij spreken van de
onttroning" van het goud, en gaan zelfs z ver van te beweren,
dat de goudvoorraad bij de circulatiebank eene rentelooze en nuttelooze massa is, die voor de circulatie in het binnenland niet meer
noodig is, ook niet als dekking voor bankbiljetten, enz. omdat tijdens
den oorlog de nominalistische theorie van het chartale geld de
overwinning heeft behaald; maar ook voor het buitenland achten
zij het onnut, omdat volgens hen de buitenlandsche valuta-politiek
in de toekomst op geheel andere wijze moet gevoerd worden. *) Voor
het internationaal geldverkeer willen zij dan zeer in het uitgebreide
de politiek toepassen van het creeren van saldi tegoed in het
buitenland, zooals die eigenlijk in het gold-exchange-systeem is
belichaamd, maar dan bovendien met afschaffing van het goud als
n der middelen tot betaling; het moet dus niet meer een gold*) Dat het tegenwoordige bestuur d Duitsche Rijksbank nog heel anders
daarover denkt, kan o.a. blijken uit het jaarverslag over 1916, alwaar het op
bl. 11 spreekt van Der Goldbestand der Reichsbank", als das feste Rckgrat
ihres Status".

42
exchange-systeem, maar een exchange-systeem worden; de middelen voor dat systeem moeten worden verkregen door sterke
opvoering van den export naar het buitenland en zoo noodig ook
door het plaatsen van leeningen in het buitenland. Deze ultraexchange-mannen, om ze zoo maar te betitelen, raden dus aan,
dat Duitschland zijnen voorraad goud zoo spoedig mogelijk verkoope; zij voorzien eene ernstige depreciatie van het goud, en wijzen
op hetgeen met goud in de Scandinavische landen is voorgevallen,
hetgeen zij beschouwen als de reeds geopenbaarde eerste bewijzen
voor de komende algemeene depreciatie van het goud.
Bezien wij eerst nog eens nader het laatste argument.
Het is zeer moeilijk om de motieven van anderen met voldoende
zekerheid en duidelijkheid te analyseeren. Er zijn echter twee
uitingen van Zweedsche zijde, welke ons op den weg kunnen
helpen. In de eerste plaats Prof. Knut Wicksel in The Economie
Journal van September 1916, blz. 314 v.v. Deze geleerde schrijver
zegt daarin o.a.:
During the war, however, and more especially since the end of
last year, as a result of the favourable balance of trade and the low
level of the foreign rates of exchange, gold has been pouring in from
abroad, so that by the end of April, 1916, the gold fund of the
Riksbank stood at 165 mill. kr., as against 104 millions at the end
of Juli, 1914. Even without the provisional extension the right of
note issue would consequently have exceeded the actual circulation
of notes by some 120 : 180 mill. kr. A further influx of gold therefore, if unhindered, would only have loaded the Riksbank with an
unprofitable mass of gold; in other words, the business of lending
notes would, to a great extent, have been supplanted by aimlpy giving
out notes for gold, without getting any interest.
This, in fact, was the only reason officially given by the bank when
asking the authorities for leave to take the step in question. And this,
as far as I know, was also the reason by which Denmark and Norway
were led to adopt the same policy, thereby at the same time giving
it full effect, rince the free coinage of gold could only be suspended
by a common nnderstanding between the three countries; and,
moreover, because Danish and Norwegian gold coins are legal tender
even in Sweden.
From a very different point of view, however, the step has been
strongly supported by some Scandinavian economist. Although ottr
countries have been spared the horrors of war, and their economie
life has been able to go on mach in the same way as before, the
phenomenal rise of prioes, if it has enriched our agTiculturists and
exporters, has caused, at any rate in Sweden, very great sufferings
among the great man of the people, wage not having kept pace by

43
any means with the price of commodities. Such a calamity, of course,
can be met i n different ways; and indeed some measures against it
have been taken by the Government, though i n a quite inadequate
manner. But one very powerful and general remedy would be to raise
the value of the monetary unit, which can only be done by a restrictive
policy of credit from the side of the banks, and above all from the
central bank. As long, however, as gold must be received at a fixed
ratio by the bank, or can be freely coined at the mint, this police
of restriction would, of course, be of little or no value. The suspension
of gold coinage, and of the acceptance of gold by the.bank, is consequently, from this point of view, to be regarded as a necessary condition for enabling the bank to uphold a policy of restriction, by which
the internal currency unit could be sufficiently raised to bring the
average of internal prices down to something like their normal level.
But, of course, this is only one condition for the fulfilling of that
object. I f the banks are freely lending their money and the central
bank its notes, or, which comes to the same thing, are buying securities
to a large amount, the suspension of gold coinage alone does not mend
matten; prices may for all that go up to any extent.
I have reason to believe that this thought was not wholly absent
from the minds of the leaders of the Riksbank when they proposed
this measure, although it was not openly stated. Unfortunately, it
seems not to have been very deeply rooted therein, as subsequent
events have shown; but at any rate the step taken seemed powerful
enough: it not only lowered the exchange on sterling and dollar,
but for the first time brought the exchange on Amsterdam, which
hitherto had stood above par, some 8 or 10 per cent below par."

Een andere uiting is van Dr. Sven Heiander in de Europaische


Staats- und Wirtschafts-Zeitung van 27 Mei 1916, Nummer 11,
blz. 591:
E i n Spezialfall i n Warenverkehr ist der A n - und Verkauf von
Gold. Wrde das Gold frei in Schweden einwandern knnen, miiszten
wir es nach der alten Paritat bezahlen, wenn die Reichsbank das
Gold zum festen Kurs einkaufen mszte. Aber wir knnen es mit den
jetzigen Wechselkursen viel billiger bekommen, wenn wir i n entwerteter auslandischer Valuta Gold kaufen, i n betreffenden Lande
Ausfuhrlizenz erhalten (was im Lizenzenfeilschen immer mglich
ist) und es selbst nach Schweden kommen lassen. Wenn wir berhaupt
Gold haben wollen, wrden wir es viel zu teuer bezahlen, wenn die
erwahnten Masznahmen nicht ergriffen worden waren. Unfehlbar
werden diese Masznahmen vielleicht nicht immer sein, aber sie geben
uns neue Mittel, uns den Schwierigkeiten der Kriegsorganisation"
ananassen.

Wat blijkt nu uit deze mededeelingen? Dat twee hoofdmotieven


hebben bestaan voor dit onverwachte optreden van Zweden:

44
1. dat men het goud thans goedkooper zou kunnen krijgen dan
tegen den vroeger vastgestelden officieelen prijs, zoodat het van
koopmansstandpunt onverstandig zou zijn den hoogen prijs te
blijven bieden;
2. dat weigering om goud in betaling aan te nemen de andere
landen wel zal noodzaken ter betaling in het internationaal verkeer
goederen te leveren, waaraan Zweden behoefte heeft; terwijl het
goud in die behoefte niet kan voorzien.
Het komt mij voor, dat het eerste motief maar zeer ten deele
waar is. Zweden kan dien lageren prijs voor goud slechts bieden in
die gevallen, waar de buitenlandsche afnemer die waren alleen in
Zweden en nergens anders zal kunnen verkrijgen; dus alleen ingeval Zweden een tijdelijk monopolie voor de levering heeft; dan
komt de verlaging van den goudprijs echter te staan op een verhooging van den prijs der Zweedsche goederen voor den buitenlandschen kooper; immers de Zweedsche Kronen, welke die kooper zich
voor betaling van zijne schuld moet verschaffen, komen hem 5 pCt.
duurder te staan. Zoodra echter de buitenlandsche kooper die
goederen weder elders buiten Zweden kan verkrijgen, zal hij in zijn
biedenden prijs met die 5 pCt. rekening houden, en bij overigens
gelijke nominale prijzen zal hij den Zweedschen verkooper 5 pCt,
minder voor diens waren bieden. Dan zal echter de Zweedsche
handelaar, de Zweedsche verkooper die 5 pCt. in rijn koopprijs
derven, welke de Zweedsche circulatiebank zal verwerven door
evenzoovele percenten minder voor het goud te bieden. Alleen het
tijdelijke monopolie van Zweden voor de levering van eenige goederen heeft dus mogelijk gemaakt 5 pCt. minder voor het internationale betaalmiddel goud te geven.
Het argument van den heer Sven Heiander kan ik bovendien
niet als juist aannemen. Met Zweedsche Kronen kan men natuurlijk
wegens de depreciatie der valuta in de oorlogvoerende landen meer
Reichsmarken, Oostenrijksche Kronen, Ponden Sterling, enz.
koopen; het is echter zeer te betwijfelen of men, dit doende, eenigszins belangrijke bedragen aan goud uit die oorlogvoerende landen
kan ontbieden; de uitvoer-verboden van goud staan daaraan in
den weg, en die uitvoer-verboden kunnen alleen tijdelijk buiten
werking worden gesteld, indien het oorlogvoerende land belang er
bij heeft rijn eigen goud naar Zweden te sturen. De heer Heiander
verwart hier dus oorzaak met gevolg.
Het tweede motief van Zweden schijnt veel juister te zijn. Als

