Persoonlijke visie

Hoe zie ik mij zelf later in het onderwijs? En wat vind ik belangrijk voor later als ik aan het
werk ga? Dit zijn vragen waar iedere student op de Academie voor Lichamelijke Opvoeding
mee zit. Elke docent heeft zijn eigen visie en geeft op zijn eigen manier les. Mijn visie zal ik
gaan beschrijven in vier verschillende hoofdstukken. Maatschappelijke visie, pedagogische
visie, de visie op leren en de visie op het bewegen.

1 Maatschappelijke visie

1.1 21st Century Skills
De technologische ontwikkeling groeit heel snel en deze heeft invloed op de nieuwe
maatschappij van de 21e eeuw. We leven namelijk tegenwoordig in een maatschappij waarbij
we alles met elkaar delen. Binnen het onderwijs is daarom ook onderwijs voor de toekomst
een veel besproken onderwerp binnen het onderwijsdebat. Het onderwijs voor de toekomst
wordt ook wel 21st Century Skills genoemd. Binnen verschillende instanties wordt er
wereldwijd veel onderzoek naar gedaan (21st Century Skills, 2016). Zo heeft ook de SLO
onderzoek gedaan naar het veel besproken onderwerp. Uit onderzoek bleek dat 21st Century
Skills bestaat uit de volgende acht basisvaardigheden: creativiteit, kritisch denken,
probleemoplosvaardigheden, communiceren, samenwerken, digitale geletterdheid, sociale
en culturele vaardigheden en zelfregulering. Bij digitale geletterdheid gaat het om een
combinatie van ICT-(basis)vaardigheden (het kunnen omgaan met ICT en computational
thinking), informatievaardigheden en mediawijsheid (A. Thijs, 2014).

De SLO geeft aan dat al deze vaardigheden wel
bekend zijn bij de docenten, maar dat er niet met alle
vaardigheden wat gedaan wordt. Ze geven zelfs aan
om misschien de kerndoelen van de SLO aan te
passen naar de basisvaardigheden van 21 st Century
Skills. Hierbij willen ze vooral de punten digitale
geletterdheid naar voren laten komen.

Zelf sta ik achter deze theorie. Ik vind dat je als docent
moet meegaan met de tijd en moet luisteren naar de
interesses van leerlingen. Zo zal er ook meer
commitment (E. Harting, 2006) ontstaan tussen de
docenten en de leerlingen.
Figuur 1 21st Century Skills (Modellen, 2016)

Commitment zorgt voor betere resultaten binnen het doel dat is vastgesteld. Als
tegenwoordig de maatschappij gaat over kortom gezegd creativiteit, samenwerken en
digitale geletterdheid vind ik dat je daar niet omheen kan. Ik vind dat je daar wat mee moet
doen als daar de interesse naar is. Meer interesse is meer resultaat.
1.2 Respect
Nederland is een welvarend land met verschillende geloven en culturen, ook op school.
Deze verschillende geloven en culturen moeten met elkaar kunnen omgaan in één
omgeving. Dit kan soms nog wel eens lastig zijn. Ik denk dat met de volgende twee punten
de omgang met elkaar makkelijker zou zijn.

 Respect voor elkaar
 Gelijkwaardigheid

Deze twee punten vind ik belangrijk omdat als er respect is voor een ander zal er ook
respect zal zijn voor jou. Daarnaast moet iedereen gelijkwaardig worden behandeld. Het kan
niet zo zijn dat iemand wordt voorgetrokken om zijn cultuur of geloof. We wonen met zijn
allen in Nederland en iedereen heeft recht op een goede toekomst. Het moet niet uitmaken
of iemand gehandicapt, arm/rijk , een andere cultuur heeft of een ander geloof heeft.
Iedereen heeft recht op een juiste toekomst.

