You are on page 1of 420

D E

GOUDE EN ZILVERE
-

E ER G ED A GT EN IS
V A N

D". M. LU THE R
O

MED ALISCHE

HISTOR
D

R.

LUTHERSCHE REFORMATIE,
Waar in men ziet de Afbeeldinge, Uytlegging en Bechryving
- van meer dan 2oo zoo Goude als Zilvere

GEDENKPENNINGEN,
Dewelke zedert het begin der Hervorming gemunt zyn.
Zynde dit Werk tot nut en dient van de Liefhebbers

der Gedenkpenningen afzonderlyk uytgegeven


Doo R

G.

B,

I N 's GR A V EN H A G E.

1734.

ve

V O O R BE R I C H T.
EEt gaat als nu in het elfde jaar, dat ik
#), niet lang voor myn vertrek van Leip
sz: # zig, herwaards na Schleuingen, van
# # #U) den toenmaligen Deken der Theolo
*S*giche Faculteit, iegenswoordig ech
ter Senior van dezelve , en hoogverdiende Pro
feor Publicus, D. Johannes Olearius, bevel ont
fing, om op 't gedachtenis-feet van Luther, naam
lyk den 31, October 1695. de gewoonlyke La
teinche redevoering in de Pauliner of Univeri
teits-kerk aldaar , uit te preken, wanneer ik by

't opzoeken der daartoe dientige materien, niet


onvoeglyk, nog den toehoorderen onaangenaam
oordeelde, het leven en voornaamte gechiede

mien van dien dierbaren Leeraar onzer Kerk, den


zaligen Heer Doctor Martinus Lutherus, uit ge
denkpenningen of medaillen te bechryven en voor
te dragen, om dat ik my te binnen bragt, ver
cheide van dezelve in dees en geene cabinetten
van medaillen te hebben gezien. God gaf toen
maals ook genade, dat na eenige briefwieling met
voorname vrienden, een toereikelyke voorraad

van zodanige medaillen in der haat by malkande


ren gebragt, en voor zoo veel die tyd toelaten
wilde, in eene aanzienlyke vergadering der lofly
ke Univeriteits-genoten en andere geleerde man
nen opgeheldert wierd, van dewelke de meeten,
voornaamlyk echter onder de als nu overledenen,
D. George Lehman, Prof. Theof. P. en Super
intendent, D. Valentin Alberti, Prof. Theol.

Extraord, en Logicae Ordinarius; Lic. Valentin


Friderici, Profeor in de Hebreeuwche tale, en de

Hoogberoemde Raadsheer en groot kenner derge


chiedenien, FrederikBenedictus Carpzovius,
-

GIM.

,
t

V O o R BE R I C H T.
en onder nog de levenden, de Heren D. Adam
Rechenberg, Prof. Theol, Primarius, D. Tho
mas Ittig, Prof. Theol, Ord. en Superintendent,
D. Johan Cyprianus, en D. Johan Schmidt, bei
de Prof. Publ., de Lic, Otto Menkenius, Prof.
P. in de Zedeleen, Chritoffel Pfauts, Prof. P.
in de Matheis, en vercheide andere vrienden,

my zoo voort na die plechtigheid vermaanden,


de redenvoering, zoo als ze van my was uitgepro.
ken, met den druk gemeen te maken, doordien
ik echter bevond, dat er nog veel ontbrak, eer
deze geringe arbeid in 't licht kon worden gege
ven, en kort daarna myn beroep tot het Corector
chap in het Hoogvortelyk Saxen Hennenberg
che gemeenchool, door des Hoogten chikking,
boven verwachting daarop volgende, zoo is deze
uitgave tot in den iare 1699 achter gebleven,
hoewel met dat voordeel, dat midlerwyleene zoo
chone menigte van Medaillen, die Luthers ge
dachtenis vernieuwen, hebben konnen verzamelt

worden, dat ik door derzelver hulp heb derven


ondernemen, het leven van Luther in een behoor

lyke chikking in de Lateinche tale te vervaardi


CI1

s Wanneer nu aldus myn inzicht bekent, en door


redelyke menchen goedgekeurt wierd, zyn my
niet alleen de penningen, die ik wit, dat nog
manqueerden door 't zenden van afdrukzels me
degedeelt, maar ook van hoge Patronen van my
en Liefhebbers van Luther, ter hand getelt zo
danige, die tot nu als in 't verborgen hadden ge
legen, en zelfs in de anders heerlyk opgevulde
Cabinetten niet waren te vinden.
Y, -,

Waardoor ik dan wierd aangezet, op een nieu


We
-

V o o R BE R I C H T.
we en Duitche uitgave van dit Werk bedacht td
zyn, ten einde ook de gene, die van de letteroef
feningen iuit geen werk maken, en echter de hi
torie en penningkunde beminnen, zouden onder
recht worden, gelyk dan zulks als nu door Gods
bytand, aldus is in 't werk getelt, dat wel de
chikking van den voorganden Lateinchenarbeid
doorgaans gevolgt maar vercheiden, zoo is in de

chetzender penningen zelf, als derzelver ver


klaring, # feilen verbetert, en 't ganche
werk met meer dan 2oo. Medaillen vermeerdert is.

Om echter by den goedguntigen lezer meer lut


te verwekken, en van, 't moijelyk zoeken in de
tafelen t'ontreffen, zoo heeft de Drukker van dit

Werk goedgevonden, om de Medaillen alle op


hunne behoorlyke plaats te laten volgen, ten ein
de alles te netter in de oogen vallen, en de ver
lutiging der gehoopte tichting des gemoeds, te
gelyk komen moge. . . . . . . .
:
Zeer vele geleerden hebben het leven en de ge
chiedenien van den onwaardeerbaren Leeraar en
dierbaren vader van onze Evangeliche Kerk, D.
Martinus Luther, bechreven, welke wy na de
nette tydorde willen voortellen; ia Luther zelf
was van voornemen, zyn leven, achtervolgens al

ze

le hem bet bekende omtandigheden in 't licht te


geven, zoo als zyn getrouwe medehelper en amptgenoot, Philippus Melanchton, betuigt, nadat
echter zyn ontydig overlyden zodanig voornemen
heeft verydelt, zoo heeft de gemelde Melanchton

in een afzonderlyk gechildert gechrift genaamt:


Commentatio de Vita & Actis Lutheri, verzamelt wat

tot deszelfs welverdienden roem trekken. Men


vind dit gechrift in plaats3k vaneene Voorrede aan
't

v o o R B ER I C H T.
't hoofd van 't Twede Deel der Lateinche Wer
ken van Luther, en is ook in den iare 17oo te
Wittenberg in 4to afzonderlyk van de pers geko
men; 1548 gaf Johannes Pellicarius van Zwickau
te Weienfels, Superintendent te Herford, en
eindelyk prediker in Courland, zoo als 'Feller,

Profeor te Leipzig in zyne Cygni guaimodogeniti be


arcas richt, in 't licht Vita & JAta Lutheri, welke levens
bechryving Matthaeus Dreerus, zyn Boekdeel
waarvan beneden zal worden geproken, heeft in
gelyft. De oude geetryke prediker te Joachimthal,
Johannes Mattheius, heeft eenige Kerkreden van
Luther gehouden, die 157o. 16o8. en 1621. te
Nurenberg zyn van de pers gekomen; Cyrianus
Spangenberg heeft diergelyke ook in 't licht ge
geven, 1576 hield M Conradus Porta in 't chool
te Eisleben eene redevoering, zynde eene verma
ning tot het vlytig lezen van Luthers chriften,
die nevens de Theologia Megalandri Lutheri, door Mic
hiel Neander Soranus gechreven in den iare 1584.
te Wittenberg in 8. is gedrukt. Andreas Kreuch
heeft Luthers wapen by wyze van eene Kerkrede
bechreven, en 1579 in 8, met den druk gemeen
gemaakt. Hierop volgde de Gechiedenis van D.
M. Luther, uit zyne eige chriften zamengetelt,
door Paulus Seidelius Werdenis, Wittenb. 1582
4to, en George Gloccerus waarachtige Hitorie van
de lere, leven, beroep, en zalige dood van D.
M. Luther, Straasburg 1586. 8. Om dien zel

ven tyd gaf ook de Superintendent van Leipzig,


D. Nicolaus Selmeccerus, Luthers leven in de

Lateinche tale in 't licht, 't welk D. Johan Fre


derik Mayer 1687, re Wittenberg in 4to heeft la
ten herdrukken. De toenmalige Profeor in de
-

ge

V O O R B ER ISC H. T.

gechiedenien te Leipzig, Matthaeus Dreerus,


# echter in 8, allerhande kleine Schriften on
der den titel van Hitoria Luther in 't licht gegeven,
dezelve behelzen: I. Drelerus Voorrede van de pag. 3;
tandvatigheid van Luther, in 't artykel van 't
H. Avondmaal. II. Vita & Acia Lutheri van Joh. Per 13.
Pellicarius III. Luthers leven, door Melanch- en we
ton. IV. Luthers handelingen op den Worm-,
chen Ryksdag. V. Luthers Zendbrieven aan de
Keur-en Vorten des Ryks. VI. Bekentmaking erg 4e
van Luthers dood, door Melanchton, aan de
tudenten van Wittenberg. VII. Jutus Jonas en pas de
Celius verhaal van Luthers dood. VIII. Joh, er v.
Bugenhagen lykrede op Luther. IX. Melanchtons,
parentatie by Luthers lyk. (n- VII. VIII. IX. pag. 6
zyn 1553. door D. Capar Creutziger te Witten
berg by malkanderen in 4to. in 't licht gegeven) ,
X. Tydkundige tafel van Luthers bedryven. XI, " "
Luthers vertoog van zyne voornaamte verrichtin-**
gen. XII. Tydkundige verzen van Luthers han- ,,s,
delingen. XIII. Een dubbeld verhaal van Dree-,
rus van Luthers leven en bedryf XIV. Eene korte #?
bechryving van Luthers reis van Wittenberg na pag. 1 of 2
Rome. XV. Dreerus redevoering, die hy ter ge
legenheid van de lyktaatzie van D. Paulus Lu
therus heeft gedaan. XVI. Programma van den pag. 121;
Rector Magnificus te Leipzig, op de begraafnis

Pag. IO2

van D. Paulus Lutherus.

In de zetiende eeuw is in vry meer werken van


Luther gehandelt van de welke wy lechts eenige
zullen opnoemen, doordien om ze alle met name
aan te tonen my onmogelyk is, en ook iuit niet
noodzakelyk chynt; en aldus hebben dien tyd
het licht gezien: Joh. Forterus: Oratio Panegyrica
2

de

v o o R B ER 1 GH:T.
de Doctoratu & Conjugio B. Lutheri, oppoita Calumniis &'
ophisticationibus frivolis jacobi Greteri, Wittenb; 171 2. in 4to.

-(

, .

Waarachtige Bechryving van 't gelacht, gebor


te, leven en afterven van D. Martyn Luther,
Gieen, 1613. 8vo. waarvan de naam van den
Schryver
onbekent is. joh. Cloius: Memoria B. Lutheri
nati, eu D. AM. Lutheri defenio in modum orationis compota,
Wittenb. 1616. 4. Valerius

Gloria Lutheri,

of bewys van Luther, dat de Engel, Openb. joh.


XIV. eene profecy van hem zy, Leipzig 1617.
8. Nicolaus Crogerus: Eerengedachtenis van D.
M. Luther in vier predikingen, Hamburg 1618.
8. Andreas Kelerus Lutherdom, of grondig be
rich van de leer, Reformatie, leven en terven van

D. M. Luther, Coburg 1628.8. Paulus Laurentius:


Orationes duae de Comparatione e WMegalandri D. M. Lutheri

cam Propheta Elia, Leipzig zonder iaar. Matthias


Ritterus: leven van Luther, Frankfort aan den
Mayn 1635. 8. Laurentius Dedekennius de B. Lit
theri auguta virtute & indole in cygno exprea, Gluktad,

164o. in 4to. Lubberus Matthaeus: Luthers lof


van vrienden en vyanden, Nurenberg, 1648. 8.
Georgius Nuberus, Lutherus redivivus, Hitorie van
Luther in 2o. Kerkredenen, Ulm 1657. 4. Jo
han Gottfried Olearius, Superintendent te Arn
tad, Eerenredding van den derde Elias en Duit
chen Profeet, D. M. Luther, tegen L. Scheffler,
Leipzig, 1666. 8. Dezelfs verdedigchrift tegen
Scheffler, Leipzig 1667.8. Joh. Emmelius, door
den Hemel vliegende Engel, D. M. Luther Frank
fort, 1672. 12. D. Johan Deutchman, Prof.
Theol. Primarius te Wittenberg Diputatio de Luthero
Angelo io Apocalyptico, 1683. 4. D. Valentyn Al

berti, Prof. Thol te Leipzig, Diputatie de


'

'

..

. .

re:
-.

L%

v o o R B ER I CH T.
Luther Heroica 1683. 4. D. Joh. Scharffius en D.
Joh. Frederik Schariffius te Wittenberg, twee Di

# de Reformatione Lutheri,

I68 5. I686.

By wel

en allen buiten 't geen Thuamus, Sleidanus, en


Joachimus Camerarius in Vita Philippi Melanchtonis,
midsgaders Melchior Adame in Vitis Theologorum, van
Luther en dezelfs handelingen verhalen, moet

worden gevoegt, D. Johan Gerhard in Confeione


Catholica, D. Joh. Muller, Patoor te Hamburg, in zy
nen verdedigden Luther, en Verdediging van den
verdedigden Luther, D. Joh. George Dorchaeus en
Joh. Saubertus, de oude, in de Admirandis & Miraculis
- Augutanae Confeionis; voorts D. Joh. Coenraad Dann
hauer, en D. Theodorus Thummius, beide in
Memoria Thuamatandri Lutheri, wyders D.

Elias Veiel,

Superintendent teUlm, in het voortreffelvk Werk


genaamt: Een Goude kleinodie der choonte en geetrykte ge
dachten en betrachtingen uit de Schriften van den zaligen man D.

M. Luther, 1669. 8. en in het tractaat: de Hito


ria & Neceitate Reformationis Lutheri, ex criptis Georgii Prin

cipis. Anhaltini, Ulm, 1692. D. Johan Gottlieb


Muller heeft Lutherum & Confeorem & Martyrem,- &
AMartinalia, eu de Vita Lutheri in afzonderlyke Dier

tatien 1693 te Rotok in 't licht gegeven; de on

tervelyke Luther van D. Joh. Frederik Mayer,


Superintendent Generaal te Grypswalde, is tot
genoegen bekent, en de Gechied-Calender van
Luther, in 1697 te Leipzig door een naamloos
Schryver ter drukpers bevordert, verdient zynen
lof, zoo als ook de beknopte levensbechryving
van Luther in de Dagelykche Schouwplaats des
Tyds, van den Heer Hendrik Anshelm van Zie
gler en Klipphauzen, midsgaders het goed inzicht
van den Farheer te Mellenbach , graafchap
-

'

Schwarts

V O O R B ER I CH T.
Schwartsburg, M. Johan Gottfried Holtshey, die
Luthers wapen 17oo in een tractaatie in 4 heeft
bechreven.

Edoch om de waarheid te preken, wylen de


Hoogwelgebore Heer Vitus Lodewyk van Sec
kendorff, Keur-Saxiche en Brandenburgche,
midsgaders Hoogvortelyke Saxiche geheime raad
en Kanzelier heeft dezen allen den loef afgeto
ken, in zyn onwaardeerbaar Boek, de Hitoria Luthe
ramimi, 't welk 1688 in 4to., en volkomen 1692

in folio van de pers is gekomen, en zoo wel het


leven van Luther, als de gechiedenien der van
hem ondernome verbetering der Kerk, zodanig
net, en duidelyk uit de originele tuk
en , regiters en geloofwaardige chriften voor
oogen gelegt, dat 't eene loutere onmogelykheid
is, iets daartegen in te brengen, ten ware onze
wederparty met ziende oogen blind zy, en de
waarheid op eene hardnekkige wyze in 't aange
zicht tegenpreken wilde.
Wy # enkelyk, dat dit voortreffelyk
Werk of geheel, of 't welk wel 't raadzaamte
chynt, ten dele en alleen de voornaamte hoofd
tukken, in de moedertale overgezet, en vooral
hierby niet vergeten werde, den vinger Gods ga
de laan, die zich zoo handtatelyk by de Refor
matie heeft laten zien. Men twyfelt ook niet, of
de Koninglyke Poolche Raad en Keurvortelyke
Saxiche Gechiedchryver, de Heer Willem Ernet

Tentzel achtervolgens zyne beloften, die hy reeds


1695. in de Maandelykche Zamenpraken heeft
gedaan, zoo hy gelegenheid vind, 't zelve te be
werktelligen, en de Evangeliche #
denis in 't Duitch uit te geven, of ook de Hoog
-

VOf

v o o R BE R 1 C HT
vortelyke-Saxiche Hofraad, de Heer Tobias
Pfanner, zullen na hunne ongemene geleertheid,
op de Hitorie van Luther hun hoofdinzicht rich

ten, tot welkers zamentellen de Heer Pfanner


zich na myn onthoud, nog onlangs in een chrift
tegen Gottfried Arnolds Kerk en Ketterhitorie
enegen getoont en een groot verlangen verwekt

Het voordeel, dat men hieruit zoudeha

len, zou niet te waarderen zyn. En in dit oogenblik, dat ik dezen wench heb gedaan, ont
fang ik eenen brief van een voornaam Godgeleer
den, waarin ik met vermaak zie, dat hy by ge
val op deze materie komende, dienzelven wench
nevens my doet. De Lezer zal niet qualyk dui
den, dat ik de bedenkelyke woorden van dien
voornamen man hier laat volgen, dezelve luiden
aldus:

, Voor 't overige, chryft hy, heb ik reeds


,, meermalen gewencht, dat in onze moedertaal
, de merkwaardigte en gewichtigte gechiedeni:
,, en van onze tyden, te weten, het Reformatie
,, werk van den zaligen Heer Lutherus, van eene
,, bequame pen zodanig omtandig en echter be
, knopt mogt worden ontworpen, dat voornaam
5) . lyk de daarby alomme doortralende Goddely
ke chikking, die toenmaals van den Heer van
23 Seckendorff vlytig aangetekent is, met nadruk
3)

3) )

93)
5) 3)

3,

werde voor oogen getelt, want zoo zeker als


het is, dat de vyanden van onze Kerken een
# voordeel hebben behaalt en ons 't groot

, te nadeel toegevoegt, door 't boven gemeld


,, Goddelyk werk met de lelykte verwen te chil

,, deren, en de voornaamte omtandigheden met


, tilzwygen verby te gaan of te verdraaien, zoo
* * * 2

ge

v o o R BE R 1 CH T.
, gewis is 't aan de andere kant, dat vele herten
,, van de onzen in hun geloof en religie tandva
, tiger zullen gemaakt worden, als zy Gods
.,, vinger, dien hy by onze zalige uitvoering uit
,, het Pauzelyk Egipten , op eene verwonde
,, renswaardige wyze heeft laten blyken, met oo
,, gen als komen te zien, en waar te nemen ,

,, want 't geen Matheius en anderen, die Lu


,,
,,
,,
,,
,,
,,

thers leven in de Duitche tale hebben bechre


ven, hierontrent gedaan hebben, is ten dele
te weinig, en ten dele den
en alleen be
kent, het recht gulden Wer van den Heer van
Seckendorff is eenigzins te wydlopig , en
daarenboven enkelyk in de Lateinche tale.
Dus ver dezelve.
:
Midlerwyl om dit oogmerk te bereiken, ik acht
vooral dientig, dat de originele chriften en do
cumenten of regiters uit de archiven, zoo veel
mogelyk, zonder eenige verandering in hunnen

- -

tyl van woord tot woord gedrukt, en lechts op


eene behoorlyke wyze
elkander gechakelt
ala Il

werden, om de gechiedenien op te #
want daar teekt, ik weet niet wat voor een kracht
in de chriften der ouden, voornaamlyk in de ge
ne, die gedurende het werk van de Evangeliche
Reformatie, zoo van Godgeleerden als Staatkun
digen, ten tyde van Luther op 't papier gebragt
zyn, zoo als my hierontrent gaarn gelyk zullen

geven alle de gene die diergelyke chriften in de


archiven of elders ooit gelezen hebben. Eene zeer
chone proef hiervan heeft de Hoog- Vortelyke
gerechts-Secretaris en Opziener der Schriftgaarde
w,

te Weimar,
Joachim Muller, geleert man
en groot gechiedkenner, verlede iaar met het in 't
-

t 1-

--

-- - -

3,- '
-

t"

licht

V o O R B ER I C H T.
licht geven van de Evangeliche Protetatie en

Augsburgche Confeie-hitorie, gegeven, want


deze gechiedenis doorbladerende, moet men de
Godlyke voorzienigheid als met handen taten,
en de verwondering over dezelve, hoe dat naam
lyk God zyn klein hoopie toenmaals opgebeurt,

onder zoo velerhande heimelyke en openbare ge


vaarlykheden bewaart, en zyn werk met eere en
roem ten einde gebragt heeft, is zoo behoorlyk ,
dat my bewut is, dat zeker vortelyk Miniter
by zyne moeijelykte bezigheden, dit gemelde
boek met zoo veel gretigheid van woord tot woord
heeft gelezen, dat hy de nachten te baat nemen
de, in weinig dagen daarmede ten einde quam en
iegens zeker perzoon, die ik zeer wel ken, be
tuigde, dat hem niets aangenamer en tichtelyker
van hitoriche Werken van dezen aard in handen

gekomen zy.
Ondertuchen moeten wy van de gene, die
onze ware Evangeliche kerk getadig als vyanden
aanvallen, hoewel ganch ongaarn en met droef
heid zeggen, dat haar hoofdoogmerk zy, den
vinger Gods, of deszelfs heilige voorzienigheid
by 't Werk der Reformatie, te verduiteren, te
verdrukken, en zoo veel mogelyk en dikwyls te
gen beter weten, te niet te maken. Zommige
van dezelve hebben ook wel het leven en de ge
-

chiedenien van Luther bechreven, maar met

zodanige onwaarheid, dat men over de blindheid


by zodanig klaarchynend licht ten dele tot la
chen, deels tot medelyden word bewogen, over
het vervoeren van de arme zielen, die door zulke

chriften in de diepte duiternis der onwetenheid


of haat, en der vervolging iegens de rechtgelovi

v o o R BE R 1 c H T.
gen aangezet en verleid worden. Onder deze
chriften zyn voornaamlyk: Beknopte Hitorie en
waarachtige gechiedenis van 't leven, lere, bely
denis en dood van Martyn Luther en Johan Cal
vin , midsgaders van eenige andere hunne mede
helpers en dienaars van 't nieuw geopenbaarde E
vangelie, uit de Franche tale, door Jacobus
Laingaeus, Doctor van de Sorbonne, in 't La
tein en door M. Joh. Engerdus, Baccalaureusder
H. Schrift, en Profeor in de hoge chole te In
goltad in de Duitche tale gebragt. Ingoltad,
1582. 4to. In de Voorrede van dit leugenachtig
boek word gemeld, dat Johannes Cochlaeus La
teinche Hitorie van Luther, door Johan Chri
toffel Hueber verduitcht en in dat zelveiaar 1582
te Ingoltad gedrukt zy.
Op deze lyt behoren ook: Laurentii Foreri eptem
characteres Lutheri delineati & defeni, Dillingen 1626.
8vo.

Em. de Vega, de Lutheri vita &) eVMiraculis, Vil

nae, 1586. 8vo. Als mede Capar. Vlenbergii Lippenis,


de Vita & e7Moribus Lutheri, Melanchtonis, Flacii Illyrici,

Colonie, Agrippine, 1622. 8vo. En zonder twyfel


ook het boek, genaamt : Hitoria parallela Vitae D. M.
Lutheri & Martini Epicopi Turonenis, percripta a M. Elia
Haenmullero, Ingeltad. 1577. & Francof. I593. 4tO.

Midsgaders: Orationes & Quaetiones, utrum Lutherus fuerit


verus Germaniae Propheta, eiuque cum J. Bennone collatio, In
geltad. 16o8. in 4to. Ten minten is de plaats, daar

deze twee boeken gedrukt zyn, waarvan ik de


titels lechts gezien heb, zeer verdacht. De oud
wyfche vuilaardige fabelen en lateringen der nieu
We Franche chryvers als Antoine Varillas; den

Abt de Cordemoy, den onlangs overleden Bichop


van Maux, Jaques Benigne Bouet, en uit zyh
OT (T, -

BS

v o OR BE R I C H T.
genoodchap vertoten Jeuit, Louis Maimbourg,
van Luther, hebben vele chryvers zoo wel van

onze als de Gereformeerde Kerk, en voornaamlyk


de bovengemelde Heer van Seckendorff, op eene
treffelyke wyze wederlegt. Nog een naamloze
Franche Charletan of Hitoriche Quakzalver, heeft
in den iare 1694. te Amterdam in twee deeltiens
in 12mo. Nieuwe Zamenpraken der overledenen
in de Elieiche velden uitgegeven, en onder de
zelve ook Luther en Calvinus prekende in ge
voert, dog zoo lichtvaardig en met zulke onware

omtandigheden der tyd en perzonen, dat er niet


wel iets chaamtelozer kan gechreven werden ,
hiervan zyn eenige taaltiens in de Voorrede van
e

1 - 1

de Lateinche uitgave van dit Werk te lezen,

achtende het der moeite niet waardig, om verder


het papier daarmede te bekladden.
Daarentegen erken ik als eene voorzorg van God
iegens Luther en die door dezelfs dient in kracht
des Hoogten, hertelde ware Evangeliche Kerk,
dat hy de gedachtenis van dezen zynen getrouwen
dienaar, ook op goud en zilver, ik meen op tref
felyke gedenkpenningen, heeft laten laan, en
dus ook daardoor onder de menchen in de wer
reld verpreiden en onterflyk maken laten.
Eniuit ditzelve is, dat my bewogen heeft, zo
danige gedachtenis van Luther weder in 't licht te
brengen, of 't mogelyk ware, dat zommige zc
danige voorzienigheid nevens my quamen te zien;
immers men kan verzekert wezen, dat onze Voor
zaten hare hoogachting iegens Luther en het van
hem gepredikte Evangelie, door de bovengemel
de penningen, waarvan wy eene verwonderens
waardige menigte by malkanderen hebben gebragt,
tOt

V O O R B ER I C H T.
tot geen ander einde hebben willen betuigen, dan
dat de nakomelingen hen in die zelve toegenegen
heid en achting navolgen en na hun voorbeeld het
door Luther van de vuiligheid der menchen tel
lingen uperfyn gezuiverde Woord Gods bemin
nen, boven alles in de werreld achten, en 't zel
ve opentlyk bekennen zouden.
! . . .
Hieruit is wel geen wonderwerk te maken, al

zo de gechiedenien van grote Mogentheden en


voorname huizen door vele penningen vereeuwigt
zyn, want ze houden zulks billyk voor gedenkte
kenen van hare glorie, te meer als vleijery hier
geen plaats heeft, en trekken, om hunne namen
en daden op eene voortreffelyke wyze om den tyd
te doen verduuren ; weshalven dan ook grote en
vermogende Heren, dit voordeel bezeffende, dier
gelyke Medaillen in hunne cabinetten verzamelt,
en den gechied-chryveren gegeven hebben, om
met hulp van dezelve, menigmalen ganch ver
borge omtandigheden der gechiedenis op te del
ven. By voorbeeld, de Jeuit Claude Franois
Menetrier en nog onlangs een geleerd man te Parys,
heeft het leven van Lodewyk XIV. Koning van
Vrankryk bechreven, zoo als ook op 't choon
te uit moderne Medaillen gedaan hebben Claude
Molinet ontrent de Roomche Pauzen, Nicolaas

Chevalier ten opzicht van Willem III., Koning


van Groot-Britannie, de Abt Bizot, ontrent de

Gechiedenien der Vereenigde Nederlanden,


Oligerius Jacobaeus ontrent die van de Koningen
van Denemarken, voorts Jacob van Mellen ontrent

de Roomch Duitche Keizers van 't Ootenryk


che huis en van de Koningen van Ongarye, Wil
lem Ernet Tentzel, ontrent de Keur-en
e

vorie:

V O O R B ER I C H T,

ke Saxiche perzonen van beide linien; Petrus


Ambroius Lehman in de zogenaamde Hamburg
che Remarquen, ontrent 't leven en merkwaar
digte bedryven van zeer veel Europeaanche Prin
en, zonder van vercheide anderen gewag te ma
ken; dog dat ter eere van Luther en de van hem
verbeterde Kerk ruim tweehondert gedenkpennin
gen gelagen zyn, zulks is in waarheid niet byge
val gechied, maar moet in alle delen als een werk
van de Goddelyke betiering worden aangemerkt,
De Hoogte geve, alzo men in deze tyden ge
tadig na iets nieuws haakt, dat Luther, die wat
hem aanbelangt, in zyn leven goud en zilver wei
nig geacht heeft, in dit zilver en goud, waarin
hy iegenswoordig opnieuw word voorgetelt, zich
aangenaam make by de gene, dien zyn nederig
heid anders een aantoot, en de van hem gelouterde
waarheid en wysheid van het Goddelyk eeuwig
woord, eene fabel en dwaasheid geweet is. Goud,
en zilver zyn de fynte metalen, wy wenchen,
dat ook in 't bechouwen van deze Goude en Zil

vere Eerengedachtenis van Luther, degene, wel


ker herten nog vol onreinigheid der lateringen of
heimelyk en openbaren haat iegens het Evangelie,
of tot eenen ongelukkigen afval van 't zelve tot
de onzalige leringen genegen zyn, gezuivert en in
zodanige reinigheid tot in haarend tandvatig mo

gen volherden.

. 2. . . .

. .

..

Ik zal in deze Voorrede hiervan niets meer mel


den, maar enkelyk bidden, de hier en daar onver
hoeds ingelope feilen op 't bete te duiden, en
verzekert te zyn, dat niet cene medaille, in dit
boek voorkomende, van my verzonnen zy, ten
rdelyk denke, als of zom
einde niemand verkee
mige
3k k ik k k
-

v o o R B E R 1 c H T.
mige van dezelve van my waren verdicht, om
Luther grote eere te betonen, dan hem werklyk
was aangedaan. En om te weten, waar de origi
nelen of de onvervalchte chetzen in lood zyn aan
te treffen, van dewelke ik de copyen in vichlym
gevormt bekomen heb, welke zeer chone en nut
te vinding de Duitchen den onlangs te Arntad
overleden en zeer vermaarde Muntkenner, Andre

as Morel, hebben te danken, zoo als hy den


Franchen Jeuit Joubert, welkers Notitia Rei Nummarie
1695. van ons in de Lateinche tale is overgezet,
zoo als uit zyn Specimen Rei Nummarie antiquae by 't lot
is te zien, alwaar hy onze op zyn verzoek toen

maals gemaakte bechryving van deze vinding heeft


ingelat, hoewel ik ook bevinde, dat Baudelot de
Dairval, in zyn tractaat, genaamt: Utilit des Voiages,
1693 gedrukt, midsgaders 1685 D. Johan Daniel
Maior, Profeor te Kiel in Holtein,voor Morel van
deze inventie gewag gemaakt, en deze reeds na 't
bericht van den bovengemelden Jacob van Mellen,
in zyne Voorrede over den Syllogis Nummorum Uncialium

Cearerorum van hem ontfangen heeft, zoo heb ik niet


alleen de gewone tekenen van goud o, zilver ,
koper g, en lood i , maar ook door zekere letters

de bezitters der originelen by de chetzender pen


ningen aangewezen, om ter zelver tyd op eeniger
hande wyze voor derzelver goedguntige medede
ling,
dank te zeggen, welker beteke

nis wy op de volgende alphabeetche orde met


namen willen aantonen.
A.
-

Het weergaloos treffelyk en kotbaar Kabinet


-

-- --

f
-

van

v o o R BE R 1 C H r.
van Medaillen van den Hooggeboren Heer, Heer
Anton Gunther, des Heiligen Roomchen Ryks
der vier Graven van Schwartsburg enz, regerende
Graaf en Heer van Arntad,

A M.

Het vermaarde Kabinet van Medaillen van zyne


Excellentie, Heer Gerardus Molanus, Abt van 't
Vrye Rykstigt Loccum, en Keurvortelyke Brun:
wyk Hanoverche Geheime Raad te Hanover,
Den edelen en rechts welgeleerden Heer Jacob
Burckard, Sulzbaco-Palatinus, Jur: Utr. Candi

datus.

Den hoogwaardigen Magnificus , Heer D. Sa


muel Benedictus Carpzovius, Keurvortelyke Sa
xiche hoogverdiende Opper-Kerken, en Opper

Conitoriaal Raad, midsgaders Opper-Hofpredi


ker te Dresden,
CS.

Betekent een klein boek in folio, zonder iaar


of plaats, waar het gedrukt is, de titel is :
Doctor e2Martinus Lutherus Theologus divinus, ab ingenioiimo
JAppelle Luca Cranachio ingulari artificio diverimode effigiatus.
Adieta unt etiam Numimata in B. Herois memoriam nunquam
intermorituram paim excuorum aliquot etypa. Ex Collectione

eideliana in antiquitates tudioorum gratiam excudebat G. Bartch.

Mynes onthouds zyn 'erin 't geheel zeventien zoo


afbeeldzels als
-

penningen, om dat ik het boek


-

** * **

- -

- -

niet

V O OR B ER I C H T.
niet meer heb, dog de meete in de grootheid, of
ontrent de overige hoedanigheden niet te net ge
token, zoo als ik uit de originelen bevonden
heb, behalven dat by niet eenen penning de min
te verklaring gevoegt is. De Schryver is de
Keurvortelyke Brandenburgche Raad te Berlyn,
Martyn Frederik Seidel, zoo als hy zich in 't
Voorbericht en opdragt van een ander boek
noemt, dat zoo als 't bovengemelde op zyne ko
ten is uitgegeven, en dezen titul voert : Icones &'
Elogia Virorum aliquot praetantium, qui multum tudiis uis cont
liisque eVMarchiam olim notram juverunt ac illutrarunt. Ex col

lectione Martini Friderici Seidelii, Coniliarii Brandenburgici ,


1 671.

D.

Den wylen Hoogverdienden Patoor ter Sant


Sebald te Nurenberg, en Bibliothecaris van die
Republiek, Heer Johan Michiel Dillherr, wel
kers kabinet van medaillen het Collegium Sebaldinum
by laatte wille gemaakt en my te Nurenberg door
den welverdienden Schaffer ter Sant Sebald ,

Carel Dittelmeyer, op eene zeer beleefde wyze


getoont is.
EI.

Den weledelen en Rechtshoogwelgeleerden


Heer Johan Daniel Eienthrat, Hoogvortelyke

Saxen-Naumburgche Kamer-Commiaris, mids


gaders Stad-Rechter, en Opziener van de inkom
ten van 's Landschool te Schleuingen,
F.

Wylen de Hoogedele en Rechtshooggeleerde


Heer

va

V O OR B ER I CH T. Heer Emanuel Gunther Forter, fur. Utr. Doctoran

dus, geweze Hoogvortelyke Saxen-Naumburgche


Raad en Amptman te Schleuingen.
*

- **

FI.
Den Hoogedelen en Rechtshooggeleerden Heer

Johan Martinus Finck, J. V. Doctor, en voor


naam Rechtsgeleerde te Coburg.
,
GE.

Den Hoogedelen en Rechtshooggeleerden Heer


Tobias Gebler, Hoogvortelyke Saxen-Naum

burgche Raad en Kanunnik te Zeits.


-

, #

- - --

!.

--*

- - - - -- l

*- --

. . ... . .

De Hoogvortelyke kuntkamer, en 't Kabinet


van Medaillen te Gotha, dat de Doorluchtigte
Vort en Heer, Heer Frederik, Hertog van Sa
xen, Gulyk, Cleve en Berg, midsgaders Enge
ren en Wetphalen enz. behalven de weergaloze
boekery, ten blyk van zyne liefde tot de letter-oef
feningen, in zyn Hoogvortelyk Reidentielot be
gonne heeft, te laten verzamelen.
GR.

Den Hoogedelen en Rechtshooggeleerden Heer


Gottfried Graevius, Syndicus van den Hoogede
len Raad van Leipzig,
GU.

Den Edelen en welgeleerden Heer Chritiaan


Gunther, SS. Miniterii
Candidatus te Naumburg.HE.
2k ik k k 35 k

v. O O R BE RIC HT.

HE.

3 ie

Y.

r -

Den Hoogedelenen Feten, Heer Carel Gu


taaf Heraeus, Hoogvortelyke Schwartsburgche
Hofraad te Sondershauzen.
-

"-

--

-- - ---- - - - -

/
"-

* *

*- *

--

- ,"

- -

Den Hoogedelen en Rechtsgeleerden Heer Ge


orge Paul Honn, jur. Utr. Doctor, Hoogvortelyke
Saxiche oppervoogdychaps-Raad en Amptman

te Coburg.

. .

'

I.

## # #

&

- -

- - - --

Den hoogedelgeboren Heer Jacob Willem Im


hoff, Hoogaanzienlyke Raad en Amptman by de

zoogenaamde Loung Stuben (kamer) der


Nurenberg.
.

KU.

* .

Republiek
-

Den hoogedelen hooggeleerden Heer N. Kun


dich, j. U. Doctor, en zeer vermaarde Rechtsge
.
. .
leerde te Altenburg. | | | |
,
MOL.

Zie AM.
MON.
Onder den vercierden naam van Samuel Mo

nanai, heeft zeker geerde vriend en vermaarde

Muntkenner te Leipzig, Heer J. M. belieft ge


noemt te worden,

'

'

. . .

w
-

- -

-- -

--

*-

-- e

V. o o R BER 1 CH T.
- 1

/.

- - -

Den welgeboren Heer Gottlob van Notits,


hofmeeter van den doorluchtigten Prins van
Wurtenberg, te Dresden.
-

, 4

erg,

iden

% 2.

| |

| | |

-- - --

* -

- -

- -

7
- ; -

| | |||

||

|
-

vl

..

- -

| | ||

| | |

Den weleerwaardigen hoogwelgeleerden Heer


M. Johan Chritoffel Olearius, welverdiende pre
diker en opziener der boekery te Arntad. " 3 | | |
-

* *

"

* *

1-

OM.

- - -

J. . . . .
s ,

- -

. . . . .
--

--

...

-- -

. . \
- -

Den hoogedelen magnificus, Heer Magnus Da


niel Omeis, Com. Pal. Ce: midsgaders hoogbe
roemde Profeor Publicus Moralium, Eloquentiae en Poies,

ter
loflyke
Univeriteit
Altdorff..
.

. .
.
.
. .
- -

- I -

*,

: :

P. i . .

..

--

.
-

. . .
2

.. .

Den hoogedelen Magnificus, Heer Abraham


Chritoffel Plats , jur. Utr. Doctor, en hoogaanzien

lyke Borgemeeter te Leipzig.


. .
PI,

.. . . .

Den weleerwaardigen hoogwelgeleerden Heer


M. Hendrik Pipping, SS. Theologie Baccalaureus, en
welverdienden prediker ter St. Thomas te Leipzig.

Den weledelen hoogwelgeleerden Heer M.


Chirtiaan Schlegel, hooggraaflyke Schwartsburg
Arntadche. Bibliothecarius en Antiquarius te Arntad.

***** *

SEY..

V O O R B ER IC H T.

sEY.

Den wylen weleerwaardigen grootachtbaren en


welgeleerden Heer Johan Jacob Seyppel, welver
diende Schaffer ter St. Laurens Kerk te Nuren

berg.

. '

SO.
Den hoogeerwardigen Meviie, , HeerChritof
fel Sontag, SS. Theol. Doctor, hoogverdiende Profe
-

"

or Theologia Primarius en Grace Linguae Ordinarius, mids

gaders opper-patoor ter loflyke Univeriteit en

Kerk te Altdorff,
2

Den hoogedelen

T.

hooggeleerden Heer

Willem

Ernet Tentzel, Koninglyke Poolche en Keur


vortelyke Saxiche Raad en Hitoriechryver te

Dreden.

v.
Het vermaarde Kabinet en de kamer van rari

teiten van wylen den Heer Johan Andreas Viatis,


te Nurenberg.
W A.

Wylen den hoogedelen Magnificus, Heer Johan


Chritoffel Wageneil, #. Utr. Doctor, en hoogver

dienden hoogleeraar in de rechten en Ooterche


talen in de loflyke Univeriteit te Altdorff.

lat
KC

wAL.

V O O R B ER I C H T.

wAL.
Den weledelen hooggeleerden Heer Johan Mar
tinus Weldchmidt, opziener der boekery en hand
",
veten der Republiek Frankfort aan den Mayn.
'Te

Den hoogedelgeboren getrengen Heer Johan


Willem Weber, hoogvortelyke Saxen-Naum
burgche Hof-jutitie en-Conitoriaal Raad te

f: Schleuingen.

e-

WEI.

s-

Het voortreffelyk Keur en Vortelyk Saxiche


Medaillen-kabinet te Weymar, 't welk de doorluch

tigte Vort en Heer, Heer Willem Ernet, Her


tog van Saxen, Gulyk, Cleve en Berg, midsga
nders Engeren en Wetphalen enz. in dezelfs hoog

& vortelyk Reidentie-lot als een onvergelykelyk


e ornament tot dezelfs zoo rare als kotbare boeke- ,
ry en kontkamer genadigt daarby verordineert
heeft.

||

', ' Den edelen en zeer vermaarden kontenaar,

Heer Chritiaan Wermuth, Roomch Keizerlyke


en Koninglyke Pruiiche, midsgaders hoogvor
telyke Saxiche geprivilegeerde Medailleur te Gotha.
ZI.

e | Den weleerwardigen welgeleerden Heer M. Jo


han Frederik Zihn, welverdiende Diaken ter Ker
ke te Suhla.
1

->

k ik t k k k A

k
-

'

v o o R BE R 1 C H T.
*

Myne geringe voorraad van penningen.


+++

Wat aanbelangt de aanmerkingen, die chier

by ieder paragraaf zyn gevoegt, dezelve zyn nood


zakelyk geweet,
alle verwarring
voor te ko
# datomdaardoor
vele omtandighedeh
w-

men, be

der gechiedenis verklaart en opgeheldert hebben


konnen werden, die iuit een ieder mogelyk niet
bekend zyn; ten minten ik heb my voor alle wyd
lopigheid, midsgaders nodeloze en doorgans op
ydelen roem van belezenheid doelende uitwydin.

gen, zoo veel mogelyk gewacht, en myn oog


merk nooit uit 't gezicht verloren, en de pen met
zodanige becheidenheid gevoert, dat men my,
hope ik, nog van bitterheid iegens de van onze
Evangeliche Kerk verchillenden, nog van eeni
ge belediging der waarheid, als welke beide klippen een hitoriechryver billyk behoort te myden,
met eenigen grond van rede zal konnen bechuldi
gen. Ik bevele hiermede den goedguntigen Lezer in de genadige becherming van den groten
God ten allen bedenkelyken welzyn, en nu in des

zelfs betendige genegenheid. Schleuingen den |


32. Maart 1706.

KOR

K oRT EN IN H oU D
v AN HET

Behelt een kort begrip van het boek en de zelfs voortelling


S. 2. Handelt van Luthers geboorte en ouders. 148 3.

S. 3. Van dezelfs naam en letteroefeningen op cholen en Univeriteiten,


1498. 15o1. 15o2.

- -

S. 4. Van dezelfs Academiche eertitels en Klooterleven te Erfurth, 15o3.


15o5.

S 5. Van zynen vlyt in 't lezen van de H. Schrift, 'Prieterampt 672 beroep
na Wittenberg, 15o8.
,,
-

S. 6. Van zyne reize na Rome en waardigheid van Doctor in de Godgeleert.


heid, 1512.

v.

S. 7. Van zynen vlyt in 't waarnemen van zyn ampt.


S. 8. En dientige hulpe van de tudia humaniora tot het aantaande Re

formatie-werk, als mede van den


S. 9. Aanvang der Reformatie 151 7. en de

S. 1o Diputatie tegen Tezelius van den aflaat.

S. 11. 12. Handelen van de noodzaaklykheid der Reformatie, en


/

S. 13. Van het verlangen daarna, alsmede van de voorafgaande Profe

cyen, ten dele door den droom van Frederik, Keurvort van Saxen,

S. 14. en deels van Johan Hs.

S. 15. Opent die uit den aanvang der Reformatie gereze gechillen en dic
putatie te Leipzig, 15 17. 1518.

.'

S. 16. Handelt van diezelve materie en van Luthers dagvaarding na


Augsburg, 15 19.
-

S. 17. Spreekt van Luthers reis na den Ryksdag van Worms, en


S. 18. deszelfs vertrek van daar en opluiting op 't lot Wartburg, 152i.
midsgaders
-

S. 19 dezelfs terugkomt te Wittenberg, wegens de verwekte onrut van


Andreas Carltad, 1522.

S. zo. Handelt van Luthers gezangen en de&elfs overzetting van 't N.


Tetament in de Duitche tale, 1522. en
S. 21. Andere Schriften van Luther tegen de Mis, 1523. als mede

S. 22. Van dezelfs pennetryd met Erasmus van Rotterdam, en waarom


hy de Monnikskap heeft afgelegt, 1524.

* ** * * * * *

- -

S. z;

Ko RT EN INHOUD VAN HET WER K.


S. 23. Verhaalt den dood van Frederik III. Keurvort van Saxen, als me

de de Kerkviitatie, door dezelfs opvolger, Keurvort Johannes, in zyne lan


den gechied, 1525.
- i
* * . - S. 24. Geeft eenige maricht van den Boerenkryg, 1525., alsmede
S. 25. Dat men getracht heeft Luther met vergift om te brengen, en van
-

dezelfs huwelyk met Catharina van Bora, 1525, midsgaders ,


S. 26. Van Lutherus Catechimus, en alliantie van zommige Vorten te
Torgau, 1526. wyders
S. 27. Van Luthers tandvatigheid in den tyd van de pet, 1527. 1528.

S. 28. Meld de twede Kerkviitatie, 1528. en den wadom der Evangeli


che Reformatie, voorts

S. 29. Wat op den Ryksdag teSpier 1529 gepaeert, en hoe aldaar de naam

# 'Protetanten onttaan zy, en eindelyk de Diputatie van Luther met Zwin


gltus.

>

S. 3o. Geeft bericht van de Confeie, 153o. op den Ryksdag te Augsburg


overgegeven, en

(N

S. 31. Van Luthers droefgeetigheid, midsgaders hoe den Protetanten ze

kere vryheid van hunnen Goddientoefening wierd ingeruimt


S. 32. Handelt van den dood van Johannes, Keurvort van Saxen, die

door zyn zoon Keurvort Johan Frederik, in de regering is opgevolgt, 1532.


S. 33. Spreekt van gechillen van Luther met George, Hertog van Saxen,
en van de nieuwe Kerkorder.

S. 34. Verhaalt allerhanden verrichtingen van Luther, en deszelfs over


zetting van de ganche H. Schrift in de Duitche tale, 1534. 15.35. en
S. 35. Het geprek van Luther met Petrus Palus Vergerius 1535. en zyn

verchil met Hendrik VIII. Koning van Engeland, midsgaders


6. 36. Spreekt van Luthers verzoening met Martinus Bucerus, en van de

mildadigheid van Keurvort Johan Frederik iegens den eerten, 1536.


6. 37. Handelt van de vergadering te Smalkalden, en aldaar opgetelde Re
ligie artikels, midsgaders Luthers krankheid, 1537. by welke gelegenheid
6. 38. Vercheide rare medaillen, op dewelke de afbeeltzels van de vermaar
de Godgeleerden dier tyden, worden bygebragt.

6. 39. Meld van de Reformatie in 't Markgraafchap Minie, na de dood


van George, Hertog van Saxen, door dezelfs opvolger en broeder, Hertog
Hendrik bevolen, en door Luther in 't werk gestelt, 1539.

6. 4o. Geeft bericht van den tiltand door de Protetanten 1539 te Frank
fort aangenomen, door Joachim II. Keurvort van Brandenburg in zijn land
verordeneert.

6. 41. Spreekt van Luthers droefheid over de krankheid van Melanchton


154o. alsmede van eenen raad, door Philip, Landgraaf van Heen medege
deelt, en van de onrut, door Johannes LAgricola van Eisleben, gerokkent.

6. 42. Geeft bericht van 't geprek van Melanchton met Eccius te Hagenau
en Regensburg, 1541. en van Luthers gevoelen omtrent het Interimsboek,
midsgaders

6. 43. Van deszelfs verlegenheid wegens het verchil tuchen Johannes


Frederik Keurvort van Saxen, en Maurits, Hertog van Saxen, 1542 ,

7/46 (76'

KOR TE N IN HOUD VAN HET WE R K.


mede van 't Tetament, in dit iaar gemaakt, en wyders
W). 44. Van Luthers twit met de Joden, en van de Reformatie, van Her
manus, Keurvort van Henneberg in hunne landen, 1543.

$ 45. Doet eene opnoeming van Luthers Schriften tegen den Paus, 15,4
W. 46. Deszelfs gevoelen ontrent een Concilie, midsgaders zyn omzichtig
heid in menigerhande gevaar 1545.
W. 47. Vercheide wederwaardigheden, die Luther 1545. gehad heeft, mids
gaders

0, 48. Dezelfs zalig overlyden, 1546, waaruit men gelegenheid neemt?


te preken,
49. Van zyn zinpreuk en wapen,

5o. Zeden en levenwyze,


. 51. Huwelyk,

52. Kinderen en nakomelingen tot op dezen tyd

53. tot 0. 58. allerhande Reliquien en overblyfzelen.


. 59. tot S. 64. Behelzen een kort verhaal van den oorlog van Keizer
Carel V tegen Johan Frederik, Keurvort van Saxen, en van deszelfs ge
vangenchap, alsmede van die van Heen, 1547.
S. 65. 66. Handelen van 't Interimshoek, 1548. en

6. 67. tot 6 7o. Van de veldtogten van Maurits, Keurvort van Saxen,
tegen Keizer Carel, 15 52.

6. 7o. Van de Paauche vrede, waarby de gevange Vorten op vrye voe


ten wierden getelt. 15.52.

S. 71 Spreekt van Keurvort Johan Frederiks terugkomt, overlyden, en


lof, 1554.

- --

S. 72. 73. Van het bedryf van UAugutus, Keurvort van Saxen, en de
van hem opgerechte Formula Concordiae, 1574 tot 158o.
S. 74. Behelst eenig bericht, wat onder de regering van Chritianus I,
Keurvort van Saxen, in de Religie-zaken is voorgevallen, en

S. 75. Van het geprek te Regensburg, 16o1. midsgaders van Gottfried


Raaf, en

S. 76. Van een paar byzondere penningen van Luther.

S. 77. tot 84. Bechryven het eerte Evangeliche Jubelfeet uit Medaillen,
1617, alsmede

S. 85. tot 88. wat in de iaren 1618. 162o. 1629. en 163o alomme in
de Religie-zaken is voorgevallen.

S. 89. Verhaalt de plegtigheden van 't twede Evangeliche Jubelfeet,


163o.

6. 9o. De Aten van den Religiekryg, 1631. 1632 enz.

'. '

S. 91. Handelt van het Jubelfeet te Regensburg en Onabrug , 1642. als


mede
V

S. 92. 93. Van den Wetphaalchen vrede, 1948, en deszelfs executie te


Nurenberg, 165o.

S. 94 95. Spreekt van 't derde Evangelich Jubelfeet, 1655. en


3k % % % % % % % 2.

S. 95

K OR T EN IN HOUD VAN HET WER K.


S. 96. Van eenen penning van Luther.
S. 97. Van 't Jubelfeet wegens de Formula Concordiae 1675.

S. 98. Van 't Koninklyk Sweedche Jubelfeet 1693. en daarop volgt

S. 99 en 1oo het lot van het ganche Werk.

GOUDE

GOUDE EN ZILVERE

EER GEDACHTEN Is
V

L U T H E R.
M E T
G O D!
Leven en Gechiedenis van D. MA R

T IN US L U THE R., uit nette


afbeeltzels en fraaie gedenkpen
* *

ningen verklaart,

'
*

- ,
4.

S.

[4

Ns voornemen in dit Werkie is niet, het leven

J) van D. Martinus Luther , onvergelykelyke


A Leeraar der reine Evangeliche Kerke; zoo
S omtandig te bechryven, gelyk het tot nu van

K vele geleerde
voornaa
echterpennen
door diegechied
van wyleis,Vitius
Lo

z',V
Z
C

%2

y van Seckendorf, Keur- en Vortelyke


dewyk

Saxiche mitsgaders Keurbrandenburgche Geheime Raad, en

repective Kanzelier van 't Sticht Naumburg en laatt van de


Univeriteit te Halle, in 't ontervelyk Boek, waarin hy de Hi

torie des Luthersdoms na de waarheid en uitvoerlyk heeft be


chreven, maar wy zullen ons vergenoegen, het zelve zoo als
ook 't geen na Luthers dood by de uitbreiding der reine Lee
re en deswegens gevierde Jubelfeeten is voorgevallen, naar
aanleiding van eenige treffelyke afbeeltzels en betrachtenswaar
dige gedenkpenningen, in een aangename kortheid op 't duide

lykte voor te dragen en te verklaren.


S: 2:

Martinus Luther (a) of Lutter, zoo als deze naam van zom- D. Ms
echreven,
den 1o. van
November
te tinus
Lu:
Eisleben (b)hoofdtad
vanwierd
het graafchap
Mansfeld 's1483.
avonds
therword
mige word

eboren.

na elf uuren (c) van arme hoewel eerlyke ouders (d) genaamt

Johan Luther en Margaretha Lindemannin(e) geboren. Van


de geboortetad hebben wy een klaar getuigenis op eene ge
denkpenning, (f)
A z

wel

DE G o U DE EN ZI L v E RE

,,

*#

*-,

--

w- -

'.." .

*-

gr

- -

: *-

"

- \

- -

v,

ILVt lnel Vs N'.

-4

't

* *

// TheoLogys S

I1nsa XO1n I VI1'

te

Is LebIIVIVaX

etfortIs.

'Welkers eerte zyde of (a) Luthers bortbeeld in een prietergewaad vertoont, met
dit omchrift: DOCTOR MARTINUS LUTHE RUS

# BIENSIS.
W7,

Dat is: Doctor Martin Luther van Eisle

-,

vr

r
-

De andere zyde of
(b) Behelt enkelyk de woorden, waarvan de grootte La
teinche letters, naamlyk: M. C. L. X. V. I. &c. het iaargetal
van 1483. uitmaken: LVthe. Vs theoLogVs In aXonla VIr
-

plVs & eLlas VLtIMI eCVLI natVs et IsLebII VIVaX &


fortis. Dat is: Luther, Saxiche Godgeleerde, een godvruch
'tig man en Elias der laatte eeuw, geboren te Eisleben levend
van aard en kloekmoedig.
-

Hier pat zeer gevoeglyk een eier-rond goude gedenkpenning


tie, waarop te zien is:

(a) Luthers beeltenis zonder Schrift;


-

De volgende woorden, die getoken en niet gedrukt zyn:


Effigies Martini Lutheri Theologie
Doctoris. Dat is: Beel

#ae)

tenis van Martini Luther, Doctor in de Godgeleertheid.


A A N M ER KI N GE N.

, (a) Vercheide hebben eenige onzekere zonderlinge betekenis in Luthers


naam gezocht, die na de Miniche uitpraak in de oude Saxiche en Thu
-

rin

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER.

ringiche tale zoo veel heet als Louter en klaar, doch zulks kan men eer
gedogen, dan dat zommige uit het oude chryven van dien nam Luderee
ne ongerymde applicacie hebben willen wringen, daaronder Johan Mauritius Lib 3.
Gudenus in zyne Erffurtche Hitorie, hoewel men niet kan ontkennen Gap. ***

dat de naam Luder in de naamlyt der Hoogleeraren, van de Wittenberg- ###"


che Univeriteit, door Andreas Sennertus in Athenis Wittenbergenibus uit
gegeven, mitsgaders in vercheide gechreve acten der Hoge Scholen van P***
Erffurt en Wittenberg, ia van Luther zelf in eenige Zendbrieven gebruikt
zyn, desniettegentaande blyft men nu, om verdere gelegenheid tot potten

te myden, by de ingevoerde chryfwyze van Luther of Luiter, gelyk als zulks


de Heer van Seckendorfin zyn bovengemeld Boek, mitsgaders de Schryver ib. 1.
van de merkwaardige en uitgeleze gechiedenis van 't vermaarde Land- # s'al

graafchap Thuringen, de Heer M. George Michael Pfeffenkorn, Super- #9. ..."


en regiters van 't Ampt Saltzungen en Eienach omtandig hebben aange- pag. 259.
intendent te Tonna, dicht by Gotha, uit de oudte chriftelyke becheiden

toont. Voor 't overige dunkt my, dat Luther op eene plaats zynen naam

aldus zelf heeft verklaart, als hy zegt, dat dezelve zoo veel betekent als A. T. s.
Lutherr of Leute-Herr. Aan de andere kant heeft een naamloze Franch- # 1397.
man, dien zommige voor Mr. de Fontenelle, andere echter, daaronder Sa- b.

muel Groer, Rector van 't School te Grlits, in zyne inleiding ter Eru
ditie, voor Mr. d'Ablancourt houden, in zynlichtvaardig Boekie, genaamt ,,,
Lucien en belle humeur in 't twede Deel de chaamteloze vermetelheid gehad,
te beweren, dat Lutherus zynen naam Lotter in Luther had verandert, ten Pag m,

einde de betekenis van 't woord Lodderboef niet zoude mogen op hem ge- ***
trokken werden, dan men kan hem dit niet qualyk nemen, om dat dierge

lyke potterny by zyne Lands en geloofsgenoten niets vreemds is. By gele


genheid van den naam Lauter dient nog te worden
't geen bo

vengemelde Heer Pfeffenkorn met volgende woorden chryft: In de Keur- 1 e P.


vortelyke waardigheid en opperheerchappy over 't Keur-Saxiche gedeelte aan *7 **
Thuringen, volgde den Keurvort Augutus deszelfs eenige zoon, Chritiaan de
Eerte, die echter 1591. als eene Bloem in 't bete van zyn bloei verwelkte,
na dat hy kort voorheen had gezegt: Luther gy blyft wel Louter en een rein
ne Godgeleerde.

(b) Hy is te Eileben door een zonderling geval geboren. Zyne ouders


woonden toente Mra, een Dorp, iegerswoordig in 't Vortelyke Saxen

Meiningiche Ampt Saltzungen gelegen, dicht by Eienach, zoo als de


Heer van Seckendorf en de Heer Chritiaan Slegel in de levens bechryving
van Georgeus Spalatinus by deniare 1521. zeer wel aanmerken, zy begaven zich van daar na 't Mansfeldche, de moeder reisde na Eileben op de
kermis, om dat zy meende, dat de tyd van kramen nog zoo dra niet was,
en kreeg aldus alhier dezen hunnen zoon, waarvan ook in de dagelykche
chouplaats des tyds van Ziegler en Klipphauen meer kan worden nagela-

1. e. f.
18. b.
'9 *
A

fol

I.

gen. Hieruit had de anders zeer geleerde Adriaan Baillet, Boekbewaarder a,


van den Heerde Lamoignon, Preident van 't Parlement te Parys, oorzaak

genomen om onzen Luther op een zeer lafhertige wyze den Patriarch van
Eileben te noemen, in het zeldzam Bock genaamt: Des Satyres peronnelles
o des Anti, door hem in den iare 1689 in 8. te Parys uitgegeven, waarin

hy chryft, Het is waar, dat de Schryver des Anti Barclaii, de Heer Keizer P. 1. p
(is de

# Godgeleerde van onze

Evangeliche Kerk D. Antonius m 3og.

Reierus) een Lutheraan en daarenboven een der natuurlykte en yverigte Scho

lieren van den Patriarch vvn Eileben zy. Met meerder oprechtheid heeft

Petrus Paulus Vergerius, geweze Bichop van Jutinopel en Pauzelyke


Nuncius by den Keurvort van Saxen in Luthers zaak, die daarna ook de
waarheid van 't Evangelie beleden heeft, in 't volgende verie de tad Eile
ben geprezen: Felix 1 SLE BIUM Luthero alumns.

Cuius gloria maior et eorum,


Auim dicere, qui ante hosfuerunt,
Annis millibus atque bis ducentis.
A 3
-

Dat

DE GO U DE EN Z 1 LV E RE
Dat is: Eileben was deswegen gelukkig te achten, om dat Luther in

haar geboren was, welkers roemde geene ver overtrof, die in de 24oo ia
ren voor geleeft hadden.

Aangehaalde geboortedag word behalven van den Heer van Seckendorf


van Paulus Eberus in zynen Calendaris, en Augutinus Brunnicus in Triade

P. m.
394

Electorali Politica, en vele anderen bevetigt. Hoewel nu Hieronymus

Cardanus en Junctinus na 't getuigenis van Florimundus Raymundus den ge


boortedag van Luther op den 22 October verplaatt heeft, ten einde daar
Progreu uit aan te tonen, dat hy een aartsguit geweet zy, zoo heeft Iaac Malleolus,
Heree
Diertatie
on, cap. Hoogleeraar te Straasburg, deze hunne litige treken in zyne
4. p. 19. de Genitura Lutheri Anno 1617. met betand wederlegt, gelyk D. Scharff
L. J. de

Ortu Ok

Dip. II.

aantoont, daarenboven heeft men zyn geboorten iaar 1483. in 't volgende

de Lu

thero 5.

verie gezegt:

natVs es IsLebII DIVIne propheta LVthere,


reLLIglo fVLget, te DVCe, papa IaCet.
Dat is:

Goddelyke Profeet Luther gy zyt te Eileben geboren, door uwe leere verheft de
reine Godsdient zich en de Pauzelyke valt.

(d) De beeltenien van beide de ouders van Luther, zyn als iets zeer
raars, in een fraaie kopere plaet hierby gevoegt. Onder die van den vader

is te leezen: johan Luther, vader van Doctor Martinus tierf den 29. Juny
15 3o. Onder die van de moeder taat Margaretha, huisvrouw vau Johan
Luther, tierf den 30. juny 1531. De Heer Chritiaan Schlegel, Hoog

gravelyke Swartsburgche Boekbewaarder en Oudheids-kenner te Arntad,


door welkers liefde zoo als ook door de bequame hand van Mon. Licht
wer, ik de copyen van die beeltenien van goede originelen heb ontfangen,
meldde terzelver tyd in zynenbrief, dat in een zeker manucript van Luther,
't welk wylen de vermaarde Rector van de Keur-Saxiche Landchole te
Minie, D. Georgius Fabricius Chemnicenis, welkers leven door de ge
leerde pen van myn waarden vriend en toenmalige Conrector van de gemel
de Landchole, M. Johan David Schrebers, in 't kort zal worden bechre

ven, met eige hand heeft afgechreven, en als nu by den gemelden Heer
Schlegel is berutende, onder anderen deze alhier te pas komende woorden
te lezen waren: Ego Lutherus epe de Atrologia cum D. Philippo um louttus,
de ille hitoriam & ordinem totius vitae mee atte recitavi. Ego um Rutici
filius, proavus meus, avus, pater, zyn rechte boeren geweet, daarna is myn

vader na Mansfeld getrokken, en aldaar een Bergwerker geworden. Dat is:


Ik Luther heb met D. Philippus dikwyls van de terrekunde geproken en hem
myn ganchen levenloop verhaalt, ik ben eens boeren zoon, myn overgrootvader,
Grootvader, vader zyn rechte boeren geweet, daarna &#c. Midlerwyl heb ik

ook deze beide afbeeltzels, in koper geneden, in de voortreffelyke Vorte


fol. 2e2 .

lyke Gotche Boekery te Friedentein aangetroffen, te weten in 't vyfde


Boek der rare kopere platen, welke de goedaardige Heer Ernet, Hertog
van Gotha, hoogtzaliger gedachtenis, in grote menigte heeft vergadert,
en in vele folianten laten binden, ik heb terzelver tyd 't teken van den vader

onder zyn afbeeldzel gezien, 't welk was: twee hamers, de eene tomp en de
andere pits, kruiswys over malkanderleggende, en daarbenevens leet men de
ze woorden :

Afbeeltzels van den welgeachten, eerzamen en wyzen Heer, Hans Luther


I

en van de eerryke deugdzame vrouwe Margaretha, zyne huisvrouw, ter zali


ger gedachtenie van den eerwaardigen in Godgeleerden en hoogverlichten man,

D. Martinus Luther, na 't leven geneden, met 't bygevoegt geprek van bei
de zyne ouders, te Augsburg by David Francken en

in fol. gedrukt. ,.

stijan Michelpacher 1617


-

(e) Zeker Italiaan, genaamt Cajetanus Vicich, heeft in 't eerte Boek

van zyne poie, door hem 1686 te Padua uitgegeven, op een zeer aan
totelyke wyze gechreven, dat Luther van een heiche urie geboren en in
Duitck

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER.

gebragt was, dan de hoog - beroemde Heren Collettorus a686 P.


Attorum Eruditorum te Leipzig, hebben deze grove onwaarheid recht m, 573.
gedaan, en Cyriarcus Spangenberg heeft in de Voorrede over de 15
prediking van Luthers leven zodanige Catholyken den mond getopt, dat D.Scharff
voorgeven, dat eene Badmeeters meid Luther zou geboren hebben. Wat Dip. 11.
hiervan zy, Luthers ouders hebben zich na Eileben begeven, en als de # #
vader een tyd lang in de Mansfeldche bergwerken had gewrocht, is hy in #"
de tad Mansfeld, van dewelke het ganche Graafchap den naam heeft ont-verdedig
fangen, eindelyk Raadsheer, en wegens zyne heusheid by een ieder aange- de Luther
Duitchland

naam geweet,
gelyk als Philippus
Melanchton
de Hitorie
Luthers
##O, 7
leven
heeft aangemerkt,
waaruit terzelver
tyd inblykt,
wat eenvanvalch
be- pag.
-

richt de boven aangehaalde Schryver van 't Boek, genaamt Lucien en belle
humeur geeft, als hy Luther ten tonele doet verchynen, aldus prekende:
Myn vader was een Beeldhouwer, genaamt Johan Lotter of Lauther, en myne
moeder was Johanna Margaretha Lindemnnin. Midlerwyl is de vader geen p. 1. b.

Beeldhouwer maar Bergman of Steenhouwer, zoo als Joh. Mattheius in


de eerte prediking van Luther, hem noemt, en de moeder enkelyk Marga

retha geweet. Zeer fraai echter is, 't geen bovengemelde Heer Pefferkorn le: F.
meld, dat Luther in zyn Copulatie of Trouwboekie gelyk zulks by den ***
kleinen kinder Catechimus te vinden is, ter eere van zvne ouders dit for

mulier zou hebben gebruikt: Jan wiltge Griet hebben?


(f) Eenige andere gedenkpenningen, waarop Eisleben, als Luthers ge
boorte tad vertoont of genaemt word, zullen hierna volgen.
W). 3.

In de Heilige Dope ontfing hy den naam van Martinus, (g)


om dat hy iuit op des Bichops Martinus dag gedoop wierd,

naamlyk dan 11. November. Wanneer hy nu zoo goed als het


de toenmalige duitere tyden toelieten, den grond der chrite
lyk leere en kinder wetenchappen had gelegt, zonden zyne

ouders hem na Maagdeburg ter chole, alwaar hy zich een iaar Luther,
onthielt, waarvan hy zich in deniare 1498. (b) na Eienach tot chooien

Johannes Hiltenus vervoegde, (i) en na verloop van vier iaren #.


(k) te weten 15o1. na Erffurth, welke hooge chole toen zeer dingen,
vermaard was, ten einde zyne letteroefeningen voort te zetten.
A A N M E R K IN GE N.

(g). Men moet over de eenvoudigheid van zekeren plompen onbechaaf


den Monnik laggen, die als hy een Boekdeel van Luthers Werken te zien
kreeg, met groote vreugde uitriep: Hy wit nu, wat Doctor Lutherus rech

te naam zy, te weten, niet Martin, zoo als men tot nu gelooft had, maar ga 683
Thomas. Zie D. Johan Frederik Mayers Rein Gewien, en myne in den
iare 1691. onder het Preidium van D. Adam Rechenberg, Prof. P. Hi
toriarum te Leipzig, gehoude Diputatie, de ineptiis Clericorum Romanorum
litteraris.

(h) Zie Volumen Dreerianum, waarvan in de Voorrede meer gewag is p. 92.2.


gemaakt.

(1) D. Scharffs Dip. I. S. 9.


(k) Lutherus zelf verhaalt iets merkwaardigs dat hem te Eienach gebeurt
zy. Hy moet naamlyk als een arme Student met zingen aan de deuren ':
brood zoeken, en doordien hy vercheidemalen werd afgewezen, wierd hy

bedroeft, en wilde weder na huis tot zyne ouders keren. Een Godvruchtige
vrouw merkte zulks, riep hem weerom, en gaf hem een tukje brood. Zedert

heeft Luther dit voor een zonderling taaltie der Goddelyke voorzorg ten be- volume,

hoeve van arme Scholieren gehouden, dien hy nog


door goedaar- Dree,
dige menchen een tukje brood liet toewerpen. Dat echter de gemelde rianum b.
vrouw uit het tot nu te Eienach zeer aanzienelyk gelacht van Cotta zyge- 9*. b.
weet,

D E G o U DE EN Z 1 L v ER E

weet, heeft Wilhelm Ernet Tenzel, Koninglyke Poolche en Keurvor

voor

telyke Saxiche Raad en Hitoriechryver in zyne maandelyke zamenpra

pag. 767. ken verzekert, en zulks chynt te meer met de waarheid over een te komen,
l. e f zo, om dat de Heer van Seckendorf gewag maakt, dat Luther van Conradus

Cotta te Eienach een Hopitium of vrye Tafel gekregen had, waarontrent


pag. 363 ook Pfeffenkorns Thuringche merkwaardigheden zyn na te laan. Abraham
364. Bzevius, Pauzelyk Schryver verhaalt onder andere ongerymde dingen, van
b.

Annai. Luther, dat hy wyl hy niet leren wilde, en in 't chool allerhande quaad
Eccleiop was.
eenen voormiddag
eensdat
vyftien
vercheide
malen van
denalMec
#T. d aanrechte,
ter gekatyd
Doch wie zal
geloven,
en ingevalle
zulks
was

#" gechied, zoo moet men zulks de toenmalige bedroefde tyden toechryven,
Inn,

1,17.fol, wanneer de cholen meet met ongeleerde menchen en wreede kindertiran

32o

nen beteld waren, zoo als Luther zelf meer dan eens geklaagt heeft.

S. 4.
Word

In den iare 1 5o3. en aldus in 't twintigte

zynes

ouderdoms,

#" wierd hy op St. Alexiusdag (l) zynde den 17 July, Magiter


der vrye kunten (m) te Erffurth, en was vermaard, dat hy

eene treffelyke geleerdheid bezat. Zyn voornemen was, om


in de rechten te tuderen, doch als hy op zekeren tyd met ie
mand zyner goede kennien ging wandelen, en dezelve aan
zyne zyde door het wer wierd doodgelagen, zoo wierd hy

daardoor zodanig met chrik bevangen, dat hy van dat oogen


blik af beloot, oefening in de rechten te laten varen, en zich

te Erffurth in het Augutyner Klooter te begeven, gelyk hy


Gat in 't dan ook in den iare 1505. deed, niet zoo wel, gelyk Maim
klooter bourg zegt, tegen den zin van zyne ouders(n) als buiten haar

***

weten en toetemming aangezien de vader den zoon in den be


ginne dit voornemen afraadde , maar eindelyk echter goed
keurde, om dat Gods alles regerende vinger onder dit werk
verborgen was. In dit klooter ontfing hy in plaats van zynen
Doopnaam Martin, den ordensnaam Augutinus (o) achtervol
gens de bekende gewoonte der Catholyken ontrent de nieuw
aangenomene ordens-broeders in de klooters.
A A N M E R K IN GE N.

1e pag. ,, (l) Brunnius, hoewel hy de zekerheid van dezen dag uit geene andere
323.

l. c. p.

Schryvers bewyt.

(m) Pfeffenkorn telt het Magiterchap van Luther in 't iaar 15 o4 onder

35s 359. het Rectorchap van Johan Werner, en voegt daarby, dat Luthers eerte
ampt in 't Klooter was geweet het ledigen van de Secreten. Johan Mat

#
pred1 theius meld hiervan aldus: De Klooterlingen hielden hem zeer laag, en gaven
king van hem te vertaan dat hy Cutos en Koter moet zyn, en de morsigte vertrekken

Luther. p.choonmaken, gelyk zy hem dan ook eenen Bedel-Monnik toevoegden, en zeiden
4. b.

rondtuit: Cum acco per civitatem, met bedelen en niet met Studeren dient en
verrykt men de Klooters.
-

(n) De Heer van Seckendorff, 1 Boek 1 Afdeling.


(o) Lutherus zelf chryft hiervan aldus: ,, Zie hier ons voorbeeld in 't
-

T. IX.

Alt.f. Pausdom, wat een grote dwaasheid daar geweet is, de namen te ver
1562 a.b. ,, anderen der geenen, die den Paus eenen eed geworen hadden, om zyne
telling te houden; Ik ben in de Doop Martinus genaamt, en daarna in
't Klooter Augutinus. Wat kan er toch nadeliger en ongoddelyker
,, gechieden, dan den Doopnaam om de Monnikskap te laten varen, die
, iemand aangetrokken heeft? Aldus zyn de Pauzen bechaamt, by hun
, nen rechten naam te worden genoemt, dien ze in de Dope ontfangen
3, hebben; enzy zyn 't ook niet waardig, datze den Doopnaam

derhal

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

,, derhalven krygen ze andere namen, dien zy zich zelve geven. Julius Se


,, cundus heete te voren Julianus. Met zodanige verandering der naamen
,, hebben ze aangetoont, datze van Chritus en de Dope afgevallen en mui
32

#n geworden zyn,

en dit is in alle Klooters ook zeer gemeen ge

3, Weeit.

S. 5.

Ten einde hy echter, om zoo te preken, onwetende zich leefde


tot dat grote werk tydig bequaam zoude maken, zoo zocht #
hy zyn eenig vergenoegen in 't lezen van de H. Schrift en de
Kerkvaderen, diputeerde naartig en nam den Godsdient in 't
klooter waar, invoegen hy in den iare 15 o7 op Zondag Can- Wod
tate van zynen Wybichop tot Prieter geordent wierd. Als #

hy nu zyne eerte Mie gehouden had, ende dagelyks by hem


doortralende geleertheid den Generaal-Vicaris der Augutynen,
D. Johan Staupits, ter ooren quam, zoo bepraatte hy Luther ,

- -

dat hy 't ampt van Prediker en Profeor in de Hoge - Schole #


van Wittenberg, door Frederik denderden, of Wyzen, Keur- wittenb.

vort van Saxen opgerecht, aanvaarde, en vervolgens ook den ***

9 Maart 1598 dat van Baccalareus tanquam ad Biblia, zoo als aan
men toen pleegde te zeggen, onder den Rector Nicolaus Viri- #
dimontanus of Groenberg, zoo als Andreas Sennertus bericht.
S. 6.

P. 57

Hy bekleedde beide ampten met groten lof, en geraakte by #


zyne ordens-broeders daar door in zodanige achting, dat hy in #51o.
den iare 151o. na Rome wierd gezonden, om eenige verchil
len, onder die van zynen Orden gerezen , aftedoen, waar in

hy zich dan ook zoo vertandig heeft gedragen, dat hy by zyne


te rugkomt, als tot vergelding van zyn goed gedrag en groot

beleid den 19 October 1512 met den titul van Doctor in de #


Godgeleertheid beguntigt wierd , (q) en de Keurvort van theolog.
Saxen betaalde tot een teken van eene zonderlinge goedwillig 's
heid alle de koten, die tot het verrichten van die plegtigheid
vereicht wierden (r).
A A N M E R K IN GE N.

(p) Wat zyne verrichtingen te Rome zyn geweet, bechryft hy zelf


met volgende woorden: Wy hebben zulk wallen niet met een goede meeningge
daan, zoo als my gebeurde te Rome, daar ik ook zoo een dolle Heilig was , ik
liep door alle kerken en gaten, en geloofde alles, wat aldaar gelogen en verzon
men is. Ik heb ook wel een Mie of tien te Rome gehouden, en 't was mychier IX.
leed, dat myn vader en moeder nog leefden, want ik hadze met myne Mien en # fol
andere treffelyke Werken en gebeden meer, gaarn uit 't Vagevuur geholpen.
#6, 5.

(q) Sennertus, l. c. p. 58.


(r) Van zyn Docterchap preekt hy aldus : Ik Dottor Martinus ben T IX,
daartoe geroepen en gedwongen, zoo dat ik Dottor moet worden tegen myn zin, #
-

uit louter gehoorzaamheid, aldus heb ik 't Dottersampt moeten aannemen, en

myne allerliefte Heil. Schrift zweren en beloven, haar trouwelyk en louter te


prediken en leeraren. Over zodanig leraren is 't pausdom my in den weg geko
men, en heeft het my willen beletten ; derhalven is 't hem ook gegaan, zoo als
men ziet. En elders : Hertog Frederik, Keurvort van Saxen, is myn lieve

Heer geweet, en heeft my tot Dottor

v:"

N
2

2e

18

DE GO U DE EN Z I L VEB E
r

$ 7.
lylytig.

Na de verkrege waardigheid van Doctor, namelyk in 't der

" tigte jaar zynes ouderdoms, was hy zeer bemoeit, om de


Akademiche ieug op 't getrouwte t'onderwyzen, weshalven
hy zich voornamentlyk op 't lezen van de H. Schrift en de

Kerkvaders mitsgaders op 't leren van de Hebreeuwche en


Griekche talen leide, en daarin allen anderen van zynen tyd
d

n loef aftak.'

-- ---

.''

, , -

.
,

. ..

f: i

..

2 S. 8.

"

..
|

, . .. . . .

. ..

. . . .. . .
is

. . .

AanleiWanneer nu, om zoo te preken, de chritelyke werreld,


#- als met eene dikke wolk der onwetenheid en chier heidenche

gedaante betogen was,

matie-

en Luther zulks eindelyk ontwaar wierd,

W" ontvonkte zyn hert van eenen heiligen en rechtmatigen yyer


over zoo een grote elende, en trachte na toereikende midde
len, om dezelve op eene heilzame wyze te verhelpen, en de
verduiterde oogen des armen volks te verlichten. Hier toe
vertrekte hem geen geringe aanmoediging, dat iuit dier tyd
de voortreffelyke
of Captilo,

## #

Eramus van Rotterdam, en Philip Swart-aarde of Melanchton,


met onvermoeiden vlyt bezig waren, de Hebreeuwche,
Griekche en Lateinche talen, nevens allerhande fraaie weten

chappen uit de duiternis weder op te delven , waaruit terzel

ver tyd door zonderlinge chikking des Hoogten, niet alleen


dat voordeel ontproot, dat edele gebroederen begonnen, zo

danige letteroefeningen te beminnen en tondernemen, terwyl


de tot nu gedreve late klooter en School grillen derzelver lief

hebbers wierden overgelaten, maar dat ze elkanderen eerc toe


droegen en in het vegen van zodanige vuiligheid uit kerken en
Scholen, zoo veel mogelyk de behulpzame hand leenden:

Hierin ging Wittenberg alle andere Hoge Scholen dier tyd


voor, om dat zoo wel Lutherus als de hooggeleerde Philippus
Melanchton, in 1518 van Tubingen derwaards beroepen, een
grote meenigte Studenten tot zich getrokken hebben.
S. 9.

Ten einde men nu den aanvang der Reformatie of verbeete

# ring der Kerk beter begrypen moge, taat aan te merken, dat
in den iare 1517. (s) een leugenachtige chaamteloze Domini

kaner-Monnik, genaamt Johan Texel, ( t ) hier en daar in


Duitchland, (u) en zomtyds ook in 't Keurvortendom Saxen,

de eenvoudige menchen op den mouwpelde, dat ze voor een


zekere omme gelds vollen aflaat van hunne gepleegde en zelfs
nog te doene zonden op veel iaren by 't ontfangen van een
chriftelyken Aflaatbrief van hem konden bekomen, hebbende
Albertus, uit den huize van Brandenburg, Keurvort en Aarts

bichop van Ments (x) hem door des Pauzen beguntiging


uitgezonden, ten einde uit die penningen de koten voor den

Aartsbichoppelyken Mantel na Rome te konnen zenden. Waar

lyk een afchuwelyke zaak, dat men


- -

des menchen

zalig:

welke

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

11

welke onze lieve Heere en Heyland, Jeus Chritus, met zyn


bloed zoo dierbaar heeft verworven, op een godslaterlyke
wyze voor geld verkope!

A A N M E R K I N GE N.
-

',

(s) Van dezen iare heeft de chritenheid in Ambroius lofzang, hoewel


in cene bedekte Cabbala of letter-rekening, kort voorheen verkondigt ,

Joh. Mat

wanneer men naamlyk in alle Stichten dezen vers uit het Te Deum laudamus

c. p 12 a.

teius l.

198. b.

ophefte : tib / Cher WbIn & Seraph In InCeab/LI VoCe pro CLa Mant.
Dat is : De Cherubin en Seraphin, Here, galmen uwen lof zonder ophouden ;
want deze telletters maken zamen 't getal van dit iaar 1517, waarin 't E
vangelie in Duitchland weder is opgegaan.
Lior
(t) De Heer van Seckendorff verhaalt allerhande dingen van dezen Te Lib
l5
xel, welke ik iegenswoordig met tilzwygen verby ga; om lechts een ge
val uit 't manucript van D. Arnold, zynde 't leven van Maurits, Keur
vort van Saxen aan te halen. ,,Wanneer Texel, chryft hy , zich te
,, Leipzig bevond, en door zyne kunties veelgeld van edelen en onedelen
,, by malkanderen had gechraapt, quam een edelman, die zyn bedrog
, merkte , by hem , en vraagde, of hy hem van de zonde kon vry pre

, ken, die hy meende te plagen? De Paap gaf ten antwoord van Ja, mits
,, dat hy een zekere omme gelds betaalde. De Edelman gaf hem zynen
,, eich, en nam den aflaatbrief voor de toekomende zonde, met de eige

,,
,,
,
,

hand en zegel van de Paap bekrachtigt, ten einde om een vater getui
genis te hebben, als hy ter uitvoering leide, 't geen hy in 't zin had.
Niet lang daarna, als de Paap van Leipzig vertrok, en 't geld, dat hy
op zoo een linkche wyze verkregen had, met zich nam, pate de E

, delman, van deszelfs vertrek verwittigt, op een bequame plaats op hem


,, viel hem op 't lyf, chudde hem naakt uit, rote hem lutig af, en #
,, hem aldus weder na Leipzig, te kennen gevende, dat dit de zonde was,
, waarmede hy al lang zwanger had gegaan, en waar voor hy reeds aflaat
,, van hem had. Als deze zaak ter ooren van Hertog George quam, was
, hy in den beginne zeer getoort, dat zulks eenen Geetelyken, dien hy

, wegens de achtbaarheid der Roomchen Kerk hoog achte, in zyn land


, van zyne eige onderdanen was overgekomen, dog als 't ganche be
, loop van de zaak was verhaalt, liet hy zyne gramchap vallen, en den
,, Edelman ongemoeit.

(u) Hermanus van der Hardt, Hoogleeraar te Helmtad, taafd met


vercheidegronden, in zyne Facula Philoophica, dat Texels Aflaat-Com
miie niet zoo zeer over ganch Duitchland als wel enkelyk over eenige
Kreitzen en Landchappen hebbe getrekt. Voor 't overige is my uit Sel
neccerus leven van Luther bekent, dat te Pirna twee meilen boven Dreden,

waarvan Texel van geboorte is, deszelfs beeltenis een tyd lang in de kerk
getoont is, zittende op een varken, en houdende in plaats van een toom de
taart in de hand. Seckendorff meld ook, dat Texel op een Ezel gereden
hebbe.

Lib. I, fol.

Daarenboven heb ik my laten verzekeren, dat men in de Keur 91,b.

Saxiche Bergtad St. Annaberg in de Kerk in de gerfkamer, 't kitie van


Texel laat zien, waaraan zoo een kontig lot zy, dat 't vercheidemalen
tocknippe en nogtans met eenen leutel opgemaakt werde.
(x) Wat Keurvort Albert tot de verderflyke aflaatkramery bewogen
hebbe, verhaalt Arnold in 't boven aangeroert Manucript, waaruit 't reeds
gemelde bekrachtigt word, op de volgende wyze: ,, Hertog Maurits be
,, gaf zich aan 't Hof van Albertus, Bichop van Ments, en Kardinaal

,, van den H. Stoel te Romen, die dier tyd in ganch Duitchland in 't
, grootte aanzien was, en wyl hy drie voorname bisdommen, te weten

,, die van Ments, Magdeburg, en Halbertad bezat, pleegde elk 't oog
, op hem te hebben, hoewel de inkomten uit deze drie bisdommen,
,, choon zeer groot, ganch niet toereikten, om dat hy een Heer was,

, die alles verteerde en verquite, want hy hield een pragtig Hof, was
2.

ZCCr

1,

DE G O U DE EN ZI LV ER E

, zeer mildadig, en deed doorgaans te veel, dat hy uit dit groot inkomen
,,
,
,
,
,,
,,
,

zelfs zoo veel geld niet konde by malkanderen brengen, om den Mantel,
zoo als men hem noemde, na 't gebruik der Roomche kerk te betalen,
derhalven zocht hy allerhande middelen en wegen, om 't by malkande
ren te chrapen, en wreef daar door niet alleen zyne waardigheid maar
ook den ganchen Roomchen Stoel, die nu zyn aanzien zedert langen
tyd herwaards vat gezet had, een zodanigen vlak aan, dat dezelve cin
delyk tot eenen chielyken val gedyde.

S. 1o.
Diputa
tie tegens
Texel,
15 17,

Wanneer Luther 't overal gevaarlyk invreetende aflaatgiftte


genhield, zoo wierd in 't lichaam der kerk, als ik dus derf
preken, alles in rep en roer, en 't cheen, als of hemel en aar
de uit hunne aen gelicht wierden. (y) Het is waar, dat

diergelyke wonder by menchen geheugen niet gebeurt is, en


michien ook niet meer gebeuren zal, dog Luther waagde het,

en voerde het ook met hulp van den hem magtig bechermen
den groten God gelukkig uit. Den 31. October 1517. liet hy
opentlyk aan de deur van de Slotkerk te Wittenberg eenige

Thees of tellingen tegen Texels aflaatkramery aanplakken, en


daagde hem nevens zynen ganchen aanhang tot eene Diputatie.
(z) Dit betaan cheen velen zeer gevaarlyk, om dat Luther
niemand tot hulp had, alzoo een ieder na 't einde wachte, en

niet gaarn eer wilde byten, choon vrome gemoederen reeds


lang onder den zwaren lat gezucht en na de verloing ge
wencht hadden. Luther echter verliet zich op God, en zyne
rechtvaardige zaak, voerde ook 't ganche werk uit, zoo als
uit 't volgende omtandiger zal te zien zyn.
-

A A N M E R K I N GE N.
(y) Erasmus van Rotterdam had in den beginne groot behagen in Lu
thers boeken, zoo als hy zich liet verluiden, toen hy te Keulen van Her

tog Frederik, Keurvort van Saxen wegens D. Luthers leere wierd aan

geproken, naamlyk hy zeide, dat D. Luther wel grote zonde had ge


daan, met den Paus aan zyne driedubbelde kroon en den Monniken aan hun
Johan
Matth
fiusi. c.

pag. 8,2.

nen buik te taten, dog dat zyne leere recht en chriftmatig was, daarby
voegende, dat choon hy heftig en oplopent was, zoo wierd tot een wolfs
gebraad zodanig cherp zout vereicht.
-

1697pag.

#? In de Chronyk van Frederik Mecum of Myconius, eerte Evange

992.95.

liche Superintendent te Gotha, heeft Heer Tenxel in de maandelyke za


menpraken het volgende, hiertoe dienende, gevonden, 't welk men ten

gevalle der gene, die de zamenpraken niet by de hand hebben, alhier zal
plaatzen. De woorden luiden aldus : ,, In den iare 15 17. komen zom
, mige met de gekofte aflaatbrieven by D. Martinus te Wittenberg, en
, biegten hem op hare genade. En alsze grote grillen voorgaven, en zich
, lieten verluiden, datze van echtbreuk, hoerery, woekery, en diergely
, ke zonden niet wilden aflaten, zoo wilde de Doctor hen niet abolveren,
,, om dat er geene rechte boetvaardigheid of betering was, ondertuchen

,, beriepen de biegtkinderen zich op den Pauzelyken brief en Texels gena


,,de en aflaat, dog Luther wilde daarna niet luiteren, maar teunde op
5, dem preuk : Nii paenitentiam habueritis, omnes imiliter peribitis, Lucie
5, 13. dat is : Indien gy u niet en bekeert, zoo zult gy alle degelyks vergaan.

,, En als hyze niet abolveren wilde, gingen ze weder by Texel, en klaag


3, den, dat deze Augutyner - Monnik geen achting voor hunnen brief
j, had. Texel was te Jutterbach in Saxen, en wierd over deze nieuwe
n

22

ty

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER 15


,, tyding zeer toornig, hy tierde, cholt, vloekte gruwelyk op den pre
, diktoel, en dreigde geweldig met de Kettermeeters, welke dier tyd
,, Predikmonniken waren. En ten einde om een chrik aan te lagen liet
,, hy vercheidemalen in de week een vuur op den merkt aanteken, om

, aan te tonen, hoe dat hy van den Paus bevel had, de Ketters, die zich
,, tegen den allerheiligten vader den Paus en zynen allerheiligten aflaat
,, aankantten, te verbranden.

Doctor Martinus chreef eert aan vier

Bichoppen, naamlyk aan die van Misnie, Frankfort, Zeits en Mere


,,burg, en vervolgens ook aan Albertus, Bichop van Ments, en erin
,, nerde hen , dat ze amptshalve verplicht waren, te voorzien, dat

Gods name aldus niet gemisbruikt, gelatert en 't arme volk zoo iam
merlyk niet verleyd wierd; dog Albertus loeg zulks in den wind, ter
, wyl de anderen ten antwoord gaven, datze tegen het betaan van den
,, Paus niets konden of mogten ondernemen.

Als Dctor Martinus

zag,

, dat de Bichoppen ook niets daartoe wilden doen, zoo chreef hy eenige
, tellingen van den Aflaat, die aldus beginnen: Dominus & Magiter noter
Chritus dicens, paenitentiam agite, voluit omnem omnium hominum vitam ee
poenitentiam. Dat is : Als Chritus onze Heer en Meeter zeide, doet boete,
zoo heeft hy gewilt, dat het ganche leven aller menchen boete zyn zoude. ,,En

,
,,
,
,
,
,,
,
,

liet dezelve drukken, en wilde enkelyk met de Geleerden der Witten


bergche Hoge Schole diputeren over den Aflaat, watze was , watze
vermogt, waarze van daan quam, en hoeveelze waardig zy, enz. Dog
voor verloop van veertien dagen waren die Stellingen reeds ganch
Duitchland en in den tyd van vier weken chier de ganche chritenheid
doorgelopen, even als of de Engelen zelfs renboden geweet waren en ze
voor aller menchen oogen gebragt hadden. . Geen mench gelooft wat
'er al niet van gezegt wierd, zy wierden wel haat in de Duitche tale
, en dit werk behaagde een ieder, behalven den Predikheren
,, en Bichop van Hall, mitsgaders zommige, die voordeel by den Paus
35

, hadden, en de chatten der aarde, door hem verheven, rykelyk ge


, bruikten.

S. 11.

De chritelyke kerk had toen een afchuwelyk gezicht, om


dat haar inwendigte van boosheid en chandelykte laters, als
van melaatsheid doorgevreeten was, en de hemel, ia God zelf
nevens alle zyne genade, den eenvoudigen uit ongehoorde win

zucht voor geld verkoft wierden, mitsgaders in den gemenen


wandel vermetelheid, afgodery , bygelovigheid, verquiting
en andere grove laters, geweldig de overhand genomen had
den, terwyl deugd en waarachtige godvruchtigheid als uit alle

herten gebannen waren, invoegen met recht alhier mag worden


aangehaalt, 't geen de Roomche Gechiedchryver Vellejus Pa
terculus van zyne tyden geklaagt heeft, dat naamlyk de quade
voorbeelden niet enkelyk bleven , daar ze begonnen waren,
maar als een woedende troom doorbraken, daarze lechts de

kleinte opening vonden, en alles met de grootte drift en vloed


overtroomde, zoo dat zelfs niemand meer voor onrecht wilde

achten, wat eenen anderen nuttelyk en voordelig geweet


was. (a )

A A N M ER K 1 N G.
(*) Dat men toenmaals in Saxen genoegzame redenen heeft gehad,

om

de chandelyke misbruiken by den aflaat af te chaffen, toont de Heer Con


radus Samuel Schurtsfleich, vermaarde Hoogleeraar in de Gechiedenien
B 3

14

D E G OU DE EN Z I L VE RE

in zync Diertatie over 't leven van Frederik den Derden, bygenaamt de
Wyze, Keurvort van Saxen, met een zonderling getuigenis. ,, Ik heb

, in myne handen, chryft hy , een gechreven boek van Johannes Neo


, bolus, 't welk ik van een zeer geleerden Prieter in Swaben, Johan

, George Majus , heb bekomen, waarin de Schryver klaar aantoont, dat


,, de toemalige aflaatkramers niet alleen tegen de gemeene chritelyke
, plichten, maar voornaamlyk ook tegen de Wetten en Vryheden van 't

,, hertogdom Saxen gehandelt, en den menchen hunne wormtekige waar


,, opgedrongen hadden. Geen van beide echter konde onmogelyk worden

,, geleden, zoo anders Gods en des Landsvorten eere zoude ongekreukt


,, blyven. Meer zegt de gemelde Hoogleeraar wyders, is hier van te le
,, zen, in 't als nog niet met den druk gemeen gemaakt, en by my be
,, rutend boek, welkers titel is: Begin en oorzaak van Doctor Luthers pre
diken en chryven tegen den Alaat. Deze woorden van den Heer Schurts
fleich haal ik te liever aan, om dat ik zie, dat de Heer van Seckendorf

van deze beide manucripten, zoo veel als ik gezien heb, niets bewut ge
weet is.
*- -

S. 12.

Nu moet men deze wonden der chritelyke kerk niet met


vuur en yzer maar met den pleyter, oli en wyn van 't godde

lyke Woord, uit den grond genezen, ten einde 't nog kleine
gezond gedeelte van zulken reeds zeer ver om zich vretenden
kanker niet aangetoken werde; derhalven was hoognoodzaak
lyk, dat men op dientige zuivering der verlope bronnen Irals
verdacht was, dienvolgens tont Luther eert op, maakte tot

zulk heilzaam Reformatie-werk, door de Diputatie tegen den


Aflaat-kramer Texel eenen opentlyken aanvang , en verzocht
ter zelver tyd allen en eenen iegelyken, die nog een vonkie
van de liefde tot Gods Woord in hunne herten hadden, ter

vrolyke navolginge.

Alhier behoren twee zonderlinge penningen, waar van de


eerte vertoont

(e) Luthers beeltenis met dit opchrift: MARTINUs.


LUTHER US. DOCTOR.

( b) Een altaar,

## open boek legt, met deze woor

den: Verbum Dei, Gods Woord. Op 't boek ziet men een hert
met het teken van 't kruis, 't welk van de boven afchynende
zoon betraalt werd, met deze woorden rontom , waarin de
let

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER

is

letters van Martinus Lutherus verzet zyn (b) Vir multa. Struens.

en zrgt ervr over"


-

-- - -

2 -

1 -1 -1

A A N M E RK I N GE N. e: : : : (!
-

--

't g

.'

. . .

o :

Van diergelyke Anagramma of Letterkeren van Luthers naam, preekt,


D. Selneccer is in Luthers leven insgelyks, Wanneer hy , zegt : Een Pag 24

Roomch Catholyk Geetelyke en Wigatig te Keulen, genaamt Nicolaus

# ######bbe gezag,
dat in ieder letter van Luthers naar # nderlinge kragt zat, op de #

gende wyze, Lu#, Vera tijgt # Romanie. Dat is : Luther #y't licht

#rginche Roomche kerk." Eene # is de gene,


welke ik in de treffelyke en van my uit 't Franch overgezette reisbechry
ving van Bartholom de Monconys heb aangetroffen, naamlyk Martinus
Lutherus , Ter Matris Vulnus. Dat is: Luther hebbe de #

# kerk) pag. 718,

cene drie dubbelde of zware wonde toegebragt , 't welk hy met 't volgende
vers verklaart heeft: " / / / . . .
.. . ...
7,7
Et ferro, & lingua & Calamo fera vipera Luther,

' 'A

Eccleie Matris ter grove Vulnus eris.


Aan de andere kant onting ik voor eenigen tyd van een voornaam en
eleerden beguntiger
wel
###

# #

##
re gedenkpenning zeer wel zoude voegen, en wel verdient, alhier te wor
den ingelat, dezelve is # ; D. Martinus Lutherus,

###
haak
t licht aan de dwalende chepen. Waarop dit zinnebeeld taat. Een

brandende lantaarn op een zeetoren of # welke den chepen by na

#
## ###
LUMEN DAS CLARUM LAMPADE VERBI
dient, men

. .

# Andreas Karl tein. De Hoogwaardige Abt van 't vrye Rykticht Loccum # set vortelyke Bronswyk Hanoverche Geheime Raad, Gerard Molant #
eene copy van deze penning in taal van den # Sweedchen Ol
verten van de Ruitery, # van Falckenberg, bekomen, welke geleer
(c) Deze gedenkpenning is van den

de Heer de wyze, om de penningen in taal zoo net na te bootzen, als

##
ren,
weshalven de weinige, die van zyne hand den Liefhebberen zyn me
degedeelt, voor zeer raar te achten zyn, zoo als de

# Abt

Molanus my den 9 Mey 17oo van Hanover met een brief heeft gelieven te
meldcn:

De twede penning vertoont.

ro

DE G. o U DE EN ZI LV ER E
a Luthers beeltenis, VNmet
deze- woorden : TERTIUS
ELIAS.
* J
w

Dat is : De derde Elias (d)

b. Eenen Engel, die midden door de lucht vliegt, hebben


de in de rechte hand een boek, waarin deze woorden taan :

: Aeternum Evangelium, dat is: Eeuwig Evangelie, in de linke


hand eene trompet, waaruit hy de rontom taande woorden als

bazuynt : CE CIDIT, CECIDIT BABYLON MA


GNA. Zy is gevallen, zy is gevallen , Babylon die grote tad.
Beneden ziet men allerhande ingetort muurwerk, van eene ver

woete tad, die Babylon betekent, en daaronder is de aanha


ling van den bovengemelde preuk: tApoc. 14 uit de Openba
ringe Joannis XIV. 8. . Op den uiterten rand leet men de vol

':

gende woorden, die beneden nog op meer penningen zullen


voorkomen : PEST IS ERAM VIVUS MORIENS

ERO MORS TUA PAPA. (e)

A A N M E R KI N GE N.

(d) wanneer Lutherus de derde Elias genoemt word, zoo is 't zeker,
dat de maker van deze penning 't oog gehad heeft op 't Reformatie werk,
door dien Profeet onder 't Joodche volk eert # daarna door den
zweden Elias, door den Profeet Maleachi IV. 5. belooft, naamlyk Johan

nes den Doper, Voorloper van Chritus Mathci XVII. 19. ten einde ge
#
en door denderden Elias, te weten D. Luther, herhaalt. In welk

nu Lutherus met Elia eene gelykheid hebbe heeft wylen D. Reinhard


Bakius in zyne Lateinche Potille over de zon-en feetdaag Evangelien in 't

## eerte Deel, mitsgaders de Heer Johan Gottfried Olearius Hoogverdiende


* * * Superintendent te Arntad, in Luthero Germaniae Helia en D. Joh. Tarno
176 vius, in Jubilaeo Eccleiae Evangelicae, als mede Joh. Mattheius in de 15'

* " de predikinge van Luther, wydlopig verklaart, wyders D. Elias Veil,


Hoogberoemde Superintendent te Ulm, in zyn Boek, # Een gou

de kleinodie der choonte en geetrykte aandachten en betrachtingen uit de chrif


ten van den zaligen Man D. Martyn Luther. 8. alwaar hy hem ook met Sa

pag. 96. muel en Johannes vergelykt. Staat aantemerken, dat wanneer ik 't gemel
9799 de Boek van D. Veil in de Hoogvortelyke Gothche boekery in handen
kreeg, ik met vermaak heb gezien, dat het niet alleen met de eigenhandige
voorchryvinge van den Hoogvortelyken naam van den Hoogzaligen Johan
Ernet, Hertog van Saxen, maar ook met eene zeer naartige lezing ver
waardigt is, 't welk ik alhier melde, wyl 't billyk is, dat 't aandenken van
zodanige Hoogvortelyke perzonen, welke Luther hoog geacht hebben,
nooit vergeten werde.

supplem. . . (e) Tegenwoordige penning, die in 't Hoogvortelyk Arntadche Ca


- 48. binet bewaart word, vind de Lezer nevens de verklaring ook in de penning
bybel van Heer Chritiaan Schlegel.

W. 13.

velen.

Lang voor Luther en zelfs om zyne tyden, hadden reed veel

gen na de vrome herten na eene verbetering of Reformatie des Godsdient


"# gewencht, ia Lodewyk XII., Coning van Vrankryk had den
Paus Junius II, deswegen met het laan van eene zeer bedenke

lyke penning gedreigt; (f) van welk alles uitvaerlyk te preken,

myn betek van dit Werkie niet wel zal toelaten. (g) Ik vind
my nogtans genoodzaakt, iets te verhalen, dat in alle dingen
eene opmerking verdient, te meer om dat de Hoogte daarn:
-

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 17


Bedenker:
de heeft willen aantonen, wat zyn voorneemen was. Naamlyk lyke

in denzelven nacht, wanneer Luther daags daaraan zyne tellin


gen tegen Texel aanplakte, droomde Frederik, bygenaamt de
Wyze, Keurvort van Saxen, op 't Slot Schweinits, niet ver
van Wittenberg, dat er een Monnik van een fraaie getalte uit
den hemel by hem quam, verzelt van vele Heiligen, die meek

te, dat de Keurvort hem genadigt oorlove, om iets aan de


deur van de lotkerk te chryven, dat hy door den Kanzelier,
ten antwoord had laten geven, dat doordien de zake aldus ge
legen was, hy konde chryven, 't geen God bevolen had. Dat

de Monnik daarop zyne woorden met zodanige lange en grote


letters aan de Kerkdeur had gechreven, dat men 't chrift ook te
Schweinits duidelyk konde lezen, gebruikende zoo een lange
pen, dat de punt daarvan tot Rome rykte, alwaar ze eenen
leeuw door beide de ooren tak, en zoo voort met zoo veel ge
weld tegen de drie dubbelde kroon van den Paus aantiet, dat
ze begon te waggelen, hoewel ze nog van eenige kardinalen en
Keurvorten, die daarop quamen toechieten, was vatgehouden.

Dat hy vervolgens had gehoort, dat deze Monnik de gemelde


pen uit de vleugel van eene Boheemche gans had gekregen. De
Keurvort wierd daarop wakker, dog raakte zoo voort weder
in laap en zag andermaal, hoe de Monnik voortchreef, mits

gaders met 't uiterte end van zynepen*den Paus door den leeuw
wederom zoo heftig tiet, dat de leeuw begon te brullen, wan
neer niet alleen ganch Rome maar ook alle Standen van 't Duit
che Ryk quamen lopen, om te zien, wat er gebeurt was, die
door den Paus gebeden wierden, om te trachten, dezen op

tand te dempen. De Keurvort ontwaakte hierdoor ten tweden


male, en bad een vader onze, waarna hy ten derdenmaal in

laap viel, waaneer hy droomde, dat hy eene vergadering der


meete Standen des Ryks zag, die poogden, de pen van den
Monnik te breken, dog vergeefs, invoegen hoe meer moeite

zy zich gaven, hoe terker en vater de pen wierd, die daaren


boven zoo een chel geluid gaf, dat zulks door hunne ooren

klonk, en zy bevreet begonnen te werden, tot dat ze eindelyk


vermoeid, de een na den anderen wegloop, den Monnik voor
een tovenaar hielden, en wegens 't gevolg zich zeer verlegen
toonden. De Keurvort had daarop den Monnik laten vragen,

waar hy die pen van daah had gekregen, en wat de oorzaak


van hare ongewone terkte was? en hy had tot antwoord gege
ven, dat de pen van eene hondertiarige gans quam, en hem ver

eert was van zynen ouden Leermeeter, die hem gebeden had,
dezelve als iets voortreffelyks ter zyner gedachtenie wel te be

waren, zoo als hy dan ook had belooft. De kracht van de pen

echter quam daar van daan, om dat de ziel haar niet konde ont
nomen worden. En als nu 't gerucht van deze pen zich alom

me verpreid had, waren te Wittenberg nog meer kleine pen


nen uit dezelve voort gekomen, welke echter zoo niet hadden

gechreven, weshalven alle Geleerden hadden gewencht, eene


pen van de grote te hebben. Daarop was de Keurvort van voor
nemen, om met den Monnik zelven te preken, dog was in die

gedachten ontwaakt. (h )
C

4AN

droom
van Fre
derik,

rvort van

Saxen.

DE GO U DE

18

E N ZI L V ER E

A A N M ER K IN GE N.
(f) Lodewyk Xil Koning van vrankryk, den 1. Januity is er over:
Ieden, en aldus twee iaren voor dat Luther zyne telfingen heeft aange

plakt, leefde in openbare onrut met den zeer oorlogszuchtigen. Paus Jft
,

us II, zoo dat hy van denzelven in den ban gedaan werd. Daarentegen
vergaderde hy te Lion, de Bichoppen van zyn Koningryk, riep den Paas
voer 't recht, en beleide op aanraden van eenige Kardinalen te Pia in Ita4
lie, een Concilie, waarop van een hervorming der kerk zoude gehandelt,

Lib, I.

werden. Hy liet ook, tot betuiging wat hy van den Paus en deszelfs Ker
kendient hield, eene penning laan, welke wel uit de Hitorie van Thua:
nus van veele nieuwe Auteurs bechreven, maar mynes wetens, nooit in
koper bekent gemaakt is, weshalven dezelve wegens hare chaarsheid en
genswoordig veel geacht word. Ik heb midlerwyl 't geluk gehad, na 't
goude origineel, waarmede 't Hooggraaflyke Swartsburgche Muntcabinet
te Arntad praalt, door de bequame hand des beroemden Polyhitor en Pre
diker te Arntad, M. Johan Chritoph. Olearius, een nette copy te beko
men, welke ik hiermede den weetgierigen. Lezer mededeel. Dezelve ver
beelt:

- - -

--

- -- - -

a Des Konings gekroont Hoofd, met dit omchrift : LUDOvicus

FRANcie REGNQue NEAPelitani Rex. Dat is : Lodewyk, Koning


van Vrankryk en Napels.
b. Het Franch gekroonde wapenchild met drie lelien , rontom leet
-

men: PERDAM : BABIL LON IS : N OM EN, Dat is: Ik wil


den naam der tad Babylon verdelgen. Het kruiie boven de kroon betekent
niet anders als de plaats, daar men 't chrift moet beginnen te lezen.
Uit dees tegenwoordigen chets blykt, dat de geene een klein abuis be
zy te Napels gelagen, of ze verbeelde op
gaan, die wanen,

't revers 't wapen der Koningryken van Napels en Sicilien, zoo als D.

Adam Rechenberg, Hoogberoemde Profeor Primarius Theologie te Leip


zig, in zyn Libellus Memorialis Hitoricus aanmerkt, waarentegen Petrus
Jurieu, dezelve in zyne Prejuges legitimes contre le Papime, ganch eigent
lyk bechreven heeft. Van eene zilvere penning van dienzelven Koning,
met 't omchrift: LUDO VICUS Dei gratia RE X FRANCIAE

DUX MEDIO LAN I, op de andere zyde de woorden : PERDAM


BABYLON EM met 't iaargetal van 1494 maakt gewag de Heer Jo
han Grning, J. V. D. in zyn geleerd chrift, dat onder den naam van:
Hitoria Numiinatico-Critica of nieuwgeopende Hitorie der hedendaagche
gedenkpenningen, in 't tweede Deel 17oo te Hamburg in 1z. uitgekome
Nieuw geopende Ridderplaats is ingelyft.

Heer Valentyn Ernet Lcher

echter, Theolog. Doctor, en door zeer geleerde en tichtelyke chriften


zedert in groten roem levenden Superintendent te Dlitch, dicht by Mer
eburg, bechryft de twede zyde van deze zilvere penning uit Wolfius en
Heideggerius iets duidelyker, naamlyk dat dezelve eene tad

"E:

OVCIn

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER

19

boven dewelke een dreigend zwaard uit de wolken verchynt, met 't aangehaalt opchrift : PERDAM BABYLON EM, in zyne Dierta- cap 2.5,
w

tie, 1695. te Wittenberg de uu rei nummariae in Hitoria Eccleiatica, ge- 1o.

houden. Midlerwyl is voorgenome Reformatie blyven teken, om dat God


daartoe eene andere en veel geringer perzoon uitgekipt had, ten einde men
zou mogen zien, de hervorming der kerk niet een werk zy van magtige Vor
ten, maar alleen zyn werk, want kort na zodanige bedreigingen en daar
op volgenden dood van Paus Julius, tapte koning Lodewyk af van 't Pi
che Concilie, en ondertekende 't Lateraanche, om na den zin van Paus

Leo X. te leven, zoo als de hoogedele Patricius te Nurenberg, Jacob


Wilhem Imhoff, de bloem en cieraad van zyne Republiek en de geleerde

werreld, in de van hem uitgegeve Genealogiis Gallicis kort na bechryving fol 33:
van de door ons voorgetelde penning, aanmerkt.
(g) Men kan hier van nog lezen wylen D. Johan Gerhards Catalogus
Tetium Veretatis, midsgaders Heer Seckendorfs Lutheranismus, als mede
-

de Voorrede van den Prof. Herman vander Hardt over 't derde Deel van
den Catalogus Autographorum Lutheri, welke in de Handboekery van wy

len Rudolf Augutus, Hertog van Saxen, geweet is, voorts D. Rechen

bergs Libellus Memorialis Hitoriarum, zoo als ook Joh. Henricus Hottin- peg 193:
gerusAnalett. Theolog. Di I en vele anderen.
-

(h) Deze droom hebbe ik uit Heer Chritiaan Schlegels. Vita Georgii pag 79.
Spalatini, alwaar hy nog vercheide andere omtandigheden daarby voegt ; 8o.
midlerwyl kan men hier van ook iets lezen in Tentzels maandelyke zamen- Pag,
1697.915.
praken.
V

W).

I4.

Om dienzelven tyd erkende men de vervulling van de Profe-Johan

cy, welke de betendige belyder van 't Goddelyk Woord en #"


Profeor Theologiae in de Hoge Schole te Praag in Boheme, Luther.

Johannes Hus, kort voor zyn dood, eer hy 1415 van 't Con
cilie te Cotnits op de houtmyt gezet wierd, gedaan heeft,
wanneer hy zeide, dat er na verloop van hondert laren eene
zwaan zoude komen, dien zy ongebraden laten, God echter
en hem dan zouden rekenchap geven moeten. (i) Van deze

Profecy, choon onze wederpartyders dezelve nog zoo hart


nekkig willen ontkennen, hebbe ik, om van vele aanzienlyke
Schryvers niet te preken, eene onwraakbare getuigenis aan den
zeer oude en rare penning, welke de Huiten zelf in Bohe
men hebben laten laan, waarvan de nevensgaande copy na 't

origineel des Hooggraaflyken Cabinet te Arntad genomen is.


Dezelve vertoont.

- -V ,

2.

HCI

D E G o U DE EN ZI L. v E RE

2e

(a) Het beeltenis van Hus, met den naam van JOAN
HUS. Op den randt leet men deszelfs belydenis: CREDO.
UNAM. 'ESSE. SCAN. ( Sanctam ) CATHOlicam. EC
CLEiam. Dat is: Ik gelove, dat 'er eene heilige Catholyke Kerk

*(5) Dat zelve beeltenis, naakt aan een paal

gebonden, en

onder de voeten een brandende houtmyt, en 'tiaargetal 141 5.


met de verkorte woorden Con. nat. (Condemnatur, word ten

vure gedoomt) rondtom leet men: CENTUM.

REVOLU

tis. AN NIS. DEO REDDetis. ROEM. (rationem) ET


MICHI (michi) Dat is: Na verloop van hondert iaren zult gy
God en my rekenchap geven. k.

A A N M E R KI N GE N.
1694.
Pag- 27o.

(i) Van deze profecy van Hus heeft Heer Tentzel met zonderlinge
geleertheid wydlopig gehandelt in de maandelyke zamenpraken, alwaar
liy betoogt, dat dezelve twederlei zy , eene waar van op deze en eenige
volgende penningen gehandelt word, en eene, wanneer Hus in de gevan

genis had gezegt, dat er na verloop van hondertiaren een zwaan zoude

# dien zyne vyanden ongebraden zouden moeten laten.

Ter zeiver
tyd echter komt hy wegens de eerte tot geen vat beluit, ik meen nog
tans, datze niet zonder grond zy, om dat deze penning, van welkers oud
heid geen twyfel is, een duidelyk getuigenis vertrekt, hoewel mynes we
tens, in de Schriften van Hus niets daarvan word gevonden. Ten minten
konde men tot meerder bevetiging van denzelven # aanhalen, wat wy
len
D. Capar Sagittarus in zyne Memorabiles Hitorie Gothanae bybrengt,
reg 98.
dat men in deniare 15 31. in de Augutyner Kerk achter 't altaar, dat men
afbrak, gevonden heeft, deze twee volgende verzen:

MC uadratuin (Dat is MCCCC of 14oo.) LX. guogue duplicatum


(Dat is LL XX. of 120)

- -

* -

Grups (Dat is: Ora pro nobis, bid voor ons) peribit & Hus Wickfgue
peribit.
welke veren toenmaals van Wolframus aldus verduitcht zyn:
Als men zal chryven duizend iaar
Vyf hondert twintig neem wel waar
Als dan zal vallen het ydel gechry
Bid voor ons gy Heiligen vry
En zal Huens en Wiclefs laar
Weder bloeien by ons veel iaar.

Hoewel nu in deze verzen van de Profecy van Hus niet word gerept,
zoo is echter de zin van de eerte Profecy daarin onthouden, en buiten ver

chil, datze tuchen de tyden van Hus en Luther, 't zy van Johan Hilte
nus, zoo als zommige menen, of van eenen anderen geetryken man ge
chreven zyn. Of midlerwyl de zwarigheid van den Heer Tentzel, met
meer gronden, als iegenswoordig van my is gechied, in de Hitorie van

't Cotnitche Concilie, onlangs op koten van Rudolf Augutus, Hertog


van Bronswyk, onder 't betier van den Profeor Herman vander Hard in

vercheide Delen in folio uitgegeven, uit den weg is geruimt, daarvan kan
ik niets zeggen, om dat ik 't geluk nog niet heb gehad, dat kotbaar Werk
tC ZICI),

pag. 536.
1694.

(k) Philippe de Pley-Mornay (of Mornaeus) heeft in zyn Myterium


iniquitatis deze oude penning den Bohemers by name toegechreven, wan
van dc
neer hy zegt, dezelve zy in Bohemen gelagen, zyne
zelve komt ook met de penning in alle delen overeen; zie Tentzels maan

pag. 27o? delyke zamenpraken, mitsgaders Luther T. A. IX,

#
als mede Aan

CUll

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

21

Scultetus in Annalibus Evangelicis. Husus, chryft hy, 1416. die 3o. Maji f 1563 b.
Profeus et, carnifices pot centum annos ibi reponuros.

Nec ex eventu harc Decade

illis ab Evangelicis afiguntur. - Bohemos enim deiderio Hui numimata cudie PrimaP.
incriptione potremorum ejus verborum : Pot centum annos Deo repondebitis 6. 7.
& mihi; & his exattis apparuie Lutherum, auctor et Cotholiciimus Hitori
ographus Petrus Matthias (of Pierre Matthieu) Dat is: Hus zei den 3o.
May 1416. opentlyk, dat zyne Beuls hem na verloop van hondert iaren reken

chap zouden moeten geven. Zulks trooien de Evangelichen niet van hem uit,
want dat de Bohemen ten teken van hunne begeerte na Hus, eene penning heb
ben laten laan, met 't omchrift van deze zyne laatte woorden: Na verloop

van hondert iaren zult gy God en my rekenchaap geven, en dat Luther


ook na dien tyd verchenen zy, zulks betuigt een Aart catholyke Schryver, ge
naamt Pierre Matthieu. Tot hiertoe Sculteus; welke echter hierin dwaalt,

dat hy meld, Hus hebbe deze woorden den 3o. Mey 1416. geproken,
terwyl niet alleen de penningen in 't gemeen maar ook Gabriel Bucclinus,

,
om andere verby te gaan, in zyne Cotantia Rhenana, of bechryvinge der
tad Cotnits 1667. 4. zulks tegenpreken, om dat hy uitdrukkelyk 't iaar Pg"
1415. en den 6 July noemt, waarin Hus verbrand zy. Ondertuchen is

merkwaardig, wat de gemelde Bucelinus op de aangehaalde plaats verder


chryft: Nec minus interea cum Huo de aljuranda haeres, tractatum, quem
obtinatione mentis pervicaciimum Patres, tradito antiquis more, flammis ad
judicavere pridte Nonas julii Seione X1. exutuque et eadem die, &# cineres
in Rhenum abjecti. Dat is: Niet minder zocht men Hus te bepraten, dat hy

zyne kettery afzwere, doordien hy echter hardnekkig bleef, wierd hy naar ouder
gewoonte door de Vaders van 't Concilie, den 6 July in de elfde Seie ten vuure

gedoemt, en nog dienzelven dag verbrand en zyne ache in den Rhyn geworpen.
Voorts meld Cripinus met klare woorden, dat de Bohemen eene zilvere de Actis

penning hebben laten laan, ten einde de doeming van Hus, tegen alle #
recht der volkeren billykheid en vernuft aanlopende, mitsgadersdeszelfs ge- : Pag.
loof en tandvatigheid in verche geheugenis te behouden, en dezelev na ''
zynen naam Huiche penning laten noemen. (Bohemi, ad detetandam rem

',

eam in Concilio attam, Contra omnem rationem, jus gentium, acquitatem, eti

am nationibus populique emper conervatam, tum vero ad memoriam Singula


ris fidei ac virtutis Joh. Hut perpetuandam, monetam argenteam, curave
runt conficiendam, quem nomine illius incriptam Huhticam nominaverunt) zoo
als M. Wilhelm Seyfried in zyne Diputatie, 1698 te Jena van Johan

Husens komt, opvoeding, letteroefeningen, leere, leven, dood en


kennerDeel
groot
der #"
Bizot,over
De Franche
gehouden, meld. merkt
chriften,
5
't eerte
Voorrede
aan in deAbt
moderne Gedenkpenningen,
-

- ,

van zyne Hitoire Metalique de Hollande, dat deze oude Hufitiche Nummus
onder alle moderne of nieuwe penningen, na de verdelging der Gothiche

heerchappy in Spanje begonnen, de eerte zy, en dat als er iemand toon


de, die ouder waren, dezelve onfeilbaar, of nagemaakt of valch zyn moe
ten. Of echter van dezen Abt niet iets te veel gechreven zy, laat meer

gemelde D Grning in zyne Hitorie der moderne Medaillen andere Ge- p.33.34:
ieerden oordelen, daarby voegende, dat de tegenwoordige penning ook te

Hamburg in 't Luderiche Cabinet gevonden werde, en van Martinus van $


Praag in een byzonder tractaat de Comparatione Lutheri & Hui bechreven pag. 34:
zy; daarbenevens verklaart hy 't verkort woord CON. NAT. op 't Re
vers door CON dem NAT'o, als met 't voorgaande MICH I zeer wel

overeenkomende, hoewel ook dat van ons gezette woord CONdem NA

Tur, plaats hebben kan, om dat eenige navolgende penningen zulks uit
.
druakkelyk voeren.
Waaruit, hope ik, de Heer Schlegel by eene nieuwe druk van zyne pag. 4xo.
-

zeer treffelyke en geleerd opgetelde Penning-Bybel verbeteren zal zyne

ver-klaring der woorden CON. NAT, waar van hy CONtantii


N-ATus gemaakt heeft, terwyl nogtans bekent is, dat Hus een geboore
Boheem zy, gelyk dan ook 'tiaargetal van 14.15 tot 't geboortejaar van
Hus verkeert is. Daarentegen leert hy ons, dat deze Gedenkpenning zoo Lc.

wel in goud van twee en een halve ducaat, als in zilver van vier achten
loodzwaar in 't hooggravelyk

catie:3Arntad voorhanden zyn.