45
het kans ziet door weigering van goud andere goederen uit het
buitenland te verkrijgen, waaraan het meer behoefte heeft, is die
houding zeer verklaarbaar; dan heeft die houding echter veel
analogie met de houding van Nederland, waar dit goud weigerde
aan te nemen voor zaken waarin het geen intermediair wilde
verleenen; de weigering was dus niet om de waarde van het goud,
maar op gronden, welke met de eigen waarde van het goud niets
te maken hadden; Zweden, omdat het een andere prestatie vorderde, Nederland, omdat het medewerking aan eene ongewenschte
zaak afwees. Het is de vraag of Zweden niet hetzelfde, of misschien
nog beter resultaat zou kunnen verkrijgen door overleg met het
buitenland, om dan wl den invoer van de gewenschte goederen
te verkrijgen. In dit opzicht bestond vroeger een principieel verschil
tusschen Zweden en Nederland: de Zweedsche Rijksbank was
volgens de wet verplicht goud voor een vasten prijs aan te koopen;
De Nederlandsche Bank is nooit door eenige bepaling verplicht
geworden goud aan te koopen, indien haar dit niet convenieerde.
Ook wederom in dit opzicht blijkt hoe goed het beginsel vah vrijheid
in het bankbeleid voor De Nederlandsche Bank is geweest. De
weigering van Zweden om goud van Nederland te koopen, geleek
mij echter niet juist, omdat daarmede het doel werd gemist, nu
Nederland niet in de gelegenheid was andere goederen in ruil naar
Zweden te sturen. Die weigering trof dus de afwikkeling van reele,
overigens wel gewenschte handelszaken met een vreemd land.
Uit deze beide motieven van Zweden om goud tot slechts lageren
prijs aan te nemen, of om goud zelfs geheel te weigeren, kan dus
in geenen deele worden opgemaakt, dat goud in het internationaal
verkeer gedeprecieerd zou zijn. Dit argument van die nieuwe
Duitsche richting gaat dus niet op.
De andere argumenten van de voorstanders in Duitschland tot
algeheele afschaffing van goud, gelijken mij echter ook onjuist.
Goud heeft sedert de laatste 40 a 50 jaren in het algemeen verkeer
drie hoofd-functin vervuld:
1. die van geld, dus van circuleer end betaalmiddel;
2. die van waardemeter;
3. die van internationale koopwaar.
Nu in Duitschland aan goud die eerste functie tijdelijk is ontnomen door het opbergen van de gouden circulatiemiddelen bij de
Reichsbank, is aldaar een toestand geschapen, die in Nederland
feitelijk reeds veertig jaren bestaat; is er geen enkele reden om

46
aan te nemen waarom het die functie later niet opnieuw weder zou
kunnen vervullen; maar zeker is er geen reden om aan te nemen,
dat het daarom ook die beide andere functin zou verloren hebben.
Nederland heeft ook zonder goud in circulatie zich "Uitnemend wl
er bij bevonden, dat goud toch waardemeter voor zijn muntstelsel is
geweest; daaraan heeft het die rustige muntpolitiek zoowel voor
het moederland als voor de kolonin te danken gehad; de betrekkelijke groote waardevastheid van het goud is voor het land in
Europa en i n Azi een weldaad geweest, en die waardemeter zal
het niet laten glippen, indien niet zeer veel sterkere argumenten
voor een waardeverlies van het goud worden aangevoerd, en indien
niet een andere waardemeter daarvoor in de plaats komt, welke
betere waarborgen geeft voor een innerlijke waardevastheid, dan
goederen, waren of koopmanschappen.
Ook over de derde functie van het goud moet men vooral niet
te licht denken. Saldeering van internationale betalingen moet
prompt, moet plotseling kunnen geschieden, wil men de groote
sprongen in de wisselkoersen vermijden. Voor die saldeering moet
dus een betalingsmiddel of een koopwaar worden gebruikt, welke
onmiddellijk beschikbaar is, en naar ieder deel van de wereld
op ieder oogenblik voor betaling kan worden gezonden. Goud was
tot nog toe die koopwaar, en kon daarom ook internationaal als
het meest geriefelijke betalingsmiddel worden gebruikt, niettegenstaande het als koopwaar bij het kilo fijn verkocht werd. Stoot men
goud uit ook voor het internationaal verkeer, dan ontbloot men
zich van het meest gemakkelijke, meest internationale en meest
zekere betalingsmiddel; een buitenlandsch tegoed zal nooit geheel
voor goud in de plaats kunnen komen, omdat een buitenlandsch
tegoed niet naar alle deelen van de wereld verkocht zal kunnen
worden. Zelfs het gold-exchange-systeem, dat zooveel met buitenlandsche saldi werkt, kan goud niet geheel ontberen. Vooral na den
oorlog, als verbittering nog tusschen verschillende natin kan
blijven nawerken, zal goud onontbeerlijk zijn voor internationale
verrekeningen; men zij dus wel zeer voorzichtig met dit buitengewoon geriefelijk handelsartikel en betalingsmiddel uit te stooten;
de argumenten in verschillende landen in den laatsten tijd te berde
gebracht zijn daarvoor volstrekt ondeugdelijk.
Nederland ziet derhalve het opperen van die z.g. nieuwe theorien
in het buitenland eenigszins verbaasd aan, omdat men thans in
het buitenland meent een nieuwen weg te vinden in eene richting,

47
welke Nederland en Nederlandsch-Indi met groote voldoening
reeds bijna een halve eeuw hebben gevolgd.
Ik geloof, dat er bovendien nog een ander misverstand bestaat.
De valuta van de oorlogvoerende landen is gedeprecieerd tegenover
de valuta van de neutrale landen. Het Pond Sterling, de Reichsmark, de Oostenrijksche Kroon, de Roebel, de Fransche Franc,
enz. zijn gedeprecieerd tegenover den Dollar, den Gulden, den
Scandinavischen Kroon, den Zwserschen Franc; die valuta's zijn
ieder voor zich een koopwaar en de depreciatie van de eene groep
staat tegenover de appreciatie van de andere groep als een volkomen logisch gevolg van het verschil in vraag en aanbod. Er is
een veel te groote vraag geweest naar saldi tegoed in neutrale
landen, en een veel te groot aanbod van valuta's der oorlogvoerende landen, om de redenen boven reeds uiteengezet. De verschil"
lende soorten van goederen en waren, welke intusschen toch nog
door de oorlogvoerende landen werden uitgevoerd, geven onderling
een zeer verschillend beeld van prijsbepaling. Er zijn goederen,
waarvan de prijs zeer is gestegen, omdat de vraag en het verbruik
daarvan door den oorlog sterk is toegenomen; dit is bijv. het geval
met steenkool en ijzer; er zijn andere goederen, waarnaar de vraag
niet in die mate gestimuleerd is, omdat de onmiddellijke behoefte
daaraan niet zoo groot was; bij het beschikbaar stellen van die
goederen voor het buitenland behoefde de prijs daarvan dus niet
te stijgen. Brengt nu de stijging van de eene soort goederen eene
depreciatie mede van de andere groep? Is de groep baksteenen
voor den bouw van huizen gedeprecieerd, omdat ijzer wel sterk
in prijs gestegen is?
Onder de goederen, welke nog steeds voor verkoop naar het
buitenland gereed lagen, en voor export werden gebruikt, behoorde
nog steeds het goud; dat goud was niet nuttig als bouwstof, als
brandstof, als voedingsmiddel, enz., maar was nog steeds nuttig
omdat het zijn eigenschap behield de meest liquide handelswaar
over de geheele wereld te zijn. Was dat goud nu gedeprecieerd
omdat het de prijsopdrijving van een aantal andere goederen niet
medemaakte?
Men draait hier in een cercle vicieux, die dreigt het verstand te
benevelen. Er zijn eenige zaken, waarvoor het buitenland goud
niet in betaling wilde nemen, omdat het die zaken niet wilde doen.
Er zijn omstandigheden, dat men door weigering van goud een

48
land wil noodzaken tot eene levering van andere goederen, waaraan
dringend behoefte bestaat. Eenige circulatiebanken hebben kans
gezien tijdelijk een minderen prijs voor goud te besteden, omdat de
landen, waarin zij gevestigd zijn, een tijdelijk monopoe bezitten
voor de levering van eenige soorten goederen, en daarom den prijs
voor die goederen vrijwel ongelimiteerd omhoog kunnen zetten.
Wij hebben gezien, dat al die motieven op zichzelven nog geen
depreciatie van het handelsartikel goud kunnen veroorzaken. Niet:
temin interpreteeren een aantal personen het voorkomen dier
gebeurtenissen op zich zelf als eene depreciatie van het goud, eene
interpretatie, welke op zichzelf beschouwd onjuist is; die onjuiste
interpretatie nemen zij als een axioma aan; een argument, waarvan
de juistheid dus nog niet bewezen is, nemen rij als grondslag voor
hunne verdere redeneeringen aan. Goud is evenmin gedeprecieerd
tegenover de neutrale landen, als het geapprecieerd is in de
oorlogvoerende landen. De depreciatie eenerrijds en de appreciatie
anderzijds is alleen waar te nemen tusschen de valuta's der oorlogvoerende en der neutrale landen onderling; het goud is daartusschen
gebleven de middenstof, welke als algemeen internationaal handelsartikel nog een gelijken prijs als vroeger heeft behouden; het feit,
dat niettemin het goud hier en daar geweigerd wordt wegens
bijzondere oorzaken, doet hieraan niets af.
Het is dus uiterst gevaarlijk, die depreciatie van het goud zonder
goede gronden te decreteeren; de algemeene verwarring wordt
daardoor onnoodig vergroot, en daaruit kan veel onheil voorkomen,
ook voor de landen, die thans zouden meenen voorzichtig te handelen met die depreciatie reeds als een feit te aanvaarden; men
loopt kans den bodem van zijn eigen huis stuk te slaan, zonder de
middelen te bezitten daarvoor een anderen bodem in de plaats te
stellen. Goud genoot algemeen het vertrouwen als de beste waardemeter en als het geriefelijkste internationale verrekeningsmiddel;
wordt dit vertrouwen, niet slechts van eene enkele zijde, doch van
vele zijden tegelijk opgezegd, dan zal goud ongetwijfeld van rijn
hoog standpunt vallen. Op dezelfde wijze zou men evenwel ook
crediet algemeen in het land kunnen vermoorden, of wetenschap
kunnen ondermijnen, eenvoudig door af te spreken, dat men geen
vertrouwen meer in crediet of wetenschap zou stellen, ook zonder
dat afdoende gronden daarvoor worden aangevoerd. Het zal dan
geen kunst zijn om veel goeds, ook in ideelen zin, in kortentijdte
vernielen; maar waar blijft de wederopbouw?

