De mens verwondert zich al duizenden jaren over zijn bestaan in deze wereld.

Maar vroeg of laat zullen we van al het mooie dat ons dierbaar is, afscheid nemen. We moeten onze vrienden en geliefden achterlaten. Het is onthutsend en onverteerbaar dat we er dan niet meer zullen zijn. En we twijfelen er aan of er wel leven na de dood is. Vanuit de filosofie en de psychologie gaan we een onderzoek doen aan de hand van de volgende thema’s: * verlangen naar onsterfelijkheid Vele mensen hebben een diepgeworteld verlangen, dat ze na hun dood op de een of andere manier voortleven. Eigenlijk willen we niets liever, dan dat ons leven zich voortzet op een betere plek. We hechten meer waarde aan duurzaamheid dan aan vergankelijkheid, meer aan zinvolheid dan aan de futiliteit van ons bestaan. Maar dit verlangen naar onsterfelijkheid schijnt niet meer van deze tijd te zijn. De wetenschap maakt ons duidelijk, dat dit verlangen een slechte utopie, een onvervulbare droom is, waardoor we het leven niet serieus nemen. Wat zijn nu de dieperliggende motieven van dit verlangen ? * onsterfelijkheid en bewustzijn We vragen ons af wat de ziel, de menselijke geest, het zelf of identiteit is; en wat deze begrippen betekenen voor het verlangen naar onsterfelijkheid. Verdwijnen mijn bewustzijn en mijn moeizaam opgebouwde autobiografie zomaar na de dood? De ziel en de menselijke geest zijn volgens velen terug te voeren tot een verzameling hersenprocessen. Is daarmee de onsterfelijkheid als ‘het meeste verheven idee’ (Dostojewski) van de baan? *onsterfelijkheid en leven Het is in dit verband van belang om te achterhalen wat leven is. Sommigen beweren dat we vroeger hebben bestaan. Is het kwalitatief wel zo duurzaam als we blijven voortbestaan; en is dat wel zo aantrekkelijk? Veel filosofen hebben ideeën gelanceerd omtrent onsterfelijkheid. * vormen van onsterfelijkheid zoals persoonlijk voortbestaan aan gene zijde , reïncarnatie, punt Omega (Chardin, Charon, Tipler), eenwording met het goddelijke princiep. De kwantumfysica kan ons een nieuw beeld geven. * Onsterfelijkheid en onze verbeelding Religie, kunst en literatuur hebben vorm gegeven aan dit verlangen. Er is ook een soort reisgids te maken van het hiernamaals, van de hemel en de hel, waarin beschreven staat wat te doen na je dood. Geografisch zijn er interessante zaken over het hiernamaals te melden. Het is wonderbaarlijk wat je allemaal in de hemel te wachten staat, laat staan in de hel. En God weet wie je daar allemaal tegenkomt.

Bij het samenstellen van deze reader heb ik o.a. van de volgende bronnen gebruik gemaakt: * J.E. Charon, Ik leef al 15miljard jaar; * Danah Zohar, Het quantum-zelf; * Gerrit Teule, De elektromagnetische mens; * Carolien van Bergen, Verlangen naar onsterfelijkheid; * Guido Derksen en Martin van Mousch, Handboek voor het hiernamaals; * Pierre Teilhard de Chardin, Het verschijnsel mens; * Carolien van Bergen , Leven door de dood; * Fred Wolf, Het spirituele universum . De meeste ontleningen uit die bronnen zijn door mij bewerkt en aangevuld.

1

1. VERLANGEN NAAR ONEINDIGHEID

4

Mensen verlangen veel, soms oneindig veel. In een psychologisch onderzoek gaan we na wat dat verlangen nu eigenlijk is en hoe dit vaak ons gedrag bepaalt. Is verlangen een basisinstinct om te kunnen overleven in bepaalde situaties? Verlangen houdt ons op de been. Maar geldt dat ook voor het verlangen naar onsterfelijkheid? Of verlangen naar eeuwige jeugd? Is dit verlangen ten diepste een mislukte grap?

2. HET VERSCHIJNSEL MENS

20

De wetenschap bestudeert volop het verschijnsel mens en voelt zich ook geplaatst voor het probleem van de eindigheid van de mens. Teilhard de Chardin was een van de eersten, die vanuit de wetenschap (paleontologie) een lijn doortrok vanuit de oermens naar de huidige en toekomstige mens, met gebruikmaking van de princiepen van de evolutie. Als visionair kwam hij uit bij het punt Omega, de vervolmaking van de menselijke geest in de goddelijke geest.

3. DE MENS ALS LICHT

31

Vanuit met name de kwantumfysica, heeft men ontdekt, dat de mens uit atomen en subatomaire deeltjes (fotonen, elektronen) is samengesteld. De mens bestaat net zoals alles uit licht. Maar waar blijven mijn atomen na mijn dood? Zijn ze soms onsterfelijk? En waar komen die fotonen/elektronen oorspronkelijk vandaan? Ze bestonden al voor mijn geboorte. Met name de franse fysicus Charon heeft dit nader uitgewerkt. Het elektron wordt gezien als een raakpunt tussen de ons bekende dimensies en de dimensie van de geest.

4. LA GRANDE FINALE

54

Tipler schetst een heel ander scenario voor de onsterfelijkheid van de mens. De wederopstanding is mathematisch te bewijzen. Bij de voortgaande digitalisering en de allesoverheersende invloed van de computer zal de mens uiteindelijk in staat zijn om alle informatiegegevens die ooit tot stand zijn gekomen in een supercomputer op te slaan, vlak voor de ineenstorting van het heelal. En dan?

5. GEEST EN MATERIE

60

Eeuwenlang hebben mensen zich geboden over de problematiek geest-lichaam. Vandaag de dag lijkt de problematiek opgelost, want alle menselijke mentale activiteiten kan men in de neurowetenschappen terugvoeren tot de hersenen. Dit betekent dat de menselijke ziel eigenlijk niet bestaat. We onderzoeken de begrippen geest/materie vanuit de filosofie en bekijken met behulp van de fysica een nieuwe poging te doen om deze problematiek anders op te lossen.

2

6. ALLES IS BEZIELD Pantheïsme en panspychisme

78
zijn belangrijke stromingen binnen

het filosofische denken. Niet de minste filosofen hebben zich daarmee bezig gehouden, ook vele wetenschappers, zoals Teilhard de Chardin en Jean Charon. Binnen het new-age denken zijn deze stromingen erg populair. We bekijken op welke manier het pantheïsme en panpsychisme lijkheid. een bijdrage kunnen leveren aan het menselijk verlangen naar onsterfe-

7. OPNIEUW GEBOREN WORDEN?

92

Wat te denken van reïncarnatie? In het westen zijn we vertrouwd geraakt met het idee van een eenmalig overgang na de dood. Maar in de oosterse religies en filosofieën koestert men de gedachte, dat men (steeds weer) opnieuw geboren kan worden. De laatste tijd is te constateren dat heel veel mensen, zij het schoorvoetend, zich uitspreken voor reïncarnatie.

8. IK BLIJF MEZELF NIET

101
bij

Het verlangen naar onsterfelijkheid betekent voor veel mensen, dat ze hun identiteit behouden. In het voorafgaande hebben we diverse opvattingen gezien, dat de identiteit/individualiteit in de dood verdwijnt. Men gaat op in een Albewustzijn, een oergeest, een God. Maar wat is identiteit nu eigenlijk? Filosofen en psychologen bijten hun tanden er op stuk. Maar misschien is boven-identiteit of het Albewustzijn indrukwekkender dan de menselijke individualiteit.

9. DE VERBEELDING VAN HET HIERNAMAALS

109

Hoe hebben gelovigen en kunstenaars zich het hiernamaals voorgesteld? We worden overspoeld door een stortvloed van beelden, de een nog mooier, nog bizarre of afschuwelijker dan de ander. Wat staat ons allemaal te wachten? We zullen de verbeelding over het hiernamaals ook psychologisch doorlichten.

BIJLAGE: REISGIDS VOOR HET HIERNAMAALS.

125

Landschap, klimaat, flora fauna, bevolking, reiswenken, wat neem je mee, hoe kom je in het hiernamaals, vervoersmiddelen, reisduur, verzekeringen, reizen in het hiernamaals,nuttige adressen, accommodatie, kleding, communicatie, eten en drinken. Altijd handig.

3

Mensen zijn wezens, met veel verlangens, vaak oneindige verlangens. Verlangens bepalen vaak ons gedrag: verlangen naar erkenning, verlangen macht, naar naar naar romantiek, extase,

naar

liefde, naar vriendschap, naar een eigen levensvorm, verlangen naar onsterfelijkheid. Menselijk verlangen lijkt grenzeloos, maar wat is nu precies dit verlangen? Verlangen kun je omschrijven als het streven de kloof tussen realiteit en ideaal (tussen de situatie zoals die is en zoals we die zouden wensen) te overbruggen. De spanning die met dit streven gepaard gaat is typerend voor ons bestaan. Deze spanning uit zich in de ervaring van een gemis of een tekort en dit geeft gezonde en soms ongezonde onrust. We verlangen naar de opheffing van deze onrust. We zijn erg kwetsbaar als het om onze verlangens gaat. Soms raken mensen gedesillusioneerd en vervallen in cynisme of apathie, of in een levens- en wereldvreemd utopisme.

4

Mensen verlangen veel, soms oneindig veel. In een psychologisch onderzoek gaan we na wat dat verlangen nu eigenlijk is en hoe dit vaak ons gedrag bepaalt. Is verlangen een basisinstinct om te kunnen overleven in bepaalde situaties? Verlangen houdt ons op de been. Maar geldt dat ook voor het verlangen naar onsterfelijkheid? jeugd? Is dit verlangen ten diepste een mislukte grap?
Bronnen: Damasio, het gelijk van Spinoza; Damasio,Ik voel dus ik ben; C. vd Berg, Verlangen naar onsterfelijkheid; Nico Rutten, onderzoek Radbouduniversiteit Nijmegen

Of verlangen naar eeuwige

Wat is nu precies verlangen? Aan de hand van een voorbeeld is dat misschien iets duidelijker en concreter te maken. Dit voorbeeld komt uit de misschien wel spannendste en meest romantische periode van de eerste verliefdheid. Het verlangen van een verliefde wordt volledig beheerst door die ander: die ander uit je dromen is alles voor je, en je wilt ook alles (de enige en het enige) voor die ander zijn. Na een aantal maanden van gelukzaligheid moeten de verwachtingen bijgesteld worden: de een wil meer, de ander juist minder. En na nog een aantal verliefdheden weet je wat je te wachten staat. Maar het verlangen naar 'een ander' blijft, ook al verschijnt die telkens in een andere gedaante en heb je inmiddels geleerd dat er altijd de klad komt in wat eens zo absoluut en geweldig was. Wie het langer wil volhouden met een van die liefdespartners moet andere maatregelen nemen: een huiselijke infrastructuur creëren, eventueel kinderen nemen, permanent 'relatie-onderhoud' plegen en vooral tevreden zijn met wat er is. En dan nog kan er een ander plotseling te voorschijn komen die je helemaal terugbrengt in de roes van de eerste verliefdheid. Dan wordt het een kwestie van afwegen: wat valt er te verliezen en te winnen bij het toegeven aan dat nieuwe verlangen. Tot op zekere hoogte zijn we wel in staat die balans op te maken, maar zeker in zo'n situatie is het vermogen tot rationele keuze beperkt. Psychoanalytici worden niet moe er op te wijzen dat het verlangen naar (steeds weer) die ander in wezen door onbewuste processen gestuurd wordt. Achter al die verschillende aanwijsbare of minstens bewust te maken verlangens (en daar kunnen we het verlangen naar 'scoren' en carrière maken ook bij rekenen) schuilt levenslang dat ene grote onbewuste verlangen naar onvoorwaardelijke erkenning en lustbevrediging uit de kinderjaren. Want, zo voelen wij, alleen door die erkenning kunnen wij er op vertrouwen dat wij echt iemand zijn, dat wij een stabiele en stevig verankerde identiteit hebben. Juist deze verlangens worden enorm op de proef gesteld, wanneer wij of die ander komt te overlijden. Het is haast vanzelfsprekend, dat dit verlangen gedragen wordt door een verlangen naar onsterfelijkheid van jezelf en van die ander. Verlangen, een instinct, een emotie of gevoel? Een wensdroom? Psychoanalytici zien de mens als een wankel compromis tussen de kinderlijke lusten en wensen, die ons nooit helemaal verlaten. En het met schade en schande aangeleerde besef dat we nu eenmaal niet alles kunnen hebben (het 'realiteitsprincipe'). klinkt dat pessimistisch, maar eigenlijk is het eerder troostend. Het verlangen in al zijn verschijningsvormen wordt in wezen gevoed door angst. Het heeft geen vaste kern, geen stevig gefundeerd zelf, geen IK. En dat is bij iedereen zo. We kunnen ieder verlangen dan ook maar beter relativeren. Dan hoeven we misschien ook wat minder wanhopig te zoeken naar de lokkende spiegel die altijd flatteert, of dromen die onvervulbaar zijn. En ten slotte kunnen wij dan misschien (dat wens ik u toe) ook meer genieten van wat er wel kan en minder smachten naar het onbereikbare. Andere psychologen noemen het verlangen allereerst een aandrift en een motief tot handelen, zoals honger, dorst, nieuwsgierigheid en de aandrift tot verkenning, spel en seks. Aristoteles (384 v. Chr. - 322 v. Chr ) bracht ze met een heel toepasselijk woord onder één noemer, aandrift (appetitus), en gebruikte met grote subtiliteit een ander woord, begeerte of verlangen (cupiditas), voor de situatie waarin individuen zich bewust worden van deze aandrift. Het woord 'aandrift' wijst op de gedragstoestand van een organisme dat aan een bepaalde drang onderhevig is; het woord 'verlangen' verwijst naar het bewuste gevoel aan een aandrift onderhevig te zijn en naar een uiteindelijk al dan

5

niet toegeven aan die aandrift. Mensen zijn uiteraard zowel onderhevig aan aandrift als aan verlangen, die even naadloos aan elkaar verbonden zijn als emoties en gevoelens. Hier treffen we het kroonjuweel aan van de automatisch werkende levensregulering: verlangen is allereerst een emotie in de eigenlijke zin van het woord - zoals blijdschap, droefheid en angst tot trots, schaamte en sympathie. Maar verlangen is ook een gevoel . Het genoom zorgt ervoor dat al deze instrumenten (aandriften, emoties, gevoelens) bij de geboorte of kort daarna actief worden, onafhankelijk of vrijwel onafhankelijk van leerprocessen, al zal tijdens het leven leren een belangrijke rol spelen bij de bepaling van het tijdstip waarop ze worden ingezet , alsook bij de invulling daarvan. Dit geldt des te sterker naarmate de reactie complexer is. De bundel reacties waaruit begeerten en verlangens zijn samengesteld, liggen bij de geboorte gereed en worden dan geactiveerd; waarom we in de loop van ons leven de begeerten en verlangens veranderen met onze ervaring. Al deze reacties treden automatisch op, liggen grotendeels vast en worden bij specifieke omstandigheden geactiveerd. (Leren kan de voltrekking van een stereotiep patroon echter wijzigen. Ons begeren en verlangen spelen zich in verschillende omstandigheden steeds weer anders af, zoals de muzieknoten die het tempo van een sonate bepalen op zeer uiteenlopende manieren kunnen worden gespeeld.)

Want morgen zal in ieder geval een nieuwe dageraad gloren, zal de wereld opnieuw worden geboren, zullen miljarden organismen verschijnen en andere verdwijnen, zullen bloemen zich openen voor het zonlicht, vogels langs de hemel trekken en bomen doorgaan te wortelen. De stroom van het leven zal verder vlieten, tijdloos, duister en met onweerstaanbare kracht."
Ton Lemaire

Homeostase als overleving en zelfbehoud Al deze reacties zijn hoe dan ook direct of indirect, gericht op de regulering van het levensproces en op het bevorderen van overleving. De natuur vond louter overleven blijkbaar niet genoeg en ontwierp: het aangeboren instrumentarium voor levensregulering zoekt niet naar een neutrale staat - vlees noch vis - tussen leven en dood in. Het doel van het streven naar homeostase is eerder een betere levenstoestand te verwerkelijken dan de neutrale; een toestand die wij, als denkende en in overvloed levende wezens, vereenzelvigen met gezondheid en welbevinden. De volledige verzameling homeostatische processen bestuurt het leven van moment tot moment in elke cel van ons lichaam. Deze beheersing wordt bereikt door middel van een eenvoudig arrangement: * Er verandert iets in het interne milieu of de externe omgeving van een individueel organisme. * Die veranderingen kunnen in principe de levensloop van het organisme wijzigen. Ze kunnen een bedreiging vormen voor de integriteit ervan of een kans bieden op verbetering. * Het organisme bespeurt de verandering en handelt dienovereenkomstig, op een manier die bedoeld is om de situatie te scheppen die het heilzaamst is voor zijn zelfbehoud en voor een efficiënt functioneren. Alle reacties werken op basis van dit arrangement en zijn dus middelen om de interne en externe omstandigheden van een organisme te taxeren en dienovereenkomstig te handelen. Er worden moeilijkheden of kansen waargenomen en door tot handelen over te gaan wordt het probleem - aan moeilijkheden ontsnappen of kansen benutten – opgelost. Zelfs bij de emoties in engere zin, zoals verdriet, liefde of schuldgevoelens, blijft dit arrangement in werking, al is de complexiteit van de taxatie en de respons veel groter dan bij de eenvoudige reacties waaruit dergelijke emoties in de loop van de evolutie zijn samengesteld. Het is blijkbaar zo dat de aanhoudende pogingen om een positief gereguleerde levenstoestand te

6

bereiken een diepgeworteld en bepalend onderdeel van ons bestaan zijn: de belangrijkste realiteit van ons bestaan, zoals Spinoza (1632-1677) intuïtief inzag toen hij het onophoudelijk streven naar zelfbehoud {conatus) van elk levend wezen beschreef. Streven, pogen en tendentie vertolken het Latijnse woord conatus het best. In de eigen woorden van Spinoza: 'Elk ding tracht, voor zover het van hem afhangt, in zijn bestaan te volharden', en: 'Het streven waarmee elk ding in zijn bestaan tracht te volharden is niets anders dan het werkelijk wezen van dit ding zelf.' Wanneer we dit achteraf in het licht van de huidige ontwikkelingen interpreteren, houden de gedachten van Spinoza in dat het levende organisme zo is geconstrueerd dat het de samenhang van zijn structuur en zijn functies handhaaft ten overstaan van talrijke levensbedreigende, onvoorspelbare omstandigheden. Onder de conatus vallen zowel de impuls tot zelfbehoud ten overstaan van gevaar als de gunstige kansen en de talloze acties tot zelfbehoud die de delen van een lichaam bijeenhouden. Ondanks de transformaties die het lichaam ondergaat terwijl het zich ontwikkelt, zijn samenstellende delen vernieuwt en veroudert, houdt de conatus hetzelfde individu in stand en heeft die betrekking op het hetzelfde structurele ontwerp. Wat moeten we onder de conatus van Spinoza verstaan in moderne biologische zin? Het is het geheel van mogelijkheden in de hersenen dat, zodra het in werking treedt door toedoen van interne of externe omstandigheden, zowel naar overleven als naar welbevinden streeft. De biologische functie van emoties Hoewel de exacte samenstelling en dynamiek van de emotionele reacties een heel eigen vorm krijgen in ieder individu als gevolg van diens unieke ontwikkeling en omgeving, wijst veel erop dat de meeste, zo niet alle emotionele reacties het resultaat zijn van een lange geschiedenis van evolutionaire afstemming. Emoties zijn deel van de bioregulatiemechanismen waarmee wij voor ons overleven zijn uitgerust. Dat is de reden dat Darwin het uitdrukken van emoties bij zoveel soorten in kaart kon brengen en daarin overeenkomsten aantrof, en dat overal ter wereld en in alle culturen emoties zo gemakkelijk te herkennen zijn. Uiteraard zijn er verschillende uitdrukkingsmogelijkheden en varieert de precieze configuratie van prikkels die in deze of gene cultuur of persoon een emotie opwekken. Maar wat het meest verbaast, is eerder de eenheid dan de diversiteit. En toevallig is het die eenheid die relaties tussen culturen mogelijk maakt, en is die eenheid de reden dat kunst en literatuur, muziek en films zich niet aan landsgrenzen hoeven te storen. Emoties zijn merkwaardige aanpassingen, onmisbaar voor de machinerie waarmee organismen hun voortbestaan reguleren. Hoe oud emoties evolutionair gezien ook zijn, ze zijn een behoorlijk hoogontwikkelde component van bioregulatiemechanismen. Deze component zit als het ware ingeklemd tussen het elementaire overlevingspakket (stofwisselingsregulatie, eenvoudige reflexen, motivaties, biologie van pijn en genot) en de mechanismen van de hogere rede. Het is een hecht onderdeel van de hiërarchie van bioregulatiemechanismen. Voor eenvoudiger diersoorten dan de mens leiden emoties tot zeer redelijk gedrag wat betreft overleven. Op het meest elementaire niveau maken emoties deel uit van de homeostatische regulatie en staan ze op scherp om te voorkomen dat de integriteit van het organisme wordt aangetast - welke aantasting een voorbode van de dood is, of de dood zelf - maar ook om te zorgen voor energie, beschutting en seks. En dankzij sterke leermechanismen, zoals conditionering, dragen de diverse emoties er uiteindelijk toe bij om een verbinding te slaan tussen homeostatische regulatie en overlevings'waarden' enerzijds, en allerlei gebeurtenissen en objecten in onze autobiografische ervaring anderzijds. Emoties zijn onlosmakelijk verbonden met het idee van straf en beloning, pijn en genot, aantrekking en afstoting, persoonlijk voordeel en nadeel. Emoties zijn dan ook onlosmakelijk verbonden met het idee van goed en kwaad. Emoties voorzien organismen van gedrag dat er op gericht is op overleven. Waarom kniezen en piekeren? Veel mensen lijken meer van het leven te vragen dan ethisch gedrag en je aan de wetten houden, meer dan het geluk die liefde, gezinsleven, vrienden en een goede gezondheid bieden, meer dan de beloning die volgt op het goed uitvoeren van het werk van je keuze (persoonlijke voldoening, goedkeuring van anderen, aanzien, geldelijke vergoeding), meer dan het streven naar genoegens en het verzamelen van bezit, en meer dan solidariteit met je land en met de mensheid.

7

Veel mensen hebben behoefte aan iets wat op z'n minst een heel klein beetje helderheid verschaft over de zin van ons bestaan. Of we die behoefte nu duidelijk of vaag onder woorden brengen, ze komt neer op een verlangen om te weten waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan - het laatste vooral, misschien. Welk doel zou het leven kunnen hebben dat meer omvat dan ons onmiddellijke bestaan? En samen met dat verlangen doet zich een antwoord voor, scherp afgetekend of met wazige contouren, en we leiden daarvan een levensdoel af of wensen dat te vinden. Niet alle mensen hebben dergelijke behoeften. De behoeften en verlangens van menselijke wezens variëren aanzienlijk al naar gelang hun persoonlijkheid, hun weetgierigheid, hun maatschappelijke en culturele omstandigheden en zelfs de tijd waarin ze leven. In onze jeugd hebben we vaak weinig tijd om na te denken over het menselijk tekort. Ook voorspoed beschermt ons daartegen. Veel mensen zouden zich verbazen als werd gezegd dat er naast jeugd, gezondheid en geluk nog iets te wensen overblijft. Waarom zou je zitten kniezen en piekeren ? Maar voor de mensen die zulke behoeften herkennen is het legitiem te vragen waarom ze zouden verlangen naar iets dat niet vanzelfsprekend komt of misschien wel altijd uitblijft. Waarom zijn die extra kennis en helderheid wenselijk? Men kan hierop zeggen, dat dit verlangen een diepgeworteld kenmerk is van de menselijke geest.

