You are on page 1of 17

AANTEEKENINGEN

BETREKKELIJK DE

NIJMEEGSCHE WROEDSCHAPS

VEREERING-PENNINGEN,
DOOR

w. J. DE vooGT.

(Niet in den handel.)

AMSTERDAM,
Y.

R, O G G E.
1866.

Door den Heer Mr. J. Dirks werd onlangs (1) een
hoogst belangrijk overzigt gegeven van de penningen
enz., afkomstig van Nederlandsche schuttersvereeni
gingen, of daartoe betrekking hebbende,
Daaronder werd door ZEd. opgenomen en afge
beeld (op zijne plaat VI, N°. 4) een Nijmeegsch
stukje, met het jaartal 1580, reeds vroeger, maar
zeer onnaauwkeurig door G. van Orden afgebeeld
in zijne Bijdragen, pl. XXI, N°. 33.
Toen ik ten vorigen jare, in de hoop onbekende
bijzonderheden aangaande Nijmegen's munt te vinden,
de rekeningen, en raadsbesluiten dier stad tot 1704
doorlas, vond ik daarin ook aangaande het boven
aangehaalde penningje het een en ander, waaruit
genoegzaam blijkt, het geene Schutterspenning,
maar eene Vroedschaps- of Presentiepenning voor
de raadsleden is geweest.
Wat ik vermeld vond, laat ik hier volgen, met
eenige aanteekeningen, aangaande penningen in vroe
-

gere jaren door de stad Nijmegen aan hooggeplaatste
personen geschonken.

(1) Revue de la Numismatique Belge 1866, pag. 102 env.

4

Het eerst dat ik melding vond gemaakt van eenig
presentiegeld dat de leden van het Bestuur van Nij
megen genoten, was in 1531. (1)

» Des andres daighs nae nijen jairs (toen de nieuwe

Burgemeesters waren gekozen) werd bepaald, door
onsen hrn van de Raide, meisteren van Senter Claes
gilde, meisteren van de Bruderschappe ende meisteren
van den Ampten, dat voortaan op elken. Woensdag,
als de Raad vergaderde, de tegenwoordig zijnde
leden ontvangen zouden 3 stuvers; daarentegen werd
ook vastgesteld dat, wie vóór DX Ure off dair om
trijnt, niet aanwezig was, eene boete zoude moeten
betalen, mede van 3 stuivers.

-

Die woorden off'dair omtrijnt werden waarschijnlijk
wat rekbaar uitgelegd, want op Guensdach post Vic
toris 1558 werd bepaald »soe wie van nu vort aen
van onsen Heren nijt op allen Guensdagen toe negen

Uren int Raethuys en weer, dat dieselve geen presentie
hebben en sall.”

Tevens werd bepaald de Presentie voortaan bedragen
zoude vier stuivers, waarvoor gewoonlijk eene kan
wijn bij de stads-wijnkoopers werd gehaald. De Raads
leden dronken gaarne goeden wijn, en om den besten

wijn vor die Raetsheren tho erlange is voir raidsam
angesien, (2) dat Raitztekenen gemaeckt werden sullen
ith stuck weerdt synde twee brab: stuvers, ende op
(1) Stadsrekenboek, loopende Petri ad Cathedram 1530-1531.
(2) Raadsignaat 4a post Judica 1558.
-

5

Guedesdach vor idt hochtijt sal in den Raidt die Wijn
cedel verlesen ende den Rentmr gelevert werden. Dairna
sall heij derva levren so voill tekenen als den Heren
competeert, ith teken va een kan wijns, en sal mit
verordent werden wat heij vor ith teiken betalen sall,
als vor den besten wijn als Raitwijn wesende. Dit is
gesthelt omb dat in voerlange jaren op die wijncedel

verscheide va den Raitzheren en anderen toegestalt

hebbn, alles tot corrichy en guetdunck mijner Heren
so in tocomen tijden beter ordinacy sol befonden werde

moghe.