,C

Voor
't

2
The
atrunn

Hitori
cum pag.
1 oo6

pag. 41

D E GO U DE EN ZI L v E R E

't overige meent Chritianus Matthiae, dat de woorden: Centum revolutis,


&c. niet van Hus, maar van zynen medegetuigen, Hieronimus Pragenis

geproken worden, dog bekent terzelver tyd, datze van de meete Schry
vers aan Hus worden toegepat. Voor 't overige word te Cotnits in de
domkerk nog een blaauwe teen getoont, waarop Hus getaan heeft, toen
hy veroordeelt wierd, men laat insgelyk in 't Franciskaner Klooter aldaar
zien de gevangenis, waarin hy gezeten heeft, gelyk in de reisbechryving
van Chritiaan Ernet, Markgraaf van Brandenburg-Bayreuth, onder den
titel van Brandenburgchen Ulyes door wylen D. Capar van Lilien opge
telt, gemeld word. In de Boekery der loffelyke Univeriteit te Jena be
waart men als een zonderlinge rariteit, een Manucript van zekeren Boles
laus, die ten tyde van 't Cotnitche Concilie geleeft heeft, 't welk handelt
de Antithe Chriti & Antechriti, waarin 't ganche proces van 't Concilic
met Hus in fraaie prenten te zien is. Daarenboven kan men behalven dc

ze aangehalde Diertatie van M. Seyfried, veel omtandigheden van Hus


ens leven en dood aantreffen in de dagelykche Schouwplaats des Tyds van den
fol79e.

Heer van Ziegler.

tot 794,

# twede oude penning ter gedachtenis van Hus, is de vol


gende :

(a) Vertoont deszelfs beeltenis in een calot of muts en baard,


met den bloten naam: JOAnnes HUS.
Denzelven in volkome grootte aan een paal gebonden,
#(b)
een brandende houtmyt taande, met deze # MAR

yr (Martelaar of Belyder der Evangeliche waarheid in den


dood) 1415. (l)
A A N M E R KI N G.

(12. Uit alle omtandigheden blykt, en voornaamlyk uit de figuur van


de eyerletter 4, dat deze penning in de vyftiende eeuw gelagen zy.
De derde oude is deze:

EER GEDACHTENISvAN LUTHER: ,,


r

** *

-.

--

**

. .

*
*

(a) Huens beeltenis, zoo als in de voorgaande. . . .


(b) Denzelven hoewel een weinig op zy, op een houtmyt

die niet brand, op zyn hoofd heeft hy een papiere muts,


#
de figuren van twee duivels taan. g? Rontom leet
men deze woorden : ANNO. A. CHRISTO.

NATO.

1415. JO. HUS CONDEM NATUR. Dat is: Johan Hus


word gedoemt in den iare na Chritus geboorte 1415. (n)
A A N M E R K IN GE N.

(m.) Dat ik de muts op Huens hoofd, voor papier, met figuren van

duivels bechildert, heb aangezien , daar toe hebben my de figuren zelf


niet zoo zeer bewogen, als wel de gewoonte van 't verfoeijelyk gerechts
hof der Inquiitie, in Spanje, Portugal en vercheide Indiaanche provin
tien ingevoert, daar men de Chritenen en Joden, die men van eenige

kettery verdacht houd, en overtuigt heeft, ten vuure veroordeelt, en by


't proces eene papiere muts opzet, welke met duivels bechiklert is, gelyk
een Franche Arts, genaamt Delon, zoo als Bayle in zyne Nouvelles de la .

.,,

Rpublique des Lettres, 1688. januar. hem noemt, als die zelf te Gea in PS '3'
handen van de wrede Inquiitie geweet, maar eindelyk daaruit gered is,

. .

in de Hitorie van de Inquiitie betuigt, alwaar ook 't beeltenis van een zo-pag: #9.

danig ten vuure veroordeelden in koper geneden, vertoont word, midler-

wyl maakt M. Seyfried ook gewag van deze muts, en zegt , Voor Hus

ting van

zy een papiere kroon gemaakt, die van boven pits toeliep, als eene ge- deniare
denknaald of zuikerhoed, ontrent een el lang, waarop eenige afchuwelyke 19.
figuren gechildert waren, mitsgaders 't woord HAERES IARCH A 1 e Fag,

(dat is: Aartsketter) daar byvoegende, dat de Bichoppen hem die had- 14 'ef
den opgezet, en terzelver tyd den ongehoorden yslyken vloek geproken:
Nos commendamus animam tuam diabolo, wy overgeven uwe ziel den Duivel.
(n) Deze penning is insgelyks oud, zoo # uit 't chier onleesbaar

chrift van 't Origineel, dat in 't hoogvortelyk Cabinet van Medailles te
Gotha bewaart word, te zien is.

2 fij, VJ

s ,,

D E G. o U DE EN z't L. v E & E
De Vierde en Vyfde gedenkpenningen,

\",

/
-

Zyn wel zoo oud niet (o) als de drie eerten, maar niet
min merkwaardig en enkelyk door den tempel, eenige letter
trekken en andere kleiner tekenen van elkanderen te onder

cheiden. Op beide word vertoont a Huens beeltenis met den


naam van JOAnnes HUS. En rontom leet men : CR EDO.
UNAM. ESSE. EC CL ESI AM. SANCTA M. CA

THOLICAM. Dat is : Ik gelove, dat er eene heilige algemene


kerk zy. Onder 't bortbeeld van den eerten penning taan de
letteren CIL. die naar allen chyn den naam van den Au
theur uitmaken.

b. Huens beeltenis aan een paal gebonden, op dezelve wy


ze en met 't zelfde omchrift als op de derde penning , op den
randt echter taat: CENT U M. REVOLUTIS. ANNIS.

DEO. RESPUNDEBIT IS. (in plaats van repondebitis)


ET MIHI. Dat is: Na verloop van hondert iaren zult gy Gode
en my rekenchap geven.

A A N M E R KI N G.

(o) M. Seyfried heeft die beide penningen ook in koper laten teken,
en meent, de eerte zy in de laatte eeuw nagemaakt, dog dat zulks on
trent de twede onzeker was, ondertuchen is 't zeker genoeg, dat ze bei
de niet heel oud zyn, waar door ze echter niet minder waardig zyn, om
dat men ze iuit niet overal aantreft.

De gedachtenis dezer Profecy van Hus (want van de andere, dat ":
-

') is

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER . ,,


lyk een zwaan na hem zoude zingen, zullen wy op een andere plaats pre
ken) heeft de tad Magdeburg ook met twee # # #
van de kleinte de grootte in cierlykheid van den tempel overtreft, hoe
wel anders 't ondercheid tuchen die beide zeer klein is, behalven dat op

den groten tuchen de Hoofden van den dubbelden arend een kruis taat
die op den klein aisEgyxogden word.

houdende in de rechte hand een boek; Luther bloothoofds in


een prieter gewaad ter linker zyde, vattende met beide de
handen een boek, of de heilige Bybel , op den uiterten rand
leet men: CENtum. ANN is. REVolutis. DEO. ET. MI

HI. RESpondebitis. VATicinium. JOANnis HUSSII.


Anno 1415. COMBUSTI. Dat is: Na verloop van hondert

iaren zult gy Gode en my rekenchap geven.

Profecy van den in

den iare 1415 verbranden Johan Hus. Een weinig binnewaards


leet men : Hl S. LAPis. ( p.) naamlyk ( Centum annis)

Doctor. Martinus. LUTHER US. AD. REPurgandam (of


REParandam) DOCTrinam. COElitus. ( of COEletem )
A. DEO. EXCITatus. Anno 1517. Dat is: Na verloop van
deze hondert iaren is D. Martinus Luther tot reiniging der he
melche leere van God verwekt, in den iare 1517.
b De tweehoofdige Ryksarend, op deszelfs bort 't wapen
- -

-,

der tad Magdeburg, naamlyk eene maagd tuchen twee to


rens, boven een ope deur, tot de helft met tralien bewaart,
ter halver lyve boven uitkomende, en in eene hand een krans
houdende, met dit omchrift: MOneta. NOva. RE IPublicae.

MAG DEburgenis. D E 1UBILAEO. AnnO. Chriti 1617.


Dat is: Nieuwe munt der Republiek van Magdeburg , wegens het
jubeljaar 1617. (q )
A A N M E R KI N G E N.

. (p) De verkorte woorden

HIs

AP. heeft de Heer Tentzel in de


-

694. *,

" -

maandelyke zamenpraken aldus verklaart: HIS LA Pidibus, maar ver- #(8,


volgens onze verklaring: HIS LAPis goedgekeurt, als met den zin der
Munt in alle delen overeenkomende.

(q) De eerte Munt is een ryksdaalder, en de twede een halve daalder,


Van

# eerte heeft de meergemelde A# Molanus een dubbelde daalder van


4

26

DE G O U DE EN ZI L VE RE

4 loodzwaar, die hy Medaillon of grote gedenkpenning, pleegt te noe


#
# 'te # of de vorm des tempels boven de gewoonlijke daal
ders grootte ga

. .

De achtte, ter eeren van Hus gelagen, is nieuw, en verbeelt:

in
coNetluwconsTAN%
voCAT-ETCOMByST
SAN MCCCCXVZ
I- IVLDI
-

a Huehs beeltenis, met deze woorden: Magiter JOHAN


NES HUSSUS. BO HEMUS. Dat is : Magiter Jahan
Hus, Boheem.

'-

--

- - - - --

b Zyn levensloop: NATUS. ANno. MCC CLXX: IN.


PAGO. HUSSIE NITZ. Anno. MCCCX CIII. BA C
C A L AU Reus. Anno. MC C C X CV. MAGISTER
HILoophiae: Anno. MCCCC. SACE RD O8. TEM
PLI.

#E#E#

PRA GAE. AN no. MCCC CI.

DE CANUS ACADemiae. A Nino. MCCCC IX: RE C


TOR, MAG NO STUDIO. VERITATEM. EVAN

GELICAM. PROPUG NA NS. ANno. MCCCCXIV. A.


PAP A. ROMAE. EXCOMMUNICATUS. P O ST.
VARIA. PER ICULA. AD. CONCILIUM. CON
STAN tiene. VOC ATas. ET COMBUSTus. ANno.

MCCCCXV. VI. JULHI. C W. (r) Dat is: Hy is geboren

137o. in 't dorp Huenits. 1393. is hy geworden Baccalaureus, 1395.


AMagiter of Leeraar derwysgeerte, 14oo. Prieter van de Bethlehems

kerk te Praag; 14o 1. Deken der Univeriteit, 1409. Rector, met


veel yver de Evangeliche waarheid verdedigende ; 14.14. van den
2Paus van Romen in den ban gedaan, na veel gevaar voor 't Con
cilie van Cotnits gedagvaart, en aldaar den 6. July 1415. ver

brand. Op de kant van deze penning leet men rontom de


reeds dikwyls verklaarde profecy : CENTUM. RE VO

#*

ANNHS. DEO RESPONDEBIT IS ET.


A A N M R KI N G.

(12. De letters C. W. betekenen den vermaarden Meeter te Gotha,


Chritiaan Wermuth, die zoo wel deze als de naatvolgende negende ge

neden heeft, waarvan hy zelf in de bechryving van alle zyne pronkpen


ningen, omtandig handelt.
De

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

27

De negende vertoont.
a Huens bortbeeld, zoo als in de naatvoorgaande gedenk
penning.

b. Luthers Beeltenis, op deszelfs andere zyde deszelfs le


vensloop. (s)
A A N M E R K IN G.

(s) Doordien de gemelde andere zyde beter hierna zal voorkomen, en


de eerte reeds te zien is, zoo hebben wy van de ganche medaille geenen
chets willen nemen, konnende de goedguntige lezer zich de figuur ge
noeg voortellen.
Daar zyn nog twee penningen op Hus voorhanden, welke ik echter tot
nu vergeefs heb gezocht; midlerwyl zal ik derzelver bechryving mede-1694.
deelen uit de maandelyke zamenpraken van den Heer Tentzel, invoegen P** 9.
de Liefhebbers my op 't hoogte zouden verplichten, alsze my eene copy
in huisblaas of op eenige andere wyze toezonden. De gemelde Heer meld,
dat de eene van de grootte van eenen Daalder zeer oud zy, en dat uit 't
lomper opchrift en nyding bleek, datze in de 15de eeuw gemaakt was,
ebbende op de eene zyde het beeltenis van Hus met dit opchrift: CRE
DO.

UN AM. ESSE. ECC L ES IAM. SANCTAM. CA

THOLI CAM. Op de andere zyde, Hus aan een paal gebonden, met
de woorden: AN NO. A. CHRISTO. NATO. 14.15. JO. HUS.
CON DEM NATUS.

Op den randt : CENTUM. REVO

LUTIS. AN NIS. DEO. RESPOND EBIT IS. ET. MIHI.

Van deze zyn naar alle waarchynlykheid de van ons aangehaalde vierde en
vyfde genomen. De twede, meld hy wyders, zy een halve Daalder zwaar
met Huens beeltenis op de eene zyde, en dit chrift : SANCTUS.
J O HAN N E S. H U S, M ARTY R. CHRISTI. COM
BUSTUS. CONSTANTiae. Dat is : De heilige Johannes Hus,
Bloedgetuige van Chritus, anno 1415. te Cotnits verbrand. Op de andere
zyde Hus aan een paal gebonden, zoo als op de andere penningen, met
deze woorden : GRATIO SA. MO R S. SAN CTORUM. IN.

CON SPECTU. DOMINI. Dat is : De dood der Heiligen is aan


genaam in de oogen des Heren. Hy acht ook, dat de laatte ionger zy dan de
eerte, hoewel even zoo raar. Voor 't overige heb ik in de Vortelyke fol.zoo,
Boekery te Gotha in 't vyfde Deel der kopere platen gezien Huens af.
beeltzel, met een pen en papier en deze woorden :

J o A N. H US S U S. B O E M U s.
Acad. Pragens. Theolog. Nacitur in Huenk.

Crematur Contantiae anno 14.15.


Cantibus &5 dulci vincens modulamine iegnos,
Rex inter cignos candidus aner erat.
*

" -

Dat is:

2 -

Johan Hus, Boheem, Godgeleerde der Hoge School van Praag, wierd

geboren te Huenck en verbrand te Cotnits 14.15.

| | |
Deze Gans heeft zoo aangenaam in leven en dood gezongen

Dat zy de Zwanen zelf door hare lieflykheid heeft gedwongen.


w

. .f . . . .

.
,

--

. --. .

* -

7 z
e

D 2.

'f,

Nu

28

DE G OU DE EN ZI LV E R E
S. 15.

#
over

Nu konde het Werk onmogelyk langer bedekt blyven, en


choon vele de zaak voor dien plompen Texel opnamen, daar

onder voornaamlyk Sylveter Prias, Jacob Hoogtraten en an


dere, zoo verdreef de waarheid van 't overal doortralend Evan

gelie dien dikken nevel zoo voort, en doordienze Luther van


alle kanten op 't lyf vielen, en zich met chelden en lateren be
hielpen, zoo maakten zy de wonde hoe langs hoe groter, wel
ke Luther voorgenomen had, met zachter middelen te genezen,
en de zaak zou michien nooit zoo ver Zyn gekomen, alze

lecht dien Godlozen hatelyken aflaatkraam ophouden, en Lu


ther in zyn goed voornemen hadden willen te gemoed komen,

dog zy gingen niet anders te werk, dan als ofze van hun ver
tand berooft en van alle Godvruchtigheid ontbloot waren met

alle kragten tegen den troom, van de doorbrekende Goddelyke


waarheid wemmende, invoegen zy niet alleen de vermanin

gen van Luther in den wind loegen, maar daarenboven tot


nieuwe zwakheden vervielen, gelyk doorgaans pleegt te ge

chieden, als men van zyne dwaling niet wil aftaan choon men
dezelve met handen grypen kan. Voor anderen echter liet de
rootprekende D. Eck, Hofprediker van George, Hertog van

# zich voortaan,

dat hy Luther en zyne medehelpers ras

zoude den mond toppen, en bragt het zoo ver, dat te Leip

,sio: zig op 't Slot Pleienburg tuchen hem en D. Careltad eene


DiEie Diputatie beteld wierd, welke Luther ook, hoewel op eene

"" onbekende wyze bywoonde, doordien hy om zekere redenen


ditmaal liever een toehoorder als medekamper wilde zyn , on
dertuchen behaalde Carltad niettegentaande het heftig chreeu
wen van zyne party de zeege.
A A N M ER K IN G.

(t) D. Johan Strauch meld, dat hy een eigenhandig Manucript van


#vi, Petrus Moellanus, Profeor te Leipzig, heeft, waarin de gechiedenis
pag. 143 van deze Leipzigche Diputatie zeer net en omtandig aan Julius Pflugius
-

gechreven zy.
(). 16.
Het Roomche Hof was beducht, dat dit werk niet wel zou

de aflopen, en had derhalven Hertog George, zooals gemeld,

Lade, niet alleen tot het beleggen van deze Diputatie bewogen, maar
w#ver- by den nieuwen Keizer, Karel den vyfden, over de zaak zelf

klaagt

geklaagt, want doordien de vyanden van Luther zagen dat zy


ne lere niet nieuw was, waarvoor menze toen uitgaf en op een
valche wyze nog uitchildert, maar eene zeer oude, van Chri

tus, de Apotels en de Kerkvaders gepredikt, en naderhand


quaadaardig verandert, en door hem enkelyk weder gereinigt
wierd, en dat dezelve zich in Duitchland hoe langs hoe meer
verpreidde, midsgaders hy zelf zich nog door goede woorden
nog door dreigementen, waarvan Cajetanus zich reeds 15 18. te

Augsburg
iegens hem had bedient, liet overhalen, om vanCCIJS
de
* * .
-.

V.

fERGEDACHTENIS VAN LUTHER

2,

eens bekende en op Gods woord gegronde waarheid af te taan,


zoo wees Paus Leo X. deze gechillen aan den gemelden
Roomchen Keizer, voornaamlyk doordien men uit allerhande

omtandigheden wel bepeurde, dat Frederik III, Keurvort van


Saxen, die wegens zyne voortreffelyke deugden en geleertheid,
de Wyze wierd bygenaamt, Luthers voornemen en perzoon
heimelyk beguntigde. (u)
-

A A N M E R K I N G,

(u) In de Hoogvortelyke Boekery te Gotha zyn onder andere rare boe

ken Manucripten aanmerkingen van Hertog Johannes, Keurvort van


Saxen, door hem zelve over de huishouding en toetand dier tyden in vier
dikke banden in folio gechreven, gelyk blykt uit de laatte woorden van
't vierde Deel : Alhier heeft het Boek een einde, God wende zynen toorn gena- fol. 287.
dig van ons af, en is volbragt toen men chreef XVC en XXIII (1523)
Hertog Jan van Saxen heeft dit alles gechreven met zyne hand, die by velen
bekent is.

V. D. M. I. E.

Dat is : Verbum Domini Manet In Eternum.

Gods mea.
Woord
blyft inDux.
eeuwigheid
pattenti.
ilentio.
pereat. fol.190..
pes.
Joannes.
Saxoniae.amen.
Mpp. InDaar
taan
nog timeo.
de volgende
woorden, welke van den aanvang der Reformatie en 't geen om de iaren
-

1520 en 152 1. deswegen is voorgevallen, handelen, dezelve luiden aldus:


Daar is ook twit tuchen de Geetelyken en Werreldlyken gerezen, en als God

niet genadiglyk daarin voorzien had, zoo zou er een groot oproer onttaan zyn.
Het heilig Evangelie is Gode zy dank door geleerde vertandige Predikers ook
weder voor den dag gekomen , de predikers hebben ook tegen malkanderen gepre
dikt , vele menchen zyn ook in beide getalten des heiligen Sacraments bedient.

De J rieters hebben wyven genomen, de Monniken zyn uit de klooters gelopen,


en hebben werreldche klederen aangetrokken, &#c.
t

W). 17.

rt

Ten einde de Keizer nu Duitchland in rut brenge, zoo be- E#


chreef hy de Standen na Worms, en beval D. Luther, den #
15. July 152o. door den Paus in den ban verklaart, en deszelfs 15x1.
boeken te Romen verbrand, (x) om onder vrygelei (y) aldaar
te verchynen en zich te verantwoorden, wegens de bechuldi

ging van den Paus of deszelfs aanhangers, dat hy naamlyk op


eene chandelyke wyze van de gewaande ware Godsdient was
afgevallen. Om aan dit bevel te gehoorzamen, liet Luther zich

te Worms vinden , met voornemen, om niet zoo


wel zyne als Gods zake onverchrokken te verdedigen, en
als ook zekere boezemvrienden, dien de liten en lagen der
wederpartyders niet verborgen waren, hem meekten , toen

hy te Oppenheim aanquam , om tog op zyne hoede te zyn,


en niet na Worms te reizen, zoo zeide hy met een vrolyk

gelaat: Hy was gedagvaart, en derhalven wilde hy verchynen,


'al waren er te Worms zoo veel Duivels, als er pannen op de da
ken lagen.
A.
7.

(z) Gelyk hy zich dan ook voor de gezamentlyke Ryks


tanden zodanig dapper heeft verantwoord, dat zyne vyanden

(a) op generhande wyze vat op hem hadden.

- -

, 7 , 1, 7 t

. . . . . co

* *

l-

A A N M ER K 1 N GE N.

to P. Jansen dan gevrij"elen- heeft


3
"

, , " ---

::

J. ,

*--

,-

- -

Ho 9

3o

D E GO U DE EN ZI L VE RE

onder anderen ook 'eene byzondere Diertatie de Lutheri excommunicatione


& procriptione, in den iare 152o gechreven, welke de zesde van zyne
Diertationes juris publici is. Daarentegen brandde Luther tot weerwraak
den 10 December 152o eene Pauzelyke Buile, en 't Corpus Juris Canoni
ci te Wittenberg opentlyk op den merkt, in de tegenwoordigheid van de
Studenten.

(y) Deze Keizerlyke Vrygeleibrief of Salvus Condufius, welke Luther


tot zyne reize na Worms gegeven wierd , legt als nog in 't Origineel te
Koningsbergen in Pruien in de voortreffelyke Bockery van den Hoog
welgeboren Heer Chritoffel van Wallenrod, Opper - Maarchalk van 't
koningryk van Pruien, op papier, met een uithangenden Keizerlyk zegel
op rood was, hoewel door ouderdom niet gaaf, deze brief is 1698 door
den hoogberoemden Profeor in de Godgeleertheid te Koningsbergen, D.
Gottfried Wegener, in eene Lateinche Diertatie bechreven, en na 't
getuigenis van den geleerden, en voornaamlyk ook in de wetenchap der
moderne penningen voortreffelyk ervaren Prediker te Lubek, den Heer Ja
in atis
literariis kob van Mellen, andermaal vermeerdert van de pers gekomen. Ondertu
chen taat aan te merken, dat men onder den Vrygeleibrief, dien D. We

maris,
Baltici

ener bechreven heeft, en tuchen de Keizerlyke Citatie-brief, waarby

1699.

Luther door den Keizerlyken Herout, Capar Sturm, zoo als D. Chrito

Pag 9.

phel Wageneil, welkers dood, in October 17oy ingevallen, door de ge


zamentlyke Univeriteit Altdorff en door de ganche geleerde werreld bil
lyk betreurt werd, in zyne Pera Librorum juvenil. T, 11 I. p. 624. hem

noemt, gedagvaart word, om te Worms te komen, moet maken. Het


origineel van deze Citatie-brief is onbetwitbaar als eene zonderlinge rari
teit voorhanden in de zeer treffelyke Boekery van den Raad te Leipzig,
welkers Sindicus, de Heer Gotfried Grve de goedheid gehad heeft, eene

nette copy van zyne eige hand aan my te zenden, dezelve luid als volgt:

Karel van Gods Genade, Verkoze Roomch Keizer, ten allen tyden vermeerder
des Ryks.
29

Erzame, lieve, aandachtige

Naardien wy en de Standen des hei

,, Lligen Ryks, iegenswoordig alhier vergadert, voorgenomen en belo

,,ten hebben, van de leere en boeken, die een tydlang van U zyn uitge
, komen , van U kondchap t'ontfangen, zoo hebben wy om herwaards
,, te komen, en veilig weder te keren onze en des Ryks veiligheid en gelei
,, gegeven, 't welk wy hiernevens zenden, met begeer, om U op 't poe

, digte herwaards te begeven, ten einde gy binnen de een en twintig da


gen, in zulken onzen geleisbrief betemt, vat hier zyt en niet uitblyft,
,, en ook voor geen geweld of onrecht beducht zyt, alzoo wy U by 't bo
, vengemeld ons gelei vatelyk handhaven willen, ons ook op zulke uwe

komt volkomen verlaten, en gy doet daarin onze erntige mening.


,,Gegeven in onze en des Ryks tad Worms den zeten dag des maands

,, Marci Anno C. XVC (15oo) en in 't een en twintigte onzes Ryks,


,, in 't anderen iaar.

- CAROLUS
(L. S.)
'-

Ad mandatum Dni (Domini) Imperatoris


ppm. (proprium)

Albertus Card. Mogunt. Archicancellarius Ai. (cripfit)


Dat is:

v-

Op uitdruklyk bevel des Heren Keizers heeft dit eigenhandig onderte


kent, Albertus, Kardinaal te Ments, Aarts-Kanzelier des Ryks.
-

Niclas Ziegl.

-,

- Den Eerzamen onzen lieven aandachtigen Doctor Martyn Luther, van


den orden der Augutynen.

D
G

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER: ,,


De meergemelde Heer Wegener heeft deze Citatie-brief ook in zyne
Diertatie ingelyft, met verzekering, dat 't origineel in de Wallenrodche Pg 2. 3.

Boekery insgelyks gevonden werde, invoegen by den eerten oplag niet


mogelyk chynt, dat twee goede en onverwerpelyke originelen van een
zodanig gechrift zyn konnen, doordien men echter aan de echtheid van
beide niet twyfelen kan, zoo moet men geloven, en zulks komt met de

waarheid overeen, dat van dezen brief twee eensluidende exemplaren

zyn

uitgevaardigt, waar van 'er een aan Luther gezonden en een van den He
rout gehouden is, van welke gedachten de Heer Tentzel ook was, toen

ik hem deze zwarigheid oplote. Dat dienvolgens beide Boekeryen billyk


op zoo eene fraaie rariteit konnen roemdragen, midlerwyl blyft echter het
Origineel van den Salvus Conductus of Vrygelei, de Wallenrodche #
ry alleen eigen,

(z) OfLuther toenmaals te Oppenheim, zoo als zommige willen, of


van daar op reis na Worms, gelyk als D. Wageneil meld, het onvergely
kelyk moedig lied : Een vate burg is onze God, vervaardigt hebbe, daar

van leze men Johan Chritoffel Olearius twede Deel van zynen Evange-

lichen Liederchat. Merkwaardig is, 't geen Cyriac. Spangenberg in A- pag. 23.

dels-Spiegel met volgende woorden bericht: Als Luther tont, om in de PII.


vergadering te gaan, heeft George van Freundsberg of Fronsberg, een 54a.
dappere rutige Ridder, hem met de hand op de chouders geklopt en ge
zegt. Monnikie, Monnikie, gy gaat iegenswoordig eenen gang, om eenen zul
ken tand te doen, diergelyken ik en menigen. Overten zelfs in onze erntigte

lagordens niet gedaan hebben. Hebige een rechtchapen gevoelen en taatgetat


in uwe choenen,

zoo vaart in Godes name voort, en wees maar onverchrokken,

- .. . . . . . .
,,
(a) Van de practyken zyner vyanden chryft Mattheius in de derde Pagzi b.
prediking van Luther aldus: Wanneer de thritelyke Sax, Frederik, Keur
vort van Saxen, zich niet wilde laten afchrikken, wendden grote en vaardige
luiden, door den Pauzelyken Legaat daartoe aangezet, het over een anderen
God zal u niet verlaten. ,, ! ! !

boeg, en verzochten Doctor Martinus , om op Pocksberg, een teedie van


Keur-Palts, met Klapio, Biegt-vader van den Keizer, en den monnik Bucerus,

van nodige en gewigtige zaken, een minnelyk geprek te houden , dog God re
geerde Luther, die ditmaal de liften en lagen niet ontwaar wierd, dat hy zoo
voort na Worms reit, want de aangetelde termyn was kort, om dat hy zich

binnen een en twintig dagen in 't Keizerlyk vrygelei tellen moet. . . . . . .


Alhier behoort niet alleen Luthers beeltenis, alwaar hy in volle Mon

niks-gewaad verchynt , waarmede hy na Worms gereit is, en voor de


Rykstanden zyne

# verantwoording gedaan heeft, gelyk zulks

door den vermaarden Schilder te Wittenberg, Lucas Cranach, in den jare


15 zo. vervaardigt is, zoo als men uit het gekroont langetie zien kan, als

zynde 't gewoonlyk teken, van alle de tukken, die uit 't peneel van dien
Meeter gevloeit zyn. Onder 't zelve leet men dit vers:

AETERNA IPSE sUAE MENT is sIMULACHRA


LUTHER US

ExPRIMIT: AT vULTUS CERA LUCAE


OCCIDUOS

MDXX.
Dat is:

Luthers Beeltenis kent in Schriften alle werrld


Hier heeft 't geen terflyk was 't peneel voorgetelt.
1 52 o.

Maar ook de volgende vier fraaie penningen welke van

zyne

Worms en de aldaar gedane geloofsbelydenis omtandiger melden.

reize na

3,

DE G. o U D E EN ZIJL v E RE
Op de eerte is te zien:

(a) Luthers bortbeeld in # met een colot of


muts op 't hoofd en deze woorden: DOCTOR, MARTI
NUS. LUTHER US. ECCLESiates. WITENbergenis
Dat is: 'Doctor Martyn Luther, Prediker te Wittenberg. . .

(b). Deze woorden in eenen cierlyken krans omvat: OB.


SERVATAM. ET. RESTITUT.Am. REMPUBLI

CAM. VINDICATAMQUE, LI B ERT AT E M.

CHRISTI Anam. ANNO M. D. XX. F. F. (Fieri Fectij


Dat is : Ter gedachtenis van 't behoude en hertelde gemenebet heeft
hy die penning laten laan. (b).
*

A A N M E R KI N G.

(%) Luther zou dezen penning zelf hebben laten laan, zoo als meerge
melde Heer Tentzel my by een brief van den eerten February 1698 verze
kert: Wat my aanbelangt, ik acht, dat Melanchton ten minten 't op
chrift zal hebben opgegeven, om dat 't met die der oude Roomche pen
ningen veel overeenkomt, en hy een groot oudheidkenner was.

Op de twede ziet men:

EER GEDACHT ENIS VAN LUTHE R.

33

a Luthers beeltenis in de kap en gechoren kruin, met deze


woorden rontom: * D. M ART IN U S. L UT HE RU S.

BEAT US. V ENTER QUI TE. PORTAV 1T. Dat


* . . .
is: Zalig is de buik, die u gedragen heeft: (c).
b. De incriptie in veren, welker telletters 'tiaargetal van 1521.
uitmaken,

,,

- - - -

CaearIs :ante pePes, pro Ceres, tetIt ante potentes,

aCCoLa qVa rhenI Vanglo LIttVs aDIt


Dat is:

Voor den Keizer en de Standen prak Luther vry,


By die van worms , dat de Leer, die hy leerde, Gods zy.

c. De laatte woorden zyn genomen uit LuceXI. 27 en derhalven


maakt de heer Schlegel van deze penning gewag in zyne Munt-Bybel:
--

De derde en zeer rare Gedenkpenning vertoont:


\

---- --

- -

-- -

, 7 - - -

- "

- Lt.
* * *

- - - - - Tr
- - - - - --

:-

a Luthers beeltenis in 't bovengemeld gewaad, met dit potich a


omchrift:
HERESIBUS. SI. DIGNUS. ERIT. LUTHER US.
IN. UL LIS.

ET. CHRISTUS. DIGNUS CRIMINIS, HUIUS.

E RIT: 152 1.
-

Dat is:

Zegt men, dat Luther chuldig is aan eenige kettery.

Zoo is ook Chritus van dien later ganch niet vry.

b Chritus in naakte gedaante, een vliegenden mantel om den


rug, en een lang kruis in de linke hand houdende, aan den rechte
E

WOct

21

DE GoU DE EN ZILv ERE

34

voet taat een Kelk, met eene Hotie daarboven op, en aan den

voet van 't kruis eene kruipende lang, met deze treflyke woorden:
EGO SU M. VIA. ET. VERITAS. NEMO. VENIT.

AD. PATREM. NISI, PER ME. Dat is: Ik ben de weg,


de waarheid en het leven, Niemand komt tot den Vader dan door my.

Joh. XIV. 6.

-J

De
vierde is niet minder raar, en 7verbeelt: *
----- ---- -26
4X ACy

6' CRIS

r),

6't HEIN
--- A5 DASILE

*s

Y&

"s-

- - --------

R
We

r-

WA
"E

-1

Sj, a\'

#LT SYND NS. NSN \ Ag


## #
& N- O
#A
w

AM

- AXENS

##
1UP "g
5

RS-

%
#

Aj

(N

K&S

, (K
S35S G-T

4
42

33%

YRSS So:
-

SR

#TREGT ION
#s
NASSE
w

- S&N

HLEIN DASRs SR t

#BER WE

- DRN

w,
TVS
Er
,,E)NI C

E (AN

-:

SM2%
Bx&#2
<<

s?GKxxxyGE

a Luthers beeltenis, zooals in de laattvoorgaande Gedenkpenning.


b Het bortbeeld van Chritus, boven 't welk de Heilige Geet in

de getalte van een duif, in de wolken zweeft. Aan beide zyden


taat dit Duitche Schrift: CHRISTUS IK BEN HET

LAM MET IE, DAT DE ZON DE DE R WE R


RELD DRAAGT. (wegneemt) JOAN NES I CAPIT.
NIEMANDT KOMT TOT D EN VADER DAN

DOOR MY: JOANNES XIIII. CAPIT. (d).


A A N MER K IN G.

(d) D. Rundich, vermaarde arts te Altenburg in Minie, heeft my de


chets van deze treffelyke zilvere Gedenkpenning gezonden.
Na

3. 18.

's,
--

Luthers Als nu de vyanden in hunne hoop bedrogen waren, om datze


te#g waanden, dat Luther op 's Keizers bevel of zyne leere opentlyk her

# roepen (e), of zoo niet, ten minten in de gevankenis zou moeten


gaan, en zommigen ten dien einde den Keizer den raad gaven, dat
hy 't vrygeleizou intrekken, om dat men niet verplicht was, zulks
eenen ketter na te komen, zoo achtte de Keizer nogtans eene hoogt
wraakbare zaak te zyn , zyn opentlyk gegeven woord te breken,
hy liet derhalven Luther van zich, en droeg zorg, dat hy veilig
aan de Saxiche grenzen van den Keizerlyken Herout gebragt wierd.

Doordien echter de dierbare Keurvort van Saxen hem niet gaarn in


de lagen der vyanden wilde laten vervallen, en beducht was, dat
Luther niet genoegzaam op zyne hoede mogt zyn, zoo wierd de
zaak aldus betelt, dat hy , hoewel buiten weten van den Keur

vort, op de Landtraat in het Wout, niet verre van Eienach,


door

v
-

EER GEDACHT ENIS VAN LUTHER,

35

door twee getrouwe Edelieden, Jan van Berleps en Burckhard en ge:


Hund van Wenckheim op Altentein, met eenige van hunne vangen
dienaars den 4 Mey 152 1. in duitere nacht onder chyn van #

vyandelykheid op 't lyf gevallen en door vele houtwegen einde-


lyk op het berglot niet ver van de tad Eienach, genaamt de
Wartburg, 't welk Luther in den beginne zelf niet wit, ge
bragt, en zoo lang gevangen, hoewel zeer heuch gehouden
wierd, tot dat de gramchap en toorn der vyanden een eenig
vervolgen was. (g)
A A N M E R K i N GE N.
(e) Een naamloze Franche Schryver heeft de dappere en geetige Da
den van Keizer Karel V. bechreven, die 1692. te Bruel in 12. gedrukt
Zyn, onder den titul van : Les actions heroiques & plaiantes de l'Empereur . . .

Charles W. hy meld onder anderen: De Keizer hebbe in 15 zo niet alleen in Pg 13,


Braband, maar ook in de teden Keulen, Tier, Luik, enz. de giftige boeken
van Luther, als eencn Aartsketter, ten vuure gedoemt, en deze hebbe 152 1.
op den Kyksdag te Worms in de tegenwoordigheid van alle Ryks-Standen, zyne
# en dwalingen opentlyk herroepen. Schier zoo veel onwaarheden als woor
den !

(f) Hoe Luther op Wartburg gehandelt en ook zomtyds van den Zatan
beangtigt zy, zulks verhaalt hy zelf op een plaats aldus: ,, Als ik 15 21.
,, van Worms vertrok en by Eienach in 't lot Wartburg gevangen in den
,, Pathmus zat, toen was ik ver van de menchen in een kamer, en nie

,,mand konde by my komen, dan twee pazies, die my tweemalen daags


,, te eeten en te drinken bragten. Zy hadden voor my eenen zak met ha

,, zelneuten gekot, waarvan ik er zomtyds at , ik had denzelven in de


,, kit geloten. Als ik echter 's nachts te bed ging, ontkleedde ik my in
,, de kamer, deed het licht uit, en ging te bed leggen, toen begon 't in
,, de hazelneuten te roezemoezen, de een na de ander wierd tegen de ban
ken zeer hart gekraakt, en 't maakte een getommel aan myn bed, dog

,,
,,
,,
,,
,,

ik gaf 'er niet om ; wanneer myne oogen een weinig bechoten waren,
begon 't aan de trap een geraas te maken, als of er vercheide vaten van
boven neer rolden, terwyl ik nogtans wit, dat de trap met ketens en
yzers geloten was, en dat niemand boven konde komen, ondertuchen
,, duurde dit geweld nog al. Ik tont op, en ging na de trap, om te zien,
,, wat er te doen was, dog ik zag, dat de trap toe was, toen zei ik:
99

Zyt gy het, zoo zyt het, en beval my aan Jeus Chritus van wien gechre-P, Chri

,Voor
ven'ttaat:
Omnia ubjeciti ub pedibus jus, en ging weder te bed. ###
overige heeft men my ook, als ik over eenige iaren te Eienach. paulini
was, op 't gemelde lot Wartburg zoo wel 't vertrek, waarin Luther be- Annales
waart is, als ook in 't zelve inktvlakken aan de muur getoont, welke daar #

zouden zyn, om dat Luther eens zynen inktkoker den duivel na 't hoofd #"
zou(g)hebben
gegooit,
zichShlegel
aan hemin vertoonde.
. . zoo
. . als ook Chri- pag. 45.
Hiervan
handeltdieHeer
vita Spalatini,
toffel Cellarius, Profeor te Halle, in eene geleerde Diertatie, die hy
1696. de Pathmo Lutheri in arce Wartburg prope Ienacum heeft gehouden ,
meer daarvan is ook te vinden in M. Pfefferkorns Thuringche Merkwaar- pag. 349:
digheden en in Seckendorf, welke laatte een Lateinch vers aanhaalt, wel- # Lib, I.

ke de geweze Farheer van Eienach, Nicolaus Rebhan aan de laapkamer ''2f.


van Luther op Wartburg heeft laten chryven, ter eeuwige gedachtenis ,
't welk echter mynes wetens niet meer te zien is, maar by 't vermaken van

't lot michien onverziens zal verloren gegaan zyn. Deszelfs inhoud is:
Tertius Elias en Teutoniaeque Propheta

Lutheres, quondam Vangionum urbe redux,


Pontificis propterque minas & Caearis iram,
Heic velut in Pathmo conditur excul inops.
-

E 2

Car L

36

DE G o U DE EN Z 1 LV E RE
Car LtaD II ob fVrIas a D aXona teCta re C Vrr It

favc Ib Vs eX aeV/s rVrVs oWesqWe rapIt


Vile licet, clarum merito tamen hopite tanto

Clautrum hoc, quod laetus, Lettor amice, vide


Dat is:

De dierbare Gods-man Lutherus wierd alhier tot zyne veiligheid ge


vanklyk aangenomen.

Als hy van den Wormchen Ryksdag was weergekomen,


Hy vond op deze plaats een trouw becherm-quartier, om voor de vyan
den toorn en dreigen vry te zyn.

Dog om dat Careltad veel onbevoegde zaken,


Uit louter razerny tot zynent wilde maken,
Zoo trok Luther voort, en verdreef denwarmer fyn.
Erinnert U, myn vriend, als gy dit komt te lezen,
Waarom aan Luther hier 't gevanknis is gewezen.

Men heeft dit geval ook door eene gedenkwaardige penning


vereeuwigt, waarop te zien is :

ERANSCAPIT
IBIENE CONCILA

IPATIHIMI

CTAIPETIT,

(a) Luthers beeltenis met een groten baard, (h) en lange


hairen, geharnat (i) met dit omchrift: D. MARTINUS.

LUTHER US. REVERSUS EX. PATHMA. ( k )


ANNO 1 52 2. Dat is : D. Martin Luther wedergekeert uit
zynen Pathmus, in den iare 1522.

b. 't Volgende Opchrift, waar van de telletters 't iaar van


zyne hechtenis, 1521. aantonen:

A rheno properans CapItVr bene ConsCla pathMI


teCta papae fVglens retla trVCta petIt.
Dat is:

Op dat Luther niet in der vyanden netten zou komen,


Wierd hy, hoewel met zyn weten, op de traat weggenomen.

AAN.

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER

37

A A N M E R K I N GE N.

(b) Zoo wel van zyne gevangeneming als langen baard chryft hy zelf
aan Georgius Spalatinus aldus: ,, Na dat wy van 't Eienachche voetvolk,
3, dat ons te gemoed quam, zyn ontfangen, zyn wy s avonds te Eienach
, gekomen, en des morgens zyn alle myne reisgenoten, nevens Hieroni
,, mus vertrokken. Na dat ik voortreisde namyne vrienden over 't Wout,

, want zy belaan chier daaromheen 't land, en van hen afcheid had ge
,,nomen, om na Waltershauzen te gaan, ben ik achter 't lot Altentein
gevangen genomen. Amsdorf wit wel, dat ik hier of daar zou geknipt
worden, maar de plaats, daar ik bewaart werd, weet hy niet. Myn

,, broeder, die de ruiters al ras in 't oog had, is van den wagen gepron
, gen, en hene gegaan, zonder afcheid te nemen, en is zoo men zegt,

, tegen den avond te voet te Waltershauen gekomen. Men heeft my al


,, hier myne klederen uitgetrokken en in een ruiters gewaad getoken. Ik

,, laat lange hairen en een grote baard groeien, invoegen gy my bezwaar


, lyk zoud kennen, wyl ik my lang reeds zelf niet meer gekent heb... .
(i) Dat Luther op # penning geharnat is, komt daardoor, om dat
hy, zoo als gemeld is, zyne klederen uittrekken en zich als een ruiter kle
den moet, ten einde om niet bekent te zyn, 't welk nog duidelyker uit
zyn afbeeltzel num. IV. te zien is. Ten einde hy echter # vercholen
zou blyven, wierd hy op Wartburg niet anders dan Jonker George ge
noemt, tot dat hy weder na Wittenberg gekeert is. Midlerwyl heeft hy
den tyd aldaar met boekenchryven, midsgaders overzetten van de Bybel,
zomwylen ook met de iagt en wandelen, verzelt van een knegt, doorge

bragt. Deze penning kan ook in aanzien der eerte zyde, op zyne terug
reize na Wittenberg, waarvan wy zoo voort handelen zullen, getrokken
worden.

(k) Luther pleegde Wartburg zynen Pathmus te noemen, na 't voor


beeld van Joannes den Evangelit en Apotel, die van de heidenen na 't ei

land Pathmos in ballingchap gezonden is, aldaar gevangen gezeten en de


geheime openbaringe ontfangen en opgetekent heeft.

S. 19.
Hy bleef byna een ganch iaar op Wartburg, en chreef de
treffelykte boeken, die daarna met den druk zyn gemeen ge

1522.
Terug-,
komt te

maakt. Naardien echter te Wittenberg de lat voor Philippus

Witten

Melanchton alleen te zwaar wierd, en hy 't nakend gevaar als

berg

voor oogen zag, zoo haalde hy eindelyk door zyne brieven en


die van zyne hartvrienden Luther over, dat hy weder te Wit

tenberg quam. In den beginne hield hy zich wel eenige dagen


verborgen, maar liet zich daarna weder van een ieder opentlyk
zien. Deze reize heeft hy buiten weten en wille van den Keur
vort gedaan, dan dat zulks uit eenen rechtmatigen yver is ge

chied, heeft de uitgang geleert. Als hy nog een weinig lan

# had vertoeft,

de Univeriteit, burgery en Kerk te Witten


erg hadden in een zeer elendigen toetand geraakt, want eeni

ge loe menchen en godloze vertoorders der rut waren van


gedachten geworden, dat men tot het afchaffen van de in den
godsdient van tyd tot tyd ingelope gebreken en misbruiken
gene zachte middelen gebruiken, maar alles met geweld over
hoop moet werpen ; voornaamlyk wilden zy twee dingen zoo

voort hebben vernietigt, te weten, de ceremonien by de han

deling van 't H. Avondmaal, en de beelden in de kerken, en

dat men de laatte niet alleen til wegdoen, maar tot groter
E 3

fchimp

38

DE G o U DE EN ZI LV E RE

chimp aan tukken hakken en verbranden zoude. Tot hoofd


en aanvoerder van dit chaamteloos gepuis, heeft D. Andreas

Bodentein, geboortig van Careltad, Hoogleeraar in de God


geleertheid te Wittenberg, zich opgeworpen, en by Luthers
afwezenheid in de gemelde zaken vercheide lelyke tukken uit

gevoert. Zoo dra Luther tyding hiervan onting, vertrok hy


til van Wartburg, quam ook nog tydig te Wittenberg, en
bragt het door zyn aanzien zoo ver, dat deze onrut niet alleen
getilt, maar Careltad zelf, als Stichter van dezelve, wierd
uit de tad geiaagt, die naderhand zoo een dwaas gevoelen heeft
gehad, dat men veel daarvan zou konnen bybrengen, ten wa
re zulks buiten ons betek was. Luther quam den 5. Maart 1522.
(l) weder te Wittenberg.
AAN M E RK IN G.

(l) Alhier behoort de laatt bechreve penningmidsgaders 't boventaan


de afbeeltzel, alwaar Luther met lange hairen, baard, harnas, en degen
vertoont word, in welken opchik hy te Wittenberg gekomen, en zoo
voort van Lucas Cranach uitgechildert is. Ik heb dit Afbeeltzel van ze
keren Holtschnit, dat op zulke wyze van D. Scharf in de eerte Diputa

tie van Luther insgelyks voorgetelt is, laten teken. Seidelius heeft het in
zyne verzameling op die zelve wyze gebragt; het zelve is ook zoo in de
hoogvortelyke

### te Gotha, waarvan beneden meer zal worden ge

meld, wanneer wy van de vercheide beeltenien van Luther handelen. In


de Univeriteits boekery te Leipzig ziet men ook 't beeltenis van Luther,
zoo als hy uit zynen Pathmus is terug gekomen, met bygevoegde veren,
welke Luther zelf zou hebben gemaakt, toen hy 1537. te Smalkalden
krank was:

'Quaeitus toties, toties tibi, Roma, petitus,


En ego per Chritum vivo Lutherus ad huc.
Una mihi pes et, qua non Confundor, Jeus,
Hunc mihi dum teneam, perfida Roma vale. (cave)
*

Dat is :

Gy Rome hebt my dikwyls liten en lagen gelegt, dog Jeus houd my


nog in 't leven. Doordien ik in hem vertrouw, en hy voor my waakt,
zoo zeg ik u, valch Romen, vaar wel , (of wees voor zync becherming
op uwe hoede.)

Die van deze terugkomt van Luther en deszelfs verchil met Careltad
gelieft te weten, zie Seckendorfl. c. midsgaders Slegels Vita Spa
meer
pag. 67.
latini, alsmede de treffelyke oratie van D. Johan George Neuman, ver

maarde Hoogleeraar in de Godgeleertheid te Wittenberg, anno 1692 van


de penning gehouden, welke Luther aan Careltad heeft gegeven, als een
onderpand van hunnen aan te vangen tryd.
S. 2o.

Het zoude echter te lang vallen, als wy alles verhalen wilden,


wat Luther hierop gedaan heeft. De onrutige hoofden thuis,
en de buitenlandche Papiten verchaften hem beide veel werk,

welker getal om dien tyd Hendrik VIII. Koning van Engcland,


doorzyne chriften vermeerderde, dog Luther, Gods onfeilbaar

woord voor zich hebbende, bleefby zyne wyze, en behaalde in

alle gechillenden zege. Midlerwyl ondernam hy een zeer heil


-

Z3aft

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER.

39

zaam en hoogt gewencht werk, om dat hy niet alleen door 't


maken van eenige aangename Kerkzangen, (m) die in den iare

1524 te Erfurt voor de eertemale met den Druk zyn gemeen


gemaakt, maar ook door de in zynen Pathmus begonne overzet
ting van 't Nieuwe Tetament uit de Griekche in de Duitche

Overzet

ting van

tale, welke 1522. voor de eerte reis 't licht heeft gezien, (n) 't N. Te
de aandacht van vrome herten nog meer opwekte, en terzelver
tanleIlt.

tyd het Goddelyk woord door ganch Duitchland verbreide.


t

A A N M E R K IN GE N.

(m). Hiervan handelt de hoogberoemde Grypswaldiche Godgeleerde,

D. Johan Frederik Mayer, zoo wel in zyne Diputatie de co, guantum

pag. 16.

Reformatio Lutheri tpis Pontificiis fatentibus profuerit, als ook in het 1698.
uitgegeven Tractaat, onder den titel: Eccleia Papade Lutheranae Reformationis

Patrona & Cliens, en bewyt met vele getuigenien der Papiten zelf, dat
Luther door de kerkzangen hare kerk meer afbreuk heeft gedaan, als door
alle Schriften en predikingen zamen. Hy zegt in zyn Tractaat, dat voor pag. 60.

titul voert : De ontervelyke Lutherus, dat hy een oud gezangboek hebbe,


't welk een der oudte Lutherche Liederboeken was, gedrukt te Witten
berg 1524 in 4. onder den titul: Eenige chritelyke Liederen, Lofzangen en
Palmen, met 't reine Woord Gods overeenkomende, door vercheide Hoogge

leerden uit de H. Schrift gemaakt, om in de kerk te zingen, zoo als 't dan
reeds te Wittenberg in gebruik is. Waarin deze vrome Zangers zoo voor

zichtig hebben te werk gegaan, dat ze de chriftuurplaarzen, waaruit zy


de veren hunner liederen ontleent hebben, daaronder hebben laten druk

ken. Daarenboven trekt Luther geen geringen lof, dat de Catholyken


zelfzyne Liederen in hunne gezangboeken hebben ingelyft, gelyk D. Ma I. op. 63:
yer met 't gezangboek 1679. te Ments by Chritoffel Khler gedrukt,
aantoont. . Behalven D. Mayer handelt hiervan Cyriacus Spangenberg, in
een byzonder boek, dat hy over Luthers Kerkzangen gechreven en Citha
ra Lutheri gedoopt heeft, midsgaders de meergemelde M. Olearius te Arn
tad, in zyne Evangeliche Lieder-Bibliotheek of Liederchat. De Heer van
Seckendorf merkt aan in 't derde Regiter van zyne Hitorie des Luther

doms, by 't iaar 1525. dat 't eerte gezangboek van D. Luther te Erfurt
in 8. uit maar vier vellen betaande, gedrukt, en in de handbibliotheek van

Rudolf Augutus, Hertog van Bronswyk aantetreffen zy (dog iegenswoor

dig in de Univeriteits Boekerv te Helmtad) 't welk echter achtervolgeas


't bovengemelde de twede Druk zyn zal. (n) Schlegel Vita Spalatini.
pag. 55. . . . .
**

- --

* **

S. 21.
Luthers
Midlerwyl volgde Adrianus VI. den overleden Paus Leo X. Schriften

uit den huize

M# (o) in de Pauzelyke

waardigheid en in

den onverzoenlyken haat iegens Luther, aangezien hy denzelven

tegen het
ampt der

by de Ryks-Standen, te Nurenberg vergadert, van vercheide

Mie.

laters betichte, en zelfs op den Keurvort van Saxen Frederik,


misnoegt cheen, omdat hy de zaken van den Roomchen Stoel
met dien yver niet ter herten nam, zoo als hy meende, dat de
Keurvort behoorde te doen, maar daarentegen tot zyn verdriet,

Luther en deszelfs hoe langs meer voortgaande voornemen be


vorderde. Zy kreunden zich echter heel weinig aan deze klagten.

Luther volherde dapper in het verbeteren der ingelope misbrui


ken, en de Keurvort was wel te vrede, dat de Kerk en terzel
ver tydzyne landen in een veel gelukkiger toetand, uit de dikke

duiternis, waarinze tot nu getoken


...**

* * * * ** *

hadden , gezet

w#
ien

4e

D E GO U DE EN ZILVER E

Dienvolgens childerde Lutherus de tot nu in zwang gaande


Misgebruiken en Kerkplechtigheden met zulke levendige ver
wen, dat men eenpariglyk beloot, dezelve af te chaffen. Zulks
gechiede in den iare 1523. (p)
e

A A N M E R K I N GE N.
p. m.

(o) Van het leven van dezen Paus Leo heeft de Franche Schryver ,

# Antoine Varillas in zyn boek, genaamt: Anecdotes de Florence wydlopig


OCK.

gehandelt, en onder anderen als iets merkwaardigs gemeld : Dat


Iyk in de nacht voor de begravenis als nog dit zeltzaam ongeluk had, dat
de knecht die het bewaren zou, in laap geraakt, de rotten, naar allen
chyn door den aangenamen reuk van 't reukwerk en peceryen, waarme

de 't lyk gebalemt was, gelokt, de neus hadden opgeknabbelt, waardoor


men dan ook gedurende de exequien of begravenis- plechtigheden het aan
-

#.

ezicht had moeten bedekken.

(p) Zie Seckendorf. Luther had zyn gevoelen ontrent de Mie 15 21.
reeds genoeg geuit, iegenswoordig echter verklaarde hy zich veel duidely
ker, en zag 't gewenchte gevolg van zyn voornemen. Voor 't overige is
bekent, dat zyne vyanden hem op eene quaadaardige wyze te late hebben
dat hy zyn gevoelen van de Mie in een geprek, dat hy op

artburg met den duivel had gehouden, ontfangen had, en choon dier
elyke latering reeds over lang wederlegt is, zoo heeft de Franche Abt

# Cordemoy de vermetelheid gehad,


##

deze oude verwaaide kot weder op

te warmen. De Heer van Seckendorf heeft hem echter in een byzonder

##" gechrift, genaamt: Diertatio Hitorica & Apologetica pro Doiirina B.


fo. 166,

Lutheri de Mia, Jenae 1686. 4. met genoegzame nadruk geantwoord,

en hoewel dit Tractaat den naam van wylen D. Capar Sagittarius op 't
1685. P. voorhoofd draagt, zoo meld de Heer Seckendorf nogtans in de Hitorie

van 't Lutherdom, dat hy de Schryver daarvan is.

Een uittrekzel uit bei

# 7 de, te weten Cordemoy en Seckendorf vind men in de Nouvelles de la Re


publique des lettres van den Heer Pierre Bayle.
v

S. 22.

1524

- Hoewel Luther in 't volgende iaar 1524 veel wederwaardig

#e heid moet uittaan van Clemens VII. Opvolger van wylen Paus
E# Adrianus VI. die zoo wel den Keizer Karel V. als deszelfs broe

# der Ferdinand, door allerhande kontreken tegen hem gehaat


" maakte, zoo belette zulks Luther niet, om Erasmus van Rot
terdam, den geleertten man dier tyden, op zyne tegen Lu
ther uitgegeven. Schriften na behoren te antwoorden. Erasmus
zag de grote onkunde der gene, welker party hy genoodzaakt
was te verdedigen, zeer wel, heeft ook zyn ongenoegen dik

wyls zelfs door tekelachtige cherpe boeken te kennen gege


ven, invoegen men niet wit, wat hem eigentlyk had bewo

gen, om de pen tegen Luther op te vatten, gelyk hy dan ook


zoo voort ophield met chryven. Midlerwyl duurde de in de
zen iare te Nurenberg belegde Ryksvergadering als nog, waarop de Standen onder anderen den Pauzelyken Legaat, Fran

cicus Cheregati, hondert bezwaarnien der Duitche natie te

# gen de Clerey en deszelfs gedrag, overgaven, met verzoek,


# dat dezelve mogten worden afgedaan, zoo anders de inzichten
# van Luther met nadruk zouden geweert worden, waarover en
*

vercheide andere pointen, meet de Religie betreffende, een


ryks-dekreet wierd ontworpen, dat Luther wel behaagde.

Doordien hy zich over den gewenchten voortgang der godde


-

lyke

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER

41

lyke leere in Duitchland en naburige Landchappen verheug

de, zoo hing hy in dezen iare 152 4. het


om den tuin (4) en toonde hiermede ganch duidelyk, hoe on- Luther .

rechtmatig men de gemoederen met den harden dwang der #"

Klootergeloften en regels boeit, en hoe nietig, bygelovig en #


ongegrond dezelve in Gods Woord zyn.
* *

||
; ;

| | |

* *

| | AAN M E RK I N G.
; ; ; .

, -

--

-- -

''

(4) Van deze verandering van kledychryft Georgius Spalatinus ineenen brief aan Vitus Warbeccius, van Wittenberg, zondag na Galle 1524, de
volgende woorden, welke wy uit 't Latein hebben overgezet : Luther
heeft in zyne kap weder gepredikt , na den eeten echter quam hy in een rok in de

Schlegel

kerk en had de kap uitgetrokken, weshalven Eramus dwaalt als hy chryft, dat in ##
Luther aan anderen leeraarde, 't geen hy zelf niet deed. Deze verkleding , Spalat. p:

# den 19 October, zynde de 2o., zondag na Trinitatis, zoo als de #1 ****


Heer Seckendorf chryft, die daarenboven meld, dat de Keurvort hem la- "9"
ken vereert hebbe en laten zeggen, een kleed na zyn zin daarvan te laten in I. fol.
maken, en dat hy daarop opentlyk vercheen in een kleed, diergelyk de 37 *
Prieters plegen te dragen. Meer hiervan zal beneden, daar wy van Lu- - thers beeltenien handelen, voorkomen. .

- . .. . . .

-" - ,

- -

,- " 't

V -- - -

,,

S.

- - - if - 1

23

;-

- '

2-

,
l

- -

t e-

- ( en w

Terwyl dit gechiede, verliet de # en in alle 1525.

delen een langer leven waardige Keurvort van Saxen, FRE- #


DERIK III bygenaamt de Wyze, dit tydelyke op 't Slot van k#
Lochau, iegenswoordig Anneburg genaamt, den 5 Mey 1,525. van"
en gaf zynen geet in zyns Scheppers handen, prak met de om
tanders zodanige woorden, waaruit men beluiten konde, dat
hy 't met Gods Woord, wel gemeent had, en iegenswoordig op

zyns Heilands bloedige verdiente willig, blymoedig en zalig


tierf (r) Na deszelfs dood volgde zyn broeder, Hertog Johan-Deszelfs

nes, hem in de regering en Keurvortelyke waardigheid. Des- #"

zelfs eerte en voornaamte werk was de van Keurvort Frede- #ora


rik reeds begonne betere betelling en Viitatie der Kerken van Johanne.
zyne keur en erflanden. Waarmede te Wittenberg (s) en in
andere teden den aanvang gemaakt, vervolgens, ook na 't oud
Apotolich gebruik M. George Rrer of Rorarius, als de eer

le Evangeliche prediker opentlyk geordent wierd (t).

A A N M E R K IN GE N.

- -

(r) De Heer van Seckendorf verhaalt, dat deze loflyke Keurvort zyn L.II. f.
derde en laatte tetament met deze woorden had begonnen: ,, Eertelyk 33.ab.
, bid ik God den Almogenden, door de heilige en eeuwige verdiente zy

,, nes zoons, dat hy myne zonden en overtredingen vergeve , alzoo ik niet


,, twyfele, dat ik door den dierbaren dood mynes lieven Here en Heilands,

,, Jeus Chritus vrygeproken zy, zoo bevele ik myne ziele in zyne al


,, machtige handen, dat hyze na zyne onnapeurelyke eeuwige en eindelo
,, ze genade en barmhertigheid, zaliglyk beware. En te voren chryft
hy, de Keurvort hebbe op zynen terfdag na 't genoten avondmaal zyne
om hem taande Raden en dienaars aldus aangeproken: ,, Lieve kinder
,,ties, ik bidde u om Godes wille, zoo ik eenen van u mogt vertoornt

,, hebben, met woorden of werken, dat gy my 't om Godes willever


, geeft, en andere menchen om Godes wille bid, 't zelve my ook om
Godes wille te vergeven, want wy
-

..

. " ' ,,! ''

,"

veran doen den armen mee:


QV

4:

DE G. o U DE E N z1 L v E RE

, allerhande moeyelykheden, en dat nie deugt. Wie midlerwyl van


dezen Keurvort meer gelieft te weten, zie 't aangehaalt boek van den Heer

vag,74 Seckendorf, midsgaders Prof. Conrad Samuel Schurtsfleich Diertatie de


77

Friderici III. Elefiore, Heer Schlegels Vita Spalatini ; Joach. Fellers,

pag. 78. Profeor te Leipzig Note Philologica ad Petri Lotichii Secundi Eclogam de
79. -

Domo Saxonica &# Palatina : wyders Johan Sebatiaan Mullers Saxiche An

fol. 514.

nales , en Zieglers Dagelykche Schouwplaats des tyds. M. Adam Kempius


maakt by den iare 1525- in zynen Saxichen gechiedenis-Kalender gewag,
dat in dezelve nacht, waarin de Keurvort overleden was, niet ver van 't
lot Lochau in de lucht een chone regenboog gezien zy. De Heer Brun

#Pg
nermeld in zyn onlangs uitgegeven Tractaat de Fato, de Keurvort hebbe
469.
op 't gemelde lot een hert gehad, 't welk alle iaren in den brontyd na 't

boch liep, en na verloop van denzelven weerom quam, maar 't iaar te vo
, ren, dat de Keurvort overleed, uitbleef, waarvan omtandiger in myne
17o5. te Schleuingen gehoude Diertatie de Mortibus ominois Elettorum

Ducumque Saxonie, gemeld is. Daarenboven verdient, dat wy als iets by


,

4-2,

zonders hier aanmerken, 't geen Johannes Roinus, geweze Domprediker


te Naumburg, in de levensbechryvingen der drie Keurvorten van Saxen
Frederik, Johannes en Johannes Frederik, die 16oz. te Jena in de Latein
che praak in quarto by malkanderen gedrukt en iegenswoordig zeer raar
zyn, in de volgende van ons verduichte woorden meld: ,, Na verrichte
, Staats en Hofzaken beteedde de Keurvort zynen overigen tyd in 't le
, ren der Gechiedenien en naartig lezen van diergelyke boeken, niet
, zoo wel, gelyk hy dikwyls pleegt te zeggen, uit enkeld tyd verdryf,
, maar ten einde om zyne
te cherpen. Hy was van gevoelen,
, dat zodanige gechiedenis - oefening niet alleen voor Vorten en andere
,, groten maar ook voor een ieder noodzakelyk zy; ten dien einde had h

een kort uittrekzel der Gechiedenien in een Chronologiche of T


kundige chikking laten brengen, welke hy zoo wel zyne geheugenis
had ingeprent, dat hy by vercheide voorvallen en gewigtige raadplegin

3,
voegelyke voorbeelden daaruit wit te verhalen. Daarenboven
, las hy ook andere goede boeken, voornaamlyk Seneca Treurpellen,
,, Seneca Philoophi, Zendbrieven en Horatius Poezy. Zoo dra hy een
o

, fraaie quinklag aantrof, chreef hyze op een briefie, en plakte 't tegen
, de muur in 't vertrek, om 't getadig voor oogen te hebben, en

zyne

, gedachten daarover te laten pelen, als hy in zyne kamer wandelde, of


99 iets met zyme geleerden Geheimen en Hofraad te handelen had, dierge
lyke voortreffelyke Mannen toenmaals waren aan 't Keurvortelyk Hof,
, Fabiaan van Fellitch, Frederik van Thun, Einidel en Jan van Minck
oo

, wits, mitsgaders de Rechtsgeleerden Mogenhofer, Henning Gdens,


, Hieronimus Schurff, Gregorius Pontanus, en andere. In de atrono
, mie of terrekunde was hy niet minder ervaren, en daarin van zynen Lyf
,,
,
,
,
,

arts, Doctor Mellertad, onderwezen , daarbenevens had hy ook na 't


voorbeeld van vele oude Koningen en Vorten, veel moeite en vlyt in
de artzenykunde te kote gelegt, en maakte alle iaren de kotbaarte art
zenyen zelf gereed, waartoe hy de recepten of hulpmiddelen van Keizer
Maximiliaan en deszelfs Lyfarts ontfing, hy deelde dezelve zoo wel aan

, edelen als onedelen, en was byzonder gelukkig in 't genezen van won
, den en oude qualen, enz. zoo verre Roinus. Voor 'r overige is be
kent, dat de Keurvort 15 19. de na Maximilianus I. dood opengevalle
Keizerlyke waardigheid had konnen bekomen, dog hy heefze geweigert ,
aan te nemen, en door zyne temden toenmaligen Koning van Spanje

Karel V. daartoe bevordert, van wien hy ook, zoo lang de Keurvort leef
de, niet anders als Vader genoemt wierd, hebbende Keizer Maximiliaan
hem met den titel van Generaal Stadhouder des Ryks vereert.

De Hoog

vortelyke Saxiche Raad en iegenswoordig Opper- # te Coburg,


D. George Paul Hnn is in zyn fraai Wapen en gelacht onderzoek van 't
pag.m. Keur en vortelyke huis van Saxen, van
335.236. derik den laatten titel tot aan zyn end,

rzer Carel V. behouden hebben


-- .

gevoelen, dat de Keurvort Fre


zelfs onder de regering van Kei

Sc
CC

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER, 43


(*) Seckendorfl. c. Lib. II.

# # Lib. II. S.

S. 7.

1o.

, 519e Verheugt echter de Keurvort over 't weder doortralend lich

t Evangelie
zy,geneden
blykt op 't klaarte
uit eenige
welker
chetsgeweet
in koper
klari
onaangenaam
zal
B
en verklaring
den Lezer hope ik, niet

- l

T.

De eerte voert:

( a) Het beeltenis van Keurvort Frederik, met dit omchrift

tuchen vier wapenchilden, op den uitertenrand: DEI. GRA


tia FRldericus. DUX. SAXoniae. Sacri. ROmani. IM Perii
ELEctor. Dat is: Van Gods genade, Frederik, Hertog van
Saxen, en Keurvort van het H. Roomche Ryk; meer binne
waards leet men dit omchrift: V ER BUM DO MINI.

MANET IN. AET ERN Um. Gods Woord betaat in der eeu
wigheid. (u)

..

(b). Het beeltenis van zynen Heer broeder, toenmaals Her


tog, en naderhand Keurvort Johannes, met het omchrift op
de buitente kant: D E I. GRAtia. JOHAN nes. D U X.

SAXoniae. M. D. XXV. Dat is: Van Gods genade Johannes,


Hertog van Saxen 1525. binnenwaards : VER BUM D O

MINI MANET IN A ETERNUM. T. (x) Dat is: Gods


Woord betaat in der eeuwigheid.
A A N M E R K I N GE N.
(u) Van dezen lyfpreuk of geloofsbegrip van den Keurvort, chryft
Johannes Manlius in zyne Collettanea ex ore Philippi Melanchtonis by 't
achtte gebod aldus : De Hertogen van Saxen hebben deze woorden: Verbum
Domini manet in aeternum, Gods Woord betaat in der eeuwigheid, tot hun

men gedenkpreuk gehouden , ondertuchen heeftze Keurvort Frederik allereert


behaagt, aangezien hyze van alle treffelyke preuken, welke hy George Spala

tinus bevolen heeft, by malkanderen te zoeken, heeft uitgekipt. George ,


Markgraaf van Brandenburg heeft denzelven ook gebruikt, zoo lang als hy ge

leeft heeft. Deze preuk is genomen uit Palm CXIX. 89. Je. XL. 8.
Waarvan ook meer kan worden gelezen in Lic. George Weien Elettorum
Saxonie Lutheranorum Symbolis 1692. te Dreden gedrukt, midsgaders Heer Pag 5,8

Schlegels Munt-Bybel, alwaar hy zoo wel de Saxiche penningen als die pag. 14o.
van andere Vorten zorgvuldig heeft by malkanderen gezocht, waarop de

ze preuk gevonden word. Dat echter Hertog en Keurvort Johannes dien


w-

- -

F 2

preuk

4,

D E G. o U DE EN z I L v E RE

preuk insgelyks tot zynen Symbolum gewoert hebbe, blykt niet alleen
uit de boven aangeweze penning, maar de Heer Pfeffenkorn chryft daar
van in zyne Thuringche merkwaardigheden aldus : Hy (Keurvort Johannes)

* '7 las naartig in de heilige Bybel, en zoo hy wegens een of ander toeval niet konde
lezen, moet zyne Fraulein Dogter, naderhand gemalinne van Philip, Hertog
van Pomeren, of zyne Pazies lezen. Onder 't lezen zuchte hy getadig, en be

val in een aandachtig gebed, zichzelven, de kerk, 't vaderland en zyne Vorte
lyke nakomelingen aan God. Hy zelf chreef de predikingen na ; hy liet de let
ters V. D. M. J. AE. by de nieuwe livrei zyne Hofbedienden op de armen naa
. ien, waarover hy te Augsburg niet weinig bepot wierd. In de vortelyke

Boekery te Gotha is een boek van de Saxiche gechilderde livreien te zien,


en daaruit blykt, dat in den iare 15 zz. deze woorden allereert ofwel de

eerte letters van dezelve, op de mouwen der bedienden gehecht zyn ,


want dus luiden de woorden, die daarby gechreven zyn : Winterklederen
van Frederik, Keurvort van Saxen, en Johannes, Hertog vau Saxen, Ge

broeders. 15.22. Deze lofelyke Keur en Vorten van Saxen hebben ten eerten
male in deze kleding dezen preuk gevoert : V. D. M. J. AE. Waaruit

blykt, dat Keurvort Frederik op eenen tyd begonnen heeft, deze woor
pag. 31.

den zoo wel op de penningen als op de hoflivrei te voeren, zoo als de Heer
Tentzel in zyn zeer fraai Medaillen- Cabinet, Eerte Deel van de Erneti

3, P II. niche linie aanmerkt. Voor 't overige acht Gottfried Arnold in zyne kerk
fol. 45. * en Ketter-hitorie het niet gering, dat Keurvort Johannes op den groten
Ryksdag, in den iare 153o. te Augsburg vergadert, zich niet heeft ge
chaamt de meergemelde woorden op de livrei-mouwen te laten tikken,

, en P. choon de Papiten den pot daarmede dreven, waarvan zoo wel Arnold als

##
#

#uller
Hoogvortelyke Saxen Weimarche geheime Secretaris Johan Sebatiaan
in zyne Saxiche jaarboeken, omtandiger echter Petrus Ambroi

**7 us Lehman, in zyne fraaie Hamburgche aanmerkingen over de wekelykche


#5,-, tydingen op de volgende wyze melding maakt : Gelyk dan ook de dierbare fo

* *" hannes, Keurvort van Saxen, dit Symbolum getadig in hert en mondgevoert
heeft, midsgaders op den Ryksdag te Augsburg 153o. zyne dienaars in eene by
zondere livrei op de mouwen hunner rokken laten tikken, te weten de eerte let

ters van deze vijf Woorden, namelyk V. D. M. J. AE, zoo als Philippus,
Landgraaf van Heen by zyne bedienden insgelyks gedaan heeft. En hoewel de
Landgraaf van Matheus Langen,
van Saltsburg, dewegen be
pot en aldus wierd aangeproken: Verbum Domini Manet In AErmel; het
Woord Gods betaat in den mouw; zoo bleef de Landgraaf hem echter niet
chuldig, en hernam, utte liefde vertaat het niet wel, wy hebben aldus laten

##

zetten : Verbum Diaboli Manet In Epicopis : Het woord des Duivels be


taat in de Bichoppen, waarop de Aartsbichop niet wit, wat te antwoorden.
Schoon nu de Papiten op de gemelde wyze den pot daarmede dreven, zoo zynze
eindelyk ontwaar geworden, dat Gods Woord niet alleen op de mouwen maar in
de herten vat gebleven is.

(x) In de Lateinche uitgave van dit Werk heb ik den letter T. aldus

verklaart, datze zoo veel wilde zeggen, als dat deze penning in de toen

1e pag malige Keurvortelyke Munt te Torgau gelagen zy. De Heer Tentzel


35.ig

echter meent, 't zy een kruiie, diergelyke doorgaans op de nieuwe pen


ningen gezien word, teneinde de onkundigen met den eerten oplagkon
nen zien, waar 't chrift begint, midlerwyl vertoont de chets, welke ik

in 'Huisblaas van 't origineel uit het kabinet van den Hoog Edelen Heer D.

braham'Chritoffel Plats, Borgermeeter te Leipzig, heb bekomen eene


he, Ta- cherp genede T. invoegen 't chynt, dat de gedenkpenning die Tentzel
bul 4 mededeelt, een weinig van de myne vercheelt, midlerwyl is dit verchil
"*
van weinig belang, terwyl nogtans taat aan te merken, dat ze tot 't be

gin van den Boeren kryg behoort, zoo als l. c. omtandiger word aange

toont

De

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

45

De twede is groot en wel uitgewrocht, (y) voert

(a) Het beeltenis van den Keurvort, gelyk als in de voor


gaande, hoewel eenigzins duidelyker, met dit omchrift tu
chen vier wapenchilden: FRIDericus. DUX. SAXONiae,
Sacri. ROmani. IM Perii. ELEctor. Dat is: Frederik, Hertog
van Saxen, Keurvort van 't H. Roomche Ryk.

(6). Een cierlyk verdeelt kruis, tuchen 't welk de letters

C. C. N. S. (z) zyn ingelat, betekenende: Crux Chriti Notra


Salus; Chritus kruis is ons heil. Op de binnente rand ziet men
't iaargetal 1522. en meer buitenwaard: VERBUM DOMI
NI MANET IN HETERNUM.

A A N M ER KI N GE N.
(y). De Heer Tentzel geeft haar dezen lof met alle gevoeglykheid, en lerag:
meld daarby, dat ze in vele cabinetten wel van zilver voorhanden zy, dog 32.35:
datze van goud, twaalf en een halve Dukaten zwaar, hen alleen in
hooggraaflyk Swartsburche cabinet voorgekomen, en by geval uit han
den van een zilvermid in Holland gewrongen was.
.
-

(z) Dat deze vier letters aldus moeten verklaart werden , leert de
Schrift, en de andere zyde van dezen penning, by 't beeltenis van Keur
vort Frederik aan de grote Weimarche of
che Bybel , zie ook
Elias Geiier in zyne Diertatie de Symbolis litt. E. 1. b. en Nicolaus Reus

nerus in Symbolis Heroicis, mitsgaders wat kort daarna uit wylen Creterus pag. 41:
is aangehaalt.
ters in deniare
IlCI).

Midlerwyl bemerkt de Heer Tentzel, dat deze vier let- l.c.pag.


1517 alleereert op 't geld van Keurvort Frederik verchy- 25
-

De derde is een klein maar raar tukie, voert

**

D E

G O. U DE

E N

Z I L V E RE

(a) Het beeltenis van den Keurvort met een muts met #

len bezet, boven de bort op den hals ziet men de letters IHS.
(a) en op de kant deze woorden: F R ID ER I C US. Dei.
Gratia. D U X. SAXO niae. OB IIT. FAMA. VIVIT.

Dat is: Frederik, Hertog van Saxen overleden, zyn roem leeft.

(b) In 't midden een cirkel, in denzelven boven een kruis,


en tuchen deszelfs hoeken de reeds hiervoren verklaarde vier
letters C. C. N. S; beneden de Keur en Vortelyke Saxiche

wapens, en onder dezelve 't iaargetal 1532. Om den cirkel tu


chen vyf eiloofbladeren de vyf zeer net genede Duitche letters
van den lyfpreuk: V. D. M. J. E. welke zoo als boven is

aangemerkt betekenen: Verbum Domini Manet In AEternum.


Op den uiterten rand leet men deze woorden: HOC. H IS
SUB SCRIPTAE.

TESTANT U R.

LITERAE. . . Dit

getuigen deze ondergechreve letters. (b)

A A N M E R KI N GE N.

(a) Uit deze drie letters IHS., waarmede de Jeuiten den name Jeus

plegen te betekenen, beluiten zommige, dat dit munttukie geen recht


origineel zy', dog taat aan te merken, dat deze letters IHS. in oude
boeken lang voor den Jeuiten-orden worden gevonden, en choon een
voornaam vriend te Leipzig deze penning voor onrecht verklaart, om dat

men ten tyde van Keurvort Frederik niets van die letters geweten, mids

# met Duitche letters geen latein gechreven hebbe, zoo heeft een an
er vriend te Gotha my verzekert, dat die munt na een zoo ouden tem
pel gelagen zy, gelyk als de Heer van Haugwits, als hy 't Saxiche Me- .

daillen - Cabinet, 't welk Willem Ernet, Hertog van Saxen - Weimar,
iegenswoordig in bezit heeft, begon te verzamelen, genoodzaakt is ge
weet, ontrent meer verlorepenningen, welker tempels echter als nog te
Dreden gevonden worden, te laten doen , diergelyke ook gechied is met
eene andere ## Keurvort Frederik, op welkers halskraag
de

#den

HS. Maria gelezen worden, zoo als Heer Tentzel wel aan

IIACTKt.

(b) De eigentlyke zin der omchriften van beide zyden is : Dat Keur
vort Frederik wel getorven zy, maar deszelfs naam leve, om dat hy 't eeuwig

blyvende woord bevordert en liefgehad had, 't welk de ondergechreve letters be

141 42
Pg tekenen. De Heer Tentzel keurt deze
goed, zoo als ook in zy
pag. I 2 nen Schediasmate van Keur en Vortelyke Saxiche begraafnispenningen,

de rede echter van 't iaargetal van 1532, terwyl Keurvort Frederik nog
tans 1525., is overleden, meent hy te zyn, dat Keurvort Johannes dezelve

of ter gedachtenis van zynen Heer broeder, en den in dezen iare

1532

wegens de religiezaken te Regensburg bechreven Ryksdag, of Keurvort

# Frederik denzelven by 't aanvaarden van zyne regering hebbe laten


Il

By deze drie pat nog zeer gevoeglyk de vierde. Want hoewel ze niet
chynt, om dien tyd gelagen te zyn, nogtans doordienze eigentlyk aan

Luther behoort, en voor 't overige eene gelykvormigheid met 't revers
of andere zyde van de voorgaande heeft, zoo kanze hier haar plaats zeer
wel vinden.

Dezelve voert

'Lu

-r

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER:

42

- ,

- 2 :

2:

. .

(## Luthers beeltenis met zynen naam: MARTINUs

LtfHERs. DoCToR
| |
|
- 2 ; 9
(b) Een kruis met daartuchen gezette letters C c Nis.

- -

- -- -

- --

- --

- - -

elke in", omchrift verklaart woorden: CRUX CHRISTI.

'NosTRA SALUS. (c)


-

1
, f 2 1-4 3 -

'

...

A N M ER K 1 N G.
.

'
- '

... 2 f

(c) Ditgedenkpenningie heeft de geleerde Jeuit Greterus in de voor- pag. 6.


rede van zyn iegenswoordig raar Boek de Gruce in koper vertoont, en men ***
moet zyme verklaring daarover voor lief nemen, als van een man, die de
Evangeliche kerk niet zeer genegen is. De wel aanzienlyke Raads-

#:

ver te Nurenberg, M. George Arnold Burger, heeft de goedheid gehad,


my zoo wel den chets van dezen penning als ook de hiertoe behorige uit
legging en andere beneden aan te halene plaatzen uit Greterus Werk de
'Cruce toe te zenden, welke uit 't Latein overgezet, aldus luiden : ,,Niet

, alleen echter, chryft Greterus, is de aan 't kruis gepykerde knaap de


,, Herder, wachten heil zynes wynbergs of kerk, maar 't kruis zelf, zoo
,, als de vyanden van 't kruis zelfs alomme met woorden, penningen, wa
,, pens en andere figuren, dieze op de titels van hunne boeken plegen te

,, zetten, klaarlyk betuigen , deze penning, welke Luthers beeltenis

, voert, roemt die niet insgelyks, dat 't kruis ons heil zy ? Bezie ze
, lechts eens! welkers beeltenis is dat? Luthers. Van wien is dat om
, chrift: Crux Chriti Notra Salus? Van Luther en van de Lutheranen.
,, Aldus is het kruis na Luthers en der Lutheranen eige belydenis, niet
alleen een kruis, maar, een heilig kruis en ons heil , dog din zelven
,, lofpreuk aan 't kruis, en dit zelve beeltenis, waarmede de gedenkpen
,,ning praalt, zultge aantreffen in zommige tractaaties van Luther, voor
, naamlyk in 't boek, dat voor titul voert : Een edel, choon, lieflyk
5

, tractaatie van 't rein hemelch eeuwig Woord tot lof van God den

,, Schepper Hemels en der Aarde, en ter eere van den Chritelyken Die
,, naar des goddelyken Woords F. CH. E. Z. S. welke letters mynes
, bedunkens betekenen: Frederik, Keurvort, Hertog van Saxen, want de

,, Schryver meent den zelven, gelyk als uit den inhoud klaar blykt, in
,, welkers Voorrede zoo als gemeld, by een kruis dezelve letters als op de
99-

## te weten C. ## S. te zien zyn, met geen ander onder

,, cheid, dan dat in de binnente omtrek aangezien drie of vier omchrif

, ten om 't kruis zyn, deze letters: V. D. M. J. AE: Verbum Domini


,, Manet In AEternum als nog zyn daarbygevoegt. Wie zou nu hebben

, konnen geloven, dat Luther en de Lutheranen het kruis zoo opentlyk


ZOUI
*

48

DE G OU DE EN ZILVERE ::

, zouden roemen, en op hunne penningen en boeken zeggen, dat 't ons


, heil zy? Tot hier toe Creterus.

$ 24.
Het cheelde echter weinig, dat in 't zelve iaar 1525. niet

#, nieuwe
onrut verwekt, en daardoor 't loflyke hoognodige Re
formatie-werk verhindert wierd, want Thomas Muntzer en
# Nicolaus Storch, twee goddeloze karels en eervergete Prieters,

Van

# welke ook den bovengemelden D. Careltad, die als nog ge


gers.
weldig op Luther gebeten was, hadden overgehaalt, porden
de boeren in Thuringen, Minie en Frankenland, om der over

heid, die hen met belatingen, dienten en impoten te veel be


zwaarde, allen gehoorzaamheid t'ontzeggen, ende hen tot nu

gepredikte chritelyke vryheid beginnen te genieten. (d) - De


boeren lieten zich hiertoe bepraten, quamen in de gemelde lan
den met veel duizenden by malkanderen, en begonnen werke
lyk tegen hunne Overheid een gevaarlyken draad te pinnen,
om dat de boeren met alle de gene, dieze in hunne klaauwen

kregen, onmenchelyk omprongen, en zodanig wreedaardig

onder hunne voornaamte belhamels Muntzer, Storch, en Pfeiffer


huis hielden, dat men voor een groot onheil beducht was, dog
Johannes, Keurvort van Saxen, George, Hertog van Saxen,
Hendrik, Hertog van Bronswyk, Philip, Landgraaf van Hes
en en vercheide Graven en Heeren overvielen deze boeren by

. -Frankenhauzen in Thuringen onverziens, en loegen er eenige


/

duizend dood, Muntzer echter en Pfeiffer, welke men gevan


gen kreeg, wierden beide onthoofd. (e) Waarby voornament

-Iyk taat aan te merken, dat men Luther 't grootte onrecht
doet, als men hem, zoo als eenige van de wederparty voor de
zen hebben gedaan, wil bechuldigen, dat hy door zyne predi
# en Schriften van de chritelyke vryheid, tot dien boeren
optand gelegenheid gegeven hebbe, aangezien hy enkelyk van
de vryheid heeft geproken en gechreven, met dewelke Chris
-tus ons van den vloek der Wet vrygemaakt heeft; Muntzer ech
ter en zyne boeren meenden de vryheid of ontlaging van Here

dienten, belatingen en impoten, wilden derhalven gene Ove


righeid gedogen, en waanden, dat ze zoo goed waren als zy, en
alle

# gemeen.

Schoon de Muitelingen van de overige

Vorten en Heren zeer cherp getraft wierden, zoo weet men,

dat Johannes, Keurvort van Saxen niet na de trengheid der


wet, maar met grote genade ontrent zyne misleide onderdanen
heeft te werk gegaan.
A A N M E R K IN GEN,

pag. 453: (d) Heer Pfefferkorn heeft in zyne Thuringche Merkwaardigheden


454)
eenige byzonderheden van dezen Boeren optand aangemerkt , hy chryft
onder anderen : ,, Muntzer hdde in zyne prediking van de uiterlyke vry
, heid tegen de Overheid en den Adel, de onderdanen tegen hunne Over
, heden opgehitt, de Vorten, Graven, Heren en de Edellieden Tiran
,,nen gecholden, en voorgegeven, 't zy onbillyk, datze al 't wild, vo
, gels en vichen voor zich alleen hadden, en daarenboven Herendienten,
, impoten, tollen, accynzen en renten van de onderdanen nemen wilden.
,, De boer was zoo goed, en had zoo veel recht als de Heer ; kortom

Vry
p

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER:

45

, Vryheid was de tem van hen alle. En derhalven wyl'er diergelyke


, knapen op alle plaatzen wierden gevonden, zoo voegden zich de boeren
, uit 't ticht Fulda, Eisleben, Mansfeld, Langerhauzen, Greuen,
, Frankenhauen, Overfurt, Halla, Achersleben en andere laatzen,
,, ruim 4 mylen daaromheen by die van Theuringen. In 't # van

,, Gotha alleen, hebben de boeren zich til gehouden, 't welk hen dan
,, ook nog tot dezer uure eene eer vertrekt, enz.

(e) Zie van dezen Boeren-optand Seckendorf, Schlegel Vita Spalati- Lib z
mi ; Gotfried Arnold Kerk en Ketter-Hitorie , M. Tobias Schmid, Kro-, Sect. ,,
nyk
der tad
Zwickau,
Fabriciusin Chemnicenis
originum
Saxon.
meld, die
datuit
als Georgius
Thomas Muntzer
den iare 152o.L.alsVII.
Pre- #
# :# #4
Il.

dikant te Zwickau, zyne twede prediking in de St. Catharine kerk aldaar ap, l:
hield, een houte pilaar, zekerlyk door des zatans bedryf was ingetort, fol. 12
waardoor de toehoorders van chrik uit de kerk waren gelopen , 't welk 17 II
dan daarop van Muntzer berokkenden optand niet onduidelyk had te ken-

#s

nen gegeven. , Wylen Profeor Feller meld in zyne Notis ad Hornii orhem #s,
imperantem,
Hanau in of
eeninbyzonder
boek was
E,
gekomen, endat
datMuntzers
Muntzerhitorie
en zyneteaanhangers
hunne vaandels
eenuitrad #

fm,

gevoert hadden, of op den titel van een boek, door hem aan de boerenge
richt, een rad te zien geweet was, 't welk hy zelf omdraaide, taande

aan zyne eene zyde vercheide boeren met pieken en deze woorden : Hier
boren, goede chritenen, aan de andere zyde eenige ruiters met tormhoeden
en dit omchrift : Hier Romaniten en Sophiten. Boven 't rad deze woor
den: Hier is de uure en tyd van 't Rad van avonture, God weet, wie de bo
vente blyft , derhalven acht de gemelde Schryver, dat by de Duitchen de 7

naam Radvoerders van daan kome, waarmede doorgaans gedoopt werden


de gene, die Autheurs en tichters van eenen onrechtmatigen handel zyn.

De Heer Rechenberg, Profeor te Leipzig, maakt in zyn Libellus Memo-,


rialis Hitoricus van nog meer Schryvers van dezen Boerenkryg gewag.

3.

Zie ook Joh. Mattheius vyfde prediking van Luther, alwaar hy eene kod-, ,,g
dige hitorie met de volgende woorden verhaalt : ,,Als men bezig was, de "***
,, gevange Muitelingen op eene elendige deerniswaardige wyze aan elkan
, deren te boeien, zag zeker voornaam Heer een rutig boertie. Mannet
,, ie, vraagde hy, welke regering taat u bet aan, die van de boeren, of
, die der Vorten ? De arme karel hernam met een diepe zucht, myn lie

,, ve Heer, geen cheermes cherper cheert, als wanneer een boer den an
,, deren regeert , God beware onze nakomelingen, voegde hy daarby,
,, dat zy den verloochenden Papen nooit geloof geven, en zegene alle

, Vortelyke regeringen , deze rede behaagde dien Heer zoo wel, dat
,, hyze aan de Vorten, die tegenwoordig waren, bekent maakte, en de
,, vryheid van den gevangenen verkreeg. Twee Hennenbergche boe
ren behielden ook op eene koddige wyze 't leven, zoo als M. Johannes
Sebatiaan Guth in zyne Kronyk der tad Meiningen verhaalt : ,, Willem
, Vort van Henneberg, heeft met zyne # boeren ook al vry kor

,,
,
,
,
,

te metten gemaakt, om datze hem grote chade hadden toegebragt , hy


lietze ten dele te Dreiigacker en ten dele voor 't Slot Onder Maasfeld
rechten, en men zegt, dat er van 't dorp Sultsfeld maar twee op de vol
gende wyze zouden gepaart zyn , dezelve waren beide Tegelbakkers ,
wanneer de eene na de rechtplaats wierd gebragt, begon hy wakker te

,, huilen, en als men hem na de rede vraagde, gaf hy tot antwoord : hy


beweende zynen dood niet, maar de Vortelyke gebouwen, welke hy altyd met
goede duurzame pannen verzien had, beducht, dat ze na zynen dood niet zoo

wel zouden worden opgepat en rasvervallen. De twede echter, die een klein
dik man was, had overluid gelaggen, als men hem rechten wilde, die, als
men hem vraagde, waarom hy zoo heftig lagte, antwoordde: Dat hy niet
wit, waar hy zynen hoed zoude zetten, als men hem 't hoofd had af.gelagen ,
en met deze kuuren, ontnapten zy beide, zoo als gemeld, hun rampzalig
end.

Ter

zo

D E GO U DE EN ZI LV ER E

$ 25.

Nlen

Terwyl de boerenkryg gedempt wierd, geraakte Luther in

zoektLu
ther met

vergift
om 't le
vcn

te

brengen.

een heftiger tryd met Careltad, die na Switzerland gevlucht


was, en Ulricus Zwinglius op zyne zyde gewonnen had, alwaar

ze beide ontrent het gebruik van 't H. Avondmaal onvoeglyke


en met de Goddelyke inzettinge trydige leringen onder 't volk

verpreidden (f). Als nu Luther bezig was, dezelve te weder


leggen, wierd hem, zoo als men toen met veel chyn van waar
heid zeide, van eenen Joodche Arts uit Polen, door de vyan
den met eene zomma van duizend Duitche guldens omgekocht,

Luther
trOuWI,

gift toegebragt (g), waarvan ik verder niet zal melden, maar


enkelyk daarby voegen dat Luther den 12, Juny 1525. met eene
Adelyke Juffrouw, genaamt Catharina van Bora in den huwelyken
taat is getreden, en den 27. Juny de bruiloft met de gewoonlyke

plegtigheden gehouden heet. Van welk huwelyk, met 't God


delyk gebod overeenkomende, beneden S: 51. omtandiger zal
worden gemeld (h).

A A N M ER K 1 N GE N.
Lib. 2. S.
9. II

(f) zie Seckendorf Lib. 2. s 9. 11.


(g) Hiervan verdienen Mattheius woorden, uit de veertiende prediking
van Luther, in alle delen gelezen te worden, werdende de zaak nergens
zoo eigentlyk gevonden, hoewel 't chynt, als of Luther ook in deniare
154o. voor de liten en lagen van dien Jood niet vry geweet was. ,,Ik
,, heb, chryft hy; in 't veertigte iaar, (1540.) met kennie van D.
,, Luther, eenen Jood aan zyne tafel gebragt, die een tyd lang in 't Dal
,, (in de tad Jochimthal) ter kerke gegaan en de doop verzocht had.
,, Jood, zeide de Doctor, is 't u ernt, wy willen u gaarn onzen Kerk
, dient bewyzen, ik ben vriend van alle Joden, ter liefde van eenen vro
,, men Jood, die uit uw gelacht, hoewel van eene kuiche Maagd en al

,,
,,
,
,

mah, achtervolgens de profecy van Jeaia, geboren is, maar gy houd


zelden teek. Wanneer de Jood grote verzekeringen gaf, vraagde hy,
hoe hy heete en waar hy van daan was? De Jood hernam, Michael van
Poen. Myn Jood, zeide Luther, men heeft my voor eenen Jood van

,, dien naam gewaarchouwt, maar gy lykt'er al te eenvoudig toe; daarop

, begon de Doter over tafel eene zeldzame hitorie van dien Jood te ver
, halen, welke van woord tot woord aldus luid: Eenige Bichoppen bui
, ten 't Roomche Ryk zochten den Jood Michael van Poen te gewin

, nen, om onzen Doctor met gift van kant te helpen, en beloofden hem
,, duizend Duitche guldens, choon nu maar vier perzonen hier van wi
, ten, zoo liet nogtans eene van hen onzen Doctor door eene aanzienly
,, ke tad waarchouwen, bechryvende den Jood in alle delen , en ver
,, wittigende hem, dat de Jood van voornemen was, om zich by den

,,
,
,,
,,
,,
,,
,,

Doctor als een ongemeen kenner van vele talen, aan te geven, en met
hem te eeten. Over tafel wilde hy met eenen vergiftigen bieenknop
pelen , hem in zynen beker laten vallen, en den zelven den Doctor
overbrengen, en zich te voren door goede artzenyen voor 't gift wape
nen. De Doctor was op zyne hoede, gelyk men dan ook tyd lang een
wacht aan 't klooter hield. Midlerwyl quam er een ander Jood met
hem, die voorgaf, dat hy de Bybel in vercheide talen te Wittenberg

, wilde laten drukken; Deze was chier in alle delen, zoo als hy Luther

,
,
,
,,

bechreven was, behalven dat hy zwarte in plaats van gele hairen had,
men bragt hem by een barbier, en liet hem vercheidemalen met cher
pe loog wachen, om te zien, of hy zyn hair niet geverft had. De
Meeter queet zich zoo wel, dat de Jood misnoegt daar over

vi:

Og,

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER,


a,
,,
,,
,,
2,
,,
,,
,,
,,
,,
,

51

dog 't hair bleef zwart, invoegen men den Jood liet lopen. Na ver
loop van zeven of acht iaren, wanneer men dezen handen chier verge
ten en de Doctor zynen brief van waarchouwing verloren had, quam
de rechte Jood , gaf zich by den Heer Philippus (Melanchton) uit
voor een voorname terrekundige, en deze verzocht den Heer Doctor
tot zynent, om dien geleerden vreemdeling te horen. Over tafel liet
de Jood zich verluiden, als een geleerde en zeer ervaren Waarzegger en
deed goed bericht van de Turkche, Indiaanche, Armeniche, en veel
andere religien, en voegde daar by, dat wyl hy zoo velerhande gods
dienten had gezien, hy Wittenberg ook had willen bezoeken. Hy
gaf zich by den Doctor aan, en wilde aan zyn huis met hem op 't

2, chaakbord pelen, om dat hy van alles wel onderrecht was, en aldus

,, wel belagen ten ys quam; men ging na huis; de Doctor op de bene


, dente trap in zyn huis tredende, kreeg quade gedachten, en vreesde,
,, dat hy michien dezelve Jood was, voor wien men hem gewaarchouwt
,, had. Ik geloof ook, zeide de Doctor, dat een Engel my zulks te bin
,,nen gebragt heeft, ik zocht na den brief, dog vergeefch, ondertuchen
,, quamen vele tekenen, in dien brief bechreven, met dien Jood overeen.

,, Wanneer de Doctor des morgens vroeg na Torgau reide, beval hy, in


,, zyne afwezenheid niemand in zyn vertrek te laten. De Jood quam den

, volgenden dag, maar men loot de deur voor zyn neus.

Midlerwyl

lekte de handel uit, men begon te zeggen, dat de omgekochte Jood en


,, Moordenaar was aangekomen, dit hoorde de Jood, en maakte zich zoek
3

, binnen weinig dagen. Deze Jood, zeide de Doctor iegens den geen,

, dien ik met my
heete zoo als gy, en was uw Landsgenoot , ik
, hope echter niet, dat gy dien zelven inbort zyt, ## gelykt hem niet,
enz. Dat Luther echter werkelyk gift zoude hebben ingekregen, be

vetigt

deze Mattheius in de vyftiende prediking, uit Luthers mond : P 174 &

,, Ik heb hem, chryft hy, dikwyls gevraagt, of hy nooit gift had inge

, kregen? En hy gaf tot antwoord, zekerlyk. Een voornaam perzoon,


, vervolgde hy, heeft zich laten verluiden, dat er geen in my wilde wer
, ken. Ik wierd eens alhier by vreemdelingen ten eeten genodigt, en als
-, ik weder thuis quam, had ik grote pyn en benaauwtheid in 't lyf, la
99 pen gaande, brak my de zweet uit, en ik kreeg eene verkoutheid, zoo
9
99

33
22

dat oogen en ooren overliepen , ik gaf ook met grote moeite over, en

ik ging zodanig af, dat 't my een terke purgatie vertrekte waarop ik
's morgens vrolyk en gezond was. Ditmaal had ik zekerlyk een terk
vergift bekomen , dog de geen die zegt, alsze iets dodelyks drinken,

zal t hen geen quaad doen, heeft zynen zegen daarover geproken, en
, my dit en andermaal uit alle gevaar gered, enz. . Tot zoo ver Ma
theius. Zie ook Seckendorf. Voor 't overige verhaalt Maxiliaan Mion
in de nette en fraaie bechryving van zyne reize na Italie, van de iaren
1687. en 1688, welke van my overgezet, en voor eenige iaren te Leipzig

39

Lib. 2. $
I2

uitgegeven is, in 't Eerte Deel pag. 59. 6o. van de Franche twede druk,
ook iets zeldzaams, dat hy te Worms gehoort had : Het was, meld hy ,

,
,
,
,,
,
,,

in het borgerhuis, daar Luther zich by de bewute gelegenheid voor


den ryksdag moet laten vinden. Men verhaalde ons, als hy zich door
veel preken wat verhit had, en daarenboven voor een heten kachel
tont, had hem iemand een glas met wyn gebragt, 't welk hy aannam,
maar door de drift van preken vergat te drinken, zoo dat hy 't glas
by zich op eene bank zette , een weinig daarna, was 't glas aan tukken

39

# zonder dat iemand het aangeraakt, invoege men acht, dat

, de wyn vergeven was. Dit is nu wel eene hitorie, waarover ik geene

,, aanmerkingen wil maken, midlerwyl is zeker, dat de plaats van de

,, bank, waarop Luther 't


zou hebben gezet, ganch uitgeholt zy,
,, om dat zommige yverige Lutheranen zeer veel tukies hebben uitgene
, den, om ter gedachtenis van Luther te bewaren. Ik zal dit verhaal,
zoo als Mion ook doet, laten voor 't geen 't is, alzoo ik my niet weet
te binnen te brengen, elders daarvan te hebben gelezen.
P. 43. ki

(h) Daarenboven gewaagt Ma: in de vyfde prediking van L":


2.

at

,,

D e G o U DE EN z 1 L. v ER E

dat Bartholomeus Bernhard, Proot te Kemberg by Wittenberg ten tyde

van Luther, 't eerte Prieterhuwelyk gehouden had, en dat de Farheer te


Hirchfeld denzelven, en Luther hen beide gevolgt had. Van 't huwelyk

van den eerten heeft D. Johan Hendrik Feutking, Proot te Kemberg,

nog onlangs uitvoerlyk gehandelt in zyn geleert tractaat de Prima Saterdate


Marito Latherano, Bartholomaeo Bernardi Wittenb. 17o3. 't welk verdient

gelezen te worden:

S. 26.

In 't volgende jaar 1526. achtervolgde Luther, met leeraren


# en diputeren, den Godsdient hoe langs hoe beter in te voe

1526.

#" ren, en gaf onder anderen een zeker formulier, behelzende de


voornaamte artikels en tukken der reine lere, om de ieugd

tonderwyzen, en dit noemde hy Catechimus, (i) Midlerwyl


omhelte de yverige en grootmoedige Vort Philip ,, Landgraaf
van Heen, insgelyk de Evangeliche leere, waardoor 't Re

formatie-werk op eene nadruklyke wyze getrekt wierd. (k)


Om dienzelven tyd wierd ook een Ryksdag te Spier gehouden,
en veel van Luthers leere en deszelfs aanwas gehandelt; (l)

doordien echter de Keurvort van Saxen de aanlagen van zyne

wederpartyders niet onduidelyk merkte, en licht konde belui


ten, datz Luthers leere tot hun voornaamte deel hadden, zoo
telde hy zich tydig in goede order, om niet onverziens over

vallen te werden, en loot met den Landgraaf van Heen en an

dere daarna overgaande Vorten te Torgau eene alliantie.. (m)


A A N M E R K IN GE N.

Bib 2.5 : (i) Zie Seckendorf. Van dit hoogtnuttelyk Catechimus-boekie ver

#
**

haalt Mattheius in zyne zesde prediking van Luther, een en ander, 't
welk alhier te lezen, hope ik, niet onaangenaam zyn zal. ,, Naardien

, echter de ondervinding leerde, zoo wel door zodanige ondervraging (by


, de Kerkviitatie) als in de chritelyke biegt, dat weinig Farheren van den

, Catechimus witen, en vele leken niet recht bidden konden, zwyge


, datze de zes tukken der kinder-leere zouden hebben vertaan, liet de
,, Doctor zynen groten Catechimus uitgaan, verklarende de kinder-leere

, van tien geboden, geloof, vader onze, doop, abolutie, en Avondmaal,

, zeer fraai by malkanderen, en bevelende, dat men zulke kinder-leer by


, iongen en ouden op eene eenvoudige wyze dryve, enz.
,, Ten einde nu de Catechimus-cholieren zodanige leere onthouden,

,, vertaan en nazeggen konden, zoo begrypt onze Doctor de kinder-leere


, kort en bondig by malkanderen, en liet den kleinen Catechimus in
, vraagtukken ook uitgaan, waarvan er Gode zy dank, in onzen tyd
,, ruim honderd duizend gedrukt en in allerhande talen en by heele partyen

,, na vreemde landen en in alle Lateinche en Duitche cholen gebragt


,, zyn. Wyders gewaagt hy, dat D. Bugenhagen of Pomeranus den
Pg 55 Catechimus teeds by zich gedragen heeft. Op eene andere plaats echter
pag. 53 a meld hy, dat Luther by de Kerkviitatie anno 1527. een arm Saxich
boertie gevraagt hebbende, als deze 't kindergeloof met deze woorden be
gon op te zeggen: ik gelove in God Almachtig, wat almachtig zy, en de
boer geantwoord hebbende, ik weet niet, hy hernam, la myn man, ik en
-

alle geleerden weten ook niet, wat Gods kragt en almogentheid is, geloof gy ech
zer in eenvoudigheid, dat God uw lieve en trouwe vader is, die wil, kan en weet,
als de wyte Heer, u, uw vrouw en uwe kinderen in alle benaauwtheden te helpen.
(k) Seckendorf. L. II. S. 14.
(l) Denzelven, S. 15.
4

yg 95

(m) Insgelyks 5-14 15. midsgaders Schlegel Vita Spalatini,


*

A
l

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

ss

Alhier behoort nu Luthers beeltenis in Prieter gewaad, in


dezen iare 1526 van Lucas Cranach gechildert, en na een goed

origineel nagemaakt, alsmede een zeer raar gedenkpenningie,


(n) ter eere van Luther van den werreldvermaarden Schilder
en beeldhouwer te Nurenberg, Albrecht Durer, geneden, 't
zelve voert:

"

---

(a) Luthers afbeeltzel in gelyk genede hairen.

(b). Deze drie letters D. M. L. Doctor Martinus Luther,


daaronder een grote A. en midden in dezelve eene D. als 't ge

#
1 520-

teken van des kontenaars naam, benevens 't iaargetal


-

* *

!! . .

2 - W

A A N M E R. k 1 N G.
(n) Dit net tukje bezit in lood afgegten, de meergemelde Abt Mols
nus, zoo als hy zelf aan my heeft gechreven, uit welkers wydberoemde
cabinet de Heer Tentzel my een # heeft medegedeelt,
w

S.

27.

Na dat nu aldus het zaad van 't wantrouwen door de tegen:

# in 't Roomche Ryk uitgetrooit was, zoo zag

men,
hoe 't zelve getadig toenam, hoewel 't zelve eert veel iaren

daarna rype vruchten bragt, voornaamentlyk konde de weder-

party niet verkroppen, dat zoo wel de Keurvort als andere mag- - - -

tige Standen des Ryks, de goede zaak van Luther op 't yverig

te ter herten namen, om dat dezelve enkel en alleen op Gods Lane,


Woord gegrond was. Midlerwyl bezocht God in deniare 1527. #.

de tad Wittenberg met de pet, wanneer de hoge Schole en tigheid


met dezelve Philippus Melanchton zich na Jena in Thuringen #
begaven, en daar bleef tot in den iare 1528. toen ze weder te
Wittenberg in den vorigen taat hertelt wierd. (o) , Luther
echter bleef midden in deze elende tant vatig, verrichte zyn

ampt met de uiterte zorgvuldigheid, en chreef tot troot der


elendigen een byzonder boekie (p)

G3

AAN,

ss

D E G o Up E EN ZI L VERE
A A N M E R K IN GE N.

(o) Zie Sennert in Athenis Wittenbergenibus, en 't geen beneden by 't


pag. 6o.

Epigramma over Melanchtons beeltenis S. 38. in de aanmerking gezegt


wierd.

(p) Seckendorff Lib. II. S. 32. '

Deze volgende penning ziet zonder twyfel op de pet, dezelve


WOert

* (a) Chritus aan 't kruis, met het opchrift: INRI, Dat is:
jeus Nazarenus Rex judeorum, Jeus van Nazareth, Konin
der Joden, een weinig lager : JOHANNES 3. (kapittel)
onder de knien eenige aandagtige perzonen, biddende met op

geheve handen ; op de kant taan deze hoogduitche woorden


met Lateinche letters uit 't derde hoofdtuk van Johannes :
W E R. A N. M 1C H. G L AU BE T. H A T. DAS.

EWICH. LEBEN. Die in my gelooft heeft 't eeuwig leven.


b. De kopere lange om een kruis, welke van eenige knie
lende perzonen word aangebeden , te midden van 't zelve ziet
men NUMERI 21. boven 't kruis 't iaargetal van 1528. en
rontom de woorden : WER. DIESE. SCHLANG. AN

SIET DER SOL. NIT. STERBEN. Die deze lang


'aanziet, zal niet terven.
S. 28.
Verdere

Rerkwiis

taties,

Na dat de Univeriteit te Wittenberg weder in eene goede


chikking was gebragt, wierd de hoofdreformatie en viitatie
der kerken in de Keurvortelyke landen, op 't verzoek van Lu

ther onderhanden genomen, en de zoogenaamde kerke-agenda


met den druk gemeen gemaakt, in welk boek den Patoors en

# op wat

wyze zy zich voor


taan in den Godsdient zouden gedragen, ten einde geene on

Diakonen wierd

gelykheid en wanorder ontta. Men bragt die viitatie ook 't


volgende iaar 1529. gelukkig ten einde. (q) Wat Luther in
dezen iare voor boeken heeft gechreven, is van anderen op
getekent, zoo dat men onnodig oordeelt, alhier verder daarvan
te preken. Ondertuchen is George, Hertog van Saxen, van

de Albertiniche linie, die te Dreden zyne reidentie hield, de


'-

pauze

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER.. 55 .


pauzelyke party tot aan zyn end blyven aankleven, hoewel

echter merkwaardig is, dat zoo wel de tad Hamburg (r) als
George, Markgraaf van Brandenburg-Onaldsbach in dezen iare

de waarheid van 't Evangelie hebben aangenomen.

A A N M E R K IN GE N.
( q) Zie Seckendorff, als mede Joachimus Camerarius in Vita

Philippi

Lib, II.

Melanchtonis, wyders Schlegels Vita Spalatini, en Schmids Zwikkauche S 32.


Kronyk, P. II. p. 3o 1.
##to

(r) Hiervan heeft D. Johan Frederik Mayer, toen hy nog Patoor te ## IO3. *
Hamburg was, in een afzonderlyk en lezenswaardig boekje genaamt: Evan- res cs.
/

gelich Hamburg, met behoorlyke omtandigheden gehandelt.


I

(s) Zie wylen Joh. Willem Rentch in den Brandenburgchen Ceder- pag. 6, 5:
hayn.

: : ::

S. 29.

Midlerwyl had Keizer Karel zyne vyanden, de Franchen ,s,o:


en Italianen tamelyk in 't naauw gebragt, en was als nu op de #g

hereeniging der gemoederen in Duitchland bedacht, weshal- "


halven hy de ryktanden te Spier bechreef, choon hy dien
ryksdag in perzoon niet bywoonde, ondertuchen kon men
's Keizers mening iegens de Lutheranen ganch duidelyk mer
ken, om dat hy by een zeer cherp edict beval, de vorige har
de decreten tegen de Lutheranen te hernieuwen. Wat hiervan
zy, zommige Evangeliche Vorten trokken eene lyn, en kant

ten zich tegen dit edict, als in vele tukken onbillyk, en be


tuigden opentlyk, datze 't zelve en andere diergelyken onmogelyk konden gehoorzamen, om dat de verbreiding van 't God
delyke Woord daardoor al te veel belet wierd. Onder deze
orten was Johannes, Keurvort van Saxen, 't Hoofd, een
redelyk Vort en getrouwe knecht Gods, dien de beide ryk
teden Nurenberg en Reutlingen toevielen , en dit was oor- . . . .

zaak, dat de geene, die het met hen hielden, en op dezelve #e


wyze plegtelyk tegen 't bovengemeld edict proteteerden, (t) naam van

met den algemenen naam van PROTESTANT EN wier-#.

den gedoopt, gelyk zy dan ook een protet optelden, en door "
zekere Gezanten aan den Keizer na ltalie zonden, van wienze

wel een tydlang opgehouden, maar eindelyk weder gedemit


teert wierden, en als daarna de Protetanten (welken naam wy
nu voortaan altyd zullen gebruiken) bezig waren, om onder
elkanderen eene alliantie te luiten, en Philip, Landgraaf van
Heen, voornamentlyk de anderen daartoe aanzette, midsga
ders de Evangeliche
Standen
dien einde
te Smalkalden
be
chreven
wierden, zoo
raaddeten
Luther
de Vorten
van alle da-

delykheid, en toonde, dat men de religie buiten de hoogte


noodzaaklykheid met de wapenen niet moet verdedigen. Lu
ther echter begaf zich na Marpurg in Heen, om aldaar op
verzoek van den Landgraaf met Uldanicus Zwinglius over de
woorden van de inzetting in 't H. Avondmaal te diputeren

(u). De Godgeleerden quamen wel in de meete artikels over


een, maar Zwinglius wilde van 't hoofdpunt niet afwyken ,
heeft zich ook naderhand met de Saxiche Godgeleerden niet
weder vergeleken (x).
AAN

56

DE G o U DE EN ZI LV ER E :

t,

A A N M E R KI N GE N.

(t) Heer Johan Joachim Muller, Hoogvortelyke Saxen-Weimarche


Gerechts-Secretaris en Archivarius heeft 17of. in een byzonder Duitch
trataat uit de archivaalche regiters, de Hitorie van deze protetatie,

ongemeen fraai en grondig uitgevoert, welkers doorbladering den genen

zonder twyfel aangenaam moet wezen, die eenen bondigen bechaafden


L. II. S.
44q.
Pag. I 12.

I 18. 1 19,
Pag- 172.

dq
I 22,

## b:
69. a.

tyl beminnen. Zie insgelyks Seckendorff, voortsCamerarius Vita Melanch


tonis en D. Joh. Strauchius Diertation juris publici, Di VII.
(u) Vita Melanchtonis. Matheius in de zevende prediking van Luther
chryft 't volgende: Ik heb van Petrus Platranus gehoort, die 't aan 't Hes
iche hof vertaan had, dat de Landgraaf zich zeer bemoeit en eenige byzondere
geprekken met Oecolampadius van deze zaak gehouden en onder anderen gezegt
zou hebben: Heer Doctor, die van Wittenberg taan nogtans op eenen va
ten text, gy hebt maar gloen en uitleggingen, nu heeft zekerlyk 't eene
meer grond als 't andere, wat betekent gy u? Daarop zou D. Oecolampadi
us met eene diepe zucht hebben geantwoord: Genadigte Vort en Heer, ik
wenchte, dat deze hand af was geweet, eer ik eenen letter hiervan ge

chreven heb. Het gewien en de profecy van Luther zyn zekerlyk reets in 't
hert van dien armen onzekeren man opgekomen, gelyk dan die profecy over Zwin

glius en Oecolampadius weinig iaren daarna is waargeworden.


(x) Dat deze cheuring tuchen Luther en Zwinglius de loop van 't

Evangelie groot nadeel hebbe toegebragt, bewyt met vele gronden D.


Rechenberg te Leipzig, in zyne Diertatie de obtaculis progreum Reforma
tionis Lutheranae.

S. 3o.
, 153o:

JRyksdag
te Augs

burg en
overge

ving der
protete
rende ge
loofsbe

lydenis
aldaar.

Doordien nu de gemoederen der partyen hoe langs hoe meer


op elkanderen verbittert wierden, zoo wierd in den iare 153o.

te Augsburg een ryksdag uitgechreven, dien de Keizer zelf by


woonde, en den 13. Juny aanquam ; de Standen waren toen
reeds meet by malkanderen, en onder dezelve was daar chier

allereert tegen alle hope van de tegenparty, Johannes, Keur


vort van Saxen, bygenaamt de Standvatige (y) nevens zynen
zoon Hertog Johan Frederik (z); onder derzelver gevolg was
behalven andere Godgeleerden Philippus Melanchton; de Keur

vort echter had Luther te Coburg gelaten (a) ten einde hy te


Augsburg in geen gevaar zoude geraken. Na dat men nu de
gene, die tot nu vrywillig het Evangelie hadden beleden, wak

ker doorgetreken en bechuldigt had, dat ze van 't oude geloof


waren afgevallen , zoo gebruikte men allerhande middelen ,

omze op andere gedachten te brengen, dog te vergeefs, der


halven kregen ze bevel, om hunne geloofsbelydenis in gechrif
te over te geven. Philippus Melanchton bragt dezelve met hul

pe der andere aanwezende Godgeleerden, op 't papier, en be


greep daarin alles, wat de Saxiche en andere Evangeliche ker

ken tot nu gelooft en geleraart hadden. Deze belydenis wierd


aan Luther met een expreen gezonden, en van hem in alle

delen goedgekeurt. Dat aldus van dien tyd af eene rechte


chikking der hoofdartikels des reinen chritelyken geloofs van
een ieder konde gezien worden.

Ten einde nu de ganche werreld zoude zien, wat de Prote


tantche Vorten mitsgaders derzelver Godgeleerden en onder
danen uit Gods Woord leeraarden en geloofden, en waarby zy
IEACt

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER:

##

"met ryp overleg eenpariglyk hadden beloten te leven en te


terven, zoo wierd 't gemelde gechrift den 25. Juny 153o.
in de volle vergadering der rykstanden aan 't Hof des Bi

chops van Augsburg van D. Chritiaan Bayer, Keur-Saxiche


Kanzelier (c) gelezen, vervolgens van D. Gregorius Brug of
Pontanus den Keizer zelve overgegen, (d) mitsgaders zoo
voort van de aanwezende Spaniaards, (e) Franchen, Italia
nen, en Nederlanders uit de Lateinche en Duitche in hunne

moedertalen overgezet en aldus in alle delen van Europa ge


zonden. De Papiten gaven op deze belydenis wel een ge
chrift uit, dog 't wierd door Melanchton met eene Apologie

of verdedigchrift met zonderlinge nadruk beantwoord. (f) Des


niettegentaande verwierp de Keizer deze belydenis, waardoor

de oneenigheid lechts te groter wierd. De ryksdag te Augs


burg had dezen uitgang ; men greep in de naatvolgende iaren
wel nog niet tot de wapenen, dog daar was onder beiderlei

Standen geen recht vertrouwen, maar eigentlyk eene onzekere


vrede, zoo dat beide partyen zich in een goeden taat van te

# hielden, om dat de tad

Romen en deszelfs Opper

oofd zich niet veilig oordeelden, zoo lang als de naam van
Luther en die der protetanten door de wapenen niet bevoch
ten wierden.
*

A A N M ER k 1 N GE N.

- ,

(y) Deze Keurvort heeft dienbynaam door zyne tandvatigheid ontrent


't Evangelie met alle recht verdient, en vertrekt hem tot groter lof dan
die van Grote, verlichte, of andere pragtige titel. Want wanneer zyne
Godgeleerden tot hem zeiden: Genadigte Heer zoo uwe Keurvortelyke Ge
nade niet van voornemen is, ons by te taan, zoo laat ons alleen voor den Keizer
verchynen en ons verantwoorden, zoo gaf hyten antwoord: Dat behoeve God
niet, dat gy my uitluit, ik wil Chritus insgelyks belyden; daarenboven beval

hy zyne Raden: Zegt mynen geleerden, datze doen, wat recht is, tot Gods
lof, zonder aanzien van my of van myne land en onderdanen. Zoo als de
Saxiche Gechiedenis chryvers aanmerken.
(z) Zie

# ad annum 15:3o. midsgaders Abrahamus Scultetus

in annalibus Evangelicis, Decade II, Chytracus in Hitoria Augutanae Confeionis; Coeletinus in Hitoria Comitiorum Augutanorum; Heer Schlegel f 132.b!
in Vita Georgii Spalatini, als mede wylen M. # Saubertus, Patoor l
van St. Laurentius te Nurenberg, in zyn treffelyk Duitch boekie, genaamt: pag. 1 17:.
De wonderwerken der Augburgche Belydenis. Vele fraaie en zeldzame bc- tot 134 .
richten, hoe litig, gevaarlyk en verachtelyk men toen te Augsburg met de . . .
Protetanten heeft geleeft, vind de Lezer in de bovengemelde Evangeliche , ,
Protetatie Hitorie van Joh. Joach. Muller, daar de Augsburgche Con-

feie Hitorie is bygevoegt. Behalven de Keurvort van Saxen en des-

v-

zelfs Heer zoon, hebben deze Belydenis getekent: George, Markgraaf


van Brandenburg Ernet en Frans, gebroeders,
van Luneburg,

Philip,
Landgraaf
vanRyksteden
Heen, Wolfgang,
van Anhalt, en de Ge
deputeerden
der vrye
NurenbergVort
en Reutelingen.