49
Na dezen vreeselijken oorlog zal de wereld weder tot rust gebracht
moeten worden onder anderen door eenen verstandigen opbouw van
crediet, waar dit voor veel vernield kapitaal tijdelijk in de plaats
moet komen; de creering en de leiding van dit crediet zal over de
geheele wereld op zeer voorzichtige wijze moeten geschieden, indien
men binnen afzienbaren tijd de schokken van dezen oorlog ook op
financieel gebied te boven wil komen; sparen alleen zal daarvoor
niet voldoende zijn. Men mag dan echter Wel zeer voorzichtig zijn
met n der steunpilaren van het crediet weg te slaan, zoolang het
niet boven eiken twijfel vaststaat, dat deze steunpilaar, het goud,
inderdaad zijn draagkracht verloren heeft Tijdelijke ongeneigdheid
om het aan te nemen mag daarvoor geen voeldoende argument zijn.
Resumeerende meen ik dus, dat er ook in Nederland nog geen
gronden aanwezig zijn, noch om tot eene inflatie van geld te besluiten, noch om in eene depreciatie van het goud te geloovn. Noch
aan de hand van de geschiedenis, noch met inachtneming van
enkele nieuwe verschijnselen in andere landen heeft De Nederlandsch Bank dus aanleiding hare munt- en bankpolitiek voor het
oogenblik te veranderen. Zij behoudt zich natuurlijk voor medewerking te weigeren aan zaken, welke volgens hare overtuiging
niet in het landsbelang zijn; eene dergelijke weigering staat echter
niet m verband met bovenvermelde theorien.
Mochten de omstandigheden ook voor haar anders worden, dan
zal rij moeten overwegen of ook voor haar wijziging in die politiek
gewenscht zal worden. Dit kan natuurlijk noodig worden, indien
de groote Rijken om Nederland heen een gansch nieuwen weg gaan
inslaan; voorshands geeft de nieuwe koers van enkelen in den
vreemde echter nog geen grond daartoe.
In het bovenstaande heb ik in hoofdzaak over de circulatiebank
en in mindere mate over de andere banken gesproken, niet uit eene
mindere waardeering van deze laatste, maar omdat het juister
was de behandeling van de stof tot de positie van de circulatiebank
te beperken. Be wil echter niet nalaten in enkele woorden groote
waardeering te uiten voor den arbeid en het streven der andere
banken en bankiers in Nederland gedurende den oorlog; rij hebben
met alle kracht medegewerkt om het geldverkeer en het credietwezen
in ons land in goede banen te leiden, en vooral hebben zij veel kracht
gevonden in onderling vriendschappelijk overleg, zoodra de algemeene belangen van het vaderland hunne medewerking vereischten.
4

50
Ook van de zijde van de Regeering is steeds de meest welwillende
medewerking ondervonden voor de behartiging der algemeene
belangen, waar de particuliere banken of de circulatiebank daarbij
waren betrokken. Aan die algemeene samenwerking, tegelijk met
eerbiediging van ieders vrijheid van beweging en ieders vrijheid
van meening, heeft Nederland voor een niet gering deel te danken,
dat het tot nu toe betrekkelijk zoo goed zijn weg door deze wereldcrisis heeft kunnen vinden.
G. VISSERING.

Amsterdam,
December 1916Februari 1917.

SI

Naschrift.
Tijdens het afdrukken van het voorgaande hebben zich nog
eenige feiten voorgedaan, welke ter aanvulling hier nog wel kortelijks dienen te worden vermeld.
I. De Nederlandsche Bank is sedert vele jaren gewoon geweest
bij aankoop van goud 1.648, per kilogram fijn te betalen. Zij
kwam naar boven afrondend tot dezen prijs omdat de kosten van
vermunting van n kilogram goud in Nederlandsche gouden
tiengulden-stukken 5,55 bedragen en 1.653,44 aan gouden tiengulden-stukken uit n kilo gemunt wordt. Li de practrjk komt deze
berekening voor het aanmunten van gouden tientjes door particulieren dus niet uit, ten eerste omdat er elf cents nadeelig verschil
per kilogram in is en verder omdat de Bank bij aankoop eene
provisie aan den makelaar betaalt, en ten slotte omdat de Munt
niet in Amsterdam, doch in Utrecht gevestigd is, en bij vermunting
van het metaal dus de onkostenrekening nog verhoogd wordt met
de vracht- en assurantiekosten voor verzending heen en terug
tusschen Amsterdam en Utrecht. Dus zelfs bij een aankoopprijs
van 1.648; zit er nog een z belangrijk verlies op de aanmunting vanNederlandsche gouden muntstukken, dat, met uitzondering
van enkele gevallen om bijzondere redenen, niemand buiten de
Bank in de practijk tot aanmunting laat overgaan. De Bank neemt
dat verlies vrijwillig op zich in het algemeen belang.
Ondanks dit alles betaalde de Bank sedert vele jaren voor eenige
soorten van buitenlandsch gemunt goud 1.650, per kilofijn,dus
2, meer, omdat rij bijna zeker de gelegenheid had die muntstukken wederom tegen iets hoogeren prijs dan goudharen te verkoopen, aangezien die muntstukken in het vreemde land van
herkomst wederom als gangbare munt van de hand te zetten waren.
Dit laatste kan natuurlijk alleen opgaan in het geval er werkelijk
kans bestaat om die muntstukken weder naar het land van
herkomst te verkoopen. Vandaar, dat de prijs van 1.650,
slechts voor enkele soorten der meest gangbare vreemde munten
werd besteed.
Intusschen is het aanbod van eenige dier soorten in het laatste

52
jaar z groot geworden, dat het niet meer waarachijnlijk ia, dat
de geheele hoeveelheid later weder naar het land van herkomst
kan uitgevoerd worden; dan is echter tevens de reden vervallen
waarom nog steeds die verhooging van 2, per kilo zou worden
betaald.
De Bank heeft dus voor enkele dier soorten vreemde munten
tijdelijk den aankoopprijs ook op 1.648, per kilo bepaald. Deze
maatregel mag dus niet worden uitgelegd als eene poging harerzijds
tot depreciatie van het goud met dat bedrag; het is niet anders dan
in de gegeven omstandigheden den aankoopprijs ook voor die
soorten muntstukken tot de normale hoogte terug te brengen.
II. Jn den laatsten tijd kwam de vraag ter sprake of Nederland
bereid zou zijn de Engelsche treasury bills waarvan op blz. 30
biervoor melding is gemaakt, bij verval te verlengen. In het algemeen zou dit natuurlijk alleen kunnen geschieden indien de Bank
bereid zou zijn ook die verlengde treasury bills als onderpand van
rekening-courant of in disconto te nemen. De Bank had een groot
principieel bezwaar daartegen. Die treasury bills waren door
Engeland afgegeven tegen saldi, welke anders uit den aard der
zaak liquide hadden moeten blijven; zjj vormden een belangrijk
deel van het vlottende wisselmateriaal, dat beschikbaar behoorde te
blijven om verplichtingen van Nederland aan Engeland te voldoen,
of om de arbitrage via Engeland op Amerika of andere landen
mogelijk te doen blijven. Immers het Het zich aanzien, dat het
wonderlijke geval zich zou kunnen voordoen, dat weliswaar de
vorderingen van Nederland op Engeland verre zouden overtreffen
de vorderingen in omgkeerden zin; doch die vorderingen van
Nederland op Engeland, zelfs de nieuw ontstaande vorderingen
voor den steeds voortgaanden uitvoer, zouden alle geblokkeerd
worden in treasury bills, die in Engeland voor den vervaldag niet
discontabel zijn, en dus feitelijk uit de markt gelicht worden. Dientengevolge zou de koers van het in Nederland ongelimiteerd
kunnen stijgen, niettegenstaande de handelsbalans van Engeland
ten opzichte van Nederland beslist ongunstig was. Het gouduitvoerpunt van Nederland Op Engeland is natuurlijk ten eenenmale
onzeker geworden; er waren dagen, dat de assurantiepremie op
18 pCt. genoemd werd. In ieder geval zou dit uitvoerpunt percenten
boven de theoretische pariteit liggen. Ondanks hare groote hoeveelheid goud zou de Bank dus niet in staat geweest zijn de goudpariteit

53
op Engeland te handhaven als door al deze kunstgrepen het
boven 12,15 zou zijn gestegen. En in den laatsten tijd was het
reeds boven 11,80 gestegen.
Na een overleg van De Nederlandsche Bank met de Bank of
England via n der groote bankiers, is daarop de volgende oplossing voor dit vraagstuk gevonden. De Nederlandsche Bank verklaarde zich in principe bereid tot verlenging van die treasury
bills mede te werken door wederom op de oude voorwaarden geld
op die verlengde bills voor te schieten, waartegenover de Bank of
England zich bereid heeft verklaard, zoodra en zoolang de wisselkoers van het in Nederland op 12,15 zal zijn gestegen, die
verlengde bills in ontvangst te nemen bij haren vertegenwoordiger
te Amsterdam, en daartegen bij eene nader aan te wijzen bankinstelling in Londen ponden sterling ter beschikking te stellen. Dientengevolge hebben de heeren Hope & Go. op 13 April de volgende
bekendmaking in de couranten geplaatst:
Zooals bekend is zijn verleden j a a r belangrijke bedragen n j a r i g e
Engelsche Schatkistwissels, terugbetaalbaar i n guldens a 1 2 , per
st., i n N e d e r l a n d geplaatst.
Wij wenschen er aan te h e r i n n e r e n , dat, ten einde bij de aflossing
gebruik te k u n n e n maken v a n het Voordeel, dat i n dezen gunstigen
Pondenkoers gelegen i s , het n o o d i g i s , zooals op de achterzijde der
schatkistwissels v e r m e l d staat, deze wissels minstens 14 vrije dagen
(fourteen clear days) v r den v e r v a l t i j d te doen vertoonen ten
kantore v a n de heeren H o p e & C o . te A m s t e r d a m , ten einde daarop
te doen aanteekenen, dat t e r u g b e t a l i n g i n N e d e r l a n d s c h courant verl a n g d wordt.
E r z a l echter voor houders, die zulks Wenschen, ook gelegenheid
bestaan de afloopende Schatkistwissels om te wisselen i n n i e u w e
B p C t . n j a r i g e Schatkistwissels, eveneens terugbetaalbaar a 12,
per st. B i j de v e r w i s s e l i n g w o r d t de rente a 5 p O t . bij v o o r u i t b e t a l i n g
i n contanten voldaan. H e t l i g t echter i n de bedoeling v a n de Engelsche
B e g e e r i n g slechts voor een gedeelte der afloopende schatkistwissels
n i e u w e n i t te geven, en houders, d i e n i e u w e wissels wenschen te
ontvangen, z u l l e n er goed aan doen steeds g e r u i m e n t g d v r den
d a t u m waarop h u n wissel aflosbaar i s , v a n h u n wensch tot verwisseling aan de heeren H o p e & C o . schriftelijk mededeeling te doen op
f o r m u l i e r e n , welke op aanvrage bij genoemde f i r m a verkrijgbaar zijn.
Z o o d r a het bedrag aan n i e u w e schatkistwissels, dat voor eiken bepaalden v e r v a l d a g beschikbaar i s , z a l zijn vastgesteld, w o r d t aan de
ingekomen aanvragen zooveel mogelijk voldaan i n de volgorde, w a a r i n
zij zijn ingekomen. D e nieuwe schatkistwissels z u l l e n zoo mogelijk bij
de v e r w i s s e l i n g op den v e r v a l d a g worden afgegeven. I n verband
echter met de tegenwoordige ongeregelde postverbindingen moet met

