You are on page 1of 24

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

119

7 De algemene relativiteitstheorie
Ruimtetijd is een variteit die ontinu en dierentieerbaar is. Dat betekent dat we bijvoorbeeld
een s alairveld kunnen deniren, waarvan dan op elk punt de afgeleiden bepaald kunnen worden.
Het betekent ook dat we 1-vormen en ve toren kunnen deniren en op een bepaald punt P van
de variteit zijn de elementen van de verzameling {, } de omponenten van de 1-vorm. Elke
verzameling van de vorm {a, + b, }, met a en b fun ties, is ook een 1-vorm. Elke urve (met
als argument
parameter ) heeft een raakve tor V~ en dat is een lineaire fun tie die een 1-vorm d
neemt en de afgeleide van langs de urve produ eert,
V~ >= V
= d .
~ (d)
< d,
d

(306)

Elke lineaire ombinatie van ve toren is ook weer een ve tor. Gebruikmakend van de op deze
manier gedenieerde
ve toren en 1-vormen, kunnen


 we een hele verzameling tensoren van het
M
0
opbouwen. Omdat we nog geen 2 tensor gekozen hebben om dienst te doen
type N
als metriek, is er nog geen orrespondentie tussen 1-vormen en ve toren. We zeggen dat de
verzameling van alle tensoren deel uitmaakt van de dierentiaalstru tuur van de variteit.
Voordat we verder gaan, vatten we de regels van tensoralgebra nog eens samen.
1. Een tensorveld denieert een tensor op elk punt P van de variteit.
2. Ve toren en 1-vormen zijn lineaire operatoren op elkaar en produ eren rele getallen. Li~ >= a < p, V
~ > +b < p, W
~ >, en < a
neair betekent dat < p, aV~ + bW
p + b
q, V~ >= a <
~ > +b < q, V
~ > +b < q, V~ >, met a en b willekeurige s alaire velden.
p, V
3. Tensoren zijn op dezelfde manier lineaire operatoren op 1-vormen en ve toren, en produ eren rele getallen.
4. Als twee tensoren van hetzelfde type dezelfde omponenten hebben op een gegeven basis,
dan hebben ze dezelfde omponenten op alle bases en zeggen we dat ze identiek zijn. In
het bijzonder, als de omponenten van een tensor voor een bepaalde basis nul zijn, dan is
de tensor gelijk aan nul.
5. Er is een aantal toegestane operaties met omponenten van tensorvelden. Dergelijke operaties produ eren nieuwe tensoren.
(a) Vermenigvuldigen met een s alairveld produ eert een tensor van hetzelfde type.
(b) Optellen van de omponenten van twee tensoren van hetzelfde type geeft de omponenten van een nieuwe tensor van hetzelfde type. Alleen tensoren van hetzelfde type
kunnen gelijk zijn aan elkaar.
( ) Vermenigvuldigen van omponenten van twee tensoren van willekeurig type geeft omponenten van een nieuwe tensor die de som is van de typen, het tensorprodu t van de
twee tensoren.


N
geeft de
(d) De ovariante afgeleide van de omponenten van een tensor van type M
omponenten van een tensor van het type

N
M +1

(e) Contra tie


van een paar indi es van de omponenten van een tensor van het type


N
N 1
produ eert omponenten van een tensor van het type M
. Contra tie
M
1
is alleen gedenieerd tussen boven en beneden indi es.
6. Als een vergelijking gevormd wordt door het ombineren van omponenten van tensoren,
terwijl we alleen gebruik maken van toegestane tensorbewerkingen, en als deze vergelijking
geldig is in n basis, dan is hij geldig in alle bases.

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE
7.1

120

Pseudo-riemannse variteit

Een dierentieerbare variteit is een primitieve amorfe verzameling van punten (puntgebeurtenissen voor het geval van ruimtetijd). Lokaal zijn de punten gerangs hikt als punten in een eu lidis he ruimte, maar we hebben geen afstands on ept gespe i eerd. Het is absoluut ru iaal
dat we een metriek g toevoegen, die de informatie bevat over hoe snel klokken lopen en wat de
afstanden zijn tussen punten.

Op het aardoppervlak zouden we een metriek bepalen door kleine ve toren P op het aardoppervlak te tekenen. Vervolgens zeggen we dat de lengte van de ve tor gegeven wordt door het
inprodu t
2

P P P = (lengte van P)2 ,

(307)

en gebruiken we een meetlat om dit te bepalen. We hebben nu een denitie van het inprodu t
van een ve tor voor een kleine ve tor met zi hzelf. We gebruiken lineariteit om naar ma ros opis he ve toren te gaan. Vervolgens kunnen we een denitie krijgen voor het inprodu t van twee
vers hillende ve toren door gebruik te maken van
i
1h ~ ~ 2
2
~
~
~
~
AB =
(A + B) (A B) .
4

(308)

Kortom, als je een afstands on ept hebt (een meetlat op het oppervlak van de aarde), dan kun
~ B)
~
je een inprodu t vinden, en hieruit volgt de metriek (want dat is niets anders dan g(A,
~
~
~
~
(A B) = g(B, A). De metris he tensor is symmetris h.). Een dierentieerbare variteit met als
extra stru tuur een metriek, noemen we een riemannse variteit.

raakvlak

P
h

R a

Figuur 47: Links: op elk punt P van het oppervlak van de aarde bevindt zi h een raakruimte
(in dit geval een raakvlak); re hts: het raakvlak is een goede afbeelding in de nabijheid van punt
P.

We willen nu een metriek toekennen aan ruimtetijd. Hiertoe introdu eren we een lokaal lorentzframe (LLF). Dat doen we door op punt P in vrije val te gaan. Het equivalentieprin ipe
zegt dan dat alle ee ten van gravitatie verdwijnen en dat we lokaal de metriek van de spe iale relativiteitstheorie vinden. Dat is de minkowskimetriek. We kunnen op elk punt P van
de variteit een ordinatenstelsel kiezen, waarin de minkowskimetriek geldt. Terwijl dit in de
SRT ook een globaal ordinatenstelsel kan zijn, is dat alleen lokaal mogelijk in de algemene

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

121

relativiteitstheorie. Hiermee hebben we op elk punt P een denitie van lengte gevonden: met
g = ds2 = dx dx . In essentie bedrijven we nu SRT op punt P en hebben we
een maat om lengten van staven en eigentijden van ideale klokken te bepalen. In een LLF wordt
de metriek gegeven door = diag(1, +1, +1, +1). Voor een riemannse variteit dienen alle
diagonale elementen positief te zijn. De signatuur (de som van de elementen op de diagonaal)
van de metriek van ruimtetijd is +2, en we spreken van een pseudo-riemannse variteit.
Stel we brengen een ordinatenstelsel op het aardoppervlak aan met longitude en latitude. Als
we naar het oppervlak van de aarde kijken, dan zien we dat hoe di hter we in de buurt van
een punt P blijven, hoe artesis her dit referentiesysteem er lokaal uit ziet. Afwijkingen van
artesis he ordinaten treden op in tweede orde in de afstand x tot het punt P . Wiskundig
betekent dit dat geldt
gjk = jk + O

|~x|2
R2

(309)

met R de straal van de aarde. Een eenvoudige manier om dit te zien is door het raakvlak op punt
P te onstrueren. Fig. 47 toont dat als ~x de positieve tor is van een punt ten opzi hte van P , dan
2
komt dat overeen met cos |~x| op het raakvlak. Een reeksontwikkeling levert cos x = 1 x2 + ....
Dit heeft tot onsequentie dat als men alleen naar eerste-orde afgeleiden kijkt, men geen enkele
invloed van de kromming van de aarde ziet. Alleen als we tweede-orde afgeleiden nemen, beginnen
we de kromming waar te nemen.
Hetzelfde geldt voor ruimtetijd. In een gekromde ruimtetijd kunnen we geen globaal lorentzframe vinden waarvoor g = . Het is e hter wel mogelijk om ordinaten te kiezen, zodat
in de nabijheid van P deze gelijkheid bijna geldig is. Dat wordt mogelijk gemaakt door het
equivalentieprin ipe. Dit is de pre ieze denitie van een lokaal lorentzframe en voor een dergelijk
ordinatenstelstel geldt
g (P) =

x g (P)
2
x x g (P)

= 0

voor alle , ;
voor alle , , ;

(310)

6= 0.