Alles is bepaald, het begin zowel als het einde, door krachten die wij niet beheersen. Zowel voor een insect als voor een ster is alles bepaald. Menselijke wezens, plant, of kosmisch stof, we dansen allen op de maat van een geheimzinnige melodie, die in de verte door een onzichtbare fluitspeler aangeheven wordt. –Albert Einstein
Het is verankerd in de structuur van de menselijke hersenen en in het genetische erfgoed dat die hersenen doet ontstaan, niet minder dan het geval is met de diepgewortelde trekken die ons ertoe drijven ons eigen wezen en de wereld om ons heen met onstilbare dorst naar kennis te onderzoeken, de trekken die ons ertoe aanzetten verklaringen te construeren voor de objecten en de situaties in die wereld. Het is volkomen aannemelijk dat dit verlangen van evolutionaire oorsprong is. De duurzame aard ervan heeft te maken met een krachtig biologisch mechanisme dat eraan ten grondslag ligt: hetzelfde natuurlijke streven naar zelfbehoud als de essentie van ons wezen. De conatus wordt geactiveerd, wanneer we worden geconfronteerd met lijden en vooral met de dood, feitelijk of voorzien, van onszelf of van de mensen van wie we houden. Alleen al het vooruitzicht op lijden en dood verstoort het homeostatische proces van de betrokkene. Het natuurlijke streven naar zelfbehoud en welbevinden reageert op die verstoring met een strijd om het onvermijdelijke te voorkomen en het evenwicht te herstellen. De strijd zet ons ertoe aan compenserende strategieën te vinden voor de nu haperende homeostatische dynamiek. Het bewustzijn van de algehele kritieke toestand is een bron van intens lijden. Niet ieder mens zal op deze manier reageren. Maar voor de vele mensen die reageren zoals boven beschreven, heeft deze situatie een tragische dimensie die uitsluitend eigen is aan de mens, ongeacht in hoeverre ze er in slagen uit de impasse te komen en aan hun sombere omstandigheden te ontsnappen. Hoe is deze situatie ontstaan? * Waarschijnlijk was dit allereerst een gevolg van het feit dat wij gevoelens hebben - niet alleen emoties, maar ook gevoelens - vooral gevoelens van empathie, waardoor we ons volledig bewust worden van ons natuurlijke, gevoelsmatige medeleven met de ander. In de juiste omstandigheden geeft empathie toegang tot lijden. * Ten tweede was dit een gevolg van twee biologische gaven, namelijk bewustzijn en geheugen, die we delen met andere soorten, maar die bij de mens de grootste omvang en hoogste graad van ontwikkeling hebben bereikt. In de strikte zin van het woord betekent 'bewustzijn' de aanwezigheid van een geest en een zelf, maar in praktische, menselijke zin betekent het eigenlijk meer. Samen met het autobiografische geheugen biedt het bewustzijn ons een zelf dat is verrijkt met de archieven van onze persoonlijke ervaring. Telkens wanneer we een nieuw moment van ons leven als bewuste

8

wezens onder ogen zien, laten we het beïnvloeden door de omstandigheden rondom onze vroegere vreugde en ons vroegere lijden, en ook door de denkbeeldige omstandigheden van de toekomst die we voorzien en die ons, naar we aannemen, meer vreugde of juist meer verdriet zal brengen. Bewust leven als vloek en zegen Als het menselijk bewustzijn niet zo hoog ontwikkeld was, zou er praktisch geen lijden bestaan, nu niet en evenmin aan de dageraad van de mensheid. Wat niet weet, wat niet deert. Als we de gave van het bewustzijn hadden ontvangen, maar grotendeels verstoken waren gebleven van een geheugen, zou er evenmin noemenswaardig lijden bestaan. Wat we in het heden kennen, maar niet in de context van onze persoonlijke geschiedenis kunnen plaatsen, kan ons slechts in het heden pijn doen. Het is de combinatie van beide geschenken, geheugen en bewustzijn, die mede door hun uitbundige ontwikkeling leiden tot de menselijke dramatiek en die dat drama een tragische signatuur verlenen, toen en nu. Gelukkig zijn dezelfde twee geschenken ook een bron van mateloze vreugde, van een glorie die slechts aan mensen bekend is. Bewust leven is niet alleen een vloek, maar ook een zegen. Vanuit dit perspectief moet elk project voor verlossing van de mens - elk project dat een bewust leven kan veranderen in een leven in gemoedsrust - middelen bieden om de smart te weerstaan die wordt opgeroepen door lijden en dood, hem ongedaan maken en er vreugde voor in de plaats stellen. De neurobiologie van emotie en gevoelens maakt ons duidelijk, dat blijdschap en de varianten daarop een voorkeur hebben boven droefheid en de daaraan verwante aandoeningen, en dat ze eerder leiden tot gezondheid en creatieve bloei. We horen, per weloverwogen decreet, naar blijdschap en geluk te streven, hoe dwaas en irreëel dat ook lijkt. Als we niet onder een dictatuur leven of honger lijden en onszelf er toch niet van kunnen overtuigen hoe gelukkig we met ons leven zijn, doen we misschien te weinig ons best. De confrontatie met lijden en dood kan de homeostatische toestand hevig verstoren. De eerste mensen hebben dat misschien voor het eerst ervaren toen ze sociale emoties en gevoelens van empathie hadden verworven, emoties en gevoelens van blijdschap en droefheid, een uitgebreid bewustzijn met een autobiografisch zelf en het vermogen zich entiteiten en daden voor te stellen die hun gemoedstoestand misschien zouden kunnen veranderen en het homeostatische evenwicht herstellen. (De eerste twee voorwaarden, emoties en gevoelens, al dan niet sociaal, waren al aan het ontluiken in niet-menselijke soorten; de laatste twee, uitgebreid bewustzijn en voorstellingsvermogen, waren grotendeels nieuwe, louter menselijke gaven.) Het verlangen naar middelen om de homeostatische toestand te herstellen zou begonnen kunnen zijn als een reactie op lijden. De individuen die over hersenen beschikten die in staat waren zich zulke middelen voor te stellen en het homeostatische evenwicht weer effectief in balans te brengen, zouden dan beloond worden met een langer leven en meer nakomelingen. Hun genenpatroon zou een grotere kans hebben om zich te vermenigvuldigen, en dus zou de neiging tot dergelijke reacties eveneens worden vermenigvuldigd. Het verlangen en de heilzame consequenties daarvan zouden in de loop van de elkaar opvolgende generaties telkens opnieuw aan de oppervlakte komen. Zo heeft een aanzienlijk deel van de mensheid wellicht de condities in zijn biologische structuur opgenomen die tot persoonlijke droefheid leiden, maar eveneens tot het zoeken naar compenserende troost. Pogingen om de mensen te verlossen hebben dus te maken met de verzoening met een voorspelde dood of met de verzoening met lichamelijke pijn en geestelijk lijden. Nadat men het begrip 'onsterfelijkheid' had ontworpen, stonden ze natuurlijk ook in verband met het voorkomen van een leven in de hel. Dergelijke pogingen hebben een lange geschiedenis. Intelligente individuen werden ertoe aangezet fascinerende verhalen te scheppen die een rechtstreekse reactie zijn op het schouwspel van tragiek en die tot doel hebben het uit die tragiek voortvloeiende lijden te verwerken door middel van religieuze voorstellingen en handelingen. Onsterfelijkheid doet een beroep op een bestaan voorbij de dood, dat soms als een individueel en persoonlijk voortleven in een hiernamaals wordt omschreven, soms in de vorm van reïncarnatie of als mystieke onsterfelijkheid, waarbij men opgaat in een groter geheel. Er wordt gesproken van een

Verlangen is als een rivier, die steeds dezelfde naam behoudt, maar waarin het water voortdurend verandert. Multatuli

9

onsterfelijkheid via het nageslacht of daden of ervaringen van eeuwigheid . Ook onsterfelijkheid in de letterlijke zin van niet sterven komt voor in de literatuur, en hedendaagse medische experimenten met invriezen brengen misschien met zozeer een eeuwig leven op aarde dichterbij, maar laten in ieder geval de intensiteit van een verlangen naar eeuwig leven zien Dit verlangen is niet alleen zo oud als de mensheid, maar ook overal aanwezig. Zelfs in tijden, dat de wetenschap weinig op heeft met onsterfelijkheid en zelfs in tijden waarin alternatieve oplossingen voor vragen rond dood, zingeving en moraal voorhanden zijn, kan het geloof in onsterfelijkheid zeer krachtig zijn. Freud (1856-1939) noemt onsterfelijkheid de meest hardnekkige dwangneurose uit de geschiedenis (in Zukunft einer Illusion). Het verlangen naar onsterfelijkheid zit diepgeworteld in de mens. Men kan twee verschillende soorten van dit verlangen onderscheiden: 1) het verlangen naar duurzaamheid tegenover vergankelijkheid. 2) het verlangen, dan ons leven zin heeft tegenover de futiliteit van ons bestaan 1. Verlangen naar duurzaamheid en eeuwige jeugd Dit verlangen richt zich niet alleen op goederen, maar ook op onszelf , onze relaties en ons leven. Door de dood zijn we niet duurzaam. Daarom gaat dit verlangen vaak verder dan de dood. Men beseft dat er niet alleen een heden is, maar ook een verleden, waarin we mogelijk een plaats hadden en een toekomst na ons, waarin we graag een plaats zouden willen hebben. We nemen geen genoegen met een bestaan dat gemiddeld vijfenzeventig jaar duurt, maar willen dit uitsmeren. Dit verlangen uit zich als een streven het leven op aarde te verlengen, door gezond te eten, aan sport te doen, jong van geest te blijven. Plastische chirurgie voorziet indirect aan dit eeuwig willen voortleven: door er jonger uit te zien probeert men niet alleen er nu goed uit te zien, maar uiteindelijk misschien wel de dood te misleiden. De plastische chirurgie kan als een vorm van moderne magie worden opgevat, waarin de bezwering bestaat uit het verkrijgen van een jonger uiterlijk, opdat de dood, die wij ons dan haast als een Magere Hein mogen voorstellen, ons niet herkent als zijnde oud en rijp om te sterven. De verborgen wens lijkt zo lang mogelijk, misschien zelfs eeuwig, in leven te blijven. De eeuwige jeugd verkrijgen is altijd het doel geweest van de middeleeuwse alchimisten. In het Gilgamesj-epos wordt dit verband tussen levenselixer en verjongingsmiddel al gelegd. De droom begint al bij het oudste, overgeleverde verhaal ter wereld. Het Babylonische Gilgameshepos stamt uit de 27
e

eeuw voor Christus. Dit oude geschrift verhaalt van de held Gilgamesh, die

plotseling bang wordt voor de dood, wanneer zijn vriend Enkidu overlijdt. De eeuwig levende Utanapishtim vertelt hem van het bestaan van een wonderkruid dat verjonging geeft. Gilgamesh vindt dit kruid uiteindelijk, maar helaas: halverwege de terugtocht wordt het kruid opgegeten door een slang. Meteen wordt de slang weer jong. Hij legt zijn oude huid af en kruipt met een nieuwe verder. Griekse goden hebben in ieder geval niets te klagen. Zij leven eeuwig, getooid met een bovenaardse schoonheid, op de paradijselijke Olympos. En zij blijven eeuwig jong dankzij nectar en ambrozijn, terwijl de stervelingen slechts een kort leven vol kommer en kwel op aarde beschoren is, om daarna voor altijd in de onderwereld te verdwijnen. Ooit probeerde de sterfelijke Sisyfus daar wat aan te doen: hij nam de dood gevangen en ketende hem vast, zodat niemand ooit nog dood zou gaan. De aarde raakte overvol. Uiteindelijk overwonnen de goden hem en voor straf verricht Sisyfus nu voor eeuwig zware arbeid in de onderwereld. Overal werd naar eeuwige jeugd gezocht. In China stuurde de vorst Ying Zheng zijn hofmagiër Xu Fu naar het legendarische eiland Penlai om het onsterfelijkheidselixer te vinden. Dit elixer is gemaakt van onder andere pijnboompitten, goud en cinnaber (kwiksulfide). En de machtige heerser Alexander de Grote ging, volgens een Arabische legende, op zoek naar de

10

bron van de eeuwige jeugd. Die moest te vinden zijn in het Land der Duisternis, waar echter meerdere, misleidende bronnen waren. Volgens een wijze man moest Alexander zijn kok meenemen die een zoute vis in de bronnen van het land kon dopen. Als de vis weer levend zou worden, wist de kok dat het de goede bron was. Helaas, door een speling van het lot, viel de kok zelf in het water en Alexander kon daarna de bron niet meer terugvinden. De kok werd onsterfelijk. Ook na Alexander de Grote zijn mensen op zoek gegaan naar deze wonderbron. De vijftiendeeeuwse ontdekkingsreiziger Juan Ponce de Léon hoopte hem in de Nieuwe Wereld te kunnen vinden. In zijn tijd deden vermoedelijk veel geruchten en speculaties over de Bron der Eeuwige Jeugd de ronde. Maar Ponce de Léon vond hem niet. Wel was hij de eerste Europeaan die voet zette in Florida. En ook daarna is de Bron nog nooit ergens op aarde gesignaleerd, hooguit als attractie in een pretpark… Als symbool functioneert de Fontein der Eeuwige Jeugd. Het is een legendarische waterbron. Wanneer je ervan gedronken hebt, krijg je weer een jeugdige uitstraling. Er wordt beweerd dat de Amerikaanse staat Florida de fontein of bron herbergt. In de stad St Augustine in Florida is er de Fountain of Youth, National Archaeological park, gecreëerd als eerbewijs voor de plek waar Juan Ponce de Leon aan land zou zijn gekomen. Alleen de fontein die er staat is niet de fontein, het belemmert echter niet dat toeristen er uit drinken. De godin Iduna heeft tot taak voor de Germaanse goden de appels te bewaren die hen onsterfelijkheid brengen. Men ziet haar vaak afgebeeld bij een appelboom. Op een dag werd Iduna door een reus ontvoerd. De goden werden sindsdien steeds ouder en ouder. Uiteindelijk is het de god Loki die zich een vogel verandert om Iduna terug te halen. Hij tovert haar om tot een noot, zodat hij haar in zijn snavel kan meedragen. In een Keltische legende wordt de eeuwige jeugd wederom verheerlijkt. In Connla en het elfenmeisje krijgt de jonge prins Connla een visioen van een meisje dat hem overhaalt om naar de vlakten van de Eeuwig Levenden te gaan. Dat is waar geen dood bestaat, waar iedereen altijd vrij en gelukkig is en nooit ruzie heeft, en waar je eeuwig jong kunt zijn tot het einde der tijden. De prins geeft uiteindelijk toe en hij en het meisje verdwijnen in een kristallen bootje. Ze zijn nooit meer teruggezien en niemand weet waar ze heen zijn gegaan. Onder de sprookjes van de gebroeders Grimm komen verhalen voor over het zoeken naar genezende wondermiddelen. Zo ook in Het water des levens, over drie koningszonen die op weg gaan om het Levenswater te vinden dat hun vader, de zieke koning, kan redden. De twee oudsten echter hebben onzuivere bedoelingen: ze hopen het koninkrijk te erven als zij het water vinden. Ze behandelen de kleine dwerg, die ze onderweg tegenkomen, hooghartig. Voor straf tovert de dwerg dat ze vast komen zitten in een ravijn. De jongste zoon geeft daarentegen écht om zijn vader en doet vriendelijk tegen de dwerg, die hem vervolgens verder helpt. Het Levenswater is te vinden in een afgesloten tuin. De jongen krijgt vervolgens een staf mee, om de poort van de tuin te openen. En twee broden om de leeuwen, die de tuin bewaken, koest te houden. Als hij de tuin binnenkomt, treft hij niet alleen de bron van het Levenswater aan, maar ook een zwaard waarmee hij onoverwinnelijk wordt. Verder een brood wat nooit opraakt en een prinses die met hem wil trouwen! Met deze dingen kan hij zijn vader redden, tegelijk het koninkrijk dat door honger en oorlog gekweld wordt en daarna ook zelf gelukkig worden. Helaas moet hij eerst nog met zijn jaloerse broers afrekenen, voor het allemaal met lang en gelukkig afloopt! Het Levenswater is een wijdverbreid motief in sprookjes en mythen. Bijvoorbeeld in het Indonesische verhaal van Garuda en de slangen of in de beschrijving van de Germaanse levensboom Ygdrasil. In 1992 kwam in Nederland het boek Fontein der Jeugd van Peter Kelder uit, dat hij voor het eerst in 1939 uitbracht. Hij beweert dat dit boek non-fictie is en dat hij de Fontein van de Eeuwige Jeugd heeft gevonden, met de dagelijkse uitvoering van een bepaalde serie Yoga-rites. Het boek kent enkele controversiële aspecten, waardoor sommigen hem rekenen tot de fictie. In 2006 verklaarde de illusionist David Copperfield dat hij de fontein van de eeuwige jeugd had gevonden in een cluster van vier eilanden in de Exuma-archipel gelegen in de Bahama's. Naast dit aspect van de levensduur op aarde, kan men de duurzaamheid ook zoeken in een bestaan voorbij dit leven. Dat betekent dat na de dood niet alles ophoudt, maar dat men eeuwig zal

11

voortleven in bijvoorbeeld een hemels rijk: een plek waar men overleden verwanten opnieuw ontmoet en gezamenlijk een goede tijd kan doorbrengen. Men is wel gestorven, maar het leven wordt na de dood oneindig verlengd. Ook hier kun je spreken van een verlangen naar duurzaamheid, zij het in de hemel en wellicht in een iets andere vorm. In de reïncarnatie is dit duurzaamheidaspect ook aanwezig. Men keert terug in een aards lichaam. Weliswaar weet degene die nu leeft niet in welke gedaante hij terugkeert, maar hij kan hopen op een betere reïncarnatie, op een leven als rijker, gezonder, mooier of beter mens met een beter en interessanter leven dan men nu heeft. Het is niet zo, dat het hiernamaals en de wedergeboorte alleen bedoeld zijn om aan dit verlangen naar duurzaamheid te beantwoorden. 2. verlangen naar zin en betekenis van het leven tegenover futiliteit van het bestaan Het is de vraag naar de kwaliteit van ons bestaan tegenover de vraag naar kwantiteit van het eerste punt. Het verlangen naar zin als een kwalitatieve vraag is even moeilijk te beantwoorden als de kwantitatieve vraag naar hoe het leven verlengd kan worden, al dan niet na de dood. De vragen zijn nauw aan elkaar gerelateerd. Waar komt het verlangen naar de zin van het leven scherper naar voren dan bij de aanblik van iemand die zijn laatste adem uitblaast, vraagt Jung (1875-1961) zich af. Wat is het doel van het leven wanneer het uiteindelijk vernietigd wordt - heeft het leven wel een doel, wanneer de dood het onherroepelijke einde is van elk leven? Men ontkomt niet aan de vraag of de dood het leven absurd maakt. Wanneer men deze vraag met ja beantwoordt, dan betekent het dat het leven alleen zin heeft als het eindeloos door zou gaan, dus kwantitatief onbegrensd is. Simone de Beauvoir (1908-1986) houdt ons in haar roman Alle mensen zijn sterfelijk een leven voor waarin dit het geval is. Ook in het boek De Pelgrim van Timothy Findley is dit het geval. Om maar niet te spreken van Het verzuim van de dood van José Saramago Een volgende vraag is of de kwaliteit van het leven dan in het leven zelf ligt? Is er een zin in het leven te vinden die louter een beroep op dit leven doet? Waarom zou het leven de moeite waard zijn? * Deze vraag gaat over de concrete invulling van het bestaan. De psycholoog Victor Frankl (19051997) noemt dit de 'zin van het moment' als onderscheid van de 'uiterste of laatste zin', die in opvattingen over onsterfelijkheid een belangrijke rol speelt. De 'zin van het moment' kunnen we zo groot of klein maken als we zelf willen; het kan zelfs gaan om de reuk van een koekje Madeleine (Proust) of de glimlach van je kind of kleinkind. Op vier gebieden proberen mensen zin te geven aan hun bestaan: relaties, loopbaan, levensfilosofie en persoonlijke ontwikkeling. Door relaties aan te gaan met anderen, mensen lief te hebben of geliefd te zijn ervaren mensen hun bestaan als zinvol. Door hun loopbaan kunnen ze zichzelf ontplooien. Mensen kunnen hierin tevens hun aandacht richten op het verkrijgen van materieel bezit: een eigen huis, auto, dure vakanties, mooie kleren. Hoe meer men heeft, hoe meer het leven zin lijkt te hebben. Onze loopbaan kunnen we tevens gebruiken om te leren. Ook dit geeft zin aan het bestaan: leren, zowel in de zin van intellectuele ontwikkeling, als door het maken van creatieve werken. Ook in de persoonlijke ontwikkeling kan men zin ontdekken. Dat betreft bijvoorbeeld groei en zelfvervulling van de persoon. De Hongaarse schrijver György Konrad zegt dat op de vraag naar de zin van het bestaan ieder mens antwoordt met zijn levensloop. De zin van het leven is dat we leren, dat we emotioneel rijper worden. We hebben ervaringen en die zijn op zich de moeite waard, of het leven nu eindig is of niet. Ten slotte kan men denken aan dienende doelen, bijvoorbeeld de wereld verbeteren. Een dergelijke levensfilosofie kan tot uiting komen in de loopbaan of in persoonlijke ontwikkeling. In deze vormen van zin van het bestaan die niet buiten de grenzen van het leven kijken, is minder sprake van zingeving (door een hogere instantie, kerk, religie) dan van 'zinzoeking'. Het leven dat men nu leidt, treedt in alle opzichten op de voorgrond, hetgeen niet altijd aangenaam is. Dat heeft in

Heel de dag is niet genoeg voor de leeuwerik die zingen wil Basho

12

de eerste plaats te maken met de enorme verantwoordelijkheid die het individu draagt ten aanzien van de zin van zijn eigen bestaan. Dat kan prettig zijn voor iemand die hierin slaagt, en die zinvolle ervaringen, relaties en een schitterende loopbaan heeft. Degene die werkloos is, depressief thuis zit, geen vrienden of relaties heeft, zal niet alleen met deze treurige feiten worden geconfronteerd, maar hier ook nog eens zelf verantwoordelijk voor worden gehouden. Er is maar één leven, en wie het verknalt, is hier zelf schuldig aan, zegt men.

Zonder toekomst, geen zin. Het bestaan heeft in deze opvatting alleen zin wanneer er een toekomst is. Waarom zou ik een nieuw huis kopen als ik weet dat ik er slechts een paar maanden van kan genieten? Zingevende activiteiten gaan er van, dat er toekomst is. Mensen verlangen naar een zekere continuïteit in hun bestaan, dat er na vandaag een morgen is waarin men zijn bestaan verder kan invullen. De jeugd heeft alle kans om hun leven zinvol te maken, want de meeste jongeren denken dat ze nog vijftig, zestig of zeventig jaar te leven hebben. Vijftig jaar en nog veel meer is voldoende om verre reizen te maken, relaties aan te gaan, rijk te worden, en nog veel meer andere wensen en idealen. Maar de ouder wordende mens heeft die toekomst niet. Die hoopt nog op een aantal jaren, maar niet op een halve eeuw extra. Ouderen, maar ook mensen met een dodelijke ziekte krijgen een ander idee van hun voortbestaan.. Met het besef van de eigen sterfelijkheid vervalt de vanzelfsprekendheid van de toekomst. Immers, wie als zin van zijn leven het maken van verre reizen ziet, beseft dat er binnen afzienbare tijd geen verre reizen meer mogelijk zijn. Wie van iemand houdt, beseft dat die liefde na de dood ophoudt te bestaan. Daarmee komt ook de vraag naar de zin

De nieuwe roman van de Portugese schrijver Saramago (1922, Nobelprijs 1998) is gebaseerd op een idee: wat er gebeurt als de dood staakt. Grote verwarring wanneer er opeens niemand meer sterft in dit land. Voor de kerk, ziekenhuizen en bejaardenoorden, begrafenisondernemingen en verzekeringen breken zware tijden aan. En wat te doen met de stervenden? Slimme mensen brengen hun terminale familieleden de grens over, waar ze meteen sterven. De meest penibele vraag wordt: wie gaat straks de pensioenen betalen? De dood zelf doorbreekt de impasse met een brief waarin ze meldt dat er weer gestorven gaat worden. Haar handschrift is dat van een jonge vrouw. Het nieuwe is dat voortaan iedereen een week van te voren per brief gewaarschuwd wordt. Een brief keert bij haar terug, keer op keer, en dat is de dood haar eer te na – als zij op zoek gaat naar die ene dwarsligger volgt er een bizar sprookje.

heel uitdrukkelijk naar voren en wel in kwantitatieve zin: het besef van vergankelijkheid tegenover het verlangen naar duurzaamheid. De jeugdige mens heeft een toekomst en waant zich daarom onsterfelijk. Met een haast mateloze arrogantie doen jongeren ervaringen op, maken reizen, doen aan allerlei sporten, streven hun carrière na, want het kan niet op. Hun leven is eindeloos. Pas rond hun veertigste realiseren ze zich dat het leven wel degelijk een einde heeft, of misschien beseffen ze het wel nooit. Knipscheer stelt dat de huidige generatie ouderen zich geconfronteerd ziet met de vraag naar legitimatie ten opzichte van de jongere generaties: kosten ouderen alleen maar geld of zijn ze verder ook nog ergens goed voor? Hij komt op deze vraag, omdat ouderen overbodig zijn voor de voortplanting. Misschien heeft dit veel meer te maken met het niet meer hebben van een toekomst? En wie geen toekomst heeft, heeft dus ook geen zinvol leven meer? Verraden door het leven Men kan zich voorstellen dat iemand zich haast

verraden voelt door het leven: hoe onstuimig, actief, rijk het ook geweest mag zijn, de dood maakt het in één keer kapot en - als men zingeving in het hebben van een toekomst zoekt - zinloos. De invullingen die men aan het bestaan kan geven, komen op een belangrijk punt overeen: de dood maakt er een einde aan. Er is geen enkele zin in het leven te ontdekken die de dood niet zou kunnen vernietigen. 'Is het leven inherent zinvol?' Dat antwoord luidt 'nee'. Of men nu wijs geworden is , rijkdom heeft verzameld of liefheeft, de dood maakt een einde aan elk leven. Al deze antwoorden blijven steken bij een zeer aardse opvatting van zin die daardoor noodzakelijk tekort schiet , zoals Tolstoj zich afvroeg: is er een zin aan mijn bestaan die niet vernietigd wordt door mijn onafwendbare, immanente

13

dood? Het zoeken naar zin in het bestaan stuit op de grens die de dood aan dit bestaan stelt. Wanneer een oneindig duurzaam leven zinloos zou zijn, zou juist het feit dat we sterven een zin aan het bestaan kunnen geven. Juist door dit besef, gaan we nadenken over wat we met dit beperkte, eindige leven willen doen, hoe we er een zin aan geven, welke partner we kiezen, welk werk, welke levensinhoud we relevant vinden. Weliswaar drukt het mensen op hun verantwoordelijkheid om nu te leven, om er in dit leven iets van te maken, maar veel meer dan dat lijkt er niet mee te kunnen worden gezegd. Wie iets dieper nadenkt over de dood als doel van het leven, keert al snel terug naar het leven, en daarmee naar het hierboven besproken idee van duurzaamheid in het leven (die door de intredende dood abrupt een vals idee blijkt, maar blijkbaar wel een idee waarmee we kunnen leven). Of, de tweede mogelijkheid, men zoekt een diepere zin in het bestaan, waarbij onsterfelijkheid een noodzakelijke component is. Dan is de dood weliswaar een belangrijk element van de zin van het bestaan, maar vormt juist een brug tot de eeuwigheid. Dan wordt de vraag anders: geeft onsterfelijkheid zin aan het leven? Los van de verschillende invullingen van onsterfelijkheid, en los van het waarheidsgehalte ervan, lijken theorieën rond onsterfelijkheid in één ding goed te slagen: ze verschaffen de mens een zin die dit bestaan en zelfs zijn eigen individuele leven te boven gaat. Opmerkelijk is wel dat het leven zelf vaak minder de moeite waard wordt geacht: de bedoeling van de mens ligt in een hogere bestaansvorm, niet in dit leven. Het bestaan op aarde is minder waard dan deze hogere bestaansvorm, die men na de dood zal ervaren. Dostojevski noemt de onsterfelijkheid van de menselijke ziel als het fundamentele en meest verheven idee. Zonder dat is het menselijk bestaan onnatuurlijk en ondragelijk. Onsterfelijkheid als zin van het leven? De vraag of men binnen het leven een zin kan zoeken, gaat voorbij aan de veel omvattender vraag of er een ultieme zin van het leven is: niet het kopje koffie bij de buurvrouw, de wereldreis of de liefdesrelaties bepalen de zin van het leven, maar iets wat dit leven te boven

