You are on page 1of 50

Korte golven & Getijden

Naar de colleges van William Kuppen en Harry Dommershuijzen.

Januari 2009.

Onderdeel van ribBBL01c

Marcel Sparreboom.
Korte golven & Getijden KWB

1 INLEIDING KUSTWATERBOUWKUNDE ............................................................................................. 3

2 DE GOLFBEWEGING (LINEAIRE GOLFTHEORIE) .......................................................................... 4
2.1 INLEIDING ................................................................................................................................................ 4
2.2 LINEAIRE GOLFBEWEGING ....................................................................................................................... 4
2.3 GOLVEN IN DIEPWATER (H>1/2L). ........................................................................................................... 7
2.4 GOLVEN IN ONDIEPWATER (H<1/20L)...................................................................................................... 9
2.5 ENERGIE VAN DE GOLF ........................................................................................................................... 10
2.5.1 (Epot)golf voor een “zaagtand” golf. .............................................................................................. 10
2.5.2 (Epot)golf voor een sinus golf. ...................................................................................................... 11
2.6 VERMOGEN ............................................................................................................................................ 12
2.7 GOLFKARAKTERISTIEKEN, ALS H KLEINER WORDT ................................................................................ 13
2.7.1 Verandering van de golflengte ...................................................................................................... 14
2.7.2 Verandering van de golfhoogte ..................................................................................................... 15
3 DE GOLFHOOGTE (H) ............................................................................................................................ 17
3.1 TERUGKAATSING OFWEL REFLECTIE ...................................................................................................... 17
3.2 REFRACTIE OFWEL ZWENKING ............................................................................................................... 18
3.3 DIFFRACTIE OFWEL BUIGING .................................................................................................................. 21
4 BREKENDE GOLVEN, SET-UP (SET DOWN) EN GOLFPARAMETER () ................................... 24

5 WINDGOLVEN, STATISTIEK VAN WINDGOLVEN. ........................................................................ 25
5.1 INLEIDING. ............................................................................................................................................. 25
5.2 RAYLEIGH-VERDELING. ......................................................................................................................... 26
5.3 NOMOGRAM VAN GROEN & DORRESTEIN. ............................................................................................. 29
5.3.1 Windgolven in diep water .............................................................................................................. 29
5.3.2 Windgolven in ondiep water .......................................................................................................... 29
6 GETIJBEWEGING .................................................................................................................................... 30
6.1 INLEIDING. ............................................................................................................................................. 30
6.2 EVENWICHTSGETIJ. ................................................................................................................................ 31
6.3 DAGELIJKSE ONGELIJKHEID, SPRING- EN DOODTIJ.................................................................................. 36
6.4 ASTRONOMISCH GETIJ. ........................................................................................................................... 36
6.5 VOORSPELLINGSMETHODEN. ................................................................................................................. 36
7 OUDE TENTAMENS KUSTWATERBOUWKUNDE (KORTE GOLVEN EN GETIJDEN). .......... 37
7.1 TENTAMEN VAN MAANDAG 3 NOVEMBER 2003 ..................................................................................... 37
A LITERATUURLIJST. ................................................................................................................................ 41

B BIJLAGEN .................................................................................................................................................. 42
B.1 L/L0, N EN KS GRAFIEK EN TABEL. .......................................................................................................... 42
B.2 SPIRAAL VAN CORNU. ............................................................................................................................ 44
B.3 GOLFHOOGTE EN DIEPTE OP HET MOMENT VAN BREKEN, SET-UP EN SET-DOWN..................................... 45
B.4 NOMOGRAM VAN GROEN & DORRESTEIN. ............................................................................................. 46
B.5 BEPALING VAN DE GRAVITATIECONSTANTE F. ....................................................................................... 47
B.6 BEWIJS VAN FORMULE (6.6) EN (6.7). .................................................................................................... 47

2
Korte golven & Getijden KWB

1 Inleiding kustwaterbouwkunde
Deze technische wetenschap houdt zich bezig met:

 Het beheersen van de kustlijn (strand erosie)
 Voorspellen van water- en golfhoogtes, eb- en vloedstromen in een estuarium.

Figuur 1.1 Aanslibbing van toegangsgeul van een estuarium.

 Constructies, die het achterland beschermen
 Het ontwerpen van havens
 Offshore constructies

Deze onderwerpen vereisen inzicht in het fenomeen Golven. Een golf is een:

Vervorming, plooiing of verheffing van het wateroppervlak.

Wat nauwkeuriger:

Een golfbeweging is een zich door een systeem voortbewegende verstoring van
een stabiele evenwichtstoestand.

Golven kunnen worden onderscheiden naar hun oorsprong:
 Getijden
 Aardbevinggolven (tsunami)
 Windgolven
 Scheepsgolven

Het zal hier voornamelijk gaan over windgolven en getijden(golven), omdat een goed begrip
van deze golven belangrijk is voor de Nederlandse kustverdediging.

Golven kunnen ook ingedeeld worden in korte en lange golven.
 Korte golven: geen hydrostatische drukverdeling.
 Lange golven: wel hydrostatische drukverdeling.

3
Korte golven & Getijden KWB

2 De golfbeweging (lineaire golftheorie)

2.1 Inleiding
In dit hoofdstuk worden de achtergronden van de golfbewegingen gegeven. Het zal hier
slechts gaan over de lineaire golftheorie, deze zal de basis vormen voor hoofdstuk 3 en 4.

2.2 Lineaire golfbeweging

Het golvendwateroppervlak ligt op:
y  h  ( x, t ) , ...( 2.1)
waarin:
( x, t ) = een verstoringsfunctie;
h = de waterdiepte.

De golfbeweging kan worden beschreven door de continuïteitsvergelijking
v x v y
 0
x y

ofwel:
 2  2
  0, ...( 2.2)
x 2 y 2
 
waarin:  een potentiaal functie is, waarvoor geldt: v x  en v y  .
x y

4
Korte golven & Getijden KWB

Randvoorwaarden:
(a) Op de bodem (y = 0) geldt:
v y = 0 m/s ...( 2.3)

(b) Snelheid aan het wateroppervlak (y = h + ):
   
   ...( 2.4)
y t x x
(c) Aan het wateroppervlak (y = h + ) geldt ook de wet van Bernoulli:

1  0 v2
     constant ...( 2.5)
g t
 Plaatshoogte

 g 2g

Niet stationaire term Drukhoogte Snelheidshoo gte

Door wat vereenvoudigingen door te voeren en voor ( x, t ) een sinusfunctie te nemen, b.v.
1
 ( x, t )  H sin(t  kx) ...( 2.6)
2

met:
H = golfhoogte [m];
2
 = , de hoekfrequentie [1/s];
T
2
k = , het golfgetal [1/m];
L
T = golfperiode, de tijd waarin twee opeenvolgende golftoppen een vast punt passeren
[s];
L = golflengte, de horizontale afstand tussen twee opeenvolgende golftoppen [m],

krijgen we dan de volgende resultaten:

v x  v x sin(t  kx) ...( 2.7)

v y  v y cos(t  kx) ...( 2.8)
waarin:
 1 cosh(ky)
v x  H ...( 2.9)
2 sinh(kh)

 1 sinh(ky)
v y  H . ...( 2.10)
2 sinh(kh)

Voor de voorplantingssnelheid c geldt per definitie:

 Definitie
L
c  . …( 2.11)
T

Voor de voortplantingssnelheid geldt verder:

5
Korte golven & Getijden KWB

g
c tanh(kh) ...( 2.12)
k

waarin:
c = de voorplantingsnelheid van de golf [m/s];
2
k = golfgetal [1/m];
L
L = golflengte [m];
h = de waterdiepte [m]
g = versnelling van de zwaartekracht [m/s2 = N/kg].