Het bestaan van lokale lorentzframes drukt uit dat elke gekromde ruimtetijd op elk punt een
vlakke raakruimte heeft. Alle tensormanipulaties die we uitvoeren spelen zi h in deze raakruimte
af. Bovenstaande uitdrukkingen vormen de wiskundige formulering van het feit dat het equivalentieprin ipe ons toestaat om op punt P een LLF te kiezen.
De metriek maakt het mogelijk om de lengte van een kromme te deniren. Als d~x een kleine
ve torverplaatsing op een urve is, dan is de gekwadrateerde lengte gelijk aan ds2 = g dx dx
(we noemen dit het lijnelement). Een maat voor de lengte wordt gevonden door hiervan de
1
absolute waarde te nemen en dan de wortel te trekken. Dat geeft dl |g dx dx | 2 . Integratie
geeft dan de totale lengte en we vinden
l=

langs de curve


1 Z

2
g dx dx =

2

g dx dx d,

d d

(311)

waarbij de parameter van de urve is. De urve heeft als eindpunten 0 en 1 . De raakve tor
~ van de urve heeft omponenten V = dx /d en hiermee vinden we
V
Z 1
1
~ ~ 2
l=
(312)
V V d
0

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

122

voor de lengte van een willekeurige urve.


Ook het berekenen van volumes is belangrijk als we integraties uitvoeren in ruimtetijd. Met
volume bedoelen we hier een vier-dimensionaal volume. Stel we bevinden ons in een LLF en
hebben er een volume element dx0 dx1 dx2 dx3 , met ordinaten {x } in de lokale lorentzmetriek
. Transformatietheorie zegt dan dat
dx0 dx1 dx2 dx3 =

(x0 , x1 , x2 , x3 )
0
1
2
3

dx dx dx dx ,
0
1
2
3
(x , x , x , x )

(313)

waarbij de fa tor ( )/( ) de ja obiaan van de transformatie van {x } naar {x } is. Dit
hadden we reeds besproken in hoofdstuk 4.4 en er geldt

(x0 , x1 , x2 , x3 )
(x0 , x1 , x2 , x3 )

= det

x0
x01
x
x0

...

x0
x11
x
x1

...

...


... = det .
...

(314)

De berekening van deze determinant is nogal omsla htig en het kan eenvoudiger door te beseen
dat in termen van matri es de transformatie van de omponenten van de metriek gegeven wordt
door de vergelijking (g) = ()()()T , waarbij met `T ' transponeren bedoeld wordt. Dan voldoen
de determinanten aan det(g) = det()det()det(T ). Voor elke matrix geldt det() = det(T )
en verder hebben we det() = 1. Hiermee vinden we dan det(g) = [det()]2 . We gebruiken
de notatie
g det(g )

(315)

det( ) = (g) 2

en vinden
1

1

dx0 dx1 dx2 dx3 = det (g ) 2 dx0 dx1 dx2 dx3 = (g) 2 dx0 dx1 dx2 dx3 .

(316)

Het is belangrijk om goed de redenatie te begrijpen die we gevolgd hebben om tot bovenstaand
resultaat te komen. We zijn gestart in een spe iaal ordinatenstelsel, het LLF, en hierin geldt
de minkowskimetriek. Vervolgens hebben we het resultaat gegeneraliseerd naar algemene ordinatenstelsels.
7.2

Tensoren en ovariante afgeleide

Stel we hebben een tensorveld T(_, _, _) met rang 3. Dit veld is een fun tie van lokatie en
denieert een tensor op elk punt P . We kunnen deze tensor expanderen in de basis {~e } en dat
geeft de (boven-) omponenten T . In het algemeen hebben we 64 termen voor ruimtetijd.
We kunnen de tensor T e hter ook expanderen in de duale basis {~e } en er geldt
T(_, _, _) T ~e ~e ~e = T ~e

~e

~e .

(317)

Als we de waarden van de omponenten willen berekenen dan wordt het volgende theorema
gebruikt,
T = T(~e , ~e , ~e ) en T = T(~e , ~e , ~e ).

(318)

Als we de omponenten van de tensor T in een of andere rangs hikking van boven- en benedenindi es hebben, en we willen de omponenten weten in een andere rangs hikking van indi es,
dan wordt de metriek gebruikt. Er geldt
T = T g g

en bijvoorbeeld ook

T = g T

(319)

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

123

Vervolgens willen we ontra tie bespreken. Dat is nogal ingewikkeld om te behandelen in onze
abstra te notatie. Gegeven een tensor R, kunnen we deze altijd s hrijven in termen van een
basis van ve toren als
~B
~ C
~ D
~ + ...
R(_, _, _, _) = A

(320)

We bespreken ontra tie alleen voor een tensorprodu t van ve toren en gebruiken lineariteit om
een wiskundige bes hrijving voor algemene tensoren te vinden. Voor ontra tie C13 van de eerste
met de derde index geldt
h
i
~ C)
~ B
~ D(
~ _, _).
~B
~ C
~ D(
~ _, _, _, _) (A
C13 A

(321)

~C
~ = A C ~e ~e = A C g = A C C13 R = R B
~ D.
~
A

(322)

We kunnen bovenstaande abstra te denitie in termen van omponenten s hrijven en vinden


~ een tensor A
~B
~
Op dezelfde manier als hierboven, zien we dat we uit twee ve toren A~ en B
~
~
kunnen onstrueren door er het tensorprodu t van te nemen, terwijl we een s alar A B kunnen
~ levert weer een
maken door hhet inprodu t
te nemen. De ontra tie van het tensorprodu t A~ B
i
~ =A
~B
~.
s alar op, C A~ B

Vanaf nu gaan we een vergelijking als R vanuit een ander gezi htspunt bekijken. We hebben
het steeds gezien als de omponenten van een tensor. Vanaf nu is onze interpretatie dat de indi es
, , en labels zijn van de sleuven van de abstra te tensor R. Dus met R bedoelen we
de abstra te tensor R(_, _, _, _) met eerste sleuf , tweede sleuf , enz.
Het bovenstaande rondt onze dis ussie over tensoralgebra af. In het volgende gaan we tensoranalyse bespreken. Dit doen we aan de hand van een tensorveld T(_, _) met rang 2, maar wat
we on luderen is geldig voor elk tensorveld. Het veld T is een fun tie van lokatie in de variteit,
~ aan de
T(P). We dierentiren T nu langs de urve P(). Op punt P wordt de raakve tor A
d
dP
urve gegeven door A~ = d = d . De afgeleide van T langs de urve (dus in de ri hting van
ve tor A~ ) wordt gegeven door
[T(P( + ))]k T(P())
A~ T = lim
.
0

(323)

Merk op dat de twee tensoren, T(P( + )) en T(P()), in twee vers hillende raakruimten
leven. Ze zijn bijna hetzelfde, omdat klein is, maar desalniettemin zijn het vers hillende
raakruimten. We hebben een manier nodig om de tensor T(P( + )) naar punt P te transporteren, waar we de afgeleide willen bepalen, zodat we de tensoren kunnen aftrekken. Wat we
nodig hebben wordt parallel transporteren van T(P( + )) genoemd.
In een gekromde variteit zien we de ee ten van kromming niet als we eerste-orde afgeleiden
nemen66 . Het parallel transporteren betekent dan hetzelfde als wat het betekent in een vlakke
66
We kunnen altijd een lokaal lorentzframe onstrueren, dat voldoende vlak is voor wat wij willen. In dat
systeem zijn de basisve toren onstant en hun afgeleiden nul in punt P . Dit is een denitie voor de ovariante
afgeleide. Deze denitie leidt er onmiddellijk toe dat de hristoelsymbolen gelijk zijn aan nul en dat in het LLF
geldt V ; = V , op punt P . Dit is natuurlijk waar voor elke tensor en ook voor de metriek, g; = g, = 0
op punt P . Omdat de vergelijking g; = 0 een tensorvergelijking is, is hij geldig in elke basis. Gegeven dat
= , vinden we weer dat voor elke metriek dient te gelden

1
g (g; + g, g, ).
2

(324)

Dus terwijl = 0 op P in het LLF, geldt dat niet voor de afgeleiden ervan, want die bevatten g, . Dus de
hristoelsymbolen zijn dan wel nul op punt P als we een LLF kiezen, maar vers hillen in het algemeen van nul
in de omgeving van dit punt. Het vers hil tussen een gekromde en een vlakke variteit manifesteert zi h dus in
de afgeleiden van de hristoelsymbolen.

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

124

ruimte: de omponenten veranderen niet door het transporteren. We hebben dus met vergelijking
(323) een uitdrukking voor de afgeleide gevonden. De originele tensor T(_, _) heeft twee sleuven,
en dat is ook zo voor de afgeleide A~ T(_, _), want volgens vergelijking (323) is de afgeleide
niets anders dan het vers hil van twee tensoren T op vers hillende punten, en dan gedeeld door
de afstand .
Als volgende stap kunnen we nu het on ept gradint invoeren. We merken op dat de afgeleide
~ . Dat betekent dat er een rang-3 tensor T(_, _, A)
~ bestaat,
A~ T(_, _) lineair is in de ve tor A
zodanig, dat geldt
~
A~ T(_, _) T(_, _, A).

