Terra

Aardrijkskunde vmbo theoretisch/havo en havo/vwo 1
tweede editie

Uitdraai van hoofdstuk 1 tot en met 6 van de
digitale docentenhandleiding

Met medewerking van
Pieter van Hof
Yoran Wanningen

ISBN 9001 86049 4

Wolters-Noordhoff Groningen

Wat biedt deze uitdraai?

1

In deze uitdraai vindt u de digitale docentenhandleiding voor Terra theoretisch/havo 1 en havo/vwo 1
tweede editie. De volledige en geactualiseerde digitale docentenhandleiding is te vinden op
www.terra.wolters.nl.
In deze uitdraai zijn de volgende onderdelen opgenomen:
- uitgangspunten
- handreikingen voor inkorten, uitbreiden en variëren van de lesstof
- voorbeeldplanningen
- goed uitgewerkte lestips met een verantwoording van de kerndoelen per hoofdstuk
De links bij de verschillende hoofdstukken zijn niet opgenomen; deze worden regelmatig aangepast.

Wij wensen u veel plezier met Terra!

De samenstellers

2

Inhoud

Uitgangspunten van Terra havo/vwo 1 4
Inkorten, uitbreiden en variëren 5
Voorbeeldplanningen 6

1 Jouw woonplaats 9
Intro 10
1.1 Hoe ziet jouw woonplaats eruit? 11
1.2 In welke woonwijk staat jouw huis? 13
1.3 Zoeken bedrijven elkaar op? 14
1.4 Waar doe jij je inkopen? 15
Bijlagen 16

2 Natuurgeweld 24
Intro 25
2.1 Waarom heeft Nederland geen bergen? 26
2.2 Waarom spuwt de aarde vuur? 28
2.3 Kunnen aardbevingen overal gebeuren? 29
2.4 Hoe verandert de aarde van buitenaf? 31
Bijlagen 32

3 Nieuwe Nederlanders 33
Intro 34
3.1 Waarom gedragen mensen zich verschillend? 35
3.2 Nederland: kleurrijk of kleurloos? 36
3.3 Waarom verhuizen mensen uit hun land? 37
3.4 Waar wonen nieuwe Nederlanders? 38
Bijlagen 39

4 Stad en land verbonden 44
Intro 45
4.1 Hoe ziet Nederland eruit? 46
4.2 Stedelijk of landelijk? 47
4.3 Vervoer in Nederland: auto, trein of schip? 48
4.4 Nederland: fileland? 49
Bijlagen 50

5 Nederlander en Europeaan 51
Intro 52
5.1 Werelddeel Europa: één geheel? 53
5.2 Zijn klimaat en reliëf in Europa overal gelijk? 54
5.3 Maakt het uit in welk deel van Europa je woont? 56
5.4 Samen sterk? 58
Bijlagen 59

6 Inpakken en wegwezen 71
Intro 72
6.1We zijn vrij! Waar gaan we naartoe? 73
6.2 Wat is jouw ideale vakantiegebied in Europa? 74
6.3 Op vakantie, maar waar naartoe? 75
6.4 Hoe ziet je vakantiegebied eruit? 76

3

Uitgangspunten van Terra havo/vwo 1

1 Leerlingen moeten verbanden kunnen leggen (dus bladeren).
2 Aansturing van leerlingen is beknopt.
3 Er is geen specifiek taalbeleid zoals bij vmbo.
4 Leerlingen krijgen geen 'weggevertjes'.
5 Er is variatie op hoog niveau.
6 Gebruik van meerdimensionale bronnen.
7 Accent op tekst.
8 Uitgebreid gebruik van vaardighedenoverzicht.

Hoe werkt Terra havo/vwo?
In de rubriek Methodewijzer leest u meer over hoe de methode werkt.

4

kunt u de opdrachten uit het werkboek geheel of gedeeltelijk als huiswerk opgeven. kunt u een of meer van de facultatieve onderdelen laten vallen of u kunt de opdrachten geheel of gedeeltelijk thuis laten maken. De opdrachten van de ICT-paragraaf @WORK kunnen ook thuis gemaakt worden indien de leerlingen beschikken over een computer met internetaansluiting of over de cd-rom met de i-Module. U kunt er ook voor kiezen om de facultatieve onderdelen te laten vallen of thuis te laten maken. Klassikaal werken Ook als u er voor kiest om de leerstof uit het informatieboek klassikaal te behandelen. 5 . Inkorten en uitbreiden U kunt een hoofdstuk in minder uren doorwerken en toch alle onderdelen behandelen door de opdrachten als huiswerk op te geven. Als voorbereiding op een proefwerk kunt u de leerlingen thuis TEST JEZELF en de digitale oefentoetsen van de i-Module laten maken.Inkorten. De EXTRA-paragraaf biedt mogelijkheden voor differentiatie voor vwo-leerlingen. Variatie in de les Als u meer lesuren aan de facultatieve onderdelen wilt besteden. uitbreiden en variëren De vier basisparagrafen behoren tot de verplichte stof. kunt u de opdrachten bij de basisparagrafen als huiswerk opgeven. De onderstaande onderdelen zijn facultatief:  de hoofdstukopening en TERRA TOPO  de ICT-paragraaf @WORK  de REGIO-paragraaf  de AARDEWERK-opdrachten  het onderdeel TEST JEZELF in het werkboek en de digitale oefentoetsen op de leerlingensite Basisparagrafen Als u meer lesuren wilt besteden aan de basisparagrafen.

§3 introduceren en §2 5% opdrachten maken week les in de klas huiswerk toets 3 1 opdrachten §3 nakijken. Volgens de formele planning zijn er 80 uur beschikbaar. opdrachten §2 §1 5% maken 2 opdrachten §2 nakijken. AARDEWERK opstarten week les in de klas huiswerk toets 6 1 AARDEWERK presenteren 2 TEST JEZELF en digitale oefentoetsen maken week les in de klas huiswerk toets 7 1 hoofdstuktoets maken toets 80% 6 . inclusief de EXTRA-paragraaf voor vwo-leerlingen.Voorbeeldplanningen Bij deze voorbeeldplanningen is uitgegaan van 66 uur in het eerste jaar. §4 introduceren en §3 5% opdrachten maken 2 opdrachten §4 nakijken. §2 introduceren. §1 introduceren en opdrachten maken week les in de klas huiswerk toets 2 1 §1 nakijken. De voorbeeldplanningen zijn uitersten om te laten zien wat mogelijk is aan variatie in werkvormen en aan tijdsbesteding. EXTRA introduceren §4 5% week les in de klas huiswerk toets 4 1 opdrachten EXTRA maken en nakijken 2 @WORK-opdrachten maken en nakijken week les in de klas huiswerk toets 5 1 REGIO introduceren. Daarnaast wordt er ook een suggestie gedaan voor de toetsmomenten en de waardering. klassikaal en zelfstandig werken zonder huiswerk in 13 contacturen week les in de klas huiswerk toets 1 1 hoofdstukopening + TERRA TOPO en opdrachten maken 2 TERRA TOPO nakijken. Hoofdstukplanning met alle onderdelen. Dit geeft u 33 uur voor 3 hoofdstukken: 11 uur per hoofdstuk met een maximum van 13 uur. opdrachten maken 2 REGIO-opdrachten nakijken.

Hoofdstukplanning met alle onderdelen klassikaal inclusief de EXTRA-paragraaf voor vwo- leerlingen en de opdrachten als huiswerk in 11 contacturen week les in de klas huiswerk toets 1 1 introduceren hoofdstukopening + TERRA opdrachten TERRA TOPO TOPO 2 nakijken opdrachten TERRA TOPO. introduceren EXTRA opdrachten EXTRA week les in de klas huiswerk toets 4 1 nakijken EXTRA. introduceren §2 opdrachten §2 2 nakijken §2. opdracht opdracht @WORK 5 % AARDEWERK introduceren AARDEWERK. opdrachten §1 TERRA TOPO 5% introduceren §1 week les in de klas huiswerk toets 2 1 nakijken §1. introduceren opdrachten @WORK @WORK week les in de klas huiswerk toets 5 1 opdrachten @WORK nakijken. introduceren REGIO opdrachten REGIO EXTRA 5% 2 opdrachten REGIO nakijken. introduceren §4 opdrachten §4 2 nakijken §4. TEST JEZELF + digitale oefentoetsen 2 opdracht AARDEWERK presenteren TEST JEZELF + AARDEWERK 5% digitale oefentoetsen week les in de klas huiswerk toets 6 1 hoofdstuktoets maken hoofdstuktoets 60 % 7 . introduceren §3 opdrachten §3 week les in de klas huiswerk toets 3 1 nakijken §3.

Hoofdstukplanning met nadruk op de basisparagrafen zonder huiswerk en zonder EXTRA-
paragraaf voor vwo-leerlingen in 10 contacturen

week les in de klas huiswerk toets
1 1 hoofdstukopening en §1 introduceren

2 §1 opdrachten maken

week les in de klas huiswerk toets
2 1 §1 nakijken, §2 introduceren

2 §2 opdrachten maken

week les in de klas huiswerk toets
3 1 §2 nakijken, §3 introduceren

2 §3 opdrachten maken

week les in de klas huiswerk toets
4 1 §3 nakijken, §4 introduceren

2 §4 opdrachten maken

week les in de klas huiswerk toets
5 1 §4 nakijken, TEST JEZELF maken

2 TEST JEZELF nakijken, digitale oefentoets
maken

week les in de klas huiswerk toets
6 1 hoofdstuktoets maken hoofdstuktoets 100%

8

1 Jouw woonplaats

In het eerste hoofdstuk van Terra komt aan bod hoe de woonplaats van een leerling in Nederland is
opgebouwd.
Paragraaf 1.1 laat zien wat een gemeente is en wat de grote verschillen tussen gemeentes zijn. Ook
wordt ingegaan op inrichtingselementen en bestemmingen.
De tweede paragraaf van dit hoofdstuk behandelt de verschillen binnen een gemeente. Vervolgens
wordt gekeken naar de woonwijken.
In paragraaf 1.3 kijken we waar bedrijven zich vestigen en waarom. Belangrijk zijn daarbij de
vestigingsvoordelen.
De spreiding van voorzieningen wordt in paragraaf 1.4 bekeken. Hoe zijn de winkels verspreid over de
gemeente? en: Waarom is dit zo? Het verzorgingsgebied, reikwijdte en drempelwaarde zijn daarbij
centrale begrippen.

Kerndoel Domein Vaardigheden
Eigen De leerlingen kunnen de ruimtelijke opbouw van hun eigen omgeving
6
omgeving beschrijven en verklaren.
De leerlingen kunnen effecten van veranderingen in natuurlijke en
Eigen
7 maatschappelijke verschijnselen op de ruimtelijke inrichting en
omgeving
leefbaarheid van hun eigen omgeving beschrijven en verklaren.
Eigen De leerlingen kunnen (her)inrichtingsvraagstukken in hun eigen omgeving
8
omgeving beschrijven en beoordelen.
De leerlingen kunnen, onder andere met behulp van de computer,
Vak- gebruikmaken van atlassen, archieven, kaarten en remote-sensingbeelden
2
vaardigheden (met name luchtfoto’s) bij oriëntatie in gebieden en bij beeldvorming over
gebieden, aardrijkskundige verschijnselen, vraagstukken en processen.
Vak- De leerlingen kunnen bij de bestudering van gebieden, aardrijkskundige
3
vaardigheden verschijnselen en vraagstukken aardrijkskundige werkwijzen toepassen.
De leerlingen kunnen uitleggen hoe zij in het dagelijkse leven te maken
hebben met aardrijkskundige vraagstukken, met name op het gebied van
Vak- herinrichting van stedelijke en landelijke gebieden, etnische en ruimtelijke
4
vaardigheden segregatie en/of integratie, verkeersproblematiek, milieu en duurzame
ontwikkeling, Europese integratie, ontwikkelingsproblematiek en
-samenwerking.
De leerlingen kunnen zo zelfstandig mogelijk een eenvoudig
Vak-
5 aardrijkskundig onderzoek van beperkte omvang in de eigen omgeving
vaardigheden
verrichten en daarbij bovenstaande vaardigheden toepassen.