1.3 Sociaal economische positie
Uit onderzoek blijkt dat lagere sociaal economische positie samen hangt met geringe
sportdeelname (Roode, 2015). Nu is het de vraag of hier de overheid wat mee kan doen of
niet. De meeste gezinnen hebben vaak dan geen geld voor een sportvereniging. Als docent
kan je hier weinig aan veranderen aangezien wij niet kunnen bepalen of hier wel of niet geld
naartoe gaat. Zelf vind ik het wel belangrijk dat iedereen die wil sporten moet kunnen
sporten. Ik vind dat er subsidies moeten zijn voor kinderen die wel willen sporten maar dit
niet kunnen.
2 Pedagogische visie

“Een leraar die pedagogisch competent is, biedt de leerlingen in een veilige leeromgeving
houvast en structuur bij de keuzes die zij moeten maken en hij bevordert dat zij zich verder
kunnen ontwikkelen. Zo’n leraar zorgt er voor dat de kinderen weten dat ze er bij horen en
welkom zijn; weten dat ze gewaardeerd worden; op een respectvolle manier met elkaar
omgaan; uitgedaagd worden om verantwoordelijkheid te nemen voor elkaar; en initiatieven
kunnen nemen en zelfstandig kunnen werken.” (Leraren, 2004). Dit citaat vond ik in het boek
Onderwijs met pedagogische kwaliteit.

Uit dit citaat komen de volgende punten naar voren:

 Veilige leeromgeving
 Houvast en structuur bij keuzes
 Bevorderen van het verder kunnen ontwikkelen

Als ik deze drie punten zie ben ik het hier volledig mee eens. Ik zie hier zelfs een cyclus in
die je als docent kan aanhouden om succes te creëren bij leerlingen. Zelf zou ik er nog
communicatie aan toevoegen. Zonder communicatie kan een docent niet weten wat een
leerling wil.

Veilige
leeromgeving
Succes!

Houvast en
Communicatie structuur bij
keuzes

Bevorderen
Succes bij van het verder
leerling kunnen
ontwikkelen

Figuur 2 Pedagogische cyclus tot succes

2.1 Houvast en structuur bij keuzes
Het eerste punt die in mijn pedagogische cyclus tot succes benoemd is, is houvast en
structuur tijdens keuzes. Uit onderzoek blijkt dat keuzes maken als docent gevolgen kunnen
hebben op verschillende aspecten tijdens de les. (Schaveling, 2009). Ik vind dat je als docent
je eigen keuzes kunt maken aangezien elke docent op zijn/haar eigen manier les mag
geven. Daarnaast vind ik het wel belangrijk dat mijn keuzes onderbout moeten kunnen
worden. Zo blijf ik bewust bezig met de keuzes die ik maak.
2.2 Bevorderen van het verder kunnen ontwikkelen
Zodra ik als docent bewust keuzes kan maken kan ik me meer focussen op de ontwikkeling
van de leerlingen. Hierbij vind ik dat ik als docent de leerlingen de ruimte moet geven om
zich te kunnen ontwikkelen. Hierbij komt het woord differentiatie naar voren. Differentiatie
betekend officieel volgens het woordenboek het uiteenlopen; verscheidenheid. (Van Dale,
2014). Dit wil zeggen dat er verschillen zijn. Ik vind dat iedereen verschillend is en dat we als
docenten niet de leerlingen in hokjes moeten plaatsen. Ik vind dat we als docenten juist de
leerlingen de ruimte moeten geven om op hun eigen niveau te kunnen ontwikkelen. Dit door
te proberen om als docent verschillende situaties te ontwikkelen voor verschillende niveaus
in de klas.

2.3 Succes bij leerling
Als de cyclus nog goed loopt betekend het dat iedere leerling op eigen niveau zich kan
ontwikkelen. Hierbij ontstaat er succesbeleving bij de leerlingen in de klas, omdat ze op hun
eigen niveau kunnen ontwikkelen. Succesbeleving zorgt voor een positieve sfeer in de les.
Niks vind ik fijner dan dat er een positieve sfeer hangt in mijn lessen. Want dit betekent voor
mij dat ik als docent dan de juiste keuzes heb gemaakt en de leerlingen zich goed kunnen
ontwikkelen. Ook een beetje succes bij de docent dus!