(325)

Dit is de denitie van de gradint van T. Het laatste slot wordt per onventie gebruikt als het
dierentiatieslot. De gradint van T is een lineaire fun tie van ve toren en heeft n sleuf meer
dan T zelf, en heeft verder de eigens hap dat als je A~ in de laatste sleuf stopt, je de afgeleide
van T krijgt in de ri hting van A~ . We deniren de omponenten van de gradint als
(326)

T T ; ~e ~e ~e .

Het is een onventie om de dierentiatie index beneden te plaatsen. Merk verder op dat je
deze dierentiatie index naar boven of beneden kunt halen net als elke andere index. Verder
orrespondeert alles dat na de puntkomma komt met een gradint. De omponenten van de
gradint zijn in dit geval T ; .
Hoe berekenen we de omponenten van een gradint? Het gereeds hap hiervoor zijn de zogenaamde onne tie o inten67 . Die o inten worden zo genoemd, omdat bij het nemen
van de afgeleide we het tensorveld in twee vers hillende raakruimten moeten vergelijken. De
onne tie o inten geven ons informatie over hoe de basisve toren veranderen tussen beide
naburige raakruimten. Omdat we een basis hebben in punt P , kunnen we ons afvragen wat de
afgeleide is van ~e in de ri hting van ~e . Er geldt
(327)

~e ~e ~e .

Deze afgeleide is zelf ook een ve tor en we kunnen deze dus expanderen in onze basis op punt P
waar we de afgeleide willen weten. De expansie o inten zijn ~e . Evenzo geldt
(328)

~e ~e = ~e .

Merk op dat we nu een minteken krijgen! De onne tie o inten vertellen je hoe de basisve toren van plaats tot plaats veranderen. Dus als je de omponenten van een gradint wilt weten,
bijvoorbeeld T ; , dan moet je orre ties maken voor het feit dat de basisve toren veranderen.
De tensor T is zelf miss hien onstant en alleen de basisve toren hangen van de positie af. Het
blijkt dat (zie ook vergelijking (285))
T ; = T , + T T , waarbij T , = ~e T =


T .
x

(329)

Als we de metriek g kennen, dan kunnen we de hristoelsymbolen uitrekenen, en daarmee alle


ovariante afgeleiden. Hiermee vinden we tenslotte weer de vergelijkingen
V ; = V , + V ,
P; = P, P ,
T ; = T , + T + T .
67

Deze staan ook bekend als de hristoelsymbolen.

(330)

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE
7.3

125

Geodeten en kromming

Als we sferis he ordinaten aanbrengen op een bol, en we volgen twee lijnen, die loodre ht op
de evenaar staan, in de ri hting van de noordpool, dan zien we dat de initieel parallelle lijnen
een snijpunt hebben op het gekromde oppervlak. Het vijfde postulaat van Eu lides geldt dus
niet in een gekromde ruimte: parallelle lijnen kunnen wel degelijk een snijpunt hebben.

Parallel transporteren van een ve tor V~ rond een driehoekig traje t PQRP uitgezet
op een bol. Door V~ te transporteren over de lus P QRP verkrijgt de eindve tor een rotatie ten
opzi hte van de beginve tor. De rotatiehoek is afhankelijk van de grootte van de lus, de gekozen
weg, en de kromming van de variteit.
Figuur 48:

Een andere illustratie van hoe kromming zi h manifesteert, en die miss hien nog doeltreender
is, wordt gegeven in Fig. 48. We beginnen in punt P met een raakve tor die in de horizontale
ri hting wijst. We nemen een kleine stap in de ri hting van Q en na elke stap proje teren we de
raakve tor weer op het lokale raakvlak. Dit is onze manier van parallel transporteren. Nadat we
het gesloten traje t PQRP hebben volbra ht, zien we dat de eindve tor niet meer parallel is aan
de initile ve tor. Dit gebeurt niet in een vlakke ruimte en is een ee t van de kromming van
de bol. De onsequentie is dat we op een gekromde variteit geen globale parallelle ve torvelden
kunnen deniren. Het resultaat van parallel transporteren hangt af van de gekozen weg en van
de grootte van de lus.
Teneinde een wiskundige bes hrijving te vinden, vatten we het interval PQ in Fig. 48 op als
een urve, en stellen we dat de parameter is van deze urve. Het ve torveld V~ is gedenieerd
~ = d~x/d is de raakve tor aan de urve. Parallel
op elk punt van de urve. De ve tor U
transporteren betekent dat in een lokaal inertiaal ordinatensysteem op punt P de omponenten
van V~ onstant moeten zijn langs de urve. Er geldt
dV
= U V , = U V ; = 0
d

op punt P.

(331)

De eerste gelijkheid is de denitie van de afgeleide van een fun tie (in dit geval V ) langs de
urve, de tweede gelijkheid komt van het feit dat = 0 op punt P in deze ordinaten. De
derde gelijkheid is e hter een frame-onafhankelijke uitdrukking en die is geldig in elke basis. We

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

126

nemen dit als de ordinatenstelsel onafhankelijke denitie van het parallelle transport van V~
~ . Een ve tor V
~ wordt dus parallel getransporteerd langs een urve met parameter als
langs U
geldt
U V ; = 0

d ~
~ = 0.
V = U~ V
d

(332)

~.
De laatste stap maakt gebruik van de notatie voor de ri htingsafgeleide langs U

De belangrijkste urven in een gekromde ruimte zijn de geodeten. Geodeten zijn lijnen die (zo
~ van deze lijnen
re ht als mogelijk is) zijn getrokken, met als voorwaarde dat de raakve toren U
parallel getransporteerd worden. Voor een geodeet geldt dus
~ = 0.
U~ U

(333)

Merk op dat in een LLF deze lijnen inderdaad re ht zijn. Voor de omponenten geldt
U U ; = U U , + U U = 0.

(334)

Als de parameter van de urve is, dan geldt U = dx /d en U /x = d/d. Hiermee


vinden we
d
d

dx
d

dx dx
= 0.
d d

(335)

Omdat de hristoelsymbolen bekende fun ties van de ordinaten {x } zijn, is dit een verzameling niet-lineaire tweede-orde dierentiaalvergelijkingen voor x (). Deze heeft een unieke
oplossing als de initile ondities voor = 0 worden gegeven: x0 = x (0 ) en U0 = (dx /d)0 .
Dus door het geven van een beginpositie (x0 ) en een beginsnelheid (U0 ), verkrijgen we een unieke
geodeet.
Door de parameter te veranderen, veranderen we wiskundig de urve (maar niet het pad). Als
een parameter van de geodeet is, en we deniren een nieuwe parameter = a + b, met a en
b onstanten, die dus niet van de positie op de urve afhangen, dan geldt voor ook

d2 x
dx dx
= 0.
+

d2
d d

(336)

Alleen lineaire transformaties van geven nieuwe parameters die voldoen aan de geodetenvergelijking. We noemen de parameters en ane parameters. Tenslotte merken we op dat
een geodeet ook een urve is met een extreme lengte (minimale lengte tussen twee punten). We
kunnen de vergelijking voor een geodeet dus ook vinden met de Euler-Lagrange vergelijkingen.
Hierbij gaan we uit van vergelijking (203), waarbij we de minkowskimetriek vervangen door
g . Ook kunnen we aantonen dat de lengte ds langs de urve een ane parameter is.
7.4

Kromming en de riemanntensor

~ . De ve toren zijn z klein, dat de kromming


In Fig. 49 tonen we twee ve torenvelden A~ en B
van de variteit geen rol speelt in het gebied waar dit diagram getekend is. We kunnen daarmee
aannemen dat de ve toren op het oppervlak liggen in plaats van in de raakruimte. Teneinde de
~ B]
~ uit te kunnen rekenen, gebruiken we een lokaal orthonormaal ordinaten ommutator [A,
systeem. Omdat we een ve tor kunnen opvatten als een ri htingsafgeleide, stelt A B /x de
~ verandert als die langs A
~ verplaatst wordt (dat is de korte
grootte voor waarmee de ve tor B
gestreepte lijn re htsboven in Fig 49). Evenzo is B A /x de verandering van A~ als die

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

127

~ B]
~ van twee ve torvelden. We nemen aan dat de ve toren klein
De ommutator [A,
zijn, zodat de kromming het toelaat dat ze in de variteit liggen.
Figuur 49:

~ verplaatst wordt (dat is de andere korte gestreepte lijn). Voor de omponenten van de
langs B
ommutator in een ordinatenstelsel geldt


~ B]
~ = A , B
[A,
x
x

B
A
x


A
B
x

.
x

(337)

~ B]
~ het vers hil van de twee gestreepte
Volgens bovenstaande vergelijking is de ommutator [A,
lijnen in Fig. 49. Het is het vijfde lijnsegment dat nodig is om de vierhoek te sluiten (dat is
de geometris he betekenis van de ommutator). Vergelijking (337) is een operatorvergelijking,
waarbij de uiteindelijke afgeleide opereert op een s alairveld (net als in de quantumme hani a).
We vinden hiermee meteen de omponenten van de ommutator in een willekeurig ordinatenstelsel: A B , B A, . De ommutator is nuttig om onders heid te kunnen maken tussen een
ordinatenbasis en een niet- ordinatenbasis (ook wel niet-holonomis he basis genoemd)68 .