9

Intro

Dit hoofdstuk bevat tips die doorlopen in de
verschillende paragrafen. Het betreft hier altijd de
laatste tip bij een paragraaf, herkenbaar aan de
tekening hiernaast. Deze tips, samengevoegd als
geheel, zijn te vinden in de bijlagen.

10

1.1 Hoe ziet jouw woonplaats eruit?

Tip 1 Vorige school
Laat de leerlingen de omgeving van hun basisschool beschrijven. Welke inrichtingselementen zijn daar
aanwezig en welke bestemmingen hebben deze?
Laat de leerlingen aangeven of zij de omgeving van hun basisschool als slecht of goed leefbaar
beschouwen.

Tip 2 Aanvraag
Neem uit de plaatselijke huis-aan-huiskrant een aantal kennisgevingen van bouwaanvragen mee die
uiteenlopend van aard zijn. Laat een aanvraag van een klein project en een aanvraag van een groot
project zien. De leerling wordt zich zo bewust dat ook voor relatief kleine aanpassingen toestemming
van de gemeente nodig is.

Tip 3 Ideale wijk?
Geef de leerlingen een blanco A4. Laat de leerlingen zelf een wijk ontwerpen. Ze doen dat aan de hand
van de vakvaardigheid Kaarten lezen op bladzijde 141 van het informatieboek.
Geef richtlijnen waaraan de tekening moet voldoen, zoals de afmetingen van verschillende onderdelen
als huizen en wegen, zodat een realistisch beeld ontstaat. De leerlingen moeten hun tekening goed
bewaren.

Ideale wijk!
Aan het eind van het hoofdstuk moeten ze kijken of hun wijk aan vernieuwing toe is. Laat ze hierbij
letten op:
 het aantal huizen per km2
 openbaar groen
 stratenpatroon
 voorzieningen
 parkeerplaatsen
Laat ze hun wijk herinrichten.
Laat de leerlingen ook hun soort wijk benoemen en bepalen welke bevolkingssamenstelling daaraan
verbonden is.
De leerling ziet zo wat hij/zij gedurende dit hoofdstuk heeft geleerd, door het herinrichten van hun
ideale wijk.

Tip 4 Nieuwe kaart van Nederland
Op de Nieuwe kaart van Nederland zijn de bestemmingsplannen van Nederland te zien. Laat de
leerlingen in het computerlokaal op internet uitzoeken welke plannen er voor hun omgeving zijn.
www.nieuwekaart.nl/

Tip 5 Bebouwde kom
Zorg voor een kaartje van de plaats van de school. Geef hierin enkel de grens van de bebouwde kom,
ontsluitings- en waterwegen weer. U kunt dit overtrekken uit het regionale telefoonboek.
Laat de leerlingen op deze kaart het buitengebied lichtgroen en het openbaar groen donkergroen
kleuren.
De leerlingen moeten dit kaartje goed bewaren. In de paragrafen die volgen wordt deze tekening
steeds verder aangevuld. Deze tips zijn te herkennen aan onderstaande animatie
Zoals eerder vermeld, wordt deze tekening in de loop van het hoofdstuk steeds verder aangevuld. Om
het overzicht te hebben van alle opdrachten die tot het uiteindelijke resultaat leiden, kunt u hieronder
de tip als geheel downloaden.

11

worden geprint. Dit document kan dan op sheets die geschikt zijn voor de printer. Of laat het zien met behulp van de computer. 12 . sheets met één ruwe zijde.Om de leerlingen een idee te geven wat het uiteindelijke resultaat moet zijn. De tekening hierboven geeft het beeld weer als u de sheets over elkaar legt. laat u de sheets zien die u in de bijlagen vindt en kunt printen.

en waterwegen weer. de makelaars en het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ze onderzoeken hierbij in wat voor woonwijk ze wonen en wat de kenmerken daarvan zijn. naoorlogse wijk paars en nieuwe woonwijk rood.2 In welke woonwijk staat jouw huis? Tip 1 Wijkonderzoek Laat de leerlingen onderzoek doen naar hun eigen wijk. Geef hierin enkel de grens van de bebouwde kom. Tip 2 (Sub)urbanisatie Leerlingen vinden de begrippen urbanisatie en suburbanisatie moeilijk. wordt deze tekening steeds verder aangevuld. Dit is een aanvulling op de laatste tip uit paragraaf 1. Op de volgende manier kunt u hier aandacht aan besteden. Laat ze dit onderzoek presenteren. Laat de leerlingen uitzoeken waar de woonwijken in hun plaats liggen. U kunt dit overtrekken uit het regionale telefoonboek. Tip 3 Woonwijken Zorg voor een kaartje van de plaats van de school. In de paragrafen die volgen.1. bijvoorbeeld in de vorm van een PowerPoint-presentatie. Deze woonwijken moeten ingetekend worden: oude wijken geel. vooroorlogse tuinwijk oranje. Het schema geeft de verplaatsing van het platteland naar de stad (urbanisatie) weer en de verplaatsing van de stad naar de omliggende plaatsen (suburbanisatie). 13 . Hierbij kunnen ze in het computerlokaal gebruikmaken van de sites van de gemeente.1. Laat de leerlingen dit kaartje goed bewaren. ontsluitings.

Laat de leerlingen de werkgebieden inkleuren. U kunt dit overtrekken uit het regionale telefoonboek. Wanneer u de paragraaf gaat behandelen. Laat een leerling zo’n beroep of activiteit noemen en laat de anderen erop reageren. Geef hierin enkel de grens van de bebouwde kom. Leidt de discussie zodanig. komen de vragen weer terug en kunt u die terugkoppelen naar de quiz. bereikbaarheid 2. De leerlingen geven de vestigingsvoordelen van de verschillende werkgebieden aan door middel van cijfers: 1. Vervolgens schrijven de leerlingen het antwoord op de vraag in hun schrift. zichtlocatie De leerlingen moeten dit kaartje goed bewaren. Tip 2 Moeilijke beroepen of activiteiten Stel de leerlingen klassikaal de vraag of ze een beroep of activiteit willen verzinnen dat/die moeilijk in een bepaalde sector te plaatsen is. aanwezigheid van klanten of andere bedrijven 5. hoeveelheid ruimte 4. Laat de leerlingen de boeken dicht houden en de vragen opschrijven in hun schrift. In de volgende paragraaf wordt deze tekening verder aangevuld.3 Zoeken bedrijven elkaar op? Tip 1 Quiz Laat de leerlingen door middel van een quiz kennismaken met de paragraaf. Laat ze hiervoor de kleur lichtpaars gebruiken. Stel de leerlingen een aantal inhoudelijke vragen over de paragraaf voordat u aan de paragraaf begint. ontsluitings. dat duidelijk wordt in welke sector zo’n beroep of activiteit hoort.1. Vervolgens kunnen ze dan achter elke vraag het juiste antwoord schrijven en hebben ze gelijk een goed overzicht van de paragraaf. Tip 3 Werkgebieden Zorg voor een kaartje van de plaats van de school. 14 .en waterwegen weer. prijs van de grond 3.

1. Laat de leerlingen de volgende dingen nagaan:  welke winkels er zijn  waar de bezoekers vandaan komen  welke winkels in het winkelcentrum je niet zou verwachten Laat ze hun bevindingen noteren in hun schrift. U kunt dit overtrekken uit het regionale telefoonboek. kleiner of gelijk is. Tip 3 Winkelcentra Zorg voor een kaartje van de plaats van de school. Geef hierin enkel de grens van de bebouwde kom. maar ook (om een vollediger beeld te krijgen) met de adressenlijsten van de brugklasleerlingen.4 Waar doe jij je inkopen? Tip 1 Buurtwinkelcentrum Ga met de leerlingen naar een buurtwinkelcentrum in de buurt. Vraag aan de leerlingen of ze denken dat voor de basisschool dit gebied groter. Tip 2 Verzorgingsgebied van de school Laat de leerlingen uitzoeken wat het verzorgingsgebied is van de school. wijkwinkelcentra en winkelcentra aan de rand van de stad 15 . Laat de leerlingen de verschillende winkelcentra door middel van symbolen weergeven in het kaartje.en waterwegen weer. Dit kan gedaan worden door in de klas te vragen waar de leerlingen vandaan komen. ontsluitings. Laat ze daarbij onderscheid maken tussen hoofdwinkelcentra.

Bijlagen I Opdracht Stadsplattegrond II Sheets Stadsopbouw 16 .

Oude wijken geel. vooroorlogse tuinwijk oranje.en waterwegen weer. Laat de leerlingen de vestigingsvoordelen van de verschillende werkgebieden aangeven door middel van cijfers: 1 bereikbaarheid 2 prijs van de grond 3 hoeveelheid ruimte 4 aanwezigheid van klanten of andere bedrijven 5 zichtlocatie Stap 4 Laat de leerlingen de verschillende winkelcentra door middel van symbolen weergeven in het kaartje. Deze woonwijken moeten ingetekend worden. naoorlogse wijk paars en nieuwe woonwijk rood.Bijlage 1 Stadsplattegrond Zorg voor een kaartje van de plaats van de school. Stap 1 Laat de leerlingen op deze kaart het buitengebied lichtgroen en het openbaar groen donkergroen kleuren. wijkwinkelcentra en winkelcentra aan de rand van de stad. U kunt dit overtrekken van het telefoonboek van de plaats. Stap 2 Laat de leerlingen uitzoeken waar de woonwijken in hun plaats zich bevinden. 17 . zodat de leerlingen per gebied een overzicht hebben. Laat ze daarbij onderscheid maken tussen hoofdwinkelcentra. De stappen komen overeen met de paragrafen uit het hoofdstuk. En laat de leerlingen de volgende stappen uitvoeren. ontsluitings. Ook kan elke stap op een overtrekpapier uitgevoerd worden. Laat ze hiervoor de kleur lichtpaars gebruiken. Stap 3 Laat de leerlingen de werkgebieden inkleuren. Geef hierin enkel de grens van de bebouwde kom. De leerlingen kunnen later de verschillende overtrekpapiertjes op elkaar leggen.

18 .

19 .

20 .

21 .

22 .

23 .

24 . aardrijkskundige verschijnselen. kaarten en remote-sensingbeelden vaardigheden (met name luchtfoto’s) bij oriëntatie in gebieden en bij beeldvorming over gebieden. vulkanisme en aardbevingen.2 Natuurgeweld In hoofdstuk 2 komt aan bod hoe de natuur de wereld verandert. de exogene krachten. erosie en sedimentatie aan de orde. archieven. de endogene krachten. onder andere met behulp van de computer. en veranderingen van buitenaf. Hierbij wordt aandacht besteed aan gebergtevorming. Kerndoel Domein Vaardigheden De leerlingen kunnen de ligging en ruimtelijke spreiding van natuurlijke ver- 17 Natuur en schijnselen voor verschillende deelgebieden in Europa en de wereld milieu beschrijven. Vak- 2 gebruikmaken van atlassen. De leerlingen kunnen bij de bestudering van gebieden. Hier komen termen als verwering. vraagstukken en processen Vak. Hoofdstuk 2 heeft betrekking op de kerndoelen 2. De leerlingen kunnen. De eerste drie paragrafen gaan in op de veranderingen van binnenuit. De laatste paragraaf gaat over de veranderingen van buitenaf. aardrijkskundige 3 vaardigheden verschijnselen en vraagstukken aardrijkskundige werkwijzen toepassen. 3 en 17. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen veranderingen van binnenuit de aarde.