Ik wens mezelf ook een zekere onsterfelijkheid toe, maar in de wetenschap dat het me nooit zal overkomen. Een mens droomt nog altijd het liefst een onbereikbare droom. Het besef dat het leven een beperkte duur heeft, doet ons leven. Het is pas wanneer men voelt dat men bezig is te sterven, te verliezen, oud te worden dat men verlengingen wenst. Klonen biedt een tweede kans. En dat is de soort onsterfelijkheid die we eigenlijk willen.
HOUELLEBECQ

gaat. Vele denkers stellen zich deze vraag niet, ofwel omdat ze deze niet kunnen beantwoorden of omdat ze het geen relevante kwestie vinden. Volgens sommigen staat het zoeken naar een ultieme zin van het bestaan gelijk aan de ultieme zelfkwelling, simpelweg omdat er geen ultieme betekenis is. Bovendien zijn allerlei wreedheden en onrechtvaardigheden moeilijk te verdragen indien men gelooft dat er een noodzaak inzit. Voor sommigen is de zinloosheid van het bestaan een troostvollere gedachte dan de zinvolheid. Degenen die in onsterfelijkheid geloven, houden zich echter juist met deze vraag naar de ultieme zin bezig. Deze vraag kan verschillende vormen aannemen. * Maakt elk individueel leven deel uit van een totaalplan of proces dat ook zo kan worden begrepen? * Kan het leven worden begrepen als uitdrukkingsvorm van een geest, zodat mijn leven zin krijgt door een mogelijke bedoeling van die geest? * Is mijn leven een symbool van iets anders, van de 'echte' realiteit die boven of voorbij mijn leven staat? Een van de duidelijkste voorbeelden dat een voorproefje op onsterfelijkheid - want zo ervaren mensen dit - een zin aan het leven geeft, vormen de verslagen van degenen die een dergelijke ervaring hebben gehad,

opgetekend door de Amerikaanse arts Raymond Moody. Vrijwel zonder uitzondering vinden mensen die een bijna-doodervaring hebben gehad, dat ze het leven als zinvoller dan voorheen beschouwen, omdat ze hebben ervaren dat er hierna iets is dat oneindig veel mooier is dan het aardse leven. Onsterfelijkheid is mogelijk niet het ware antwoord op de vraag naar de zin van het leven, maar het is wel een krachtig medicijn voor degenen die lijden onder het besef van futiliteit van het bestaan. Vanuit pragmatische overwegingen is het geen slechte oplossing: er wordt een zin in het leven voorgesteld die de futiliteit van het leven dat gedoemd is te sterven te boven gaat. In die zin biedt

14

het hoop en troost. Als er een doel in het leven is dat zich uitstrekt over de dood, worden bepaalde aspecten van het leven een stuk dragelijker dan wanneer we zouden weten dat na de dood alles ophoudt: ziekten, lijden, een vroegtijdige dood krijgen een plaats in een geheel dat het aardse bestaan overtreft. "De wereld heeft behoefte aan een filosofie, of een religie, die het leven bevordert. Maar om het leven te bevorderen is het noodzakelijk iets anders dan het leven te waarderen. Leven dat alleen aan leven gewijd is, is een dier zonder enige menselijke waarde, niet in staat om de mens permanent te behoeden voor levensmoeheid en het gevoel dat alles vergeefs is. Als het leven volledig menselijk moet zijn, moet het een doel dienen, dat, in zekere zin, buiten het menselijk leven lijkt te liggen, een doel dat onpersoonlijk is en boven de mensheid staat, zoals God of waarheid of schoonheid. Zij die het best het leven bevorderen stellen zich niet het leven ten doel. Zij richten zich eerder op wat een geleidelijke incarnatie lijkt, een in het menselijk bestaan brengen van iets eeuwigs, iets dat zich aan de verbeelding voordoet als levend in een hemel die ver verwijderd is van strijd en falen en de verslindende klauwen van de tijd. Contact met deze eeuwige wereld zelfs als het alleen maar een wereld in onze verbeelding is - geeft een kracht en een fundamentele vrede die niet geheel vernietigd kan worden door de strijd en de ogenschijnlijke mislukkingen in ons tijdelijke leven."" Bertrand Russell. Sein zum Tode In het begrip Dasein geeft de filosoof Heidegger (1889-1976) de invloed van de dood in ons leven weer. Tijdens zijn leven onthult zich zijn bestaan. Dat is de kern van de mens: de mens bestaat in deze wereld en in die wereld zal hij zich verwerkelijken. Door na te gaan hoe de mens zich realiseert, kunnen we er achter komen wat het menszijn eigenlijk inhoudt. Op twee manieren kan de mens zichzelf realiseren: een oneigenlijke en een eigenlijke. De mens kan ervoor kiezen wat de meeste mensen in het algemeen kiezen (oneigenlijkheid), of hij kiest ervoor de mogelijkheden te ontwikkelen waardoor hij een zelf wordt (Eigenlijkheid). De dood speelt een belangrijke rol in het maken van die keuze voor eigenlijkheid. 'Het Dasein als in-dewereld zijn botst op de dood als het iets waarvoor het zich geplaatst weet (...). De dood staat als het einde voor het Dasein, maar niet op dezelfde manier als bijvoorbeeld een onweer, de verbouwing van een huis, een reis zich als gebeurtenissen voor het Dasein bevinden. De dood is een zijnsmogelijkheid die het Dasein ooit eens op zich moet nemen'. [...] 'Het Dasein wordt zich in het licht van zijn dood bewust van zijn uniciteit en zijn eigenheid. Niemand anders dan hijzelf kan zijn dood sterven'. Dit is zo fundamenteel, dat de dood het hele bestaan doordringt. Het hele leven is daarmee een Sein-zum-Tode. De relatie tussen leven en dood is de meest fundamentele in iemands leven. Hoewel mensen in het algemeen een zeer grote vrijheid hebben, wordt hun vrijheid uiteindelijk beperkt door de dood. Juist doordat de dood op een ultieme manier de vrijheid inperkt, heeft ze een enorme invloed op het leven. Maar we kunnen dit niet zonder meer accepteren: de dood is een enorme bron van angst. Wie zijn beperkingen inziet en ze kan accepteren, heeft meer zicht op wat hij wel kan veranderen en beïnvloeden, aldus een existentieel psycholoog Irvin Yalom. Zijn stelling luidt: 'Hoewel de lichamelijkheid van de dood de mens vernietigt, is het juist het idee van de dood dat hem redt'. De dood fungeert als een katalysator, aldus Yalom: door een besef van sterfelijkheid, realiseer ik mij dat ik leef. Niet langer ben ik alleen bekommerd om hoe ik leef: naar mijn werk gaan, getrouwd zijn, een film kijken, op vakantie gaan, maar als ik met de dood word geconfronteerd, realiseer ik mij ten diepste dat ik er ben. Extreme gebeurtenissen werken goed zoals de bijnadoodervaringen. Uit uitgebreid onderzoek van bijvoorbeeld Raymond Moody en Elizabeth Kübler-Ross blijkt dat mensen die een

15

dergelijke ervaring hebben gehad, heel anders tegen het leven aankijken dan voor hun ervaring. Op het hoogtepunt van hun pijn, bijvoorbeeld tijdens een operatie, voelen patiënten dat ze door een lange, donkere tunnel bewegen naar het licht, daar worden geconfronteerd met overleden dierbaren, maar vervolgens, meestal tot hun spijt, worden teruggestuurd naar deze wereld. Al worden de ervaringen tegenwoordig nog wel eens als louter fysiologische processen afgedaan, waarmee hun waarde lijkt te verbleken, het blijkt dat mensen die een dergelijke ervaring hebben gehad, minder angst hebben voor de dood en meer vreugde ervaren in hun leven. Ze genieten meer van kleine dingen en beleven dingen intenser. De bijna-dood ervaring is zeer ingrijpend. Ook de wereldliteratuur heeft prachtige voorbeelden opgeleverd van dergelijke plotselinge inzichten, die gekatalyseerd worden door de dood. De dood van Ivan Iljitsj, een verhaal van Tolstoj (1828-1910), gaat over het leven van een man die, op het moment dat hij beseft dat hij bijna dood gaat, zich plotseling realiseert dat hij altijd zomaar heeft geleefd, dat hij nooit bewust heeft stilgestaan bij hoe hij zijn leven inricht. De laatste dagen van zijn leven ondergaat hij een transformatie, waarin hij voor het eerst werkelijk leeft. Hij schreeuwt drie dagen lang, tot groot onbegrip en ongenoegen van zijn vrouw, de arts en het personeel, die allen ontkennen wat hij zelf allang weet: dat hij moet sterven. Ebenezer Scrooge is een ander voorbeeld: de vrekkige boekhouder van Dickens, die op kerstavond wordt geconfronteerd met de geest van de toekomst, die hem zijn eigen dood voorhoudt. In psychologische termen kan men spreken van een schoktherapie, die in het geval van Scrooge bijzonder succesvol kan worden genoemd - hij verandert en verbetert zijn leven. Het besef dat men sterft, kan dus persoonlijke veranderingen in gang zetten. Mensen die oog in oog met de dood hebben gestaan, leven meer in het heden. Ze leven niet langer met vage toekomstplannen, maar leven meer in het hier en nu. Nu is men in staat zijn leven in te vullen, om de kansen van het leven tot werkelijkheid te maken. Het besef dat men sterfelijk is, zorgt voor een dieper ervaren van de werkelijkheid: niet langer holt men er langs, maar men ervaart de geuren, kleuren, impressies en in het algemeen de volheid en rijkdom van wat zich aandoet. Zoals de Indiase filosoof Santayana (1863-1952) het zegt: 'De donkere achtergrond die de dood verschaft, brengt alle tedere kleuren van het leven in al hun zuiverheid naar buiten'. Een ander punt van verandering is dat men zich door het besef dat men sterfelijk is, minder identificeert met allerlei kenmerken van buitenaf. We zoeken onze identiteit in ons werk, in relaties, in prestige, sport en noen maar op. Iemand die de dood erkent als deel van zijn leven, bekommert zich hier minder om en herkent ze als dingen van buitenaf die niet wezenlijk zijn voor zijn bestaan. Betekent dit dat men de angst voor de dood volledig moet overwinnen? Nee, dat is niet haalbaar en uiteindelijk zelfs niet gewenst. Immers, juist de dood doet de mens het leven vormgeven. Zonder dood geen leven. Maar waarom zou men de dood zo'n belangrijke plaats in zijn leven geven? Dood gaan we allemaal, maar moeten we daardoor ons leven laten bepalen? Heeft het leven niet vooral zin wanneer we niet doodgaan? Het leven heeft alleen zin als er een toekomst is waarin ik mijn plannen kan verwezenlijken. De dood haalt alle zin uit mijn leven. Het is het einde van alle mogelijkheden. De dood is in die zin 'de onmogelijkheid van elke verdere mogelijkheid' (Kierkegaard). Vanuit die gedachte hebben mensen al eeuwenlang naar onsterfelijkheidselixers gezocht. De dood als terrorist In hun Terror Management Theory (TMT) stellen de onderzoekers Greenberg, Solomon en Pyszczynski (1997) dat doodsangst het meest fundamentele motief is, dat er bestaat. Volgens hen overkoepelt deze doodsangst andere hoofdmotieven zoals seks, agressie, invloed, erbij willen horen, cognitieve consistentie en kunnen voorspellen en beheersen. Men ziet de dood als belangrijke zingever van het bestaan. Volgens psycholoog Ernst Becker is de angst (terror) voor de dood een basale angst, die alle andere angsten beïnvloedt.

16

De dood is de meest afschrikwekkende bedreiging voor de alledaagse realiteit, die we normaal gesproken voor lief nemen, zonder ons af te vragen of die realiteit wel echt zo vanzelfsprekend is. Het leven van mens en dier is slechts tijdelijk: alle levende wezens zijn sterfelijk. Bijna geen enkel dier is zijn zich van zijn sterfelijkheid bewust. In vergelijking met de rest van het dierenrijk heeft het menselijke bewustzijn zich ver geëvolueerd. Volgens de Terror Management Theory heeft de mens daardoor een unieke eigenschap. De mens is zich namelijk als enig levend wezen bewust van zijn sterfelijkheid. Dit besef kan leiden tot ondragelijke doodsangst. In de TMT wordt dit ”terror‘ genoemd. De TMT veronderstelt dat zich in de evoluerende mens een zogenaamde anxiety-buffer ontwikkeld heeft. Dit is een psychologisch mechanisme dat de mens in staat stelt om te blijven functioneren. Men noemt dit ”terrormanagement‘. Deze buffer zorgt ervoor dat de verlammende werking van onbeschermde doodsangst op de psyche tot een minimum beperkt blijft. De menselijke geest reageert op doodsangst door te streven naar onsterfelijkheid. De werking van de buffer is gebaseerd op het wekken van de suggestie dat een bepaalde mate van onsterfelijkheid inderdaad bereikt is. Het stelt de mens namelijk in staat om zich te identificeren met ”iets groters‘. Men kan daardoor het individuele bestaan ontstijgen en daarmee de sterfelijkheid. Zo kan men zich bijvoorbeeld bekeren tot een geloof, zich identificeren met een onderneming of zich richten op de wetenschap. Zulke opvattingen worden in de TMT ”wereldbeelden‘ genoemd. Hechting aan wereldbeelden stelt de mens in staat te komen tot zingeving aan de werkelijkheid. Identificatie met of een geloof in bepaalde (culturele) wereldbeelden garandeert echter nog geen succesvolle werking van de anxiety-buffer. Het is daarnaast noodzakelijk dat men voldoet aan de maatstaven die in het betreffende wereldbeeld gesteld worden. Zo kan men bijvoorbeeld handelen volgens politieke opvattingen die men waardeert, zich kleden volgens de laatste mode, intelligente opmerkingen maken in een wetenschappelijke setting of een goede daad verrichten volgens bepaalde geloofsopvattingen. Op zulke manieren kan eigenwaarde verworven worden. Dat heeft een effectieve werking van de anxietybuffer tot gevolg. Management van terror wordt daarmee mogelijk. Vanuit de mortality salience hypothese kan voorspeld worden wat de gevolgen zijn van een herinnering aan de sterfelijkheid. Bescherming tegen de verlammende gevolgen van doodsangst is mogelijk door de handhaving van een geloof in een bepaald wereldbeeld. Volgens de eerste TMT-hypothese wordt het overtuigd zijn van de geldigheid van dit wereldbeeld belangrijker zodra men herinnerd wordt aan de eindigheid van het bestaan. Mortality salience kan tot gevolg hebben dat men zich gaat inspannen om de geldigheid van het betreffende wereldbeeld bevestigd te krijgen en informatie die ermee in tegenspraak is te ontkrachten. Als men van de geldigheid van een wereldbeeld overtuigd is, dan garandeert dat nog geen effectieve werking van het als buffer functionerende psychologische mechanisme. Daarnaast is het namelijk noodzakelijk dat men voldoet aan de maatstaven die in het wereldbeeld gesteld worden. Kasser en Sheldon (2000,) hebben hun onderzoek gebaseerd op de kapitalistische aard van de hedendaagse consumptiemaatschappij. In onze markteconomie wordt een streven naar winst op prijs gesteld. In TMT-onderzoek naar een cultureel wereldbeeld met een dergelijk materialistisch karakter komt het voldoen aan de maatstaven die in het wereldbeeld gesteld worden neer op het maximaal opschroeven van de winst. In een kapitalistische samenleving als de onze bestaat de mogelijkheid dat men hier eigenwaarde aan kan ontlenen. Dit streven naar winst is mogelijk zo extreem dat men er zelfs eigenwaarde aan kan ontlenen wanneer dit ten koste gaat van anderen en als hebzuchtig gezien kan worden. In het onderzoek van Kasser en Sheldon (2000) reageerden deelnemers op een herinnering aan de sterfelijkheid inderdaad door hun winststreven op te schroeven. In de TMT wordt verondersteld dat onsterfelijkheid op verschillende manieren nagestreefd kan worden. Dit streven kan zich letterlijk of symbolisch uiten. Het geloof in een hiernamaals is een voorbeeld van het streven naar letterlijke onsterfelijkheid. Symbolische onsterfelijkheid uit zich bijvoorbeeld in een verlangen om beroemd te worden. De mens wordt gedreven doorvele behoeften en verlangens. Op het eerste gezicht lijken het geloof in een hiernamaals en het verlangen om beroemd te worden vrij weinig met elkaar te maken te hebben. Echter, TMT-onderzoek heeft aannemelijk gemaakt dat deze fenomenen vanuit psychologisch perspectief in staat zijn dezelfde functie

17

te vervullen (Greenberg, Solomon, & Pyszczynski, 1997). Ernest Becker concludeerde dat de mens gedoemd is om op de een of andere manier onsterfelijkheid na te streven. Een totaal gebrek aan identificatie met welk wereldbeeld dan ook, is namelijk onverdraagbaar. We zouden dan genoodzaakt zijn de verschrikkelijke waarheid van onze onontkoombare dood rechtstreeks te confronteren. Dit is vanwege de verlammende gevolgen voor het psychologisch functioneren geen optie (Loy, 1990). Volgens de filosoof Bauman is de cultuur een poging om de dood te boven te komen. Door de cultuur maken we iets dat ons eigen, tijdelijke bestaan overstijgt. Wie weet dat hij sterft, wil iets van het leven maken. Dit 'iets van het leven maken' kunnen we letterlijk zien: we willen gebouwen maken, kunstwerken, boeken, liederen, technische uitvindingen - in zeker opzicht doen we dat niet alleen maar vanuit nuttigheidsoverwegingen of om ons het leven aangenamer te maken. Vanuit een onbewust en diep verlangen iets achter te laten dat het tijdelijke bestaan overtreft, hebben mensen kathedralen gebouwd zoals de Notre Dame in Parijs of de Sint Jan in ’s-Hertogenbosch. De mens kan alleen leven door hoop te creëren vanuit de uitzichtloze situatie dat men moet sterven. Die hoop ligt in de cultuur. De cultuur is de illusie die wij allen nodig hebben om te kunnen leven. Het bestaan van de cultuur is een levende mythe van het belang, dat men hecht aan het menselijke leven. De cultuur is in die zin een religie, aldus de al eerder genoemde Becker. De mens moet de cultuur creëren om het leven te kunnen verdragen, om de vergeefsheid van zijn eigen bestaan te boven te komen. Cultuur verschaft mensen de mogelijkheid om te geloven dat er iets blijft bestaan als zij er zelf niet meer zijn, het geeft mensen het idee dat er na hun leven iets verder gaat, iets groters, iets blijvends, waaraan zij weliswaar niet langer persoonlijk deel nemen, maar wel hun

Gevaren, ja, die waren er, want het gehele leven was immers één lange en gevaarlijke reis, één bange vlucht dus, ja voor wat? Voor de dood? Had ik dat ergens gelezen: Eén Bange Vlucht Voor De Dood? Waarschijnlijk wel, want zoiets bedacht je niet zelf als je goed bij je verstand was. Gerard Reve

bijdrage aan hebben geleverd. Dat hoeft overigens niet in de vorm van een kathedraal te geschieden; ook op veel kleinere schaal leveren wij onze bijdragen aan het maken en dragen van onze cultuur: we geven elementen uit onze cultuur door en we creëren gezamenlijk nieuwe elementen. Er is onderhand een overvloed aan ondersteunende gegevens verzameld voor de TMT. Toch blijft het tamelijk merkwaardig om aan te nemen dat ons leven beheerst wordt door angst voor de sterfelijkheid. Vraag een leek naar het meest fundamentele motief van zijn gedrag: —Waarom doet u alle dingen die u doet?“. —Uit doodsangst,“ is dan niet het meest voor de hand liggende antwoord. Leonard Martin ontwierp een andere manier om tegen de motiverende effecten van doodsangst aan te kijken. Hij ontwikkelde de zogenaamde I-D Compensation Theory( IDCT). Er wordt in deze theorie onderscheid gemaakt tussen behoeftebevrediging op de korte en lange termijn. De afkorting ”ID‘ staat voor ”immediate-delayed‘. In de IDCT hebben deze termen betrekking op respectievelijk onmiddellijke behoeftebevrediging en uitgestelde behoeftebevrediging. Onmiddellijke behoeftebevrediging is gericht op doelen die op de korte termijn haalbaar zijn. Wanneer ik bijvoorbeeld dorst heb, kan ik naar de kraan lopen om iets te drinken. Uitgestelde behoeftebevrediging is niet op korte termijn in te willigen. Denk bijvoorbeeld aan een student die op dit moment moet studeren om volgende week een tentamen te kunnen halen. Onmiddellijke inzet is dan nodig, maar de mogelijke opbrengst is in de tijd vooruit geschoven. Of doelen daadwerkelijk behaald worden, is in de IDCT niet van wezenlijk belang. Het gaat slechts om de overtuiging dat er vooruitgang geboekt wordt. Het accent ligt op de verwerving van feedback dat toekomstige doelen bereikt zullen worden(Martin, 1999). Vanuit deze theorie wordt gesteld dat doodsangst niet altijd een dominant motief is. Dat is het alleen onder bepaalde omstandigheden. De IDCT kan beschouwd worden als een soort overkoepelende theorie. Volgens de IDCT bestaat er een systeem dat het effect van bepaalde belangrijke sociaalpsychologische motieven (bijvoorbeeld bescherming van het ego of terror management) beïnvloedt. Dit systeem oefent controle uit op de relatie tussen persoon en zijn omgeving (Martin, 1999). Het meest basale idee van IDCT is dat individuen het meest vatbaar zijn voor sociaal-psychologische motieven wanneer de harmonie met hun omgeving verstoord is.

18

IDCT gaat niet uit van één (inhoudelijk) motief zoals de doodsangst in TMT. Er wordt aangenomen dat mensen in staat zijn zich tegelijkertijd op de bevrediging van meerdere doelen te richten. Het gaat hier om processen die van belang zijn bij het nastreven van doelen in het algemeen. Individuen proberen hun doelen te bereiken door van hun vaardigheden gebruik te maken. Het zich inzetten voor een doel kan tot feedback leiden. Men weet dan in welke mate de pogingen resultaat opleveren: is er sprake van vorderingen in het bereiken van doelen? De theorie stelt dat individuen optimaal functioneren wanneer ze regelmatig positieve feedback ontvangen. Ze bevredigen dan hun behoeften onmiddellijk. Als deze feedback uitblijft, gaan individuen een (groter) beroep doen op vaardigheden voor uitgestelde behoeftebevrediging. Ze gaan dan meer vertrouwen op mentale processen zoals peinzen, probleem oplossen en mentale simulatie. Er volgt dan een toename van de waargenomen waarde van stimuli als bijvoorbeeld seks, eten, geld, roem, kennis of macht die een terugkeer naar het bereiken van doelen kunnen vergemakkelijken. Dit proces is meer op de langere termijn gericht. De functie van deze vaardigheden is het helpen van individuen om terug te keren naar het bevredigen van hun onmiddellijke behoeftebevrediging. Deze ”terugkeer‘ verwijst naar de term ”compensation‘ in I-D Compensation Theory. Wanneer er ”compensatie‘ optreedt, wordt het mogelijk de gerichtheid op de toekomst los te laten. Qua beleving komt men daardoor weer meer in het heden terecht. Vertrouwen op deze processen kan individuen helpen om terug te keren naar het boeken van vooruitgang wat betreft hun doelen. Het maakt ze echter kwetsbaar voor de effecten van verschillende sociaal-psychologische motieven. Streven naar een Gebrek aan Eigenbelang Vanuit de Terror Management Theory wordt aangenomen dat onze behoefte aan zelfverheerlijking en zelf-vereeuwiging op één of andere manier tot uiting komt bij iedereen die zich er van bewust is dat hij zal sterven. De I-D Compensation Theory is voortgekomen uit een beschouwing van enkele fenomenen die niet te rijmen vielen met deze hypothese. Eén van die fenomenen is Zen. Waar namelijk vanuit Zen (en ook vanuit verscheidene andere Oosterse filosofieën) vooral naar wordt gestreefd is juist het elimineren van het eigenbelang. Belangen als zelfverheerlijking en vereeuwiging van het zelf volgens de TMT universele menselijke eigenschappen staan daar lijnrecht tegenover. Vanuit Zen wordt oriëntatie op het heden sterk benadrukt. Het gefocust zijn op het nu en op het zelf sluiten elkaar uit. Dit is gebleken uit onderzoek naar het maken van vorderingen wat betreft het bereiken van doelen. Martin kwam met de hypothese dat deze verschillende manieren van focussen verscheidene psychosociale motieven kunnen beïnvloeden. Zowel TMT als IDCT impliceren dat het beperken van het zelfbewustzijn en van het gericht zijn op de toekomst de impact van veel sociale motieven zou moeten verminderen. Volgens de TMT vinden zulke motieven hun oorsprong in doodsangst. Deze doodsangst is weer een gevolg van het ver geëvolueerde menselijke bewustzijn. De evolutie heeft de mens namelijk in staat gesteld zijn tijdsperspectief uit te breiden naar verleden en toekomst. Slechts wanneer de mens dit daadwerkelijk doet, is deze volgens de IDCT gevoelig voor sociale motieven. Mensen regelen hun gedrag grotendeels met behulp van een zelfgeoriënteerde, op de toekomstgerichte manier van denken. Dit maakt het zeer moeilijk om een zelfloze manier van leven in het onmiddellijke nu te bereiken (Pyszczynski & Goldenberg, 1999). Het uitgebreide tijdsperspectief stelt ons in staat om te bepalen wat we (denken te) missen en wat we willen bereiken. Een eventueel plan van aanpak noemde Becker een ”immortality project‘. Een beëindiging van de focus op het zelf hoeft geen problematische gevolgen te hebben. Daarnaast kan immers ook op het hier-en-nu gefocust worden. Wanneer de onmiddellijke behoeftebevrediging uitblijft, verliest de mens volgens de IDCT het contact met het hier-en-nu. Die switcht dan namelijk naar het meer uitgebreide tijdsperspectief. Van daaruit kan vervolgens gepeinsd worden over hoe men in de toekomst weer terug kan keren naar een staat van directe behoeftebevrediging. Fosca, vorst van een veertiende-eeuwse Italiaanse stadstaat, wordt verteerd door het verlangen de wereld naar zijn hand te zetten en drinkt een onsterfelijkheidselixer. In dit verhaal krijgt een man de kans om onsterfelijk te worden. Hij ziet zoveel aan zich voorbijgaan; levens van vrienden, tijdperken met oorlogen en telkens weer al die mensen met hun ambities. Ook al probeert hij in alle macht de wereld beter te maken, het blijft zich herhalen en alles wat waardevol voor hem is wordt waardeloos. Hij komt tot de conclusie dat zijn onsterfelijkheid niet meer dan een vloek.. (Alle mensen zijn sterfelijk, van Simone de Beauvoiri..

