You are on page 1of 13

Achter de coulissen

Gedachten over de multi-etnische samenleving

Gerrit Pas (red.)
6 Van natie-staat naar burgerstaat
DE B R E U K T U S S E N N A T I O N A L I T E I T E N B U R G E R S C H A P

Brieuc-Yves Cadat

In het twintigste eeuwse West-Europa is iemand een burger als hij aanspraak
kan maken op de politieke rechten van de staat wiens nationaliteit hij bezit.
Het recht van nationaliteit schept de politieke en juridische band tussen
individu en staat (Schnapper 1991: 51). De vreemdeling daarentegen, al is hij
inwoner van een staat, is verstoken van deze band: hij is pas (staats)burger
als hij tot een natie behoort.
De massale immigratie naar Europa en de open grenzen daarbinnen, zorgen
er echter voor dat staatsburgerschap en nationaliteit van elkaar worden
losgekoppeld (Balibar 1984; Benot 1984; Wenden 1984, 1987). Zo is het nu
niet langer nodig de nationaliteit van een land te bezitten om toch - al is het
dan alleen op plaatselijk niveau - actief en passief kiesgerechtigd te zijn. Dat
betekent dat het verband tussen burger en natie, tussen individu en staat,
opnieuw wordt gedefinieerd: het lidmaatschap van een natie is, in
tegenstelling tot vroeger, niet meer altijd doorslaggevend om
burgerschapsrechten van die natie toegekend te krijgen.

6.1 Nationaliteit en burgerschap

De huidige verwarring van burgerschap met nationaliteit heeft, naast andere
oorzaken, historische gronden. De verwerving van politieke en sociale
rechten is in West-Europa sinds de negentiende eeuw onlosmakelijk
verbonden met de schepping van een nationale identiteit (natie) binnen het
verband van een rechtsstaat: natie en staat versmelten dus met elkaar. Wordt
iemand inwoner van een land (een staat), dan wordt hij tevens opgenomen in
de natie. En wie een bepaalde nationaliteit bezit (bijvoorbeeld de
Nederlandse), krijgt vanzelf een aantal eigenschappen - die samen de
'nationale identiteit' vormen - toegemeten.
Hoewel het noodzakelijk is tot de natie te behoren om fundamentele
burgerrechten te krijgen, vloeide omgekeerd het burgerschap niet altijd
automatisch voort uit het feit dat men tot de natie gerekend werd. Nog niet zo
lang geleden immers kon iemand de nationaliteit van een land hebben en
vrouw of arbeider zijn, en om die reden uitgesloten zijn van het recht van
politieke vertegenwoordiging (1). De staat legitimeert echter (nieuwe)
rechten voor haar inwoners door er het stempel 'nationaal' op te drukken.
Door daarnaar te verwijzen, konden de arbeiders- en (in een later stadium) de

VAN NAT I E S T A A T NAAR B U R G E R S T A A T 83
vrouwenbeweging politieke rechten afdwingen: vrouwen en arbeiders
vormden immers een onderdeel van de natie en konden daarom met recht
'nationale rechten' opeisen. De toekenning van die rechten zorgde ervoor dat
hun specifieke belang veranderde in een kwestie van - algemeen - nationaal
belang, die niet meer herinnerde aan de historische scheidslijnen van klasse
of geslacht: het algemeen kiesrecht behoorde voortaan tot het nationale
erfgoed. Voor de arbeiders en vrouwen op hun beurt ging die verwerving van
machtsmiddelen hand in hand met een steunbetuiging aan de nationale
symboliek, die haar materiële uitdrukking vond in de natie-staat. Het
nationalisme, de hiermee corresponderende ideologie, schiep vervolgens een
mythe over de bestaansgrond van de natie die haar wortels had in een
verbeeld gemeenschappelijk historisch verleden (Anderson 1983; Fennema
1992: 93-95).