Daar lees je hoe de Oude Grieken de verschijnselen gebergtevorming. Encelados. de oppergod. Van woede braakte Encelados vlammen en vuur. Jarenlang woedde een oorlog tussen Zeus en de Titanen. vulkaanuitbarstingen en aardbevingen verklaarden. Zó verklaarden de Oude Grieken vulkaanuitbarstingen en aardbevingen. Na de strijd met de Titanen vielen diverse monsters Zeus aan. En dat ze zo bergen hadden opgeworpen om Zeus te bereiken. In één van die legendes beschrijven ze hoe de oppergod Zeus en de Titanen oorlog voeren. een monster met honderd drakenkoppen. vocht tegen Zeus en verloor ook. kreeg ruzie met de twaalf reuzenkinderen van Ouranos (de hemel) en Gaia (de aarde). Uiteindelijk won Zeus. Aan het landschap van het vasteland van Griekenland kun je nog zien dat daar een hevige strijd geweest is. 25 . Echter. Dan gaat er een trilling door de aarde. Zeus. een gigantische reus. Men dacht namelijk dat de goden met stenen en rotsen naar elkaar hadden gegooid. de Titanen. Een enkele keer verzamelt hij zijn krachten om het nog eens te proberen. Hij gaf het uiteindelijk op. maar hij kon óók niet winnen. Typhon.Intro Tip 1 Legende als inleiding op natuurgeweld Heel vroeger hebben de Oude Grieken legendes geschreven. viel Zeus aan. Zeus besloot om Encelados vast te ketenen onder de Etna. loskomen kon hij niet.

Ook demonstreert u met het ei dat de aardkorst uit verschillende stukken bestaat: maak een paar scheuren in de schaal. U legt hiervoor twee matjes vlak tegen elkaar aan. Indien u niet de beschikking hebt over matjes. was de afstand die hij moest afleggen kleiner dan nu het geval is. de volgende animatie. als u de beschikking heeft over een beamer. Vraag of er leerlingen zijn die wel eens op vakantie waren in IJsland. Vergelijk de aardkorst met de eierschaal. de aardmantel in beweging zet. Tip 7 IJsland IJsland is bekend om zijn aardrijkskundige verschijnselen. In één minuut legt u zo het principe van convectiestromen uit. voldoet een stapel A4-tjes ook goed. Vervolgens snijdt u het ei doormidden zodat de ‘kern’ (dooier). Hierdoor verwarmt het water. de ‘mantel’ (eiwit) en de ‘aardkorst’ (schaal) zichtbaar worden. net als de aardkorst. Het schip van Columbus moest zeven meter minder afleggen dan de schepen nu.1 Waarom heeft Nederland geen bergen? Tip 1 Een ei Met een (hardgekookt) ei laat u de leerlingen zien uit welke drie delen de aarde bestaat. Op de schedel is dit duidelijk te zien door de ‘breuken’. De eierschaal is erg dun. Vervolgens drukt u beide matjes naar elkaar toe. U haalt bij de biologiesectie op school een schedel (of het gehele skelet) van een mens. Tip 3 De reis van Columbus Bij het behandelen van de platentektoniek neemt u de reis van Columbus als voorbeeld. de warmtebron van de aarde. De Euraziatische plaat en de Amerikaanse plaat verwijderen zich namelijk steeds verder van elkaar. Zo maakt u zichtbaar hoe de kern. Onder aan de buis zet u bij voorkeur een brander. Tip 2 Vergelijking van de schedel met de aardkorst Laat leerlingen de overeenkomsten tussen de aarde en een schedel zien. De kleurstof maakt zichtbaar hoe het water gaat stromen. Vul hiervoor een buis met water en voeg daar een kleurstof aan toe. Tip 6 Animatie convectiestromen Projecteer. Tip 5 Convectiestromen Om de leerlingen het proces van de convectiestromen te laten begrijpen demonstreert u (in samenwerking met uw natuurkundecollega) de volgende proef. Hebben zij een geiser gezien? 26 . De schedel bestaat uit meerdere delen. Zie hiervoor de schematische tekening hieronder. Tip 4 Schuimrubberen matjes Laat een echt plooiingsproces zien door makkelijk vouwbare matjes tegen elkaar aan te drukken. net als de aardkorst.2. Toen Columbus in 1492 Amerika ontdekte. U ziet dat de matjes plooien. Hiertoe behoren natuurlijk ook de geisers.

te vinden in de bijlagen. zodat de leerlingen een volledig overzicht hebben. zien.Tip 8 Breuklijnen tekenen Laat de leerlingen aan de hand van het kaartje van de wereld. U laat de tekening aanvullen. platentektoniek. Dit komt in de volgende paragraaf terug. 27 . de breuklijnen intekenen en de platen kleuren. Zo zijn de leerlingen bezig met de ligging van de breuken en de namen van de verschillende platen. Tip 9 Video Laat als aanvulling op uw les de video Geotopics deel 1.

Laat de leerlingen de ligging van deze vulkanen aan de hand van kaarten verklaren. Tip 3 Hawaï Laat kaart 142-143 van de Grote Bosatlas 52e editie (of kaart 126-127 van GB 51e editie) zien. De Mount St. Het puin kwam tot 27 km ver van de Mount St. 28 .1 gebruiken. waarop ze de breuken getekend hebben. Neem de Canarische eilanden als voorbeeld. Leerlingen kunnen het kaartje van Tip 8 uit paragraaf 2. Op deze kaart is te zien dat Hawaï uit verschillende eilanden bestaat.2. Helens. Laat aan de hand van het kaartje zien dat de eilanden steeds kleiner worden naarmate ze meer naar het noordwesten liggen. Laat de leerlingen ook zelf op onderzoek uit gaan. Deze verwoestten met een snelheid van 1000 kilometer per uur de omgeving. Helens terecht. Er werd een hoeveelheid puin van 3 km3 de omgeving ingeblazen met een snelheid van 250 kilometer per uur. Jaren later bleek uit geologisch onderzoek dat de vulkaan inmiddels niet meer actief was. Vraag ze de ligging van de kleine eilandjes te verklaren en hoe het komt dat de eilandjes steeds kleiner worden. Helens weer 350 meter lager. Op 18 mei 1980 barstte de vulkaan opnieuw uit.2 Waarom spuwt de aarde vuur? Tip 1 Mount St. Deze uitbarsting vond plaats in 1857. Uit onderzoek bleek dat de vulkaan 100 meter hoger was geworden. Op 27 maart 1980 werd de vulkaan toch weer actief. Hierdoor kwam de weg vrij voor waterdamp en andere gassen. voorzover bekend. Helens Vertel iets over de Mount St. Laat fragmenten uit deze film zien. Tip 2 Hot spots Laat de leerlingen zien dat er ook vulkanische activiteit ver van de breuken is. Na de uitbarsting van 1980 was de Mount St. maar de inwoners merken dit nu al. Tip 5 Speelfilm De speelfilms Vulcano en Dantes Peak zijn films over vulkaanuitbarstingen: hoe onvoorspelbaar ze zijn en welke gevolgen ze hebben. Dit zijn oudere eilanden die langzaam kleiner worden door erosie en verwering. Dit gaat heel langzaam. Tip 4 Vulkanen tekenen Laat de leerlingen op het wereldkaartje de werkzame vulkanen aangeven. Dit gebeurt natuurlijk ook met het eiland waar de mensen nu wonen. Laat de leerlingen bedenken welke kant de oceanische rug opschuift. Helens is. maar één keer flink uitgebarsten.

U klapt en maakt de vergelijking van een aardbeving met de kracht van één op de Schaal van Richter. Tip 3 Schaal van Richter Leerlingen hebben vaak geen idee wat het verschil is tussen een aardbeving met een kracht van één op de Schaal van Richter en een aardbeving met een kracht van twee. maar zo kunt u wel illustreren dat een aardbeving met een kracht van vijf op de Schaal van Richter aanzienlijk zwaarder is dan een aardbeving met een kracht van vier. Leg uit dat een aardbeving van twee op de Schaal van Richter tien maal zwaarder is dan een aardbeving met een kracht van één. Er werd een balletje losgelaten in de kop van de draak. Door het verschil in tijd te meten bij drie verschillende seismografen kan precies bepaald worden waar de aardbeving heeft plaatsgevonden.3 Kunnen aardbevingen overal gebeuren? Tip 1 Plaatsbepaling van aardbevingen Bij een aardbeving ontstaan verschillende golven: P(primaire)-golven en S(secundaire)-golven. Hoeveel leerlingen zouden er mee moeten klappen? Er zitten geen 100 leerlingen in het lokaal. Voor een foto van de seismoscoop verwijzen wij u naar De geïllustreerde Atlas van China. Als er een aardbeving was. maar veroorzaken minder grote bewegingen. Stel dan de vraag of de klas ook de stap kan maken naar een aardbeving met een kracht van drie op de Schaal van Richter. Dat balletje viel in de opengesperde bek van de pad eronder. die zo zwaar was dat alleen aardbevingen hem konden verplaatsen. komen ze eerder bij een seismograaf dan de S-golven. Op deze manier konden zij snel maatregelen treffen. Nu noemen we deze uitvinding een seismoscoop. De P-golven zijn sneller dan de S-golven. die in de richting keek van de aardbeving. Tip 2 De seismoscoop De Chinezen hadden al in 132 na Chr. Het klappen geeft natuurlijk niet de hevigheid van de trillingen weer die bij een aardbeving ontstaan. Om dit verschil duidelijk te maken.2. dus is dit niet mogelijk. 29 . doet u het volgende. Een slotmechanisme hield de staaf tegen. een uitvinding gedaan om verre aardbevingen te kunnen opsporen. In het apparaat zat een staaf ijzer. Hoeveel leerlingen moeten er nu meeklappen om de zwaarte van een aardbeving met twee op de Schaal van Richter na te bootsen? Laat nu negen leerlingen meeklappen. Doordat de P-golven sneller gaan. zwaaide de staaf de betreffende richting op.

30 . Trillingen van aardbevingen uit heel de wereld die het KNMI registreert worden daar weergegeven. Tip 5 Aardbevingen op internet Bekijk de seismograaf van het KNMI op internet.2 gebruiken. Leerlingen kunnen het kaartje uit de paragrafen 2.Tip 4 Aardbevingen intekenen Laat de leerlingen de gebieden met veel aardbevingen op het wereldkaartje intekenen.1 en 2.

Hoe komt het dat in de buurt van die boom een hobbel in het wegdek zit? Vraag ook aan leerlingen of het volgende ze bekend voorkomt: een gebarsten emmer na een nacht vorst een gebarsten waterleiding na een nacht vorst Tip 2 Verwering bij oude beelden Verwering door zure regen is goed herkenbaar bij oude beelden van bijvoorbeeld kerken. Tip 3 Uitslijting door gletsjers Een mooi voorbeeld van erosie door gletsjers en de vorm die dat kan aannemen. Demonstreer de leerlingen hoe uitslijting door water plaatsvindt.en plantenwortels. Hoe zijn die grote keien hier terechtgekomen? Zijn ze ook door water getransporteerd of is er iets anders mee gebeurd? Voor grote voorwerpen zijn grotere krachten nodig.org.grandcanyon.4 Hoe verandert de aarde van buitenaf? Tip 1 Verwering door planten Iedereen kent de kracht van boom. Het landijs kan grotere voorwerpen transporteren dan het water. Waar blijft het zand dat uit het perkje stroomt? Volg de waterstroom en kijk waar het zand sedimenteert. De keien zijn door het landijs hier neergelegd. Kijk ook op www. Geef zo aan dat de grotere deeltjes eerder sedimenteren dan de kleinere. Tip 4 Uitslijting door rivieren Neem de leerlingen voor ongeveer vijf minuten mee naar buiten. Misschien staat er op het schoolplein een boom die de tegels rondom omhoog werkt. Laat de leerlingen ook hun fietsroute naar school nagaan. Toon hiermee de kracht van gletsjers aan. Giet met de gieter (of spuit met de tuinslang) op het perkje. Vermeldt dat de Grand Canyon op dezelfde manier is uitgesleten door de Colorado-rivier. De Michigan-meren zijn door glaciale erosie uitgesleten en hebben nu een lengte van ongeveer 500 kilometer. U heeft hier een gieter of tuinslang voor nodig en een perkje met niet te vaste grond. fijne deeltjes. Tip 6 Hunebedden Vertel de leerlingen dat hunebedden uit grote keien bestaan. Verdiep dit door naar de grootte van het sediment en de plaats van sedimentatie te kijken. zijn de Michigan- meren in de Verenigde Staten. 31 .2. De beelden van kalk zijn aangetast door het zuur. Tip 5 Sedimentatie Als vervolg of aanvulling op tip 4 demonstreert u ook de sedimentatie. waardoor de afbeelding vervaagd is. Laat leerlingen in hun eigen omgeving zoeken naar beelden waarvan de afbeelding aangetast is.