19

De waarheid heeft zich niet aan mij geopenbaard. Als een bries in de nacht heeft zij mij subtiel gestreeld. Terwijl ik sliep wekte zij in mij een vermoeden, Een duiding van iets groots en zo intens. Niets anders kan ik meer dan zoeken naar haar oorsprong. Tegen de stroom op kom ik uit bij de bron. Waarheen dat leidt, ik weet het niet, Haar adem heb ik herkend, het is een geur van thuis. Nergens zie ik een duidelijk houvast, geen zeker kompas. Enkel zuchtjes van een bries – zij waait in mij. Leef jij! En jij komt thuis. Ga! Ga naar het land dat de wind jou wijst. (naar Leo van Vegchel, pelgrim)

20

De wetenschap bestudeert volop het verschijnsel mens en voelt zich ook geplaatst voor het probleem van de eindigheid van de mens. Teilhard de Chardin was een van de eersten, die vanuit de wetenschap (paleontologie) een lijn doortrok vanuit de oermens naar de huidige en toekomstige mens, met gebruikmaking van de princiepen van de evolutie. Als visionair kwam hij uit bij het punt Omega, de vervolmaking van de menselijke geest in de goddelijke geest.

Teilhard de Chardin

(1881-1955)

Bronnen: bewerkte en ingekorte tekst van een Wikipedia artikel Pierre Teilhard de Chardin. De tekst is gelicenseerd onder de GNU-licentie voor vrije documentatie (GFDL). Tijdschrift Streven, 1982 Interview met Prigo-gine en Wildiers over de betekenis van Teilhard de Chardin.

Nadat we een psychologische oriëntatie hebben gemaakt omtrent het begrip verlangen, gaan we nu na welke visies omtrent onsterfelijkheid zich binnen het wetenschappelijk denken hebben ontwikkeld. Een van de wetenschappers die de mens weer geplaatst heeft in het perspectief van oneindigheid en onsterfelijkheid, is Teilhard de Chardin geweest. Hoewel minder populair dan in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, kan hij toch een belangrijke rol spelen in het debat over de menselijke onsterfelijkheid en de menselijke geest, juist omdat hij als wetenschapper vertrekt vanuit de evolutie. In de evolutie onderkent hij een leidend princiep. Verinnerlijking als sturende kracht in de evolutie Volgens Teilhard kan de natuur 'verinnerlijken', een term die uit de mystiek afkomstig is. De materie beschikt over een (psychische) binnenkant (le dedans). Alle verschijnselen in de wereld worden door deze psychische binnenkant gekenmerkt, maar niet allemaal in dezelfde concentratie. Deze verinnerlijkende energie is volgens Teilhard de stuwende kracht van de evolutie. Ze heeft geleid tot drie ‘geboorten’: - de kosmogenese: het ontstaan van het heelal, - de biogenese:de sprongmutatie van levenloze tot levende stof, - de noögenese: de sprongmutatie naar zelfbewustzijn toe. Met de noögenese ontstaat het verschijnsel mens, dat biologen aanduiden met homo sapiens. De klaarblijkelijke verschillen tussen de stadia beschrijft Teilhard in termen die ontleend zijn aan het verwarmen van een vaste stof: Eerst lijkt er weinig anders te zullen gebeuren dan dat de stof warmer wordt. Maar het smelten zal volgen. De vloeistof gedraagt zich heel anders dan de eerdere vaste stof, maar bestaat uit de zelfde moleculen. Voor de overgang naar het gas geldt hetzelfde. Punt Omega als evolutionair eindpunt Door de kracht van de verinnerlijking is de homo sapiens uitgestegen boven het dierlijke niveau, aldus Teilhard de Chardin. Daardoor is de mens als denkend wezen in staat de kosmos en zichzelf te overstijgen. Maar deze nieuwe levensvorm is niet het einde van het evolutieproces : de mensheid is op weg naar een steeds hechter wordende sociale eenheid. Een eerste stap op deze weg is al gezet. Als eerste soort is de mens er in geslaagd vanuit zijn ontstaansgebied in verschillende stromen de wereld in te gaan, zonder in verschillende soorten uiteen te vallen. Tot een volgende stap worden we uitgenodigd door het gegeven dat de wereldbol wel onbegrensd is (je kunt in een bepaalde richting altijd verder) maar niet oneindig (verder gaan betekent op een gegeven moment over een weg gaan die je eerder ging). Uiteindelijk zal die ontwikkeling uitmonden in een evolutionair moment dat Teilhard 'Punt Omega' noemde.

21

Als brancardier aan het front tijdens de Eerste Wereldoorlog doen ook de verschrikkingen van de oorlog Teilhard nadenken over de mens, de mensheid en God. Daarnaast wekken technologische ontwikkelingen angst bij mensen van zijn generatie. Ze vragen aan Teilhard:. Hoe denkt hij over dit alles? Waar gaat de mensheid naar toe? Teilhards analyse van de mensheid is ondanks al het kwaad positief. Zijn opvattingen kan men in twee kernbegrippen samenvatten : aantrekkingskracht en bewustzijnsophoping. Zijn visie is min of meer te vergelijken met de zwarte gaten theorie. Waar een zwart gat materie opslurpt, zo trekt een denkbeeldig wit gat liefdesenergie aan. Dit witte gat noemt Teilhard het punt Omega: het moment dat Christus zich opnieuw aan de mens ‘openbaart’. Ergens zegt hij: 'Is de liefde niet de sterkste kracht waaraan de menselijke geest is blootgesteld?' De liefde voor een overtuiging of idee? De liefde voor een kind of iemand die je dierbaar is? De liefde voor een daad of een land? Waar komt al die energie vandaan, als een mens door de liefde voor iets of iemand wordt getroffen? Teilhard ziet de liefde daarom als een goddelijke energie. Het is een positieve, integrerende en constructieve energie, stromend door de binnenkant van zowel dode als levende materie, en zij is van een enorme schoonheid. Velen verwijten Teilhard een te positieve kijk op de wereld. Er gebeuren toch ook zoveel slechte dingen, waarbij je niet van liefde kunt spreken. Hoewel Teilhard dat weet, besteedt hij liever tijd en energie aan de opbouwende kant van het bestaan. Hij is ervan overtuigd dat deze kant uiteindelijk zegeviert. Teilhard hierover: ‘Ook een zonnig landschap heeft zijn schaduwen.’ Schepping en evolutie Voor Teilhard bestaat er geen discussie over schepping of evolutie. Het gaat hier om het samengaan van schepping én evolutie. Op elk moment en op elke plek vindt een ontwikkeling plaats. Ontwikkeling kan pas plaatsvinden na een schepping. Elke samenstelling (atoom, molecuul, mens, enz) is dus een soort schepper die tegelijk ook evolueert. Maar geen van deze samenstellingen is voltooid behalve God. Alleen God kent een ongedifferentieerd bewustzijn waarmee Hij de totale of complete evolutie kan scheppen. Die evolutie zoekt op zijn beurt de weg naar de 'voltooide' Schepper. Teilhard ziet moment Omega dan ook als het moment dat het (ons) gezamenlijk bewustzijn een natuurlijk eindpunt nadert. Vanaf de oerknal dijt het heelal aan de buitenkant uit en krult het tegelijkertijd aan de binnenkant op, wordt het door punt Omega aangetrokken. Teilhard zag in dat de evolutie niet lineair verloopt, maar via een spiraal van analoge fasen of niveaus. Daarnaast kent het universum niet alleen een microscopische en macroscopische deel. Er is nog een ander belangrijk kenmerk: een lijn van eenvoudige naar complexe bewustzijns-kernen. De groei van enkel- en eenvoudige organisatie-eenheden naar samengestelde en meervoudige eenheden noemt hij het complexificatieproces, een geleidelijke ‘verdikking’ van de binnenkant. Hoe complexer de inwendige samenstelling van een organisatie-eenheid is, hoe meer de psyche zich verinnerlijkt (interioriseert), waardoor het bewustzijn steeds meer op zichzelf terugbuigt (reflecteert). Dit proces drukt zich op aarde uit in verschillende evolutieniveaus en evolutiefasen. Eenheden op hetzelfde niveau worden geleidelijk complexer en bereiken uiteindelijk een natuurlijk eindpunt. Daarna volgt een onvermijdelijke sprong (verlichting of revolutie) naar een hoger, complexer niveau, terwijl de oude blijft bestaan. Zo overlappen verschillende lagen elkaar en onderscheiden ze zich in complexiteit van de binnenkant: de evolutie als een spiraal. Volgens de wetenschap bestaan er 9 niveaus van de dode materie. Materie die slechts beweegt en verandert onder uitwendige invloeden: 1. (Super)strings 2. De elementaire deeltjes (krachtdragers, leptonen en quarks) 3. De samengestelde ‘elementaire’ deeltjes (hadronen en baryonen)

Als wij onze vrijheid echter misbruiken, onze verantwoordelijkheid voor elkaar wereldwijd niet waar maken, draaien we het proces van onze evolutie om en verdampen wij weer tot de sterrenstof, waaruit wij na vierenhalf miljard jaar zijn voortgekomen. Wij staan op een kritiek punt in onze evolutie.

22

4. Het atoomniveau 5. Het moleculair niveau 6. Het eobionten niveau 7. Het cellulair of protozoair niveau 8. Het metazoa niveau De niveaus 6, 7 en 8 werden uitvoerig door Charles Darwin beschreven. Bij deze niveaus worden veranderingen en ‘leven’ ook georganiseerd van binnen uit, door RNA en DNA, door chromosomen, en door hersenen (althans met de instincten daarvan, dus aangeboren, doorgegeven hardware). 9. Het socialisatie niveau van de mens Teilhard beschreef in zijn standaardwerk ‘Het Verschijnsel Mens’ niet het eobiontenniveau, omdat dit in de toenmalige biologie nog niet bekend was: men verwarde het met het protozoair niveau. Ook voegde hij beide elementaire niveaus (1+2) samen, omdat de quarks toen nog niet bekend waren. Het complexificatieproces verloopt in twee afwisselende bewegingen: 1. Tijdens een eerste beweging wordt er binnen hetzelfde niveau geprobeerd om steeds betere systemen te vormen; een verdere ontwikkeling van systemen van dezelfde soort, maar die dezelfde elementen op een meer complexe manier in zich verzamelen. De meer complexe elementen kwamen in de natuur op een later tijdstip tot stand dan de meer eenvoudige. 2. Op een bepaald moment komt aan deze ontwikkeling een schijnbaar natuurlijk eindpunt: de natuur ontwikkelde geen complexere atomen dan uranium, geen complexere moleculen dan aminozuren, geen complexere cellen dan de protozoa, enz. Het complexificatieproces gaat dan verder op een hoger niveau, niet door het ingewikkelder maken van de eigen eenheid (de eerste beweging), maar door met verschillende eenheden een hogere eenheid te vormen: atomen vormen moleculen, moleculen vormen eobionten, eencelligen vormen meercelligen, enz. In een tweede beweging wordt er met elementen van een lager niveau een systeem op hoger niveau gevormd, waarna weer de eerste beweging plaatsvindt, maar nu op een hoger niveau. In de loop van de evolutie worden dus telkens systemen gevormd van een hoger complexiteitsniveau. De systemen van een lager niveau vormen de bouwstenen van de systemen van het volgende niveau. Fasen in de evolutie De evolutie van de aarde kent dan twee cruciale overgangen binnen drie evolutiefasen: 1. het moment dat eiwitten promoveren naar een levende cel 2. het moment dat de biofase een sprong maakt naar de noöfase (de stap van de reflectie) Teilhard spreekt in dit verband over twee evolutiedrempels binnen drie sferen: lithosfeer, biosfeer en noösfeer. Voorafgaand aan een nieuwe tijdsruimte ontstaat er eerst een soort kritische massa in complexiteit (natuurlijk eindpunt). Van daaruit volgt onvermijdelijk de sprong naar een complexere vorm van bewustzijn en energietransformatie. De twee overgangen verbinden de drie belangrijke evolutiefasen: de lithofase, de biofase en de psychologische of noöfase.

1. Lithofase (niveau 1 - 5) Teilhard verklaart waarom bijvoorbeeld stenen, ertssoorten, kristallen en mineralen (lithosfeer) op een ‘doodlopend’ spoor zitten. De evolutie van organisatie-eenheden binnen deze sfeer is namelijk beperkt door te sterke interne bindingen. Dergelijke verbindingen zijn dan ook niet geschikt voor

23

voedselvertering bij mensen en zoogdieren. Maar evenzo niet geschikt voor verdere ontwikkeling van een flexibele binnenkant. Ofschoon zij aan de buitenkant in complexiteit toenemen, blijven de binnenkanten van deze bouwwerken onbewoond. De lithosfeer kristalliseert waarbij de materie te veel in zichzelf is opgesloten en alleen bij hoge temperaturen kan voortbouwen. De hydrosfeer (de waterzones van de aarde) daarentegen hebben juist zwakke verbindingen die gemakkelijk zijn te verbreken of te wijzigen. Daarvoor is relatief weinig energie nodig. De mogelijkheden van verbindingen zijn hier onbeperkt en zij zorgen dus voor oneindig veel variaties met een flexibele binnenkant. Het is de hydrosfeer van waaruit de complexiteit uiteindelijk naar een nieuw niveau stijgt. 2. Biofase (niveau 6 – 8) De biologische evolutie is dan ‘in vuur en vlam gezet’. Punt Omega oefent voortdurend een aantrekkingskracht uit op het bewustzijn zoals een brandende lamp insecten aantrekt: organismen evolueren naar een model waarin de psyche zich concentreert rond een uitgekiend systeem van informatieverwerking en communicatie. Geen willekeur van, geen zoektocht naar, maar een voorbereiding tot. Volgens Teilhard is de ontwikkeling van de hersenen en het zenuwstelsel een graadmeter van complexiteit binnen de evolutieboom. De aanwezigheid van hemisferen van onderzochte paardenhersenen (onderzoek van Tilly Edinger) laten over een periode van enkele miljoenen jaren zien dat deze neocortex versneld in grootte is toegenomen. Binnen dezelfde evolutieboom hebben in de periferie zijn de specialisaties tot stand gekomen zoals zwemmers, gravers, duikers, stekelhuidigen en lopers. De soorten met weinig uiterlijke specialisaties zitten dicht bij het midden, bij de stam. Hun specialisaties zitten meer in de binnenkant. In de top van de boom zitten de primaten met een geavanceerd zenuwstelsel en communicatiesysteem. Het heeft het er alle schijn van dat niet de slimste anatomie van een organisme een lange toekomst is beschoren (beste loper, beste zwemmer), maar de soort met de grootste reflectieve binnenkant. Onder druk van zoveel binnenkant springt de complexiteit naar een nieuw niveau.

"De mens kan niet leven zonder een continu vertrouwen in iets onvernietigbaars in zichzelf." (Kafka)'
3. Noöfase: (niveau 9)

Teilhard beschouwt de mens als spil van de evolutie. De evolutie is een draaikolk met in de periferie de geologie die traag en onzichtbaar verandert, in het midden de biologie die snel en veranderlijk wervelt, en in het midden de nukken en grillen van de psychologie die het snelste kolkt. Ook de ontwikkeling van een hele soort ziet Teilhard versneld terug in die van één enkel individu. Alsof een lange evolutie in verkorte versie in elk individu huist. Want zo beseft een kind in de puberteit dat het een eigen persoonlijkheid heeft: een individu tussen andere individuen. Iets soortgelijks gebeurde met een aapsoort. De complexiteit van de binnenkant was toen zo opgehoopt dat het op zichzelf terugboog: en er was reflectie. De aap zag zichzelf plotseling tussen andere apen. Er bestaat een cruciaal verschil tussen aap en mens: ‘een aap kan veel leren, maar alleen de mens weet dat hij kan leren.’ Dit meta-aspect heeft verregaande gevolgen. De ontwikkeling van de aarde heeft vanaf dat moment zijn eigen evolutiearchitect gecreëerd. De komst van de mens is geen speling van de natuur, Niet de mens zelf maar het denken en bewustzijn is van belang en de mens is daarvan de drager: de psychologie als een universele gebeurtenis. De psychologie is geen uniek proces dat zich toevallig alleen op aarde afspeelt, maar is een eigenschap van een universeel proces dat ook elders in het heelal zal optreden. Ook meent Teilhard dat de evolutie van de aarde een onomkeerbaar en eenmalig proces is. De aarde ontstaat slechts één keer, zij kent één ontwikkeling en één dood. Die ontwikkeling gaat gepaard met cruciale momenten, waarin de omstandigheden de juiste parameters hebben voor een nieuwe stap naar een hoger niveau. Is eenmaal de sprong gemaakt, dan is een herhaling energetisch (chemisch-technisch of thermodynamisch?) onmogelijk, omdat de sprong zelf de variabelen wijzigt die een herhaling mogelijk moeten maken. Zo maakt de nu aanwezige zuurstof vroeger be-

24

paalde noodzakelijke evolutiestappen onmogelijk. Bij Teilhard vind je de opvatting dat de geschiedenis van het leven de onvermijdelijke, steeds sterkere overheersing van geest ten opzichte van materie is, die uiteindelijk zal culmineren in de eenwording van die groeiende geest met God,” aldus zoöloog en paleontoloog Gould tegen Wim Kayzer in diens tv-reeks van de VPRO Een Schitterend Ongeluk uit 1993. In de jaren zeventig ontwikkelde Gould samen met de paleontoloog Niles Eldregde de theorie van de sprongsgewijze evolutie. Daarmee doorbrak Gould het traditionele denken over de evolutie als een geleidelijk proces. Ook maakte hij korte metten met de opvatting dat het evolutieproces een zekere doelgerichtheid heeft. Het geheim van de evolutie Teilhard voorspelt voor de toekomst geen nieuwe supermens. Geen nieuwe stap binnen hetzelfde niveau, maar een sprong naar een

Wie met beide benen op de grond blijft staan, komt niet ver.

complexer niveau. Want een stap naar een beter uitgeruste mens lijkt onwaarschijnlijk gezien de huidige mogelijkheden die de mens al kent. Er vindt dus geen diepere individualisering of perfectionering van de afzonderlijke delen plaats. Daarentegen zijn goed werkende systemen (organisaties, markten, groepen, sociale leefmilieus, communicatie en informatie) veel aantrekkelijker voor de evolutie. De bewustzijnskernen concentreren zich dan niet langer elk afzonderlijk rond één punt (vgl. de aarde als middelpunt van het heelal), maar verenigen zich met alle andere bewustzijnscentra op aarde. Deze nieuwe laag vormt een soort global mind van de aarde (geen global brain zoals in de Gaia-theorie); de geest van de aarde als afzonderlijk bewustzijnspunt binnen de kosmos. Teilhard: “De uitweg van de wereld, de poorten van de toekomst, zij gaan niet open voor enkele bevoorrechten, evenmin voor een enkel volk, het uitverkorene onder alle volkeren! Die poorten zullen pas bezwijken voor de druk van allen te samen." De huidige mens is volgens Teilhard het resultaat van allerlei klimpogingen. Voortdurend klimt de mens via allerlei -ismen, religies, wetenschappelijke formuleringen en -cratieën omhoog. Steeds opnieuw ondervindt de mens ook de beperkingen en onvolkomenheden ervan. Zo maakt het communisme een termiet van de mens: individualiteit, initiatief en zelfontplooiing worden daarbij onderdrukt in plaats van gestimuleerd. Zo zijn het fascisme en fundamentalisme te beperkt, niet inspiratief en houden zich teveel aan normen en waarden uit vervlogen tijden. En zo heeft de democratie veel emancipatie gebracht, maar geen echte vrijheid (gezonde groei in ontwikkeling). De verschillen in bewustzijnskernen zijn nog te groot, de kloven nog te breed, waardoor geen eenheid mogelijk is. Teilhard voorspelt een moment waarop groei naar eensgezindheid (met behoud van individualiteit) mogelijk wordt en zich dan ook gaat versnellen. Zodra de mensheid het geheim van de evolutie begrijpt,komt het bewustwordingsproces in een hogere versnelling: de geest van de aarde convergeert sneller, menselijke inspanningen gaan dan steeds meer in het teken van dit proces staan. Er wordt zogezegd geen tijd, geld en energie meer verspild aan bijzaken. Het grootste gevaar in deze psychologische evolutie is volgens Teilhard het isolement, verstoting of desintegratie. Isolement en individualiteit wonen naast elkaar. Een samenleving waarin de ene partij de andere verstoot, onderdrukt, uitbuit of uitsluit, blokkeert daarmee in feite de ontwikkeling van de mensheid en kweekt niet alleen broedplaatsen van haat, maar zet ook de toekomst van de aarde op het spel. De enige weg naar boven, naar de toekomst is samenwerking op alle fronten ofwel integratie. Teilhard hierover: ”Vals, en tegen de natuur, is het egocentrisch ideaal van een toekomst welke voorbehouden is aan hen die langs egoïstische weg het uiterste punt van het 'ieder voor zich' zullen bereikt hebben. Geen grondeenheid kan bewegen of groter worden tenzij met en door alle andere.” Volgens Teilhard is het dan ook van groot belang dat de mensheid op tijd inziet waarvoor hij op aarde is gekomen en hij doet daarbij een beroep op de wetenschap: meer onderzoek naar de betekenis van de mens in de evolutie, in de sociologie en psychologie. De aarde is eindig. De afzonderlijke bewustzijnskernen op aarde zijn nu meer dan ooit bezig elkaar

25

te ontmoeten, zowel kwaadschiks als goedschiks. Na een lange voorbereiding, een periode waarin stammen, families, groepen, culturen en volkeren elkaar konden ontlopen, komen ze elkaar tegenwoordig steeds intensiever tegen: verplaatsingen in allerlei richtingen. De aarde buigt terug en daarmee ook de bewustzijnscentra totdat deze in zijn geheel op zichzelf terugbuigt: de mondiale reflectie. De vervolmaking van de geest van de aarde kan leiden tot interacties met, en een opgaan in een hoger systeem, die van een kosmische pansocialisatie. God is dan zeer goed te beschouwen als een naam voor een volmaakt natuursysteem dat een zelfscheppend vermogen bezit. Want wat doet een evolutie zelf die een natuurlijk eindpunt nadert? Waar, als het ware, inwendig niets meer te doen is, immers het bewustzijn is tot zijn voltooiing gekomen? Wellicht komt er dan een actie naar buiten: een schepping van een nieuw universum, waarin de cyclus opnieuw begint? NABESCHOUWING Ilya Prigogine en Max Wildiers , interview over Teilhard de Chardin Prof. dr. Ilya Prigogine (1917 - 2003). Geboren in Moskou, vanaf 1947 de Belgische nationaliteit. In 1977 ontving hij de Nobelprijs scheikunde voor zijn bijdrage aan de irreversibele thermodynamica (de dynamica van onomkeerbare warmteprocessen). Van zijn werken noemen we: La Nouvelle Alliance (1979) - met Isabelle Stengers - Order out of Chaos (1984) - met Isabelle Stengers (Nederlandse vertaling Orde uit chaos, Uitgeverij Bert Bakker). Prof. dr. Max Wildiers (1904 - 1996) wordt één van de grootste Vlaamse filosofen van de 20ste eeuw genoemd. Hij doceerde onder meer aan de K.U.Leuven en aan de University of San Francisco, California. Zijn werk werd meermaals bekroond. Van zijn hand verschenen o.a. Evolutionisme en Wereldbeschouwing - De zin van de techniek - Het wereldbeeld van Teilhard de Chardin - Kosmologie in de Westerse cultuur - De Vijf Vreugden van de Geest. Hij was aanhanger van de Franse jezuïet en theoloog Teilhard de Chardin, welke zocht naar een manier om het darwinisme, evolutionisme en katholicisme met elkaar te verzoenen. Een theorie van alles Onze tijd wordt inderdaad gekenmerkt door een zoeken naar een theorie van alles. Teilhard zag in, dat zoeken naar een eenheid verder reikt dan het domein van de wetenschap. Naast de kloof tussen stof en geest probeerde Teilhard ook die tussen wetenschap en godsdienst te dichten. Wat de wetenschap zelf betreft trachtte hij de afstand tussen verleden en toekomst te overbruggen. Hij zag in het concept van de tijd, het begrip 'evolutie', het element dat die eenheid mogelijk zou maken. Dankzij tijd en evolutie worden dingen samengevoegd die op het eerste gezicht erg verschillend lijken. In dat verband is het interessant Teilhard tegenover Bergson te plaatsen. Het spreekt vanzelf dat Bergson een grote invloed heeft uitgeoefend op het wijsgerige en psychologische denken van onze tijd. In L'Evolution créatrice (1907) plaatst hij de levenloze stof tegenover de evolutie van het leven en de ontwikkeling van het denken. Dat zouden twee evoluties zijn die zich in tegenovergestelde zin bewegen; de eerste zou de dingen neerhalen, de tweede ze verheffen. Het gaat hier om een fundamenteel dualisme. Teilhard gaat evenwel verder dan de vaststelling dat er in het universum leven en niet-leven is. Alles bestaat echter in hetzelfde universum: een steen,een microbe,plant en dier, Goethe, Beethoven, en wij allemaal. Wij hebben geleefd, althans wij bestaan in hetzelfde universum. We moeten dus haast een gemeenschappelijke taal vinden om zeer verschillende fenomenen te beschrijven. Het universum heeft zeer uiteenlopende stadia doorgemaakt. Telkens wanneer men