De nationale mythe in gevaar

Elke huidige beschouwing over de nationale identiteit in Europa neemt het
bestaan van de natie-staat als uitgangspunt. De staat als publiekrechtelijk,
territoriaal en soeverein rechtspersoon is gelieerd aan de natie als een groep
van mensen die geacht worden objectieve trekken - ras, godsdienst, taal,
leefwijze - en/of subjectieve kenmerken - een gedeeld verleden, de wens om
samen te leven - gemeen te hebben. Deze natie-staat is vooral een bedenksel,
en de uitkomst van een historische constructie. Dat wordt onderstreept door
zijn tamelijk recente ontstaan - in de zestiende eeuw - en door het bestaan
van multinationale staten (zoals Joegoslavië) enerzijds, en de situatie dat
naties over verschillende staten zijn verdeeld anderzijds (Duitsland tot de val
van de muur, Koerdistan). Ook kan de staat opgaan in een groter verband,
zoals bij de Duitse hereniging het geval is, of in delen uiteen vallen, zoals in
Joegoslavië. Ondanks deze varianten is de huidige nationale identiteit in
Europa historisch gebonden aan de natie-staat en via deze aan het
staatsburgerschap.

De natie-staat als institutie wekt de illusie van een belangengemeenschap die
uitgaat boven tegenstellingen tussen etnische groepen, seksen of klassen.
Nationalisme als ideologie bindt de bewoners van een gebied en kan zo
sociaal verschillende groepen vreedzaam bijeenvoegen. Dat maakt elke eis
van vreemde ingezetenen die voortkomt uit nationale buitensluiting, bij
voorbaat illegitiem. De wens van 'niet-bij-de-natie-horenden' om van de
verworvenheden van de natie te profiteren, beschouwen de leden van de
nationale gemeenschap als een aantasting van de nationale mythe. Het
toekennen van burgerrechten aan iemand met een andere nationaliteit
verstoort de nationalistische symboliek, in het bijzonder als het gaat om
politieke rechten in enge zin. De term 'naturalisatie' doet dan ook

A C H T E R DE C O U L I S S E N 84
veronderstellen dat de vreemdeling zijn 'natuur' moet veranderen om bij de
natie te horen; terwijl de mensen die binnen de natie leven, hun rechten als
mens en burger uitsluitend ontlenen aan hun nationaliteit.
Er bestaan grofweg twee benaderingen van de natie. In de materiële (lees:
conservatieve) opvatting vormt de natie een in zichzelf besloten geheel,
voorbehouden aan een speciale groep: de legitieme bezitters, de autochtonen.
Zij vormt een bezit dat van geslacht tot geslacht overgaat, van vader op zoon:
het ius sanguinis. Deze benadering wordt gehanteerd in Zweden, Zwitserland
en Duitsland.
Daartegenover heeft de geestelijke (liberale) opvatting van de natie een
universeel karakter. Zij staat open voor allochtonen door middel van het ius
soli en de naturalisatie. Deze benadering is uitgangspunt van handelen in
Frankrijk, België, Groot-Brittannië en Nederland.
In de praktijk groeien de conservatieve en liberale benadering naar elkaar toe.
De landen die zich baseren op een materiële opvatting openen mogelijkheden
tot naturalisatie op grond van inwonerschap. Omgekeerd stellen liberale
naties eisen aan degenen die genaturaliseerd willen worden (zoals het
aanleren van de landstaal en het aanvaarden van de burgerlijke status van de
autochtonen).

Alle staten houden zich aan de regel dat toekenning van de nationaliteit
slechts kan plaatsvinden op grond van 'de feitelijkheid van sociale
verbondenheid, een werkelijke verbondenheid in het bestaan, in de belangen,
de gevoelens (...). Het is (...) de juridische uitdrukking van het feit dat degene
aan wie de nationaliteit wordt toegekend, feitelijk meer is verbonden met de
bevolking van de toekennende staat dan met die van elke andere staat.'
(Internationaal Gerechtshof, zaak Nottebohm, april 1955). Deze gehechtheid
aan de staat, die voorwaarde is voor de toekenning van de nationaliteit, wordt
bepaald door vier elementen, die elk op zichzelf staan en met elkaar
verbonden kunnen worden: geboorte op het grondgebied (ius soli),
verwantschap (ius sanguinis), huwelijk, en vestiging op het grondgebied. De
nationaliteit is tevens de voorwaarde voor het krijgen en uitoefenen van de
belangrijkste burgerlijke rechten (het actief en passief kiesrecht, het recht op
het uitoefenen van sommige ambten, het recht om zich op het grondgebied te
vestigen zonder gevaar van uitzetting en uitlevering, het recht op bepaalde
sociale diensten en voordelen, het recht op diplomatieke bescherming).
Er is een Europees staatsburgerschap in voorbereiding. Er zijn ook staten die
vreemdelingen op lokaal niveau het burgerschap toekennen. Nederland heeft,
evenals Ierland en de Scandinavische landen, in de jaren tachtig alle niet-
Nederlandse ingezetenen het actief en passief kiesrecht in plaatselijke
verkiezingen gegeven. Nemen we de Nederlandse Grondwet, dan stelt artikel
4: 'Iedere Nederlander heeft gelijkelijk het recht de leden van algemeeri
vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen
te worden verkozen (...).' (Grondwet 1983: 15).