Bijlagen Wereldkaart 32 .

en aantrekkingsfactoren. autochtonen en allochtonen. De leerlingen kunnen bij de bestudering van gebieden. 3 Nieuwe Nederlanders Dit hoofdstuk gaat over de immigratie van mensen uit gebieden met andere culturen. onderzoekjes en interviews. met name op het gebied van herinrichting van stedelijke en landelijke gebieden. Kerndoel Domein Vaardigheden Multiculturele De leerlingen kunnen het multiculturele karakter van de samenleving in 14 samenleving Nederland beschrijven en verklaren. archieven. De leerlingen kunnen effecten van veranderingen in natuurlijke en 7 Eigen omgeving maatschappelijke verschijnselen op de ruimtelijke inrichting en leefbaarheid van hun eigen omgeving beschrijven en verklaren.Waarom verhuizen mensen? .Welke verschillen zijn er? .Welke invloed heeft het op onze maatschappij? Enkele begrippen die in dit hoofdstuk aan de orde komen zijn cultuur. Ook leren ze verbanden te leggen tussen de verschillende aardrijkskundige verschijnselen. De leerlingen kunnen uitleggen hoe zij in het dagelijkse leven te maken hebben met aardrijkskundige vraagstukken. onder andere met behulp van de computer. Leerlingen krijgen onder andere te maken met verschillende kaarten. migratie. aardrijkskundige verschijnselen. De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden ruimtelijke effecten Multiculturele 15 van de ontwikkeling tot een multiculturele samenleving in Nederland samenleving beschrijven en verklaren. etnische en 4 Vakvaardigheden ruimtelijke segregatie en/of integratie. vraagstukken en processen. ontwikkelingsproblematiek en -samenwerking. De leerlingen kunnen zo zelfstandig mogelijk een eenvoudig aardrijkskundig 5 Vakvaardigheden onderzoek van beperkte omvang in de eigen omgeving verrichten en daarbij bovenstaande vaardigheden toepassen. 33 . milieu en duurzame ontwikkeling.Wat is de multiculturele samenleving? . afstotings. gebruik maken van atlassen. vraagstukken en processen. We gaan in op de volgende vragen: .Waar gaan die mensen zich vestigen? . vluchtelingen en asielzoekers. kaarten en remote- 2 Vakvaardigheden sensingbeelden (met name luchtfoto’s) bij oriëntatie in gebieden en bij beeldvorming over gebieden. verkeersproblematiek. aardrijkskundige verschijnselen.en communicatietechnologie 1 Vakvaardigheden toepassen bij de bestudering van gebieden. Europese integratie. De leerlingen kunnen. aardrijkskundige 3 Vakvaardigheden verschijnselen en vraagstukken aardrijkskundige werkwijzen toepassen. De leerlingen kunnen informatie.

34 . Ook kunnen de ogen met de sokken verbonden worden door middel van muizentrappetjes. De strekking van dit rollenspel is dat de leerlingen elkaar als gelijken zien. De tekst kunnen ze voor zich leggen. Laat de vier leerlingen plaatsnemen achter de banken. Dit geeft een leuker effect. In eerste instantie lijkt deze veel af te wijken van de andere sokken. dol op dansen en mooie kleren.Intro Tip 1 Sokkenkast Om hoofdstuk 3 leuk te introduceren laat u vier leerlingen de sokkenkast uitvoeren. basketbal en dansen. Steek de hand in de sok. Zet hiervoor twee schoolbanken op hun zij en met de poten naar de spelers toe op twee andere schoolbanken. Karakterschets van de vier sokken:  Nike-sok: de stoere sok die onderscheid maakt tussen wat stoer is en wat stom. Is de leider van Fila-sok en Nette-sok. Voor dit rollenspel heeft u nodig:  vier sokken (overeenkomend met de soort sokken)  vier paar ogen(zie bijlage)  het script (zie bijlage)  vier leerlingen Plak of niet de ogen vlak na de plaats van de knokkels aan de sokken. gek op meisjessokken.  Nette-sok: een meeloper. Hieronder vindt u het script voor het rollenspel. Gebruik de hand als mond. ongeacht hun verschillen. maar is dat werkelijk zo?  Fila-sok: een meeloper. de duim is de onderkant van de 'mond' en de vier de bovenkant van de 'mond'.  Geitenwollen-sok: de sok met een eigen wil.

Leg hierbij de overeenkomst uit tussen cultuur en subcultuur. Zo staat in De Grote Bosatlas een wereldkaart van de cultuurgebieden GB52 kaart 190A (GB51 kaart 168A). Ze doen dit aan de hand van de tien cultuurgebieden die genoemd worden op GB52 kaart 190A: Noord-Amerika. Nigeria. hardcoremuziek en Nike-Air-Max- schoenen. zoals een specifieke manier van kleden. Binnen de subculturen vind je ook typerende verschillen. kaalgeschoren hoofden. Tip 3 Subculturen Leerlingen zijn zeker bekend met subculturen.  In Suriname laat men emoties sneller zien dan in westerse landen. Zuidoost-Azië en Australië en Oceanië. denk bijvoorbeeld aan het huilen bij een begrafenis. 35 . ook al denken ze in eerste instantie van niet. de voormalige Sovjetunie. de islamitische wereld.1 Waarom gedragen mensen zich verschillend? Tip 1 Opmerkelijke cultuurverschillen Geef een opsomming van enkele opmerkelijke cultuurverschillen. Door middel van een typerend cultuurkenmerk geven ze hun spreekbeurt vorm. Bij de skaters: wijde broeken met meestal zeer lage kontzakken en rockmuziek. Zuid-Azië. waar de aarde in tien cultuurgebieden onderverdeeld wordt. Denk bij gabbers aan Australian trainingspakken. Op GB52 kaart 151D is te zien dat een gebied in Afrika. In de westerse cultuur vinden we dat onbeleefd. Ook binnen het cultuurgebied Europa zijn verschillen in cultuur aanwijsbaar. Tip 2 Cultuurgebieden Je kunt op verschillende schaalniveaus naar cultuurgebieden kijken. terwijl wij in de westerse cultuur elkaar de hand geven. Latijns Amerika.3. komt het begrip cultuur een stuk dichter bij de leerling.  Ook is het in Japan gebruikelijk om naar elkaar te buigen.  Een bekend verschil tussen de Japanse en de Nederlandse eetcultuur is het boeren na het eten. Oost-Azië. In Japan is het een teken dat het eten goed gesmaakt heeft. Maak de leerlingen met behulp van deze kaarten duidelijk dat cultuurgebieden verschillende schaalniveaus kennen. Daarin wordt de hele Afrikaanse cultuur als één genomen. muziek en omgang. Tip 4 Spreekbeurt Laat de leerlingen in groepjes van drie een spreekbeurt houden. Maak de vergelijking van Nederland met Duitsland en België. zwart Afrika. Europa. toch nog verder is onderverdeeld in cultuurgebieden. Zodra u het hebt over subculturen als gabbers en skaters.

2 Nederland: kleurrijk of kleurloos? Tip 1 Hoe multicultureel eet de leerling? Hoe multicultureel eet de leerling? Ga dit na door middel van deze test. Tevens staan daar gegevens op die u zou kunnen gebruiken. Voorbeelden zijn: . Tip 3 Verjonging door allochtonen Vraag de leerlingen in het boek op te zoeken wat de invloed is op de bevolkingssamenstelling door de aanwezigheid van allochtonen. hoe de bevolkingssamenstelling van Nederland zou zijn als er geen allochtonen zouden zijn. bijvoorbeeld Idols . Wanneer de leerling het meest ja heeft geantwoord.3.bestuur van bedrijven en de overheid . 36 .tv. Bespreek met de leerlingen wat de gevolgen van die vergrijzing voor de maatschappij zouden zijn. Vraag nadat de leerlingen het goede antwoord hebben gevonden.winkels in het winkelcentrum Vraag de leerlingen op basis van de antwoorden die zij hebben gegeven de centrale vraag van de paragraaf 'Nederland: kleurrijk of kleurloos?' te beantwoorden. Tip 4 Kleurrijk of kleurloos? Laat de leerlingen vaststellen of een aantal onderdelen van de Nederlandse maatschappij kleurrijk of kleurloos zijn. ja nee Eet je wel eens rijst? Eet je wel eens pizza? Eet je wel eens shoarma? Eet je wel eens spruiten? Eet je wel eens tortilla’s? Eet je wel eens goulash? Eet je wel eens een hamburger? Eet je wel eens giros? Eet je wel eens chili con carne? Eet je wel eens braadworst? Zie bijlagen voor de vragenlijst op A4-formaat Tip 2 Bevolkingspiramide tekenen Laat de leerlingen een bevolkingspiramide tekenen aan de hand van gegevens die zij gekregen hebben.vrienden . is deze leerling multicultureel.topsport .leraren . Er is een link die verwijst naar een site die informatie geeft omtrent het maken van een bevolkingspiramide.