(a) In de levensbechryving van D. Matheus Ratzenberg, die in de


maand January 1559 te Jena in 4. door Thomas Rebard onder dezen ti
tul is uitgegeven: Bericht van den chritelyken afcheid uit dit terflyk leven
van den lieven dierbaren man, Matheus Ratzenberg, Dettor in de medecynen,

door Andreas Poach, Patoor, ten Augutynen te Erfurt, en anderen, die

daarby zyn geweet, beknopt by malkanderen gedragen, taat 't volgende, dat ,

alhier behoort: ,, Doctor Luther heeft ook dier tyd, zeide Doctor Rat- litt.D 1k
, zenberg, wanneer hy te Coburg op 't Slot was, in een vertrek het #
H

org

,8

o E G. o U DE EN ZIL v E R E :
, Non moriar &c. met eige hand tegen de muur gechreven en op noten
# getelt. 't # # # 15 yo # gezien, en met my
, ne hand daaronder gechreven: 'Dextra Dominifecit virtutem. Ik hoor

, ook, zegt de Schryver wyders, dat 't nog heden dien dag te Coburg op
,,'t Slot in 't vertrek dat op 't bochie; den Hayn genaamt uitziet, waar
,,oin de man Gods D. Martinus anno 15.3o ook 't boertig chrift van den
,, Kraaien Ryksdag voor zyne Tafelgenoten gemaakt heeft, waarvan in

,, het vyfde Jenache Boekdeel word gewag gemaakt, tegen de muur op

, zangnoten gechreven taat de volgende woorden.


- - -

#3 t

'',

* *

rt: . !

: ,"

In Z e . . .
-

'

... ...

"

Nan marierilvian & mariis- frs- - -Domini:


"
- - -

' - 's

- ', 'J -

---

- Waaronder nog taat:


- tt 4
got '

- 4 s t is

- tt en

0 M. Lutherus D. - - - 115. C. 3o. * *

- -

. . . . Dextera, Domini fecit virtutem. " . . . . . .


- ,

-- - - -

f:

-- -

-- -

M. Ratzenberger, D.
- -

in

'

t -

.
-

...
- --

ol, zo b. Mathaeus Merian,ofliever MartynZeiler, maakt in zyne Topographia Franco

*"

nia gewag van nog meer Bybelche preuken, welke Luther op 't lot Co
burg in zyn vertrek zou hebben aangetekent, als by 't voorbeeld: Palm I.
Iterimperiorum peribit. Het duurt echter lang. Blyt tog tandvatig; Palm 73
Pauper &5 inops laudabunt nomen tuum Domine; want de anderen hebben u niet

van noden. Uit welke woorden de blyegeetigheid van Luther in zoo groot
gevaar zeer veel uitblinkt. Hy heeft ook vele chone trootbrieven van de

veting Coburg gezonden, die alle Grubok getekent waren, 't welk verkeert
moet gelezen worden. Zoo ver, Meriaan, i Of echter de bovengemelde

muurchriften alle nog te Coburg te zien zyn, kan ik niet verzekeren, om


dat men niet licht in deze veting werd toegelaten, ten minten geloof ik

P. P.
*** -

't niet, om dat de Raad Hnn in zyne Coburgche Kronyk meld, dat
door 't vernieuwen der vertrekken, vercheide tekenen, van Luthers ver
L' - ' . ::
,, . . . . . . .
blyfaldaar zyn weggeraakt.
,

(b). Hiervan chryft de Keurvort zelf aan D. Luther: Regenswoordig op


den Ryksdag, daar de papiten bezig zyn, met ons te dreigen, te hanen, te be
potten en te poggen, hebben de onzen zich op 't diepte verootmoedigt, lechts

met voeten over hen laten gaan, en getadig om vrede gebeden, gemeekt en alles
aangeboden, wat God gedogen kan. Als de onze lauter bedelaars waren geweet,

had men echter meer als te veel gedaan, zwyge datze zulke hoge grote Vorten,
Heren, vrome eerlyke lieden zyn , invoegen ik acht, dat zodanige belydenis, zo
danig demoeden geduld geen weerga zal hebben gehad, zoo lang als de chritenheid

getaan heeft, en achtervolgens myne hope voor den iongte dag de grootte zyn zal.

Gelyk zulks wylen myn Leermeeteren. Rector der Keurvortelyke Saxiche


Landchole te Minic, Joh. George Wilcke in de zeer treffelyke Voorrede
P*g 1 tot zynen, Saxichen Nopes aanhaalt. ...
.
, (c) (d) D. Bayer heeft de Belydenis overluid en ganch duidelyk gele
T:9 fol. zen; D. Bru heeft 't exempelaar den Keizer zelven overgegeven, gelyk
-

# te zien is in Luthers Schriften, als mede in Matheius achtte prediking


b. 78. a.

van Luther...

7-

(e) Wat zeldzame gedachten de

. .

..

... ..

. .

# toenmaals van de Evangelir

che lere hebben gehad, meld Matheius in de volgende woorden: ,, Zoo


lie Pag ,,dra deze Belydenis gelezen en behandigt was, vielen er van allerlei na

72*

,, tien veel goede en eerlyke #

want choon de waarheid niet onbe

, treden blyft, zoo werden er zomwylen gevonden, die haar toevallen.


,,D. Luthers lere was door quaadaardige
en vleiende Hove
,,lingen zwart gemaakt, en lelykt uitgechildert, zoo als Alphonus,
,, Keizer KarelsSpaanche Kanzelier in een geprek met Philippus Melanch
,, ton niet onduidelyk te vertaan gaf, dat namelyk de Geetelykheid de
,,, Spaniaards had diets gemaakt, dat de Lutherchen niet in Godt geloofden,

, de H.
verloochenden, en van Chritus en Maria geen
,, werk ter werreld maakten, gelyk dan ook vele Duitche Monniken ons

, bechuldigden, dat wy de Overheid, den eygendom der goederen, 't


hu
e

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER


,, huwelyk, de vrye konten enz. in geen waarde hielden.
(f) Zie Camerarius Vita Melanchtonis.

s9
-

Alhier behoren drie merkwaardige penningen, die in denia- P. i34.


re 153o. gelagen zyn, en voornaamlyk zien op 't overleveren."

der Augsburgche Belydenis.


De eerte voert:

a De beeltenien van Keurvort Johannes en deszelfs Heer


zoon Hertog Johan Frederik, met 't omchrift van beiderzyds
titels : IOANNI S. ELECT ORIS

DU CIS. SAXO

NIAE. ET. FILII. IOANNIS. FRIDERICI. EFFI


G IES. M. D. XXX.

b Gatmaal van Herodes; onder 't tafel-vertrek gaat de Beul


met een zwaard in de hand als uit 't gevankenis, en geeft aan

Herodias dochter, die van eene vrouwsperzoon verzelt werd,


het hoofd van Joannis des Dopers, welkers romp voor hem legt,
in eene chotel, met het Duitche omchrift: JOANNES.
STRAFT.

DEN. E BRUCH. HERODS.' DRUM.

MUS. E R. STER BEN. MARCI. VI. (vers 28) (g)


Joannes betraft de echtbreuk van Herodes, daarom moet hyter
UCVZ.

A A N M E R K IN G.

(g) Myne weinige gedachten van dezen penning waren in den beginnen,
dat door deszelfs revers wierd aangetoont, dat de Protetanten op den Ryks

dag groot en zelfs levensgevaar hadden gelopen, om datze den papiten de


geetelyke echtbreuk verweten hadden. De Heer Tentzel echter acht zoo pag. 1o:
wel in zyn vertoog over de Saxiche huldigings-penningen, als inzyne Sa- #g.
xiche penninge Hitorie, in 't eerte Deel der Ernetiniche Linie, alwaar 59.3o.

hy ook eene dubbelden chets van dezen penning hoewel van eenen onder- ##
cheiden tempel mededeelt, dat Hendrik, Hertog van Bronswyk, de Bi" , ;g,
chop van Luik en Hojer, Graaf van Mansfeld op den # van Joannis
onthoofding, zynde den 29. Auguty, s'avonds met den Keurvort van
Saxen hadden gepyt, en dat Hertog Hendrik veel over religie-zaken ge
proken en den Keurvort getragt had, over te halen, dog vergeefs, daar
'

by voegende, dat er ter dier gelegenheid harde redenen waren gevallen,

en van zommigen overlegt, op wat wyze men diergelyke handelingen ten


einde zoude konnen brengen, zoo als een klaar getuigenis vertrekt Cole- ,... tinus in zyne Hitorie der Augsburgche
Belydenis. Ter gedachtenis van
nu #
#f
H 2.
: va

6o -

D E

G O U DE EN Z I L V E RE

van 't toen op den dag van Joannis onthoofding over de maaltyd gevoert ge
prek, als mede wegens de grote moeijelykheden, welke hy wegens de re
ligie had ontmoet, had de Keurvort by zyne terugkomt dezen penning
laten laan, en veelicht met deszelfs revers 't oog gehad op de onwettelyke
liefde van Hendrik, Hertog van Bronswyk iegens Eva van Trottin, waar
Heer Schlegel echter wil het in zyne
pag. 347. van toen reeds 't gerucht liep.
Munt-bybel liever in 't algemeen verklaren, dat door 't beeltenis van den
onthoofden Joannis, betekent werde de tandvatigheid en dappere reolu
tie van den Keurvort Joannis, om by de opentlyk belede lere te blyven,
choon
't hem nevens Joannis 't hoofd koten zoude. Tendien einde brengt
L. 3. Sect
hy
uit
Seckendorff
Hit. Luth. by, dat de Keurvort zich op zyne te rug
1. S. I..
reize van Augsburg iegens D. Wencelaus Linck, prediker tc Neuren
berg, zou hebben laten verluiden: Lieve Doctor, tat een myner naburen my
aan onder den chyn van 't Evangelie en wegens 't zelve zoo zal ik my verwee
ren, zoo terk als ik ben, valt de Keizer my echter op 't lyf, die is myn Heer,
dien moet ik wyken. En hoe kan ik een eerlyker ondergang en dood hebben, dan
om Gods Woord willen? Midlerwyl gelieve de Lezer uit deze drie verkla

ringen eene te kiezen, dien hy wil, zoo zult ge bevinden, dat geene van
dezelve ongerymd of van den rechten zin ver af is.

De twede is niet minder zonderling, en voert:

a De beeltenien van Keurvort Johannis en Hertog Johan

#k
met 't zelfde omchrift, als op de laatvoorgaande me
aille.
b Het Keur-Saxiche wapen, met dit omchrift: MONETA.
ARGENT EA. DUCUM. SAXONIAE. LAUS. TI

BI. DEO. Dat is: Zilvere munt der Hertogen van Saxen, Go
de u zy lof. (h)
A A N ME R KI N G.
pag. 4o:

". (b) Deze laatte woorden voert Heer Schlegel in zynen Munt-Bybel in
't Eeerte Boek der Kronyken XXIX. II. daar David zegt: Uwe, oHe
re, is de Grootheid, ende de Macht, ende de Heerlykheid, ende de over
winnige, ende de Maieteit. Heer Tentzel echter merkt aan, dat de ge
melde woorden in den Nurenbergchen groten Bybel ook by dit beeltenis
van den Keurvort taan, en daarby gemeld werde, datze op deszelfs daal
dertukken gevonden werden, dog dat deze penning geen gemene daalder

1. c. pag
52.

zy, maar een chouwtuk, zoo als menze diertyd noemde, in daalders
vormen grotte, maar van fyn zilver, geene twee loden volkomen wegen
de, en dat men deze woorden op andere gemeene daalders, die Keurvort
-

--

Joannis

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER

Joannis of alleen of gezamentlyk met George, Hertog van Saxen had laten
laan, niet vond.

De derde is achtervolgens 't gevoelen van eenige geleerden


en Penningkundigen, eene der raarten van alle Saxiche pennin
gen.

Dezelve voert:

a De bortbeelden van Keurvort Johan en zyn zoon, Her


tog Johan Frederik, niet na de rechte zyde, zoo als in de twee
naatvoorgaande medaillen, maar na de linke hand gekeert.

Boven is een klein wapenchildie met de Keurzwaarden, onder


't iaargetal 153o. Het omchrift is zeer merkwaardig: PAT er.

JOANnes. ET. JOANnes. FRIDericus. Filius. EVAN


Gelii. INVICTISSimi. Dat is: Johannes de vader, en jo

hannes Frederik de zoon zyn de onoverwinnelykte Belyders van 't


Evangelie.

b De Hogeprieter Hannas op den troon, voor wien de Apo.


tel Petrus en nog drie andere perzonen taan, achter dezelve
legt een childie met het getal van 32, en achter den troon ziet
men de letters in cyfer OE, welke naar giing den naam van
den muntmeeter betekent. Rontom leet men de volgende
woorden, welke uit de Handelingen der Apotelen IV. 31. #
nomen zyn : ET. LO

###

SERMO NEM.

DEI. CUM. FRIDUCIA. ACTOR. 4. Dat is: Ende zy

praken het woord Gods met vrymoedigheid. (i)


A A N M ER K IN G.

(i) D. Grning maakt in zyne Hitorie der moderne medailles niet al-pag. 3r.

leen gewag van dezen gedenkpenning, maar ook de Heer Schlegel in zy

Pag- 499,

ne Munt-Bybel. De Heer Tentzel echter geeft de bete verklaring daar


#
genoegen zal
de Lezer
is verzekert,
en menzeggen,
van,
67. tot
is, dat Men
door #e
manvinden.
vangroot
dien geleerden
dat 't dat
gevoelen
zal enkelyk

't getal van 32 op 't revers, zoo wel 't verkortiaargetal van 1532, waar-
in de

# gelagen is, als dat der Belyders van 't Evangelie te vertaan

zy. Want choon in den iare 153o. wanneer de Belydenis gelezen en in


gelevert wierd, 't getal zeer gering was, zoo zyn 'er zoo voort nog ande-

re Standen en teden bygekomen, welke te zamen in de Sweinfurtche


- -

H 3

Trac

62

D E

G O U DE

EN

Z I L V E RE

Tractaten van 1532 aldus gemeld taan: 1. De Keurvort van Saxen. 2.


Johannes Frederik, zoon van zyne Genade. 3. George, Markgraaf van
Brandenburg. 4. 5. 6. Philip, Ernet en Frans, Gebroeders en neven,

Hertogen van Bronwyk en Luneburg. 7. Philip, Landgraaf van Heen.


8. Wolfgang, Vort van Anhalt. 9. 1o. Gebhard en Albrecht, Ge
broeders, Graven en Heren van Mansfeld.

De teden. 11.

Straasburg.

12. Nurenberg. 13. Cotans. 14. Ulm. 15. Bibrach, 16. Ihi. 17.
Reutlingen. 18. Memmingen. 19. Elingen. 20. Lindau. 21. Heil
bron. 22.

Kempten. 23.

Weienburg. 24. Winsheim. 25.

Lubek.

26. Bronwyk. 27. Magdeburg. 28. Bremen. 29. Golar. 3o. Ein
beck. 31. Gttingen. By dewelke kort daarna in de maand Mey in de
te Nurenberg voortgezette Sweinfiertche vergadering, de teden, 32. Hal

le in Swaben. 33. Nordhauzen en 34, Hamburg overgekomen zyn.


Als nu de Keurvort van Saxen en deszelfs zoon voor eene, alsmede de beide gebroeders Graven van Mansfeld insgelyks voor eene perzoon werden
pag. 74
q.
pag. 32
33

gerekent, zoo maakt zulks het getal van 32. Voornamentlyk echter be
haagt my, 't geen de Heer Tentzel wegens 't omchrift der eerte zyde van
dezen penning aanmeerkt, naamlyk dat gelyk als George, Hertog van Sa
xen op eene medaille van dezen iare, welke hy in 't eerte Deel cer Alber
tiniche linie verklaart, zich Weteris dei Aertorem Contantijimum &# Eccle

iae filium obedientiimum; Dat is: Standvatigte Becharmer van 't oud Ge
loof, en gehoorzaamte zoon der Kerk, en daarenboven 15-31 op eenen pen

ning CATHOLICUM PRINCIPEM een Catholyk Vort genoemt


had, de Keurvort en zyn zoon zich daarentegen: De onoverwinlykte Bely

ders van 't Evangelie hadden getituleert, 't welk 'tiaargetal van 153o. aan
tone, wanneer zulks voornaamlyk gechied was. Wyders taat aan te mer
ken, dat ik de chets van deze rare medaille zoowel uit het werreld-beroemt

Cabinet van zyne Hooggraaflyke Genade van Swartzenburg-Arntad als van


eenen vermaarden muntkenner te Leipzig, dien't behaagt, onder den naam

van Samuel Moranni verborgen te zyn, ontfangen heb. De overige pen


ningen, ter gedachtenie der Augsburgche Belydenis gelagen, zullenbe
neden by de

# voorkomen.

S. 31.
Allerhan
de ver
driet van

In 't volgende iaar 1531., verloor Luther den 3o Juny (k)


zyne moeder Margaretha door den tydelyken dood, en had

Luther.

daarenboven veel droefheid, over 't geen te smalkalden op de


vergadering rakende de alliantien tegen de papiten, geloten
was. Voor 't overige tonden de zaken ganch niet wel, en

men zag 't weer van verre wel opkomen, dog men wit zich
niet te bergen. , Midlerwyl wierd van de protetanten alles met
zodanige omzichtigheid behandelt, datze zich van alle dade

lykheid onthielden, en zich enkelyk in een goeden taat van


tegenweer telden. Ten einde de Keizer echter hen zyn vreed.
Verkrege Zaan gemoed tone, zoo liet hy de Standen in den iare 1532
vryhei
der Pro
tetanten.

te Nurenberg by malkanderen komen, en verleende den

tetanten by een afcheid van den 23 July en

pro

3. Auguty de

volkome vryheid van gewien en lere, tot dat op een Concilie


of algemene vergadering der Geetelykheid of op een Ryks
dag zoude zyn afgedaan. Ondertucheen rees over deze fan
deling eenig misnoegen tuchen Johan Frederik, Hertog van

Saxen ; en Philip, Landgraaf van Heen, dan ze wierden


door Luther wel ras weder verzoent, ten einde de vyanden
geene gelegentheid mogten hebben, in dit troebbel water te
vichen.

AAN

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. , , 63


-

t.'

- -

't I

AAN MERK IN G.
(k) Het chrift onder 't beeltenis van Luthers moeder, noemt dezen
dag.
-

t
S.

32,

Meet echter ging Luther ter herten, dat de alles regerende tra:
God den dierbaren belyder der Evangeliche Waarheid, mits- dood van

gaders deugdzamen, vromen en geleerden Johannes, Keurvort # Jo


van Saxen, den 16 Auguti ( l) 1532 , uit dit tydelyke tot hannis:
zich nam, van welkers loflelyke regering de kerk zoo wel als
't Politiewezen nog veel goeds verwachte, zoo anders de
Hoogte 't behaagt had, hem nog langer onder 't getal der ter
velingen te laten.
A A N M E R KI N G.

(l) Tot zynen roem kan men meer lezen by den Heer van Seckendorf, Lib, III:

den Here Wilcke in den Saxichen Nepos, den Here van Ziegler in de 5 11. 12.
dagelykche Schouwplaats des Tyds. Onder anderen meld Wilcke in de fol, 12.

Voofrede, dat hy dikwyls zou hebben gezegt: Ik kan 't Goddelyk Woord ##
zoo weinig ontberen, dan eeten en drinken, mitsgaders dat hy de predikin

gen zelf nagechreven en alle dagen zes uuren de Schrift door zes pazies

voor hem had laten lezen, en choon hy zomtyds in laap viel, altyd ech
ter als hy ontwaakte, eenentreffelyken Spreuk opgemerkt en onthouden
had. Ontrent den eigentlyken dag van zynen dood komen de Gechied
chryvers wel niet overeen, als waar van myn Saxiche Gechiedenis-alma
nak van
14.00
16.oo eenigderbericht
kanwapens
geven, ondertuchen
den ##
Heer
Hnn
in tot
't onderzoek
Saxiche
en gelachten,heb
alsikmede
# Pag,
den Heer Tentzel, den Heer van Seckendorf, en den Heer Muller in An
nalibus Saxon, gevolgt, en den 16 Auguti genoemt. . . .
| | | |
'',1 '.

S. 33.

Keurvort Johannes wierd in de regering gevolgt door zyn 153st


zoon, Hertog Johan Frederik, die ondernam, ten vollen uit

te voeren, dat zyn Heer vader begonnen had ; na dat echter


de Ryksdag te Regensburg door de liten en lagen der yyanden
vruchteloos cheidde, en Luther wel zag, dat alles lechts maar

ten chyn gedaan wierd; dat de Paus nooit een Concilie be

leggen zoude en Keizer Karel het nooit alleen zoude konnen


uitchryven, zoo verliep dit en 't volgende iaar 1533. met on- i533;

derlinge vreedzame beraadlagingen. Ondertuchen genoten


de protetanten de vryheid, hen in de Nurenbergche onder
handeling verleent, ongetoort , Lutherus raadde hen tot ee
nigheid, dog niet des geloofs met de dwalende Leeraars, maar Luthers
d er liefde. Kort daarna chreef Luther aan George, Hertog penne

v an Saxen, ten behoeve van eenige borgers van Leipzig, we- #"
gens 't Evangelie verdreven, geraakte echter met denzelven ,
z. oo als ook met Cochleus deswegen in een heftigen pennetryd,

die echter wel haat door bemiddeling van den Keurvort van
Saxen wierd

'viitatie der kerken

Vervolgens wierder andermaal eene Nieuwe

etelt, en 't geene nog eene verbetering kerkvii

. van noden had, in eene bequame order gebragt. .


* *

. . "
Alhier 7

D E GO U DE EN Z 1 L v E R E

Alhier brengen wy drie fraaie gedenkpenningen, waarvan de


eerte voert:

a Het bortbeeld van Francicus, Hertog van Luneburg ,


die 153o. te

# de geloofsbelydenis opentlyk heeft aan:

genomen, met het omchrift: FRANSCiscus. DUX. BRun


vicenis. ET. LVneburgenis. M. D. XXXII.

b. Deszelfs wapenchild met 't omchrift uit Rom. XIV. 8.


LIVE. VIV IMUS. SIV E. MORIMUR. DOMINI.

SUMUS. Dat is : Het zy dat wy leven, het zy dat wy ter

#5

ven, wy zyn des Heren. (


A A N ME R. k I N G.
-

pag. 415'

(m) Deze rare medaille is in origineel

in 't

hooggraafyk kabinet te

Arntad, en word van den Heer Schlegel in den Munt-Bybel op eene be


knopte wyze bechreven.
De twede vertoont:

4 Luthers beeltenis met 't chrift te midden het hoofd:

MArtinus. LVTherus. ECcleiates. WITtenbergenis. Dat is:


Martyn Luther, prediker te Wittenberg. Boven 't hoofd taat :
xLVx LIx.

Lu*

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER.

ss

, b Luthers wapen, zynde een roos, waarop een hert,

en in

t zelve een kruis legt, nevens 't iaargetal van 1533 (n).
A A N M ER KI N G.
(n). Als ik 1698 te Nurenburg was, en het geluk had, het aan 't hoog
waardig Collegium Sebaldinum van wylen den Heer Johan Michael Dillherr,
geweze hoogberoemde Patoor en Bibliothecaris, welkers Afbeeltzel, als
eertyds Scholier in 't Vortelyk Hennebergche Gymnaium te Sleuingen,
in 't groot Auditorie aldaar opentlyk getoont werd, ten onvergetelyken dank
van zyne vrywillige tichtingen ten behoeve van arme Scholieren, nagela
ten Muntkabinet, by deszelfs Opziener, den Heer Dittelmeyer, welver
diende oude Prediker en Schaffer ter gemelde St. Sebalds-kerke, te zien,
zoo vond ik ook deze enkele Medaille in lood. Naderhand echter is my

dezelve netter van den vermaarden Medaillen-kenner te Gotha, Chritiaan


Wermuth, medegedeelt, zoo als hier te zien is.

a Het beeltenis komt met 't laattvoorgaande overeen , 't


omchrift echter luid: OS. ET. SAPIEnCI.Am. DABO. ###
V O BIS. CV I. NOn. POTERunT. COn Tra. DICE

RE. 2c. Dat is: Ik zal u mondende wysheid geven, welke niet

en zullen konnen tegenpreken (Lucas xxi. 15 (o)

. .

b Zoo als in 't laattvoorgaande, hoewel zonder iaargetal,


als 't welk in de voorgaande met een yzer getoken is. Ron
tom leet men : I N. SILENCIO. E T. SPE. ER IT.

FORTITUDO. VESTRA. ESAiae. 3o. Dat is: In


tilheid en in hope zal uwe terkte zyn.

A A N M ER K IN G.
(o) De letters LV. ZI. quamen my in den beginne zeer onduidelyk

voor, maar myne giing in de eerte druk van dit Werk is echter wel ge
weet, aangezien dezelve 't 21. Hoofdtuk van Lucas betekenen, zoo als
uit 't omchrift van deze laatte Penning klaar blykt, invoegen dat dezel

ve een Supplement in Heer Schlegels Munt-Bybel vertrekken.

$ 34
In sden iare 1534. geraakte Luther met

Erasmus van Rotter;

dam in eenen nieuwen twit (p), doordien echter dezelve meer


hare perzonen als de geloofs-artikels betrof en daarenboven #
2I)
-

66

EYE G OU DE EN Z I LV E R E

lang duurde, zoo is 't nodeloos, daarvan meer gewag te ma


ken. Hy gaf ook zynen getrouwen amptgenoot, Philippus
Melanchton, als hy wegens 't, gechil over 'th. Avondmaal na

Heen reisde, nauwe intructie, hoe hy zich zoude gedragen.


En nadat hy alle boeken van 't O. en N. Tetament in de

Luthers

Duitche tale had gebragt, zoo liet hy die overzetting by mal

overZct

ting van
't N.Te.
t2nmCIlt.

kanderen drukken, waarontrent het in den iare 1535, in een


gewenchten taat quam. Door dezen hoewel zeer zwaren arr

beid heeft Luther nevens zyne helpers de Evangeliche chri


tenheid een onuitprekelyk voordeel te weeg gebragt, om dat
't Woord Gods, dat voor den gemenen man tot nu verborgen
was, daardoor klaar en duidelyk tot tichting van een ieder
wierd.
weshalven dit 't grootte en gewigtigte
werk is, dat hy by de ganche Reformatie gedaan heeft, niet

tegentaande al 't geen zommige neuswyzen tot nu op eene


chaamteloze wyze tegen die overzetting, als gebrekkig en niet

authenticq, hebben willen inbrengen (q ).


A A N M E R K I N GE N.

(p) Scultetus in Annalib. Evangelicis.

Dec. 2 p.
464.

#g I44

(q) Merkwaardig zyn voor de hedendaagche Vitters dezer Lutherche


overzetting, de woorden van wylen Matheius in de dertiende prediking
van Luther: ,, Hiervan maak ik by deze vertaling gewag, ten einde ik
,, allen den genen 't woord preke, die in chritelyke en demoedige cen
voudigheid hedensdaags lezen, zich oefenen, en de H. Schrift onder

zoeken. Ik wil de voortander der geenen niet zyn, die alles verwer
pen, en niets beter maar alles hoe langs hoe limmer maken, dien onze
Doctor in zynen brief van de vertaling zeer grondig antwoord, welken

brief Doctor Wentzel Linck liet uitgaan. Vele willen hun oordeel try
,, ken, maar weinig zyn daartoe bequaam. De Doctor had by zyn leven
, veel Meeters en Beripers gehad, gelyk dan daarna een iong Doctor de

,, Duitche Bybel op den prediktoel met roeden heeft


zeg
In onze tyden hebben vele insge
, lyks ondernomen, 't O. en N. Tetament, en zommige de Palmen al

## 't beter zouden leren.

, 'leen in de Lateinche en Duitche talen te brengen, gelyk dan ook de


,, Joden de vyf boeken Mois eenvoudig, zoo als de woorden in 't He
,, breeuwch taan, hebben verduitcht en laten drukken. Schoon nu

, zodanige arbeid niet geheel en al is te laken, en de vergelyking der over


, zettingen voor naartige lezers goed is, zoo gaat het nogtans doorgaans,
, zoo als de Doctor in zyne Voorrede over de oude Lateinche Palmen

,
,
,,
,

chreef: Hy had gehoopt, dat de ionge Hebreten wat zonderlings en


treffelyks zouden aan den dag brengen, maar 't ging hem, zoo als den
Koning Salomon, die insgelyks wat fraais uit Indie verwachte, wanneer
men hem Apen en Paauwen bragt. De meeten gebruikten apen werk,

,, en bootten of den Rabbynen na of voorgaande overzettingen, of muk

# werk met Paauwe-veren, flanzende Hebreeuwch daaronder,


,, of chikten het op met Cicers woorden en preekwyzen, en vermink
,- ten het met
woorden. Zoo ver Matheius, die van eenen
zulken ybel overzettings-aap verder 't volgende verhaalt: ,, Doctor Jo
92.

I. c. pag.
145s

,, han Pomeranus hoorde zekeren tyd eenen prediker in Saxen, die las 't

,, Evangelie in Duitch uit een Griekch Tetament, myn Doctor, zeide


, hy, leet 't Evangelie eens uit Luthers Duitch Tetament, ik wed 't
zal

# gemaklyker voor u zyn.

Pag. 142. b. bechryft hy ganch

omtandig de wyze, welke Luther met zyne medehelpers, D. Bugenha


gen, D. Jutus Jonas, D. Capar Creutziger, Philippus Melanchton,
Matheus Aurogallus, M. George Rrer, D. Bernhard Ziegler, D. Jo
han Frter, en andere die alle weken 's avonds voor den eeten eenigeuuren
1In
-

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. - 67


in Luthers Klooter by malkanderen quamen, in 't overzetting gebruikt
heeft, hoe naauwkeurig hy na alles gevraagt heeft, en dat een Duitche
lager hem moet zeggen, hoe men alle delen aan een chaap noemde enz.
Van welke zorgvuldigheid ontrent de eigentlyke woorden Luther zelf aan T. 2. Fr:
Spalatinus chryft, en bid, om hem, ten einde hy de namen der Edelge p 55.b
teentens in 't 21. Hoofdtuk der Openbaringe Joannis by de vertaling 63 a 17t:
recht moge noemen, alle aldaar genoemde Edelgeteentens van 't Keurvor

telyk Hof, als mede by de Jagers de namen van eenige in O. Tetament


aangehalde dieren te bechikken. Voor 't overige is 't niet nodig, alle de
lofpreuken, welke van deze overzetting alomme te vinden zyn, alhier by
malkanderen te zoeken, aangezien het ten dele genoeg is, als ik ditmaal
lechts by de woorden van Matheius blyf, dezelve meld verder: ,, Dit is #s 14
,, een der grootte wonderwerken, dat onze God door Doctor Martyn Lu
, ter voor 't einde der werreld heeft gedaan, dat hy den eertgeboren Ja
, phiten kinderen, welke hy ook met de hoogte Kroon en Scepter op
,, aarde vereert, eene zeer chone Duitche Bybel laat toerechten, en ons
3, preekt en verklaart, wat zyn eeuwig Goddelyk wezen en genadige wil
, is, in goede en vertaanbaare Duitche woorden. Miniers, zeggen ook
, de buitenlanders, alze onder de menchen geweet zyn, en hunne land
, genoten vergeten hebben, preken goed Duitch, derhalven verwekte de

,, Zoon Gods eenen Duitchen Saxer, die gewandelt had, en Gods Bybel
,, in de Miniche taal bragt. Daarbenevens heb ik my billyk verwon
dert, dat zelfs een Franch Jeuit, Paulus Benier en Joeph Jutus Scali
ger Luthers overzetting hebben geprezen, te weten de eerte in de Voor
rede over AEgidii Menagii Origines oil Ditionaire Etymologique de la Langue

Franoie, fol. Io., daar hy door ons uit 't Franch overgezet, chryft:
, Martyn Luther heeft midden onderden arbeid, dien hy als hoofd van eene
,, party had op zich genomen, een Tractaat van den oirprong der eigen
,, namen by de Duitchen vervaardigt, en 't was te wenchen, dat hy over '
, de ganche Duitche tale iets had in 't licht gegeven, om dat hyze zoo
,, magtig was, als ooit eenig Aartsketter ( dit onvriendelyk woord zullen
wy van den Jeuit niet qualyk nemen), zyne aangebore praak weten kan
,, of moet, als hy zyne gevoelens aan anderen wil mededeelen, hy zoude
, zonder twyfel deze materie van de Chronologien , of oorprong der

, woorden, met dezelve cierlykheid, die in zyne chriften, ia zelfs in


,, dwalingen (na 't gevoelen van den Jeuit), zoo zeer doortraalt, on
, derzocht en uitgevoert hebben. , Scaliger heeft zich laten verluiden,
en opentlyk bekent, dat hy al zyn Duitch enkel en alleen uit Luthers
chriften geleert had, hoewel hy dezelve op eene # aadaardige onbedacht
zame wyze met vele injurien en

niklad,

in Scaligcranis. #**
. IX.

Voor 't overige weet men, en word zoo wel in Luthers chriften, als van fol. 138e.
D. Salomon Gener in de te Wittenberg 16o2 gehoudene Academiche Jubel
prediking, en van Matheius verhaalt, dat Johan Bugenhagen, byge
l. c. pag.
naamt Pomeranus, den dag, waarop de gehele overzetting aan den Druk I4 I. #
ker wierd ter hand getelt, met de zynen plegtig geviert heeft, en dat hy
zulks Fetus Bibliorum of Bybelfeet pleegde te noemen. Zie hier van ook
pag;
den geleerden Heer Antoine Teiier in zyne Eloges des Hommes Stavans, T.I.
127.
Aldus meld ook de eertyds te Leipzig vermaarde Profeor D. Andreas Ri
vinus in zyne Oratie 164o ter gelegenheid van 't twede Jubeljaar der in

Duitchland uitgevonde Drukkont, dat naamlyk Johannes Luft, Druk


ker te Wittenberg, de eerte geweet zy, welke de ganche Bybel, door
Luther vertaalt, gedrukt hebbe, en deswegen alle jaren op Witten-Don
derdag deszelfs naam op een briefje gechreven, van den Paus verbrand zy,
en dat de Drukker, om te tonen dat hy nog leefde, en in zulk een blind

vuur groten dort leed, ter bepotting zyner vyanden, pleegde alle jaren
op den gemelden dag zich met een wakkeren dronk wyn te verquikken.
Alzoo ik deze gechiedenis wel juit niet in twyfel wil trekken, zoo is
nogtans Johan Lufft mynes bedunkens de eerte niet geweet, die de Duit

che Bybel van Luther heeft uitgegeven, want ik heb zelfs onder myne
weinige boeken eenen Bybel in folio, welke Johan Lufft 1544. gedrukt
heeft met fraic en aardig afgezette r: op hout geneden, van Sebaldus
Z
"

CR

- D E G. o U DE EN ZIL v E R E

68

en Leonardus Munterer, gebroeders, en Sebaldus Munterer, zonen van:


den Rechtsgeleerden van dien: naam, aldus afgezet. Voor aan taat 't beel
tenis van Johan Frederik, Keurvort van Saxen, en 't privilegie, door den
zelven op donderdag na Petrus hechtenis 1534 aan drie Wittenbergche
si
Boekverkopers verleent, te weten, Maurits Golts, Bartholomeus Vogel,
- en Chritoffel Schram, uit hoofde van 't welk hen geoorlooft was, te druk
ken (want toenmaals waren de Drukkers met eenen Boekverkopers, zoo
als nog iegenswoordig in Holland) en te verkopen de ganche overzetting
der Bybel van Luther, voornaamlyk echter ook zyne Duitche Palmen,
't N. Tetament in klein formaat, Syrach en de Potillen, weshalven ik

acht, dat 't gevoelen der gene, die Lufft voor den eerten Uitgever van

''

den Duitchen Bybel houden, niet al te vat gegrond is, tenzy de gemel
de Boekverkopers hun privilegie aan den zelven hadden verkoft, 't welk ik.
andere laat onderzoeken. Die ecne ouder Drukder Bybel heeft, dan de my
ne is, kan zulks met den eerten oplag zien; my is tot nu gene van Luft
voorgekomen, die ouder dan de myne is, die my zoo veel te aangenamer
is, om dat onder anderen Vitus Winemius, D. Jutus Jonas, Johannes
Marcellus, Mag. Bechinger, D. Johan Frter, D Joachim van Brut,
D. Martinus Mirus, D. Georgius Mylius, D. Michael Wirth, D. Ae

gidius Hunnius, D. Polycarpus Lyerus en vercheide anderen, die denzel


ven eertyds gehad hebben, met hunne eige hand eenen gedenkpreuk heb
pag. 467 ben daarin gechreven. Daarenboven pryt de Heer Johan Jut Winckel

468,

man, Hoog-Vortelyke Heiche Raad en Hitoriographus inzyne Notitia


Hitorico-Politica Veteris Saxo Wetphalide finitimarumque Regionum deze over
zetting van Luther met nadruklyke woorden, maar haalt ook aan Stepha
nus Haan Memoria Secularis Tranlationis Bibliorum Germanice Latheri, welke
ik echter tot nu niet gezien heb. Iets aardigs moet ik nog tot beluit van
deze aanmerking uit de Schneebergche kronyk op eene aangename wyze in ee

pag 3 42

nige predikingenbegrepen, door Chritiaan Meltzer, Prediker te Schneeberg,


verhalen: ,,Als Keurvort Johan Frederik,Chritmildter gedachtenis, chryft
,,hy, D. Luther voor 't geluk en ten dank voor de moeite, dat hyde Duit

,,che Bybel voor de Drukperze gereed had,eenen Kux in de nieuwe mynten


, Vorten-Verdrag alhier, om dat hy een mynwerkers zoon was, aanbood,
, zoo dankte hy op 't onderdanigte en hoogte, en wilde de Kux niet heb

, ben, zeggende, de duivel is een vyand van my, dezelve mogt 't erts om
,, mynentwille door Gods toelating afnyden, en dan zouden de andere groe
,,ven om my ook moeten lyden, 't pat my veel beter, dat ik een Vader

#
pag. 56. Johan Frederik Mayer heeft de ganche Chronologie of Tydrekening der By
,, Onze bid, ten

57:

erts beta, en de winten wel beteed werden. D.

belche overzettingzdo wel in zynen ontervelyken Luther, als in den Commen


tarius de Hitoria Verionis Biblice Lutheri uitgevoert, by 't welk echter voor
naamlyk mag gelezen werden, 'tTractaat des geleerden Predikers M. Joh.
Melchior Krafft in den iare 17oy. uitgegeven, onder den titel: Emendanda
&# corrigenda in Hitoria Verionis Germanice Bibliorum Lutheri D. Joh. Fr.
Mayerij, als waarin dezelve onder andere nette waarnemingen ook van ons
gevoelen is, dat naamlyk de eerte uitgave der ganche Bybelche overzet

ting van Luther in den iare 153r. gechied zy, terwyl D. Mayer 't iaar
15 34. daar voor telt.
S. 35.
1535'.

Om dienzelven tyd wierd Petrus Paulus Vergerius, Bichop

#
van Jutinopel, van den Roomchen Paus na Duitchland aan
geprek
r,'

#ver- de proteterende Standen gezonden, om hen te verzekeren ,

zerium

dat de Paus iegenswoordig van zins was, te Mantua in Italie

een Concilie of vergadering der Geetelykheid te beleggen, om


de mertelyke wonde der chritelyke kerk te genezen, daarby
voegende, dat men zonder bedrog of valsheid met hen zoude
te werk gaan. Ten einde ook om alle hinderpalen uit den "#

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER: c,


te ruimen, begaf de Bichop zich zelfs na Wittenberg tot Lu.
ther, en was met hem over deze zaak lang in geprek. Lu
ther echter was al te vertandig, dan dat hy zich door zulke
bedrieglyke chynwoorden om den tuin zou hebben laten ly
den, en de waarheid van zyne here aan de uitpraak van een

partydig Concilie, waarin de Paus en klager en Rechter zout


de zyn, verblyven.

Hy toonde zulks ook den belanghebben

den Vorten en Standen op 't duidelykte, en maakte daardoor,

dat dit gezantchap, dat Vergerius (r) op zich had genomen,


vergeefs was. Behalven dit vond Luther in dezen iare 1535.
nog twee redenen, om de pen op te vatten. Hy wierd naam
lyk gevraagt, wat hy van de echtcheiding van Hendrik VIII.
Koning van Engeland, van zyne gemalinne Catharina, oordeel
de, en handelde daarenboven met deszelfs Gezanten over ver
cheide

geloofspunten (s).

Doordien ook uit 't School van

Muntzer en Storch, waarvan hierboven gewag is gemaakt ,

-,

't

alomme in Duitchland en de Nederlanden een gevaarlyk We- .

penet van Wederdopers en diergelyke godloze gezinte onttont, en zelfs de Saxiche landen voor dezelve niet vry che
nen, als welker leringen zoo wel van een nieuw en heilig ryk

.'

droomden,
op de uitroeying
derhunne
Overheid
doeldenoverquaen men
de
reeds eensalsgedoopten,
als ze tot
gezindheid

men, andermaal dopen moet, weshalven zy ook Wederdo

pers genaamt wierden, zoo vielen eenige vyanden van Luther


op de chandelyke gedachten, dat hy gelegenheid tot zodani
gelere en onrut gegeven had. Hy verdedigde zich echter op
eene wyze, datze teenemaal wierden uit 't veld gelagen. Van
welke toffe veel Schryvers wydlopig gehandelt hebben, de
penningen echter, op de toenmalige Wederdopers gelagen ,

komen tegenwoordig tot ons voornemen niet te tade, a

A A N M E R K 1 N GEN.
(r) Johannes della Caa, Aartsbichop

Benevento, heeft een Li-

van

teinch Tractaat tegen dezen Vergerius gechreven, dat Ae

- --- t

idius Menagi

us 't Twede Decl van zynen Anti-Baillet heeft ingelyft. 'Heer Gotfried

Arnold zegt, dat deze Vergerius doorgaans wel onder de gene werd gere
kent, die op eene byzondere wyze bewogen zyn, van 't Pausdom af te
gaan, dog dat hy acht, dat dezelve behore onderden rang der gene, wel
ke zich eigentlyk voor generhande gezindheid hebben verklaart, zonder
twyfel, om datze alomme zoo vele gebreken bepeurt hebben.
65. A.
-- -t,

*-

--

(s) Seckendorff, Lib. III. s. 39 |

5. 36.
, "

ka

. .

P. #f fol.

i in

::

: je :

::

: ::

. . ..

. . . . ... .

tja

Midlerwyl wanneer de Keizer van zynen krygstogt in Afri- 1536,


: #, was hy # acht, om 530,

een Concilie tot het afdoen der gechillen, te doen beleggen.


Doordien echter de protetanten daarop bleven taan, dat het
Concilie vooral vry n in de Duitche landen zyn moet, en de
Paus zulks onmogelyk knde toelaan, zoo hy anders #
vaar wilde lopen, om zyne zaak te verliezen, zoo was alle stryd van

moeite vergeefs. Veel# echter wierd in dezen iare #


afgedaan het verchil, dat
-

tot en tuchen D. Lutherus "E: #


3

Mar

D E G o U DE EN

7o

ZI L V E R E.

Martinus Bucerus en derzelver aanhangers geweet had, om


dat ze alle een zeker vereenigingsformulier tekenden, hoewel

de Switzerche Godgeleerden op hun tuk bleven taan, en zich


naderhand nooit met Bucerus hebben vergeleken. In dezen
iare 1536. bechonk de Keurvort Johan Frederik zyne Univer
iteit te Wittenberg met de inkomten van de Domkerk aldaar,

en verbeterde aldus door zodanige mildadigheid de bezoldingen


der Hoogleeraren. Terzelver tyd wierden Luther en Philippus
Melanchton van alle Akademiche verrichtingen en openbare
leen ontheft, en hunne bezoldingen tot op drie hondert gul
dens vermeerdert ; 't welk wel in opzichte van deze tyden,
nu alles duur is, weinig chynt, maar toen voor eene grote
gifte gerekent wierd (t)
7

A A N M ER K IN G.
L. III.

fol, 142.

(t) Heer van Seckendorff, wat aanbelangt de tryd van Luther met Bu
cerus, daarvan heeft de geleerde en vrome Heer Martyn Dieffenbach, pre
diker te Frankfort aan den Mayn, in eenen lezenswaardigen Zendbrief aan

b.

D. Adam Rechenber, Hoogleeraar te Leipzig, van 't leven en chriften


pag. 13.

van Martinus Bucerus, in deniare 1697 gedrukt, omtandig gehan

delt.

%). 37.
15.37.

Vergade ring te

In 't volgende iaar 1537, wanneer de Keizer voornaamlyk op


een Concilie drong, en den Protetanten wierd bevolen, hun

Smalkal
den.

gevoelen met duidelyke woorden te verklaren, zoo wierd te


Smalkalden, eene

# van Heen en Thuringen, wel

ke eigentlyk onder 't Vortelyk graafchap Henneberg behoort


(u) en van Melanchton chertswyze met de yzeren taalryke
Chalcide of Vulcania der ouden, wegens de vele yzerwerken al
daar, vergeleken is, van de Vorten en Standen eene vergade
ring belegt, (x) midsgaders Luther en Melanchton van Wit
Luthers
ziekte.

tenberg nevens andere Godgeleerden derwaards beroepen , on

## de beraadlagingen in den beginne daar


niet weinig, werdende door de onverwachte ziekte van Luther
aan den teen veel achteruit gezet, aangezien hy niet in taat
was, om dezelve by te wonen, ia zich tegen den zin der Stan

den, van Smalkalden moet laten wegbrengen. Dat hy echter


daarin wel heeft gedaan, is wel haat gebleken, om dat hy
zich den volgenden nacht weder beter bevond , midlerwylkon

de men in zyne afwezenheid over de nogtrydige leerpunten


niet recht diputeren, en den Keizerlyken Gezant wegens 't
Concilie,wierd een zodanig antwoord gegeven, dat de prote

tanten weigerden, 't zelve by te wonen, om dat ze zich daar


niet veilig oordeelden.
de

Daarbenevens wierd aan de aanwezen

Godgeleerden bevel gegeven, iets van des Pauzen magt op

te tellen, zoo als Melanchton dan ook deed, ter zelver tyd
liep men de Augsburgche Belydenis andermaal door, en ieder
Godgeleerde moet zeggen, of hy ook nog iets daarby te erin

neren had. Dog doordienze niets daarop te zeggen vonden ,


'Smal

kaldche

agtikels.

zoo tekenden zy gezamentlyk den 24 February, de artikels,

welke van dien tyd af de Smalkaldche Artikels genaamt *#


- -

- -

* **

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER - zi's


De Vorten en Standen echter hernieuwden de alliantie, waar

door dezelve ook 't Smalkaldche Bont genaamt wierd (y),


waarop deze plechtige Vergadering cheide (z).
4

A A N M E R K 1 N G.

(u) Hiervan word uitvoerlyk gehandelt in myn groter Werk, dat ho


pe ik, ten eerten na geindigde eenure in 't licht zal komen, onder den
titul: Eere van 't Vortelyk graafchap Henneberg. .

. . . . .

..

(x) Te Smalkalden op den zoogenaamden Pottenmerkt op den hoek van


een teegje, daar men na 't Vortelyk lot toe gaat, ziet men een nieuw op
gehaalt huis, dat den koopman Stiefel toebehoort, alwaar boven in den

gevel in witten teen nevens eene zwaan, zonder twyfel op Luther zinpe
lende, deze woorden gelezen worden:

- .

VE R GA. DE R I N G S
H U IS DE R
E VA N GE L I SC H E ST A N; D. E N

E N

GO D GE LEER DEN BY VERVAARDIG IN G DER


S M A L K A L ID SC H E A R T IK E L EN
A N N O

M D X X X V I I

(y) Die de chetzender gedenkpenningen zien wil, Johan Frederik,


Keurvort van Saxen, en Philip, Landgraaf van Heen, als Overten van

't Smalkaldche Bont van den iare 1535 tot 15.45 hebben laten laan, en
alle iegenswoordig zeer raar zyn, kan Heer Tentzels Saxiche medaillen
hitorie van de Ernetiniche linie, eerte Deel van de zevende tot de elfde

tafel nalaan, midsgaders de Hamburgche remarquen 17oz. pag. 33. zoo


zal hy zyne nieuwsgierigheid tot genoegen voldoen. Merkwaardig ech
ter is, dat in den eerten Smalkaldchen Bonts-Daalder, in den iare 1535'
gelagen, by 't bortbeeld van den Keurvort 't cyfergetal drie verkeert
taat, zoo als de chets by Tentzel aantoont.

(z) Heer van Seckendorff, Vita Melanchtonis, Vita Spalatini in 't ##


Volumen
Dreerianum,
waarvan
in onze
voorrede
word gewag gemaakt,
i,##.
als onder anderen,
dat Luther
na zyn
vertrek
van Smalkalden,
te Tam-q,
e

bach, een groot dorp in 't Thuringer Wald, tuchen Smalkalden en Go-17e. pag;

tha, van zyne heftige ziekte, die alsnog aanhield, met 't eeten van eenen '5* *
verchen haring en erweten met lang nat merkelyke verlichting gekregen
had. Hiervan word in 't IX. Deel van Luthers Schriften, aldus ver-fol '574,
haalt : Op deze plaats was Luther aan den teen dood krank, en de Keurvort * b.
johan Frederik liet hem met zyn eigen rytuig na Wittenberg brengen. Wan
meer hy uit Smalkalden was, keerde # zich om, zag de tad bedroeft aan,
en zeide : Impleat vos Deus odie Papae. Dat is : De Hemel vervulle u met

haat tegen den Paus. Van welke woorden D. Johan Frederik Mayer,
toenmaals te Hamburg, in deniare 1699. eene byzondere diertatie ge

chreven heeft. Wanneer hy te Tambach quam, beterde hy, en 't water, dat

elf dagen vertopt was geweet, raakte hy quyt, zoo als hy zelf aan Melanch
ton gechreven heeft, en noemt dit dorp derhalven in dien brief zynen Phanuel :
Ex Tambacho, loco benedictionis mee , haec et mea Phanuel, in qua apparuit
mihi Dominus. Dat is : Uit Tambach, de plaats van myne zegeninge ; deze

is myn Phanuel, daar de Here my verchenen is. Als hy na Smalkalden wilde


reizen, keerde hy met zynen reisgenoot te Altenburg by Georgius Spalatinus in,
en maakte deze verzen :

Ut tua unt Chrito gratiima fatta, Georgi


Sic it grata cohors hec peregrina tibi. . .

. .

Tendimus ad celebrum pra notro Chalcida caetu,


Magna Dei cogit, caua per ituditer.

,'

Tu quoque notrarum pars magna, vir optime rerum,

Nobicum venies duxque comeque vie.


*

-- -

Dat

7,

DE G o U DE EN ZI L v E RE
Dat is:

- -

Spalatinus, gelyk uw doen Gode wel behaagt, zoo mogen uwe gaten
u ook aangenaam zyn. De Vorten hebben ons ma Smalkalden beroepen,
dog 't oogmerk van deze reis raakt Gods eere alleen. Gy zelf zult met ons
gaan, en ons derwaards verzellen, midsgaders door uwen raad de lagen
der vyanden verydelen. Wanneer hy nu van Smalkalden weder terug
quam, nam hy zyn verblyf weder by hem, en maakte deze verzen:
Chritus in infirmo venit heic, Spalatine, Luthero,
Et tua, pro requie, teta benigna petit.

Quid quid huic facias, factum ibi iudicat ipe,


Qui nos membra ui corporis ee docet.
Dat is:

Hierin den zwakken Luther komt Chritus zelf, en verzoekt tot zyne

rut, uw gezegent dak. 't Geen gy Spalatinus hem doet, zal hy achten
aan hem zelven gedaan te zyn, die ons leert, dat wy leden van zyn lichaam
ZWIl.

"be. verzen zyn genomen uit den eerten Tomus MSS. waarin Luthers
Schriften en Zendbrieven onthouden, zyn, welke D. Bertram, geweze Opper
Farheer te Naumburg, my j. C. S. (Johan Chritfried Sagittarius) heeft
medegedeelt. Zoo ver uit l. c. Voor 't overige heeft ook Jacob Andreas
Graulius een kort bericht gechreven, en 1617. te Leipzig laten drukken,
hoe de zalige Man Gods Lutherus zich in zyne ziekte anno 15 37. te Smalkal
pag. 7o. den gedragen heeft, 't welk de Heer D. Mayer in zyne bovengemelde Di

ertatie en in zyne Onterflyken Luther, aanhaalt.

Tot dezen jare 1537 behoort de volgende gedenkpenning,


op den welken te zien is:

a Luthers afbeeldzel in Prietergewaad, met beide handen


den Bybel vathoudende, nevens 't omchrift : DOCTOR.
MARTINUS. LUTHER US. PROP HET A. GER

M AN IAE. Dat is : Doctor Martyn Luther, Profeet van

Duitchland, (a] 1537.


b Luthers wapen, naamlyk eene Roos, nevens een hert in

't midden, met een kruis daar boven, welk wapenchild door
twee Engelen werd onderteunt. Rontom leet men: IN. SI

LENTIO. ET SPE. ERIT FORTITUDO. vES


TRA.

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER.

73

TRA. M. D. XXXVII. Dat is: In tilheid en in vertrouwen


zal uwe terkte zyn, 1537.

A A N M ER K 1 N G.
(a) Van Luthers Profeteringen, en hoe dezelve zoo net vervult zyn, ic pag:
handelt Matheius. Van dezen penning heeft Heer Schlegel my nog eenen 179 88
chets medegedeelt, waarin echter geen ander ondercheid is dan dat Luther

zonder boek gezien word.


S. 38.

ve

Het zal echter niet tegen ons betek chynen, als wy ook de #*
#
laten volgen van de gene, die Luther zoo wel in 't #e
eformatie werk, als door hunne goede kunten en wetenchap- van Lu

en behulpzaam geweet zyn of deszelfs gevoelen tegengepro- "

# hebben,

ten einde hun naam daar doorinsgelyks aan de ver


getenheid ontrokken werde. Men chynt immers altyd ver
maak te cheppen, als men beeltenien van vermaarde Helden
of Kontenaars ziet, en aldus hope ik, dat 't niet minder aan

genaam zal zyn, dezelve alhier ook te plaatzen, zoo als ik ook
doe zonder order, na mate datze my in handen zyn gekomen,
te meer om dat ik verzekert ben, dat de weinigten aan een
ieder bekent zyn. Men zou er nog wel meer hebben konnen

bybrengen, dog doordien ik geen moeite heb gepaart, om de

zelve op te zoeken, zoo kan ik naar allen vermoeden by de ge-

'

ne ontchuldigt zyn, die zelf bekennen, dat of ten tyde van


Luther de beeltenien van levendige mannen niet op penningen

gedrukt wierden, of dat 't my onmogelyk is geweet, alle de


hier en daar verborgen leggende gedenkpenningen uit hare
duiternis te halen.

"

Diensvolgens is onder dezelve boven aan te zetten, de gene, #"


welke Luthers gedachtenis en die van zynen getrouwen medehelper, D. Jutus Jonas, vereeuwigt. Dezelve voert:
-

* Luther, welkers hoofd met eene barette of hoed gedekt


is ,,mitsgaders 't omchrift: D. MARTINUS LUTHER

AETatis SUAE 55. IN

SILErio

ET SPE
-

##
FOR

74

DE G o U DE EN ZI L v E R E

FORTITUDO VESTRA. Dat is : D. Martyn Luther


oud 55 iaar; in tilheid en in hope zal uwe terkte zyn (b).
b Chritus aan 't kruis , welkers voet op 't hoofd van eenen
Walvich taat, die met opgepalkte kaken na eenen man hapt,
welke op de knien voor den zelven legt, en met opgeheve han
den bid. Het omchrift luid 'aldus : 1 N EU M SPE RA

VERE SEM PER. Dat is : Stel uwe hope altyd oprecht in


hem (c). Of, Zy hoopten op hem altyd, als men naamlyk 't
woord SPER AVERE by malkanderen trekt.

A A N M ER K IN GE N.
(i) De beneming van 't hargetal van Luthers onderden toont khar,
- dat deze gedenkpenning in den are 1538. of 1537. gelagen zy, hoewel
Heer Tentzel in zyne fraaic Bibliotheek 17c4 pag. 386. 'tiaar van 15.37.

by name noemt, en beweert, dat D. Jonas hem na zyne terugkomt van

Smalkalden en hertelling van de zware krankheid met deze gedenkpenning


heeft willen geluk wenchen, 't welk niet tegen myn gevoelen is.

(c) De eerte letters der Lateinche woorden : In Eum Spera Were Sem

'per, by malkanderen getrokken, maken den naam uit van JESUS. Voor
't overige behoord deze

# zonder twyfel op de bovengemelde wyze

aan D. Jutus Jonas, die een getrouwe medehelper van Luther in 't werk
des Heren, en laatt Superintendent te Halle in Saxen geweet is, waar
van omtandiger word gehandelt by D. Johan Olearius in zyne Holtgraphiu
of Halfche Kronyk , midsgaders M, Johan Chritoph. Olearius, Prediker
te Arntad, in zynen Evangelichen Liederchat, alsmede Jacob Verheiden
P. II pag. in Vita Jutifone, welk chrift door D. Mayer in zynen Onterflyken Lu
m. 47. q.
Pag 35.

her word aangehaalt. Het belet niet, dat op de eerte zyde van dezen
ehning Luthers beeltenis word gezien, om dt 't revers zonder #
ken op b. Jutus Jonas doelt, ten dele om dat 't beeltenis van den Prof
Jonas, die drie dagen in den buik van den Walvich gelegen, en Chritus
-

in 't graf verbeeld heeft, heel eigentlyk op den naam van Jonas , die den
overleden Chritus aen 't kruis aanbid, pat, en voor 't overige hem heel
-

pag. 262,

veel gelykt, zoo als Slegel in zynen Mantbybel, door 't tegen malkanderen
houden met 't afbeeltzel van D. Jonas, heeft aangemerkt, ten dele ook

en voornamentlyk, om dat ik by geval in de Zendbrieven van Helius Eoba


pg.

31.
32-33

nus Heus en andere vermaarde mannen, door Joachimus Camerarius 1561


te Leipzig by malkanderen verzamelt, en van M. Ernetus Voegelinus in
8. gedrukt, Eobanus lofpreuken in verzen heb aangetroffen, welke hy
over de wapens en zegelringen van eenige geleerde mannen dier tyd zeer

fraai heeft gemaakt. D. Michael Mayeberg, Borgemeeter te Northau


en, heeft dezelve laten aftekenen. Onder dezelve vind ik ook, dat 't

Symbolum of wapen van D. Jutus Jonas geweet zy, cen Walvich, die
Jonas inlokken wil ; gelyk ook de meergemelde Heer Slegel 1. c. betuigt,

op 't zegel van vele brieven van D. Jonas te hebben aangemerkt, en ter
zelver tyd een Lateinch vers van Johannis Schoerus Aemilianus, geweze
Rector ter chole te Schleuingen, eer 't tot een Gymaium verheven is, en
naderhand Keur-Brandenburgche Raad en Hoogleeraar in de welpreken
heid te Frankfort aan den Oder, uit deszelfs Liber de inignibus Clarorum

virorum aanhaalt, welk alles deed geloven, dat de gemelde penning hem
toebehore. En doordien de bovengemelde Elogia of lofpreuken iuit niet
in ieders handen zyn, weshalven dan de Heer Tentzel dientig geacht heeft,
eenige in 't eerte Supplement van zyne Hitoria Gothana Addita by te voe
gen, midsgaders zommige van dezelve een helder licht aan de navolgende

penhingen geven, zoo zal ik ze alhier in de Lateinche tale met de verta


ling daarneven, mededelen.

: :

- -- -

i.

ARA.

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER:

75

A R A. Een Altaar.
johannis Reuchlini eu Capnionis.
Ara potens fumo Monachos evertere Picas,

Quid faciant flamme i imul emincant?


Dat is :

Kan de rook van 't Altaar de luije vogels wegjagen, wat zal er dan wel
gebeuren, als de vlam eens komt door te breken.

De God T ER M I N U s.
Van Eramus van Rotterdam.
Tcrmine, cum nulli Divm conceeris olim,
Fumida curedes occupat ara tuas?
Dat is :
'

Doordien gy Grensgod alle Godenordens zyt gelyk geweet, waarom is


op 't rook-altaar nu uw beeld geplaatt?

C Y GN U S. Een Zwaan.
Eeobani Het.

Cygne, quid audaci nimium petis alta volatu?


In tagnis poteras delituie tuis.

Dat is:
-

* * *

. --

* . . .

Wat heeft u vermetele Zwaan in de hoge lucht gedreven? gy waart ze


kerlyk beter in uwe vyvers verborgen gebleven.
R O S A

C U M

C R U C E. ' Een Roos met een kruis.


- ,2

Martini Lutheri.

Crux conjuntta Roe, mens et & vita Lutheri,


Delicias notat hacc , illa jugum domini.
Dat is :

Een kruis by de Roos gevoegt is de zin en 't leven van Luther, de eer
te betekent zyn hertzeer en de twede zyn vermaak.

..

s E R P EN S C R U C 1 F 1 x U s. Eene gekruite slang


Philippi Melanchtonis. (*)
Angue gravisquondam crux omnes perdidit angues,
Crux gravis humanum reddidit una genus.
Dat is :
-

Gelyk de Slang aan 't kruis eertyds genas 't gift van alle Slangen, aldus
heeft de Heer aan 't kruis 't heil van alle menchen getigt.

(*) Hieruit gis ik, dat de boven by 't iaar 1528 voorgetelde gedenk
penninga op
Melanchtons
order gelagen
weder
te Wittenberg
quam. zy, wanneer hy in 't gemeldeiaar
-

van Jen

3q

: 2.

CON3

76

D E GO U DE EN ZI L v E RE
C O N T I G NA T I O.

Balkwerk.

Conradi Mutiari Rufi (**)


Rufus, imaginibus clarus quoque, clarior auten

Ingenio, igno vel ine, notus erat.


Dat is :

Het gelacht en 't vertand maakt onzen Rufus bekent, choon zyn
wapenchild niet in de werreld was.

(**) Van dezen Mutianus Rufus heeft de Heer Tentzel in 't boven
aangehaalt Supplement vele merkwaardigheden bygebragt.
C. O R N U.

Een Hoorn.

Croti.

Summa aluti ferae coniunta potentia paci


Signa Dei, meruit dottus habere Crotus.
Dat is :

Crotus heeft tot een wapenchild de Hoorn des Heils verkozen, der

halven word hy ook met recht onder de gene getelt, die God lief heeft.

C E T U s. Een walvich.
juti jone.
Prodidit hoc ignum tarde credentibus ille,
Cujus habet mortis pieta figura typum.
Dat is:

Den langzaam gelovenden heeft dit teken vertrekt, die van den dood
des Here zelf een choon voorbeeld was.

U L RIC I AB HUT TE N. Wapenchild.


guod gentilitiis poet prieponere ignis,
Hutrenus, Muis gratia junttafuit.
Dat is:

Geleentheid ende heusheid moeten Hutten


aan zynen adeldom niets is te beripen.

zelfs adelyk maken, choon


v

L AU R E A. Laurierkrans. (***)
Georgii Spalatini.
&

Sancta triumphantes quae cingit laurea crines,


Temporibus prefert te , Spalatine, tuis.

Gelyk de laurierkrans 't hair der zegepralenden omvat, zoo moet uw


hoofd ook, Spalatinus, daar mede pralen.
(***) Meer zinpelende tekens van zegelringen van dezen Spalatinus,

# Heer Schlegel ten einde zyn Vita Spalatini in hout geneden, voor
getelt.

, 'A . . . )
-

w-

- -

Ci

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER,

27

Ciconia. Ooyevaar.
Petri Moellani.

Inigni pietate gravi virtute, Moella


Gui ait, hanc tetem ume utriuque loco.
Dat is:

Neem den Ooyevaar, zegt de Moezel tot haren zoon, ten teken van
godvruchtigheid, en verwacht 't loon.
**

Aper. Een
wild Zwyn
Petreii.

Ut metuendus Aper confidit fulmine dentis,


Ingenium petreii fulmine iutar habet.

Dat is:

Gelyk 't Wildwyn zich door zyneylyke tanden doet vrezen, zoo doet
Petreius zulks door zyn voortreffelyk vertand.
CAPUT FOEMINIUM. Een Vrouwshoofd,
Guilielmi Neeni.

Maior ut emineat titulis contraria virtus,


Pro igno mulier, dotte Neene, tibi et.

, ,
-

Dat is:

Ten einde uit 't tegendeel de deugd te meer uitblinke, zoo heeft de ge
leerde Neenus een Vrouwshoofd tot een teken verkozen.

---- *

PILATUS.
Georgii Helli Vorchemii.

Itane Pilati, qua ignas, Paete, figura et?


Quem patriae affingit garrula fama tue. (****)
Dat is:

Is dit Pilatus afbeeltzel in uw wapen ? zoo komt zyn vaderland met


UIWCn naam OVCTCCn.

(*** ) Het is bekent, dat men voorgeeft, dat Pontius Pilatus te


Forchheim, iegenswoordig een tamelyke vate tad, tuchen Bamberg en
Nurenberg in Francken gelegen, geborenzy, en dat men aan eenvoudige
reizigers pleeg diets te maken, dat de broek van Pilatus nog heden dezen
dag daar bewaart en aan de liefhebbers getoont wierd, terwyl men herte
lyk
over hare onnozelheid lagte, als zodanige die broek verzochten te
zien.
w

ANA STASIS. Chritus optandinge.


Draconis.

K3

Signam

,s . DE G ou D E EN z I L. v E RE
Signum Avas&rees Draco fortis imagine, quidquid
Acceptum Chritoforte referre valet.
Dat is:

Verlaat Draco zich op Chritus optandinge, zoo heeft hy wel gedaan,


dat hy dezelve tot zyn beeld genomen heeft.
C O R N I C E S. Kraaien.
: r.

Joachimi Camerarii.

'Cornix Cecropiae Divae olim grata volueris,

Die age, curignum nunc, Joachime, tuum et?


Dat is:

De kraai was voor dezen voor de Godin der wysheid eene aangename
vogel, ei lieve Joachim, zeg, waarom is ze nu uw teken?
Kvvox4aag'.

Hondshoofd.

Euricii Cordi.

Trunco hominis jungit caput ita figura Caninum,


Niloum in igno Cordi hieroglyphium.
Dat is :

Cordus heeft van de Egipters eene figuur tot een wapenchild ontleent,
wanneer hy op den romp van een mench een hondshoofd voegt.

Dus ver gaan de lofreden.

Philippus

Nu volgen acht penningen, die ten dele ter eere van Luther en Me

Melanch-lanchton zamen of van den laattgemelden alleen, gelagen zyn, als de ge


trouwte medehelper van Luther, en wegens zyne geleertheid by alle gelet
(On),
terden van Duitchland, midsgaders door zyn doorkneed vertand en onge
mene zachtzinnigheid van voorname Mogentheden, en derzelver eerte

Miniters, hooggeacht en met hunne vertrouwelyke briefwieling ver


CCTt,

De eerte van die penningen voert:

(Azzs aze&azzzzzzzzz/czs
_Aver'

###%.

Qazzzzzzzz, zacz/Z-s

Zace W

Z%e, zzzzs cyzzz:

%#%
- ZeZzz:

. --

0erzo Zu-vgezaas J/22 zes


camz AZetas ca,
SzZzzzzs, 'ze/Zs ca/
zz rzezzzzzz Zvezz

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER 75


a Zyn afbeeltzel, met 't omchrift: EFFIGIES. D. PHI
LIPPI. MELANCHTONIS.

b Deze woorden:

" "

. .. .

, Natalis D. Philippi Melanchtonis. .

-A

\'

kan

Udus agekaturpicis per idera Pharbus, v

...

Qua natus gracilis luce Philippus erat.


D. Philippi
Melanchtonis.
VernoObitus
'Luxurians
filrgis 'cum
Pleas ortu,
Sullatus , tellis culta theatra ptit (d).

v,

- - - vr ev
-

u
I -

- -

. . . .

--

--

' ..

Dat is :

-,

"

* -

3 e ,

t",

- A

,,Geboortedag van D. Phil. Melanchton, . .

Wanneer
Zon in 't teken van de Vich ging,
Wierd
dede
zwakke Melanchton eboren.

fs

Sterfdag van D. #Phil. Melanc nton.


Als de zeventar in de lente opquam, 7
-

f: ' . .

'I - -

- . *

A 'N
2

AAN

- -

"-" ,

N MER 'KT [ G.
- -- --

. . . . . . 2!

aos

Wierd Mc### in #g horen.

J. uit

wo 3'

zij

-- -

of

&#

(d) Als
te letters van de twee eerte verzn by makinderen
heemt, zoo makenze uit 1497, 'in welk
geboren is, in

de twee andere verzen echter 't getal##563, toen hy getorven is. Hy


word gracilis, teer van geteldheid gehaafit, om dat hy heel zwakke yk
was. Joachims Camerrfus heeft de zelfs # fraai bechreven, en
is van ## Europa vermaardei,

en in deniaig i899 ooverleden

Frederik Berdictus Carpzovitis, Raadsheer te Leipzig en

kenner, midsgaders in zyn leven myn voornaamte weldoener, weder uit


gegeven. Zie ook Sekendorf, Melchior Adamus in vitis Theolgorum ,
wyders Antoni Teiier, Eloges des hommc: fivins ; voorts Ziegler, Dage
lykche Schout plaats des tyds fol, 432-4, alwaar hy meld, dat
T.I. rig

ten, zyne geboortetad, in de Benedeplaats, in den gevel var

't
WT

is ,

183 q.

'waarin hy geboren is, eertyds deze woorden gelezen hebbe, welke echter
door de wreedheid der barbaarche Franchen in den oorl van i688. en
verdelgt zyn : DEI
ATUS
'EST IN HAC DC) M DOCTISSIMUS DomiNus PHI

#:

##

LIPPUS ME LAN CH TON, D. KV I FEBRuari Anio


M. CCCCXCV II. Dat is Dear Godes genade is in dezen huize gebo
ren de zeer geleerde Heer D. Philip. Melanchton, den 16. February 1497.
Zyn rechte Duitche naam was Zwarte Aarde, dien hy in 't Griekch ver

goten heeft. Dat hy in zync laatte dagen het broodbakken zoude hebben
geleert, willen zommige van de Heren Papiten ons diets maken, voor
naamlyk de Jeit Ludovicus Creollius, in gatiarum actione pro Collegio
jeuitaruhl intaurato, welk chrift gevoegt is by dat van zyne Vacations
Autumnales. Deze laffe vertelling echter is door wylen #, Hoog
leeraar te Kiel in zynen Poly hitire litterario wedeflegt; daarenboven zie p. 1. cap.
bk den N# VryheerPhilippus Marnix de # Byckorf' . p. 8.
des
H. Roomchen
Ryks aan
Mierennet.
Mrtin
Zeiler bericht'
t ook, dat
de vag
gemelde
tad Bretten,
den kerktoorn
Melanchtons
afbeeltzel
metintwee
*** m.
b.
ditichen of volzinnige verzen te zien zy geweet in Itinerario Germaniae. cap: 15.

't Epigramma van hem en Luther is bekent.

fol. m.

541

Divie his opere, ed mens fuit unica-Pavit


Ore Lutherus oves, flore Melanchton apes.
-

'-

Dat is:
-

Luther

38

DE G o U DE EN ZI L VE RE

Luther plag Chritus chapen tot den rechten tal te wyzen, en Philip zyne
Byen met de bloemen te pyzigen.
Van Melanchtons lof heeft Joh, Matheus in de zevende prediking van

Luther vercheide dingen aangehaalt. Onder anderen chryft hy 't vol


gende.

Een voornaam man te Wenen, heeft zoo als ik hier te Wittenberg van

zymen Scholier heb gehoort, opentlyk bekent, wanneer hy zynen Petrus van
Span had gelezen, dat hy en alle zyne Collegen niet hadden geweten, wat 't

medium of middelte in eenen Syllogismus was, tot dat hy Melanchtons dia


lettica gelezen had , gelyk dan toenmaals de grammaire van dien dierbaren gro
ten Letterkontenaar chier in alle cholen van Duitchland de kinderen decline
ren en conjugeren leerde. Naderhand is 't ey wyzer geworden dan de hen, en
ieder Calmeuer heeft een nieuwe praakkont gemeed, gelyk dan ook een ieder

een Catechismus en potil heeft willen maken, dat er chier zoo veel en meniger
hande leerboeken als Schoolmeeters en Dicipels zyn : Grammatici certant &
adhuc, zegt de Synodus avium, derhalven geraakt de ieugd op den dwaalweg,

en word tydig tot twiten opgebragt, enz. In de brieven, welke Melanchton


aan zynen boezemvriend, Joachimus Camerarius, Hoogleeraar te Leip
zig, heeft gechreven, zyn de meete namen in cyfer, welke echter door
den vermaarden Profeor aldaar, wylen Jacobus Thomaius, door eenen

byzonderen leutel verklaart zyn, dien zyn zoon D. Chritiaan Thomaius,


Koninglyke Pruiiche Raad en zeer beroemden Hoogleeraar in de Rech
T.I. pag.
J. enz

ten te Halle, in zyne Hitorie van de Wysheid en Gekheid heeft bekent ge

maakt. Voor 't overige Matthias Flacius, Illyricus en derzelver aanhan

gers, hebben Melanchton veel werk verchaft, dog hy bleef getadig by


zyn vreedzaam vriendelyk gemoed, gelyk blykt uit zyne chriften en uit
die van anderen, voornaamlyk echter uit den volgenden handbrief, aan

den toenmaals voortreffelyken Rechtsgeleerden en Keur-Saxichen Ge


heimen Raad D. Ulrich Mordeien, dien ik in de boekery van wylen

D. Adamus Chritophorus Jacobus, Keur-Saxiche Apellations en Op


per-Conitoriaal Raad, eer dezelve te Dresden verkoft wierd, na 't Ori

gineel heb afgechreven, en uit 't latein, dat in den eerten druk van dit
tegenwoordig chrift gevonden word, overgezet:
-

,
Jo D

,,

,,
3,
,,
,,
,,
3,

Zonderling Hooggeerden Patroon.

Ende U Ed. onder omlag van den brief van den Heer Landgraaf
myn antwoord, met verzoek, my te melden, of dezelve als nog
iets meer zal daarby voegen. In de overige blaadiens doe ik verlag van
't geen te Worms is voorgevallen, en UEd. noodzaklyk moet weten,
't welk de Heer D. Laurentius ook heeft gelezen. Onze tegenparty
wencht wel na geen geprek, midlerwyl kan men hen tonen, dat als 't
hen ernt was, wy van onze kant, alles zoo veel mogelyk ter gemene
rute zouden bybrengen. Ik zal met grote
van deze ge
veinte handelingen der Papiten en heimelyke lagen van Flacius aftap
pen, zoo dra de Hoogte my of door den dog wegneemt, of gedoogt,

,, dat ik in ballingchap verzonden werd.

Sterf ik, zoo kom ik ter hoge

,, Schole van Gods zoon en der hemelche kerke , moet ik echter de bit

,,

,
,,

tere elende ondergaan, zoo zal ik met Gods hulpe nog wel ergens een
plaatie vinden by de gene, die beter dan Flaciuszyn, choon deze zich
laat verluiden, dat hy zyn bet wil doen, dat ik uit ganch Duitchland
gebanne werde. Ik bidde echter God, dat hy ons regere en becher
me. Leef wel. Den 4. November 1558.
Y

PHIL. MELAN CHTO N.

De

EER GEDACHTENIs vAN LUTHER.

s.

De twede penning voert:

* *

,"

a Zyn afbeeltzel met 't omchrift : PHILIPPUS. ME


LANGHTON. AE TATIS. SVAE. XL VII. Dat is: Phi

lip Melanchton in den ouderdom van 47. iaar.

Voor de bort

taat de letter H. (e)


b. Volgende woorden: PS AL mo 36. SUBD ITUS ES
TO DEO ET ORA EUM. ANNO. M. X XXX I II.

Dat is: Swygt den Here ende verbeit hem, zynde Palm XXXVII.
vers 7.

(f)

A A N M E R K I N GE N.

De letter H. betekent naar allen chyn den uitvinder van dezen penning,
Munt-Bybel, datze waarchynlyk van Johannes Magdeburgiusgelagen zy, ***

welkers naam my tot nu onbekent is. De Heer Schlegel beweert in zynen ,


ter cere van Melanchton, toen hy in 't 47. iaar zyns ouderdoms getreden
was, en dat men niet onvoeglyk konde zeggen, dat de woorden van den

36. Palm (37) als een zinpreuk op 't revers waren gezet, doordien be
kent is, dat hy zachtzinnig Godvruchtig van aard is geweet, dog niet
tegentaande ik 't laatte in geen twyfel trek, zoo kan men den naam van

Magdeburgius met de letter H. niet wel over een brengen.

(#) In 't zeer raar Mueum Septalianum, Manfredi Septalae, Patritii # :


Mediolanenis, 1664 te Dertona in Italie in 4. in de Lateinche en Italiaan-?"
che talen gedrukt, werd van dezen penning ook gewag gemaakt, hoe
wcl met een dubbelt abuis, waarvan 't eerte verchoonlyk is, om dat in

plaats van 1543. 't iaargetal van 154o. taat, 't twede echter niet, omdat
de opteller van die penninglyt onzen vromen Melanchton hominem dam
nanum, verdoemden man noemt. Of echter deze penning dezelve zy, dien
Georgius Fabricius in den volgenden brief van D. Nontalerus verzoekt,

daaraan werd getwyfelt, om dat hy meld, dat hy hem eenige verzen had
gezonden, die by 't afbeeltzel van Melanchton zouden gevoegt werden,

en ik er geene anderen dan op den laattvoorgaanden gevonden heb, wes


halven de gemelde versies naar allen vermoeden na Melanchtons dood op
't revers van dezen penning gezet en terzeiver tyd op deszelfs afterven toe

gepat zyn , te meer om dat op dien penning uitdrukkelyk van't woord


EFFIGIES of afbeeltzel, 't welk Fabricius in den brief gebruikt,

word melding gemaakt, en ook om dat deze brief maar vier iaren voor
Philippus dood, 156o. voorgevallen, gechreven is. De gcedguntige
Lezer echter gelieve myne gedachten hiervan uit den brief zelven t'over
wegen, dien ik alhier uit 't Lateinche origineel heb afgechreven, 't welk
de meergemelde Heer Schlegel my heeft medegedeelt. Dezelve taat

8,

D E G o U DE EN Z I LV E RE

de eerte uitgave van dit Werk pag- 128. en luid in Duitch overgezet al
dus:
-

Georgius Fabricius
aa

M. Petrus Glaer.

,, Ik derf my niet chamen, om voor eenen armen Scholier te bidden,


, te zyn Martin Braun is vroom en naartig, hy heeft echter vercheide

;, veel min, myn Heer, eenen zodanigen in eene geringe zaak behulpzaam

, choolboeken van noden, welke ik wenchte, dat hem door de voor


, praak van myn Heer, of door den E. E. Raad of door andere menchen
, wierden gezonden, om dat de almoezen aan hem niet qualyk zullen be
, teedzyn. Ik heb eenige afbeeltzels van geleerde mannen aan D. Nontaler
,, gezonden, ten einde om door den Keurvortelyken Stempelmaker te wor

, den uitgewrocht, of hy echter dezelve ontfangen hebbe, weet ik niet,


, veel min of Nontaler alsnog te Dresden zy. Ik heb om een zilver afbeeltzel
, van Philippus Melanchton gebeden, zal zoo dra 't gemaakt is, 't geld met
,, dank daarvoor betalen, ik had terzelver tyd ook eenige verzen gezonden om

, op 't zelve geplaatt te worden. Myn Heer zal my behulpzaam zyn, dat
, ik dezelve kryg, en zorg dragen, dat de overige afbeeltzels niet verlo
, ren raken. Aan deszelfs liefde beveel ik verder de Keurvortelyke Land

, Schole alhier (Minie) om dat de lang, de grote Tegenpartyder van


, Chritus, niet nalaat ons te vervolgen, want naar allen aanzien tragt
, hy , ten einde nu 't masker door Gods genade eens
is, onze

, mierenhoop verwoet of in een wepenet verandert werde. Zulks ge


, chied wel niet

# maar op eene # nadelige wyze ;

weshal

, ven op 't intantigte bid, myn Heer gelieve by gelegenheid onze School
, by zyne Keurvortelyke genade teeds op 't bete indachtig te zyn. Ik
, zal voortaan, zoo als ik tot nu gedaan heb, mynen heer broeder Chrito
ten allen goeden vermanen. De bedrieger, uit welkers lyf een
,, kind geboren is, is, wyl hy zulks door middel van de toverkunt heeft
, te weeg gebragt, met algemeen goedvinden verbrand. Leef wel. Mi
,, nien den 3. Juny 155 6. Zoo ver Fabricius. Voor 't overige meld
Rol. 586. Abraham Saur in zyn Hitorich Stedeboek, dat de bovengemelde M. Nonta
ler, als een oud Leermeeter van Augutus, Keurvort van Saxen, den 4.
November 1559. te Dresden # zy. Het eerte word voornaamlyk
ook bevetigt door een Epigramma, door Michael Barthius Annaebergen
599

is gemaakt, 't welk te vinden is in deszelfs gedichten 1551. te Leipzig in


4 uitgegeven onder den titel : Carmen Hendecayllabum ad Andream Non
tallum, in quo ipi gratulatur de filio recens nato.
Augutus, tuus illicet patronus

9uondam dicipulus tuuque, & idem


jam nunc compater, ille nempe magnus
Princeps Saxoniae, paterque gentis

Minenis, pater omnium Thuringm,


Baptimo tibi filium levavit,
Atque illi imul hoc cupivit addi
Nomen, quod gerit ipe clarum ubique. enz,

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER


-- -- --

83,

De derde gedenkpenning vertoont:

--

--

a. Twee afbeeltzels naat malkanderen, welker hoofden met

mutzen bedekt zyn, en dit omchrift: Doctor. MARTIN US


LUTHE R. ET PHILIPPUS. M EL ANC HT ON.

b. Deze woorden in een cierlyken krans omvat. OB. SER


VAT A M. REM PUBLICAM. CH RISTI A NA M.

ANNO. M. D. XXV. F. F. Ter gedachtenis van de behoude


me gemene zaak der Chritenheid (g) hebben D. Luther en Me

lanchton dezen penning in den iare I525. laten laan.


A A N M E R. K I N G.

(g) In de Lateinche uitgave van dit Werk heb ik geacht, dat door
dien 't revers van deze Penning met dat van eene andere, die in den iare
152o. is aangehaalt, eenigermate overeenkomt, michien twee zyden van
vercheide penningen waren tegen malkanderen genaait, 't welk juit niet

zeldzaam is; dog jegenswoordig ben ik van gevoelen, dat zulks niet wel
wezen kan, om dat niet alleen tuchen beide penningen een groot onder
cheid is in de grootte, maar ook in 't chrift en jaargetal van beide rever

en. Midlerwyl is echter de uitvinding der laatte Medaille van de eerte


ontleent.
-

De vierde vertoont:

pag. 129.

84

D E G O U DE EN Z I LV E R E

a Het afbeeltzel van Philippus Melanchton, met het omchrift:


SOL A. DEO. ACCEPT OS. NOS. FA CIT. ESSE.

FIDES. Dat is: Het geloof alleen, maakt ons by God aangenaam (h).
b Luthers afbeeltzel, met het omchrift : PESTIS. ERAM.

VIVUS MORIENS. ERO. MORS. TUA. PAPA.


Dat is:

A
f

'-

U was ik eene pet, o Paus ! in myn leven,


Na myn terven zal myn dood u den ret geven,

A A N M E R K 1 N G.
Pag 37.

(h) In de Lateinche druk van dit Werk heb ik aangemerkt, dat de


omchriften op beide zyden van dezen Penning met een yzer zyn getoken,
en doordien 't afbeeltzel van de eerte zyde zeer veel gelykt dat van Johan

Hus, zoo heb ik den zelven toen geplaatt onder de penningen, die ter
eere van Hus gelagen zyn , maar naderhand duidelyk gezien hebbende,
dat het 't afbeeltzel van Melanchton zy, zoo heb

# # zelven zonder

bedenken alhier geplaatt.

De vyfde voert;

a Een afbeeltzel, met Melanchtons wapen daar onder, zynde


een Slang aan 't kruis, nevens 't iaargetal 154o, en 't merkwaar

dig omchrift: Doctor PHILIPpus. MELA Nchton. LE


GATus

ECCLES Iae. CH R I ti. AD. COM ICIA.

RAD ISPOnenia.

Dat is :

Doctor Philip Melanchton, UAfgezondene van Chritus kerk


op den Regenburgchen Ryksdag (i).

AAN MER K 1 N G.
pag. 732,

Ik heb dezen raren penning in lood afgegoten, in 't vermaard Viatich

Pag 13o.

Kontkabinet, waarvan Monconys in zyne van my overgezette reisbechry


ving ook met roem gewaagt, aangetroffen, en doordien 'tiaargetal ont
brak, zoo heb ik in de Lateinche uitgave niet eigentlyk konnen zeggen ,
of ik denzelven tot den Ryksdag van 1541. of 154o zoude betrekken 5
'naderhand echter is my deze fraaie gedenkpenning in koper ter
ge

- -

OmCn 2

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER

8,

komen, van den vermaarden penningkenner te Gotha, Chritiaan Wer


muth, waarop 't iaargetal van 154o duidelyk gezien werd, waaruit dan

klaar blykt, dat de Ryksdag van 15.41. gemeent zy, waarop Melanchton
in deniare 1540, gezonden is, weshalven ik niet twyfel, of deze penning
zal aldus verbetert, aangenamer zyn, hoewel ik wenchte, dat ik 't re
vers van denzelven ook konde bekomen.

De zesde is eene gecombineerde Medaille, zynde van tweder


hande tempels gelagen, en laat zien:

, a Luthers afbeeltzel met 't omchrift : DOCTOR. MAR

TINUS LUTHER US. PROP HETA, GERMA

NIAE. M. DXXX. Dat is ; Dottor Martyn Luther, Pro

feet van Duitchland, 15.30 (k).

" b Melanchtons afbeeltzel op dezelve wyze als in de laatt


voorgaande chets.
A A N M E R K I N G.
(k) De copy van dezen penning is my uit 't hooggraaflyk Kabinet te
Arntad gezonden, en kan wegens 't afbeeltzel van Luther tot 't iaar 15-3o.
met 't zelfde omchrift, hoewel van den
eene
getrokken
bygebragt.
onsandere
is aldaar ,van
jare 1537. worden
A

als eene der fraaite penningen , waar


mede het bovengemeld hooggraaflyk Kabinet te Arntad praalt.
Dezelve voert :
De zevende is zoo raar

L 3

Me

86

DE G OU DE EN ZI L VER E :
a Melanchtons bortbeeld, met 't omchrift: PHILIPPUS.

MELANCHTON. AETAT IS SUAE. LXI. (1) Dat is:


'Philippus Melanchton in 't 61. iaar zyns ouderdoms.

b Een op de achterte klaauwen zittende Leeuw op eene


kroon, hebbende in de rechte poot eenen hamer en in de linke
een nyptang, met 't omchrift uit Rom. V! H. 31. SI. DEUS.
PRO. NOB 1S. QUI. CONTRA. NOS. Dat is: Zoo
God voor ons is, wie zal tegen ons zyn ?

A A N M E R K IN G.
(l) Doordien 't 61. iaar van Melanchtons ouderdom genoemt werd,
zoo volgt daaruit, dat deze penning in den liare 1558. gelagen is. Als
wy nu uit den bovenaangehaalden brief van Melanchton gade laan, in wat
benaauwtheid hy wegens de vervolgingen van Flacius geweet zy, en hoe
hy zich met Gods becherming heeft getroot, zoo zou men met redenen
konnen eien, dat de Leeuw op 't revers of Flacius verbeelt, die als een
verwoede Leeuw Melanchton met een tang nypen en met den hamer ver
morelen wilde, of wel Gods becherming, die als een Leeuw Melanch

tons vyanden vat houden en met den hamer van zyn waarachtig Woord
verpletten konde, te meer om dat 't omchrift hiertoe betrekkelyk is.
Midlerwyl verwachten wy zeer gaarn van cherpzinnige Muntkenners en
geleerden eene nette verklaring van dezen penning, welke ook in Heer

Schlegels Muntbybel tot een Supplement kan vertrekken, om datze pag.


409. daar hy by den preuk Rom. VIII. 31. vercheide penningen be
chryft, die denzelven voeren, niet is te vinden.
-

De achtte is zoo zeer niet eene gedenkpenning als wel 't wa


pen, Signum of zegel waarvan Melanchton zich pleegde te be
dienen, gelyk, zulks de bovenaangehaalde Jeuit Greterus in

zyn boek de Cruce heeft voorgetelt. Want daar word ver


IOOImt :

Een Slang met een gekroont hoofd, die zich wringt om een
houte kruis, dat op een hert rut, en voor 't overige in een
cierlyk geneden langwerpig child omvat is (m).
A A N M E R KI N G.

(m) Dit zelve wapen ziet men op de titelbladeren der brieven va:#
-

cn

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

87

lanchton, die zyn choonzoon, D. Caper Peucerus in deniare 1566. in


8. heeft uitgegeven. Greterus echter chryft daarvan in de voorrede van
zyn boek de Cruce, na zyne wyze aldus, gelyk wy uit 't Latein zullen
overzetten : ,, Melanchton voerde eene lang aan 't kruis in zyn wapen
,, of zegelring, gelyk te zien is in zyne godgeleerde Schriften, en eenige
,, van Luther, als by voorbeeld, in de intructie der Kerkeviitateurs aan
,, de Farheren in 't Keurvortendom Saxen, in den iare 1528. te Witten

, berg in de Duitche tale gedrukt. Dit zelve wapen van Luther vind
,, men ook aan 't voorhoofd van zyn Duitch boek tegen de Turken,
,, 1528. is 't eene Roos, Hert en Kruis. Daarenboven ziet men het ne

,,vens Melanchtons wapen in de intructie der Viitateurs, 1538 te Wit

, tenberg, en de Augsburgche Confeie, 1542 by George Kau te Wit


, tenberg gedrukt. Waarom echter voeren je eene lang in hun wapen ?
,, Michien om datze hunne ooren voor de waarheid toetoppen, zoo als
,, eene lang voor de bezweringen, of willen ze daardoor hunnen oorprong
,, te kennen geven, datze naamlyk van den geen aftammen, die door ha
, re kunttreken de eerte Ouders uit 't Paradys gelokt heeft. Jacobus,
,, Froot te Steinits in Stirie, chryft in zyne Reformatio Stiriaca contra
,, Rungium, dat een prediker te Commingen de kopere lang van Moes op , zynen zark had laten houwen, knielende hy nevens zyne zonen met op
, geheve handen op de eene, en zyne vrouw met zyne dochters op de an
, dere zyde voor dezelve , daar by voegende, dat 't te verwonderen was,
,, dat de Protetanten den chaduw in plaats van 't beeld zelf verkozen, en
,, liever aan 't kruis, dat ze tot een wapen hadden, liever eene lang, dan
,, Chritus onzen Heiland zagen, verwonderenswaardiger echter was,
, dat ze hunne handen liever optaken voor de lang aan 't kruis, dan voor
,, den armen hangenden Heiland zelven , de gemelde predikant had ten
, minten uit Luthers Schriften, te Wittenberg en Jena gedrukt, beho
, ren te leren, of men voor eene lang aan 't kruis, of voor een gekruizigt
,, Chritenbeeld moet knielen en bidden.

Zoo ver Greterus, die

michien ook zyn oog heeft gehad op den penning, die boven by deniare
15'28 is voorgetelt. Kort daarop dryft hy op eene onbetamelyke wyze
den pot met Melanchtons wapen, 't welk echter op dezen treffelyken
preuk van Chritus teunt, Joh. III. 14. 15. Gelyk Moes de lange in de
Woetyne verhoogt heeft, alzoo moet de zone des menchen verhoogt worden, op
dat een iegelyk, die in hem gelooft, niet en verderve, maar 't eeuwige leven
hebbe. In 't volgende Epigramma:
In Philippum,

jure, Philippe, tibi erpens pro temmate fertur?


Apis eras vivus, mortuus apis eras.
Apis es in libris, cruce dignus cs inuper alta :
Crux ergo & erpens Symbola jure tibi.

Dat is:

Philippus, gy voert met recht eene lang in uw wapen, gy waart en in uw


leven en na uwen dood eene lang , gy zyt eene lang in uw boeken, waardig

aan 't hoogte kruis te worden gehangen, derhalven vertrekken 't kruis en de
lange u rechte zinnebeelden.

Voor 't overige, wie de rechte afbeelding en bechryving der kopere


lange wil hebben, zie 't treffelyk tractaat, dat wylen D. Joh. Chritoph.
Wagenelius, Hoogleeraar te Altdorf, heeft uitgegeven, onder den titul : litt k. f;
Onderwys der Joodche Duitche preek en chryfwyze. De gene echter, die a, 2 b.
twee originele tukken van Melanchton, door Lucas Cranach gechildert,
wil zien, kan ze vinden in de hoogvortelyke Boekery te Gotha, by een
van 't welk 't iaargetal van 1532 taat.

Nu volgt eene fraaie penning, ter gedachtenis van den vromen Godge- #

leerden Fridericus Myconius, doorgaans MECUM genaamt, geweze My.


Farheer en Superintendent te Gotha gelagen,

NIUS,
De

DE GO U DE EN Z I L V E R E

88

Dezelve vertoont:

a Zyn afbeeltzel zeer net geneden, nevens den naam :


FRIDERICUS MY CONIUS AETAT. (oud 48. iaar)

Op de kant leet men de woorden uit den 86. Palm V. 12.


CO N FITE BOR. TIBI. DOMINE. IN. T O T O.

COR DE. MEO. Dat is: Here ik zal u danken van gancher
herte.

b. Eene ontloke Roos, met doornen omgeven, die in ee


fraai heuveltie taat, waartegen 't iaargetal van 1539 gegraven
is: binnewaards leet men deze woorden : FERENDUM.

ET. SPERAND UM. Men moet lyden en hopen. En de bui


tente rand behelt uit Lucas XXI. 19. IN. PATIENTIA.
VESTRA. POSSIDE BIT IS. ANIMAS. VESTRAS,

Dat is: Bezittet uwe zielen in uwe lydzaamheid. (n)


A A N M. E R K IN G.

(n) 't Gezicht zelf maakt dezen buiten dat raren penning aangenaam,
dien ik eert in eenen loden chets en naderhand in een zilver origineel in 't

Hoog-Vortelyk munt-kabinet te Gotha gezien heb. Myconius of Mecum


is 1491 te Lichtenfels in Frankenland geboren, quam 15.24 als getemde

eerte Evangeliche Farheer en Superintendent, te Gotha, was een groot


-vriend van Luther en tierf 15 46. in den ouderdom van 55. iaren, waar
pag. 48
49

van wylen D. Cap. Sagitarius, Profeor te Jena in memorabilius Hitorie


Gothanae , wyders Heer Tentzels Hitoriae Gothanae Supplementum I, mids

gaders in deszelfs maandelyke zamenpraken 1697, zooals ook Heer Pfeffen

P*# 99 korn Thuringche Merkwaardigheden, en andere Schryvers, welke Heer


pag. 3o4. Schlegel in zynen Muntbybel aanhaalt, alwaar hy van dezen penning insge
3f , lyks gewag maakt, omtandiger is te lezen. Voor 't overige ik heb 't af
#378. beeltzel van Myconius, dat Luther veel gelykt, aangetroffen in een raar

boek, genaamt : Selectioris vereque Theologica clarorum virorum, 1:

pag. 2.

Martini Lutheri D. 4. Philippi Melanchtonis, 5. D. BailiiMonneri, 1.


Juti Menii, 1. Johannis Marcelli, 1. D. Matthaei Razenbergeri, 1. D.

Cap. Crocigeri, 1. D. Joh. Langi, 1. AEgidii Mechleri, ad D. Fride


ricum Myconium, magninominisTheologum, concriptae quandam Epito
lae, nunc demum in communem Eccleiae uum evulgatae a M. Cyriaco
Snegaio, Pator. ac Sup. Vin. Adjuncto Smalkaldiae in 4to zonder iaar,

is drie en een half vellen groot, 't welk myn waarde vriend en amptge
noot, Heer Gottfried Ludovici, welverdiende Rector ter Vortelyke
Schole alhier te Schleuingen, my eertyds heeft medegedeelt.
Op

89

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER:

Op Myconius volgt eene cenzydige penning, ter eere van Martinus Bu


cerus gelagen.

Dezelve vertoont.

:
- -- - -

a Deszelfs afbeeltzel, zeercierlyk

* * * ** ** * *

- - - --

- -

- - -

# met 't omchrift:

MARTINUS. B UCERUS MINISTER: E VAN


GEL II. Domini. Notri. Jeu. CHRISTI. AET A T is.
SUAE LIII. Dat is: Martyn Bucer, Dienaar des Evangeliums,
onzes Here Jeus Chritus, in 't 53. iaar zynes ouderdoms. (o)
-

- - - --

A A N M E R K IN G. |

(o) Dezen penning, waarvan de andere zyde of 't revers ontbreekt,


heb ik te Nurenberg in 't bovengemeld Viatich Kabinet gevonden en ook
van Heer Schlegel bekomen. Van Martinus Bucerus leven en verrichtin

gen handelen wydlopig, Heer Seckendorf in de Hitoria Lutheranimi,


Heer Dieffenbach in eenen byzonderen brief, Heer Ziegler in de Dage fol. 195.
lykche Schouwplaats des Tyds en M. Albert Meno Verpoorten, in twee 2o0.
1698. te Wittenberg gehoudene diputatien. Van zynen dood vind men
twee Zendbrieven, eenen van Johannes Checus, en eenen van Nicolaus
25'o,
Carrus, midsgaders D. Gualterus Haddonus lykrede, in de vitis electiori pag.
254.279,

bus van Guilielmus Bateius, Engelchman. Dat zyne chriften 1554. te

Geneve by Robertus Stephanus gedrukt, hier en daar vervalcht zyn, be


wyt Gerard Johannes Voius in eenen brief aan Viago Grotius, Epitola a.fol.b.447.

rum Voii num. 357. D. Johan Fecht echter, Hoogberoemde Hooglee


raar in de Godgeleertheid te Rotok, beklaagt in zynen Apparatus ad Epi
tolas Marbachianas, dat hy de party van Zwinglius al te veel is toegedaan
geweet. Aan de andere kant is aardig, 't geen Colomis in zyne Remar
ques ur les Scaligerana, opuculorum litterariorum verhaalt, dat als Bucerus

pag. 6oi

q.
pag. m.
263.

onder den vercierden naam van Aretinus Filinus eenen Commentarius over

de Palmen had uitgegeven, dezelve zoo voort van de Kardinalen en Bi- .


choppen te Rome zelfs was geprezen, die echter naderhand den rechten
naam van den Schryver vernemende, dat boek zoo veel mogelyk, als na
w

delig, hadden verdrukt.

-- -

Na Bucerus plaatzen wy eenen penning, die ter gedachtenis van AM


BROSIUS BL AU RERUS gelagen is ,
. - .
u

De

56

DE Go UDE EN Z 1 LV ER E
: Dezelve voert:

- --- - -

a Zyn afbeeltzel met een calotie, bedekt, met 't omchrift:


AMBROSIUS. BLAURER. ANNO. AET A T I S.

XLVI, MDXXXIX. Dat is: Ambroius Blaurer, oud 46.


zaar, 1539.

b zyn wapenchild, zynde een kraaiende Haan, waarby eene


legt; rontom leet men deze woorden, die uit Eph. V. 14
ontleent zyn: EXPERGISCERE. QUI. DORMIS. ET.
ILLUCE SCET. TIBI. CHRISTUS. EP Hes. V. cap.

Dat is: Ontwaakt gy die laapt, zoo zal Chritus over u lichten.
oIKoz tiAoz oIKox Arx 1oz. Dat is: Een vriendelyk huis is 't bete
huis. (p)
:
o

A A N M ER K I N G.

(p) Ambroius Blaurerus, vermaarde Evangeliche prediker te Cotnits

aan de Bodenzee, te Cotnits van voorname ouders geboren, was in den


iare 1492. Monnik in 't Klooter Albersbach in Swaben, is naderhand ech

ter daaruit gegaan, waarvan zyn Schrift aan den Abt van dat Klooter
e 1523 in 4to. uitgegeven, onder den titul: Verantwoording aan den Raad

van Contants, waarom hy uit 't Klooter is gevlucht, omtandig handelt,


:

van den Raad van Contants tot prediker beroepen, en heeft niet weinig
geholpen tot de Reformatie dier tad zoo als ook nevens Johannes Oe
colampadius en Martinus in den iare 15 31 tot die van Ulm, midsgaders in
15 34 nevens Erhardus Schnepfius, Joh. Brentius en Mattheus Alberus tot
die van 't Hertogdom Wurtenberg, na de terugkomt van Hertog Ulrich
in zyn Vortendom. Lutherus misprees in hem, dat hy op Zwingliuspar
ty zynde, leerde, dat brood en wyn in 't avondmaal 't objettum der zinnen,
't lichaam en 't bloed Chritus echter 't objetium des geloofs in 't H. A
vondmaal waren, 't welk echter naderhand door bemiddeling van Erh.

Schnepfius wierd bygelegt ; weshalven hy 15.37 te Smalkalden niet alleen


't boek van Melanchton de primatu Papae insgelyks heeft getekent, maar

ook 1539. mede op de vergadering te Frankfort geweet is, alwaar hy van


wegens de tad Contants op 't geprek te Nurenberg gedeputeert wierd.
Pag- 421

Zie Heer Schlegels Muntbybel.

Behalven dezen penning van Blaurerus, konnen wy nog eenen anderen


diergelyken mededeelen, hoewel 't revers ontbreekt.

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. ga


Op denzelven ziet men:
-,

a Zyn afbeeltzel zoo als in den naat voorgaanden, met een


byteken van eene ter, tuchen eenen halven cerkel. Rontom
leet men: AMBROSIUS BLAURE RUS. ANNO. M.

D. XXXV. AETAT IS XLII. Dat is: UAmbroius Blau


rer, 1535. in 't 42. iaar zyns ouderdoms. Achter 't hoofd ziet

men eene lak, die uit haar huiie kruipt, en daartuchen de


bovengemelde Griekche woorden : o IKox tiAoz oIKox
A PIXET OXE.

.. .

----

--

Op Blaurerus volgt SIMON GRYNAEUS. Van dezen

heb ik eenen dubbelden penning bekomen


De eerte voert:

to

, r
, p

v
-

---

- :

. '

---

'

2.

,t : b. | | |

. . t/v

i
** *

. . . . . .

. .

..

.. . . .

. . . .. .. ..
. . .. .

| | | |

,,1 70 j . . . . .

. . .

" " *

. .

* *

ET vITA To:

WAJ/TvM coMPLEvE
RAT OR BEM.
W

CVIV S IN OR BE VIDE S.

1" :

a Zyn beeldtenis met dit omchrift : SIM ON. GRY


NAE US OBIIT. ANno. DomiNi. M. D. XLI. AETatis.

XLVIII. Dat is : Simon Grynaeus, overleden in den jare des


Heren 1541. in den ouderdom van 48. jaren.
b. Dit potich opchrift : ING ENIO. ET. VITA. TO
TUM. COMPLEVERAT OR BE M. EXIGUO.
VULTUM. CUJUS. IN ORBE. VIDES. Dat is :

De geen, van wien ge 't aangezicht in deze naauwe plaats ziet,

heeft de ganche wereld met zyne #" en


vA
-

wandel

vr",
O

52 -

DE GOUDE EN ZILVERE - ;

De letters HB. onder dit opchrift , betekenen den naam van


den tempelmaker ( 4 ).
-

A A N M E R K IN G.

(q) Simon Grynaeus was Hoogleeraar ter Hoge Schole te Heidelberg,


en een zeer goed vriend zoo wel van Luther als van Philippus Melanchton,
en is eindelyk te Bazel geturven. Van hem verhaalt Joachimus Camera
p. m.
I 16. I 17

rius in Vita Melanchtonis iets zeer merkwaardigs en waarachtigs, 't welk

ik hier met korte woorden zal melden : Grynaeus was 1539 taande den
Ryksdag te Spier gekomen, om met zyne bovengemelde vrienden te pre
ken. Onder anderen geraakte hy in geprek met Johannes Faber Contan
tienis, een heftig papit, en bad hem, om de waarheid van 't Goddelyke
Woord plaats te geven, en zynen al te grotendrift tegen Luther een weinig
te matigen. Dit
zonk Faber diep in den krop, dog hy liet niets
blyken, en nodigde Grynaeus andermaal tot een geprek tot zynent. De
ze gaf kennis daarvan aan zyne vrienden, dien dit mishaagde, en hem

raadden, om zich niet weder met Faber in te laten. Melanchton logeerde


toen by eenen zeer eerlyken Prieter, alwaar Grynaeus dikwyls pleegde te

komen. In deszelfs afwezenheid quam een aanzienlyk man Melanchton na


Grynaeus vragen, die ten antwoord gaf, dat dezelve eens was uitgegaan.
De man hernam, ik wenchte, dat hy hier was, want ik wilde hem gaarn
waarchouwen, dat men hem fiften en lagen legt, hoewel ik hope, dat
die lieve man niet zal vertrikt worden, en daarop ging hy hene, zonder
te zeggen, wie hy was, kort daarop komt Grynaeus weder, en Melanch
ton raad hem, zoo voort weder na Heidelberg te keren. Grynaeus hier
over verwondert, deed zulks, wanneer Melanchton hem van alles had ver

wittigt en wierd van den laatten tot aan den Ryn verzelt, alwaar de Keur

vort van de Palts een eige veer had. Niet lang na zodanige afcheid komt
eene bende zoldaten, om Grynaeus gevangen te nemen, en niemand kon

anders beluiten, of dezelve waren van Faber gezonden, die zich op zoo
eene onredelyke wyze op Gfynaeus wilde wreken, dien God zoo als ge
meld, door zynen Engel had laten waarchouwen. Camerarius taaft deze

gechiedenis niet alleen met 't getuigenis van Melanchton, maar met zyn
eigen, om dat hy toen iuit te Spier was.
De twede is een zeer raar tuk, zoo groot als'er zelden ter eere Godge

leerden of ampteloze perzonen worden gelagen.


- -

**

4.

Dezelve is eenzydig en voert:

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER:

95

a Zyn beeldtenis, met dit omchrift: SIMON. GRY


N.AEUS. AN N O. M. D. XXXV. AETAT IS. XLII.

rNoet 2FArroN. Dat is: Simon Grynaeus 1535, het 42 jaar zyns
ouderdoms.

Leer u zelven kennen.

Na Grynaeus laten wy volgen JO HAN NES BRE N

TIUS. Hier van hebbe ik een eenzydige Medaille, dewelke


VOCrt :

a Deszelfs beeldtenis, met 't omchrift: JO AN NEs

BRENTIUS. THEOLoGUs. ().

A A N M E R K 1 N G. . . . .

. .

(r) Deze Johannes Brentius, welkers Werken in folio by malkanderen ge


drukt zyn, was een voorname Godgeleerde van zynen tyd en een trouwe helper
van Luther. * In 't drie en twintigte iaar van zynen ouderdom wierd hy E
vangeliche prediker te Halle in Swaben, zynde hy van Rotweil in Swaben
van geboorte. Als Keizer Carel V. beval, 't Interim aan te nemen, chreef

Brentius opentlyk daartegen, waarop de Keizer beval, om hem gevangen na


Augsburg te brengen, hy kreeg echter tydig delucht daarvan, nam de vlucht,
en moet zich cenigen tyd in de bochen onthouden, en zworf lang, zonder

cene veilige plaats te vinden. Eindelyk begaf hy zich tot den


V2In
Wurtemberg, die hem te Hornberg tot Farheer beriep. Van denzelven wierd
hy vervolgens met den Vortelyken Wurtembergchen Gezant na Trient op 't
Concilie gezonden, en daarna tot Prediker en Hoogleeraar in de Godgeleert

heid te Stutgard verheven, alwaar hy 157o, in den ouderdom van 71 jaren is


overleden, nalatende eenen zoon van dienzelven naam, die Profeor Theolo

giae te Tubingen geweet is. Mon. Teiier in zyne Eloges des Hommes Sa-T.I. pag
vans meld van hem, dat Hieronimus Gerardi, een Duitche Rechtsgeleerde, 342.
de Schriften van den ouden Brentius zoo lief had gehad, dat hy 's nagts niet
alleen optont, omze te lezen, maar ook beval, dezelve nevens hem in de kit
te leggen, en met hem te begraven.
-

Op

Brentius volgt nu JOANNES OECOLAMPADIUS,

welkers beeldtenis en naam de insgelyks eenzydige volgende me


daille vertoont (s).
-

'-

- . G.

rf
s

A N

DE GOUDE EN ZILVERE

94

AAN M E R K IN G.

(*) Zyn rechte Duitche naam is Huis-Schyn, dien hy achtervolgens dege


woonte dier tyd in 't Griekch heeft overgezet. Hy was in den beginne Leer
meeter van Paltsgraaf Wolfgang, zoon van Philippus, Keurvort van de Palts,
wierd vervolgens na Bazel beroepen, en chreef tegen Eccius, vyand van Lu
ther, ondertuchen prees hy 't gevoelen van Carltad, liet een boek uitgaan
over de woorden der inzetting van 't H. Avondmaal, waarin hy't gevoelender
Switzerche Godgeleerden nader quam dan Luther, weshalven deze ook over
hem klaagde. Wanneer Luther 1529 met de bovengemelde predikers te Mar
purg over die materie diputeerde, zoo was Oecolampadius ook daar. Midler

wyl heeft de tad Ulm hem de Evangeliche verbetering van hare kerken meet
te danken.

Den 1. December 1531. tierf hy te Bazel in den ouderdom van

49 iaren. By den Heer van Seckendorff word hy op vercheide plaaten ge


prezen, voornaamlyk echter fol. 14o.

Nu volgen twee penningen, ter eere van Erasmus van Rotterdam


gelagen, waarvan de eerte enkelyk deszelfs beeltenis, zonder om
chrift en revers voert:
/

s #RW
#$ E e

o
te

###

LIP-7

NVS

* Zyn beeldtenis, met een lange muts op 't hoofd,

en 't om

chrift: ERasmi, Rterd: IMAGO. AD. viv Ami


-

EF

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER

vs

EFFIGIEm. EXPRESSA. 15.31. Dat is : Beeldtenis van


Erasmus van Rotterdam, na 't leven; 153 1.

b Het beeldtenis van den Grensgod der Heidenen, op een


rokent altaar taande, met 't bychrift : CONCE DO NUL
LI TERMINUS. Dat is : Ik Terminus wyk voor niemand.
En 't omchrift : MORS ULTIMA LINEA RERUM.

Dat is : De dood is de laatte linie der dingen (t).


A A N M E R. K IN G.

(t) Waarom 't geen, waarop de God Terminus taat, voor een rook
altaar moet worden aangezien, blykt uit 't bovenaangehaalde Epigramma S. 38,
van Eobanus Heus , ondertuchen heeft Erasmus door 't omchrift van

dezen penning niet zoo zeer zynen hoogmoed willen te kennen geven, dan
dat hy den dood teeds voor oogen had, hy heeft diergelyken wapen ook
altyd gevoert, zoo als Paul Colomis in zyn Recueil des particularitez in de pag. m.
opuculis litterariis, verzekert, als hy chryft: ,, Ik heb by den Heer 129. 13e
, Voius eenen groten koperen penning van Erasmus gezien, die wel ge
,, maakt was, op de eene zyde zag men 't beeldtenis van dien groten man,
, en op de andere dat van den God Terminus met deze woorden: Concedo
,, nulli Terminus. Dit komt zeer wel overeen met den zegelring, dien hy
,, pleegde te dragen, waarop hy dit zelve zinnebeeld had laten teken.
,, Hieruit echter nam een Spaanche Barvoeter Monnik, genaamt Carva
,, jal gelegenheid, om Erasmus te verwyten, als of hy niemand in de ge
,, leerde werreld wyken wilde, dog Erasmus liet hem na zyne wyze ter
,, dege uitpraten, en zei toen, dat hy verkeerde gedachten daarvan had,
,, om dat 't zelve enkelyk op den dood peelde. Eenigzins wydlopiger
heeft dit uitgevoert Iaac Bullart, in zyne Academie des Arts & des Sciences, T. II,
hy meld onder anderen, dat als Erasmus van den Bichop van St. Andr Lib. III,
in Schotland nevens eenige edelgeteentens ook eenen ring tot eene veree fol. 159.

ring had bekomen, in welkers teen de figuur van den God Terminus ge- *
neden was, hy dezelve tot zyn zinnebeeld verkozen en de woorden Con
cedo nulli, daarby gezet had, en niet alleen een zodanigen wapenring, maar
ook eenen penning had laten maken, op welkers eene zyde, na # o l.
te zien was, 't beeldtenis van Erasmus, met dit bychrift : ER. ROT.
Dat is : E Rasmi ROTerodami, 1519. en 't Griekche omchrift : THN
K r E 1 TT Q TA x Y TrP AM M ATA AEl K E I. Dat is : Een beter teken by

gevoegde woorden. IMAGO AD VIVUM EXPRESSA. Dat is:


Beeldtenis ( verta van Erasmus) na 't leven. Op de andere zyde echter den
God Terminus, met 't bychrift : CON CEDO NULLI. Dat is :
Ik wyk niemand , en 't omchrift : o P A T EA o > MAKP oT BI or. Dat

is : Zie op 't einde van 't lange leven. Of: 't Lange leven heeft tog een einde
lyk beluit. MORS ULTIMA LINEA RERUM. Dat is: De
dood is de laatte linie van alle dingen.

Wanneer nu de ongeleerde Monni

ken en andere vyanden van Erasmus door deze woorden vertonden, dat hy
beter wilde zyn als Budaeus, Politianus, Cyprianus of Ambroius, en geen
mench wyken wilde, zoo verklaarde Erasmus, dat hy door de woorden:
Concedo nulli , den dood vertont, dien hy teeds voor oogen had, als die
niemand week, achtervolgens 't vers van den chritelyken Poet Pruden
t1US :

Intat Terminus, &# diem


Vicinum enio jam Deus applicat.

Dat is:
De termyn of uitgang is nu voorhanden, en God maakt ons alle dagen eenen
- --

dag ouder. 't Welk Bullart wydlopiger uitvoert. Erasmus echter zuivert
zich ook zelven van dien laak in eenen Zendbrief aan Alphonus Valdeius
tC

c.

96

D E GO U DE EN Z I L VEE R E

te Bazel.

Deze brief is van den 1. Aug. 15.28. en onder de Brieven van

#, Erasmus als mede in de verzamelingen van Johan. Manlius, by 't achtte ge


# bod van woordtot woord te vinden. Georgius Agricola L. II. depretio metal
# * lorum gewaagt, dat hy een ander zilver beeltenis van Erasmus, een pond we
gende, gezien hebbe, met den Terminus op de andere zyde, gelyk Heer
pag. 644. Tentzel in zyne maandelykche zamenpraken 1694, meld en verzekert ,

64f

van een vriend te hebben gehoort, dat 't zelve van yn zilver nevens ande
re overblyfzelen van Erasmus, in de boekery te Bazel, getoont werden.
Dat echter deze pond-zware penning dezelve zy, dien Bullart in koper
heeft laten teken, en waarvan Colomis ook gewag maakt, beluit ik hier
uit, om dat ikze in 't meergemelde Viatiche kabinet in eene ongemene

grootte in koper, die gemaklyk een pond konde halen, gezien heb. On
dertuchen hebbe ik nodeloos geoordeelt, eenen chets daarvan mede te
delen, om dat alles met onze kleine medaille overeenkomt, behalven de
Griekche woorden, die in eene orde met de Lateinche taan, en aldus

lechts van ons behoorden te worden aangetoont. Dit koper afbeeldzel


fol. 5.

heeft Erasmus ook aan Frederik den Wyzen, Keurvort van Saxen, ver
eert, gelyk Tentzel in zyn Vertoog van Saxiche huldigings-penningen meld.
Voor 't overige heeft van Erasmus leven zeer veel by malkanderen gedra

pagm:

gen de Heer Pierre Bayle, Profeor te Rotterdam, in zyn Projet & Frag

215.229. mens d'un Ditionaire Critique en in den Dictionaris zelf, die 't geluk gehad

heeft, onlangs ten derdenmale van de pers te komen , daarenboven kan


ol 17: men van Erasmus vercheide dingen lezen in den Dagelykchen Schouwplaats
*
des Tyds van Heer Ziegler, midsgaders in de Amoenitatibus Theologico-Phi
P. m.:38. lologicis, van den Heer Theodorus Janon ab Almeloveen, Doctor in de

9"

medecynen te Gouda, die van Erasmus geboortetad aanmerkt, dat van


zommige Schryvers niet zoo wel Rotterdam als Ter Gouda daarvoor ge
houden werde. Een Epigramma onder deszelfs Beeldtenis, en zyn Epita

phium te Bazel taan in de Reisbechryving van Mion, van my vertaalt,


pag. 1o57. 1o58. Na Erasmus plaatzen wy H U L DE RICUS
ZWIN GLIUS, die te Zurich allereert de Gereformeerde lere heeft op
de baan gebragt, en met Luther ontrent 't artikel van 't H. Avondmaal
veel te doen gehad.
!

- -

De penning, welke hem ter eere is gelagen, voert:


*

IDOCTOR PASTO A

RQVE CELEBRIS.
VN DENA-oC To=
RIS PAssVs IN

a Zyn beeltenis, met eenen hoed op 't hoofd, en 't omchrift:


IMAG O. HULDE RICH I. ZW IN GL II. ANNO.
AETAT IS. EJUS. 48. Dat is : Beeldtenis van Huldrich

Zwingel, oud 48. iaren.

b Deze beide verzen, waarin 't iaargetaal door de grootte


letters word aangetoont : - -

heLWetIae

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

9r

heLVeilae zuIngLI DoCtor patorqVe CeLebrIs


Vndena oCtobrIs paVs # aethra VoLas.
Dat is:

Gy Zwinglius, vermaard Dottor en Farheer in Switzerland,


vliegt den elfden October als Martelaar, na den Hemel.

De letters I-S betekenen den naam van den Stempelmaker,


die my onbekent is. (u)
A A N M E R K IN G.

(u) Luckius heeft dezen penning ook voorgetelt in zyne Sylloge Nam- fol. 76.
morum. Zwinglius neuvelde den 11. October 1531., wanneer hy aan 't
hoofd van de Zurichers aan die van Lucern lag leverde. Zie Heer Zie-1 c.f.
gler, als men de telletters by malkanderen rekent, zoo makenze 't iaarge- 12.28.
taal van 1536., dog taat aan te merken, dat op den penning in 't woord
zuIngLI, de u klein is geneden, en derhalven van de telletters voor dit
maal moet werden uitgemontert. David Chytraeus heeft in zyne Chronol pag. 353.

logia Herodoti & Thucydidis, een eigentlyker Chronoditichon: .

oCCVbVIt patrio beLLator CIngLIVs ene,

& prea et arMIs gens popVLoa rVis. "


' . . . . ..

Dat is :
W

Door borgerlyken kryg moet Ulrich

. .

Zwinglius terven , wanneer 't anders

dapper volk door zyne wapenen verdrukt wierd. Hoewel hy zelf de maker
niet daar van is, maar de bekende Poet Jacobus Mycillus, die daar mede
met Zwinglius den pot wilde dryven, waarentegen Hermannus Buchius

Zwinglius in dit vers heeft gewroken.

' t . . ..

- 'J

." - ;

t
-

''
- -

*1.

*,

':

Occubuit jutis latronum Zwinglius ene,


Notus & es larvis, vane Mycillus, tuis.

. .

. . . .

- -

Zoo als Otho Melander in jocoeriis bericht, die daar by voegt, dat T.,.p:
Philip, Landgraaf van Heen, beide deze ditichen door zynen Hofmuzi- m 499.
kant, Joh. Heugelius, op noten zetten en dikwyls zou hebben laten zin- 5oo.
en, 't welk men anderen laat onderzoeken.

Voor 't overige word in

eckendorffs Lutheranimus aangemerkt, dat Zwinglius boerch en plomp fol. 14d,


was, 't welk hy voornaamlyk in de diputatie met Luther te Marpurg had

getoont, en Oecolampadius daarenboven vriendelyk en aangenaam in om- - - megang.