VAN NAT I E S T A A T NAAR B U R G E R S T A A T 85
Volgens dit artikel is de Nederlandse nationaliteit noodzakelijk om politieke
rechten te verkrijgen. Houden we daarnaast het nieuwe artikel 130 van de
Grondwetsherziening van 1983, dan lezen we: 'De wet kan het recht de leden
van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn
toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn mits zij tenminste
voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander
zijn.' (Grondwet 1983: 49-50).

Tussen artikel 4 en artikel 130 bestaat een duidelijke breuk. Waar tot dusver
de oude Grondwet staatsburgerschap gelijk stelde met nationaliteit, is
tegenwoordig de status van de burger gelijkgesteld met die van de inwoner-
werker. De Nederlandse Grondwet kent het recht op - lokale - politieke
participatie toe aan iedereen, ongeacht zijn nationaliteit. De integratie van de
vreemdeling is daarmee niet meer gebonden aan de toekenning van de
Nederlandse nationaliteit. Om mijzelf als voorbeeld te nemen: in theorie zou
ik in 1993 als Fransman (afkomstig uit de Maghreb) wonend in Nederland,
tegelijk lid kunnen zijn van de Franse Nationale Assemblée (de Senaat) en
van de gemeenteraad van Amsterdam.
Ik meen daarom dat er sprake is van een breuk tussen burgerschap en
nationaliteit en dat, daaruit volgend, de natie-staat plaats zal maken voor de
burgerstaat. De toegang tot de politieke macht wordt dan niet langer bepaald
door materiële en symbolische criteria die eigen zijn aan de natie. Het is
natuurlijk mogelijk dat de gast-maatschappij de vreemde ingezetene (de
allochtoon) van zich isoleert omdat hij 'een ander ras' heeft, een andere
godsdienst belijdt, een andere taal spreekt. Het kan ook zo zijn dat de
allochtoon geen verleden gemeen heeft met de autochtonen, en zelfs niet van
plan is met hen de toekomst te delen op een manier die zijn naturalisatie zou
doen veronderstellen. Hij kan in al die opzichten een vreemdeling zijn en
buiten de natie staan; maar desondanks een burger zijn. Want wie op het
gebied van de staat woont, wordt daarmee een burger. De soevereine macht
berust in het geval van een burgerstaat niet meer bij de natie, maar bij alle
ingezetenen van een land.

Interne en externe ontwikkelingen wijzen erop dat de natie-staat zijn langste
tijd heeft gehad. De landelijke instellingen die de verbeelde nationale
identiteit uitdragen, zoals de school en de politieke partijen, hebben
tegenwoordig te maken met nieuwe groepen (2). Die hebben een andere
taalkundige en culturele achtergrond dan de oorspronkelijke gemeenschap.
De - zogenaamde - nationale identiteit wordt dus van binnenuit ondermijnd.
Op Europees niveau komt de nationale staatsvorm in botsing met de
behoeften van de kapitalistische ontwikkeling. Hij dreigt te worden
vervangen door een supranationale Europese staat, waarin regio's en grote
steden de hoofdrol spelen. Een geleidelijke toekenning van burgerrechten aan
vreemde ingezetenen op alle politieke niveaus kan ervoor zorgen dat de