Tip 4 Push en pull Laat de leerling een lijstje maken met afstotingsfactoren en aantrekkingsfactoren voor Nederland.nl/verhalen. Begin hierover een gesprek met de leerlingen. 37 .3 Waarom verhuizen mensen uit hun land? Tip 1 Verhalen van vluchtelingen Lees een verhaal van een vluchteling voor.fol. Laat de leerlingen een aantrekkingsfactor en een afstotingsfactor noemen die zij in hun schrift hebben staan.vluchtelingenwerk.3.nl Tip 2 Verdrag van Genève Wanneer kun je spreken van een vluchteling? Wat zijn onze verplichtingen tegenover een vluchteling? Dit staat beschreven in het Verdrag van Genève. Laat de leerling in zijn/haar verhaal goed naar voren brengen wat de hoofdpersoon voelt en wat de redenen zijn voor de migratie.htm http://www. Met name na de Tweede Wereldoorlog zijn erg veel Nederlanders naar Canada en Australië gegaan. Door de eeuwen heen zijn veel Nederlanders naar het buitenland vertrokken. Maak een tabel op het bord met aan de linkerkant de aantrekkingsfactoren en aan de rechterkant de afstotingsfactoren. Een reden kan bij de aantrekkingsfactoren staan én bij de afstotingsfactoren. maar Nederland is niet altijd een immigratieland geweest. Laat de leerlingen redenen (aantrekkingsfactoren en afstotingsfactoren) bedenken waarom de mensen in die tijd emigreerden. bijvoorbeeld de aanwezigheid van familie. http://actienachtwacht. U kunt als inleiding van deze opdracht een verhaal voorlezen. Zie hiervoor tip 1. De links verwijzen naar twee sites met daarop verschillende verhalen en gedichten van vluchtelingen. Laat de leerlingen aan het eind van hun verhaal de afstotingsfactoren en aantrekkingsfactoren nog eens kort opschrijven. Tip 3 Opstel Laat de leerlingen een verhaal over een vluchteling van hun leeftijd schrijven. Staan er nog meer redenen bij die ook in de andere kolom zouden kunnen staan? Tip 5 Immigratieland? Leerlingen denken vaak dat Nederland alleen mensen aantrekt. De leerling moet zich inleven in de situatie van de persoon.

nl/public/demos/dm030422. te vinden in de bijlagen. te vinden op de internetsite van DEMOS. uit. Laat de leerlingen het percentage allochtonen per provincie door middel van een staafdiagram en een choropleet (rechter kolom) weergeven. Is de vergrijzing hoger of lager dan het landelijk gemiddelde? Klopt dit met wat ze geleerd hebben in de vorige paragraaf? www. Tip 2 Naambordjes Laat de leerlingen na schooltijd ongeveer een half uur in hun eigen wijk of buurt de naamplaatjes van woningen bekijken. Laat de leerlingen hun resultaten vergelijken met de statistieken van het CBS. Is hun wijk of buurt kleurrijk of kleurloos multicultureel van samenstelling? Vergelijk de verschillende resultaten.nidi.3.4 Waar wonen nieuwe Nederlanders? Tip 1 Politie Geef aan dat een politieagent(e) niet woont in de omgeving waar hij/zij werkt. Laat ze noteren hoeveel achternamen er waarschijnlijk van buitenlandse origine zijn en hoeveel van waarschijnlijk Nederlandse origine.gif 38 . Tip 4 Vergrijzing Laat de leerlingen het kaartje van bron 20 op pagina 64 vergelijken met het kaartje over de vergrijzing. Ga na welke wijk of buurt het meest kleurrijk en welke het minst kleurrijk van samenstelling is. Dit is dus een uitzondering op het punt 'werk in de buurt' van tekst A. Tip 3 Kaart maken Deel een kaartje van de provincies van Nederland.

Bijlagen I Script Sokkenkast II Ogen voor de sokken III Vragenlijst ‘Hoe multicultureel eet jij?’ IV Kaart Provincies Nederland 39 .

) Van binnen zijn we allemaal gelijk! 40 . Fila-sok: Oooh ja. Het gaat om de persoon die we zijn. maar meer kan je niet. ik heb anders grote afstanden afgelegd en grote hoogtes bereikt. man?! Geitenwollen-sok Als die sok dat nou toch leuk vindt. Als je maar goed kan dansen! Fila-sok Ja! Salsadansen met de meisjes! Nike-sok Dansen is toch niet hip. die vind ik ook zóóóóó lekker jonge. Nike-sok. geitenwollen-sok. Fila-sok: Wat heb je daar nou aan! Daar versier je toch geen mooie meisjes-sok mee man! Nike-sok: Nee.Bijlage I Nike-sok: He. Geitenwollensok: Nee. Het gaat om de binnenkant. En bij nette schoenen hoor je al helemaal niet. Tenslotte hebben we van binnen allemaal vijf vingers. Nike-sok Ja. Nette-sok: Met al dat gekriebel zeker. je hebt gelijk. Haha! Hij is heel lekker warm en stevig. ik ben heel lekker warm en stevig. nou. of niet. dan is dat toch prima of niet soms? Ik hou ook van meisjes. wat zie jij eruit! Dat ze jou nog een sok noemen. zooooooo goed voor mijn vezeltjes jonge! Welke gebruik jij? Geitenwollen-sok: Ik gebruik Omo. ik kan er geen genoeg van krijgen. Fila-sok? Fila-sok Nette-sok en Geitenwollen-sok hebben helemaal gelijk! Jij bent eigenlijk een lastige sok! Geitenwollen-sok Nou. en ook sporten is moeilijk! Nette-sok: Ook dat. Haha! Geitenwollen-sok: Ach. Nike-sok: Hoor dat nou Fila. Nette-sok Maar dat is ook niet het belangrijkste. Wat denk jij ervan. Nike-sok: He jongens. een beetje wasverzachter doet wonderen. Nike-sok Ja. Fila-sok? Fila-sok Ja man! Alle sokken (Trek de sok van je hand af. Nike-sok: Een geitenwollen sok?! Geitenwollen-sok: Ja. Nike-sok. Nike-sok heeft het zo waarschijnlijk niet bedoeld. jullie luisteren toch niet naar zo’n dikke sok?! Die krijgt zichzelf nooit in beweging! Geitenwollen-sok: Oh. weet je wel hoe stijf ik anders wordt. Nike-sok: Hehum Fila doe eens normaal! Wil je zeggen dat je elke keer na het basketballen je vezeltjes laat verzorgen? Fila-sok: Jazeker man. We moeten elkaar niet belachelijk maken. Wat ben jij eigenlijk? Geitenwollen-sok: Ik? Nike-sok: Ja jij? Geitenwollen-sok: Ik ben een geitenwollen sok. maar ook van veel andere dingen. Fila-sok: Oeeeeh! Wasverzachter jonge. niet om de buitenkant. maar ik hou de voetjes wel lekker warm. dat misschien niet. Moeten we het nu niet stoer vinden omdat Nike-sok dat niet stoer vindt? Nike-sok Dat slaat toch nergens op! Wat vind jij. je past er niet eens in. Nette-sok Je hebt helemaal gelijk. rustig sokken. Nette-sok: Ook daar kan ik mij wel iets bij voorstellen! Ik heb soms ook last van stijfheid na al het uitgaan.

41 .

Bijlage III Hoe multicultureel eet jij? ja nee Eet je wel eens rijst? Eet je wel eens pizza? Eet je wel eens braadworst? Eet je wel eens shoarma? Eet je wel eens spruiten? Eet je wel eens tortilla’s? Eet je wel eens goulash? Eet je wel eens een hamburger? Eet je wel eens giros? Eet je wel eens chili con carne? Totaal: 42 .

43 .

Toch kan de een niet zonder de ander en daarom zijn ze verbonden met elkaar. De leerlingen kunnen bij de bestudering van gebieden. Europese integratie. De leerlingen kunnen. 44 . Kerndoel Domein Vaardigheden Stedelijke en De leerlingen kunnen een vergelijking maken tussen het ruimtegebruik in 9 landelijke stedelijke en landelijke gebieden in Nederland.Nederland. zijn grondgebruik. aardrijkskundige verschijnselen. gebieden Stedelijke en De leerlingen kunnen de betekenis van toegenomen verkeersmobiliteit 10 landelijke voor stedelijke en landelijke gebieden in Nederland beschrijven en gebieden verklaren De leerlingen kunnen de ruimtelijke opbouw van hun eigen omgeving 6 Eigen omgeving beschrijven en verklaren.en communicatietechnologie toepassen 1 Vakvaardigheden bij de bestudering van gebieden. aardrijkskundige 3 Vakvaardigheden verschijnselen en vraagstukken aardrijkskundige werkwijzen toepassen. vraagstukken en processen. bevolkingsdichtheid. gebruikmaken van atlassen. vraagstukken en processen. archieven. De leerlingen kunnen informatie. kaarten en remote-sensingbeelden 2 Vakvaardigheden (met name luchtfoto’s) bij oriëntatie in gebieden en bij beeldvorming over gebieden. een land met verschillende gebieden met elk hun eigen kenmerken. milieu en duurzame ontwikkeling. De leerlingen kunnen uitleggen hoe zij in het dagelijks leven te maken hebben met aardrijkskundige vraagstukken. ontwikkelingsproblematiek en -samenwerking. met name op het gebied van herinrichting van stedelijke en landelijke gebieden. Begrippen die hierbij aan de orde komen. onder andere met behulp van de computer. verkeersproblematiek. etnische en 4 Vakvaardigheden ruimtelijke segregatie en/of integratie. aardrijkskundige verschijnselen. voorzieningen en mobiliteit.

sheet . Leg De Grote Bosatlas op uw bureau. De Grote Bosatlas . de ‘luchtballon’ en laat het poppetje zogenaamd instappen. Vanuit de lucht heeft de leerling een fantastisch uitzicht! Wat de leerling allemaal ziet komt in dit hoofdstuk aan de orde. De leerling is dat Lego-poppetje. Die wil graag meer weten over hoe Nederland er vanuit de lucht uitziet. Na het betalen stapt hij/zij in en… stijgt op. Benodigdheden: . Leg daaroverheen een sheet ter bescherming van de atlas. laat u de ballon opstijgen: steek het papier bovenaan aan en de ballon stijgt op!!!!! 45 . Ontdoe hiervoor het theezakje van het touwtje. aansteker/lucifers Het verhaal gaat als volgt. Zoek een kaart van Nederland. Wanneer u Nederland vanuit de lucht wilt bekijken.Intro Tip 1 Nederland vanuit de lucht Hoe ziet Nederland er vanuit de lucht uit? Een goede manier om dat te bekijken is vanuit een luchtballon. De ‘leerling’ loopt naar de ‘luchtballon’. Lego-poppetje . Op de atlas loopt u met het Lego-poppetje naar het theezakje. theezakje . zoals de verschillen tussen stedelijke en landelijke gebieden. label. welke hoofdverkeersverbindingen door Nederland lopen en waarom de verkeersdrukte toeneemt. nietje en thee en maak een cilinder van het theezakje dat overblijft.

Tip 2 Hoog. De strip van de neefjes Kwik Kwek en Kwak geeft dit duidelijk aan. 51e editie) gebruiken. Open vervolgens de mappen (verkeer. ook in het rechter scherm. Als u de Ctrl-toets ingedrukt houdt. Tip 3 Kwik. Vergelijk dit met enkele andere gebieden in Nederland.Met het volgende download bestand kunt u eenvoudig laten zien hoe het bodemgebruik in uw omgeving verdeeld is. kunt u met de linker muisknop de totalen van de groepen selecteren. De hoogteligging per postcode is te vinden op de internetsite van het ministerie van verkeer en waterstaat. Het is een Excel bestand dat. Selecteer bovenaan het rechter scherm het tabblad Regio’s en kies de gemeente waar de school zich bevindt. buitenwater) door op het plusteken voor de map te klikken. semi-bebouwd. Klopt het verhoudingsgewijs met de percentages die gelden voor heel Nederland? Kijk op Statline van het CBS Open daar de map Milieu en bodemgebruik in het rechter scherm. Zie de tabel in de bijlagen. kunt u deze tijdens de les met de leerlingen bezoeken. Ze zoeken deze vervolgens op en noteren wat precies het peil is.of in Laag-Nederland? Wat gebeurt er met hun omgeving als de dijken er niet zouden zijn? Hierbij kunt u ook kaart 33A en B van De Grote Bosatlas 52e editie (29A en B van De Grote Bosatlas. Klik op Bodemgebruik in Nederland. ook de waarden en de grafiek op 'Blad 1' laten veranderen. Dit kan op meerdere manieren. bebouwd.en Laag-Nederland Laat de leerlingen navraag doen waar zich in hun omgeving een NAP-meter bevindt. als u de waarden op 'Blad 2' verandert. Kloppen de gegevens die de leerlingen hebben afgelezen op de NAP-meter. als dit vergeleken wordt met de gegevens die het internet geeft? Hiervoor dient de postcode van hun omgeving of die van de school ingevoerd te worden. Wonen ze dus in Hoog. binnenwater. Wat zijn de percentages van de vijf soorten grondgebruik? Presenteer dat aan de leerlingen.1 Hoe ziet Nederland eruit? Tip 1 Grondgebruik omgeving Hoe is het grondgebruik in uw omgeving? Zoek dat samen met de leerlingen uit. recreatie. bos&natuur. Als de NAP-meter in de nabijheid van de school is. Zoek bij het CBS de gegevens die betrekking hebben op de omgeving van de school. Kwek en Kwak Bij EIGENaardig. Tip 4 Wat doen we met de dieren? Welke oplossingen zijn bedacht om dieren niet de dupe te laten zijn van het aanleggen van wegen? Op meerdere internetsites wordt informatie gegeven hoe diverse groepen dieren geholpen worden. landbouw.-) lezen de leerlingen dat de korenwolf de bouw van een heel bedrijventerrein tegen kan houden. 46 . Ook kunt u weer meerdere gebieden selecteren met behulp van de Ctrl-toets.4.