5 -1

De volgende plaats belaan eenige penningen die ter gedachtenis van ... , . 't
JOHANNES CALVINUS zyn gelagen, waarvan de eerte, die
"
van den vermaarden Koninglyken Sweedchen Medailleur, Andreas Karl
tein, is gemaakt vertoont:

98

p E G. o U DE EN ZI L v E RE

- /

a Zyn afbeeltzel, nevens den naam: JOHANNES. CAL


VINUS: M. ('t welk michien door 't woord MAG NVS,
de Grote, moet verklaart werden.) De letters A K betekenen
Andreas Karltein. ,
b Eene hand uit de wolken, die een hert houd, 't welk van
boven betraalt werd, en dit omchrift:

PROMT E. ET.

SINCERE. IN. OPERE. DOMINI. 'Dat is: Willig en

oprecht in 't werk des Heren. (x)


-

a s

t e

A A N M E R KI N G.

T. 1 pag. 2 (8e). Theodorus Beza, Papirius Maon en Alexander Morus hebben 't

#**7 leven van Calvinus bechreven, deszelfs werken zyn te vinden by Teiier,
tot 237, Eloges des hommes Scavans. Zie ook Ziegler Dagelykche Schouwplaats
#7. vol
des tyd.
Daarenboven
is zyn
door
eenenvan
Papit,
hoewel
onwaardigheid,
onder
denleven
titul:bechreven
Waarachtige
Hitorie
't leven,
ze

Szave

den, daden, leer, en dood van Johannes Calvinus, eertyds geweze opperte
r Kerk- Dienaar te Geneff, (Geneve) door Hieronymus Hermes Bolec, Do#or
rox t in de medecynen te Lion. Uit 't Franch en Latein in de Duitche tale over

gezet, en gedrukt te Keulen 1581 in 8. Hy is in deniare 1564 overleden


en te Geneve op 't Kerkhof de plein palais begraven, hoewel zonder zark
- 1 - en epitaphium, zoo als Mion in zyne Reisbechryving aanmerkt. Iets
zonderlings is, 't geen de geleerde Heer Johan George Eckard, Schryver

p, m..26. der maandelykche uittrekzels uit allerhande nieuw uitgekome boeken,


17.oo uit de Melanges d'un Hitoire & de Litterature par Mons, de Vingneulpag. 183. 'Marville verhaalt, te weten, dat als Henrietta Maria, Koningin van En

geland te Londen quam, en haar gemaal, Koning Karel de eerte, haar


zyn kotbaar Kabinet liet zien, en daaronder een treffelyk afbeeldzel van
Calvinus, door Vandek gechildert, alwaar Calvinus met de hand een pen

op 't boek houd, terwyl hy zyne oogen ten hemel laat, zy 't met grote
oplettenheid bekeek, en wanneer de Koning vraagde, wat zy'er van dacht,
zy ten antwoord gaf: Sire, 't is niet te verwonderen, dat Calvinus niets heeft
gechreven, dat goed is, om dat hy niet ziet wat hy chryft. Zy prak ech
ter aldus om datze de Pauzelyke Godsdient was toegedaan. W# dezen

penning heeft de hoogwaardige Abt Molanus eenen chets in taal, van de


rare inventie van den Overten van Falkenburg,

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER.

99

De twede voert:

4 Zyn beeldtenis, zoo als in de voorgaande.


* De Waarheid in een gedaante van eene Vrouw, welkers

hoofd van boven betraalt word; eene duif vliegt na haren mond,
terwylze in de handen een boek houd, met de voeten op eene

Pauzelyke kroon, Bichops taf en andere diergelyke cieradien

taat, en aan beide zyden Bichoppen, Abten, Monniken en


diergelyke menchen de vlucht, van haar nemen, beneden taat
't woord: VERITATE, Dat is: 'Door de waarheid.

IN HER'kff&#AErIT .
A: D &#v .

EVAEPRoFEssoR ETPAgroE

l
W

\
rn.Ec'TVT
\\ EccLF-si AE REFORMATIONNE
N
Isol VE

a Zyn beeldtenis eenigzins kleinder, waarby 't iaargetal taat


van 1696. en de letters C. W. die den Medailleur te Gotha,
Chritiaan Wermuth, betekenen.

b Deze incriptie, waarin Calvinus leven in 't kort onthouden


is : NATUS NO VIO DUNI Anno M. D. IX. VI. IDi

bus. IU LII. IN. PARISina AVRE Lianeni. ET BI


TUR1 ceni. ACA DE MIIS. IU RIS PR UD entiae. AC:
THEOLOG IAE. STUDIIS. E X CU L TU S. PA

TRIAM. O B. PERSEQUUTIONEM. DESERENS.


IN HEL VET IAM. AB IIT. GENE VAE. PROFES

SOR. ET. PA STOR. ANNO. M. D. XXX VI. DE


LECTUS.

ECCLES IAE.

## FORM AT I o#
2

en

x6o

DE GO U DE EN ZI L VER E

VARIISQUE. SCRIPTIS ET. CERTAMINIBUS.


CE LE BRIS. OBiit. Anno M. D. L XI II. VI. KaLen
darum. IV Nii.
Dat is:

Geboren te Noyon (in Vermandois) in deniare 15o9 den zoju y;

tudeerde in de rechten en Godgeleertheid op de Univeriteiten van


'Parys, Orleans en Bourges, moet zyn vaderland wegens de ver
volgingen verlaten, ging na Switzerland, wierd 1536. te Geneve
tot Profeor en Farheer verkozen, door de Reformatie der Kerken

en vercheide Schriften en diputen zeer vermaard, en tierfden 27.


Mey 1563.

De vierde voert:

a Luthers beeltenis, zoo als zulksboven met de korte levens


loop van Luther te zien is.
4. Calvinus beeltenis zoo als in de kort voorgaande penning.

(y)
A A N M E R K 1 N G.
(y)

Chritiaan Wermuth heeft dit tukie ook gemaakt, en doordien bei

de zyden van den nieuwsgierigen Lezer gemaklyk konnenworden by mal


kanderen

gevoegt, zoo heeft men nodeloos geacht, denzelven alhier an

dermaal te vertonen. -

De vyfde is zeer fraai, en wyt aan:


zo:
II
OR- eIO
##
Z%
#
Tsssy #
2

###
#

##

a Zyn beeldtenis, zierlyk omvat, met 't randchrift: IO.


HANNES. CALVINUS PICARDus. NO VIOE)U
Nenis. ECCLESiae. GENE Venis. PASTOR. Dat is:
Johan Calvinus, van Noyon, in Picardie, 'Patoor ter Kerke te
Geneve.

* De gevleugelde Faam teekt de trompet, houd in de linke

hand een boek welkers titul is: DOCTRINA. Leere, met

den rechten voet taatze op een vierkant, waartegen gechreven


taat VIRTUS. de Deugd. Het omchrift luidt: DCTRI
NA ET VIRTUS HOMINES POST FUN ERA

CLARAT. Dat is: De geleertheid en deugd maakt de menche


na kunnen dood vermaard.
-

By

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER 1et


By Calvinus konnen wy voegen Petrus Martyr, zeer geleert
man van Zynen tyd, en getrouwe medehelper van Calvinus.
Wy hebben eenen eenzydigen penning van de zelven ontfn
gen.
Dezelve voert:

a Zyn beeldtenis, met 't omchrift: PET RUS MAR


T 1R. VERMILIUS. (z)

A A N M ER K 1 N G.
(z) Daar zyn vier geleerde perzonen, die den naam van Petrus Martyr
dragen, welke derhalven wel zyn t'ondercheiden, ten einde men niet den

een voor den anderen neme, te weten: Petrus Martyr, Anglarienis, ge


boortig van Milaan, die Decades de novo mundo gechreven heeft. Petrus
Martyr, Fetus, van Urc, tad in Spanje, van geboortig, Schryver van
een boek, genaamt: Summarium Contitutionum pro regimine ordinis Praedi

'catorum. Petrus Martyr Tronus, geboren te Novara Italie, die een boek
heeft gechreven, onder den titel: De Vulneribus - ulceribus Capitis; en

onze Petrus Martyr Vermilius, geboortig van Florence in Italie. In Zyne


jeugd is hy in een Augutyner klooter, niet ver van Florence, opgetrok

ken , naderhand leerde hy de Griekche tale en Filoofie te Pada, de


Hebreeuwche tale n Theologie te Bolonie. Doordien weinige van zy

nen orden hem in geleertheid evenaarden, zoo begon hy de zeden van zyne
broeders wat vinniger door te tryken, als zy konden verduwen, weshal
ven hy zich na Napels begaf, om voor hunne vervolgingen gedekt te zyn,
alwaar hy op den voorlag van een Spanjaard, genaamt Johan Valdez,
vercheide adelyke perzonen van beide exen, onderwees. Van daar ver

trok hy na Lucca, en geraakte in kennis met Emanuel Tremelius, ge


boortig van Ferrara, die de Hebreeuwche taal leerde, Hieronymus Zan
chius, en anderen. Hy oordeelde zich echter daar ook niet veilig en rei

le deswegen na Zurich, in Zwidzerland, verzelt van eenen vermaarden


prediker Bernardinus Ochinus, en vervolgens van Zurich na Bazel, en
door bemiddeling van Martinus Bucerus van daar na Straasburg. Vervol

gens tevende hy na Engeland, en profiteerde op bevel van Koning Edu


ard opentlyk de H. Schrift op de Univeriteit te Oxford. Na deszelfs

dood quam hy weder te Straasburg, en eindelyk te Zurich, alwaar hy


Profeor in de Gog#heid wierd, en 1 s62. tierf, nadat hy in Vrank
ryk 't geprek te Poiy had bygewoont. By zyne geloofsgenoten is hy
in grote achting geweet, de Geleerden houden zyne Loci Communes en

Epitelen ook nog zeer hoog. Van zyn leven en Schriften kan meer gele-

zen worden in Teiier Eloges des hommes Scavans, 't welk wy nodeloos T I Wag.
achten, alhier te herhalen.

N 3

Nu

#"

Icz

D E GO U DE EN Z I L V E RE

Nu zullen wy nog gewag maken van vier voorname perzonen, die wel
geene Godgeleerden, maar echter Luthers vrienden geweet en in deszelfs
zaken veel gebruikt zyn.
-

De eerte is geweet Mercurio di Gattinara, Kanzelier van Keizer Ka


rel de vyfde, welkers raar bortbeeld wy op de wyze van eenen penning
konnen tonen, met dit omchrift : MER CURIUS. DE GATTI
NARIA.
(a).

CA RO LI.

V.

IMPEratoris CA n CELLAR IUS

A A N M E R K 1 N G.
, (a) De Heer van Seckendorff noemt hem doorgaans Gattinera, en des

Keizers opperte Kanzelier, daarby voegende, dat hy vervolgens kardinaal


is geworden, en den roem van een becheiden, den Protetanten niet onge
negen, op de verbetering der kerken yverig dringenden en van geweldadi
ge aanlagen tegen de Evangelichen teeds afradenden man gehad hebbe,
en den 4Juny 153o en aldus kort voor 't overgeven van de Augsburgche
belydenis, geturven zy.
. ..
De twede en derde is Bilibaldus Pirckheimerus, die zoo als uit dit vol

gende fraai choutuk blykt, van Albertus Durerus word gechildert. Het
omchrift moet aldus worden gelezen : I Rones. BIL IBAL DI. FIR

KEY Meri. ALBERti. DVRERi. Dat is: Van Bilibald Pirckhey


mer (b) en Albrecht Durer (c).

*
w-

A A N

*
-

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 1o;


A A N M ER KI N GE N.

(b) Bilibaldus Pirckheymer was een voornaam man te Nurenberg,


Raadsheer, Ridder, en Raad van de Keizers Maximilianus I. en Karel V.

en voortreffelyk Rechtsgeleerde, die in de Griekche en Lateinche talen


zeer ervaren was.

Conradus Rittershuius, Profeor te Altdorf, heeft

deszelfs leven bechreven, dat te vinden is voor aan in zyne operibus politi
cis, hitoricis, philologicis & epitolis, die by malkanderen gedrukt en van

Melchior Goldatus in den iare 161o in folio uitgegeven zyn. Zyne beide
zuters, Charitas en Clara Pirckheymer, hebben in 't regiter van 't ge
leerd vrouwentimmer, eene aanzienlyke plaats. Van haar kan worden ge
lezen by D. Johan Sauerbrey, hoogverdiende patoor ter predikkerke te
Erffurth, in zyne 1617 te Leipzig gehoude Diertatie de Faeminarum Eru-Diert I.
ditione, als mede in de van ons 't Schediasmati de Diariis Eruditorum byge- The:
voegde Centuria foeminarum eruditione ac criptis illutrium, alwaar hy na 't

3 set

getuigenis
van Chritophorus
Scheurlius,
per
tus vir graece
& latine vchementcr
doctus,Bilibaldus
genaamt Pirckeymerus,
word. Wylenjuris,
D. pag. I IO,
Wageneil noemt hem in zynen Commentarius de Noriberge rebus notabili

bus : Illutrem Virum, & Norribergae uae quondam Senatoruut ac cocumeu. Cap 2.
Voor 't overige de Geletterden pryzen den triomfwagen, door Pirckhey- pag. 13
mer ter eere van Keizer Maximiliaan uitgevonden, waarvan Albrecht Du
rer den chets in de treffelyke zaal van 't Stadhuis te Nurenberg, gemaakt
heeft. Den brief van Pirckheymer hierover aan Keizer Maximiliaan nevens . .

deszelfs antwoord heeft Wageneil ingelyft. Dat hy echter ook een goed le P .

vriend van Luther geweet zy, blykt ten minten hieruit, om dat Carel #."
van Miltits, Pauzelyke Nuntius, aan Frederik, Keurvort van Saxen
152o chryft, dat onder andere perzonen, die de yverige papit, D. Ec

cius, opentlyk aangelagen en gedoemt had, by name ook Lazarus Spen


gler, Raadschryver te Nurenberg en Bilibaldus Pirckheymerus geweet
zyn, zoo als Seckendorff in zyne Hitoria Lutheranimi bericht. Hy is in fol.99 b
-

## gelyk } er iets
H. Boeclerus in zynen commentarius de Rebus Seculi XVI meld. Voor F**

den iare 147o, geboren, en den 22 December 153o.

't overige heb ik zyn beeldtenis, waarom gechreven is: BILIBAL DUS

! ! !

PIRCKHAIM ERUS. PATRicus. NORICUS. HISTO-

RICUS. en dit volgende Epigramma:

Res mundi getas, &# caeli ydera nrem ;

r,

. . s .

Ima imul debent & upera alta mihi ,

By den bovengemelden Rector van 't Vortelyk School te Sleuingen,


M. Gottfried Ludovici in eene oude kopere plaat gezien, die net met de | | | |
tegenwoordige medaille overeenkomt.

"

(c) Albrecht Durer, geboren 1471. in een

# dorp by Wara-

dein, begon 1486. de childerkunt te oefenen te Nurenberg by Michael . .

Wohlgemuth, en wierd een der grootte Meeters van zynen en alle navol##
tyden,
zoo verre #
dat,Italie,
zoo als
Wageneil
de vermaardte
childer
en Beeldhouwer
Michael
Angelomeld,
Buonarotta,
zoowel pag
l. c. 15i.
i

de childeryen als platen van Durer, die hy magtig korde worden, ver
brandde, of op eene andere wyze uit de werreld hielp, uit vreze, dat deze

hem den loef zoude ateken, en zynen naam in Italie verduiteren. Een

treffelyk uitgewrocht tuk van hem is dat van Adam en Eva op de


zaal te Nurenberg, dat 12go daalders heeft gekot, zoo als ";chouw
Enei
nleil lpag.
1o3.
c. fol.

### lykchen &


plaats des tyds, dat zyne vier naakte Hexen, zyn wil ie Man, twee Paar- 374.
den, de Paie in koper geneden, een Hertog van Saxen, en Philipp

Melanchton daarenboven louter meetertukken zyn, Hy tierf den 6 A- tt 1


pril 1528. en legt te Nurenberg by de St. Janskerk begraven. Zie ook
Joachim van Sandrart, Duitche Academie. Van zyne vriendchap en aehr Tom I.
ting iegens Luther, getuigt eene kleine rfiedaille, die wy by 't Haar ff 26 fol.222.
hebben aangehaalt.

b
G

ro4

D E G O U DE EN ZI LV E RE

De vierde is Conradus Peutingerus, van Augsburg van geboorte, wel


kers eenzydige medaille,

# Lichtwer te Dreden,

zoon van den

Koninglyken Poolchen en Keur-Saxichen Raad en Leen - Secretaris ,


Magnus Lichtwer, zeer net getekent en my medegedeelt heeft ; Om den
rand taat : CHU ON RADUS. PE UT IN GER. AUGUST A

NUS. JUR IS. UTR IUSQUE. DOCTOR. AET AT I S.

ANNO. LX. Dat is : Conradus Peutinger van Augsburg, Doctor in de


beide rechten, oud 6o iaren. Onder taat zyn adelyk wapen (d),

A A N M E R K IN G.
(d) Hy is geboren in den lare 1465 en overleden den 28. December
1 547. als Raad van Keizer Karel V., was een zeer geleert man, en boe
zemvriend zoo wel van Erasmus van Rotterdam als van Luther, welken
l. c. f 47.
b. 155. b.

laatten hy in deniare 15 18. te Augsburg by den Kardinaal Cajetanus en


1521 op den Ryksdag te Worms, grote dienten bewezen heeft, zoo als
Seckendorff van hem roemt. Zyne Sermones Convivales de finibus Germa

nie contra Gallos, midsgaders 't # de inclinatione Imperii zyn 1684


in 8. te Jena herdrukt ; de overige Schriften echter worden door Teiier
T.I. p. 7. in zyne Eloges des hommes Scavans gereconeert.
8.
"

S. 39.

- -

1538.
Verder

beloop
der Re

formatie.

Na deze ongerymde nog onaangename uitweiding willen wy


weder tot onze voorgaande orde keren. In den iare 1538. ge
noot Luther van zyne vyanden een weinig rut; hy bemoeidde
zich ook niet met de beraadlagingen der Vorten, choon de
Pauzelyke party toenmaals eene vergadering te Nurenberg be
leide, en de Keizerlyke Gezant, Doctor Held, dikwyls met
George, Hertog van Saxen, en Henderik, Hertog van Brons
wyk afzonderlyk in geprek was, waarvan de eerte den Paus
zeer toegedaan, en den Keurvort van Saxen ongenegen was,
terwyl de laatte eenen onverzoenlyken haat iegens den Keur

vort en den Landgraaf van Heen had. De Keurvort echter


#e Bontgenoten telden zich tegen die aanlagen in goede
OTCler. ,
1539s

| |

In 't volgende iaar 1539. echter gaf God Luther eenen zeer
ryken Oegt, om dat de gemelde Hertog George, Hoofd van
de toenmaals Vortelyke Albertiniche linie, en grote tut van
't Paudom, den 17 April 1539. van den Hoogten uit deze
Wer

-- - -

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER.

res

werreld wierd weggerukt. (e). Hy was voor 't overige een


Heer van meer dan Vortelyke hoedanigheden, behalven dat hy
gedurende zyn leven de lere van 't Evangelie, in zyne landen
geen plaats heeft willen vergunnen, nazynen dood quamen de
regering der nagelate tamelyk grote landen aan zynen eenigen

Heer broeder, Hertog Hendrik. (f) Als deze nu had belo


ten, om de Kerken in 't Markgraafchap Minie, nevens de
Univeriteit te Leipzig na de Evangeliche lere te choeien, zoo

chreef hy aan Luther, die zich zoo voort met verlof van den
Keurvort, na Leipzig begaf, en zyne eerte Evangeliche pre

diking in de St. Nicolaas Kerk aldaar, den 25. Mey zynde de


eerte Pinxterdag, verrichte, in de tegenwoordigheid van eene
ongelooflyke menigte toehoorders, en zoo wel den Keurvort
als Hertog Hendrik met zyne Raad aan de hand ging. (g)

A A N M E R K IN GE N.
(e) Het leven van Hertog George is zeer fraai door Gortfried Arnold,
wanneer hy nog Profeor Hitor. te Gieen was, in eene wydlopige Di

ertatie bechreven, den eigentlyken dag van deszelfs overlyden zet de hoog-

vortelyke Raad en Amptman te Coburg, George Paul Hnn, in zyn Sa- ?ag 246,
xich wapen en gelacht onderzoek, nevens aanhaling der Schryvers, die hier
ontrent oneenig zyn, op den 17. April.

| ||

(f) Van dit onverwacht geluk van Hertog Hendrik, chryft Joachimus pag. 186,
Camerarius in Vita Philippi Melanchtonis aldus: Deze ongehoopte erfvolging
is hem van een waarzegger vier iaren te voren geprofeteert, om dat hy, wan
meer de beide Heren Gebroeders, George en Hendrik in Vrieland oorloogden, ver
zekerde, dat Hendrik met der tyd alle Miniche landen zoude erven ; 't welk
echter Hertog George toenmaals zeer qualyk nam.
-

(g) Van deze Reformatie zie Seckendorf, midsgaders Hertog Hendriks Lib-3,5.
levensbechryving, in manucript, door zyn Secretaris, Bernhard Freydin- 7"
ger, opgetelt, alsmede Heidenreichs cn Schneiders Annales en Kronyk van fol. ,98.
Leipzig; voorts David Peiferus Lipia; Anton Wecken, Kronyk van Dre- 3oi. . .

den en andere Schryvers der Miniche gechiedenien.

Wy hebben van die Reformatie ook vercheide fraaie pennin


gen, welke wy hier zullen laten volgen. Luckius heeft de eer- fol. 94,
te in zynen Syllogis Nummorum, en voert:

a 's Hertogs bortbeelt met bloten hoofde, en eene goude ke


ten om den hals, met dit omchrift

oHENRICUS. Dei. G#
-

Ul

rc6

DE G O U DE E N Z I L v E RE

tia DUX. SAXONIAE. Dat is: Hendrik, van Gods genade,


Hertog van Saxen.
b. Het Hertogelyke Saxiche wapen,

met het omchrift:

VER BUM. DOMINI MANET. IN. AE TERNU M.

Dat is: Gods Woard blyft in eeuwigheid. (h)

AAN M ER K IN G.
(h) Schoon by deze medaille 't iaargetal van 1539. niet taat, zoo heeft
Luckius echter 't zelve daarby gevoegt 3 ondertuchen meld Tentzel in
pag. 75.

zyne Saxiche Medaille-hitorie, Eerte Deel van de Albertiniche linie, dat


hy nog geen origineel van dezen penning gezien heeft, hoewel hy kort te
voren eene andere van dienzelven inhoud, en met 't iaargetal van 1539. be
chryft.

De twede welke alhier behoort, is een fraai tukie, waarvan ik na een


kopere, de copy bekomen heb.

Op 't zelve is te zien:

a Het beeltenis van den Hertog, houdende in de rechte hand


het hegt van een groot neerwaards hangend Zwaard, op de rech
te zyden teekt 't hegt van een dolk, rontom taan deze woor
den : HENRICUS. DUX. SAXoniae. AL BE R ti. FI

Lius. Dat is: Hendrik, Hertog van Saxen, zoon van Albertus.
b De woorden uit den 4o. Palm van David : DEUS AD
JUTOR ET LIBERATO R. MEUS. Dat is: God my
me hulpe ende myn bevryder. (i)
A A N M E R K IN G.
fag sr.
l. c pag.

(i) Zie Heer Schlegel Munt-Bybel, midsgaders Heer Tentzel, die daar
van zegt, dat ze met grote kunt vervaardigt is. De rede echter, waarom
de Hertog hier met een harnas, zwaard en dolk gewapent is, meld hy Pag
71.

De

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER tez


De derde is eene der raarte Saxiche Medaillen; dezelve
VOCrt :

a Des Hertogs bortbeeld met een kolder, harnas, Zwaa


en dolk, en dit omchrift: HENRICUS. DEI. GRATIA
D U X. - SAXONIAE. ANNO. AETATIS. SUAE
L XVI. Dat is: Hendrik van Gods genade Hertog van Saxen,
oud 66. iaar.

b Rontom't Saxiche wapen taan deze woorden: JOSEPH.


RESTITUTUS. EST. PRISTLNE. SUAE DIGNI

TATI. ANNO. DOmini. 1. 5. 3. 9. Dat is: Joeph is in zyne


vorige waardigheid hertelt, in den iare des Here 1539. (k)
* -

A A N M E RK IN G.

(k) Het origineel van deze rare medaille is te zien in 't Hoogvortelyk
Kabinet te Weymar. - Heer Tentzel en Heer Slegel hebbenze zeer fraai l.c. as
verklaart, en de laatte voornaamlyk heeft de vergelyking tuchen Joeph, # p:
zoon van den Aartsvader Jacob, die in Egypte veel ongemak en vervolging 7.8.

heeft moeten ondergaan, en Hertog Hendrik, welke na vele quellingen,


die hy van zynen broeder, Hertog George, wegens 't Evangelie heeft

moeten lyden, maar nogtans deszelfs opvolger in de regering en van God


in de hem toekomende waardigheid hertelt is, omtandig uitgevoert.

$ 4o.
Terwyl dit aldus in Minie voorviel, zoo bepeurde men den ,sis:
wasdom van 't onkruid der binnenlandche oneenigheid in Duit-Den Pro

chland, tuchen beide partyen oogchynlyk, om dat 't den #.


Papiten op 't felte griefde, dat de Protetanten door de hulp aandge:
van meer landchappen, hoe langs hoe magtiger wierden, en zy ge"
-

van de eens erkende waarheid der lere, nog van hunne voor

rechten, in 't mint wilden wyken, waardoor ook alle pogingen we


gens een algemeen vry Concilie, vergeefs waren, des niet te
gentaande quamen de Standen te Frankfort aan den Mayn, by
malkanderen, en den Keurvort van Saxen en de overige Smal

kaldche Bondgenoten, wierd een tiltand van vyftien maanden


gegeven, hoewel 't cheen, als of de Keizer niet gaarn daarin
willigde, en 't zich liet
dat hy de Protetanten liever

emie,

InCt

2
w

mes . DE G. o U DE EN Z I L VE RE
met geweld tot gehoorzaamheid wilde dwingen, voornaardyk
, toen men bepeurde, dat hy de zaak van Hendrik, Hertog van
Bronswyk, doodvyand van den Keurvort van Saxen en den

Landgraaf van Heen, niet ongenegen was. De Protetanten


beleiden daarop eene vergadering te Arntad in Thuringen, en
hielden aldaar hunne verdere beraadlagingen, zoo wel ontrent

't Smalkaldche Bondt, als ontrent de te makene chikking, by


aldien de vyandelyke party geweld quam te gebruiken, alzoo
hun voornemen niet was, eenigen aanval te doen, maar harere
ligie, vryheid en landen met de wapenen te bechermen ; 't
welk D. Luther dan ook zelf goedkeurde. Ten einde het ech
ter niet chyne, dat de Protetanten ganch niet tot vrede gene
gen waren, zoo quam men overeen, om te Nurenberg eene

diputatie of geprek tuchen beide partyen over de voornaam


te artikels der chritelyke lere te beleggen, en zelfs de Gede
puteerden van de Switzerche Kerk, daaronder de bovengemel
de Johannes Calvinus, insgelyks daarop toe te laten. By den
uitgang echter helaas! is gebleken, dat alle deze pryswaardige
aanlagen van weinig vrucht zyn geweet. Ondertuchen was

, in dezen fare 1539. ook merkwaardig, de bekering van den


E#
Keurvort van Brandenburg, Joachimus den tweden, tot de E
mus II,

#" vangeliche religie, (t) waardoor de party der Protetanten mag

# tig vierden. Lutherus echter erinnerde niet alleen met grote ord
#.
Jhelt de
Evange

#
watSchriften,
hierby noodzaaklyk
was, maar
verzekerde
#
byzondere
dat de #e
achtervlg:
d

ecreten, wetten of beluiten der oude Concilien, niet #

liche lere **

- 1

ge
-

L.3.5-

75.76

--

AAN M ER K IN G.
-

- (l)

Pag. 472

Seckendorf ; Rentch, 't Brandenburgche Cedern-Hayn.


-

..

$ 41.

,,s

In 't volgende jaar quamen de Protetantche Standen in de

Luthers maand van Maart te Smalkalden weder by malkanderen, alwaar

# dan Luther zyn gevoelen over de op 't tapyt zynde zaken, ten
ME papiere bragt, en zy beloofden elkanderen andermaal, om tand
ton
vatig by Gods Woord te blyven. Na dat nu de Vergadering
den 15. April eindigde, en 't gerucht liep, dat de Keizer eene

Vergadering der Standen in de tad Hagenau wilde uitchry

ven, en Philip Melanchton zich achtervolgens 't bevel van den


Keurvort gereet maakte, om zich derwaards op 't geprek te

begeven, zoo wierd hy onverwachts zeer krank, en moet te


Weymar 't bed houden. Luther begaf zich zoo dra, mogelyk
,

,, by hem, troote en vermaande dezen zynen boezemvriend tot

# geduld, in 't van God hem toegezonden kruis. Ondertuchen


-

was Luther niet minder verlegen over 't Concilie, 't welk aan
Philip, Landgraaf van Heen, die by 't leven van zyne gema

lin, uit geheime en hoog bedenkelyke redenen nog eene vrouw


wilde trouwen, en deswegen de Wittenbergche Godgeleerden
om raad had gevraagt, gegeven en nu door trouweloosheid in

handen van verdachte perzonen geraakt was. Daarenboven ver


oorzaakte Johannes Agricola, Rector ter, chole te
3 r. ;

-/

E#
T33f

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 189


Graafchap 'Mansfeld, hem groot verdriet, om dat dezelve 't

kote wat 't wilde, de wet Mois wilde afchaffen. DogLuther


loeg dezen ontydigen dweper uit 't veld, en hy was genood
zaakt, om zyne dwaling opentlyk te herroepen, waarvan ech

ter een omtandig verhaal te doen, iegenswoordig ons werk niet


1S.

:-1

**

- ' -i

f, er
-

'

* *

D- - 1''

, S. 42.

-.

Het boven aangeroet geprek of diputatie draalde door 't g,


achterblyven der tegenparty, tot in deniare 1541, wanneer de #
Pauzelyke # 't zelve bywoonde, preiderende voorts in nau.
naam van den Keizer, de Kardinaal Nicolaus Perottus Granvel
lanus. Op 't zelve diputeerden voornaamlyk Philippus Melanch
ton en D. Johannes Eccius over de erfzonde. Als # 'Eccius

met allerhande opgewarmde laffe kot voor den dag #


zich met chelden behielp, zoo taafde

# tellenin

gen op eene ongemene zachtzinnige wyze met onwrikbare gron


den uit de H. Schrift. Naderhand werd Granvellanus van den
Keizer te rug geroepen, die toen te Spier was aangekomen, en
aldus geraakte 't geprek zoo lang in duigen, tot dat het op den
aantaanden Ryksdag konde worden hervat. (m) Doordien Ente Rei

men nu aldaar voornaamlyk de lere van de Kerk wilde doorlo- #burg

pen, zoo gaf de Ketirvort van Saxen Melanchton andermaal"


(n) Ondertuchen bragtenzommi
e een boek voor den dag, hebbende den Keizer dietsgemaakt,

beval derwaards te reizen.

at beide trydige partyen door deze hulpe gemaklyk konden


vergelegen worden, weshalven verzocht wierd, dat gemelde
partyen zich 't zelve zouden laten welgevallen; dog zy beide
hadden gene ooren daartoe, de Saxiche Godgeleerden ver
wierpen het niet t'eenemaal, maar waren bereid, het na eenige
verandering aan te nemen, dog de papiten wilden niets daar

van horen, dat aldus dit boek ter ongelukkige uure geboren is,
om dat 't als in tedere ieugd by allen gehaat was, en eenige ia
ren daarna nog grote onrut veroorzaakt heeft, waarvan wy
hier beneden iets meer zullen preken. Zeker is, dat Luther
deze miskraam nooit heeft goedgekeurt, choon toen zelfs ver

cheide voorname perzonen en Vorten na Wittenberg wierden

gezonden, om zyne toetemming te hebben, dog hy heeft zich


door zulke bedriegelyke vereenigings-voorlagen niet laten mis

leiden, nog ooit de Augsburgche Delydenis een duimbreed ge


weken, van welk gezantchap, om dat de meete Schryvers
niets daarvan gewagen, ik te liever een word wil melden, om
dat zulks een voortreffelyk voorbeeld vertrekt, van Luthers

tandvatigheid in den gelove (2)


'
!

A A N M ER K I N G E N.
- -

| | |

| | .| |

(m) Van dit geprek handelen Seckendorff, en Camerarius in Vita Me-rag 14s.
lanchtonis, beknopter echter Matheius in de dertiende prediking van Luther, a b.
welkers woorden ik hier zal aanhalen: 3, Na veelvoudige onderhandelin
,, gen komt men overeen, dat ieder party eenen geleerden zal uitkippen ,
,, om opentlyk over de trydige artykels in de Augsburgche belydenis te
,, diputeren. De onzen verkozen den Heer Philippus, en voegden

-,

O 3

sto
25

DE G. o U DE EN Z 1 LV ER E

toe D. Creutziger en Muculus, om te chryven, alles wat geproken

wierd. De tegenparty nam D. Eck. In 't begin van 't 1541, iaar
,, nam 't geprek een # De Heer Philippus liet zich horen als een
3 dierbare Godgeleerde, en bouwde zyneredenen zoo vat op Gods Woord,
3 dat Eck niets degelyks daartegen konde inbrengen.
Wanneer nu de te
b genparty bepeurde, datze met hunnen Goliath tegen den kleinen David
en zyne lingertenen niets vermogten, quam Granvella met Keizerlyke
brieven voor den dag, dat 't geprek tot op den naatkomenden Ryksdag

599
51

39
92

99

pag-

# was

reeds uitgechreven, en

Keizer Karel wilde denzelven in perzoon bywonen. Dit was 't afcheid
en end van 't geprek, waarby de onzen veel lof by vreemden en grote

25

luiden behaalden. Heer Granvella zou zich hebben laten verluiden :


De Protetanten hebben eenen Schryver (menende D. Creutziger) die

599

geleerder is, dan alle papiten zamen, want hy knapt alle de woorden,

99
66. a. 29

welke Heer Philippus preekt, en erinnert hem daarenboven, wat van 't
inbrengen van D. Eck nog moet wederlegt worden. Ik heb de acten

99

zoude verchoven werden, want die

gezien, die heel leesbaar uit Melanchtons mond op 't papier gebragt zyn.
Onze Heer D. Lutherus maakte gewag van eene fraaie hitorie na
9
, mentlyk: Eck zy met een zeer pitsvinnig hoekkig argument op de baan
gekomen, als Heer Philippus daarop zeide: Morgen zal ik antwoor
92

29

99

, den, hernam D. Eck : Het is niet pryslyk, dat iemand niet voor de
95)

5)

vuit kan antwoorden. Heer Dcctor, zeide de omzichtige man, ik zoek


in dezen handel, maar de waarheid, morgen, als 't Gode

# eere

ehaagt, zultge my horen. Voor 't overige heeft Melanchton zelf


van dit geprek eenen brief aan Luther gechreven. Zie Epitole Melanch

pag. m.

#2.tonis, door Peucerus 157o uitgegeven.


(n) Alhier behoren twee gedenkpenningen van Melanchton,

die

hier

boven reeds zyn verklaart.

(o) Seckendorff Lib, III. S. 88. fol, 361. 363.


Daar is ook ter eere van Luther in dezen iare een penning gelagen,
waarvan
ik eene eenzydige in lood heb gevonden, in 't Viatich Kabinet te
Nurenberg-

- J

- Dezelve voert:

a Luthers beeltenis, met 't omchrift: Doctor. MARTINus


LV THE RUS. CVRR VS. ET. AVRIGA. ISRA

HELIS: Dat is: Wagen Iraels, ende zyne ruiteren. (uit 't
Twede Boek der Koningen Cap. 13. v. 14.) Onder taat Luthers

wapen en aan beide zyde 'tiaar getal van 1541. (p)


,

'

\
A A N

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER: 111


-,

A A N M ER K IN G.
(p) Ik acht, dat de zin van dit omchrift aldus is: Gelyk als de profeet
Elia den ten hemel opvarenden profeet Elia met deze woorden nariep, zoo
heeft de maker van dien penning in naam der Evangeliche kerk in dit ge

vaarlyk iaar van 15.41. insgelyks gedaan , Van de vergelyking van Luther
met den profeet Elia, is boven gewag gemaakt.

S. 43

Luther geraakte in geen kleiner verlegenheid, wanneer in

15.42:

den iare 1542. tuchen den Keurvort van Saxen, Johan Fre-Luthers

derik, en deszelfs neef Maurits, Hertog van Saxen, die den 18. #2
gen
- -

Auguty 154 1. zynen overleden vader, Hertog Hendrik, in de heid

regering gevolgt was, verchil rees, waardoor lichtefyk een


zware oorlog had konnen onttaan, ten zy de allerhoote dit

vuur door den vertandigen poedigen raad van den Landgraaf

Philippus gedempt had, (4) Kort daarna echter onttont 'ers,


nieuwe onrut, wegens 't bisdom van Naumburg in Thuringen, #s
te weten, de geweze Bichop, Philip, Paltsgraaf aan den Ryn, en
was in dezen iare 1542 overleden en de Kapittelheren hadden
Julius Pflug, uit een aloud adelyk gelacht in Minie, tot hun
nen Bichop verkozen. Doordien dit echter gechiede, buiten

weten van den Keurvort, zoo verklaarde hy deze verkiezing


hietig, zoo als Enede de redenen, waarom hy Pflug niet als Bi
chop van Naumburg konde erkennen. Wanneer echter deze

niet wilde wyken, zoo telde de Keurvort Nicolaas van Ams


dorf met geweld in deszelfs plaats, bediende zich hierontrent
ook van Luthers raad, (s) die terzelver tyd in de reformatie in wurizi

't tigt Wurtzen allen vlyt aanwendde, en voor 't overige een chever

chrift van 't Concilie optelde, dat van den Roomchen Paus "
in de tad Trient belegt was, als 't welk hy voor ontydig en
daarenboven voor de Protetanten gevaarlyk achte, om dat die

plaats buiten de Duitche grenzen is. Wat echter midlerwyl


tuchen den Keurvort van Saxen en den Landgraaf van Heen
aan de eene en Hendrik, Hertog van Bronwyk, aan de ande

re kant is voorgevallen, als welken dezen laatten beoorloogden,


en in den iare 1545. in een veldlag gevangennamen, zulks dient

eigentlyk tot ons betek niet, maar wel dat Luther in 't boven

gemelde iaar 1542, zyn Tetament gemaakt en voorzyne vrouw


en kinderen gezorgt heeft, als of hy wit dat hyras terven zou
de. (t)
A A N M E R K 1 N GE N.
(4) Sckendorff, midsgaders Sleidanus de Statu Religionis & Republi- fol 423:,
cae in Germania. Heer Ziegler, Dagelykche Schouwplaats des Tyds.

Lib, XIV

(r) Joachimus Camerarius noemt hem in Vita Philippi Melanchtonis , fol. *13.
Ernetus, dat hy echter abuis heeft, bewyt D. Cap. Sagittarius, Hito-S 42 P.
ria Epicoporum Nuanburgenium, alwaar hy van dit verchil omtandig han- # 41 5.
delt.

(s) Seckendorff,
#9".
(t)
Van
dit
Tetament
van
Luther
handelt
Seckendorff,
midsgaders
D.
# III.
Joh. Fr. Mayer in zynen Schediasmate de Vita Catharinae a Bora. Het #
II.
-

ve

Tetament zelf kan men lezen in 't achtte Deel van Luthers Schriften, te

Al- 'vetjes e

fol. 6 F1.
fol

,,A

112

DE Go UDE EN ZILVERE

Altenburg gedrukt, alwaar gezegt word, dat 't Euphemia zynde den 16
September, gedagtekent zy , ondertuchen heeft de hoogwaardige Keur
vortelyke Opper-Kerken-Raad en Opper-Hof-Prediker te Dresden, D.
Samuel Benedictus Carpzovius, de goedheid gehad, my by eenen eigen

handigen brief te verwittigen, dat hy 't origineel van 't gemelde Teta
ment, door Melanchton, Crucigerus en Bugenhagius getekent, bezat en

dat uit de dagtekening blykt, dat 't niet op Euphemia, maar op Epiphania
zynde den 6. January, gemaakt zy, behalven dat 't gedrukt copy nog hier
en daar eenigzins van 't origineel vercheelde.
r

Reforma
tie in 't

$ 44

Wanneer nu de Protetanten verder zoo wel te Nurenberg


als te Frankfort, hunne gemene zaken overwogen, zoo gebeur

tigt Keu

de het, dat Hermanus, Aartsbichop en Keurvort van Keu

len.

len, om dat hy de waarheid van 't Evangelie erkende, de Re


formatie van zyn aartstigt in den zin kreeg, en ook eenigzins

een begin daar mede maakte, alzoo de aan hem gezonde Gede
puteerden nevens Philippus Melanchton, dezelve zoo veel mo
gelyk bevorderden, hoewel ze echter bleef teken. Wat ech
ter Philippus by den Aartsbichop heeft gedaan, heeft hy zelf
aan Luther omtandig gechreven, welkers meete arbeid in de
zen iare met de Joden was, van welker vragen en gelove in zy
ne chriften uitvoerlyk kan gelezen worden. Met beteren voort
gang en geluk hervormde Willem VII. 't Vortelyke Graaf
chap Henneberg (u), choon hy toen reeds een Heer van 65.
-

iaren was.

Hy wierd daar door overgehaalt, door zynen zoon,

den vromen Vort George Ernet, en beriep D. Johan Frter,


van Wittenberg, waarop de Pauzelyke Prieters en Monniken
in 't ganche land bedankt en in derzelver plaats Evangeliche
Predikers getelt wierden. Hy zelfs bleef by de aangenome
reine lere, choon 't met dezelve gevaarlyk uitzag, en hem ook

't interim in den iare 1548. door den Keizer wierd opgedron
gen, tot aan 't einde van zyn leven, dat hy den 24 January
1559. gerut beloot. Ik preek hiervan te liever om dat myne
weinigheid gewaardigt is, eenige iaren herwaards, by 't Vor
telyke Gymnaium, of gezamentlyk Vorten en Landchool te
Sleuingen, geweze Reidentie der Vorten en Heren van 't

Graafchap Henneberg, welk chool door den hooggemelde Vort


Ernetus in den iare 1577 is geticht en door deszelfs gezament
lyke Lands en leen-erfgenamen by 't doorluchttigte Keur-en

ortelyk Huis Saxen, voornaamlyk tot aanmoediging der tu

dien in de Godgeleertheid en andere goede wetenchappen, op


de milddadigte wyze onderhouden word, eenige dienten te
bewyzen.
A A N M E R KI N G.

(a) De Heer van Seckendorff heeft L. III. fol. 456 458 van de Re
formatie der Hennebergche kerken wel iets verhaalt, dog hiervan zal in
myne Hennebergche Hitorie uit originele acten en regiters in 't kort een
omtandiger bericht te lezen zyn.

Als

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. 113


S. 45.

Als de Keizer te Spier quam, zoo chenen de zaken der Pro- vs44.
tetanten zeer wel te taan, om dat dezelve hare vriendchap Ryksdag

zocht, ten minten uiterlyk, en zy hem, zoo veel hun gewi-


en toeliet, alleen gehoorzaamheid toonden ; ondertuchen
konden zy niet verkroppen, dat de Paus van Rome de Belui

# Spierchen

Ryksdag nietig verklaar


de, en in de tad Trient een Concilie van Bichoppen op zyn
eigen houtie wilde vergaderen; Luther kantte zich by gechrif
te daar tegen, en telde de heimelyke inzichten en litige kont
treken der Wederparty in eenen helderen dag, en gaf daarby
te kennen, waarom nog recht nog raadzaam was, dat buiten
ten en Afcheiden van

Duitchland een Concilie gehouden wierd.


S. 46.

Daar was meer toffe van preken, als de Protetanten op 154s:

den Ryksdag te Worms, met nadruk over de bechryvinge #n,.


van 't meergemeld Concilie klaagden, en de Keizer , dien alle
gangen der Protetanten verdacht waren, die klagten met on- . .

gemene onverchilligheid aannam. Ten einde nu de Keurvort


van Saxen van zyne kant niet in gebreke blyve, zoo beval hy ,
dat Luther nevens de overige Godgeleerden, een vat Reforma
tie-formulier zoude optellen, om voortaan onveranderlyk daar
by te blyven. Want choon hy zag, dat deze voorzichtigheid
vergeefs zou zyn , om dat de Keizer met den Koning van
Vrankryk vrede had, zoo zag hy echter niet gaarn, dat men van

hem zeide, dat hy een vyand van de rut van binnen geweet
zy. De Godgeleerden gehoorzaamden dit bevel in alle delen,
maar hunne arbeid bereikte 't gewencht oogmerk niet, om
dat de Keizer den Ryksdag verchoof, om 't jaar daaraan te

Regensbrg te worden gehouden. De Keizer verzocht # 't


inftandigte, dat de Keurvort denzelven bywoonde , Luther
echter en de Keurvortelyke Raden # zulks niet gaarn, uit
vreze, dat die vrome Heer eindelyk door de kunten, liten en

bedreigingen der vyanden tot aanneming van 't Trientch Con


cilie zoude worden overgehaalt, waar door aldus de ganche

zaak der Evangeliche Religie zoude bederven. Zeker is, dat


men zag, dat de Keizer op de Protetanten hoe langs hoe ver
bitterder wierd , om dat hy niet alleen den aanvang tot een
Concilie in de tad Trient liet maken, maar zich ook heimelyk

ten oorlog toerute, ten einde om na de gelote Vrede met


Vrankryk, de wederpannigen in Duitchland tot gehoorzaam
heid te brengen. Midlerwyl waren de Protetanten in dit ge
wricht van zaken op hunne hoede, en beloten, om op eene

rechtmatige wyze geweld met geweld te keeren.


S. 47. .
*

Aldus tonden de zaken toenmaals tuchen beide partyen ; 1ser.


en
vertandige
menchen
vreesden#ry'
, dat 'tLuther
in 't kort
tot eenen #s
bloedigen
oorlog
zou uitberten,
veel dreef:
roer het

114

DE GO U DE EN ZI L VE RE

had, niet zoo wel hierover, dan wel om dat de Pauzelyke

Godgeleerden te Leuven hem veel werk verchaften , midsga


ders wyl de alte grote zachtzinnigheid van Philippus Melanch
ton hem mishaagde, en vervolgens door dien de Rechtsgeleer
den te Wittenberg als nog de huwelykzaken na de Canonike
wetten en Decreten der oude Pauzen liten.

Vermids ze hem

hierin niet wilden toegeven, en zulke tyfzinnigheid hem zeer

griefde, zoo vertrok hy van Wittenberg, begaf zich na Mer


eburg, en van daar na Zeits by Nicolaas Amsdorf, van voor
nemen, om niet weder te Wittenberg te komen. De Keur
vort echter bewoog hem eindelyk daar toe, door een onge

meen genadig en vertandig chryven , ( w ) 't welk de Heer


van Seckendorff in zyne Hitorie des Lutherdoms in de Duit
che tale te lezen geeft. Aardig echter was, wat de Papiten

in dezen jare van zynen dood uittrooiden , te weten, dat hy


na 't ontfangen van 't H. Avondmaal getorven was, en kort
voor heen bevolen had, zyn lyk op een altaar te zetten en aan

te bidden, doordien men echter 't zelve had begraven, was


tweemalen zulk een heftig onweder onttaan, dat men vreesde,
dat de hemel aan tukken zouden berten, en na dat men daar

op het graf had geopent, had men niets van 't lichaam gevon
den, maar daar was zulk een yslyken tank uitgekomen, dat
vele der omtanders daar van bemet en bewogen waren, om
weder tot de Roomche kerk te keren.

een

Wanneer men Luther

# briefje met dit vertellingje liet lezen, lachte hy,

dat hy chudde. (y)


3 - --

- -

AAN M E R K 1 N G EN.

(xy Doordien deze brief van den Keurvort Johan Frederik aan Luther,
zeer zonderling fraai is, en een ieder de Werken van Seckendorff niet heeft,
zoo, zal niet onaangenaam wezen, denzelven hier te vinden. Ze luid als

volgt : ,,. Onze genadige groet alvorens. Eerwaardige, achtbare, en

, hooggeleerde, lieve, aandachtige. Ons word geloofwaardig gezegt ,


datge U voor eenige dagen na Zeits, tot den Eerwaardigen, onzen lie

, ven aandachtigen, Nicolaas, Bichop van Naumburg, hebt begeven,

, 't welk wy wegens uwe lichaamsgezondheid en verqikking heegaarn


,, hebben gehoort, hoewel wy van U genadiglyk hadden verwacht, dat

, gy ons deze reis voor uw vertrek zoudet hebben te kennen gegeven, ten
,, einde wy U met levend gelei, mitsgaders onderhoud ha

konnen

, verzien, om veiliger in de bovengemelde plaats te komen, want gy


,, weet, dat # ontrent U niet gaarn in gebreke gebleven en zulks nuttig

,, en goed geacht hebben, om dat, zoo alsge zelf weet, Julius Pflug niet
, nalaat, na 't ticht Naumburg te taan, en allerlei zeldzame #
,, en ondermyningen by zyne neven en vrienden te doen. En hoewel wy

,, ook niet twyfelen, of de almachtige late op uw en der kerken gebed


,, door zyne heilige Engelen bewaken, en U op uwe wegen verzellen,
, zoo achten wy ons echter chuldig, om daarbenevens met ons vortelyk

, en menchelyk toedoen zorgvuldig voor U te zyn, weshalven wy wel


genadig hadden mogen leiden, datge ons kennis van uw vertrek had ge
, geven, zoo als wy ook ganch genadig begeeren, datge ons uwe her
s, waardsreize van Zeits te kennen geeft, ten einde wy eenige van de on

3, ze U toezenden, en voor 't overige alle nodige orders mogen geven.


,, Doordien wy echter, als wy giteren na datum in onze wezentlyke rei

# zyn gekomen, hebben vertaan, als of ge te Witten


,, berg allerhan e verdriet had, weshalven gy aldaar voortaan niet gaarn

,,, dentie te

zoudet zyn, zoo mogen wy U in ganch genadige mening niet verber


-

r,

er ---- --

gen,

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. 115


, gen, dat we zulks in waarheid met rechte bekommertheid en medelyden

,, hebben vernomen, want hadden wy de redenen van uwe moeijelykheid


,, gemerkt, wy zouden niet nagelaten hebben, om voor ons zelven order

,, te tellen, zoo veel ons door Goddelyke hulpe lechts mogelyk was,
,, om dezelve te doen ophouden. Nu hebben wy uwe moeijelykheden tot
,, nu niet vernomen, weshalven wy ook daarin niets hebben konnen doen,

, zoo als ge zelf, als een vertandige, kunt denken. Doordien echter
,, zonder twyfel, daarvan een groot gerucht zich zal verpreiden, zoo wel

,, op iegenswoordigen Keizerlyke Maieteits Ryksdag te Worms, als el


,,ders, voornamentlyk by de tegentrevers en vyanden van 't Goddelyke

, Woord, tot derzelver overgrote blydchap, als dit gerucht tand grypt,
29
90
9

zoo hebben wy niet konnen nalaten, den hooggeleerden onzen lievenge


trouwen, Matthias Ratzenberg, Doctor in de Medecynen en onze Lyf
arts met dit ons Schrift en mondeling verzoek aan U te zenden, en be

22

geeren aan U ganch genadig hem gelyk als ons, aan zyne woorden gan:

99

chclyk en volkomen geloof te geven, U daarop wilvaardig te tonen,

94e

39

zoo als wy dan van U en uwe goedwilligheid ganch genadig verwach


ten, daarin doet ge ons een byzonder genadig welgevallen en zyn U met

. ,, genaden en alles goeds genegen. Gedagtekent Torgau, Woensdag na


, Vincula Petri, (den 5. Auguty 1 J45'. ) .
(y) Seckendorff, Tentzel, Maandelykche zamenpraken, 1692.
y

L. 3. S

126 lag.
929 q.

$ 4%.
Edoch 't geen de vyanden van Luther met eene valche blyd 1 546.
chap hadden verpreid, maakte God na zynen genadigen en #"

alleen vertandige wil, in't volgendeiaar 1546 werktellig, om overly


den.
dat hy Luther door een zacht zalig levenen van alle zorg en

vervolgingen bevryde. Dezelve had eene reize van Wittenberg

na Eisleben gedaan, choon hy eenige lyfszwakheid en afneming


der kragten bepeurde, om eenig verchil tuchen de Graven van
Mansfeld gerezen, op derzelver verzoek te lien. En als hy zyn
# had waargenomen, en zich weder

ampt daarin zoo veel

tot 't vertrek gereed maakte, zo wierd hy chielyk krank, zodat

hy 't bedde moet houden, hoewel de Keurvort nevens andere


Vorten en de Graven van Mansfeld alle bedenkelyke middelen

tot zyne gezondheid lieten aanwenden, en ten dele zelf brag


ten. Als echter Luther

dat 't end van zyn leven als nu

voorhanden was, liet hy D. Jutus Jonas, zyn reisgenoot, en

de Graven van Mansfeld tot zich komen, troote hen in hare


droefheid, met ongemene # beval de zorge der
kerken, den Keurvort van Saxen, Melanchton , Jutus #
SD

en hunne overige getrouwe medehelpers, op 't bete, en over


eed kort daarna, in volkomen vertrouwen op de bloedige en

dierbare verdiente van zynen Verloer, Chritus Jeus, zacht


en zalig, (z) in 't drie en zetigte jaar zyns ouderdoms, den

#. February was.
4,46, (a)
welke
juit de dag
van het
Concordia
of Een:
drachtigheid
Vervolgens
wierd
lyk met, betame
lyke en een zoo groten Godgeleerden toekomende plechtigher

den van Eisleben na Wittenberg gebragt, en door de aanwende

Keur en Vortelyke midsgaders Graaflyke Gezanten zyne gewe

ze Amptgenoten ter Univeriteit, tudenten en ontelbare me:


nigte volks, den vierden dag na zyn overlyden in de lot K#
aldaar in zyne rut plaats
lt, onder veel duizend tranen der
vromen.

- - -- -

- -

i-

In

"

- - -

AAN

116 D E G o U DE EN Z I L. v ER E :
A A N M E RK IN GE N. .

..
l

(z) Wat voor afchuwelyke ylyke leugens de vyanden van Luthers dood

uitgetrooit,en andere naderhand met gruwelyke onwaarheid herhaalt hebben,


zulksbehoeven wy hier niet te verhalen, ik zal er echter maar iets van melden,
als onder anderen uit 't 9. Deel van Luthers Schriften, alwaar uit Bzovius
fol, 138 en Greterus word gemeld, dat Luther, 'savonds wakker bechonken, na
bed gegaan en 's nachts getikt was. Anderen zeiden, dat Luther zich
zelven had verhangen, anderen wederom, dat een grote hond Luther een
chrik had aangejaagt, en dat de Duivels zich by zynen dood hadden laten
zien, terwyl zommigen verhaalden, dat Luther 's avonds met zyne likke
broeders vrolyk was geweet, en over tafel allerlei kluchten vertelt had ,
midsgaders als Luther van Eisleben na Wittenberg wierd

# , hadden

veel zwarte raven zich laten zien, dieze voor boze geeten hielden enz.

Wie van een gezond vernuft zal aan zulke lateringen geloof geven? In 't
grote Werk van Frederik Hortleder, van de redenen des Duitchen krygs,
is een Schrift van M. Johannes Polliconius, Prediker te Weienfels, ge

# dagtekent den 17, July 1557. waarin onder anderen 't volgende taat: ,,Ik
# # .,, heb voor weinig iaren een tuk childery gezien, dat uit Italie quam,
, waarop de Italianen twee van onze Heiligen gemaalt hadden, naamlyk
,, Johan Hus met een troowich in de hand, en D. Martyn Luther, met
, een grote kan, als of hy daarin een Martelaar was geworden, en zich
, dood gezopen had, welk tafereel aantoont, dat de leugens van Luthers

, dood in Italie geloof gevonden hebben, gelyk dan een klein iaar voor
, zyn dood diergelyk Italiaanche leugenchrift ook was uitgekomen.
$I7.18, pag den
, (a)
Chritiaan
chryft
in zyne Micellanea
Academica,
in
iareD.1692.
te KielKortholt
uitgegeven,
't volgende:,,
Doorgaans
gelooft men,
,,Luther zy op den dag van Concordia overleden, dog deze dwaling ont
, taat uit de gemene almanakken, waarin de 18 Februarius als de gedach
tenisdag van de Heilige Concordia getekent taat, terwyl zulks echter
, tegen alle Martyrologia aanloopt, dewelke wy billyk in deze toffe moe
3, ten volgen. Het is waar, dat in de gemelde Martyrologia van de H.
Concordia word gewag gemaakt, die onder den Keizer Valerianus ge
, leden heeft, maar den 13. Auguty, en niet den 18. February, waar
s, op van geene H. vrouw, wierd Concordia genaamt, word gerept. Op
, den 17. February vind ik maar 't volgende in 't Martyrologium (Marte

, laarboek ): Concordiae Sanctorum Martyrum, Donati, Secundiani, & Ro


s, muli cum aliis Ottoginta Sex ejusdem Coronie Conortibus. Dat is: Te
Concordia, welkers H. Martelaars Donati, Secundiani en Romuline

a, vens nog andere zes en tachtig, welke de krone van 't Martelaarchap
ontfangen hebben. Dog in deze woorden betekent Concordia niet eene
3 vrouw, maar eene tad in Italie van dien naam. ,, - Ondertuchen zal

my echter, hope ik, geoorlooft zyn, ontrent deze aanmerking van dien

# man twee dingen te erinneren, te weten, dat de Lateinche con


uctie van deze woorden niet wel gedoge, dat men 't woord Concordia

voor eene tad neme, choon my niet onbewut is, dat er twee teden in
Italien van dien naam zyn, te weten eene in 't hertogdom Friaul, en eene
in 't Vortendom Mirandola elegen, weshalven deze woorden beter aldus
konden worden verklaart: Ter gedachtenis van de eendrachtigheid van Dona
- th, Secundianus, &c. Ten twede, wat de zaak zelf aanbelangt, het was

zekerlyk goed, als de almanakken doorgaans eene nette chikking der na


men, na de oude Martelaarsboeken hadden, hoewel deze ook niet overal

met malkanderen overeentemmen. Doordien men echter de terfdagen


van een mench pleegt te nemen, zoo als ze in den almanak voorkomen,
en in de meeten de naam vau Concordia ten tyde van Luther en alsnog op
den 18 February gevonden werd, en zelfs de eerte Schryvers van Luthers

dood dezen dag en naam op eene zonderlinge betekenis hebben toegepat,


zoo zie ik niet, dat men genoegzame redenen heeft, om hier ontrent eeni
e zwarigheid te maken, om dat zoo men alle almanakken na de oude
wilde
alle namen zonder twyffel andere
plaat

#relaarsboeken

- -

verbeteren,

--

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. #17


plaarzen zouden bekomen en wel niet zonder de uiterte verwarring.

Voor
t overigen zyn my drie Schriften door Johan George Juncker, Borge

meeter te Waltershauen in Thuringen, en groot Hitoricus, medege


deelt, die men niet veel aantreft, te weten: 1. Bericht van 't Chritelyk
afcheid uit dit dodelyk leven van den Eerwaardigen Heer D. Martinus
Lutherus, door Jutus Jonas, M. Michael Celius en anderen, die daar by
zyn geweet, beknop by malkanderen getrokken. 2. Eene chritelyke

Prediking over 't lyk en begraafnis van den Eerwaardigen D. Martinus


Luther, door Johan Bugenhagen, uit Pomeren, Doctor en Farheer ter
kerke te Wittenberg gedaan. 3. Lykrede over den Eerwaardigen Heer
D. M. Luther, uitgeproken van Philip Melanchton, den 22. February,
in de Duitche tale overgezet door Capar Crucigerus, gedrukt te Witten
berg 1553. 4., zamen 9 bladen.
Ten einde nu verder niets ontbreke, waar door de terfdag en waardige
gedachtenis van den hoog dierbaren Lutherus moge vereeuwigt werden,
zoo zyn de navolgende medailles gelagen.

De eerte voert:

- - - -- - -

- - - ,

a Luthers beeldtenis, met gelote oogen, en een wit dood


getal van 1546, zonder omchrift.

4. De volgende twee veren, welker telletters 't iaar van


1546 uitmaken:

. ' - ...

>-

**

* *
- -

- - - - -

nona bls obCVro LVX febrVa ContitIt ortV.


In patrlo Vt Morerls CLare LVthere oLo.
Dat is:

De achtiende February was naauwelyks begonnen, of Luther


wierd uit de wereld ten

## weggenomen.

Rontom leet men

de woorden van den tervenden Heiland : IN. MANUS.


TU AS. COMMENDO. SPIRITUM. MEUM. RE

DEMISTI. ME. DEUS. VERITATIS. Dat is : In


uwe handen beveel ik mynen geet, God der waarheid gy hebt my
verlot (b).

A A N M ER K 1 N G.
(5) Zie Heer Siegel, Munt-Bybel# M. Joachim Zehnerus,
3

s"#
-

s 18

:D E GOU DE E N Z I L V E RE

Superintendent en Conitorialis van 't Vortelyk graafchap Henneberg,


en Farheer te Sleuingen, heeft in zyn 1584. in 8. uitgegeve boekie, ge
naamt Hennebergias Eteotichos, de volgende wel uitgevonde Chronologi
che preuken van Luthers terfdag nagelaten, naamlyk: zWar es It Ie

In aLLe LanD aVsgegangen IhrsChaLL, VnD In aLLe WeLt Ihre


VVort. Rom. 1o.

Dat is: ja doch baar geluid is over de gehele aarde uit

gegaan ende hare woorden tot de einden der werreld. SIhe DIe gnaDe Des
herrn Whret Von eVVIgkelt zu eVVIgkeit. Palm 1o3. De goeder
tierentbeid des Heren is van eeuwigheid tot eeuwigheid.

En

eXaCto CVrsV terreno gaVDIa CoeLI


HVtItIz ane praeCo LVtherVs aDIT.

" De tweede vertoont:

a Luthers beeldtenis in prietergewaad, met 't omchrift:

MARTINUS LUTHERUS DOCTOR NATS.


zo. NOVEMBRIS. Anno 1483. Dat is: Martin Luther,
. 5Dotter, geboren den Ho. November 1483.
: ,
b. Deze woorden ten dele uit den Profeet Jeaia LI. 1. wel
ker telletters 't jaar van zynen dood uitmaken : eCCe nV nC
-

MortVr IVtVs. In paCe Chritl eXItV tVto & beato. Dat


is : Zie nu terft de rechtvaardige in Chritus vrede, met een ver
zekerden zaligen uitgang.

. v . . . *

!
-

Op de derde ziet men:


: : : i
- -

---

is z

AT

ZIN SELEN -

k?

| IERIT FORTI

TvDow EsTRA | |
EsAEX

f,- *T

* *

* * *

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 119


a Zyn beeldtenis, zoo als in 't laattvoorgaande tukie, met
dit omchrift : D. MARTINUS.

# en bin

newaards om 't hoofd: A NNO. AE Tatis. Suae. LXIII. Dat


is : Doctor Martyn Luther, oud 63. iaren. | | |
-

(b) Deze woorden, die boven reeds op eenige gedenkpen


ningen te lezen zyn geweet : IN SILENTIO TET SPE
ERIT FORTITUDO VESTRA - ESAIAE XXX.

Dat is : In tilheid en vertrouwen zal uwe terkte zyn. je. XXXJ


15.

De vierde vertoont:

S-

TI5 ERAM
VIVVS, MORI
ENS JERO MORS

A
vA

is

TVA PAPA.
Orb IIT IsLE BIAE

PG
&

ANN o

NV

T.

IDIE

jn
A
i
KINNNNAVE
SEW\\\\g

MD xLvi
DCV III,

FE BIR VARII
TAT IS

STV Ar.

ANN o

Lx1 II,

a Zyn beeldtenis en naam : DOCTOR. MARTINUS.


LUTHER US.

b. Volgende woorden : PESTIS. ERAM. VIVUS.


MORIENS. ERO. MORS. TUA. PAPA. OBIIT.

ISLE BIAE. ANNO. MDXLVI. ! DIE XVIII. FE


BRUARII. AETATIS SUAE. ANNO. LXIII. Dat is;

Gedurende myn leven zal ik den Paus eene pet zym, en tervende
zyn dood, overleden te Eileben in den lare 1546. den 18 Februa
ry, in den ouderdom van 63. iaren (c).

AA N M E R x 1, NzoG.: :

,,

: : :

i :: :.

(c) Greterus maakt in zyn boek de Cruze, ook gewag van dezen peni
mlng-

i --

| | | |
-

vi

' (- 1i

.. .. .. .. .. .. -.

De vyfde voert: ' . . . . .

.. .

12o

- D E G O U DE EN ZI L V E RE

a Zyn beeldtenis, ongemeen fraai geneden, met dit om


chrift Doctor. MARTINUS. LUTHE RUS ANNO.
MDXLV. AETATIS SUAE. LX II. Dat is : Dotior

"## Luther 1545. in den ouderdom van 62.

iaren.

De incriptie zoo als op de laattvoorgaande medaille (d).


A A N M E R KI N G.
-

(d) Het laat zich aanzien, dat deze penning van twee vercheide tem
# zamengevoegt zy, om dat de eerte zyde 1545 en de twede 1546 ge

De zesde is niet minder fraai, en geeft te kennen.

e-

, 1

- -

, f

. a Zyn beeldtenis, met dit dubbeld omchrift : DOCTOR,


MARTINUS. LUTHERIUS. PROFETA. GERMA
NIAE. PEST IS ERAM., VIV US. M O RIEN S. en in

den, binnente rand : ERO MORS. TUA. PAPA. M.

D, XLVI. Dat is : 'Doctor Martyn Luther, Profeet van


'Duitchland. Gedurende myn leven was ik den Paus de pet,
tervende zal ik zyn dood zyn 1546 (e).

b Luthers wapen, zynde eene ontloke roos met een gekruit


hert in 't midden , de rontom taande woorden moeten aldus

worden gelezen : ANNO. SA LUTIS. NOSTR a E. M


D. XL VI. DIE XV III. MENS IS. FEBRUARII.
OB IIT. SANCTUS. Domini. DOCTOR. MARTI
NUS. LUTHER US. ANnO. AET A T IS. SV a E.
LXIII. IN. MEMORIA. a ETERNA. Dat is : In den

iare onzes heils 1546, den 18. February, is de Heilige des He


ren, Doctor Martyn Luther, oud 63. iaren, overleden ; ter eeu

wiger gedachtenis.
A A N ME R KI N G.

(e) Dezen vers, dien men dikwyls op penningen van Luther vind, ge
bruikte hy, wanneer hy in deniare 153o. nevens andere vrome vrienden by
Georgius Spalatinus te
ten eeten was, zoo als Slegel in Vita Spa
latini, en voor hem Joh. Matheius in de 15. prediking van Luther, heeft aan
gemerkt ; de Heer van Seckendorf echter meent, 't zy zulks kort voor zyn

dood van hem gechied, en meld daarbenevens uit 't verhaal van

M#
At

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER,

121

Ratzenberger, dat Luther denzelven na de laatte Avondmaaltyd met kryt


tegen de muur van zyn vertrek zou hebben gechreven. Men kan echter

jn

dit verchil bet lien, als men zegt, dat Luther dezen vers dikwylspleeg
de te gebruiken. De zin van den zelven is, dat Luther niet den tydelyken
dood van den Paus, maar den ondergang van zyn lere gemeent heeft, en
dat dezelve geen geringen krak zelfs na zyn dood van de gene, die de Evan

n, krygen
eliche lere zouden
voortplante
zoude. Matheius
heeft op de
#
aldus overgezet:
plaats
dezen vers
- - 1 Ty

w,

"

T. , .

- -----

Weil ich noch lebt, war ich dein gift,

'

Nach meinem Tod las ich dir ein'n tifft,

Der wird dich, Pabt, erwurgen gar,

.:

-.

Das Gotts Wort die reine Lahr. . . . .

..

..

..

-- - - -

. . . . . ..
. . . . . . . .'
. | | |

Dezen vers heb ik ook in de Pauliner Boekery te Leipzig, onder een


cierlyk afbeeldzel van den overleden Luther gezien. In de ## van 't
Vortelyk Gymnaium te Sleuingen, waarover iegenswoordig de Ephorus

van 't zelve, midsgaders Kerkenraad en hoogverdiende Superintendent al


daar, D. Frederik Ernet Meis, myn hooggeerde weldoener en zwager,
't opzicht heeft, heb ik onder anderen twee iubelpredikingen 1617. van
Nicolaus Pormannus van Zwickau, prediker te Magdeburg, aangetroffen, Feg don
alwaar hy den meergemelden vers met 't Epigramma
Stigelius
-

verklaart:

" ,

II, -

-- -

- -

- -

Papa, quid agrotoua fata precare Luthero? . . .


Wij nelius, vivaten moriatur, babes.
Is tua, dum vivit, petis te afftigit (9 urit,

* *

||

Dura lues petis, ed mars et puriorilla:


Elige nunc, utrum, perfide
Papa,o vrij.
. . ..
. Z

't welk wy aldus overzetten :


w-. -

T-

- -

- -

, 1

| |

",

Mors tua nunc certe, cum morietur, erit.


-

:
.

**

Want dit zal u waarlyk van

: " ,5 , :. ' '

. . . . . Jib
-

- - -

| || | |

* . * *

# nut zyn,

**

"

. ..

Leeft hy, zoo moet hy u als de pet verteeren,


En tervent bekruipt u zeker de doods pyn,
Waarlyk, de pet is
, doch harder de dood,
De keuze taat by u in dubbelde nood.

De zevende voert:

k
| |

ik

| | |

- - --

- - ,

% i

r, r ..

- - - - - - - - kk.... ! !

r -

- vv

f,9 tf:32 - - - - - - - - - SY
tof of t.

- -

- -

--

, - -

VT

'

::

"

- -

: : : f 2

-- - - --

-- -

og ::

- - - - - - -----

- ;

- -

- - -

vv

t rol te. In S .
'

.
- -

Hoe kunt gy toch, o ! Paus Luthers dood begeeren t . ,

"

'a Zyn

res:

B E GOUD E EN ZILL v ER E

- a Zyn beeldtenis met de eerte letters van zynen naam : B.


M, L. Doctor. Martinus Lutherus, en dit Duitch omchrift:
G EHOR EN ZU. EISLEBEN. Ao. 1483. DEN. 1o.

NOVEMBER. Vnd. F N. S A N CT. PETRI. Vnd.

pAULI KIRCHEM. GET AUFFET AUC H. AL

#
P#
DE N. 17. ###
# De tad Eisleben, 't welk 't woord EISLEBEN bovenin

den vliegenden wimpel aantoont , onder den zelven ziet men

mynes bedunkens, 't wapen van de tad, zynde twee #

mers in 't kruis, en 'tiaar MDC XX fi, en deze woorden:


WO. DER. HER R. NiHC HT. DIE ST AD. BE HU

TET. SO. WACH ET. Palm 127. vers 1. Dat is: Zoo de
Here de Stad niet en bewaart, te vergeefs waakt de wachter. H.

HMM Deze letters taan tuchen de stad en 't onderte chrift,

en betekenen michien den naam van den penningmeeter. (g)


-- ra - -

; . Tt
- 12 -

r- -- - -

s f:
- - N.

(f)

fol. 639:
A.-- '-

'

- - -

--

A A N M E R. K I' N G E N. #
- -

-- - -

. , ,

'

- -

, '

'

2 ---- -

-- -- -

-'

- - - ''

: 'o Ti . ( 1 . . ..

'

- W.

T - '

--

Op dezen penning taat wel, dat Luther den 17 February overle

den zy, dog de brief van D. Jonas aan den Keurvort, by den Heer van
Seckendorff te lezen, getuigt klaar, dat hy den 18 February tuchen z

#
ad
pitt.
Spalati

en 3. uuren 's morgens zy geturven, Dat Luther echter in de bovenge


melde kerk gedoopt zy, verzekert hy zelf, met de volgende woorden: Ik
ben te Eisleben geboren, en aldaar in de St. Peters kerk gedoopt. Dit heugt my
niet, maar ik geloof myne ouders en landgenoten.

nu IAl

" " "

(g) Heer Slegel in zynen Munt-Bybel maakt van dezenpenning ook ge

Epit,

# * wag, en beweert, dat door de woorden van den Palm 't # word aan
227.

ont, dat de tad Eisleben door Graaf Ernt van Mansfeld liep, wegens ,

geto den Keizer 1622 iegens hem ten derden male herhaalden Ryksban,
pag. 171. van
172.

want doordien die Graaf Ernt als tot oorlogen geboren was,

# als Ge

neraal der Paltzichen en vereenigde Standen in Bohemen, Moravie en Si

leie, naderhand in de Bengdepaltsp dan in den Elas eenen inval deed, en

overal yslyk ## ## niet alleen 1619 van Keizer Matthia,


maar ook 1622. van

Ke#Ferdinand in den ban verklaart, hoewel hy zich

weinig daaraan toorde.

... : ","
u is,

or,

. ..

- -

- -- V, II.
-

De achte voert , \

. - VI . . rr *

- -".
ee- z

er

, VA

-- - - --

- 7

2'

---

'

D Zynbeeldtenis en naam: MARTINUS LUTHER US.


Doctor.

b Zynen levensloop, in volgende woorden: NATUS.


t

**

w"

IsLE

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

11;

ISLEBIAE. Anno 1483. Die 1o. NOVEMbris. Anno.


15o3. ERFURT I. MAG 1STER. Ao. 15o8. W IT
TEN BERGae. PROFESSOR. Ao. 15 11. DOCTO R.

THEOLO Giae. FACTUS. Ao. 1517. 31. OCTO Bris,

REFORM ATIONEM, THESI BS C ON T R A.


INDUL Gentias. COE PIT. Ao. 15.21. IN. COMITiis.
W OR M S enibus. DEFEND IT. PROSCRIPT us.

WARTBURG I. DE LIT UIT. Ao. 1522. O B. TU R


BAS. FANATICO Rum. WITTENBERGAM. RE

DUX. BIBLIA GERMANI ca. E DIDIT. Ao. 1525.


CATHarinam. BORIAM. DUX IT. P R E C I B S.
SCRIPT IS Que. INS ISTENS.

OB II T. IS LE B iae.

Ao. 15.46. Die. CONCORDI.AE. 18. FEB Ruarii. Dat is:

Hy is geboren den 19. November 1483. 15o3. is hy te Erfurth

# geworden,

15c8. te Wittenberg Profeor, 1511. Doctor

in de Godgeleertheid, den 31. October 1517, begon hy de hervor


ming der Kerk met eenige tellingen tegen den aflaat ; 1521. verde
digde hy zich op den Ryksdag te Worms. Hy wierd in den ban ver
klaart, en op 't Kateel van Wartburg verborgen gehouden; 1522.
keerde hy wegens onluten, door eenige Dwepers verwekt, na Wit

tenberg, en gaf de Duitche Bybel uit; 1525 trouwde hy Catharina

van Bora, volharde inbidden en chryven, entierfden 18. February


1546 op den dag van Concordia te Eisleben. Op den uiterten
rand taat dit Duitch vers : LUTHER S. LE HR. IST.
GOT TES, WORT. DA RUMB. BESTE HT. SIE.
HIER. UND. DORT. (h)

A A N M E R KI N G.

(h) Chritiaan Wermuth, vermaard uitvinder der penningen te Gotha,


heeft deze medaille over eenige iaren gemaakt. Voor 't overige Luthers
korte levensbechryvinge kan S. 54. op cene andere wyze gelezen worden.
Nicolaus Pormannus heeft dezelve in de bovenaangehaalde Jubelpredikatien

in diticha gezet, welke ik den. Lezer alhier zal mededeelen, omdat 't boek
zeer raar is, en zommige van dezelve op eenige penningen van Luther zyn

voorgekomen. In de meeten maken de telletters 't iaargetal. Ik zal ech-

,,,,

ter myne Overzetting in 't Duitch by ieder ditichum daarby voegen, ten Pt 4**

einde de Lezer, die de Lateinche tale niet kundig is dezelve zoude konnen ***
vertaan, ze volgen elkanderen in deze order:
-

UAnnus Nativitatis 1483.

natVs es IsLeblI DIV Ine propheta LVthere,


reLL Iglo fVL get, te DV Ce, papa laCet
Dat is:
1

Luthers Geboorte iaar

148 3:

Te Eisleben is Luther de man Gods geboren,

Door wien weder quam, het geen eertyds was verloren.


u Annus Magiterii. 15o3.

erfVrtI IV Venls titvZLos Capit Vrbe MagitrI,


LVtra Vae aetatls qVatVor aCta CoLens.

Q2

T4

,,,

DE G o U DE E N ZI L. v ER E
't iaar van zyn Magiterchap-, 1593.
Te Erfurt wierd hy tot Magiter verheven,
. Te weten in 't twintigte iaar van zijn leven:

eAnnus Menachatus, 1504


Vana upertitio corpus juvenile cucullo

ornat. Id omne tibi fraudi, age, Papa, uit.


Zyn ordens-iaar 15o4.

Een ydele waan trok hem het Monnikskleed aan,

Dog daardoor was 't daarna met 't Pausdom ganch gedaan.
, Annus, quo venit Wittebergam. 15o8.
Miuf,"### ChrIto aV XILIante LVtherVs;

qVantVs erat Vates! gLorla qVanta ChoLae!


Zyn profeie iaar te Wittenberg. 1508.
Hy quam te Wittenberg door Godes raad beluit,
A# chool nam toe, en de vyanden hadden uit.
-

v_Annus Doctoratus 1511.

StaVpICII et IVssV tItV Los DoCtorls aDptVs,


Vt trVCIs ItaLlae Vent ab ore LVpI.
Zyn Doctors-iaar 151 1.

Op bevel van Staupits hy het Doctorchap nam


Wanneer hy uit Italie te Wittenberg quam.
e_Annus Reformationis, 1517.

reLL IglonIs op Vs Coeno eXtrahls, aVsplCe Chrito,


VEraX o! DeXtronIXe LVthere Deo. "
Zyn Refrmatie jaar 1517.
Door Chritus macht heeft hy uit de duitere nacht,

Het verchole Woord des Hoogten wedergebragt.


Annus

confeimis Coram #

15 18.

aVgVfta ChritVM profItetVr In Vrbe LVther Vs,


non CVrans VVLtVs, praesV LaCerbe, tVos.
Zyn Belydenis iaar voor

Cajetanus 1518.

Voor den Kardinaal moet hy zyne leer voordragen,


En vreede niet een zier deszelfs norkende lagen.
t Annus Diputationis Lipienis. 1519.
eCCIVs et VI CtVs IVtl VIrtVte LVther,

DIspVtat Vt IVL LII LIpslae In Vrbe DIe


Zyn Diputatie-iaar te Leipzig. 15 19.

Te Leipzig wierd wel met Doctor Eck aangetelt


Een geprek, dog Luther dreef hem ganch uit het veld.
t-Annus Confeionis Wormatie. 15.11,

Caearls ante peDes, proCeres tetIt ante potentes,


aC CoLa qVa rhenI VangIo L IttVs aD It.

Zyn

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER

1,5

Zyn Belydenis-iaar te Worms. 152 1.


Te Worms zei Luther den Keizer en Standen vry
'Dat de lere die hy leeraarde van God zy.
Annus Pathmi 1522.

CarLtaDII ob fVrtas aD aXonia teCtareCta reCVrrlt,


faVClb Vs eX SaeVIs rVrsVs oVesqVe rapIt.
Zyn Gevankenis-iaar 1522.
Carltad doet Luther door zyne geveinte leeren,

Zonder dralen, van Wartburg na Wittenberg keren.


Annus matrimonii & editionis ruticorum 15 25.

SeDltlo agrlCoLae ferro et retInCta potent,

foeDera ConlVgl1 Cata LVtherVs Inlt.


Zyn Trouwiaar en dat der Boeren optand. 1525.
Toen de wapen'n de wilde Boeren hadd'n doen beven,
t

Ging Lutherus zich in het grote Gild begeven.


Annus Conventus Marpurgi. 1529.
MarpVrgI Coenae ChritI ferItaCriter hotes,

Stabat Vt a aeVIs CinCta Vienna getls.


Iaar van 't CMarpurgche geprek. 1529.
Als men de Turken van Wenen zag hemen gaan,
-

Ging t' Marpurg met Luther en Zwingel de tryd aan:


Annus traditae Confeionis, 1530.

aVgVtae tatIbVs flDel Confeo GVn Cts

proposita et, Chritl gLorla LaetareDlt.


Iaar der Overlevering der Augsburgche Belydenis. 153o.
Te Augsburg toonde men Luthers leer zonnen klaar,
En 's Hoogten roem en getuigenis wierd openbaar.
Annus Obitus. 15.46.
nona bIs obsCVro LUX febrVa CONtItIt ortV,
-

In patrlo Vt MorerIs CLare LVthere oLo.


Zyn Sterfiaar. 15.46.

De achtiende February quam naauwelyks aantappen,


*

Of men zag Luther beklimmen des Hemelch trappen.


En zoo ver deze Epigramms.
S. 49.

Alhier behoren nog drie volgende eerpenningen, welke alle


Luthers naam voeren, want vermids ze zonder iaargetal zyn,

zoo paen ze onzes bedunkens, nergens beter dan hier.

Q 3.

De

126

- DE GO U DE EN Z I L V ER E
De eerte VOGrt ;

a Luthers beeldtenis met den naam: MARTINUS. LU


THE RUS. Doctor.

Onder taan de vier letters: D. D. S.

F. die zonder twyfel den naam van den Stempelnyder beteke


hen.

b Lutherus, levensgroot, houd in de rechter hand eene bran


dende kaars (naamlyk 't Woord Gods) in de linke een open

boek, waaraan zes zegels hangen. ,,Met de voeten vertraapt hy


eene Pauzelyke kroon, een driedubbeld kruis en een Bichops
taf. By de rechter voet ziet men een Zwaan, die Luther be
tekent, en ganch beneden een gekroonde lang, die gekrinkelt
is, met dit omchrift: MAGNUS. ER AT VITA. M A

JOR SERMONE. DOCENDO. MAXIMUS. Dat is:


Groot was by in leven, groter in reden, en in leeraren 't groot

te.
De twede vertoont:

Het beeldtenis van Chritus, onzen Heiland, die met de

vingeren op eene gekruite werreldkloot wyt, met dit omchrift:

Het licht der werreld. Joh. VIII. 12.

b Luthers afbeeldzel, wyzende met de rechte hand op een


boek, waarin gechreven taat: Het Woord onzes Gods blyft eeu
wig,

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. 12,


wig, terwyl hy den voorten vinger van de linke hand na den
mond brengt, als of hy te vertaan wilde geven, dat hy prak

's ?

woorden: Het zout der aarde. Math. V. 13. (i) | taan


| deze| |

en leeraarde, wat in 't boek te lezen is.

Rontom

||

AAN M ER K 1 N G.
(i) Heer Siegel verklaart in zynen Munt-Bybel 't omchrift, van't re-* 3o53 . .
vers zeer wel, als hy zegt: Dat gelyk Gode in 't O. Tetament geen on
gezoute offerande aangenaam is geweet, en 't zout daarenboven alles voor
verrotting bewaart en makelyk maakt, men zoo wel uit Luthers doen en
wezen als uit deszelfs uitgang konde beluiten, dat zulks alles Gode niet al

leen aangenaam, maar den menchen ten allen tyden nuttelyk en heilzaam
was geweet, en zyn zoude, aangezien hy den waarachtigen godsdient van
de
der Monniken
gezuivert,
alle bygelovigheid
afgechaft,
en tinkende
de rechte werken
chritelyke
deugden van
de huichelary,
als een geetelyk
zout

gecheiden, en weder vernieuwt


had.j
:
:

. . .

De derde geeft te zien:


f

--

eA

--

- -

v-

*
...

' ''

'

**

W ,
- v.

'

..

--

. . . .. .

* *...

'

3-

vv .

2 %.

- - -- -\

"

t v

. .

--

. .

v.

a Luthers zinnebeelding wapen,

yk een Roos met een

hart, waarin men een verguld kruis ziet, (k) en 't omchrift:
IN. PATIENTIA. SUAVITAS. v. Dat is: In lydzaam:
-

heid is aangenaamheid.
b Dit Duitch vers;

z, ..
***.*

--

- --

-.A- -

* -* - *

. --*

'Des Chriten hert op Rozen gaat,

Als 't midden onder het kruis taat.

A A N M ER K 1 N G.

(#5 in 't Neandriache Schoolzyn deze verie,


aldus in de Griekcheen
Lateinche talen verklaart.
, .st", tw: *
: : : ::,
, is tt - ,

" "
t

E- - -

-*

* ** * *
-4
- ,

- -- -

* * ,, ,,2,

*
-

--

*
V as - -

v,
V

* *

sv s'.

* *

, , A

*--

't A VA 'S

--

" ! -- . Az... n -

3-2-

mbulat

,,

V----t ,,'
-

: "

'

- - - . .- -.

.- .ov/-

- -...
inator,

2 it, tt je er

#iks de

- -

er 'WL
.

I -'

'

.*

| 1 J

2 f initi

" ------------ ---- -ewt

Superintendent te Tennted in Th#ingen, George

# in # ## , aanhaalt.
-

'#',
-

s, Cruce ik licet gemat.

- s , w & f:

- -

- ---

t,
At:

en

- s .

.-- - , zals
het is eirut . . . . . .. . . . .
- , 'o

al

--

**

> '

K# tvries bijrr is iiSoit,

in+--

-- - - - -

* *

Van dit

Z#re r,

12?

DE G O U DE EN ZIL VER E

nebeeld van Lutherus, heeft Eobanus Heus ook een Epigramma gemaakt.
Dat echter 't kruis verguld zy, meld onder anderen D.

5.38.

# Scharff in

zyne Dip. 1. van Luther, midsgaders D. Reinhardus Bakius in zyne La


P. H. pag teinche potil, over de Evangelien, alwaar hy 't wapen met zyne verwen al
99.
dus bechryft: Het child is hemelblaauw, met een groen kranie verciert , op
't child is eene Roos, waarop een rood hert legt, en op 't zelve een goud kruis
met de woorden : Des chriten hert enz. De verklaring echter van 't wapen

geeft, niet alleen Johannes Major, Profeor te Wittenberg, in 't volgen


de Epigramma.

t Perfeci, in pinis florens, quo credula corda

A cruce penderent, optime Chrite, tua.


" " I

- ,, - /

Dat is :

is

Wyl ik in doornen bloei, zoo moeten vrome herten,


O Chritus, door uw kruis, verzachten hunne merten. | | |
-

- -

----

Maar ook Adamus Cuslevius in 't eerte boek der uitgezochte verzen!
Aburdum et, inquit ratio,

corinee roeto,

Cum crucis in medio pocere necit opem.


Sanita fides regerit: Qui Chrito cordedit illi
Fellea Crux, Roa fit mella, plena boni.
Dat is:

Hoe kan een hert, zegt 't vernuft, op rozen taan, dat midden onder 't
kruis gebukt is 3 die herneemt 't heilig geloof, zyn hert aan Chritus geeft, dien
wierd 't bittere kruis zoeter dan honig.

Midsgaders een naamloos poet, welkers verzen M. Conradus Porta


#579
in zyne gehoude oratie van Luther, te Wittenberg 1584. gedrukt,
heeft gevoegt:
Aureus in caeli micat orbis parte ereni:
Perfettum quiddam forma rotunda notat.

Pendula ubpinis roa, acri et agminis intar ?


Et medio Chritus Regna ub hote tenet. .

Cor media regionecrucis fert emula igna:

Corde gerens Chritum multa dolenda tulit: |


Serta loro clypei tamt aurea : Figit in illis

; i .
-

| | | |

i! ! #

Aliger eretto corpore igna pedum.


Ille crucem laeva vibrat, dextraque coronam; . .

Qui mala pertulerit, premia vittor habet.


-

Dat is:

--

, " -

Het child is hemelblaauw, alwaar 't goud zich lutig laat zien, de zelfs
rondheid betekent de volmaaktheid, men ziet de roos omringt van doornen, dog
Chritus bechermt zyn volk, dat door de vyanden benaauwt word , 't kruis in 't

midden is ien afbeeldzel van 't hert, en die den Heiland liefheeft, moet veelly
den , 't wapen word door eenen gouden krans omvat, en men ziet ter zyde eenen
Engel, die met een kruis als met een kroon praalt , die Chritus kruis hier
draagt, zal hierna de kroon ontfangen.

Uit dit Epigramma chynt het, alsof 't wapen wydluftiger zy, als in
dezen penning word aangewezen ; eene der bovengenoemde penningen
voert twee Engelen of Schildhouders, maar ze hebben geen kruis of kroon

in hunne handen. Zie insgelyks D. Johan Meiner, Decriptio Templi om


mium Sanctorum Wittenberge. Ik kan echter niet nalaten, nog eene poe

tiche bechryving van Di Luthers wapen hier te laten volgen, om datZeGT


ze
w' - ' -

*--

ve
*,

- - --

) i a

EER GEDACHITENIS VAN LUTHER. 129


zeer net is , ik heb ze gevonden by Johannes Schoerus Aemilianus in zyn

Boek, de inignibus clarorum Virorum, 1585 en 1598. te Frankfort aan den lit N. 3. b.
Oder in 8. gedrukt , dezelve luid als volgt:
Ut Roa iucundos florecit verna per hortos,
Vici numque uo complet odore nemus:

Haud ecus etherei venerabile dogma parentis


Floruit e tudio, dotte Luthere, tuo.
Nam prius obdutum varia quod fraude latebat,
Lucidius per te venit in ora virm.
Dulcibus &f latum complevit odoribus orhem,
Iniutam verbo non patiente fidem.
Sic ubi dicuit migrantia nubila Phoebus,
Spargitur e nitido gratius axe iubar.
'Quid magis in clypeo docuit getare Lutherum?
Conveniens poterat quid magis ee roa?
Vos Heli coniades verum nunc edite, Mue,
'Quid Crucis, in medio floris, imago velit ?
JlaDaemonis
Crucem,acverbi
quae
concomitaturalumnos,
mundi
retia
eva notat.
-

Invidiae timulos, vanae convitia plebis,


Damnaque, non veru commemoranda brevi.
Nam velut umbra uum comitatur edula corpus,
Proxima unt illiic mala quaeque gregi.
Saeviat, ac totus certamina miteat orbis,

Haec Roa purpureo flore perennis erit.


w

Dat is :

Gelyk de Roos in den Lentetyd de tuinen verquikt, en de naate bochen met


hare lieflyke reuk vervult, zoo doet gy ook, geleerde Luther, want 't geen
door bedrog verborgen was, en niemand konde weten, hebt gy in eenen helderen
dag getelt. De lieflyken reuk, die van Luther quam, heeft zich over de gan
che werreld verpreid, want Gods Woord wil niet, dat men een brandende kaars
onder eene koormate zet. Als de Zon door de zwarte wolken hene breekt, zoo
chietze hare tralen op 't aardryk en verwarmt de ganche werreld , en wie kan

in 't donker leven, als Phoebus alles heeft ingenomen ? Wat kon Luther meer in
't wapen voeren ? de Roos was 't bete Zinnebeeld en van de leer en levenswyze
en van de zaligerut. Eilive zegt my dan eens gy Muen, wat mag 't kruis beteke
nen, dat men in de Roos ziet , dezelve verbeeld de mart der chritenen in deze
boze tyden, en de gevaarlyke netten van duivel en van werreld ; nyd, haat en
lateringen is 't deel der genen, die Gode behagen, want gelyk de chaduw 't
lichaam verzelt, zoo volgen die qualen Gods volk als op de hielen , maar laat

alles woeden, en de ganche werreld met twit en oorlog vervult worden, deze
purpere roos blyft eeuwig.

De bete verklaring echter van dit wapen nemen wy billyk uit Luther
zelf, die aan zynen boezemvriend, Lazarus Spengler, Stadschryver van
Nurenberg, in den volgenden brief heeft# waarom hy dat zin
nebeeld gekozen heeft. Ik heb dien brie gevonden in de Hoogvortelyk Tom vr

Boekery
te Gotha, onder eene kopere plaat van Luther van den iare 1617. der
fol Con
zo6,
en luid aldus:
trefeiten,

Genade en vrede in Chritus.

erbare,

99

Guntige, lieve Heer en Vriend.

V# gy begeert te weten, of myn wapen wel getroffen

zy,

zoo

zal ik U ter goeder gezelchap myne eerte gedachten aantonen,

,, die ik op myn wapen wilde uitdrukken, als tot een teken van myne

,, Theologie. Het eerte zoude een zwart kruis zyn, in 't hert, dat zy
f, ne natuurlyke verf heeft, ten einde om my daardoor voor oogen te tel-,
5

2 len
ICAE

13o
,
,,
,,
,

. DE GO U DE EN ZI L VER E

len, dat 't geloof in den gekruizigden alleen zalig maakt, want als men
van herten gelooft, zoo word men rechtvaardig. Ofchoon 't nu een
zwart kruis is, prangt, en mert, zoo laat het 't hert nogtans in zyne
koleur, en bederft de natuur niet ; dat is, 't dood niet, maar behoud't

levend: Iutus enim fide vivet, cd fide crucifixi. Dat is: Want de recht
, vaardige zal zyns geloof leven, maar de geloofs in den gekruizigden Heiland.
,, Zulk hert zal midden in eene witte Roos taan, om aan te tonen, dat

,, 't geloof vreugde, troot en vrede bybrengt, en kortom in eene witte


,, vrolyke Roos zet, niet zoo als de werreld vrede en blydchap geeft.
,, Derhalven zal de Roos wit en niet rood zyn.

Want de witte verf is die

van geeten en van alle Engelen. Zodanige Roos taat in een hemelblauw
, veld, want dat die vreugde in geet en gelove een begin zy der toeko
, mende hemelche vreugde, is wel reeds daarin opgeloten, en door ho

,,pe begrepen, maar nog niet openbaar. En om zulk veld een goude
s, ring, ten teken, dat zulke Zaligheid in den hemel eeuwig duurt, en
, geen end heeft, en ook heerlyker dan alle vreugde en goederen, zoo als
,, 't goud 't hoogte, edelte en kotbaarte metaal is. Chritus onze lieve
,, Heer zy met uwen geet in 't andere leven. Amen.

Ex Eremo Grubock,

,, (uit de woete Grubock, dat is, Coburgk) den 8 July 15.3o.

Van dit wapen chryft D. Jutus Jonas 1,3o van Augsburg na Coburg
aan Luther aldus: ,,Myn genadige ionge Heer (te weten, Hertog Johan
, ,, Frederik, naderhand Keurvort van Saxen) laat uwe Roos in een fraaien
-

T II.

teen nyden, en in goud zetten, 't zal een fraaie zegelring zyn, dien zyne

,, Vortelyke Genade u zelven zal behandigen, zoo als Coeletinus Hi

**96 horia Comitiorum Augutanorum meld. Dat dit ook is gechied, chryt
Lutherus in eenen brief aan Philippus Melanchton in September 153o. met
de volgende woorden: ,,De Vort heeft myeenen gouden ring vereert, maar
,, ten einde ik zoude zien, dat ik niet geboren zy, goud te dragen, zoo is
ze zoo voort van den duim op de aarde gevallen, want ze is wat te wyd
3, en groot voor mynen vinger. Daarop zeide ik : Gy zyt een worm en

Le T.

,, geen mench. Dezelve behoorde liever aan Faber of Eck vereert te zyn,

III fol. ,,U pat beter een tuk lood of liever een touw of koord om den hals.,, Coe

#T - letinas ; midsgaders Luthers Zendbrieven. Wat echter de meergemelde

Jeuit Greterus voor onbetamelyke gedachten van Luthers Zinnebeeld of

#n wapen heeft, is reeds boven gemeld, waarby wy enkelyk zullen voegen,


153o

dat hy chryft: ,, Ik kom nu weder op Luthers wapen, 't welk, zoo als

gezegt, eene ope, uitgebreide of ontloke Roos is, met een herten kruis
, in 't midden. Is zulks dan michien een teken van hoogachting en eer
, bied iegens 't kruis ? Wat vyand van 't kruis, voert nogtans een kruis in

3, 't wapen ? Waarom latert echter Luther zoo onophoudelykop 't kruis?
,, Ik weet geene andere redenen, dan dat hy zich zelven altyd met woor
g, den en daden heeft tegengeproken. En een weinig daar na zegt

hy : ,, Men vraagt billyk, wat 't kruis, Roos en Hert Luther aangaan?
-

WIOIIn

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER, 131


,, Waarom voert hy niet liever een Verken in zyn wapen? Waarom in
, plaats van eene Roos de bloem, die van de Duitchen Saubluhme genoemt
, werd ? Waarom niet liever een verkensnuit als een hert, want dit alles

, pat Luther veel beter als een Roos, Hert en kruis. Eindelyk beluit
hy zyne verkensachtige gedachten, met eene vuile verzinning van dit vol
gende Epigramma:

Cur datur ex cordi Cor ? Cur crucis oor & hotis


Stemma crucem getat ? Quae Roa, porce, tibi?

Eto inigne illud, quod perpetim in oreferebas,


Heic taceo, dicat us tibi plura ui.
Dat is:

Gy vyand van 't kruis, gy laffe bloed en gy zwyn,


Waarom moet uw wapen, een kruis, hert en roos zyn?

Had ge niet beter gedaan te kiezen tot uw wapen

Dat ge dikwyls pleegt te noemen en een zwyn kan na apen

Zoo ver Greterus, dien wy in zyne mening zullen laten, om datze toch
't rein godvruchtig gevoelen van Luther weinig afbreuk zal doen. Aan de
andere kant D. Joua Stegman, maakt in zyne Chritognoia gewag, dat P.II. . .
Luthers Zinnebeeld of lyfpreuk ook geweet zy, de woorden van den pro- pag. 116,
feet Jeaia : Vexatio dat intellectum : Dat is : Het kruis maakt vertandige
menchen. Ik heb echter zulks nergens anders gevonden.

Ondertuchen

meld Johannes Manlius in zyne Collectanea, Luther hebbe insgelyks tot


zyn zinpreuk gevoert het woord, VIVIT; Hy leeft, en chryft daarvan

pag. 42d.

aldus: Hy leeft, naamlyk Chritus , want als hy niet leefde, wilde ik niet een

uur langer leven. En deze woorden hebben een geheim in zich, dat Luther nooit
heeft willen verklaren. In 't leven van Luther, door wylen D. Selneccerus Pag. 2oo.

bechreven, werd verhaalt, dat hy tot eene zinpreuk gehad heeft de woor
den van Palm CXVIII. 17. Non moriar ed vivam ; Dat is : Ik en zal
niet terven, maar leven, ende ik zal de werken des Heeren vertellen. Daar

by voegende, dat hy ze in deze verzen verklaart heeft.


Non moriar ed vivus ero, vivuque manebo ;
Et narrabo mei fatta tupenda Dei.
Seu vivam, eu non vivam, tamen undique vivam,
Et narrabo mei faita tupenda Dei.

Dat is:

schoon ik terve, zoo blyf ik nogtans in het leven,

En zegge, wat myn God bewezen heeft aan my;


Ja zelfs de bleke dood zal my het leven geven . . .
Dus roemt dood en leven den Hoogten even bly.

ofzoo als D. J. Fr. Mayer de eerte verzen heeft overgezet :


Ik zal nooit terven, maar nu en teeds levend blyven,

En zoo lang de werreld taat, des Heren werk dryven.

In zynen Onterfelyken Luther, alwaar

hy ook Pag

8. 9.

iets merkwaar- regios

digs van deze materie met volgende woorden aanhaalt: ,, Luther ver
,, zocht den uitmuntenden Beyerchen Hof-Muzikant, Lodewyk Senffel,

, by eenen brief van den 4 October 153o. uit Coburg, om hem de woor
,, den: Ik zal in vrede t'zamen neder leggen en lapen Palm IV. 9. op een con
, cert van vier temmen te laten chryven, of als hy geen tuk had, dat
,, daarop pate, een nieuw te maken, al was 't, dat zulks eert na zyndood

, gechiede. De voortreffelyke muikant en Aaph van zynen tyd, be


R2

wut,

1,2

D E GO U DE EN ZI L v E RE

,, wuft, hoe veel er aan Luthers leven gelegen was, en hoe zeer de waar
, achtige kerk hem van noden had, veranderde den text, zoo

dat Luther

,, tot grote verwondering by 't ontzegelen van den brief vond : Ik en zal
,, niet terven, maar leven, ende ik zal de Werken des Heeren vertellen , 't

,, welk Luther zoo wel behaagde, dat hy deze woorden te Coburg in zyn
, vertrek tegen de muur chreef, welke D. Mattheus

# 15yo.

,, daar nog zelf gelezen heeft. Zie Meelfuhrerus Spreukenboek met de


pg,451. ,, Aanmerkingen van Jacob Thomaius, en 't geen wy hiervan by 't iaar
,, 15.3o hebben erinnert. Voor 't overige de Farheer te Mellenbach,

graafchap Swartsburg, M. Johan Gottfried Holtshey, heeft ook zeer


fraaie gedachten van Luthers wapen en deszelfs omchrift uitgegeven, on
der den titul : D. Martini Lutheri richtige Bildes-Verbleibung, und wichtige
Lebens- Bechreibung, unter der Figur eines mitten unter dem Creuts tehenden
und auf ibenerley Roen gehenden Chriten- Hertzcn, 17oo te Saalfeld in 4.
gedrukt, alwaar hy gewag maakt, dat M. Andreas Kreuch, Farheer ten
Stein in Frankenland, eene byzondere prediking van Luthers wapenring
en Zinnebeeld gehouden en 1 595 in 8, met den druk werreldkundig ge
maakt heeft, die ik echter nog niet heb gezien, ondertuchen zal ik tot
beluit van dit vertoog melden, dat de bekendc Roenkreutzer of Adepti

pag. 16.

Chymici, van Luthers Zinnebeeld hunnen oirprong en benoeming zouden

hebben ontfangen, 't welk echter Gottfried Arnold in twyfel trekt ; Zie
deszelfs Kerk en Ketterhitorie.

Lib. 17. cap. 18. fol. 641. a. S. 1,

6. 5o.
Luthers

In welke benaauwtheid 't ganche land, voornaamlyk de Uni


veriteit en Evangeliche kerk zich na Luthers dood bevond, is

Zeden.

beter te bezeffen, dan uit te drukken, weshalven ik zdlks dan


ook liever met tilzwygen zal verby gaan, en lechts nog iets
melden van zyne Zeden, gedrag, midsgaders eenige byzon
derheden van zyn leven. ( l) Hly was een man van een voor

treffelyk, cherpzinnig doordringend vertand, nyverig onver


chrokken en van grote onderneming, welk alles hem nodig
was, om dat 't geen hy gewrocht heeft, van eenen vreesachti
gen of middelmatigen geet, onmogelyk zou hebben konnen
worden verricht ; derhalven choon men daartegen wilde in
brengen, dat hy zyne pen dikwyls te pits geneden en made
lyke woorden iegens zyne vyanden gechreven heeft, (m) zoo
taat aan te merken, dat de ziekte, welke toenmaals in de chri

telyke kerk en Zeden der menchen zoo zeer diep ingedrongen,


en aldus te gevaarlyker was, door zachte middelen niet gene
zen konde worden. Voor 't overige bekende hy alle menche

lyke zyakheden te hebben , als 't echter tot een treffen tegen
de vyanden quam, zoo tont hy als een muur, en deed hunne
peilen aftuiten op 't child van 't Goddelyk Woord. Met zy
ne amptgenoten leefde hy openhartig, en was redelyk minzaam

iegens een ieder, hy ontzag geen arbeid, om de bron der God


delyke waarheid wederom van de vuiligheid der menchelyke

tellingen te zuiveren. Hy zou hierin vry meer hebben gedaan,


hoewel hy veel gedaan heeft (n) zoo zyne vyanden hem een

weinig meer rut gelaten hadden. Hy was terk en tamelyk ly


vig, dog matig in eeten en drinken, waarover Melanchton zich
dikwyls heeft verwondert (o) en verzekert, dat hy eens in den
tyd van vier dagen gegeten nog gedronken had, choon hy
niet krank was
midsgaders dikwyls van een weinig

#,

brood en eenen haring vercheide dagen had geleeft,


4.

#
y

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 133


blykt, hoe veel taat is te maken op zommigen, die zeggen,

dat hy zoo zeer op 't drinken was gezet, dat hy een eigen

Catechimus glas voor zich had laten maken. (p) Wat hiervan
zy, hy vertont het draaien; (q) midsgaders de muziek (r)
en de poey, zoo als voornaamlyk blykt uit de geetryke liede
ren (s) die hy zelfs op eene, zangmat getelt heeft. Wat ech
ter voor kragt en geet in dezelve verborgen zy, bevinden de

geene bet, welke die liederen met aandacht zingen.


A A N M E R K IN GE N.

(l) Wat de Ieuit, Louis Maimbourg, van Luthers gemoed en zeden


oordeelt, zulks kan men in zyne Hitoria Lutheranimi lezen, hierin komt
met hem overeen zyn Landgenoot, de Abt de la Roque, in 't Paryche
journal des Savans 168o. Hy is echter door den Heer van Seckendorff in
T. viii.
alles genoegzaam wederlegt. Becheidener echter is 't oordeel, dat Came p.
m.
rarius in Vita Melanchtonis van Luther trykt: Erat Martini Lutheri inge 299.3oo.
nium ere & agax, erat animus ingens & excelus. Nunquam enim in timi
ditate &f ocordia, vel etiam fortitudine & olertia mediocri, ea, quae egit,
uciperentur. Excellentes autem homines icubi incurrunt, non fieri id ine
quai fragore guodam potet. Dat is: Luther was van een vaardig cherp begrip,

oprecht en grootmoedig, aangezien ook door vreze en nalatigheid of ook door mid
delmatigen vlyt en moed nooit had konnen worden verricht, dat hy gedaan heeft.
Als echter uitmuntende mannen ergens aantoten, zoo kan zulks niet wel zon

der gerucht gechieden. En een weinig daarna zegt hy: Qui quidem Martini
Lutheri auttoritaten & nomen ita celebrant ut upra conditionem &5 modum ge
meris humani non dubitent extollere, iis videndum, me praetantiimi atque

ummi viri bonam exitimationem tribuendo nimium, &# uae audaciae abilla ex
cellentia praeidium querere videantur. At itictatores, qui non modo omnia
illius cripta damnant ut impia & turbulenta, ed nomen etiam auditum tan
quam ominis mali detetantur : nunc etiam, i quid cordis haberent, poterant
reminicendo coniderare , quid acerbitate odii & contumacia pervicaciaque ad

verandi, &# clamoribus veanis effectum it. Dat is: De gene welke Luthers
aanzien en naam zodanig verheffen, dat ze iets boven menchelyk in hem zoe
ken, mogen wel gade laan, of ze zodanige verheffing van dezen anders groten
voortreffelyken man niet tot een dekmantel van hare eige vermetelheid gebruiken

Andere daar en tegen, die Luthers chriften als godloos en oproerig doemen, en
dezelfs naam bekladden, moeten, als ze lechts eenig begrip hebben, terug den
ken, wat door zodanigen bitteren haat, hardnekkigheid tegenpraak, en zinne

loos chreeuwen iegens Luther, tot nu zy uitgevoert. Van de geleertheid van


Luther en zyne amptgenoten, pleegde Melanchton te zeggen: Doctor Po

meranus is een Grammatieus, leggende zich op de woorden van den Text.


Ik ben een Dialecticus, en zie, hoe de text aan malkanderen hangt, en wat

ik met chritelyke gronden daaruit kan trekken. Doctor Jonas is een Ora
tor, die kan de woorden van den Text heerlyk en duidelyk uitpreken, ver
klaren en te merkt brengen.

Doctor Martinus is echter alles, de rede en

chrift van dien wonderbaren man en uitverkozen werktuig heeft handen en


voeten, dringt door hert en been, en laat de betraffing en vertrooting in
de herten van vele menchen, na het getuigenis van Joh. Matheius in de

16. Prediking van Luther. Zie ook D. Joh. Andreas Quented, Profeor
in de Godgeleertheid te Wittenberg, Trattatus de Partriis virorum illu pag: 1921
trium. Ja Theodorus Beza zelf heeft dit volgende Verster eere van Lu-,pag. 233:
234
ther opgezongen, in zyn Boek: de Imaginibus Clarorum virorum:
{l

Roma Orbem domuit, Romam fibi Papa ubegit,


Viribus illa uis, fraudibus ifte uis.

Quantum ito maior Lutherus, maior & illa,

Ftum illamque uno qui domuit calamo ! .


I nunc Alciden memorato Graecia mendax;
Lutheri ad calamum ferrea clava nihil.

R 3

Dat

1,4

D E G. o U DE EN ZI L. v E RE
Dat is :

Rome heeft de ganche werreld ondergebragt, en de Paus Rome, de eerte ge


bruikte de wapenen, en de laatte lit. Hoe veel groter echter is Luther , dan
die beide? hy heeft ze beide met ecne enkelde pen getemt. Laten de leugenach
tige Grieken op Hercules pochen, deszelfs knods komt by Luthers pen in gene
vergelykinge.

(m) Ulricus Huberus, een Nederlandch Rechtsgeleerde, is van ge

voelen, dat Luther een geleert man van zynen tyd geweet zy, dog dat hy
zyne hartstogten te veel den toom geviert had, ook dezelve niet had kon
pag. 174.

nen meeter worden, en deze zyne neigingen by de Reformatie zelf te

veel bloot gegeven had. Tomus II. Commentarii Rerum in orbe getarum pot
tempora Caroli IV. uque ad obitum Regis Succie Gutavi Adolphi, zoo als
T.

XXI V.

pag. m.

163.

geleerde Heer le Clerc te Amterdam in zyne Bibliotheque Hitori


& Univerelle, aanhaalt, daar by voegende, dat achtervolgens 't ver

zulks de

er ongegrond oordeel van den gemelden Huberus 't begin en de waarach


tige oirprong der Reformatie, de liefde tot de vryheid zoude geweet Zyn.

Van de bechuldiging echter van de al te harde en tekelige chryfwyze

preekt Doctor Luther zich zelven vry, in 't eerte


Deel
zyner
Schriften,
als
mede
in
't
eerte
Lateinche
Wittenbergche
;
mids
fol 31 1.b.
gaders van de onbechaaftheid van den tyl, waarmede de tegenparty geta
dig pleegde voor den dag te komen, zoo dat zelf de vermaarde Gerefor
meerde Godgeleerde, Jacobus Banage in zyne Hitoria Religioni Eccleia
pag. 476. rum Reformatarum, Boueto oppoita, hem heeft verdedigt, zonder van de
Atta eruditorum Lipieniae 169o van onze Godgeleerden, te preken.
pag. 96.
(n) M. Paulus Seidelius, Hitorie en Gechiedenien van D. Luther 1582
97.
te Wittenberg in 4. gedrukt, chryft achtervolgens de waarheid: Aldus
kan geen mench Luthcr evenaren, om by zoo vele aanvechtingen, wederwaar
fol.6, 4.'

digheden, gechillen, gevaar, zoo veel boeken te chryven en in 't licht te geven,
zoo als hy gedaan heeft, ja als een jong mench ondernam, en chier niets anders

deed, dan de boeken uitchryven, welke Lutherus ter druk bevordert heeft, zoo
.82.

zou hy bezwaarlyk ten einde komen. Een weinig te voren haalt hy aan een
merkwaardig oordeel van Urbanus Regius, geweze Superintendent van 't

##

Hertogdom Luneburg, zoo als volgt : Als ik, chryft Regius, in Saxen
quam, heb ik eenen ganchen dag met Luther, den man Gods, te Coburg door
gebragt, en nooit vermakelyker dag gehad, want Luther is zoo een magtige God
geleerde, als er ooit een lichtelyk is geweet. Ik heb altyd veel van Luther ge
houden, maar iegenswoordig hou ik nog meer van hem, want ik heb nu gezien
en gehoort, dat men met geen pen den afwezenden kan bechryven. Ik acht ook,
dat wyl ik geen blok ben, om de lere te belyden, dat niemand een pik op Luther
kan hebben, die hem kent. De boeken getuigen van zynen geet, als ge hem

echter perzoonlyk ziet, en hem van goddelyke zaken uit Apotoliche geet hoort
preken, zoo zultge zeggen: Het is waar, 't geen men zegt, dat Luther gro
ter is, dan dat hy van eenen werreldwyzen kan of zoude geoordeelt wer
den. Ik wil preken, zoo als 't my om het hert legt, wy chryven wel zoo wat

hene iegens alle, en leggen de Schriften uit, maar omtrent Luther zyn we kinde
ren en cholieren.

Ik laat Luther, 't uitverkozen werktuig Gods, niet verach

ten, hy blyft nog wel een Godgeleerde voor de ganche werreld, enz.
(o) Zie de Oratie de Vita Lutheri, Volumen Dreerianum. pag. 17.
-

al-

(p) Ik heb zelf eens te Dreden in de Boekery van M. Johan Hendrik


Kuhn, geweze Stadsprediker aldaar, eene houte plaat gezien, waarop een
pasglas was, op welkers ringen een hoofdtuk uit Luthers Catechimus

tont, te weten op den boventen: De tien geboden , op den tweden, het


geloof, op den derden, het Vader onze, op den vierden, de Catechismus
ganch uit , op den voet Catechismus van M. Lutherus. Op beide zyden
waren bepottelyke en ten dele op 't hoogt aantotelyke godslaterlyke ver

iens gedrukt, die de zatan in de hel zelf niet chandelyker had konnen
voortbrengen. Greterus maakt op zyne wyze ook gewag van dit glas,
als hy daarvan op de bovenaangehaalde plaats chryft: Zoo als 't gechiede by
de merkwaardige avondmaaltyd, waarop Luther zyne maats in den iare 154o
-

07/f

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. 135


onthaalde, niet zonder een knobbeligzeer groot Catechismus-glas, van welk won

derwerk in zyne Tafelreden, onder 't hoofdie, van allerhande dingen te lezen is.
Men ontkent niet, dat in Luthers Tafelreden een verhaal van dit gat- fol, ro:

maal en glas te vinden zy , maar dat de Evangelichen gehouden zyn , om 624.


alles te geloven en te verdedigen, wat in deze Tafelreden taat, om dat by

't uitgeven van dezelve door de Papiten en andere vyanden van Luther ,
vele ongerymtheden zyn daarin gevoegt, gelyk blykt uit 't getuigenis van

vele Godgeleerden, daaronder uit dat van Pitovius, een Roomchgezind


en deszelfs Derde Deel van zyn boek, genaamt Anatomia Lutheri , alsme-

de uit 't boek van D. Joh. Frederik Mayer, genaamt: Kryg des Heren , k "

Zie ook D. Rechenberg te Leipzig, deszelfs afzonderlyke Diertatie de


Colloquiis menalibus Lutheri , wyders D. Mayer Apologeticum pro Lathera- Pag,42:
mimo Chryotomi adverus joh. Francicum Hakium ; voorts D. Joh. Gott- q
lieb Mller te Dantzig, Diertatio de Auctoritate cripti , ub titulo : Collo
quiorum menalium Lutheri, Germaniae , Anglie & Latine editi , Rotoch pag 129.

1693, welke in de Acta litteraria Maris Balthici 1698. Auguti word aan
ehaalt; midsgaders D. Joh. Gerhard Loc. Theol. ; Hpfnerus, Saxonia
vangelica, Tentzel, Maandelykche Zamenpraken 1696. alwaar hyze tegen

T. I. p.
138.
*

den Jeuit P. Vavaor verdedigt, en hiervan uit Luther zelf een fraaie Pg '42"
plaats aanhaalt, te weten uit de Kerkenpotil op Zondag Jubilate, welke al- pag. 187.
dus
luidzyn,
: Ik welke
moet van
my bekennen,
ik veel woorden
preek,
die niet Gods
6
Woord
ik preek
buiten 'tdat
predikampt,
over tafel
of anders.
Zie ,,,
pag. 207.

ook 't geen wy onder by S. 56. hiervan zullen aanmerken. Daarenboven


heeft Joh. Matheius ook zeer vele Tafelredenen van Luther opgetekent in
de 12 en 13 prediking van denzelven, midsgaders Hendrik Peter Rebentock, onderden #, Colloquia & Meditationes Lutheri, te Frankfort aan pag. 36.
r

den Mayn in twee Delen gedrukt 8. welke D. Mayer in den Onterflyken 77.
Luther aanhaalt, ik echter nog niet gezien heb. Van de in den iare 1571.
te Frankfort in8. uitgekomeTafelreden van Luther, gewaagt ook Gottfried
Arnold in zyne Kerk en Ketter-hitorie, en verhaalt daarbenevens uit de Hi-

toria Eccleiatica van D. Korthold van de overzetting van dit Boek door #g.
den Heer Belle, in de Engelche taal, dat naamlyk den Overzetter, die $ 31. ,,
eenigzins traag was geweet, des nachts een oud man was verchenen, die fel 5:5:

hem tot 't volvoeren van 't werk aangepord en tyd en plaats daartoe belooft ****
had, waarop Belle in arret geraakt en tien iaren daarin doorgebragt had,
alwaar hy dan binnen de eerte vyf iaren deze Tafelreden zou hebben ver
taalt.

(q) Van deze materie handelt de Heer van Seckendorff, Lutherus zelf
echterchryft 15-25. aan Wencelaus Linekius, te Nurenbergaldus:,, Door
, dien by ons Barbaren niets bequaams te vinden is, zoo heb ik en myn
, famulus Wolfgang 't chrynwerken by de hand genomen. Wy zenden
, U hiernevens eenen goudgulden, met verzoek, ons daarvoor eenige bo

, ren, en chrynwerkers gereedchap, nevens twee of drie chroeven te


, kopen, die een chrynwerker U gaarn zal tonen. Wy hebben wel ee
, niggereedchap, dog wy hadden liever iets van uwen cierlyken Nuren
, bergchen arbeid. Doet mydien dient, 't geen gy meer daarvoor geeft,

, zal ik met dank betalen, want ik geloof, dat men

# dingen

,, goed koop by u kan bekomen, ten einde wy als de werreld ons al niet . .

, om 't goddelyke Woord wil onderhouden, met de handen ons brood mo- pagi,
, gwn winnen. T II. Ep. Luth. Islebiae edit. a Joh, Arifah. 1535.

*9*b.

Kr) Seckendorff op de bovenaangehaalde plaats, Michael Praetorius in


zynen Syntagma Muicum 1614. en D. Joh. Frederik Mayer, in de Dier- pagm:
tie: Quantum Reformatio Lutherlipis pontificiisfatentibus # ?. . . . 451.

(s) Van Luthers liederen en derzelver lieflykheid en kragt hebben nog


onlangs in vercheide Schriften uitvoerlyk beginnen te handelen, de ver
maarde en Godgeleerde Prediker, Heer # hritoph Olearius, te Arn
tad, Heer George Serpilius, te Regensburg, Heer Daniel Seiffarth, te
Zwickau, M. Joh. Joachim Mller, te Sommerfeld, daar alles, wat tot

lol.
deze materie behoort, omtandig en zeer fraai is uitgevoert, en eindelyk P.129.H.13o,

Heer Gottfried Arnold, in zyne Kerk en Ketter-hitorie.

5. 51,

1,s

D E G o U DE EN ZI L. v E R E
6. 5 I.

Luthers
Huwe

Aldus is ook niet met tilzwygen ver by te gaan, 't geen Lu


thers familie en huizelyke zaken betreft. Hy trouwde (t) met

lyk.

Catharina van Bora, eene Adelyke Iuffer uit Minie, die door

hulp van een Borger van Torgau, genaamt Leonard Kopp, in


den iare 1523. uit 't Nymtche Klooter, by de tad Grimma,
in Minie aan de Mulda gelegen, ontnapte, en nevens andere
Klooterzuters na Wittenberg gebragt wierd, de huwelyks
vervolging gechiede den 13. Juny 1525 , de voltrekking ech
ter, den 17 van dien zelve maand ; 't geen Luther hiertoe aan
zette, was wel voornaamlyk, dat hy achte beter en betamely
ker te zyn, dat hy als Prieter, een man van eene vrouw was,
achtervolgens de uitdrukkelyke chikking van den Apotel Pau
lus, dan zich te verbinden aan regels, die met Gods Woord

niet overeenquamen, en onmogelyk konden werden nagekomen.


Zy heeft haren echtgenoot van herten lief gehad, en na deszelfs
dood zich meet te Torgau van de weinige haar nagelate mid

delen, die echter door de mildadigheid van den Keurvort van


Saxen en die van andere Vorten rykelyk vergroot 'wierden,

onthouden en geleeft, tot in den iare 1552. wanneer ze den 2o.