A C H T E R DE C O U L I S S E N 86
natie-staat wordt beschouwd als een staat die voortdurend in ontwikkeling is,
in plaats van als een afstervende staat (die, eventueel, bescherming behoeft).
De dynamische natie-staat is gericht op de sociale integratie van
geïmmigreerde minderheden in de verschillende Europese staten, en op de
politieke integratie van de naties in Europees federatief verband.
Het Verdrag van Maastricht zegt in artikel 8B, waar het een
staatsburgerschap van de Europese Unie invoert: 'I. Iedere burger van de
Unie die verblijf houdt in een Lid-Staat waarvan hij geen onderdaan is, heeft
het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen in de Lid-Staat
waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die
staat (...).' (Europese Gemeenschappen 1992: 15). De Unie zal op Europees
niveau algemene geldigheid toekennen aan een plaatselijk kiesrecht dat al
min of meer beperkt bestond (Oriol 1991: 109 e.v.; Rath 1990) in
Zwitserland (Kanton van Neuchâtel en van de Jura), Denemarken, Finland,
Noorwegen, Zweden, het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Nederland. De
scheiding tussen burgerschap en nationaliteit zal bij de invoering van het
verdrag een Europees juridisch-politiek feit worden.

Men kan zich afvragen waarom de besluitvormers in een aantal hierboven
genoemde Europese landen en de samenstellers van het Verdrag van
Maastricht, politieke burgerrechten voor vreemdelingen hebben beperkt tot
het lokale niveau (3). Zodra er sprake lijkt van enige democratisering van het
burgerschap buiten het verband van de natie om, blijft die democratisering
halfslachtig: want hoewel het nationalisme aangetast wordt, moet de gekozen
vorm - beperking tot het lokale niveau - het nog zoveel mogelijk beschermen.
Betrekt men bij deze beperkingen ook de ontwikkelingen in Europa (4), dan
zijn er drie politieke niveaus - plaatselijk, nationaal, en supranationaal - met
elk hun eigen burgerrechten voor verschillende categorieën inwoners. Zo
hebben de ingezetenen van de Gemeenschap op Europees niveau en binnen
hun eigen staat volledige burgerrechten, terwijl zij in andere staten
gedeeltelijke, plaatselijke burgerrechten hebben. Ingezetenen van landen
buiten de Gemeenschap hebben geen rechten op het nationale en
supranationale vlak, en hun plaatselijke rechten verschillen van staat tot staat.
Wijst de instelling van Europese burgerrechten uitsluitend voor ingezetenen
van EG-landen niet op een begin van Europees nationalisme? En wordt het
nationalisme in Europa niet vastgehouden als men alleen op plaatselijk
niveau burgerrechten toekent aan iedereen, inwoner van de Gemeenschap of
niet? Waarom blijven de burgerrechten die op plaatselijk vlak verbonden zijn
met het feit of iemand inwoner is, op regionaal, nationaal en supranationaal
vlak gekoppeld aan nationaliteit? Is het plaatselijk burgerschap een
tweederangs burgerschap?

De niet-Nederlander functioneert volledig in de maatschappij, maar zijn
burgerrechten blijven beperkt tot zijn woonplaats. In de dagelijkse

VAN N A T I E - S T A A T NAAR B U R G E R S T A A T 87
werkelijkheid echter is de juridische vreemdeling géén vreemde. Vaak
verblijft hij al lange tijd in het gastland en heeft hij meegeholpen de daar
bestaande welvaart op te bouwen. Hij wordt daarom, net als ieder ander, in
zijn belangen geraakt door beslissingen die op nationaal niveau genomen
worden. Dient men niet te erkennen dat hij een volwaardig burger is, en moet
daarom niet zijn wettelijke land samenvallen met zijn feitelijke land? Zeker
wel! Maar toch kan deze mens pas volledig deelnemen aan de politiek nadat
hij zélf om zijn opname in de Nederlandse natie gevraagd heeft. Daaruit kun
je concluderen dat naturalisatie gemakkelijker gemaakt zou moeten worden.
Maar de keerzijde daarvan is, dat alle buitenlanders die weigeren zich te
onderwerpen aan het proces van wettelijke assimilatie, uitgesloten worden
van politieke rechten: het nationalistische principe is dan uiteindelijk toch
weer bepalend voor de politieke participatie-mogelijkheden van
vreemdelingen.