Opmerking: hyperbolische functie.
In de voorgaande formules staan hyperbolische functies, sinushyperbolicus (sinh),
cosinushyperbolicus (cosh) en tangenshyperbolicus (tanh), deze zijn als volgt gedefinieerd:

e x  ex
sinh(x) 
2
e  ex
x
cosh(x) 
2
en
sinh(x) e x  e  x
tanh(x)   ,
cosh(x) e x  e  x
waarin:
1 1 1 1 1 1
e      ...  2.71828 .
0! 1! 2! 3! 4! 5!

In de figuur hieronder zijn diverse hyperbolische functies getekend.

4.0

3.0

2.0
y

y=cosh(x) y=sinh(x)
1.0

0.0
0.0 0.5 1.0 1.5 y=tanh(x) 2.0
x

Uit de volgende tabel volgt dat:
sinh(x)  x tanh(x)  x voor 0  x  0.3
en
sinh(x)  cosh(x) tanh(x) 1 voor x  3.0 .

6
Korte golven & Getijden KWB

x sinh(x) cosh(x) tanh(x) x sinh(x) cosh(x) tanh(x)
0.00 0.00000 1.00000 0.00000 2.00 3.62686 3.76220 0.96403
0.10 0.10017 1.00500 0.09967 2.10 4.02186 4.14431 0.97045
0.20 0.20134 1.02007 0.19738 2.20 4.45711 4.56791 0.97574
0.30 0.30452 1.04534 0.29131 2.30 4.93696 5.03722 0.98010
0.40 0.41075 1.08107 0.37995 2.40 5.46623 5.55695 0.98367
0.50 0.52110 1.12763 0.46212 2.50 6.05020 6.13229 0.98661
0.60 0.63665 1.18547 0.53705 2.60 6.69473 6.76901 0.98903
0.70 0.75858 1.25517 0.60437 2.70 7.40626 7.47347 0.99101
0.80 0.88811 1.33743 0.66404 2.80 8.19192 8.25273 0.99263
0.90 1.02652 1.43309 0.71630 2.90 9.05956 9.11458 0.99396
1.00 1.17520 1.54308 0.76159 3.00 10.01787 10.06766 0.99505
1.10 1.33565 1.66852 0.80050 3.10 11.07645 11.12150 0.99595
1.20 1.50946 1.81066 0.83365 3.20 12.24588 12.28665 0.99668
1.30 1.69838 1.97091 0.86172 3.30 13.53788 13.57476 0.99728
1.40 1.90430 2.15090 0.88535 3.40 14.96536 14.99874 0.99777
1.50 2.12928 2.35241 0.90515 3.50 16.54263 16.57282 0.99818
1.60 2.37557 2.57746 0.92167 3.60 18.28546 18.31278 0.99851
1.70 2.64563 2.82832 0.93541 3.70 20.21129 20.23601 0.99878
1.80 2.94217 3.10747 0.94681 3.80 22.33941 22.36178 0.99900
1.90 3.26816 3.41773 0.95624 3.90 24.69110 24.71135 0.99918

2.3 Golven in diepwater (h>1/2L).
Voor golven in diepwater (h>1/2L) gelden de volgende vereenvoudigingen.

Op een diepte h = 1/2L is de invloed van de golfbeweging vrijwel niet meer merkbaar.

Voor de voortplantingssnelheid (c) geldt nu:

7
Korte golven & Getijden KWB

g
c tanh(kh)
k

2 1
daar tanh(kh) praktisch 1 is voor kh-waarden groter dan  L   (zie de grafiek), kan c
L 2
als volgt worden benaderd:

g g g
c tanh(kh)  1 
k k k
ofwel:
g g gL
c2    .
k 2 2
L

Maar voor L geldt natuurlijk ook L = cT, dus:

g
c2  * cT
2

g
c * T  1.56 * T (m) ...( 2.13)
2

De golflengte kan nu worden afgeleid uit bovenstaande formule:

L  cT  1.56 *T 2 (m/s 2 ) ...( 2.14)

 
 
Voor  v x  en  v x  geldt:
  opp   bodem

  1 cosh(ky)
 v x   H
  opp 2 sinh(kh)
  1 1
 v x   H
  opp 2 tanh(kh)
  1
 v x   H *1
  opp 2
  1 2 H
vx   * H ...( 2.15)
  opp 2 T T

8
Korte golven & Getijden KWB

Deze formule kan ook op een andere manier gevonden worden:

v x *T  
H
afgelegdeweg
 H
vx  .
T

 
 
Voor  v x  geldt simpelweg:  vx  = 0.
  bodem   bodem

2.4 Golven in ondiepwater (h<1/20L).
Voor golven in ondiepwater geldt: (h<1/20L, in sommige boeken h<1/25L)

Voor de voortplantingssnelheid geldt nu:

g
c tanh(kh)
k
2 2 1 
kh  *h  * L
L L 20 10

Als x erg klein is geldt: tanh(x)  x, dus
tanh(kh)  kh
Uit bovenstaande volgt:

g
c * kh
k

c  gh . ...( 2.16)

 
 
Voor  v x  en  vx  geldt:
  opp   bodem

9
Korte golven & Getijden KWB

  1 cosh(ky)
 v x   H
  opp 2 sinh(kh)
  1 1
 v x   H
  opp 2 tanh(kh)
  1 1
 v x   H
  opp 2 kh Want voor c geldt:
2 2
 
 1  H
vx   * * L L LT
c    T 

  opp 2 k h T T 2 2 k
LT L
  1 H
vx   *c *
  opp 2 h
  1 H 1 g
vx   gh *  *H
  opp 2 h 2 h
1.57  H
1
  1 g
vx   *H  m 2 s 1 . ...( 2.17)
  opp 2 h h

2.5 Energie van de golf
Een golfbeweging is een verstoring van een systeem uit een stabiele evenwichtstoestand (min.
potentiële energie). In de gestoorde toestand heeft het systeem dus meer potentiële energie dan
in de evenwichtstoestand, dit wordt afgekort met (Epot)golf.

2.5.1 (Epot)golf voor een “zaagtand” golf.

 Situatie in rust

E  pot rust  m* g * 0  0 Nm .
afstand van zwaartepunt tot referentievlak

10
Korte golven & Getijden KWB

 Zaagtandgolf

E 
pot golf  m * g * a  E pot rust

 1 1 
E 
pot golf 
1 1 1 1  1
* L * H * B *  * g *   h  H    h  H  
2 2 2  2 6  2 6 

E 
pot golf 
1 1 1 
LHBg  H  H 
8 6 6 
E 
pot golf 
1
gBLH 2 .
24

2.5.2 (Epot)golf voor een sinus golf.
Voor een sinusgolf (sinusoïde) geldt:

E 
pot golf 
1
gBLH 2
16

De kinetische energie is even groot als de potentiële energie, dus:

E golf  E pot golf  E kin  golf

1
E golf  gBLH 2 . ...( 2.18)
8

Waarin:
Egolf = de gemiddelde (totale) energie van een golf [Nm];
 = de dichtheid van water [kg/m³];
g = versnelling van de zwaartekracht [N/kg];
B = de breedte van de beschouwde golfdoorsnede [m];
L = de golflengte [m];
H = de golfhoogte [m].