In de dis ussie die leidde tot vergelijking (310), zagen we dat de ee ten van kromming merkbaar
worden als we tweede-orde afgeleiden (of gradinten) nemen van de metriek. De krommingstensor
van Riemann is een maat voor het falen van dubbele gradinten om te sluiten. Neem een
ve torveld A~ en neem er de dubbele gradinten van. Dan vinden we
A; A; = [ , ]A R A .

(338)

Deze vergelijking kan gezien worden als de denitie van de riemanntensor. De riemanntensor
geeft de ommutator van ovariante afgeleiden. Dit betekent dat we in gekromde ruimtetijd
voorzi htig moeten zijn met de volgorde waarin we ovariante afgeleiden nemen: ze ommuteren
namelijk niet. We kunnen vergelijking (784) uitwerken door te beginnen met de denitie van de
ovariante afgeleide,
A; =

(A; ) (A; ) (A; ) en A; = A, A .


x

(339)

68
In een ordinatenbasis worden de basisve toren gegeven door de partile afgeleiden, ~e = /x , en omdat

partile afgeleiden ommuteren, moet gelden [~e , ~e ] = 0. In een niet- ordinatenbasis geldt [~e , ~e ] = C
~e , met

C de zogenaamde ommutatie o inten. Een ordinatenbasis is handig voor het doen van berekeningen,
terwijl een niet- ordinatenbasis nuttig kan zijn voor de interpretatie van gegevens.

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

128

We dienen nu een en ander te dierentiren, indi es te manipuleren, et . Uiteindelijk vinden we


A; A; =

+
x
x

V = R V .

(340)

De riemanntensor vertelt ons hoe een ve torveld verandert langs een gesloten pad. We kunnen
vergelijking (324) gebruiken om de riemanntensor in een LLF te s hrijven als
1
R = g (g, g, + g, g, ) .
2

(341)

We zien dat de metris he tensor g de informatie over de intrinsieke kromming bevat69 . Deze
kromming wordt manifest als we tweede-orde afgeleiden van de metriek nemen. Met R
g R en bovenstaande relatie, kunnen we een aantal belangrijke eigens happen van de riemanntensor bewijzen. De riemanntensor is
antisymmetris h in de laatste twee indi es. Er geldt
~ B)
~ = R(_, _, B,
~ A)
~
R(_, _, A,

R = R .

(342)

of

R = R .

(343)

of

R = R .

(344)

of

Antisymmetris h in de eerste twee indi es. Er geldt


~ B,
~ _, _) = R(B,
~ A,
~ _, _)
R(A,
De tensor is symmetris h.
~ B,
~ C,
~ D)
~ = R(C,
~ D,
~ A,
~ B)
~
R(A,
Er gelden de zogenaamde Bian hi identiteiten,
R; + R; + R; = 0,

(345)

waarbij we steeds de laatste drie indi es permuteren.


Bovenstaande symmetrien redu eren de 4 4 4 4 = 256 omponenten van de riemanntensor
tot 20.
De krommingstensor van Ri i (ri itensor) is gedenieerd als de ontra tie van de riemanntensor.
Er geldt
R R .

(346)

Bijvoorbeeld in het geval van het aardoppervlak bevat deze tensor ook de informatie over de
kromming, maar dan als de riemanntensor gentegreerd over de hoeken. Verder kan men laten
zien dat de ri itensor symmetris h is. Tenslotte hebben we nog de s alaire kromming, de
ri ikromming, gedenieerd door
R = R .

(347)

We hebben nu de tensoren gedenieerd, die we nodig hebben voor de bes hrijving van fenomenen
in de algemene relativiteitstheorie. Er is een formidabel wiskundig apparaat opgetuigd en we
gaan dat nu eerst gebruiken om de veldvergelijkingen (de zogenaamde einsteinvergelijkingen) van
de ART te poneren. We maken een en ander aannemelijk door een analogie met de newtoniaanse
bes hrijving.
69

Behalve intrinsieke kromming kan een variteit ook een extrinsieke kromming hebben. Neem bijvoorbeeld
een blad papier dat geen intrinsieke kromming heeft, en rol het op tot een ilinder. Deze ilinder heeft extrinsieke
kromming en die bes hrijft de inbedding van het vlakke blad papier in de 3D ruimte. De ART zegt niets over
de hogere ruimten waarin ruimtetijd kan zijn ingebed. De ART geeft een bes hrijving van kromming binnen de
variteit zelf en dat is de intrinsieke kromming van ruimtetijd.

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE
7.5

129

Newtoniaanse bes hrijving van getijdenkra hten

We proberen een maat te vinden voor de kromming van ruimtetijd. Hiertoe laten we een testdeeltje vrij vallen. Wij besluiten als waarnemer70 om met dit deeltje mee te vallen (LLF) en
zien dat het deeltje langs een re hte lijn in ruimtetijd beweegt (alleen in de tijdri hting). Er
is niets in de beweging van een enkel deeltje dat kromming verraadt. Met name in het vrij
vallende ordinatenstelsel blijft het deeltje in rust. En deeltje is onvoldoende om de ee ten
van kromming te ontdekken.
Vervolgens laten we twee deeltjes vallen. We gaan de getijdenkra ht op aarde bekijken vanuit het
perspe tief van waarnemers die vrij vallen (LLF) samen met de deeltjes. Dergelijke waarnemers
vallen in een re hte lijn naar het entrum van de aarde. Fig. 50 geeft de situatie voor twee vrij
vallende deeltjes P en Q, en we zien dat beide deeltjes paden volgen die leiden naar het entrum
van de aarde. Vanuit het perspe tief van een waarnemer die in vrije val is met deze deeltjes, zien

Links: twee vrij vallende deeltjes bewegen op initieel parallelle paden naar het
entrum van de aarde. Daar ligt het snijpunt van beide lijnen; re hts: lijnen op het aardoppervlak
die initieel parallel zijn bij de evenaar, snijden elkaar bij de noordpool.
Figuur 50:

we dat de deeltjes naar elkaar toe bewegen. Dit wordt veroorzaakt door de dierentile gravitatieversnelling op de deeltjes en we noemen dit getijdenkra hten. Volgens Newton kruisen de paden
ten gevolge van gravitatie, terwijl dit volgens Einstein gebeurt omdat ruimtetijd gekromd is. Wat
Newton gravitatie noemt, wordt door Einstein kromming van ruimtetijd genoemd. Gravitatie is
een eigens hap van de kromming van ruimtetijd.
We willen nu een wiskundige bes hrijving geven van dit pro es, die in overeenstemming is met de
wetten van Newton (zie ook hoofdstuk 2.6). Hiertoe bes houwen we Fig. 51. De newtoniaanse
bewegingsvergelijkingen (zie vergelijking (15)) voor deeltjes P en Q zijn


d2 xj
dt2

=
(P )

xj

en
(P )

d2 xj
dt2

=
(Q)

xj

(348)

(Q)

met de gravitationele potentiaal. We deniren ~ als de afstand tussen beide deeltjes. Voor
~
parallelle banen zou gelden ddt = 0. Met ~ = (xj )(P ) (xj )(Q) vinden we via een Taylorexpansie
d2 j
=
dt2
70

2
xj xk

k = Ejk k

Ejk =

2
xj xk

(349)

We gaan er voor het gemak vanuit dat wij als waarnemer niet van invloed zijn op het pro es. Het belangrijkste
is dat we aannemen dat we geen kra ht uitoefenen en geen kromming veroorzaken.