Het fenomeen dubbele nationaliteit, ondermeer in Ierland mogelijk en
binnenkort ook in Nederland, is in dit opzicht van belang. Het is de vraag of
het begrip natie-staat niet gerelativeerd wordt als een buitenlander de
Nederlandse nationaliteit verwerft, zonder zijn oorspronkelijke nationaliteit
te verliezen. Ongetwijfeld kan men die vraag bevestigend beantwoorden
gezien de huidige debatten in Nederland hierover, die krachtige tegenstand
laten zien van regeringskant en van de zijde van de christen-democraten
(Kuiper 1990) (5). Het principiële bezwaar dat de tegenstanders van een
meervoudige nationaliteit aanvoeren, betreft de loyaliteit. De keus voor de
nationaliteit van een land waarheen men is geïmmigreerd in plaats van voor
die van het land waaruit men is weggetrokken, betekent het loslaten van oude
nationale loyaliteiten en het aangaan van nieuwe; zowel politieke als etno-
culturele. Wie daarentegen de meervoudige nationaliteit rechtvaardigt,
wettigt daarmee het naast elkaar bestaan van meer dan één nationale
loyaliteit.
Maar ook in het geval van dubbele nationaliteit blijft men in nationalistische
termen denken. Deze stellingname, die deels een bevestiging en deels een
ontkenning van het nationalistische principe is, heeft echter wel de
bijzonderheid dat grote groepen van de bevolking fundamentele
burgerrechten toegekend krijgen.

6.2 Racisme en nationalisme

Meindert Fennema (1992) verschaft ons een theoretische wegwijzer voor de
analyse van de begrippenparen natie-burgergemeenschap en plaatselijk-
landelijk stemrecht. Hij combineert de tegenstelling universalisme versus
particularisme met die van racisme versus antiracisme (6). Daardoor wordt
het mogelijk twee soorten racisme te onderscheiden - een universalistisch en

A C H T E R DE C O U L I S S E N 88
lV!
een waarmee twee ^ *
corresponderen. Zo zal het universalistisch racisme een g d ^ œ behandeling
van alle mdmduen eisen - en dus positieve actie ten gunste van migranten
afwijzen - terwijl het particularistisch antiracisme zal pleiten voor
compenserend beleid ten gunste van sommige groepen. In andere gevallen,
ijvoor ee d als het gaat om kiesrecht voor buitenlanders, ligt de verhouding
omgekeerd en verzet men zich op grond van particularistisch-racistische
motieven ('alleen Nederlanders krijgen stemrecht') tegen een universalistisch
antiracistisch idee ('alle inwoners van Nederland verdienen stemrecht').
Fennema: ’ln het antiracistisch universalisme wordt een gelijke behandeling
geëist, waar het racistische vertoog een dergelijke gelijke behandeling
afwijst. Moeten alle inwoners van Nederland stemrecht hebben? Of alleen
diegenen met een Nederlands paspoort?’ (Fennema 1992: 99).

De toekenning van stemrecht op plaatselijk niveau aan buitenlanders is mijns
inziens de uitkomst van een compromis tussen enerzijds antiracistisch f‘
universalisme en anderzijds etnicistisch (discriminatie op grond van etnische'
kwalificaties) universalisme. Kiezen voor het burgerrecht boven de
nationaliteit betekent: kiezen voor de gelijkheid van de individuen voor de
wet in de burgergemeenschap, en voor hun politieke rechten op zowel
nationaal als plaatselijk niveau. Kiezen voor de nationaliteit betekent: het
onthouden van het stemrecht aan buitenlanders, en hun geen andere weg
laten dan assimilatie. Derhalve betekent de beperking van het stemrecht voor
buitenlanders tot het plaatselijk vlak een dubbelzinnig standpunt, waarin
gezwicht is voor nationalistische aspiraties (7).

De indeling in soorten (anti)racistische opvattingen zoals voorgesteld door
Fennema (1992: 99), maakt het mogelijk de mate waarin nationaliteit en
burgerschap met elkaar verbonden zijn te meten. Flieronder komen
achtereenvolgens kort aan de orde: het etnicistisch racisme, het etnicistisch
en antiracistisch particularisme, en het universalistisch antiracisme.

Etnicistisch racisme

De opvatting waarin de burgergemeenschap samenvalt met de natie, is
strijdig met de stelling 'burgerschap voor alle ingezetenen . Een dergelijke
universeel-etnicistische opvatting beveelt de gedwongen juridische
assimilatie van niet-Nederlanders aan: de opname in de Nederlandse natie
door middel van naturalisatie. In deze opvatting kan burgerschap uitsluitend
op grond van nationaliteit uitgeoefend worden. Er is geen plaats voor politiek
burgerschap van buitenlanders, noch voor erkenning van een dubbele
nationaliteit. De enige verandering die binnen dit idee mogelijk is, is
versoepeling van de voorwaarden voor naturalisatie.