Voor de gemiddelde golfenergie per oppervlak geldt, dan:

11
Korte golven & Getijden KWB

Per vierkante meter golvend zeeopervlak is dus een hoeveelheid energie [Nm/m²] aanwezig,
die gelijk is aan:

E 1
Em2   gH 2 . ...( 2.19)
BL 8

Voorbeeld 2.1
Bereken Em², als  = 1025 kg/m³, g = 9.8 N/kg en H = 2.00 m.
Oplossing:
Voor Em² geldt:
1
Em2  gH 2
8
1
Em2  *1025 * 9.8 * (2.00) 2  5.0kNm / m 2 . □
8
2.6 Vermogen
De gemiddelde energie overdracht in de voortplantingsrichting per tijd en per breedte geven
we aan met de letter F (de flux van de energie).

Voor F geldt:

F  Em2 * n * c , ...( 2.20)

waarin:
F = de gemiddelde energie overdracht per tijd en per breedte, door een verticaal vlak
loodrecht op de voortplantingsrichting [J/sm] = [W/m];
1
Em2 = gH 2 [Nm/m²] = [J/m²];
8
1 kh
n =  ...( 2.21)
2 sinh(2kh)
c = voortplantingsnelheid van de golf [m/s] .

12
Korte golven & Getijden KWB

Opmerking over n:
 Als h heel groot is h > 1/2L (diepwater golven), dan is n  ½.
 Als h < 1/20 L (ondiepwatergolven), dan is n
1 kh
n 
2 sinh(2kh)
1 kh
n 
2 2kh
n  1.

 De snelheid van de frontgolf vfrontgolf = n*c, want
Em2  b  v frontgolf  t  F  b  t
dus:
F  b  t E 2 nc
v frontgolf   m nc .
Em2  b  t Em2

Golfschot

De frontgolf wordt altijd ingehaald door de achterliggende golf.

Voorbeeld 2.2:
Bereken F, als de energie per oppervlakteeenheid ( Em2 )5.0 kJ/m² is, L = 45 m, T = 6.0 s en h
= 8.00 m.
Oplossing:
2 2
Golfgetal k    0.140m 1
L 45
1 kh 1 0.140 * 8
n     0.74
2 sinh(2kh) 2 sinh(2 * 0.140 * 8)
L 45
c   7.5m / s .
T 6
Uit het voorgaand volgt, dat:
F  Em2 * n * c  5.0 * 0.74 * 7.5  27.8kW / m □

2.7 Golfkarakteristieken, als h kleiner wordt
Als de waterdiepte (h) kleiner wordt zal de golflengte afnemen. Voor de golfhoogte (H)
kunnen we dat niet zeggen, want bij een bepaalde diepte neemt de golfhoogte zelf toe.

13
Korte golven & Getijden KWB

2.7.1 Verandering van de golflengte

Voor c geldt:

g
c tanh(kh)
k
g
c 2  tanh(kh)
k

L 2
voor c geldt ook: c  en golfgetal k is: k  , dus:
T L
L2 g
 tanh(kh)
T 2
2
L
L g
 tanh(kh)
T 2
2
gT 2
L tanh(kh)
2
ofwel :
L  L0 tanh(kh) , ...( 2.22)

gT 2
waarin: L0  . In de bovenstaande formule kan L niet direct worden oplossen, want in
2
2
het rechterlid komt L ook al voor, k  . De golflengte kan numeriek worden bepaald (bv
L
Picard iteraties) maar ook grafisch. Hier zal de grafische oplossing worden gegeven.

h
Stel:   en beschouw de kromme:
L

 x   tanh(2 )
B:
 y  tanh(2 )

voor de punten ( x, y) van de kromme B geldt, dat:
 h  2  L tanh(kh) L
y  tanh(2 )  tanh 2   tanh h   tanh(kh)  0 
 L  L  L0 L0

h L h
x   * tanh(2 )   
L L0 L0

14
Korte golven & Getijden KWB

h L
De kromme B geeft dus de relatie tussen x  en y  aan, zie figuur….
L0 L0

h

L

y  x A : ( x, y)  ( , tanh(2 ) )

L
y  tanh(2 )
L0

B : ( x, y)  (  tanh(2 ) , tanh(2 ) )

Voor c geldt:

L L0 * tanh(kh) L0
c   * tanh(kh)
T T T
c  c0 * tanh(kh) ...( 2.23)

Voorbeeld 2.3:
Bepaal L en c als T = 6 sec, h = 5.5 m, g = 9.8 m/s² en H0 = 2.00 m
Oplossing:
Bepaal L0:
L0  1.56  T 2  1.56 * 62  56.1m
Bepaal L aan de hand van bovenstaande grafiek:
h 5.5 L
  0.10   0.70  L  39.3m
L0 56.1 L0
Voor c geldt:
L 39.3
c   6.5m / s □
T 6

2.7.2 Verandering van de golfhoogte

15
Korte golven & Getijden KWB

Als we er van uit gaan dat er geen energieverlies plaats vindt (eigenlijk dissipatie), dan geldt

F  b  t  F  b  t , (Breedte is constant)
in uit
diepwater in is 0-situatie index uit wordt verder weggelaten

F0  F
1  1 
 gH * n * c    gH * n * c 
2 2

8 0  8 
  
H 0 * n0 * c0  H * n * c
2 2

2
H nc
2
 0 0
H0 nc
H n0 c 0

H0 nc
Verder geldt dat:
c  c0 * tanh(kh)
1 kh
n 
2 sinh(2kh)
1
n0 
2

Hieruit volgt dat:

1
* c0
H 2

H0 1 kh 
   * c0 * tanh(kh)
 2 sinh(2kh) 

H 1
 ...( 2.24)
H0  2kh 
1   * tanh(kh)
 sinh(2kh) 

H
De verhouding wordt kortweg aangegeven met ks , de verondiepingscoëfficiënt (Eng.
H0
shoaling).Op de volgende bladzijde is de grafiek weergegeven, die de relatie aangeeft tussen
ks =H/H0 en h/L0, zie ook bijlage B.1.

Voorbeeld 2.4:
Bepaal H, als T = 6 sec, h = 5.50 m, g = 9.81 m/s² en H0 = 1.50 m
Oplossing:
h
Uit de grafiek volgt H, als uit: bekend is. Voor Lo geldt:
L0
L0  1.56T 2  1.56 * 62  56.1m

16
Korte golven & Getijden KWB

h 5.50
  0.10  K s  0.93
L0 56.1
H H
 ks   0.92  H  1.40m . □
H0 1.50

Ks = H/H0

h/L0

Shoaling coefficient (verondiepingscoëfficiënt), Ks als functie van h/L0.