2.4 Communicatie
Ik denk dat het belangrijk is om als docent te weten hoe de leerlingen hun ontwikkeling
ervaren. Als dit positief is kan je dit namelijk als docent meenemen naar andere lessen. Als
het niet positief is vind ik dat je als docent moet terug kijken naar wat er mis is gegaan in de
cyclus en daar waar het nodig is aanpassen. Ook als docent kan er dan vervolgens worden
gepraat met de leerlingen. Zo heeft zowel de docent als de leerling meteen een reflectie op
de cyclus. Deze communicatie kan op verschillende manieren worden gehouden. Aan de
hand van enquêtes, gesprekjes, beoordelingen, etc.

2.5 Veilige leeromgeving, succes!
Als alle punten die hier boven zijn benoemd goed gaan denk ik dat je als docent een veilige
leeromgeving hebt ontwikkeld. Zowel voor de leerlingen als voor jezelf als docent.

2.5.1 Hoe hanteer ik dit?
Tijdens mijn lessen LO wil ik graag aan het begin van de les vertellen wat de leerlingen gaan
doen. Daarnaast probeer ik altijd terug te koppelen waarom ik iets doe. Dus hierbij
verantwoord ik mijn keuze. Daarbij vind ik ook dat je als docent je fouten moet toegeven bij
een klas en verteld hoe het wordt opgelost i.p.v. de schuld bij de leerlingen leggen.

Tijdens de activiteiten die er worden verzorgd denk ik als docent na over een stap naar voren
en weer een stap terug. Dus kort gezegd een differentiatie. Ik vind het belangrijk dat je als
docent altijd iets makkelijker kunt verzinnen en iets moeilijks.

Aan het eind van de les vraag ik wel eens om de mening van de leerlingen. De ene keer doe
ik dit klassikaal. De andere keer vraag ik het persoonlijk aan een leerling.

Een les waarin ik mijn keuzes verantwoord, zorg voor differentiatie en vraag om de mening
van de leerling zou moeten leiden tot een pedagogische verantwoorde les. Als er ook nog de
succesbeleving is bij de leerlingen is de pedagogische cyclus weer rond.
3 Visie op onderwijs

3.1 Leren leren
Leren verloopt het best wanneer leerlingen er zelf actief en zelfstandig vorm aan geven,
althans wanneer zij daar toe in staat zijn. (Simons, 2015). Dit is wat meneer Simons zegt in
zijn onderzoek naar leren leren. Het leren leren vind ik heel belangrijk voor de ontwikkeling
van een leerling. Dit betekend dat een leerling niet alleen leert omdat het moet, maar dat hij
zich ook bezig houdt met het leren.

Het leren leren kan op verschillende manieren worden toegepast. Dit kan namelijk door een
leerling verschillende rollen te geven tijdens de lessen (coach, deelnemer, scheidsrechter,
etc.) Ook kunnen leerlingen elkaar gaan coachen en helpen. Dit door elkaar te reflecteren en
beoordelen i.p.v. de docent. Zo zijn ze meer bezig met het leerproces. Deze manier van les
geven lijkt heel veel op The Reciprocal Style van de spectrumtheorie van en Mosston en
Ashworth (Mosston, 2003).

Deze manier van lesgeven wil ik graag toepassen in mijn lessen. Dit omdat blijkt uit
onderzoek dat leerlingen die elkaar gaan observeren en coachen meer plezier hebben, ze
het gevoel hebben dat ze meer leren en dat de resultaten daadwerkelijk ook beter worden
(Dokkum, 2011). Zelf merk ik ook dat je als docent zo meer overzicht hebt in de les waardoor
je weer op anderen dingen kunt gaan letten.