Zet de stedelijke kenmerken in de linker kolom en de landelijke kenmerken in de rechter kolom.2 Stedelijk of landelijk? Tip 1 Vol of ruimte? Organiseer een brainstormsessie met de leerlingen over het volgende: . Zo oefent u de vaardigheid Zoeken op internet en het selecteren van bruikbare afbeeldingen. zodat het visueel wordt gemaakt.agglomeratie Rotterdam . Wanneer het een landelijk gebied gaat. Aan de hand van hun verhaal kunnen ze een illustratie bij de begrippen uit de tekst maken. Tip 4 Visualiseren begrippen Veel leerlingen hebben moeite met de begrippen agglomeratie. 47 . Tevens hebben ze zo een overzicht van de kenmerken van de gebieden. Laat de leerlingen vervolgens op trefwoord zoeken.4.stedelijke zone Randstad Tip 5 Zoeken naar afbeeldingen Laat de leerlingen afbeeldingen van landelijke en stedelijke gebieden zoeken op internet.nl. Verduidelijk deze begrippen aan de hand van een drietal tekeningen. Maar toch blijft de omvang daarvan relatief bescheiden ten opzichte van de agrarische functie. Trefwoorden als stad. Tip 3 Eigen omgeving. Let vooral op de toename van de stedelijke functies en de infrastructuur. city en platteland leveren al gauw goede afbeeldingen op. Laat ze daarbij de typische kenmerken en begrippen uit de tekst benoemen die op de afbeelding aanwezig zijn. Kijk op www.stadsgewest Leeuwarden .Waaruit blijkt dat Nederland nog genoeg ruimte heeft om verder te bouwen? De volgende tabel laat zien hoe het bodemgebruik in de loop der jaren is veranderd.google.Waaruit blijkt dat Nederland geen ruimte heeft om verder te bouwen? . Tevens kunt u enkele praktijkvoorbeelden geven van de deze verschijnselen bij u in de buurt. Laat de leerling daarin in een paar minuten aangeven of deze kenmerken aanwezig zijn in hun woonplaats of niet. moeten ze de onderverdeling van 1 en 2 toepassen die in tekst B staan. stadsgewest en stedelijke zone. U kunt voorbeelden gebruiken als: . Klik vervolgens op Afbeeldingen. Tip 2 Opstel Laat de leerlingen een opstel schrijven over een dag in een stedelijk gebied aan de hand van tekst A en/of een dag in een landelijk gebied aan de hand van tekst B. Laat ze concluderen of ze in een stedelijk gebied of in een landelijk gebied wonen. stedelijk of landelijk? Maak een schema.

4.eic-mainport. trein of schip? Tip 1 Verhouding milieuvervuiling Generaliseer je de verhouding tussen trein. Voor meer informatie kunt u kijken op www. 48 . Tip 3 Reebok De goederen die aankomen in Rotterdam komen uit de hele wereld.en de rechterschoenen van Reebok worden dan ook in aparte containers verscheept! Er is dus een container met alleen maar linkerschoenen en een container met alleen maar rechterschoenen. De linker. Ook containers kunnen gestolen worden. auto en vliegtuig sterk.3 Vervoer in Nederland: auto. Tip 2 Excursie U kunt voor uw leerlingen een excursie organiseren naar het Rotterdamse havengebied. Maar geen enkele manier van vervoer is helemaal veilig. Een ervaren gids neemt in uw bus plaats en geeft informatie over het havengebied. Het EIC is gespecialiseerd in deze excursies. dan wordt algemeen aangenomen dat hun verhouding qua energiegebruik en milieuvervuiling staat als een factor 1 (trein) tot een factor 3 (auto) tot een factor 6 (vliegtuig). Zo ook producten van Reebok. een bedrijf dat zijn schoenen laat maken in onder andere China en een distributiecentrum heeft op de Maasvlakte.nl.

Welke relatie is er tussen verkeersintensiteit en verstedelijking? Wat kunnen de leerlingen zeggen over de ligging van de files uit de top-10? Tip 4 Overschie Files geven veel overlast. Op de site van het Ministerie van verkeer en waterstaat vindt u informatie over spitsstroken.en verkeersdichtheid Laat de leerlingen kaart 58C Intensiteit wegverkeer en kaart 60B Stedelijkheid uit De Grote Bosatlas 52e editie (kaart 52C en 54B van de 51e editie) met elkaar vergelijken. komen er erg veel vuile stoffen in de lucht die slecht zijn voor mens en milieu. 49 .4 Nederland: fileland? Tip 1 Verkeerstelling Verdeel de leerlingen in groepjes. Kijk op de site van de gemeente Dordrecht voor meer informatie. Overschie in Rotterdam(zie ook bron 18) is daar een goed voorbeeld van. Vraag ze daarna hoe dit filevorming kan verminderen. Ontstaat er toch een file. Maak hierbij onderscheid tussen verschillende soorten wegen: bijvoorbeeld doorgaande wegen. Het stadsbestuur besloot om het autogebruik te ontmoedigen. dan is dat voor de wijk Overschie waar de 80 km-zone begint. maar ook de binnenstad raakt verstopt.4. Zij doen elk jaar onderzoek naar verkeersdrukte. waar elke ochtend en avond een file staat. De wijk Overschie ligt langs de drukke A13. ontsluitingswegen en een woonerf. In Nederland zijn wel enkele vergelijkbare projecten bedacht. Zo ook in Londen. Laat ze zich nu verplaatsen in het werk van iemand die bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat werkt. is de doorstroming beter zodat de auto’s kunnen blijven rijden. Laat de leerlingen gedurende (een deel van) het lesuur het aantal auto’s noteren dat voorbijkomt. Tip 2 Spitsstroken Leg aan de leerlingen uit wat spitsstroken zijn. Tip 5 Ontmoedigen Niet alleen op de snelwegen is het druk. Wat kan er geconcludeerd worden over de wegen in de buurt van de school? Laat de leerlingen hiervoor een verklaring zoeken. Doordat de automobilisten steeds stilstaan en dan weer wegrijden. Er kan ook een onderverdeling gemaakt worden naar personenauto’s en vrachtwagens. Niet alleen voor degene die in de file zit. Nu moet je vijf pond (€ 8) betalen om het stadscentrum van Londen binnen te mogen rijden. Doordat de A13 bij Overschie nu een 80 km-zone is geworden. Tip 3 Bevolkings. Bespreek in de les de resultaten. zoals het rekeningrijden en het pollersysteem zoals in Dordrecht wordt toegepast. Daar was de gemiddelde snelheid 15 km per uur door het vele verkeer. maar ook voor anderen. Ga met de leerlingen naar enige nabijgelegen wegen.

6 50 .0 Emmeloord .Bijlagen Amsterdam + 2.5 Almelo + 11.4.5 Rotterdam + 1.9 Vlissingen + 1.0 Groningen + 6.0 Eindhoven + 16.5 Rotterdam Alexander -5.2 Nijmegen + 31.0 Maastricht + 48.

beschrijven en verklaren. welvaart en levensomstandigheden. economische activiteiten. gaan we kijken naar diverse indelingen binnen Europa en gaan we de verschillen in klimaten in Europa bekijken. politiek en cultuur. aardrijkskundige vaardigheden verschijnselen.5 Nederlander en Europeaan In dit hoofdstuk gaan we een beeld vormen van een gebied. zoals 19 ontwikkelingen bevolking. De leerlingen kunnen in Europa belangrijke deelgebieden Internationale onderscheiden op grond van sociaal-geografische kenmerken. Internationale De leerlingen kunnen politiek-geografische ontwikkelingen en de 20 ontwikkelingen gevolgen daarvan binnen Europa herkennen.en communicatietechnologie Aardrijkskundige 1 toepassen bij de bestudering van gebieden. 51 . Internationale De leerlingen kunnen de gevolgen van de samenwerking tussen landen 21 ontwikkelingen van de Europese Unie beschrijven en verklaren. Kerndoel Domein Vaardigheden De leerlingen kunnen informatie. vraagstukken en processen.

Het betreft hier altijd de laatste tip bij een paragraaf.Intro Dit hoofdstuk bevat tips die in elke paragraaf weer aan de orde komen. zijn hier te downloaden. Deze tips. 52 . samengevoegd als geheel. herkenbaar aan de afbeelding hieronder.

5. 53 . De pagina bevat een kaart van Europa met het betreffende gebied gekleurd en de bijbehorende landen genummerd. Laat de leerlingen de foto’s de komende lessen bij zich houden.000 naar Hongarije.1 Werelddeel Europa: één geheel? Tip 1 Vakantiekiekjes Geef de leerlingen als extra huiswerk de opdracht enkele foto’s van Europese (vakantie-) bestemmingen mee te nemen. Dat zie je onder andere ook aan de vakantiebestemming. gebiedskenmerken en bevolkingskenmerken van de verschillende delen van Europa. Aan het eind van dit hoofdstuk heeft de leerling een volledig overzicht van de topografie. hoe verder de landen van Nederland liggen. Deze tips zijn te herkennen aan afbeelding hieronder. In de bijlagen zijn zeven pagina’s opgenomen omtrent deze tip. Op kaart 79E in De Grote Bosatlas (73E GB 51) is te zien dat. hoe kleiner de rondjes worden. De leerlingen maken in de tabel alleen het onderdeel topografie. Elke pagina behandelt één deel van Europa. Wellicht staat er meer op de foto dan ze in eerste instantie dachten… Tip 2 Vakantiebestemming Gebieden die dicht bij elkaar liggen. Zo gaan er elk jaar bijvoorbeeld zo’n twee miljoen Nederlanders naar Frankrijk en maar 50. hebben vaak veel contact met elkaar. Laat de leerlingen de volgende les kijken of ze bepaalde kenmerken op de foto’s kunnen aangeven. Tip 3 Europa in delen: topografie Laat de leerling de topografie van Europa maken aan de hand van de pagina’s die te vinden zijn in de bijlagen. zodat ook gekeken kan worden of er ook specifieke gebiedskenmerken en bevolkingskenmerken op de foto staan. Bij tips in volgende paragrafen worden ze aangevuld. Laat de leerling de pagina’s goed bewaren.

kunnen de ruiten van het lokaal gebruikt worden. Trek weer een cirkel om het verlichte oppervlak. Maak de leerlingen duidelijk dat dit te maken heeft met de invalshoek van de zon. Blaas tegen de ruit en de waterdamp in de warme adem condenseert tegen de ruit. Neem de fles voor het begin van de les mee. Geef daarna aan dat hoogtelijnen een benadering zijn van de werkelijke situatie. Laat een leerling eerst recht voor het bord gaan staan en met de zaklamp op het bord schijnen. Tip 2 Condensatie Koude lucht kan minder waterdamp bevatten dan warme lucht. oftewel: de lucht vlak bij het glas is kouder dan de lucht verder bij het glas vandaan. Dit is gemakkelijk duidelijk te maken door de volgende voorbeelden.2 Zijn klimaat en reliëf in Europa overal gelijk? Tip 1 Invalshoek van de zon Op lage breedte staat de zon hoger aan de hemel dan dicht bij de noord.  Wanneer het buiten koud is.5. Leerlingen vinden het vaak moeilijk wat dit voor invloed heeft op het klimaat. De leerling zal waarschijnlijk de keus maken om de top vanaf de oostkant te beklimmen.of zuidpool. 54 . Maar… (teken het onderste zijaanzicht) de heuvel kan ook zijn als het onderste zijaanzicht. Demonstreer wat er gebeurt met de koude. Trek om het verlichte oppervlak een cirkel. Teken vervolgens het bovenste zijaanzicht. droge fles. Laat nu de leerling aan de rand van het lokaal plaatsnemen en nog eens met de zaklamp op het bord schijnen. dat is de makkelijkste manier om de top te bereiken. De fles zal weer nat worden. waaruit blijkt dat het helemaal nog niet zo eenvoudig is om via die kant de top te beklimmen. condensvorming is het gevolg. Gebruik hierbij een zaklamp en het bord. De lucht vlak bij het glas kan dus minder waterdamp bevatten. Inderdaad.  Vries een flesje water in. er vormen zich kleine druppeltjes. Maak de fles in het lokaal droog. Nu wordt zichtbaar dat het verlichte oppervlak groter wordt naarmate de hoek van inval groter wordt. Stel de leerlingen voor de keus of hij/zij de top van de oostkant of westkant zal beklimmen. Tip 3 Hoogtelijnenraadsel Teken het bovenaanzicht van een heuvel op het bord.