B U R G E R S T A A T
89
VAN N A T I E S T A A T NAAR
Etnicistisch en antiracistisch particularisme

Binnen deze opvatting is de burgergemeenschap wèl losgemaakt van de natie
op plaatselijk vlak, maar niet op landelijk vlak: buitenlanders krijgen
politieke rechten op lokaal niveau. Dit is een geval van particularisme met
twee varianten: een etnicistische en een antiracistische. In de eerste,
etnicistische variant wordt het stemrecht toegekend op lokaal niveau (als
ware het niet-politiek), maar niet landelijk. De erkenning van het plaatselijk
stemrecht is particularistisch, omdat daardoor het bestaan wordt erkend van
groepen mensen op het territorium van de staat die tussen individu en staat in
staan. Zij is etnicistisch, omdat zij beperkingen aanbrengt in de politieke
niveaus waartoe de vreemdelingen toegang hebben. De groep van de
vreemdelingen-ingezetenen wordt wel als zodanig erkend - als drager van
eigen politieke en etnisch-culturele waarden - maar juist daarom gezien als
een geheel van afwijkende, tweederangs burgers (Weil 1991: 300). Eén van
de belangrijkste argumenten om buitenlanders uit te sluiten van het recht het
parlement te kiezen is, dat het parlement buitenlandse zaken en defensie
behandelt. De loyaliteit van vreemdelingen gaat immers uit naar het land van
herkomst; zij zouden daarom geen invloed mogen uitoefenen op standpunten
hierover.

In de particularistische antiracistische variant wordt het stemrecht op
plaatselijk niveau opgevat als een democratische stap vooruit met een
emancipatorische strekking, een rationele vooruitgang 'à la Condorcet' (8) in
de richting van stemrecht voor alle verkiezingen. Stemmen op plaatselijk
vlak is een leerschool voor politieke participatie in het gastland. In deze
progressieve opvatting over de stapsgewijze afschaffing van politieke
ongelijkheid wordt echter impliciet erkend, dat het feitelijk bestaan van de
natie het onmogelijk maakt dat de buitenlander-ingezetene volledige
politieke burgerrechten krijgt.
De redenering ten gunste van de combinatie van nationaliteiten (de dubbele
nationaliteit) lijkt mij eveneens voort te komen uit een particularistische
opvatting. Vanuit deze redenering is naturalisatie een middel om, via
juridische inlijving, buitenlanders in de natie-staat te integreren (9).

Universalistisch antiracisme

Deze opvatting, die de burgergemeenschap op elk beslissingsniveau geheel
loskoppelt van de natie, gaat uit van de gelijkheid van ieder individu voor de
wet, gebaseerd op de plaats waar hij woont. Het individu bestaat niet langer
als onderdaan van de natie, maar als deelnemer aan de burgergemeenschap.
Een staat die is gebaseerd op universalistische principes, is niet
geïnteresseerd in de nationaliteit van herkomst bij de toekenning van

A C H T E R DE C O U L I S S E N 90
politieke rechten en hoeft derhalve geen naturalisatie te eisen. De staat is
neutraal ten aanzien van nationale of etnische identiteiten en kan ze juist
daarom allemaal herbergen op zijn grondgebied; geen enkele identiteit wordt
politiek erkend en bevoorrecht boven een andere. Aldus verliest bijvoorbeeld
de Nederlandse cultuur, zoals die wordt begrepen in de nationalistische
opvatting, zijn geldigheid als staatscultuur. De staat als burgergemeenschap
kan immers niet meer de kenmerken hebben van het particularistische
'erfdeel': het erfelijk koningschap en het Nederlands christendom. In plaats
daarvan heerst het republikeinse universalisme van de Rechten van de Mens
en de Burger, ontdaan van het 'autochtone' particularisme.