54
de mogelijkheid rekening worden gehouden, dat de nieuwe wissels
nog niet alhier zijn aangekomen, in welk geval een voorloopig recu
zal worden uitgereikt, hetwelk zoo spoedig mogelijk na ontvangst der
wissels tegen deze zal kunnen worden omgewisseld.
Aan den tekst van het endossement op de schatkistwissela, inhoudende de garantie van de Bank of England, zal nog de volgende
clausule worden tosgevoegd:
If at any time during the currency of this Treasury Bill the rate
of Exchange in Amsterdam for cable transfers on London is at or
above 12 florins 15 cents to the Pound Sterling, this Treasury Bill
may be surrendered at the offices of Messrs. Hope & Oo. in Amsterdam,
who shall at once inform the Bank of England thereof, and the Bank
of England will on receipt of such information hold at the disposal
of a bank or banker in London, designated by the holder at the time
of snrrender in Amsterdam, the Sterling face value of this Treasury
Bill less a discount at the rate of five percent per annum for the
unexpired period of this Treasury Bill calculated from the date on
which the Bank of England places proceeds in Sterling at the
disposal of the designated bank or banker in London against such
bank or banker's duly signed receipt."

Door deze verschillende regelingen is dus de wisselpariteit


tusschen Nederland en Engeland, voor zooverre de bedragen dezer
treasury bills betreft, weder op de goudbasis hersteld, en is het
goudinvoerpunt naar beneden tot 12, en het uitvoerpunt naar
boven tot 12,15 gelimiteerd. Weliswaar omvat dit dus niet de
geheele markt in ponden sterling, maar het bedrag der geplaatste
treaaury bills is wel z belangrijk, dat deze regeling van vr-strekkenden invloed zal zijn op de valuta-verhouding tusschen Engeland
en Nederland.
Deze regeling mag ongetwijfeld een groot financiel-diplomatiek
succes worden genoemd; zjj is over en weer eene merkwaardige
nieuwe toepassing van het gold-exchange-systeem, waarbij getracht
wordt de goudpariteit tusschen twee landen te handhaven zonder
dat een goudstuk of goudhaar wordt verplaatst. Wij hebben
Engeland erkentelijk te zijn voor de medewerking om tot dit
resultaat te zijn gekomen.
EU. Ook op het gebied van de internationale regeling van de
accepting-business der banken in Nederland, is in den laatsten tijd
eene groote schrede voorwaarts gezet.
De regeling van de financiering van de tabaksmarkt in Nederland
heeft tot allerlei moeilijkheden aanleiding gegeven. De couranten
hebben veel daaromtrent gepubliceerd.

55
Deze quaestin kunnen hier buiten beschouwing blijven; slechts
zij hier kortelings vermeld, dat voor zooverre de financiering der verkochte tabak op eenigszins langeren termijn moest worden geregeld,
thans de zuivere leer van de z.g. accepting-business der banken
en bankiers in Nederland in toepassing is gebracht, waarbij n de
veel zekerder vormen en regelen van het wisselrecht kunnen worden
verkregen, n de verstrekking van onderpand in suppletoiren vorm
de waarborgen van de af te sluiten transacties inderdaad zeer zal
verhoogen. Ook op dit punt heeft dus het systeem van financiering
in de Nederlandsche geldmarkt eene ontwikkeling in goede richting
verkregen, waardoor het aanzien, de omvang en de kracht van
onze disconto-markt zeer kunnen worden verhoogd.
6. V.

April 1917.

56

NEDERLANDSCH-OOST-INDIE EN DE GOLD-EXCHANGESTANDAARD.
Nederlandsch-Oost-Indi heeft in de jaren van 1800 tot 1845
zeer geleden onder eene overmatige koper-circulatie. In die tijden
zijn zeer groote fouten op muntgebied in onze Kolonin begaan.
Onder allerlei drogredenen werd door de Regeering steeds meer
kopergeld in omloop gebracht met het gevolg, dat de Wet van
Gresham zich op onverbiddelijke wijze deed gelden, en al het meerwaardige geld, goud, doch vooral zilver, uit de Kolonin verdween.
Daar die groote massa koper op den duur in den omloop te bezwarend werd, noodzaakte de Regeering de Koloniale Circulatiebank
zijnde de Javasche Bank, opgericht in 1828, om, hoewel zeer tegen
haren zin en ondanks hare herhaalde ernstige waarschuwingen,
certificaten in papier af te geven tegen bij de bank gedeponeerde
koperen munt. Deze z.g. koper-certificaten kwamen in 1832 in
omloop in coupures ter waarde van 5 tot zelfs 1000 Nederlandsch-Indische guldens, en maakten aldus het uitgeven van
kopermunt nog gemakkelijker. De toestand werd z ernstig, dat
het zilver geheel uit den omloop verdween, en de Javasche Bank
moest verklaren in Juli 1837, dat zij nog slechts 18.678. in
zilveren munt in kas had. Metaal voor uitvoer naar het buitenland
of naar het moederland ter betaling van geldelijke verbintenissen
buiten de Kolonin was dus niet meer te verkrijgen. De Nederlandsche Handel-Maatschappij, de groote door Koning Willem I
gestichte instelling, was nagenoeg de eenige, die nog wissels op het
moederland kon afgeven, en daarmede de wisselpariteit kon handhaven, zij het dan ook met verlies van vele percenten voor den
kooper van den wissel. Toen ook dit lichaam op het einde van 1841
met die afgifte ophield, moesten de wisselkoersen tot runeuze koersen ten laste van Nederlandsch-Indi oploopen; in April 1843 steeg
die zelfs tot 72, d.w.z. voor 100, betaald in Nederlandsch-Indi
kon men slechts 72, uitbetaald verkrijgen in Nederland in een
wissel, betaalbaar 10 maanden na dato; de rente op 6 pCt 's jaars
stellende werd over die 10 maanden dus nog bovendien 5 pCt.
rente verloren, en was de wisselkoers dus feitelijk 33 pCt ten
nadeele van Nederlandsch-Indi. Wegens uitputting van den

57
metaalvoorraad moest de Javasche Bank de betaling van hare
biljetten in metaal staken. De Kolonie was dus in een hoogst
precairen toestand gekomen, de handel lag totaal verlamd, en uitkomst was dringend noodig.
Die uitkomst is gebracht door een zeer eenvoudig, maar vernuftig
middel, waaraan tot voor korten tijd nog maar veel te weinig
aandacht is gewijd in de wetenschappelijk financiele en monetaire
kringen.
De Gouverneur-Generaal Rochussen, in October 1845 opgetreden,
herstelde als eerste maatregel van verbetering dadelijk na zijne
aankomst de afgifte van wissels op Holland; waar anderen hiertoe
niet genegen of in staat bleken, bepaalde hij, dat de Indische
Regeering zelve zou trekken op het Departement van Kolonin in
Nederland, eerst tegen den bestaanden wisselkoers, doch al spoedig
bracht hij den koers op het vaste bedrag van 95, dat wil zeggen
een ieder wist dus, dat hij voortaan voor 100, Indisch geld een
vast bedrag van 95, over tien maanden in Holland kon krijgen;
het verlies op dien wisselkoers was dus met inbegrip van 5 pCt.
renteverlies over die 10 maanden teruggebracht tot 10 pCt., eene
groote vooruitgang tegen de vorige jaren. Van 1845 tot en met
1849 zijn op die wijze door het Gouvernement wissels op Holland
afgegeven tot een bedrag van 24.071.900,. De gelegenheid om
weder betalingen naar Holland te doen was dus in voor dien tijd
ruime mate opengesteld, en daardoor werd het den handel wederom
mogelijk om goederen te laten uitkomen.
Verder stelde de Gouverneur-Generaal bij publicatie van 4
Februari 1848 een nieuw geldswaardig papier in, de z.g. recepissen
in bedragen van 1 , 5 , 10,, 25,, 100,, en
500,, met bepaling, dat deze op den voet van zilvergeld door de
Regeering zouden worden aangenomen. Aan de Javasche Rank
werd bij eene wijziging van haar Octrooi voorgeschreven, dat hare
biljetten niet meer in zilveren munt, maar in deze zilverrecepissen
zouden betaalbaar zijn, en de biljetten der Bank zouden daarvoor
als betaalbaar in recepis-guldens worden afgestempeld. De kopercertificaten zouden worden ingetrokken op den voet van 1,20
aan koper tegen 1, zilverrecepis.
Alhoewel deze recepissen evenzeer in zichzelven een waardeloos
papier waren als alle vroeger uitgegeven muntpapier, terwijl nog
steeds ongeveer geen zilveren munt in natura aanwezig was, werd
het geheim van het eindelijk gelukken dezer munthervorming