Bij tips in volgende paragrafen worden ze aangevuld. gebiedskenmerken en bevolkingskenmerken van de verschillende delen van Europa. De pagina bevat een kaart van Europa met het betreffende gebied gekleurd en de bijbehorende landen genummerd. Aan het eind van dit hoofdstuk heeft de leerling een volledig overzicht van de topografie. De leerlingen maken in de tabel alleen het onderdeel gebiedskenmerken. Deze tips zijn te herkennen aan de afbeelding hieronder. 55 .Tip 4 Europa in delen: gebiedskenmerken Laat de leerling de gebiedskenmerken van Europa beschrijven door de pagina’s die te vinden zijn in de bijlagen. Laat de leerling de pagina’s goed bewaren. Elke pagina behandelt één deel van Europa.

De schroeven worden vervoerd naar de bouwmarkten en daar verkocht aan ons. 56 . Maar dit gebeurt niet altijd op dezelfde manier. bloem. Het brood wordt vervoerd naar de winkel en daar door de winkellier verkocht aan ons. Primaire sector Door mijnbouw wordt ijzererts gewonnen. zoeken op internet (www. een schroef en een reclamekrantje van een bouwmarkt Neem nu de sectoren stap voor stap door. Tertiaire sector de consument. secundaire en tertiaire sector. Uit deze platen worden schroeven sector gemaakt. Ze kunnen deze gebruiken bij hun presentatie. Overal in Europa werken mensen in de primaire. Secundaire In de hoogovens wordt de erts tot platen verwerkt. stukje staal. Laat de leerlingen het land uitknippen en invullen met verschillende kenmerkende plaatjes. U kunt de foto’s presenteren met behulp van de overheadprojector.google. Secundaire De tarwe wordt vermalen tot bloem en die bloem wordt weer verwerkt tot een het sector brood.nl over hoe in verschillende landen in een sector gewerkt wordt. de Tertiaire sector consument.google. U kunt de foto’s uit de bijlagen gebruiken. Tip 2 Plaatjes van sectoren Gebruik tijdens uw uitleg over de verschillende sectoren enkele typerende foto’s. Primaire sector De boer produceert op het land de tarwe. Voorbeelden kunnen zijn:  Roemenië en volksmuziek  België en patat  Frankrijk en de Eiffeltoren  Noorwegen en trollen  Zweden en sauna’s  Italië en pizza’s  Spanje en stierenvechten U kunt hierbij gebruikmaken van de pagina’s ‘landen’ in de bijlagen waarop een land staat afgebeeld. 2 Productiecyclus van een schroef Benodigdheden: ijzererts. een brood en een broodverpakking Neem nu de sectoren stap voor stap door. Hierbij zijn meerdere voorbeelden te geven.5.3 Maakt het uit in welk deel van Europa je woont? Tip 1 Sectoren Maak de leerlingen de verschillende sectoren duidelijk door een productiecyclus te beschrijven. Tip 3 Presentatie Laat de leerlingen een presentatie houden over een bepaald kenmerk van een Europees land. Hier volgen er twee: 1 Productiecyclus van brood Benodigdheden: tarwe.nl) of andere bronnen raadplegen. Laat ze een onderwerp kiezen dat ze op een leuke manier voor de klas kunnen presenteren. Laat leerlingen plaatjes zoeken op internet via www.

57 . Aan het eind van dit hoofdstuk heeft de leerling een volledig overzicht van de topografie.Tip 4 Europa in delen: bevolkingskenmerken Laat de leerling de bevolkingskenmerken van Europa beschrijven door de pagina’s die te zijn te vinden in de bijlagen. gebiedskenmerken en bevolkingskenmerken van de verschillende delen van Europa. Laat de leerling de pagina goed bewaren. Het pagina bevat een kaart van Europa met het betreffende gebied gekleurd en de bijbehorende landen genummerd. Bij een tip in volgende paragraaf worden ze aangevuld. Elke pagina behandelt één deel van Europa. De leerlingen maken in de tabel alleen het onderdeel bevolkingskenmerken. Deze tips zijn te herkennen aan de afbeelding hieronder.

Tip 2 Specialisatie Maak het begrip specialisatie duidelijk door de leraar van de basisschool te vergelijken met de leraar in het middelbaar onderwijs.wolters. De pagina bevat een kaart van Europa met het betreffende gebied gekleurd en de bijbehorende landen genummerd. maar loopt daar tegen een hoge tariefsmuur op. Tip 3 Weetje Mitsubishi. in het vak gespecialiseerde docent. heeft de leerling een volledig overzicht van de topografie. Deze tariefmuur is zo hoog. Nu.nl. dat Mitsubishi besloot een fabriek in Nederland te openen. ondanks de hoge arbeidskosten. een Japans autofabrikant. aan het eind van dit hoofdstuk. Op de middelbare school krijgt de leerling nu elk vak van een aparte. gebiedskenmerken en bevolkingskenmerken van de verschillende delen van Europa.4 Samen sterk? Tip 1 Oude valuta Laat zien wat één euro waard is in de verschillende oude valuta aan de hand van het bestand dat u kunt downloaden op www. Tip 4 Europa in delen: Europese Unie Laat de leerling aangeven of de landen in Europa in 2005 bij de Europese Unie horen en welke landen nu de euro hebben door de pagina’s (zie bijlagen) verder in te vullen. 58 . Elke pagina behandelt één deel van Europa.terra. taal. De meester of juf op de basisschool wist van alle vakken iets af. exporteert auto’s van Japan naar de EU.5. geschiedenis en aardrijkskunde van dezelfde persoon. De leerlingen kregen rekenen. Zo kunnen ze de auto goedkoper leveren dan wanneer deze geïmporteerd moet worden. De leerlingen maken in de tabel alleen het onderdeel EU.

wolters.Bijlagen I Tips bij Europa in delen II Europa in delen III Vakantiebestemming IV Hoogtelijnenraadsel V Sectoren VI Landen (vanwege de grootte van het bestand is deze niet in de bijlagen opgenomen.nl) 59 .terra. U kunt deze vinden bij de instap van de docentenhandleiding op www.

60 . Zijn klimaat en reliëf in Europa overal gelijk? Laat de leerlingen in de tabel de kolom gebiedskenmerken invullen. Ook moeten ze aangeven hoe de beroepsbevolking verdeeld is in dat deel van Europa.Bijlage I Werelddeel Europa: één geheel? Laat de leerlingen in de tabel de kolom topografie invullen. EXTRA Samen sterk? Laat de leerlingen in de tabel de kolom EU invullen. Maakt het uit in welk deel van Europa je woont? Laat de leerlingen in de tabel de kolom bevolkingskenmerken invullen. De leerlingen moeten aangeven wat de bevolkingsdichtheid is en hoe de welvaart is van het land. De leerlingen moeten de namen van de landen en de hoofdsteden opzoeken. De leerlingen moeten in deze kolom aangeven of de landen in 2005 lid zijn van de Europese Unie en of het land nu de euro hanteert als betaalmiddel. De leerlingen moeten aangeven wat het klimaat. de hoogteligging en het reliëf zijn in een land.

61 Welk deel van Europa wordt op de kaart aangegeven? Topografie Gebiedskenmerken Bevolkingskenmerken EU Land Hoofdstad Klimaat Hoogteliggin Reliëf Bevolkingsdichtheid Welvaart Beroepsbevolking Lid in Euro g Aantal inwoners per km2 BNP per inwoner % van het totaal 2005 1 2 3 4 5 6 Bijlage II 7 8 .

62 Welk deel van Europa wordt op de kaart aangegeven? Topografie Gebiedskenmerken Bevolkingskenmerken EU Land Hoofdstad Klimaat Hoogteliggin Reliëf Bevolkingsdichtheid Welvaart Beroepsbevolking Lid in Euro g Aantal inwoners per km2 BNP per inwoner % van het totaal 2005 1 2 3 4 5 6 7 8 .

63 .

64 Welk deel van Europa wordt op de kaart aangegeven? Topografie Gebiedskenmerken Bevolkingskenmerken EU Land Hoofdstad Klimaat Hoogteliggin Reliëf Bevolkingsdichtheid Welvaart Beroepsbevolking Lid in Euro g Aantal inwoners per km2 BNP per inwoner % van het totaal 2005 1 2 3 4 5 6 7 8 .

65 .

66 Welk deel van Europa wordt op de kaart aangegeven? Topografie Gebiedskenmerken Bevolkingskenmerken EU Land Hoofdstad Klimaat Hoogteliggin Reliëf Bevolkingsdichtheid Welvaart Beroepsbevolking Lid in Euro g Aantal inwoners per km2 BNP per inwoner % van het totaal 2005 1 2 3 4 5 6 7 8 .

67 .

68 Welk deel van Europa wordt op de kaart aangegeven? Topografie Gebiedskenmerken Bevolkingskenmerken EU Land Hoofdstad Klimaat Hoogteliggin Reliëf Bevolkingsdichtheid Welvaart Beroepsbevolking Lid in Euro g Aantal inwoners per km2 BNP per inwoner % van het totaal 2005 1 2 3 4 5 6 7 8 .

69 .

70 Welk deel van Europa wordt op de kaart aangegeven? Topografie Gebiedskenmerken Bevolkingskenmerken EU Land Hoofdstad Klimaat Hoogteliggin Reliëf Bevolkingsdichtheid Welvaart Beroepsbevolking Lid in Euro g Aantal inwoners per km2 BNP per inwoner % van het totaal 2005 1 2 3 4 5 6 7 8 .

71 .

72 Welk deel van Europa wordt op de kaart aangegeven? Topografie Gebiedskenmerken Bevolkingskenmerken EU Land Hoofdstad Klimaat Hoogteliggin Reliëf Bevolkingsdichtheid Welvaart Beroepsbevolking Lid in Euro g Aantal inwoners per km2 BNP per inwoner % van het totaal 2005 1 2 3 4 5 6 7 8 .

73 .

74 .