3 De golfhoogte (H)
De golfhoogte (H) van een golf kan veranderen door:
 Afnemende waterdiepte (ks -coëfficiënt), zie paragraaf 2.7.2.
 Het breken van de golf
 Reflectie
 Refractie
 Diffractie

3.1 Terugkaatsing ofwel reflectie
Bij zeer steile gladde wanden is de “energie terugkaatsing” vrijwel 100%, mits de golven niet
breken.
Hier wordt een staande golf tegen een verticale wand beschouwd met volledige terugkaatsing.

i t

17
Korte golven & Getijden KWB

Oppervlakte uitwijking van de invallende- en teruggekaatste golf is:

H
i  sin( p )
2
H
t  sin(q)
2
waarin:
p  t  kx
q  t  kx .
Voor de resulterende golf geldt nu:

  i t

H  pq  pq
 * 2 * sin  cos 
2  2   2 

  H sin(t ) cos(kx)

Voor de knopen geldt, dat   0 voor iedere t, dus cos(kx)  0 hieruit volgt:
 L   1 m
kx   m  x   m   x     L ,
2 2  2  4 2 
waarin m een geheel getal is. Er treden knopen op voor:
1 3 5
x L, L, L, .
4 4 4

3.2 Refractie ofwel zwenking
Refractie van watergolven is het verschijnsel van verandering van de
golfvoortplantingsrichting, als gevolg van variaties in de golfsnelheid (c). Langs de
golfkammen, voor zover deze het gevolg zijn van niet-uniforme diepten (bodem refractie) of
stromen (stroomrefractie).
Dicht bij de kust neemt de golfsnelheid af, als gevolg van de waterdiepte vermindering.
Als de golven onder een hoek, dit ondiep-water gebied naderen, buigen zij af. De golflengte L
wordt kleiner, T blijft constant, dus de voorplantingssnelheid c moet kleiner worden, want
L  c T .

18
Korte golven & Getijden KWB

golfkam

golfstraal
c1  t
1
P 1 waterdiepte h1
2 Q
c2  t waterdiepte h2
2

In het gebied met waterdiepte h1 is de voortplantingsnelheid van de golf c1 en in het gebied
met waterdiepte h2 is het c2, daar h1  h2 geldt dat c1  c2 .
sin  1
Voor geldt:
sin  2
c1 * t
sin  1 PQ c
  1
sin  2 c 2 * t c 2
PQ

sin  1 c1
 .
sin  2 c 2

De bovenstaande formule staat bekend als de wet van Snellius.

Door de verandering van de diepte vaak geleidelijk is zal de looplijn niet geknikt, maar
gebogen zijn.

A0 golfkam

1
h= 2Lo

dieptelijnen
A1

kustlijn

Door de golfenergie in punt 0 en 1 te beschouwen kunnen we de volgende functie afleiden.

19
Korte golven & Getijden KWB

H1  kr * ks * H0 ...( 3.1)
waarin:
a0
kr = = refractiecoëfficiënt;
a1
ks = verondiepingscoëfficiënt;
H0 = golfhoogte in punt 0, in diep water.

a0

vlak 1

F1a1

F0a0 h1

h0

a1

vlak 0

Bewijs formule:
Als er geen energiedissipatie optreedt, geldt:
a0 * F0  a1 * F1
voor F geldt, zie :
F  Em2 * n * c
dus:
a0 * Em2 * nc0  a1 * Em2 * nc1
1  1 
a0 *  gH 02 n0 c0  a1 *  gH12 n1c1
8  8 
   
a0 * H0 n0 c0  a1 * H1 n1c1
2 2

anc
H 12  0 0 0 * H 02
a1 n1c1
a 0 n0 c 0
H1  * H0
a1 n1c1
a0 nc
H1  * 0 0 * H0
a1 n1c1
H1  kr * ks* H0 □

De refractiecoëfficiënt (kr) is een functie van:
 bodemtopografie
 waterstand
 periode v/d golf (T)
 invalshoek

20
Korte golven & Getijden KWB

Divergerende looplijnen = zwakke golfaanval
Convergerende looplijnen = zware golfaanval

dieptelijnen

kustlijn zware golfaanval
Refactiediagram voor een onderzeese rug

3.3 Diffractie ofwel buiging

Diffractie is het verschijnsel van zijdelings uitwaaieren van golven achter een obstakel (h >
1/2L0 of h is constant).

De golfhoogte in punt a kunnen we bepalen m.b.v.

H a  kd * H ...( 3.2)

waarin:
kd = diffractiecoëfficiënt (deze kan je bepalen m.b.v. de spiraal van Cornu of met Shore
Protection Manual .

21
Korte golven & Getijden KWB

Voorbeeld (afkomstig uit korte golven van Battjes):

Gegeven:
 = 30o
L = 100 m
H0 = 6.00 m
Gevraagd:
H p1 en H p 2 ofwel kd p1 en kd p 2

Oplossing:
Bepaling van H p1 ofwel kd p1
ry
Als eerst bepalen we: W 
L

r = 200 m
y p1 = 200* cos(30)  174m
r  y 200  174
W   0.26
L 100

Nu kunnen we kd p1 bepalen:
res
kd p1  , deze onbekenden kunnen we opmeten uit de spiraal van Cornu (zie bijlage B.2)
x

22
Korte golven & Getijden KWB

nu wordt,
res 38
kd p1    0.20
x 189
H p1  kd * H  0.20 * 6  1.20m

Bepaling van H p 2 ofwel kd p 2
ry
Als eerst bepalen we: W 
L

r(Q,P2) = 200 * 2m
y p2 = y p1  y p2  200 * cos(30)  200 * sin(30)  274m
r  y 200 2  274
W   0.09
L 100
Nu kunnen we kd p 2 bepalen:
res
kd p 2  , deze onbekenden kunnen we opmeten uit de spiraal van Cornu (zie bijlage)
x

nu wordt,
res 166
kd p 2    0.88
x 189
H p2  kd * H  0.88 * 6  5.28m . □

23
Korte golven & Getijden KWB

4 Brekende golven, set-up (set down) en golfparameter ()

Golven breken als de snelheid van de waterdeeltjes groter word dan de snelheid van de golf.
Een golf verliest veel energie bij het breken. De diepte hb , waar de golf breekt hangt af van de
helling en de golfsteilheid, de golfsteilheid (s) is gedefinieerd als:

 
H  H H ( 2 )  H 
s= , voor diepwater geldt dan:  s0  0
 0
 0  ...( 4.1)
L  L0 g gT 2

 T 2

 2 

Verhoging van het stilwaterniveau (= set-up (Sw)) = 0,15 Hb
Verlaging van het stilwaterniveau (= set-down (Sb)) = 0,05 Hb
Voor S  Sw  Sb  0,20Hb ofwel 0,15hb
De golfbrekingsparameter () is gedefinieerd als:

tan  tan  tan 
   ...( 4.2)
H H 2H
L0 g gT 2
2T 2

M.b.v.  kan het brekentype bepaald worden.

Als  < c breken de golven en als  > c breken de golven niet (c  2.5).

24
Korte golven & Getijden KWB

5 Windgolven, statistiek van windgolven.

5.1 Inleiding.
Het karakter van de wingolven (H, L en T) hangt af van:
 Windsnelheid
 Windrichting
 Strijklengte
 Tijdsduur van de wind

In de praktijk ziet het er niet zo mooi uit, d.w.z. niet een golfhoogte (H), golflengte (L) en
golfperiode (T).

H

H4
H2 H3
H1 t

Berekening gemiddelde golfhoogte
We gaan dit omzetten naar een geschematiseerde golf met een H, T en L.
De significante golfhoogte H s wordt als volgt bepaald:
H s = gemiddelde golfhoogte van 33% van de gemeten golven en wel de hoogste golven.