-

Hanrick Arndtsse werd door den Raad aangesteld
om durch tgantse jaer die raetsteykenen van den wijn
op te halen en den Rentmeester over te leveren,
tegen eene gage van twee Brabandsche of vier Nij
meegsche guldens.
Dit Raadsteeken bestond in een penningje, waar
van de afbeelding hierbij gaat, hebbende op de
voorzijde: het wapenschild van Nijmegen in een
compartiment, gelijk ook voorkomt op de Nijmeegsche
» Cnapcoecken”, (l) in een parelrand, omschrift na een
Geldersch kruisje :
-

MVNVS X SENATVS X NOVIMAGENSIS.

Keerzijde: eene stadskan in parelrand; omschrift:

& vINUM

X LETIFICAT X COR X HOMINIS.

Zilver 2.15 wigtjes.

Naar een exemplaar in mijne
Verzameling.

(1) Afgebeeld o. a. P. O. van der Chijs, de munten der voormalige
Heeren en steden van Gelderland, pl. I, N°. 3 en 4.

6

Toen de prijs der wijnen steeg, was het billijk
dat hij, die in stede eene kan wijn te laten halen,
zijne Raetsteyckene liever tegen geld inwisselde, ook
een hooger bedrag daarvoor ontving, dan de vroeger
bepaalde vier stuivers. Bij Raadsbesluit werd dan

die verhoogde waarde bepaald, gelijk b. v. 4a post
Martini 1564 op drie en eene halve Brabandsche
stuiver. In het volgende jaar (1) werd nog eens
herhaald de bepaling, dat voor Raitztekene de beste
wijn moest geleverd worden, die dien dag vier brab.
stuivers gold.
Meermalen werd dat bevel herhaald. Daar langen
tijd daarna die raadsteekenen werden uitgegeven,
eerst alleen als presentiegeld, maar later ook voor
diensten aan de stad bewezen of als emolument,

ex

voor het onderzoeken van maten en gewigten door
de stad, het gaan wegen van het brood bij de bakkers,
ja, ook voor het adsisteren als lid van den Raad
bij radbraken, brandmerken, enz. (2) is het geen
wonder, men zorgde dan ook een glas goeden wijn
te krijgen voor zijne moeite.
Men ziet op de meeste nog overgeblevene Raets
(1) Raadsignaat 4a post Martiny 1565; (de gemeene wijn gold dien

dag drie en eene halve stuiver brab.) Raadsignaat 5 December 1582,
6 Februarij 1583; toen was de zetting zeven stuivers voor den besten,
en zes voor den slechten (minderen) wijn.
(2) B. v. Bij de executie van Maarten Schenk ontvingen de Richter

en de twee regerende Burgemeesters elk acht raadsteekens, volgens het
Rekenboek van Petri. 1589-1590.

teickene van Nijmegen een cijfer ingeklopt; dienaan
gaande vond ik ook enkele berigten gelijk in 1574
een raadsbesluit van 4a post Jubilate.

» Den Renthmeister angelanghet die Raitztekenen so
voertaen utghegheven wortt, mytt sekere teykene the
dutthen und als vur ses stuvers und eyn orth gelyck
die wyn gesatt, weder tho lossen, und is ihm alsso
ordiniert vur yrst, und darnha verbleven.”
In 1576 werd bevolen de raadsteekenen in de

herbergen niet hooger te ontvangen dan vier stuvers
mund sall die Rentmr op yder teyken den Raetzfrun
den toeleggen eene halve stuver” (1)
Van deze oudste Raadspenning bezit ik een exem
plaar met eene ingeslagene stempel met 4 en eene
met 9, en een exemplaar waarop 5 stempels of
dutten 4, 7, 7, 7 en 9. Het stukje is zeldzaam en
dat verklaart zich door den inhoud van het volgende
Raadsbesluit van 2 April 1580.
» Is ordenyrt dat men alle die alde Raits teickenen
collegyren, ende dat den Muntmeyster die gelevert
synde, nijen dairvan maeken, ende een seker getal
die altyt een Q (2) wijns gelden sall het stuck, dairvan
munten sall.”

Dit geschiedde, nadat door Johan Koitz, (3) die

alde teickenen gedutt waren mitt den dutte van negen,
(1) Raadsignaat 22 Augustus 1576.
(2) Voor een quart, zijnde ongeveer eene hoeveelheid gelijk aan den
inhoud onzer flesschen.

(3) Waardijn van de stads munt.