De logica van de gelijkwaardigheid zou voorrang moeten krijgen op de
tactiek van de politiek. Waarom niet breken met het nationalisme? Waarom
niet het principe aanvaarden dat vreemdelingen politiek volstrekt
gelijkwaardig zijn, in plaats van daarvoor naturalisatie te eisen? Europa en
Nederland zouden daarmee een model van politiek universalisme bieden dat
gebaseerd is op de uitgangspunten van de Franse Revolutie, met name op het
gestelde in artikel 1 van de Verklaring van de rechten van de mens en van de
burger van 26 augustus 1789: 'Alle mensen worden voor hun leven geboren
als vrij en gelijkberechtigd.' Zou een dergelijke politieke stellingname niet de
gelegenheid bieden voor een stimulerend debat tussen aanhangers en
tegenstanders van de natie-staat? Voor de aanhangers betekent de invoering
van het stemrecht voor vreemdelingen een verlies: de teloorgang van de
natie. Daartegenover hebben de internationalisten een wereld te winnen: een
uitbreiding van de burgergemeenschap.

Het primaat van het burgerschap impliceert dat autochtone en allochtone
culturen elkaar kunnen verdragen, en staat daarmee tegenover de racistische
opvatting dat culturen onvergelijkbaar zijn. Het biedt de kans politiek te
participeren. Tegenover het universalistisch-etnicistisch beginsel 'When in
Rome, do as the Romans do' (Fennema 1992: 13), wordt met de loskoppeling
van burgerschap en nationaliteit als het ware het uit 212 daterende Edict van
Caracalla gesteld, dat het Romeinse burgerschap aanbood aan alle vrije
inwoners van het keizerrijk. In Nederland gaat het er dan niet meer om 'te
leven zoals een Nederlander hoort te leven', maar om terug te keren naar het
doel van de burgerstaat zoals gedefinieerd door het eu Zeïn van Aristoteles:
om 'te leven zoals een mens hoort te leven.’ De vreemdeling wordt van
onderdaan tot betrokkene bij de politieke ordening. Het wegvallen van de eis
van naturalisatie houdt in dat de vreemdeling niet langer hoeft kenbaar te
maken dat hij zich wil binden aan de Nederlandse volksgemeenschap om
nationale macht uit te kunnen oefenen.

VAN NAT I E S T A A T NAAR B U R G E R S T A A T 91
r

6.3 Conclusie

Tegenover de verhouding tussen nationaliteit en burgerschap kan men twee
verschillende politieke standpunten innemen: de vermenging van de twee
begrippen laten zoals hij is, of een scheiding aanbrengen om het recht aan te
passen aan nieuwe sociale omstandigheden en vereisten (10). In het eerste
geval kan men kiezen uit terughoudendheid in het verschaffen van de
nationaliteit - zoals in Duitsland - of juist ruimhartig te werk gaan, zoals in
Frankrijk. In het tweede geval - wanneer een scheiding wordt aangebracht
tussen nationaliteit en burgerschap - staat het actuele alternatief, de beperking
van het burgerschap voor buitenlanders tot plaatselijk niveau, tegenover het
idee dat het gehele terrein van de nationale politieke vertegenwoordiging
volledig opengesteld dient te worden. Alle opvattingen behalve de laatste
vallen, hoewel in verschillende mate, onder het principe van het behoud van
nationale identiteit. Alleen de laatste visie laat naar mijn mening de
verbinding tussen natie en burgergemeenschap geheel los en zet, daarmee, de
nationalistische ideologie op losse schroeven.

Het loskoppelen van nationaliteit en burgerschap kan in het gunstigste geval
uitbanning van nationalisme tot gevolg hebben. Het zal er op zijn minst voor
zorgen dat de factor nationalisme voor de politieke deelname in de
burgergemeenschap van veel minder belang wordt. Op dat moment zullen
twee dingen duidelijk worden. Ten eerste dat het niet aan de staat is om, op
grond van een nationale mythe, solidariteit te kweken ten koste van de
Ander. Ten tweede dat de staat tot taak heeft de gelijkheid van zijn inwoners
te waarborgen. Dat impliceert dat hij bijvoorbeeld niet Nederlandse
kansarmen en losers vanwege hun nationaliteit mag steunen, en op die
manier buitenlanders buitensluiten. Solidariteit heeft een tweevoudige basis:
iemands aanwezigheid binnen de staatsgrenzen, en zijn
levensomstandigheden. Een radicale toepassing van het beginsel van
burgerschap betekent een afrekening met de formele ongelijkheid tussen
buitenlanders en binnenlanders in de politiek. In een volledig ge­
denationaliseerde burgergemeenschap ontstaat dan de politieke ruimte die
vereist is voor de integratie van vreemdelingen. Op den duur kan men
wellicht een andere staat zien groeien, op andere grondslagen dan die van het
nationalisme - dat in zijn ontwikkeling de Ander in zijn bestaan bedreigt.