Naast H s werkt men ook met de gemiddelde golfhoogte ( H gem ) en de root-mean-square
( H rms )
Voor H gem en H rms geldt:

N
1
H gem 
N
H
i 1
i ...( 5.1)

1 N 2
H rms   Hi .
N i 1
...( 5.2)

Voorbeeld:
Op een zekere plaats zijn de volgende golfhoogtes waargenomen (in meters):
2.20;1.90;1.70;1.60;1.50;1.40;1.30;1.25;1.10;1.00;0.90;0.75;0.70;0.50;0.40.
Bepaal H gem , H rms en H s .
Oplossing:
H gem 
1
2.20  1.90  ...   1.21m
15

25
Korte golven & Getijden KWB

H rms 
1
15

2.20 2  1.90 2  ...  1.31m 
Hs 
1
2.20  1.90  1.70  1.60  1.50  1.78m . □
5

Opmerking:
Uit het voorbeeld volgt, dat H gem < H rms , dit geldt altijd, mits niet alle golfhoogten gelijk zijn,
want dan is H gem natuurlijk gelijk aan H rms .

5.2 Rayleigh-verdeling.
Voor het bepalen van de kans op een bepaalde golfhoogte wordt geen gebruik gemaakt van de
normaalverdeling (Gauss verdeling), maar van de Rayleigh-verdeling).


H

Voor de kansdichtheid functie f geldt dat:

2
 H 
 
2H H 
f ( H )  2 * e  rms  ...( 5.3)
H rms


De kans dat een golf een golfhoogte heeft groter dan H is:
 

P H  H  = oppervlakte gestippeld gebied.
 

  f ( H )dH

H
2
  H 
 

2H
 H

2
rms
e  H rms 
dH
H
2
  H 
 
  2H
  e  H rms 
* 2
dH
 H rms
H

26
Korte golven & Getijden KWB

2
  H 
    H 2 
* d     

  e  H rms 
  H rms  

H  


  H  
2

H 
  e  rms  
 
  H
2
  
 H 
 
 H rms 
 e    e  
2
  
 H 
 
 H rms 
e  
.

Als H p de golfhoogte is, waarvoor geldt, dat p (met 0  p  1 ) van de golven een grotere
golfhoogte heeft, dan is:
 

P H  H P   p
 
maar:
2
  
 Hp 
 
 
  H rms 
P H  H P   e  
, dus
 
2
  
 Hp 
 
 H rms 
e  
p
2
  
 Hp 
  ln  p 
 H rms 
 
2
   1
 Hp 
 H    ln  p   ln p 
 rms   
 1
H p  ln   * H rms ...( 5.4)
 p

Voorbeeld:
   
Bepaal: H 1 , H 1 , H 1
en H 1
, als H rms  1.31m .
3 10 100
Oplossing:

1
H 1  ln  *1.31  0
1

H 1  ln 3 *1.31  1.37m
3

H 1
 ln 10 *1.31  1.99m
10

H 1
 ln 100 *1.31  2.81m . □
100

27
Korte golven & Getijden KWB


In de kustwaterbouwkunde wordt er niet zo vaak gewerkt met H p , maar wel met H p (ofwel

H p ). De H p is de gemiddelde golfhoogte van alle golven met een golfhoogte groter of

gelijk aan H p , dus:
H1  H gem (gemiddelde golfhoogte)
H 1  H s (significante golfhoogte) .
3

Opp = p


Hp dH
* = zwaartepunt van het gestippelde gebied met oppervlakte p.

Voor H p geldt dan:

H * f ( H ) * dH
Hp  
 p
...( 5.5)
Hp

In de onderstaande tabel is Hp voor enkele waardes bepaald

p H p / H rms H p / H gem H p / Hs
0.001 2.807 3.167 1.983
0.010 2.359 2.662 1.666
0.020 2.206 2.490 1.558
0.100 1.800 2.031 1.271
1/3 1.416 1.597 1.000
1 0.886 1.000 0.626

Voorbeeld:
Wat is de relatie tussen H gem en H 1 en H s en H 2% ?
3

Oplossing:

H1
3
 1.597  H 1  1.60 * H gem
H gem 3

H 2%
 1.558  H 2%  1.56 * H s . □
Hs

28
Korte golven & Getijden KWB

5.3 Nomogram van Groen & Dorrestein.
5.3.1 Windgolven in diep water

Aan de hand van het nomogram van Groen & Dorrestein (zie bijlage) kunnen we de golfkarakteristieken (H 0, T
en L0) bepalen, als de strijklengte F (ofwel Lf), de windsnelheid en de duur van de “storm” bekend zijn.

Voorbeeld

Bepaal de significante golfhoogte Hs, de periode T en de golflengte L0 als de windsnelheid 20 m/s, de
strijklengte 6.0 km. en de waterdiepte h = 10.0 m. is.

Oplossing:

Wind u = 20 m/s

Voor punt A willen we
Hs, T en L weten.

F = strijklengte

A

Hs Uit het nomogram volgt dat Hs = 1,4 m.
T Uit het nomogram volgt dat T = 3,2 s.

g 2
L0 L0  T  1.56 T 2  1.56  (3.2) 2  16 m.
2
Er dient nog wel gecontroleerd worden of er sprake is van diep water.

h > ½ L0 h = 10.0 m. > ½ L0 = 8.0 m.  er is sprake van diep water. □

5.3.2 Windgolven in ondiep water

Voor ondiep water geldt: h < ½ L0.

We kunnen gebruik maken van het nomogram geldig voor ondiep water (zie bijlage).
Er dient opgemerkt te worden dat Hs en T een afwijking kunnen hebben van 20%.

Voorbeeld

Bepaal de significante golfhoogte en de significante golfperiode als de windsnelheid 20 m/s, de strijklengte 6.0
km. en de waterdiepte h 4.0 m. is.

29
Korte golven & Getijden KWB

Oplossing
Uit het nomogram volgt:

U U 20 F F 6000
   10 en    1500
d h 4.0 d h 4.0

Met behulp van de grafiek en de bovenstaande waardes kan nu de waarde van Hs/d gevonden worden.

Hs/d = 0.25  Hs = 0.25 * 4.0 = 1.00 m.

Tevens kan met behulp van de grafiek de waarde van Ts / d bepaald worden.

Ts / d  2.4  Ts  2.4  4.0  4.8 s. □

6 Getijbeweging

6.1 Inleiding.
De getijbeweging is vrijwel uitsluitend een gevolg van de aantrekkingskrachten van de maan
en zon op watermassa`s.

De door de maan en zon opgewekt getij noemt men het astronomisch getij, door
weersinvloeden kan het werkelijke getij hiervan afwijken.
Tabel met grootheden

Grootheid Waarde
Diameter aarde, bij de equator 12755 km
Diameter aarde pool 12714 km
Diameter maan 3476 km
Diameter zon 7392530 km

Gem. Afstand maan/aarde 384329 km
Gem. Afstand aarde/zon 149360 *103 km

Massa aarde 5.98 *1024 kg
Massa maan 7.34 *1022 kg
Massa zon 1.98 * 1030 kg

30
Korte golven & Getijden KWB

6.2 Evenwichtsgetij.
Evenwichtsgetij is het getij dat zou ontstaan als de gehele aarde met water bedekt zou zijn.
Volgens de gravitatiewet van Newton geldt:
m *m
F f* 1 2 2 ..( 6.1)
r

waarin:
F = kracht tussen twee massa`s, m1 en m2 [N]
f = gravitatieconstante (f = 6,66 *1011 ) [ Nm2 / kg2 ]
m1 en m2 = massa van de hemellichamen 1 en 2 [kg]
r = afstand tussen de zwaartepunten van de twee massa`s [km]

d = 4660 km

31
Korte golven & Getijden KWB

De aantrekkingskracht van de aarde en maan moet in evenwicht worden gehouden door een
andere kracht, een centrifugale kracht.