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

130

x
y

De banen van twee vrij vallende deeltjes in een gravitatieveld . De drieve tor ~
meet de afstand tussen de twee deeltjes en is een fun tie van de tijd.
Figuur 51:

en vatten Ejk op als de omponenten van de gravitationele getijdentensor E. Merk op dat de


metriek voor de 3D Eu lidis he ruimte gegeven wordt door jk = diag(1, 1, 1) en dat er dus
geen vers hil is tussen boven- en benedenindi es. Vergelijking (349) wordt de vergelijking van
Newtoniaanse geodetis he deviatie genoemd.
Volgens Newton bewegen de deeltjes naar elkaar toe en s hrijven we
d2 ~
~
= E(_, )
dt2

(350)

in abstra te notatie. Het is interessant dat de veldvergelijking van newtoniaanse gravitatie,


vergelijking (18),
2 = 4G,

(351)

kan worden uitgedrukt in termen van tweede afgeleiden van , die de getijdenversnellingen in
vergelijking (349) bes hrijven. Er is een analoge onne tie in de ART.
7.6

De einsteinvergelijkingen

We komen nu tot de kern van de ART, de veldvergelijkingen. We zullen proberen de veldvergelijkingen plausibel te maken op een manier die al het voorgaande nog eens samenvat. We
beginnen met een bes houwing in Fig. 52 (linker diagram) van de beweging van een deeltje langs
een wereldlijn. De wereldlijn is geparametriseerd met de eigentijd op een klok die het deeltje
met zi h mee draagt. We kunnen de positie van het deeltje op een punt van de wereldlijn dus
~ is de raakve tor aan de urve en wordt gegeven door
aangeven met P( ). De snelheid U
~ = dP = d .
U
d
d
Voor de snelheid geldt in het LLF op punt P

d 2
dP dP
2
~
U =
=
= c2 ,
d 2
d 2

(352)

(353)

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

131

Links: de wereldlijn van een deeltje is een urve die geparametriseerd kan worden
~ is de raakve tor aan de urve. Re hts: we
met de eigentijd van het deeltje. De snelheid U

~ heeft nu omponenten U = dx /d .
brengen een ordinatenstelsel {x } aan. De snelheid U
Figuur 52:

waarbij we de denitie van de metriek hebben gebruikt71 . Omdat deze vergelijking een getal
(s alar) oplevert, is dit geldig in elk ordinatenstelsel. We zien dus dat de snelheidsvierve tor
lengte 1 heeft en in de tijdri hting wijst. Merk op dat deze denities geen gebruik maken van
een ordinatenstelsel. In het geval dat een ordinatenstelsel aangebra ht wordt, geldt voor de
omponenten van de snelheid
U =

dx
.
d

(354)

De omponenten zijn dus de afgeleiden van de ordinaten zelf.


Als het deeltje vrij beweegt en er geen andere kra hten op werken dan die ten gevolge van de
kromming van ruimtetijd, dan moet het in een re hte lijn bewegen. Hiermee bedoelen we zo
re ht als mogelijk is onder invloed van kromming. Het deeltje dient zijn eigen snelheid parallel
te transporteren. Er geldt
(355)

~ = 0,
U~ U

en dat is, zoals we reeds in vergelijking (333) gezien hebben, de abstra te uitdrukking voor een
geodeet. Wat dit betekent is dat wanneer we naar een lokaal lorentzframe gaan, de omponenten
van de viersnelheid onstant blijven (en daarom is de ri htingsafgeleide gelijk aan nul) als het
deeltje sle hts een kleine afstand aegt. We willen nu bekijken hoe de geodetenvergelijking
eruit komt te zien als we een willekeurig ordinatenstelsel aanbrengen. Dit is ges hetst in het
~ gegeven door
re hterpaneel van Fig. 52. In dit ordinatenstelsel worden de omponenten van U

U = dx /d , en kunnen we de geodetenvergelijking s hrijven als


U ; U = 0


U , + U U = 0.

(356)

Merk op dat U ; de gradint is, waarvan we dan het inprodu t nemen met de snelheid U om
de afgeleide van de snelheid in de ri hting van de snelheid te vinden. Deze afgeleide stellen we
vervolgens gelijk aan nul. In de tweede stap maken we gebruik van de uitdrukking in omponenten
van de ovariante afgeleide. We vermenigvuldigen nu de termen en vinden
U , U + |{z}
U |{z}
U = 0
|{z} |{z}
dx
dx
dx
U

|x {z }
dU
d dx
= d
( d )
d

d2 x
dx dx
+

= 0.

d 2
d d

(357)

In het LLF komt


dP overeen met (c, ~0), waarbij de eigentijd is, gemeten met een ideale klok. Er geldt

dan dat dP dP = (c )2.


71

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

132

Het is belangrijk in te zien dat we zijn uitgegaan van de abstra te tensorvergelijking (355)
voor een geodeet. Na het aanbrengen van een willekeurig ordinatenstelsel hebben we deze
vergelijking in omponenten ges hreven en het resultaat is vergelijking (357). Deze laatste geeft
vier gewone tweede-orde dierentiaalvergelijkingen voor de ordinaten x0 ( ), x1 ( ), x2 ( ) en
x3 ( ). Deze vergelijkingen zijn gekoppeld via de onne tie o inten. Omdat het tweede-orde
dierentiaalvergelijkingen zijn, hebben we twee randvoorwaarden nodig, bijvoorbeeld op tijdstip

= 0 zowel x ( = 0) als dx
d ( = 0) = U (0). Daarna ligt de wereldlijn van het vrije deeltje
(geodeet) vast.

De wereldlijnen van twee deeltjes P en Q zijn initieel parallel. Door kromming van
ruimtetijd bewegen de deeltjes naar elkaar toe. De afstand tussen de deeltjes wordt gegeven door
de ruimtelijke ve tor ~.
Figuur 53:

We bekijken in Fig. 53 de geodetis he afstand tussen twee deeltjes P en Q. Dit vormt de aanloop
tot de einsteinvergelijkingen. Stel dat we twee deeltjes hebben die op een bepaald tijdstip (dat
we voor het gemak als = 0 kiezen) in rust zijn ten opzi hte van elkaar. We deniren de
separatieve tor ~, die van het ene naar het andere deeltje wijst. Verder heeft deeltje P een
~ . De eis dat de deeltjes aanvankelijk in rust zijn ten opzi hte van elkaar, komt neer
snelheid U
~
op U~ = 0 op punt P op tijdstip = 0. Verder willen we ~ zo deniren, dat in het LLF van
deeltje P de ve tor ~ zuiver ruimtelijk is (dat is een keuze die we mogen maken). Hiermee is ~
~ . Hij wijst dus in een ri hting die loodre ht op de tijdri hting staat.
loodre ht op de snelheid U
~ ~ = 0 op punt P . Samengevat, eisen we op tijdstip = 0
Er geldt dan U

U~ ~ = 0

op punt P voor = 0.

~ ~ = 0
U

(358)

De tweede afgeleide U~ U~ ~ is e hter niet gelijk aan nul, want we weten dat de ee ten van
kromming merkbaar worden als we tweede-orde afgeleiden van de metriek nemen. Dit betekent
dat de geodeten van de deeltjes naar elkaar toe worden gedrukt of van elkaar verwijderd raken
(naargelang de metriek), naarmate de tijd vordert. Er geldt
~ U
~ , ,
~ ),
U~ U~ ~ = R(_, U

(359)

met R de krommingstensor. Deze vergelijking bes hrijft hoe twee aanvankelijk parallelle geodeten in de loop der tijd van elkaar beginnen af te wijken ten gevolge van de kromming. De

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

133

uitdrukking volgt uit vergelijkingen (330) en (784). De tweede afgeleide U~ U~ ~ bes hrijft de
relatieve versnelling van de deeltjes.
In het LLF van deeltje P op tijdstip = 0 geldt U 0 = 1 en U i = 0. Hiermee verwa hten we
~j=
(U~ U~ )

2 ~
j
j
= R
U U = R0k0
k ,
t2

(360)

~ heeft alleen een tijd omponent in het LLF van deeltje P , terwijl de sepawant de snelheid U
~
ratieve tor alleen ruimtea htige omponenten heeft k = 1, 2, 3. In het LLF heeft de vergelijking
voor geodetis he afwijking de vorm
2j
j
= R0k0
k ,
t2

(361)

terwijl we in de newtoniaanse me hani a gevonden hebben (zie vergelijking (349)) dat


2j
= Ejk k .
t2

(362)

In een LLF is het ruimtelijke deel van de metriek artesis h (ij = diag(1, 1, 1)) en maakt de
plaats van de indi es niets uit. Vergelijken geeft dan
Rj0k0 = Ejk =

2
.
xj xk

(363)

We kunnen een deel van de krommingstensor identi eren met afgeleiden van de newtoniaanse
gravitatiepotentiaal. Volgens Newton geldt
2 = 4G

,jk jk = Ejk jk = E jj ,

(364)

en we vinden voor het spoor van de gravitationele getijdentensor E jj = 4G. Analoog zou je
miss hien verwa hten dat in de algemene relativiteitstheorie zou gelden dat
Rj0j0 = 4G

(365)

als een eerste gok.