8

werden aan Dirck Vleminck, den muntmeester van
de stad, 741 stuks oude geleverd, waarvan hij nieuwe
maakte.

Men ziet, de oude werden versmolten; geen won

der dus weinige exemplaren meer over zijn gebleven.
De nieuwe die alsnu gemaakt werden, zijn dus
die met het jaartal 1580, door den Heer Dirks me
degedeeld, en welke ook in mijne Verzameling aan
wezig zijn, en wel ongedut en met den dut van 7.
In de Raadsvergadering van 22 April 1580 werd
wdie ordonnancie ende tgetall der nieuwe Raetsteyckenen
verlesen ende den Rentmeystere overgeleverd 793 stuks
die nu als in rerum natura syn.”
Eenige malen nog kwam mij later voor, vermel
ding van verandering in de waarde der Raadsteekens
b. v., volgens raadsignaat van 16 Maart 1589 van
zes stuivers, waarop die vroeger verlaagd was, op
de oude waarde, namelijk een quart wijn; volgens
idem van 6 April 1589 weder op negen stuivers.
Spoedig hierna schijnt men in gebruik te hebben
gebragt, voor enkele, mogelijk alle diensten geene
raadsteekens in originali uit te reiken, maar den
regthebbenden die aan het einde van het jaar te
verrekenen met het opgeld dat van tijd tot tijd
daarbij kwam. Uit een Raadsbesluit van 29 Mei 1591
althans blijkt het toen reeds geschiedde. (1) In het

(1) Gelijk meer dan eene eeuw later, nog.

9

volgende jaar vond men raadzaam, wegens nalatig
heid in het verrekenen van het opgeld en van de
raadsteekens zelve, den Rentmeester door den Roe

dedrager te doen aanzeggen, hij zonder verwijl 442
Raadsteekens, die hem vroeger ter distributie waren
gegeven, te verantwoorden, zullende men anders
"tegen hem sulcke middelen int werck stellen, die

welcke mijn Heeren liever vermydet saghen.” Na dien
tijd heb ik niets meldenswaard aangaande de Nij
meegsche Raadsteekens opgeteekend gevonden en
nooit van beide soorten stempelvariëteiten gezien,
zoodat ik meen te mogen aannemen, men èn in het

jaar 1558, èn in het jaar 1580, en nimmer later
deze penningjes te Nijmegen heeft geslagen.

NIJMEEGSCHE WEREERINGPENNINGEN,

Het is geen ongewoon verschijnsel in de geschie
denis van de oude gebruiken hier te lande, beloo
ningen te zien toegekend aan personen van hoogeren
en lageren rang, welke men nu meenen zoude daar
mede te w affronteren." Men leze de rekeningen door,
van welke stad men wil, telkens vindt men eene som ,
uitgetrokken voor wijn, graan, vee of iets dergelijks
aan een of ander stadgenoot of vreemdeling geschon
ken voor »diensten aan de stad bewezen.” Bij de opdragt
van eenig boek aan den Magistraat, ontving de schrijver

10

somtijds eene gedenkpenning, (1) hetwelk, wijl die
doorgaans op een afzonderlijken stempel geslagen
was en daarbij tevens geldelijke waarde bezat, als
eene groote eerbetooning werd beschouwd.
Bij het kleine getal van die vereeringpenningen
welke men nu nog aantreft, moet men aannemen

het meerendeel voor zoover die eene betrekkelijk
groote metaalwaarde hadden, in den smeltkroes zijn
verdwenen.

Wat men dus hierna aangeteekend vindt daar
omtrent, diene zoowel om te strekken tot herken

ning van die vereeringen door de regering van Nijmegen
vroeger gedaan, als om eene bijdrage, hoe gering dan
ook, te leveren tot de gewoonten onzer voorvaderen.