De aantrekkingskracht tussen aarde en maan is:

ma * mm
F f* ...( 6.2)
r2

De centrifugale kracht is gelijk aan;

Fc  ma * ac
waarin:
Fc = centrifugale kracht
ma = massa van de aarde
ac = versnelling

Voor a c geldt:
ac   2 * d
 = hoeksnelheid
dus:

Fc  ma *  2 * d ...( 6.3)

Daar Fc  F moet gelden:
m *m
ma *  2 * d  f a 2 m
ram

mm
2 *d  f 2
ram
f * mm
 2
ram *d

1 f * mm
 ...( 6.4)
ram d

Deze formule vullen we in:

1 6.66 * 10 11 * 7.34 * 10 22

384329 * 10 3 4660 * 10 3

rad
  2.66 * 10 6
s
rad 1 omw omw
  2.66  10 6    4.24 * 10 7  Tsid  27.3 dagen .
s 2 rad s

32
Korte golven & Getijden KWB

De 27.3 dagen is de exacte omlooptijd van de maan, de siderische omlooptijd (Tsid). Deze
siderische omlooptijd (Tsid) verschilt van de tijd tussen twee opeenvolgende “nieuwe manen”,
de synodische omlooptijd (Tsyn).

Tsid = 27.3 dagen
A
Tsyn = 29.5 dagen A

A

m m
m

Zon

Baan van de Aarde

Voor α geldt:

. Tsyn  Tsid 
360 360
 .Tsyn 
TA Tsid
 
Hoeksnelheid aarde Hoeksnelheis maan
dus:
1 1
Tsyn    29.5 dagen , ...( 6.5)
1 1 1 1
 
Tsid TA 27.3 365

waarin:
Tsid = siderische omlooptijd (de exacte omlooptijd van de maan)
Tsyn = synodische omlooptijd (de tijd tussen twee opeenvolgende “nieuwe manen”)
TA = omlooptijd van de aarde.

33
Korte golven & Getijden KWB

Getijkrachten:

Aarde
Maan

ZA Z ZM

Centrifugaal krachten ten gevolge van draaiing en
translatie om de z-as

+

Aantrekkingskrachten

=

Resultante

Als we de centrifugale- en aantrekkingskrachten optellen krijgen we een resulterende
krachtenveld, zie figuur hieronder. Resultaat op de waterschil.

34
Korte golven & Getijden KWB

Voor de aantrekkende versnelling a a en de centrifugale versnelling a c geldt dat:
m
a a  f 2m
L
mm
ac  f 2
ram

aa
ac

+

 
ram

Voor de versnelling in de N en T richting geldt:

aN 

f * mm * r 3r cos 2    1 
g ...( 6.6)
L2
3 f * mm * sin2 
aT  3
...( 6.7)
2ram

 
De tangentiele versnelling heeft dus een extreme waarde voor    en   ,
4 4
aT  0,82 *106 m / s 2 .


dal rad

berg berg 

dal

Voor de zon is aT  0.38 *106 m / s 2 .

35
Korte golven & Getijden KWB

6.3 Dagelijkse ongelijkheid, spring- en doodtij.
De dagelijkse ongelijkheid
Doordat de aardas niet loodrecht staat op het vlak van de maansbaan, treedt er een dagelijkse ongelijkheid op. De
maximale scheefstand δmax is 28.50. De hoek δ is de declinatie.

ω

h2 h1
MAAN

δ

AARDE

6.4 Astronomisch getij.
Astronomisch getij
Het evenwichtsgetij geeft de werkelijkheid niet goed weer, omdat:

- De zeeën zijn toch te ondiep, want ze moeten zo’n 20 km. diep zijn;
- De aarde is niet in zijn geheel bedekt met water;
- De Coriolis versnelling is niet verwerkt. De waterdeeltjes krijgen op het Noordelijk halfrond een
afwijking naar rechts en op het Zuidelijk halfrond een afwijking naar links.

6.5 Voorspellingsmethoden.

36
Korte golven & Getijden KWB

7 Oude tentamens kustwaterbouwkunde (korte golven en getijden).

7.1 Tentamen van maandag 3 november 2003

Het eindcijfer is het aantal behaalde punten + 10 gedeeld door 10.

Vraag 1 [ 5+5 = 10 punten ]
(a) Bij welke waterdiepte spreekt men van diepwatergolven respectievelijk ondiepwatergolven?
(b) Schets de orbitaalbeweging van een waterdeeltje bij een diepwatergolf en ondiepwatergolf.

Vraag 2 [ 15+5+5 = 25 punten ]
Op een zekere plaats op zee zijn de volgende golfhoogtes gemeten:

golfhoogte gem. aantal frequentie
interval golfhoogte golven
[m] [m]
0.25 - 0.75 0.50 30 0.100
0.75 - 1.25 1.00 60 0.200
1.25 - 1.75 1.50 108 0.360
1.75 - 2.25 2.00 47 0.157
2.25 - 2.75 2.50 25 0.083
2.75 - 3.25 3.00 16 0.053
3.25 - 3.75 3.50 10 0.033
3.75 - 4.25 4.00 3 0.010
4.25 - 4.75 4.50 1 0.003
som: 300 1.000

(a) Bereken de gemiddelde golfhoogte Hgem, de significante golfhoogte Hs en de root-mean-square HRMS.
(b) De golfhoogten hebben een Rayleighverdeling. Bepaal de golfhoogte H, die door 0.1% van de hoogste
golven wordt overschreden en bepaal tevens de gemiddelde golfhoogte van de al de golven met een
golfhoogte  H.
(c) Schets een JONSWAP en Pierson-Moskowitz spectrum en geef een korte beschrijving erbij.

Vraag 3 [ 15 punten ]
golfstraal (looplijn)

a0 = 800 m
0 a1 = 400 m
1
a2 = 100 m
2

golfstraal

Hiervoor staat een gedeelte van een refractiediagram afgebeeld. Bij 0 is a 0 = 800 m en de waterdiepte is h0 = 50
m, bij 1 is a1 = 400 m en de waterdiepte is h1 = 6 m en bij 2 is a2 = 100 m en de waterdiepte is h2 = 4 m.
Bereken de golfhoogte bij punt 0 en 2, als de golfhoogte bij punt 1 2.00 m is (H 1 = 2.00 m) en de periode T = 7 s.

37
Korte golven & Getijden KWB

Vraag 4 [ 45 = 20 punten ]
(a) Volgens de gravitatiewet van Newton trekken de aarde en maan elkaar aan. Waarom botsen deze twee
hemellichamen niet tegen elkaar op? Maak hierbij een duidelijke schets.
(b) Wat verstaat men onder het evenwichtsgetij en astronomisch getij? En waardoor kan het werkelijke
getij van het astronomisch verschillen?
(c) Wat verstaat men onder doodtij en springtij? Maak hierbij duidelijke schetsen.
(d) Waarom zijn twee opeenvolgende hoogwaterstanden (HW) vrijwel altijd ongelijk? En voor welke
specifieke situatie zijn ze aan elkaar gelijk?