Er is e hter een fundamenteel probleem met vergelijking (365). Het dient een uitdrukking te
zijn, die niet van het ordinatenstelsel afhangt. Wat we e hter gedaan hebben, is het opstellen
van de vergelijking in een spe iaal stelsel: het LLF. Wat we derhalve dienen te doen, is proberen
een relatie tussen tensoren te vinden. Hiertoe merken we op dat in het LLF geldt dat R0000 = 0
en R0000 = 0 ten gevolge van antisymmetrie. Er geldt dus Rj0j0 = 4G R00 = 4G. We
bevinden ons nog steeds in het LLF (overigens geldt hier R00 = 4G met R00 de Ri i tensor,
maar dat terzijde).
Er is nog een probleem met vergelijking (365): links van het gelijkteken hebben we twee indi es
en re hts ervan geen enkele. Je zou dus miss hien kunnen denken dat geldt
R = 4GT

(366)

Hierbij is T de energie-impuls tensor, waarvan T00 = (en dat is overigens vaak de dominerende
term in het LLF). Einstein maakte deze gok al in 1912, maar hij is fout! Deze vergelijkingen
hebben ingebouwde in onsistenties. Het is belangrijk om te begrijpen wat er mis is, en dat komt
neer op het volgende. Bes houw de riemanntensor
R g, + niet lineaire termen.

(367)

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

134

Als we de eerste en derde index ontraheren, krijgen we


R g, + niet lineaire termen.

(368)

We zien hiermee dat de voorgestelde vergelijkingen (366) een verzameling vormen van 10 partile dierentiaalvergelijkingen voor de 10 omponenten van de metriek g (want de metriek is
symmetris h in en ). Ook de Ri i tensor is symmetris h. Dat lijkt allemaal prima, maar
we hebben de vrijheid om zelf het ordinatenstelsel te kiezen waarin we de vergelijkingen gaan
ops hrijven. We hebben de vrijheid om x0 (P), x1 (P), x2 (P) en x3 (P) te kiezen. We kunnen
dat gebruiken om 4 van de 10 omponenten van g , zoals gezien als fun tie van de ordinaten,
gelijk te zetten aan wat we willen, bijvoorbeeld g00 = 1, g01 = g02 = g03 = 0. E hter, onze vergelijkingen (366) staan dit niet toe: 10 partile dierentiaalvergelijkingen voor 10 onbekenden.
Wat we nodig hebben, zijn 6 vergelijkingen voor 10 onbekenden.
Voordat we onze speurto ht naar de einsteinvergelijkingen voortzetten, maken we eerst twee
opmerkingen. De eerste opmerking heeft te maken met de Bian hi indentiteiten. Dankzij deze
indentiteiten R; + ... = 0 blijkt dat als we de einsteintensor deniren,
1
G R Rg ,
2

(369)

met R de ri itensor en R de s alaire kromming, dan zorgen de Bian hi indentiteiten ervoor


dat de divergentie van de einsteintensor gelijk is aan nul,
(370)

G; = 0.

De tweede opmerking heeft te maken met de ons bekende behoudswetten voor energie en impuls.
In een LLF geldt
T , = 0

T 0j
xj

= 0,

T jk
xk

= 0.

T 00
t
T j0
t

(371)

Merk op dat T
de ruimtelijke divergentie is en energiebehoud zegt /t + divJ~ = 0, met
xj
j0
jk
de impulsux. Omdat we
J~ de massa-energieux. Evenzo is Tt de impulsdi htheid en T
xk
alleen de eerste afgeleide nemen, is wat geldt in een vlakke ruimte in het LLF, ook geldig voor
gekromde ruimtetijd. Hiermee vinden we de tensorvergelijking
0j

T ; = 0.

(372)

Het lijkt redelijk om aan te nemen dat de natuur gekozen heeft voor
G =

8G
T .
c4

(373)

Dit zijn de einsteinvergelijkingen. De evenredigheidsfa tor (8G/c4 ) vinden we door de newtoniaanse limiet te nemen. Voordat we de einsteinvergelijkingen opleggen, weten we al dat
G; = 0 =

8G
T ; .
c4

(374)

Dit zijn 4 vergelijkingen en het zijn de afgeleiden van de einsteinvergelijkingen. Aan deze 4
identiteiten (de divergenties van G en T zijn nul) wordt al voldaan. Dit legt 4 beperkingen
op aan de einsteinvergelijkingen (ook wel de veldvergelijkingen genoemd) en de veldvergelijkingen
geven sle hts 6 nieuwe stukken informatie. Dat is pre ies wat we nodig hebben.

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE
7.7

135

Zwakke gravitatievelden en de newtoniaanse limiet

Het is duidelijk dat de ART bes hrijving van gravitatie in termen van kromming van ruimtetijd
redu eert tot de SRT voor lokale lorentzframes. Het is e hter belangrijk om expli iet te ontroleren dat de bes hrijving redu eert tot de newtoniaanse bes hrijving als we de orre te randvoorwaarden bezien.
Zonder gravitatie heeft ruimtetijd de minkowskimetriek . Derhalve zullen zwakke gravitatievelden
overeenkomen met een geringe kromming van ruimtetijd. We nemen aan dat er ordinaten
bestaan, waarin de metriek de volgende vorm heeft,
g = + h

met |h | 1.

(375)

Verder nemen we aan dat in dat ordinatenstelsel de metriek stationair is, waardoor geldt
0 g = 0. De wereldlijn van een vrij vallend deeltje wordt gegeven door de geodetis he vergelijking

d2 x
dx dx
+

= 0.

d 2
d d

(376)

We nemen aan dat het deeltje langzaam beweegt (niet-relativistis h), zodat voor de omponenten
van de driesnelheid geldt dxi /dt c (i = 1, 2, 3), met t gedenieerd via x0 = ct. Hiermee eisen
we voor i = 1, 2, 3
dx0
dxi

.
d
d

(377)

We mogen de driesnelheid verwaarlozen en vinden


d2 x
+ 00 c2
d 2

dt
d

2

(378)

= 0.

We gebruiken vergelijking (782) en vinden


00 =

1
1
1
g (0 g0 + 0 g0 g00 ) = g g00 = h00 ,
2
2
2

(379)

waarbij we vergelijking (375) hebben gebruikt. De laatste gelijkheid is geldig tot op eerste orde
in h . Omdat we hebben aangenomen dat de metriek stationair is geldt
000 = 0

en

i 00 =

1 ij
j h00 met i = 1, 2, 3.
2

(380)

Invullen in vergelijking (378) levert


d2 t
=0
d 2

en

d2 ~x
1
= c2
2
d
2

dt
d

2

h00 .

(381)

De eerste vergelijking stelt dat dt/d = constant, en hiermee kunnen we de twee uitdrukkingen
ombineren. Dat geeft de volgende bewegingsvergelijking voor het deeltje,
d2 ~x
1
= c2 h00 .
2
dt
2

(382)

Als we deze uitdrukking vergelijken met de newtoniaanse uitdrukking voor de beweging van
een deeltje in een gravitatieveld, formule (15), dan zien we dat beide identiek zijn, als we de

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

136

identi atie maken dat h00 = 2/c2 . We vinden dat voor een langzaam bewegend deeltje de
ART overgaat in de newtoniaanse bes hrijving, als de metriek gegeven wordt door
g00 = 1 + h00 =

2
1+ 2
c

(383)

We kunnen een s hatting maken van deze orre tie op de minkowskimetriek, want c2 = GM
en
c2 r
9
6
4
we vinden 10 aan het aardoppervlak, 10 aan het oppervlak van de zon, en 10 aan het
oppervlak van een witte dwerg. We zien dat de zwakke-veld limiet een uitstekende benadering
is.
Vergelijking (383) toont dat ruimtetijdkromming ervoor zorgt dat de tijd ordinaat t in het
algemeen niet de eigentijd meet. Hiertoe nemen we een klok die in rust is op een bepaald punt
in ons ordinatensysteem (dan geldt dxi /dt = 0). Het eigentijdinterval d tussen twee tikken
van deze klok wordt gegeven door c2 d 2 = g dx dx = g00 c2 dt2 , waarmee we vinden
d =

2
1+ 2
c

1

dt.