75 .

primair secundair tertiair 76 .

en communicatietechnologie toepassen Aardrijkskundige 1 bij de bestudering van gebieden. De leerlingen kunnen de ontwikkeling van de openluchtrecreatie en het 12 toerisme en toerisme in Nederland beschrijven en verklaren. aardrijkskundige 3 vaardigheden verschijnselen en vraagstukken aardrijkskundige werkwijzen toepassen. De leerlingen kunnen effecten van veranderingen in natuurlijke en De eigen 7 maatschappelijke verschijnselen op de ruimtelijke inrichting en omgeving leefbaarheid van hun eigen omgeving De eigen De leerlingen kunnen een vergelijking maken tussen het ruimtegebruik in 9 omgeving stedelijke en landelijke gebieden in Nederland. toerisme en vakantie. De eigen De leerlingen kunnen de ruimtelijke opbouw van hun eigen omgeving 6 omgeving beschrijven en verklaren. welvaart en levensomstandigheden. politiek en cultuur. De leerlingen kunnen in Europa belangrijke deelgebieden onderscheiden Internationale op grond van sociaal-geografische kenmerken. aardrijkskundige verschijnselen. Ook gaat dit hoofdstuk verder in op het toepassen van begrippen die in eerdere hoofdstukken behandeld zijn. Recreatie. zoals bevolking. 19 ontwikkelingen economische activiteiten. vaardigheden vraagstukken en processen. 77 . vakantiegebieden Recreatie. Aan de hand van vrijetijdsbesteding en vakantiebestemming wordt de leerling bekend gemaakt met begrippen als recreatie. De leerlingen kunnen ontwikkelingen van het Nederlandse toerisme en 13 toerisme en gevolgen vakantiegebieden daarvan voor vakantiegebieden in Europa beschrijven en verklaren. Kerndoel Domein Vaardigheden De leerlingen kunnen informatie. vakantiegebieden en aantrekkingsfactoren. Aardrijkskundige De leerlingen kunnen bij de bestudering van gebieden. soorten vakanties.6 Inpakken en wegwezen In hoofdstuk 6 leert de leerling verschillende gebieden met elkaar te vergelijken.

Vaak waren de reizen niet voor recreatieve doeleinden. Niet veel mensen gingen op vakantie. Later werd dat niet zozeer een religieuze. Toen was de strandvakantie ook al populair. De toeristen gingen naar verschillende gebieden in Europa. maar meer een recreatieve gebeurtenis. Je kunt de mensen die naar de Olympische Spelen gingen voor hun ontspanning de eerste toeristen noemen. Ook waren er al veel herbergen waar ze terecht konden. De Olympische Spelen in het oude Griekenland zijn een voorbeeld van een religieuze missie ter ere van Zeus. Het volgende stukje kan hierbij gebruikt worden. Er waren heel weinig herbergen waar men kon slapen en heel veel struikrovers. vakantie was echt iets voor de rijken. Het was veel te gevaarlijk. Vanaf de 19e eeuw is het reizen enorm toegenomen.Intro Tip Toerisme door de jaren heen Bespreek de geschiedenis van toerisme. In de tijd van de Romeinen konden vakantiegangers gebruikmaken van het wegenstelsel dat bedoeld was om militairen te verplaatsen. vrije tijd en mobiliteit. Toch kun je niet altijd spreken van toerisme. In de Middeleeuwen werd niet veel gereisd. Men ging vooral naar badplaatsen. maar militaire operaties en religieuze missies. maar nog steeds reisde alleen de elite. Een goed voorbeeld hiervan is het Kurhaus. Mensen gingen echter niet de zee in. De mens reist al eeuwen lang. Onlangs is de eerste toerist de ruimte ingegaan! 78 . gebouwd voor de Duitse elite. Vanaf die tijd is het toerisme toegenomen door de toegenomen welvaart. Men ging steeds verder van huis. Na de Tweede Wereldoorlog is het reizen voor meer mensen mogelijk.

marentehupkes. Wijs aan elk groepje een van de begrippen (recreatie. Laat ze de zonering van het gebied met de daarbij horende voorzieningen aangeven en waar deze geplaatst zijn.1 We zijn vrij! Waar gaan we naartoe? Tip 1 Weekindeling Laat de leerlingen een overzicht maken van de invulling van hun vrije tijd. Ben je zakenman of kleuter. ieder kan voor zijn/haar ontspanning een agrarisch bedrijf bezoeken. zodat er een gemiddelde berekend kan worden.nl/lezingen/lezing_koe_knuffel.agrarischcultuurgoed. Wat doen ze en hoe lang zijn ze ermee bezig? Laat ze hierbij letten op de vrijetijdsbestedingen zoals die in bron 4. De leerlingen zijn nu een ‘expert’ in één van de definities.html Tip 5 Recreatie of toerisme? Geef een aantal voorbeelden. www. Ook kunnen ze aangeven hoe ze zelf het gebied zouden inrichten. Tip 3 Recreatiegebied Laat de leerlingen een kort werkstuk maken of een presentatie houden over een recreatiegebied in hun omgeving.nl/ac/koe_en/koe_en_rust. Zorg nu dat er groepjes gevormd worden waarin een expert van ieder begrip is vertegenwoordigd. Welke voorzieningen zouden ze erbij willen hebben en heeft dat invloed op de zonering? Tip 4 Recreatief medegebruik Een nieuwe vorm van recreatief medegebruik is het koe-knuffelen. Laat de leerlingen bekijken of hun gegevens overeenkomen met de bron. Tip 2 De expert Verdeel de klas in groepjes. De leerlingen moeten hierbij gebruikmaken van de vakvaardigheid Aardrijkskundig werken achter in het informatieboek.htm www. Laat zo elke expert het begrip duidelijk maken. Verzamel alle gegevens van de leerlingen. De leerlingen moeten aangeven of het om recreatie of toerisme gaat. Hiervoor kan ook het Excel-bestand gebruikt worden dat gedownload kan worden. toerisme of vakantie) toe. Laat ze van het toegewezen begrip een definitie formuleren. Klopt hun definitie of zijn er overlappingen met andere definities? Laat de leerlingen een nieuwe definitie maken van elk begrip als blijkt dat de definitie niet goed is geformuleerd. 79 . De voorbeelden kunnen zijn:  slapen bij oma in Alkmaar  dagje naar het Groninger museum  midweek naar een bungalowpark  twee weken Spanje  weekend langlaufen in Duitsland  met een vriendje of vriendinnetje op een camping op de Veluwe Geef aan bij toerisme of het om een lange of korte vakantie gaat.6.

Zoek deze voorbeelden van vakantiegebieden met behulp van de vakantiegidsen op. Tip 2 Jongerenvakanties Laat de leerlingen jongerenreisgidsen meenemen. Wat is dit voor een gebied en wat doen ze daar? Welke foto van bladzijde 125 past daar het beste bij? Maak duidelijk dat deze paragraaf gaat over soorten vakanties en verschillende vakantiegebieden binnen Europa. Bekijk hoeveel van de aangeboden vakanties naar welk land gaan.6. met daarachter enkele goede voorbeelden van het betreffende vakantiegebied. 80 .2 Wat is jouw ideale vakantiegebied in Europa? Tip 1 Ideale vakantiegebied? Vraag de leerlingen waar zij hun vakantie doorbrengen. Komt de uitkomst overeen met de gegevens op het kaartje in het boek? Welke soort vakantiegebieden is populair bij de jongeren? Zijn het actieve of passieve vakanties? Tip 3 Zoeken Laat ze in hun schrift de vakantiegebieden bij tekst C en te zien op bladzijde125 opschrijven.

Zo organiseert Stichting Lanparty voor de derde keer de computervakantie Codemasters Campzone. Je moet immers via het zebrapad oversteken dat 200 meter verder ligt. Denk hierbij aan een veerdienst waarvan gebruikgemaakt moet worden om bij het ene dorp te komen. Hier zitten de ‘vakantiegangers’ dus elf dagen te computeren via een groot netwerk. En de populariteit van bestemmingen buiten Europa stijgt. nu gaan veel meer mensen naar landen rond de Middellandse Zee. Tip 2 Relatieve en absolute afstand Maak de leerlingen de begrippen relatieve en absolute afstand duidelijk door middel van enkele voorbeelden.3 bekijken en de vergelijking maken tussen Zwolle en Vlissingen. Wanneer twee dorpen met eenzelfde absolute afstand vergeleken worden. 2. 81 . Wat valt ze op? Tip 3 Vakantie? Ieder mens heeft zo z’n eigen ideeën over vakantie. Laat ze letten op de absolute afstand en de relatieve afstand. 1. is de absolute afstand niet groot. accommodatie of bereikbaarheid) dat past. kun je als toerist gemakkelijker veel verder komen. Laat de leerlingen bron 14 van paragraaf 4. maar waar naartoe? Laat de leerlingen hun vakantiebestemming van afgelopen zomer aanwijzen op de wereldkaart. goedkope landen en landen die overeenkomen met Nederland. Wanneer je aan een drukke weg staat en je klasgenoot aan de andere kant van de weg. Dit is ook te zien aan de vakantiebestemmingen.3 Op vakantie. Campzone duurt elf dagen en vindt plaats van 25 juli tot en met 4 augustus. Geef aan dat de absolute en relatieve afstand enorm afneemt wanneer er een tunnel door een berg geboord wordt en de mensen niet meer om of over de berg hoeven te reizen. Laat de leerling daarbij aangeven in welke categorie (attractie. Weten ze wel waar ze zijn geweest? Waarom zijn ze juist daar naartoe gegaan? Schrijf de aantrekkingsfactoren op het bord. Net als voorgaande jaren zal het evenement plaatsvinden op het evenemententerrein van Six Flags te Biddinghuizen. Geef aan dat de mensen vroeger veel meer moeite moesten doen om ergens te komen. 3. Er waren nog geen auto’s of andere moderne vervoermiddelen en nog geen goede wegen. Is dit vakantie? Tip 4 Goedkoop of duur? Welke gebieden in Europa zijn goedkoop in vergelijking met Nederland en welke juist duur? Laat ze een lijstje maken met dure landen. kan duidelijk gemaakt worden dat de relatieve afstand erg kan verschillen. maar waar naartoe? Tip 1 Op vakantie. Was vroeger een vakantie in Zeeland erg populair.6. 5. Tegenwoordig hebben veel mensen een auto. Doordat je nu goedkoop kunt vliegen. maar de relatieve afstand wel. 4. Het duurde dus veel langer voordat mensen ergens kwamen.

Laat ze zo ook de bevolkingskenmerken naar eigen wens invullen. Met behulp van de zoekfunctie rechtsboven op het scherm kan gezocht worden op het begrip ‘vakantie’. Tip 3 Vegetatie en klimaat Heeft het klimaat invloed op de plantengroei? Laat de leerlingen dit bekijken in de atlas op de kaart Europa – Fysisch milieu. Vervolgens worden de vragen uitgewisseld. De makers gebruiken vervolgens hun uitwerkingenblad om de vragen na te kijken.6. Trek voor het opstellen van de vragen ongeveer 15 minuten uit. De leerlingen sluiten de boeken en schrijven de antwoorden op de A4 onder de vragen. Na tien minuten worden de blaadjes weer teruggegeven aan de makers. Vervolgens creëren ze hun eigen favoriete vakantiegebied door achter elk van deze kenmerken hun voorkeur te zetten. Laat de leerlingen een kort verslag maken van de filmpjes die ze bekeken hebben. Op een tweede A4’tje maken zij een uitwerking van de vragen. De vragen moeten voortkomen uit de tekst van de paragrafen 3 en 4. Een ruim aanbod van filmpjes met betrekking tot vakantie biedt zich aan. Begrijpt iedereen de stof al een beetje? Tip 2 Hoe ziet jouw vakantiegebied eruit? Laat de leerling elk van de gebiedskenmerken uit paragraaf 4 in hun schrift schrijven. Dit blaadje blijft bij het tweetal.nosjournaal.nl een aantal filmpjes bekijken die gaan over vakantie. Klimaatgebieden I en Oorspronkelijke plantengroei. 82 .4 Hoe ziet je vakantiegebied eruit? Tip 1 Leren door vragen Laat de leerlingen in tweetallen op een A4’tje vijf vragen opstellen. Wat kunnen zij concluderen? Tip 4 Het journaal Laat de leerlingen op de website www.