26

het over wetten heeft, moet men ook het moment van het verschijnen van de regelmatigheden, die we vandaag constateren, nader omschrijven, Teilhard was vooral in dat verband een voorloper, omdat hij begreep dat de stof nog wel wat anders en meer is dan een roerloos iets. Tegelijk echter was hij meer dan anderen gevoelig voor het mysterie van de kosmos. In welke wereld leven wij eigenlijk? - dat is de ultieme vraag die wij ons allemaal stellen en die hij wel heel scherp aanvoelde. Al wat we tenslotte kunnen zeggen, gaat altijd uit van eerste vragen als: in welke wereld leven wij? wat doen wij in die wereld? hoe zijn wij er terechtgekomen? zijn wij één met de wereld? zijn wij per slot van rekening niet de wereld? Teilhard, wetenschapper en ziener Teilhard beschouwde zichzelf als een fenomenoloog: hij vond dat hij de feiten beschreef. Van buiten af. Maar kan men wel de feiten van buiten af beschrijven? Zitten wij er niet altijd al binnenin? Die vragen heeft Teilhard zich wellicht onvoldoende gesteld. In ieder geval heeft hij geprobeerd om als fenomenoloog de wereld te beschrijven en te achterhalen welke plaats de mens in de kosmos bekleedt - de grote vraag die Pascal zich stelde na de ineenstorting van het oude wereldbeeld.Teilhard was eigenlijk geen fenomenoloog. Hij mag dat zelf wel schrijven in Le Phénomène Humain, een voldoende reden om hem als zodanig te accepteren is dat niet. Op dat punt maakte Teilhard zich illusies. Voor zover men kan zien, moet men twee elementen in zijn werk onderscheiden. Het eerste is de beschrijving: Teilhard beschrijft inderdaad de evolutie. In dat opzicht is hij zelfs meer dan een fenomenoloog, hij is een positivist. Maar hij zegt nagenoeg niets over de mechanismen van de evolutie; het is duidelijk te merken dat hij geen bioloog was. Soms laat hij zich verleiden tot een ietwat naïeve interpretatie; dan geeft hij bladzijden weg over een 'radicale energie', een kracht die de dingen concentreert, en gebruikt hij beelden die niet erg wetenschappelijk te noemen zijn. Men vindt bij Teilhard de nogal blote beschrijving van dat buitengewoon wonderlijke avontuur dat zich uitstrekt van de levenloze stof tot de culturele verschijnselen. Daarnaast is er de poëtische visie, de overtuiging dat de mensen dichter bij elkaar komen. Hij ziet dan een coherente wereld voor zich die in zekere zin de noösfeer benadert. Het moet duidelijk zijn dat hij op die momenten hoegenaamd geen fenomenoloog meer is, maar een visionair. Bij Teilhard blijft steeds het dualisme bestaan tussen de fenomenoloog en de ziener. Wat hem interessant maakt, is de wisselwerking tussen beide. Elk groot wetenschappelijk oeuvre bevat een persoonlijk element dat de wetenschap overstijgt. Maar het is dan wel oppassen geblazen: het visionaire behoort niet meer tot de wetenschap: men kan erin geloven of niet, maar het valt geheel buiten het domein van de wetenschap. Er zijn inderdaad convergerende evoluties geweest. We begrijpen vandaag beter dan ooit wat een zekere eenheid in de beschrijving van de wereld zou kunnen betekenen. Opdat het leven mogelijk zou zijn, heb je chemie nodig: goede moleculen en een lage temperatuur op een planeet. Verder zijn er specifieke kosmologische voorwaarden nodig bij het ontstaan van het universum - de massaverhouding van de elementaire deeltjes, de energie van de initiële ontploffing die het heelal zijn huidige vorm en staat verleende. Er is dus een eenheid, een hele reeks feiten uit verschillende domeinen waardoor de geschiedenis van het heelal zoals we die vandaag kennen mogelijk werd. Het gaat dus niet alleen om een visie; het is ook een kwestie van bewustwording dat er meer aan de orde is dan het zuiver persoonlijke. Dat is toch iets dat we door Teilhard verworven hebben. Teilhard overschrijdt weliswaar de grenzen van de wetenschap, wanneer hij voor de mens een toekomst ziet die hem dichter bij de noösfeer zal brengen, bij het punt Omega en misschien bij een zekere vergeestelijkte essentie. Dat behoort tot de mogelijkheden. De evolutie en de mens Maar het is toch vreemd - en hierin is Teilhard een ware vernieuwer geweest - dat wat fysici zoals Charon en Dyson schrijven dezelfde richting uitgaat als wat Teilhard voorhield. Dyson schrijft dat de rol van het leven en van de mens in het heelal misschien belangrijker is dan men aanvankelijk dacht en dat de mens misschien ooit een kosmische invloed zal hebben die verder reikt dan zijn eigen planeet. De visie van Charon komt nog aan de orde. In de tijd van Darwin en Thomas Huxley dacht men zeer gespleten over de evolutie. Darwin voor-

27

spelde dat de wet van de natuurlijke selectie verder de mensheid zou bepalen en dat de samenleving moest worden gebouwd op een permanente strijd, waarbij geen enkele hinderpaal zou worden opgeworpen aan de opgang van de meest geschikte. Die zal overwinnen. Men treft in het werk van Darwin uitgesproken racistische teksten aan. De zwakke rassen moesten verdwijnen, de sterke rassen - het Britse natuurlijk ! - zouden de wereld beheersen. Thomas Huxley, een goeie vriend van Darwin, verzette zich tegen een dergelijke wreedaardige geschiedenis en schrikbarende toekomst voor de mensheid. Volgens hem bestond de taak van de mensheid erin de wetten van de natuur te bestrijden: zij diende juist in te gaan tegen de wetten van de natuurlijke selectie. Twee grote vrienden, Huxley en Darwin, verschilden radicaal van mening over de betekenis van de evolutieleer voor de toekomst van de mensen. Teilhard heeft hier een belangrijke bijdrage geleverd door aan te tonen dat de evolutie wel behoort tot de wetmatigheden van het universum, maar dat deze evolutie in de mens een convergerend moment heeft bereikt. Hij beweert dat sedert de verschijning van de mens op aarde de evolutie niet langer een divergerende koers beschrijft, d.w.z. zich niet langer waaiervormig uitspreidt zoals dat in het planten- en dierenrijk het geval is. Het bewijs voor deze stelling vond hij in feiten die we nu kunnen constateren: biologisch vormt de mens één soort en er bestaat niet het minste gevaar dat de mensheid uiteen zou vallen in verschillende biologische soorten. Dat is een uniek fenomeen. Ten dele is dat inderdaad al ideologie, maar toch niet helemaal. De gedachte dat de biologische ontwikkeling leidt tot en overgaat in een maatschappelijke evolutie is een erg natuurlijke idee. Ik ben weliswaar geen bioloog maar ik heb sterk het gevoel dat dezelfde ingrijpende veranderingen kunnen worden teweeggebracht door de sociale evolutie. Wat gebeurt er meestal wanneer een systeem tot wasdom komt? Nieuwe specialismen ontstaan, eigenlijk verschijnen er andere dimensies. Een grote organisatie moet gespecialiseerd zijn, net zoals een grote stad een groot centrum moet zijn dat veel mensen aantrekt; tevens moet zij sterk uiteenlopende geesten de kans bieden zich te ontwikkelen. Misschien doen wij er goed aan de gesignaleerde neiging tot convergentie aldus te analyseren: de verschillen mogen niet meer aangeboren zijn en niet langer geografisch of toevallig bepaald. De differentiatie zou eerder in overeenstemming moeten zijn met de culturele en psychologische noden van de mensen. Dat is een uiterst interessante gedachte. Het blijft daarbij de vraag of de geschiedenis op die manier zal voortschrijden. Voor Teilhard bestaat er een historische visie die de feitelijke toestand overschrijdt. In zekere zin is de toekomst voor hem al bijna aanwezig, zodat hij kan zien welke richting ze uitgaat. Voor mij lijkt het slechts een mogelijkheid die afhankelijk is van onze eigen daden. Wat zijn we bezig te doen, en wat zullen we in de nabije toekomst doen? De mens als convergerend moment in de evolutie De belangrijkste les van de twintigste eeuw is voor vele mensen, dat de toekomst niet bestaat. De toekomst wordt gemaakt, door ons. De klassieke wetenschap was de mening toegedaan dat, als men elk atoompje en elke molecule maar voldoende zou kennen, men in principe de toekomst zou kunnen voorspellen. Denk maar aan de beroemde demon van Pierre-Simon Laplace. Een van de belangrijkste feiten van de twintigste eeuw is dat wij zelfs ideologisch niet meer geloven dat de toekomst bestaat - en dat om talrijke redenen. We zijn ons bewust geworden dat de toekomst juist in ons aanwezig is. In het Frans heeft men deze bewustwording les futuribles genoemd. Daarom is er wat ons betreft ruimte voor een zeker optimisme maar terzelfder tijd ook voor een zekere angst. Teilhard bedoelt inderdaad niet dat alles al vastligt, dat het spel al gespeeld is. Hij onderkent zelfs de mogelijkheid van een totale mislukking. De toekomst als mogelijkheid - Teilhard spreekt over 'une possibilité, pas une certitude'. Als het voortgaat, dan hoogst waarschijnlijk in de richting van een convergerend punt.

28

Teilhard voelt het als een noodzaak aan om in elk evolutiesysteem, en uiteraard dus ook in het zijne, de toekomst centraal te stellen. Hij zegt voortdurend: het verleden is voorbij, daar kunnen we niets meer aan veranderen, het gaat er nu om de toekomst op te bouwen. Hoe moeten wij te werk gaan? Want als we ervan overtuigd zijn dat het aan ons ligt, dan moeten we ook weten wat we moeten doen. Teilhard, als waarachtig visionair, was ervan overtuigd dat het universum in de door hem aangegeven richting moet evolueren. Want het is precies door deze richting dat al wat vooraf is gegaan een zin krijgt. Die gedrevenheid van de ziener determineert de overtuiging die spreekt uit zijn werk. Teilhard gaat verder dan wat de wetenschap kan geven. Met zijn visionaire kijk zag hij de dingen vaak beter dan veel grote specialisten. Zo kan men zonder de minste aarzeling beweren dat zijn visie op de verhouding tussen het leven en de stof juister lijkt dan die van Jacques Monod (1910 – 1976), die nochtans een eminent bioloog was. Voor Monod is het leven in zekere zin in tegenspraak met de stof. Monod heeft trouwens een nogal simplis-

Wij zijn maar als de blaren in de wind ritselend langs de zoom van oude wouden, en alles is onzeker, en hoe zouden wij weten wat alleen de wind weet, kind – A. Roland Holst

tische opvatting over de stof als moleculen die haast niet kunnen veranderen. Volgens zijn gedachtegang moet men het leven een toeval noemen dat getolereerd wordt door de wetten van de fysica: hoe het ontstaan is, weet men niet precies; het enige wat men erover met zekerheid kan zeggen, is dat het zich door een reeks toevalligheden voort wist te planten. Teilhard daarentegen was van mening dat de stof mogelijkheden bezit die pregnanter tot uiting komen in het

leven. Ik geloof echt dat we tegenwoordig de richting van Teilhard uitgaan. Wat dat betreft kan Prigogine ook uit eigen ervaring spreken. Die merkwaardige overeenkomst tussen het moderne natuurwetenschappelijke denken en de intuïties van Teilhard is een van de redenen waarom hij zich tot Teilhard aangetrokken voelt. Want als hij constateert hoe de stof zich gedraagt in een toestand van onevenwicht, als hij de verschillende structuren zie waartoe de stof aanleiding kan geven, dan staat hij dichter bij de ideeën van Teilhard dan bij die van Monod. Kun je direct van bewustzijn in de stof spreken? Hoe zou men zo iets moeten meten? Wel zijn er organisatievormen die de klassieke natuurkunde voor onmogelijk hield en die we vandaag in de stof kunnen waarnemen. Dat betekent dat er een zekere 'vrijheid' in de stof aanwezig is. Vrijheid in de zin van complexiteit van de evolutiewetten. Prigogine woonde onlangs een seminarie bij van een van zijn medewerkers. Hij sprak over uiterst eenvoudige verschijnselen: men verwarmt vloeistof en er ontstaan draaikolken. De proefneming wordt enkele keren herhaald, waarbij men vaststelt dat de draaikolken zich telkens op een verschillende manier vormen, ook al werd hetzelfde glas gebruikt en dezelfde temperatuur gemeten. Het resultaat van exact dezelfde proef is onvoorspelbaar: telkens krijgt men een ander type draaikolk. Dat bewijst dat zelfs bij zo'n macroscopische proef - we hoeven ons niet eens tot de antieke natuurkunde te wenden of te gewagen van het ultrakleine - zelfs in de doodeenvoudige proef met dat glas water dat wordt opgewarmd, zich al een zekere opening naar de toekomst manifesteert. U kunt dat in een bepaald opzicht vrijheid noemen, maar we moeten voorzichtig zijn met dergelijke woorden. Sommigen beschouwen dat als een nederlaag van de klassieke natuurkunde. Prigogine beschouwt dit als het begin van een nieuwe natuurkunde, het ontstaan van begrippen die de coëxistentie van het leven, de mens en de stof mogelijk zullen maken. Prigogine en Wildiers maken geen groot onderscheid tussen creatief werk in de wetenschap en scheppende arbeid in de literatuur en de kunst. We proberen ons telkens weer te situeren in de ene werkelijkheid. Naargelang onze aard, vorming en aanleg formuleren we de zaken anders. Prigogine geeft een voorbeeld dat er enigszins kan toe bijdragen Teilhard beter te begrijpen. Hij las onlangs in de Cahiers van Paul Valéry (1871-1945) een lang hoofdstuk over de tijd. Valéry heeft veel en intens nagedacht over het probleem van de tijd: hoe evolueert de tijd, wat is het ritme van de tijd, wat is herhaling, wat moeten we verstaan onder tijdstroom enzovoort. Hij vond dat er een nieuwe theorie van de tijd moest komen en wilde daar zelf een tastend begin mee maken. Precies uit die notities ontstaat een van de meest volmaakte gedichten die ooit in het Frans zijn geschreven: Le cimetière marin, een gedicht dat je meteen binnenleidt in de kern van het onderwerp - het dualisme tus-

29

sen eeuwigheid, wording enzovoort. Uit een uitdrukking die nog niet formeel was, ontstaat dan iets formeels, in dit geval iets poëtisch. Naar analogie met deze dichterlijke bijdrage kan men de vraag stellen: waarom zijn er filosofen? Zij zijn er om het probleem te situeren en een problematiek te creeren. Waarom zijn er artiesten? Om die problematiek op een andere manier uit te drukken. Het is goed dat de wereld op verschillende manieren wordt bekeken, dat zij weerspiegeld wordt in veel geesten en hoofden, in talrijke verschillende opvattingen. Als Teilhard vandaag opnieuw aanvaardbaar lijkt, dan hangt dat samen met een hernieuwde belangstelling voor de wetenschappelijke problematiek. Er zijn in de geschiedenis voldoende titels van boeken aan te geven die bij hun verschijning onopgemerkt

heel het leven schuilt in het werkwoord zien.
Teilhard de Chardin

bleven en vijftig jaar later plotseling een geweldige revolutie teweegbrengen. Denkt u maar aan de filosofie van Kierkegaard, Nietzsche en vele anderen. Men kan niet beweren dat een boek op een gegeven ogenblik actueel is, daarna

niet meer, en dus waardeloos zou worden. Zo iets is totaal onmogelijk op het niveau van de geschiedenis. Als het ideeëngoed vruchtbaar en rijk is, dan komt het vroeg of laat terug, het wordt herontdekt en vervolgens opgenomen in het algemene geestesleven. De waarheid is altijd actueel. Het foutieve in de boeken van Teilhard zal altijd wel foutief blijven, maar kan niettemin een inspiratiebron vormen in sommige omstandigheden. Toen Le phénomène humain verscheen, overheerste in Frankrijk en in belangrijke delen van het Westen het pessimisme van Sartre: de wereld was absurd, niets had zin, er bestonden geen waarden... Teilhard bood in die omstandigheden een soort van tegengif aan de velen die hunkerden naar een zekere waarde in het leven. Tegen zijn louter wetenschappelijk werk heeft men, volgens mij nooit bezwaren geopperd, zijn paleontologische en geologische studies zijn zonder enige moeite gepubliceerd. De bezwaren golden zijn half-wetenschappelijk, half-filosofische geschriften. Zijn onvoldoende uitgewerkte metafysische gedachten moesten wel in botsing komen met het vigerende wijsgerige systeem van Rome, de scholastiek. Bij Teilhard vind je zeer duidelijk de bewering dat wetenschap en godsdienst niet alleen met elkaar te verzoenen zijn maar elkaar in zeker opzicht versterken. Ook als ongelovige kan Prigogine zeggen dat die bewering, als ze goed verstaan wordt, juist is. Meer dan ooit voelen we het mysterie der dingen aan. De wereld brengt ons tot verwondering. Dat is een erg modern gevoel. De ontdekkingen van de wetenschap op het gebied van de elementaire deeltjes en de kosmologie zijn zo geweldig, dat we van de ene verwondering in de andere vallen. De geblaseerde mentaliteit van wetenschapsmensen die zeiden : de natuurwetten, die kennen we nu, die staan vast, hoort tot het verleden. Juist op het stuk van de natuurwetten gaf Teilhard blijk van een veel scherper waarnemingsvermogen dan heel wat katholieke denkers die in hun tijd geheel geaccepteerd waren. Men kan zich afvragen waarop eigenlijk die fameuze, haast klassieke tegenstrijdigheid tussen geloof en wetenschap berustte? Ik heb sterk het gevoel dat ze wortelde in het besef dat de fysica en het gehele natuurwetenschappelijke bedrijf voorgoed een einde schenen te hebben gemaakt aan het geheim der dingen. Vandaag zien we in dat onze wereld helemaal niet zo simpel in elkaar zit. De dialoog tussen harde wetenschappen en de filosofie wordt niet alleen opnieuw mogelijk, hij heeft een belangrijker functie dan ooit. We kunnen onze ongerustheid met elkaar delen, ieder van ons brengt ze weliswaar op een verschillende manier tot uitdrukking, maar belangrijk is dat we ze kunnen uitdrukken. Het besef groeit dat we allemaal ongeveer dezelfde problemen hebben. De meest fundamentele bijdrage die Teilhard geleverd heeft, is, dat hij stof en geest zag als twee facetten van dezelfde werkelijkheid. Bioloog Den Boer: "Genen kunnen aan- en uitgezet worden onder invloed van omgevingsfactoren" .De vraag blijft echter: Wie of wat schakelt die genen dan aan of uit? Hoe kunnen fysische structuren betekenis herbergen? Den Boer schrijft: Na het lezen van de trilogie van G.M. Edelman heb je even het gevoel 'zo zit het' ... 'een grootse visie'. Toch blijft daarna nog de vraag: Hoe rijzen mentale processen en het bewustzijn op uit biologische gegevenheden? Hoe kan de structuur van onze lichamelijke ervaring in de wereld zich als het ware 'opwerken' tot abstracte redeneringen? Met wetenschappers als Lakoff en Johnson, Varela, Maturana, Tomasello en Edelman neigt Den Boer naar 'zelforganisatie' als verklaringsmodel voor de wijze waarop de hersenen werken en sluit hij aan bij het 'connectionisme', dat van een voortdurende dynamische interactie van neurale netwerken met de omgeving uitgaat, waarbij betekenis niet is gelokaliseerd in bepaalde symbolen.

30

In de natuur werkt alles zowel in de macro- als in de microkosmos door de elektromagnetische kracht, een van de vier natuurkrachten (zwakke kracht, nucleaire kracht, zwaartekracht en elektromagnetisch kracht). Ook alle activiteiten van en in de mens worden veroorzaakt door deze elektromagnetische kracht. Het zijn haast onbeschrijflijk subtiele processen, die zich diep in de atomen en tussen de cellen afspelen Al die elektromagnetische processen bij elkaar zorgen ervoor dat we kunnen functioneren.

31

Vanuit met name de kwantumfysica, heeft men ontdekt, dat de mens uit atomen en subatomaire deeltjes (fotonen, elektronen) is samengesteld. De mens bestaat net zoals alles uit licht. Maar waar blijven mijn atomen na mijn dood? Zijn ze soms onsterfelijk? En waar komen die fotonen/elektronen oorspronkelijk vandaan? Ze bestonden al voor mijn geboorte. Met name de franse fysicus Charon heeft dit nader uitgewerkt. Het elektron wordt gezien als een raakpunt tussen de ons bekende dimensies en de dimensie van de geest.
Bronnen: Teule, de elektromagnetische mens; J.Charon, ik leef al 15 miljard jaar

Alles is elektromagnetisch Een mens is in elektromagnetisch opzicht een uiterst complex wezen. Die complexiteit begint al bij het maken van elementaire eiwitmoleculen binnen in onze lichaamsdelen. Duizenden verschillende eiwitsoorten worden daar gevormd, elk met een eigen specifieke functie. In elk levend lichaam, van mens, dier en plant zorgen elektromagnetische stralingen ervoor dat energie gebruikt wordt om informatie over te brengen. Zo wordt informatie uit een stukje DNA elektromagnetisch overgezonden naar de plaats waar eiwitten worden aangemaakt, een fractie van een millimeter verderop in de cel. Op basis van deze informatie, het bouwplan, wordt de afzonderlijke eiwitmoleculen atoom voor atoom opgebouwd, precies volgens de aangegeven richtlijnen. Elk onderdeel in ons lichaam, elke atoom of molecuul, elk weefsel en orgaan , krijgt zijn vorm en functioneert door middel van ontelbare elektromagnetische interacties. Cellen herkennen elkaar en andere moleculen via de eigen elektromagnetische frequenties, zoals deze door cellen en moleculen worden uitgezonden. En dat alles gebeurt met de snelheid van het licht. Zo herkennen de cellen ook lichaamsvreemd weefsel, wat kan leiden tot afstotingsverschijnselen. Ook membranen in ons lichaam (alle celwanden, de maagwand, darmwand, longen, alle organen, etc.) werken met elektrische aantrekking en afstoting, en elektromagnetische herkenning van moleculen en atomen. Zenuwen geven elektrische signalen door. Hormonen gaan door de bloedbanen en zenden hun specifieke frequenties uit, zodat onze cellen weten wat er moet gebeuren. En onze hersenen zijn heel ingewikkeld, subtiel en actief door elektromagnetische interactie. Zelfs het verband tussen geest en lichaam, dat zich in de hersenen afspeelt, en de interactie tussen geest en stof, is hoogstwaarschijnlijk elektromagnetisch van aard, waarbij een scala van elektromagnetische trillingsfrequenties wordt gebruikt. Fotonen (lichtdeeltjes) vormen zeer waarschijnlijk het diepste verband tussen lichaam en geest. Elektromagnetisme en leven zijn ten nauwste aan elkaar verbonden, tot binnen in de moleculen en cellen toe. Elektronen en fotonen (samengevat in de "elektromagnetische kracht" en beschreven in de Quantum Electro Dynamics, QED) geven atomen hun ruimtelijke structuur en voegen ze aan elkaar tot moleculen en moleculestructuren. Ook de ingewikkelde en nog steeds onbegrepen communicatie tussen cellen en moleculen, en tussen cellen onderling, gebeurt niet alleen maar op de tot nu toe veronderstelde mechanische manier, maar ook met uiterst subtiele elektromagnetische stralingen en informatie-overdracht over zeer korte afstand. De elektromagnetische kracht is overal, vanaf het kleinste atoom tot aan het verste sterrenstelsel in de vorm van elektromagnetische stralingen: licht, warmte, röntgenstraling, radiostralingen, etc. Straling is een trillend elektromagnetisch veld. Ons heelal zit boordevol van deze trillingen. Met diverse soorten instrumenten kun je ze zien of horen; ons oog, lenzenkijkers voor zichtbaar licht, infrarood kijkers, röntgenapparaten, radiotelescopen, geigertellers, stralingsmetertjes, maar ook radio, teevee, etc. De trillende elektromagnetische velden brengen informatie over. Zij brengen beelden over van sterren en sterrenstelsels, die van verre naar ons toe komen. In ons dagelijkse leven hebben we te maken met elektromagnetische golven van

32

radio, teevee, telefoon, etc. Alle elektromagnetische straling is licht in de breedste zin van het woord. Een klein deel van dit licht is met ons oog te zien. De alomtegenwoordigheid van de elektromagnetische kracht blijkt ook uit het feit dat in de techniek en communicatie vrijwel het gehele spectrum van elektromagnetische trillingsfrequenties in gebruik is genomen. James Clerk Maxwell koppelde elektriciteit en magnetisme aan elkaar tot de 'elektromagnetische kracht'. Hij ontwierp een mathematische beschrijving van de elektromagnetische kracht in 1864. Sindsdien is de elektromagnetische kracht niet alleen grondig onderzocht, maar ook op ruime schaal in gebruik genomen. Dat gebeurde door allerlei technische apparatuur (elektromotoren, computers, meetapparatuur, elektrische lasapparaten, verlichting, etc), door de telecommunicatie industrie (radio, televisie, radar, telefonie) en ook door de medische wetenschap (röntgenonderzoek, kankerbestralingen, elektrocardiogram, elektroencefalogram, MRI-scanners, etc). In een modern woonhuis, keuken of werkplaats is het een en al elektronica. Al deze ontwikkelingen zijn gebaseerd op het diepere begrip van de elektromagnetische kracht: de samenwerking tussen elektronen en (reële en virtuele) fotonen, zoals deze is beschreven in de Kwantum Elektrodynamische theorie (Quantum Electro Dynamics, QED). Paul Adrien Maurice Dirac publiceerde in 1930 zijn werk The Principles of Quantum Mechanics. Aan de QED zijn de namen verbonden van Paul Dirac, Richard Feynman, Julian Schwinger, Sinitiro Tomonaga en Freeman Dyson. In de kwantummechanica beschreven zij de ragfijne interacties tussen elektronen en andere deeltjes met fotonen als interactiemiddel. Op basis van hun mathematische beschrijvingen kunnen alle elektrische fenomenen vanaf het kosmische niveau tot aan het microscopische niveau tot in detail worden verklaard. Het is nu zonneklaar dat de elektromagnetische kracht een zeer belangrijke basis is van alles wat er in deze wereld bestaat, zowel in het ruimtelijke voorkomen als in de onderlinge samenhang en de interactie van levende en dode stoffen. Alles wat wij om ons heen kunnen zien, horen, voelen ruiken en proeven, maar ook het zien, horen, voelen, ruiken, proeven en betasten zelf, komt tot stand of bestaat op basis van de elektromagnetische kracht. Het zijn immers altijd moleculen of atomen, die met elkaar interacteren. Dat gebeurt door elektronen, die samen met wolken fotonen de vormen maken en de constructies in elkaar lijmen tot onze wereld en onszelf. Alles wat leeft en bestaat, is in haar diepste kern elektromagnetisch. De drie eigenschappen van de elektromagnetische kracht zijn, kort samengevat: ruimtelijkheid van atomen, kleefkracht tussen atomen en communicatie door trillingen. In het ongebreidelde creatieve proces van de evolutie zijn deze drie eigenschappen van meet af aan de basis geweest voor alles wat leeft en groeit. Natuurlijk heeft ook de zwaartekracht daarbij een rol gespeeld, want die leidde tot de noodzaak van botten en spieren, etc. Maar de feitelijke constructie van diezelfde botten, spieren en elk ander weefsel, inclusief onze hersenen, komt door de bovengenoemde drie eigenschappen van de elektromagnetische kracht. De andere natuurkrachten zijn meer een passieve toeschouwer. Het is met name de elektromagnetische kracht, die voortdurend overal in ons bestaan actief en construerend bezig is. De onderlinge verhouding tussen de vier natuurkrachten (de twee kernkrachten, de zwaartekracht en de elektromagnetische kracht) kunnen we ook zien als een toneelspel. De twee kernkrachten vormen het decor. Ze zijn belangrijk, maar tamelijk passief aanwezig. De zwaartekracht vormt de toneelvloer, waarop de spelers met beide benen op de grond blijven staan. Op het toneel brengt de elektromagnetische kracht in letterlijke zin 'leven in de brouwerij'. Fotonen schakelen lichaamsprocessen in, als een dirigent die elk individueel instrument gelijktijdig laat inzetten voor een gezamenlijk akkoord. Bij verschillende frequenties vervullen zij uiteenlopende functies. Proefondervindelijk werd vastgesteld dat moleculen in de cellen op bepaalde frequenties reageren, en dat een reeks trillingen van de fotonen een verscheidenheid van frequenties in andere moleculen van het lichaam teweegbrengt. Lichtgolven geven ook antwoord op de vraag hoe het lichaam in staat is met verschillende lichaamsdelen complexe dingen of meerdere dingen tegelijk te doen. Deze 'biofotonemissies', zoals hij ze begon te noemen, konden een volmaakt communicatiesysteem vormen voor de overdracht van informatie naar talloze cellen overal in het organisme. De belangrijkste vraag bleef echter onbeantwoord: waar kwamen deze fotonemissies vandaan?

