You are on page 1of 4

Verantwoording muziek

Welke
vakdidactiek
gebruik je?

Waarom
gebruik je deze
vakdidactiek?

Ik heb ervoor gekozen om de weggeefmethode te gebruiken in mijn
les muziek. Daarbij maak ik gebruik van een aantal stappen om het
lied te introduceren en zorg ik ervoor dat ik het lied aanbied in een
betekenisvolle context. Ik heb gekeken naar de beginsituatie van de
leerlingen en omdat de leerlingen nog niet veel ervaring hebben met
muzieklessen kwam ik uit bij kerndoel 54: De leerlingen leren
beelden, muziek, taal, spel en beweging te gebruiken,
om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te
communiceren. De leerlijn die erbij past is: zingen; eenstemmige,
korte en ritmisch eenvoudige liedjes, verbonden met het thema of
onderwerp. Ik kies er daarom voor om een kort liedje aan te leren
waar veel herhaling in zit en wat goed aansluit bij de belevingswereld
van de leerlingen in groep 3.
Tijdens het aanleren van een lied is de rol van de leraar erg
belangrijk. Als leerkracht moet je ervoor zorgen dat de leerlingen
tegelijk beginnen, gelijk eindigen en in het juiste tempo zingen.
Oftewel: je geeft leiding tijdens het zingen. Zingen met een groep is
een sterk geleide activiteit. Alle onderdelen van de les zul je goed in
je hoofd moeten hebben en beheersen. Een uitgangspunt is van
fundamenteel belang: als de groep zingt is de leraar stil. Vanaf groep
3 zingt de leraar tijdens het aanleren van een lied niet meer met de
groep mee.
Dit is erg belangrijk om twee redenen:
- Het doel van het aanleren van liederen is dat de kinderen
zelfstandig leren zingen. Als je als leerkracht voortdurend meezingt,
blijven de leerlingen afhankelijk van jouw stem.
- Als je zelf meezingt, kun je nooit goed horen waar de kinderen
fouten maken of waar het minder fraai klinkt. Het gevolg hiervan is
dat de fouten ‘inslijpen’ en dat er niet of nauwelijks aan de kwaliteit
van het zingen wordt gewerkt.
Ik heb er daarom voor gekozen om een lied aan te leren via de fasen
die volgens Van der Lei (2015) het meest efficiënt zijn voor het
aanleren van een liedje. Er zijn drie fasen: inleiding, aanleren en
uitbreiding.
Tijdens de inleiding kies ik ervoor om het lied in een betekenisvolle
context te plaatsen. De meeste leerlingen zullen al eens in de
dierentuin geweest zijn, of er in ieder geval over gehoord hebben. Ik
kies hierdoor een onderwerp wat de leerlingen boeit en wat in de
belevingswereld van de leerlingen is. Bij het aanleren is het van
belang om een goed klinkend voorbeeld te geven: op de juiste
toonhoogte, in het juiste tempo, duidelijk verstaanbaar, zuiver, in het
correcte ritme en met een verzorgd stemgebruik (Lei, 2015).
Ik heb voor de leerlijn zingen gekozen omdat zingen de muzikale
ontwikkeling van kinderen bevordert. Kinderen luisteren naar een
liedje en proberen dat na te zingen. Onbewust leren ze diverse
melodieën en intervallen steeds zuiverder te zingen. Ook ervaren ze
de verschillen in langzame en snelle passages en lange en korte
tonen. Ze gaan onderscheid maken in verschillende stemmen en
gaan merken dat ze hard en zacht kunnen zingen. De leerlingen doen
op deze manier allerlei muzikale ervaringen op. Daarnaast stimuleert
zingen het muzikaal voorstellingsvermogen en het muzikaal
geheugen van kinderen. (Van der Lei, Haverkort & Noordam, 2015)
Doordat de leerlingen in groep 3 nog niet kunnen lezen, moeten ze
het liedje puur op geheugen zingen. Hoe meer informatie in het

Welke
leertheorie
gebruik je?

Waarom
gebruik je deze
leertheorie?