December overleden, en in de Prochiekerk begraven, en met
een treffelyken grafteen vereert is.

A A N M ER K IN G.
(t) Het is niet uit te preken, hoe laterlyk de vyanden van Luther van
dit huwelyk hebben gechreven. Hy heeft echter zulks niet geacht, en 't

geen naderhand van hunne navolgers dienaangaande is opgewarmt, dat is van


-

pag. 198.
tot 2,O2

onze Godgeleerden en Gechiedenis Schryvers met onwederprekelyke gron

den wederlegt. Het Vers van zyne heftigte Tegenparty, Doctor Em


er, op dit huwelyk, om 't zelve belaggelyk te maken, is in de Lateinche
Uitgave van dit werk te lezen, ik heb 't niet willen verduitchen , om
dat diergelyke uitzinnige makeloze Poie niet gevoegelyk in onze tale kan
worden gebragt. Die de werken van Joh. Eckius heeft, 15.30 en 1531, in

folio gedrukt, kan achter de Opdragt voor 't Tweede Deel onder andere
Verzen tegen Luther, ook een diergelyk Bruiloftsgedicht, waar van wy
innaar CCn

# hebben aangehaalt, aantreffen.

De bovengemelde beuzel

T. II. p.
im. 257,

achtige Lucien en belle humeur, meld : Lutherus hebbe in deniare 1524

eene Adelyke Abdie getrouwt , 't welk dubbeld valch is, want voor
eert, Catharina van Bora is niet Abdie in haar klooter geweet, en ten
twede is hy niet in 1524 maar 1525 met haar getrouwt. Gelyke zwakhe
den, welke de anders chier overal leugenachtige Franche Gechiedchry
Lib. I. S. ver, Antoine Varillas heeft begaan, heeft de Heer van Seckendorff afge
153. ad vaardigt, maar de dwaling van wylen den Bichop van Meaux in Vrank
dit I.
ryk,
Benin Bouet, die in zyne Hitoire des Variations des Egliegro
L. II. S. tetantes chryft: Luther zy reeds 45 iaar oud geweet, wanneer hy trouw
13.L III.
de, daar hy echter eert in zyn 42 iaar was getreden, hebben de Heren Col
S. 49.

lettores Aitorum Eruditorum, te Leipzig 1689. gedrukt genoegzaam we


derlegt. In den Dagelykchen Schouwplaats des Tyds van den Heer Ziegler,
werdze ook Catharina van Born, of Bohren, midsgaders Keslin, beter
Keel, genaamt. D. Maior heeft haar tamwapen met 't volgende Epi
gramma bechreven:

Gens

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER,

157.

Gens Boravm multis plendorem extendit ab annis,

Hinc Catharina ata et, junctta, Luthere tibi.


In Clypeo fulvus Leo pugnat parte initra,
Caudaque pavonis lurda cuta tegit. : :

. .

. .

"

, "

./

:
-

Dat is:

Catharina is geproten uit den edelen tam der Boren, welke


van God zelven aan Luther tot echtgenoot wicrd gegeven. Een
Leeuw verciert haar child ganch alleen, zonder eenig ander
wapen, en boven uit den helm ziet men een toute paauwetaart
uitteken.

By M. Conradus Porta, Volum. Dre. Meergemelde Heer


D. J. F. Mayer heeft in eene leeswaardige Diertatie, 1698. in
gedrukt, haar leven uitvoerlyk bechreven. In korte ech
4ter

en in zynen tyd gewone verzen M. Balthaar Mencius,


-

Poeta L. C. gelyk dezelve de bovenaangehaalde Nicolaus Por


manus te lezen geeft:

Cathrin van Bora ben ik genaamt,


Geboren in het Miner land,
Uit een ouden edelen tam, . . . --- . .

Gelyk myn voerouders tonen aan


Die God en 't Roomche Ryk

'Met eer en roem gedient gelyk.

- .
,

Als ik groot wierd, tot iaren quam,


De deugt ny deed nemen aan,

"

||

| |

| |

- .. . . . . .

En een ieder beguichelt waar,

1 :

. . . .

Ook hoog verheven der Monnen tand

- - -

Wierd ik in 't Klooter Mimetch gezand


Myn eer en ampt had ik in acht,
Riep tot God, bad dag en nacht,
, Voor de welvaard der chritenheid,

- - - - -

.
1

. . God my verhoort en ook verblyd.


e beld
deotkoen
Luther
Doctor
erko,os,
uitv
cht,geno
tot een
My

Van den Paus en zyner Monniken laar, ...

t .

? T

: '

. i t.

. --

Dien ik in 't kuich huwelyk myn,

Baarde drie zonen en dochterlyn.

In den weduwentaat leefde ik zeven iaar

Ma dat myn Heer geturven waar.

- .

Te Torgau in de chone tad


Men myn lyk begraven had,
Tot dat God de bazuinen doet gaan,

. . . .

.. .

2 -

. . . . . ..

En alle menchen heet optaan,

-; *

En met de uitverkoze chaar

' 'I.

- - -

- -

z .

In vreugde leven getadig daar,


.

' , .

Hare gedachtenis echter konnen wy in dit Schrift ook,


vyf afzonderlyke gedenktekenen

#teren

i
- 1
-

--

- -1

Als

Als dan wil ik met mynen Heeren


God eeuwig loven, roemen eeren;

met

: *

Het

/ -

DE G o U DE EN ZI L. v E RE
##
Het eerte is zekerlyk #
yk een chyf van een dambord, (u) waarop haar beeldtenis
## # geneden is, met dit omchrift: CAT HARI
NA. MARTINI. LUTHERI. UXOR. Dat is: Catharina,
138

raar en

huisvrouw van Martyn Luther.


- --

--

A A N M E R KI N G.

',

(a) De geerde Lezer en ik hebben deze fraaijgheid de heusheid en ge


negenheid van den hoogverdienden Conitorie Raad en Superintendent te
Arntad, Heer Johan Gottfried Olearius, te danken, die my eene chets

door eene bequame hand op 't nette heeft laten maken. Wat hy echter
hierby verder aanmerkt, zal ik uit zynen brief, den 14 December 17oy
aan my gechreven, laten volgen: ,, Hiernevens de verzochte chets van
,, de dambordchyf, waarop D. Luthers huisvrouw, Catharina, op eene
, tot numy onbekende toffe, welke heel veel met elpenbeen overeenkomt,

,, zeer zuiver afgebeeld of geneden is. Daar zyn nog meer van deze chy
,,ven, die anders eenen uit hout gedraaiden grond hebben, welke de
,, beeldtenien van hoge perzonen dier tyden, als die van Keizer Maximi
,, liaan I, en Frederik, Keurvort van Saxen, by malkanderen, voorts die

,,
5,
,
,,
,,

van Keizer Karel den vyfden, Koning Ferdinandus den eerten, en an


dere meer, midsgaders van voorname Voortanders te Augsburg, als van
Huldericus en Antonius Fugger, Conradus de Roa, &c. alsmede die
van Iabella, gemalin van Keizer Karel de V., AEmilia, Hertogin van
Saxen, gemalin van den Markgraaf van Brandenburg, Anna Huisvrouw

,, van Georgius van Freundsberg, Regina, echtgenoot van Eggenberg,


,, en eindelyk van Maria en Regina, twee zangters van Keizer Maximili
, aan voeren, welker figuren zeer net getroffen en kontig in de bovenge
,, melde maa uitgewrocht zyn , diergelyke chyven zyn er drie en twin
Ik heb deze fraajigheid eert van een vriend gekregen, als
tig in
, een chyf van een dambord, waarmede Keizer Carel V. met de Heren
, Fugger zou gepeelt hebben.

Het twede is een groot bortbeeld, na een goed origineel,

door Lucas

Cranach 1526 gechildert, net afgechets en door den meergemelden Heer


Slegel my eertyds medegedeelt
- - - - - - - - -

$ - -

-- -

- -

- -

A A N M E RK I N G.
(#) Men kan haar beeldtenis ook zien op de titulplaat van de bovenge
melde Diertatie van D. Mayer. Een twede fraai origineel, 1-rz9 uit

Lucas Cranachs penceel gevloeit, vind men in de Hoogvortelyke Boekery

te Gotha, met dit opchrift: K. VAN. BORA. salvaar: R.


-

ER.

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER.


PER. FILIORUM. GEN ER ACION EM.

139

Dat is : Catharina

van Bora zal zalig worden door kinderbaren. Ze is daar ook op eene tafel te
zien, met haren man naat haar, midsgaders haar beeldtenis onder de aldaar

verzamelde kopere platen van den hoogtzaligen Hertog Ernt. -Eenen ei


genhandigen brief van haar aan Spalatinus heb ik eertyds in de bovenge
geroemde Jacobiche Boekery te Dreden gezien, die nu mynes bedunkens
in die van den Hoogedelen Raad te Leipzig bewaart word.
Het derde is haar Epitaphium of grafchrift in de kerk te Torgau.
Ze is in een lykgewaad gedot, en houd een boek in de hand, boventer
zyde van haar hoofd aan de rechterhand ziet men 't wapen van haar bedge
noot, Martinus Luther, en aan de linke, haar adelyk wapen. Het om

chrift moet aldus worden gelezen : In den iare 1552. den 2o. December is
in God zalig ontlapen alhier te Torgau, Heer D. Martinus Lutherus zaligna
gelatene Weduwe Catharina van Borna (y).

't Bortbeeld.

TETERFETETEFET

- |

. DE G o U DE EN ZI L V

14o

E RE

A A N M ER KI N G.
wittenbergche Univeriteits-Programma, door 't welk de
toenmalige Pro-Rector, D. Paulus, Eberus; de Studenten ter begraafnis
pleegde te nodigen, heeft Heer D. Mayer, l. c. p. 62. q., van wien wy
(y) Het

ook 't Epitaphium ontleent hebben.

De vierde en vyfde zyn twee gedenkpenningen, waarvan de


eene voert :

a Luthers beeldtenis, met 't omchrift: DOCTor. MAR


TINus. LV THERUS. LAET A MINI IN DOMINO.

1538. Dat is : Dottor CMartyn Luther. Verblyd u in den Here.


1538.

# Haar beeldtenis, met den naam CATHARINA DE


BOHRA.

De twede:

aEen vrouws beeldtenis, met 't omchrift: CATHARI


NA. Doctor. LV THE RUS. SIN FROW. Aetatis 44

Dat is: Catharina, Vrouw van D. Luther, oud 44. iaar.

b Dit opchrift: NASCITUR. ISLE BI IN MANS


FELD. ANNO. 1. 5. 2. 5. MORITUR. ISLEBEN.

Anno. 68.
l- - -

Decembris. Die 12. Dat is: Geboren te Eisleben in


:

Mans

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER.

141

Mansfeld in den iare 1525. en geturven in den iare 68. den 12.
'December. (z)
-

A A N M E R KI N G.
-

- .

(z) Dat op dezen penning de meete woorden valch en ongerymt zyn,


zulks is t'overbekent. 't Stukie was van goed zilver en zeer net geneden,
de woorden CAT HARINA. LUTHER US. SIN. hadden ook

haren eich, invoegen ik niet twyfel of dit wel haar beeldtenis zy, maar
alle de andere waren heel plomp met een yzer daarop getoken, want wat

kan er onnozeler worden bedacht, dan de inhoud van 't revers?


W). 52.

'

Luthers
Deze Catharina heeft echter met haren bedgenoot ter werreld kinderen

gebragt, drie zoons en drie dochters, welker namen, en voor


namte bedryf, wy wel uit den Heer van Seckendorff beknopt

melingen.

zullen aanhalen, maar echter in de Aanmerkingen zoo wel uit

fol: 65 t.

en nako

een gechreven gelachtregiter van Luther, dat de Abt te Lo


ceum, de Heer Gerhard Molanus, de goedheid gehad heeft,
ons mede te delen, als uit D. Mayers meermalen aangehaalde

Diertatie de Vita Cathrinae a Bora een en ander daarby voegen.


De Heer van Seckendorff chryft aldus: Luthers oudte zoon,
genaamt Johannes, (a) geboren den 7. Juny 1526., is by de

pag. 35i
CITZ,

zonen van Johan Frederik, Keurvort van Saxen, Raad en

Kantzelery-Secretaris geweet, en naderhand van Albrecht,


Markgraaf van Brandenburg na Pruien beroepen. Hy trouwde
met Elisabeth, eenige dochter van Doctor Capar Creutziger,
Hoogleeraar te Wittenberg, met dewelke hy eene dochter heeft
gehad, die in 't gelachtregiter Eliabet word genaamt, en
zonder kinderen overleden is. Martin, de twede zoon, oef

fende zich in de Godgeleerdheid, en nam de dochter van Jo

han Heiliger, Borgemeeter te Wittenberg, ten wyve, dog is


1565 overleden, kinderloos. De derde zoon heete Paulus,

geboren den 28. January 15.33: (c) tudeerde in de medecynen,


wierd Doctor, en een voortreffelyke Arts, midsgaders Profe

or te Jena, kort daarna echter na Gotha of Weymar, als lyf


arts, na deszelfs gevankenis echter van Joachim II, Keurvort
van Brandenburg als Opperlyfarts, en na deszelfs dood van Au
gutus, Keurvort van Saxen, in diezelve hoedanigheid na Dre
den beroepen; hy trouwde met de dochter van Vitus van War
bech, Edelman uit Swabenland, Hofraad en naderhand Vice

Kanzelier van Johan Frederik, Keurvort van Saxen, en van


Anna, gebore van Hack, insgelyk uit Swaben, zoo als de vol
gende gechreve gelachtafel aanwyt. Hy was een man van
grote verdienten en aanzien by Augutus, Keurvort van Saxen,
en wierd van hem met een Ridderlyk goed bechonken, bleef
tandvatig by de lere van zynen vader, voornamentlyk in 'tar
tikel van 't H. Avondmaal, en tierf 1593. in den ouderdom van

6o. iaren. Melchior Adami heeft zyn leven in de Vitae Medico pag. 338.
rum uitvoerig bechreven. Deszelfs oudte zoon, want de ove
rige kinderen, die wy echter lechts uit de gemelde tafel zullen

noemen, zyn vroeg geturven, Johan Ernt, wierd Kanunnik,


of Domheer ten tigt te Zeits, en heeft zyn gelacht voortge

plant, nalatende Johan Martin Luther, een geleerd man en myn


S 3

groot

1e

EN Z I L. V E R E

D E GO U DE

groot vriend, midsgaders Keurvortelyke Saxiche Stigt-Rege


rings-Raad te Wurtzen, en heeft het Ridderlyk Goed Hoh
burg by Wurtzen van Johan George den eerten, Keurvort van
Saxen, vereert gekregen. (d) Zyne eerte vrouw was de doch
ter van D. Willem Leyer, Profeor in de Godgeleertheid te

Wittenberg, en de twede dochter van den vermaarden Godge


leerden te Leipzig, D. Johan Huleman.

Hy heeft ook eenen

zoon nagelaten, die nog in 't leven is. (e) Van D., Martin
Luthers dochters, waarvan er twee, te weten, Eliabeth (f)
en Magdalena (g) heel iong zyn geturven, is Margaretha ge
trouwt met George van Cunheim, Edelman uit Pruien; (de

gechreve Tafel voegt daarby: Vortelyke Pruiiche Landraad


van Bartenteinchen Kreits, Landrechter en Katenheer) en
heeft nevens andere kinderen ter werreld gebragt eene dochter,
genaamt Dorothea, gehuwt aan Frederik, Vryheer van Kitlits.
Daarenboven heeft D. Paulus twee dochters nagelaten, waar
van de oudte Margaretha genaamt, met Simon Gottteig,
Aartsbichoppelyke Magdeburgche Molen-Opziener, een zeer
aanzienlyk en voordeligampt, getrouwt is, en de twede genaamt

Anna, met Nicolaas Marchall, uit den Huize van Biebertein,


Edelman uit Minie. Waaruit blykt, dat Luther in zyne na

komelingen van God ook gezegent is. Dus ver de Heer van
fol. 16,

Seckendorff, die ook eenig bericht van deze materi uit 't vier
de Deel der Wittenbergche Conilia getrokken heeft. Ten
einde echter om den Lezer alles duidelyker voor te tellen, zoo
hebben wy 't ganche gelachtregiter uit alle de bovengemelde
Schryvers, tot op dezen tyd in eene korte
Ta

fel by malkanderen begrepen, zoo als hier nevens te zien is.


r
-

"

I43.

G EN E A L (
D. M A H.
A

HANS

LUTHER

--

D. MARTYN LUTHF
Overleden 1546.
-N

E LIs A BE TH,
---T
O HAN NES

Geboren I $ 27-

Geboren
3,
trouwt met1526
Elizabeth

T 152S.

M| MA R GAR ETA
-

eboren 15 34. ge
rouwt met Georgius
an Cunheim.

Creutziger 15 54

--

A-

----T-S

EL I s AB ETH ?

-T D oRoT HE A,
-huisvrouw van Fre
PAu Lus, Jo HAN: ER Nst, Jo

Kanunnik
te Zeits,
etrouwt met
Mar-

- derik, Vryheer van


Kittlits.

#ha Blumtengel.
,-- - "

-A. -T

-A

MARTYN,
is /A BE TH
MART x N, Jo" PAU L Joh.
Wrtzen,
en KaStigts - Raad
te |Rot
H EA
'en -

nunnikteZeits,getrouwt 1. met Re

gina Leier. 2. Mar

gareta-Sophia Hul
eman.
--

1. Joh. W11. LEM. " MARTY N-FREDER!

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER

14,

A A N ME R K IN GE N.

(a) Van dezen Johannes heeft Heer D. Mayer vercheide fraaie o mer

kingen, van
en onder
Lateinchen
door in
Johan
#
#g,
Hertog
Saxen,anderen
toen hyeenen
nog een
zeer iong brief,
Prins was,
deniare
1541.':5.1q
3U,
aan denzelven gechreven, aangehaalt.

(b) Martinus Epitaphium (grafchrift) dat aldaar ook kan worden ge-

##

lezen, toont aan, dat hy den 3. Maart 1565. geturven zy.

(c) Paulus heeft tot gevaders gehad Johan Ernt, Hertog van Saxen,
Hans van Ler, D. Jonas, de Huisvrouw van Philippus Melanchton en
Capar Lindeman, zoo als D. Mayer aanmerkt. Een vriend heeft my een

afchrift van eenen brief medegedeelt, waarby Luther Hans van Ler tot
Doopheffer van Paulus heeft verzocht, en doordienze byzonder fraai gechreven is, zoo zal 't, hoop ik, den Lezer niet onaangenaam zyn, dat ik
denzelven hier laat volgen , ze luid aldus:

Genade en vrede in Chritus.


-

. -.

*
-

u:

Getrenge, Erentvete, lieve Heer en Gevader. '

' ..

29

G# ik laatt gebeden heb, zoo bid ik andermaal, om onzen Herg

Chritus wille, Uwe getrenge gelieve zich ter eere van God te
, verdemoedigen, om voor mynen iongen zoon, dien Godmy dezen nacht,

29

"

van myne lieve Caatie bechoren heeft, op 't poedigte en behulpzaam- .


,,te te verchynen, ten einde hy uit den ouden Adam door 't Heilige Sa

,, crament de Dope tot de nieuwe geboorte gerake en een lid der chriten
, heid werde, of 't michien Gode behage, eenen nieuwen vyand van
,, Paus of van Turken op te trekken. Ik #lde hem tegen den vepertyd
, laten dopen, ten einde hy niet lang een heide blyve, en ik te zekerder

, zy, Uwe getrenge gelieve zich zoo 't niet te veel moeite is, te laten
, vinden, en zulk offer, Gode tot lof, te helpen verrichten. Zoo ik in
, taat ben, om weder dient te doen, ben ik bereid. Hiermede nevens

, de Uwen Gode bevolen, Amen. 's Nachts ten 1. uur, Woensdag na


,, St. Paulus 1533.

Uwe Getrenge,

4'

Willige Dienaar,

MARTYN LUTHER:
Den Getrengen, Erentveten, Hans Ler,
Erf- Maarchalk van Saxen, mynen gun

tigen Heer en vriendelykenlieven Gevader.


Van dezen Paulus Lutherus, die 1589. na ## vertrokken, maar
van den Adminitor van Keur - Saxen, Frederik Wilhelm, Hertog van
Saxen-Weymar andermaal als Lyfarts gebruikt is, heeft Mathaus #

-- 2

rus, Profeor in de gechiedenien, eene byzondere oratie gehouden, diepag: ##


in 't meergemeld Volumen Dreerianum te vinden is.
eszelfs lyk is te 121, 124,
Leipzig in de Pauliner kerk bygezet, en 't graf met 't volgende opchrift
-

VerC1CIt :

i--- - - -

# # .i,

Hi

- -

. . . . . . .. . .

&

G.

H.

L. S. E.

- -- - - -

IT ! 'ca i : f 13
- -

+ Vr 1 o :: # fie, i:

zo.

f g:9 de i 2 I

(Hoc Loco Sepultum Et)


-- - - - - - -- corpus Pietate, Dignitate, Eraditione, & Virtute pretantiini dris
'- r,

- -

--

't H.- - - - -

- -

- -

- i
-

al i i o z miques
tr - - - I- -- -- - - - - -

- -

' T. S #G -

144

D E G O U DE EN ZI L V ER E ;

mique, P AU LI, MARTIN I illius LUTHERI, intauratoris doc


trinae caeletis Filii, Medecinae Dottoris, illutriimorum Principum Ducum
Saxioniae Fratrum Vinarie, edeinde illutriimi Electoris Brandenburgici Jo

achimi II, deinde illutriimorum Principum Ducum Saxoniae Elettorum, Au


-

guti & Chritiani, Medicii Propugnatoris dotirinae a Patre repurgate contra


omnes eorruptelas contantiimi de omnibus bonis bene meriti, hanc mieram vi
tam verafide in Jeu Chrito Salvatore unicofixa aeterna commutantis, D. VIII.

Menis Martii Anno Domini MDXCIII. Anno vero aetatis LX. Patri
optimo Liberi moetiimi H. M. P. C. Hoc Monumentum Poni Curarunt).
Dat is:

,, Op deze plaats legt begraven 't lyk van den vromen, Hooggeachten,
,, Hooggeleerden en zeer deugdzamen Paulus Lutherus, hy was een zoon
van den vermaarden D. Martinus Lutherus, die de hemelche leere uit de
,, duiternie weder in den helderen dag gebragt heeft, Voorts Doctor in
,, de medecynen en Lyfarts van de Doorluchtigte Heren Hertogen van

, Saxen, Gebroeders te Weimar, midsgaders van Joachim II, Keurvort


, van Brandenburg en van de beide Keurvorten van Saxen, Augutus en
,, Chritianus, een yverige verdediger en bekenner der lere, die zyn vader
,, van alle vervalchingen gezuivert had , hy heeft zich by een ieder ver
,, dient gemaakt , zyn elendig leven echter in waarachtigen gelove in zynen
, eenigen Verloer Jeus Chritus met 't eeuwige zalige verwielt den 8.
,, Maart 1593. in den ouderdom van 63 iaaren. De bedroefde kinderen
,, hebben deze tombe ter gedachtenie van hunnen lieven vader laten op
pag. 7o. ,, rechten. Zie M. Salomon Stepner Incriptiones Lipienis. Behalven.
dit grafchrift, heeft men de gedachtenis van D. Paulus Lutherus vereeu

wigt door een zeer raren penning, dewelke voert:

- '

n !

3.

- - ,

- - -v

-3
-rrw

::..a:

I oi::57 -

' ,

9 . - ... .

I 1.3 .

- -

- - --

g: a Des Vaders beeldtenis, met 't omchrift: Doctor. MAR

TINUS LUTHER HETatis LX. Dat is: Dottor Martyn


Luther, oud 63 jaar. *
h Des zoons beeldtenis, met 't omchrift : Paulus Lutherus.
-

Doctor. Medecinae, AET Atis XLII. ANno. MDLXXIII.

Dat is : Paul Luther, Doctor in de medecynen, oud 42. iaar,


in deniare 1574.

.,

'g t

Ik heb ergens gelezen, dat hy dan 5. Febr. 1554 met Anna


- -

VdIA

( NV www
en V s ,
* Lutherus is niet 6o maar 63 iaren oud geworden, en derhalven lykt
# lezen penning een milag te zyn. Ondertuchen dunkt my niet onbil
tyk, dat de III na de X door ouderdom en veel behandelen van den pen

ning zyn verleten of uitgegaan.

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER

:
,

I;

145

van
Warbeck
is getrouwt,
haar grafteen
alsnog
de Keurvor:
telyke
Saxiche
reidentieplaats
Dresdenis op
't L.in V.
Kerkhof
te zien, waarvan de Heer Hieronymus Beriche, Sindicus van

den
hoogedelen en hoogwyzen Raad aldaar, my de volgende
chets heeft medegedeelt. De teen is met 't beeldtenis door
langheid van tyd eenigzins verleten, invoegen men,'t wapen
niet recht meer kan bekennen, 't grafchrift echter, dat in een
geel koper plaatie is geneden, is nog zeer wel te lezen, 't zel
Veluid als volgt : Anno 1586. den 15 May, zynde op Zondag
Exaudi, is UAnna, Huisvrouw van Doctor Luther, geboreWar
beck, in God zalig ontlapen, die God genadig zy. tiAmen.

i
(a) De Keurvort heeft, zodat ze er vrenarmy heeft willen
verzekeren, hem 't Ridderlyk goed vereert, om dat hy den
zegelring van D. Martyn Luther aan den Keurvort tot een ge
chenk gedaan had.

(e) Heer Johan Martyn Luther, Jur. Vtr. Licentiatus,


Stigts-Regerings-Raad te Wurtzen, en Domheer te Zeits,

aangezien ik verwittigt ben, dat inT't Stigt van Zeits telkensDom


een

ras D E G o U DE EN ZI L. v E RE
Domheersplaats onmiddelbaar aan eenen der nakomelingen van
Luther word gegeven , dezelve is voor zoo veel ik weet, als
nog in 't leven, maar van zyne kinderen heb ik niets gehoort.
Velicht is M. Johan Chritoffel Luther, die onder wylen D.

Joh. Frederik Scharff, Hoogleeraar te Wittenberg, aldaar 1686


in de Diputatie van Luther gerepondeert heeft, ook van dit
gelacht geweet, hoewel ik hem onder de nakomelingen van

octor Martinus Lutherus nergens heb aangetroffen.


(f) Het grafchrift van deze Eliabetha taat te Wittenberg
in de kerk voor de deur op den Godsakker in de

Wei

nige woorden : Heuc dormit ELISA BETH , filtola Martini

Lutheri, UAnno 1528. 3. UAuguti. Dat is : Hier laapt Elia


beth, dochtertie van Martinus Lutherus ; geturven den 3. UAu
guty 1528.
(g) Magdalena, twede dochter van Luther, is geboren
1529. en gelurven den 2 o September 1542. in den ouderdom
-

van 14. iaren.

--

Haar afbeeldzel heb ik bekomen door den Heer

Schlegel, en na een treffelyk origineel, 't welk de Heer Magnus

Lichtwer, Raad van den Koning van Polen en Keurvort van


Saxen, midsgaders Lehn-Secretaris te Dreden, bezit, cierlyk
in koper laten brengen. Haar vader, D. Martyn Luther ,

heeft het grafchrift zelf gemaakt, en luid aldus:


Dormio cum anctis heic Magdalena, Lutheri
Filia, & hoc trato tetta quieco meo.
Filia mortis eram, peccati emine nata,

Sanguine ed vivo,

Chrite, redemta tuo.

Hier laap ik Leentie, Doctor Luthers dochtertie,


Rut met alle Heiligen in myn beddetie,

Die ik in zonden was geboren,


:

Had eeuwig moeten zyn verloren,

Maar ik leef nu en heb het goed,


Here Chritus verlot met uw bloed.
-

D. Luthers Tafelreden, alwaar wydlopig niet zonder


# heid
ontroering
is te lezen, wat voortreffelyke redenen ter gelegen
a. b.
van de ziekte, dood, en begraafnis van deze Magdalena
fol. 495.

Zie

gevoert zyn.

't Afbeeldzel van Magdalena.

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 147


S. 53.

Doordien de geleerden, en zelfs andere liefhebbers, die van Allerhan


't tuderen iuit geen werk maken, grote achting hebben, voor
't geen van de oude Grieken, Romeinen en andere landaarden

de reli

quien van

is overgebleven, en met geen weinig voordeel en vermaak 't zel- +


ve zien, midsgaders zorgvuldig bewaren, alles wat ze van hunne
overlede vrienden of vermaarde mannen hebben bekomen, waar

door dan ook na 't getuigenis van Plinius Secundus en dat van
Cicero by de Romeinen reeds in gebruik is geweet, dat men
derzelver afbeeldzels zoo wel in openbare als byzondere boeke
ryen, (h) als tot een eerteken geplaat heeft, en daaruit ook zoo

veel kont en rariteiten kamer alomme by zedekundige volkeren


hunnen oirprong hebben, zoo zal, hope ik, niemand qualyk
duiden, dat we, nu we D. Luthers leven beknopt en getrouw
lyk bechreven, en uit gedenkpenningen verklaart hebben , ver

volgens ook ter roemwaardige gedachtenis, dat geene als nog


daarby voegen, dat van hem voorhanden is, en van hem den

naam draagt, of in zyn leven van hem is gebruikt. Ik twyfel


niet, of zulk zal den Lezer niet onaangenaam zyn, te meer om
dat behalven 't geen wy van deze materie in de eerte uitgave
van dit Werk verzamelt hebben, en de hoogverdiende Godge
leerde en Superintendent te Lubeck, D. George Hendrik Gote,
in eene treffelyke Diertatie, in den iare 17o3 onder den titul
Singularia de Reliquis Lutheri, diveris in lacis aervatis, te
Leipzig in 4 uitgegeven, heeft aangemerkt, wy nog een en an
der konnen bybrengen, waarop wy dan wyders tot de verkla

ring der Jubelpenningen en de daartoe noodzakelyke voorberei


dings hitorie zullen treden.

A A N M E R KI N G.

(h) Van deze materie heeft de bovengemelde Con-Rector ter Keurvor


telyke Saxiche Landchole te Minie, M. Johan David Schreber, myn
waarde School en Academievriend, een geleerde Diertatie, genaaamt
Imagines Clarorum Virorum in Bibliothecis, in den iare 1692. gechreven en
te Leipzig in 't licht gegeven.
S. 44
Luthers
Vermids nu zeer vele afbeeldzels van Luther, zoo wel origi Beeldte

nelen als copyen worden aangetroffen, zoo zal ik er hier eeni


ge opnoemen, en aldus taat aan te merken, dat de Univeri
teit van Wittenberg het zelve in de Slotkerk aldaar heeft laten

plaatzen, zooals Andreas Sennertus in Athenis Wittenb. meld,


daarby voegende, dat te Wittenberg in de Slotkerk een altaar
te zien zy, op welkers verheve tafel Luthers beeldtenis na 't le
ven voorgetelt werde, op den prediktoel taande, en met den
vinger op den gekruizigden Chritum wyzende, en Philippus
Melanchton aan zyne zyde, die een kind doopt, terwyl men

D. Johannes Bugenhagen of Pomeranus in een Biegttoel zit,


die zommige boetvaardige de zonden vergeeft, en de onboet
vaardigen van zich toot. De

ge: Sennertus zegt wd:


2

AU

nis,

,48

D E G o U DE EN ZI L VE RE

dat dit afbeeldzel van Luther in den iare 1547., wanneer de

Stad Wittenberg verovert wierd, door een Spaanch zoldaat


met een dolk aan den hals en ontrent den navel doortoken Zy.
Van een ander afbeeldzel van Luther, waarop een onbezonne
vyand van 't zelve, M. Paul Salmuth, Diaken te Wittenberg ,
tot chimp een glas met bier heeft geworpen, verhaalt D. 1-e
pag. 36, onhard Hutterus, in Threnologia de obutu B. Aegidii Hunnit
**

midsgaders de Heer Chritiaan Schlegel in de Levensbechryving


'van den derden Evangelichen Superintendent te Dreden, M.
Theophilus Glaer.
Te Leip
zig.

Wie te Leipzig in 't grote Auditorium Philoophicum gaat, zal


zoo voort ter linker hand aan 't hoofd van alle afbeeldzels, dat

van Luther levensgrote, op een hoge tafel, nevens dat van Me


lanchton zien. Van een ander origineel, door Lucas Cranach

etig in den lare 1526 gechildert, is hiervoren melding gechied: e.


n

D. Valentyn Albertie, Profeor in de Theologie en Filoofie


pag. 43. te Leipzig, maakt in zyne Diertatie de Virtute Luthers Heroica
gewag, van een zonderling Eprigramma, dat eertyds te Heide:
berg onder een afbeeldzel van Luther getaan heeft, 't welk

echter dubbelzinnig is, en zoo licht in een quaden als goeden

zin kan genomen werden, 't zelve luid als volgt:

juppiter ut Titanas obarmatugue Gigantes


Quondam dejecit fulmine flammivomo:
Scitu Pontifices Tiberinos, Jaeve Luthere
Protrati, tonitrit non inhibente fero.

Ouis ibi non Salium metuit? tuus halitus ignis,

Vox fulmen, Calamus grando, Cor AEthna fitit.


Dat is:

Gelyk Jupiter eertyds de Reuzen met den blikem verdelgde,


zoo ging gy vergramde Luther, met donder op den Paus los.
Wie vreet nu niet voor u? uwe adem is vuur, uwe tem, blik

em, uwe pen, hagel, en uw hert een brandende berg


TeGotha

In de Hoogvortelyke boekery te Gotha heb ik onder andere


treffelyke tukken childeryen, ook vercheide afbeeldzels van
Luther gezien, door Cranack en andere grote Meeters gechil
dert; op een van dezelve taat: M. L. IN SILENCIO ET
SPE E RIT FOR TITUDO VESTRA.

tyn Luther.

Dat is: Mar

In tilheid en in vertrouwen zal uwe terkte zyn.

Op een ander tuk taat hy gedot in een zwarten rok, met bont
evoert, korte mouwen en eenen roden kraag, met een band

e gebonden, en houd een boek in de linkehand. Nog een is


'er, dat boven de twee anderen de kroon pant, het zelve be
taat uit eene hoofdtafel van een middeltuk en twee vleugels,

gelyk als op zommige plaatzen in de Kerken de altaar tafels en


Schilderyen plegen te zyn, op ieder van die drie delen word

Luther in een byzonder gewaad vertoont, te weten, op de


rechte vleugel als een Monnik, op 't middeltuk als een Prieter
en op de linke vleugel als een Ionker, zoo als hy te Wartburg

gedurende zyne gevankennis is gekleed geweet, namelyk in een


zwart kleed, langen baard en eene degen op zy. Onder deze
drie

EER GEDACHTENHs VAN LUTHER.

#9

drie afbeeldzels leet men de volgende versjes, die een korte


levensbechryvinge van Luther konnen vertrekken.
Chritus iaren

1483

Martinus Luthers iaren


In dezen iare de hooggelert
A
v

Te Eisleben geboren werd,

5.

God eerlyk ouders hem becheert,


Johan Luther en Margareet,

- -

Die hem met vlyt gehouden kan

Tot tucht en chool van kindsheid an, $


I497

Tot dat hy oud was veertien iaar,


Te Magdeburg een cholier waar.

149 8
15 o2
I 5o3

Van daar trekt hy na Eienach,


Om te volgen de cholen ma;
'Daarna te Erfurth ook tudeert,
Awaar hy ras Magiter werd,

15o7

Daar by ook in 't klooter quam, ,

15o8

Augutyner orden aannam.


Ma Wittenberg zend hem de orden,

14
2

15
C. f
19
2,O

24
. ..

25

Daar is hy Profeor geworden.


15 Io
Go

Aladerhand ook te Milaan waar,


Oud zeven en twintig iaar

27

I 51 t

Het volgende iaar in Italie quam,

28

1512

Een maand hy was te Room


Daarna hy ook ontfangen heeft

29

1517

Te Wittenberg zyn Doctoraat.


Tegen den aflaat hy daar leert,
's Pauzen geweld hy ganch omkeert,

15 18

Moet
Augsburg voortaan
Voordaarom
Keizer teMaximiliaan,

I ,

En ook voor 's Pauzen kardinaals,


Die hem doemden altemaals,

- K.

15 19

152o

34

- 35 .

Te Leipzig, in de beroemde tad


Met Eck gediputeert bad.
Des Pauzen Decreet hy zelfverbrand,
't Welk hy godloos en valch erkant.

36
37

Te Worms hy ook op den Ryksdag


Zyn leer bekent ganch onverzaagt,
Voor Keizer Karel en 't ganch Ryk,
Wierd in den Ban verklaart te gelyk.
In 't zelve iaar als hy van dan
Wegtrekt de trouwe Godsman,
Onder wegen opgevangen werd,
Op 't lot Wartburg heimlyk gevoert,
Aldaar in zynen Pathmus blyft

Schier een ganch iaar veel boeken chryft,


152 1

1522

Legt af de kap, werreldch kleed nam,


Zoo als hier zyn beeltnis toont an.
Van daar hy heimelyk Wittenberg
Weder bezoekt, om dat hy merkt
Des Carltads geet, de Mis chaft af,
Veel heilzaam leer brengt aan den dag.

T 3

38
39

Chritus

. 1.
-

rss

D E G O U DE EN Z I L v ER E.

Chritusiaren.
1525

Mart. Luthers iaren.


Daarna de Catharin van Born
42
Heeft hy zich ten wyve verkorn.
-

En haar genomen tot een vrouw,


-

1529
15.30

1537
''. ,

'1539

Te Leipzig na Hertog Georg dood.

M54G
e
- -

1546
r

Voor de Papiten een grote rouw.


Van 't Sacrament hy met Zwingel
Te Marpurg diputeert veel
Als de Confes wierd te Augsburg
Overgegeven, lag hy in 't lot Coburg.
Te Smalkald wierd hy gevaarlyk krank,
Daar Vorten en Leeraars lagen lang.
Het rein Gods Woord gepredikt heeft

46
47
54

56
t

Daarna veel goed chryft en leert

57

Der armen zondaars veel bekeert


Wytze tot Chritus bunnen troot

"

Die ons van zonden heeft verlot.


TotWeder
dat hybeluit
zalig zyn
te Eisleben
tydelyk leven,
Komt weder in zyn vaderland
Daar uit hem God heeft voorgezand.
Oud en iong hem hoog beklaagt,
e
Zyn lyk na Wittenberg wierd gebraagt.
In de lotkerk begraven is,
Rut als nu in Jeus Chrit,
Die hy geleert heeft en bekent,
God geve ons ook een zalig end.

63
18 Febr.

Amen.
HTom. V,
der prent
verbeel

dingen

fol. 2o3.

Niet minder zyn in de gemelde boekery ook fraai dertig by


zondere afbeeldzels van Luther, in koper geneden, onder wel
ke my 't fraaite voorquam een tukie, Luther in Monniksge-
waad verbeeldende, door Cranch in koper gebragt, op dezelve

wyze zoo als wy 't boven in koper hebben medegedeelt en met 't
zelfde verie daar onder : UAeterna ipe ure &c. midsgaders een

diergelyk tukje van deniare 1521, behalven met een zon, zoo als
men de Heiligen pleeg te childeren, en de H. Geet daar boven,

Lutherhoud in de hand een boek, waarop gechreven is BIBLIA.


152o. Nog is er een in Monniksgewaad, van Albrecht Durerin
koper gebragt, met de eerte letters van zynen naam. D. M. L.
en nog een ander, zoo als S. 17 en 18 is te zien, met deze
woorden: MARTINUS. LUTHER US. en op de kant:
IN SILENTIO

ET

SPE ERIT FORTITUDO

VESTRA. In tilheid en in hope zal uwe terkte zyn, onder 't


volgende Epigramma.
t_Aeruit Chritum divina voce Lutherus,

Cultibus oppream retituitque fidem.

Illius abentis vultum haec depingit imago,


'Praeentem melius cernere memo potet

ELRGEDACHTENIS VAN LuTHER


M D xx1

##

J. Sadeler fecit 15-9.

Capar. ruts. excudit.


-

Dat

is:

Luther heeft Chritus met eene Goddelyke tem gedient , en


't verdrukt geloof hertelt, hy is afwezend, dog dit beeldtenis
vertoont deszelfs aangezigt zoo levend, als of hy voor ons tont.

Fol. 2os. is zyn beeldtenis in eenen langen baard, zoo als


hy van Wartburg te Wittenberg is terug gekomen, 1522 ins: @1 288,
gelyks maar in een Prieter gewaad, een zon om 't hoofd, en
op den rand de woorden: B. Martinus. Lutherus. SS. T He

ologiae Dotor. NASCitur. Ao. 1483. INCE PIT CON


Cionari Ao. 1517. O B 1 IT Ao. 15.46. Dat is: 'De zalige Mar
iyn Luther, Doctor der heilige Schrift, wierd geboren 1483 ; be

gon te Prediken 1517, tierf 1546. Onder ziet men deze verzen,
welker telletters 't jaar van 1 546 uitmaken:

oCCV LV It oLls ter enos febrVVs ignes,


MagnVs Vt IsLeblae noCte LVtherVs oblt.
fortis & eXtreMae VeraX aetatIs he Llas

CeLa pIV S CoeL I teCta LVthere VbIs


Dat is:

De achtiende February had naauweljks eenen aanvang genomen,


vf Luther tierf te Eisleben, werdende van God als deszelfs ge
trouwe en tandvatige dienaar, in 't treffelyk hemelche huis ge

<s plaatt.

In de Keurvortelyke Saxiche kuntkamer te Dresden is een repres


fraai tuk childery van Cranachs hand, zynde Luther met 't den.

'

doodkleed gedot, in de kit leggende, op dezelven wyze als


men boven op eene Medaille by 't iaar 1546 heeft konnen zien.

Denkwaardig echter is 't onderchrift onder 't beeldtenis van


Luther te Jena in de Kerk: Nos Dei Gratia Johannes Guilielmus Te Jen4,
Dux Saxoniae, Landgravius Thuringiae, Marchio Miniae, hanc
Lutheri effigiem, non Cultus, Sed memoriae gratia, huc po
uimus. Dat is : Wy Johan Willem, van Gods genade Hertog
van Saxen ,

# van Thuringen, en Markgraaf van Mihie,

hebben dit beeld van Luther laten oprechten, niet om hem aan te

bidden, maar om hem daarby indachtig te zyn. Zoo als de Heer


Tentzel in zyne fraaie Bibliotheek aanmerkt, en wy kort hier
- achter eigentlyker willen bechryven.
#2
-

Wat in de Kerk van 't dorp Opper-Rola, vortendom Wey-T-orte


mer, met een Luthers beeld, dat oogchynlyk zweete, is ge-Rela
beurt, word wel verhaalt door M. Romanus Feller, geweze *"
Vortelyke Stigts-prediker te Weymar, maar nu welverdiende
Prediker ter Thomas Kerk te Leipzig, myn zeer waarde vriend,
in zyne 17o1 te Weymar gehoude en daarna onder den titul:

Byzonder merkteken der Goddelyke goedertierenheid,


-

"s:#
Chri
A

152

fol. m.
1c98.fol.

136. b.

f) E 'G OU DE EN ZI LV ER E

chritelyke ermoen , voor dewelke de Heer Johan George


Layrits, hoogvortelyke Opperhofprediker, Kerkenraad en Ge
neraal Superintendent een leeswaardig voorbericht heeft gemaakt,
pag. 35. dog met weinig woorden, omtandiger echter word
het verhaalt door van Ziegler Hitorich Labyrinth der Tyd uit
Tom. VII. Theatri Europaei, met volgende woorden: ,, In 't
,, dorp Rola, niet ver van de Vortelyke reidentie-tad Wey

, maar gelegen, gaf het op den 25. zondag na Trinitatis ge


, woonlyk Evangelie van de verwoetinge den 16. (26.) No
, vember den Farheer aldaar aanleiding, onder andere laters

, en misbruiken ook aan te halen, dat er velen zich nog aan de

, gruwels der verwoeting deelachtig maakten, om datze ten


, dele uit hardnekkigheid, ten dele uit nalatigheid, het bouwen
,, en verbeteren van Kerken en Scholen nalieten, waarby hy
,, dan , om de verharde gemoederen te beter te vermurwen,

, twee plaatzen uit Luthers chriften, te weten uit de Voorre


,, de over den Profeet Haggai, en uit 't twede Jenache Deel
, over den 127. Palm, in de vroegpreek van den kanzel aflas.
3, Midlerwyl wierden eenige op 't Choor taande toehoorders

, ontwaar, dat 't aangezicht van 't afbeeldzel van Luther, 't
,, welk M. David Meie , geweze Hofprediker te Weymar,

, 16o8 aan de Kerk van Rolla vereert heeft, geweldig zwee


, te, alsof 't huilde, aangezien drie grote droppels van 't hoofd
,, over 't in handen hebbende open boek rolden, waarin gechre
,,ven taat uit 't eerte Hoofdtuk van Johannes : In den beginne
,, was het woord, &c. eene duidelyke treek over den Prieter
,, rok van 't beeld maakte.

Na den Godsdient wierd van den

, gemelden Farheer, den choolmeeter en de altaarmannen een


,, haauw onderzoek gedaan, of naamlyk zodanig zweten veellicht
s, door den menigvuldigen regen, die toen door 't zeer ontram

, poneert Kerkdak overal was doorgedrongen, veroorzaakt zy; .


, dog men bevond, dat de droppels waren gevallen, benede d'
,, nog ganch droog op 't childery lag, en 't beeltenis op an
, dere plaatzen ganch niet vochtig was, zoo als de lyt zelfs

, niet; 't doek tont ook niet te na aan de muur, om dat men

, de ganche hand daar achter konde teken. Schoon zommi


,, ge omtanders de droppels afveegende, zoo ver als ze kon
,, den reiken, zoo wierd daaronder 't getal lecht te groter, tot
, dat het des nammidags weder begon te drogen. Den volgen

, den dag kon men niets meer zien, behalven dat 't chrift in
, 't gechilderde boek eenigzins bleker en donkerder cheen. "
zoo ver de gemelde chryver.

Dat echter dit tuk childery zedert den iare 1651. nog twe
malen, te weten 1681 en 17o5 heeft gezweet, zulks word door

een verhaal uit de Weimarche ordinaris-pot-tydingen van den


3o Maart 17o5 tot genoegen bekragtigt, en de zaak in zich
zelve derft zoo veel te minder in twyfel worden getrokken, om
dat men zich dienaangaande op de acten beroept. 't Bovenge

meld verhaal luid aldus: ,, Na dat vrydag laattleden, zynde


, den 27 Maart op hoogvortel. genadigt bevel een algemene
2, boet-bid- en vatdag in dit Vortendom en landen gehouden

, is, op denzelven achtervolgens 't geloofwaardig bericht van


. ,, den Farheer van 't dorp Opper-Rola, in 't ampt van Neder

, Rola, twee uuren van de Vortelyke Reidentie alhier, ge


legen

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

155

, legen, aan den Generaal en Speciaal Superintendent van Wey

En(R.

,, mar en Rola, de volgende merkwaardige zaak gebeurt, te

haik,
vr
/d II
In :
ge,
Mo

,, weten, dat 't aangezicht van Luthers childery, dat in 't


,, Choor tegen de muur hangt, midsgaders 't boek, 't welk hy
,, in de handen houd, van de voor de middag preekt tot 's a
, vonds zodanig heeft gezweet, dat als men de tranen of drop

, pels afveegde, zoo voort weder andere te voorchyn quamen,


, zoo groot als erweten, en zulks enkelyk op 't aangezicht
2, CIl # 't boek , zynde 't overige van 't tuk childery
,, ganch droog geweet , invoegen zulks van de muur niet'
,, kan van daan komen, te meer wyl de andere daar by 'han

, gende childeryen diergelyke niet hebben getoont. Daaren


, boven taat aan te merken, dat dit niet de eerte maar zedert

,, den tyd van 54. iaren de derdemaal aldus is gechied, naam

,, lyk den 16 November 1651. wanneer op den 25. zondag na


,, Trinitatis de verklaring van 't Evangelie van de verwoetinge
,, inviel, en de toenmalige Farher Horn twee plaatzen uit Luthers

,, chriften in de prediking aanhaalde, midsgaders 1681. op


den eertgemelden zondag dit insgelyks van vele aanwezenden
bemerkt is. De zaak is waarlyk merkwaardig.
Niet minder aanmerkelyk echter is, dat Luthers beeldtenis

te Artern, graafchapMansfeld, in 't vuur onverzeert is geble


ven. Hoe 't nu daarmede is toegegaan, zulks komen wy den
Lezer uit de zoogenaamde en te Leipzig tot nu maandelykch

uitgegeve onderchepte brieven, der derde Ravage, van 't zeven


de paquet verhalen.'' Het in den brand onverteert gebleve kope
re plaat van Luther, werd nog ter dezer uure in de audientie
zaal van 't hooggraaflyk Mansfeldche Conitorie te
-.
toont. Boven 't afbeeldzel is gechreven : Effigies Luther in
incendio Arterent Anno 1634 mirabiliter ervata. Dat is : Lu
thers beeldtenis, 1634 in den Arterichen brand op eene wonder

, baarlyke wyze behouden. Daar naat aan boven de plaat is ge


drukt : In fetivitatem Jubilaei

Augutane Confeionis.

Nata Deo fIDel qVanDo Confeionotra


aUgvta eXhlblta et, IVnIVs aXe Inl It.
Dat is : Ter gedachtenis van 't Jubelfeet der Augsburgche bely
denis. Het was in juny 153o. wanneer de van God komende Be
lydenis van ons geloof te
overgegeven. Om de

%##

plaat taat in een cirkel : Effigies Divi Dottoris Martini Luthe


ri, nati 1483. denati 1546.

Dat is: Afbeeldzel van den zaligen

'Doctor Martinus Lutherus, geboren 1483 en overleden 1546. Ter


rechter hand van de plaat taat Fides ('t Geloof) houd in de
rechter hand een lang kruis, en in de linker een kelk met eene

hotie , Ter linker zyde houd Contantia (Standvatigheid) in

de rechter hand een open boek, waarin te lezen is : Verbum


Domini & Manet in c_AEternum. Dat is : Gods Woord blyft in

eeuwigheid , leunende met de linke op een pilaar, met dit op


chrift Palm CXVIII. 22.

## die de bouwlieden had

den verworpen is tot een hoofd des hoeks geworden.' Op den rand

ter rechter zyde taan deze verzen gechreven:


i
-- ; . . . . . . . 2
v

is -

f. -

Bau

154

DE G OU DE EN ZI LV E RE
Baumichii flagranta dama in cinereque redactis
, Omnibus effigies alva, Luthere, tua et.

Quamlibet in mediis fit conopita favilles,


Non tamen heic aliquid flamma nocere patet.
Dat is:

Wanneer Baumicheus huis afbrande, en alles in de ache ge


\egt wierd, zoo wierd nogtans uw beeldtenis, Luther, bewaart,
en choon 't midden onder de ach lag, zoo kon 't vuur 't zel
we niet bechadigen.

Op de kant aan de linke zyde:


quippe perit,
dans pabula
janua
#
# rapide
huic diperit
effigies.tamme,
2

Silicet haci omen depromimus, haudfore quidquam,


#Perdere quod poit, qua docuie oles.
Dat is :

De deur word wel door de vlam verteert, maar 't childery


niet, dat daaraan hing; daaruit beluiten wy, dat de vlam nooit

iets zal vernielen, van alles wat gy geleeraart hebt.

Feeit
-

M. Bartholomaeus Beck.

-! !

Onder 't afbeeldzel zyn deze Duitche verzen in twee co


lommen gedrukt: .
e

"###
vrolyk en neem waar,
God is in Juda wel bekent,
't Zyn heden hondert iaar,

Toen Hertog Johan van Saxen


De Hoogloflyke Keurvort

Met ed'le richte gewaen


Na Godes Woord hem dort

Met zommige Vorten in 't Ryk


Chritelyker natie

Dien God haar hert leyd gelyk


Ter waare religie,
Benevens twee

#teden

.
9

- 't Welk hoog te roemen is,

--

Zonder chuw met hen omgetreden


Niets achtend Pauslyke lit

Overgaven Carolo Quinto


_ Den Keizer magtig groot
Opentlyk in 't Concilio
Schoon het den Paus verdroot,
-

. .

\",

Te Augsburg hare Confeie

Der Evangeliche leer,


En dat hare religie,
De weg ten Hemel waar,

Wyl

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. 155


Wyl dan met grote betand rondt uit
't Keurvortelyk Huis van Saxen
Luthers leer zonder eenig vrees
Beleden heeft, doet waen,

Godes Woord onder zyn bechut,


En ruite kransje fyn
Dat 't in alle werreld is van nut

Aan die zoo tandvatig zyn


In Luthers religie
Ook wie meer toegedaan
De Augsburgche Confeie
Des Pauzen gruwels laten gaan.
Zal hen God een Jubelfeet
Ter eeren celebreren,

Als hy hier contans is geweet


En vrolyk intoneren,
Venite Benediti

Die gy myn woord geert,


Sed ite malediti,

Die niet recht hebt geleert,


Dan zullen de rechtvaardigen wys
By God in den Hemel taan ,

Maar de Antichrit met al zyn gepuis


In het helche vuur gaan.
Mi reipuerint.
B. M. G. L. P.

Gedrukt te Dreden by Wolfgang Seyffert, 163o.


Daaronder taan de Duitche verzen gechreven:
Als des Artrichen Decani haus

, '

Abgebrandt is zu grunde aus,


Auch mit verbrandt die tubenthur

An welcher geween das bild allhier,


It doch blieben ganch unverlett,

Und zum gedachtnis hierher geett.

Op den rug van 't afbeeldzel is de regitratie van den toen


maligen Conitoriaal-Secretaris, met volgende woorden ge
chreven : ,, Dit beeld heeft Heer M. Thomas Bumichen,

op

Patoor en Deken te Artern, aan den Heer Superintendent


behandigt, met bericht, dat zyn Huis was afgebrand, dog
dat dit beeld, dat tegen de deur van zyne toof had aange

35

taan, die insgelyks door de vlam was verteert, eenige el

52

len diep in de aarde gevonden en in de gloeiende ache niet

99

99

vernielt was, 't welk voor geen gering wonderteken te ach

99

ten is, weshalven ik 't dan ook alhier aan teken, ex ore Super

m2

intendentis, den 21. May 1634.


Felix Bauer,

V 2

S. 55.

156

DE G o U DE EN ZI L. v E RE
. S. 5.

Luther.

Alhier behoort nu verder 't huis te Eisleben, waarin Luther

#, geboren is. Martin Zeiler meld in zyne Reisbechryving door

#" #Duitchland te Straasburg 1632 gedrukt. Dat dit huis taat in


## de lange traat op den hoek na de kant van de vleeshal , in den
gevel van 't zelve had hy gezien Luthers beeldtenis, met deze
woorden:

Hotis eram Papae, ociorum petis & huius:


Vox mea cum criptis nil mit Chritus erat.

Anno 1483. geboren, in de St. Pieters kerk gedoopt, A. P.


O. R. Dat is : Anno Pot Orbem Redemtum, na Chritus ge
boorte MI OXIV. Mene Maio Renovata. B. X. T. Daarby

voegende, dat men hem had gezegt, en 't ook zeer wel te zien
was, dat de gemelde lange traat wel dikwyls was afgebrand,

dog dat dit en andere buurhuizen telkens waren blyven taan ,


hoewel 't nogtans eindelyk den 19 July 1689. nevens andere
huizen door de vlam is verteert, maar ras weder opgehaalt, en
den 31. October 1703 tot een armhuis, midsgaders chryf en re

kenkamer gemaakt, zoo als Heer Tentzel in zyn fraaie Biblio


theek 17o4 meld, die daar by voegt, dat hy 1666 zyne bedte
de, waarop Luther geturven was, in eene kamer opgelagen,

midsgaders zynen leuntoel, daarnevens taande, gezien had.


Lutherus heeft 1497 te Magdeburg School gegaan, en in 't Au

gutyner-klooter aldaar zyne eige cel en bedtede gehad, die


163 1. wanneer die tad door de Keizerchen in de ache wierd

gelegt, op eene verwonderenswaardige wyze behouden geble


ven en van Johan George I. Keurvort van Saxen, 1636 in ei

ge hoge perzoon bezichtigt is. Eduard Brown, Engelchman,


heeft in zyne Reisbechryving aangemerkt, dat hy deze verzen,

* daarboven gechreven, gevonden had:


Hier is Lutheri Kmmerlein,
Wenn er ins cloter kam herein,
Gedchtnis halb'n wird noch ietzund,

Hierin geehn ein bette-Spund.


Als D. Samul Pomerarius, naderhand Superintendent van
Lubek, in den iare 1659. Zyn Superintendentchap van Solt

wedel in de Marck moet verlaten, wierd hy te Magdeburg in


deze cel van Luther gehuisvet, waarover D. Jacob Weller en
D. Joham Huleman hem hebben geluk gewencht, zoo als

1. c. pag. Heer Tentzel meld. Luther heeft in 't Augutyner-klooter te

# Erfurth eenige jaren gewoont , men laat nog heden dien dag
" zyne cel zien, en zyn beeldtenis, waarop zyn meete bedryf
getekent is. Het klooter echter is overlang in een Evangelich
School verandert. : Te Wittenberg had hy insgelyks in 't Au

zate

gutyner-klooter zyne cel of Studeerkamer , Johannes, Keur

w#n vort van Saxen, heeft hem 't ganche gevaarte vereert , Augu
berg
tus, Keurvort van Saxen, heeft het voor drie duizend guldens
van deszelfs erfgenamen gekot en 1564 aan de

Univere:

'

33T

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER 4,7


daar gechonken, en tot een algemeen gebruik laten maken. En
daar anders op de Univeriteits Collegien de kamers aan de Stu
denten plegen te worden verhuurt, zoo blyft nogtans Luthers
vertrek altyd ledig, alwaar men achter de kaggel een vlak inkt
ziet, die in eenen tryd met den Zatan, zoo als de gemene praat
is, daar zoude gekomen zyn. Luthers prediktoel is in de tad-Zyne

kerk te Wittenberg, te weten de kleinte, waarop enkelyk op #


zekere dagen in de week gepredikt werd. Van zyne laapka-wartburg
mer op de katelen Wartburg en Coburg is hiervoren reeds #
melding gedaan. Zyn Epitaphium of Tombe hebben Senner- #

tus in Athenis Wittenbergentbus , Seckendorff lib. III ; voorts chrift:


Balthaar Mencius en Joachim Hagenmeyer in Incriptionibus ##2.
Wittenbergenibus, midsgaders Nathan Chytraeus in Deliciis Iti-#
nerariis bechreven, waarmede 't negende Deel van Luthers pag. 365,
Schriften is te confereren. Dit Epitaphium is in de Slotkerk te

Wittenberg een teen, waarin deze woorden gehouwen zyn : ##"


MARTINI. LUTH E R 1. Sacrae. THEOLOGIAE. #
Doctoris. CORPUS. Hoc. Loco. Sepultum. Et. QUI. AN
NO. CHRISTI. M. D. XLVI. XII. CA Lendas. MAR
T ! I. EIS LE BII. I N. PATRIA. Sua. Mortem. Obiit.

Cum. Vixiet. ANnos. LXIII. Menes II. Dies. X. Dat is :

Het lyk van Martin Luther, Doctor in de Gadgeleertheid, legt


hier begraven, die in den iare 1546 den 18. February te Eisleben,
zyne geboortetad, is overleden, na dat hy geleeft had 63. iaren ,
2. maanden en 1o. dagen. Op dien zelve plaats is een metale ta

feltie, in de muur geklonken, waarop een Lateinch vers van


den vermaarden poet Johannes Stigelius , midsgaders deze

woorden daaronder taan : DECESSIT. IN. PATRIA.


SUA. EISLEBEN ANNO. A. NATALI. CHRISTI.,
M. D. XLVI. D 1 E. FEBRUARII. XV I II. ANno.

AETATIS SUAE. LXIII, ACADEMIA. WITTEN


BERG ENSIS. UT. FILIA. PATRI. DILE CTO.
Fieri. Curavit. Dat is : Hy tierf in zyne geboortetad Eisleben in
den iare na Chritus geboorte 1546. den 18. February, in den ou

derdom van 63. iaren.

Deze graftede heeft de

W##

Univeriteit, als de dochter aan haren beminden vader, laten op

rechten. De Univeriteit heeft in de verlede eeuw. Luthers


beeldtenis, op eene houte tafel zeer cierlyk gechildert, daar
by gevoegt, en 't bovengemeld Lateinch vers van Stigelius hier
en daar verandert, daarop laten chryven. Veel fraaier en
duurzamer echter is Luthers beeld, dat Johan Frederik, Keur
vort van Saxen van metaal heeft laten gieten, om in de Slot

kerk te Wittenberg ter werden opgerecht, na dat echter de #.


den zoo zeer verandert en de Keurvortelyke waardigheid,

midsgaders de Stad Wittenberg op de Saxen - Albertiniche li


nie zyn gekomen, heeft men het weder aan de Heren zoons
van den Keurvort behandigt, en is na Weimar, van daar na
Jena gebragt, en aldaar in de St. Michielskerk door Hertog

Johan Willem, glor. gedachtenis, geplaatt. De chets van 't


zelve tonen wy hier den weetgierigen Lezer uit de kopere pla
ten van den zoogenaamden Ernetinichen of Nurenbergchen

groten Bybel

. .

- ;

V 3

.. . .

De

g
E
:

s
b.
EI
we

#
Hij
Al
Kn
A

zodatadaaareneaulad-rebeum zweymaras van Arizerie-, arm


Asdaadreunennanaarwwaren edeterhees-a-avrie 4-eye
"A

eeneysauriarulus eraar- amazia-zsa4-karavaanasok-lam


yrrus Airesaavauikabmusiwardekaars greamien 2eca cevanderer was zware
Gate-Auteurbiatle Picarx trozza wisueretagh dermaatsen-premi
EL-A.A.

rlei

Auu Sa

za-2 4-4

wy van Gods genade, Johan Wilhelm,

Hertog van Saxen,


Landgraaf van Thuringen, Markgraaf van Minie, hebben dit
beeld van Luther in deniare 1571. niet om aan te bidden, maar
tot zyne gedachtenis, alhier laten zetten.
- 2 .. ..
'

'

J.

Boven Luthers hoofd:

: '

2Petis eram vivus, moriens ero mors tua, Papa.

Dat is:

U was ik een pet o Paus in myn leven,

Stervende zal myn dood den ret u geven.


Aan de rechter zyde:
Ziet men zyn wapen, te weten een kruis # een hert, met

eene roos omgeven, nevens 't woord VIVIT; hy leeft.


Ter

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 1s,


Ter linker zyde:

Staat de Spreuk Je. LII. 7. Hoe lieflyk zyn de voeten derge


ne, die den vrede doen horen. .

..

- -

Rontom 't beeld:

- -

Den 18. February 1546. is de eerwaardige Martinus Lu


ther, Doctor in de Godgeleertheid, na dat hy tot in 't laatte

oogenblik had betuigt, dat zyne leere welke hy gepredikt heeft,


oed en voor de kerk noodzaaklyk zy, en zyne ziele God den
ere door 't geloof in den Here Jeus Chritus bevolen had,

uit dit terflyke leven in de eeuwigheid overgegaan, in den ou


derdom van 63 iaren, na dat hy Godskerk in deze Stad (Wit

tenberg) ruim 3o. iaar trouwlyk en met voordeel had gedient,


Zyn lyk echter is hier (te Wittenberg) begraven.'
r
+

re

Onder zyne voeten:

2 e

. .

Leet men een Lateinch vers van H. Oius, door M. Chri

tiaan Funcke, Rector ter Schole te Altenburg en naderhand te , 1


Grlits, zoo als dezelve in 't

# Deel van Luthers chrif. . . . . . .

ten gemeld werd, op de volgende wyze vertaalt:

... !

# 1585.

,, Dit kontig beeld wierd ter eere van Luther vervaardigt , "
om
te worden geplaatt, daar hy begraven lag, maar door
,
, dien de kerkgechillen nog niet waren afgedaan, zoo kon 't
Ondertuchen heeft Vort Willem nader

,, daar niet komen.

, hand bevel gegeven, om het in deze Stad op te rechten, ten

, roem van dezen dierbaren man,en niet uit bygelovigheid 5


,,ten roem zeg ik, van dien man, die 't waarachtig chrite

, volk ontdekt heeft de liten en kontgrepen van den Room


,, chen Paus , weshalven ook de Keurvort Johan Frederik de
, Stichter der Scholen aan dezen Saaltroom is, om tot chan

,, de der Sophiten in deze laatte tyden de reine lere voort te


, planten. Doordien echter deze werreld haat zal vergaan ,

, zoo teekt menige dwaling 't hoofd op , derhalven lieve Je

, us laat uw woord by ons betaan, ten einde er hier menchen


,, mogen zyn, die u recht eeren.

r
-

1-

-- -

Voor 't overige heeft de loflyke Keizer, Karel de vyfde,


Luthers graftede in de lotkerk te Wittenberg, voor de ge
dreigde verwoeting nog zelf allergenadigt bewaart, want wan
neer eenige Spaanchen, daaronder de wrede, Hertog van Alba
en de Bichop van Arras, zyne Majeteiten verzochten, om

Luthers lyk te laten opgraven en verbranden, gaf hy ten ant


woord, dat Lutherus
zynen Rechter had, en
hy iegenswoordig met de levendigen en niet met de doden kryg
voerde, bevelende daarenboven op traffe des doods, Lutherus
in zyne rut ongetoort te laten, zoo als Sleidanus in zyn boek
de Statu religiouis & reipuplicae in Germania lib. XIX, pag a
665, 668, en Michael Piccartus in Obervationibus Hitorico Po

liticis, Decade Sexta, cat. 6. getuigen. |


- - -

* ** *

: : :

1 .

- - -

"

S. 56.

16o - D E G. O U DE EN ZI L V ER E
S. 56.
* *

Dresden

. i

. . .

.'

Luthers zegelring heeft Johan George de eerte, Keurvort

Luthers

ringen te

*.

van Saxen, van Johan Martyn Luther, Stigts-Raad te Wurt

zen, vereert bekomen, en hem het riddergoed Hohburg daar

voor gechonken, midsgaders den ring, zoo hoog gechat, dat


hy denzelven getadig aan den vinger heeft gedragen, en zich
in den iare 1652 te Praag in Boheme , in byzyn van vele Ryks

Standen, daarmede by den Keizer zelf laten zien, en daarme


de getoont, dat hy liever het leven wilde

laten, dan van de le

re van dezen man afgaan.

Ja zelfs dat de godvruchtige Keurvort op terven leggende,


alle zyne ringen aflei, en dien van Luther met zyde liet bewin
den, om dat ze door de ziekte te groot was geworden , en ze

weder aan den vinger tak, en teeds met de andere hand druk
te, om zyne betendige liefde ter Evangeliche leere te kennen

te geven, gelyk D. Gotze met vercheide getuigen aantoont.


Deze zegelring is van Johan George de twede, Keurvort van
Saxen, in den iare 167o reeds uit deszelfs kuntkamer te Dre
l. c. pag

de geicht, zoo als Heer Tentzel verzekert, daarby voegen

379.

de, dat dezelve aldaar nog voorhanden is, en dat de Heer To

bias Beutel, kontkamerbewaarder, hem onlangs had laten zien,


een goude gemailleerde ring, met een zeer klein horizontaal
uurwerk, met een doodshoofdie op 't dekzel, en dit opchrift:
MORI SAEPE COG IT A. Dat is : Gedenk dikwyls, datge

terven moet. Om de kas echter deze woorden: O MOR8


ERO MORS TUA. Dat is : O dood, ik zal uw dood zyn.
Deze ring werd bewaart in een dooie, op welkers dekzels ge
chreven taat : Dezen ring hebben Heer D. Martyn Luther en

Heer D.
en.. : ' -

Mattias Hee, beide ter chritelyker gedachtenis, gedra


'

- 2

Midlerwyl kan dit de ring niet zyn, dien Johan Frederik,


Keurvort van Saxen, nog Keurprins zynde, in deniare 1530
te Augsburg heeft laten maken, en op den teen doen nyden
't wapen van Luther, zoo als boven by de bechryving van 't
TeHelm- zelve is aangetoont. Luthers Doctoraaten Trouwring bezit ie
ted.
genswoordig de loffelyke Univeriteit te Helmted in hare Boeke

ry, als een genadigt gechenk van wylen Rudolf Augutus,


Hertog van Bronswyk-Lunenburg, zoo als de Profeor aldaar,

Herman van der Hardt, in eene afzonderlyke Magiteriale Ora


tie, den 4. October 17o3. gehouden, en in 't licht gegeven,
gemeld heeft. Het was te wenchen, dat hy de goedheid had

ehad, die beide ringen wat eigentlyker te bechryven, omdat

y lechts zegt, dat ze uit Opper-Saxen en Polen in Neder-Sa


xen zyn gekomen, en door Hoogtgemelden Hertog Rudolf
Augutus in zyne aan Helmted vereerde Boekery ingelyft.

Ondertuchen heeft de Heer Jacob Burckhardt Sulzbacenis,


myn geweze waarde Dicipel alhier in 't Voritely: School te

Sleuingen, en Jur. Candidatus, in January 1703 'my de chets


van Luthers Trouwring van Jena gezonden, en daarby ge
meld, dat die ring van zyne Koning. Mai van Polen en Keur

vortel. Doorlt. van Saxen, Frederik Augutus, kort voorheen


-

*t

23 Il

EER GEDACHTE NIS VAN LUTHER,

16f

aan Hertog Rudolf Augutus vereert was, en dat hem de chets


uit Wolffenbuttel was medegedeelt. Het zal den Lezer, ho
pe ik, niet onaangenaam zyn, dat wy denzelven hier laten vol

# om

dat ze van eene zonderlinge vinding is, gelyk hier

lykt:
,
l

Luthers ringen.

De letters op de kas: M. L. D. betekenen : Martyn Luther


Doctor , en de andere : C. V. B. heeten : Catharina van Bo

ra. De overige woorden luiden : Wat God zamen gevoegt


heeft, dat zal geen mench cheiden. In de Movis litterariis Ma- Luthe:
ris-Baltici, 17o4 van de pers gekomen, werd wel pag. 49 #
bekent gemaakt, dat de Heer D. Joh. Fred. Mayer te Gryps-"
walde, Luthers Hoogtyds-gechenken, van de Wittenbergche

Univeriteit heeft vereert bekomen, dog niet gemeld, hoe 't


hiermede is gelegen. Daarentegen konnen wy genoegzaam be- en ver
richt mededeelen van vercheide zilvere bekers en glazen, die cheids

Luther over tafel als anders heeft gebruikt, en alomme als eene"
byzondere rariteit bewaart werden.
In de Keurvortelyke Saxiche Werreldberoemde Kontkamer te
-

te Dresden is te zien eene zilvere vergulde beker, met een bre-Pressed


de voet, ontrent een halve Duitche maat houdende.

In 't

dekzel van binnen is eene medaille met Luthers beeldtenis, en


daaronder 't iaargetal 1537 en 't omchrift : DOctor. MA R
TINUS LUTHE R. AETAT IS SUAE. 55. IN SI

L ENTIO. ET. SPE ERIT FORTITUDO. VES


TRA. Dat is : Doctor Martyn Luther, oud 55. iaar. In

tilheid en in hope zal uwe terkte zyn. Buiten op de knop is


getoken een crucifix, voor 't welk Jonas op den zeeoever
knielt en bid , het kruis teekt in 't hoofd van den Walvich ,
met dit omchrift : IN EUM SPERA VERE SEM PER.

Dat is : Hope op hem altyd waarachtig, waarvan de eerte let


ters den naam van Jeus uitmaken.

Het laat zich chier aan

zien, gelyk de Heer Tentzel niet zonder chyn van reden


meent, dat deze beker door Jutus Jonas aan Luther vereert zy,

alster gedachtenis van Luthers 1537. te Smalkalden, Tambach en


Gota gelukkig overwonne heftige teenziekte. Doordien nu deze
k vindingLuther aangenaam is gew
kan men chier niet

e:ee
w-

"#
en

162

D E G O U DE EN ZI L V E RE

len, of dezelve is op't revers van den gedenkpenning, dien wy heb


ben voorgetelt, behouden, hoewel in 't groot na maate van

denpenning, terwyl ze op den beker in 't klein is, op de wyze


van den zegelring, dien Jutus Jonas pleegde te dragen. En
uit alle omtandigheden blykt, dat dit dezelve beker is, dien

wylen D. Abraham Calovius, Profeor in de Godgeleertheid


te Wittenberg, aan Johan George 1 I, Keurvort van Saxen ,
onderdanigt heeft vereert, wanneer zyne Keurvortel Door

luchtigheid ten zynen huize pysde, gelyk een zeer geloofwaar


#HeiP dig man heeft willen verzekeren. Daarenboven heeft de Hoog

Edele Raad te Leipzig insgelyks eenen zilveren beker, eertyds

#n-

van Gutavus, Koning van Sweden, aan Luther vereert, zoo


als uit de zelfs opchrift blykt. Deze beker word voor zoo veel
ik weet, op 't raadhuis aldaar, bewaart. Eenen diergelyken
zilveren beker heeft ook D. Mayer te Grypswalde, zoo als in
de Atis litterariis Germaniae, Hamburg 17C3. pag. 255. word
gemeld. De erfgenamen van wylen den Profeor te Kiel in
Holtein, Daniel George Morhofis, zouden ook zodanigen be

waide
Te Kiel.

ker bezitten.

Ik kan hiervan naricht geven uit een en brief van

dien beroemden man, gedagtekent den 16 November 1685.,


waarvan ik 't afchrift heb.

De Heer van Seckendorf had hem

een pokaal vereert, waarvoor hy onder anderen met deze woor


den dankte : Jungam tuo poculo illialterum, qui e Beati Luthe
,, ri manu per maiores meos ad me pervenit, Scyphum argen
,,teum ; quo ille in mena uti conueverat; ut utriuque Chri
,, tianiimi purioris Vindicis vel in illis ad nepotes meos me
,, moria perduret, & vel inter crateres gemini hi quai Hercu
Te Dres. les overgarage, celebrentur. Voor 't overige heeft de ge
# weze Superintendent van Torgau, D. Tunzelius, uit de nala
tenchap van D. Luthers Weduwe van hare vrienden beko
men, eenige tukken, daaronder haar tafelkan, met zilver be
lag, en Luthers wapen op 't dekzel ; midsgaders een zilvere

lepel, en een zilver verguld bekertie ; die iegenswoordig alle


te Dresden by den Keur Saxichen Hofprediker aldaar, Heer
Johan Andreas Gleichen, te zien zyn.

Van 't op eene quaadaardige wyze verzonne Catechismus

denega- glas, waarmede D. Luther zyne gaten zou hebben onthaalt,


"

is boven S. 5o te lezen , zie hiervan wyders D. Joh. Conrad


Dannhauwer, Memoria Thaumaiandri Lutheri, alsmede zyne ,

pag85. Alethea ancta ui Vindex, alwaar hy deze fabel tegen Grete


P"8 * rus en anderen wederlegt. Aan de andere kant wylen D. Wil
Te wit- lem Leyer, JCtus te Wittenberg, heeft een oud glas, met va

" te verwen gechildert, gehad, van Luther, dat zyn zwager,


Luthers voor-kleinzoon, de Stigts-Raad te Wurtzen, Johan
TeAlten. Chritoffel Luther, hem had vereert. Diergelyk een glas heeft

"

de vermaarde vortelyke Lyfarts te Altenburg, wylen D. Ga


briel Clauder, van den Superintendent van Delitch, dicht by .
Mereburg, ontfangen, 't welk D. Luther in den iare 1544.
George Spalatinus, als hy by hem ten eeten was, met wyn toe
dronk, en deze veren daarby voegde:

It hoe ex vitro vitreus bibitipe Lutherus,


-

Hopes upremumtum, Spalatine, tuus.

at is !

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER:

16;

Dat is:

Uit het glas drinkt het glas nu Lutherus ter dezer tonde
Als by zynen Spalatyn hy zich het laatte maal bevonde.

Zoo als de overzetting van den Heer M. Paul Martyn Sa


gittarius, Prediker te Altenburg, midsgaders de chets in een

houte plaat, werd aangehaalt in Heer Slegels Vita Spalatini. Pg 137


In de Boekery van de Hoogedele Magitraat te Nurenberg is 't
-

T-

Te N

glas, dat Lutherus aan D. jonas te Halle in de Herberg 't Ver- #


gulde lot, achtervolgens 't bericht van D. Gottfried Olearius
Halygraphia auta & continuata, vereert heeft , op 't zelve pag. 57
ziet men de afbeeltzels van hen beide gechildert, nevens deze
Lateinche en Duitche verzen:

Dat vitrum vitreo Jonae vitrum ipe Lutherus,


Ut vitro fragili imilem e nocat uterque. . . .

"
.

Den Ouden Doctor Jonas

Brengt Doctor Luther een choon glas,


Dat leert hen alle beide fyn,
Datze broze glazen zyn.

Zie D. Joh. Chritoffel Wageneil, Commentarium de Civi- pag. 82.


tate Moribergent, die terzelver tyd Luther iegens zyne vyan
den met vele goede gronden verdedigt. Ik zelf heb het

in handen gehad, en door naauwkeurig bezichtigen ben ik van

gevoelen geweet, dat de door langheid van tyd afgewrevever


wen, weder op nieuw waren gelegt, als ik in den liare 1698.

door toedoen van den Hoogeerwaardigen Heer Johan Conraad

Feuerlein, Patoor ter St. Aegidius kerk, en Hoogaanzienlyke


Inpector van t aldaar nieuw opgerecht School, de eer had,

deze treffelyke Boekery te zien, deze Heer verhaalde terzel


ver tyd, dat zeker Jeuit eens 't glas had laten vallen, veellicht

#
voordacht, dog zoo gelukkig, dat het onbechadigt
was
ebleven.
- - - -

g In bovengemelde Mova
litteraria van de maand van Novem

ber word gewag gemaakt van een treffelyken kritallynen beker #"
met een hogen dekzel, met goud en zilver zeer

##

Deze beker heeft D. Luther aan zynen vriend, Wilhelmus Ne-, burg
17o3' P
enus, Profeor in 't Collegium trilinguum te Leuven, en we- #..

gens de Religie na Wittenberg gevlucht, vereert. Dezelve


werd als nog van de Neeniche familie te Zittau in de Lauits,
bewaart, en in erfdelingen altyd den oudten voor 6o
Duitche
I
-

- - -

- T" -

daalders overgelaten. Deze Neenus, van wien wy boven on-

H - ,"er
-

's

der de geleerde mannen, die ten tyde van Luther hebben ge

leeft, gewag hebben gemaakt, is in deniare 1524 op eene on


#
wyze in de Elve verongelukt, als hy zich met een
chuitie wilde laten overzetten.

- - -

Nog is er een fraai tuk, te weten Luthers zilvere tafel lepel, Lelie,
Dreden kan gezien werden. Van buiten taat op 't breedte #e

die by den bovengemelden Heer Hofprediker Gleichen te tafel te


2,

van

164
D E G OU DE EN ZILVER E
van den teel Luthers naam in cyffer midsgaders 'tiaargetal van
I54o.

a D V L 154o.
Van binnen taan deze woorden: Da gloriam Deo. Geef
Gode de eere; met twee patien, by na als een 3. uitziende ,
zoo als de zilvermids toenmaals tuchen de woorden pleegden
te zetten. In de Keurvortelyke kuntkamer te Dresden werd

insgelyks eenen zilveren lepel getoont, met een korten teel,


- die in drie akers eindigt, en van binnen ziet men de letters van

Hamburg den naam : M, L, D. zoo als de Mova litteraria, midsgaders


17: * de Heer Tentzel bekrachtigen ; welke laatte insgelyks meld ,

##7 dat in de gemelde kuntkamer D. Martyn Luthers Huisgeweer,


#sr. zoo als 't op een byzonder briefie bechreven werd, aan te tref

Luther, fen zy, 't is een goede brede degen met eenen yzeren beugel en
huis-wa- greep van bruin hout, buiten aan de chede heeft na de wyze

# dier tyden, een mes en een vork midsgaders een taal getoken.
Ondertuchen twyfelt men, of dit wel de degen zy, die Lu

ther gedurende zyn verblyf op Wartburg en by zyne terug


komt te Wittenberg heeft gedragen, om dat de chets, die wy
boven daarvan hebben gegeven, met deze bechryving niet
overeenkomt.
1 -

3 s s A -

-;;;; * A - ;

E,

- - -

v r , go, 't

?.

S. 57.

. !

- - -

't fraaite echter en treffelykte van alles, wat Luther heeft

## nagelaten, zyn zonder twyffel zyne onvergelykelyke chriften,


welke verchei.

e malen en laattelyk te Altenburg in negen De

len in f: io Zyn y malkanderen gedrukt, van welke chriften,


--

zoo wel # die by de Geleerden


# werden geacht, Rudolf Augutus,

Hertog van Bronswyk, een Heerlyke voorraad verzamelt, en


kort voor zynen dood aan de Univeriteit Helmted vereert

# heeft. Onder deze chriften behoort ook Luthers volle over


# zetting der ganche Heilige Schrift van 't Oude en Nieuwe
Tetament in de Duitche tale. Van welken onwaardeerbaren

, arbeid Maurits, Keurvort van Saxen, pleegde te zeggen : De

foln

Univeriteit Wittenberg zal met mynen wille niet te niet gaan,

no,

want ze is de koten alleen waardig, om dat de Duitche Bybe

- aldaar uitgewrocht is. Zie Heer Muller, Saxiche Annales;


* * * waarby zekerlyk als een teken van Gods wonderbare voorzie
nigheid is te achten, datze den 26. September 17o1, wanneer

werd te de Markgraaflyke Brandenburg-Bayreutche Stad Mnchberg


## van den Heer Hendrik Arnold Stockfleth,

Mnch- afbrande, ten

# Hoogverdiende Kerkenraad, Generaal Superintendent, Patoor


houden en Speciale-Superintendent van Mnchberg, niet door de vlam

wierd verteert, zynde zyn handbybeltie van de Luneburg


Sterniche druk 1647.; 't welk ook gechiede ontrent eenen
groten Weymarchen of Nurenbergchen Bybel ten huize van
den Diaken aldaar, choon ze reeds midden in de vlam had
- -

# en zyne treffelyke boekery zoo als ook die van den


bovengemelden Heer Stockfleths, nevens 'al 't huisraad in

31

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. 1ss


ache was gelegt, zoo als de toenmalige Aartsdiaken te Plauen,
iegenswoordig echter welverdiende Superintendent van Weyda,
in Voigtland gelegen, Heer M. Chritiaan Feutel, in eene ge
leerde Lateinche brief aan den Heer Stockfleth, 17o1 te Hoff

gedrukt, en drie bladen in 8. belaande, omtandig bericht


daarvan mededeelt.

Voor 't overige heeft myn geweze Leermeeter en vermaar- #


de Rector ter Schole te Zwickau, wylen Chritiaan Daumius,

andby
#

eenige blaadiens der Duitche Bybel-overzetting, met Luthers M#


hand gechreven, gehad, die nu zonder twyfel nevens andere "ipten:

Manucripten, in de Boekery van den Raad van Zwickau, #"


overlang wegens Manucripten vermaard, zullen gebragt zyn.

Men zegt ook, dat de Heer D. Mayer te Grypswalde, onder recryps.


andere Manucripten van Luther, het zete Hoofdtuk van den walde.
Profeet Hoea, met Luthers eige hand overgezet en gechreven,
bezitte. Johannes, Keurvort van Saxen, heeft op een byzon- Te Nu

der chryftafeltie Luthers predikingen eigenhandig nagechre- ".


ven, 't welk iegenswoordig in de bovengemelde Boekery van
Nurenberg werd bewaart , zoo als ik zelf heb gezien. Daaren

boven kan ik uit Manlius Collettanea melden, dat Philippus Me-pagm.


lanchton dezen godvruchtigen yver van den Keurvort Johannes ***

dikwyls heeft geprezen, en gezegt, hy zy een rechtchape vro


me lieve Heer geweet, had veel predikingen gehoort, en niet

minder op byzondere chryftafeltiens opgetekent, en voorts al

les opgelet, wat hy van Luther merkwaardig had gehoort, en


in grote leesbaare letters gemaalt, zoo als de eigentlyke woor
den aldaar luiden. In welk tuk Leonard, Hertog van Saxen
Meinigen, dien godvruchtigen Keurvort navolgt, om dat hy

alle predikingen op 't zorgvuldigte nachryft, gelyk de in zy

me zeer fraaie Boekery te Meiningen, voorhanden

redikboeken als zoo vele onterflyke getuigenien vertrekken. #ve


e Hand-bybel echter van Luther, waarin hy veel heeft gete

kent, legt iegenswoordig in de werreldberoemde Boekery te


Wenen, zoo als Edouard Brown in zyne Reisbechryving be pagsar.
richt.
De gene dieBoekery
te Romeeenen
zyn ##
men Te Ro
in de Vatikaanche
Bybel van Luther w at
##
IIMC,

welkers enden hy de volgende verzen zou hebben gechreven:


t

O! God door uwe goedheid , i

. "

gecheer #ederen na behoeftigheid

- ",

Ook mantels en rokken,


*
Vette kalveren
Oen,
chapen en
en bokken,
runderen, . . .

| |

Vele wyven, weinig kinderen. "


-

| | |

::_'

'e.' J

Slechte pyze en dranki


-

Maken
iaar-lank.
- . iemand
. . . . . .'t. . ::
1. . . . . -.-'

: :

||
r

r.

27.

'
5

f 7,-

. , , tot

' - - - - -- - -1: PA - - - -

,
-

, JJT

- T:

Wie is echter zoo eenvoudig, dat hy zou de geloven, dat

Luther zulke onvoeglyke laffe rymties in eenen Bybel zou heb."


ben gechreven, 't zy iemand der domme Italianen, die zich
-

2 - 2

W. 3

: 0' -

' ' - van

166

DE GO U DE EN Z I L V E R E

van hare geetelykheid hadden laten diets maken, de Luthera


nen droegen hunne aangezichten niet van voren, zoo als ande
re menchen, maar van achteren, zoo als die van Utopien.
T.n, pag. Maximiliaan Mion zegt zyne gedachten in zyne Reisbechry

33 34

ving na Italie, van dit heiloos gebedeke en manucript, in vol


ende ganch vernuftige woorden : Men heeft my de Duitche
'ybel laten zien, waarvan gy, myn Heer, melding maakt , men
geeft voor, Luther hebbe dezelve overgezet, en met zyne eige
handgechreven, dog zonder eenige waarchynlykheid, voornaam
lyk wegens 't ongereimt ebcdeke aan 't einde van denzelven, 't

welk my echter voorkomt dezelve hand te zyn, waarmede 't gan

che boek gechreven is. Gy zult echter deze verzen lezende, zelf
moeten bekennen, dat men hiermede D. Luther uit enkelden nyd,
als eenen loen knevel heeft willen uitchilderen.

Van deze rymties maakt ook gewag de Hoogberoemde Heer


D. Johan Fabricius, geweze Profeor in de Godgeleertheid te
Altenburg, nu echter te Helmted, in zyne zeer geleerde in

pag. 4o trede-oratie, die hy te Altendorf de Utilitate, quam tudious


Theologie ex itinere Italico capere potet gehouden heeft, hoe

4I

wel met weinig ondercheid van 't afchrift van Mion.

r- pre.
den.

De Hebreeuwche Hand-Bybel, waarvan Lutherus zich nog


in den iare 1545 heeft bedient, en waarin hy zoo wel voor als
achter allerhande aantekeningen heeft gemaakt, bezit de Heer

Hofprediker Gleich te Dresden, en acht ze hoger dan hondert


pecie daalders, die hem daarvoor geboden zyn, zoo als in de
Mova litteraria werd verzekert.

TeGo- . Onder andere rariteiten der Vortelyke Boekery te Gotha,

"

heb ik een zeer cierlyk Manucript van 't Nieuwe Tetament


op perkement, in quarto gezien, waarin de eerte letters van
den text, midsgaders de op de kant taande Canones Eueb. of

Harmonia Evangelitarum, verguld zyn. ' Dat echter Luther


dit boek gebruikt heeft, blykt uit de woorden, die op 't ein
de van 't zelve taan , dezelve luiden aldus : Anno 152.1 finivit

F. Martinus Lutherus hunc librum. Dat is : In den iare 1521.


heeft Broeder Martinus Lutherus dit boek ten einde gebragt.

Op 't Stadhuys te Halle in Saxen is een exemplaar van den


Bybel, waarin Luther veel met zyne hand heeft gechreven,
en in dezelve legt ter eeuwige gedachtenis, 't origineel van

eenen brief, dien D. Luther 1545. aan den Hoogedelen Raad


aldaar, donderdag na 't feet van Johannes den Doper, heeft

, is gechreven ; Zie een omtandig bericht daarvan by wylen D.


# Olearius, Haligraphia continuata, en by M. Martyn Rber ,
#e
Patoor ter St. Ulrichs-kerk te
Halle, Jubelprediking,
1017.
t -- - - - --

Tegank-

- - --

---

In de Boekery van den Hoogedelen Raad van Frankfort,

fort aan legt niet alleen een diergelyke originele brief van Luther, aan
denMayn Leonardus Kayer, waarvan de Overzetting in Luthers Schrif
ten is te vinden, midsgaders eene uitvoerlyke Hitorie van den
marteldood van dezen Leonhardus, die om 't Evangelie in Ba
yeren is verbrand, op 't einde van welke Hitorie Luther meld,

dat hy dezen brief, dien hy aan hem in 't gevankenis had ge


zonden, weder bekomen had, invoegen aan de echtheid van 't

origineel niet is te twyfelen, maar ook een Hebreeuwch #


OCK 2

-----

E ER GEDACHT ENIS VAN LUTHER.

167

boek, 't welk Luther gebruikt en met aantekeningen verciert


heeft ; 't is 1516 met de beknopte Hebreeuwche praakkunt
van Wolfgang Faber, Profeor in de Gcdgeleertheid, te Bael
gedrukt. Op 't eerte blad van dit boek taat gechreven : R.
Patri D. Martino Jo. Langus. Dat is : Johannes Langus ver
eert den eerwaardigen Vader, D. Martinus, dit boek. En dit
is dezelve Langus te Erfurth, aan wien D. Luther zoo veel

brieven en andere zaken heeft gechreven. Verder vind men

op 't eerte blad deze woorden: Dit Hebreeuwch Palmboek is


van Doctor Martinus, welkers Manus (hand) oop eenige bladen
hierin is te vinden; de gemelde D. Luther heeft 't zelve vereert
aan D. Tilemannus Schnabelius, van wien myn vader, M. Ju
tus Vietor, Farheer te Asfeld, zyn opvolger, het heeft beko
27/6/7.

Jeremias Vietor.

Zie Heer Tentzel curieue Bibliotheek , 1704, die ook be- pagare,
richt, dat in de Univeriteits-Boekery te Jena eene Bybel zy, 457.38s.

waarin Lutherus veel gechreven hebbe, waarvan hy ook om- "J"


tandig melding doet in zyne Maandelykche Zamenpraken

1698 pag. 5 o7 ; verder zegt hy in zyne Bibliotheek, dat hy zelf 17o4.


onlangs een Manucript van een voornaam Godgeleerde had #g,9s.

bekomen, waarin onder vele Zendbrieven en andere aanmer. #"


kingen, ook Luthers Praelectiones in primam Johannis Epito
lam , nog ongedrukt, onthouden waren. En ik erinnere my,
in den iare 1695 te hebben gezien in de Boekery van wylen
den Stadprediker te Dresden, M. Johan Hendrik Kuhn , ver
cheide brieven van Luther aan Melanchton , midsgaders Lu
thers Lateinche Tafelreden, en twee Delen van allerhande

Paquillen, te Rome ten tyde van Luther gemaakt, en op 't


beeld van Paquin geplakt, alles in manucript.
Van 't Hebreeuwche Palmboek, door Frobenius uitgege Te Dant:
ven, 't welk Lutherus veel heeft gebruikt, chryft Heer Ga- zig.
briel Groddeck, myn waarde vriend en Prof. Publ in 't School
te Dantzig, in eenen brief aan den Heer D. Gts te Lubek,
die in de Nova litteraria Maris Balthici van woord tot woord

is te lezen, dat dezelve eene zonderlinge cieraad der Boekery

van den Hoogedelen Raad van Dantzig zy. Voor in heeft


Philippus Melanchton iets gechreven, en achter in deze woor
den : UAnno 1518. abolvit me D. Staupitius ab obedientia ordi
mis & reliquit Deo oli UAuguta. Anno 1519, excommunicavit
me Papa Leo ab Eccleia ua. Et ic ecundo ab ordine abolutus

um. Anno 1521. excommunicavit me Caear Karolus ex imperio


uo. Et ic tertio um abolutus. Dat is: In den iare 1518. heeft
'Doctor Staupits my ontheft van de gehoorzaamheid van mynen or
den, en my te LAugsburg aan God alleen bevolen. In den iare
15 19. heeft de Paus Leo my uit zyne kerk getoten, en aldus ben
ik ten twedenmale van den orden vry geproken. In den iare 1521.
heeft de Keizer Karel my uit zyn ryk gebannen, en aldus ben ik ten
derdenmale daarvan ontlagen. Op het titelblad taat : Anno
1483. natus ego. Dat is : In den iare 1483. ben ik geboren , en

op de andere zyde van 't zelve : Arundinem quaatan non


confringet, & lumen fumigans non extinguet Je.

xLild,
er

168

DE G o U DE

EN

Z I L VE RE

Het gekrookte riet en zal by niet verbreken, ende de rokende vlas


wieke, die en zal hy niet uitbluchen.

#.
g# #

Nevens 't vrygelei en de citatie-brief, in den iare 1521. aan


Luther gezonden, vind men nog andere manucripten van Lu

"ui en ther, die te Konigsbergen in Pruien in de Wallendrodche


Boekery bewaart werden. Heer Docter Gottfried Wegner,
Hoogberoemde Prof in de Godgeleertheid aldaar, bericht in
zyne bovenaangehaalde Diertatie aldus, welkers Lateinche
woorden wy zullen overzetten : ,, Het vrygelei en andere
,, mancripten en boeken van Luther, die hier bewaart wer

,, den, zyn deszelfs dochtersman, den welgeboren Heer Geor


,, ge van Cunheim, Edelman uit Pruien, die met Margare
,, tha, derde dochter van Luther, getrouwt is geweet, te
,, beurt gevallen ; na deszelfs dood echter heeft de welgebore

,, Heer Martin van Wallenrod, Kanzelier, 't vrygelei gekre


gen, die als een zeer geleert Heer van voornemen was, eene
Boekery ten gemenen bete op te rechten, ten zy dezelve
nevens zyne eige ongelukkig was verbrand. Doordien hy
echter by dit voornemen is gebleven, heeft hy de uitvoer
daarvan aan zynen zoon overgelaten , den welgeboren
Heer Martin van Wallenrod, Landhofmeeter in Pruien,
,, die ze derhalven iegenswoordig met grote koten in de
, Kneiphofiche kerk heeft opgerecht, en iegenswoordig draagt
, de welgebore Heer Chritoffel van Wallenrod, Land. Maar

,
,,
,,
,,
2,
,,

, chalk, kleinzoon van den Kanzelier, voor dezelve alle mo

, gelyke zorg. Uit deze Boekery nu delen wy den Lezer het


,, vrygelei mede, enz.

Voor 't overige dat zyne Hoogwaardigheid, de Keurvorte

lyke Saxiche Opper-Hof-Prediker te Dresden, de Heer D.


Samuel Benedictus Carpzovius, Luthers Tetament in 't origi
neel bezitte, zulks hebben wy reeds boven aangetoont. Mid

lerwyl heeft de Heer D. Joh Francicus Buddaeus, iegens


woordig Hoogverdiende Prof. Theol. te Jena, als hy nog te

Halle was, een afzonderlyk Deel der tot nu meet ongedrukte


brieven van Luther by malkanderen laten drukken, van dewel
ke vele by den meergemelden Heer Hofprediker Gleich te

#Am Dresden, midsgaders by den Heer D. Mayer te Grypswalde,


"

en by den Heer Chritiaan Schlegel, Hooggraaflyke Swartburg

che Bibliothecarius en Antiquarius te Arntad, zyn aan te tref.

fen. ,, Eenige heeft ook de Hooggeleerde Heer D. Valentyn


Ernt Lcher, Superinrendent van Dlitch, in

Zyne zooge

naamde onchuldige narichten, midsgaders Theologiche oude en


nieuwe tot groot vergenoegen en voordeel van den Lezer, in 't

licht gegeven. Wie echter nog meer brieven van Luther wil
de verzamelen, dien konden aan de hand gaan, de Hoogwaar

dige Abt van Marienthal en Hoogberoemde Profeor in de


TeHelm. Godgeleertheid te Helmted, Heer D Johan Andreas Schmidt,
"

midsgaders de Heer D. Jacob Spizelius, Hoogverdiende Predi


ker te Augsburg, gelyk mede de vermaarde Hitorie-kenner en
Arts te Nurenberg, Heer D. Gottfried Thomaius, die behal

ven vercheide Boekdelen van Luthers, en Melanchtons brie

ven, ook de Ditta & Fatta Lutherialiorum, alsmede de Excerp

ta ex ore Lutheri, Melanchtonis, &c in manucripten bezit, al


les

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

169

les na 't getuigenis van den Heer Rudolf Martin Meelfuhrer Li


centiaat in de Godgeleertheid, in zyne curieue Accetones

ad Theodori Janonii ab Almeloveen Bibliothecam promiam &


latentem.

Want de gene, die de

# Koninglyke Pruii

che Raad en JCtus te Halle, Heer Doctor Chritianus Thoma


ius bezit, en in 't naamregiter der Schriften van wylen zynen
vader, Jacobus Thomaius, 't welk by deszelfs Origines Hito

Te Halle.

rtie Philoophicae, Halla 1699 in 8. gevoegt is, gereceneert zyn,

pag.

heeft de Heer D. Buddaeus naar allen vermoeden reeds ontfan

232

gen en in 't licht gegeven.

231

Behalven de vele andere gechrevene actens, welke in de ge


mene en afzonderlyke archive der doorluchtigte Heren Herto
gen van Saxen, van de Ernetiniche linie, te Weimar be Te wey
waart, en van den Heer van Seckendorff in 't eene regiter tot mr.

zyne Hitorie van 't Lutherdom, genoemt werden, mag men


hierby voegen de vercheide brieven van Luther, die in de

Hoogvortelyke Boekery te Gotha worden gevonden, in een


afzonderlyk boek, dat voor titel voert : Faciculus variarum
litterarum Principum & Lutheri, welker titels en inhoud wy

Te Go
tha.

ook hebben aangeroert', in de Lateinche uitgave van dit


Werk.

Aldus zyn ook in de Bibliotheca Gutteliana of S. Andreana te


Eisleben, rare autographa van Luther en zyne medearbeiders.
Zie Heer Tentzel curieue Bibliotheek, 17 o4. En in de Stigts

TeQued

boekery te Quedlinburg heeft een zekere vriend een originelen linburg:


brief van Luther aan Spalatinus gelezen, met dit koddig nachrift:
Salutat te Dominus meus Ketha.

). 58.

Wat van de tekenen van 't vergiftigde en gepronge wynglas,


dat Luther 152 1. wierd overgegeven, in een bank te Worms
te zien zy, hebben wy S. 25. reeds gemeld, ondertuchen
zal 't my geoorloft zyn, uit de meergemelde zoogenaamde on

derchepte brieven, de derde Ravage pag. 848. van Luthers Bron


by Wittenberg, nog iets te melden. Om 't iaar 1521. heeft

Luther denzelven zelf aangelegt, om zich zomtyds met zy


ne amptgenoten derwaards te begeven, als zynde de plaats

zeer eenzaam en lutig, en eenige zaken t'overleggen, of over


gewichtige dingen in 't geheim met dezelve te preken. Deze

bron is voor de Elter poort, en ongemeen aangenaam. Van


vooren ziet men uit 't verwulfzel den treffelyken Elvetroom,
zoo als dezelve op een behoorlyke wyze teigert en valt. Van
achteren heeft hy eenen effen zandheuvel, waarop men verche
lucht kan cheppen. Ter linker zyde ziet men niet zonder ver
genoegen op een dicht boomryk boch, terwyl men aan de
rechterhand verlutigt werd met gezicht op de tad Witten
berg, met hare chone torens en hoge huizen. Van de tad is
voortyds beneden aan de zoogenaamde Schietgragt, een rech
te weg na Luthers bron geweet, met linde-en eikebomen aan

weerszyden beplant, zoo als uit de overblyfzels te zien is. Maar


dezen aangenamen wandelweg heeft de Elve van iaar tot iaar
Ver

17o,

D E G o U DE EN Z, I L VER E

verlonden, zoo dat men zich denzelven naauwelyks meer kan

verbeelden. Of een groot en een klein huis by dien bron heb

ben getaan, daaraan werd, voor zoo veel 't eerte aanbelangt,
billyk getwyfelt. Midlerwyl beklaagt de opteller van dit ver
haal, dat men den gemelden bron niet na behoren heeft onder
houden, en beluit met een epigramma op denzelven, dat uit
vier ditichen betaat, en 't lot zyn van 't epigramma, dat Lu

ther zelf gemaakt heeft, en ik hiermede ganch wil mededeelen,


uit 't 17oo. te Witttenberg in 4to. hoewel zeer gebrekkig ge
drukt tractaatie, genaamt: Philippi Melanchtonts de Vita &
, Attis Reverendiimi Viri D. Martini Luthert, Commentatio ,
adiectum et Epigramma de Fonte Lutheri ab ipe confettum. Daar

taat pag. 46. 't volgende ; D. Martini Luthert, de Fonte Mon


tis Teichelit (Teichelberg) ad Wittebergam, cujus aque in oppi
dum duttae unt, A. C. 15.44: Epigramma, aliquot pot ejus obi
tum annis primum ex ipius CManucripto edito, nunc autem obra

ritatem denuo producium, cura G. L. N. H... Daarop volgt pag.


47. het epigramma, als of de bron zelfs prak:
Qui mare, qui fontes, qui flumina cuntia creavit,
'Me quoque iuit, aquae particulam ee ite.
Corpore um parvo, catebris exilibus ortus,
Magni me ed opus glorior ee Dei.
Negligor incultus, diperis undique venis,
Et quallere inor, per loca faeda, luto.
Rutica, more fuo, me permunt, turba, coloni,
Fons, quibus haud dignus, qui colar, e/6e putor.
Foran,
meliortbus urbibus eem,

#propior

Fontibus urbanis cultior ipe forem.


Non movet agretis tamen, hec iniuria vu gi,

'Dimoveor nullis a bonitate malis.

Servo meas undas puras, niti das que Minitro,


Gratis, ingratis, omnibus aequus agor.
Servio namque Deo largo, pincerna benignus,
. Gratuito munus largior inde meum.
Non moror, argenti nihil, aut habeas nihil auri,
Hauturus gratis, dives inopque, veni.
Sie Deus ingrato dedit, & facut , omnia mundo,
Cujus ad exemplum me iuvat ee bonum.
Dat is:

,, God die de zee, rivieren en beken heeft gechapen, heeft


my insgelyks geheten, een klein gedeelte van zyn water te

, zyn. En choon myn oirprong ganch klein is, zoo ben ik


, als een Werk van den groten God geacht. Men kykt niet
, na my om, myn water in vercheide aderen verdeelt, loopt

,, langs morige vuile plaatzen, de boeren verachten my na


hare wyze, en achten het der moeite niet waardig, om my
, te koeteren, veellicht als ik wat dichter by beter teden lag,
zoo zou er zekerlyk wat meer zorg voor my worden gedra

, gen. Dog wat kreun ik my de boeren, door deze algeme


2, ne vermading verlies ik niets van myne deugdzaamheid.
,, Dankbare en ondankbare ta ik met myne heldere kil #
-

diente,

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER.

171

,, diente, en cheer hen beide over eenen kam, want door


, dien myn Schepper my dus overvloedig laat voorttromen,
,, zoo geef ik myn water ook aan een ieder voor niet met al.

,, Vertoeft niet, die gy geen zilver of goud hebt, gy behoeft


,,
,
,
,,

hier geen dort te lyden. Komt ryken, komt behoeftigen,


en leert aan my de goedertierenheid Gods, dien wyl hy de
node werreld alles gegeven heeft en voor dezelve nog alles
doet wy den mildadigen vader moeten noemen.
:

Voor 't overige verhaalt de oude Wittenbergche Schryver,


Balthaar Mencius, dat als Lutherus het vierde Hoofdtuk van

Johannis van Jacobs bron (fonteine) in goed Duitch wilde over


zetten, hy met Melanchton, Crucigerus, Aurigallus en eeni
ge vertandige borgers en Handwerksluiden, dikwyls van Wit
tenberg na zyne fonteine buiten de Elter-poort was gegaan ,
en aldaar ter gelegenheid van de levendige pring aan de Elve,
van de fonteine Jacobs recht duidelyk en eenvoudig gechreven
had.

S. 59.

Nu willen wy overgaan tot 't verhaal van de zaken, die na vervolg


Luthers dood zyn voorgevallen, te meer om dat zulks tot het #
vertaan van de nog voor te tellende Jubelpenningen zeer nood- dood.

zaaklyk is. Ik zal zulks echter zoo beknopt als mogelyk, in 't
werk tellen, om dat myn voornemen iegenswoordig niet is om
eene volledige Hitorie te chryven.
S. 6o.

Onder anderen dat Luther iuit op den dag van Concordia of


Eendracht, is geturven, moet men niet denken, dat zulks by

geval is gechied, maar veel meer geloven, dat zyn overlyden

op den dag van dezen bedenkelyken naam, door Godes toela


ting, op de gevolgde verbreking van de politiche eenigheid en
uiterlyke vrede gezien heeft. Zeker is, dat velen hebben ge
hoopt, dat de rut na Luthers dood hertelt zoude werden, te
meer wylze van gedachten waren, dat men om zynent wille
met de Papiten tot geen vergelyk konde komen. Hoe blind
echter de werreldlingen zyn, in 't betrachten van toekomende

dingen, zulks blykt met den uitgang, aangezien zoo dra Lu


therus de oogen heeft geloten, 't onweer, tot nu lechts van

verre had gehangen, zoo voort als door eenen heftigen wind
voortgedreven, zeer chielyk met groot geweld quam opzetten,
voornaamlyk vermids ook tot alle ongeluk, om dienzelven tyd
de beide vreedzame Keurvorten van 't Ryk , Albertus van
Ments, en Lodewyk van de Palts, het tydelyke met 't eeuwi

ge verwielden. Wat hiervan zy, deze dierbare Vorten heb


ben, zoo veel mogelyk, belet, dat de terke invretende troom,

van binnelandche verdeeltheid by hun leven niet ganchelyk


quam meeter te werden.
S. 61.
In dit tydsgewricht wierd niet

# 't geprek te Regensburg bij"


3.

op-

17,

DE G o U DE EN ZI L VE RE

koge opgechort, maar eenen bedroefden aanvang tot eenen openba


E.
-

ren oorlog gemaakt, terwyl als naar gewoonte, beide partyen


bezig waren, om van de gerechtigheid van hunne zaken door

gechriften te laten oordelen. Johan Frederik, Keurvort van


Saxen, en Philip, Landgraaf van Heen, wierden van den
Keizer in den ban verklaart ; Maurits, Hertog van Saxen ,

choon de Evangeliche Religie toegedaan, koos de party van


den Keizer, tot groot voordeel van hem en zyne nakomelin

gen. De Smalkaldche Bondgenoten bragten een leger van by


na hondert duizent man op de been, maar deden weinig daar
mede, moetende by onbequaam weder na Thuringen en Minie
trekken, om dat de Hertog eenen chielyken inval in 't land van
den Keurvort had gedaan, waardoor 't meulende vuur alom
me n een lichte vlam gezet wierd.

Alhier behoort de penning, die in dezen iare 1546, gelagen is


Dezelve voert:

a Chritus avondmaal, wanneer hy met zyne Dicipels 't Pa


cha at, tekende Judas den verrader, een tuk in den mond,
met dit omchrift: DESIDERO. DE SIDE RAVI. HOC.
PAS CHA. MANDU CAR E. V OBIS CUM. ANTE.

QVam. moriar. LVcae. XII. ( beter XXII) Dat is : Ik heb


begrotelyks begeert dit Pacha met u te eeten, cer dat ik lyde
Luc. 12. of liever 22. Onder ziet men 't iaargetal van 1546.

b Het laatte oordeel Chritus zit op eenen regenboog boven


eene werreldkloot ; ter weerszyden van hem zweven twee En

gelen, en voor hem knielen twee Heiligen, beneden zyn eene


grote menigte zoo zalige als van den duivel in de opgepalkte
kaken der Helle gedreve menchen.

Rontom leet men : VI

GILATE. QUIA NESCITIS. QUA. HORA. DO


MINUS V EnTURUS. EST. QUARE. MAThaci. 24.
Dat is : Waakt, want gy en weet niet, in welke uure uwe Here
komen zal. Math. XXIV. (i).

A A N M ER K IN G.
(i) Op 't revers behoorde 't woord QUARE voor VIGILATE
te taan, om den zin duidelyker te maken. Van dezen Penning heb ik
als

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER.

173

alsnog twederhande tempels gezien; de eerte zyden komen alle wel over
een , dog de reveren verchelen, zoo als gemaklyk is te zien, want de

eerte tempel heeft de figuur van den iongten dag ganch anders afgebeelt,

de twede heeft in plaats van een Lateinch, een Duitch omchrift, 't welk
in den zin van de voorgaande ganch vercheelt ; het luid aldus : VOOR
DEZEN HEBBEN WE MET DIE GEDREVEN DEN
SPOT, WEL KE IEG EN SWOORDIG ZYN DE NAA
STEN BY GOD.

--

Nu wil ik iuit wel niet als eene onwederprekelyke waarheid betogen,


dat deze Medaille uitdrukkelyk op den toetand van 't iaar 1546 te trekken
zy , doordien 't zelve echter daar op taat, zoo acht ik, dat men 't oo

heeft gehad op de Evangeliche kerk, in dewelke vele van de Smalkald


che Bontgenoten toen rechte Judasbroeders waren, die 't zoo wel heime
lyk als opentlyk met den Keizer hielden, dewelke door deze Medaille als

werden gewaarchouwt, dat ze t'eeniger tyd aan den iongten dag daarvan
rekenchap zullen moeten geven.
S. 62.

In 't begin van den iare 1547. wierd de tad Leipzig van den De zelfs

Keurvort van Saxen belegert, en vinnig bechoten, maar niet beloop.


verovert , (k) waarna hy voor de Stad Rochlits rukte, en al- ****

daar Albrecht, Markgraaf van Brandenburg, die het met Mau


rits , Hertog van Saxen , en den Keizer hield , gevangen
kreeg ( l) Wanneer dan de keizer zoo men zegt, tegen Zy
X 3

DCI)

174

D E G o U DE EN ZI LV E RE

nen wil, op verzoek van den Hertog Maurits, met een terk

leger na Minie trok, verzelt van zynen. Heer broeder, Ko


ning Ferdinand. De vyanden van den Keurvort waren over
de komt van den Keizer niet weinig verblyd, om dat ze ge

loofden, dat hy als nu zoo wel de Evangeliche lere als de vry

heid bepalen zoude. Wat hiervan zy, de Keurvort de brug


over de Elve by de Stad Minie hebbende laten afbreken, oor
deelde zich of te veilig, of was te vreesachtig, of dit gevaar
lyk werk alleen niet betand, of 't welk wel waarchynlykt is,
Gods beluit had over hem en de kerk een zodanig ongeluk toe

gelaten , hy wierd van de vyandelyke arme, die by 't teedie


Muhlberg eene paagie door de Elve hadden gevonden, den
24 April 1547. op 't hoofd gelagen, en in de Lochauer het ,
toen hy bezig was, om na de veting. Wittenberg te vluchten,
waarmede hy echter door zwaarlyvigheid gepoed genoeg maak
te, (m) gequett en gevangen genomen.

A A N M ER KI N GE N.
(k). Van die belegering hadden de zoldaten van de bezetting van Her

tog Maurits te Leipzig, uit chimp gezongen :


Het heeft geen nood,

De Keurvort en George Reckerood


Zal ons de tad wel laten,
Ja laten.

Zoo als Heer M. Pfefferkorn in zyne Thuringche Merkwaardigheden meld.


levensbechryving van Maurits, Keurvort van
Saxen, die Arnold heeft opgetelt, en in handen van weetgierige perzo

tt 46, - (l) In de ongedrukte

nen en insgelyks in de myne is, werd gemeld, Markgraaf Albrecht heb


be zich door de te Rochlits wonende weduwe van Hertog Johannis, die

een zoon van George, Hertog van Saxen is geweet, in deze zaak laten
inwikkelen, wanneer hy eenigen tyd aan haar Hof, dat zeer lutig was,
meende door te brengen, maar wel ras aan den Keurvort verraden wierd.
(m) Deze Keurvort is een terk zwaarlyvig Heer geweet, gelyk dan
een van zyne tevels, waarin gemaklyk een matig groot kind plaats kan
hebben, te Madrid in Spanie, in de Koninglyke tuigkamer aldaar, be
pag. 954 waart werd. Zie Moncony Reysbechryving. Ik zelf heb diergelyken
bruinen leren tevel met grote verwondering in de Vortelyke Boekery
te Gotha gezien, waar door de waarheid van Monconys verhaal geloof
waardig bekragtigt word, zoo als Heer Tentzel in zyne Saxiche medaille

hitorie van de Ernetiniche Linie aanmeerkt: Maurits Willem, Hertog


P., I. Pg van Saxen Naumburg, heeft in zyn kabinet te Zeits, eene zienswaardige
184. 188. rariteit, zynde een zilvere zeer fraai verguld laguurwerk, aan welkers vier
hoeken van de kas vier Saxichen Keurvorten zeer net zyn getoken, be

nevens 't iaargetal van 1547. Johan Frederik heeft dit uurwerk in 't veld

gebruikt, is met zelve gevangen, heeft 't ook met zich na 't gevankenis
genomen, van daar weder na Weymar gebragt, en is aldaar tot na 't
overlyden van Hertog Willem den Groten gebleven, en by erfnis aan

hoogtgemelde zyne Hoogvortelyke Doorluchtigheid, door zyne vrouw


moeder, godvruchtigter gedachtenis, gekomen. " Ik hebbe de hoge ge
-

nade gehad, dat aanmerkenswaardig uurwerk zelf te zien, en uit dezelfs


hoogvortelyken mond de gewisheid van 't geene onderdanigt te verne
men, dat ik iegenswoordig meld.

Men

&

EER GEDACHTENIs vAN LUTHER. 17s


Men heeft dezen voor de Smalkaldche Bondgenoten zeer ongelukkigen
ramp, door eenen gedenkpenning vereeuwigt, waarop vertoont werd: "

u De afbeeldzels van Keizer Karel V. en van zynen Heer


broeder, Koning Ferdinand. Tuchen de middelte pilaar ziet
men bbven en beneden eenen Engel, die 't Catiliaanche en

Ootenrykche wapen houd, met het omchrift : LUM Ina.


ET. OR A. CAROLI. V. IMPERATORIS. GRE.

(Imperatoris Germanici.) FERDINANDUS. Dei. Gratia.

ROMANOrum. BOEmiae. HUNGariae. Z. (& caetera)


REX. Dat is : Dit zyn de oogen, en 't aangezicht van Karel
den vyfden , der Duitchen Keizer. Ferdinandus, van Godes
genade, Roomch, Boheemch en Ongarich Koning.
b Het tedeke Muhlberg, 't welk ten dele brand ; de rivier

de Elve troomt daar voorby, welke de vyandelyke ruiters


doorwaden, en aan de overzyde de Keurvortelyke troupen

lag leveren. Met deze woorden : CAPTIVITAS JOA


NIS. F R ID ER I C I. DUCIS. SAXONIAE. M. D.
XLVII. Dat is : De gevangenneming van Johan Frederik ,
Hiertog van Saxen. 1547. (n).
A A N M E R K I N G.

(b) Frederik Hortleder in zyn boek, genaamt: Redenen van den Duit
chen kryg, te Gotha 1645 gedrukt, haalt aan een TraStaatie van een Druk
kers knecht, genaamt Hans Bauman, van Rotenburg aan de Tauber van
eboorte, dienaar van den Hertog van Alba, aan den Raad van Rothen

T. I. fol.
57 1.

# van den 1 1 Mey 1547. 't welk dezen titel voert:

Ware en grondige
aanwyzing en bericht, op wat wyze, midsgaders wanneer, hoe en waar Her
tog johan Frederik, Keurvort van Saxen, is gevangen genomen , nevens eene
chets van eenen groten chonen gouden penning van den doorluchtigen hooggeboren
Vort, Heer Ernet, Hertog van Saxen, enz. voerende op de eene zyde de lag

by Muhlberg en op de andere de afbeeldzels van zyne Keizerlyke en Koninglyke


Maieteiten, iegenswoordig door my, Frederik Hortleder, tot dien ouden Bau

manchen druk gebragt. Deze penning, in hout geneden, taat f 574, op


dezelve wyze zoo als wy ze hebben medegedeelt. Zie ook Tentzels Saxi

che Medaille-hitorie, Eerte Deel van de Ernetiniche Linie.

pag. 171.

q.

176
p E G o U DE EN Z I L VER E
De twede penning, welke alhier behoort, is een vierkant
tukie, en eigentlyk gangbaar geld, gelyk 't dan dier tyd in 't
veld onder de zoldaten gangbaar was. Ondertuchen hebben

wy het wegens het revers alhier laten volgen. Het zelve


VOert:

* GEFAN GEN
N S IORGN
o9o
l

**

ls- - -1
t

1-1

a 't Keurvortelyke Saxiche wapen, met de letters H. H. F.


K; welke aldus te verklaren zyn : Hertog Hans Frederik Keur
,

vort , en 't iaargetal 1547.

### woorden :

IS GEVANG EN OP ST.

en

JoRis

DAG. (o).
* *

A A N M E R K IN G.

(o) Op deze zoort van geld, is anders de twede zyde of revers ganch
de woorden niet daarin gedrukt, maar gelagen.
an dit geld maakt ook gewag de Superintendent van Misnie, wylen D.
Matthias Zimmerman, in 't aanhangzel van zynen Florilegium, dog zoo

# en op deze zyn
Litt. F. 1,
e

#" op
dat 'thyzelve
eene :dubbelde
mislag't begaat,
want
hy zegt
alleen,
leze
den 28 April,
welk men
echter
niet niet
vind,
maarmen
hy ver
mengt 't gevangen nemen van den Keurvort Johan Frederik, met dat van
zynen zoon, Hertog Johan Frederik, in deniare 1567 eert voorgevallen,

midlerwyl is dit tukie geld, dat hy voorgeeft, te Dresden in 't kabinet


van den Heer Kretchmar gezien en nu bechreven te hebben, naderhand
in 't kabinet van den Heer D. Samuel Benedictus Carpzovius, Keurvorte

lyke Saxiche Opper-Hofprediker en Opperkenraad aldaar, gekomen,


van wien my eene chets is medegedeelt. Ondertuchen is 't opchrift
niet zonder mistating, om dat de Keurvort niet op St. Joris dag, zynde
den 23 April, maar den 24 van die zelve maand gevangen is. De giing
1. c, pag. van den Heer Tentzel komt my 'niet qualyk voor, die hierop uitkomt,
176. g dat deze woorden michien door eenen ouden bedienden van Hertog Geor

ge van Saxen, diergelyke veel toenmaals by Hertog Maurits tegen den


Keurvort waren, als uit wraak over den pik van den Keurvort op den

gemelden Hertog George, op dit tuk geld gezet zyn. Wat aanbelangt
de byzonderheden van 't gevangen nemen van den Keurvort, de Saxiche

en andere hitorie chryvers hebben die omtandig gemeld, ik zal echter


als ten overvloede nog iets hiertoe dientig, uit de boven aangehaalde Le

vensbechryvinge van Keurvort Maurits bybrengen:


,, Zoo dra de Keurvort dit vernam, zegt die Schryver, nam hy met al
-

,, zyn volk de vlucht, om dat 'er geen hope meer was, om de zege te

, behalen, en doordien hy wegens zyn groot en zwaar lichaam den wagen


, moet gebruiken, zoo kon hy 't gevaar niet ontgaan, maar wierd van
de
J

99

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 17%.