3.1.1 Hoe hanteer ik dit?
Afbeelding 3.1 Zelfstandigheid

Elke klas of leerling kan ‘leren leren’. Wel is
er verschil in niveau. Zowel op sociaal-
emotioneel niveau, cognitief niveau als
motorisch niveau. Ik denk dat al deze drie
niveaus hebben te maken met hoever een
persoon kan leren leren. Hieronder heb ik
een grafiek gemaakt. In deze grafiek zal
worden aangegeven hoever een leerling
kan leren leren en hoe ik dit hanteer in me
lessen met enkele voorbeelden. Waarom ik
voor deze volgorde kies? Eerst moet je de
spelregels van een sport kennen voor dat
er meer geleerd kan worden over de sport.
De spelregels worden het beste geleerd naar mijn mening als je scheidsrechter bent.
Vervolgens kan er gecoacht worden met deze regels. Hierbij vind ik dat je als docent ook
moet blijven coachen. Bij sommige klassen komt het voor dat ze elkaar instructie kunnen
geven.

Dit niveau ligt vaak al erg hoog en komt ook niet altijd voor in mijn eigen lessen. Ten slotte
kunnen leerlingen elkaar beoordelen. Dit is alleen het geval als er leerlingen zijn die alle
regels kennen, weten waarop ze moeten letten en wanneer er objectief naar de sport
gekeken kan worden. Het laatste niveau is vrij hoog en zou ik niet snel doen in het onderwijs.
3.2 Beoordelen aan de hand van een assessment
Vaak worden er in het bewegingsonderwijs nog cijfers gegeven op het resultaat van de
leerling en niet op het leerproces. Ik vind zowel het resultaat als het leerproces belangrijk van
een leerling. Niet iedereen is even goed in sport, maar de één doet veel meer zijn best om
zich te ontwikkelen dan de andere. Soms krijgt iemand die goed presteert een beter cijfer
met weinig inzet terwijl iemand die keihard oefent een laag cijfer krijgt. Dit vind ik onterecht
beoordelen, omdat ik vind dat je als docent op beide punten moet letten.

In het Amerikaanse taalgebied staat assessment voor de meetactiviteit en het evalueren: het
beoordelen en het waarderen van leerprestaties (L.K.J. Baartman, 2004). Bij een
assessment komen voornamelijk de volgende punten naar voren (Segers, 2004):

 Beoordeling door jezelf en een docent
 Beoordelen op een leerproces
 Voorbereiding op toekomstig functioneren, waarin de eigen processen en producten
moeten kunnen worden geëvalueerd.

3.3 Digitalisering in de les als middel
Meegaan met de toekomst is wel één van de punten waar ik mij als docent aan vast hou.
Hoe meer we als docenten mee gaan met de modernisatie in het onderwijs, hoe beter het zal
gaan worden. Hoe doen we dat dan? Door gebruik te maken van digitalisering in de lessen.
Dit door bijvoorbeeld videoanalyse, of voorbeelden opzoeken op het internet. De leerlingen
zullen het leuker gaan vinden, omdat het bij hun doelgroep past. Daarnaast is de
digitalisering een hulpsteuntje voor alle docenten.

Figuur 3 Relaties tussen drie actoren

3.4 Actief in de BOS-diehoek
Sinds 1960 is de toename van vrije tijd toegenomen
(Roode, 2015). Veel mensen hebben vrije tijd, maar
weten nog niet wat ze ermee moeten doen. Niet alle
sporten zijn mogelijk om te doen tijdens de lessen
LO in het onderwijs. Hiervoor is het belangrijk om als
docent externe connecties te hebben buiten het
onderwijs. Dit kan bij verschillende sportverenigingen,
bedrijven of bij de gemeente. Als docent vind ik het
belangrijk dat kinderen een keuze hebben in de
sporten die ze willen doen. Ook als docent vind ik dat
ik een bijdrage heb aan de opvoeding van iedere leerling. Een onderdeel van de opvoeding
is een breed sportaanbod. Naast het sportaanbod op school vind ik het ook belangrijk dat er
buiten de lessen nog verschillende sportactiviteiten worden aangeboden. Zo krijgt de leerling
een zo groot mogelijk sportaanbod waardoor zijn/haar oriëntatieveld met betrekking tot
sporten wordt uitgebreid. Hierdoor vergroot de docent de kans dat iedere leerling zijn/haar
eigen interesse kwijt kan in de sport.