33

Drager van de geest In de eonenhypothese van de fysicus en hoogleraar Jean E. Charon (1920-1998), beschreven in zijn Complexe Relativiteitstheorie (1977), wordt een verband gelegd tussen de werking van onze geest en de kwantum- elektrodynamische interacties. Het elektron speelt door middel van de elektromagnetische kracht een belangrijke rol in het ontstaan en de vorming van alles en in de activiteiten van onze geest. Het elektron is een heel bijzonder deeltje; het is een raakpunt tussen twee tijdruimten, tussen onze fysieke, tastbare tijdruimte en een geestelijke tijdruimte. Deze geestelijke wereld strekt zich a.h.w. achter het elektron uit. Deze wereld is onzichtbaar, maar men kan daarvan toch een zeer klein deeltje waarnemen, namelijk het raakpunt van die geestelijke ruimte met onze tijdruimte: de fysiek waarneembare elektron. Een elektron, en met name wat daar "achter" zit, is een eeuwige structuur, een microscopisch heelal in zichzelf. Het gedraagt zich in onze fysieke wereld ongeveer als een microscopisch klein "zwart gat"; het buigt de ruimte zoals een zwart gat dat ook doet. Natuurkundigen kwamen al in 1920 tot de bevinding dat zij, om vooruitgang te boeken, de koepel van hun waarneembare ruimte zouden moeten 'doorbreken'. Paradoxaal genoeg gebeurde dat net op het moment waarop de natuurkunde vaststelde dat voortaan alleen nog het waarneembare binnen het kader van natuurkundige beschrijvingen zou vallen. In de jaren twintig gaat men na of de wetten van de waarschijnlijkheidsleer ook konden worden toegepast op het moderne natuurwetenschappelijke onderzoek. Een uiterst nauwkeurige analyse van verschijnselen op de kleinst mogelijke schaal, op de schaal van de elementaire deeltjes waaruit alle materie bestaat (elektronen, nucleonen), bewees dat het principieel onmogelijk is die deeltjes op elk moment van de loop van hun baan in de ruimte te volgen. Het volgende beeld is een goed voorbeeld om dit probleem te illustreren: de natuurkundige waarnemers zijn als personen die aan de oever zitten van een meer waarvan het water duister en diep is; de atoomdeeltjes waaruit alle materie bestaat, zijn als vliegende vissen die af en toe boven het oppervlak van het meer opduiken en dan weer in het water verdwijnen om een paar ogenblikken later opnieuw in de lucht te verschijnen. De waarnemer aan de oever van het meer is gedwongen toe te geven dat de vliegende vissen niet alleen verschijnen in het luchtelement, maar ook in het vochtige element, met andere woorden, niet in één enkele ruimte, maar in twee ruimten. Maar die waarnemer kan de baan van de vissen niet voortdurend 'volgen'. Hij kan ze perfect waarnemen wanneer ze opduiken in de lucht, maar aangezien hij niet weet wat de vissen doen wanneer ze terugvallen en in het water verdwijnen (ze kunnen bijvoorbeeld van hun koers afwijken doordat er onverwacht een grote vis opduikt), is het voor de waarnemer aan de oever van het meer onmogelijk om precies te voorspellen op welk punt van het wateroppervlak de vliegende vis die hij zojuist heeft zien verdwijnen, opnieuw zal verschijnen in de voor hem 'waarneembare ruimte', dat wil zeggen de lucht. De waarnemer aan de oever zal, wanneer hij iets wil zeggen over het verschijnsel vliegende vissen, met zijn logisch 'wetenschappelijk' begrip

34

(of gewoon met zijn gezond verstand) verklaren. Aangezien ik me in het luchtelement bevind en niet de mogelijkheid heb om rechtstreeks te zien wat zich in het water afspeelt, besluit ik om in mijn bespreking van het fenomeen vliegende vis nooit iets op te nemen wat ik niet met mijn zintuigen kan nagaan. Ik laat de ruimte, die onder de waterspiegel van het meer niet waarneembaar is, dus buiten beschouwing. Het is jammer dat ik daarmee moet erkennen dat er grenzen zijn aan mijn kenmethoden, maar ik weiger beschrijvingen te geven waarin iets meespeelt wat ik niet kan waarnemen. Ik maak een beschrijving van fenomenen die gebaseerd is op het waarneembare en op niets anders. Nu dit vaststaat, constateer ik dat ik vanaf dit moment niet meer kan spreken over de 'baan' van de vliegende vissen, aangezien een deel van deze baan niet waarneembaar is. Daar staat tegenover dat ik, uitgaande van de waarneembare posities en snelheden van de vis zolang hij zich in de lucht bevindt, een waarschijnlijkheidsrekening kan maken van het moment waarop ik die vis op een bepaald punt van het meer weer zie verschijnen. Als we het beeld van het donkere meer, de waarneembare lucht en de vliegende vissen aanvaarden, merken we natuurlijk meteen dat er weliswaar grondige argumenten bestaan voor een waarschijnlijkheidsbenadering, maar zien we ook hoe we de 'onvolledigheid' van de beschrijving zouden kunnen verbeteren. 'Als onze blik hier halt houdt,' zei Pascal al, iaat onze verbeelding dan verder gaan.' Men gaat zich dus met behulp van voorlopige hypothesen voorstellen op welke manier de vliegende vis zich beweegt terwijl hij zich in het water bevindt, daarbij rekening houdend met alle bekende eigenschappen van het natte element. Als een eerste 'gefantaseerde' benadering niet blijkt overeen te komen met de feiten van het experiment, dan gaan we het ons gewoon anders voorstellen, door onze voorafgaande hypothese te wijzigen. Zo kunnen we steeds beter de banen van de vissen in het natte element voorspellen en dus ook de plaatsen waarop ze weer zullen opduiken in de lucht. Volgens de fysici krijgen we op die manier een 'model' van het verschijnsel waarin men zich vollediger rekenschap geeft van de beweging dan wanneer men zich beperkt tot een strikte waarschijnlijkheidsrekening. Wat gebeurt er in de niet waarneembare dimensie? Aristoteles schreef eens dat de natuur het vacuüm verafschuwt. Tot voor kort geloofde men deze uitspraak. Recente vorderingen in het onderzoek van 'lege ruimte' hebben tot ontdekkingen geleid die erop wijzen dat het vacuüm niet niets is. Volgens de kwantumtheorie is een vacuüm, dat bestaat uit de ruimte tussen subatomaire materiedeeltjes of tussen grote elkaar aantrekkende lichamen, bijvoorbeeld de aarde en de zon, niet leeg is, maar uit enorme hoeveelheden positief en negatief fluctuerende energie. Uit een vacuüm kan aldus een aantal ongebruikelijke verschijnselen worden afgeleid, waaronder materie, antimaterie, energie en, misschien, nu ook geest en ziel. Hoe kunnen energie en materie uit niets voortkomen? Het antwoord luidt dat het niets toch iets blijkt te zijn, en dat dit iets, dat door fysici de vacuümtoestand wordt genoemd, zeer instabiel blijkt te zijn. Het kookt over van materie en energie als bellen die in een kokende vloeistof verschijnen. (Dit antwoord heeft betekenis voor het verschijnen van de ziel: ook de ziel ontstaat op deze manier.)Wat is vacuüm als het niet niets is? De idee dat het vacuüm niet leeg is, lijkt paradoxaal. Als het niet leeg is, waardoor wordt het dan gevuld? Fysici definiëren het vacuüm zeer pragmatisch: het is dat wat overblijft nadat alle materie en energie uit een gesloten omhulsel verwijderd is. Wanneer alle materie en energie onttrokken zijn aan een ruimte, lijkt er toch iets overgebleven te zijn. Wat er over is, is interessant omdat het alleen met behulp van de kwantumfysica te beschrijven is. Fysici noemen dit de nulpuntsenergie.( We zullen dus het vacuüm en de nulpuntsenergie beschouwen om de ziel te vinden, voor zover de natuurkunde iets te zeggen heeft met betrekking tot de ziel.)

35

nulpuntsenergie Het begrip nulpuntsenergie is een kwantumfysisch verschijnsel. Wanneer men alle energie en materie aan een ruimte onttrekt, en die tot het absolute nulpunt afkoelt, blijft er in het vacuüm een enorme hoeveelheid energie over, de zogeheten nulpuntsenergie. Als men een slinger in beweging zet, gaat die oscilleren gedurende een lange tijd, maar uiteindelijk zal die onmeetbaar klein worden, en de amplitude van die slingerbeweging zal zo ver afnemen dat de slinger tot rust komt. Dat is in ieder geval wat wij volgens de klassieke fysica denken dat er gebeurt met een slinger. Volgens de kwantumfysica gebeurt dat echter nooit helemaal zo. Wanneer de slinger zijn rusttoestand nadert, blijft hij volgens een chaotisch patroon om de evenwichtsstand heen en weer dansen. Hoewel deze beweging niet waarneembaar is bij een slinger van de klok, zal deze chaotische beweging voortgaan, zelfs als de slinger en zijn omgeving worden afgekoeld tot het absolute nulpunt. Er blijft altijd een chaotische kwantumbeweging aanwezig. De kwantumfysica impliceert een fundamentele onbepaaldheid van alle materie en energie. Deze wazigheid doet zich voor in de vorm van fluctuaties in de energieën en de posities van alle atomaire en subatomaire materie. Er is dus altijd een kleine kans dat een atoom op onvoorspelbare wijze van energietoestand verandert. Wanneer een atomair systeem zijn laagste energietoestand bereikt, zou men verwachten dat het tot rust komt. Dat is echter niet het geval. In plaats daarvan blijft het atoom, of het systeem van atomen, heen en weer dansen vanwege zijn onophoudelijke wisselwerking met de nulpuntsenergie van het niets. Deze nulpuntsenergie is, hoewel niet direct meetbaar, ook onderworpen aan de wetten van de kwantumfysica, en vertoont ook willekeurige fluctuaties. Hierbij zijn verbazingwekkende hoeveelheden energie in het geding. In een volume ter grootte van een dobbelsteen op een speeltafel in Las Vegas (één kubieke centimeter) zit een energie-equivalent van 10
94

gram materie. Dat is een hele12

boel massa/energie! Bedenk dat de zon slechts het equivalent van 5 x 10 vergeleken met 10
94

gram, dat is 5 miljoen

ton massa, per seconde uitstraalt om u en mij van warmte en licht te voorzien. Dat is veel, maar gram heeft het niets te betekenen,

Als er zoveel massa is, waarom zien we er dan niets van? Vooral omdat deze massa/energie zo heftig fluctueert, zouden we enig bewijsmateriaal kunnen verwachten voor het bestaan ervan. En dat is er ook. De vacuümfluctuaties van de nulpuntsenergie/massa-conversie zijn te vinden in de stoorsignalen die te horen zijn via een slecht afgestemd radiotoestel, en in de 'sneeuw' op een televisiestation nadat de zender uit de lucht is gegaan. Maar dit alles is toch van weinig belang, en zeker niet zo dramatisch als de kernfusiereacties die in het binnenste van de zon optreden. Fysici behandelen existentiële zaken niet zozeer in termen van wat de dingen zijn, maar van hoe hun gedrag waargenomen wordt. Wanneer we materie waarnemen, dan betekent dat we constateren dat iets al of niet van energietoestand verandert. Het iets dat energie verandert noemen we materie. Dit onderscheid tussen materie en energie werd echter al jaren geleden uitgewist toen Einstein, op basis van enkele hoogst ongebruikelijke argumenten met betrekking tot ruimte en tijd, stelde dat energie en materie in feite identiek zijn. De ziel in de zee van Dirac Het leven op een planeet is opmerkelijk, wanneer we bedenken hoe leeg het universum eigenlijk is. In feite bestaat het universum voor meer dan 99 procent uit niets! Wanneer wij onze blik naar buiten richten zijn we al met ontzag vervuld, maar als we de microscopische wereld van de subatomaire materie beschouwen, wordt het nog erger. Daar is eigenlijk helemaal niets te bekennen. Waarschijnlijkheidswolken bepalen het vluchtige bestaan van deeltjes, voor zover aanwezig, en zelfs de meest verfijnde atoomstructuur blijkt uit lege ruimte te bestaan. Voor zover we weten, bepaalt de kwantumfysica het gedrag van de van leegte vervulde atomaire structuur van nucleaire deeltjes, die stevig op elkaar gepakt worden, en van subatomaire elektronen die al of niet bewegen, afhankelijk van de waarneming, in uitgestrekte ruimten die de atoomkernen omringen. Bij pogingen deze elektronen te beschrijven blijkt dat, als ze als bewegend worden voorgesteld, ze wel erg snel moeten bewegen, net zo snel als het licht. Paul A.M. Dirac ( 1902 - 1984), was de eerste die de relativiteitstheorie en de kwantumfysica aaneensmeedde om deze ongrijpbare elektronen te beschrijven. Dirac begon zijn elektronentheorie te ontwikkelen in 1928. Hij beschreef het elektron in wiskundige termen zo dat het in overeenstem-

36

ming was met de speciale relativiteitstheorie en de kwantummechanica. Zijn beschrijving voorspelde dat het antideeltje van het elektron ook zou moeten bestaan. In principe kan een elektron met de lichtsnelheid bewegen en toch niet van zijn plaats komen. Waarom zou een elektron zich zo bizar gedragen? Het antwoord is, zo blijkt, dat het elektron in voortdurende wisselwerking is met andere 'potentiële' elektronen in het vacuüm, alsof het vacuüm een spiegel is met een oneindig aantal spiegelbeelden die het elektron alle kanten op doen stuiteren . Dirac toonde aan dat het vacuüm een oneindig aantal elektronen met negatieve energieën bevat - onder de drempel van alle soorten waarneembaarheid - en deze negatieve energie-elektronen moeten bestaan om één enkel elektron te kunnen laten verschijnen in het universum met positieve energie. Met andere woorden, het vacuüm houdt deze elektronen als potentiële, maar niet gemanifesteerde materie achter de hand. Pas wanneer de lege ruimte een bepaalde hoeveelheid energie krijgt toegevoegd, zal één van deze ongemanifesteerde elektronen zichzelf onthullen en in het niets een gat achterlaten! In de krankjorume wereld van de kwantumfysica blijkt een gat-in-het-niets iets te zijn. Dit gat heeft fysieke eigenschappen en verschijnt als een echt positron - een elektron dat bestaat uit anti-materie. Dit werk leidde tot Diracs voorspelling van het bestaan van het positron, het antideeltje van het elektron, dat hij interpreteerde als een gat in wat uiteindelijk de "Diraczee" zou worden genoemd (dit is de oneindig diepe zee van elektronen met negatieve energie die het universum zou vullen en die ervoor zou zorgen dat de elektronen met positieve energie niet al hun energie zouden uitstralen, oneindig negatieve energie zouden krijgen en zo het einde van het universum zouden inluiden). In 1932 werd het deeltje ontdekt door Carl Anderson. Die zag de sporen van een deeltje in een nevelvat, dat overeenkwam met een elektron, maar positief geladen bleek te zijn. Hij noemde dit deeltje dat het antideeltje van het elektron was, positron. Men zou zich het vacuüm voor kunnen stellen als een zee van potentiële materie met negatieve energie en een reëel elektron als een verdampte druppel van positieve energie daaruit. Elk elektron, dat een positieve energie heeft, kan even makkelijk terugvallen in de oceaan van negatieve energie als een boek van een plank op de grond kan vallen. Elektronen verliezen energie door licht uit te zenden als zij naar een lager energieniveau kunnen afdalen. Alle aan een atoom gebonden elektronen gedragen zich op deze manier wanneer zij zich in een geëxciteerde ofwel hogere energetische toestand bevinden. Het resultaat van het vallen van een 'atomair' elektron van een geëxciteerde toestand naar een lagere energetische toestand resulteert in een karakteristiek licht, wat bijvoorbeeld in neonlampen en lasers waargenomen kan worden. Als er in het vacuüm negatieve energietoestanden zijn, waarom valt dan niet elk gemanifesteerd elektron met positieve energie terug in die zee van niets, en staat zijn energie af in de vorm van licht? Met andere woorden, waarom zijn er eigenlijk elektronen? En trouwens, als Diracs vergelijking van toepassing is op andere deeltjes, waarom zijn er dan deeltjes in het universum? Zouden ze niet alle moeten verzinken in de zee, en eveneens hun energie moeten opgeven! Als dit gebeurde, zou het universum helemaal geen materie bevatten, alleen straling.

37

Hier liep Dirac vast, totdat hij de fysicus Wolfgang Pauli ontmoette. Pauli formuleerde een nieuw fysisch beginsel, dat het uitsluitingsbeginsel van Pauli genoemd wordt. Met dit beginsel wordt een opvallende eigenschap van het elektron verklaard: een gegeven elektron A kan niet terugvallen in een lagere energietoestand als een ander elektron B, zich al in die toestand bevindt, tenzij B ten opzichte van A in tegengestelde richting roteert. Alle elektronen sluiten elkaar op deze manier uit van hun eigen energietoestand. Geen twee elektronen bevinden zich ooit in dezelfde energietoestand en dezelfde rotatietoestand. Zoals een boekenplank een eindig aantal boeken kan bevatten, zo is er ook een eindig aantal energietoestanden die door elektronen ingenomen kunnen worden, dus de vacuümruimte - de zee - was geheel gevuld met potentiële ofwel virtuele elektronen met tegengestelde rotatierichtingen. Als er bij gelegenheid eens eentje uit de zee sprong, en van een virtueel in een reëel elektron veranderde omdat hij voldoende energie toegevoerd kreeg, liet hij een gat als een geestverschijning die vertrokken is naar een andere wereld. Met andere woorden, het gat in de zee van Dirac gedroeg zich als een reëel deeltje met een aan het elektron tegengestelde lading dat zich door de vacuümruimte beweegt. Dit deeltje - het gat in de zee van Dirac - werd een positron genoemd. Als een elektron in een cirkel met de klok mee bewoog door een magnetisch veld, zou een positron in dat veld tegen de klok in bewegen. Als het elektron in wisselwerking trad met het positron, leek het alsof het reageerde op zijn spiegelbeeld, dat een positieve massa en een positieve lading had, tegengesteld aan de negatieve lading van het elektron. Viel het elektron terug in de zee, en vulde daarmee de holte op, dan verdwenen het elektron en de holte meteen. Dan kwam er energie vrij die gelijkwaardig is met tweemaal de massa-energie van het elektron. Dit werd de elektron-positron paarvernietiging genoemd. Aldus werd de idee van de anti-materie -die in staat is materie te vernietigen - geboren. Hoewel dit vacuüm leeg was, had het effect op alles wat zich erin bevond. Op het eerste gezicht is het vacuüm gewoon ruimte. Maar als u het op een kleinere schaal bekijkt, is het een kokende massa, waarin zich spontane erupties van elektronen en gaten voordoen die even snel verdwijnen als zij ontstaan, en terugkeren naar hun oorsprong. Dit voortdurend doorsijpelen, deze virtuele interactie van elektronen met hun spiegelbeelden in de anti-materie, diep in het vacuüm van de ruimte, is de oorzaak van de ruis die u hoort op uw radio, en is de bron van alles wat er is. Het elektron en ik In den beginne was er, volgens alles wat wij tegenwoordig weten over dergelijke dingen, niets, helemaal niets. Maar toen gebeurde er iets nogal wonderbaarlijks. Materie, anti-materie en energie kwamen plotseling tot aanzijn, en bleven bestaan. Het was een soort speling van het lot, alsof een universum-van-het-niets niets beters te doen had en dus maar wat creëerde. Volgens onze beste berekeningen, waarin we alle energie in het huidige universum bij elkaar optellen, daarbij inbegrepen de in materie en anti-materie vervatte energie, alsmede de aantrekkingsenergie de zwaartekracht, dan komen we precies op nul uit. Het loopt dus allemaal op niets uit. Het is wel grappig, dit gedoe om niets: zelfs als je denkt dat je iets hebt, heb je niets. Het lege vacuüm waaruit alles zich manifesteert lijkt in staat energie te creëren, zolang de boekhouding maar klopt. Deze evenwichtskunst kan gezien worden als de leegte waaruit alles ontstaat, ook onze gedachten en gevoelens. De zee van Dirac kan gezien worden als energieveld dat in onophoudelijke wisselwerking staat met alle dingen, ook met de menselijke geest. Sommigen zien deze zee als de geest zelf. Een natuurwetenschapper die deze visie serieus neemt is dr. Shiuji Inomata, een vooraanstaand geleerde in het elektrotechnisch laboratorium van het Japanse ministerie van internationale handel en industrie. Hij beschouwt het huidige zielloze wetenschappelijke streven als gevaarlijk omdat we de universele geest in wetenschappelijk opzicht onvoldoende serieus nemen. Geleerden als Inomata zien in dat het vacuüm evenzeer is verbonden met onze ge-

38

dachten en gevoelens als met de verschijning van materie en energie. Als Charon veronderstelt. dat de elektronen die deel uitmaken van het lichaam niet alleen de geest' dragen, maar dat die daaruit ook geheel is samengesteld, dan is er geen beletsel om te erkennen dat 'ik', ofwel de geest, en mijn elektronen met elkaar communiceren. Er is identificatie tussen het 'ik' en de elektronen. Charons idee is nieuw. Elektronen kunnen de ziel dragen of, zoals hij het stelt, de geest. Als de elektronen de dragers van de ziel zijn, dan zouden de elektronen die zich als het ware manifesteren in positieve massa-energie, zich bezighouden met communicatie tussen ons en de tastbare fysische wereld die wij allemaal als reëel en 'buiten ons' beschouwen. De andere elektronen, die negatief-energetisch zijn, hebben in de zee van Dirac bestaan en zouden dus andere informatie overbrengen. Zij zouden tot ons spreken over niet-materiële aangelegenheden met misschien niet zo duidelijke stemmen - van verre, uit andere werelden. Dit zouden de stemmen van hemel en hel zijn - de werelden van onze verbeelding. De vraag is hoe deze negatief-energetische virtuele elektronen communiceren met de exemplaren die de overkant gehaald hebben - de positieve reële elektronen? Het antwoord ligt in kwantumfysische correlatie - dezelfde 'kracht' die ten gevolge van het onzekerheidsbeginsel coherentie verleent aan materie. De vijfde dimensie De geest verblijft als immaterieel princiep in de vijfde dimensie. Het elektron wordt gezien als een raakpunt tussen de ons bekende dimensies en de dimensie van de geest. De geest brengt de materie voort. Wat betekent dit allemaal voor de menselijke geest? Volgens Charon hebben we een voor- en voortbestaan en zijn we tijdens onze dood volop bezig om ons voor te bereiden op een nieuwe reïncarnatie. Charon noemt de verborgen, eeuwige structuur een "eon" . Hij stelt, dat deze eonen, waarvan er myriaden aanwezig zijn in ons heelal (tot in de verste uithoeken), de dragers zijn van de geest. De geest is dan ook eeuwig en onverwoestbaar, en dat geldt ook voor onze eigen geest, gevormd door de myriaden eonen in ons eigen lichaam. De gnostici uit de eerste eeuw van de christelijke jaartelling bedoelden met Aeon het dragende deeltje van de Geest. Het eon is gewoon een elektron, waarbij men niet alleen zijn fysische eigenschappen bedoelt, maar ook zijn psychische eigenschappen . In feite vond Charon in 1977 met dit eon een begrip van Teilhard de Chardin terug. Zijn studie van de evolutie vanaf het mineraal tot aan de mens, bracht Teilhard ertoe in zijn in 1955 postuum uitgegeven werk Het verschijnsel mens te schrijven: 'Ik word er op een logische manier toe gebracht om in elk deeltje het rudimentaire bestaan (in een oneindig kleine, dat wil zeggen oneindige vage toestand) te vermoeden van een soort psyche.' Maar het verschil tussen het natuurkundige standpunt van Charon en het paleontologische standpunt van Teilhard de Chardin, is dat het elektron zijn kennis verkrijgt volgens de wet van de niet verminderende ordening, en dat de kennis op elektronenniveau in de loop van de tijd cumuleert. Het was met andere woorden beslist geen 'rudimentaire' psyche die ik in elk individueel elektron aantrof, maar een psyche die zich al vijftien miljard jaar, vanaf het ontstaan van het elektron kort na de 'schepping' van ons heelal, voortdurend had ontwikkeld. De uiterst subtiele elektromagnetische uitwisselingen die aan de basis staan van de hersenwerking, maken duidelijk hoe dicht geest en materie hier bij elkaar staan. De geest zou dan een virtuele foton in beweging moeten brengen, die een elektron van baan doet veranderen, waardoor een atoom een nieuwe verbinding aangaat met een andere atoom of molecuul. De elektronenbeweging, via een fotonenbeweging veroorzaakt door de geest, prikkelt rechtstreeks een zenuw in onze hersenen, die daarna een aantal voorgeprogrammeerde acties in gang zet. Dan gebeurt er iets ingewikkelds in onze hersenen en in ons lichaam: er ontstaat een stortvloed van samenhangende en doelgerichte elektrodynamische interacties. Uiteindelijk tillen we een arm op, of doen we een stap voorwaarts, of we zeggen iets. Allerlei theorieën over 'interactie tussen lichaam en geest' lopen vast op het cruciale punt waar de geest daadwerkelijk de stof (bijvoorbeeld een foton) in beweging brengt. Ook hoe onze geest be-

39

trokken is bij een kwantum-elektrodynamische interactie, is ons nog niet helemaal duidelijk.