Welke
ontwerptheorie
gebruik je?

muzikaal geheugen opgeslagen is, des te beter de kinderen in staat
zijn om hun voorstellingsvermogen te gebruiken. Trainor en Corrigal
(2010) hebben onderzoek gedaan naar het muzikaal
voorstellingsvermogen van kinderen. Het bleek dat kinderen van een
jaar of vijf al in staat zijn om verschillende toonladders te
onderscheiden en verschillende samenklanken te herkennen.
Wat ook erg belangrijk is tijdens de muziekles is dat zingen bijdraagt
aan de taalontwikkeling. Het verwerven van nieuwe woorden beperkt
zich niet tot de taallessen, maar kinderen leren de hele dag door
nieuwe woorden. Van der Lei, Haverkort en Noordam (2015) stellen
dat we weten dat woorden pas worden opgeslagen in het mentaal
lexicon wanneer leerlingen ze diverse malen in verschillende
contexten zijn tegengekomen. Het zingen van liedteksten biedt een
motiverende context voor het leren van woorden en de noodzakelijke
herhaling.
In mijn les heb ik gebruik gemaakt van de sociaal-cognitieve
leertheorie van Bandura. Hendriksen (2011) zegt dat Bandura ervan
uit gaat dat er bij het leren sprake is van een interactie tussen: de
omgeving, de persoonlijke factoren en het gedrag van de lerende. Bij
de persoonlijke factoren gaat het om het vermogen om te kunnen
leren door ervaringen en door het observeren van het handelen van
anderen. Kinderen leren volgens Bandura door veel gedrag te
observeren. Zij zien gedragingen van andere personen in hun
omgeving. Die anderen staan als het ware model voor het gedrag
van het kind, dat dit gedrag imiteert. Dit proces noemt Bandura
modelling.
Ik gebruik deze leertheorie in mijn les omdat ik de leerlingen een
liedje aanleer. Ze leren op deze manier door mij te observeren en
door de omgeving. Eerst luisteren ze naar mij en naar het liedje. Ze
doen mij na en luisteren goed naar de tekst. Daarna zing ik het liedje
en zij proberen het na te zingen. Wanneer ik het liedje alleen opzet
en zelf niet mee zing is de kans klein dat ze het liedje eigen gaan
maken en het ook mee gaan zingen. Wanneer ik enthousiast voor de
klas sta, alles mee zing en hun enthousiasmeer om mee te zingen is
die kans veel groter. Als het ware sta ik model voor de leerlingen in
de klas. Ze imiteren mijn gedrag. Daarbij komt dat de omgeving hier
ook invloed op heeft. Er zullen leerlingen zijn die niet durven mee te
zingen terwijl ze dit wel graag zouden willen. Als hun omgeving (dus
de rest van de klas) wel mee zingt en zij zien dit, dan wordt het voor
hun vanzelf makkelijk. Eigenlijk is de rest van de klas ook een beetje
degene die geobserveerd worden in dit opzicht. Als ze zien dat
andere leerlingen het ook doen (dus ze observeren hen) doen zij het
waarschijnlijk ook!
Bij het ontwerpen van deze les heb ik gebruik gemaakt van het
Klank-Vorm-Betekenismodel. (Van der Lei, Haverkort & Noordam,
2015)
Het KVB-model bestaat uit drie aspecten. Onder het begrip ‘klank’
vallen de verschillende klankeigenschappen als klankduur,
klankhoogte, klanksterkte en klankkleur. Onder het begrip ‘vorm’
vallen vormprincipes als herhaling, contrast en variatie, maar ook
muziekstructureringen zoals compositievormen. Onder ‘betekenis’
wordt het verschijnsel begrepen dat muziek iets met mensen doet en
dat mensen iets met muziek doen.
Deze drie aspecten zijn van belang bij het aanbieden van een liedje.
De leerlingen ervaren, verkennen en worden bewust van de
begrippen die onder klank vallen, zoals klankduur en klankhoogte. Bij

Waarom
gebruik je deze
ontwerptheorie
?