58
gevonden in den vasten wisselkoers, welke tegelijkertijd voor wissels
op Holland gegarandeerd werd. Immers nu kon een ieder voor
zijne koper-certificaten en voor zijne biljetten der Javasche Bank
recepissen verkrijgen, en met deze recepissen kon hij a 95 wissels
op Holland koopen, welke hem aldaar in goede Nederlandsche
zilveren guldens werden uitbetaald. Langs dien omweg had men
dus thans de zekerheid steeds met een verlies van 10 pCt. zooveel
zilver te kunnen verkrijgen als men noodig had.
Het is in de hoogste mate merkwaardig, dat de N.-I. Regeering
in het jaar 1845 dus voor de eerste maal in de muntgeschiedenis
der landen een maatregel als een bepaald overwogen stelsel heeft
toegepast, hetwelk in de latere tientallen van jaren steeds meer de
aandacht heeft getrokken, en de grondslag is geworden voor de
munthervorming door de Engelschen in Britsch-Indi en in de
Straits-Settlements, en voor de Amerikanen in de Philippijnen. De
Amerikanen hebben aanvankelijk het vaderschap van dit stelsel
aan zichzelven toegekend, en noemden het met een specifieken
naam het Gold-Exchange-Systeem. Later, bij beter navorsching der
geschiedenis, zijn zij tot de erkentenis gekomen, dat feitelijk de
Nederlandsen-Indische Kolonin de bakermat van dit stelsel zijn
geweest, zij het, dat in 1845 het stelsel niet op den goudstandaard,
maar op den zilverstandaard werd uitgevoerd. Wel beschouwd zal
dit stelsel door en na den wereldoorlog vermoedelijk door vele
andere landen worden aanvaard, waaronder ook door de grootste
in Europa. Mede om die reden zal het dus zeker wel de moeite
loonen om de verdere ontwikkeling van dit stelsel in NederlandschOost-Indi na te gaan.
De verkeerde munttoestanden in de Kolonin hadden een diepen
indruk in het moederland gemaakt, zoo zelfs, dat bij het maken van
een nieuwe grondwet in 1848 in deze fundamenteele wet werd
geschreven, dat het muntwezen in de Kolonin voortaan door de
wetgevende macht in Nederland zou worden geregeld. Het gevolg
hiervan is geweest de wet van 1 Mei 1854, welke behoudens aanvullingen tot op heden het systeem van ons muntwezen in de Kolonin
heeft beheerscht. )
Bij die wet werd als voornaamste beginsel aangenomen, dat
de Standaardmunten dezelfde zouden zijn voor de Kolonie als voor
x

*) Deze regeling van het muntwezen heeft Nederlandsch-IndiS ten slotte een
geldelijk offer gekost van bijna 20.000.000, een groote som voor de financiele
kracht der Kolonin in die dagen.

59
hel moederland; aangezien Nederland in 1847 tot den zuiveren
zilveren standaard was overgegaan, waren dus de standaardmunten voor de Kolonin evenzeer de 2 /, de 1 en de /a gulden stukken.
Daarnaast kwam in de Kolonin een afzonderlijke pasmunt in
omloop in zilveren en koperen stukken van 25 cent tot Va cent; de
zilveren pasmunt zou niemand in grootere hoeveelheid dan 10,
behoeven te ontvangen, de koperen voor niet meer dan 2,. Een
heilzaam beginsel tegenover het vroegere koper, dat tot ieder bedrag
wettig betaalmiddel was.
Zoowel Nederland als Nederlandsch-Oost-Indi hebben zich
uitstekend bevonden onder dit muntstelsel; iedere verrekening met
het buitenland en het moederland, welke niet in wissels kon plaats
vinden, werd ten slotte gesaldeerd door verzending van de zilveren
standaardmunt. Men zou alleen kunnen zeggen, dat eenig nadeel
voortsproot uit de omstandigheid, dat de Nederlandsche grove
zilveren munt meermalen agio deed in de omliggende Aziatische
landen om redenen waarvan de bespreking mij bier te ver uit mijn
betoog zou voeren, zoodat vele inillioenen allengs naar de Oostersche havensteden verdwenen, alwaar zij als zilver werden
verkocht of tot plaatselijke munt werden omgemunt. Dit is n van
de redenen waarom de muntslag van de Nederlandsche zilveren
standpenningen tusschen 1850 en 1870 naar verhouding van het
land zoo groot is geweest. In 1870 en volgende jaren werd die
rustige muntpolitiek echter ernstig verstoord door de opgekomen
goud-kwestie in Duitschland en andere landen.'
Nederland heeft toen langen tijd geaarzeld welke richting het met
zijn muntstelsel zou inslaan. De zilverbasis was uitstekend geweest
voor Nederland, en de vroegere ellende met het muntwezen in de
Kolonin zat nog zoo versch in de geheugenis, dat zich onwillekeurig een zeer sterke zilverpartij had gevormd in Nederland en
nog meer in Nederlandsch-Indi. Men achtte het een avontuur om
naar het goud over te gaan, vooral omdat aan omloop van goud
voor de Kolonie geen behoefte was, en zilver daarentegen het voorname ruilmiddel zou moeten blijven. Die aarzeling van Nederland
is dan ook voornamelijk te begrijpen omdat rijn muntwezen ook
pasklaar moest blijven voor de Kolonin. L i alle Aziatische landen
bleef de meening gelden, dat men het zilver op de zilverbasis in
Azi niet kon missen.
Bij de wet van 6 Juni 1875 werd eindelijk na een strijd van 5
jaren het goud als standaard door Nederland aanvaard, en de
1

60
vrije aanmunting van zilver definitief verboden. Daarmede werd
het zilver tot de rol van teekenmunt teruggebracht. Voor de
Kolonin was het merkwaardige gevolg hiervan, dat reeds op 6
Juni 1875 feitelijk de Kolonie tot den gouden standaard was overgegaan, ofschoon voor Nederlandsch-Indi de wet van 1854 nog
van kracht was; immers de Kolonin hadden dezelfde grove zilvermunt als Nederland en mochten deze niet voor eigen rekening
slaan; nu dus in Nederland die munt niet meer vrijelijk mocht
worden aangemunt, en in eene vaste verhouding tot goud was
gebracht, moesten deze zelfde eigenschappen natuurlijk ook gelden
voor dezelfde muntsoort in omloop zijnde in de Kolonin. Aanvankelijk wilde men dat in Nederlandsch-Indi niet inzien; men
verkeerde aldaar in den waan, dat men in Indi nog op den zilveren
standaard bleef leven, omdat in het gewone leven feitelijk geen
verandering in het muntwezen te bemerken was; toen de Regeering ook het gouden 10-guldenstuk voor Nederlandsch-Indi
gangbaar wilde verklaren, ging daartegen een krachtige oppositie
op, omdat men tegen den gouden standaard gekant was. Natuurlijk
liep de oppositie op niets uit, en was de Wet van 28 Maart 1877,
waarbij formeel ook het Nederlandsche 10-guldenstuk voor Ned.Indi gangbaar werd verklaard, eigenlijk niet meer dan eene
aanvulling, eene formeele regeling van den toestand, die in de
practijk reeds door de Nederlandsche Wet van 6 Juni 1875 was
geschapen. Een vrij krachtige beweging om alsnog voor Nederlandsch-Indi afzonderlijk den zilveren standaard in te voeren
met vrije aanmunting van zilver, liep op niets uit
Mitsdien is ook Nederlandsch-Indi sedert 6 Juni 1875 feitelijk,
sedert 28 Maart 1877 ook formeel, tot den gouden standaard overgegaan, zjj het dan ook met behoud van de zilveren teekenmunten
als wettig betaalmiddel tot ieder bedrag. In Europa noemde men dit
stelsel, als zijnde eigenlijk een variant van den gouden standaard,
bij voorkeur dat van den hinkenden standaard"; ik zal hieronder
uitleggen waarom ik dien naam voor Nederlandsch-Indi bij voorkeur niet gebruik. Die overgang tot dn gouden standaard is voor
de Nederlandsch-Indische Kolonin van groote beteekenis geweest,
en heeft tot veel welvaart aanleiding gegeven.- Ook dit is eerst in
den lateren tijd ten volle erkend.
Ondanks dat goud aldus de standaard voor Nederlandsch-Indi
was geworden, kwam in de Kolonin het Nederlandsen goud in
het geheel niet in omloop; meermalen herhaalde pogingen hiertoe

61
leden absoluut schipbreuk; de grove zilveren munt was en bleef
met de pasmunt, die natuurlijk ook op dezelfde basis circuleerde,
alleen gezocht voor de circulatie. Die zilvermunt kon nu echter
niet meer worden uitgevoerd naar andere landen, omdat zjj slechts
teekenmunt was, en dus niet als edel metaal kon worden verhandeld.
Zij kon echter steeds voor de volle nominale waarde naar Nederland uitgevoerd worden, en in of via Nederland kon men daarvoor
ieder bedrag in goudwaarde op het buitenland verkrijgen, desnoodig ook goud in munt of in baren tot uitvoer naar het buitenland
ter saldeering van de betalingsbalans. Op die wijze was Nederlandsch-Indie echter onmerkbaar en automatisch overgegaan tot
den gold-exchange-standaard. DL heb boven steeds gesproken van
den gouden standaard, omdat ik eerst deze uiteenzetting noodig
had om aan te toonen, dat niet de zuivere gouden standaard, doch
deze eenigszins afwijkende vorm van den gold-exchange-standaard
het karakter van het muntwezen, althans in Nederlandsch-Dadi,
maar feitelijk ook in Nederland, beheerschi
Ronduit gezegd heeft eigenlijk niemand dit begrepen voor de
latere jaren. Het gold-exchange-standaard-stelsel als zoodanig
was dan ook van wetenschappelijk standpunt feitelijk nog niet zoo
duidelijk gedefinieerd. Wij hebben hier dus weder te doen met een
zeer merkwaardig geval van eene practische ontwikkeling op muntgebied van een stelsel, waarbij de wetenschap eerst achteraan komt
loopen om het als stelsel te erkennen. Herhaaldelijk is op muntgebied de practrjk en het gezonde verstand, men zou haast zeggen
instinct, der bevolking de wetenschap vooruit geweest in het
oplossen van muntproblemen.
Terwijl alle Aziatische landen zonder onderscheid steeds moeilijker strijd in hun muntwezen te voeren hadden wegens de aanhoiidend verder gaande daling in de waarde van het zilver, en
ernstige crises daaruit ontstonden voor Britsch-Indi, de Straits,
China en alle tusschengelegen landen, heeft Nederlandsch-Indi
ook sedert 1870 bij voortduring te wijzen op een zeer voordeelige
en rustige muntpolitiek. Terwijl dus Nederland door zijn dralen in
1875 eenige jaren bij verder Europa op dit punt ten achter was
gekomen, zijn zijne Oost-Indische Kolonin het overige Azi tientallen van jaren vooruit geweest.
Intusschen hebben toch verschillende deelen van Nederlandsch
Oost-Indi de zilver-quaestie medegemaakt, en voor degenen, die
niet scherp konden onderscheiden, is dit een oorzaak van veel