,, de

Ongaren, die op hunne nelle paarden de vluchtelingen naiaagden

,, achterhaalt, en zoo voort verzocht, om zich over te geven.

Dog ver

, mids hy zeer op dezelve was getoort, weigerde hy zulks, en verdedig


,

de zich zoo goed als hy kon. Een der Ongaren bragt hem een houw
toe in de linker koon ; midlerwyl quam een Edelman, genaamt Thilo,
van Trotte, boezemvriend van Hertog Maurits, dewelke de Ongaren
hene zond, en den Keurvort andermaal bad, om zich over te geven,

daarby voegende, dat de zaak nu zoo was gelegen, dat

# 'er onmoge

,, lyk af konde komen. Wanneer de Keurvort aan de praak hoorde, dat


,, hy een Duitcher was, vraagde hy na zynen naam , rukte, zyne ringen
, van de vingers, en zeide, ik wil uw gevange zyn , en ten teken van

, dien, behandig ik u deze myne ringen. De gemelde Edelman konde,


, den Keurvort niet tot Hertog Maurits brengen, om dat de menigte der
,, vyanden te groot om hem heen was. Hy ontmoette by geval den Her
, tog van Alba, die den Keurvort by den Keizer en den Koning Ferdi

,, nand, die toen iuit by malkanderen waren, bragt. Als de Keurvort


,, hen beide zag, viel hy op de knien, en bad ootmoedig, om een Vorte
,, lyk gevankenis: Daarop gaf de Keizer tot antwoord : Wy willen u een
,, gevankenis geven, zooals gy verdient hebt. De Koning Ferdinand ech
,, ter prak hem wat cherper toe, bechuldigde hem met de oorzaak van
,, dezen kryg, en bekeef hem, dat hy zich en zyne kinderen van alle ha
, ve en goed had willen beroven. Eindelyk wierd hy den Hertog van Al
,,ba in bewaring gegeven. Op den dag, dat dit treffen is voorgevallen,
,, is de Zon bloedrood geweet, invoegen de gene, welke zelfs op afgele
, ge plaatzen woonden, den uitlag van deze bataille voorzegt hebben.
,, Als ook de Keizer na de zege weder over de Elve voer, keek hy na de

,, Zon, en zeide: Ik heb wel den kryg gevoert, maar gy, o Here, hebt
,, den zege gegeven.
- - ' . .
.. .
.
Joh. Manlius bekragtigt dit wonder aan de Zon insgelyks, uit den mond
's

van Philippus Melanchton, in zyne Collettanea. Abraham Saur verhaalt p, re .


in den Hitorichen Calender by den 9. April, als iets merkwaardigs, dat ###
Melanchton dienzelven dag in den droom gemeent had, in eenen Griek
chen Schryver te lezen deze woorden : Daar zoude een godvruchtig man in
een waterlagt gevangen worden genomen ; Waarby 't getal 15- getaan had,

en als hy met zyne amptgenoten had onderzocht, wat tog deze woorden
en getal mogte betekenen, had de 15. dag hem de uitkomt van dendroom

geleert, omdat de Keurvort op den 15. dag, te rekenen van den 4. April,
gevangen wierd genomen.

$ 63.
De vrome Keurvort zoude 't leven verliezen, achtervolgens
't vonnis, dat de Keizer gevelt had, ten ware hy zich door
den Keurvort van Brandenburg en Hertog Maurits zelven had

laten verbidden. Hierop wierd de zegenpralende arme voor de


Stad Wittenberg gerukt, en de wrede Spaanchen hadden
voornaamlyk gaarn gezien, dat die goede Stad tot den grond
toe verdelgt was, om na hare mening, 't net, waarin zo veel

quaad was uitgebroed, ganchelyk uit te roeien, dog de lofly


ke Keizer toonde zyne genade ook iegens die Stad, en oorloof
de de gemalinne en zonen van 'den gevangen Keurvort, vry en
onverhindert daar uit te trekken, terwyl hy den gevangenen in

't leger voor Wittenberg van zyne Keurvortelyke waardigheid


ontzette, en ze Hertog Maurits opdroeg (p) die de plegtige
bevetiging in 't volgende iaar 1548. te Augsburg op den Ryks
dag onting (q).
-.

AAN.
4

sys

D E G o U DE EN ZI L VER E

A A N M ER KI N GE N.
(p) In de meermalen aangehaalde onderchepte Brieven word bericht, dat

pag. 846.

de belofte van den Keurvortelyken titel van den Keizer aan Hertog Mau

eq.

rits, den 4. Juny 1547, dicht by Wittenberg, in de zoogenaamde grote


Bleeriche beemde gechied zy, alwaar tot heden dezen dag een ronde heu

vel was, met bomen bezet, die de Speelberg genaamt werd. Johan Ge
orge de derde, Keurvort van Saxen, glorieuter gedachtenis, was van
voornemen, om een kotbaar tene gedenkteken en zuil op deze plaats te
laten oprechten, waarop Conraad Samuel Schurtsfleich, zeer vermaarde

Profeor in de Hitorien te Wittenberg, op 's Keurvorten bevel dit vol

gende opchrift had vervaardigt:


Sacer hic SAXO NIAE clivus.

Signum et
Rei, in Saxonia memorabilius,

olemniterque getae

& dalati ad

M A U R I T I U M
-

Saxoniae Electoratus

Perpetuum Monumentum,

b', '
- - -

--

in quo

- --

--

DUX FID E1 ET FOR TITUDIN is


.
- - - -

'

,,

praemium tulit
-

C A RO L I . Q U IN TI,

--

Aupicio Imperatoris Auguti

.
-

'

praeentibus
multis Imperii Principibus,
circumtantibus

Catrorum Praefetis,

in conpetu totius exercitus,

frequentiimoque hominum concuru


Pridie Non. Jun.
A. clo. Io. XLVII.

Doordien echter de Keurvort daarop chielyk quam te terven,

zoo is

dit ook achterwege gebleven.

(4) Van deze nieuwe invetiture der Keurvortelyke waardigheiden pleg


tige overgave van dezelve aan de Saxen Albertiniche linie, werd in Levens
bechryving van Keurvort Maurits aldus gemeld: ,, Wanneer Keurvort
,, Maurits in groote taatie, verzelt van vele Vorten, toenmaals van de

,, gemelde plaats de herberg van Keurvort Johan Frederik verby quam,


, zoo zegt men, de Keurvort Johan Frederik hebbe zulks alles door de
glazen gezien, en met eenen heldenmoed gezegt: Ik ben in waarheid
zeer verheugt , dat ik mynen neef heden in zodanige waardigheid zien zal.

,, Ofchoon deze woorden michien eene gemoedsbeweging konnen aan


, tonen, zoo vertrekkenzyechter een getuigenis van grote tandvatigheid

,, en weergaloze omzichtigheid, dat hy zyne misnoegtheid zodanig heeft


,, weten te bewimpelen, dat de gene die hem bewaarden, zelfs niet kon
den merken, dat hy over dezen handen in 't mint onttelt was.
De

175
EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.
.. (
r, 1, - . .
-

r!

De Keizer deed aan de zonen van den Keurvort, Johan Frederik, een

aanzienlyk gedeelte van hun vaders erflanden wedergeven, waardoor ze, 't
bovengemeld verlies voorlief namen, en hunne tandvatigheid, om by de
Evangeliche lere te volharden, opentlyk door gedenkpenningen te kennen
gaven, waarvan ik er ditmaal maar vier wil mededeelen.
De eerte is eene der raarte Saxiche munten, zynde eene volwichtige
dukaat, de Heer Johan Wilhem Weber, Hoogvortelyke Saxen-Naum

burgche Hof jutitie-en Conitoriaal-Raad te Schleuingen, heeft dezelve


eert gehad, en daarna de Heer Frederik Adolf van Haugwits, Keurvor
telyke Saxiche Geheime Raad en Opper-Hof-Maarchalk, dog iegens
woordig praalt daarmede 't Saxiche Medaille-kabinet, dat Wilhelm Er
net, Hertog van Saxen-Weymar van den Heer van Haugwits heeft ge

koft, en ik ben verzekert, dat ze in geen ander Munt-Cabinet gevonden


's

werde.

>

Dezelve voert,

,
hji ;

a 't Saxiche wapen, met het omchrift : Dei. Gratia. JO


Hannes. FR I Dericus. SE Cundus.

D U X. SA Xoniae.

LANDgravius. THVringiae. Et. Marchio. M Iniae. Dat is:

Van Godes genade, Johan Frederik de Twede, Hertog van Saxen,

Landgraaf van Thuringen en Markgraaf van Minie.

..

. .

b Twee Engelen houden eenen wynruite-krans, met dit om


chrift uit Palm XXXVII. 25. NO N. V l DI. IV Stum.

DE RELIctum. NEC. SEMen. EIUS. Q VaE REre. PA

nem. Dat is : Ik heb niet gezien den rechtvaardigen verlaten,


mochte zyn zaat zoekende brood (r).
-

A A N M E R K 1 N G.
(r) Heer Schlegel in zynen Munt-Bybel is wel van gevoelen , de Hertog reg; 17.
Johan Frederik hebbe uit een heerlyk vertrouwen op God, deze dukaten

in zyne gevankenis te Steir in Ootenryk laten laan, dog ik acht, dat wyf
hy gedurende zyne hechtenis, daartoe geene gelegenheid heeft gehad, het
waarchynelyker zy, dat die dukaten zoo voort na de lagt by Muhlberg,
op bevel van Hoogtgemelden Hertog Johan Frederik, tot troot van zy
nen
Heer vader en zyne Heren Gebroederenzyn gelagen, omdat de preuk
van David zich zeer wel daarop laat toepaen.
-

'I

De twede medaille is niet minder fraai en zonderling, dog


niet zoo voort na de Muhlberche Bataille gelagen, maar
Y 2

chien

178

DE G o U DE EN Z 1 LV ER E

chien om dien tyd, wanneer de Hertog op hoger dingen be


dacht was, en aldus naar giing, tuchen de iaren 156o. en

1566. (s) Dezelve voert :


- ' 't

- - -' '

a Het afbeeldzel van

den Hertog, pragtig gedot, en eene

kotbare kroon op 't hoofd (t) met dit omchrift: DEI. Gra
tia JOHannes. FRIdericus. SECundus. DV X. SAXoniae
COMES.

PROvincialis. TVR ING IAE.

ET. Marchio

Ml SNiaEr. Dat is : Van Goaes genade, Johannes Frederik de

Twede, Hertog vvn Saxen, Landgraaf van Thuringen, en Mark


graaf van Mtnie.

b Het Hertogelyke Saxiche wapen, met dit omchrift in


Duitch : A LL EEN EVA N GELIE IS ZONDER
VERLIES.

A A N M ER K IN GEN:
( s) Het gevoelen der gene, die wanen, dat deze medaille om deniare
1566. gelagen zy, chynt iuit niet ongegrond, niet zoo wel wegens de
oudachtige tronie, maar wyl ze van gedachten zyn, dat deze medaille ei
gentlyk een conterfeit of bortbeeld zy, dat Hertog Johan Frederik had
laten maken, om 't zelve onder zyne zoo wel heimelyke als openbare Ge
allieerden, en derzelver. Gezanten en andere vrienden om te delen, te meer

om dat 't beeldtenis van den Hertog daarop gelagen is, 't welk op eenc
zekere wyze de onttrekking van 't Keizerlyke Edict zoude aantonen, waar

by na de gevankenis van Johan Frederik, Keurvort van Saxen, aan alle


Ryksvorten verboden was, voortaan hun afbeeldzel op de penningen te
laten laan, zoo als Hortleder in 't vyfde Boek van de Oorzaken van den
Dutchen kryg aanhaalt, die daarby voegt, dat Albrecht, Markgraaf van
Brandenburg onder anderen dit Edit, als de oorzaak van zynen begonnen

oorlog tegen den Keizer, had op de baan gebragt. Midlerwyl kan men
niets zekers daarvan zeggen, om dat 't iaargetal ontbreekt , enkelyk blykt
uit 't revers, dat Hertog Johan Frederik zelfs in zyne bitterte elende Gods
woord heeft liefgehad.

(t) Deze kroon is iets zonderlings, en word niet lichtelyk op eene an


dere Keur of Vortelyke Saxiche medaille gevonden, tenzy op 't geld van
den tegenwoordigen Koning van Polen en Keurvort van Saxen.

De derde en vierde medaillens zyn zonder twyfel op bevel


van zyne zonen, Hertog Johan Caimirus, en Hertog Johan
Er

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER

17,

Ernet gelagen, om dat hun Heer vader gene gelegenheid had,


wyl hy in hechtenis zat.
---

Dezelve voeren:
e

a Des Hertogs afbeeldzel met 't omchrift : DUX JO


HANNES FRIDERICUS CAPTIVUS. Dat is: 'De

gevange Hertog Johan Frederik.

- -

% b Het wapen, met de woorden : ALLEEN E VAN


GE LIE IS ZONDER VERLIES, en 't iaargetal 1576.

a Het bortbeeld van den Hertog, met het omchrift: JO


HANNES FRIDER ICUS II. DUX

SAXONIAE

&c. AETAT IS L XVI. Dat is: johan Frederik de Twede,


Hertog van Saxen, oud 66. iaar

b Het Saxiche Vortelyke wapen, nevens 't iaargetal van


1595. en 't omchrift : ALLEEN EVANGELIE IS
ZONDER VERLIES (u).

A A N M ER K 1 N G.
(u) In het twede Deel der Saxiche Gedenkpenningen van de Ernetini- .
che linie bechryft de Heer Tentzel zoo wel deze medaillen, als vercheide

andere diergelyken ; midlerwyl meld de Raad Hnn vele byzonderheden

van 't leven van Hertog Johan Frederik, in zyne Coburgche Kronyk, ge
lyk de Geheimchryver Muller te Weymar ook doet, in zyne Saxiche
-

Y 3

jaar

,se

D E G o U DE EN ZIL VE RE

jaarboeken. Heer Maurits Wilhelm, Hertog van Saxen-Naumburg bezit


echter in de Vortelyke Boekery te Zeits, eenen. Lateinchen Hand-Bybel
in klein folio, dien Hooggemelde Hertog, Johan Frederik, gedurende
zyne hechtenis te Neutad in Ootenryk gebruikt, en daarin vercheide
aantekeningen gemaakt heeft ; alwaar hy dan ook 1595 den 9. May is
overleden, hy is echter te Coburg in de Stadkerk begraven, alwaar des
zelfs graftede naat 't altaar te zien is. De tempels van de twede hierbo
ven aangehaalde medaille, die ook in een kleiner vorm voorhanden is, zyn
alle na de Gothache Belegering 1567. na Dresden gebragt, alwaar ze dan
-

P. 51, 52.

ook tot nu worden bewaart, gelyk de Heer Schlegel in Zyne geleerde Di


ertatie de Nummis Gothanes & Cygneis verzekert.
t

S. 64.

Gevan.

Midlerwyl liet Philippus, Landgraaf van Heen zich door

# den Keurvort van Brandenburg en zynen choonzoon, Mau


# rits, Hertog van Saxen, bepraten, dat hy ter liefde van de
#ndgraaf vrede en algemene rut, niet meer weigerde, zich aan 's Kei

# " zers genade t'onderwerpen, gade laande, dat het in tegen


deel gevaarlyker met hem wierd, naar mate dat de vyanden
bleven zegepralen. Aldus volgde hy hunnen raad, en begaf
zich, volgens afpraak, na Halle in Saxen, in hope, dat hy
eenen voetval gedaan hebbende, hy zyne vryheid weder zou
de bekomen, zoo als hem belooft was , dog hy wierd zoo dra

hy zulks deed, tegen alle gedachten, gevangen gezet, waar


over Hertog Maurits niet weinig gebelgt was. En 't is waar

chynlyk, dat de meders van dezen aanlag, groot berouw


over deze hare vermetelheid en ontrouw hebben gehad, wyl
zulks naderhand de eenigte gelegenheid is geweet, dat Keur
vort Maurits tegen den Keizer den oorlog heeft verklaart

(x).
A A N M ER KI N G.
(x) Hiervan leet men in de ongedrukte levensbechryvinge van Keur
vort Maurits volgende omtandigheden : ,, Als Philip, Landgraaf van
,, Heen, als nu zag, dat de Keurvort Johan Frederik t'onder was ge
,, bragt, en beducht was, dat 't oorlogzwaard tegen hem zou worden ge
,, wet, meekte hy door bemiddeling van Hertog Maurits den Keizer om
,,, vrede. Want doordien Hertog Maurits by den Keizer zeer hoog in

, aanzien en deszelfs getrouwheid hem ten vollen gebleken was, zoo hoop
, te hy, dat hy door deszelfs onderhandeling by den Keizer weder in ge
,
,
,
,
,
',
,

nade zou worden aangenomen, te meer, om dat hy zich gedurende den


Saxichen kryg had til gehouden. Wanneer nu Hertog Maurits de zaak
by den Keizer op de baan bragt, en achtervolgens des Keizers minnelyk
heid, een zeer genadig antwoord onting, verkreeg hy daarop, de
Landgraaf zou zich ganch veiliglyk na eene dichtgelege plaats begeven,
en alsdan konde gebeuren, dat als hy zyne ongehoorzaamheid bekende,
en na des Keizers wil eenen voetval deed, ook alles wat de Keizer hem

,, beval, werktellig maakte, hy weder verzoent wierd. Op dezen voor

,, lag begaf de Landgraaf zich na Leipzig, en aldaar begon de onderhan


,, deling tuchen hem en den Keizer. Als hem echter onbillyke zaken

,, wierden voorgelegt, en hy op 's Keizers getrouwheid en geloof niet


,, vertrouwde, om dat hy wit, dat de Keizer zeer op hem verbittert was,
,, zoo maakte hy toetel, om weder van Leipzig te vertrekken, onder

, tuchen wierd een Edelman, Chritoffel van Ebeleben, van Hertog


,, George aan hem gezonden, en wyl de Landgraaf denzelven zeer lief

,, had, liet hy zich van hem bepraten, om op den Keizer te vertrouwen,


-

Wam

EER GEDACHTE NIS VAN LUTHER.

181

Hertog Maurits wilden de zaak zoo ver brengen, dat


, hem geene ongelegenheid zoude overkomen. Als nu deze in zynen naam
, en in dien van Hertog Maurits den Landgraaf genoegzame verzekering

,, want hy en de

,, had gedaan, nam hy hem met zich na Halle; aldaar wierd onder andere ook

,, begeert, dat hy den Keizer te voet vallen, en denzelven wegens zyne


, quade behandelingen, om vergiffenis bidden zoude. Wanneer de Land
,, graaf zich nu ganchclyk hierop verliet, te meer wyl Joachim, Keur

,, vort van Brandenburg en Hertog Maurits borg voor 't beloofde bleven,
, zoo hield hy zich verzekert, dat er nu geen gevaar ter werreld meer
,' was. Ten dien einde wierd tegens den avond eene pragtige maaltyd
,, aangerecht, waarop alle Vortelyke perzonen zich zouden laten vinden.

,,
,,
,
,,

Dezelve naauwelyks geendigt zynde, quam de Spaanche Hertog van


Alba met een grote trop trawanten, en beval den Landgraaf, in 's Kei
zers gevankenis te gaan. Dit gechiedende, bragt de Landgraaf den
Vorten hun gegeven woord te binnen, en klaagde, dat hy dus misleid

, was. De Hertog van Alba zeide, dat de Keizer naquam, dat hy be

, looft had, want de woorden van 't vergelyk moeten aldus worden ver
, taan, dat de Keizer den Landgraaf niet met eene eeuwige gevankenis
,, wilde traffen, en als de Landgraaf nu eeuwig konde leven, zoo zoude de
,, Keizer hem ook t'eeniger tyd weder op vrye voeten tellen. Want voor

, 't woord eenige gevankenis haddenze eeuwige gechreven. Dezen handel


,, namen de Keurvort van Brandenburg en Hertog Maurits zeer hoog ;
,,
,,
,,
,

doordien ze echter toenmaals niet dorten betaan, om zich tegens des


Keizers magt aan te kanten, en terzelver tydingen, hoe datze insgelyks
achter 't net geleid waren, verkropten zy dit ongeluk, hen aangedaan,
en beloten, de wrake tot op gelegener tyd te beparen, enz.

In dezeniare 1547. behoort de volgende medaille, welke Lu

ther voornaamlyk aangaat. Dezelve voert:

a Zyn afbeeldzel, met dit omchrift: DOCTOR MAR


T IN U S. LUTHER US. PROPHETA. GERMA
NIAE. PEST IS. ER AM. VI VU S. MORIENS. E
RO. MOR S. TUA. PAPA. MDXLVII. Dat is : Doc

tor Martyn Luther, Profeet van Duitchland. Uwe pet was


ik in myn leven, en tervende zal ik, 0 Paus ! uw dood zyn.
b. Chritus geboorte in den tal, waarover drie engelen met

een briefie vliegen, waarop michien de woorden : Gloria in


Excelis Deo. Dat is: Eere zy God in de hoogte taan, welke ech
ter niet meer konnen worden gelezen (y).

AAN:

122

- DE G O U DE EN ZI LV E RE
A A N M ER KI N G.

(y) De Heer Schlegel is in zynen Munt-Bybel van gevoelen, dat door


dezen penning te kennen word gegeven, dat gelyk de Engelen het rechte
Evangelie en de vrolyke boodchap van Chritus geboorte aan de Herders
verkondigen, Lutherus aldus ook 't trootelyk Evangelie, weder aan den
dag gebragt, en aan de werreld op nieuw voorgezongen heeft.

S. 65.

,,,s

. Als nu de kryg in Mine door den Keizer tot een gelukkig

va#in- einde was gebragt, zoo bechreef zyne Maieteit de Standen des
" Ryks, om over de nog onafgedane religie gechillen te Augs

##

burg raad te plegen.


praken wederom van de eer
tyds voorgelage vereenigings punten, en waanden, niet wei
nig in deze zaak te hebben gedaan, als door hen beide partyen
wierden overgehaalt, om deze voorgelage geloofsartikels adin

terim of tot op 't Concilie van Trident aan te nemen, wanneer


wegens de algemene lere een eenparig en aldus onwederpreke
lyk beluit zou worden genomen , en derhalven heeft men 't
boek, waarin die geloofsartikels vervat waren, het Interim ge

naamt. Ondertuchen wierd zulks van generlei party goedge


keurt, en gaf lechts gelegenheid tot nieuwe chimpchriften en

tekelige penningen (z) waarvan ik er eenige zal mededeelen,


ik zoude ook nog eenige andere hebben daarby gevoegt, waar
op 't afbeeldzel van den Paus, en omgekeert dat van den dui
vel te zien is, en naar allen vermoede ten tyde van 't Interim ,

van Amsdorf, Bichop van Naumburg zyn gekomen, ten zy


ik met den Franchen Jeuit Joubert (a) hierontrent van eene

gedachte was, dat 'er naamlyk weinig van dezelve van eene
fraaie vinding zyn, en door diergelyke medaillen gelegenheid
tot nieuwe klagten werd gegeven, (b) aangezien ze de reeds

# # elkanderen verbitterde gemoederen, nog

quaadaar
diger hebben gemaakt. En dit heeft my ook bewogen, dezel
ve choon ik er een ongemeen getal by malkanderen heb, op

deze plaats niet voor te tellen, ten einde niemand over my zou
hebben te klagen, hoewel ik hope, dat de pen in dit ganche
Werk met alle becheidenheid gevoert is, zonder echter de
waarheid van de gechiedenis in 't mint te kort te doen, ten

einde niet een of ander daarover zoude gergert zyn , onder


tuchen zal ook niemand qualyk nemen, 't oordeel der He

ren Papiten over deze zoort van penningen, alhier te lezen.


A A N M E R KI N GE N.

(z) Als de tad Magdeburg ten tyde van 't Interim van de Keizerlyke
arme en Keurvort Maurits van Saxen, belegert wierd, pleegden de in
woners, als aartsvyanden van 't zelve te zingen:
Zalig is de man,
Die God vertrouwen kan,
En willigt niet in 't Interim,
Want het heeft den guit achter hem.
Zie

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. 18,,


Zie Heer D- Rechenbergs Liber Memoriales Hitoricorum, en zyne Di- p.,es.
ertatie vant 't Interim Augutanum, midsgaders Profeor Fellers Note ad #11.
Ot

Hornii orbem Imperanten, alsmede de Iagogen ad Hitoriam Cherone Cim- pag. 96.

tij

brice, van den geleerden Heer Joh. Mollerus te Flensburg, alwaar hy p fip.
meer Auteurs aanhaalt, die van 't Interim chryven, by welke alle nog kan 464.

worden gevoegt Gottfried Arnold, Kerk- en Ketterhitorie. Iemand maak


te uit 't woord INTERIM door letterverzettinge MENT IRH, Liegen , een ander wederom dezen vers, welkers eerte letters van ieder woord,"

zamen 't woord INTERIM uitmaken, op deze wyze : Impia Nunc


Tento, Et Romanos Inveho, Mores. : Dit Augsburgche Interim moet echter

van dat van Leipzig wel ondercheiden worden, 't welk men naderhand op.
bevel van Keurvort Maurits, vervaardigde, en 't kleine Interim doopte."

Van 't zelve handelt de oude D. Joh. Benedictus Carpzovius in zyne Ia- p. 1286.

goge ad libros Symbolicos. Een aardige klucht verhaalt Melanchton in de ".


Collectanea van Johannes Manlius, met volgende woorden : ,,Zeker pag. 44
,, Edelman aan 't Hertogelyk Saxiche Hof zag eens den Hertog wegens 44''

en zei e; Ge
, nadigte Heer, waarom verontrutigt uwe Vortelyke Genade zich, zoo

,, deze vergiftige leere van 't Interim in een diep gepeins,

, zeer wegens dit Boek? Ik kan het Interim niet alleen zeer wel aannemen,
, maar 't zelve ook eeten, drinken, en zelfs mede te bed nemen. En als
, de Hertog vraagde, hoe zulks konde mogelyk zyn ? zoo gaf de Ede , man tot antwoord : Als ik een peperkoek eet, zoo eet ik nog brood nog.

,, zemelen, maar iets dat tuchen beide is, of een Interim. Ik drink mee'

En als ik dron

,, of mos, en dat is nog bier nog wyn, maar een Interim-

,, ken na huis ga, zoo val ik by de deur ter neder en laap op den drempel,
,, en leg aldus nog in huis nog op traat, maar op een Interim, r. Hierme

, de maakte de Edelman het Interim belaggelyk, en zeide aldus al chert


93

zende, de waarheid.

: '! ! !

-;-

--

(a) In de Notitia Rei Nummariae (van Joubert) van myne

cq

Lateinche P 12. 13.

Overzetting, daar hy aldus chryft : ,, Het zal niet ondientig zyn, al-,
,, hier t'erinneren, dat men met de echte penningen van Roomche Pauzen
,, niet moet vermengen de gene, welke de vyanden van den Roomchen

, Stoel hebben verdicht, om denzelven pyt te doen. Van deze zoort


,, zyn eenige belachelyke penningen, die mynes bedunkens in Duitchland,
,, of by de Hollanders of te Geneve gelagen zyn, waarvan er zqmmige

,, 's Pauzen hoofd, omgekeert een duivelskop vertonen, en op de andere:

, zyde een Kardinaals en een Narrenhoofd. Nog laffer is 't omchrift : .


,, Joh. Calvinus Hereiartta peimus. Dat is : Johannes Calvinus denood
,, le Aartsketter.

En wyders : Et tulti aliquando apite. Dat is : Gynar

,, ren word tog eens wys. Wat teekt er echter vertand in diergelyke pen
,,ningen ? Dus ver de Jeuit Joubert.

'

"

Van deze penningen chryft ook de Jeuit Greterus, in zyn Boek de Cru

ce, gelyk wy uit 't Latein getrouwelyk in Duitch zullen ##


Lezer zelven 't oordeel overlatende, hoe ver Greterus in zyne verklarinng
van diergelyke penningen 't rechte doe getroffen heeft. ;

luiden al ius: ,, Hoewel men zeer vele wegen en gelegenheden heeft, om


,, iets onder de menchen te brengen, zoo is echter de wyze, om zulks
,, door penningen te doen, de bequaamte, voornaamlyk wyl 't geld by:

,, een ieder aangenaam is, en aldus zelfs de binnente hoeken doorkruipt.


,, Dat hebben de ketters van onze tyden zich wel te nut gemaakt, en niet,

,, alleen in boeken, childeryen en beeldwerk de Pauzen, Kardinalen ,


,, Bichoppen. Prieters, Monniken, Nonnen, en in een woord alle on-,

ze geetelyke ordens op 't chandelykte afgemaalt, en dan de ganche

,, werreld ten toon getelt, maar ook dit haar chaamteloos betaan door.
,, penningen alomme zoo veel te gemakkelyker verbreid, hoe verder 't i

,, geld pleegt te gaaan. Ik chrik, als ik om de afbeeldzcls denk, die ik,


, gezien heb, ben bechaamt, dat onze tyden met diergelyke chandelyke
vindingen veronteert worden. Terwyl ik dit chryf, heb ik in de hand,
, en betrachte eenen dubbelden zilveren penning, waarvan de eerte in den

s?

, iare 1543, in des zatans munt, zoo als ik billyk moet geloven, gelagen
, is. Dezelve voert op de eenc zyde : Een Kardinaal, en als menze om
29

draaitas y

184

D E G. o U DE EN ZILVER Ei

, draait, zoo is 't een Lutheraan, dat is, een Narrehoofd, met dit om
, chrift: Des Pauzen gebod is tegen God. Op de andere zyde ziet men een
,, Bichop in zyne muts, die op eene vrouwsperzoon zit, dezelve om

, draaiende, ziet men een hoer, (door dewelke de Lutherche Kettery,


" , vertaan word) die op den Bichop zit, heeft een boek in de hand, en ,

, vecht met den degen. Het boek zal de Bybel en de degen 't Woord,
, Gods betekenen, beter michien het zwaard, dat de Lutheranen kort,

, daarop tegen den Keizer hebben getrokken, want van 't geetelyka

##

altyd te preken, dit echter dwingen zy, zoo dikwyls


,, als het in hunne kraam te pas komt ; 't omchrift is : Valche leer, geld,
, niet meer. Dit omchrift is goed, als men lechts eenen letter daarin ver-,
,, andert, op deze wyze, Valche leere gelt nie (nooit) meer, aangezien
99

, de valche leer nooit zodanig ten top is opgevoert, dan na dat de afval
, ligen eene nieuwe leere hebben op de baan gebragt. De twede penning,
, verbeeld insgelyks een Kardinaal, en omgekeert eenen Nar, dat is een
,, Lutheraan, of een Calvinit met den preuk van den Koning David: .

, Et tulti aliquando apite. Gy dwazen, wanneer zultge toch wys wor-,


,, den ? De andere zyde voert den Roomchen Paus, torzende zyne drie
, dubbelde kroon, omgekeert, kruipt de duivel uit een ey, of liever de
,, geene, die dezen penning gemaakt heeft met dezen hem zeer wel pa
, enden zinpreuk : Mali corvi, malum ovum ; Dat is: Eene boze raaf legt.
, een boos cy. Dat is de waarheid , want gy bent zoo een tinkent raven
, ey, datge verdient, van de raven te worden verlonden, en ten zy ge.
, berouw over uwe zonden hebt, zoo twyfel ik, of gy zult den helchen
, raaf tot pys vertrekken, deze beide penningen heb ik vereert gekregen
, van den Heer Frederik Bechler, van Augsburg, zedent dat hy onder
, myne aanvoering in de filoofie getudeert heeft. Om den draad van
1 n .

, myne gechiedenis te hervatten, gelyk de Ketters zich bevlytigt hebben,


,, hare quaadaardigheid door dit gevoeglyk middel, als dat der penningen,
,, te verbreiden, en # daarmede bezig zyn, zoo als blykt uit mynen
,, Commentariolus of verklaring van twee medaillens van 't geprek van Re
,
die ter eere van Luther, Hus en Rabus zyn gelagen, aldus
,, hebben de ouden zeer loflyk de vereering van 't kruis op penningen be

,, kent gemaakt, en vergroot, enz. -,

(b) De Heer van Seckendorff in de Hitorie van 't Lutherdom, chryt


by 't iaar 1544 van den uitvinder, Nicolaas van Amsdorr, 't volgende:
,, Hertog Hendrik van Bronswyk verweet Johan Frederik, Keurvort van
,, Saxen, onder anderen niet alleen 't innemen van 't Stigt Naumburg,
,, maar ook de vermetelheid van Amsdorf, die eenen penning had laten
, laan, op welkers eene zyde een Kardinaalshoofd en op de andere cen
,, Narrehoofd te zien was. (Verta niet op twee zyden, maar als men
de hoofden omkeerde), met 't omchrift : EFFI GIES CAR DI
NUM MUN DI. Dat is : Beeldtenis der hengzelduimen der werreld of
der Kardinalen.

Hier echter EFFO EMINATI DOM IN ABUN

TUR EIS. - Dat is : Verwyfden zullen over hen heerchen. Zie Hortle

der, midsgaders de treffelyke Diertatie van D. Johan Andreas Schmidt,


Hoogwaardige Abt van Marienthal en Prof. Theol. te Helmted, de Num
mis Bratteatts Numburgenibus, Cizenibus & Pegavienibus, alwaar hy van

deze penningen zegt, datze eenen Bichop niet paen. Of echter Ams-.
dorf alle deze zoorten van penningen heeft uitgevonden, en laten laan,

daaraan twyfele ik, aangezien diergelyke op andere plaatzen, voornaam


lyk in Holland en Geneve, ook zyn te voorchyn gekomen, ondertuchen
laat het zich aanzien, dat deze zoort penningen van den iare 1537, tot
1547, alle van hem zyn gekomen. Ik zal zommige van dezelve als uit
liefhebbery en tot een upplement van 't geen de bovengemelde Jeuiten
daarvan hebben gemeld, bechryven, hoewel ik de chetzen van alle by de
hand heb, welke ik echter om de bovengemelde rede nodeloos heb geacht,
in t koper te laten brengen.
-

'

.-

* *
*

I a Een

"

EER GEDAG HTENIS VAN LUTHER. 185


a Een
gekroont kroon.
hoofd, omgekeert, een Pauzen hoofd,
metI de
driedubbelde
-

1 .

. . ,

b. Een manshoofd met een hoed, omgekeert, een Bichops

#
eene geplete muts, zonder omchrift op beide zy
den. A.
.
. .
t
*

II. a Des Pauzen hoofd 1517. omgekeert, des duivels hoofd


b Een Kardinaals hoofd, 1517. omgekeert, een Narrehoofd

1617.

1617. zonder omchrift. "T.

I II. a Des Pauzenhoofd, omgekeert, des duivelshoofd, met

het omchrift : ECCLES1 A. PER VERSA. TENET.


FA CIEM. DI A BOLI

'

- b Een Kardinaalshoofd, omgekeert, een Narrenhoofd, met

't omchrift : STULTI. ALIQUANDO. SAPIEN


T ES. G.

-.

| | | | | | | |

IV. a Een Kardinaalshoofd, omgekeert, een Narrenhoofd,

met 't omchrift: DES PAUZEN GEBOD IS TEGEN


b Een Bichops beeldtenis, houd in de rechte hand eenen

kelk, dien hy met de linker bedekt, omgekeert, zit hy op

een vrouwsperzoon, houd in de linkerhand een kaarsen in de


rechter
boek, MEER.
met het omchrift:
VAL SCHE LEER
GELDeenNIET
A.
** -

--

V-...

. .

A A NM ER KI N G.

. .

* Dit is de penning, waarvan Greterus boven gewag maake, hoewel


hy in de bechryving meer dan eens dwaalt, zoo als men nu ziet, want 't
geen hy voor een zwaard houd, is een kaars en voor 't woord NIET
en aldus vervalt .alle. zyne
praat daaromtrent,
als} beu
.!
!
i . . .

# hy N OO HT,

zelachtig, van zelfs. -

. . .

.
-- -

- -

. - -. . - " l,

V. a Des Pauzen beeldtenis, omgekeert, dat van den Her

tog van Alba of van den duivel, met 't omchrift : DES PAU
ZEN GE BOD, IS TEGEN GOD
. .
b Het beeldtenis van den Hertog van Alba, omgekeert, een
Narrenhoofd, met het omchrift : DE HERTOG VAN

A LB A DOOR ZY NE DWAASHEID, HEEFT

NIETS UITGEVOERT DAN QUA ARDIG HEID,


A. Op dezen penning is 't chrift niet gelagen maar getoken,

VI. a De Here Chritus, op eene ezelin zyne intrede in de


tad Jerualem doende, onder toeloop van veel volk, met dit
I

omchrift : CHRISTUS PAUPER ET: MANSUE

TUS VENIT. UT SUO. SANG UINE. PECCA


TOR ES SAL VET. , , . . .
. .
. . . "
b De Paus word op eenen toel gedragen, verzelt van eene
grote menigte zyner geetelykheid, met 't omchrift: PA PA
DIV ES ET TRUCU LENTUS GESTATUR:

UT. S ANGUINEM NOSTRUM MEND ATIIS.


EXOR BEAT. 1537. (**) Go. .

. . . .. . . . .
( **) Heer Tentzel houd Amidoff bj name voor den uitvinder van de

Maande

n penning.

zen ?

er

#.

'' ,

: : : ::

lyke za

::

menpra
*

- +
-

--

2 --

--

*,

* .

; - ; -

- ---Z 2 - - - '

"

- -

VII.

186

D E G. o U DE E N z 1 L v E R E

vII. - Een Kardinaalshoofd

ken 169s.
Pag, 981.

1517. ; omgekeert, een Nar

renhoofd 1517.; met het omchrift: EFFIG IES. CARDI


NU M. MUND I., HR. welke michien den naam van den

tempelnyder betekenen.

b. Enkelyk deze woorden : EFFEMINATI. DOMI


NABUNTUR. EIS. S. (*).
#

A A N M ER K I N G.

* (***) Heer Tentzel heeft diergelyken penning ook gechreven, behal


ven dat op de eerte zyde geen iaargetal taat, en op 't revers dat van 1544.
Wer. Met dat zelveiaargetal is nog een goud tuk van drie dukaten zwaaar,
in het Beccelerich kabinet te Hamburg, zoo als de Heer D. Joh. Gro

ning in zyne Nieuw geopende Hitorie der Moderne-Medaillen meld , alwaar


hy acht dat 't in Italie gelagen zy. '

i- VIII. a. Een manshoofd met eenen baard en driedubbelde


kroon, midsgaders driederhande aangezichten, met 't op
chrift: 2. The II. 3. HOMO. PER DITIONIS.
g, b Een Kardinaalshoofd , omgekeert, een Narrenhoofd, met

het jaargetal M. D. XLVII. (****) Wer

A A N M ER K 1 N G.

'

(****) Ik twyfel niet, of deze penning is in den iare 1547. tot be


chimping der drie Autheurs van 't Interimsboek gelagen.

IX. a Des Pauzenhoofd, omgekeert, des duivelshoofd ,


met 't bychrift: MALI COR VI MALUM OVUM.
b. Een Kardinaalshoofd ; omgekeert, een keuvel, met het
omchrift : ET. STULTI. ALIQUANDO. SAPITE.

l MDXLIIII. (*****).
en 'tiaargeta
-- - - - I
A A N M ER K 1 N G.
- ;- - - - - -

Af -

1- - -

"

*----

- , ,

fi

## Greterus maakt van dezen penning boven ook gewag, hoe

we
*

met uitlating van 't iaargetal.

- ,

X: a Chritusbeeldtenis, boven deszelfs hoofd zweeft de H.


Geet, met deze woorden : FCCE. AGNUS DEI. EC
CE. QUI. TOLL IT. PECCATA. MUNDI. 1545.
b 's Pauzen beeldtenis, grypende de zatan deszelfs driedub
belde kroon, met deze woorden : FIL IUS. PER DITIO

NIS ET HOMO. PECCATI. Go, De Heer Tentzel


maakt insgelyks ook gewag van dezen penning.
X I. a Des Pauzen beeldtenis, omgekert, dat van den dui
vel, met het omchrift : REDDE RATIONEM. DE.
LUCAE. XVI.
. b Een Kardinaals, en omgekeert, een Narrenhoofd, met

het omchrift: CORAM STULTITIA. War.


XII. a Een onbedekt hoofd met lange ooren, omgekeert,
een keuvel, met dit omchrift : ORGUEILLE ET FO
LIE ; Dat is : Hovaardy en dwaasheid
b Een Kardinaals en omgekeert, een Narrenhoofd, met het
-

omchrift : EFFIG IES, CARDINUM. MUND I. Wer.


XIII.

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

187

XIII. a Des Pauzen hoofd, omgekeert, des duivels beeld


tenis, met 't omchrift : REDDE. RAT IO NEM. DE.
LU CAE. XVI.
b Zoo als num. XII. b.

XIV. a Een child met drie kronen, op ieder van dewelke

een Olyfant taat, met 't omchrift : INSIGNIA. CIVITa


tis. BA BILonicae.
b De zevenhoofdige Draak, waarop een vrouwsperzoon zit,
die eenen beker in de hand houd ; voor denzelven knielen twee
Koningen. Boven leet men : ME RETR IX BAbilonica.
Onder: APOCALIPSeos. CA Pite. XV II. H. K. zynde
-

de naam van den uitvinder.

XV. a Eene hand uit de wolken, houd een bloot zwaard

boven een geloten boek, dat de H. Schrift betekent, tegen 't


zwaard toten drie vleermuizen, met Jeuitermutzen pralende.
Op den binnenten rand leet men : CO LOQUIUM. XVIII.
NOV EMbris RATIS Bonae. Anno Salutis: clo IocI. Op
den uiterten rand deze Duitche woorden uit Math. VII. 15.
WACHT U VAN DE VALSCHE PROFETEN,
DIE IN SCHAAPSKLEDEREN TOT U KOMEN,
MAAR VAN
WOLVE N.

BINNEN ZYN ZE

GRYPENDE

b. Deze Incriptie : JESUS CHRISTUS VY AND,


ANT I CHRISTS GO E D VRIEND, SATANS
LAATSTE VRUCHT, EN DES PAUZEN ZUCHT,
IGNATIUS SCHOON, DEED ZYN EN EERSTEN
PATROON, YDEL VAL SC HE LEER , REINE

LEER VERDRAAIDE JESUITE. D. D. (*****).


A A N M ER KI N G.
(******) Dit is de penning, waarover de Jeuit Gretcrus zoo als hy

boven zelf heeft gemeld, eene verklaring heeft gemaakt, welke ik wel
wenchte te zien. Zie wyders Schlegels Munt-Bybel.
Deze vinding van omgekeerde aangezichten, is ook in Engeland nage
aapt, aangezien diergelyke penning in 't Hooggraaflyk kabinet te Arn
tad is te zien, en billyk voor raar gehouden word , ik zal denzelven alhier
laten volgen, ten einde de lezer alle de overige bechreve medaillen van de
ze natuur, te beter zou vertaan.

Dezelve voert :

Z 3

a Een

188

DE G OU DE - EN ZI L VER E

a Een manshoofd met eene geplooide muts, omgekeert, een


duivelskop, met 't omchrift : CROM WEL.
b Een manshoofd met eenen puntigen hoed, omgekeert, een

zotskap, met 't omchrift : FAIRFAX. A. De eerte is de


beruchte Protector van Engeland, Olivier Cromwel, en de laat
te is deszelfs generaal geweet, Thomas Fairfax.
Na deze kleine uitweiding, waartoe de Jeuiten Joubert en
-

Greterus ons aanleiding hebben gegeven, komen wy op de


medaillen, die by name op 't Interimsboek zyn gelagen. Ik
heb er twee van eenerhande inventie maar van vercheide tem

pels gezien.

De eerte voert:

a De Heer Chritus, die eene driehoofdige lang van zich

wyt, met dit omchrift : PAK. U. WEG. SAT HAN.


G Y. INTERIM.

b De dope Chritus, zooalsze van Johannes is gechied; bo


ven zweeft de H. Geet in de getalte van eene duif. Rontom
leet men in de Neder - Saxiche tale: DIT IS MYN L lE

VE ZOON, DIEN ZULT GY HOREN. (c).

1692. P.

(c)

A A N M E R. K IN G.
Van dezen penning heeft de onlangs overlede en Hoogberoemde Pro

962.

feor te Helmted, D. Hendrik Meibom, een origineel gehad, zoo als


de Heer Tentzel in zyne Maandelykche Zamenpraken bericht. Op de twe
de ziet men :

EER GEDACHTE NIS VAN LUTHER. 189


a Eene driehoofdige lang, welkers, buik eenigzins duidely
ker is, zynde ten einde de taart een menchenhoofd met ezels
ooren te zien, dat eenen damp uit den mond puwt; met dit
omchrift: PAK. U. WEG. SATHANUS, GY. INTE

RIM. D.... G. N. F. (d).


Zoo als 't

voorgaande,
A A N M E R KI N G.

(d) Heer Schlegel in zynen Munt-Bybel meent zeer waarchynlyk, dat pag. 344'

deze Interims-penningen of Interims- daalders te Magdeburg zyn gelagen,


't welk ik te meer geloof, om dat 't omchrift in de Neder-Saxiche tale
is, en ook wyl uit de gechiedenien dier tyden blykt, dat de heftigte vy
anden van 't Interimsboek, onder de Godgeleerden, voornaamlyk Mat

thias Flacius Illyricus, meet te Magdeburg, Luneburg, Hamburg, en


Lubek, welke alle Neder-Saxiche teden zyn, zich, hebben onthouden.

De gemelde Heer Schlegel meld wyders, dat men en en dierg ## Pag- 325

der heeft, waarop in plaats van 't woord PACKE, PAGKE taat, en

## anderen, welkers omchrift van 't revers in zuivere hoogduitche


aal is te lezen, dog datze voor 't overige alle even eens zyn. ,,Wat de lee,

ters betekenen, kan ik niet raden, dezelve konnen niet gevoe

## opt de

RIM

namen der Godgeleerden worden toegepat, die tege

Y -

hebben gechreven, zooals ik eertyds gegit heb. Ik heb echter ##


ander origineel gezien, waarop lechts deze letters waren: P; S N.
Wat 't revers aangaat, ik heb niet onrecht gemeent, dat de driehfd
lang een eigentlyk zinnebeeld zy van de drie makers van 't Interimsboek,

welke waren, Julius Pflug, Michaal Held, Titulair-Bichop van Sidon,


en Johannes Agricola, van Eisleben.

Ik neem echter ook met behoorlyke

achting aan de volgende verklaring, welke meergemelde Heer D, Carp

zovius, Opperhofprediker te Dresden, dien de myne niet heeft mishaagt,


in eenen brief aan my heeft gelieven mede te deelen , deszelfs gevoelen is,
dat doordien op 't revers van Chritus dope gewag gemaakt werd, men'

zinnebeeld van de eerte zyde gevoeglyk tot de kort na de dope gevolgde

verzoeking van Chritus in de Woetyne kan betrekken, op de


wyze: Het gevleugeld Engelch hoofd aan de lang, betekene de eerte ver
zoeking, om uit tenen brood te maken. 't Hoofd met de Pauzelyke kroon,
de twede verzoeking, om zich van de tinne des tempels nederwaards te
werpen, en 't derde hoofd, met eenen ouden vortelyken hoed verciert, de der
de verzoeking, om hem alle koningryken der werreld ende hare heerlyk
- heid te geven. Waarop hy dan de woorden had geproken: Pak u weg,
of gaat weg Satan. Math.: IV.
- - - :
, ", z

&# Johan

Frederik, Keurvort van Saxen word van de Gechiedenis

chryvers ten ontervelyken lof gemeld, dat hy 't Interim niet heeft willen
aannemen, nog zyne zonen bevelen, om zulks te doen, choon de Keizer
hem terk aanzocht, en hem zelfs met zwaarder gevankenis deed dreigen,

zie Sleidanus, Lib. XX., Thuanus, Lib. IV, en Hortleder, Redenen


van den Duitchen kryg. Ten einde echter de

# een teken zyner T II I.

tandvatigheid by de eens erkende zuiverheid van 't Evangelie, zouden #"


hebben, zoo is vermoedelyk op zyn bevcl door zyne Heren zonen, op "
cene medaille, welke iegenswoordig onder de raarten is te rekenen:
e

De.

p E G o U DE EN Z 1 LV E R JE

19e

. . . ---. . --. . . .

Dezelve vertoont:

2 --

"

. a. Het bortbeeld van den Keurvort met het omchrift : JO


HAN. FREDERIK HERTOG. VAN. SAXEN

b Het afbeeldzel van den gekruizigden Heiland , onder aan


den voet van 't kruis, 't Hertogelyke Saxiche wapenchild ;
om den rand en nevens 't kruis leet men deze woorden uit
Math. X. 32. WIE MY BELYDEN ZAL VOOR
DE MEN SCHEN, DIEN ZAL IK OOK BELY

DEN VOOR MYNEN VADER. 1548. (e)

A A NM ER K 1 N G.

(e) De Heer Schlegel zoo wel inzynen Munt-Bybel, als na hem de Heer
Tentzel in zyne Saxiche Medaille. Hitorie van de Ernetiniche linie, ver

klaren dezen penning, die eene zonderlinge rariteit van 't Hoogvortelyk
medaillen-kabinet te Weymar is, zeer fraai, voornaamlyk de eerte met
de woorden van den Keurvort zelf, die hy onder anderen in antwoord aan

den Keizer, waarom hy't Interim niet konde aannemen, heeft gebruikt,
welke aldus luiden : ,, Nademaal ik in myn gewien teeds overtuigt
, ben, zoo ben ik Gode voor die
genade, die hy my be
, wezen heeft, deze dankbaarheid en gehoorzaamheid chuldig, dat ik
, van de erkende en belede waarheid van zynen almagtigen wil, dien hy
, door zyn woord aan alle werreld heeft geopenbaart, niet moet afval
,,len, zoo lief als my de eeuwige zaligheid is, en zoo zeer als ik voor de
, helche verdoemenis vrees. Want aldus luid 't trootelyk en verchrik
,, kelyk oordeel Gods : Wie my belyden zal voor de menchen, dien zal

ik ook belyden voor mynen vader, die in de hemelen is. Maar zoo wie my ver
loochent zal hebben voor de menchen dien zal ik ook verloochenen voor mynen

vader, die in de hemelen is. ,, Als ik nu 't Interim voor godvruchtig en


, chritelyk aanneem, zoo moet ik de Augsburgche Belydenis, en 't
,, geen ik tot nu van 't Evangelie Jeus Chritus heb gelooft, in vele tref
, felyke artikels, waaraan de zaligheid afhangt, tegen myn gewien voor

,, bedachtelyk en met opzet verloochenen en doemen, en met den mond


, goedkeuren, wat ik in myn hert en gewien heb beweert, dat 't eene

, maal tegen de heilige Goddelyke Schrift treed. Ach hemel ! dat was
uwen naam iammerlyk ydelyk gebruikt, en yslyk gelatert , ook zou
,,men mogen zeggen, dat ik van zins was geweet, om uwe hoge Maic
, telt daarboven, en de werreldche overheid hierbeneden op aarde, met
, gevernite woorden te bedriegen en te misleiden , 't welk ik echter met
,, myne ziel duur en al te duur zou moeten betalen.

Want dat is de zon

, de in den H. Geet, waarontrent Chritus dreigt, dat ze nog in deze


,, nog in de andere werreld, dat is, nooit zal vergeven werden. Dus
ver

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 191


ver deze recht Chritvortelyke en zeer bedenkelyke woorden. Staat aan
te merken, dat ook vercheide voorname teden in Duitchland, als Erfurth,

Kauffbeueren, Iny en andere, op eene bedekte wyze hunne mistating


ontrent 't Interim chynen aan den dag te hebben gelegt, te weten op hun
ne daaldertukken van de iaren 1547 en 1548. op welker reveren men
leet : DAT E. CAESA RI. QUAE. SUNT. CAESARIS. ET.

DEO. QUAE. SUNT. DEI. Dat is : Geeft den Keizer, dat des Kei
zers is, en de Gode, dat God is. Math. XXII, 21.

S. 67.

Midlerwyl liet Keurvort Maurits 't Interim insgelyks varen, Kryg van

te meer om dat de wederparty het zelf verwierp , veroverde

Keurvort

de van den Keizer in den ban verklaarde tad Magdeburg, en Maurits


tegen den
was meet wegens zynen choonvader, den Landgraaf van He Keizer.
en verlegen, dien hy gaarn uit 't gevankenis had verlot, choon
hy geen kans daartoe zag. Hy verzuimde niets, met bidden
en goede woorden by den Keizer, midsgaders aangename voor
lagen, dog doordien hy enkelyk met beloften op den tuilwierd
gehouden, zoo was hy op zyne eere en 't gegeven woord aan
den Landgraaf, bedacht. Ten dien einde wierf hy zoo til als
mogelyk, een puik van zoldaten, en verterkte zyne teden,
voornaamlyk Dresden en Leipzig.
6,

68.

Nu konde zulks zoo geheim niet gechieden, dat de Keizer


niet de lucht daarvan kreeg. En choon Keurvort Maurits
voorgaf, dat alles tot Zyne eige veiligheid gechiede, zoo merk
ten vertandige menchen wel haat, wat hy in zyn child voer

de, en dat er zekerlyk iets meer onder chuilde, dan hy voor


gaf. Om alle achterdocht te benemen, begaf hy zich zelven
tot den Keizer, en wit zyne zaken zoo te chikken, dat de

Keizer hem volkomen geloof gaf. Waarby hem de langzaam


heid van denzelven niet weinig te tade quam, die hy nader
hand ten grootten voordele aanleide. En aldus loot hy met
Albrecht, Markgraaf van Brandenburg, en Hendrik den twe
den, Koning van Vrankryk, eene alliantie, die voornaamlyk
de hertelling van den Landgraaf tot een grondlag had. De
Keizer wierd zulks eindelyk ontwaar, dog door Godes chik

king, loeg hy alles in den wind, en had ganch andere gedach


ten van den Keurvort.
S. 69.

Ten einde echter de Keurvort te omzichtiger te werk ging, 155 4.


zond hy Gezanten van Dresden na 't Concilie van Trident, (f)

dog beval hen, te Nurenberg tot nader order te blyven , en als


hy zich genoegzaam in taat oordeelde, moeten zy van daar
weder na huis keren , waarop hy in de maand van Maart 1552.

zich op Godes becherming en zyne rechtvaardige zaak verla


tende, zyne armee zonder eenige vrees voor de Oude en anders
wel geproefde Keizerlyke militie, in Frankenland voerde, ver
zekerende aan de andere kant, dat 't hem van herten leed was,
dat Duitchland door quade

ind: in nieuwe
3.

onrut zou
ge

,,,

D E G o U DE EN ZILVER E

gebragt worden, en dat hy niet meer zocht, dan de hertelling


van den Landgraaf, met aanbiedinge, dat hy op billyke voor
lagen de wapenen zoo voort weder zou nederleggen, (g) De
wederparty echter had daartoe geene ooren, en leverde aldus
den Keurvort het wraakzwaard zelve in de hand, choonze ha
re zwakheid wel wit, terwyl 't leger van den Keurvort dage

ivks terker wierd. En dien volgens rukte hy voor Augsburg


zonder eenigen tegentand, welke tad dan ook, na eene bele
gering van weinig dagen, met

# overging.

Doordien

hem daardoor de weg na 't graafchap Tyrolen open tont, en


hy van achteren ganch veilig was, zoo voerde hy zyn dapper

volk daarin, en veroverde de toenmaals voor onwinbre geach


te bergveting, Ehrenburger Claue, tot verwondering van alle
werreld, en opende aldus den weg na Inpruck (b). En ver
mids een ieder van gedachten was, dat hy met zyn leger voor
Trident zoude zwenken, en het vergadert Concilie aldaar ver

toren, zoo vertrokken de Heren Vaders tydig na huis. Ja de


Keizer zelf, die zich te Inpruck niet veilig oordeelde, poedde

met een klein gevolg na 't gebergte van 't Hertogdom Krnd
ten, werwaards de Keurvort hem niet dort volgen, die kort

na zyne Maieteit vertrek, de tad Inpruk (i) met verdrag be


meeterde.

AAN M E R K IN GE N.
(f) Vita Melanchtonis,

r# ##

(g) Cornelius Crull, J. V. L. Vindicias Mauritianas, Sive Dicurum,


Hitorico-Politicum de Jutitia Belli Saxonici, in deniale 163 1. te Leipzig
in 4 gedrukt.

(b) In de ongedrukte levensbechryving van Keurvort Maurits, wor


den van deze verovering de volgende byzonderheden gemeld: ,, Aan de
, Alpes legt een vat Kateel op eene zeer hoge rots, daar men den weg uit
,, Duitchland over 't gebergte pleegt te nemen, alwaar ook eene zeer

, lechte bezetting den doortogt zeer gemaklyk kan betwiten aan de gene
,, die pogen, daarover te gaan , men noemt deze veting doorgaans de
,, Claue. De Keizer heeft ze nog meer met wallen en gragten laten ver

, terken, en eenige Duitche en Spaanche volkeren derwaards gezonden,


, om den Keurvort Maurits aldaar tegen te houden. De Keurvort kon
, de den Keizer, die reeds te Inpruck was aangekomen, zonder deszelfs
, verovering niet achterhalen, en oordeelde, een zeer zwaar betaan te

, zyn, 't lot met geweld te betormen, trok hy echter weder daarvan af,
,, zoo vreesde hy, dat de Keizer door dit dralen, zyne troupen zou by
, malkanderen brengen. Ondertuchen wilde de Keurvort zyn geluk ver
,, zoeken, en voerde zyn volk aldus wat nader aan de Claue. Onder we

,, ge gebeurde het zeer gevallig, dat George, Hertog van Meklenburg


, eenen man ontmoette, welke de gelegenheid van die plaats zeer kundig
,, was, die beloofde hem, om hem eenen naauwen dog zeer bequamen weg
,, aan te wyzen, waarlangs hy de Claue gemakkelyk zoude beklimmen ,

,
,,
,,

als hy hem lechts wilde volgen. Zy quamen over een zekere beloning
overeen, en wyl deze vort een zeer kloekmoedig Heer was, zoo vond
hy raadzaam, zyn voornemen niet lang uit te tellen. Hy maakte zulks
den Keurvort bekent, en deze was ook van gedachten, dat men deze

, gelegenheid niet moet laten ontglippen. Daarop wierd Hertog Geor


,
,

3,

ge van Meklenburg met eenige welgewapende zoldaten gezonden, om


denvyand op eene ganch bedekte wyze aan te vallen. Keurvort Mau
rits bleef midlerwyl met de ruitery en 't voetvolk op zyne traat, poed
de langs den gewoonlyken weg na de Claue en wikkelde den vyand in
2, CCIDC

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 193


,
,
,
,,
,,

eene chermutzeling. Als de bezetting 't voornemen van den Keurvort


zag, en wegens de gelegenheid van de plaats gerut was, zoo heeft men
zoo voort waargenomen, dat er op 't opperte lot eenen groten tryd
onttont. Want Hertog George van Meklenburg had de naauwte bc
klommen, was zonder tegentand op de hoogte plaats gekomen, en

,, tormde met alle geweld. Wyl hy nu een en ander werk had ingeno
,, men, en de vyanden met grote behendigheid op de vlucht gelagen,
53

zoo maakte hy, om beter te vechten, den Keurvort Maurits, ruimte

en plaats, om 't lot te naderen. Wanneer aldus de vyanden den moed


lieten vallen, overleverden zy den Keurvort hunne vaandels. Deze be
,, val hierop, dat ze 't kateel in 't minte niet zoude benadelen, om dat 't

den Koning Ferdinand toebehoorde, dien hy ook op generhande wyze


,, wilde beledigen, enz. Als iemand van de gemenen by 't innemen van
,, de Claue, eenen bondel had bekomen, waarin eenige ellen van 't fynte

,, zyde tuig en zeer veel Portugeech goud was, need hy ganch dronken
, zynde, 't tuig door midden, tak 't hooft daardoor, en leepte het ach
,, ter zich na, hebbende 't goud in zynen hoed geborgen. In dit gewaad

,, ging hy door 't ganche leger, en als hy gevraagt wierd, waarom hy dat
, zy de tof zoo baldadiglyk vermorte, gaf hy ten antwoord : Wat raakt

,, het u ? Zietge niet, dat heden een arm zoldaat door de mildadigheid
,, der Spaanchen, ryk is geworden ? "
(i) Antoine Varillas, in zyne Hitorie van de veranderingen, wegens de

religie in Europa onttaan, verhaalt, dat als de troupen van den Keurvort
na de tad Inpruck trokken, de Keizer, die aan 't voeteuvel lag, zich na
Venetie had laten dragen , (dit is echter verkeert, alzoo hy na Villach in

Krndten, de vlucht heeft genomen) en dat de Keurvort die voor den


Keizer tot de Avondmaaltyd gereed gemaakte pys nog dienzelven dag had

#tige

Zie Bayle Nouvelles de la Rpublique des Lettres, 1687, pag.

2)',

5. 7o.

Dezen voor beide partyen zoo geluk als ongelukkigen uitlag


had niemand verwacht. En na dat de Keurvort den Keizer op
de vlucht had gedreven, was hy daarmede te vrede, en voerde

zyn volk zegenpralende terug, om dat Koning Ferdinand voor


naamlyk bemoeit was, om dezen chadelyken oorlog by te leg
gen, gelyk dan ook nog in dezen iare 1552. te Paau gechie- paauch
de, op voorwaarden, waarmede de Keurvort Maurits welkon-verdrag,
de te vrede zyn. Dezelve zyn naderhand van Keizer Carel en ,,,,,,,

gezamentlyke Rykstanden, uit hoofde van een plegtig verdrag, #


op den Augsburgchen Ryksdag bevetigt. Hierdoor onting #v.
niet alleen de Landgraaf van Heen, maar ook de Keurvort #
van Saxen, Johan Frederik, en de Evangeliche Religie, hunne enden

volkome vryheid, alzoo zedert dien tyd de Paauche vrede #


#ru#
deszelfs vate grend geworden is(k).
-

A A N M ER K IN G.

(k) Heer Johan Sebatiaan Muller, Saxiche jaarboeken merkt aan 3

fol. 126,

dat Keizer Carel, nadat hy den vrede te Augsburg had #ke: , uit mis- ""

noegen de pen gekraakt had.

S. 71:

Dienvolgens geraakte ook Hoogtgemelde Keurvort, Johan Endes


Frederik (want dezen titul behield hy met verlof van den Kei- zver te
-

Aa 2.

Z GT,

194

D E GO U DE EN ZI L V ER E

#a zer, zoo lang als hy leefde) weder in zyn land. Wanneer hy


" van Augsburg te Nurenberg, Coburg, Eienach en Saalfeld
quam, wierd hy door eene ongelooflyke menigte met ontallige

vreugde en liefdes tranen ingehaalt (l). By de intrede echter


in zyne reidentie Weymar, zegt men, dat zich een wit kruis,

als ten teken van goddelyke genade, aan den hemel zou heb
ben laten zien (m). Hy wierd met alle recht de vrome ge
naamt en tierf den 3. Maart 1554 ; wierd ook van de ganche

Evangeliche kerk met een ganch byzonder gedenkteken in de


Schriften vereert (n).
A A N M E R K IN GE N.

(l) De omtandigheden van de vrylating en terugkomt van dezen god


vruchtigen Keurvort, kan men met vermaak lezen ten delen in Heer Mul
lers meergemelde Saxiche Annales by 't iaar 1552. deels in Heer Pfeffenkorns
# 177. Thuringche Merkwaardigheden, als mede in Heer Hnns Coburgche Kronyk,

***

en by andere Saxiche Hitoriechryvers.

1. c.lib.

(m) Dit bekrachtigt M. Adam Rempius in zynen hitorichen Saxichen


Calender, by 't iaar 155z., voornamentlyk echter Hortleder met volgende

III. c. 88. woorden : ,, Wanneer Keurvort Johan Frederik den 26. September

" 2 , 15 yz uit zyne gevankenis zyne intrede te Weymar deed, wierd in dat
,, zelve uur van

intrede op den helderen dag een lang wit kruis in de

,, wolken over derwaards gezet, gezien, welke vorm zyne Keurv. Genade
,, voor de neerlaag, zoo als ook deszelfs zonen midlerwyl, hoewel met

,, vier gelyke weerhaken, den dienaren nevens deze letters: V. D. M. I.


,, AE. Dat is: Verbum Domini Manet In AEternum op de livrei pleegden
,, te geven ; iegenswoordig ontbreekt de ecne haak.
(n) 't Zelve betaat in deze woorden : Johan Frederik, van Godes Ge

nade verkoze getuige van Jeus Chritus, Hertog der Verdrukten ; Vort der
Geloofsbelyders ; Graaf der waarheid; Vaandrager van 't H. kruis , Voor
tander der geduld en Standvatigheid, erfgenaam van 't eeeuwig leven. Zie
Wilckens, Saxiche Nepos, uit Spangenbergius en Chytraeus Te Wey
#
is in de tadkerk de metale Tombe met een ganch ander op

#hter

CIII'lft,

S. 72.

is; 3.

Kort daarop geraakte Keurvort Maurits, met Albrecht ,

#" Markgraaf van Brandenburg in een zwaren oorlog, waarin hy


Maurits den 9. July 1553. by Peina in 't Luneburgche, zegenpralende

peren neuvelde. . Hem volgde in de regering zyn Heer broeder,


opv# Keurvort Augutus, die door het hertellen van de vrede en
Augutus rut, midsgaders van zyne tamelyk verwoete landen, beroemt

heeft gemaakt, aangezien hy gedurende zyne Keurvortelyke


regering maar eens oorlog heeft gevoert, te weten in deniare

1567. en voor 't overige de religie-zaak met ongemenen yver


en zorgvuldigheid ter herten genomen, weshalven hy ook van

God met tydelyke goederen op 't rykelykte gezegent is. In

den iare 1554 vergeleek hy zich met den geboren Keurvort


vergade. Johan Frederik uit den grond, en beleide in den iare 1561, te
# Naumburg eene vergadering, waarin van alle de Protetantche
#" Keur en Vorten, uitgenomen eenige weinige, de in den iare
isis.

153o. te Augsburg overgegeve Belydenis, andermaal gete


kent wierd (o).

**

'

AAN

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 19:


A A N M E R K I N G.
(o) Hiervan heeft de meergemelde Heer George Paul Hnn in den iare
1704 uit de regiters en authentique tukken grondige naricht gegeven in
eene afzonderlyke verhandeling, genaamt : Hitorie van de vergadering,
welke de Evangeliche Standen in den iare 1561. wegens andermalige tekening

der onveranderlyke Augsburgche Belydenis en aantaande Concilie van Trent, te


Naumburg hebben gehouden ; in 8.

Eenigen tyd na deze handeling, naamlyk om den iare 1568. begon Ju- Vorte:
lius, Hertog van Bronswyk, een zeer pryswaardig Heer en zoon van Her- ##e
tog Hendrik den iongen, zyne van den Heer vader gerfde landen te her- Eche

vormen, ten welken einde hy 157o een Vortelyk School in 't klooter Reforma
Gandersheim, en van 't zelve 1576. de Univeriteit te Helmted tichte. tie 1568,
Het bekende Corpus Dottrinae Julium, waarin de Vortelyke Bronswykche
Kerkenchikking, midsgaders de Symboliche boeken en andere tot 't ge

loof behorige Schriften onthouden zyn, draagt van hem den naam. Hier
ontrent kan een zeer rare penning, waarvan de Heer Molanus de goedheid
heeft gehad, my eenen chets te zenden, eenigermate een getuigenis vers
trekken.

Dezelve voert:

OHINWIELCHISIDIER
MENSCHIIBILINID
G. AIR NICIHITS

GSICHIT

a Een geharnate arm, meteen opgeheve zwaard in de hand,


als om een houw te doen. Daar tuchen in taat een helder
brandende kaars ; om den rand leet men : A DEO PRO

IM PERIO. Dat is : Van God voor het Ryk.

. b. Deze Duitche rymties: HEER IN MY ONTSTEEK


HET GELOOFSLICHT, ZONDER 'T WELK
DE MENSCH GANSCH NIET GSICHT. (ZIET)

H. V. P. die den naam van den tempelnyder betekenen (p).


f

A A N M E R K IN G.

(p) Deze medaille is een goudtuk van 10 dukaten; ze is ook in zilver,


dog beide zoorten, zyn zoo als de

# Heer Abt Molanus aan my

chryft, zeer raar, om dat de tempel reeds overlang aan tukken gepron
gen is. " Hertog Julius echter toonde door dezelve, dat hy bereid was, om
desnoods zyn zwaard zoo wel tot verdediging van 't Roomche Ryk, ak
van de goddelyke waarheid te voeren.

E96

DE GO U DE EN ZI LV ER E
S. 73.

Wanneer echter na

' '

# van eenige iaren, toen het ge

chil over de Adiaphorus of Middeldingen tuchen de Saxiche

Godgeleerden, naauwelyks was belit, eenige ourutige hoof


den in de lere van 't Sacrament van 't H. Avondmaal, van bei

de naturen in Chritus, van deszelfs perzoon en Maieteit enz.


van den inhoud en mening der Augsburgche belydenis op eene
vermetele wyze afgingen, en zulks niet zonder gevaar van de
kerk cheen te zyn, zoo veroorzaakte de tweedragt den zorg

vuldigen Keurvort geene kleine verlegenheid, ondertuchen


bragt hy den handel door den bytand van goddelyke genade,
tot een gewencht einde, aangezien hy 1574. te Torgau een
Sinode of Vergadering der geetelykheid bechreef, en van zes

verkoze voortreffelyke Godgeleerden de Formula Concordiae in


den iare 1576, met grote omzichtigheid liet optellen, welke
zoo voort in den iare 1576 en 1581. in alle zyne landen afgele
zen, en aan te nemen, bevolen, midsgaders van de meete E

vangeliche Vorten en Standen goedgekeurt wierd , wanneer 't


onkruid op des Herenakker voor den dag quam, en aldus wierd
uitgeroeit, te weten, de dwaalgeeten, die de gemelde For
mula niet wilden tekenen. Deze zaak vinden wy door drie zeer

fraaie en gedenkwaardige penningen vereeuwigt. Waarvan de


eerte voert.
"

a Het bortbeeld van Keurvort Augutus, nevens den titel,


w

AUGUSTUS.
Gratia.vanDUX.
SAXoniae.
E
#Ctor.
Dat is:Dei.
Augutus,
Godes genade
HertogET
en Keur
ZX07 /f.

b. Een chip, dat op de ontuimige zee niet weinig word ge


lingert. In deszelfs grote zeil ziet men den Heerehritus aan

't kruis, en aan de mat den Keurvort geharnat, met het


zwaard op chouwder , het chip word betormt door eene menigte vyanden, die met peilen chieten, en met zwaarden na

den Keurvort houwen, die echter zyne kloekmoedigheid door


deze woorden te kennen geeft: TE GUBERNATORE,
Dat is : Als gy het chip regeert (4).
-

( * *

AAN,

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER 1,7


AAN MER K 1 N G.
(q) Van deze fraaie medaille heeft men drie vercheide tempels, welke
echter zeer weinig van elkanderen verchillen, en in Tentzels Saxiche Me

datllen-Hitorie, eerte Deel van de Albertinche-linie konnen worden ge-Tabxt.


zien, daar onder voor allen uitblinkt de chets in goud, welke in 't hoog-n. 5. 6. 7.
graaflyk kabinet te Arntad is. De chets echter, dien hy uit Luckius
geeft, is niet alleen op 't Revers verkeert, maar ook groter getoken, als taxi
ze behoorde te zyn, diergelyke mitating by Luckius ganch gemeen is, : :
aangezien Heer Schlegel in zyne Diertatie de Nummis Gothanis zulks ook ""
aanmerkt.

Ondertuchen is men ontrent de

verklaring van den zelven

ganch niet zeker, om dat 'tiaargetal niet daarby is gevoegt, waar door ze

teenemaal in giingen betaat. De eerte mening is van den bovengemel


den Hofprediker te Dresden, Heer Gleich, die in zyne Anno 1698 te
Leipzig in 4 in 't licht gegeve Diertatie de Hitoria Numimatum Nava- , .
lium
dat deze
gemelde
de Gothche
onrut r
van uccinta
1566 en beweert,
1567 te trekken
zy,
waarinMedaille
Jacobus op
Typotius
in 't Twede
#n

Deel van zyne Collectiones Numimatum, te Arnhem in 12, gedrukt, hem


toevalt, die ter zelver tyd de betrekking maakt tot de veelvuldige vervol,
gingen, welke die Keurvort van Hertog Johan Frederik van Saxen en |

deszelfs aanhangers heeft ondergaan. Van die zelve gedachten is ook L. pag. 28
George Weie, in zyne diertatie de Symbolis Heroicis Elettorum Saxoniae 19 ***
en verklaart het omchrift van 't Revers met 't volgende Epigramma van
Nicolas Reusnerus:

- -

e, Chrite, vela pando per moris vias,


TE, inquam GUB ER NATO RE, &5 aupice, &# Duce,
Tu Dux & auctor olus & es vitae deus;
Tu tutor es alutis & cutos mae ,
Provinciae tu rector &# praees bonus:

sie #E GvB ER WAfo RE tutus navigo.

v'

Dat is:

,, Als gy myn chip regeert, O Chritus' door de ontuimige zee, zoo


,, zeil ik ganch veilig voort, Gy alleen zyt myn leidsman, Schepper en
,, God van myn leven, gy zyt de bechermer en bewaarder van myn heil,
,, gy zyt de Regeerder en goede Voorzitter van 't land, en aldus vaar ik

,,, onder uwe betiering zonder cenige vrees.

! . .'

Niet minder poogt de Heer Tentzel in zyne Schediama van de Keur-en alti:
Vortelykc Saxiche Krygs- en Vredes-Medaillen te bewyzen, dat deze

#t.

Penning gelagen zy ter gelegenheid van de Belegering der tad Gotha,


door den Keurvort Augutus, 't welk de Heer Schlegel aanneemt, dog 1
zoo dat hy insgelyks 't oog op de vervolgingen van de Gruinbachche Fac- # x
tie
heeft, ben ikook
in zyne
Syllogis uitgave
Nummorum.
deze # 46o
se
gedachten
ookLuckius
geweetdoet
in myne
Lateinche
van ditVan
Werk,
1

maar heb aan de andere kant daar bygevoegt, dat 't niet on

erymt zou

zyn, als deze Penning op de moeijelykheden, die Keurvort Augutus


door de Religie-zaak heeft geleden, toegepat wierd , om dat de vergely
king van een gelingert Schip, dat van vyanden betormt word , met de
trydende Kerk niet onbewut is, en de Keurvort aldus heeft willen te

vertaan geven, dat hy onder de becherming van zynen Heiland buiten al


le gevaar was.

Midlerwyl heeft Heer Tentzel in de Saxiche Medaillen

Hitorie de bovengemelde gedachten eenigzins verandert, en uit de over


eenkomelykheid van een afbeeldzel van Keurvort Augutus, met dat van

de Medaille in quetie, beloten, dat dezelve


tot den Vortendag
behoorde, die 1561 te Naumburg is gehouden, als waarop zeer gewich
tige Religie-zaken op de boven verhaalde wyze zyn verhandelt, en derhal
ven zy die Penning aan de toenmaals vergaderde grote Heren omgedeelt.
Zyn voornaamte bewys ontleent hy van den baard van den Keurvort
Door

195

DE G O U DE EN ZIL VER E

Doordien hy echter Tab. XI. drie vercheide chetzen van dezen Penning

mededeelt, zoo beluit hy daaruit niet onbillyk, dat die drie Medaillen, te
weten ontrent den tempel, niet alleen tot den Gothachen oorlog, maar
ook in andere gelegenheden, en by gevolg meer dan eens gebruikt zyn.
En derhalven heb ik boven gezegt, dat geen van alle drie verklaringen on

#.
# redelyk was, te meer wyl myn gevoelen daar door bekrachtigt word, om
nz.

dat op beide zyden der # voor te tellen grote Medaille, die


zonder twyffel ter gedachtenis van de Kerkelyke byeenkomt, 1574. te

Torgau bechreven, gelagen is, de Keurvort insgelyks zoo eenen baard


draagt, zoo als de laatt voorgaande kleine Medaille vertoont. De Heer
Tentzel zelf keurt dit goed, om dat hy uitdrukkelyk meld, dat uit den

tweezikkigen baard van den Keurvort blykt, dat 't Devys met 't Op
chrift: Te Gubernatore, ten tyde, toen men de Formula Concordiae invoer
de, vernieuwt was.

De twede is een grote penning, en voert:

t-

#
V

[YS

s'-Dis

a De beeldtenien van Augutus en Johan George, Keur


vorten van Saxen en Brandenburg, elkanderen omarmde. De
eerte geeft aan den laatten een boek, 't welk dezelve met de
linker hand aanneemt. Op den rand leet men : CONSER
VA

AP UD NOS

VER BUM T UUM DOMINE.

Dat is : Bewaar uw woord by ons Here ! Beneden taat AU


GUSTUS. Dei. Gratia. D UX. SAXO NIAE. ET. E

LECTOR. &c. Dat is : UAugutus, van Godes genade Her


tog van Saxen en Keurvort.

b De Elvetroom verby de tad Torgou en naburige teden,


van verre ziet men ook een gedeelte van de tad Wittenberg.
Op den rots, waartegen gechreven taat : SLOT HAR
TENFELS (is 't treffelyke Slot te Torgau) taat de Keur
vort in een harnas , houd in de rechter hand een zwaard, in

de linker eene waag, in welkers eene chaal zit het kindje Je


us ; daarboven leet men : DE ALMA GTIGHEID. In

de andere leggen en zitten vier mannen, die met trekken aan


de touwen, en met uittrekken, alle kragten inpannen, om de
zelve na hare kant te doen overhellen ; boven op den evenaar
zit de duivel, en onder denzelven leet men HET VER

NUFT.

Boven in eene wolk verchynt God de vader, als of

hy den Keurvort aldus toeprak JO SUA, I. CONFI R E.


OIT.

EER GEDACHTENIS VAN LUTPIER.


NON. DE

RELINQUAM.

199

Dat is : Zyt terk en

hebt goeden moed, ik en zal u niet begeven, nog en zal u niet ver
laten. Beneden leet men : A PU D. DEUM. NON. E ST.
IM POSS 1B I LE. V ER BUM. ULLUM. L U Cae. I.
CONSERVA. AP UD. , NOS. VERBUM. TU UM,

DOMINE. 1574. Dat is : Geen ding is by God onmogelyk,


Luce 1. O Here ! bewaar uw woord by ons 1574 (r).
-

A A N M E R K IN G.

(r) Luckius heeft van deze medaille maar 't revers medegedeelt, doch
ik heb beide zyden bekomen, zoo wel uit 't Hoogvortelyk kabinet te
Gotha als uit de boekery van den Raad te Leipzig , zynde de eerte eene

lode chets, met den tempel gelagen en de laatte in zilver afgegoten. De


bete verklaring van dezen penning geeft de Heer Tentzel, midsgaders de
Heer Schlegel in zynen Munt-Bybel en Supplement, waarby ik niets weet te
voegen. Ondertuchen verdienen alhier te worden herhaalt, de bedenker

lyke woorden, welke wylen D. Philip Jacob Spener, Koninglyke Prui


iche Conitoriaal-Raad en Proot te Berlyn, in de Levensbechryving van

Vrouw Magdalena Sybilla, nagelatene gemalinne van Johan George II,


Keurvort van Saxen, gebruikt, te meer wyl dezelve zeer fraai op deze
tyden konnen worden toegepat, nu de eenigheid der Saxiche en Branden
burgche kerken, zoo als bewut, andermaal gezocht werd, ook zoo God

genade verleent, veellicht wel of een nieuwe Formula Concordie opgetelt,


of de eertyds van Johan George, Keurvort van Brandenburg zelf aangeno
mene, opnieuw zal worden goedgekeurt zyne woorden luiden aldus: ,,De
,, Heer Grootvader was de doorluchtigte Vort en Heer, Heer Johan Ge

, orge, Keurvort van Brandenburg, een Heer die zich om ons Duitch
, land voortreffelyk verdient gemaakt en met den dierbaren Augutus,
,, Keurvort van Saxen, ruim 3o iaren als een boezemvriend geleeft heeft.

,, Deze beide Vorten zyn de geene geweet, welke van de Standen in za

, ken, den gemenen toetand des Ryks en de waarachtige religie betref, fende, dier tyd meet hebben gedaan, hebbende de Heer hare raadlagen
, veel gezegent, en hen daardoor grote achting verworven , voornaamlyk
, heeft de gemelde Johan George, Keurvort van Brandenburg, die de

, gemene tamvader is van alle de alsnog levende Keur-en Vorten uit dien
,, doorluchtigten huize, de reinigheid der lere zeer ter herten genomen,
, de Schriften van onzen dierbaren Luther den kerken van zyne landen
, zeer aangeprezen, en de Formula Concordiae helpen bevorderen, gete
,, kent, en den zynen nagelaten, enz.

De

zoo

D E GO U DE EN ZI L VER E

a De beeldtenien van beide Hoogtgemelde Keurvorten in

ordinaris gewaad, omvattende Johan George, Keurvort van


Brandenburg,
Augutus,
Keurvort
voorte vinger van
de linker
hand eenvan
ringSaxen,
teekt, aan
dienwelkers
hy den
Keurvort van Brandenburg als ten teken van vriendchap aan
bied. Rontom leet men deze woorden : PAX. MULTA.

DILIGENTIBUS, LEGEM. TUAM DOMINE.


PSAlmo 118. of beter P. 119. 165. Dat is : Die uwe wet

beminnen, hebben grote vrede, o Here ! LOF ZY GOD:


Beneden : Dei. Gratia, AUGUSTus, ET. JOHAnnes.

G EO Rgius. U TE R QUE ELECTO RES IM Perii.


Dat is: Van Godes Genade Augutus en Johannes George, beider
zyds Keurvorten van 't Ryk. Even daaronder ziet men 't jaar
etal 1581., 't welk men echter in de chets, die de Heer
Tentzel geeft, ganch bedekt onder den hoed van den Keur
vort van Brandenburg ziet (s).
A A N M E R K I N G.

(s) Deze medaille hebben wy ook uit Luckius genomen, welkers re

vers tot nu niet is gevonden. Luckius noemt dezelve cene gedenkpenning


van Augutus, Keurvort van Saxen, ter oorzake dat hy het chritelyk
Concordieboek, als het Symbolum van alle ware Lutherche kerken in den

iare 1581. zoo gelukkig had ten einde gebragt. En hierin heeft hy gelyk.
Want 1574 is de voorbereiding tot 't eenigings Formulier te Torgau ge

maakt, 't zelve op eene andere vergadering aldaar 1576 verchoven, om


verder te worden overwogen, in den iare 15.77. ondertekent ; 1579 wer

reldkundig gemaakt;
ter drukperze bevordert en 1581. het ganche
werk door Godes genade voltrokken en door eene byzondere apologie ver
dedigt, in welken tyd de Keurvort Johan George den Keurvort Augu

1. c, pag. tus te Dresden heeft bezocht, zoo als Tentzel aanmerkt, en de verklaring
17o.

van Luckius over den inhoud van dezen gedenkpenning, aldus voordraagt:
,, Na dat de Keurvorten hunnen wench hadden,

# kerken met de

, Formula Concordiae getilt waren, zoo wilden zy God danken, en door


,, hunne omarming hun conent in de religie, als de ware grond der eenig
,,heid, te kennen geven. Wat haddenze echter daarmede gewonnen ?
,, Wytze God lief hadden, zoo haddenzc vrede in 't gewien, rut in hun
, ne vortendommen, gezonde gelukzalige kinderen en bloeiende onder

#" , danen. " Johan Wolfgang Rentch meld in de Brandenburgche Cedern


*

Hayn, de liefde tuchen beide Keurvorten zy zoo groot geweet, datze


elkander dikwyls als broeders hadden gekut, en bevolen, dat men by hun
ne begraafnis elkanders afbeeltzel met hen in 't graf zoude leggen. Voor 't
overige kan ik nog gewag maken, dat veellicht den minten bewut zal

zyn, dat naamlyk 't gechreve originele-exemplaar van de Formula Concor


diae, dat 158o. te Dresden op de drukkery gedient heeft, van den meerge
melden Stadprediker aldaar, M. Johan Hendrik Kuhn, in de Sacrity-Bi
bliotheek van de Hoofd-Farkerk aldaar ten Heiligen kruis, vereert is, zoo
als ik zeer wel weet, eertyds van wylen dien man zelf te hebben gehoort.
En doordien dat exemplaar aldaar zekerlyk nog voorhanden zal zyn, zoo
zullen dezelve zeer wel doen, die voortaan achtervolgens 't voorbeeld van

den Heer D. Philip Muller, Hoogwaardige Proot ter gelukzalige Maagd


te Magdeburg, Hoogvortelyke Saxiche Opper-Kerkenraad en Profeor

Theol. emeritus te Jena, als van welkers vlyt men de nieuwe uitgave van
de Formula Concordiae met aanmerkingen ten eerten te gemoed ziet, van
voornemen zyn, om dezelve andermaal in 't licht te geven, dat ze zich
van 't bovengemeld exemplaar bedienen.
"

S74.

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER 221


S. 74.

Na dat de Keurvort Augutus den 11 February 1586 was

Chritiaan

eerte ,
overleden, volgde Chritiaan I. hem in de regering, een vroom de
Keurv. edelmoedig Heer. Zodanige zachtzinnigheid misbruikte echter vanSaxem ,
zyn Kancelier, D. Nicolaus Crelle, (t) welkers eenzydigbeel
tenis wy niet onaangenaam hebben geacht, by deze gelegen
heid uit het kabinet van den Heer D. Carpzovius, Opperhof

prediker te Dresden, voor te tellen. Het omchrift luid : NI

COLAus. KR ELL. Juris. Utriuque. DOCtor. AET ATis.


29. Dat is : Micolaas Krelle Doctor der beide rechten, oud 29.

iaar. Hy misbruikte zeg ik, de goedheid van zynen Meeter


tot de chandelykte quaadaardigheid, dat hy de met zoo veel
moeite en koten van tachtig duizend Hollandche guldens (u)
in tand gebragte Formula Concordiae abolut weder wilde af

chaffen, en daarentegen allerhande gevaarlyke dwalingen in de


Keurvortelyke landen met geweld invoeren. Als echter de
Keurvort den 25. September 1591. tierf, (x) en Frederik

Willem, Hertog van Saxen Weymar nevens Johan George ,


Keurvort van Brandenburg, de adminitratie van Keur-Saxen,
midsgaders de voogdychap over de drie nagelate Prinen, te

weten, Chritiaan den tweden, Johan George en Augutus op


zich nam, zoo onting de onrutmaker D. Krell, zyn welver
dienden loon, van zyn nood bedryf, en wierd na een tienia
rig gevankenis in de veting Knigtein, in den iare 16o1. ein
delyk te Dresde op de openbare merkt onthoofd.

A A N M ER K 1 N GE N.
(t) Zie Anton Wecke, Dredenche Kronyk, Muller, Saxiche Jaar- P.II.i,
boeken ; Arnold, Ketter-Hitorie , Schlegel, 't Leven van Theophilus Gla

399.

er, Superintendent te Dresden, en Nicolaas Bluhm, Farheer te Dohna,

boven Dresden, Lykpredikatie over den onthoofden Kanzelier , pag. 64.


zegt hy : Dat de toenmalige vermaarde Rector ter Vortelyke Saxiche
Landchole te Grimma, Adamus Siberus, eens tot dezen Krell, als zynen
Dicipel, zou hebben gezegt : Gy zult nog eens 't verderf en # 't va 1pagm:
53
derland zyn. In de Levensbechryvinge van Philippe du Pleis Mornay
1647. te Leiden in 4to gedrukt, word D. Krell als een voortreffelyk man
en zyn vriend geroemt, ( Nicolaus Crellius, Chincelier du Duc de Saxes ,
grand peronnage &5 on amy) en dat onder anderen ook de Heer van Turen
ne 159o met eenen afzonderlyken brief aan hem was gezonden, om een le
ger in Duitchland voor Hendrik IV. Koning van Vrankryk, te werven,
't welk dan ook 1591. onder Chritiaan, Vort van Anhalt, gecomman

deert was. Waaruit dan ten minten blykt, dat hy van den bovengemel
den voornamen Franchen Staats-Miniter, en geleerdte verdediger der

gereformeerde Religie van zynen tyd, een boezemvriend is geweet, waar


van echter de Saxiche Gechiedchryvers niets melden.
(u) Deze om toont de Heer Muller in zyne Saxiche Jaarboeken.

fol. 192 !

(x) Te Dresden in de H. Kruiskerk aan 't Choor tegen over de Biegt


toelen,9 ziet men 't afbeeldzel van Chritiaan I., Keurvort van Saxen,
levens

grootte, zeer choon gechildert, als bloedende uit de neus en 't

aangezicht van 't altaar afkerende, terwyl daar en tegen de afbeeltzels der

andere Keurvorten de oogen op 't altaar hebben. Men vertelt, dat dit
tuk vercheidemaal zou zyn gechildert met 't aangezicht na 't altaar ge

keert, dog dat 't telkens de oogen van zelfs weder daar af had getrokken,

wat van de waarheid zy, laat ik anderen


onderzoeken,
- Bb
2
-

* *

-- -

- A. v. * .

S 75,

2e2

D E G o U DE E N z't L. v E RE

/
-

0,

75.

feer.

Nu tont my wel de weg open, om tot de verklaring der

Geprek

Jubelpenningen over te gaan, ondertuchen zal my geoorlooft

teRegens
burg,

zyn, nog iets by te brengen, dat tot myn oogmerk zeer dien
tig is. Te weten, in deniare 16o1: wierd door toedoen van

Philip Lodewyk, Paltsgraaf aan den Ryn, van de Neuburgche


linie, en Maximilianus, Hertog en naderhand Keurvort van

Beyeren, een geprek tuchen de Godgeleerden D. Aegidius


Hunmius en D. Jacob Heilbrun, van de zyde der Evangeli
chen, midsgaders D. Hungarus en D. Jacobus Greterus, van
die der Pausgezinden, over den regel en richtnoer van 't ge
loof gehouden. Ter dezer gelegenheid wierden toenmaals twee
penningen gelagen, waarvan op de bovengemelde wyze de Je
uit Greterus ook gewag gemaakt heeft. .

De eerte is reeds S. 65. mum X V. bechreven, zo dat wy

enkelyk de chets daarvan zullen mededeelen.

De twede voert:

(EA

* *

\,
3
S#3i
INKA k: 'A
S&c.Ei
\

S&##

="3"
T Z v/

geuite z:/

ANETF K&

o.

&#2

a Zoo als de naatvoorgaande,


b Eene vrouwsperzoon, die op eenen zevenhoofdigen draak
zit, en eenen kelk in de hand houd.

Beneden leet men : DE

GROTE HOER BABYLON. Het omchrift luid:


w

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 2e,


DE IK ZAG , DAT DE VROUW E DRONKEN

WAS VAN 'T BLOED DER HEILIGEN, ENDE


VAN 'T BLOED JESU. APOC Alypeos (Openbarin
ge Joannis) XVII. 6. (y).

A A N M E R K 1 N'G.
(y) De Heer Schlegel bechryft ook beide deze medaillen in zyne Munt-

# 31 3

bybel en in zyn Supplement.

Om dien zelven tyd quam ook een Monnik en Prediker van Praag in # 3
Bohemen, genaamt Gottfried Raaf, te Wittenberg, en deed aldaar open- #ie
bare belydenis van de Evangeliche-Religie. (z) Ter eere en gedachtenis TT
van die
zyn van eenen vermaarden Stempelnyder te Nurenberg,
Valentyn of Ulrich Mahler, twee Penningen gelagen. Doordien dezelve
de gedachtenis van Luther en Hus vernieuwen, zoo verdienenze, op de
ze plaats te worden ingelat.

De eerte voert:

GANS GEBRATEN-ANNO
MIDXXI-ZVT WORMS ISTS
DEMISCHWANEN GERATN
AsMDCI-z VT WITTEMBERG
DENR AABEN GOT BEWAR
A. S. MACHIDAS KINDT DER
SVND OFFEBAR o
2e THES 2 DANI-J2 ,
GODEFRID RAB

a In de bovente helft een gans en een zwaan, die elkande


ren aanzien, en Hus en Luther betekenen ; in de andere helft

zit een raaf op een misboek, waarop de driedubbelde pauzely


ke kroon legt. Ter zyde het boek ziet men drie torens van

een kerk, eene Pauzelyke bul, met uithangende zegels, een


roceie-vaantie, en eene aartsbichoppelyke taf. Beneden

# men : CUM.

PRIV Ilegio. Caeareo. En om den rand:

EN DE KONING ZAL DOEN NA Z YN WE L


GEVAL LEN EN ZICH TE G ENSTELLEN EN
VER HEFF EN BOVEN AL DAT GOD IS. DA-

N Ielis 12 (11. vers 3.) 2 THEalonicenes. 2.

b Dit Duitche opchrift : ANNO. M. CCCCXIIII. TE.


COSTNITS. WIE RD. DE. GANS GEBRADEN.
A N N O. MD XXI. T E. W OR M S, IS 'T DEN

ZWAAN. GERADEN. ( gelukt ). Anno M DCI. TE.


WITTENBERG. DE N. RAAF GOD. BE WAAR.

iMAAR HET KIND. DER ZONDEN OPENBAAR.


2. THE Salonicenes. 2: DANIelis. 12. GODE FRID.

RAB. D. D. V. M. (a)
,

. ..

..

is,
-

D E G o U DE EN z I L. v ER E
A A N M E R KI N G.

(a) Ik heb deze laatte letters in den beginne aldus verklaart : Dottor.

PR ** Divini. Verbi. Miniter... En de Heer Schlegel heeft my in zynen Muntby


bel gevolgt. Zeker vriend meent, deze letters konden ook heeten.

Doktor. Van. Munchen.

De.

Een ander legtze aldus uit. Dicat. Dedicat. Van.

Maler. Zonder twyfel echter moet het wezen : Disat. Dedicat. Valentyn.
Maler.

Dat is: Ter eere van Gotfried Raaf heeft Valentyn Maler dezen Pen

P.m,96. ging gelagen, en hem toegewyd. Want dat deze Valentyn Maler, dien de
-

Heer Jacob van Mellen in zynen Syllagis Thalerorum Imperialium Ulricus

noemt, te Nurenberg geleeft, en eenen zoon, genaamt Chritiaan Maler,


insgelyks een vermaard Stempelnyder, heeft nagelaten, verzekert de Heer
f, 13, 14 Tentzel in zynen Schediama van de Saxiche Huldings-Penningen.

De twede is eenigzins kleinder en voert:

a Zoo als de laattvoorgaande.

. b. Dit Duitch opchrift : ANNO. 1414. TE. COST


NITS. DE GANS GEBRAD EN WIERD.

Anno.

152 1. DEN ZWAAN TE W ORMS GOD BE


WAART. Anno. 16o1. NA. WITTENBERG. GE

VLOGEN. QUAM. EEN RAAF. DIE. ZONDER.


A L L E. SC H A A MT E. ZY N. HE L SC H. GE
SCHREEUW. VERLATEN. HEEFT. NU. LIEF

LYK, ZINGT DOOR. GODES. GENADE. GO,

DEFRID. RAAF. D. D. V. M. (a).

A A N M ER K IN G.
(a). Onder eene kopere plaat van dezen Gottfried Raaf zyn de volgende
woorden te lezen, waaruit bet zal blyken, wie hy eigentlyk geweet zy: ,
Gottfried Raaf, eertyds Monnik en Prediker te Praag ten St. Thomas, in den
jare 16o1 oud 37, Wittenberg,
,
-

Beneden echter taat:

"

In Frankenland te Neigentad (Neutad aan de Saal, tigt Wurtsburg)


Myn moeder my geboren had

. .

Als ik bereikt 't achtiende jaar, . . . .

Te Wurtsburg quam in 't klooter daar,

Na twee jaar ik daar beloofde aan,


4

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 2es.


Den Monniks-orden niet te la'en.

",
. .. ( | |

Te Freyingen in Beyerland,

/ . . .

Ordineert men my Prieter ter hand,

..

Myn eerte Mis ik daarop deed


Te Mnchen in de fyne tad,
Gemeen Prediker ik ook ben worden, ,,

..

..

Van den ganchen Augutyner-orden. ''


Als ik nu oud was dertig jaar,

Daar by nog zeven neem wel waar, *


Te Praag een Keizerlyke tad,
God my genadiglyk verlicht had,
En gevoert uit des Pauzen tand,
Na

| |
-

. .

# in Saxen-land,

-- -

Daar heb ik opentlyk bekand


Des Pausdoms gruwel, zond en chand,
Ook dat de Paus van Rome zy,
De Antichrit, beken 't nog vry.
O JESUS CHRISTUS GO DES Zoon,
Die voor my hebt genoeg gedaan,
Bewaar my by itw heilzaam woord'

- -

Dat ik u love nu en voort.

Red ook van myne broeders meer,

Van den Paus en zyne valche leer.


Betendig met Nydt.

Te Magdeburg, by Johan Franken.


Voor 't overige maakt de meergemelde Jeuit, Jacobus Greterus, in de
laatt aangehaalde woorden van zynen Commentariolus, dien ik het geluk
nog niet heb gehad, te zien, gelyk dan alle de Schriften van Greterus ic
genswoordig zeer raar zyn, insgelyks gewag van deze Penningen.
S. 76.

By deze twee penningen van Rabus, konnen de twee vol

gende worden bygevoegt:


"

De eerte voert :

V-

2.

- -

...

'
* -

. . .. .

-, 1 f

r -

-,

iA

r,

en

. . .

'

fik,

k' .

v.

Cr

t 1)

V
-

-- -

1,5

i
!.

+ |

,||

| |

it
!

... I

*. . . ..
t

' -- f i .

- ' I '

-r

' a Een open boek, waarop twee duiven zitten, die trekke
bekken ; daaronder taan de letters: S. C. en om den randt:
RELIGIO. A MOREM.

1-'t

b. Een lam, dat van eenen Wolf, op zyn Jeuitch gehult,


over

206

DE

G O U DE EN Z I L V E RE

overvallen en gebeten word, met deze woorden : NON.


CAE DE S. F

&# VET.

clo IocX. Dat is, als men beide om

chriften by malkanderen voegt : De religie baart liefde en niet


oproer. 161o. (b).
A A N M E R K IN G.

(b) Vermoedelyk ziet deze Penning op eenige intrigues der Jeuiten ie


gens de Evangelichen om dien tyd, ik hebbe veel moeite aan ewend, om
eene
daar van tetot
hebben,
dog te vergeefch,
.
Deeigentlyke
Schryversverklaring
van 't Supplement
de Pennigkundige
Hitorie van
Holland van den Abt Bizot, vergenoegen zich insgelyks, om dezelve zon
der verklaring mede te deelen, 't zy dan dat men ze op de toenmaals aldus
genaamde en te Wurtsburg gelote Catholyke Ligue wilde toepaen. Be
denklyk is de applicatie, welke meergemelde Heer Opperhofprediker te
#, D. Carpzovius, in de Keur-Saxiche Landdags-Prediking 1699.
met deze Medaille heeft gemaakt.
De twede voert :

, SQ,

AS)

GOTTESWORT

NA/TINDLYTHERS
V

ILIEHIR

t/WIRIDVERGEHEN
/ \NINMIMERMEIIR
WX

% cs N. J.5 63

a Het bortbeeld van Joachim II. Keurvort van Branden


burg, het hoofd met een calotie gedekt, met dit omchrift :

JOACHim. MARKgraaf TE BRANDENburg. 1564


b Deze woorden :

GOD ES WOORD EN LUTHERS LEER

ZAL VERGAAN NIMMERMEER. 1564. (c).


A A N ME R K IN G.

(c) Deze Penning taat in de Collectio Seideliana, waar uit wy ze ont


leent hebben, de Heer Schlegel echter bechryftze in zynen Muntbybel na
een zilver origineel, dat drie loodzwaar was. Zeker is, dat ze Joachim
II. Keurvort van Brandenburg, toebehoort, maar onzeker, by welke ge
legenheid dezelve gelagen is. De Heer Schlegel acht, als of hoogtge
melde Keurvort daar mede zyn oordeel van Luther en deszelfs leere heeft
willen aan den dag leggen, om dat hy onder anderen ook van 't H. Avond
maal deze belydenis heeft gedaan : ,, Het gevoelen zyner Keurvortelyke
,,Genade van 't H. Avondmaal is, dat in 't Avondmaal 't waarachtig lic

,,haam en bloed Chritus, niet alleen geetelyk, maar ook lichaamlyk


, aangeboden en uitgedeelt werde, zoo wel aan boze als goede Chritenen,
, naar luid van de Definitio Eccleie en de woorden van St. Paulus, en dat

, hierin niet alleen op de vromen zy te zien, want anders zoude niemand


,, verzekert zyn, of hy Chritus lichaam ontfangt, om dat niemand ie
gens

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER 297


s, gens God op zyne vroomigheid roem dragen konde. Derhalven geloof
, de zyne Keurvortelyke Genade, dat 't niet alleen eene geetelyke pyze
,, zy, maar dat 't ook lichaamlyk ontfangen werde , achtervolgens de

, woorden van Chritus. Op welke belydenis de godvruchtige Keur


vort dan ook 1571-blymoedig uit deze werreld is gecheiden.

Veellicht echter is deze Penning ook op de gerepareerde en op nieuw


met inkomten verziene klooterkerk in de Markche tad Ruppin, gela
gen. Op zulke gedachten brengt my M. Andreas Angelus in zyne Duit-

AM

che jaarboeken der Mark-Brandenburg in fol. 1598. alwaar hy chryft: Pg 363'


,, In dezen jare 1564. heeft de Doorluchtigte Hooggebore Keurvort en
, Heer, Heer Joachim de Twede, Markgraaf en Keurvort van Branden
3, burg, het klooter Neu-Ruppin met alle onderhorige gebouwen, tui
,,nen, vrybannen en voorrechten, niets uitgezondert, aan den E. Raad
,, aldaar op deszelfs onderdanigte bidden en verzoek, genadigt overgege
,,ven. Vervolgens heeft men begonnen, de klooterkerk weder in eenen
,, goeden taat te brengen, en M. Andreas Buchau, Farheer aldaar, de
,, gemelde kerk de H. Drieenheid gedoopt en gewyd, zoo als ze dan nog

, alomme genaamt word. Midlerwyl zyn deze beide verklaringen van


dezen Penning, maar giingen,

W. 77.

Dienvolgens komen wy nu op de penningen, die in den iare Evange

1617, toen 't eerte Evangeliche Jubelfeet (d) op den 31. #


October, midsgaders 1 en 2. November plechtig geviert wierd, 16, 7.

zoo wel van Johan George I. Keurvort van Saxen (e), als
eenige Vorten en teden van 't H. Roomche Ryk, gelagen
zyn , ten einde de nawerreld in volgende tyden zoude zien,

hoe hoog men de goddelyke weldaad van 't wedergebragt rein


Evangelie, alsmede de gedachtenis van den dierbaren man

Gods, D. Martinus Luther, geacht heeft. Ik ben wel niet zoo


gelukkig geweet, van alle diergelyke Jubelpenningen te beko
men, om dat 't onmogelyk is, te weten waar dezelve alle be

rutende zyn ; ondertuchen geloof ik niet, dat er veel ont

breken, en 't geen my van voorname Heren en goede vrienden


is medegedeelt, zal ik hier na de order bechryven. Staat aan
te merken, dat men de Jubelfeeten der Evangeliche kerk moet
verdelen in algemene, welke de ganche kerk, en in byzonde
re, die lechts eenige kerken in zekere landen en teden afzon
derlyk betreffen , dat de eerte in de iaren 1617. 163o. en 1655
en de laatte in zulke iaren geviert zyn, dat men 't Evangelie

voor 1oo iaren by hen opentlyk had aangenomen (f). Ten


einde echter geene verwarring ontta, zoo zullen wy 1. de
geene opnoemen, welke de afbeeldzels der Keurvorten en

Luther voortellen ; 2. Waarop Chritiaan Malbr en andere


Luther alleen hebben vertoont 3. Eenige Jubelpenningen van
Vorten. 4. Eenige van den iare 1617. van Ryksteden , wel
ker betrachting hope ik, beide niet onaangenaam en niet zonder voordeel zal zyn (g ).

A A N M ER K IN GE N.
(d) Bovenheen kan men aanmerken, dat een Evangelich Jubelfeet een
zodanig feet zy, dat op bevel van een Evangelich vort, deszelfs Kerken
raad, Conitorie of Superintendent word uitgechreven, ten einde wegens
de onchatbare door den dient van

Luth:aan de kerk beweze weldaden na


C

Ver

aos D E G. o U DE EN z I L. v E RE
verloop van cenen hondertiarigen tyd, God de Hemelche Vader door zy
nen zoon Jeus Chritus in kragt van den H. Geet, door reine prediking
van 't goddelyke woord, rechtmatige bediening der H. Sacramenten, en
aandachtig bidden en zingen geprezen en gelooft, zulke hoge weldaad met
een blymoedig hert opgeveizelt, in de geheugenis der nakomelingen ge
bragt en 't volk tot tandvatigheid in de belydenis van 't waarachtig zalig
makent geloof, aangepoort werde.
fol.34o.

(e) # Heer Weckens, Dredeche Kronik , midsgaders D. Rechen


berg, Summarium Hitorie Eccleiaticae , M. Mattheus Lunguvizius, Ad

pag. 67o.

miranda Saxoniae ; Ik kan echter niet nalaten, uit een boekdeel van aller

lib, IF. c.

hande Jubelpredikingen, dat in de Boekery van 't Vortelyk School te


Schleuingen voorhanden is, een byzonder chrift alhier van woord tot
woord te laten volgen, welkers titul is : Ditta Sacra Latino- Germanica

6, p. 28.

Annum Feti jubilei Evangelici 1617. deignantia ; publicata a Valentino E


picopio (Bichop) Eccleiae, que et Mublfeldiae in finibus ditionis Saxo-Han

nebergiacae, Patore. Schleuinge, 1618 in 4. Waarin hy in Lateinche


en Duitche Spreuken der H. Schrift, het iaargetal 1617. voortelt,

De Lateinche zyn de volgende.


Coronas annVM benIgnItate tVa DeVs. Palm. LXV. 12.

gLorIeMVr In LaV # tVa. Palm. CVI. 47.


qVI eDes Vper CherVbIM. 2. Reg. XIX. 15. Pal.
LXXX: 2. Dan. III. 55.
repICe & eXaVDI Me. Pal. XIII. 4.
DorMIVI ContWrbatVs. Pal. LV II. 5.
CaptVs et greX DoMInl. Jerem. XIII. 18.
VIDVaM InterfeCerVnt. Pal XCIV. 6.

flebant CaeDes IVVenVM. 2. Macc. V. 13.


poVerVnt eos In CVtoDIaM. Act. IV.

gLorla eorVM non DereLInqVetVr. Syr. XLIV. 13.


ConfVnDantVr oMnes InlqVa agentes. P. XXV. 3.
ert De Vs VobIsCVM. Gen. # 21. Philipp. IV. 9.
aDIVtorIVM Ca Vs. Syr. XXXIV. 19.
DoMInVs totIVs CreatVrae. Judith. 9. 17.

DeVs oMnls terrae VoCabIt Vr. je. LIV. 5.


De Vs CreaVIt, Vt eent oMna. Sap. I. 14.
qVI DoCet nos Vper IVMenta terrae job. XXXV. 11.

eff VnDIt aqVas Vper faCleM terrae. Amos. V. 8, IX. 9.


VIHea DabIt frVCtVM. Zach. VIII. 12.

foLIVM elVs non DefLVet. Pal I. 3.


paX DeI Vper faCleM terrae. Syr. XXXVIII. 8.
aVDI IaCob erVe MeVs. Je. X LIV. 1.

ego DoMInVsqVI habIto InterfILIos Iral. Num.XXXV. 34.


DeVs e VICIno ego SVM. Jerem. XXIII. 23.

toLLaM qVIppe Vos DegentlbVs Ezech. XXXVI, 24


VatICInare aDVerVM gog. Ezech. XXXIX. 1.

IMpIVs ConfVnDetVr. jerem. LI. 47.


DoMIn VS ContVrbaVIt regna. Je: XXIII. 11.
(o papa) MagnItVDo tVa CreVIt. Dan IV. 19.
perCVtlet te DoMInVs aetV. Deut. XXVIII. 22.

eIICIent te oMnes VIrI foeDerIs t VI. Obad. I. 7.

perCVIt DoMInVs opera tVa. 2. Paral. XX. 37.


qVoD ergo tV faCIs ignVM ? Joh, VI. 3o.
rgnVM Del non et ClbVs & potVs, Rom. XIV. 17.
3)
l.
r

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER 2e,


an Drvtlas bonitatis eIvs CenteMnist Ron II. 4.
aVDI VoCeM eIVs, Exod. XXIII. 21.

aVDIes VoCeM eIVs Deut. xx VII ro.

..

qVoD IVtVM et, eCterls. Deut. XVI. zo. ::


Vare non IVDICatI tlblMet IpI? Edr. IV. zo.
DoMInVs IntVetVr Cor. 1. Sam. XVI. 7. . . . . .
qVae Del Vnt, neMo

G# 1,

Gor, II, II,

Vos qVoD bonVM et, faCIatis. 2. Cor XIII. 7.


etote faCtores VerbI & non aVDItores tantVM. Jac. I. 22.

# aVteM oDIt InCrepatlones, InIpenset. Prov. XII. 1.

fILI Ml, I te LaCta VerInt peCCatores, ne aCqVleCas


els. Prov. I. zo.

,,

'

qVIa non habebant raDICeM, arVerVnt. Math. XIII. 6.

a MortVis VsCItare potens et DeVs. Ebr. XI. 19.


qVI potens et oMnla faCere VperabVnDanter.
- - Eph. III. zo. . . . .
.

:
. .

Vt VItae aeternae haereDes effICereMVr. 1, Pet. III. 22,


DoMInVs In VoCe tVbae. Pal XLVII. 6. . ( !

Vt IVDICentVr oMnes. 2. The. IL. iz.


t

'

, ,,
'12 / / ei',

-- - ' '

De Duitche echter zyn de volgende, welker zin zoo wel als


die der Lateinchen zeer ) - '-, -malkanderen
hangt,e, i .
. .
. - --

frui aan

* *

.*

* *

- -

* * *

... . . .( .

gnaDe Von VnerM herren Ie VChrito. 1. Tim, I. z: I


2. Tim. 1. 2. . . . . .

. 31:31

Ihr VoM haVe LeVI Lobet Den herrn. Palm CXXXV. zo.

geDencket elner VVVnDer, DIe er gethan hat. P. CV. 5.


zV eVV IgeM geDeChtnIs job. XIX, 24:
-

was gefLLIg It fVr DeM herrn. 5. B. Mois XII, 28.


-

aLLes VVas zV elneM DIent gehret. 4. B. M, III. 26:


Das VnterVVeIet MICh. Job. VI. 24. .
. . ..
DIe VertnDIgen VVerdens aChten. Dan. XII. 1o.

Ie VVerDen MIt LVt Leben. Job. XXXVI. 12.


, Vnter DeM Chatten eIner zVVeLge. Ezech. XVII. 23:
Ihr elD kneChte Der Vnden geVVeen. Rom. VI. 17. . .
oLLen VVIr Denn In Der VnDe beharren ? Rom. VI. r.

Das Dinet nCh gnaDe zV erVVerben Judith VIII. 13.

Laet Vns IM get VVanDelen. Gal. VI. 1. . . .


VnD VVanDelt In Der LIebe. Ephe. V. 2.

. . .

ehet aVf DIe DIe aLo VVanDeLen. Philip. III. 7.


aVf Das Ihr DaeLbt Innen VVandelt 2. joh. 7.

freVVeteVCh DerbarMhertzIgkeltgottes. GebedSyrachs. v. 3.


VVIe gVt It es DeM herrn gehorChen. Syr. XLVI. 12.

treVV
It gott,
XXXII.
4. gereCht VnD froMb It er. 5. B. Mos.
k

aLLen DieihM vertraven. 2.Sam XXII. 11. P XVIII. 3r:


Der herr eVVer gott It MIt eVCh. 1 Chro XXIII. 18.

er geDenCket an eIne gnaD VnD VVarhelt. P: XCVIII. 4: ",


o thVenVn an eVCh Der herr

# 2. Sam. II. 6.

er VVIrD keln gVtes MangeLn Laen. P. LXXXIIII. 12


er VVIrD herrChen aVf eIneM thron. Zach. VI. 13.

Der MaChtige knge er VVVrget. P: CXXXVI. 18.

o trtet eVCh Mlt DIeen VVorten.


1. The. IV: 18. gott
* .
Cc 2
,

zie

B E G o U DE EN z1L v E RE

gott teVret Den TVnDern, Das IenICht fortfahren


z.j Mac, VI. 13,-

. . -------

fIGH zv verfvnDigen aM herrn. 4. R. Mei, XXXI. 26.


Denn Der herr hatte VVILLenIe zV tDten. 1. Sam. 2:25.

- De #verbaas"
geVVanDt haben 5. B. Mot.
l II. 18. 1 # - .
' .. .. . . . . . . . . . .
- .
vnD verfvhten gott In Ibrem hertzen. P. LXXVIII. 19.
thorhetit In ThreM hertzen, De VVelL le Leben Prediker
v.

- - - - -

Salom: IX, 3. | | |

v.

- 2

es VerDreVt MICh aVffle, iPalm. C [XXIX. 21.

- DasIenICht hreten Das geets VnDV Vort. Zach. VII 12.

VrChDIe zaV berer VerhlnDert. Boek der Weish. XVIII 13.


er tag Des herrn VVIrD gehen Viber aLLes hoffertIges.
Ea. II. 12. . . . . . . .

. . g. 3:

- ;',

Das LanD vVIrD offenbahren Ihr bLVt. Ea. XXVI, 24


DIe freVDe Der paVCken elret. Ea. XXIV. 8.
Den DIe VVarheft fLLet aVf Der gaen. Ea. LIX. 14.
VVI Der ChritVM. 1. Tim V. 11.

| | | |

Der herr VVIrD-eIne hanD aVreCken. Ea.

DIeVVelLIhn DIe heLDenentheILIget hatten. 1. Mac.IV. 45.

Denn DIe hhen VVVrDen nlCht abgethan. 2. B. k. XIV. 4.


zVLett ergrelffet DIe VnDeDen VbeLthter.
XXVI. 11.

##

DIe toDten VVVrDen gerICht. Offenb. joh. XX 12.

Dieet (a) gleng hlnab gereChtfertlget. In eIn haVs fVr

leneM (b) Luc. XV III.


e-) Luin. (*) 'Paus.
'

- - - --

- -

'

",

14.

-,

7 -

- - - -

- -

.. > I

ont VVVrDe gnaDe nICht gnaDe eIn Rom. XI. 6.


hoLtet DIe gebot VnD Den gLaVben an IeV. Openb. joh.
XIV. 12.

s ,

. ' ' A . . . . . ... . .


(f) Aldus zoude in 't Hertogdom Wurtemberg het eerte afzonderlyk
Jubelfeet in den iare 1635, geviert zyn, ten ware de oorlog zulks had be
-

let , zooals de Hoogwaardige Abt van St. George, Hertogdom Wurtem


berg, de Heer Andreas Caroli in zyne Memorabiles Hitorie Eccleiatice

lib 4 e Seculo XVII. a chrito nato. gewag maakt, en daarby voegt, dat zulks in
## Pg deniare 1624. op bevel van Gutavus Adolphus, Koning van Sweden,

#* gechied is, midsgaders dat de Wittenbergche Univeriteit 1620, het Ju


belfeet van het verbranden van de Canonieke wetten door Luther in denia
# re 152s, wyders door de tad Leipzig 1639 dat van hare Evangeliche Re
g4i.'

formatie geviert zy. Doordien ik echter hiervan op penningen niets vind,

behalvent geen hierbeneden wegens Wurtemberg zal voorkomen, zoo heb


ik zulks by deze gelegenheid lechts maar als met eenen vinger willen aan
roeren.

(g) Dat ook zelfs de Heren Gereformeerden op de Univeriteit te Heidel


bepaz berg in deniare 1617. het eerte Jubelfeet hebben geviert, meldde boven

***43 aangehaalde Heer Abt Caroli uit David Paraeus Hitorich verhaal, datvoor
lib. ,, 't eerte Deel van zyne Exegetiche Schriften is gedrukt. Zie ook Gram
m. 176, mondus Hitoria Gallica, en 't geen wy beneden uit Conzenius zullen by
S77,
brengen.
-

). 78.

onder de Keur-Saxiche Jubelpenningen heeft

3. ..

&

" E:
gende

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. 211


gende in goud en zilver, op de wyze van daalders, halve daal

ders, quart daalders en dukaten, of ter grootte van een gros ,

dewelke voeren:
-

III) -

"

- -

, a Het beeldtenis van Frederik den derden, bygenaamt den


Wyzen, Keurvort van Saxen, onder welkers regering de Re
formatie een begin heeft genomen, in Keurvortelyk habit,
houdende 't zwaard in de hand , met deze woorden : FRIDe

ricus III. SECULUM LUTHERANUM. 15.17, Dat is:


Frederik de derde, Luthers Jubelfeet 1517. Beneden ziet men
't Keur-en Vortelyk wapen.
. . . ..
b Het beeldtenis van Keurvort Johan George I, by welkers
regering 't eerte Jubelfeet geviert is , met dit omchrift:

Hannes GEORgius. VERBUM. DomiNI. MANET. IN.


AETERNUM, 1617. Dat is : Johan George, Gods woord bl
in eeuwigheid. Beneden ziet men insgelyks het Keur-en Vor
telyke Saxiche wapen, hoewel in vier quartieren in plaats dat
het eerte lechts uit twee quartieren is, en in 't middelte child
taan de Keur-zwaarden. By 't getal 17 ziet men een kleinen zwaan,
't welk michien 't teken van den Muntmeeter is, of dat deze

penning te Zwickau, welke tad drie zwanen voert, gelagen


Zy, (h).

A A N M ER K I N G. ,
D

- - -

- <>
- --

(h) De Heer Abt Molanus heeft drie vercheide tempels van dezen pen
ning waargenomen. Voor 't overige zullen wy alhier laten invloeien, 't

geen de Heer Wecke in de Dredenche Kronyk van dit eerte Jubelfeet


chryft: ,, Na dat in den iare 1617. de Keurvort van Saxen genadigt had
, beloten, na verloop der eerte hondertiaren, te rekenen van 't Refor

, matie-werk, een Evangelich Jubelfeet in deszelfs Keur-en Vorten

, dommen plegtiglyk te laten vieren, en daartoe den 31 October, den 1.


, en 2. November, zynde toenmaals vrydag, zaterdag en zondag, had
,, vatgetelt, zoo is aan de Superintendenten bevel gezonden, om dat feet

,, acht dagen voorheen van de kanzels te verkondigen, en 't volk tot op


, rechte dankzegging iegens God,

# # # # te#

, nen, ten einde zyne heilige Almogend

eid in deze laatte tyden de

, kleinodie van 't reine woord en recht gebruik der hoogwaardige Sacra

,,menten, genadiglyk beware. Men heeft ook byzondere Texten #.


, kipt, als mede # Palmen en Spreuken der h; Goddelyke Schrift,

, om gedurende deze drie feetdagen Cc


in plaats
E
3 van de Zendbrieven en van?
'

vr

21.

D E G o U DE EN ZI L VER E

,,vangelie te verklaren, en voor 't altaar te lezen, invoegen dit feet op

de plegtigte wyzegeviert is, met het losbranden van alle de tukken


# #om deze veting (Dresden) zoo als op hoge feetdagen ge
, bruiklyk is, als mede met 't laan van goude en zilvere penningen, ter
99

, betendige gedachtenis van dit Jubeliaar, voerende de eene zyde der Du

, caten en Ryxdaalders het beeldtenis van Keurvort Frederik III. enz.


Na verloop van tyd, te weten, in den jare 1668. heeft Keurvort Johan
c.f.322b George II. by een Edict bevolen, dat in zyn Keurvortendom en ingelyfde
Weckel.