Naar mijn mening zijn de drie actoren van de BOS- driehoek gerelateerd aan elkaar. Ze
kunnen zowel los van elkaar staan, maar juist door deze drie actoren verbinden kunnen ze
elkaar helpen en verstreken. Zie afbeelding 3.3. voor nadere uitleg. In de afbeelding wordt
tussen alle actoren een voorbeeld gegeven van een relatie. Deze relatie zie ik als persoon
zelf en hier hecht ik waarde aan.
4 Visie op het bewegen

Ik vind dat je als persoon moet sporten om jezelf te ontwikkelen en niet omdat het alleen
maar gezond is. Want als je sport is dat niet alleen goed op fysiek vlak, maar ook
bijvoorbeeld op sociaal-emotioneel vlak.

4.1 Wegwijs in bewegingscultuur
‘Stel: De belangrijkste doelstelling van bewegingsoriëntatie in 2028 is een gedegen oriëntatie
van kinderen op onze bewegings- en sportcultuur’ (Brouwer, 2011). Dit is een citaat uit het
2028 plan van de SLO in samenwerking met de KVLO die een blik geeft in de toekomst van
lichamelijke opvoeding en sport op school. In dit document staan verschillende scenario’s
over de manier van lesgeven waar je als docent kan over filosoferen. Het citaat die hier
boven staat komt uit het scenario ‘wegwijs in bewegingscultuur’. In dit scenario staan een
aantal punten waar ik me heel erg in kan vinden als docent. Namelijk het diepgaand aanbod
aan bewegingsactiviteiten, het zelfstandig reguleren van bewegingsactiviteiten en het
ontdekken van je eigen sportinteresse.

In het hoofdstuk Actief in de BOS- driekhoek (1.3.4) beschrijf ik al dat ik het belangrijk vind
dat leerlingen moeten kunnen kiezen welke sporten ze willen doen. Dit slaat heel erg op het
ontdekken van je eigen sportinteresse wat wordt verteld in het scenario wegwijs in
bewegingscultuur. Om interesse te krijgen in bepaalde bewegingsactiviteiten vind ik dat je
als docent een breed aanbod moet hebben aan bewegingsactiviteiten. Hierdoor is de kans
namelijk groter dat een leerling zijn specifieke sportactiviteit kan vinden en zo dus interesse
kan ontwikkelen hierin. Ten slotte vind ik het belangrijk dat de leerlingen ook een stukje
zelfstandigheid creëren tijdens de lessen. Ik denk dat je als docent dit kan ontwikkelen door
opdrachten te geven waar je als leerling zelfstandig of in groepjes aan de slag moet. Zo
wordt het leerrendement groter. Daarnaast zorg je er ook misschien voor dat er interesse
wordt gekweekt omdat de leerlingen stil moeten staan bij de keuzes die ze maken.

4.2 Leren sporten met bewegen en beleving als doel
De intentie van een docent LO is om het sporten en het bewegen van de mens te verbeteren
(Timmers E. , Het beweegt wel, maar het leert (te) weinig!, 2006). Dit is ooit een keer vast
gesteld door de slo en KVLO. Nu ben ik van mening dat dit niet meer de belangrijkste
intentie moet zijn van een docent LO. Aangezien 28,8% van jeugd voldoet aan de
bewegingsnorm (Nederlands Jeugdinstituut, 2014) vindt ik het belangrijk dat kinderen
gemotiveerd worden om hun leven lang te gaan sporten. Hiervoor is het belangrijk dat door
middel van samenwerking tussen verschillende organisaties die motivatie wordt gecreëerd
(Dam, 2013).