Reeds vroeg vond ik in de Nijmeegsche stads
rekeningen melding gemaakt van die metalen »dou
ceurs” en wel reeds onder de regering van Hertog
Karel van Egmond. In de rekening, loopende van
St. Petersdach 1532 tot St. Petersdach 1533 vind ik:

»Den Praest van Cleeff vereerd tot een lijfnijsse
eijne golde penijnck van XXV golde gelresche Rijders,
den Rijder ad XXV Stuv: brab: = 62 g: X stuv:”
De overbrenging naar Cleeff geschiedde door de
(1) Zie bijv. de afbeelding van eene soortgelijke die Daniël Tossanus

van de regering van Deventer ontving, Revue Belge 1847, pag. 253,
ook aldaar 1848, pag. 56.
-

11

Raadsvrienden Henrick Poeijn en Johan Noet, die
daarvoor zes gulden reiskosten berekenden.
Reeds weder in het volgende jaar trof ik het on
derstaande aan:

»Item soe sommijge fruendt en Raed mijns g. l.
hrn onss stadt in voell saecken seer dienstlick aen

sijn ff: g: geweest sijn, den selve durch bevell onss

Burchmeistere, Raide en meistere va senter Claes
geschenckt ene golde penijnck werdt wesende LIIg
1 st: 1 oirt.

Item den muyntgeselle van den penijnck te mijnte
geschenckt XVII stuv:
Vervolgens komen deze posten voor:
-

Stadsrek : 1535/6.

Item durch beveell des gantse Raedt en Meisten
va Sint Claesgilde laeten maecken ene golde penijnck
weert wesen XX golde rijders, ons hrn din geschenckt
ene van mijns g. h. raede. Item van desen te kruijs

sen geg: 1 snaphaen.

.

.

. = 50 g: XII stuv:

Stadsrek. 1550/5 l.

Item soe die President aen Koer. Keyer. Matt. ver
worve had dat etlicke brieve van onsrer stadt priv

legiën besegelt worden, en om meer andere saecken
dat hij onsre stadt inne behulpelick is geweest, dair
van hem geschenckt twee golden pennijnge die be
loepen mijt dat maeckloen 1e LXXVIII g: VIIbrab:
stuv: = IIIe LXI g: XIIII stuv:

12

Stadsrek. 1554/55.

»Durch bevell onss Burgermeister, vort etlicker
Raetsvrunde en etlicke meister van Sunter Claes

gijlde laten maken meister Jasper (1) onsen Munt

meister enen golden penijnck van XVIIgolde kronen
die men den Cantzlaar toe Arnhem schenck solde

= LXXVI g: X stuv:”
Stadsrek. 1559/60.

»Durch bevell onser Burgermrn, Scepen ende Raet
vort Meisters van Sunter Claes gulde, laten slaan
seis (6) golden pennijngen, die etlicken vrunden tot
eer, beist ende waelvaert onser stadt geschenckt sijn,
belopende aen fijn golt Ie. LXXXI g: br: VIII st:
br: = IIIIe VIII g: III stuv:”
Na de bemoeijingen die de groote regtsgeleerde
Elbert die Leeuwe (Leoninus) te Leuven gedaan
had in 1563, toen de muntgeregtigdheid van Nijmegen
werd bestreden, (2) ontving hij daarvoor van de re
gering van Nijmegen twee gouden penningen. (3)
Later vond ik vermeld:

Stadsrek. 1576, 4a post Scholastice (15 Feb.)
»Die verehronge den weerdigen Heere President
gedaen van een golden penninck van sess und soe
ventich Carolus gulden is geaccordiert, oick die ge
schencken und verteerde kosten.”
(1) Jasper Fleming of Flemijnck, cok wel Vleming.
(2) Zie Nijhoff. Bijdragen, dl. IV, bl. 294.
(3) Stadsrek. 1563.

13

Stadsrek. 1581, 20 October.

»Is geaccordiert umb den Herr Canceler te ver
ehren mit enen golden penningh in grote van enen
Nijmeegschen daler.”
Stadsrek. 1592, 20 October.

»Tot beter directie van saken deser stadt is bij
mijn Heeren geresolveert den advocaat van Hollandt,
Barnefelt met einen silveren vergulden cop mit der
stadtswapen versiert te verehren tott welcken eijnde
besichtigt sal worden sekeren beker tott Amsterdam

itzonders te coop te sijn, ende so sij bevonden wurdt
bestant te wesen om der stadt ehren te bewaeren

datt denselven daartoe gecocht en geëmploijeert sall
worden.