62
begripsverwarring geweest. De z.g. residentie der Oostkust van
Sumatra, waarvan bet meest bekende gedeelte bet welvarende
gewest Deli is, en de Westkust van Borneo met de hoofdplaats
Pontianak, hadden zeer veel relatin met den z.g. Overwal",
zooals in het dagelrjksch gebruik het Maleische schiereiland met de
hoofdsteden Singapore en Penang werd genoemd. Van den overwal
werden de voornaamste voedingsmiddelen betrokken, vele handelsartikelen en in sommige deelen ook wel de werkkrachten; met den
overwal werd een scheepvaartdienst, soms dagelijks, doch althans
wekelijks, onderhouden, ook door vele Ghineesche bootjes en zeilschepen, terwijl de verbinding met Java eens in de 14 dagen, of
hoogstens eens per week, plaats had. Bovendien vonden vele
duizenden koehes, direct uit China aangevoerd (vooral Amoy en
Swatow), doorloopend werk op de tabaks-plantages in Deli en
Langkat; Maleische arbeiders waren aldaar vroeger nagenoeg niet
werkzaam. De geheele bevolking had daarom vrijwillig het muntwezen aanvaard van den overwal, terwijl de Chineesche koelies
bovendien bij voorkeur betaling ontvingen in de munt, in China
gangbaar. In Deli was in naam de Nederlandsche gulden in omloop; salarissen van ambtenaren bijv. werden vastgesteld en ook
wel betaald in guldens; salarissen in den handel en cultures werden
echter alle in zilver-dollars betaald. Men zag dan ook nagenoeg
geen Nederlandsche munt in omloop, noch biljetten der Javasche
Bank. De Nederlandsche Handel-Maatschappij gaf een eigen soort
bankpapier uit, de z.g. kasorders, in dollars luidende; als bankpapier was verder in omloop het dollarpapier van de Chartered
Bank for India, Australia and China en van^ de Hongkong and
Shanghai Banking Corporation.
Die gewesten, vooral de Oostkust van Sumatra, hebben sedert
1875 ontegenzeglijk belangrijk geprofiteerd van dat van ons
overig Lidi afwijkende muntwezen op zilver-basis. Die gewesten
waren nagenoeg uitsluitend exporteerende landen; import bestond
hoofdzakelijk uit voedingsmiddelen en verdere benoodigdheden
voor huishouden en bedijrf, de export uit wereldartikelen als tabak,
en uit Borneo vooral copra en boschproducten. Wat zij uit Nederland en uit Java moesten importeeren, werd tot den vasten guldenkoers verrekend; dit was betrekkelijk slechts weinig; voor hun
export ontvingen zjj bij de steeds voortgaande daling van het zilver
echter steeds meer dollars; daarentegen bleven de loonbetalingen
in dollars vrij stationnair, werden deze althans niet in evenredigheid

63
verhoogd tot de daling van de zilvrwaarde. Dit kon geschieden
om twee redenen: ten eerste werd op de groote ondernemingen aan
de Chineesche koelies het loon niet contant uitbetaald; de koelies
kregen slechts een klein handgeld, doch het grootste deel werd voor
de koelies door de Maatschappijen opgespaard en hun als n
groote som uitgekeerd bij repatriatie na afloop van het dienstcontract van eenige jaren. Dit was in het belang n van de koelies n
van de Maatschappijen; immers op die wijze werd den koelie belet
zijn loon in het dobbelspel te verhezen en aan allerlei uitspattingen uit te geven, een voorzorg, zeer noodig tegenover koelies,
wier grootste passin het spel en de dbauches waren. Zelfs bij
vertrek kreeg bij de grootere maatschappijen de koelie het geld niet
in handen, om te verhinderen, dat hij op de terugreis aan de
vele menschelijke hyena's, die op de schepen steeds op slachtoffers
loeren, zijn geld zou verspelen; aan den koelie werd dan een chque
medegegeven, uitbetaalbaar na aankomst in China door den vertegenwoordiger der maatschappijen. Om de identiteit van den
koelie vast te stellen, die gewoonlijk geen eigen doopnaam had,
werden in den chque opgenomen de speciale kenteekenen, als
lichaamslengte en vooral beschadigingen en litteekens, daar bijna
ieder uit hunne onderlinge twisten eene kennelijke beschadiging
had overgehouden. Dit stelsel werkte uitstekend, want aldus keerden de koelies in hun vaderland terug met hunne vollle overgespaarde verdienste, waarmede zij in hunne omgeving personen van
welstand waren geworden, en was ieder verrijkte emigrant eene
aanbeveling voor anderen om ook dienst te gaan nemen.
De groote zilverdaling werd in het binnenland van China niet
gevoeld; dit reusachtig groote gebied toonde zulk een vis inertiae",
dat de prijzen voor inlandsche goederen tegenover de zilverdaling
niet werden verhoogd. Vandaar dat men in het binnenland van
China zoo algemeen de meening verneemt, dat het zilver niet in
waarde zou zijn gedaald, doch het goud en de met goud betaalbare
goederen, d.i. dus de import, zoo in prijs zouden zijn gestegen.
Door deze geheele regeling bemerkte dus de Clhineesche koelie niet
de daling van de zilvrwaarde; deze deed hem geen kwaad; hij
werd daarvan niet de dupe, omdat voor hem de koopkracht van de
zilveren dollars dezelfde was gebleven. Doch de werkgevers verkregen een groot voordeel door de mogelijkheid om te kunnen
betalen in geld, dat in het groote wereldverkeer gedeprecieerd was.
Vooral de zwakkere n kleinere ondernemingen hebben hiervan

64
geprofiteerd, daar zij anders den strijd om het bestaan niet hadden
kunnen volhouden in de jaren, dat de tabak nog niet zoo hooge
prijzen bedong.
Er zou nog een andere reden zijn geweest waarom de koelie toch
de vermindering van de koopkracht van het zilver tot zijn nadeel
had kunnen gevoelen; dat zou geweest zijn in Deli tijdens zijn
dienstverband, bij den inkoop van levensmiddelen, die als importgoed inderdaad op den duur met meer zilver betaald moesten worden.
Tegen dit nadeel werd de koelie echter beschermd. De groote ondernemingen richtten overal hare eigen winkels op, de z.g. EebonKedeh's, waarin o.a. rijst en opium tegen verminderden prijs
verkrijgbaar waren; op die goederen leden de maatschappijen
verlies, doch het was voordeeliger voor haar om dit verlies op zich
te nemen dan om de loonen in zilver te verhoogen. Andere goederen
in die Kedeh's werden voor een groot deel uit China betrokken en
dus ook in zilver betaald.
Eindelijk nog eene omstandigheid werkte mede om de zilverdaling niet te doen bemerken. De aanvang van de groote ontginning
van Deli als cultuurland viel ongeveer samen met de eerste
belangrijke daling in zilver; omdat het land toen nog zoo weinig
ontwikkeld was, en binnenwaarts moeilijk begaanbaar, moesten
in den aanvang hooge loonen in dollars worden gegeven, omdat
het leven er ook voor den koelie zeer duur was. Allengs werden
die toestanden beter; een uitmuntend wegennet werd aangelegd,
spoorwegen werden geconstrueerd, en zoo werd dat deel der Oostkust van Sumatra langzamerhand een model van moderne ontwikkeling van kolonin. Omdat de toestanden- zooveel beter werden,
werd ook het leven zooveel goedkooper. Ware de zilverdaling niet
gekomen, dan zouden vermoedelijk de loonen op den duur verlaagd
zijn, omdat de cultuur voor de zwakkere maatschappijen anders
niet meer doenlijk geweest zou zijn; die loondaling door vermindering van het aantal uit te betalen dollars werd nu echter
onnoodig.
Deze voor den werkgever en voor den exporteur gunstige toestanden staken natuurlijk de oogen uit van de planters en kooplieden op Java; luide werden hunne klachten over de beweerde
fout van de Regeering, dat zij in overig Indi den goud-gulden had
aanvaard, en menig voorstel werd gedaan om alsnog ook aldaar
tot den zilveren standaard terug te keeren. Gelukkig heeft de
Regeering, hierin krachtig gesteund door de Javasche Bank en

65
haren President Mr. N. P. van den Berg, aan dien aandrang steeds
weerstand kunnen bieden. De toestanden in Java en in Deli waren
toch zoo geheel verschillend. De werknemer was op Java 'de
inheemsche Maleier, Javaan, enz.; die werknemer had dus nooit
genoegen kunnen nemen met eene depreciatie der loonen door
uitbetaling in een munt van een dalende zilvrwaarde; koelies, uit
China afkomstig, waren op Java nagenoeg niet te vinden. In Deli
was de werkgever tevens exporteur; een tusschenhandel bestond
aldaar niet. Ook dit was anders in Java, zoodat de exporteur pp
den duur in Java de producten niet tegen gedeprecieerde prijzen
zou hebben kunnen opkoopen. De voordeelen van Deli hadden dus
nimmer in eenigen omvang op Java door den werkgever of exporteur verworven kunnen worden. Daarentegen importeerde Java
met rijn veel meer ontwikkelde bevolking groote hoeveelheden, en
zou Java dus in hooge mate de nadeelen van betaling van import
in gedeprecieerde valuta hebben ondervonden. Juist dan zouden in
Java dezelfde moeilijkheden veroorzaakt rijn, waaronder de
Britsche kolonin in Azi zoo hebben geleden, en waarvoor onze
kolonin zoo voorbeeldig zijn gespaard. Gelukkig hebben de zilvermannen in Java altijd het pleit verloren.
In 1906 zou er echter plotseling ook eene groote verandering ter
Oostkust van Sumatra en in West-Borneo intreden. Nadat BritschIndi eindelijk in 1893/98 zijne munthervorming tot stand had
gebracht, en de rupee op de gouden basis van 1 sh. 4 d. had
gefixeerd, werd ook in de Straits-Settlements de drang om tot
fixeering van den dollar over te gaan steeds grooter. In 1903 was
met het oog hierop reeds een nieuwe Straits-dollar van eigen muntslag in omloop gebracht. De Engelsche Regeering dorst de hervorming echter nog niet aan, ook wegens de zeer nauwe relatie van de
Straits met het groote Aziatische zilvergebied. Zoolang de daling
in zilver bleef aanhouden, waren de voordeelen van den zilveren
standaard ook voor een groot deel der Straits-bevolking te groot
om verandering te brengen. La November 1903 had het zilver
echter op 21 /i d. per ounce rijn laagste punt bereikt, en nu trad
eene vrij gestadige rijzing in, die in 1906 zelfs de 33 d. per ounce
ging overtreffen. Toen kwamen ook de Straits in de benauwdheid,
en de fixeering, die eerst op 1 sh. 10 d., later vooral op 2 shilling
in het vooruitzicht was gesteld, moest ten slotte vrij plotseling in
het laatst van Januari 1906 op 2 sh. 4 d. aanvaard worden. Die
rijzing heeft natuurlijk eene groote beroering in de Straits gebracht;
11