We

kunnen onze geest opvatten als een 'kluwen van rondtollende fotonen', die werkt op basis van dezelfde kwantum elektrodynamische interacties. Op die natuurkundige basis kan onze geest ons lichaam beïnvloeden. De bizarheid schuilt echter in het gebruik van een vijfde dimensie, waar deze kluwen zich bevindt. Naast lengte, breedte en hoogte, ruimtetijd is er ook 'geest' als de ruimtedimensie waarin het geestelijke verblijft. In deze theorie zit een hypothese die waarschijnlijk nooit bewezen zal kunnen worden, omdat het zich afspeelt buiten de driedimensionale wereld. Maar het vestigt wel de aandacht op de mogelijkheid, dat elektronen en hun interacties veel meer zijn dan ze in natuurkundige zin lijken: ze hebben een 'buitenkant' en een 'binnenkant'. Alleen de fysieke buitenkant leent zich voor direct natuurkundig onderzoek en dat is waar de QED-theorie over gaat. De binnenkant van elektronen, met een eigen verborgen dimensie, geeft gestalte aan onze geest. Deze binnenkant ligt voor de natuurkundigen met hun instrumenten achter onze waarnemingshorizon, net zoals het zwarte gat in de astronomie. Maar diezelfde natuurkundigen kennen hun eigen geest van binnenuit in zijn eigen dimensie. De fysieke drager van de geest is de eon, een aparte tijd-ruimte, die op één onstoffelijk punt raakt aan onze driedimensionale tijdruimte. Dit punt is een elektron. Vandaar de gedachte van een 'eon', een stabiel deeltje dat zich buiten onze tijdruimte bevindt, maar dat op één punt raakt aan onze werkelijkheid. Dat raakpunt kennen wij als een elektron, het elementaire deeltje waar de QED over gaat en dat ook als een golfje gezien kan worden, afhankelijk van hoe je er naar kijkt. Plastisch gesproken zien wij dus de 'boeggolf' van een eon voorbijgaan als er een elektron, uiteraard gehuld in een wolk van virtuele fotonen, voorbijkomt, ongeveer zoals een dolfijn onder water zwemt met alleen het uiterste puntje van zijn rugvin boven het grensvlak tussen water en lucht. Bij dat raakpunt tussen de tijdruimte van een eon en onze tijdruimte ligt ook de mogelijkheid tot contact tussen deze tijdruimten. Dit raakpunt tussen onze driedimensionale wereld en een eon noemen we een elektron, maar de inhoud van een eon is wat wij 'geestelijk' noemen. Onze werkelijkheid is dan vijfdimensionaal : lengte, breedte, hoogte, ruimtetijd en geest. Maar de dimensie 'geest' is in onze wereld een 'opgevouwen' of 'opgerolde' dimensie, die als geest niet meetbaar is, maar die zich wel manifesteert als de alomtegenwoordige elektromagnetische kracht en uiteraard als de geestelijke kracht, die ieder van ons ontegenzeggelijk in zich heeft. Geest is in deze visie een verschijningsvorm van elektromagnetisme en omgekeerd. Anders gesteld: geest is de mentaal waarneembare vorm van elektromagnetisme en elektromagnetisme is de fysiek waarneembare vorm van geest. Daarom is de term 'dode stof' in principe een misleidende metafoor, want eonen komen voor in alle materie, zelfs tot binnen in de kleinste atomen. Vandaar dat Charon het bij voorkeur had over 'psychomaterie': materie die in zich de potentie van het geestelijke draagt. Teilhard de Chardin zag twee fasen in de levende materie: de pre-vitale fase en de vitale fase. De geest Waarom spreekt Charon over geest? Hij gaat er van uit dat het elektron, eon psychische eigenschappen bezit. Dat werd duidelijk, toen er een onzichtbare ruimte werd ontdekt die zichzelf spontaan ordent en die de gewone waarneembare ruimte die ons omringt (waarvan wij allen - met uitzondering van de dichters - hadden gemeend dat hij als enige de hele kosmos vormde), in zekere zin 'verdubbelt'.

40

We moeten ons het eon niet voorstellen als een biljartbal die door die onzichtbare ruimte zweeft en bestaat uit homogene, grofstoffelijke materie. Het is ook onjuist dat het eon zijn psychische eigenschappen louter en alleen ontleent aan het feit dat het door die onzichtbare ruimte is omringd. Het elektron-eon bergt die onzichtbare ruimte met haar bijzondere eigenschappen juist in zichzelf, in zijn kern. Je zou kunnen zeggen dat het eon op grond van zijn bestaan die onzichtbare ruimte schept. Het is een ware microkosmos naar het beeld van onze grote kosmos. Het maakt feitelijk deel uit van een categorie die in de moderne natuurwetenschap 'worldholes' (kosmische enclaves) worden genoemd. Er bestaan gravitatie-enclaves die een doorsnee hebben van enkele kilometers, de kosmische zwarte gaten; en er bestaan 'sterke' (te weten sterk gekromde) kosmische enclaves op deeltjesniveau, de geladen leptonen. Van de leptonen is het elektron de enige vertegenwoordiger die stabiel is; dat wil zeggen dat het een lange levensduur heeft. Geestelijke eigenschappen Fotonenbewegingen veranderen zonder energie op te nemen of af te staan. Charon onderscheidt bij de fotonenkluwen binnen in een eon, die we kunnen bepalen als de kern van wat wij onze geest noemen, een viertal mogelijkheden: 1. Opslag van gegevens in rondcirkelende fotonen (dit is een eeuwigdurend stabiel geheugen, zonder energieverbruik). Geheugen in een of andere vorm met een enorme capaciteit is noodzakelijk om evolutie-ervaringen op te slaan. De biochemicus Rupert Sheldrake veronderstelde dat morfogenetische velden fungeren als dit evolutiegeheugen. Het evolutiegeheugen voor alle wezens op deze aarde, met of zonder DNA, moet ergens zijn, toegankelijk voor deze levende soorten. Als het dan niet iets tastbaars of zichtbaars is (want we hebben het nooit onder een microscoop kunnen ontdekken), dan kan het ook een trillend veld zijn. Sheldrake veronderstelt dat dit geheugenveld (of kennisveld) overal om ons heen zou zijn en dat elk levend wezen de evolutiekennis slechts hoeft af te tappen door een soort biologische antenne in de lucht te steken. Charon heeft hiervoor een natuurkundige theorie ontwikkeld. Op subatomaire niveau gaan deeltjes en velden vrijwel ongemerkt in elkaar over, afhankelijk van hoe je er naar kijkt. Deeltjes, zoals fotonen en elektronen worden beschouwd als gekwantificeerde (in kwanta opgedeelde) elektromagnetische velden. Ook het elektron zelf kan daarom gezien worden als een deeltje of als een rimpeling in de ruimte (een golfje in een veld). In de QED (Kwantum ElectroDynamische theorie) zijn interacties tussen deeltjes en rimpelingen in velden tot elkaar herleidbaar. Ter vergelijking: myriaden losse watermoleculen vormen met elkaar een golvende zee. Evenzo vormen myriaden fotonen een golvend elektromagnetische veld. Fotonen in een baan binnen in een eon kunnen informatie vasthouden, net zoals een magnetisch plekje op een schijf in onze huiscomputer of een elektrisch stroompje in een computercircuit. Een kluwen van fotonen veronderstelt cirkelvormige banen. Als er met die banen niets gebeurt, dan blijft de informatie eeuwig in stand, zonder energietoevoer (en zonder warmteafvoer, waar de technische elektronica veel moeite mee heeft). Op soortgelijke manier stuiven er myriaden fotonen door het heelal, die al miljarden jaren onderweg zijn. Als zij ons oog raken, geven ze hun informatie af in de vorm van beelden van verre sterrenstelsels, nova's, quasars, etc. Ook dat is een vorm van geheugen. Deze fotonen brengen ons een beeldverslag van de evolutie van ons heelal, vanaf de allereerste tijden vlak na de oerknal tot aan het hier en nu. De fotonenkluwen in een eon vormen een ultieme perpetuum mobile, een eeuwigdurende beweging. Verandering van baan of spin (aswenteling) van een foton betekent verandering van de opgeslagen informatie. Combinaties van fotonen in de kluwen kunnen daarom fungeren als een geheugen. Een kluwen van ontelbare fotonen, met een ultrahoge temperatuur kan zelfs fungeren als een compleet evolutiegeheugen waarin alle kennis van levende lichamen, vanaf de allereerste structuren zoals macromoleculen en levende cellen tot en met de mens, is opgenomen. Het eon ontvangt informatieve prikkels uit de 'waarneembare' wereld, de wereld van de materie waar alles volgens een proces van afnemende ordening verloopt naar chaos en dood. Natuurlijk kan men in de wereld van de materie ook processen waarnemen die lijken te evolueren volgens een toenemende ordening - we hoeven maar naar het leven te kijken - maar dat komt juist doordat de eonen de wereld van de materie zijdelings beïnvloeden. Gekoppeld aan de grofstoffelijke materie bewerkstelligen ze een evolutie volgens ordening, terwijl de materie onherroepelijk aan het 'natuurlijke' verloop naar

41

ongeordendheid onderworpen zou zijn geweest als ze op zichzelf had bestaan, als ze niet onder invloed van het psychisme van het eon had gestaan. Het verkrijgen van informatie noemen we kennis. Een enorme verzameling lichtgeheugens met daarin evolutie-ervaringen van vele soorten binnenin myriaden eonen is een wereldwijd kennisveld, elektromagnetisch van aard, onder of achter onze waarneembare werkelijkheid, die de evolutie voedt met 'know how'. Teilhard de Chardin noemde deze diepzee van de geest de noösfeer, een schil van kennis en bewustzijn, die als een psychische 'atmosfeer' om de aarde hangt. Jung noemde dit het collectief onbewuste. Zo draag ik volgens de eonenhypothese in mijn eonen alle evolutie-ervaringen van vroegere levens als kiezelsteen, bacterie, eencellig diertje, etc. Mijn DNA draagt daarentegen de unieke, specifieke kennis voor dit menselijke lichaam in deze tegenwoordige tijd. De verhouding in kennis tussen eonen t.o.v. DNA is als die van alle bouwkundige boeken tezamen t.o.v. deze specifieke bouwtekening (op zichzelf nog een reuze encyclopedie). 2. Ordening van deze gegevens o.a. door comfotonenbewegingen, bewegingen van

plexe

meerdere fotonen, samen te vatten in eenvoudiger bewegingen. In elk eon zit licht besloten. Maar dit licht bezit het heel andere eigenschappen dan het 'gewone' licht dat de voorwerpen in onze waarneembare wereld verlicht. In de wereld van het eon is het licht noumenaal, drager van het psychische, in tegenstelling tot het welbekende fenomenale licht in onze waarneembare wereld. Terwijl het fenomenale licht het natuurlijke proces van afbouw volgt dat eigen is aan alle verschijnselen die zich in de waarneembare wereld afspelen (entropie), is het noumenale licht daarentegen in staat informatie in zijn geheugen op te slaan en zelfs op een volmaakte manier; het is een geheugen dat niet weet wat vergeten is. Tevens is dit noumenale licht in staat alle opgeslagen informatie te ordenen om weer nieuwe informatie te scheppen. Een eon ontvangt ook informatie van andere elektronen; het noumenale lichtkwantum (foton) van een eon, kan informatie uitwisselen met een ander foton dat het noumenale licht van een ander eon vormt. In de natuurkunde heet dit uitwisseling van spin, een rechtstreekse uitwisseling van bewustzijn tot bewustzijn, zonder door de tussenruimte van de buitenwereld te lopen. In de natuur is er een streven naar een steeds grotere wanorde en vervlakking (entropie), maar binnen in de eonen is dit andersom. Daar kan, aldus Charon, de orde alleen maar toenemen. Hij noemt dit negatieve entropie (negentropie). Het vaste gegeven in de natuur is de tweede hoofdwet van de thermodynamica, de wet van de afnemende energie, ofwel de vermeerdering van de entropie. Alle energie wordt in de natuurlijke processen uiteindelijk omgezet in warmte en deze warmte verdwijnt doordat ze zich verspreidt in het heelal. Wat duidelijk waarneembaar is, is het feit dat het 'leven' tussen geboorte en dood tegen deze natuurwet indruist (negentropie). De fotonenbewegingen in een eon blijven eeuwig stabiel, totdat er nieuwe informatie wordt vastgelegd of wanneer in de eon zelf informatie wordt geordend tot nieuwe, bijvoorbeeld samengevatte informatie. Om dit te kunnen verwerkelijken, gaat het elektron, net als wij, leren kennen, handelen en beschouwen. Het leert zijn buitenwereld kennen; grijpt handelend in op de buitenwereld en op de andere elektronen om te zien 'wat daar uit voortkomt', 'experimenteert' dus enigszins. Ten slotte gaat het de informatie beschouwen die het op die manier heeft verzameld, om die 'signalen' met betrek-

42

king tot elkaar te 'ordenen' en zich een samenhangende, harmonische voorstelling te vormen van zichzelf met betrekking tot de kosmos die het omringt. Door dit alles gaat het elektron beter de weg onderscheiden die leidt tot een sneller volgende trap van psychisme. We hoeven ons niet te verbazen dat het elektron 'doet zoals wij' om op een hoger psychisch niveau te komen. In werkelijkheid is het zelfs net omgekeerd, want de elektronen bouwen en vormen al onze psychische activiteiten. Het is dus zo dat wij 'doen' net als zij. Dit is trouwens de voornaamste reden waarom we de psychische eigenschappen van het eon moeten benoemen met woorden die bij ieder van ons onmiddellijk een weerklank zullen oproepen. Het eon heeft het vermogen tot beschouwen, de fundamentele eigenschap van het eon om alle signalen die het in zijn noumenale licht heeft opgenomen, te ordenen met betrekking tot elkaar. Deze eigenschap zorgt ervoor dat het eon voor zichzelf een samenhangend model kan vormen van de wereld en van de andere eonen. Het vermogen tot beschouwing speelt een zeer voorname rol tussen de andere psychische kenmerken van het eon. Het is ongetwijfeld de beschouwing die voor het grootste deel de 'oorspronkelijkheid' van een bepaald eon uitmaakt en die het individuele eon het meest doet verschillen van zijn mede-eonen op gelijk psychisch niveau. Alles wat wij in deze wereld als ordening waarnemen, tegen de entropische neiging in, komt daar vandaan en heeft daarom in principe een geestelijke oorsprong. Het is uiteraard zeer moeilijk om dit subatomaire streven naar ordening en structuur logisch door te redeneren tot iets wat in het normale leven zichtbaar

Ik ben niet ik Ik ben diegene die aan mijn zijde gaat zonder dat ik hem zie: die ik, soms, bezoek en die ik, soms, vergeet. Hij die zwijgt, kalm, als ik spreek, die vergeeft, zachtmoedig, als ik haat, die gaat, waar ik niet kom, die overeind zal blijven, wanneer ik sterf.
ikJuan Ramon Jimenez

is, zoals een kristalstructuur of een menselijk oog. Dit streven steeds de de ordening evolutie naar voortgaandrijft tot struc-

complexere tot het

turen en uiteindelijk ontstaan van het bewustzijn, met gebruikmaken van het meest en onze ingewikkelde instrument: hersenen. 3. Communi-

subtiele elektrische

catie van gegevens omdat elke verandering van een fotonenbeweging gepaard gaat met een complementaire tegenbeweging van een ander foton. Als elke fotonbeweging gepaard gaat met een complementaire tegenbeweging van een ander foton, dat zich binnen of buiten de eon bevindt, dan kan een eon langs deze weg ergens anders een negatief van (een deel van) haar geheugen overbrengen. Deze overbrenging verloopt tijdloos, in principe over elke afstand (maar meestal dichtbij, op atomaire afstanden) . Er zijn dus diverse kandidaten voor atomaire en moleculaire communicatie: elkaar aanstoten en 'voelen' (de gangbare sleutel/sleutelgat theorie), elektromagnetische communicatie (met een scala van frequenties en met de snelheid van het licht), en tijdloze communicatie tussen fotonen onderling en tijdloze communicatie. Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat de levende natuur alle vier gebruikt. 4. In onze driedimensionale ruimte kan een eon iets doen (een eon/elektron dat een foton afgeeft

of in zich opneemt, verandert van richting en verplaatst zich bijvoorbeeld van een elektronenschil naar een andere, met alle chemische gevolgen van dien. Zo ontstaan chemische verbindingen, zenuwimpulsen in levende organismen en werelden).

43

Een foton is het energiekwantum, dat een verandering kan brengen in de beweging van een elektron en dat deze elektron bijvoorbeeld kan laten overspringen van de ene elektronenschil naar de andere. Bewegende elektronen (in een wolk van fotonen) zijn het begin van elke chemische reactie. Het bewegen van een foton kost op zichzelf geen energie, omdat een foton massaloos is. Zo kan de geest (zelf ook een fotonenwolk), zonder zelf energie af te geven, via fotonenbewegingen toch materie in beweging brengen (psychokinese) door chemische reacties of elektrische prikkelingen. Eonen dragen de basiseigenschappen van wat wij "geestelijk" noemen: geheugen, ordening, communicatie en daadkracht. Eonen zijn onderhevig aan de evolutie en sommige eonen zijn daarin veel verder dan de meeste anderen. De verst geëvolueerde eonen vormen de kern van onze geest. Daar zetelt ons "ik". Wat zich binnen in een eon afspeelt, in het binnenste van mijn geest dus (in de theorie van Charon een kluwen rondtollende fotonen, waarin informatie wordt opgeslagen en geordend), is in wetenschappelijke zin niet waarneembaar of verifieerbaar. Maar de natuurkunde denkt op dezelfde manier over zwarte gaten, die we ook nooit rechtstreeks kunnen waarnemen. Wat we wel kunnen waarnemen zijn de enorme kosmische activiteiten rondom een zwart gat. Zo kunnen we de "deeltjes geest" in de eonen benaderen. Fotonen cirkelen in de kleine tijdruimte, die Charon een eon noemt, als een uiterst compacte kluwen lichtdeeltjes, ook te zien als een wolkje licht of fotonengas. Dit fotonenkluwen (Charon noemt dit 'zwarte straling') vormt een extreem helder lichtpuntje, het helderste licht met de hoogste temperatuur in dit heelal, dat de kern is van ons bewustzijn. Charon berekende dat de temperatuur van dit lichtkluwentje varieert tussen 70 miljoen en 650 miljard graden, afhankelijk van de dynamische expansie en contractie van dit micro-universum. Hij noemt deze straling 'zwart' omdat het zich bevindt in een andere tijdruimte, ongeveer net zoals bij een 'zwart gat'. Het licht en de hitte zijn er wel, maar komen onze tijdruimte niet in en bereiken dus ook niet ons oog, net zoals bij de 'virtuele fotonen', maar hier bevindt dit licht zich achter onze driedimensionale waarnemingshorizon. Verschillende soorten eonen Er zijn myriaden elektronen en dus ook myriaden eonen, want elk elektron is in onze driedimensionale wereld het 'zichtbare' deel van een eon. Het overgrote deel van deze eonen beperkt zich tot uiterst simpele zaken zoals het bijeenhouden van een atoom of molecuul met behulp van een wolk virtuele fotonen, zoals hiervoor al is beschreven. De eenvoudige kennis, die daarvoor nodig is, dragen ze in zich. Ze hebben ook de potentie van het geestelijke, maar dat blijft uiterst rudimentair. Andere eonen daarentegen - relatief zeer weinige - ontwikkelen zich steeds verder en besturen de grotere structuren zoals een macromolecuul, een bacterie, een cel, een structuur van cellen, een plant, een orgaan of een mens. Alle eonen dragen in zich de potentie om helemaal tot bewustzijn te komen, maar in een mens is er naast de myriaden eonen slechts één eon, die daadwerkelijk zover komt. Laten we deze eon de 'Zelf-eon' noemen. Vele andere eonen zijn bijna-bewust en zij besturen complexe delen van ons lichaam. De ene Zelf-eon is de kern van ons bewustzijn. Samen met mijn lichaam en hersenen vormt deze eon een unieke combinatie: mijn 'ik'. Dit 'ik' blijft dezelfde, ook al wordt mijn lichaam voortdurend 'doorgespoeld' (via adem, voedsel en lichaamsafscheidingen) met nieuwe materie en dus ook met myriaden nieuwe eonen. Maar hoe zit het elektron dan in elkaar? Het elektron wordt geboren uit de ontmoeting van twee lichtfotonen en gebruikt de energie van die fotonen om 'geschapen' te worden. De ruimte van de wereld van het elektron bestaat uit zeer dichte materie (een dichtheid die grenst aan een miljard ton per kubieke centimeter). Die dichte ruimte is gevuld met een 'licht' van een zeer hoge temperatuur (van de orde van duizend miljard graden).. In de ruimte van het elektron treffen we een deeltje aan dat de rol speelt van de materiedeeltjes in het waarneembare heelal en dat voortdurend ronddraait binnen die ruimte. In de natuurkunde heet dat een neutrino. De fotonen die de lichtwolk vormen in het lichaam van het elektron die in de natuurkunde zwarte straling heet, kunnen niet uit het elektron komen, aangezien dit elementaire deeltje een ruimte bezit die in zichzelf besloten is. Er kan niets uit, en trouwens ook niets in. Ook hieruit blijkt dat het elektron een echte kosmos op zichzelf is, een kosmische enclave. Wil dat zeggen dat die wereld van het elektron geen enkele manier heeft om in contact te staan met

44

zijn ' buitenwereld', met de andere elektronen, of met ons waarneembaar heelal? Het elektron slaagt er gelukkig wel in om te communiceren met andere werelden dan de zijne, maar de fysici (die allang hadden erkend dat dit een communicatie van een bijzondere orde moest zijn) zullen zeggen dat het hier gaat om een 'virtuele' communicatie (of interactie). Ze bedoelen hiermee dat wanneer een elektron communiceert met de buitenwereld, dus met ons waarneembaar heelal, er geen enkele 'boodschap' van de wereld van het elektron naar het waarneembare heelal wordt doorgegeven. Maar als een foton uit de wereld van het elektron plotseling van richting verandert, moet het zo zijn dat een foton van de waarneembare buitenwereld die handeling in het elektron volledig gaat 'compenseren', om het zo maar eens te noemen. Dit houdt dus in dat in de buitenwereld ook een foton van richting verandert. Deze 'virtuele' uitwisseling doet enigszins denken aan de interactie die wij met een spiegel hebben. Ik heb geen enkel rechtstreeks contact met het beeld dat ik van mezelf in de spiegel zie, maar als ik mijn rechterarm ophef, heft de persoon in de spiegel vanuit een soort 'compensatie' zijn linkerarm op. Zo staat het ook met de communicatie tussen elektron en buitenwereld, met dien verstande dat de wereld van het elektron de ontastbare spiegelwereld is; alsof wanneer de persoon in de spiegel het 'initiatief' neemt om zijn linkerarm te heffen, de persoon in de waarneembare wereld die als tastbaar wordt verondersteld, gedwongen wordt zijn rechterarm te heffen. In die zin heeft het oosterse denken gelijk met de bewering dat de materiële wereld alleen maar een illusie is, niets meer dan een voorstelling die door de Geest is geschapen. Daarbij zit de Geest aan de andere kant van de materiële wereld, aan de kant van de spiegel, in het onzichtbare. De lichtwolk die door het elektron wordt omvat, zal de drager blijken te zijn van alle psychische interacties van dit atoomdeeltje. We hebben al gezien dat de fotonen van die lichtwolk 'virtuele' wisselwerkingen met de buitenwereld mogelijk maken door middel van de virtuele uitwisseling van impulsen tussen een foton uit de wereld van het elektron en een foton uit de buitenwereld. Maar dat is een fysische eigenschap en geen psychische. Zo maken de fysici melding van een elektrostatische interactie tussen twee elektronen die elkaar afstoten door de uitwisseling van virtuele impulsen. De 'psychische' interacties zijn van een andere orde. Let er wel op, dat het licht, in het elektron opgesloten, niet de eigenschappen bezit van gewoon licht. Het zit immers opgesloten in een ruimte waarin de ontwikkeling in ordenende zin verloopt (dus volgens de wetten van de negentropie) en niet in afbouwende zin zoals in onze gewone waarneembare ruimte (waar de wet van de entropie geldt) Binnen het elektron is het licht spontaan beschikbaar om zich voortdurend te ordenen. Dit is het noumenale licht van Newton en het numineuze licht van de alchemisten, in tegenstelling tot het fenomenale licht, waaraan we gewend zijn in de waarneembare ruimte die ons omringt. Het is ook zeer opmerkelijk dat de wiskundige methodiek die ons in staat stelt nauwkeurig de mechanismen van die verhoogde negentropie van het lichtwolkje in het elektron te bestuderen, al meer dan dertig jaar volledig bestaat. Ze is vooral tussen 1942 en 1955 ontwikkeld door de twee Franse natuurkundigen Louis de Brogue en Marie- Antoinette Tonnelat. Die methodiek was natuurlijk niet bestemd om de psychische eigenschappen van het elektron te verklaren. Toch bevat hun werk van meet af aan de formele grondslag om het onderzoek naar het psychische van het elektron optimaal voort te zetten. Het is of de menselijke geest de vooruitziende blik heeft gehad om een formele basis te leggen voor iets dat later nodig zouden blijken om een geheel nieuw fenomeen in de natuurkunde te bestuderen, namelijk de Geest zelf. Het elektron is volgens de stand van de huidige natuurwetenschappen niet alleen drager van de bekende fysische eigenschappen, maar ook drager van psychische eigenschappen. De fysici hadden zich daar op dat moment nog geen rekenschap van gegeven.