Om die motivatie te ontwikkelen vind ik dat veel bewegen in de gymles het belangrijkste is.
Even niet achter een bureau zitten, maar lekker sporten tijdens de gymles. Een gymles
waarbij de focus niet ligt op motorische vaardigheden, maar meer op ensceneringproblemen.
In mijn optiek staat plezier hebben centraal waardoor de leerlingen leren door middel van het
ervaren van verschillende activiteiten (J. Andree, Voor applaus moet je het niet doen Deel 1,
2007). Daarbij is het wel belangrijk dat een docent leerlingen aanstuurt om wel de juiste
bewegingen te maken.
4.3 Trendsporten in het onderwijs
Trendsporten zullen mooi aansluiten op het doel maatschappelijke toerusting van de
verwachtingseisen van onderwijs2032 (Onderwijs2032, 2017). Als docent wil je namelijk de
leerlingen stimuleren om deel te nemen aan de sportcultuur in Nederland. Hierbij is het heel
belangrijk dat een les voldoet aan de wensen en verwachtingen van de leerlingen. Uit een
onderzoek die gaat over wat leerlingen belangrijk vinden in de les kwamen de volgende
punten naar voren (Bax, 2009):

 Ervaren dat bewegen, spelen en sporten plezierig is;
 Het ontwikkelen van een fysieke conditie;
 Kennis maken met een grote verscheidenheid aan sporten;

Bij een leuke les volgens de leerlingen moet er veel ervaring zijn, moet er veel bewogen
worden en willen ze kennis maken met veel verschillende sporten.

Naar mijn mening zijn er te veel vakdocenten in Nederland die zich nog vast houden aan de
traditionele sporten. Aan deze sporten zijn vaak veel regels verbonden, worden er statische
oefeningen uitgevoerd en is het hoofddoel om zo goed mogelijk te zijn. Ik vind dat
trendsporten zorgt voor vernieuwing en verfrissing in het bewegingsonderwijs.

4.4 Sportfolio
Naast een uitgebreid sportprogramma om jezelf te ontwikkelen ben ik het ook heel erg eens
met een Sportfolio. Een sportfolio is een portfolio over de persoonlijke ontwikkeling als
sporter. Op sommige scholen wordt dit al toegepast. Voornamelijk wordt het nu nog gebruikt
voor de topsport. Ik denk dat dit ook gebruikt kan worden voor de sportlessen. Hierdoor kan
elke leerling zijn eigen sportontwikkeling bijhouden zowel op school als naast school. Zo kan
de docent kijken hoe de leerlingen hun eigen ontwikkelingen zien en gaan de leerlingen ook
nadenken over hun eigen sportontwikkelingen.

4.5 Concentratie
Jongeren die veel bewegen kunnen zich beter concentreren op school (Dijk, 2015). Dit
vermeld de NOS in een interview met Martin van Dijk. Andere onderzoeken geven ook aan
dat veel bewegen goed is voor de concentratie van de leerlingen. Sibley en Etnier (2003)
concludeerden al dat fysieke activiteiten een klein maar positief effect¹ heeft op concentratie.
Fysieke activiteiten zorgen namelijk voor een toename van doorbloeding in verschillende
gebieden van de hersenen (Dordel & Breithecker, 2003). Dit zorgt voor toename in
leerbaarheid bij de leerlingen en ook een betere concentratie (Hollman & Strüder, 2003).

De conclusie van meneer van Dijk zette mij aan het denken. Veel leerkrachten klagen
namelijk bij het lager onderwijs en het voorgezet onderwijs over een slechte concentratie bij
de leerlingen (E.A. Das-Maal, 1986). Sporten zou dus een oplossing kunnen zijn voor een
betere concentratie in de klas. Nu blijkt dat veel kinderen in Nederland niet voldoen aan de
bewegingsnorm en dat zou het concentratie’probleem’ dus kunnen versterken. Volgens
Sociaal en Cultureel Planbureau zou zelfs maar 20% van de kinderen tussen 8 en 12 jaar
voldoen aan de bewegingsnorm (Planbureau, 2005).

Ik vind dat wij als docenten veel kunnen doen met dit soort onderzoeken. Er is namelijk
bewezen dat bewegen een positieve invloed heeft op de concentratie van de leerlingen.