66
tegenover eene laagste zvernoteering van 21 / bedroeg die 33 d.
ongeveer 50 pCt in de koopwaarde van de munt; dus voor debiteuren en bij betaling van loonen, enz. bracht de rijzing eene
verhooging van 50 pCt. in drie jaar tijds!
Door dat dralen is de Straits nog bovendien voor eene andere
bijzondere moeilijkheid komen te staan. De pas ingestelde Straitsdoar-1903 ging toch bij eene noteering van zilver boven 33 d.
agio doen boven zijne nominale waarde, zoodat, toen nog in hetzelfde jaar van de fixeering de zilverprijs boven 33 d. kwam, ook de
Straits-dollar-stukken, evenals de Mexicaansche dollar, hun weg
voor export als zilvermetaal of naar den smeltkroes vonden. De
betrekkelijk kleine circulatie van Straits-dollars dreigde dus plotseling uitgeput te worden, en hals over kop moest de Straits-regeering in het najaar van 1906 tot eene muntverzwakking overgaan
door den dollar van 24,261 gram fijn gewicht aan zilver over te
brengen tot een zeer verkleinde uitgave van 18,19548 gram
fijn gewicht, zijnde voor den nieuwen dollar ongeveer eene
zilverpariteit van 44 / d. Dat zulks alleen met een teekenmunt, met een gefixeerden dollar mogelijk was, zal wel geen betoog
behoeven.
Als bij tooverslag was daarmede ook de in Oost-Sumatra
en West-Borneo meest gangbare muntsoort veranderd. Immers
toen in 1903 in de Straits de eigen zilver-dollar-1903 werd ingevoerd, werd deze dollar bij voorkeur door de grootere lichamen
gebruikt, ofschoon de vele andere dollars op zilver-basis daarnaast
nog in omloop bleven (die andere zilveren munten waren: de oude
Spaansche dollar, de PiUar-dollar, de Mexicaansche dollar, de
in 1898 afgeschafte Japansche Yen, de Trade-dollar 1895, de
Hongkong dollar der Engelsche Kolonin en de Amerikaansche
Trade-dollar, een zilvermunt, die in Amerika zelf geen koers had).
Nu de Straits-dollar eene gefixeerde goudwaarde had gekregen, was
ook de voornaamste reden voor het gebruik van den dollar vervallen;
het voordeel voor exporteurs en voor werkgevers-loonbetalers was
dus opeens vervallen; alleen bleef het nadeel bestaan, dat die
streken handelden met een muntwezen, waarvan de regeling niet
bij de eigen landsregeering berustte, en waarvan het stelsel hen
slechts in verdere munt-avonturen kon wikkelen. Voor de pariteit
met den overwal was de dollar niet meer noodig, want de pariteit
zou nu in den vervolge beheerscht worden door de pariteit van
den Nederlandschen gulden tot het , behoudens kleine plaatselijke
11

16

6?
verschillen op de Oostersehe markt Thans kon de Javasche
Bank ook die pariteits-handhaving weder geheel in handen
nemen.
In dien tijd ging schrijver dezes op verzoek der Nederlandsche
Regeering naar Nederlandsch-Oost-Indi als President van de
Javasche Bank, en rijn eerste werk was een plaatselijk onderzoek
in te stellen in die uitgebreide gebiedsdeelen naar den toestand
van het muntwezen. Dat onderzoek liet in het geheel geen dubium;
de dollar moest uitgedreven worden, de Nederlandsch-Didische
munt daarvoor alleen in de plaats komen. (Rapport van ondergeteekende over den geldsomloop ter Oostkust van Sumatra,
Bijlage verslag Javasche Bank 1906/07). Reeds in Augustus 1906
hadden de Ghineesche handelaren in West-Borneo dringend daarom verzocht; in Rorneo was daarom de muntzuivering reeds op
1 December 1906 voltooid. In Deli was meer verzet te verwachten,
en dit kwam ook, wel voornamelijk uit een soort conservatisme
en een algemeen niet juist begrijpen van de moeilijke munt-vraagstukken. In 1907 en 1908 werd evenwel ook ter Oostkust van
Sumatra de uitdrijving van den dollar, zoowel van den gefixeerden
Straits-dollar als van de andere dollars, die nog steeds daarnaast
op hunne zilvrwaarde in omloop waren, voltooid. Het succes is
absoluut geweest; niet n ernstige moeilijkheid of verwikkeling is
daaruit voortgekomen, en de Nederlandsche goud-gulden heeft eene
volkomen aanpassing verkregen aan de toestanden in dat groote
land, alwaar zoovele personen van verschillende Oostersehe en
Westersche nationaliteiten te zamen werkzaam zijn.
De Javasche Bank had echter van te voren moeten beloven een
chque- en remise-dienst op den overwal te organiseeren, waardoor
de voornaamste plaatsen ter Oostkust van Sumatra (in Pontianak
door verzending van dollars in natura door de vele soorten van
dagelijks varende schepen en scheepjes. De Javasche Bank kon
zonder bezwaar die belofte afleggen, en heeft in 1907 en 1908 op
de overmaking van geld even gemakkelijk zou zijn als intertijd
was zij reeds gevestigd) eigen kantoren opgericht, alwaar rij ieder
gevraagd bedrag aan dollars binnen de goudpunten van uitvoer op
hare Correspondenten op den overwal en op Londen en op Amsterdam kon trekken. Sedert 1907 heeft dus de Javasche Bank ook in die
gewesten het gold-exchange-systeem tot in alle consequentin toegepast. Zij behoeft daarvoor niet eens vele chques af te geven,
omdat in den regel de particuliere banken binnen de goudpunten

68
in de vraag naar chque kunnen voorzien. Zoodra echter het goudpunt bereikt zou worden, staat de circulatiebank voor ieder bedrag
gereed om door internationale arbitrage chque Singapore of
Penang, Amsterdam, Londen, enz. ter beschikking te stellen, nu
uitvoer van zvermetaal niet meer mogelijk is.
De Javasche Bank heeft vooral sedert 1906 voor geheel Ned.Oost-Indi in veel meer actieven zin de taak op zich genomen om
de wisselkoersen op andere goudlanden te handhaven. Zij heeft
daarvoor eene vrij groote buitenlandsche wisselportefeuille aangeschaft en verder niet onbelangrijke saldi tegoed in Nederland en
bij buitenlandsche correspondenten aangelegd. Metaalzendingen
van beteekenis zijn dan ook sedert 1906 niet meer door particuliere
banken of instellingen geschied, behalve eenige metaalzendingen
door de Nederlandsche Handel-Maatschappij voor bijzondere doeleinden.
Nederland had uit de aarzeling tusschen 1870/75, om de vrije
aanmunting van zilveren grove munt op te heffen, een te overvloedigen voorraad zilveren munten overgehouden, welke zelfs
jaren lang dreigde alsnog door uitdrijving van het goud ons
muntwezen te verstoren; het is zelfs noodig geweest in 1884 eene
noodwet te maken, waarbij de Regeering gemachtigd werd een
zeker bedrag aan Nederlandsche zilveren munt te ontmunten en
die te verkoopen tot aankoop van baren goud, indien de goudvoorraad te veel zou slinken; eene transactie, welke natuurlijk aan het
land millioenen schade zou berokkend hebben. Gelukkig behoefde
die maatregel nooit te worden toegepast; de muntzuiveringen en
de groote opleving in handel, cultures en industrie in onze O.-I.
kolonin sedert 1906 hebben intusschen zoowel het omloopsgebied
van onze zilveren munt als de voor gewone circulatie in Ned.Indi vereischte hoeveelheid zilveren munt zeer vergroot; dientengevolge is in de latere jaren die overvloed aan zilver in Nederland
geheel geabsorbeerd door de kolonin.
De Javasche Bank had die zendingen zilver uit het moederland
te financieren door goudwaarde daartegenover ter beschikking van
Nederland te steDen. Aldus wordt verklaard de groote ommekeer
in de staten van De Nederlandsche Bank tusschen 1906 en 1912;
eertijds veel zilver en weinig goud, later nagenoeg geen zilver en
een overvloed van goud. De Javasche Bank kon die financiering
gemakkelijk doen door ter beschikking te stellen chque Londen,
voortgekomen uit ht provenu van suikerwissels in , te Londen