Vraag 5 [5+10+5+10 = 30 punten ]

100 m 100 m

B C D
100 m

A 1350 golfbreker

Waterdiepte h= 10 m
Voortplantingsrichting
van de golven

Gegeven is een golfbreker, zie de bovenstaande tekening. De waterdiepte in de wijde omgeving van de
golfbreker is 10 m. De golven, die de golfbreker naderen hebben in diepwater een golfhoogte van 3.00 m en een
periode van 8.0 seconden. De voortplantingsrichting van deze golven staat onder een hoek van 135 o met de
golfbreker.
(a) Bepaal de golfhoogte en golflengte net voor de golfbreker in punt A.
(b) Bepaal de golfhoogtes in de punten B, C en D.
(c) Schets de lijn waar de golfhoogte gehalveerd wordt, ofwel schets de kd = 0.5 lijn.
(d) Schets de kd = 0.6 lijn.

Vraag 6 [ 5+5 = 10 punten ]
45o

IV
dieptelijn
h=5.00 m
waterlijn
III
I II C

A B

diepwater

golfstraal

golffront

In de bovenstaande figuur is een bovenaanzicht van een kustzone gegeven. De dieptelijnen tussen raai I en II en
tussen III en IV zijn recht en evenwijdig en maken onderling een hoek van 45 o. Vanuit diep water naderen
golven met een H0 van 2.00 m en een T van 8.0 s de kustzone, de golfstralen staan loodrecht op de dieptelijnen
tussen raai I en II.

38
Korte golven & Getijden KWB

(a) Schets het refractiediagram, d.w.z. schets het vervolg van de golfstralen. Geef duidelijk aan waar de
golfstralen convergeren dan wel divergeren.
(b) Is de volgende ongelijkheid: HC < HA < HB juist? En verklaar waarom?

39
Korte golven & Getijden KWB

FORMULEBLAD KWB, Korte golven en Getijden.
Golflengte:

L  c T
L  L0 tanh(kh)
waarin:
2
k , het golfgetal;
L
g 2
L0  T  1.56T 2 [m / s 2 ] , golflengte in diepwater.
2

Voortplantingssnelheid van de golf:
c  c0 tanh(kh) .

Voor de x en y component van de orbitaal snelheid geldt:
v x  vˆ x sin( t  kx )
v y  vˆ y cos( t  kx )
2 2
met: k  en   en voor vˆ x en vˆ y geldt (y =0 valt samen met de bodem en y =h valt samen met het
L T
stilwater niveau):

H cosh(ky )
vˆ x  
2 sinh(kh )

H sinh(ky )
vˆ y   .
2 sinh(kh )

De gemiddelde golfenergie per oppervlak:
1
E 2   gH 2 .
m 8
De gemiddelde energieoverdracht in de voortplantingsrichting per tijd en per breedte is:
F  E 2 nc
m
waarin:
1 kh 2
n  en k  .
2 sinh(2kh ) L

Voor refractie geldt:

H1  k r  k s  H 0
waarin:
H0 : golfhoogte in diepwater;
H1 : golfhoogte bij punt 1;
a0
kr : refractiecoëfficiënt k r  ;
a1
ks : shoaling coëfficiënt.

Voor diffractie geldt:
H1  k d  H
waarin:
kd : diffractiecoëfficiënt volgt uit diffractiediagrammen ofwel de spiraal van Cornu.

40
Korte golven & Getijden KWB

Statistiek van windgolven.

De gemiddelde golfhoogte en root-mean-square zijn gedefinieerd, als:
1 N
H gem  H
N i 1 i
1 N 2
H RMS  H .
N i 1 i
De kansdichtheidsfunctie bij een Rayleigh-verdeling is:
2
 H 
 

2H
 e  RMS 
H
f (H )  2
.
H RMS
 
De golfhoogte H p is de golfhoogte, die door p van de hoogste golven wordt overschreden. Voor H p geldt:
 1
H p  ln   H RMS
 p

De golfhoogte H p is de gemiddelde golfhoogte, van de golven met een golfhoogte groter dan H p . Bij een
Rayleigh-verdeling geldt:

Hp Hp Hp
p
H rms H gem Hs
0.001 2.807 3.167 1.983
0.010 2.359 2.662 1.666
0.020 2.206 2.490 1.558
0.100 1.800 2.031 1.271
1/3 1.416 1.597 1.000
1 0.886 1.000 0.626

A Literatuurlijst.
[1] Battjes,J.A.; Korte golven; dictaat TUDelft-faculteit der Civiele Techniek, 1999.

[2] Dean, R.G. and R.A. Dalrymple; Water wave mechanics for engineers and scientists; World
Scientific, 1993.

[3] CERC; Shore Protection Manual; U.S. Army Corps of Engineers, 1984.

41
Korte golven & Getijden KWB

B Bijlagen

B.1 L/L0, n en ks grafiek en tabel.