de vorm is het belangrijk dat er gekeken wordt naar hoe het
muziekstuk eruitziet, hoe vaak wordt iets herhaald. En bij betekenis
ga ik met de leerlingen kijken wat de betekenis van het liedje is.
Naast het KVB-model heb ik ervoor gekozen om ook de
ontwerptheorie van de Munnik en Vreugdenhil (2012) te gebruiken.
In het schema ‘onderwijs’ ontwerpen wordt gebruik gemaakt van drie
componenten: leerstof, leerling en leerwereld. Elk van deze
componenten zou in een goede serie samenhangende lessen aan
bod moeten komen. Het zou zelfs in één les kunnen. Een route
tussen die drie componenten is cruciaal voor het behalen van de
leerdoelen. De didactische route heb ik hieronder in een schema
uitgewerkt.
Ik heb ervoor gekozen om dit model te gebruiken in mijn les omdat ik
het erg belangrijk vind om een liedje op meerdere manieren te
bekijken. Ik ga met de leerlingen naar de betekenis van het liedje
kijken door middel van het verhaaltje als introductie. Ik vertel dat ik
een aantal problemen tegenkwam toen ik in de dierentuin was,
waardoor de leerlingen erover na gaan denken wat er in het liedje
gebeurt. Vervolgens gaan we verder met de klank van het liedje. Ik
wil de focus gaan leggen op de klankduur in het liedje. Ik wil met de
leerlingen gaan kijken of ze kunnen vertellen welke woordjes/noten
er langer duren omdat ze zo bewust op de klankduur gaan letten. Als
laatste gaan we kijken naar de vorm. Ik ga het liedje een paar keer
voorzingen en ga dan aan de leerlingen vragen of ze stukjes vaker
terug horen komen. Op deze manier gaan we bewuster naar het
liedje luisteren en analyseren ze de vorm ervan. Herhaling is erg
belangrijk in een liedje. Intensief luisteren naar muziek zou een
vermoeiende bezigheid zijn als er steeds iets nieuws zou klinken en
er nooit iets werd herhaald. Herhaling geef rust. (Van der Lei,
Haverkort & Noordam, 2015) In muziek kun je in feite alles herhalen,
een motief, een thema, een melodie, een couplet of een refrein.
Ik heb ervoor gekozen om binnen de componenten: leerstof, leerling
en leerwereld in te gaan op de volgende factoren: luisteren, vragen
stellen, kijken, meedoen en uitbeelden. Ik begin de les met de
componenten leerstof en leerling. Ik begin de les met het stellen van
een aantal vragen zodat de leerlingen gericht gaan luisteren naar het
liedje. Vervolgens gaan de leerlingen luisteren en kijken naar hoe ik
het liedje ga zingen. Dan zijn ze bezig met het opnemen hiervan. Als
ze het liedje een aantal keer hebben gehoord, gaan ze meedoen. Dit
sluit aan bij leefwereld. De leerlingen mogen zelf aan de slag met het
liedje. In mijn les komen dus alle drie de componenten terug van de
ontwerptheorie van De Munnik en Vreugdenhil (2012).

Bibliografie
TULE. (z.d.). Inhouden & activiteiten. Geraadpleegd op 3 oktober 2016,
http://tule.slo.nl/index.html
Lei, R. van der, Cramer, N., Helmes, P., & Toenink, T. (2012, 12 januari). Kennisbasis
muziek op de Pabo. Geraadpleegd op 3 oktober 2016,
https://www.10voordeleraar.nl/documents/documenten/kennisbases_pabo/advies_kb_muzi
ek.pdf
Munnik, C. de, & Vreugdenhil, K. (2012). Ontwerpen van onderwijs (4e ed.).
Groningen/Houten, Nederland: Noordhoff.
Hendriksen, J. L. N. (2011) Het verhaal van het kind. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff.

Lei, R. van der, Haverkort, F., & Noordam, L. (2015). Muziekmeester! (4e ed.). Amersfoort,
Nederland: ThiemeMeulenhoff.

Didactische route

Leerstof

Leerling

Leefwereld

Verhaal vertellen over
dierentuin.
Vragen stellen.

Liedje voorzingen.
Leerlingen kijken en luisteren
mee.
Het liedje zingen.
Leerlingen doen mee en
beleven.

Leerlingen verwerken en we
evalueren de les.