Landen, ieder iaar op den 31 October, het gedachtenis van 't begin der

Evangeliche Reformatie, zoude geviert werden, 't welk dan ook nog tot
op heden dezen dag gechied. Midlerwyl heeft de Franche Schryver,
abriel Bartholomeus Grammondus zynen weerzin tegen de Evangelichen,
duidelyk
genoeg te vertaan gegeven, als hy in zyne Hitoria Gallica van
175. 177. dit
Jubelfeet de volgende woorden gebruikt, die wy
Frankfort

pagm.

uit 't Latein zullen overzetten: ,, Vervolgens, chryft hy, na dat hy den

, inhoud van 't Keurvortelyk Saxiche Edit van 1617. heeft verhaalt,
, heeft de Keurvort van Saxen, ter naaping der Catholykche Jubelfee
, ten, ook een Lutherch aangetelt, 't welk by de Ketters tot nu niet

, gebruiklyk is geweet. Dit Edict heeft niet alleen de Saxiche Kreits,


, maar ook alles, wat met Luthers dwalingen bemet was, gehoorzaamt,
, aangezien die van Worms, Frankfort, Nurenberg en Straasburg het
, ook hebben geviert. De Calviniten bleven de Lutheranen niets ##

, dig, behalven dat ze maar een weinig hebben verandert, om dat tog
, deze Secten zich nooit recht komnen vertaan. Want deze repten niets
, van de oorbiegt, als die van hen verworpen werd, nog van Calvinus of

, den dag, waarop hy begonnen heeft, den Roomchen Stoel den oorlog

# maar gaven te Heidelberg, hoofdtad van de Palts aan den


, Ryn, op zekeren dag, ter eeuwige gedachtenis van 't Calvinich ge
,, loof, den Profeorus in de vrye kunten, zekere tellingen op, byvoor
2, beel, waarom de Evangeliche Kerk voor honder iaren van de Roomche was
25 te

, afgevallen, enz. Op deze wyze wierd het Jubelfeet van de Secretarien


, geviert.' Aldus doen de Aap en Papagaai den menchen hunne tem en
, gebaarden na, 't dier Hyena verlind de menchen, welke hy door zyne

, gelykvormige menchen temmen heeft tot zich gelokt. Voornaamlyk


, echter bevlytigden de Lutheranen zich, om dezen handel door 't laan
,, van zilvere

# te vereeuwigen, zoo als in Saxen, te Frankfort,

Worms en Nurenberg gechied is. ,,Op den Saxichen zag men op de


eene zyde het beeldtenis van den onlangs overleden Keurvort en Hertog
,, Frederik, met het omchrift: Seculum Lutheranum 1617. Op de ande
, re dat van zynen opvolger, Johan Georgius, met deze woorden: Ver
,,bum Domini manet in aeterum. 1617.

Verder verhaalt hy de Jubelpenningen der teden, en beluit eindelyk zyn


ongerymt vertoog met volgende woorden: ,, Als nuik heb de eerte verzon
,, ne Calviniche en Lutherche Jubelfeeten bechreven, ten einde de na

,, werreld wete, dat diergelyke ook van de ketters geviert zyn, opdat zoo
,, als 't Edict van den Keurvort zelf luid, de van den Roomchen toel ver

, leende aflaat zouden bepottelyk gemaakt worden. Ondertuchen heeft het


, dier tyd ook aan geen menchen ontbroken, die de achtbaarheid en Voor
,, rechten der Roomch Catholyke Kerk verdedigt hebben. enz. Dus ver
Grammondius; welkers woorden wy met voordacht onverminkt hier heb

ben willen plaatzen, ten einde een ieder zyne onbillykhied zien, en daarover
na verdiente zyn oordeel vellen moge. Midlerwyl is het de moeite niet waar
dig, dat men deze zyne potterny wederlegt, aangezien zulks reeds van den
hoogberoemden Profeor in de gechiedenien, te Altdorff, den Heer Da
cap.vII. niel Guilielmus Mollerus, in een geleerde Diertatie de jubelo Lutherano
P. 27.q.

rum in deniare 17oo is gechied. Wat hier van zy, taat enkelyk aan te
merken, dat deze beriper der Keur-Saxiche penningen, in naauwlyk drie
regels drie of vier onbetaamlykheden pleegt. Want 1, heeft hy de Medailles
ganch lomp bechreven. 2. Zet hy by de eerte zyde 'tiaargetal van 1617.
't welk echter 1517. is, en 3. Telt hy Keurvort Frederik onder deden
he
-

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER: zes


dendaagche Keurvorten, die echter toen ontrent honderd #ren was doodge
weet, en 4. Zegt hy, dat Keurvort Johan George deszelfs opvolger is.
Men kan zulks wel in een zekeren zin laten doorgaan, dog naar allen ver
mocden heeft Grammondus zoo veel begrip niet gehad, wyl men met on
telbare voorbeelden kan aantonen, welke grove milagen zelfs van andere
Franche gechiedchryvers in de gelachtregiters der Duitchen, en voor

naamlyk der Saxiche Vorten gepleegt zyn.


De twede voert :

" "EX
-( , -, v -- SN#*.

&

-- A.-E

- -

- -

--S - "t-

1,
-

a Het beeldtenis van Keurvort Frederik (i) overend taande,


-met het Keurvortelyk gewaad gedot, blootshoofds, houdende
een zwaard om hoog, midsgaders twee vingers van de linker

hand, als of hy na den aftralenden naam Gods of Jehovah wees.


Luther taat ter linker zyde, die in de rechter hand een kaars

houd, en met den voorten vinger van de linke op een boek


wyt, 't welk op eene tafel, met een tapyt gedekt, daar men
onder 't Keurvortelyk wapen ziet, legt, en deze woorden als
eenen titel voert: Biblia Sacra.

V. D. M: I. AE. Dat is: De

Heilige Schrift. Gods woord blyft in eeuwigheid (k).

b Dit opchrift: Deo. Soli. Gloria. JUBILAEUS. PRIMUS.

REFORMATI. PER: Dottorum. Martinum. LUTHE


RUM. PAPATUS. ANNO. M. DC. XVII.

Dat is: Go

de alleen de eere. Eerte Jubelfeet van 't door Dottor CMartyn


Luther gereformeert Pausdom. In den iare 1617. Beneden ziet
men : Cum. PRIVIlegio. Caeareo. Chritian. Maler.
A A N M E R. K IN G E N.
(i)

Aldus verklaart de Heer Weck dezelve, dog hy voegt daar niet by, 1 et sts

dat ze op bevel van den Keurvort gelagen zy.

e-- --

(k). Van deze letters gewaagt de Heer D. Joh. Fr. Mayer, in zynen ,,ss 8s,
Onterflyken Luther, dat dezelve van zommige Papiten aldus zyn verklaart: ?
Ubi Dottor Martinus? In Aerumnis.

Waar is Doctor Maarten ?

Dat is:

In ballingchap. Hy antwoord hen echter op eene fraaie wyze, dat men ze


ook op deze wyze zou konnen lezen: Ubi ## Martinus? Jubilat Aeter
num. Dat is: Waar is Dottor Maarten? Hy iuicht in eeuwigheid.
-

- -

.. .
-

. . .

. . .

- 5 f J (i.. '
trt | | |
't I,, f

* . .

t .. .

. . .

. .

.- -

ps

2,4 DE G o U DE EN z 1 L v ER E
De derde voert:

a Het zelfde beeldtenis, zoo als 't laattvoorgaande.

b Den naam Jehovah in eene wolk, tuchen eenen teenbak


kers-oven, en een lange aan 't kruis. Het binnente omchrift:
luid : AEGYPTUS ET ISRAEL. Dat is: Egypten en I.
rael, 't welk door 't buitente verklaart word : G ELYK MO

SES ISRAEL UIT DEN ZWAREN EGYPTI


SCHEN DIENSTHUIZE HEEFT UITGELEID,
ZOO HEEFT MARTINUS LUTHERUS ONS GE
BRAGT UIT DES PAUZEN DUISTERNIS. Be

neden taat : ANNO JUBILAEL 1617. C. M. Dat is :


In 't Jubel-iaar 1617. Chritiaan Maler, (l).
is
A A N M E R K IN G.
-

(l) De inventie is genomen uit 't Twede Boek Mois XII. 37. Zoo als
Pk. " de Heer Schlegel in den Munt-Bybel wel aanmerkt.
De vierde vertoont:

a De beeldtenien van twee Keurvorten van Saxen, waar

van de eene 't keurzwaard naat zich heeft gelegt, en met beide

handen een boek houd, waarin gechreven taat: VERBUM


*

&

DO

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

215

DOMINI M A NET IN AET ER NUM, De twede houd


't boek maar met de linke hand, en in de rechte een zwaard om

hoog. Tuchen beide Keurvorten achter 't boek, taat een


Crucifix.

Het omchrift luid aldus: Dei. Gratia. FRIDericus.

I II. Dei. Gratia. JOHAN nes. GEOrgius. DUX. SAXO


niae 1617. Dat is: Van Gods genade Frederik de derde. Van Gods
genade Johan George, Hertog van Saxen.
b Een tafel met een tapyt, waarop 't Keur-Saxiche wapen

getikt is. Op de tafel taat eene brandende kaars, welkers


chynzel een Engel met een palmtak in de hand, door doet tra
len, door 't afnemen van eene koornmate; (m) Lutherus ech
ter wyt met eenen vinger op de kaars. Boven taat de naam
Jehovah in Hebreeuwche letters, en om den rand deze woor
den: FULG EAT A ETERNU M. Dat is : Ze zal eeuwig

chynen. Beneden C. M. Chritiaan Maler.

A A N M E R K IN G.
(m) Wat de koornmate beteken, zulks leer men uit den mond van Je

us Chritus Math. V. 15. daar hy zegt: Noch men teekt geen keere aan,
ende zet die onder een koornmate: maar op een kandelaar, ende zy chynt alleen,
die in den huyze zyn. De vergelyking echter van 't Goddelyke Woord

met eene keere, is elders op de H. Schrift gegrond.


De vyfde heeft:
1

23

E - Z- IE

IL atjyeriusbidlaris

Licht gebracht. Gottes


#

St

wort dafoerinfiernnach
Darfrbanct Gtt die Cb:

riilicb Scbaar:weilen erbolte,

WHiaribertJob: Gott Immier

\ oarein Kircbbelvabr
( M

a Zoo als boven de Twede:

b Deze Duitche Incriptie: G. Z. E. Gode ter eere. Lu


therus heeft in 't licht gebracht. Godes woord uit de duitere nacht.
'Daarvoor dank God de chritelyke chaar, om dat 't behouden is

hondert iaar. God teeds zyne kerk bewaar. MartInVs LVthe


rus theoLogIe Doctor. C. M. Chritiaan Maler.

M
Dd

De

216

D E GO U DE EN Z I L, V ER E
De zete vertoont:

" ES

###tn, is
SN

& ##
N Et #%k

#.'

Vl)

# (",
W&

||
i

- - -

#
#A

3)
Vr W)

#
A/

#y
S

RN

SC

a Zoo als de laattvoorgaande.


b Het beeldtenis van den Keurvort, op eene rots taande,

waartegen gechreven is: Slot Hartenfels. Houd in de rechte


hand het keurzwaard, in de linke een waag, in welkers voor
te chaal het kindie Jeus zit , daaronder taat : DE A L

MACHT. In de bovente chaal legt een lang, en daaron


der zyn deze woorden: HET VERNUFT. LOm den rand
leet men : JOSUA I. CONFIDE. NON. DERE LIN
QUAM. TE. Dat is : Zyt terk en hebt goeden moed, ik en zal
'u niet begeven, nog en zal u niet verlaten. Beneden : C. M.

Dat is : Chritiaan Maler. (*)


A A N ME R K IN G.

l (*) Ik heb wel in de Lateinche uitgave van dit werk, dezen penning
pag. 325 op een te duchten gevaar van de Gereformeerden toegepat, waarin de Heer
P. 37.38

Schlegel in 't Supplement van zynen Munt-Bybel overeentemt, doordien


echter uit de gechiedenien dier tyden hiervan niet met grond kan worden

gemeld, en de eerte zyde van dezelve zonder tegenpreken tot de Jubel

penningen behoort, zoo heb ik ze alhier ook onder dezelve laten volgen.
De zevende voert:

a Schier

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. 217


a Schier 't zelfde beeldtenis, behalven dat de Keurvort het

zwaard , dat hy op de laattvoorgaande medaille om hoog


houd , hier onder 't boek legt. Ook ziet men diezelve letters:
C. M.

b Een zwaan, die tuchen de biezen zwemt ; rontom leet

men deze woorden : MartInVs LVtherVs theoLoglae Doctor.


In welker telletters het onder de zwaan taande iaargetal 1617.
onthouden is. (n)
A A N M E R K IN G.

(n) Wat aanbelangt deze telletters, taat aan te merken, dat als int woord
DoCtor, de C insgelyks word medegedeelt, 't iaargetal 1717 daaruit komt,
dat niet minder ganch ongedwongen 't twede voor de deurtaande Jubel
iaarder Evangeliche Reformatie aantoont, 't welk des Hoogten Goedheid
ons gelieve te laten zien, hopende, dat de waarzegging van den bekenden

Papit Laurentius Bayerling, zal michien, die in zyn Theatrum vitae hu- Lit J. f!
manie ter gelegenheid van de woorden van dezen penning, zyne gedachten 39*.
aldus uit: In de woorden: MartInVs LVtherVs theoLoge D. is de C of 't
hondertgetal uitgelaten, waardoor op een profetiche wyze word aangetoont, dat

'er geen Lutherch Jubelfeet meer zal plaats vinden, om dat 't in de volgende
eeuw niet meer betaan zal, zynde 't Lutherdom in zoo vele gezindheden ver
deelt, datals Luther eens weder quam op kyken, hy zelf niet zou weten, waar

P. I

hy't mede houden zoude. Zie Heer Gottfried Arnold Kerk en Ketterhitorie. ,,.

De achtte is zeer fraai, en praalt:

a Met den Keurvort, gedot met 't keurgewaad ; naat hem


legt een boek, welkers titul is : BIBLIA SACRA. Ter
linker zyde taat Lutherus. Beide doen ze een cierlyk dekzel
van voren eene brandende kaars weg, waarop Luther met den

vinger wyt. Op 't tapyt van de tafel, waarop de kandelaar


met de kaars taat, is 't Hertogelyke Saxiche wapen als ge
tikt (o). Het omchrift luid : HET KLARE LICHT

BEDEKT WAAR D. M. L. (Doctor Maarten Luther)


BRAGT IN 'T OPENBAAR.

Boven ziet men den naam

\Jehovah. Beneden deze woorden : MartInVs LVtherVs. D.


theoLogae.
b Een zwemmende zwaan, die van de zon betraalt, en van
eene hand uit de wolken met eenen krans bekroont word. Ron

tom leet men : OP. WAT ER. LOUTER. ZW OM.


Dd 2.
EEN,

218

DE G o U DE EN z I L. v E RE

EEN ZWAAN. w IT. C. (hondert) JARIG JUBI


LEUM. T OT: GO DE S. EER. EN, LOF.

JUBILEUS. PRIMUS. 1617.

Beneden :

A A N M E R KI N G.

(o) Deze Medaille is met allen recht onder de raarte Saxiche penningen
te tellen. Een origineel, dun gelagen in goud, heeft de meergemelde
Hoogvortelyke Saxiche Raad en Amptman te Coburg, Heer D. George
Paul Hnn, dezelve heeft in eenen brief aan my aangemerkt, dat in 't tapyt
't Keur-Saxiche wapen te zien zy.

Het origineel echter, waarna deze co

py in vithlym is gemaakt, is van zilver, in 't Hoogvortelyk kabinet te

Gotha, insgelyks dun gelagen, als een braiteatus of oude blikpenning,


maar zeer zuiver en fraai geneden. Ik heb het zelf in 't origineel zeer naauw

bezichtigt, en bevinde in 't andermalige betrachten van de copy, dat niet


't Keur maar alleen 't Vortelyke Saxiche wapen, naamlyk de dwarstre

pen, en zoo genaamde Ruitekrans op 't tapyt zyn te zien. Waaruit men
dan zou mogen gien, dat deze Medaille op bevel der toenmaals levende
Heren Hertogen van Saxen, van de Ernetiniche linie, is gelagen. Daaren
boven moet ik gewag maken, van 't groot voortreffelyk tuk childery, dat
Johan Ernt, Hertog van Saxen, de oude, glorieuer gedachtenis, in de
tadkerk van zyne Vortelyke Reidentie Eienach, ter eeuwiger gedachte
nis van 't Evangeliche Jubelfeet 1617. in 't daarop volgende jaar opentlyk
heeft laten plaatzen, van welk uitmuntend tuk ik door de goedheid van
den hoogvortelyken Saxen Eienachen Hof en Jutitie Raad, den Heer
Bartholomeus Kelner, een zeer nette chets heb ontfangen.

Boven over 't

ganche tuk taat tuchen eenige beelden, het Vortelyke Saxiche wapen.
Op de eerte zyde van 't zelve ziet men Keizer Carel V , voor den welken
de Keurvort van Saxen, nevens zeven andere perzonen, van die 'ereen ook
een boek houd, geknielt als uit een boek leet, op 't welk de Keizer zyn

Scepter neer buigt. Aan den troon taat des Keizers zinpreuk: P LUS.
VLTRA. Ter rechter zyde zyn vele Kerktoelen met eenige perzonen,

op dezelvende zittende, terwyl andere wandelen. Aan de linke zyde pre


dikt iemand op eenen Kanzel, en voor den zelven delen twee Prieters 't

H. Avondmaal uit. Op de twede hoofdtafel is een biegttoel, eene Vonte,


en andermaal de uitdeling van 't H. Avondmaal op de Evangeliche wyze.
Onder beide tafels leet men dit chrift:

Deo Ter Optimo Maximo Aupice.


In Memoriam gratam jubilei Evangelici Primi Anno Chriti 1617.

Pridie

Calendarum, Calendis ipis & IV Nonarum Novembris fetiva cum olemni


tate celebrati, inque tetimonium piae enga Confeionem Augutanam invariatam,
ac depoitum Lutheranum affectionis, opuntspo, item poteriorum adidem illiba
tum conervandum atque propagandum,
Dei Gratia

Illutriimus, Celiimus Princeps ac Dominus, Dominus IOHANNES


ERNESTUS, Senior, Saxonie, Julie Clivie & Montium Dux, Land

gravius Thuringie, Marchio Minie, Comes Marchie, de Ravensburgi, Dy


nata Raventeinii & c.

Monumentum hoe pouit anno Jubileum proxime Seguente


1618.
Dat is:

is Ter eere van God Almachtig en dankbare gedachtenis van 't eerte in
2

den

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER, 21,


,, deniare 1617. den 31. October midsgaders 1. en 2. November, met
i

,, behoorlyke plechtigheid vrolyk geviert Evangelich Jubelfeet, zoo als


,, ook ter

# van zyne godvruchtige genegenheid ontrent de onver

anderde Augsburgche Belydenis, en de Lutherche Bylage, en tot aan


,, modiging van de nakomelingen, om dezelve onwrikbaar te bewaren en
,, voort te planten, heeft de Doorluchtigte Hooggebore Vort en Heer,
, van Godes genade, Heer Johannes Ernet, de oude, Hertog van Saxen,
,,Gulyk, Cleve, en Berg, Landgraaf van Thuringen, Markgraaf van
,, Misnie, Graaf vander Mark en Ravensberg, Heer van Raventein enz.
,, dit

# en Eerteken laten zetten, in 't volgende iaar na 't Jubelfeet

,, I 618.

W). 79.

De penningen, die nu volgen, voeren of Luther alleen, of


eenen Engel, aan deszelfs rechte zyde. Dienvolgens ziet men
op den eerten.
-

a Luthers beeldtenis taande, houdende in de rechte hand


eene brandende kaars, en in de linke een boek, welkers titul is:

Biblia Sacra, (p) (de Heilige Schrift) Boven zyn hoofd de He


breeuwche naam Gods of Jehovah, met dit omchrift: FUL
GEAT AET ER NUM. Dat is: Ze zal eeuwig chynen.

b Eene zwemmende zwaan. Op den binnente rand leet


men : MartInVs LVtherVs theoLoglae D. Op de buitente :
G O DES. WOORD. IS. L UT

#s. LEER.

OM. VER GAAT ZE NIMMERMEER.

DAAR

Beneden :

JUBILAEUS PRIMUS.
A A N M E R KI N G.

(p) Dat door de brandende kaars 't licht van 't Evangelie betekent wer

de, is boven reeds erinnert, en behoef geen wydlopig bewys. Ondertu


chen pat hier zeer wel, 't geen Maximiliaan Mion in zyne Reisbechry P. II. pag
ving meld, dat naamlyk de tad Geneve in Switzerland, als ofze vooruit 27o
had gezien, wat er gebeuren zoude, in haar wapen deze woorden: Pot te
nebras pero lucem. Dat is: Na de duiternis hoop ik het Licht, gezet en na

't opgegane licht van 't Evangelie dezelve in dezer voege verandert hebbe:
Pot tenebras lux. Dat is: Als nu chynt na de duiternis het licht. Zulks

bekrachtigt ook Jacob Spon, in zyne Hitoire de Geneve, na dat hy alvo


rens pag. 33o. heeft gezegt, dat

T.I. p. m;

# #de Reformatie te Gee: in 373.374e


3

CIA

22o

D E GO U DE EN ZI LV E RE

den iare 1532. in de maand van September, door twee Prieters, genaam
Guiliaume Faret, en Antoni Saunier, wel was begonnen, dog dat den 27.
pag. 366.
Auguti 1535. eert van de Syndicuen der tad aan alle borgers en inwoners

was bevolen, van dien tyd af de Protetantche Religie te volgen, en de


oeffening van den Pauzelyken Godsdient ganchelyk af te chaffen, waartoe

T. II. pag Johannes Calvinus, die om dien tyd iuit te Geneve quam, niet weinig had
I 4.

geholpen, van wien hy zegt, dat hy den 24 May 1564. in den ouderdom

p. 45.46.

van 55 jaren overleden, (De Schryver van den anders wel opgetelden
Hitoriche Gechied-Calender van Joh. Calvinus, 1698 in 8. gedrukt, zegt
den 27. May 1665. en op zyn verzoek op 't gemene Kerkhof zonder graf

pag. 94

chrift begraven zy, Voor 't # was hy middelmatig van perzoon bleek

en bruin van tronie, glinterende doordringende oogen, zeer langen pitzen


baard, na de wyze dier tyden, uitmuntend van vertand, uittekende geheu
genis en minzaam. Door welke omtandigheden voor een gedeelte beve
tigt word, 't geen wy boven by de verklaring der hem ter eere gelage me

dailles hebben aangemerkt. En als de kerk van Geneve in deniare 16 r.


haar Reformatie-Jubelfeet vierde, heeft David Clericus een afzonderlyk

Carmen Seculare gemaakt, dat onder zyne Lateinche gedichten, die 1687.

te Amterdam in zynen Computo Eccleiatico zyn gevoegt, te lezen is, zoo


T. IV. P.

m. 436.

als de Heer Jean de Clerc, in zyne Bibliotheque Univerelle & Hitoriqueaan


toOnt.

Op den tweden:

a Luther taande aan eene tafel, met een tapyt bedekt, waar

in men de Saxiche keurzwaarden ziet. Op de tafel legt een


boek, waarin gechreven is : Biblia Sacra, en naat het zelve
taat een kandelaar met een brandende kaars, daar Luther de
koornmate boven afneemt. Boven is de naam Jehovah. - Op de
kant leet men : FULGEAT AE TERN UM, en achter

Luther 't iaargetal 1617.

b Zoo als op de laattvoorgaande medaille.


Op den derden:

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER

221

a Luther in prietergewaad, met beide handen een geloten

boek houdende ; met dit omchrift : DOCTOR. MAR


T INUS. LUTHER US.

* *

b. Een zwemmende zwaan, die van den name Gods betraalt


word , met dit omchrift : OLOR. INVICTUS. VIRTU

TE DIVINA. Dat is : Deze zwaan is door goddelyke kracht


onoverwinnelyk. Beneden het iaargetal 1517. (4)
-

A A N M E R. K IN G.

( 4) De chets van deze medaille is uit de colledig Seideliana genomen,


en had wegens 'tiaargetal 1517. niet onvoeglyk zoo voort onder de eerte

penningen van Luther konnen geplaatt worden, doordien ik echter heb


gadegelagen, dat Lutherus in een prieter-gewaad en 't iaargetal 15 17.
niet wel met malkanderen overeenquamen, en daarenboven vermoede, dat

Sleidelius 't iaargetal niet recht gezien, of de plaatnyder een 5. voor een 6.
genomen heeft, zoo hebbe geoordeelt, de medaille alhier te laten volgen 3.
tot dat ik 't origineel zelf kom te zien.

Op den vierden:

OLO

a Luther in een Monniks-gewaad, en in dubbeld omchrift


deze woorden: MART IN US. LUTHER US. ECCLESiae.

WITTENbergenis. DOCTOR. AET ATis XXXIV.


ANNO. MD XV II.

Dat is : Maarten Luther, Leeraar ter

kerke te Wittenberg, in 't 35. taar zynes ouderdoms, 15 17.


b Een zwemmende zwaan, die van den name Jehovah be

traalt word. Het omchrift luid : MEMORIA, JUBILAEI,


E VAN GE LICI. A NNO. MD CXVII. Beneden : O
LOR. IN VICTUS. VIRTUTE. DIVINA. Dat is:
Gedachtenis van 't Evangeliche Jubel-iaar 1617. Deze zwaan
is door Goddelyke kracht onoverwinnelyk.

Op den vyfden:

a Ln.

,,,

D E G o U DE EN Z I L. v E RE

a Luther in Prietergewaad, met dit omchrift: MARTi


nus LUTHE Rus. E LIAS. ULTIMI. SECUL I. (r)

Dat is: Maarten Luther, Elia van den laatten tyd :


b Een vertrek met een tafel, waarop een brandende kaarsen

open boek, en onder dezelve een omgetote koormate legt,


met deze verklaring: IAM. LUCET. OMNIBUS MO
DIO. R EMOTO. 1617. Dat is: Nu de koormate is weggeno
men, chynt de keere alleen. 1617.

..

A A N M E R KI N G.

(r) Dat Lutherus met den Profeet Elia vergeleken kan worden, zulks
voorname Godgeleerden S. 12. treffelyk bewezen. Derhalven is
#6. Cap-5 men verwondert, dat den Heer Gottfried Arnold in zyne Kerk-en Ketter
zooOpenbaring
als daar Lutherus
wel deze vergelyking,
tol hitorie
S#3
dat
mishaagt, En
zoo den
zeervliegenden
word, met
Johannes vergeleken
gel in de
48.a.
hy zich niet ontziet, de volgende woorden te chryven: ,, De verklarin
,, gen echter, die men tot nu doorgaans over 't 14. Hoofdtuk der Open
,, baringen van Johannis vers 6. gedaan heeft, daar men hem (Lutherus)
,, tot den Engel heeft willen maken, die midden door den Hemel met 't
,, eeuwig Evangelie gevlogen heeft, is t'overbekent, choon 't nog met
, de harmonie dier geheimnien nog met andere omtandigheden overeen
p. II. Lib. hebben

,, komt , welke zaak echter hier niet behoort.

Ik wil my ook niet op

,, houden met de gedachten, die iemand ontrent den naam Elia reeds in
, diezelve eeuw heeft gehad, dat naamlyk veel predikers Luther als den
,, derden en laatten Elia hebben doen doorgaan, ten einde zy naamlyk ook

,, Elis mogten zyn, waarop de geet van Elia zevenvoudig rute, en ten
, einde niemand na hem kome, die hen benadele. Vertandige men

chen hebben zedert genoeg gemerkt, wat eigentlyk 't voornemen van den
Heer Arnold was, dat hy naamlyk zelf gaarn de derde Elia wilde zyn, om
de Reformatie der Evangeliche kerk in 't werk te tellen. Want 't geen
hy van de predikers, op wien de geet van Elia zevenvoudig rute, meld,
waarvan hy zich zekerlyk had behoren t'onthouden, om
'is
ch
onpartydig te chryven,

Op den zesden:

a Eenen Engel, die in de rechte hand een palmtak houd,


naat hem taat Luther aan eene tafel, waarop een boek legt,
met den titul: BIBLIA SACRA, en beide nevens eene

koornmate van boven een keere wegg Boven ziet men den ,
naam Jehovab en op den randt :FU

#EA

Zy zal eeuwig chynen. Beneden: 161 #


l
-

T. AETERNUM.
E
b Een

EERGEDACHTENS VAN LUTHER.

223

b Een open boek, door 't welke eene bazuin midden door
gaat, die hoven gevleugelt is. (s) In 't boek, dat met eenen
cierlyken krans omvat is, leet men: VERBUM DOMINI
MAN ET IN AET ER NUM. BIBLIA SACRA. Dat

is: Gods Woord blyft in eeuwigheid.

De Heilige Schrift. Bene

den: 1517., en om den randt: GEDACHTENIS VAN


'T EVANGELISCHE JUB ELIAA R.
A A N M ER K IN G.
(s) Door de bazuin word de chelle en heldere klank der Evangeliche
predikingen van Luther aangetoont, gelyk wy boven hebben aangeroert,
dat naamlyk Luthers tellingen tegen den Aflaat, binnen den tyd van vier
weken, door ganch Duitchland bekent waren.

Op den zevenden:

a Luther, met dit omchrift: D. MARTINUS. LUTHE


RUS. ANno. AETatis. Suae. LXIII. Dat is: D. Maarten

Luther, 63. iaar.

b Dit opchrft: MEMORIA JUBILAEI. PRIMI. OB.


DIV IN 1 TUS. RESTITUTAM. PER. D. MARTI
NUM. LUTHERUM. RELlGIONEM. CHRISTIA

NAM. ANno. CHRIti. MDCXVII. Dat is:|Gedachtenis


van 't eerte Evangeliche Jubeliaar, wegens de hertelde chritely

ke Religie, door D. Maarten Luther 1617.


Op den achten:

Ee

s...

a Lu:

224

DE GO U DE EN Z I LV E RE

a Luther in een Prietergewaad, met 't omchrift: MARTi


nus LVT Herus O Biit. 1 546. AEtatis. 63. Dat is: Maarten
Luther, overleden in den iare 1546, in den ouderdom van 63. ia
7 677.

b Luthers wapen, boven omtandig bechreven; het omchrift


luid: MEMORIA. JUBILAEI. EVANGELICI. Anno,
1617. Dat is: Gedachtenis van 't Evangeliche Jubeliaar. 1617.

Op den Negenden:
a Keurvort Frederik en Luther aan een tafel taande,

dier

gelyke boven reeds is voorgetelt.


b Een Zwaan, met een dubbelt omchrift. Beneden: JU
B ILAEUS PRIM US. Zoo als boven ook reeds te zien is.
(t)
A A N M E R K IN G.

(t) Doordien beide zyden van deze Medaille, welke de Hooggeleerde


Bibliothecarius en Archivarius te Frankfort aan den Mayn, de Heer Johan
Maarten Waldchmidt in zilver heeft, van andere Medailles lechts ontleent
en twederhande tempels als in malkanderen gemolten zyn, zoo heeft men
nodeloos geacht, eene chets daarvan alhier mede te delen.

S. 8o.

Bovengemelde Medailles zyn lechts van zommige kontenaars,


of andere vrienden van Luther, uit eige beweging, gemaakt.
Van Jubelpenningen van Evangeliche Vorten heb ik lechts de
vyf volgende bekomen, welke Hertog Philip II. en deszelfs
broeder Francicus I., Hertog van Pomeren hebben laten laan.
Ten minten hebben er twee hunne plaats alhier. Ik twyfel
echter niet, of daar zyn nog meer Jubelpenningen op bevel van

andere hoger Vorten gelagen, doordien ik er echter niet meer

heb gezien, zoo heb ik my met deze moeten vergenoegen.


Van deze Pomerche Jubelpenningen voert de eerte:

a Samon toen hy een ionge leeuw van een cheurde, met het
-

OITl

EER GEDACHTENIS VAN LUTH ER. 22.5


omchrift: OBTURA VIT OS. LEONIS. 15.17. Dat is:
Hy heeft den leeuw den muil getopt. (u)

b Dit opchrift: IN MEMORIAM. JUBILAEI, E.


VANGELICI. ANNO. MDCXV II. CELEBRATI.
PHILIPPUS II. DUX PO Meraniae. Fieri. Fecit. Dat
is: Ter gedachtenis van 't Evangelich Jubeliaar, in deniare 1617

geviert, heeft Philippus de Twede, Hertog van Pomeren, dezen


penning laten laan.
A A N M E R K IN G.

(u) Deze inventie is ontleent uit 't Boek der Richteren Hoofdtuk XIV.

6, alwaar taat: Toen wierd de Geet des Heren veerdig over hem, dat hy hem
van een cheurde, gelyk men een boksken van een cheurt, ende daar was niets

in zyne hand. Zoo als de Heer Schlegel in zyne Munt-Bybel zeer wel pag. 23.
aanmerkt.

En dit is mynes bedunkens, een zeer goede zinpeling, want

gelyk Simon den leeuw van een gecheurt, of deszelfs muil getopt heeft,
zoo heeft Luther 15 17 den mond van Paus Leo X. getopt, dat hy om

zoo te preken, niet meer als voorheen, tegen de leere van 't Evangelie
. konde brullen. Van Hooggemelden Philippus, Hertog van Pomeren,
roemt de geleerden Heer Petrus Ambroius Lehman, in zyne Hitoriche pag. 1,1:

Remarquen over de nieuwte zaken in Europa, 17oz in 't licht gekomen, dat
hy een vertandig en zeer geleerd Vort, midsgaders yverig bidder zy ge
weet, grondige kennis van de Godgeleerde gechilchriften gehad hebbe,

en in taat zy geweet, om boeken van andere Godgeleerden, welke hy


in grote menigte had doorbladert, wel te verdedigen, en voor 't overige
met zodanige oplettenheid de predikingen had gehoort, dat hy de Dipoiti
ones en Elaboraciones van dezelve in eenige gechreve boeken had nagelaten;
midsgaders in den iare 1617. een treffelyk Jubelfeet wegens de voor hon
dert
Reformatie in zyne landen geviert, waarp hy kort daar-

. .

na, te weten den 3. February 1618. was overleden. Van welk Jubel- Lib. iv,
feet ook Joh. Micraelius in zyne Pomerche Kronyk, en uit denzelven de f643 b

Heer van Ziegler in zyn Hitorich Labyrinth des Tyds, bericht mededeelt.
Van de Twede heb ik tot op heden dezen dag geen origineel of chets
konnen bekomen, weshalven, de Liefhebbers worden verzocht, dezelve
mede te delen.

Midlerwyl zal ik ze met de woorden van Micraelius be- le, pag.

chryven, die aldus luiden: ,, Ingelyk heeft Hertog Philippus, om zyne 93.94.

" , vreugde te betonen, zilvere penningen laten laan, waarop de eene zy


,, de een Monnik, die de Bybel onder eene bank zoekt, en op de andere

, een Prieter gelagen was, die voor een open boek taat, met een om
, chrift, waarin betuig word, dat het verlorene weder gevonden zy, en
, dat een gelovige ziel gezocht had.

De derde:

Ee 2

a Het

2z6 - DE GO U DE EN Z I L VER E
a Het bortbeeld van den Hertog, met dit omchrift: PHI.
LIPPUS. II. Dei. Gratia. DUX. POME RANO RUM.

Dat is: Philip de Twede, van Godes genade, Hertog van Po


ZMere/4.

b Een op de achterte poten taande Grypvogel, die anders


een gedeelte van 't Pomerche wapen is, op welkers uitgeprei
de vleugels de tien wapens van de Pomerche landen zyn te
zien. In de rechte klaauw houd hy een bloot zwaard, in de lin
ke een openboek, als of hy desnoods bereid was, voor de God
delyke leere te tryden. Beneden leet men: CHRISTO.
ET. REIPU LICAE. Dat is: Ten diente van Chritus en 't

gemenebet. (x)
AAN M ER KI N G.
(x) De zin hiervan kan ook zyn, dat de Hertog zoo wel Gods woord
als de gerechtigheid wilde handhaven. Voorgemelde Heer Lehman heeft
dezen daalder in alle manieren zeer fraai bechreven, en wegens het boek,
pag. 123. dat de Grypvogel in de linke klaauw houd, erinnert, dat het cheen, als

of van den tyd af, dat Pomeren de chritelyke Religie heeft omhelt, zulks '
's Lands zinnebeeld was geweet, terwyl de voorgaande Hertogen den Gryp
pag. 12.4. vogel zonder boek hadden gevoert. Wydersacht hy, dat de daalder opeene
pag. 122.

zekere plegtigheid gelagen zy, en beluit in de Remarquen 17o5. uit de


overeenkomtigheid van 't bortbeeld met een ander, in den iare 1617. ge

lagen, dat wy denzelven niet onbillyk op de plechtigheden van 't Evan


gelich Jubelfeet hebben toegepat, choon het iaargetal ontbreekt.

De Vierde is een zeer rare Daalder, en voert: * .


a Het bortbeeld van den-Hertog, met een omchrift, zoo
als op den laattvoorgaanden.

b Een vaartuig of Schip met volle zeilen, dat een Stuurman


in een torm met 't roer regeert. Het cmchrift luid: S API
ENTIA NON VIOLENTIA. ANNO MD CXV II.

Dat is: Door beleid en niet met geweld. 1617. (y)


A A N M E R K IN G.

1. c. 17os. . (y) De Heer Lehman zegt zeer wel, dat deze Daalder onwederpreke
pag. 22. lyk tot het Jubelfeet behoort, want choon het omchrift en zinnebeeld
van den Stuurman niet # ook op de Vortelyke Regering der
Landen konden worden geduid, zoo doelde echter alles waarchynlyker op

de Religiezaak, voornaamlyk op die der Protetantche Vorten in Duit


chland, en op dezelfs verdediging opgerechte unie, waarin Philippus,

Hertog van Pomeren ook wel verzocht was, die echter met cene hen toe.

chynende wydlopige alliantie niet wilde te doen hebben, in mening, dat


SGod zelf zyne zaak bet zou weten te betieren, en datze van de zyde der
Vorten niet met geweld maar met groot beleid moet worden gedreven.
Dat echter niet de woorden: Sapientia
violentia maar die Chrito et
Reipublice, de zinpreuk van den Hertognon
zyn geweet, verzekert D. Da
niel Cramerus in zyne Pomerche Kerkhitorie alwaar hy zyne gedachten in
dit twee regelig vers heeft verklaart:
Vivo tibi Chrito, tibi & o! Republica vivo.
Non mihi um natus, ed patriae atque Deo.
w

| | ||

Dat

It

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

227

,, ! .
. Dat is,

Ten diente van Chritus en 't Gemenebet leef ik, ik ben voor my niet in de
zverred, maar voor 't Vaderland en voor God:

De Vyfde voert:

a Het bortbeeld van den Hertog; Rondtom leet men: Dei.


Gratia. FRANCISCUS. I. DUX. SE DINI. POME

RAN orum. CA SSU Biorum. ET VANDA Lorum. Dat

is: Van Godes genade Francicus de eerte, Hertog van Stettin,


van Pomeren, Ca/uben en Wenden.

b De Grypvogel, zoo als boven, behalven dat dezelve in


plaats van 't boek, een child met een doodshoofd, in de linke

klaauw houd, zonder eenig omchrif. (z)


A A N ME R K IN G.

(z) Meergemelde Heer Lehman heeft de chets van dezen Daalder ins-le. 17.54:
gelyks medegedeelt, weshalven wy nodeloos hebben geacht, zulks hier te #

doen. Hy is van gevoelen, dat dezelve waarchynlyk ter gelegenheid van


't Evangelich Jubelfeet gelagen zy; daarby voegende, dat de Hertog
Francicus een ongemeen vriend van Prieters was geweet, en dat hy ze
doorgaans alle Zondagen, voornaamlyk toen hy nog in gerut bezit van
Coslin, bisdom Camin, was, aan zyne tafel had gehouden, om met hen
te redeneren, en zyne liefde te tonen iegens de gene, die aan Gods Woord
arbeiden.

Hy is echter den 27 November 1626 overleden.

vA

S 8r.

De laatte plaats onder de Jubelpenningen van den iare 1617.


hebben de gene, welke op bevel van eenige loflyke Vrye te
den van 't Heilige

# Ryk gelagen zyn.

Ik heb ze zon

der iemand te kort te doen, in zodanige order geplaatt, alsze

zich bet chikken. Op zodanige wyze gaat de tad Nurenberg


ditmaal voor alle de anderen , niet alleen, wylze nevens de

tad Reutlingen, de eerte van alle Vrye Ryksteden is ge


weet , die 't Evangelie opentlyk heeft beleden , maar ook

de meete Jubelpenningen heeft laten laan, behalven de ge


ne die met name van Chritiaan Maler, voornaam tempelny

der aldaar, zyn in de werreld gekomen.


De eerte voert:

Ee 5

a Een

223

. DE G O U DE

EN Z I L VE RE

a Een zwemmende Zwaan, (waardoor Luther word verbeeld


die door den name Gods betraalt word. Het omchrift luid:
O LOR. 1NV ICTUS. VIRTUTE. DIVINA. Dat is:

Deze Zwaan is door Goddelyke kracht onoverwinnelyk. Beneden:


I S I 7.

';'Een tafel met

de H. Schrift daarop, zoo als uit den titul:

Biblia Sacra, blykt, naat dezelve taat eene brandende kaars,


en onder de tafel legt eene koornmate. Om den rand leet men:
IAM. LUCET. OMNIBUS. MODIO. RE MOTO.

1617. Dat is: Nu de koornmate afgenomen is, chynt de kaars a


len. (a)

AAN M ER K IN G.
(a) Naar alle waarchynlykheid is dit de Medaille,
Lib. II.
pag. 178.

waarmede de Fran-

che
Papit, Grammonds, Hitoria Gallica, den pot dryft, als hy zegt:
,, Zoo was de Nurenbergche Jubelpenning;
zy hebben Luther een zwaan
, genoemt, om dat de aartsketter Hus in deniare 141 5. op 't Concilie te
59

## daar hy op 't punt tont, om zyne welverdiende traffe te ly

, den, na 't voorgeven der Lutheranen, gezegt heeft : Gy dood iegens


'33 woordig wel eene Gans, maar na verloop van hondert jaren, zal uit ha
, reache een Zwaan voortkomen, dien ge wel ongebraden zult laten. In
, welke woorden hy door de Gans zich zelven heeft gemeent, om dat
22

Hus in de Boheemche tale een Gans betekent, terwyl hy door den

, Zwaan op Luther 't oog had, welke aartsketter honderd jaren daarna is
, opgekomen, dat aldus de profecy van Hus, volgens de Lutheranen,
, zou vervult zyn. Ik weet echter niet, waarom ze Luther, zoo gaarn
, by een Zwaan vergelyken, ten zy wyl de Zwaan witte veren, maar
, zwart vleech heeft, 't welk voortreffelyk op de Ketters kan worden

, toegepat, als welke meet huichelaars zyn. Een Zwaan leeft zoo wel
, op 't land als in 't water, aldus was Luther eert Roomch Catholyk,
, en onder de Catholyken een Monnik, daarna echter een afvallige en ket
, ter. Dus ver Grammondus.

Nu moet men blind wezen, als men niet met den eerten oplag de par
tydigheid van dien Schryver ziet. Want als men niet qualyk neemt, dat
de Poten zich by de Zwanen vergelyken, zoo zal die ook wel ontrent
Luther plaats vinden, behalven dat ze, zoo als in alle vergelykingen moet
gechieden, de behoorlyke palen niet overtreed; voornaamlyk wyl 'er eene
byzondere rede van Huens profecy daar onder verborgen legt, waar van

boven omtandiger gehandelt is. Wy zullen enkelyk daar by voegen, 't


pag. 84o.
4 1.

geen Philippus Melanchton in Chronico Carionis, in den jare 162y. te Ge


neve in 8. gedrukt, chryft, naamlyk: ,, Na dat zoo wel Johan Hus als

,, Hieronymus van Praag, door 't Concilie tot Ketters waren verklaart,
, zoo overgaven ze Hus, na dat ze hem alvorens op de gewoonlyke wyze
, zyn Prieterlyk-gewad hadden afgenomen, aan de werreldche Overheid,

, om te worden verbrand. Wanneer hy na de houtmyt wierd gebragt,


,,
,
,,
,,
,,

droeg hy een papiere muts, op de wyze van eene Bichopsmuts, waar


op drie duivels gemaalt waren, met dit opchrift: Dit is een Aartsketter.
Men zegt, dat hy kort voor zynen dood den toekomenden val van 't
Pausdom zou hebben geprofeteert, en verzekert, dat uit zyne ache
een Zwaan zou geboren worden, dien ze niet zoo licht zouden verbran

,, den, zoo als ze iegenswoordig bezig waren, met de gans te braden. Men
, heeft toenmaals ook deze woorden van hem gehoort : Pot annos centum
,, vos Deo &# mihi repondebitis. Welke woorden de Bohemers of Huiren
pag. 1 1o.

1q

,, naderhand met deszelfs afbeeldzel op de Penningen hebben laten laan.


Van deze Profecy handelt ook wel de meergemelde M. Seyfried in zyne
Diertatie de Vita Hut, maar zoo dat men gene zekerheid kan hebben, of

Huus van de Zwaan geproken hebbe; 't welk daar en tegen de Heer M.

Johan Hendrik Lder, Aeor. Facult. Philo te Leipzig, in zyne aldaar


17oy

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. 229


17oy. in 't licht gegeve Protetatie-brieven der Huiten taande houd , en pagag.

met 't getuigenis van Theobaldus, in 't Boek van den Huiten kryg, taaft. #e.

Als voor 't overige de Heer Tentzel in zyne Maandelykche Zamenpraken pag., 16,
van dezen Grammondus gewag maakt, zoo noemt hy dezen Nurenberg- i694 pas

chen Penning, eenen daalder, dien ik echter nooit zoo groot heb gezien. *72.
De tweede

Zyn wel van eene uitvinding, maar ontrent de vorm, groote

en cierlykheid van elkanderen ondercheiden. Want

eene

hand uit de wolken, die eene koornmate


van boven eene brandende kaars wegneemt, en dezelve aldus
overal doet chynen. Het omchrift luid: ECCLESIA NO
a Vertoont

RICA JUBILANS. Dat is : De iuichende Nurenbergche


Kerk.

b Deze woorden: MartInVs LVtherVs theoLoglae D. waar


II

23o

- D E GO U DE EN Z I L VER E

in de telletters 't iaar 1617. uitmaken, 't welk insgelyks voor 't
Jubelfeet van 1717. goed is geweet, zoo als boven reeds is aan

gemerkt, door 't volkomen uit chryven van 't woord DoCtor.
S. 82.

Op de Nurenbergche Medailles volgt een chone Jubel-Daal


der der tad Worms.
Dezelve voert:

a Een open boek, waarop een brandende kaars taat, daar


boven ziet men 't woord: BIBLIA.

Eene hand uit de wol

ke wyt met den vinger op de kaars, welke eene lang, die


zich om 't boek heeft gewrongen, poogt uit te puwen. Het
omchrift behelt 't iaar 1617. en luid: LVMen eVangeLII

perenna DeVs noter. Dat is: Onze God! laat 't licht van 't E
vangelie teeds by ons chrnen.
b. Een toren met een lantaarn, welkers pits tot in de wolken
-

reikt, en aan de in zee dwalende chepen een baak vertrekt, en


den weg na den haven en de tad, die men verre ziet, aanwyt.
Te midden den tooren is een kruis, en beneden een leutel

in een child, zynde 't wapen van de tad Worms. Het om


chrift luid: TURRIS. FORTISSIM A. NOMEN. DO

MINI. Dat is: De naam des Heren is de terkte toren. (b)


A A N M E R KI N G.

(b) Het omchrift van 't Revers is ontleent uit Spreuken Salomons
XVIII. 1o. Deze Medaille is van zilver een en twee loodzwaar, en
word van den Heer Schlegel in zynen Munt-Bybel bechreven. Grammon

Pg *99* dus maakt ook gewag van dezelve, op deze wyze: Deze Penning heeft hier
in iets byzonders, dat in 't omchrift 't taargetal 1617 vervat is, dog zoo, dat
het met de tydrekening der Reformatie niet overeen komt, en daaren boven geen
rechten zin heeft. Ik beken gaarn, dat ik niet weet, wat hy zeggen wil.
Want de woorden zyn in zich zelven duidelyk genoeg, en behelzen net de

eeuw der Reformatie, ofchoon Grammondus 't woord Perenna, na zyne


# uitgelaten en aldus geen rechten zin heeft konnen vinden. Waar
y moet worden na gezien, 't geen wy beneden van den Jubelpenning van
den
,,,,
Jeuit Conzenius zullen erinneren. Zie midlerwyl Tentzel. Maandelyk
#
1698. p. 'che Zamenpraken.
A'

I3-

.-

- *

De

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

231

De Twede is een kleine vierkante penning en voert:


---

a Het child met den leutel, zynde 't wapen van de tad
Worms, en ter zyde 't iaargetal 1617. ; met het omchrift:
BENEFA C. POPULO. TU O. DEUS. Dat is: Here,
doe uw volk wel.

b Deze woorden: IU BIL AF US. EVANGELII. R E

PRODUCTI. NUMMUS. Dat is: Jubelpenning van het we


dergebragt Evangelie.
S. 83.
-

De Jubelpenningen der tad Magdeburg zyn boven, ter ge


legenheid van Johan Hus, voorgetelt, weshalven wy nodeloos
achten, dezelve alhier te herhalen.

Derhalven volgen nu vier penningen, welke de eertyds vrye


Ryktad Straasburg, die echter 1697. by de Ryswykche vrede
aan de kroon Vrankryk gehecht is, ten tyde van 't eerte Jubel

iaar heeft laten laan. Van dezelve zyn de beide zyden van
Den Eerten

LE

CENTVM-ANTEN

ANNoSDIvINITvs\

!
}

#
-

l-

RIA NOVIQVE SECV


LIFELICI-AV SPICIO
MAZ-.

s P. Q ARGENTOR
F-F. AMD CXVII.

Ff

wei

232

D E G. o U DE EN Z I L v E RE

wel eveneens, maar verchelen in den tempel, midsgaders in


de figuur en gewicht. Op dezelve ziet men:

a Het wapen der tad Straasburg, zynde een gefaonneert


child, met een zilvere en goude balk, van de rechte na de lin
ke hand. Het omchrift luid: LUX. POST TENE BR AS.

MDXV II. OMNIS TERRA. ADO RET. DEUM.


ET. PSALLAT. EI. Dat is: Licht na duiternis 1617. De
ganche aarde aanbiddeu, zy Palmzinge uwen name. (welke woor

den uit Palm LXVI. 4. genomen zyn.) ,


. b Deze incriptie: PRO. RELIGIONIS CENTUM.
ANTE. ANNOS. DIVINITUS. RE STITUTAE.

MEMORIA. NOVIQUE SE CU L I. F E L I C I.
AUS PICIO. Senatus. Populus Que. ARGENTORatenis.
Fieri. Fecit Anno. MD CXVII. CAL endis. NOVEM
Bribus. Dat is: Ter gedachtenis der voor hondert iaren door Godde

lyke genade hertelde Religie en gelukkig begin van de nieuwe (E


vangeliche) eeuw, heeft de Raad en 't volk te Straasburg dezen

penning den 1. November 1617. laten laan.


De Derde

zyn insgelyks als de twee voorgaanden, in de figuur onderchei


den, dan van denzelven inhoud, naamlyk:
a Enkelyk deze woorden : POST. TENE BRAS. LUX.
1517. Dat is: Na de duiternis het licht. 1517.

b. Deze woorden : JUBILAEUM. ARGENT ORA


TENSE. 1617. Dat is : Straasburgche jubelfeet. 1617. (c)
A A N M E R KI N G.

(c) Van dit Straasburgch Jubelfeet is een byzonder Tractaat in wezen,


onder

den titul: Jubileum Academie Argentoratenis, ive Atta Secularis

Gaudii, in memoriam retitute per Dei gratiam & Lutheri miniterium, E


vangelii lucis. Anno 1617. Argentorati, in 4. DitTractaat betaat uit twee
De

EER GEDACHTE NIS VAN LUTHER.

233

Delen; in 't eerte vind men de Oratien en in 't twede de Diputen, die
toen chier van alle Profeors zyn gehouden.

S. 84.

Eindelyk hebben ook de loflyke vrye Ryksteden Spier,


Frankfort aan den Mayn, Ulm, Regensburg, en Hal in Swa
ben, hare Evangeliche Jubelvreugde met zilvere penningen te
kennen gegeven. Naamlyk.

De tad Spier met eenen fraaien vierkanten penning, waarop


men ziet:

a Het wapen van de tad, zynde drie Kerktorens: met dit


omchrift: BE WAAR. O. HEER! DE, STAD. SPIER.
BY. U W. WO OR D.

b De woorden: EVANGELII. REPURG ATI. Anno.

DOMINI. MDXVII. NUMMUS. JUBILAEUS. AN

NO. MDCXVII. Dat is: Jubelpenning van 1617. wegens het


in den iare 1517. weder gezuivert Evangelie.
Het

twede vierkante tukie behelt de woorden van den voor

gaanden penning, dog na eeneincriptie gechoeit, aldus:

a EVAN Gelii, REPURG ATI. Anno MD XV II.


NUMMUS. JUBILAEUS. Anno. MDCXVII.

...

b BEW AAR. O. HEER. DE STAD. SPIER. BY,


U W. WOORD.
. .
w,

. .

fi, 3

. .

- i
Ff 2

. .
--

. ... .
De

234

D E G OU DE EN ZI L VE RE

De Jubelpenning der flad Frankfort aan den Mayn voert:

ATV SRE IPVB


ITR ANCOFV
E

a Een Engel, die door de lucht of den hemel vliegt, en met

beide handen een open boek houd, waarin gechreven taat:


E VA N GE L I um.

Om den binnenten rand leet men:

VREEST GOD EN GEEFT HEM DE EERE (heer

lykheid) APOcalypeos XIV. Op den uiterten rand: VER


BUM. DOMINI. MA NET. IN. AETER NUM. Dat is:

GODS WOORD B LYFT IN EEUWIG HEID.

b Deze incriptie: IN. MEMORIAM. JUBIL AEI. E


VANGELICI. ANNO, SECU LA RI. MDCXVII. CE

LEBRATI. SENATUS RE IPUBLIcae. FRANCO

FURtenis. Fieri. Fecit. Dat is: Ter gedachtenis van het Evan
gelich 1617. geviert jubeljaar heeft de Raad der Frankfortche ge

menebet, dezenpenning laten laan. (a)


*

: A A N M E R K IN G.

(d) Dezen Penning bechryft Grammondus insgelyks, dog al wederom

met onbetamelyke onbedachtzaamheid, omdat hy niet alleen Apoc. 14.

l. c. pag.

maar ook 't woord: Celebrati op het Revers heeft uitgelaten. Den goud

177.

gulden, dien ik te Nurenberg # den Heer George Andreas Endter heb


gezien, quam met 't bovengemelde zilver tukie overeen, behalven dat on

der de Incriptie 't iaar 1617. tont.

De Jubelpenning der tad Ulm voert:

U####
M1: en daarnewens 't iaargetal 1617. Het omchrift luid:
#Nis
VAN HET EVANGELISCHE
JUB ELIAAR.

- '

* Een open boek, met een krans omvat, dat dezen titul
voert: VERBUM. DOMINI. MANET. IN

AE#

EER GEDACHTE NIS VAN LUTHER. 235

NUM. Dat is: Gods woord blyft eeuwig. Wyders is hier 't
omchrift van de andere zyde in 't Latyn, naamlyk: M EMO
lR IA. JUBIL /E I. E VAN GE L1CI. (e)
A A N M E R K IN G.

(e) Men heeft van deze Medaille ook eenen kleinen tempel, als een
groche, maar komt met de boventaande in alle delen net overeen. Onder

de Predikingen van wylen D. Conrad Dieterich, 1669 te Frankfort in 4.

# vind men in de twede Jubelpreek, die hy 1617 te Ulm heeft ge


ouden, deze woorden: ,, Alle Scholieren van de Lateinche en Duitche

,, Scholen, iongens en meisjes, wierden in de namiddag preek gebragt, en


,, na dat dezelve van de Predikers in den Catechimus van Luther in de te-

,, genwoordigheid van de ganche gemeente waren ondervraagt, bad men

,, God in een byzonder gebed, om hen en hunne nakomelingen by de rei


,, ne Evangeliche lere vaderlyk te bewaren, en de week daaraan volgende
,, wierd aan ieder Scholier een penningie gegeven, dat een Eerzame Raad

,,
,,
,,
,

ter gedachtenis van 't Evangeliche Jubeliaar had laten laan, midsgaders
een exemplaar van 't Jubelgebed in de Schoolkerk, vereert, na dat ze
alvorens na behoren door den Superintendent waren vermaant , by de
chritelyke zaligmakende Leere van den Catechismus, betendig door
Gods genade te blyven. Daarenboven is ook aan ieder choolkind in al
le teden, vlekken en dorpen, onder de Ulmche heerchappy behoren

, de, een tukje geld, benevens een exemplaar van 't Jubelgebed tot ge
,, dachtenis vereert.

, - /

t f

,
t

een vierkant tukie laten laan,

De tad Regensburg heeft


-

waarop men ziet.

- - - -2

- is
:

* *

} .!

,\ v

a Het wapen van de tad. . . .


.
b Het bloot iaargetal 1617. (f)
..
A A N M E R. K IN G.

, y

. . .#
.

#
&

- '

we

'V'2' ,

',

: 'I'E', '.

' -

'Y

- (f) Op beide zyden van dit tukje is wel geene Incriptie, doordien
echter 't iaar 1617 daarop taat, en de vierkante tukies doorgaans in pleg

tigheden worden gebruikt, zoo houden wy lt zoo lang voor eenen Jubel
penning, tot dat wy van 't tegendeel overtuigt worden. Z # . . . . . . .
\"

vr

* . *

De Jubelpenning der tad Halle in Swaben voert:


- : :: :

: : : :: :

236

D E GO U DE EN Z I L V E RE

a Het wapen der tad. (g)

b. Deze incriptie: EVANGELII. RESTITUTI. JU


BILAEUS. SUE VO. HAL ENSIS. 1617. Dat is: Ju
belfeet wegens het hertelde Evangelie, van de tad Halle in Swa
ben. 1617.
7

A A N M E R. K I N G.

(g). Van dit wapen hebben zeer geleert en uitvoerlyk gehandelt, de Heer
D. Johan Petrus Ludwig, koninglyke Pruiiche Raad en Profeor Publi
cus te Halle in Saxen, in eene chone Diertatie: de Halla Svevorum, en -

meergemelde Heer Chritiaan Schlegel, in zyne Diertatie: de Nummis


Altenburgenibus & aliis, Crucc manuque Signatis.

By alle deze Penningen zullen wy voegen een raar Jubeltukie, 't welk
#er de Heren Papiten, zonder twyffel om met het Evangelich Jubelfeet van
Papiten 1617 den pot te dryven, hebben laten laan, om te bewyzen, dat de
tot be
Roomche Kerk alleen betendig zy, en alle Ketterche, en by gevolg na
potting
der Evan hunne mening, de Evangeliche insgelyks, ongetadig en veranderlyk. Op
gelichen, 't zelve ziet men:
Jubelpen

a De Zon, om dewelke gechreven is: CONSTANS.

ECCLESIAE ANTIQUITAS. Dat is: De tandvatig


aloudheid der kerk. Om den uiterten rand leet men : MILLE
ET SEXCENT IS MICAT IN VARIA BILIS. AN
NIS. cloc XVII. Dat is : Ze chynt nu 16oo iaar zonder ee
mige verandering 1617. , ,
a De Maan , om dezelve taat gechreven : IN CON
- -

- -

STANS. HAERESEON. NO VITAS. Dat is : De on


etadige nieuwigheid der kettery. Om den uiterten rand: MIL

##

ET SEXCENTAS. FACIES CENTUM. IN. -

DUIT. ANNIS. Dat is : Ze verandert in den tyd van hon

dert iaren 16oo maal van gedaante. (h). .


::

A A N M E R K IN G.
(

(h) De chets van dezen zeer wel uitgevonden, maar qualyk toegepa
ten penning, op de ware Evangeliche kerk, hebben de Heren Waldch

midt en Johan George Eckard de goedheid gehad, my mede te deelen; de


zelve is ontleent uit 't Evangelich jubileum, van den Jeuit, Vader Adam
Conzenus, 1618. te Ments in 't Latein in 8. en dat zelve iaar ook in

Duitch in 4, gedrukt, op welkers titelblad deze penning in hout gene

den, en met deze Lateinche en Duitche verklaring te zien is:

Sol
O

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER 237


Sol unus coelo et, una et eccleia terrae:
Unus in hac Chritus vivit, & una fides.

Non una at Luna et, non una Eccleia vobis, 3


Non unus Chritus, non manet una fides.

Jeus de zoon Syrach Cap. XXVII. 12. Een godvruchtig man is betendig
in wysheid als de zon, maar een nar is veranderlyk als de maan. Onder de
zon taan deze reimtiens:
In duizend en zeshondert iaar.

't Roomche Geloof wykt niet een haar.


Onder de maan deze :
In hondert iaar veel hondert maal

Doet Luterch geloof een nieuwe faal.


Onder de beide :

Gelyk een zon aan den Hemel gaat,


Aldus op aard' een kerk betaat,
In welke Chritus leer blyft rein,
Daarom deze zaligmaakt alleen.
Gelyk de maan heeft veel getalt,
Zoo is des Ketters geloof verdeelt,
En wyl by u een geloof niet is,

Hoe heercht dan daar Heer Jeus Chrit ?


De ganche titel van 't boek van Vader Conzenus is: jubilum jubilorum
Evangelicorum, & piae lachrimac Romano-Catholicorum ad Imperatorem Aug. "
Reges, Principes, Republicas, Populos, pangente & plangente R. P. Adamo
Conzen, S. J. Theologo Moguntiae 1618.
Hy zegt onder anderen: ,, De Jubelvreugde wierd ganch verkeert van pagzz:
, dien tyd begonnen, om dat toen lechts een enkeld Pauzelyk artykel van Luther was te keer gegaan, want op zodanige wyze zou men van
-

,,
,
,,
,,

de tyden van Hus , Wiclef, en veel andere oude Ketters, vercheide


eeuwen konnen tellen. En choon geene van dezelve het in alle tukken
met Luther hadden gehouden, zoo haddenze echter ontrent eenerlei
dwalingen met hem gevoed. Als men 't echter zoo rekenen wilde, zoo

,, had men billyk het Evangelich Jubelfeet tot op Vigilantium, nevens


, de Waldenen en anderen moeten verchuiven , hoewel hy twyffelt,

of de Lutheranen zich wel gaarn met de ouden zouden willen gelyk reke
nen. Daarop poogt hy ons te bepraten, dat wy 't Jubelfeet in den iare

162o. hadden behoren te beginnen, om dat Lutherus in 't zelve aan de


vergiffenis van zyne overtreding wanhopende, 't Pauzelyk recht opentlyk
verbrand had.

Door welke woorden van Conzenius ik die van Grammon

dus verta, als hy ter gelegenheid van de verklaring van den Wormchen
Jubeldaalder zegt: Dat 'er ontrent de tydrekening eene mitating zy, zyn

de zonder twyffel van 't zelfde gevoelen van Conzenius, te weten, dat 't
Jubelfeet niet 1617. maar 1618 of 162o. moet een aanvang genomen
hebben. Dat echter zy beide , en alle de gene die het met hen houden,
daaronder de Jeuit Roetius, die een boek heeft uitgegeven, onder den
titel: Peudo-jubileum Lutheranis Anno 1617. celebratum, 1618. te Molts

heim in 4. gedrukt, in de tydrekening geweldig dwalen, en 't ondercheid


tuchen het begin der Reformatie 1517 en deszelfs voltocijng, die 15'3o
te Augsburg na de overgegeve belydenis is gechied, niet begrypen konnen
of willen

zulks heeft zeer fraai uitgevoert , wylen D. Johan Gottlieb

Mller, geweze Profeor te Rotok, en naderhand te Dantzig, in zyne


Diertatie, genaamt : Lutherus Lutheranus ante Lutheranismum, en de 1693.S:
Heren Gereformeerden te Heidelberg in de Chronologia Jubili Evangelici, 46 tot 62
op

238
p. m. 35'.

tot 43.'

D E G. o U DE EN ZI L VE RE

oppoita jubilo jubilorum jeuitico Moguntino, te Heidelberg 1618. in 4.ge


drukt. Bovengemelde ongerymtheid heeft Conzenius andermaal herhaalt,
in een boek, genaamt: Adami Conzen, S. j. Chronologia Jubilai Evange
lici, oppoita piis lachrymis Catholicorum; & intructio paterna de Jubilo Jubi
lorum ad Neuhuianos Scholaticos transmia, Moguntiae 1618. in 8. In welk
boek het Jubelfeet der Lutheranen op eene lelyke wyze word doorgetre

ken. Na de Opdragt volgen eenige laterachtige Verzen tegen dezelve en

tegen de Gereformeerden, welke Verzen dezen titel voeren: Vinaicie Nu


mismatis Romani, datae pro jubilo jubilorum , &5 pro Romano-Catholicorum
non crocodillinis in Evangelicorum capita, ed piis lachrymis, a R. P. Adamo

Conzen S. j. Dottore Theologo Profeore pronuper fais contra V.D. M.I.AE.


quas litteras Delius nabator ic legendas conjicit : Vertumnum , Didimaeum,
Maevium , Ixionidem, Aeopium, eu Virbium , .Dolopeium , Menip
pum, Imeniadem , Aepolandrium, autiore Joanne Goltchmidt, Franc

Omengharent, veritatis & eloquentie tudioo. Bezwaarlyk zal iemand ra


den, wat deze tot latering verzonne chynen de verklaring van deze By
belche Spreuk: Verbum Domini Manet In Aeternum, zal betekenen. Voor

't overige is Vader Conzen in 't eerte Tractaat zeer verwondert, dat de
Gereformeerden te Heidelberg met de Lutheranen het Jubelfeet hebben

geviert (welker Jubel-Acta in deniare 1617 zyn in 't licht gegeven ) daar
nogtans hunne leere en hun Patriarch Calvinus (dit zyn de woorden van
den Auteur) van Luther en der Lutheranen leere, merkelyk verchilt, en
Pag. 25.

hy waant eindelyk, de eigentlyke rede te hebben gevonden, als hy chryft:


,, De rede is dienvolgens, ten einde de Calviniten in 't geheim den pot
,, zouden konnen dryven met de Jubelvreugde der Lutheranen, met hen te
, binnen te brengen het droevig ongeval, dat hen ten tyde van Keurvort
,, Frederik en Johan Caimir te Heidelberg is overgekomen, waar door zy

, zodanig gefnuykt zyn, dat ze zelfs 't bezit van de ganche Palts verlo
, ren hebben. Ook bevind ik, dat deze Paapche
P. IIp.m.
2oo, 2o1.

# is toe

epat op de Evangelichen, in het lichtvaardig boek, dat voor titel voert:


phemerides of korte jaar en Daggechiedenien van den Op en Ondergang van

't Lutherche eerte Evangelie, opgetelt door G. W. J. Philo-Germano, 1617.


in 12.

$ 85.
Vervolg

Met zulke penningen heeft men dier tyd de gedachtenis van

na 't Ju
belfeet,

Luther en de van hem voor hondert iaren begonne Reformatie


der kerken, vereert, en alomme verpreid. Nu echter zullen
wy niet onrecht doen, als wy in korte woorden verhalen, hoe

't den Protetanten na dit Jubelfeet met hare religie gegaan is,
tot dat dezelve by de Wetphaalche vrede te Onabrug en Mun
ter andermaal van de gezamentlyke Standen des Ryks plechtig
lyk op een vaten voet is gezet, ten einde gelegenheid te heb
ben, om de penningen te verklaren, die 163o. ter gedachtenis

van de in deniare 153o. te Augsburg opentlyk overgegeve Ge


loofsbelydenis, gelagen zyn.
S. 86.

De Protetanten leefden toenmaals wel in rut, dog de Pa

# hielden altyd heimelyk 't oog op dezelve, invoegen de


vangeliche Unie en de Catholykche Ligue als twee potten
waren, die zoo lang op 't water dryven, en onbechadigt bly
ven, als ze elkanderen niet zelven aan tukken toten. Schoon
ook midlerwyl tuchen Godgeleerden gelyk zulks dikwyls pleegt

te gechieden, hier en daar over zommige geloofs-punten ge


chil onttont, zoo wierd echter daardoor geen oorlog verwekt,
nog

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER 239


nog iets hoofdzakelyks
de religie verandert.
Boheem
't in
Jubelfeet
tond er inNiet
Bohlang ech-, che
on
DAL

- L*

ter na 't vieren van 't Jubelfeet, onttond er in Boheme een #


chrikkelyk oorlogsvuur, om dat de ingezetenen van dat ko

ningryk klaagden, dat de vrye oefening van religie, hen by ope


brieven van den Keizer in den iare 1609. verleent, alomme be

let wierd, niettegentaande zy vercheidemalen daar tegen hadden


geproteteert. Daardoor wierden zoo voort de Boheemche Stan
den in twee factien gecheurt, de eene ub una, en de twede ub
utraque genaamt, willende de eerte 't H. Avondmaal na de wyze
der Roomche kerk onder eene getalte ontfangen, en de laatte

achtervolgens de inzetting van Chritus, onder beide getalten ,


zoo als by de Evangeliche kerk gebruikelyk is. Ieder party zocht
haar recht te verdedigen, en de meete Standen van 't Koningryk
Ongaryen, als mede die van 't Hertogdom Sileie, en de Mark
graafchappen Lauits en Moravie, traden in deniare 1619. 162o.
met de Evangeliche Standen in eene alliantie, onder den naam
van Unie, de goedguntige Lezer zalhoop ik, niet qualyk duiden,
als ik hem hiervan met twee fraaie rarepenningen bericht mededeel,
De eerte voert :

a Een cierlyk gekroont altaar, dat op vyf zuilen rut, waar


door de vyf bovengemelde geallieerde koningryken en land

chappen betekent worden. Op de kroon word de ryksappel


van eene hand uit de wolken gezet, en beneden de kroon taat:

VN Garorum. BOHEMO Rum. De andere woorden moeten

aldus by elkanderen worden gevoegt: ARA. PRO. REGE.


LEGE GREGE. Dat is: Altaar voor den Koning, voor de
wet en voor 't volk. Het omchrift luid: pIA & reLigloa or

thoDoXorVM LIga. Dat is: Godvruchtige en heilige vereeni


ging der rechtzinnigen.

Welkers telletters 't iaargetal van 1619.

uitmaken. Beneden taat: Cum. PRIVILegio. Sacrae. Re


giae. Maiestatis. Dat is: Met verlof van zyne Koninglyke Maie
telt.

- - - -

b In 't midden een breed band, waaraan als in een child deze
woorden taan: VERBUM. DEI. Gods woord.

Boven ziet

men een troup zoldaten, waarvan er een een vaandel voert,


waarin gechreven is: SUB UTRAQUE. Dat is: Onder bei

de getalten, betekenende de Evangeliche Boheemche tanden:

Deze trekken gezamentlyk na een altaar, waarby vier perzo


- --

G8

hen,

24o

D E GO U DE EN ZI LV ER E

nen, met pieken gewapent, taan, welke de vier bovengemel


de Provintien Ongarye, Sileie, Lauatie en Moravie te ken
nen geven, en als by 't altaar de alliantie met de Sub-utraquiten
bezweren. Onder den Band marcheert een andere troup zol
daten, welker aanvoeder in zyne vaandel de woorden: SU B
UNA. Dat is: Onder eene getalt, laat zien; en aldus aantoont,

dat dit de tegenparty, de Papiten, zy. Het omchrift luid:


SI. DeVs. pro nobIs. qVIs e.. hoMI.nlbVs. Contra nos.
Dat is: Is God voor ons, wie van de menchen zal tegen ons zyn?
De telletters maken 't iaar van 162o.

Op den Tweden ziet men:

a Eene pyramide of gedenknaald, van ieugdig loof, de Re


ligie, of den toetand der Evangelichen betekenende, omlin

gert. Tegen den voet taat 't woord UNIO. Vereeniging. Om


den rand leet men: TE. STANTE. VIR EBO, 162o.

Dat is: Zoo lang als gy betaat, zal ik groen blyven.

b Het wapen van 't MarkgraafchapMoravie, 't welk de Heer


Carel Ferdinand van Scherts in een afzonderlyk Duitch Trac

taatie, onder den titel: Moravich Lands-wapen, uit de hitorie


Nurenberg. 1699; 4. heeft bechre

en wapenkunde

ven. Het omchrift van dit revers luid: MONETA. NOVA,

MAR CHIO natus. MORA VIAE.

Dat is: Nieuwe Munt

van 't Markgraafchap Moravie.


Midlerwyl tierf de Keizer, midsgaders de Boheemche Koning Matthias, welkers Opvolger Ferdinandus II. de Boheem-,
che Standen niet wilden erkennen, eer en alvorens hy de Evan-

geliche Religie en andere vryheden op een vaten voet had ge


telt. Doordien hy echter dit verzoek in bedenken nam, zoo
ontzeiden ze hem alle gehoorzaamheid, en verkozen Frederik V,
Keurvort van de Palts, na dat Johan George, Keurvort van

Saxen, die kroon op eene edelmoedige wyze had van de hand


gewezen, tot Koning, die ook den 4. November 1619. tot
Praag gekroont wierd. De Kronings-Medaillen, die iegens
woordig ongemeen raar zyn, zal ik hier ook laten volgen.

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER 241


De Eerte praalt: '

##

a Met de bortbeelden van Keurvort Frederik en


malin, pragtig gedot, dog zonder hoofdcieradien. Om den

rand taat: FRIDERICUS ET. ELISABETH A Dei

Gratia. Rex. Regina BO HE MIAE. Dat is: Frederik en Eli


abeth, van Godes genade Koning en Koningin van Boheme.
*
b Met een eirond child, waarin vyf handen eene kroon op
houden, die van den naam Jehovahbetraalt werd, om dezelve

leet men: DANTE. DEO. ET ORDINUM. CON

CORDIA. Dat is: God en de eenparigheid der Standen geven de


ze kroon. Daarnevens taat dit Schrift: FRIDER Icus. Dei

Gratia CO Mes. PA LATinus R HENI. Sacri. Romani,


Imperii. ELECTor. DUX. BA Variae. CORONatus. ET.

CREatus. IN. REGem. BO HEmiae. MARCH ionem.


MO R Aviae. DUCE m. SILeiae. ET, MAR CHiomem.
UT Riuque. LUSA Tiae. ANNO clo locxIx. DIE. Iv.
NO VEM bris. Dat is: Frederik, van Godes genade Paltsgraaf
aan den Ryn, Keurvort van 't heilige Roomche Ryk, Hertog van
Beyeren, is gekroont en gemaakt. Koning van Boheme, Markgraaf
van Moravie, Hertog van Silete, en Markgraaf van Opper- en
Neder-Lauatie, den 4. November 1619. Beneden legt een bon

del pylen, zinnepelende op de eendragt der Standen. (i)

A A N M ER K 1 N G.
(i) 't Is waarchynlyk, dat deze Medaille op bevel van de gezamently
ke Standen gelagen, en op den kroningsdag omgedeelt zy. De Heer

Ziegler zet in zynen Dagelykche Schouplaats des Tyd, dien dag op den 25.
ctober, dog kan uit dezen penning verbetert worden. Staat aan te mer
en, dat de vyf handen de vyf Provintien, op 't Revers genoemt, beteke

nen, en dat 't Markgraafchap Lauatie voor twee Provintien moet wor
den gerekent. Want choon 't koningryk Ongarye tot de Boheemche
Unie behoorde, zoo is echter niet Keurvort Frederik , maar Bethen Ga

bar, Vort van Zevenbergen, tegen Keizer Ferdinandus, tot Koning van
dat ryk verkozen.

De twede penning is naar allen vermoeden de geene, die op


den Kroningsdag onder 't volk gegooit is.
-

. .
-- - -- - -

..."

Gg 2

- - -- -

- --

. . .

- -

- - - -.

De

f. 1281 a.

24: DE G. o U DE EN z 1 L. v E RE
Dezelve voert:

a Vyf handen, die eene kroon ophouden, zoo dat ze met


uitgetrekte vingers eenen eed aan dezelve zweren, of huldigen.

Het omchrift is zoo als op den laattvoorgaanden: DANTE.


DEO. ET. OR DINUM. COR DIA.

b. Deze incriptie: FRID ERICUS ELECtor. BOHE


MIAE. REX. COR ONAT UR. DIE. 4. NOV embris.

ANnO. 1619. Dat is: Keurvort Frederik word tot Koning van

Boheme gekroont den 4. November 1619.

Deze vreugde echter duurde niet lang, want Koning Frede

rik wierd 162o op den witten berg by Praag van de Keizerly


ke en Beierche armee op 't hoofd gelagen, en moet vervol
gens zyn leven in ballingchap eindigen. Johan George, Keur
vort van Saxen, bleef in den beginne onzydig; wanneer ech
ter na de lacht zommige Standen niet wilden gehoorzamen,

zoo quam hy den Keizer te hulp en deed eenen inval in Lau


atie, bragt de muitelingen tot reden, en hechte die Provintie

onder voorwentzel van groot verchot aan volk en geld op ze


kere voorwarden, aan zynen Keurvortelyken hoed, als een
eeuwig leen. Zeker is, dat de pryswaardigte Keurvort door
zyn goed beleid de onrut tilde, en belette, dat zyne aan Bo

heme grenzende landen insgelyks niet wierden aangetat. Wy

zullen wegens deze zaak twee Medaillen laten volgen,


Op de eene ziet men:

ZV. GVr TEIR

GEDECHTrNys
ATNTrio 6 EJ.
C-MT

a Een Schip, op dezelve wyze als boven op eene Medaille


van Keurvort Augutus, met deze woorden: CHRISTO.
DUCE. DULCE. PERICULUM. EST. Dat is: UAls

Chritus myn tuurman is, behoef ik geen gevaar t ontzien.


, b De Incriptie: PSALmo. CXLIIII. HEER. ZEND.
U WE.

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER

243

UW E. HAND. VAN. DE R. HOOGTE. UIT, ONT


ZET. M. Y. ENDE. RUKT. MY. UIT. DE. GRO
TE. WATER EN UIT. DE. HAND DER VREEM

DE. KINDEREN. TER. GOEDE. GEDACHT E


NIS. ANNO. 1621. C. M. Chritiaan Maler. (k)

A A N M ER K IN G.
(k) Heer

# in zynen Munt-Bybel, daar hy dezen Penning na een pag. 18s:

zilver origineel bechryft, brengt den zelven ook tot de verwarring dierty
den.

Op de Twede:
---

--------

## \ KA
ASHPATEN #
C
HEID
UTTTTU

gro

Z $

VR

ED is
A

5)
Re-A

Z S&#

q'

C.

laS/W/E&#
O2# #Ti

A.

\#
-

3 J) 4

**

&P

a>

28

a Het Keur-Saxiche Wapen in de gedante van eene wereld


kloot, met een olyfkrans omvat, en een kruis en eenen Keur

hoed verciert. Het omchrift luid: Heldenmoed met omzichtig


heid.

b Eene gewapende hand, houdende een bloot zwaard, dat


met een lang en palmtak omvlochten is. Met deze woorden:

Belet dikwyls mengen groten tryd.

Beneden het iaargetal 1625,

( l)
-

* .

A A N M E R K IN G.

(l) De omchriften van beide de zyden moeten by malkanderen worden

gevoegt, wanneer ze een volkomen zin hebben.

6.

87.

Nadat aldus de optand in Boheme en andere landen gedempt #


was, zoo keerden de

# en Spaanchen hunne

wape- #.

nen tegen den Neder-Saxichenkreits, en waren chier alomme kryg met

zegenpralende. Eindelyk toen ze zagen, dat hen alles na wench #"


ging, zoo verwoeteden zy niet alleen deze heerlyke landen op Prote

eene ylyke wyze, maar wierden zoo hoogmoedig, datze zich "
lieten voortaan, dat 't nu de rechte tyd was, om de Protetan
ten alle uit te roeien, zich vleiende, dat ze geen moeds ge
noeg zouden hebben, om die zeeghaftige armee 't hoofd te bie
den. Dit was zekerlyk een grote chyn, en daarenboven kon

den zy zich op de in handen hebbende magt verlaten, terwyl


de Protetanten en derzelver Opperhoofd, Johan George, Keur
-

Gg 3

vort

244

D E GO U DE EN ZILVER E

vort van Saxen, in geen kleine verlegenheid waren, choonze


nog teeds de bete woorden gaven, met verzekering van hare
onderdanigte eerbiedenis en gehoorzaamheid aan den Keizer,
voor zoo veel zulks met hunne geloofs-belydenis en vrydommen
konde betaan. De vyanden echter kreunden zich diesweinig;

daarentegen wierd den Protetanten in deniare 1629. by een


Edict op zware traffe bevolen, de tot nu gebruikte Kerkelyke

goederen of tichten, den Roomch-Catholyken zonder uittel


weder in te ruimen, als welker verlies, denzelven zeer ter her- .

ten ging, terwyl zommige van de Clerey bezig waren, om de


Augsburgche Belydenis in chriften op 't lelykte te childeren,
en alomme hatelyk te maken, waarentegen de Saxiche Godge
leerden hen niets chuldig bleven, maar de gemelde belydenis

als den oogappel der Evangeliche Religie kloemoedig bewaar


den, en eene Hoofdverdediging van dezelve in 't licht geven.
/
(m) .
*

A A N M E R KI N G.
t

(m) Zie D. Rechenbergs Summarium Hitorie Eccleiaticae. De Heer


M. Hendrik Pipping, welverdiende Prediker ter St. Thomas kerk te Leip
zig, heeft in eenen fraaien brief den geleerden Hollander, den Heer Tho
mas Creenius aangetoont, dat de onbekende Opteller van de bovengemel

de Schriften, de toenmalige Keurvortelyke Opper-Saxiche Hofprediker,


D. Mathias Hoe van Hoenegg, geweet zy.
S. 88.

. In welke benaauwtheid de Keurvort zich bevond, toen hy 't


voornemen der vyanden, en zynen toetand zag, is beter te be

zeffen, dan uit te drukken. Ten einde hy echter ook tone,


dat hy niet bereid zy, zelfs 't grootte gevaar t'ontzien, als het

om de vryheid en voornaamlyk de Religie te doen was, zoo


deed# niet alleen vercheide aanzienlyke Gezantchappen aan

den Keizer, welke voor hunnen hogen Principaal en deszelfs

geloofsgenoten vertogen moeten doen, om ware 't mogelyk,


den Keizer op andere gedachten te brengen, voornaamlyk wyl
men handtatelyk bepeurde, dat hy lechts van eenige Raden,
die den Protetanten vinnig waren, en zich op hunne voor
poedige wapenen verlieten, tegen hen wierd opgeruid. Door
dien 't echter cheen, dat alle pogingen vergeefch zouden zyn,
zoo waren de Protetanten ook op hunne veiligheid bedacht,

met eenigzins ryper beraadlagingen dan tot nu was gechied;


aangezien de Keurvort van Saxen in November 1628. in zyne
Reidentie Dreden, den Godgeleerden beval, de Schriften der
Jeuiten tegen den Evangelichen Oogappel of Ausburgche Con
feie, te wederleggen, en 163 1. te Leipzig eene byeenkomt
van alle Protetantche Vorten en Standen hield, wanneer hy
zyne tandvatigheid by 't rein Evangelie niet alleen by monde
en gechrifte betuigde maar ook gedoogde, dat dezelve door
eene treffelyke Medaille aan alle werreld wierd bekent gemaakt.

Daarenboven vereenigde hy zich met de Standen, om dat hy


het billyk, midsgaders zoo wel by God als menchen verant
woordelyk achte en met zynen hogen tand overeenkomende,
om dwingelandy te weeren, en geweld met geweld te keren.
De

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER 24,


De eerte van de bovengemelde Medaillen ziet zoo wel op de
onderhanden zynde verdediging van den Evangelichen Oogap
toenmaals voor de deurtaande zaken, als voornaamlyk op de

1 of Augsburgche Confeie, weshalvenzy dan ook met recht


e plaats alhier vind.

De

eerte voert:

a Eene Zuil op eenen vierkanten voet, waaraan gechreven


taat: V. D. M. J. AE. Dat is: Verbum Domini & Manet In
c_AEternum.

Aan de zuil leet men: STATUA. PACIS.

Dat is: Vrede zuil. Boven op dezelve legt een open oog, met
eenen helderen doorchynenden Oogappel; by 't zelve ziet men:

RELIGIO. Godsdient. De zuil word van eene vrouwsper


zoon omvat, houdende in de rechte hand een kelk, om my
- nes bedunkens te tonen, dat vrome chritenen om de reine Re

# den bitteren kelk behoren te drinken, of dat de Augsburg


che Confeie leeraart, men moete 't Heilige Avondmaal niet
verminkt, maar na Chritus inzetting, geheel en met 't waarach

tig bloed nemen, wat ook de Papiten daartegen zouden mo

gen inbrengen. Boven in de wolken ziet men het wakende


oog Gods, dat door de wolken zyne tralen op de zuil chiet,
en daardoor 't oog op de zuil verlicht. Daarboven taat de ver
klaring in de woorden: PER VIGILIUM DEI.

PE

246 -

DE G O U DE E N ZILVER E

Gods waakzaamheid. Van verre is de Keur-Saxiche Reidentie


tad Dreden, aan de kant van de Elve, die daar haar bedde
daar maakt.

Het dubbel omchrift is ten dele Duitch en ten

dele Latein: ACH. HEER. UW. VOLK. EN WOORD.


BEWAART. REIN. ALS EEN. OOG. BY DE WA
RE. V RED E.

CUST ODI. ME. UT. PUPILL AM.

O CULI. PSalmo. 17. Dat is : Bewaart my, als het zwaart des
oogappels. Beneden is 't iaargetal MDCXXIX. En ter zy
den den voet de vyfletters: V. S. M. S. D. van welke de twee
laatten den naam betekenen van den toenmaligen vermaarden
Stempelnyder te Dreden, Sebatiaan Dadler.
b De tandvatigheid, zittende op eenen zege wagen, op wel
kers voorte gedeelte een kleine gevleugelde Victorie twee trom
petten teekt. Zy houd in de rechte hand eene zuil, in de lin
ke eenen palmtak. - De wagen word door hope en geduld getrok
ken. Eene hand uit den hemel brengt aan de Standvatigheid
eene kroon, welke haar zou worden opgezet, als of ze lang ge
noeg van de geduld en hope# was, welk alles 't omchrift
duidelyk genoeg verklaart: HOPE. GEDULD. STAND
VASTIG HEID. ER LA NGT. DE. KR O ON. DE R.

ZALIGHEID.

Het doel echter van 't ganche zinnebeeld

vind men beneden in deze woorden: CONSTANTIA.

TRIUMPHANS. Dat is: De zegepralende Standvatigheid.


(n)
A A N M E R KI N G.

tel.: 17

(n). Deze treffelyke Medaille hebben Heer Tentzel in zynen Schediasma

# * van Keur- en Vortelyke Saxiche kryg en Vredepenningen, en Heer Schlegel


*** in zynen Munt-Bybel op de verdediging van den Evangelichen Oogappel
toegepat, welker gevoelen ik billyk volg, en deswegen verbeter, 't geen
in de Lateinche uitgave van my gemeld is. Midlerwyl dwaalt de Abt Bi
zot, als hy dezelve in zyne Hitoire Metallique de Hollande, op de Munter

che Vrede duid. Ik heb eehter nog eenen tempel van deze Medaille ge
zien, en eenen chets in zilver van den Hoogvortelyken Saxen-Naum

burgchen Hof Jutitie-en-Conitoriaal-Raad te Schleuingen, Heer Johan


Willem Weber, mynen hooggeerden zwager en patroon, ontfangen, die
enkelyk in 't omchrift verchilt, behalven dat de tad Dresden alhier gro
ter vertoont en 't iaargetal 1629 uitgelaten is. Het omchrift luid aldus:

a IN VERA. VITAM. NOS. RELIGIONE. PER.

QM NEM. CEU. PUPILLAM. OCULI. PROTE


GE. CHRISTE. TUI.

Dat is,

Becherm o Chritus ons, gedurende 't ganche leven, by den


waren Godsdient, als 't zwart van uwen oogappel.
b Deze verzen:

TER PATIENTER. ONUS C ON ST AN T I.


PECTOR.E SPERA. IN. COELO. FIDEI. CERTA.

CORONA. DATUR.

Dat

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER

247

Dat is:

Draag uwe rampen met geduld, en hoop met een tandvatig


hert, in den hemel zal u de gewie kroon des geloofsgegeven wor
De Twede is niet minder fraai en voert:

a De tad Leipzig volkomen, welke door eenen ovalen he


mel, in welkers midden de aan alle kanten tralende name Gods
Jehovah chynt, door middel van twee Engelen bedekt word.
Beneden aan denzelven ziet men, het Keur en Vortelyke Sa
xiche dubbelde wapenchild. Het omchrift luid: KEUR
VORST. HA NS. GEORG E. VAN. SAXEN. GOED.

VOOR. GODES. EERE. WAKEN. DOET. HOUD.


HIER. EENEN. CONVENT. GOD. GEEF. DAAR

OP. EEN. GEWENSCHT. END.

Beneden: LIP

SIA. Leipzig, en 't iaargetaal 1631. en S. D. Sebatiaan Dad


ler.

b Het Vredesbeeld, met wolken omgeven, houd in de linke


hand eenen palmtak, en wyt met de voorte vingers van de
rechte hand op den van boven aftralenden name Jehovah; met

de voeten treedze op allerhande wapenen, onder dewelke op


een child 't iaargetal 165o. taat. Om den rand leet men:
GO D. L OF. DIE. ONS. ZO O. GOEDA ARD I G.
BEM INT. DEN. KRY G. WEERT. EN VREDE.

GEEFT. (o)

Hh

A A N--

- - tt

:48 DE G o U DE EN z LL v E R E
A A N M E R K IN G.

(o) Het Revers van deze Medaille behoort eigentlyk tot de eerte zyde

niet, maar is van eenen anderen tempel ontleent, zoo als uit de jaargetallen
blykt. Welke ineenzmelting michien van eenen tempelnyder daarom
is gechied, om op de eerte zyde 't jaar, wanneer 't oorlogsvuur in Saxen
is doorgebroken, en op de twede dat, wanneer 't zelve aldaar gedempt is,

aan te tonen. Zeker is, dat beide Copyen, die my in huisblaas zyn mede
gedeelt, van eenen lag zyn geweet. Te Gotha echter in 't Hoogvortelyk
Cabinet, en te Arntad in 't Hooggraaflyk, heb ik een ander origineel in
zilver gezien, voerende 't Revers een jongeling, dien een vrouwsperzoon
by Appolo en Mercurius brengt, met dit Potich omchrift:
AL CIDI. PU ERO. VIRTUS EN. MONSTRAT. AITQUE.
QUI. PLACET. HUIC. DICAS. TU. MIHI. CARE. PLACES,

't Welk zoo veel te kennen geeft, als dat Leipzig zoo wel wegens de Uni
veriteit als wegens den koophandel vermaard zy, en aan de jeugd vry ta,
fol. 18.

van beide een te verkiezen. Zie ook Heer Tentzels Schediasma. Wat my
aanbelangt, my dunkt, dat dit ook nog 't rechte Revers van onze Medail
le niet is, om dat 't met de eerte zyde ganch niet overeenkomt.

De derde is een fraai zeskantig tukie, en voert:


\w

DEINCIKS

g=| DEN IEDLEN

| FRIED VNS WI |

| DER SCH: Ngne

a Vier mannen, die voor een offeraltaar, dat door een re

#
omtrokken, en door den name Gods betraalt word,
nielen en bidden, met de woorden : RE DEAT. PAX.
AUR ea. MUNDO.: Dat is: Wy wenchen, dat de gulde vre
de weder in de wereld kere. Beneden: 1629. (p
b Deze woorden: ACH. HEER. AAN. U WE. GE

NADE. G EDENK. DEN. EDELEN. VREDE. ONS.

WEDER SCHENK.
A A N M E R K IN G.

(p) Het zal juit zoo ongereimt niet zyn, als wy ondertellen, dat door

de vier biddende mannen betekent worden, de Keur-Saxiche Godgeleer


den, welke in 't gemelde jaar de pen opvatteden, om de Augsburgche

Gonfeie te verdedigen, en wel merkten, dat de Wederparty niet anders


als oorlog in 't zin had.
S. 89.

Midlerwyl choon de vyanden de toerutingen ten oorlog

met alle kracht voortzetteden tegen de Augsburgche Belyde.


nis

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER

249

nis en deszelfs verwandten, Keurvorten, Vorten, en Stan

den, en de Protetanten in grote vreze leefden, zoo lieten zy


echter niet na, een nieuw Jubelfeet te vieren wegens de ge

loofsbelydenis, die hondert iaren geleden, in de vrye Ryks

tad Augsburg, den Keizer Carel V. opentlyk was overgegeven.


Men beval, deze plechtigheid den 25, 26 en 27. Juny 163o. #
met oratien en diputatien in de Univeriteiten, en met preken, burgche

bidden, en allerhande peeltuig in de Kerken op eene aandachti- "r"


ge wyze te vieren, (q) en de grote goedertierenheid van den
Hoogten met een dankbaar hert te loven en te pryzen.
A A N M E R K I N G.

(4) Van deze uitchryving meld Heer Wecke in de Dredenche Kronyk fol. 321:
aldus: ,, Als ook naderhand zyne Keurvortelyke Doorluchtigheid van Sa- a. b.
2, xen, Hertog Johan George de eerte, chritelyk by zich zelven over
, woog, dat voor hondert jaren de reine Evangeliche lere op den Ryks

, dag te Augsburg voor zyne Roomch Keizeryke Majeteit, ook Konin


2,
,,
,,
,

gen, Keur- en Vorten van den toenmaligen hoogloflykten Keurvort,


uit den huize van Saxen, Hertog Johannes, roemrykter gedachtenis,
en eenige Vorten des Ryks, opentlyk en onbechroomt beleden en over
gegeven, midsgaders dezelve tot nu door Goddelyke toelating tegen alle

, hare vyanden gehandhaaft was, zoo heeft hoogtgemelde zyne Keurvor

,, telyke Doorluchtigheid van zyne plicht geacht, om tot lof en eere van

,, den allerhoogten God andermaal een Evangelich Jubelfeet uit te chry


, ven, als mede eene zekere order op te tellen, op wat wyze dit feet in
,, 't Keurvortendom Saxen zoude geviert worden, en zulks te Dresden en

,, andere plaatzen laten aanplakken. En is zulks den 25. 26 en 27. Juny


2, O. tyl 163o. op dezelve wyze als dat van 1617. geviert.
Zie ook Heer Andreas Caroli, Memorabilia Hitoriae Eccleiaticae; voorts pag. 737,

M. Mathaeus Lunguvizius, Admiranda divina Saxonica , wyders Tobias Lib, II.


Heydenreich, Leipzigche Kronyk; midsgaders Heer van Ziegler, Dagelyk- cap.7.
che Schouwplaats des Tyds, en eindelyk D. Joh. Himmel, Hoogleeraar in pag. 23:
de Godgeleertheid, die in cene afzonderlyke Diertatie 163o De Scrupuli pag. 387:
circa Jubileum Lutheranum 163o. heeft onderzocht. Voor de Geleerden 415.
zal ik hier eene denkwaardige obervatie bybrengen, uit de giingen van fok 1213"
Leonhardus Krenzheimius, zoo als dezelve in 't raar boek, johannis Rot
ni Vitis trium Saxoniae Electorum, Friderici, Johannis de Johannis Frideri
ci, Edit, Jenae 16oz. in 4. litt. P. 3. a. gevonden word: Nec et omnino
contemmendum, quod viri indutrii & diligentes obervarunt , incidie tempus

exhibitionis Augutana Confeionis in annum a Baptimo Chriti, olenni illo


jubilaeorum Novi Tetamenti, milleimum quingenteimum: quot etiam anni a
principio jubilaeorum Moyis, quo & terra promia ditributa populo Irael,
duce Joua, &# bellorum tumultu aliquando quiecente, pax tandem reddita et,
interceterunt uque ad Baptimum Chriti, & olennem illam revelationem to
tius acro Santtae Trinitatis adjordanem. Itaque utramque revelationem aliquo

modo comparant, cum praeter temporis harmoniam alie etiam nonnullae utriu
que hitoriae circumtantiae congruent.

Tot dezelfs langduriger gedachtenis heeft men zodanige Jubelvreugde


ook door Penningen vereeuwigt, waar van ik de gene, die my in handen
zyn gekomen, zal bechryven.

Hh', z

Gp

'

25o

D E G. o U DE EN ZI LV E RE
Op den eerten ziet men:

a Het afbeeldzel van Johannis, Keurvort van Saxen, die de


Confeie te Augsburg heeft overgegeven, midsgaders zynen
naam: JOANNES: Om 't hoofd taan iaar en dag, wanneer

zulks is gechied, te weten den 25. Juny 153o. Op den rand


echter tuchen vier wapenchilden deze woorden: TURRIS.
FORTISSIMA. NOMEN. DOMINI. Dat is: De name

des Heren is eene terke toren. (r)

b. Het beeltenis van Johan George I, Keurvort van Saxen,


en insgelyks zynen naam: JO Hannes GEORgius. en om 't
hoofd iaar en dag van 't geviert Jubelfeet, namelyks den 25.
163o. Het omchrift luid: CONFESSionis. LUTHE

#
anae.

AUGutae. E XHIBITAE. SECU LUM. Dat is :

jubelfeet of Juigiaar van de te Augsburg overgegeve Lutherche


Geloofs-belydenis.
-

A A N M E R KI N G.

(r). Deze woorden zyn genomen uit Spreuken Salomons XVIII. 10.
pag. 209. en derhalven word deze Jubeldaalder van Heer Schlegel ook in zynen Munt
*ro.
Bybel verklaart, die ter zelver tyd erinnert, dat dezelve in grote goudtuk
ken en ook in vercheiderhande kleiner vormen gelagen is, zonder eenige
verandering ontrent het zinnebeeld. De Hoogwaardige Abt Heer Mola
nus meld echter in eenen brief aan my, dat hy op deze # die hy in
zyn Cabinet heeft, bevind, dat de naam JOANNES op achterhande wy
ze getekent is, 't welk zoo vele vercheide Stempels te kennen geeft. .

De

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER, 25 x


De twede is een Medaillon of grote gedenkpenning, en voert:

o 2 cic GeSA.Go.
IOHANNS

CHTVRF VRST ZW

SACHSSEN THVT BE
KENNEN IFREYAVS HEL"
IDENMTyTH DAS DIE
LEHR so ER VIBERGE
HEN SEY DIE RICHT
SCHINVR zVM EWI
(GEIN LIEBIEN.

ipEN 2A163Ivan
o Y 45
s

a Het afbeeldzel van Johannis, ## de Standvatige,


Keurvort van Saxen, om deszelfs hoofd taat: DEN. 45.
JUNY. ANNO. 15.3o., en om den rand tuchen vier wapen
childen: VER BUM. DOMINI. MANET IN. AETER

NUM. Dat is: Gods Woord blyft in eeuwigheid.


b Deze Duitche verzen:
IOHANNES. KEURVORST VAN. SAXEN. DOET.

BEKENNEN. V RY. UIT. HELDENMOED.


DAT. DE. LEER. DIE. HY. OVERGEGEVEN.
TOT. HET EEUWIG.

ZY.

HEg#TSNoER
V

De derde is ter groote van eenen grochen aan goud echter


een Dukaat, die toenmaals op bevel van den Doorluchtigten
Heer Hertog van Saxen-Weymar gelagen is.
Men ziet op dezelve:

Hh 3

a Een

2,2

D E G o U DE EN z I L v E RE

a Een open boek, waarin gechreven taat de onwaardeer


bare fpreuk van Paulus: Wy beluiten dan, dat de menche door
het gelovegerechtveerdigt word, zonder de werken der wet. Rom.
III. 28. Boven 't boek taat: Augutana, en onder 't zelve:

Confeio, welkers inhoud aldus door dezen hoofdpreuk word


aangetoont. Beide woorden echter moet men met 't omchrift
by malkanderen voegen : EXHIBITA. CAROLO. V.
IMPeratori. IN. COMIT IS 25. Juny. 153o. Dat is: Deze
Belydenis is den Keizer Karel den Wyfden op den Ryksdag overge
even, den 25. Juny 153o.
8

# in # #

deze Incriptie : DEO. CONSERVA

TORI. SAX ONES. VIN ARIENSES. TRANSA C


TO. SECULO. 163o. Dat is: Tereere van God den Bezwaar

der, hebben de Vorten uit den huize van Saxen Weymar dezen

penning na verloop van eene eeuw laten laan. 163o. (s)


A A N M E R K 1 N G.
1. c. pags
4o6.

fol. 37o.

(s) Heer Schlegel oordeelt zeer wel, dat Hertog Willem van SaxenWeymar, Godvruchtigter gedachtenis, als een geleerd Heer, deze Me
daille zelf hebbe uitgevonden, om dat bekent is, dat hy gedurende zyne
gemeenzame of eige Vortelyke regering de gelage gedenkpenningen meet

zelf heeft opgegeven, zoo als Heer Muller ook in de Saxiche jaarboe
ken aanmerkt.

De Vierde is een zeer rare vierkante penning en naar allen


vermoeden op bevel van Everhard den derden, Hertog van
Wurtemberg, gelagen, choon hy in deniare 1633. eert de

regering zelf heeft beginnen op zich te nemen. Dezelve voert:

4 Een uitgepreiden palmboom, die in eenen rot taat, te

midden den tam, ziet men 't iaargetal 163o, en op

den rand

deze woorden: VERITAS. PRMITR, SED. NON.

OPPRIMITUR. Dat is: De waarheid kan welgedrukt maar


niet verdrukt worden. Op de vier hoeken ziet men de vier wa

Pens van 't vortelyk huis Wurtenberg.


De incriptie met eenen krans omvat: IN. HONO rem.
DEI. TRINi. ET. UNius. MEMORIA MQue. SECU

LARIS AUGSTanae. CONFESSIONIS. E VAN GE- .

Lic# Picatum. Dedicatum. Dat is: Tereere van den Drieeni


gen God en gedachtenis der voor hondertiaren te Augsburg over

### Evangeliche onoverwinnelyke Belydenis, is deze penning


De

gewyd.

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER. 213


De vyfde is een aardig tukie, op dezelve is te zien:

#13
#nsrr."
# cawrzz: 11 crsr Ay

BAe 155c. 2A. Zz w.."

a Een Engel, die in ieder hand een boek houd; op dat van
de rechte taat gechreven: BIBLIA, en op dat van de linke:
CONfeio AV Gutana. Op den rand: VERBUM. DO
MINI. MANET. IN AET ER NUM. Dat is: Gods Woord

blyft in eeuwigheid.
b Deze incriptie: IVBILAEUS. Anno. MDCXXX.
25. Iuny. CONFESSIONIS. CAROLO. V. ET. STA
Tibus. COMITialibus. AVG VS Tae. Anno. 15.3o 25. IV
Nii. EX H I BITAE.

Om den rand moet 't chrift aldus wor

den gelezen: A. Iohanne. ET. Iohanne. Friderico. SA Xoni

bus. Georgio. BRANdenburgico. PHilippo. HASSiaco.


E Rneto. ET FRancico. LV Neburgicis. Wolfgango. AN
Haltino. NV RN berga. ET. REVTlinga, welk alles by
malkanderen gevoegt, dezen zin heeft: Jubelfeet den 25 ju
my 163o. wegens de belydenis die den 25. Juny 153o. op den Augs
burgchen Ryksdag, den Keizer Carel V. is overgegeven, van
Johan en Johan Frederik, Keurvort en Hertog van Saxen,

George, Markgraaf van Brandenburg, Philip, Landgraaf van


Heen, Ernt en Frans, Hertogen van Luneburg, Wolgang,
Vort van Anhalt, en de Ryksteden Murenberg en Reutlingen.
De zesde is zeshoekig en voert :

a Een opgelagen Boek, waarin gechreven taat: CON


FESSIO. AUGUST ANA. Boven en beneden 't zelve de
ze woorden uit Palm XLVI. 6. God is in 't midden van haar,

daarom zal ze wel blyven, 163o.

b Deze incriptie: MEMORIA. SECULARIS CON


FESSIONIS. AUGUSTAN /E. Anno, MDXXX DIE.
XXV. IV Nii. DIVO CAROL O. V. IM PER ATO
RI. Et. Cetera. TRADITAE. ET. RATIFICATAE.

Dat is: Hondertiarige gedachtenis der Augsburgche Confeie,


welke in 't iaar 15 3o den 25. Juny den gloriewaardigten Kei
zer Carel den Wyfden is overgegeven en geratificeert. (t)
N
-

A A N

254

D E G o U DE EN ZI L VE RE
A A N M E R K IN G.

(t) Deze Medaille is ook in eeneeenigzins groter vorm, dog zonderan


dere verandering, in 't hooggraaflyk Cabinet te Arntad voorhanden.

De zevende is eene net genede Medaille, op dezelve ziet men:


v

CKT GOTTIFVTRIDIE

GNAIDEN ZEIT:IDAID):
ILVTHIERS HLANIDVNID

MTVNIDSEIN WOIRT
IDERKIRCHEN MA
CHITE IKVNIDT
DEN 25 IvINY A5
165o

a Luther in prietergewaad, heeft in de linke hand een boek,


waarin gechreven taat: VER BUM. DOMINI. MANET.

IN. AET ER NUM. Dat is: Gods Woord blyft in eeuwigheid.


En S. D. Sebatiaan Dadler, zynde de naam van den Stempel

nyder. Met de vingers van de rechte hand wyt hy op dit


boek.

Het dubbeld omchrift moet aldus worden gelezen:

SCHAAMT. U. NIET. DER. GETUIGENISS E.

MY NES. HEREN. SCHAAMT. U. O OK. MYNER.

NIET. PAULus. 2. TIM. I. 25. IV NY. 15.3o.


b Deze Duitche reimen:

IEGENEgordig.

IUIGT. DE CHRISTEN

EN. DANKT GoD vooR. DEN GNADENTYD.


NU. Doctor. LUTHERS. HAND EN MOND.
ZYN. WOORD.

TER.

K ER K E N. MAAKTE.

KONDT.

DEN, 25. IUNY. Anno: 163o. (u)


A A N

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER

255

A A N M E R K IN G.

(u) Een treffelyk origineel van dezen Jubelpenning heb ik zoo wel de
goedheid van den Hoogedelgeboren Heer Jacob Wilhelm Imhoff, Hoog
beroemde Raadsheer te Nurenberg, als ook naderhand die van den Hoog
vortelyken, Saxen-Naumburgchen Raad en Kanunnik te Zeits, Heer To
bias Gebler, te danken.

De achtte is niet minder eene nette en rare Medaille,


Dezelve voert:

&#Kr

#X#

#/kVA
#

a Luther in Prietergewaad, die met den vinger op de woor


den wyt, welke de titul van een boek, dat hy in de hand houd,
zyn: VERBUM DOMINI. MAN ET IN. AETER
NUM. 163o. Om den driedubbelden rand taan deze verzen:

NU IS HET RECHTE JUBELIAAR.


DEN. KEIZE R. OVER GEGEVEN. WAAR.

TE AUGSBURG. DE. LEER. HELDER EN KLAAR.


GOD. BESCHERME. HAAR. VOOR. ALLE. GEVAAR.

PESTIs ERAM. vivus Mo R IENS ER o.


MORS. TUA. PAPA. In myn leven was u eene pet, ter

vende zal ik u dood zyn.

Ben:n taan deze vier


i

letters: M.

E.

256

D Ei G o U DE EN ZI LV ER E

E. E. A. welker verklaring ik zoo eigentlyk niet kan zeggen,


ze betekenen echter vermoedelyk den maker van dezen pen
Inlng. .

. .

b Den Paus (x) in zyn pontificaal, zittende op eenen toel,


als met de rechte hand den zegen uitdelende. Het driedubbeld
omchrift betaat uit vier Duitche verzen en uit een Lateinch;
de Duitchen luiden als volgt:
4.

VAN DES PAUZEN. GRUWELYKE. AFGODERY.


EN. ALLE R. VY ANDEN. TIRANNY.

MAAK. ONS. HEER. JESUS CHRISTUS VRY


DEN. VREDE. ONS. VERL EEN. DAAR B Y.
Het Lateinche luid:

AUGUSTANA. PLACET. CONFESSIO. NAM

QUE EA. TOTA. FONTIBUS. E. SACRIS.


ERUTA. PAPA. IACE T.
Dat is,

Ons behaagt de Augsburgche Belydenis, om dat ze geheel en al


uit de bronnen der Heilige Schrift gechept is. Nu legt de Paus
daarneder.
A A N M E R KI N G.

(x) Wie ooit 't afbeeldzel van Paus Urbanus VIII. heeft gezien, die

van 1623. tot 1644. het driedubbeld kruis heeft gezwaait, zal ten eerten
zien, dat dit 't zelfde is.

S. 9o.
zege op

Als nu de Protetanten midden onder de benaauwtheid voor

# den oorlog en hope op Goddelyke hulpe, den Hoogten voor


Protetan- de voor hondertiaren beweze genade met een vrolyk hert en

# Jubelfeet dankten, zoo naderde de troom der vyandelyke wa


penen en aanlagen Saxen hoe langs hoe nader.

Doordien nu

de Keurvort hunne verwoedheid in het verwoeten der tad

Magdeburg had leren kennen, en eene diergelyke wrede be


handeling van hen te duchten had, om dat ze zyne rechtmatige
voorwaarden niet hadden willen aannemen, zoo trad hy einde

lyk door de nood gedwongen, met Gutavus Adolphus, Ko


ning van Sweden, in eene alliantie, die toen iuit met een mach
tig leger was gekomen, om de verdrukte Protetanten te helpen,
en vereenigde zyne magt, betaande in ruim twintigduizenman,
met die van den Koning; na welke vereeniging de vyanden by
de tad Leipzig wierden getut; den 7. September 1631. quam
't tot een hoofdtreffen, en de Protetanten behaalden eene vol

kome overwinnig, waardoor de vermaarde Keizerlyke Gene


raal, Graaf Tzerclas van Tilly en zynen groten naam, krygs

kans en aanzien zyner party te gelyk verpeelde. Deze zege by

Leipzig, alsmede die in 't volgende iaar 1632. by 't tedeken


Lutzen, hoewel toen met het mertelyk verlies van den Koning

van Sweden, verdiende wel, om door


-

- -

gedenken":
WOTOICIl

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER 257


worden vereeuwigt, waarvan ik er echter maar eenige zalnoe
men, om dat derzelver bechryving behoort voor degene, die
na 't voorbeeld van den Heer Elias

## te Stokholm

alle de

Sweedche Medaillen verzamelen, en met eene Hitoriche ver

klaringen verryken willen.


De eerte is zeer net geneden, en voert:

,4. De tad Leipzig, en voor dezelve drie vrouwsperzonen,


die in 't omchrift worden genoemt. De Gerechtigheid geeft
aan Godvruchtigheid de hand. De tandvatigheid houd eene
gekroonde zuil, welke chynt te zullen vallen. Alle worden zy
door eene hand uit de wolken bechermt, en van den naam Je
Hh 2.

hovah

358 p E G. o U DE E N Z I L. v E RE
hovah betraalt.

Het omchrift luid: IUSTICJ A. ET. PIE

TAS CONST ANS. ANIMUSQUE. TRIUMPHANT.


Dat is: Gerechtigheid, Godvruchtigheid en tandvatigheid zege

pralen. Beneden taat: God met ons. (y) Als mede S. D. (Se
batiaan Dadler.)

b De verbeelding van de lacht by Leipzig. Bovenin de lucht


zweeft een Engel met een gevlamt zwaard, (z) omgeven met
zeve terren.

Rontom leet men dit vers: AUXILIANTE,

DEO. PRESSIS. V ICT O R I A. V EN IT. AN no.

MDCXXXI. VII. SEPT embris. Dat is: Door Godes hulp

hebben de verdrukten den 7. September 163 1. den zege behaalt.


A A N M E R K IN GE N.

(y) Dit veldgechreeuw God met ons, gebruikten de Protetanten in de


ze lacht, terwyl de Keizerlyken riepen Jeus Maria.
(z) De Engel in de lucht ziet op de neerlagen van Sanherib, Koning van
Ayrie; zie 2. Boek der Koningen XIX. 35. Het zevengetarnte bete
kent, dat deze Engel niemand anders zy, dat Gutavus Adolphus, Ko
ning van Sweden, die als uit 't Noorden was opgekomen, en de vyanden
door Godes bytand gelagen had.

De Twede is te Erfurth gelagen, op dezelve is te zien:

Anoirhosv Eeo EMAX

Ax)

& IGoT HoRutMr.WAND: QvEAyl


H

RIE GM, CONTRA

CAR, SARE

2T HUANu MAc LIGIsT1c-Ex-G


/S AW#AVTRIBULITAID
zRcITILM VictoRIAM/S:
LIPSIAMI AS
&#2

#%
O

a De aftralende naam Jehovah, daaronder deze woorden:


DEXTRA. TUA, DOMINE. PERCUSSIT. INIMI

CUM. Dat is: Uwe rechter hand, o Here, heeft den vyandver
broken. (a) Het omchrift luid: A. DOMINO. MISSUS.

VIVAT. GUSTAPHUS. ADOLPHUS. Dat is: Lang


levc Gutaphus Adolphus, van den Here gezonden.
b. Deze incriptie : DEO. TER. OPTimo. MAXimo. GLO

RIA. ET LAUS. QUI. GUSTAVO. ADOLPHO. SVE


CORUM: GOTHORUM. WANDalorum. QUE. RE
GI. CONTRA. CAES AREANUM. AC. LIGISTICUm.
EXERCITUM. VICTORIA M. T R I B U I T. A D.

LIPSIAM. DIE. VII. SEPTembris. ANNO. MDCXXXI.


Dat is: Den Drieenigen groten God zy eere en lof, die aan Gu
taphus Adolphus, Koning van Sweden, Gothland en Wenden,
Keizer/yke en Ligitiche armee den 7. September 1631. by

##

ipzigden zege verleent heeft.

Met dit omchrift: DIES.

PURIM. (b) EVANGELICORum. Anno.


-

Mocxx#
VII.

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

259

VII. SEPTembris. ERFURTI. CELEBRATI. Dat is :


De dagen der Evangeliche purim, zyn den 7 September 1632 te
Erffurt geviert.

A A N M ER KI N GE N.
(a) Deze woorden zyn ontleent uit 2. Boek Mois XV. 6.

Het Chi

mich teken beneden is dat van den Stempelnyder te Erffurth, Johan


Weismantel, hoewel zommige van gevoelen zyn, dat deze en diergelyke
met zulk Chymich teken gemerkte dukaten, daalders en grochen, van
Chymich metaal gemaakt zyn, welk gevoelen Heer Tentzel wydlopig 1692, p.
onderzoekt in zyne Maandelykche Zamenpraken, zoo als ook de hoogbe- 426 466.
roemde Profeor in de Rechtsgeleerdheid en Matheis te Kiel in Holtein, 475 78.
Heer D. Samuel Reyherr, in zyne geleerde Diertatie, die hy de quibus A.'

dam Nummis ex Chymico Metallo faciis gechreven heeft, alwaar hy ook ee- *****
nen daalder, die echter chynt, van dezen iets te verchelen, aanhaalt.

Dat echter deze daalder van den gemelden D. Reyher onvolkomen be


chreven zy, blykt ten minten hieruit, dat op beide zyden 't omchrift is
uitgelaten, 't welk echter noodzaaklyk daar toe behoort, en zonder 't

welk eene gedenkpenning chier maar 't halve licht en leven heeft.
(b) Wat de woorden: De dagen van den Evangelichen Purim betekenen.
dat kan men Ether IX. 16. tot 28. bet zien. Want daar word gemeld,

dat als de Heidenen het wreed beluit hadden genomen, om alle Joden zon
der ondercheid, uit te roeien, deze echter zich dapper verweert, en eenige duizenden van hunne vyanden gedood hadden, de Joden eenen dag van

blydchap en maaltyden hielden, dien ze Purim, dat is een dag van Ver

loing en der vreugt noemden, waaruit nu de toepaing op dezen daalder


licht is te maken, welke naar 't algemeen gevoelen, op bevel van de Ma
gitraat van Erffurth gelagen is, om dat 't woord Erffurti met name daar
op taat. Ik ben echter daar ontrent van andere gedachten, en geloof cer
der, dat zulks op dat van Willem, Hertog van Saxen-Weymar zy ge

chied, want meergemelde Heer Muller chryft in zyne Saxiche jaarboe- fol.347,
ken, den 7 September 1632. zy in 't ganche Vortendom Wcymar we
gens de in 't voorlede iaar op dezen dag by Leipzich behaalde wonderbare
zege, een lof en dankfeet plechtig geviert en ten dien einde een Penning
gelagen, dien hy vervolgens bechryft, en dezelve is, van welken wy hier
handelen.

Doordien nu Hoogtgemelde Hertog Willem toenmaals Gou


# was, welke hy den 21. September 1631
met de troupen van den Koning van Sweden had ingenomen, en zoo wel

verneur-Generaal der tad

in zyn Vortendom Weymar als te Erfurth het plechtige dankfeet liet


vieren, zoo zou men mogen beluiten, dat deze daaldr op deszelfs bevel

ter gedachtenis van het lof en dankfeet, van hem als Directeur-Generaal
in de Koninglyke Sweedche bezetting, midsgaders de borgers van Erf
furth, aldaar geviert, gelagen, en aldus onder de Saxiche Medaillen te
rekenen zy.
De derde voert:

Ii 3

De

26o

D E G. o U DE EN Z I L v E RE

a Den Koning van Sweden, met Laurieren gekroont, en dit


omchrift: G VS Tavus. ADO LPhus. Dei. Gratia. SV ECo

rum GO Thorum. WAN Dalorumque. REX. Magnus. Prin


ceps Finlandiae. Dux. EThoniae. Et. Careliae. Ingriaeque. DO
minus. Dat is: Gutaphus Adolphus van Godes genade, Koning
van Sweden, Gothland, en Wenden, Groot Vort van Finland,
Hertog van Ethland en Carelie, en Heer van Ingemerland.
b Eenen leeuw, houdende in de rechte klaauw een zwaard

en in de linke een child. Rontom hem leggen allerhande wa-.


penen en oorlogtuig. En deze woorden: DEO. ET. VIC

TRICIBUS. ARMIS. Dat is: Door God en door zeeghafti


ge wapenen. (c)
A A N M E R K IN G.

(c) Zeker vriend is van gevoelen, deze Medaille, waarvan ik een zui
vere lag van den tempel in lood gehad en eertyds aan 't Cabinet van den

Opper-Hof-Prediker te Dresden, D. Carpzovius, heb overgelaten, beho


re niet tot de lacht van Leipzig, maar tot die van Lutzen, in 1622.
voorgevallen, maar wyl 't iaargetal ontbreekt, zoo kan er niets met eeni

gen grond van werden gemeld. Midlerwyl is dezelve zoo bekent niet, als
eene andere grote Medaille, waarop op de eene zyde des konings bort

beeld, met denzelven titel, en beneden 't iaargetal van 1631 te zien is. Op
't Revers echter taat 't beeld van eenen held, in volle ruting, die met
een zwaard allerhande vyanden, ter nederlaat, terwyl het een yslyk weer
van Donder en Blixem maakt, houdende in de linke hand een child, met
een kruis.