2.4

2.2
h/L
2.0 n
L/L0=c/c0
1.8 Ks=H/H0

1.6

1.4

1.2

1.0

0.8

0.6

0.4

0.2

0.0
0.00 0.05 0.10 0.15 0.20 0.25 0.30 0.35 0.40 0.45 0.50
h/L0

42
Korte golven & Getijden KWB

ks = ks =
h/L0 h/L n L/L0 H/H0 h/L0 h/L n L/L0 H/H0
0.010 0.040 0.980 0.246 1.440 0.258 0.275 0.6092 0.9388 0.9350
0.012 0.045 0.974 0.275 1.365 0.264 0.280 0.6044 0.9424 0.9369
0.015 0.050 0.969 0.304 1.303 0.270 0.285 0.5998 0.9458 0.9388
0.018 0.055 0.962 0.332 1.250 0.275 0.290 0.5953 0.9490 0.9407
0.022 0.060 0.956 0.360 1.205 0.281 0.295 0.5911 0.9521 0.9426
0.025 0.065 0.948 0.387 1.167 0.286 0.300 0.5870 0.9549 0.9445
0.029 0.070 0.941 0.413 1.134 0.292 0.305 0.5830 0.9576 0.9463
0.033 0.075 0.933 0.439 1.105 0.298 0.310 0.5792 0.9601 0.9482
0.037 0.080 0.925 0.464 1.079 0.303 0.315 0.5756 0.9625 0.9500
0.042 0.085 0.916 0.488 1.057 0.309 0.320 0.5721 0.9648 0.9518
0.046 0.090 0.907 0.512 1.037 0.314 0.325 0.5688 0.9669 0.9535
0.051 0.095 0.898 0.535 1.020 0.320 0.330 0.5656 0.9689 0.9552
0.056 0.100 0.889 0.557 1.005 0.325 0.335 0.5625 0.9707 0.9569
0.061 0.105 0.880 0.578 0.991 0.331 0.340 0.5596 0.9725 0.9585
0.066 0.110 0.870 0.599 0.980 0.336 0.345 0.5568 0.9741 0.9601
0.071 0.115 0.861 0.618 0.969 0.341 0.350 0.5541 0.9757 0.9617
0.077 0.120 0.851 0.638 0.960 0.347 0.355 0.5515 0.9772 0.9632
0.082 0.125 0.841 0.656 0.952 0.352 0.360 0.5491 0.9785 0.9647
0.088 0.130 0.832 0.673 0.945 0.358 0.365 0.5467 0.9798 0.9661
0.093 0.135 0.822 0.690 0.939 0.363 0.370 0.5445 0.9810 0.9675
0.099 0.140 0.812 0.706 0.934 0.368 0.375 0.5423 0.9822 0.9688
0.105 0.145 0.803 0.722 0.929 0.374 0.380 0.5403 0.9833 0.9701
0.110 0.150 0.793 0.736 0.925 0.379 0.385 0.5383 0.9843 0.9714
0.116 0.155 0.783 0.750 0.922 0.384 0.390 0.5365 0.9852 0.9726
0.122 0.160 0.774 0.764 0.920 0.390 0.395 0.5347 0.9861 0.9738
0.128 0.165 0.765 0.777 0.917 0.395 0.400 0.5330 0.9870 0.9749
0.134 0.170 0.756 0.789 0.916 0.400 0.405 0.5314 0.9878 0.9760
0.140 0.175 0.747 0.800 0.915 0.405 0.410 0.5298 0.9885 0.9771
0.146 0.180 0.738 0.811 0.914 0.411 0.415 0.5283 0.9892 0.9781
0.152 0.185 0.730 0.822 0.913 0.416 0.420 0.5269 0.9898 0.9791
0.158 0.190 0.721 0.832 0.913 0.421 0.425 0.5256 0.9905 0.9800
0.164 0.195 0.713 0.841 0.913 0.426 0.430 0.5243 0.9910 0.9809
0.170 0.200 0.705 0.850 0.913 0.431 0.435 0.5231 0.9916 0.9818
0.176 0.205 0.697 0.859 0.914 0.437 0.440 0.5219 0.9921 0.9826
0.182 0.210 0.689 0.867 0.915 0.442 0.445 0.5208 0.9926 0.9834
0.188 0.215 0.682 0.874 0.916 0.447 0.450 0.5198 0.9930 0.9842
0.194 0.220 0.675 0.881 0.917 0.452 0.455 0.5188 0.9934 0.9850
0.200 0.225 0.668 0.888 0.918 0.457 0.460 0.5178 0.9938 0.9857
0.206 0.230 0.661 0.895 0.919 0.462 0.465 0.5169 0.9942 0.9863
0.212 0.235 0.655 0.901 0.921 0.467 0.470 0.5161 0.9946 0.9870
0.218 0.240 0.648 0.907 0.922 0.473 0.475 0.5153 0.9949 0.9876
0.223 0.245 0.642 0.912 0.924 0.478 0.480 0.5145 0.9952 0.9882
0.229 0.250 0.636 0.917 0.926 0.483 0.485 0.5137 0.9955 0.9888
0.235 0.255 0.630 0.922 0.928 0.488 0.490 0.5130 0.9958 0.9893
0.241 0.260 0.625 0.927 0.929 0.493 0.495 0.5124 0.9960 0.9898
0.247 0.265 0.619 0.931 0.931 0.498 0.500 0.5117 0.9963 0.9903
0.252 0.270 0.614 0.935 0.933 0.503 0.505 0.5111 0.9965 0.9908

43
Korte golven & Getijden KWB

B.2 Spiraal van Cornu.

44
Korte golven & Getijden KWB

B.3 Golfhoogte en diepte op het moment van breken, set-up en set-down.

Golfhoogte op het moment van breken (bron. SPM)

Waterdiepte op het moment van breken (bron SPM).

45
Korte golven & Getijden KWB

Grafiek van de Set-up (bron SPM).

B.4 Nomogram van Groen & Dorrestein.

Nomogram voor wind golven in diep water.

46
Korte golven & Getijden KWB

Nomogram voor windgolven in het overgangsgebied (h < 1/2L).

B.5 Bepaling van de gravitatieconstante f.

B.6 Bewijs van formule (6.6) en (6.7).
In deze bijlage wordt een bewijs gegeven van formule (6.6) en (6.7), voor de versnelling in de N en T
richting (normaal en tangentiele richting) geldt:

aN 
 
f * mm * r 3r cos 2    1
g
L2

3 f * mm * sin2 
aT  3
2ram

Bewijs:
Voor de aantrekkende versnelling aa en centrifugale versnelling ac geldt dat:
mM
aa  f …(1.a)
L2
mM
ac  f . …(1.b)
2
rAM

47
Korte golven & Getijden KWB

a a
ac
+

 
ram

Voor de versnelling in de N en T richting (normaal en tangentiele richting) geldt nu dat:

a N  aa cos( )  ac cos( )  g
…(2)
aT  aa sin(  )  ac sin( )

Uit (1) en (2) volgt nu dat:

 cos(   ) cos( ) 
a N  f mM   g …(3.a)
 L2 2 
 rAM 

 sin(   ) sin( ) 
aT  f m M    …(3.b)
 2 2 
 L r AM 

Uit de cosinusregel volgt nu dat:

L2 r 2  rAM
2
 2 r rAM cos 

2 2
rAM rAM

 
2  2 
 L    r  
cos   
r
   1 2  
 rAM 
 rAM rAM  
    
 verwaarlozen 

3
3 
 rAM   
cos  
r 2
    1  2
 L   rAM 

48
Korte golven & Getijden KWB

3

1  
cos  
1 r 2
  1 2
3 3 
L rAM  rAM 

  3   3   3  
      1 2 
1   2     2  2    1
cos   cos 
1 r r
 1  2 2    
3   
L3 rAM 
1!  rAM  
2!   r
AM   
 verwaarlozen 

1  
cos  .
1 r
  1  3 …(4)
3 3
L rAM  rAM 

Uit de sinusregel volgt dat:

L rAM

sin  sin(   )

L sin     rAM sin  . …(5)

Uit de figuur volgt verder, dat:

L cos    rAM cos   r . …(6)

Uit (3) t/m (6) volgt dat:

 r cos   r 1 cos( ) 
a N  f m M  AM   g
 L 2 2 
 L rAM 

 r cos   r  3 r cos   cos( ) 
a N  f m M  AM  1     g
 3 2 
 rAM  rAM  rAM 

  cos   cos( ) 

a N  f mM   
r   1  3 r cos  
   g
  r2 3  2 
 
rAM rAM rAM
  AM 

 
 
 3r cos   3r 2 cos 
2
r 
a N  f mM      g
3 3 4
 rAM rAM rAM 
   
 verwaarlozen 

Als a  R  en x  1,1  , dan is:
1

a a(a  1) 2 a(a  1)( a  2) 3
(1  x) a  1  x x  x  (binomiaalreeks).
1! 2! 3!

49
Korte golven & Getijden KWB

f m M r ( 3r cos 2    1 )
aN   g ,
3
rAM

 r sin( ) sin( ) 
aT  f m M  AM 
 L3 2 
 rAM 

 r sin( )  3 r cos   sin( ) 
aT  f m M  AM 1   
 3
rAM  rAM  2
rAM 
 

 sin( ) 3 r sin  cos  sin( ) 
aT  f m M   
 r2 3
rAM 2
rAM 
 AM 

dus:

3 f m M sin2 
aT  . □
3
2rAM

50