69
betaalbaar; uit haar saldo tegoed in Londen stelderijook wel goud
in natura ter beschikking van De Nederlandsche Bank tegen afgifte
van zilveren munten voor Nederlandsch-Oost-Indi.
De hoeveelheid zilveren munt in Nederlandsch-Oost-Indi is
daardoor zeer veel grooter geworden sedert 1906. Sommigen hebben
daarin, een gevaar gezien, omdat die veel grootere hoeveelheid
teekenmunt, met eene nominale waarde verre de mtrinsieke te boven
gaande (de pariteit van den zilveren gulden is 62 /s d. per ounce),
nu op pariteit zou moeten gehandhaafd worden, terwijl Ned.-Indi
geen noemenswaardige hoeveelheid goud in reserve had en geen
goud in den omloop. Alle vrees is echter ongegrond gebleken door de
zeer krachtige gold-exchange-politiek der Javasche Bank. Haar
optreden in die richting is zelfs zoo krachtig geweest, dat zij op
het gebied van haren invloed de wisselpariteiten ook gedurende
den oorlog heeft kunnen handhaven op eene wijze als geen enkele
andere circulatiebank ter wereld dit heeft kunnen doen. Den wissel
op Nederland heeft zij langen tijd kunnen handhaven op 99^2 a
99 / , d.w.z. voor 100, Nederlandsch-Lidisch courant kreeg
men telegrafisch in Nederland uitbetaald 99,50 a 99,25. Eerst
in het laatste jaar is de wissel gestegen tot 98 a 98 /*, wat in de
gegeven omstandigheden toch nog laag te achten is, daar de kosten
van scheepsvracht en assurantie van metaal meer waren dan die
2 a l / 4 PCt
Nog veel merkwaardiger is, dat zjj in staat is geweest om voor
een tegoed in Londen een koopprijs te blijven besteden op den voet
van 12,06 a 12,08 in den tijd, toen de koersen op Londen in
andere landen reeds zeer gedaald waren. Zij kocht dan f uitbetaling Londen tegen overgifte van cognoscementen (suiker), f 3-tot
6-maands wissels, waarvan de koopprijs werd berekend op den
voet van 12 / onder aftrek van officieel buitenlandsch bankdisconto over den looptijd van den wissel. De handhaving van
dien hoogen koers op Londen heeft niet nagelaten veel critiek
over dat optreden der Javasche Bank uit te lokken, vooral van de
andere banken, die klaagden ook tot dien koers te worden opgedreven; de Javasche Bank beweerde evenwel, dat de Indische
cultures moesten worden gesteund in hunne afzetprijzen naar het
buitenland, berekend in , en verklaarde hare maatregelen te
hebben genomen, zoodat zij, door steeds over betaling in goud te
kunnen beschikken, dien prijs kon blijven bieden; en inderdaad
heeft rij getoond gedurende vrij geruimen tijd dergelijke betalingen
8

08

08

72

in goud te kunnen verkrijgen in veel belangrijker bedragen dan


waartoe de andere banken in staat bleken te rijn.
Een ander, op zichzelf nog merkwaardiger, verschijnsel is, dat
de Javasche Bank, na voltooiing van haar programma van reorganisatie harer bankpohtiek, voor een belangrijk deel ten doel hebbende om de gold-exchange zoo zuiver mogelijk toe te passen, haar
disconto-rente op den lsten April 1908 van een tijdelijk hoogeren
koers op 4 pCt. heeft kunnen brengen, en dezen koers op den lsten
Augustus 1909 verder terug heeft gebracht op 3% pCt., terwijl.hare
rentevoet voor andere zaken naar verhouding werd geregeld, en
dat die rente van 3 / pCt. sedert 1909 nog steeds onveranderd is
gebleven ondanks groote metaalafgiften en de daarmede in verband
staande groote aanvoeren van metaal, die rij uit hare middelen in
Europa moest betalen, verdubbeling van hare uitzettingen, meer
dan verdubbeling van hare bankbiljettencirculatie en hare saldicrediteuren, en ondanks crisis, oorlog en alle andere oorzaken, die
de geldmarkten in de laatste jaren zoo ontzettend geschokt hebben.
De Bank heeft uit de stelselmatige toepassing van dat goldexchange-systeem eene zoo groote elasticiteit verkregen, dat rij
dus reeds meer dan 7 jaren onder de meest abnormale omstandigheden hare bankrente dezelfde heeft kunnen laten.
1

Het spreekt vanzelf, dat dit alleen kon geschieden in een land,
dat als regel een guns'tige uitvoerbalans heeft. Dit was dan ook
ontegenzeglijk het geval in Nederlandsch-Indi; niettemin kwamen
daarin ook tijdelijk schokken voor; de uitvoer werd tijdelijk
zeer belemmerd door gebrek aan scheepsgelegenheid en andere
oorlogsgevolgen; er rijn oogenblikken geweest, dat de credietvraag
zeer toenam, dat veel metaal voor de circulatie werd opgevraagd,
allemaal factoren, die op zichzelven aanleiding tot verhooging van
rente hadden kunnen geven. Door een uitgebreid net van vertegenwoordigers in het buitenland en door handhaving van hare maatregelen, waardoorrijbuiten de kolonin in ruime mate kon voorzien
in de behoeften van vermeerdering van haren metaalvoorraad,
kon haar systeem evenwel tot nu toe iederen schok opvangen
zonder tot verhooging der rente genoodzaakt te rijn. Ter
vergelijking van cijfers en toestanden laat ik hieronder naast
elkander een overzicht volgen van de voornaamste balanscijfers
op 31 Maart 1906, en van eenige^ balansen uit de jaren sedert
den oorlog.

73
31 M a a r t

25 J u l i

1906.

1914.

8 Januari 6 Januari Maximum


1916.

1917.

Cijfers.

ACTIVA.
Disconto's betaalbaar i n
Nederlandsen I n d i . . . .

4.274

7.258

5.782

6.382

15 Augustus 1914

H.136

Wissels buiten Nederl. I n d i


betaalbaar

4.771

6.395

19.869

34.814

24 J u l i 1916

> 41.493

Beleeningen (incl.voorschotten i n Rekfr. Crt.)

14.644

47.932

45.690

66.189

7 Oct. 1916

.. 74.126

Voorschotten aan het Gouvernement

6.445

'9.129

27 Maart 1915
Effecten

.. 3 1 . 9 9
,

M u n t en Muntmateriaal . .

7.894

37.710

53.961

8.971

75.278

9.239

98.090

6 J a n . 1917

.. 98.090

Gebouwen en Meubelen der


Bank
Diverse Rekeningen

232

1.241

1523

1.493

200

2.228

29.057

8.711

69.725

134.589

185.960

224.918

6.000

6.000

6.000

2.149

3.871

4.124

3.808

PASSIVA.
Kapitaal

6.000

Reservefonds, Pensioenfonds en Onderstandsfonds


Bankbiljetten i n omloop . .

58.451

110.171

138.178 1 5 8 . 7 5 0

2 Dec. 1916

15-865

Bankassignatininomloop\

Rekening-Courant s a l d i . . ) '
2 Sept. 1916
Diverse Rekeningen

Metaaldekking der terstond


opeischbare verplichtingen

67.471

654

69.725

61.90 'It

1.913

4.182

134.589 185.960
43.90 'It

43.85 /

5.970

224.918
46.90,/o

Deze cijfers wijzen in onderlinge verhouding op een groote ontwikkeling in het bedrijf der Koloniale circulatiebank, en belichten
dus voldoende de merkwaardigheid van de onveranderlijkheid der
bankrente desondanks. Ook belangwekkend is het, dat de metaaldekking percentgewijze in verhouding tot de overige zeer veranderde cijfers doorloopend vrij wel dezelfde is gebleven; ook dit is
een gevolg van de elasticiteit in de toepassing van het gold-exchangesysteem.

74
Dit verschijnsel verdient thans meer dan ooit de aandacht te
trekken, ook al betreft het slechts eene Koloniale circulatiebank.
Immers ook in die landen, waar vroeger een groote goudcirculatie
was, wordt sedert den oorlog het goud vastgehouden, en zijn slechts
zilveren teekenmunt, muntpapier en bankpapier in omloop, dus
alleen circulatiemiddelen, die hunne waarde oneenen aan andere
waarden dan hunne eigen intrinsieke. Gedurende den oorlog is de
internationale arbitrage natuurlijk zeer ernstig gestoord geweest;
maar allerwegen hoort men het voornemen verkondigen, dat na
den oorlog in het internationale verkeer de theorie van de goldexchange-standaard veel meer toepassing zal vinden, eensdeels
door het goud te reserveeren voor saldeering der internationale
arbitrage, anderdeels door voor dit doel meer met buitenlandsche
saldi te gaan werken tusschen de landen, die op dit punt elkander
kunnen verstaan. In Duitschland noemt men het systeem ten
opzichte van het eigen land in den laatsten tijd het Gold-Kernsysteem; tegenover het buitenland zal de term wel blijven goldexchange-systeem. Het munt-systeem van vele landen zal tengevolge van en na den oorlog ongetwijfeld veel studie, en hier en
daar misschien wel eene belangrijke herziening behoeven.
Met het oog op het een en ander is het dus zeker de moeite
waard er op te wijzen, dat de Nederlandsch-Indische Kolonin op
dat gebied een buitengewoon interessant veld van studie opleveren.
Nederlandsch-Oost-Indi heeft in 1845/54 in den vollen zilverjd
reeds met zijn recepissen-stelsel en afgifte van buitenlandsche
wissels, met name van wissels op Nederland, door de Regeering
in Nederlandsch-Dadi getrokken op den Minister van Kolonin in
Nederland, uitsluitend met het doel om d munt- en wisselpariteit
te handhaven, het systeem toegepast, dat thans in den goudtijd met
den naam van gold-exchange wordt bestempeld, en heeft daarmede
zijn uiterst verward muntwezen geheel in orde gebracht. Van 1854
tot 1875 (of 1877) is het op de zuivere zilver-basis geweest, doch
na 1875 (of 1877) heeft steeds meer doelbewust het goldexchange-systeem toegepast. Het heeft zich uitmuntend daarbij
bevonden, en leverde een voorbeeld van rustige muntpolitiek te
midden van alle muntstormen, die over de verschillende deelen van
Azi zijn getrokken door de daling van de zilvrwaarde. De andere in
Azi koloniseerende landen zijn successievelijk alle in den loop
der jaren tot dezelfde of althans analoge hervorming van hun
muntwezen gekomen. En nadat Nederlandsch-Indi aldus wel

75
beschouwd de pionier is geweest op dit gebied in 1845 en na 1875,
heeft zijne koloniale circulatiebank in de laatste groote wereldberoering een voorbeeld van vastheid in rentevoet en bankpolitiek
gegeven, dat voorloopig wel eenig zal zijn in de munt- en bankgeschiedenis.
O. VISSERING.

Amsterdam,
November 1916Januari 1917.