Insgelicken' ten selven effecte goetgevonden den
Secretaris van sijne Excie Mijlandt, den Secretaris
van Heeren Staten-Generael, ende beijde de Secre
tariën van Raede van State ieder mitt eenen fraaijen
golden penning van omtrent dertich gulde en mitt
deser stadt waepen versiert, te verehren.”
Deze gift schijnt men niet voldoende te hebben
bevonden, en werd dus besloten volgens
Raadsbesluit 14 November 1592

»den advocaat van Hollandt, Barnefelt, te

verehren

mitt eenen silveren vergulden cop van 19 oncen en
een paar golde brasseletten voor sijnder huijsvrouwe,
insgelicken den Heere Cantzler, Leoninus mitt eenen

14

vergulden cop van omtrent 14 once, en soe noodich
mitt eenige Rosenobels gevoedert.
Item den Secretaris van Zijne Excie. Mijlander,
den. Secretaris van Heeren Staten-Generael, Aerssens
en een van de Secretarissen van den Raede van

State ieder mitt eenen golden penning van omtrent
viertich gulden op de forme van den stads Rijcxs
daler (1) off inn plaatse van dien, mitt eenige andere
fraaije goude medaille van die selve weerde.”
De laatste vermelding van Nijmeegsche vereering
penningen die ik aantrof, is op het jaar 1602, en
bestaat in het navolgende:
Raadsbesluit 1602, 29 Januarij.
»Is goedgevonden eenen stempel te doen maken
van Munte om eenig gouden penningen te doen maken
waarmede bij voorvallende gelegentheit eenige voor
name persoon, daarvan de stadt dienst gehad of vol
gens nog te verwagten heeft, te vereeren, daarop

den stadt Muntmeester gelast sal worden.”
Raadsbesluit, 1602, 12 Junij.

»Is geresolveert dat den Heer Advocaat Barnevelt
voor goede officie deser stadt gedaen eensamentlijk
den Griffier Ampzens, tegenwoordig vereert zullen
worden ieder met eene medaillie van goud ende
van sylver over de hondert gulden weert.”

(1) Verkade. Muntboek, pl. 21, n°. 2 van 1577. Komt ook voor
met de jaartallen 1582, 1583, 1602.

15

2 December 1602.

»Is nader geresolveert om verscheijden respecten
ende consideratiën, sijne Excell. metter aller eersten
te beschencken met drie hondert golt gulden in specie
van de Munte deser stadt.

Ende den Raatsheer Brunnicks om gelijke consi
deratiën nevens eenen golden penninck met een pensie

van hondert golt gulden jaarlijks zijn leven lang,
ende den Secretaris Melander met gelijke pensioen,
ingaande Augusto.”
-

27 December 1602.

»Den Raatsheer van Sijne Excie. Werrestein toe
gelegd een golde penninck van 100 gl.”

Men ziet, talrijk waren de vereering-medaillen
door de stad Nijmegen geschonken. Van de gouden
is geene tot onze kennis gekomen. Eene zilveren
meen ik terug te vinden in het hoogst zeldzame
stuk, afgebeeld in het 3e deel van de Histori der
Nederlandsche Vorsten, door Frans van Mieris;

's Hage 1732-1735, op pag. 219.

Voorzijde het wapenschild van Nijmegen, hangende
aan een door den keizerlijken kroon gedekten en

met rijke lambrekijns versierden helm, in parelrand;
(Roset) NovIMAG. BATAvoR. CAPVT. SEDESQ. REGIA. ET.
POSTEA.

FRANC.

REG.

16

hetwelk op de keerzijde wordt vervolgd met:
NEC. NON. REGALIS,

IMPERI. SEDES. A.

CAROLO. MAG. CON

STITvTA. (roset.)

Karel de Groote, zittende op den troon, het hoofd
gedekt door een kroon, in de regterhand houdt hij
een opgeheven scepter, de linkerhand steunt op zijne
knie en draagt den rijks appel, het geheel mede
door een parelrand omvat, (1)
De bewerking van deze penning heeft eene groote
gelijkenis met die van de munten te Nijmegen, in
1602 geslagen. Ik meen dus aan te mogen nemen,
het stuk ongeveer dien tijd werd geslagen.

(1) Naar een exemplaar, wegende 51 wigtjes, in mijne verzameling.

Related Interests