Het omchrift luid:

Miles ego Chriti Chrito duce terno tyrannos,


Hereticos imul & calco meis pedibus.
Parcere Chriti colis &# debellare feroces
Papicolas, Chritus Dux meus en / animat.

van welke Medaille de Hoogvortelyke Kerkenraad, Hofprediker en


Superintendent te Zeits, wylen Michiel Chritiaan Ludwig, een origineel
in goud, twintig dukaten zwaar, heeft gehad.
De vierde voert:

a Het lyk van den Koning, met den kolder, Koninglyken


mantel en kroon gedot, de handen zamen vouwende, terwyl
de ziele door twee Engelen uit den hemel, aanden mond word
3AIl

EER GEDACHTE NIS VAN LUTHER 261


aangenomen. De name Jehovah traalt van boven, en zegt als
deze woorden: EU GE. SER VE. FIDE L IS. Dat is: Ei

gy vrome en getrouwe knecht ? Van verre ziet men eenige com


pagnien ruiters vluchten, op de welke eenig voetvolk chiet,
waarby deze worden taan: VEL. MORTUU M. FUGI
UNT. Dat is: Schoon hy dood is, vluchten zy evenwel nog. Om
aan te tonen, dat 't Keizerlyk leger van 't Sweedche zelfs na

des Konings dood gelagen zy. Om den randt taat, GUSTA


PHIUS. ADO LPHUS. MAG NUS. Dei. Gratia. SVE
Corum. GOTH orum. & VAN Dalorum. REX. AUGU

STUS. Dat is: Gutaphus Adolphus de Grote, van Godes gena


de Koning van Sweden, Gothland en Wenden.

b Den Koning met eenen mantel omhangen, houd in de rech


te hand een zwaard, word op eenen zegewagen zittende, van
twee gevleugelde en op eenen ren lopende paarden voortgetrok
ken; van voren van den Godsdient, die een kruis met een hoed

houd, als het teken der vryheid, en van achteren van eenen

Engel met eene gelyke chaal in de hand gekroont, daarboven


deze woorden: ET. VITA. ET. MORTE. TRIUM

PHO. Dat is: Ik zegeprale zoo wel in mynen dood als in myn le
ven. Onder 't wiel van den wagen legt een lang, een kroon
en allerhande Kerkcieraden. Het omchrift luid: PRINCEPS.
PIUS. VICTOR. INCOMPA RABilis. ET GERMa

niae. LIBERATOR ANNO 1633. Dat is: Godvruchtig


* Vort, weergaloze Held en verloer van Duitchland. 1633. als
in welk iaar 't Koninglyklyk uit Duitchland na Sweden gevoert
1S :
:

De vyfde Medaille is raar en fraai. Men ziet op dezelve

a Den Koning op eenen triomfwagen, dien twee gevleugel

de paarden trekken, houd in de hand een zwaard, en word


van eene hand uit de # Beneden ziet men 't
iaargetal 1634., waaruit te beluiten is, dat deze gedenkpenning

te Erffurth van Johan Weismantel gelagen zy: Om den rand is


des Konings

### Hus, Dei. g#


-

- 't

'

26,

D E G. o U DE EN ZI L. v E RE

SV ECorum. GO Thorum. VAN Dalorum. Rex. Magnus.

P R Inceps. FINlandiae. DUX. ESTHONiae. ET CA


RE Liae. DomiNuS. ING RIAE. Die reeds boven verduitcht
1S,

b Het Koninglyk lyk op een praalbed, welkersziel twee En


gelties afhalen. Jehovah preekt van boven deze woorden:
EUGE SERve. FIDE LIS. Ei gy vrome en getrouwe knecht.
Om 't lyk taat als een Catrum doloris, als in acht Schilden ver
deelt, boven ieder van dewelke een cieraad, als een dom of

koepel gezet is. In 't eerte veld aan des Konings voeten leet
men: MONUMENTUM. REGIUM.

Daaronder in 't

klein: den 6. Movember 1632. In 't twede taat: IN. ANGU


STI IS. INTRAVIT. n't derde: PIET ATEm. AMA
VIT. In 't vierde: HOSTES. PRO STR EV IT. In 't

vyfde: REG NUM. DI LATAVIT. In 't zete: SVE


COS. EXALT A V IT. In 't zevende: OP PRESSOS.
LIBERA V IT. In 't achtte: MOR IENS. TRIUM
PH A VIT. Rontom echter: VITA. MIHI. CHRISTus.

MORS MEA. DULCE. LUCRUM. PHILIPpenes


IV. Cap. XXI. vericulo. Dat is:

1. Koninglyke Tombe. 2.

In elendige tyden aanvaarde hy de regering. 3. de Godvruchtig


heid had by lief. . 4. de vyande verloeg hy. 5. De palen van 't
zette hy uit. 6. De Sweedche natie verhoogde hy. 7.
De verdrukten verlote hy. 8. In den dood zegepraaldehy. Chris
tus is myn leven, 't tervenis myn gewin. Philip. 4. 21. (I. 21.)
(d)

A A N M E R. K I N G.

(d) Heer Tenzel in zynen Schediama van Saxiche-Krygs en Vredepen


f 22. 23. ningen, en uit hem Heer Schlegel in zynen Munt-Bybel geven ook de be

Peg 334 chryving van deze Medaille, en voegen daarby, dat dezelve wegens de
koninglyke Tombe, die nog op heden dezen dag na 't getuigenis van Joh.
Loccenius, te Stokholm in Sweden gezien word , zoo veel te hoger te
chatten zy. Ik heb 't boek van Loccenius niet, ik kan echter 't gemeld
koninglyk Grafchrift uit een ander zeer raar boek, welkers titel is : Ludo
vici Henrici Lomenit, Briennae Comitis, Regia Coniliis, Attis & Epitolis,

Itinerarium, curante Carolo Patino editum Pariiis 1662. 8. dat onder my


nen kleinen voorraad van boeken vind, mededeelen, ten cinde de overeen

komtigheid van 't zelve met de Medaille, midsgaders de eigentlyke zin


der woorden te eerder in de oogen valle. Het zelve is te vinden pag. 29.
3o. van 't gemelde boek, en luid aldus:

GLORIA ALTIssiMo suoRUM REFUGio


-

S E PU L TU RA

POTENTISSIM I PR IN CI PIS

G U S T A V I

M A G N I.

DEI GRATIA REGN ORUM SU EC IAE REG IS

| | NGO M P A R A B I L is

IN AUGUST Irs IN TRAVIT,

QUI REGNO UNDIQUE HosTIBUs oBs Esso


* * ** * * * . . . *

.
-

AD IMPERIUM IN TRAvIT. i

'' (': -

i lag: #

,,

PIETATEM AMAV 17

- '

PACATIS DEIN DE DANIS

MoscooUE ET PoLoNo MITIORIBUs FACTIS


*

HOSTES POSTRA VIT.

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER 263


Daarop volgt 't Koninglyke Wapen.
REG NUM D 1L ATA VIT.

REGN U M AMPLIAVIT SUUM,


AT QUE PRUD EN TIA GUBERNA V IT.

*,

SU ECOS EXAL TA V IT.


TAN DE M R ET RUS O CAE SARE

GERMANISQUE A PAPAE DEFORMATIONE LIBERATIS


O P PR ES SO S LIBE RA VIT.

IN PUG NA LUTZ EN SI VICTOR

HER OICE OBIIT VIII. Id. NOVEMB.


AN NO DO MINI c Io I3 cxxx 1 1.

MOR IENS TRIUMP HAVIT.


De gemelde Heer de Lomenie vind echter op dit Grafchrift en by ge
volg ook op deze Medaille, na de wyze van zyne Landsgenoten, de Fran
chen, al wederom veel te zeggen, als dien niets behaagt, dan 't geen uit
het hen bywonende gewaand Bel Eprit, zynen oirprong heefs, want hy
redeneert pag. 28. aldus: Inteni haeimus Epitaphio Gutavi Magni, in quo i

cadem eet ermonis puritas, quae gravitas enuum & pondus, magnitudini tan
ti herois omni ex parte congrueret.

Dummodo ultrici litura impia in ummum

Pontificem verba aboleantur, quandoquidem acra Eccleia non de formationem,


quod ditu horrendum, cd venerationem & cultum ab eo natta et, per aimila

'tionem Chriti, cujus vices in terris gerit. Wy konnen echter de verdedi


ging tegen deze aanmerking licht ontgaan, om dat ze op zeer lechten
grond taat, en de Heer Patin, die opteller van deze Reisbechryving is,
zal ten minten niet qualyk nemen, als wy verzekeren, dat hy niet weinig
dwalt, als hy den tyl van dit grafchrift met eenige onzuiverheid of ba
terdtaal wil bechuldigen, om dat hier ontrent met rede niet te beripen is.

S. 91.

Na verloop van eenige iaren en onder de als nog durende jubeleet


krygs onluten vierden twee voorname teden in Duitchland, der tad

naamlyk de vrye Rykstad Regensburg en de tad Onabrug in #"


Wetphalen, de eerte in deniare 1642. en de laatte 1643. het #.
Jubelfeet van de by hen voor hondert iaren verbeterde Kerken.'
Wat aanbelangt de Regensburgche Reformatie, de Heer van

Seckendorff in de Hitoria Lutheranimi, geeft daarvan uitvoer- Lant


ib. III.
e

lyke naricht. Wegens Onabrug meld hy wel, dat die tad van #
hunnen toenmaligen Bicchop Francicus, gebore Graaf van

...

Waldeck, vryheid had bekomen, om zich van Evangeliche pre- #


dikers te bedienen, en dat Hermanus Bonus ten dien einde van

Lubeck derwaars was beroepen. Doordien echter kort daarna


de onrut met de Wederdopers in den Wetphaalchen-kreits is
opgekomen, zoo is vermoedelyk, dat 't eert 1543. de Refor
matie aldaar alle hare leden gekregen heeft, hoewel de Heer
van Seckendorff by dat iaar geen gewag daarvan maakt, zoo

weinig als de Heer Abt Caroli in zyne Memorabilibus Eccle


aticis Seculo XVII. die echter groten vlyt heeft aangewend,
om andere Merkwaardigheden op te tekenen.

Midlerwyl vermids my vyf fraaie Medaillen van 't Regens


burgche Jubelfeet in handen zyn gekomen, zoo kan ik met
dezelve voor te tellen, de nieuwsgierigheid van den Lezer ook
voldoen.
Kk

De

264

D E G o U DE EN ZI L. v E RE
De eerte van dezelve voert:

ZANUINILIEUICHT
IDISILICHIT TUINS
J OO) ILAIHIR
IDASSIEILIP, NO) (TIHI

FORTUINSCOTT
IBIEWAIHIR s .

a Twee handen uit de wolken, by een treffelyken kandelaar,


waarop een brandende kaars taat, in malkanderen geloten.
Boven de woorden: V. D. M. J. AE. Dat is: Verbum Domini
Manet in Aeternum, Gods Woord blyft in eeuwigheid. Beneden,

een open boek met den titel BIBLIA, en aan den voet van
den kandelaar: Confeio Augutana. Om den randt: DEN.
XV. O CTOB ris.

b Deze Incriptie:
NU. SCHYNT. HET LICHT. ONS. Ioo. IAAR.

DAT NOG VOORTAAN ONS GOD. BEWAAR.

Senatus. Populus. Que. Ratisbonenis. Dat is: De Raad en 't


volk van Regensburg. (e)

A A N ME R K IN G.

(e) Dezen chets hebben wy uit de Collectio Seideliana ontleent.

Door

dien echter chier alle chetzen in dat boek aan menigerhande feilen onder
worpen zyn, zoo is geen twyfel, dat ook deze penning niet alleen veel
groter, als 't origineel, maar ook met meer als een gebrek van Seidelius is

voorgetelt, weshalven wy uit de volgende originelen alles zullen verbete


ITCI1,

De twede van de welke zonder twyfel de Seideliaanche


chets genomen is, voert:
- -

--

- -2

- -- -

a Eenen

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

265

a Eenen kandelaar met eene brandende kaars, voor den wel


ken twee handen uit de wolken in elkanderen luiten, waarvan

de eene arm gewapent en de ander ongewapent is, betekenende


de eerte mynes bedunkens, de Magitraat van Regensburg en
de andere 't volk, die zich beide tot handhaving van de ware
lere van 't Evangelie, vereenigen, welke lere door twee opge

lage boeken onder den kandelaar word verbeeld, taande in 't


bovente de woorden: Sacra BIBLIA, en in 't ander: CON
FESSIO AUGUST ANA. Rontom : DE N. XV. O C
TO Bris. en boven den kandelaar: Verbum. Domini. Manet.
*.

In. AEternum.

b Boven 't wapen van de tad, namelyk twee leutels kruis

wys, midsgaders 't iaargetal 1641. en de bovengemelde verzen.


|

De derde is zeer net geneden en voert:

a Zoo als de voorgaande, behalven dat boven de handen taat:


B RACHIA. I UN GET. Dat is: Dit Licht zal de handen

vereenigen. Ten tweden taat beneden 't iaargetal: 1542 en ten

derden om den rand de bovengemelde verzen:


- NU. SC HYNT. DIT LICHT. ONS. 1oo. I AARS
DAT. NO G. VOORTAAN. ONS. GOD. BEWAAR.

b Het tads-wapen met het iaargetal 1642. Daaronder deze


tWee VerZen :

HET JUBELFEEST. MEN. NU BEGETH.


GOD. GE EFS. OO K. DER. POSTER ITAT.

Senatus. Populus. Que. Ratisbonenis.

Op de vierde is te zien:

Kk 2

a Eenen

266

D E G. o U DE EN ZI LV E RE

a Eenen tafel, waarop een boek legt, met 't opchrift: Sa


cra Biblia. Daar achter een kandelaar met een brandende kaars,
en boven in een vliegend briefie: V. D. M. I. BE. Verbum
Domini Manet In AEternum. In de ronding: DE N. XV.
OCTOBris.

'

C -

b Zoo als in de laattvoorgaande Medaille.


De Vyfde vertoont:

a Zoo als boven de derde.

b Het tadswapen in een rond child met cierlyk lofwerk;


onder: Senatus. Populus. Que Ratisbonenis. Daar boven een
open boek met 't opchrift: FORMULA CONCORDIAE.

# het Symbolich Hoofdboek, naat de Augsburgche Confes


--+A

ie, voor de welke de Evangeliche Kerk en aldus ook de tad


Regensburg, zich opentlyk verklaart heeft. In den binnenten
rand leet men: PER. FIDEM. ET. CONSTANTIAM.

Dat is: Door geloof en tandvatigheid. En om denuiterten rand:


HET JUBELFEEST MEN HED EN BEGETH.

GOD. GEEF S. OOK DER POSTER ITAT. 1642.

Van 't Jubelfeet der tad Onabrug hebben hyden volgen


den gedenkpenning bekomen, waarop te lezen is:

a A NNO 1543. 2 FEBRUarii. LVX. aCra. eVan


geL II. onabrVgae. eCCe. aLMa. reLV XIt. Dat is: In den

iare 1543. den 2. February is 't heilig licht van 't Evangelie der

Itad
Onabrug weder gechenen. De telletters maken 'tiaar 1543.
Ul1t.
b Deze woorden: Anno. 1643.2. Februari. InqVe.aeVVM. Vt.
Contet. faXIt. IoVa. DeVs. IUBILaeum. CELEBratum. Dat is:

In denjare 1643. den 2. February is 't Jubelfeet geviert, de &#


0

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

267

God geve,
dat zodanig
licht tot van
in eeuwigheidchyne.
De tel
letters
behelzen
hier 't iaargetal
1643.
J

S. 92.

Na dat aldus de lacht by Leipzig door Godes bytand zoo wet


gelukkig uitgevallen en daardoor zoo wel de vryheid als de E- phaalche

vangeliche Religie uit 't geducht gevaar, en beraamden gan- #


chelyken ondergang gered was, zoo wendden de Koning van
Sweden en de Keurvort van Saxen hunne legers na de binnend
te Duitche Provintien en na Boheme. In den iare 1632. loe
genze, zoo als boven is gemeld, den vyand weder op 't hoofd,
by Lutzen, tedeke twee mylen van Leipzig gelegen ; het
mertelykte en bedroefte echter by deze zege was het verlies
van den groten Koning van Sweden, die als overwinnaar zyn
leven verloor. Nu is 't myn doen niet, om alle rampen en iam
mer vollen toetand uitvoerlyk te bechryven, waarin ons lieve

vaderland na dien tyd vervallen is, wanneer de Keurvort van


Saxen in den iare 1635. uithoofde van de Pirneeche en Praag
che vrede des Keizers party weder omhelte, de Sweden daar
entegen en derzelver Bondgenoten, de Franchen, als vyanden
handelde, aangezien ik dezelve maar als met eenen vinger moet
aanroeren, zynde dezelve van anderen, voornaamlyk van wy

len den Vryheer Samuel van Puffendorff, in 't voortreffelyk


werk, waarin

hy de gechiedenien van den Sweedch-Duit

chen-kryg vervat heeft, met alle omtandigheden verhaalt, ten

einde om aldus tot myn oogmerk te geraken, en de als nog o


verige Jubelpenningen te verklaren. Ondertuchen zal my ge

oorlooft zyn te zeggen, dat na dat ons waardte Duitchland door


't binnenlands oorlogsvuur dertig iaren lang deerlyk verwoet

en vernielt was, eindelyk de zoo lang gemeekte vrede zich aan


bood, die niet algemene onbechryflyke vreugde, zoo wel der
hoge geintereeerde Mogendheden zelf als gezamentlyke onder

danen, in deniare 1648 te Onabrug en Munter in Wetphalen


geloten en 165o. uit hoofde van 't te Nurenberg geratificeert
Executie-Reces, tot een gelukkig einde gebragt is, waarvan de

Hitoria Pacis Wetphalice van den Hoogvortelyken Saxichen


Hofraad, Heer Tobias Pfanner, de bete naricht geeft. Door
denzelven hebben de Protetantche Standen van Duitchland

niet alleen hunne oude vryheid maar ook hunne Religie weder

om op eenen vaten voet gezet, en zodanig bevetigt, dat niet


licht eene gevaarlyke verandering te duchten is. Doordien dan
deze hoogtdenkwaardige zaak tot de hitorie der Evangeliche
Reformatie behoort, zoo zal hoop ik niemand qualyk duiden,

als ik eenige toenmaals gelage en voor andere curieue gedenk


penningen alhier laat in vloeien.

Kk 3

Van

268

D E GO U DE EN Z I L v E RE
Van dezelve voert de eerte:
-

NIE IELAND

EBAVFVMBHILF
O GOTT,
ZVIDIR

prn:#sy/

WAI

SJDEVTEST MIR2W

* **

a Den toetand van Duitchland, in de gedaante van een ge


wapende Vrouwsperzoon, heel diep in de moerat tekende
aan dewelke uit de wolken eene hand word aangeboden. Van
verre ziet men eene Veting, en op den rand dit omchrift :
GO DS. ALMACHTIGE. HAND. RED. HET VA
DE R LAND.

b De naan Jehovah, met tralen omgeven , daar onder taan


deze Verzen: *

UIT. MYN E. ANGST IK. DUITSCHES. I, AND.

DAARIN. IK. STEYE. MYNE. HAND.

HE F. O P. OM. HULP. O G OD. TOT. U.


DIE. GY. OO K. ZULKS. A ANDUID. MY.

Op de tweede is te zien:

Het
k

EER GEDACHTE NIS VAN LUTHER 249


a Het bortbeeld van Frederik, Hertog van Bronswyk, 1574.
geboren, na dood van zynen broeder, Chritianus, Hertog van
Zell geworden, en 1648. overleden. Het omchrift verklaren
wy aldus : FRI Dericus. Dei. Gratia. DuX. Brunwicenis. &
Luneburgenis. COadiutor. EPicopatus. RAceburgenis. PRae

poitus. ARchiepicopatus. BRemenis. AETATis. 72. Anno.


1646. Dat is: Frederik van Gods genade Hertog van Bronswyk
en Luneburg, Coadjutor van 't bisdom Ratzenburg, en Dompr00t
van 't aartsticht Bremen , oud 72. iaar 1646. Beneden : I.
Blum, is de naam van den Stempelnyder.
b Mercurius, die met den taf in de rechte hand een bon

deltje pylen aanraakt, dat een jongeling in beide handen heeft.


Met de linke hand grypt hy na eenen tormhoed, omringt van
eenen zwarm honingbyen, onder dewelke een zwaard legt.

Boven taan deze woorden: PAX. UNA. TRIUMPHIS.


INNUMERIS. POTIOR.

Dat is : Eene enkelde Vrede is

veel machtiger of beter, dan oneindige overwinningen. Beneden:

Wetrm erit exemplo pacem gens potera notro promovie foris,


& coluie domi. Dat is: Gy nakomelingen, u zal wel voegen, na
ons voorbeeld, den Vrede van buiten te bevorderen, en van bin

men te bewaren. (f)


A A N M E R K I N G.

(f) Deze Medaille is zonder twyfel nog voor 't luiten, van den Wet
phaalchen vrede gelagen en Hertog Frederik heeft daarmcde willen te ken
nen geven, hoe zeer hy zich de bevordering der vrede liet aangelegenzyn,

dien hy door zyne neutraliteit voor zyn land had behouden.


De derde

eurt

was

#
*%,

S&N

&#
###

verbeeld:

##

#
##
###
#3

1(0) 5 #

(a) De Vrede in de gedaante van een vrouwsperzoon houd


in de rechte hand een olyftak, in de linke een trompet, waar

mede zy als den vrede aankondigt. Met de voeten vertrapte al

lerhande krygswapenen terwyl 't driebuddel omchrift luid:


De Vredes tem nu hoog verblyd,
Wat onvrede heeft te voren vertoort.
De vrede alles weder eert,
Wat onvrede zeer had verkeert.

Ach Heer geef dat de vredetand.


De Regering behoud in 't land.
l

7
-

27o

D E

G O U DE

EN

Z I L V ER E

b In een cierlyk gevlochten krans deze verzen:


Het zetienhonderd achtien iaar

In onvreed Duitchland gezet waar,


Tot God de ware vredes-Held

Stad Onabrug en Munter wehlt, (verkiet)


Dat daar der hogen Hoofden Raad
Den vrede zochten vroeg en laat,

Met welken hy ook worden ein (eens)


Het zetienhondert veertig meun (negen)
Met vrede het Duitche Ryk erfreun. (verheugt) (g
Op! geeft God de eer alleen.
-

A A N M E R K IN G.

(g) Op de eerte zyde van deze Medaille taat beneden: blom. a. brem.
fe. 't welk ik naar giing aldus verklare: Blamius Bremae fecit, dat is: Blom,
zynde de naam van den Stempelnyder, heeft dezen penning te Bremen gemaakt,

dog neme eene betere verklaring van andere gaarn aan. Midlerwyl is zeker,
dat Blumius de maker van dezelve is. Want in 't Hoogvortelyk Cabinet
te Gotha is een zilver origineel, op welke de twede zyde van de laatten

voorgaande Medaille, en de eerte zyde van den tegenwoordigen gedenk


penning, waarvan wy nu preken, by malkanderen gevoegt zyn.
De vierde vertoont:

a De tad

Munter in Wetphale, boven dezelve een palm-en

een olyftak kruiswys, met dit omchrift: MONASferium,

CIVitas. EPicopaLIS LOCVS. PACIS. VNiveral IS.


Dat is: Munter, de Bichoppelyke tad, is de plaats van de al
gemene vrede. De letters E. K., die tuchen de tads veting

werken taan, betekenen den Stempelnyder, welkersnaam my


onbekent is.

b Drie duiven, die vliegende ieder een olyftak in den bek


hebben, ten teken van de vrede waarvan zy als eenen krans

Vlechten, dien zy op eene kroon en cepter, die op een kuen

taat, zetten. Het omchrift luid: PAX. OPTIMA, RE

RUM: Anno DomiNI. MDCXLVIII. 24. Octobris. Dat


1S :

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER


is :

Vrede is 't bete van alle zaken.

,z,

In den iare onzes Heren I648.

den 24. October.

De Vyfde is eene vierkante penning,

te Nurenberg gelagen.

Dezelve voert:

a Het Lam Gods, dat op een boek taat en een vaantie houd

waarin het woord PAX, Vrede gechreven is. Het omchrift


Juid : CHRISTO. DU CE. VER BO. LUCE. Dat is :

Chritus is de Leidsman, en zyn Woord het Licht.

b Deze woorden: et. VbI. DUX. IesVs. paX. V1Cto.


Marte. gVbernat: Dat is: Daar Chritus de Leidsman is, regeert

na den oorlog de vrede. De telletters maken 't iaargetal uit van


1648.

S 93:
Van de volkome uitvoering der vrede, te Nurenberg in den
iare 165o. geloten, is het kotelykbanquet, door den vermaar
den kontenaar Sandrart, ongemeen fraai en tot verwondering
van alle liefhebbers gechildert, alsnog op de grote Zaal van
't Stadhuis aldaar, te zien, daarenboven behoren alhier onder

anderen de navolgende penningen.


Op de eerte ziet men:

| |

272

DE G o U DE EN ZI L v E RE

a Het Vortelyke Saxiche wapen, 't welk door twee handen


uit de wolken, gekroont word.

Boven de handen taat het

woord: TANDEM. Eindelyk. Ter rechter zyde van 't wa


pen ziet men een bloot zwaard, en boven dezelfs punt het
woord: TUNC. Toen, en daarnevens 't iaargetal 1547. Ter
linker zyde een olyftak, daarboven het woord: NUN C, nu ;

daarnevens het jaargetal 1648. Onder 't wapen de woorden SAT. EST. Het is genoeg, en 't iaargetal 165o. Het omchrift
luid: WILHEL Mus Dei. Gratia. DUX. SAXONIAE.
IU LIAE. CLIVIAE. ET. MONTium. Dat is: Willem,

van Gods genade Hertog van Saxen, Gulyk, Cleve en Berg.


b Een gevlamt zwaard, boven 't welk drie handen zich ver
eenigen, met deze woorden: Pax eto. Servate fidem. Retpi
cite gentes. Dat is: 't zy vrede. Houd trouw en geloof. Leert

wys worden, gy volkeren. Boven is de naam Jehovah', en 't


omchrift betaat uit dit vers : CeDant arMatogae. toto. toga.
fLoreat orbe. Dat is : De kryg moet den vrede wyken, die nu

na onzen wench, in de ganche werreld zal blyven. De telletters


maken 'tiaargetal uit van 165o.

e - , -

Van de twede zyn

,, Ab (

- rr- --

a En b Byna als de laattgemelde, gelyk te zien is, als men


ze tegen malkanderen houd. De enkele letters boven op de eer
te zyde moeten aldus verklaart worden: Willem. Hertog. van.
Saxen. Gulyk. Cleve, en Berg.
is

A A N M+ ER
KI N G.
,

(h) Deze beide Medaillen zyn te merkwaardiger, om dat Willem, Her


tog van Saxen Weymar, glorieuer gedachtenis, gedurende den dertig ja
rigen oorlog niet weinig uitgetaan, en met dezen penning als het jubi
leum ofJuigjaar van de zedert 1547 tot 1648 verdrukte, maar weder op
vaten voet gezette Evangeliche Religie, heeft willen vieren. De drie
handen echter betekenen zonder twyfel zoo als de drie duiven op de Medail
le der tad Munter, den Keizer, en de Koningen van Sweden en Vrank

ryk, welke toen met elkanderen den Vrede getroffen hebben:


,

De

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER:

273

De derde voert:

a Het Vortelyke Saxiche wapen, en daaronder deze woor


den: GOD. DEN. HERE. LOOFT. EN EERT DIE
DEN. VREDE. ONS.

BESCHEERT. I. B. de naam

van den toenmaligen Stempelnyder te Gotha, Johan Bornhort.


b Boven een Ryksappel, waarin het getal 2.4. aantoont, dat

24 diergelyke tukken van zilver, eenen Ryxdaalder bedragen,


daarnevens 't iaargetal 165o. en daaronder deze verzen: BE
V OR DE RT. ZYNE. VREZ E. EN. EER. ANDERS.

BESTAAT. HY. NIMMERMEER. Gotha. II. Augu


ti. (i)
A A N ME R. K IN G.

(i) Ernet de vrome, Hertog van Saxen heeft deze penningen by wyze
van Dukaten en Grochen laten laan, welke op het
Vre

##

defeet zoo ryklyk zyn uitgedeelt, dat ieder choolkind door het ganche

Vortendom, ten minten eenen grochen daar van heeft bekomen, zoo als
de Heer Tentzel in zynen Schediama van de Saxiche Kryg en Vrede-pennin-f. 27, 28

gen verzekert.

De vierde is nevens vele anderete Nurenberginsgelykin goud


en zilver, midsgaders van vercheide groote gelagen.
Men ziet:

GEDA

DES FRIEDEN jo
voLL ZIEHVN Gs

a Twee handen boven een halven werreldkloot, ten hemel


Ll 2
/

op

- DE G O U DE EN ZI LV E RE

274

opgetoken en gevouwen, als ofze baden,

welke met een krans

uit de wolken gekroont worden, met dit omchrift: Magnas.


ferte Deo. grates. pro paCe reLata: Dat is: Zegt Gode her
telyken dank voor de wedergegeve vrede.

# Het tadswapen, met een palm en olyftak omgeven, daar


onder deze incriptie: GEDACHTEN IS DES...VRE
DEN. VOL TREKKINGS BESLUIT IN, NUREN
IERG. 165o. 16. IUNY. Rontom leet men: IMPE Ra
tore. FERDINANDO. III. Pio. Felice. AUGUSTO.
iDat is: Onder de gelukkige regering van Keizer Ferdinand den
derden.

De vyfde is een Dukaat, en vertoont:

a Eenen uitgepreiden en van eene hand uit de wolken ge


kronden arend, met dit omchrift: DUCAT US REIPU
Blicae. NORI BERG enis. Dat is: Dukaat der Murenbergche
Republiek.

b Het wapen der tad, daarboven deze Incriptie: IMPeran


te. FERDINAN do. III. Pio. Felice. AUGU STO. P A
CIS. EXECUTIO. DECRETA. NORI BERGAE.
MDC L. 16. IUNIi met een kruiie. Dat is: Onder de geuk

regering van den vromen Keizer Ferdinand de derden, is


ekking der vrede den 16 juny 165o. te Murenberg be
#kigevoltr
Ote/1.
-

A A N M E R KI N G.

(k) Het chynt my toe, dat juit een ieder niet bewut zal zyn, dat de
ze werreldberoemde Republiek Nurenberg, tot betuiging van hunne be
geerte na Vrede gedurende den Oorlog, ten minten in tien jare 1632, zoo
als my eertyds een voornaam. Raadsheer dier tad verwittigt heeft, of hare
goude petien of dukaten bedenkelyke woorden hebbe laten zetten, in zom
mige van dewelke 't iaargetal onthouden is, hier van is eenige #icht te
come II. vinden in M. Joh, Maier, Augutani, Nieuwjaars en Jubelpenningen, wel
ke de Hoogvortelyke Saxen Weimarche kerken-Viitations-Raad en hoog
n. 6.
verdiende Superintendent te IIlmenau, Heer Johan Chritiaan Bartholomei
fol. 12
in zyne leeswaardige lykpreek, die hy in den iare 1703. ter eere van den
overleden Muntmeeter te Illmenau, Sebatiaan Altman, heeft gehouden
en laten drukken, aanhaalt. Aldus vind men by voorbeeld op de dukaten
van 1632. deze woorden:
sIt. paX. In terrIs. tanDeM. &.. patIentIa. VICtrIX.
Dat is:
w

+------

--

t-

--

Wy wenchen, dat vrede op aarde en de geduld eindelyk overwinnaar zyn moge.


Van
l

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER.

275

Van Anno 1635.

paX. noVa nUnC. reDeat. Mars. pereatqUe. FeroX.


Dat is:

De nieuwe Vrede keere nu weder, en de wrede oorlogsgod verderve.


Van den jare 164o.

sIt. DeUs. aUXILIUM. tUta. sIt. Ipe aLUs.


Dat is:

God zy onze hulp en zeker heil.


Van den iare 1646.

VIVat. paX. ChrItI. sIt. DUX. sUa. teMpore. trItI.


Dat is :

Lang leve de vrede in Chritus, en zy onze Leidsman in dezen bedroefden tyd.


Van den jare 1648.

qVI. rex. IVtitie IvDICIVMqve venI.


Dat is:

Gy koning van gerechtigheid en oordeel kome !

Op dezelve wyze heefze haar begeerte na den vrede, in den iare 1697.
te Ryswyk geloten, te kennen gegeven, en zulks op hunne daalders met
deze woorden:

Van den iare 1696.

eXpeCtata. reDI. paX. paX. sVpeRVM. aVrea. proLes.


Dat is:

Keer toch weder, gy gewenchte Vrede, gy goude dochter des Hemels.


Van den iare 1698. en aldus na den geloten Vrede.

eXoptata. DIV. paX. CoeLI. eX. MVnere. VenIt.


Dat is :

De overlang gewenchte Vrede is nu eindelyk door des hemels gunt gekomen.


En derhalven is het, dat alle deze en diergelyke Nurenbergche petien

plaats in de Cabinetten van


wegens hare bedenkelyke omchriften, billyk
Medaillen verdienen. Den laatt bechreven dukaat echter heb ik als een
teken van de goedheid van den meergemelden Heer D. Carpzovius, Keur
vortelyke Saxiche Opper-Kerkenraad, en Opper-Hofprediker te Dresden,

hier laten invloeien, te meer om dat dezelve eigentlyk tot de tegenwoor


e mat
digDe
gelt.yks te
te eisbeh
insoor
zeeri
daille.

Nurenberg gelagen, en eene fraai verzonne Me


-

L1 3

Men

27s

DE G o U DE EN ZI L v E RE
Men ziet:

a De tad Nurenberg, boven dewelke twee in malkanderen


gevoegde handen eenen vredetafhouden. Beneden: NORIM
BERG. Rontom: GERMANUM. RED1 VI V A. RE
DIT. CONCORDIA. IN. O R BEM. Dat is: Mu komt de

herleefde eendracht weder in Duitchland.


b Drie herten, welke eenen hand uit de wolken tuchen vier
palmbomen, aan eenen band houd; beneden legt eene kroon,
waarin drie olyftakken teken. Op de kant leet men dit vers,
-

dat een vervolg van dat van de eerte zyde is: COR DA.
MONARCHARUM. QUAE. TRIA. PACE. LIGAT.
165o. Dat is: welke (een dracht) drie herten der Mogcntheden
verbind. I. H. onder de kroon is de naam van den uitvinder.
De zevende is iets koddigs en een zilver vierkantig tukie.
Het Zelve Voert:

a Een iongetie, heel moedig op een kermispaard rydende,


met deze woorden: VREDE. GEDACHT ENIS. IN.
NURENBerg. 165o.
b De gekroonde dubbelde Ryksarend, waaronder deze woor
den : VIVA T. FERDINAND us. I II. R O Manorum.

IM Perator. VIVAT. Dat is: Lang leve Ferdinandus de derde,


Roomch Keizer, lang leve ? (l)
A A N M E R K IN G.

(l) De gelegenheid tot dit vierkantig tukie is zonderling, en verdient


verhaalt te worden, zoo als ik 't zelve zoo wel uit den mond van wylen

D. Chritoffel Wageneil te Altdorff, als ook naderhand uit deszelfs zeer


fraai Tractaat of Commentarius de Urbe Norimbergen geleert heb , te we
tCn3

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER

277

ten, na dat men te Onabrug en Munter den Vrede geloten had, en on- pag. 148.
trent het inruimen der teden en afdanken der troupen ecnig verchil rees, 149.
zoo quamen de gezamentlyke belanghebbende Mogentheden overeen, eene

vergadering te Nurenberg te houden, alwaar alles ten vollen belit, en de


voltrekking van den Vrede op een rechten voet zoude gebragt werden.
Zulks nu gechiede in 't bovengemeld iaar 165o. Doordien nu een ieder,
oud en jong te Nurenberg, zyne blydchap deswegen liet zien, zoo maakte een maak aan kleine kinderen, die op traat peelden diets, dat de Kei-

zerlyke Plenipotentiaris, Octavius Piccolimini, Hertog van Amalfi, den


volgenden morgen, zynde zondag, aan ieder iongen, die op een kermis
paard voor zyn logement quam ryden, eenen zilveren penning tot eene ge
dachtenis zoude vereeren. Zoo dra zulks in de tad ruchtbaar wierd, zag
men een onbechryflyke menigte van jongens op houte paarden aandraven,

na het huis van den Hertog, grinnikende zoo goed als ze konden. De

Hertog begaf zich op dit gerucht na 't venter, en tont op 't uiterte ver
mirenet van iongens van daan quam , en wat hare

wondert, waar dit

naakche parade betekende. Wanneer hem iemand daar van verwittigde,


zoo moet hy over dien pots lachen, en beval hen, acht dagen daarna weer
om te komen. Midlerwyl wierd de bechreve penning in groten getale

vervaardigt, en een tukje aan ieder jongen, die met zyn houte equipagic
weder vercheen, waar van echter het getal nu vry groter was, dan dat
van acht dagen te voren, ter gedachtenis vereert. Men vind het verhaal T. VI.fol
van dezen optogt ook in het Theatrum Europaeum.

1o78;

De achtte is een Grochen der tad Erfurt; op dezelve is te


zien:

a Het wapen van de tad, zynde een rad; het zelve is met

een olyf en palmtak omgeven, en word van boven van Gods


hand gehouden, het omchrift luid: SUPER. HIS. SER

VATA: QUIESCIT. Dat is: Dit rad word door Godes


band, vrede zege, til gehouden. -

Deze Incriptie: DEO. OPTimo MAXimo. PRO. IN


STAURATA. TU M. GERMANIAE. TUM. SUAE.

CIVITATIS. PACE. Senatus. Populus. Que. ERFUR

TENSIS. SOLENNE. GRATIARum. MONIMEN


Tum. Fieri. Fecit. ANNO. 165o. 8. SEPTembris. Dat is:

Ter eere van den groten God heeft de Raad en borgery van Erffurt,
wegens de hertelde vrede in Duitchland en hare tad dit plechtig
dankteken laten maken, in den iare 165o. den 8. September.
S. 94.

Vyfiaren daarna, te weten 1655 vierde Johan George I. ::#.


Keurvort van Saxen, het derde Evangeliche Jubelfeet we- #
gens 1955.

'l

278

D E G. o U DE EN ZI L VE RE

gens de Paauche vrede, dien Keurvort Maurits in den late


#,52 te Paau en 1555. te Augsburg met Keizer Karel V. ge
loten en door denzelven de Evangeliche Godsdient, en des

zelfs vrye oefening, op eenen vaten voet gebragt had. Tot


dezelfs eeuwige gedachtenis liet hy niet alleen den 25. Septem
ber 1655 in de Univeriteit en in alle Kerken van zyne landen
op eene plechtige wyze vieren (m), maar ook een ongemeen
fraaie en wel uitgevonde Medaille laan, op dewelke gezien
word:

a Den Keurvort in zyn Keurvortelyk gewaad, op een ver


heve plaats zittende, houd in de rechter hand een zwaard, dat
met een palmtak omwonden is; hy word van boven door den
name Gods betraalt, om den welken de vyfletters: V. D. M.
I. AE. Verbum Domini Manet In AEternum, gezet zyn. Naat

en achter hem taan zyne vier zonen, te weten, Johan George


II., Keur-prins, en aan deszelfs rechte zyde, deszelfs zoon,

Johan George III., wyders Heer Augutus, Adminitrateur van


aagdeburg; voorts de Heer Chritiaan, en de Heer Morits,
Adminitrateure van Mereburg en van Naumburg, achter de
zelve een grote menigte volk of liever de kindcren en kindskin

deren van den Keurvort, waarvan hy 'er 8o. gezien heeft, die
alle palmtakken in de hand hebben. Het omchrift luid O

'A

HAN

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER.

279

HANes. GEORGius. Dei Gratia. SACri. ROMani. CIM


Ferii. ARCHI Marechallus. ET. ELECTor. NATUS.

5. MARC ii. 1585. Beneden is het Keur-Saxiche wapen, en


daarnevens: PASSAVIENSE. 1555. I U BIL AEUM. 1655.
Dat is: Johan George, van Godes genade Aatsmaarchalk van 't
H. Roomche Ryk en Keurvort, geboren den 5. Maart 1585.
Paauche 1555. Jubelfeet 1655.

b. Een Duif, houd in den bek een olyftak, en zit op een


boek, dat op een altaar legt, rontom 't welk te lezen is: CON

FESSIO. NOSTRA. TRIUMPHAT. Dat is: Onzege


loofsbelydenis heeft de overwinninge. Het omchrift luid:
USQUE. DEI. VER BUM. MANET. ET. DOC
TR IN A. LUTHER I.
-

CUM. PATRIAE. PA TR E. HAC. IN. RELIG IONE. NE POTES.

. *

PERPET U MANANT ET QUI NASCEN


TUR. AB. ILLIS.
Dat is:

Zoo lang als Gods Woordbetaat, zoo lang betaat ook Luthers
leere.

Wy wenchen, dat behalven de vader des Vaderlands des

zelfs nakomelingen alle betendig by deze religie zullen blyven.


A A N M E R K IN G.

- ; ; ;

(m) Van 't uitchryven van dit derde Jubelfeet zyn merkwaardig de fol. 221.
woorden van Antonius Wecke in de Dresdenche Kronyk, die aldus luiden :

#st.

Aangezien ook bewut is op wat wyze in deniare 1552, de voortreffe-


lyke krygsheld en Keurvort van Saxen, Hertog Morits, van den

,, Roomchen Koning, Heer Ferdinand I., den Paauchen Vrede tu


, chen de Roomch Catholyken en de Evangeliche Protetanten den 31.
, July van 't gemelde iaar heeft gewrocht, en den grond gelegt tot den
, Religie en Werreldchen Vrede in 't H. Roomche Ryk, naderhand

, echter namelyk den 25 September 1 r55. zodanige Vrede op den Ryks

dag te Augsburg van de ganche Ryksvergadering goedgekeurt en tot


, eene Rykswet gemaakt en nu ontrent 1oo. iaren zodanig onderhouden
, is, dat beide Religien, door deszelf, onderhouding nevens elkanderen
, gerut leven konnen, en dat Ryksbeluit door den Wetphaalchen Vre
, de, op nieuw bevetigt is, zoo heeft het den Doorluchtigten Keurvort
, van Saxen, Heer Johan George I., genadigt behaagt, voor zulke wl

, daad van God aan de Evangeliche kerk verleent, een dankoffer te doen,
, en na verloop van 1oo jaren een iuigjaar te houden. Ten dien einde
, beval hoogtgemelde zyne Keurvortelyke Doorluchtigheid dat de 25.

, September 1655, zynde Dingsdag, door zyn Keurvortendom en landen


, met prediken, leeraren en zingen, plegtig zoude geviert worden. Al

, dus wierd den 24 September te Dresden, zoo als ook op andere plaat
, zen eenen plegtigen Veper gezongen, en de volgende dag in de kerken

, voor en na de middag godsdientig geviert, zoo als op hoge Feetdagen


# de CXXXVIII.

, gebruiklyk is, in plaats van de Zendbrieven wierd

, Palm, en in plaats van 't Evangelie de CXXV., Na de vroegpreek


, wierd het Te Deum opgeheft, en het kanon op de tadswallen losge
, brand, enz.

Van dit Jubelfeet hebben ook uitvoerlyk gechreven de Heer van Zie- fel 1,13:

gler, in zynen Dagelykchen Schouwplaats, des Tyds, midsgaders D. Joh. Be


nedictus Carpzovius, de oude, Patoor
ter St. Thomas, en Profeor Theo
Mm
logi
-

2se D E G o U DE EN z I L. v E R E
logicus te Leipzig, in zyn Evangelich Dankoffer 1655. zoo als ook de
pag. 8:o.

Heer Abt Caroli in zyne Memorabilibus Eccle., alwaar hy gewag maakt,

dat de acten en originele Schriften van den Religie-Vrede door den ver
maarden Spierchen Gechiedchryver, Chritophorus Lehmannus in den
iare 1633 zyn in 't lichtgegeven. Van de bovengemelde Medaille leze men
fol. 29.

ook Heer Tentzel , Schediasma der Saxiche Krygs- en Vrede Medaillen.


Daarenboven taat aan te merken 't zonderling geluk, van Johan George I.,

Keurvort van Saxen, op 't welk geen Chrite Mogendheid, voor zoo
veel my uit de gechiedenien bewut is, roem dragen kan, aangezien hy
buiten alle verwachting, zynen broeder, Chritianus II, in den iare 161 1.
als Keurvort opgevolgt, en tweemalen, te weten 1612 en 1619 Vicaris

van 't Roomche Ryk geweet is, taande zyne Keurvortelyke regering
heeft hy drie Roomche Keizers, eenen Roomchen Koning, drie Keur
vorten van Ments, twee Keurvorten van Trier, twce Keurvorten van
Keulen, eenen Keurvort van Bcieren, eenen Keurvort van de Palts, dric

Keurvorten van Brandenburg, en aldus het ganche Keurvortelyke Colle

gie overleeft, daarenboven heeft hy beleeft de Jubilen van beide zyne Uni
veriteiten, als dat van Wittenberg in den iare 16o2 en dat van Leipzig
1609, en zelf als Keurvort geviert de drie hoofd juigiaren der Evangeli
che kerk, naamlyk 1617. 163o. en 1655. Voor het overige heeft hy ook
voor de ware Religie dapper en gelukkig gevochten, weder vrede gemaakt,
alles op eenen goeden voet gebragt, en uit een huwelyk van byna yo. jaren,
tachtig kinderen en kindskinderen gezien, en zyn leven eindelyk met roem,
eer en aanzien den 8. Otober 1656. in een hogen ouderdom beloten.

Dit

weergaloos geluk heeft de Heer Burckhard Berlich, geheimchryver van


den Keurvort, voortreffelyk man in zynen tyd, in den iare 1642. by een
afbeeldzel van den zelven, in koper gebragt, omtandig ontworpen.
Doordien zulks michien aan velen onbekent is, zal ik de bechryving uit
het Latein mededeelen, dezelve luid aldus:
DE DOORLUCHTIGSTE EN

V O R ST

GROOTMACHTIGSTE

EN HE E R,

HEER JO HAN GE OR GE,


De eerte van dezen naam en titel, den 5 (15) Maart
1585, uit Koninglyken, en van anno 786 tot
Chritus bekeerden Wittekindchen

tam geboren.

Hertog van Saxen.

Gulyk.

Cleve.

1483.

I423.

en Berg.
-

Chl

wegens de invetituur 16 1o.

Des H. Roomchen Ryks Aartsmaarchalk en Keurvort, 998. en in aan


zien van Keurvort Frederik den Strydbaren van anno 1423.

L AND GR A A F VAN TH U R IN G E N,
-

Anno 1429.

M A R K GR A A F VAN M IS N I E,

-; .

. . .

- -

Anno 1 13o.

midsgaders van Opper- en Neder Lauits, van anno 1637 , by volkome


,

'

overgifte.

B U R G GR A A F VAN MAG DE B U R G,
van Anno 1423 en repective 1551.

GRAAF VAN DER MARK EN RAVENSBERG,


-

insgelyks van anno 1483 en 161o zoo als boven.

- -

Een

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER 28,


Een zoon van Chritianus den Wyzen, kindskind van Augutus den
Rechtvaardigen, kindskindskind van Hendrik den Vromen, kindskinds
kindskind van Albrecht den Dapperen, kindskindskindskindskind van Fre

derik den Zachtmoedigen, kindskindskindskindskindskind van Frederik

den Strydbaren. De oude der Keurvorten en Landgraven van Saxen; ee


nige Stam en Voortplanter naat God van de tegenwoordige Keurvortely
ke linie, om dat hy Vader, Grootvader en Overgrootvader zonder broeder
is, en Zyne broeders kinderloos geturven zyn. Een Verkiezer van drie
Roomche Kcizers

MATH AEUS, 1612. F ER D IN AND II. 1619. EN


FERDINAND. III. 1636.
Betierder van drie voortreffelyke hoge ampten van de Keur, den 24 Ju
ny 1611. , van 't Ryks-Stadhouderchap 1612. en 1619.

Opperhoofd van

drie Krygstochten, tegen die van Lauits, 162o. Papiten, 1631. Swe

den, 1635. Bylegger van drie oneenigheden in 't Roomche Ryk gere
zen, met die van Sileie , 1629. Denen, 1629. Protetanten, 1635.
Verwerper van drie ongelukkige Alliantien, de Unie, 1612. de Boheem
che 1619. en de nieuwe Sweedche 1634. Beklager van drie ongelukkige
Koningen van zynen tyd, den vermoorden Franchen, 161o. Den verdr

ven Boheemchen, 162o. En den geneuvelden Sweedchen 1632. Stich


ter en autheur van drie defenien, de Lands-defenie , 1612. Die van den
Saxichen-Kreits, 162o. En die der Protetanten, 163 1. Veroveraar van

drie Landen, Lauits, 162o. Sileie, 1621. en 1633. Boheme, 16; 2.


Heroveraar van die Koopteden, Leipzig, 1631. Maagdeburg, 1636.
Grlits, 1641. Opteller van drie Contitutien, van 't Landrecht, 16o3
en Proces 1622. en huwelykzaken 1626. Adminitrateur van drie Bisdom
men, Mereburg , 1603. Misnie, 161 1. Naumburg, 1616. Waar
nemer van drie Evangeliche Jubelfeeten 1617. 163o. en 1655. Bevorde
raar van drie Schriften voor de Kerk, het Generaal Decreet, 1624. Den
Evangelichen Oogappel, 1628. en deszelfs Hoofdverdediging, 163o. In
achtnemer van drie Confraterniteiten, de Keurvortelyke, 1611. Heen

en Brandenburgche 1614, oude Boheemche, 15-87. Bywoner van drie


Vergaderingen, van zoo vele op Ryks, zoo vele op Keurvorten, en zoo
vele op Kreitsdagen 16 : 1. enz. Weder invoerder van drie Schikkingen,
van de Kledy , 1612. Munt, 1623. en Boetorder, 1626. Belever van
drie gelukken ontrent zyne Prinen, 1. Van den Keurprins, 2. van den
Adminitrateur van Maagdeburg, en 3. van zoo vele kindskinderen.

Ge

lukkige Uitzetter van drie dochters, Sophia Eleonora aan Heen Darm
tad, 1627. Maria Eliabeth, aan Holtein 163o. Magdalena Sibylla,
aan Denemarken, 1634. Heercher over drie nieuwe Landen, Querfurth,

1638 en de beide Markgraafchappen Opper- en NederLauits, 1637.

Op zodanige wyze is in deze eeuw, behalven de Hertogdommen Gulyk,


Cleve en Berg, door Godes genade en onzen Heer Keurvort, dit in onzen
tyd zeer verwoet Saxen vermeerdert, gelyk 't zelve voor 100. iaren het

Evangelie, voor zoo. het Keurvortendom, voor 30o. het Voigt en Oo


terland, voor 4oo. Thuringen, voor 5oo. Misnie, en zoo wyders gekre

gen heeft. De Hoogte geve, dat het edele Saxen, midsgaders de Kerk
en de ganche Keurvortelyke familie, onder dezen Keurvort als een Ver
dediger der Religie, zuile van 't Roomche Ryk en voorbeeld der omzich

tigheid dagelyks bloeie en aangroeie. Fiat ! Anno 1642. Onderdanigt


aldus voorgetelt van

BURCHARD BERLICH.

$ 95.
Het voorbeeld van den Keurvort volgde ook Willem, Her
tog van Saxen Weymar en
de

v:#de

hondering:

28,

D E G o U DE EN z 1 LV E RE

dachtenis van den Paauchen vrede insgelyks door twee Medail


len, want als 't lyk van Zynen Heer broeder, den weergalozen
Held, Hertog Bernhard, die 1639. na de verovering der ves
ting Brieak, te Neurenberg aan den Ryn was overleden, in de
vortelyke erfgraftede na Weymar 1655: gebragt wierd, liet hy

de volgende penningen laan.


De eerte voert:

:/WDECEMB MDCLvSEcv.

#l /AN.ARI-Post PAC /

a Den Hertog geknielt, op den Here Chritus ziende, die


met een vaan voor hem taat, dien hy aanraakt. Van verre
ziet men de tad Brieak, en daarvoor een ganch krygsleger,
van 't welk de Hertog zich ontrokken heeft, werdende hem
door eenen Engel een kroon gebragt en opgezet. Achter hem
by den linken voet legt het Vortelyke Saxiche wapen. Bene
den leet men deze woorden: EXT EN DO. ME. AD. PRI

ORA. OBLIVISCOR. QUAE, RETORSUM. SUNT.

PHILIppenes 3. v. 13. (14) Dat is: Ik trekke my tot het gee


me dat voren is, en vergete bet geen dat achter is.

b Deze incriptie: BERNHARDus , DUX, SAXoniae.


NATus. VINA Riae. MDCIV. VI. AUGuti DECES
Sit. N E O B U R G i. A D. RHENum. V I II. I U L ii.
MDCXXXIX. TUMULatus. V IN A Riae. XII. D E
CEMBris. MDCLV. SECUL ARI. POST. PAGem.

GER Maniae. RELIG IOSam. Dat is: Berhard, Hertog van


Saxen, geboren te Weymar 16o4. den 6. Auguty, geturven te
Meuberg aan den Rhyn den 8. July 1639. begraven te Weymar
den 12. December 1655, welke iuit 't Jubeliaar van de religie- .
vrede in Duitchland was.
w

Op de twede ziet men:

EERGEDACHTENIS VAN LUTHER 28,


a Het bortbeeld van den Hertog, met het omchrift: Dei.
Gratia. BERNHARD US. D U X. SA Xoniae. IUL iaci.
C LIViae. ET. MONTium. Dat is: Bernhard, van Godes

genade Hertog van Saxen, Gulyk, Cleve en Berg.


b Dezelve Incriptie, zoo als op de eerte Medaille.
V

W. 96.
Nu behoorden wel de Jubelpenningen op de Formula Con
cordiae na de order te volgen, dog ik zal alvorens gewag maken
van eenen daalder (n) die 1661. te Eileben ter eere van Lu

ther is gelagen, hoewel ik niet weet, by wat gelegenheid of


op welkers bevel zulks is gechied.

Op den zelven ziet men:

a Luther met dit omchrift: Martyn Luther. Doctor. der.


Heilige Schrift. geweze. Prediker en Hoogleeraar. te Witten
berg. Beneden 't iaargetal 1661.
b De tad Eileben beneden het wapen der Graven van Mans
feld, als onder welker heerchappy Luther geboren is. Het
omchrift luid: Godes Woord en Luthers leer vergaat nu en nim
mermeer. Ilebie
A A N M E R K IN G.

(n) De Heer Muller noemt in zyne Saxiche Jaarboeken deze Medaille fol. 447.
eenen daalder, en zulks met recht, om dat ik vercheide van dezelve ter

grootte en zwaarte van daalders gezien heb, choon dezelve eigentlyk geen
gangbare daalder te noemen zyn. De Heer Abt Molanus heeft my verze

kert, dat deze medaille in zyn Cabinet zy in vercheiderhande vormen,


maar echter van eenerlei inventie. De hoogverdiende Profeor in de God
geleertheid en Griekche tale , midsgaders Farheer te Altdorf, Heer D.
Chritoffel Sontag, heeft my eenen netten chets in zilver medegedeelt. . .
Meergemelde ## Muller zegt op de aangehaalde plaats, dat in denia-fol. 473
re 1667 den 31. October op bevel van Johan George, Keurvort van Saxen, Jubelfeet
in de Slotkerk te Wittenberg een Jubelfeet zy geviert, om dat 't ander- te Wit

halve
was geleden,
dattegen
Luther
dezen daghadzyne
eerte Diputatie
tegen eeuw
den Pauzelyken
Aflaat
de op
Kerkdeuren
aangeplakt,
en dat #
e

van D. Johan Meisner, Profeor Publicus en Proot ter Slotkerk aldaar,


eene gedenkpreek gehouden zy. Door dien echter geene andere Kerk dit
Jubelfeet heeft geviert, zoo zal men enkelyk daarby voegen, dat de ge
melde D. Meisner zyne redenvoering, onder den titel: jubileum Witten

bergene, anno 1668. in 4 hebbe in 't licht gegeven.

284

D E G o U DE EN ZILv E RE
S. 97.

Eindelyk wierd in 't byzyn van Hoogtgemelden Johan Ge


orge II., Keurvort van Saxen, van zommigen te Torgau op
eene Kerkvergadering zynde Geetelyken, te weten den toen
maligen Keur-Saxichen Opper-Hof-Prediker, D. Martyn Ge
ier de Profeors in de Godgeleertheid van Leipzig, D. Johan
Adam Schertzer, en D. George Lehman, midsgaders die van
Wittenberg, D. Abraham Calovius en D. Johan Miner den 7.

Juny 1576. een Jubelfeet gehouden, wegens de Formula Con


'cordia, die hondertiaren geleden, insgelyks te Torgau opge
telt en naderhand onder de Symoliche boeken der Evangeliche
Lutherche Kerk gebragt is.

De Keurvort beraamde toen met

zyne Godgeleerden 't uit te chryvene generale Jubelfeet in 't


naatkomende jaar 1680. Dit Hoogtloflyk voornemen bleef
echter onder wegen, om dat de Keurvortelyke landen in dat
iaar door de pet zeer gedrukt wierd, en de Keurvort te Frey

berg quam te terven. Midlerwyl heeft de Adminitrator van


Maagdeburg, Hertog Augutus, dat Jubelfeet 1675. geviert,
en ten dien einde de volgende Medaille laten laan.
Dezelve voert:

a Het bortbeeld van den Hertog, met het omchrift: Dei.


Gratia. AUGUSTUS.

Potulatus. ADM Initrator. AR

CHIE Picopatus. MAG DE Burgenis. Dux. Saxoniae. Juli


aci. Cliviae. Et. Montium. Dat is: Van Godes genade, Augutus,
gepotuleerde Adminitrator van 't aartytigt Maagdeburg, Her
tog van Saxen, Gulik, Cleve en Berg.
-

b Een vrouwsperzoon, betekende zonder twyfel de God

vruchtigheid, houd in de rechte hand een granatappel, in de


linke een olyftak, onder den arm een boek, waarop gechre
ven taat: F. C. Dat is: Formula Concordiae. Tegen den vier
hoekigen teen, waarop ze taat, leet men 't Griekche woord:
Ez THKA. Dat is: Ik ta. Actor. X XVI. 22. Het omchrift
luid: MNEMO SYNON. CONCORD IAE. CONCOR

DIS. Dat is: Gedachtenis der eendrachtige Formula Concordie,


22. Juny 1675. (0)

AAN

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER

as,

A A N M E R K IN G.
(o) De chets van deze medaille vind men ook by 't lot der gedenk
preuk, van den toenmaligen hoogvortelyken Hofprediker te Halle, D.
Johan Andreas Olearius, by die plechtigheid gehouden, en met den druk
gemeen gemaakt, die ik echter nog niet gezien heb. Daar benevens heeft

my zeker vriend verzekert, dat hoogtgemelde Hertog Augutus aan ieder


Godgeleerden, die na 't eindigen van 't Jubelfeet, aan zyne tafel onthaalt
wierden, een tuk van deze medaille, ten dele in goud en ten dele in zil
ver, na ieders tand en qualiteit, genadigt hebbe vereert. 't Geen ik ech

ter hiervoren heb gemeld, wegens het vattellen van een generaal Jubel
feet in den iare 168o., zulks kan ik bewyzen met de woorden van den
meergemelden D. Schertzer, om dat hy in de Opdragt van zyn Sytema
Theologici, in den iare 168o. in 't licht gegeven, aan Keurvort Johan Ge
orge II. aldus chryft: ,, Kerken en Scholen zullen nu voortaan alle iaren
op vol zyn van uwen roem, zoo dikwyls als ze de gedachtenis der van Lu

ther naar wench begonne Reformatie, achtervolgens uw uitdruklyk ge


nadigt bevel, midsgaders ook het aantaande Jubelfeet der Formula Con- .

91

cordiae, met algemene vreugdetekenen, vieren, waartoe van uwe Keur

oy

vortelyke Doorluchtigheid de genadigte maatregels met eenige Godge


leerden, onder welker getal ik de genade heb gehad, te zyn, genomen,

53

,, en reeds behoorlyke toetel gemaakt zyn, enz. Ja zommige Geleerden

gaven reeds vooraf eenige Schriften van deze materie in 't licht, onder de
welke voornaamlyk te lezen is dat van M. Hendrik Ernet Treiber, Dia
ken te Eisfeld, Vortenburg Coburg, Evangeliche Jubeljaars-bazuyn, in

den jare 1681. te Sleuingen in 4. gedrukt. Of echter de Hitoria jubilei


Formule Concordiae van den vermaarden Godgeleerden te Grypswalde in Po

meren, D. Conradus Tiburtius Rango, welke hy in de Voorrede van


zyne Hitoria Syncretismi Seculi XVI, heeft belooft, ooit met
druk ge

meen gemaakt zy, daaraan twyfel ik, om dat in de Keur-Saxiche landen

geen
Juigiaar
geviert
is. de volgende medaille, op dezelve
. . is. te. zien
. ##
. V.
Alhier
refereer
ik ook
| |

ik

hy

'i'?

a Een brandend boek, waaraan zeven zegels hangen; in 't


zelve leet men: LEX. CRU CIS TESTimonium. Domi

Ni. Dat is: De wet van 't kruis, is een getuigenis des Heren.
Het omchrift luid: SERMO. DEI. IGN IS. INEXTIN

GUIBILIS. Dat is: Gods Woord is een onuitbluchelyk vuur.


)

(?) Tien brandende Herten, met het omchrift: TUA. MA


NUS. FE CIT. HOC. DomiNe. Dat is: Here, zulks heeft
uwe hand gemaakt. (4) En 't iaargetal: 1575. (T)

A A N M E R K I N GE N.
-

(p) Deze preuk chynt ontleent te zyn uit Jerem. XXIII. 29. Is myn
woord niet alzoo, als cen vuur, preekt de Here? of uit het derde Boek Mois
VI. 13. Het vuur zal niet uitgeblucht worden.
(q)
4

286

D E

G O U DE

EN Z I L V E R E

(q) Deze preuk is genomen uit job XII. 9. Wie en weet niet uit alle
deze, dat de hand des Heren dit doet?

(r) De Franche Abt Bizot, of liever deszelfs achtervolger, heeft in 't


derde Deel van de Hitoire Metallique de Hollande, en nevens hem Heer
Schlegel in zynen Muntbybel, deze Medaille aangehaalt als een Holland

chen gedenkpenning, als of naamlyk de Staten van Holland en Wet


Vrieland hare brandende begeerte na de Vryheid en Religie hadden willen
te kennen geven, en doen zien, dat eene Regering, van God ingetelt,
en door 't vuur der liefde gevoed, onwrikbaar en de waarachtige grondlag
van eene rechtmatige heerchappy zy, dog ik kan den Abt Bizot hierin
geen gelyk geven, want voor eert hebben wy boven reeds een paar voor

beelden gezien, dat hy twee Medaillen onder de Hollandche heeft gere


kent, die toch in genen dele daaronder behoren, diergelyke feilen van Bi
zot zouden michien nog meer konnen worden aangetoont. Ten tweden
is er niet het minte blyk van een Hollandch wapen of naam op deze me.
daille, zoo als doorgaans op alle de anderen is, die of op bevel van de Sta
ten of op dat van eene dr teden, ter gedachtenis van zekere plechtighe
den, gelagen zyn, weshalven 't jaargetal van 1675. my heeft doen den
ken, dezelve zy ter eere van de Godgeleerden gelagen, die toenmaals aan
't moeielyk werk van 't zamentellen van de Formula Concordiae bezig wa

ren, en door de brandende herten betekent werde, de begeerte der God


leerden, ten minten voegen de bovengemelde Spreuken uit de heilige
chrift alhier niet qualyk, en zyn zeer licht op 't vervaardigen van zodanig
Vereenigings-formulier te paen. Midlerwyl wil ik my ook gaarn na de
betere verklaring van andere Geleerden ontrent deze Medaille voegen.
S. 98.

Eindelyk heeft Carel XI., Koning van Sweden, in onzety


den, te weten den 26. February 1693. het Jubelfeet op eene
plechtige wyze in alle zyne landen laten vieren, wegens de E
vangeliche Religie, over hondertiaren in 't Koningryk Sweden

omhelt, en de gedachtenis door eene grote Medaille in goud


en zilver vereeuwigt.

Dezelve voert:

/
-

IN

## CEMMEMORIAMN

CNCILIIVPSALIENN

CWIV S IDECRIETVM

||

#
SLMo ABHINCANNo
'ERSEGvTIONILITVEGIce
\

#)

\ MDCXCIII

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER

287

a Een chip, dat door de ontuimige baren word gelingert.


Tegen het achterchip ziet men eenen Engel met een kruis o
de bort, en in de vlag het teken van den Griekchen naam
Chritus xp. Boven de tralende naam Jehovah. Het omchrift
luid : I ACTAT U R. SE D TU TA. TAM EN. Dat is :

Het Schip, te weten, de Evangeliche Kerk, word wel door de

ontuimige baren der vervolgingen gemeten, dog zonder gevaar


om te vergaan.

b Deze incriptie : IN. FELIC E M. MEMORIAM.


CONCILII. UPS AL I EN is. CU I US. DE C RETUM.
CENTES IM O. ABH INC. ANNO. PER SECUTI
ONI. LITURG IAE. l I NEM. ATTULIT. MDCXCIII.

Dat is: Ter gelukkige gedachtenis van 't Concilie van Upal, wel.
kers beluit als nu voor honderd iaren een einde van de Liturgie
che vervolging heeft gemaakt. 1693. (s)
A A N M E R KI N G.

(s). Deze medaille is ook in 't klein, maar van den groten in niets ondercheiden, de koning van Sweden heeft met de grote de beide Keur-Sa
xiche Univeriteiten Leipzig en Wittenberg bechonken, waar voor de
eerte by een zeer fraai Duitch vers, door den Heer M. Johan Hubner,

vermaarde Rector ter Stigtschole van Mereburg, mynes onthouds, ge


maakt, en de laatte in eene voortreffelyke Lateinche redevoering, door
den vermaarden Godgeleerden, D. Johan George Neuman, opentlyk ge
houden, zyne Majeteit onderdanigt hebben bedankt, de laatte is te vin

den in de Maandelykche Zamenpraken van den Heer Tentzel. Van de E- 1694.


vangeliche Reformatie van 't Sweedche Koningryk, zie Puffendorf, In-pag. 276.
leiding tot de algemene Hitorie, midsgaders Seckendorff, Hitoria Luthera-p II. pag
nimi.

484. Lib.

De gechiedenis van het Jubelfeet zelf, heeft M. Henning, Johannes 1. S. 149.


Gerdes, Patoor ter int Nicolaaskerk te Wismar, en Byzitter van 't ko

ninglyk Conitorie aldaar, in een ongemeen fraai en geleert gechrift, on


derden titel: Het vrolyke jubeljaar in 't Noorden, 1693 te Hamburg in 4.

in 't licht gegeven. Doordien ik echter geloof, dat een ieder, die ver
maak chept, het leven van Luther te doorbladeren, de bovengemelde ge

chiedenis iuit niet by de hand heeft, en nogtans begerig kan wezen, ee


nige omtandigheden van dit Sweedche Jubelfeet te weten, zoo hopen
wy, dat het met verlof van den meergemelden Schryver moge gechieden,
de bechryving van dat Jubelfeet, die hy by zyn Werk gevoegt heeft, al
hier te laten volgen.

288

D E

G O U DE EN Z I L V E R E

B E R I C H T
r

D . E

Voornaamte

plechtigheden ,

by 't vieren

van dit Sweedche Jubelfeet.


I Oewel de grote Koning Gutaphus Adolphus, glorieuer
gedachtenis, reeds in den iare 16: 1. in 't Koningryk
Sweden een Jubelfeet had uitgechreven, dat naamlyk de 21.
January, de 2. 1. February, en de 2. 1. Maart van dat iaar als
plegtige Dank-Vat-en Biddagen zouden geviert werden, op
welke recht Vortelyke gedachten zyne Maieteit zonder twyfel,

door zyne chritelyke toenmaals levende Godgeleerden gebragt


was, want onder anderen hadden ook de Keur-Saxiche op
Keurvortelyk bevel aan dezelve gechreven en vertoont, hoe
dat als nu 1oo iaren na de Reformatie verlopen zynde, de Keur

vort in zyne landen, en chier alomme in Duitchland by de E


vangelichen dieswegen een Jubileum was uitgechreven, en hen
vervolgens aangemoedigt, om insgelyks van hunne kant een zulk
Gode aangenaam werk te bevorderen, zoo is nogtants dit tegen
woordig Noordch Jubeliaar in zoo verre voor te trekken, dat
het in een zekere opzicht wel het eerte Jubeliaar der Noord
che Kerken mag genaamt werden. Op het eerte vierde men
wel de gedachtenis, op wat wyze men ten tyde van Gutaphus I.,
voor honde riaren de Pauzelyke blindheid en gruwelen eert recht

ontdekt, dezelve zoo goed als men toen konde afchaffe, en daar
entegen de waarheid van 't H. Evangelie had aangenomen, dan
als men aan de andere kant gade laat, hoe lecht het toenmaals
met de Lutherche Religie als nog in 't ryk tond, wat dezelve
kort daarop voor geweldadige gevaarlyke aantoten, voornaam
lyk zeder 1559, na dood van Gutavus I. heeft geleden, om
dat ze niet alleen zoo voort ten tyde van zynen oudten zoon,

Ericus XIV., van de Calvinus gezinden, die aan Dionyius Beur


reus geweze Leermeeter van Koning Ericus, eenen groten mach
tigen vriend hadden, niet weinig gedrukt wierd, maar ook na
dood van dezen Ericus, ten tyde van Koning Johannes III. van

1569. tot 1593 ruim 20 jaren in de grootte onrut en open


bare ylyke vervolging raakte, doordien deze Pausgezinde Ko
ning Zoo wel door zyne Liturgie of Misboek, als door andere
middelen en wegen, het Pausdom in der daad, niet alleen wat

de plechtigheden, maar zelfs de openbare Kerkelyke-lere be


troof, met groot geweld weder invoerde, midsgaders zyne

Koninglyke kinderen opentlyk in de Pauzelyke dwalingen liet


optrekken, zoo zou men niet onbillyk mogen zeggen: nade
maal wy iegenswoordig vieren de gedachtenis van de Godde
lyke weldaad, dat voor honderd iaren door 't beluit van een vr

nationaal algemeen chritelyk Concilie te Upal, de Evangelich


Lu

EER GEDACHTE NIS VAN LUTHER 289


Lutherche lere in 't ganche Koningryk Sweden, eert recht
vatgetelt is, zodanig dat daarop 't Pausdom in alle delen uit

het ryk gebannen, en dit de grond geweet is, dat de Noord


che Kerk zedert ruim 1oo iaren, in de allerzoette Religie-vre

de, zonder eenigen zonderlingen aantoot, by de Goddelyke


waarheid gegroeit en gebloeit heeft, dat dit tegenwoordig Ju

belfeet, zeg ik, ook het heerlykte, grootte en eerte zy.

Dit heeft ook in der daad getoont de Grootmachtige Noord


che Monarch, de vreugde van ons allen, onze tegenwoordige,
en 't welk de Hemel geve, nog zeer lange gelukkigte regerende
allergenadigte Koning en Heer. Niet alleen heeft zyne Hoog

geheiligde perzoon met grootte blymoedige en iuigende aan


dacht dit feet geviert, maar ook niet verzuimt, wat 't zelve
groot, vrolyk, en vermaard konde maken. In November des

verleden iaars 1692, wierd de Koninglyke uitchreyving van dit


Jubelfeet na alle Koninglyke Provintien, landen en teden ge
Zonden ; deze recht Koninglyke hemelche gedachten waren
met 't intreden van 't nieuwe iaar reeds zoo bekent, dat alle

Predikers op den Nieuwiaarsdag hunne gemeentens konden aan


kondigen, dat ons dit iaar een vrolyk Godtoegeheiligt iuigiaar
zyn zoude, en hen aldus tydig tot Godbehaaglyke vreugde pre
pareren, zoo als ik dan ook op myne plaats met grote blymoe
digheid gedaan heb. De byzondere dag, die den Here als een

Jubeldag, Heilig zoude heten, was de 26. February, zynde


de zondag, genaamt Quinquageima. Alles was nu gereed waar
door deze dag heerlyk voor anderen konde gemaakt werden.
M en hoorde de vreugde-klokken, voor 't krieken van den dag,

en dezelve waren den ganchen dag weinig til. Alles vergader


de tot den Godsdient, de Godshuizen waren opgepropt met
menchen, want een ieder wilde horen de temme des Dankers,

en de Prediking van aan alle wonderen Gods. Het Evangelie van


den Blinden, dat iuit dien dag inviel, verchaafte den Bedina
ren des Woord overvloedige toffe, om de heerlykte dingen

in de tad Gods te prediken, en als er al by zommigen een ge


brek was geweet, zoo wierd zulksterzelver tyd verholpen, door
't gedrukt, geetryk wel opgetelt dankzeggings-gebed, op Ko
ninglyk allergenadigt bevel daartoe voornaamlyk gechikt, om
op dezen dag na de prediking te werden gelezen, behelzende
zoo wel een beknopt nuttig verhaal der Kerkgechiedenien en
't beijuit van 't Upalche Concilie, alsook de
gronden
en prikkelingen ter bekentenis van zodanige Goddelyke welda
den, tot lof en hertelyke aanroeping Gods, om deze zyne ge

'nade en waarheid teeds en eeuwig over ons te laten chynen.

Het gebed eindige met deze woorden: Here God u loven wy!
Daarop opende de mond van alle de genen, die Jeus en zyn
woord liefhadden, haar blyde geet, haar verheven hert vloog
hemelwaards, en de iuigende tongen kliefden onder hete liefdes
tranen de wolken. Alle klinkende keteltrommels, harpen en

Palters, pypen en naren heften vrolyk op, de muiek deed al


les, om de herten der geenen, die God loofden, lechts vuuri

ger te maken. De TempelGods was als nu vol rook van 't Hal
leluja, van 't gebed, en van den lof dezer Heiligen Gods, als

zyne Koninglyke Maieteit uit Nn


denzelven
ging, en daarmede
2
wierd
-

29o

D E GO U DE EN Z I LV E RE

wierd de voormiddagdient beloten. In 't zelve oogenblik ech


ter, dat de Koning voet uit Gods huis zette, wierd als nu ook
de ganche lucht rontom vol rook, uit de kaken van eenige dui
zend tukken kanon, die de tem der geenen, die God gelooft
hadden, als een zware donder en blixem, in de lucht verbreid

den. Driehonderd zetig zware tukken wierden te Stokholm


alleen, tweemalen na elkanderen losgebrand, te weten 4. op den
Slottoren der drie kronen, 24 rontom 't Slot, by de Ruder

brug, 16 op de Bruggeberg, 58. beneden het nieuw Arenaal


aan de zeekant, 9o. op Blaiusholm, 96 op de Scheepsholm,
16. op 't Kroonchip de Jager, dat iuit voor de tad op troom
lag, 1o. by de Suiderpoort, en 46. by de Ridderholm, die al
le tweemalen na elkander losbrandden; de rook van zoo vele

tukken, verpreidde ver, en wierd door die van de naatte ves


ting niet weinig vermeerdert, want dit vreugdevuur rookte niet
alleen te Stokholm, maar alle tukken wierden op 's Koningsbe
vel door 't ganche Koningryk in alle Provintien, teden, ves

tingen en Katelen gelot, zodanig dat alhier in de Koningly


ke tad en veting Wimar alleen 128. tukken tweemalen na
malkanderen wierden afgechoten, waaruit een ieder licht kan
bezeffen, wat dit voor een machtige tem van een groten don

der door 't ganche Koningryk geweet zy. Nademiddag ging


men weder ter Kerke, men dankte God, en verkondigde zy
ne goedertierenheid in zynen H. Tempel. Billyk had de zon

op dezen dag, die zyns gelyke niet had gehad, nog mogelyk
hebben zal, ook wel mogen til taan, en vertoeven, onder te
gaan, dog 't geen dezelve weigerde, konde eene andere Gods

gave doen. Toen de avond viel, zag men de Koninglyke re


identie Stokholm vol vreugdevuuren en illuminatien. Rontom
het Koninglyke Slot waren van binnen en van buiten vele ho

ge palen opgerecht, met lof van dennebomen verciert, op de


welke grote lampen met zonderlinge brandende toffe, het helderte
licht van zich gaven. Alle de venters van 't Koninglyk Slot wa
ren van binnen en van buiten met lichten bezet, zoo dat in ie

der vak 4 kaarzen brandden. De venters van de Kerken der


grote tad waren alle met lichten opgevult, invoegen men er
in de grote Kerk, dicht by 't lot, alleen ruim 3.ooo. en in de

Duitche 2.ooo getelt heeft. De huizen van alle hoge Stands


perzonen, uitheemche Miniters en borgers, waren alle geillu
mineert, en men zag ten minten 1oo lichten in ieder huis. Ia
de Graaf van Avaux, Franche Ambaadeur hoewel voor wei

nig dagen eert aangekomen, zoo dat hy nog geen openbaarge


hoor gehad had, gaf by deze gelegenheid een taaltie van de
Franche beleftheid, omdat hy zyn ganch huis met de choon
te brandende witte waskaarzen had verciert.

Daar waren maar

twee huizen in de ganche tad, die naar oogenchyn, van bin


nen en van buiten in de duiternis bleven, te weten dat van den

Keizerlyken Extraordinaris Envoy en dat van den Lunenburg


chen Gezant, de overige alle waren verlicht. Zodanige illu
minatien duurden chier tot den morgentond ; de hemel was

dien dagen de ganche nacht helder en droog, zoo dat 't niet
anders konde zyn, of de traten waren vol vrolyke menchen,

die zich met ryden en wandelen verlutigden. Hoe vergenoegt


. .

- -

heeft

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 291


heeft men zich eindelyk niet tot de rut begeven? Hoe gerut
is men niet op 't laatte gaan leggen, en onder de becherming
van zoo een Godvruchtigen Koning, die zynen onderdanen
zulke vreugde in God verchaft had, in laap geraakt? Dog de
Zon was naauwelyks aan de kim, of deze onvermoeide held be

gaf zich, verzelt van zyne Koninglyke Hoogheid, den Koning


lyken Erfprins, zyne Vortelyke Doorluchtigheid van Holtein,
Prins Frederik, midsgaders van alle by de hand zynde Koning
lyke Raden, en een groot gevolg na Upal, om aldaar deze

heilige vreugde voort te zetten. Deze hoge gaten wierden


zoo voort van de leden van de hogechole aldaar, met onder
-

danigte eerbiedigheid en onuitpreeklyke vreeugde verwellekomt,


en van dezelve ootmoedig op het Akademich feet van dit iuig
iaar genodigt. De Koning, de Kroonprins, de Prins Frederik,
en alle Koninglyke Raden verchenen ook dingsdag in 't oud

groot Auditorie, zynde de plaats, daar voor 1oo iaren het


Concilie te Upal, welkers gedachtenis geviert wierd, gehouden
was. Midden in 't Auditorie tond eene tafel, op de welke lag
't origineel van dat Concilie, getekent van den toenmaligen
Hertog Carel en alle Standen des Ryks, midsgaders eene zilvere
doos, waarin dat origineel bewaart word. De Prof. Theol.
Primarius, gedoodverfde Bichop van Scara, D. Petrus Rud

beckius, teeg op, en deed eene cierlyke redenvoering over dit


Concilie en de redenen van dit Jubelfeet zoo als de Profeor

Norman dien namiddag ook deed. In de Lateinche tale deed


zulks woensdag morgen, D. Schuts, Profeor in de Godge
leertheid, en dien namiddag in Lateinche verzen, de Profeor
Forelius. Donderdag morgen gechiedde zulks door Profeor

Lagerlff, onder wien ook dien nademiddag gediputeert wierd.


Dit alles gechiede in de tegenwoordigheid van den Koning,
den Kroonprins en hun gevolg. Waar echter de Koning is,
daar is ook niet dan Koninglyke genade ; hier was ze bovenma
ten groot, zoo dat het de voortreffelykte Leeraars der Noord
che Kerken en cholen eeuwig pryzen en venereren zullen.
Nooit heeft een Koning zich zoo goedaardig en genadig iegens
zoo vele Kerkenleeraars alsnog getoont, en zoo vele van dezel
ve op eenmaal met de hoogtgeerde Godgeleerde waardigheid
van Doctor, zelf beguntigt en bechonken. De eerte promo

tie van Doctor gechiede te Upal, ten tyde van Gutaphus A


dolphus, daar 4, aanzienlyke mannen der Kerk die waardigheid
verkregen. Twee promotien zyn 'er geweet, taande de re
gering van Koninginne Chritina, in de welke 1 1. Leerars met
drie waardigheid bekleed wierden, vier van dezelve hebben in
4 promotien gedurende de minderiarigheid van den Koning dezel
've bekomen. Daarenboven zyn 'er nog drie broeders voor de

Koninglyke Kroning op eene reis gepromoveert, by de Kroning


echter van zyne Koninglyke Maieteit, onzen allergenadigten
Koning en Heer, wierden 8. voorname Kerkenleeraars met zul
ke eere begiftigt. Iegenswoordig echter by dit Dankfeet over
de behoudenis van 't Goddelyke woort, was de Koninglyke

genade iegens de gene, die dat woord leeraren en prediken,


zoo groot, dat 15, hoogverdiende en geerde Mannen Gods
met dezelve verblyd wierden. De Koning hadden volgenden

vrydag, zynde den 4. Maart,Nn


daartoe
betemt, en begaf zich
3
InC

29:

DE G o U DE EN z 1 L. v ER E

nevens den Kroonprins, den Prins Frederik, de Koninglyke


Raden, vreemde Miniters en vele andere voorname perzonen,
ten 8. uuren 's morgens na de grote Domkerk, de Godsdient
wierd met een gezang en fraai muiek begonnen, waarna de
Profeor Svedberg, Rector Magnificus, eene tichtelyke predi

king hield over de woorden van Palm LX XXIV. 7. 8. De


Leeraars worden met vee z geningen opgehoopt, zy behalden de
eene zeege na de andere, dat men zien moet, de rechte God zy in
Sion. Na de prediking, begaven onder een zeer fraai muziek,
de mannen, welke de Keurvort iegenswoordig met die waar
digheid wilde begiftigen, zoo veel als er tegenwoordig waren,

ten getale van 8., zich na 't Choor tot het daartoe opgerecht
getalte. De hoogwaardige vader, D. Olaus Swebilius, Aarts
bichop deed eene redevoering over dit werk, met Theologi
che deftigheid, zoo als D. Petrus Rudbeckius, gedeigneerde
Bichop van Scara, vervolgens ook deed. De ongemene wel

prekenheid van zyne hooggraaflyke Excellentie, den Koning


lyken Raad en Eerten Miniter, Heer Gr. Bengt Oxentierna,

# verbygaan want ik magze tog


niet pryzen, zoo als ze verdient. Grote # van wysheid,

moet ik alleen met

en ongewone onvergelyke cieraad traalenden daar in de Latein


che redevoering, die hy iegenswoordig deed over de magt der

Religie op de gemoederen der menchen, en van 't geluk van zoda


mig Ryk, waarin maar eene Religie, en wel de alleen zaligma
kende, overal bloed, vervolgens verleende hy als Kanzelier van
de Academie, in naam van den Koning, Promotor, D. Petrus
Rudbeckius, volmagt, om de genen, welke zyne Maieteit hem

had genoemt, als nu opentlyk Doctors te maken. M. Diurberg


deed daarop aan dezelve de Doctorale vraag? Of niet op eene of
andere wyze tuchen de Lutheranen, Calviniten en

60/4

'Religie-vergelyk konde getroffen werden? De Bichop Spegel be


antwoordde dezelve na zyne gewoonte, dat is, op de bondig
te geleertte wyze, en bewees met grote kracht van redenen,

dat zulks meer te wenchen dan te hopen zy. Vervolgens be


gon D. Petrus Rudbeckius de plechtigheden van de promotie,

en maakte in de tegenwoordigheid van den Koning Doctors in

# Godgeleertheid,

de volgende hoog en wel eerwaardige


Mannen, in de order, welke zyne Maieteit hem had laten be
handigen, te weten: M Hacquinus Spegel, Bichop van Lin

cpingi. M. Carel Carelsoon, Bichop van Weteras, M. Sa


muel Viraenius, Bichop van Wexio, M. Chritianus Papke,
Bichop van Calmar, M. Erland Broman, Superintendent te
Careltad ; M. Matthias Steuchius, Superint. te Hernand, M.

Iral Holmodin, Superint, op Gottland; M. Johan Ficher,

Superintendent-General in Lyfland, M. Johan Walin, Koning


lyke Opperhofprediker ; M. , Matthias Ier, eerte Patoor te

Stokholm, M. Julius Micrander ; Profeor in de Godgeleert


heid te Upal, M. Johan Breverus, Superint. der tad Riga;
M. Joachim Saleman, Superint, der tad Reval, en M. Johan
Baudewin, Superintendent te Straalund. Met eene redevoe
ring van dankzegging, welke de nieuwe D. Micrander uitprak,

en een treffelyk muzikaal concert van temmen en intrumenten


eindigde deze plegtigheid. Vervolgens wierd dit ganch gezel
-- - -

*|

| chap

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER 29,


chap, te weten de Raden en Bichoppen, midsgaders deze

gemelde nieuwe Doctor op 't lot te Upal aan de Koninglyke


tafel prachtig onthaalt , terwyl vercheide andere voorname
tandsperzonen, die tegenwoordig waren, in eene andere zaal

ontangen wierden. Naardien echter de Koning zyne genade


niet alleen over eenige Leeraars der Kerke wilde laten chynen,
en de gezegende gedachtenis van dezen zoo plechtigen iuigtyd,
ook niet zoo dra in vergetelheid wilde laten komen, heeft hy
daarenboven allergenadigt eenen aanzienlyken, kotbaren Jubel
penning, ter zwaarte van 8. lood laten laan, op de eene zyde
van deze Medaille word gezien, een chip in zee, door zwaren

lorm belopen, waarboven de naam Jehovah taat, met dit op


chrift: Jatatur, cd tuta tamen. Op de andere zyde zyn deze
woorden: In felicem memoriam Concilii Upalienis, cuius decre
tum centeimo abbinc Anno Perecutionis Liturgicae finem attulit.

M. DC. XCIII. Voor zeer veel rooo ryxdaalders heeft zyne


Maieteit van deze Medaille laten laan, en ganch Koninglyke
mildadigheid doen uitblinken. De Koninglyke Raden, midsga
ders ook eenige Geetelyken ontingen dezelve in goud, 2 5.
Ducaten waardig. Alle overige Koninglyke voorname Ampte
naren, zoo wel civile als militaire, in alle Collegien, de Bor
germeeter van de teden en zeer veel anderen, ontfingen ze van

't allerfynte zilver, ter waarde van 8. ryxdaalders. De Predi


kers door 't ganche grote Koningryk, en alle daaronder leg
gende Vortendommen, landen en teden, zyn in genen dele
verby gegaan, maar overal hebben eenige van dezelve de Ko
ninglyke genade te pryzen, welke ook ik, de geringte van al
len , nevens de medebroeders alhier, nimmer genoeg zullen
konnen dank weten. De plechtigheden en menigvuldige vreug

debedryven, die nog hier en daaar ter gelegenheid van dit Ju


beliaar zyn voorgevallen, ga ik met tilzwygen verby, hebben
de maar iets van 't voornaamte willen verhalen.

De fetynen

in alle Koninglyke Academien en cholen, zoo wel in 't Ryk,


als de Duitche provintien, de oratien, diputatien, promotien
en andere plechtige bedryven, waarmede men dezen tyd alom
me heeft willen heerlyk en voortreffelyk maken, als mede wat

zyne Koninglyke Maieteit daartoe allergenadigt uitzyne Schat


kiten heeft laten tellen, deze alle konnen hier niet worden aan

gehaalt. Ik zal enkelyk nog daarby voegen, dat onze zoo


chritelyke, Godvruchtige allergenadigte Koning en Heer, in
het opentlyk Koninglyk plakaat, waarby hy de algemene Bid
en dankdagen voor dit 1693 iaar heeft uitgechreven, alleen

zynen getrouwen onderdanen deze Godlyke weldaad en goed


heid, nog eens na de geindigde Jubeldagen heeft laten erinne
ren.

Alle verordineerde texten treken, om zodanige gelukza

ligheid niet uit de gedachten te verliezen, in het Evangelie waar


diglyk te wandelen, en alle zonde, tot nu daartegen gepleegt,
op eene boetvaardige wyze te bekennen, en van God vergiffe
nis te meken, enz.

S. 99.

En aldus heb ik door Godes genade, het leven van

onzenlie

ven en zaligen vader, D. Martinus Lutherus, nevens de ge


c ie

294

D E G O U DE EN ZIL VER E

chiedenis van de door hem welbedachte en kloekmoedig begon

ne, midsgaders gelukkig voltooide Reformatie der Kerk, na


vermogen bechreven, en hem een onverwerpelyk gedenken
eerteken opgerecht, 't welk hoop ik, niemand qualyk zal duiden,
die michien de gedachtenis en den naam van Luther niet mag
dulden, de liefde van grote Mogendheden, pryswaardige teden,
en van eenige byzondere perzonen iegens Luther, heeft wel
verdient, dat de Medaillen of penningen, ter eere van hem ge

lagen, over welker menigte, die als nu uit de duiternis zyn


opgezocht, men in waarheid met verwondering word aange
daan, van my vergadert, en na myne geringe kennie in de

gechiedenien en Medaillen, verklaart en opgeheldert zyn.


Komen onze nakomelingen dit boek te zien, zoo zal zulks
veellicht, het michien nog overige vonkie en hoogachting ie

gens hunnen dierbaren Leeraar en deszelfs niet op zandige tel


lingen van menchen, maar op het onwrikbare en vate woord
Gods gegronde leeringen, weder doen glimmen en branden.
Ik roem en venerere hierin zoo wel de goedheid, als voorzie

nigheid van den Hoogten, die Luther tot het werktuig van zy
nen wil gebruikt, en den naam van zynen getrouwen Dienaar

op getempelt goud en zilver onder de menchen heeft laten be


kend werden. Dit is eigentlyk myn hoofdoogmerk geweet,
wanneer ik de pen eert opvatte, en oordeel als nu ook door
een duidelyk voorbeeld, zodanige verdrietige menchen, te
hebben overtuigt, die onder den mantel van eene aangematigde

fynigheid, ondertaan, de wetenchap en bedryven van alle


menchen, naden cirkel van hare dikmaals ganch botte eigen
zinnigheid en dwaze waanwysheid te choeien, dat de wysgeer
te, aangename wetenchappen en praken, de Godgeleertheid
tot verwondering van de Goddelyke genade en alwyze voor
zienigheid, zeer veel aan de hand gaan. Ik wenche, dat een

geleerd man, die hiertoe meer bequaamheid en tyd, als my ver


gunt is, bezit, moge ondernemen, om nog meer materien uit
de oude en nieuwe Kerk-Hitorien, op dezelve wyze door hulp
der penningen uit te arbeiden, want de vruchten van de lieflyk

heid en nutbaarheid daarvan zal men zonder den minten twy


fel, op het rykelykte zien.
() Ioo.

- Ik luit dienvolgens met de zeer bedenkelyke en op deze tyden


pag. 182,

183.

voortreffelyk paende woorden van den ouden en zaligen predi


ker te Jochimthal, M. Joh. Matheius, die hy ten einde de
vyftiende prediking van de hitorien van D. Luther, ruim hon
dertiaren geleden, tot zyne gemeente geproken heeft , dezelve
luiden aldus: ,, Vermids nu deze Doctor Luther midsgaders
, zyne getrouwe medehelpers en amptgenoten, zyne lere op 't
,, woord der Profeten bouwt, met dit licht in de donkere wer

,,reld en duitere herten chynt, ons telkens wyt op den eenig


, gebooren Zoon Gods en zyn Woord, dat de Geet Gods

,, door Profeten en Apotelen heeft opgechreven, zyne uit

,, legging en verklaring, of profecy met den gelove in Chritus


, overeenkomt, Gode en zyn Woord alleen de eere geeft, en
,, teeds leeraart, dat wy zalig worden alleen uit genade, door
, den

E ER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 295


5

den gelove en vertrouwen op het eenige bloed

9)

niet uit ons of onze werken en gerechtigheid, of nieuwe gehoor

3y

zaamheid, op dat wy niet zouden roemen, zoo als Sint Pau


lus aan die van Epheen II. ook chryft, zoo vermaan ik u

heden, lieve vrienden, om by de lere, getuigenis, waarach

99

tige Profecy en verklaring der Schrift van dien man, tand


vatig en tot aan uw einde met de uwen te blyven, en daaren

53
- 9)
55

33
99

boven Gode te danken, die ons dit uitverkozen werktuig in


de laatte tyden gezonden, en tegen alle poorten der helle
ruim 29 iaren in deze landen nevens zyn ordentelyk beroep
gehandhaaft heeft, en u door loze guiten en tamelaars van

59

zyne belydenis niet te laten afbrengen, als die hedendaags

Dy

pogen, den goeden naam van dien man en zyne belydenis te

5p

bezwalken en uit te wichen.

God heeft door dezen man

29

en zyne medehelpers de Zaligmakende Leere te Wittenberg

kleinzen, dryven, rein en uperfyn branden en louteren la


ten. Wacht u voor de genen, die 't zilver mengelen, en
valche beeldtenien op dezelve laan, want daar zyn veel gau

59
32

we, nedige pitsvinnige koppen, en de werreld is waanwys.

59

J2

Derhalven waarchouw ik u, myne Prochiekinderen, als een


lid der cholen, en borger der Wittenbergche kerk, als een
dankbaar dicipel van den allerlieften vriend van dezen Doc
tor, den Heer Philippus, en als uwe ordentlyke oude Far

33

heer, om u niet door allerlei winden te laten zwaaien, van

53
5)

'35

, des Heren Chritus woord niet af te wyken, en zyne getrou

59
53

we dienaars by u in deze kerk en chole niet verdacht te la

39

ten maken. Daar zyn in deze laatte node werreld veel ka


kelaars, veel boeken kladders, veel verleiders, die in Engel

39

3y

che klaarheid zich met flikflooien, en verwarde redenen be

39

helpen en bezig houden.

en laat het woord der Profeten en Apotelen, dat God te

Blyft by 't geen, gy geleert hebt,

33

Wittenberg heeft laten verklaren, u niet uit de handen wrin


gen , of uit uwe herten rukken , daar komt zelden beter
voogd en Doctor daarna. Aldus zultge in vrede by de reine

3D

lere volharden, en nevens uwen Profeet en Farheer , in de

32

waarheid met goed gewien zalig van hier cheiden, en met


eere en vreugde voor 't aangezicht van Jeus Chritus ver
cheinen, en eeuwig by God en alle zyne waarachtige Heiligen
blyven, dien 't eeuwig licht en wezentlyke leven bechenen

39
5)

32
99
oy

heeft, en met zyn woord tot ons is gezonden, om van hem

39

te getuigen en te prediken. De wereld, die ook op Religie


roem draagt, maakt de Gezanten en Lichten Gods, tot Hei
landen, Middelaars, Patronen, en daar ze op zyn bet leert,

99

telt ze ons hun voorbeeld en heilig leven voor, om den Zo.

93

3y

ne Gods zyn Prieterdom te ontroven, wy hebben maar ee

55

nen Middelaar, den Here Jeus Chritus, op wiens verdiente

92

en voorpraak, en niet op die der overlede Heiligen, wy ge

5
3

rut moeten zyn, zoo als ons de rechte en prekende Heili


gen zulks in hunne predikingen, en Schriften betuigen. Dat

oy

zy genoeg van D Luthers (leven) leere, getuigenis en ver


klaring. God beware ons en de onzen daarby, en behoede

35

deze Kerk en Schole (de gezamentlyke Evangeliche Kerken

25

en cholen) voor valche lere, quade voorbeelden, en Duivel

33

,,che Babvloonche Godsdienten, Amen! Lieve Here Jeus


2, Amen. Gode alleen de eere!
OO

AAN

29s

DE G o U DE EN z 1 L v E RE

AAN HAN GzE L


Aardien onder het drukken van dit werk vercheide din

gen door ons zyn aangemerkt, waar door een en ander


meer licht bekomt, en de Heer Gutavus Heraeus, hoogvorte

lyke Schwartsburgche Hofraad te Sondershauzen, ons eene


aanzienlyke menigte zeer fraaie uitgekipte Medaillen heef me
degedeelt, om het gemeen daar mede aan de hand te gaan, en
het niet mogelyk geweet is, deze voortreffelyke gedenkpen
ningen op hunne plaats in te laen, zoo hebben wy nodig ge
acht, dezelve hier te laten volgen, om in derzelver bechou

wing het vermaak van den goedguntigen. Lezer merkelyk met


voordeel te vergroten.

Pag. 15. By de Nota (c) dient ter verklaring, 't geen de bovengemel
de Heer Hofraad Heraeus in zynen zoo curieuen als wel met ongemene ge
leertheid gechreven brief aan den Heer Tentzel, die in zyne Saxiche Mc
daille-hitorie van de Ernetiniche Linie ingelyft is , pag. 445. gewag
maakt, dat naamlyk de vermaarde Stempelnyder Karltein, de afbeeldzels

van Carel den elfden, Koning van Sweden, en deszelfs gemalin, Ulrica E
leonora, met opwerk in taal geneden, en als een zonderling munt-tuk
in zyn kabinet gelegt heeft, hoewel ik acht, dat de inventie van den over
ten van Falkenberg van deze ondercheiden zy.

Pag. 16. werd gezegt, dat Luther met recht de derde Elias te noemen
zy, dat men van dat gevoelen reeds zy geweet in 't leven van Luther, kan
ik aantonen met een vers van Adamus Siberus, vermaard Poet en eerte
Rector ter Keurvortelyke Saxiche chole te Grimma, doch dit vers taat

niet onder de genen, die in Octavo by malkanderen gedrukt zyn, maar is


by geval gevonden op een oud blad, waarop Luthers afbeeltzel gedrukt,
en my door den hoog eerwaardigen hoogvortelyken Saxen Weymarchen
Kerken- Viitations-Raad en Superintendent te Illmenau, den Heer Johan

Chritiaan Bartholomeus, goedguntig is medegedeelt, weshalven 't zelve


in alle delen als een rariteit kan doorgaan, luidende dit vers als volgt:
De Martino Luthero Theologorum Principe.
(Deszelfs Afbeeltzel.)

Notrifuitecli Lutherus Hellas.


Negat Anomus, quamae negant Behemoticae,
Molochique, Epicotique, gens Maoia,
Nomen quibus dedere Cardines negant,
Chamoii, Vitularii, Dagonii,
Icariothae, Cacolycique, Hylactoris
Precioque laeti, praemioque Thaidis.
Thammuia negat turba grexque Atharticus,
Apotataeque, perfidique transfugae,

& equana, Diliaque, & Tridens Neptunia,


Beelzebulis conecrata Spheriis.

Negatipe Deus Acheruius, Proerpina.


Megaena, cum ororibusque & Cerberus,
Coelo Gigantum irata turba, Ixione
Nati, Ceratae, Gorgones, Stymphalides,

Sphingeque, Cyclopeque, pati equi viros,

Sai

EERGEDACHT ENIS VAN LUTHER 2,7

. -

Salmonei, Tityique, Scyllae, Belides.


Chimaera, Briareus, Hydra, crudus & choron,
Buyris, & Scyron, Procrutes & Scinis,
Tarteius pator triformis, & Cacus,

Laetrygoncs, Lapithaeque, Lamiae, Striges,


Empua, larvaeque, Lemurum omnia agmina Satyrique, Fauni & Incubique & Succubi,

Cunctaeque petes, montraque omnia. Sed negent,


. Flammis,
Negent in fuie
aevum,
& pernegent
in tartari
barbarumque
clamitent

Virumque rixarum furentem, nec polus,

Quem cerneret dignum ecundo lumine:


Notrifuit Secli Lutherus HE L1 As.

Dit vers kan niet gevoeglyk verduitcht worden, ondertuchen konnen


de genen, die ontkennen, dat Luther de derde Elias zy, daaruit zien,
wie insgelyks van hun gevoelen geweet is.
Pag. 19. Nota (h) moet worden by gevoegt : wylen Chritiaan Leh

man, Patoor te Scheibenberg, maakt gewag in zyne Hitoriche Schouw

plaats van 't Misniche Opper-Erts Gebergte, 1699 te Leipzig in 4 ge- pag. m.
drukt, dat in deniare 1591. een Kerkdienaar in 't Joachimsdal, genaamt 839.
M. Bartholomaeus Schnbach ,
te Rochlits, nog heeft geleeft,

##

die een Authographus of origineel van M. Antonius Mua, geweze Super


intendent te Rochlits, gehad heeft, behelzende den droom, dien Frede
rik, Keurvort van Saxen van Luther te Schweidnits heeft gehad, uit het
mondeling verhaal van D. Georgius
opgetelt, en dien ook de

#"

gemelde Auteur in korte woorden bechryft.

Pag. 22. achter 't woord opgetelt, voegt daar by : en door Sigismund
van Bircken in 't licht gegeven.
Op die zelve plaats word onderzocht, of de gedenkpenning van Johan
Hus,
ons pag. 19. Heer
voorgetelt,
oudtemet
of eerte
van alle
...
zy ? Devanbovengemelde
Heraeusdechynt
den Abt
BizotPenningen
van een #**
v

zelven gevoelen te zyn, gelyk ik dan ook na de kleine kennis, die ik van ""

# heb, zelf niet geloof, dat men eene ouder Medaille in origineel
zal vinden, maar wel eene andere, welke niet in 't opchrift en jaargetal,
maar wel in de afbeeltzels van de eerte ondercheiden en ons in 't afdruk

zel van eenen koperen lag van den Heer Heraeus toegezonden is, zoo als
hier nevens is te zien:

a Het afbeeltzel van Hus met een Birreth of muts en een rok

met knopen, waarin deze Medaille van de

eerte, pag. 19. on

dercheiden is, daar hy met eenen hoed en over malkander ge


lagen rok vertoont word; zynde het omchrift 't zelfde, te we
ten CKEDO. UNAM. ESSE. SCAN. (Sanctam) CA

THOicam. ECCLEiam. Nevens het hoofd: JOANnes


HU SS.

b Hus- aaneenen paal gebonden,


op eenenbrandenden hout:
Oo 2.
myt
-

298

D E G o U DE EN z 1 L v E R E

myt taande, met 't zelfde dubbelde omchrift als dat van pag.

2o, naamlyk: CENTUM. REVOLUtis. ANn IS DEO.


(of CON demNATo.) 1415.

REDDetis. RatiOn EM. ET. MICH I. CON dem NAT us.


N

l. c p.

Het kenteken van den ouderdom van deze beide gedenkpen

ningen zegt de Heer Heraeus niet zonder reden, is, wyl de


figuren niet zeer verheven maar chier plat zyn. Meergemelde
Heer D. Valentyn Ernet Lcher, Superintendent te Delitch,
maakt
in de van hem verzamelde en wegens Godvruchtige ge
reg 383.
dachten pryzelyke Onchuldige narichten van oude en nieuwe The
4:52

ologiche zaken 1705. gewag van den gouden gedenkpenning van


Hus, 4. Dukaten zwaar, van ons pag. 19. voorgetelt, en voegt
daarby, dat deze van een lid van hare ocieteit, op aanleiding

van den vermaarden Antwerpichen Jeuit Papebrochius eertyds


verkregen, en uit 't Pausdom gered is, en dat eene diergelyke
als nog in 't hooggraaflyk kabinet van Medaillen te Arntad te
vinden zy, zoo als pag. 19. van ons ook is aangemerkt. Het

omchrift echter leet hy eenigzins anders, als wy het lezen, om


dat hy in 't woord SCAN. by de S. een punt vind, weshal
ven hy het aldus verklaart: Sanctam CA Nonicam, en verder
op de andere zyde CONNAT. aldus: CONtantiae NAto,
en zulks daarom, wyl de terfdagen der Martelaren na aloude
Kerkgebruik, hunne geboortedagen genoemt zyn. Ondertu
chen zal deze hooggeleerde Heer niet qualyk duiden, dat ik
daartegen inbreng, dat nog in 't Arntadche goude origineel

nog in de gene, welke iegenswoordig uit het kabinet van den


Heer Heraeus van ons zyn voorgetelt, by de S. een punt te
zien is, zoo als uit de onvervalchte copyen in huisblaas blykt;

daarenboven vermids'er SCAN. in plaats van SANCtam taat,


zulks moet men niet vreemd dunken, zoo weinig als 't woord
I. c. p.

MICHI voor M I H I, waaruit de Heer D. Lcher niet on

384

billyk de aloudheid van dien penning beweert, zoo als ik ook


uit de onbechaaftheid van de chryfwyze RES PuN DE B 1TIS
in plaats van RES PoNDE BIT IS beluit, dat deze beide pen
ningen, welke wy pag 24. hebben voorgetelt, iuit zoo nieuw

niet zyn, choon ze in ouderdom de goude Arntadche en de


kopere Hereaanche wyken moeten. Wy zullen ook kort hier

na eenen anderen Husichen penning tonen, op den welken


in plaats van COMBU STUS taat, hoe

Pag, 269. CO BUSTUS

wel de Heer Tentzel zelf, in zyne maandelykche zamenpra

ken 1694 daarvan gewag makende, zulks niet heeft aangemerkt,


waaruit ik insgelyks een baarblykelyk bewys trek, dat dezelve
oud zy, gelykze dan ook eene der raarte penningen is, daaren

boven is my uit geenen Schryver bekent zoo wel van de vyftien


de als andere eeuwen na Chritus geboorte, dat de Kerk Canonica
genaamt is, het zegwoord Catholica (algemeene ) en Sancta
(heilige ) is uit de van lange tyden herwaards, zelfs in de dik

te duiternis van 't Pausdom, gebruikelyke Symbolen of geloofs


belydenien, te weten die van de algemene Nicaeniche en A

thanaiaanche ontleent, behalven dat op de andere penningen


alle SANCTAM alleen werd gelezen. Wat aangaat de yl
laben: CO N. NAT. ik acht, de Heer Tentzel hebbe dezelve
wel verklaart: CONdemN A. Tus, of 't welk evenveel is: CON
dem

EER GEDACHTENIs v AN LUTHER 299


demNATur, of wegens de aaneenchakeling met het woord

MICHH, CONdm NATO, om dat de # van den


Heer Lcher : CON tantiae NATO, in opzicht van de ou
de kerkgebruiken, wanneer men den terfdag der Chritelyke

Martelaren, hunnen geboortendag pleegde te noemen, chynt

boven de geleertheit der vyftiende eeuw te gaan, ten zy zulks


met eenen Scriptore cevo, (gelyktydigen Schryver) wierd be

wezen, 't welk ik echter geloof, dat bezwaarlyk zal konnen


gechieden.

- - --

Pag. 25. Van den Maagdenburgchen Jubeldaalder heeft de Heer Heraeus


my de copy van eenen diveren tempel medegedeelt, die echter enkelyk in
een of andere cieraad van de voorgemelde ondercheiden is, en zoo veel te
kennen geeft, dat er van deze daalders driederhande zoorten gelagen zyn.

In de verklaring der yllaben: HIS. I-AP. heeft zoo wel D. Lcher,


als de Heer Lehman in de Hamburgche Aanmerkingen, 17oy. gedrukt,
aangetoont, dat het niet HIS. LA Pidibus, maar HIS LAPis, naam,

l. c. pag.
383.

lyk annis centum, moet heten, zoo als wy ook van hem in de Lateinche

pag. 329.
3 38.

uitgave van dit werk gedaan hebben.

pag. 43:

Pag. 27. wenchten wy de twee Huiche penningen, die ons ontbra


ken, te mogen hebben, nu echter konnen wy den Heer Heraeus voor des
zelfs goedguntige mededeling, onze verpligting opentlyk betuigen, want
dien Heer hebben wy deze rariteit te danken.
De eerte, zynde de tiende in de order, komt wel met de twee, die

wy pag. 24. hebben voorgetelt, meet overeen, maar is voornaamlyk hier


in ondercheiden, dat by de eerte a de woorden: JOA. HUS. taan, en
hier niet. In de eerte is b op de muts een duivel te zien, en hier is de
muts ganch glad.
*

De twede, zynde de elfde in ordre voert :


* *

Oo 3

a Het

3eo

D E G o U DE EN ZI L VE RE

a Het afbeeltzel van Hus met het omchrift: SANCTUS.

JOANNES HUS. MARTYR CHRISTI. CO BUS


TUS. (of COMBUSTUS.) CONSTANTIAE. Dat is:

De heilige Johannes Hus, beleider van Chritus, te Cotnits ver


brand.
paal gebonden,
aan eeniaargetal.
b HusZonder

taande op een

brandende

houtmyt, met dit omchrift: PRETI OSA MORS. SANC


TORUM. IN CONSPECTU. DO MINI. Dat is : De

dood der Heiligen is waardig geacht, in de oogen des Heeren.


Pag, 27. moeten wy aan Hus nog een voortreffelyk getuigenis der waar

heid geven tegen de Pauzelyke lere, van iemand, die 't zelve noodlot

van Hus heeft ondergaan, naamlyk Hieronymus SAVAN ARQL A ,


Predikheer te Florence, en zulks met een eenzydig langwerpig bortbeeld,
waar van de twede zyde ontbreekt. Het zelve voert:

a Het beeltenis van Savanarola in Monniks-gewaad, met dit


omchrift : HIER ONY MUS. FERRARIENSIS. OR
Dinis. PRAE Dicatorum. PROPH ETA. VIR. MARTYR.

Dat is : Hieronymus van Ferrara, Dominikaan, , Profeet

615

Martelaar. *

AAN M ER K IN G.
I. e-. P.
452

* * Heer Heraeus in zynen brief aan Heer Tentzel verzekert, dat deze
zeer rare Penning, voor zoo veel hem bewut is, nergens als in zyn kabi
net en in dat van den koning van Vrankryk in zilver aan te treffen zy.
Voor 't overige, wat deze Savanarola zelven betreft, hy was geboren te
Ferrara in Italie, weshalven hy FERRARI EN SIS genaamt werd,
in deniare 1452; wierd vervolgens Predikheer te Florence, en quam door
vlytig lezen van de Bybel en Schriften der Oudvaders achter veel geheimen

der boosheid. In deniare 1483 begon hy de laters der Clerey opent


lyk te betraffen, moet derhalven de vlucht nemen, terwyl hy echter niet
naliet, de waarheid te betuigen ; 149o, quam hy weder te Florence, en

predikte als voorheen, waar door zyne vyanden verbittert, eenen optand
tegen hem verwekten, en als hy op de dagvaarding van paus Alexander den
zesden niet te Rome wilde komen, wierd hy11496. in hechtenis gezet, en

menigmalen de pynbank te hebben doorgetaan, den 23. Mey gehangen,


en vervolgens verbrand. De redenen van zyne veroordeling waren, dat hy
de oorbiegt verworpen, het volk tot oproer aangezet had, wyders den
Paus ongehoorzaam geweet was, den zelven gehoont, gelatert, Chritus
tot getuigen zyner leere aangeroepen, en zich voor een Profeet uitgege
VCn

EER GEDACHTEN is v AN LUTHER ser


ven
Zoo alsmeld,
de Heer
Gottfried Arnold
in zyne bericht,
Kerk- endat
Ketter-hi! Lib
toriehad.
omtandig
en daarnevens
uit Cominaeus
dezelve P.
#e

Savanarola te Florence zelf geproken, en veel voorzeggingen van hem #."


gehoort had, die ook net hunne vervullinge gehad hadden, en dat hy hem
ook voor een vroom man hield. Ja zeer veel Papiten zelve hebben hem

geprezen, en kan behalven de Schryvers, door Heer Arnold aangehaalr,


van hem gelezen werden in Oiandri Hit. Eccl. Centur. XVI. en in de Vitis pag. 15.
Selectioribus, door Guilielmus Batefius, 1681 te Londen in 4 uitgegeven, Pg 191.
joh. Pici Mirandolani Apologiam pro Viri prophete, ( zoo luid de titul, die
met het omchrift van dezen penning wel overeenkomt ) innocentia, vind

men ook in Golda/ti Monarch. Imp. Johannes Burchardus, welkers Hitoria T. mr.
Anecdota of Excerpta ex Diario eius, de werreld beroemde Keurvortelyke foi #s
Hanoverche Geheime Raad, Heer Gottfried Willem Leipnits, 1696.
heeft in 't licht gegeven, geeft wel den gemelden Savanarola eenen lech
ten lof, dog hier over is de critique van den bovengemelden Heer Leipnits
in 't Voorbericht met aandacht te lezen, wylze in weinig woorden vele ge
wigtige zaken behelt. Zyne Schriften werden by Bateius opgenoemt.
De Meditationes Savanarole over den 15. Palm , welke hy in de ge

vankenis zonder hulp van eenige boeken, en midden in zyne grootte #


naauwtheid heeft vervaardigt, zyn 1523. met D. Luthers Voorrede uitgckomen, en in deszelfs Zendbrieven te vinden. Zyn Sonden - Spiegel of T. it

Kerkredenen, in Duitch overgezet, met eene Voorrede van Michael # # # #


Lindnerus, Profeor in de Poeie te Wittenberg 1 fy7, is 1633 door #
Sterne te Luneburg in 16 herdrukt, en onder mynen geringen voor- in 4to.
raad van boeken te vinden. Voor 't overige de Heer D. Joh. Frederik
Mayer merkt aan in zyne diputatie de Feto Reformationis Lutheri , Sava- Litt.A.4.

narola hebbe onder anderen ook geprofeteert, dat de geboorte van den
geen voor de deur zy, die de yslyke afgodery van 't Pausdom onbechroomt
ontdekken, en zyn voornemen door Godes bytand onverhindert uitvoc
ren zoude, 't weik kort daarna in Luther, 1483 geboren, vervult is.
Pag z8. 29. De dreigementen, die Paus Leo den tienden in deniare 15 18.
tegen Luther heeft uitgetoten, konnen wy ganch duidelyk zien uit een
brevet, dat dezelve aan Georgius Spalatinus heeft gezonden, waarvan ook

Heer Schlegel in vita Spalatini, hoewel maar met weinig woorden, ge- pag. 33.
wag maakt. Ik heb 't zelve, wanneer ik noch te Leipzig tudeerde, in "
deniare 1691. in de boekery van den hoogvortelyken Coerlandchen Hof
raad, George Henrik Lehman , die nu van deszelfs zoon, den gewezen

Superintendent aldaar, D. George Lehman is nagelaten, by geval in oli


gineel aangetroffen, op perkement gechreven, zynde de zegels daar af
gecheurt, en de copy, toen daar van gemaakt, iegenswoordig onder my

ne andere papieren gevonden, weshalven wy het zelve den. Lezer van


woord tot woord zullen mededelen, luidende als volgt:

* * ** ,
-

--

n
-

Diletto filio Georgio Spalatino, Dilerij filii Mobilis Viri Frederici


'Ducis Saxoniae Secretario Leo PP. Xs.
p

T\Ilecte fili Salutem & Apotolicam benedictionem. Quanto affeclupa


ternoque amore acratiimam auream Roam quotannis a Romanis
Pontificibus quarta Dominica acratifime Quadrageime conecrari

magno miterio, & alicui ex primoribus Chritianorum

i vel Principi

dicari & mitti olitam, hoc anno dileto filio Nobili Viro Frederico Duci
Saxoniae, utpote uorum clariimorum progenitorum more de nobis &
ancta Apotolica ede bene merito, utque pothac magis mereri poit,
dicaverimus, ex dilecto filio Carolo Mikits, Nuneio Cubiculario ecreto

& familiari notro, & quedam, que nos cdique predicte dignitaten auto
ritatemque repiciunt, devotio tua plenius intelliget : Scientes inuper &
merito quidem, quanta it devotionis tuae apud eundemducem gratia, quan
tive ille alubre ac prudens tuum conilium faciet, detionem tuam ipam

hortamur in domino, ac paterne requirimus, ut pro ua debita erga nos


eandemque edem devotione & obervantia recte coniderans,# deco

re, quove munere eundem Dncem dignum duxerimus, coniderans etiani,


-

"

quam

3o*.

D E G O U D E E N z I L v E RE

quam deteftabilis fit unius Sathan filii fratris Martimi Lotter nimia temeri

tas, que etiam notiffimam herefim fapit, & tanti ducis clarum nomen, cla
ram etiam fuorum progenitorum famam, denigrare poteft, eodem Carolo
Nuncio noftrc audito ea eidem duci fuo fano Confilio perfuadere velit, per
ue noftro & di&te fedis dignitati & eiusdem Ducis decori rete confolatur,
di&ti Martini temeritas comprimatur, & error heu nimium gravis , qui
in populo plerunque nimium credulo ita feminatur, te uno potiflimum rem
iuvante, tequc bono confultore tollatur , in quo devotio eadem tua Deo
falvatori noftro, cuius caufa agitur, rem acceptam & nobis , qui nil ma
gis, quam zizoniam loliumque huiusmodi ex agro Domini extirpari pofTe
ftudcmus, gratiffimam faciet. Pro qua in fuis etiam piis votis & defideriis
devotio eadem tua nos fedemquc preditam magis fibi propicios inveniet

atque benignos, prout ex eodem Carolo a nobis plane inftruto cadcm dc


votio plenius intelliget. Dat. Civitatis veteris Viterbienfis Diocefis fub
Annulo Pifcatoris die XXIIII. O&obris M. TY. XVIII. Pontificatus no
ftri Anno fexto.

Evangelifta.

In de hoogvorftelyke archive te Weymar leggen twee Pauzelyke Brevet


ten van denTzelven inhoud , aan Degenhardus Pfeffinger , en Donatus
Grofs geftelt.

Pag. 33. 34. By deze beide grote Medaillen voegen wy noch eene der
de, uit het kabinet van den Hccr Herus; dczelvc komt

ATER.AEtERNEA
MISERICORSIDIEVS,

ccoioproSAIVATORE]
TREDEMTORE MEO,QVEMV

a Met de voorgaande over een , behalven dat het iaargetal


152 1 ontbreekt, Zynde 't Omfchrift het zelfde, te weten: HE

RESIBUS. SI. DIGNUS. ER IT. LUTHERUS IN.


lU L L IS. ET. CRIS T U S. DIGNUS. C R I M I N I S.

HUJUS. VIT. .

b Deze ihfcijtie : f. COE L EsTis. PATE R. AETER


NE. A C. MISERICO RS. DEUS. T U. M I H I.

FI.

L1UM. DILECTUM. TUUM. DOMINUM. NO.


STRUM. JESUM. CHRISTUM. PATEFECISTI.
1IUNC. DOCUI, HUN C. SUM. C O N F E S S U S.

IIUNC. DILIGO, HUNC. COLO. PRO. SALv .


TQRE. ET. REDEMTORE. M E O. QUEM IMPII.
PERSEQUUNTU R. ET. BLASPHEMENT. ANI

MAM. MEAM. RECIPE. A D. T E. Dat is : Heme%B.


Vader, eeuwige em barmhertige God, gy hebt my uwen /ievem

2oom ongm Here Jefus Cbriffus geopenbaart ; diem heb ik /;ef;

diem eer ik voor mynen Heiland en Verloffer, diem de godlo:j;


-

'V0r.

EER GEDACHTENIS VAN LUTHER. 3es


vervolgen, en lateren, neem myne ziele tot u. Staat aan te mer

ken, dat deze penningen niet gelagen maar gegoten, hoewel


echter in alle delen raar Zyn.
Pag. 5-3. Den fraaien penning van Albrecht Durer heeft de Heer He
reus eertyds in het kabinet van den Heer Abt Molanus gelevert, uit 't

welk wy denzelven hebben ontfangen, van nog groter choonheid echter


is de volgende, waarvan de Heer Heraeus ons eene chets heeft gelieven te
laten toekomen.

Dezelve voert:

a Luthers beeltenis met kort genede hairen en eenen klei


nen kraag om den hals, zonder eenig omchrift.
-

b De letters D. M. L. (Doctor Martinus Lutherus) mids


gaders 't gewone teken van den kontenaar en 't iaargetal 1526

in eenen dubbelden kring,


Daarenboven is by 't iaar 1533 aan te merken, dat in 't zelve de eerte
Evangeliche Doctor in de Godgeleertheid, genaamt Johannes Aepinus,
patoor te Hamburg, op de Univeriteit te Wittenberg gemaakt zy, zoo

als de Heer Thomas Creenius in zyne Diertatio Epitolica de ingularibus pim. It.
Scriptorum, 1705 te Leiden gedrukt, aantoont. Behalven denzelven ech- q.
ter wierden met die eere begiftigt, Capar Cruciger en Johannes Bugenha

gen of Pomeranus, beide Hoogleeraars te Wittenberg. Van dezen Aepi


nus vind men vele voorheen onbekende narichten in 't boekie van D. Jo
han Frederik Mayer, genaamt: Evangelich Hamburg.

Pag. 64. Dezen penning heb ik nog fraaier ontfangen, uit het kabinet
van den Heer Hereus, te weten na een gelagen origineel, daar 't iaar

getal verheven en aldus mede gelagen is. En komt,

a Met den voorgaanden in alles overeen.


b Is zoo wel vercheiden in 't

"# cieraad aan 't wr:,


p

3e4

D E G OU DE EN ZI L VE RE

als wegens het daarboven taandeiaargetal 1533 , en 't omchrift,