Het loskoppelen van nationaliteit en burgerschap begint zich tegenwoordig in
deze of gene vorm voor te doen; dat wijst volgens mij op een liberale
tendens. In die zin zou ik niet verrast zijn als parallel aan de huidige
discussie over de dubbele nationaliteit, zowel in Nederland als in de rest van
Europa de komende jaren een debat zou ontstaan over de volledige scheiding
tussen burgerschap en nationaliteit. Zowel aanhangers als tegenstanders van
individualisering van sociale betrekkingen zouden zich daarin moeten

A C H T E R DE C O U L I S S E N 92
mengen (11). Het verbreken van de band tussen burgergemeenschap en natie
houdt immers de erkenning in van de volstrekte onafhankelijkheid van het
individu ten opzichte van de natie waartoe hij 'behoort'. Daarnaast is een
dergelijke verbreking een typisch individualistische maatregel, omdat hij ten
gunste komt van de persoon zelf, ongeacht diens nationale
groepslidmaatschap.
Een individualisme dat consequent is met betrekking tot het begrip
burgerschap, kan niet anders dan de volledige rechten erkennen van degenen
die op een bepaald grondgebied wonen. De scheiding tussen burgerschap en
nationaliteit bevrijdt de individuele burger uit zijn nationale ketenen. De
afbraak van de verbeelde nationale gemeenschap, die gebaseerd is op de
uitsluiting van groepen vreemdelingen ongeacht de situatie van de
individuele groepsleden, hoort hand in hand te gaan met de opbouw van een
politieke gemeenschap van ingezetenen gebaseerd op de deelname van
individuen ongeacht tot welke groep zij behoren. Dat betekent het einde van
de nationale burger, en luidt het tijdperk van de individuele burger in. De
immigratiebewegingen naar de Europese landen en het proces van Europese
eenwording zullen, doordat zij de sociale betrekkingen individualiseren,
bijdragen aan de geboorte van de staat als burgergemeenschap.

(vertaling uit het Frans door Flans Bakker)

VAN NAT I E S TAAT A A R B U R G E R S T A A T 93
Achter de coulissen

'Ze moeten niet denken dat ze het hier te vertellen krijgen', moppert
de bejaarde, die zijn dagelijkse boodschappen bij de Turk om de
hoek doet. 'Ali is mijn beste vriend', verklaart de puber die na
schooltijd Surinaamse klasgenootjes in elkaar slaat. De zwarte
keepers op de voetbalvelden krijgen behalve bananen ook lelijke
verwensingen naar hun kop geslingerd. M aar de zwarte Ruud Gullit
verslaat de witte Falko Zandstra in populariteit.

De multi-etnische samenleving Nederland discrimineert; maar niet
altijd en overal. Vreemdelingenhaat blijkt soms angst voor het
vreemde. Wie achter de coulissen kijkt, ziet tegenstrijdige
mechanismen aan het werk. Nederlanders en leden van etnische
minderheden leven in oude stadswijken vaak verrassend ontspannen
samen, m aar er is ook racisme. Wie ontwart de kluwen?

De economie kan niet zonder de illegale werknemers. Tegelijk staat
een groot deel van de etnische minderheden buitenspel op de
arbeidsmarkt. Desondanks groeit de aanhang van extreem-rechts. En
dat is navrant. Want de sociaal-economische situatie van migranten
is beduidend slechter dan die van 'ons volk'. Overigens, wie zijn dat?
De Amsterdamse travestieten? De Staphorster gereformeerden?

In Achter de coulissen is het verschil tussen 'nieuw kom e|f' en
'Nederlanders' onderwerp van analyse en kritiek. Het boek geeft een
caleidoscopisch beeld van de verschillende visies op de culturele en
politieke positie van migrapten. Het schuivend perspectièf van
Achter de coulissen biedt zicht op de veelsoortige werkelijkheid van
de multi-etnische samenleving.

WETENSCHAPPELIJK BUREAU GROENLINKS