(384)

Dit geeft het interval in eigentijd d dat orrespondeert met een interval dt in ordinatentijd
voor een stationaire waarnemer in de buurt van een massief obje t, in een gebied met gravitatie
potentiaal . Omdat negatief is, is dit eigentijdinterval korter dan het orresponderende
interval voor een stationaire waarnemer op grote afstand van het obje t, waar 0 en dus
d = dt. Merk op dat we dit reeds hebben afgeleid uit het equivalentieprin ipe; zie vergelijking
(9) met = gh.

Banen van een bal en een kogel door de ruimte. Gezien vanuit een laboratorium
hebben de banen een vers hillende kromming.
Figuur 54:

Het ruimtetijdinterval wordt gegeven door




2
ds = 1 + 2 (cdt)2 + dx2 + dy 2 + dz 2 .
c
2

(385)

Deze vergelijking bes hrijft een geometrie van ruimtetijd waarin deeltjes op geodeten bewegen
die pre ies dezelfde banen volgen als die van deeltjes in een vlakke ruimtetijd waarin de newtoniaanse gravitatiekra ht a tief is. We hebben hiermee een gekromd ruimtetijdbeeld gevonden
voor Newtons gravitatie. De kromming is alleen in de tijdri hting. Kromming in de tijd is niets
anders dan de gravitationele roodvers huiving: tijd s hrijdt voort met vers hillende snelheden op

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

137

vers hillende plaatsen, derhalve is tijd gekromd. Deze gravitationele roodvers huiving bepaalt
volledig de banen van deeltjes in een gravitatieveld. De gehele newtoniaanse gravitatie is alleen
tijdkromming.
Welli ht gaat het bovenstaande tegen ons gevoel in. Immers niets lijkt zo vanzelfsprekend als
het idee dat gravitatie een manifestatie is van kromming van de ruimte. Kijk bijvoorbeeld naar
de banen van twee obje ten in de ruimte, zoals getoond in Fig. 54. Een van de obje ten is een
bal die met een relatief lage snelheid van 5 m/s beweegt en een hoogte bereikt van 5 m. Het
andere obje t is de kogel uit een geweer. Deze kogel beweegt met hoge snelheid (500 m/s). Als
we de guur bekijken, dan lijkt de baan van de bal sterker gekromd dan die van de kogel.
Het punt is e hter dat we niet naar een kromming van de ruimte dienen te kijken, maar naar
de kromming van ruimtetijd. Hiertoe tekenen we de banen nogmaals in Fig. 55, maar nu in
minkowski ruimtetijd. We zien dat nu de banen van de bal en kogel een gelijke kromming
hebben in ruimtetijd. In werkelijkheid heeft e hter geen van de banen een kromming! Ze zien

Figuur 55: Banen van een bal en een kogel door ruimtetijd. Gezien vanuit een laboratorium hebben de banen dezelfde kromming. We vergelijken de baanlengte ten opzi hte van de
booglengte van de irkel: (straal) = (horizontale afstand)2 / 8(hoogte).

er gekromd uit omdat we vergeten zijn dat de ruimtetijd waarin ze getekend zijn, zelf gekromd
is. De kromming van ruimtetijd is pre ies zodanig, dat de banen zelf volledig re ht zijn: het zijn
immers geodeten.
7.8

De zwakke-veld limiet van de einsteinvergelijkingen

De einsteinvergelijkingen (373) stellen dat de einsteintensor evenredig is met de energie-impuls


tensor, G = constante T . We willen de evenredigheidsfa tor bepalen, door de zwakke-veld
limiet te nemen. Hiertoe hoeven we alleen de 00- omponent te bes houwen. We vinden dan
1
R00 Rg00 = constante(T00 ).
2

(386)

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

138

In de zwakke-veld limiet is ruimtetijd sle hts weinig gekromd en bestaan er ordinaten waarvoor
g = + h met |h | 1, terwijl de metriek stationair is. Er geldt dus g00 1. Verder
kunnen we de denitie (340) van de krommingstensor gebruiken om R00 te vinden. Er geldt
R00 = 0 0 00 + 0 0 00 .

(387)

In ons ordinatenstelsel zijn de klein, zodat we de laatste twee termen in eerste-orde in


h kunnen verwaarlozen. Ook is de metriek stationair in ons ordinatenstelsel, en vinden we
R00 i i 00 .

(388)

In onze dis ussie van de newtoniaanse limiet, hebben we in vergelijking (380) gevonden dat
i 00 21 ij j h00 in eerste-orde in h . Dus geldt
1
R00 ij i j h00 .
2

(389)

We kunnen nu onze benaderingen voor g00 en R00 substitueren in vergelijking (386) en vinden
in de zwakke-veld limiet
1 ij
1
i j h00 constante (T00 T ).
2
2

(390)

We hebben hierbij gebruikt dat R = constante T met T T , door vergelijking (373) met
gemengde omponenten te s hrijven, R 21 R = constante T , en deze te ontraheren door
= te stellen (merk op dat = 4).
Om voortgang te kunnen maken, moeten we iets aannemen over de soort materie die het zwakke
gravitationele veld produ eert. We nemen hiervoor een perfe te vloeistof. Voor de meeste
klassieke materieverdelingen geldt P/c2 en we kunnen de energie-impuls tensor voor stof
nemen; zie vergelijking (226). Er geldt
T = U U ,

(391)

en hiermee vinden we T = c2 . Verder nemen we aan dat de deeltjes die de vloeistof vormen,
~ hebben die in ons ordinatenstelsel klein zijn ten opzi hte van c. We doen de
snelheden U
aanname U 1 en dus U0 c. Vergelijking (390) redu eert dan tot
1
1 ij
i j h00 constante c2 .
2
2

(392)

We merken op dat ij i j = 2 . Verder hebben we met vergelijking (383) h00 = 2/c2 , met
de gravitatiepotentiaal. Als we de evenredigheids onstante nu kiezen als constante = 8G/c4 ,
dan vinden we de poissonvergelijking voor newtoniaanse gravitatie (zie ook vergelijking (18))
2 4G.

(393)

Deze identi atie verieert onze aanname dat de evenredigheidsfa tor tussen de einsteintensor
en de energie-impuls tensor gelijk is aan 8G/c4 .
7.9

De kosmologis he onstante

De einsteinvergelijkingen (373) zijn niet uniek. Einstein ontdekte al snel dat het niet mogelijk
bleek om een statis h model van het universum te onstrueren op basis van de veldvergelijkingen. Deze vergelijkingen geven altijd oplossingen die orresponderen met een expanderend of
ontraherend heelal. Toen Einstein dit werk in 1916 uitvoerde was alleen onze melkweg bekend,

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

139

en dat lijkt op een uniforme verdeling van vaste sterren. Door het invoeren van de kosmologis he
onstante was Einstein in staat om statis he modellen van het universum te reren (maar
die blijken allemaal instabiel te zijn). Later werd ingezien dat de melkweg sle hts n van de
vele sterrenstelsels is, terwijl in 1929 Edwin Hubble de uitdijing van het universum ontdekte.
Hij bepaalde de afstanden en roodvers huivingen van nabij gelegen sterrenstelsels en zag dat het
universum expandeert; zie Fig. 56. De kosmologis he onstante bleek niet nodig te zijn. Sterker
nog, als Einstein meer vertrouwen had gehad in zijn vergelijkingen, had hij deze expansie van
het universum kunnen voorspellen. Tegenwoordig hebben we een andere kijk op deze zaak, maar
daarover later meer.

Links: de snelheid van een sterrenstelsel is te bepalen uit het doppleree t. De


afstand wordt bepaald uit de helderheid van standaardkaarsen; re hts: het blijkt dat sterrenstelsels sneller van ons af bewegen naarmate ze verder weg staan. De hubble onstante is H0 = 72
km/s/Mp . Sterrenstelsels bewegen niet door de ruimte, maar drijven als het ware met de
expanderende ruimte mee.
Figuur 56:

Wat Einstein deed was het volgende. We weten dat G = 0 en ook T = 0, en we hebben
in vergelijkingen (290) en (310) gezien dat ook g = 0. We mogen elke onstante veelvoud
van g optellen bij G en krijgen dan nog steeds een onsistente verzameling veldvergelijkingen.
Het is gebruikelijk om de evenredigheids onstante aan te duiden met , en we vinden dan
1
8G
R g R + g = 4 T ,
2
c

(394)

waarbij een nieuwe universele natuur onstante is, die we de kosmologis he onstante noemen.
Wat we hiermee opgeven is dat de `gemodi eerde einsteintensor' G = G + g niet meer
gelijk is aan nul als ruimtetijd vlak is! Verder is G niet meer een re htstreekse maat voor de
kromming.
Door vergelijking (394) weer met gemengde indi es te s hrijven en te ontraheren vinden we
T + 4. Invullen in vergelijking (394) levert
R = 8G
c4
R

8G
= 4
c

1
T g
2

+ g .

(395)

We volgen nu dezelfde pro edure als in hoofdstuk 7.8 en vinden de veldvergelijkingen in de


zwakke-veld limiet voor newtoniaanse gravitatie
2 = 4G c2 .
(396)

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

140

Voor een sferis he massa M vinden we het gravitatieveld


~g = =

3GM
~r + c2 r~r,
2r 2

(397)

en we zien dat de kosmologis he term orrespondeert met een gravitationele afstoting, waarvan
de sterkte evenredig met r toeneemt.
Tegenwoordig hebben we een andere kijk op de kosmologis he onstante. Merk op dat de energieimpuls tensor van een perfe te vloeistof gegeven wordt door
T =

P
c2

U U + P g .

(398)

We stellen ons voor dat er een bepaalde `substantie' is met een vreemde toestandsvergelijking
P c2 . Een dergelijke substantie is iets dat we nog niet zijn tegengekomen, omdat het een
negatieve druk heeft! De energie-impuls tensor voor deze substantie is
T = P g = c2 g .

(399)

Hierbij dienen we het volgende op te merken. Allereerst hangt de energie-impuls tensor voor
deze vreemde substantie alleen van de metris he tensor af: het is derhalve een eigens hap van
het va uum zelf en we noemen de energiedi htheid van het va uum. Ten tweede, de vorm van
T is hetzelfde als die van de onstante kosmologis he term in vergelijking (394). We kunnen
de kosmologis he onstante dus zien als een universele onstante die de energiedi htheid van het
va uum bepaalt,
vacuum c2 =

c4
.
8G

(400)

vacuum =
2
Als we de energie-impuls tensor van het va uum aanduiden met T
vacuum c g , kunnen
we de gemodi eerde veldvergelijkingen s hrijven als


8G
1
vacuum
,
R Rg = 4 T + T
2
c

(401)

met T de energie-impuls tensor van de aanwezige materie of straling.


Als 6= 0, dan dient hij op zijn minst z klein te zijn dat vacuum verwaarloosbare gravitationele
ee ten heeft (|vacuum | < materie ) voor gevallen waarbij de newtoniaanse gravitatietheorie een
goede bes hrijving van de meetgegevens geeft. De systemen met kleinste di htheid waarop de
wetten van Newton worden toegepast, zijn kleine lusters van sterrenstelsels. Hiermee kunnen
we de volgende limiet plaatsen
4
c
cluster 1029 g/cm3
|vacuum c | =
8G
2

(402)

op de waarde van de kosmologis he parameter. Het is evident dat z klein is, dat hij volledig
onbelangrijk is op de s haal van een ster.
Hoe kunnen we de energiedi htheid van het va uum berekenen? De eenvoudigste berekeningen
sommeren de quantumme hanis he nulpuntsenergie van alle in de natuur bekende velden. Het
antwoord dat gevonden wordt is ongeveer 120 ordes van grootte hoger dan de bovengrens op die
we net bepaald hebben. Dit is niet begrepen en er dient een fysis h me hanisme te bestaan dat de
kosmologis he onstante klein maakt. Re ente meetgegevens duiden erop dat de kosmologis he
onstante niet pre ies gelijk is aan nul. De sterkste aanwijzing komt van metingen aan verre Type

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

141

De historie van de expansie van het universum. In het verleden was het ee t van de
massadi htheid belangrijker dan dat van de kosmologis he onstante en vertraagde de expansie
van het universum. E hter als het volume van het universum toeneemt, dan neemt de di htheid
af. Het ee t van de va uumenergie is onstant. Als het volume groot genoeg wordt, dan zal het
universum voor altijd expanderen.

Figuur 57:

Ia supernovae, die zeggen dat de expansie van het universum op dit moment toeneemt. Dit wordt
getoond in Fig. 57. Zonder kosmologis he onstante verwa hten we dat door de aantrekkende
kra ht van alle materie in het universum, de expansie zou vertragen en miss hien zelfs aanleiding
zou geven voor een ontra tie van het universum. Als de kosmologis he onstante e hter van
nul vers hilt, kan de negatieve druk van het va uum ervoor zorgen dat het universum versneld
uitdijt.
7.10

Alternatieve relativistis he theorien voor gravitatie

De einsteinvergelijkingen zijn niet uniek, zoals we gezien hebben in de vorige se tie. Het is ook
mogelijk om radi aal nieuwe gravitatietheorien te onstrueren. We bespreken in het volgende
een aantal.
7.10.1

S alaire gravitatietheorien

In de newtoniaanse bes hrijving van gravitatie wordt het gravitatieveld voorgesteld door de s alar

. Dit veld voldoet aan de poissonvergelijking 2 = 4G. Omdat materie relativistis h wordt
bes hreven door de energie-impuls tensor T , is de enige s alar met de dimensie massadi htheid
die we kunnen maken T . Verder zijn plaats en tijd onderdeel van de vierve tor x en nemen
we ook de afgeleide naar de tijd mee (via 22 = ct + 2 ). Een onsistente s alaire

relativistis he theorie van gravitatie wordt gegeven door de veldvergelijking


22 =

4G
T .
c2

(403)

7 DE ALGEMENE RELATIVITEITSTHEORIE

142

Deze theorie is e hter onjuist gebleken (en voorspelde onder andere niet waargenomen ee ten
op de baan van mer urius). Verder is er geen koppeling tussen gravitatie en elektromagnetisme,
waardoor we geen gravitationele roodvers huiving hebben, en ook geen afbuiging van li ht door
materie.
7.10.2

Brans - Di ke theorie

Een gravitatietheorie gebaseerd op een ve torveld kan worden uitgesloten, omdat een dergelijke
theorie voorspelt dat massieve deeltjes elkaar zullen afstoten in plaats van aantrekken. Het is
wel mogelijk om relativistis he theorien te formuleren met ombinaties van s alaire, ve tor en
tensorvelden. De meest belangrijke van dit soort theorien is die van Robert Di ke en Carl Brans
uit 1961. Brans en Di ke gingen in de formulering van hun theorie ook uit van het equivalentieprin ipe en verkregen op die wijze een bes hrijving van gravitatie in termen van kromming van
ruimtetijd. In plaats van de gravitatie onstante G te behandelen als een natuur onstante, introdu eerden ze een s alair veld dat de sterkte van G bepaalt. Dit wil zeggen dat het s alaire veld
de sterkte van de koppeling van materie aan gravitatie bepaalt. De gekoppelde vergelijkingen
voor het s alaire veld en het gravitatieveld kunnen ges hreven worden als
22 = 4 T M
R 21 g R =

8
c4


M + T
T
.

(404)

M en een
We zien dat de ee ten van materie worden voorgesteld door de energie-impuls tensor T
koppelings onstante die het s alaire veld bepaalt. Het s alaire veld bepaalt de waarde van G en
de veldvergelijkingen relateren de kromming aan de energie-impuls tensoren van het s alaire veld

M . Historis h wordt de koppelings onstante ges hreven als = 2/(3 + 2).


T
en de materie T
In de limiet vinden we 0, en wordt niet benvloed door de massaverdeling. We

0 en redu eert de
kunnen dan gelijkstellen aan = 1/G. In de limiet 0 gaat T
Brans-Di ke theorie tot die van Einstein.

De Brans-Di ke theorie is belangrijk, omdat hij laat zien dat men alternatieve theorien kan
ontwikkelen die onsistent zijn met het equivalentieprin ipe. Een van de voorspellingen van de
Brans-Di ke theorie is dat de ee tieve gravitatie onstante G een fun tie van de tijd kan zijn en
bepaald wordt door het s alaire veld . Een verandering in G zou de banen van planeten benvloeden en een redelijke onvervatieve on lusie van meetgegevens zegt dat 500. Daarmee
lijkt Einsteins theorie de orre te theorie voor gravitatie, althans voor lage energien.
7.10.3

Torsietheorien

In onze dis ussie van gekromde ruimtetijd hebben we aangenomen dat de variteit geen torsie
heeft. Dit is geen noodzakelijke eis, en we kunnen de dis ussie van ruimtetijd generaliseren met
een torsietensor,
T = ,

(405)

die niet gelijk is aan nul. Typis h wordt torsie veroorzaakt door de quantumme hanis he spin van
deeltjes. Dergelijke theorien zijn wiskundig ge ompli eerd. Gravitatietheorien met ruimtetijd
torsie worden vaak Einstein-Cartan theorien genoemd en zijn uitvoerig onderzo ht.