45

De geest brengt de materie voort Het kenvermogen is dus de Geest met al zijn mogelijkheden. Binnen dat kenvermogen bevinden zich niet alleen de wetenschappelijke kennis, maar ook alle gewaarwordingen, emoties, gevoelens en intuïties waartoe de Geest in staat is. Uit de voorgaande definitie van het onkenbare mag men echter niet opmaken dat de eonen, die in het heelal de dragers zijn van de Geest (en de enige dragers ervan), geen zogenaamde buitenwereld zouden bezitten. De Geest heeft een model gebouwd van de microkosmos waarin hij zelf zit en heeft dat model elektron-eon genoemd. Niets belet de Geest te veronderstellen dat hij niet in één enkel eon zit, maar daarentegen gedragen wordt door miljarden eonen, en dat er tussen de eonen 'iets' is dat modelleerbaar zou zijn. Dat iets noemt Charon, als het bestaat, de buitenwereld. Zo'n buitenwereld ligt per definitie buiten de eonen en bevat dus geen Geest, aangezien de eonen de enige dragers zijn van de Geest. Tegenover de Geest, die de eonen 'maakt', stelt Charon, dat de materie de buitenwereld 'maakt'. We vinden hier het traditionele dualisme tussen geest en materie terug. Het verschil met het klassieke standpunt is dat bij Charon de Geest de materie doet ontstaan door het model dat hij van de materie kan bouwen. Zonder Geest dus geen materie. Dit bracht Charon tot de conclusie dat materie, zelfs al is ze geen draagster van de Geest, toch in wezen geestelijk is als model dat uit de Geest is voortgekomen. Ze heeft immers geen enkel objectief bestaan buiten de voorstelling die de Geest ervan geeft. Maar hoe moeten we 'bewijzen' dat de materie-buitenwereld bestaat? Uiteindelijk zouden we toch eenvoudiger kunnen zeggen dat de kosmos alleen maar bestaat uit eonen die rechtstreeks met elkaar communiceren door virtuele interacties van eon tot eon? De natuurkunde verschaft ons al een deel van het antwoord: ze vertelt ons dat de interacties die in de kosmos zijn waargenomen niet uitsluitend virtuele interacties zijn (die in de fysica ook wel zwakke interactie en elektromagnetische kracht worden genoemd), maar dat er tevens geodetische interacties bestaan (ook wel sterke interactie en gravitatiekracht genoemd) die het bestaan noodzakelijk maken van een 'buitenwereld' waarin de eonen zich precies volgens geodetische banen bewegen. Maar als zo'n buitenwereld inderdaad bestaat, moet hij eigen kenmerken bezitten, zoals bijvoorbeeld natuurkundige basisconstanten, en men kan hier in het bijzonder denken aan de gravitatieconstante die inderdaad eigen blijkt te zijn aan wat ik de buitenwereld noem. evolutie Aangezien de eonen als enige in de wereld de Geest dragen, trekt Charon de conclusie, dat het geestelijk avontuur van de kosmos, feitelijk het grote kosmische avontuur, zich richt op de evolutie van de geesten-eonen en niet alleen op de complexe organismen die zich hebben ontwikkeld uit eonengroeperingen, zoals mineralen, planten, dieren en de mens zelf. Elk eon bezit miljarden van die elementaire informaties die door het noumenale licht in het geheugen worden opgeslagen; en in elk enigszins complex organisme zoals bijvoorbeeld een levende cel, doen er natuurlijk ook miljarden eonen mee aan het functioneren van de cel, dank zij de inbreng van hun individuele psychische eigenschappen. In al die gevallen hebben we dus te maken met zeer uitgebreide verzamelingen: verzamelingen informatie die voor elk individueel eon worden overgedragen door het noumenale licht, en verder ook weer verzamelingen eonen in elke organische structuur, hoe eenvoudig die ook mag zijn, of die nu mineraal of levend is. We mogen dus met recht verwachten dat een methode die is uitgevonden om een grote collectie objecten te onderzoeken, zeer geschikt zal zijn om ook het psychisch gedrag van een gemeenschap eonen te bestuderen, zoals we die gelijktijdig in een complex organisme aantreffen. Deze methoden behoren tot de verzamelingenleer zoals dat in de wiskunde heet, en binnen het kader van die theorie tot

46

de groepsstructuren. Een bijzonder eon: mijn ziel Reeds lange tijd heeft men het plan gehad om de mechanismen van onze geest te koppelen aan eigenschappen van bepaalde verzamelingen die we groepen noemen. Dit vergt zeer ingewikkelde wiskundige berekeningen. Uit dergelijke studies komen sterke grote lijnen tevoorschijn die ons beter doen begrijpen volgens welke principes elk individueel eon de miljarden signalen die door zijn noumenale licht worden overgedragen, ordent om er samenhangende structuren van te maken waarin het 'zichzelf terug kan vinden'. 1. Allereerst is er het begrip postulaat of axioma. Bepaalde signalen worden gegroepeerd om een soort 'referenties' te vormen die de hele rest dragen. Vervolgens wordt die rest 'logisch' afgeleid uit de referenties (over het algemeen axioma's genoemd). De Geest (van de eonen) heeft niet de pretentie die axioma's te rechtvaardigen; hij heeft ze vrij gekozen om de basisstructuur van de psychische modellen te ondersteunen die hij, daarvan uitgaande, gaat bouwen. We kunnen zeggen dat alles wat de Geest bouwt, een op een axioma berustende structuur heeft.

Alle wezens onder de hemel hebben hun oorsprong in het zijnde; het zijnde heeft zijn oorsprong in het niet-zijnde.
- Lao-Tse 2. Een tweede aspect dat naar voren komt uit onderzoek van onze denkmechanismen, leidt tot het begrip complementariteit. Wanneer onze geest een willekeurige informatie in zijn geheugen opslaat, wordt gelijktijdig, vaak zonder dat de geest zich ervan bewust is, een complementaire informatie opgeslagen. Het complement van de informatie 'goed' is de informatie 'niet-goed'. 'Goed' kan voor mijn geest geen werkelijke informatie zijn wanneer ik er niet gelijktijdig de informatie 'niet-goed' mee associeer. Ik weet niet wat 'goed' wil zeggen, het is voor mij dus geen zinvolle 'informatie' , wanneer ik niet weet wat 'niet-goed' betekent. Dit wordt volkomen duidelijk wanneer men de mechanismen van de Geest wat gedetailleerder gaat analyseren. Op grond daarvan hanteren veel denkers,om de ordening van onze gedachten voor te stellen, een wiskundige structuur, die de Boolering heet. George Boole was een Engelse wiskundige uit de vorige eeuw die mag worden beschouwd als een van de grondleggers van de moderne wiskundige logica. Op de Boolering zien we duidelijk de 'polariteit' tussen een informatie-element en het complementaire element. Die bijzondere eigenschap van de Geest, namelijk dat hij niet aan iets kan denken zonder dat tegelijk het complement ervan opkomt, werpt een nieuw licht op de vaak duistere aspecten van onze psychische vooringenomenheden. Het 'niet-goede' bijvoorbeeld wordt, bijna per definitie, het kwaad genoemd, maar is het niet belangrijk om terdege te beseffen dat dit goede vanwege de mechanismen van onze geest, zelf het kwaad doet ontstaan? God heeft de Duivel doen geboren worden; geen God zonder Duivel. De verzameling die de eonen onder elkaar vormen wanneer ze zich opnieuw groeperen in een of ander organisme, of dat nu een kiezelsteen is, of een individuele levende cel, of een bloem, of een muis - of een mens vereist nadere uitwerking. Eonen gaan zich namelijk inderdaad hergroeperen; dat kan men evengoed constateren wanneer men naar de sterren kijkt, als naar de stenen van de weg, of naar een klein luisje dat voorzichtig op een blad wordt gezet. Alles bestaat uit miljarden atomen die zich samenvoegen in min of meer geindividualiseerde structuren en min of meer vastgestelde 'omtrekken' doen zien. Toch zijn de eonen niet zo geschapen. Aan het begin van het heelal, op het moment van de 'Big Bang', die oerexplosie van vijftien miljard jaren geleden, werden de eerste eonen geboren uit het licht (daar is het weer!) in paren van een positief en een negatief eon. En een 'ogenblik' lang (misschien enkele miljarden jaren) hebben ze individueel kennis gemaakt met de kosmos, apart hun weg afleggend, terwijl af en toe een positief eon zich verbond met een deeltje grofstoffelijke materie om samen een proton te vormen. Vervolgens gingen zich waterstofatomen vormen. In feite waren dat de eerste echte 'paren'. Ze ontstonden steeds uit de ontmoeting van één proton met één elektron. Het is aardig om hierbij te bedenken dat de waterstofatomen nog steeds 55% van de kosmische materie uitmaken. (De rest bestaat voor 44% uit helium, met een kern van twee protonen verbonden met twee neutronen).

47

Mettertijd gingen zich meer gecompliceerde atomen vormen. Die atomen groepeerden zich vervolgens tot sterren en planeten. Wanneer de fysieke toestand op een planeet dat toestond, vormden de atomen daar ten slotte levende organismen. Zolang we het alleen maar hebben over sterren, of over de gesteenten waaruit de planeten bestaan, kunnen we nog denken dat de atomen samenklonteren op grond van zuiver 'fysische' wetten. Maar zodra we beginnen te spreken over 'levende' organismen, is dat veel minder duidelijk. We kunnen ons niet losmaken van de indruk dat hier een wil gaande is om zich samen te voegen voor een bepaald doel: onophoudelijk voor elk eon de ordening vergroten, waardoor hun psychisme op een hoger niveau komt te liggen. De eonen zijn in de kosmos apart ontstaan, maar ze hebben al gauw gemerkt dat ze veel meer informatie konden onttrekken aan hun buitenwereld wanneer ze zich onderling verbonden rot de 'geordende' gemeenschappen die we organismen plegen te noemen. Het kiezelsteentje is al een elementair organisme. Het is een 'leerschool' voor de eonen van een zwak psychisch niveau, die verenigd zijn met de materie van dat mineraal. In de loop der tijden gingen bepaalde eonen zich van de andere onderscheiden. Hun niveau van psychisme (van ordening) lag duidelijk hoger dan dat van de 'minerale' eonen. Zo ontstond geleidelijk 'organische' stof, vervolgens kwamen er elementaire levende organismen, zoals virussen en cellen. Die organismen konden ontstaan doordat eonen van een voldoende hoog niveau van psychisme, zich gingen groeperen volgens bepaalde structuren. En het bleef zo doorgaan. Algauw gingen cellen zich samenvoegen tot levende cellengemeenschappen, die we lichamen noemen. Dit gebied omvat het planten- en dierenrijk. Van alle levende organismen op aarde hebben zich in de mens ongetwijfeld de eonen van het hoogste niveau van psychisme verzameld. Deze gedachtegang vinden we ook bij Teilhard de Chardin terug. suprageorganiseerd Die hergroeperingen van eonen in een levend organisme gebeurt niet op de manier waarop zandkorrels op een hoop komen te liggen. Waarom zouden eonen in staat zijn hun informatie te bundelen in een ingewikkelde structuur als de ring van Boole, maar de inspiratie missen om daarmee analoog goed 'geordende' structuren te vormen? Een levend organisme is het tegenovergestelde van een hoop los zand. Moeten we dan verbaasd zijn wanneer het al bij een eenvoudige waarneming een suprageorganiseerde structuur blijkt te zijn? Het laat zich trouwens in heel veel opzichten inspireren door de ring van Boole. 'Suprageorganiseerd' wil zeggen dat de eonen voortdurend drie psychische eigenschappen realiseren, namelijk hun kenvermogen, hun onderlinge communicatie en hun vermogen tot handelen. Verder hebben we al geleerd dat elk eon in zijn geheel wordt gekenmerkt door zijn trap van negentropie, in feite zijn bewustzijnsniveau. De term 'negentropie' heeft het voordeel dat hij in de natuurkunde een nauwkeurige betekenis heeft. We kunnen van elk eon de negentropie van het lichtwolkje uitdrukken, zoals we het IQ van een menselijk individu kunnen bepalen. De negentropie (dus het bewustzijn) kan worden uitgedrukt in een getal. Daardoor kunnen we vaststellen dat het ene eon meer negentropisch (en dus meer bewust) is dan het andere. Dit houdt ook in dat we de eonen in een organisme kunnen 'rangschikken'. Men kan bijvoorbeeld zeggen dat het ene eon bewuster is dan het andere, of dat twee eonen duidelijk even bewust zijn. De wiskundigen zullen zeggen dat men een rangorde kan vaststellen in de verzameling eonen die deelneemt aan een organisme, of dat de verzameling eonen van dat organisme een innerlijke 'samenhang' bezit. Niet alleen op grond van het bewustzijnsniveau bestaat er een rangorde in de verzameling eonen in een levend organisme zoals ons eigen lichaam. We hebben gezien dat zelfs op hetzelfde bewustzijnsniveau de eonen verschillen wat betreft de inhoud van hun bewustzijnsgebied. Een voorbeeld: We kunnen zeggen dat Jan even intelligent is als Piet, maar toch van hem verschilt, omdat Jan bijvoorbeeld van klassieke muziek houdt, terwijl Piet alleen maar houdt van popmuziek. Net zo bezitten de individuele eonen van ons lichaam hun eigen oorspronkelijkheid, hun eigen bewustzijnsveld. Een heel belangrijke stelling van de verzamelingenleer, het axioma van Zermelo, leert ons dat elke verzameling 'goed geordend' kan worden. Ernst Zermelo was een Duitse wiskundige en logicus uit het begin van onze eeuw. Zijn axioma houdt in dat men in een verzameling altijd een relatie (een zogenaamde keuzefunctie) kan ontdekken waarmee we alle elementen van de verzameling kunnen ordenen. Voor zo'n ordening kiezen we één enkel element, wat we het 'neutrale' element noemen. In de verzameling eonen in ons lichaam moet er volgens het axioma van Zermelo dus ook een relatie bestaan. Op grond van die relatie kunnen we één enkel zon kiezen als 'eerste'. Dit betekent dat alle eonen op grond van hun individuele relatie tot dat 'neutrale' element, ondubbelzinnig kunnen

48

worden geordend met betrekking tot elkaar. In de verzameling (het organisme) bevindt zich altijd één enkel speciaal eon in betrekking waarmee alle andere eonen geordend worden. Dit speciale eon functioneert voor het hele organisme als 'dirigent'. Aangezien het bewustzijnsniveau een belangrijke rol speelt bij de ordening van de eonen, zal die éne dirigent, die we de ziel (of het zelf) van het organisme noemen, zeker behoren tot de eonen met het hoogste bewustzijnsniveau. Maar dat behoeft niet het enige criterium te zijn dat bepalend was voor het speciale karakter van dat ene eon. Vele eonen van het organisme bezitten zonder enige twijfel net zo' n hoog bewustzijnsniveau. Een belangrijk punt is verder dat ieder eon van het organisme op zijn beurt weer de ziel is van een deelstructuur van het organisme, dat wil zeggen een deelverzameling eonen. In een bedrijf bevinden zich naast de algemeen-directeur onderdirecteuren, hoofden van afdelingen, enz., die eveneens de rol spelen van dirigent voor een onderafdeling van medewerkers. Een hoofd van een afdeling 'dirigeert' bijvoorbeeld vijftien medewerkers, terwijl de algemeen-directeur, helemaal de top van de piramide van functionarissen, het geheel van medewerkers leidt. Dit model, blijft ook gelden om de functionele relaties tussen de eonen van een levend organisme weer te geven. Op die manier zien we zeer verschillende structuren van eonen verschijnen die toch allemaal in een gelaagde structuur passé. Elk eon kan namelijk een levend worden beschouwd als de unieke ziel, de ‘dirigent’, terwijl het tegelijk kan worden beschouwd als een gewone geest (een simpele ziel) in een grotere structuur waaraan het deelneemt als eenvoudige ' musicus'. Maar waar komt die eonenstructuur van een complex organisme dat uit miljarden eonen bestaat, nu in de praktijk op neer? Nemen we als voorbeeld het organisme ons eigen lichaam. In dat lichaam bevindt zich dus één enkel speciaal eon, dat de psychische acties van alle eonen van mijn lichaam, waarmee het is verbonden door kennis, liefde en handelen, 'coördineert en in één punt verenigt. Het is het 'eerste' eon van mijn lichaam, dat al het speciale eon van mijn lichaam is vanaf het moment van de conceptie toen dat lichaam nog slechts bestond uit de samensmelting van een mannelijke en een vrouwelijke gameet. Het is het speciale eon gebleven terwijl het om zich heen geleidelijk alle eonen verzamelde die kwamen meewerken aan de opbouw en het functioneren van mijn lichaam, vanaf die twee eerste cellen tot en met mijn volgroeide volwassen lichaam. Het zal het speciale eon blijven tot aan mijn lichamelijke dood, op het moment waarop het hele bouwsel van mijn lichaam tot stof weerkeert. Als men mij zou vragen wie ik ben, moet ik antwoorden dat ik allereerst dit ene speciale eon ben, dat alle interacties van mijn lichaam dirigeert en dat er is vanaf mijn conceptie tot aan mijn dood. Om die reden heb ik dit speciale eon de ziel van het hele organisme genoemd. Het spreekt vanzelf dat de ziel verbonden is met alle andere eonen van mijn lichaam. Die andere eonen in mijn lichaam hoeven echter niet blijvend te zijn. In de loop van mijn leven verlies ik zeer vele eonen en krijg ik er een zeer groot aantal weer bij, volgens het ritme van de cellenafbouw en -opbouw. Alleen de ziel bezit die eigenschap waardoor hij uniek en blijvend is. De andere eonen zijn gewone 'geesten', die wel de Geest overdragen. Via ons eigen organisme dat dus gestructureerd is uit geordende eonen, werken wij mee aan het verloop van de evolutie. De organismen zijn voor de eonen in feite echte 'leerscholen' om hun psychisme te verhogen. Via de 'belevingen' van het organisme kan elk deelnemend eon zijn eigen niveau van psychisme weer iets verhogen. De eonen van het organisme leren, handelen en beschouwen, gebruik makend van de informatie die ze onder elkaar en ook met eonen buiten het or-

49

ganisme uitwisselen. Reïncarnatie en onsterfelijkheid Het geestelijk avontuur van de kosmos is dus het avontuur van de eonen, die kleine onsterfelijke zijnswijzen, die in het begin der tijden geboren zijn uit het licht en elke dag meer 'psychisch' worden via hun ervaringen en het oefenen van hun vier kenmerkende handelingen: het leren kennen, de beschouwing, de communicatie en het handelen. Net als alle levende organismen die het heelal bevolken, zelfs net als het mineraal dat in de evolutie aan al die organismen voorafging, is het menselijk lichaam niets anders dan een 'leerschool' waar de eonen samenkomen om de informatie vanuit de buitenwereld en van henzelf onderling te doen toenemen in kwaliteit en kwantiteit. De bedoeling is om met een steeds hoger psychisme 'de school te verlaten' (onze lichamelijke dood). Eonen zijn onverwoestbare, eeuwig stabiele structuren. Ze zijn ontstaan kort na de oerknal; sinds die tijd bestaan ze en ontwikkelen zij zich, terwijl ze daarbij de evolutie voor zich uit stuwen. Dat werpt ook een ander licht op reïncarnatie. Immers, een eon (ook de unieke bewuste eon, die samen met mijn lichaam mijn unieke ik vormt) zal in de loop van de evolutie een deel zijn geweest van vele duizenden levende wezens (kiezelsteen, planten, dieren en mensen). Na mij zal deze Zelf-eon ook weer deel zijn van duizenden andere, maar nu wel bewuste schepselen. Dit leidt tot nieuwe mogelijkheden van reïncarnatie: wat overgaat naar een volgend leven is vergaarde evolutiekennis en de kern van een steeds groter en duidelijker bewustzijn. Maar wat is de plaats in dat alles van die kleine mens, die ook bezorgd is over zijn eeuwig leven? Het antwoord op die vraag is eigenlijk al gegeven, toen we bekeken hoe de eonenverzameling in ons lichaam zich ordent. Want voor we weten wat er van de 'kleine mens' wordt, is het natuurlijk goed te weten wie die kleine mens is, psychisch gesproken. Wie ben ik? Als ik mezelf 'ergens' in de onsterfelijke eonenverzameling een plaats wil geven, dan ben ik, als mijn ziel, dat ene, speciale eon dat bij alle gedragingen van al mijn eonen de rol speelt van 'dirigent'. Op die plaats gezien, weerspiegelt mijn ziel inderdaad dat gevoel van eenheid dat ik in de loop van mijn hele leven van mezelf heb. En aangezien die ziel zelf ook een eon is, bezit ze het eeuwige leven. Maar tijdens mijn leven is die ziel niet alleen. Ze bewoont mijn lichaam, dat vol zit met de geest van miljarden andere eonen en ze staat voortdurend in communicatie met die andere eonen. Het psychische leven van mijn ziel wordt dus ongetwijfeld diepgaand beïnvloed door de aanwezigheid van de andere eonen van mijn lichaam. Hoe wordt die invloed uitgeoefend en hoe uit ze zich? Kan ik door mijn gedrag in de loop van mijn leven mijn ziel beter laten profiteren van de psychische ervaring die leven heet, bijvoorbeeld door mijn zelf te onderzoeken? En hoe gaat die ziel zichzelf invoegen in iets dat groter is dan zijzelf (het zoeken naar het albewustzijn, naar God)? Wat gebeurt er met het psychische leven van mijn ziel nadat mijn lichaam helemaal tot stof is teruggekeerd? mijn eigen toekomst na mijn lichamelijke dood. Voor de eonen van een organisme onderscheidt men twee volkomen verschillende tijdvakken: * De periode die voorafgaat aan de bouw van het betreffende organisme (dus aan de conceptie van dat organisme). In die periode heeft elk eon een geheugen opgebouwd dat vol zit met herinneringen aan voorbije belevingen, dat wil zeggen levenskennis en een wijsheid die gebaseerd zijn op gebeurtenissen die voor elk eon verschillend waren. * De periode die loopt van de conceptie van het organisme tot aan het huidige moment. In die periode zullen heel veel eonen van het organisme gemeenschappelijke herinneringen hebben aan identiek beleefde gebeurtenissen die ze alle op hetzelfde ogenblik in hetzelfde organisme hebben meegemaakt. De gebieden van het eonische geheugen die met die twee perioden samenvallen noemen we respectievelijk aangeboren geheugen en verworven geheugen. In mijn lichaam delen vele eo-

Dirigent zonder orkest

50

nen dezelfde verworven herinneringen, maar elk eon van mijn lichaam bezit daarnaast zijn eigen aangeboren herinneringen. Aan het eind van mijn leven komt mijn zelf (mijn ziel) in een periode van dood. Alles ontbindt zich en elk eon van mijn lichaam keert tijdelijk terug in de kosmos. Mijn zelf is dan vrij, zonder nauwe lichamelijke banden. Het bezit binnenin zichzelf, in zijn volledige geheugen (het verworvene en het aangeborene voegen zich dan samen) een volledig overzicht van zijn vorige levens, met inbegrip van het leven dat zojuist is afgelopen. Door zijn herinneringen te beschouwen, verhoogt het opnieuw zijn bewustzijnsniveau. Dit leidt ertoe dat het zelf aan het eind van de periode van dood een nieuwe periode van leven wil kiezen in een nieuwe incarnatie. In deze theorie van Charon wordt een denkbeeld van Teilhard de Chardin verduidelijkt en bevestigd dat hem heel dierbaar was: de wezenlijke drijfkracht van de evolutie van de levende natuur is de verwezenlijking van eenheid in verscheidenheid. We hebben geconstateerd, dat het ene en het veelvoud niet twee tegengestelde, maar elkaar aanvullende begrippen zijn. Mijn lichaam bestaat uit miljarden eonen die onderling met elkaar in betrekking staan zoals de leden van een orkest zijn verbonden door het thema van de muziek die ze spelen. Die miljarden eonen zijn heel verschillend, zoals ook de muziekinstrumenten in het orkest dat zijn. De eonen bevinden zich op etages van psychische niveaus. Je kunt dat voorstellen als een eonenpiramide. Aan de top van die piramide staat een enkel speciaal eon dat het hoogste psychische niveau van mijn lichaam bezit en de rol speelt van dirigent voor het geheel van eonen-musici. Dit ene eon dat alle eonen in mijn lichaam coördineert, is mijn zelf,mijn ziel. Maar na mijn lichamelijke dood, wanneer die hele eonische verzameling die mijn organisme psychisch leven inblies 'tot stof zal wederkeren', geldt dat niet meer. Vanaf het moment van de dood en waarschijnlijk zelfs al voordat mijn lichaam volledig tot ontbinding is overgegaan, zijn de betrekkingen tussen mijn lichaamseonen en mijn zelf verbroken. Het zelf staat dan opeens los van zijn onbewuste, want dat verspreidt zich in de buitenwereld op hetzelfde moment dat alle psychische betrekkingen tussen de eonen van mijn organisme ophouden. Vanaf dat moment is er een einde gekomen aan de noodzakelijke afwisseling van waken en slapen, aan de 'kakofonie' van stemmen van het onbewuste. Mijn zelf blijft alleen met zichzelf, met enkel de verre betrekking die er bestaat tussen hem en alle eonen van de kosmos, een betrekking die nooit meer gebruik zal maken van de 'versterker' die mijn lichaam was. Mijn zelf is dan zijn periode van dood binnengetreden. Mijn eonisch zelf (dat wil zeggen ikzelf) ben dan dus teruggekeerd tot het kosmische leven. Ditmaal kan ik, zonder 'storing', het weidse panorama van al mijn herinneringen die sinds miljoenen jaren in mijn zelf-eon zijn opgeslagen, beschouwen. Nu kunnen al mijn vorige levens voorbijtrekken in mijn geest, dat wil zeggen in het eonische lichtwolkje waartoe mijn kosmische lichaam nu is teruggebracht; precies als wanneer we onze ogen sluiten en tot in de kleinste bijzonderheden alle beelden van onze kindertijd aan ons voorbij zien trekken. Sommige mensen schijnen gedurende hun leven dit schouwspel van het leven na het leven te hebben genaderd. Onder omstandigheden waarin ze dichtbij de dood waren, hebben ze de ervaring gehad dat er een bijna gelijktijdig voorbijtrekken plaats vond van alle beelden die hun leven hadden uitgemaakt, vanaf hun geboorte tot op het moment waarop zijzelf er bijna niet meer waren. De eerste stap naar de kennis van wat 'ons leven tussen onze levens in' zal zijn, is de beschouwing van de vanaf het 'begin' beleefde ervaringen. Feitelijk dus vanaf het ontstaan van de wereld, want onze ziel is op hetzelfde moment geboren als het eon-elektron dat het weefsel van die wereld heeft ge-

51

weven. Dat is dus miljarden jaren geleden. Na mijn lichamelijke dood en tijdens mijn 'tussenleven', is mijn zelf aan zichzelf overgeleverd in het kosmische milieu. Het is bevrijd van alle lichamelijke banden. Het is zo goed als alleen met de onmetelijke herinnering aan al zijn vorige levens; alleen met wat ik zijn 'volledige' geheugen heb genoemd. Wat doet mijn zelf (wat doe ik zelf!) gedurende dat eenzame leven dat ik leid tussen mijn lichamelijke levens in? Ik kan naar hartenlust mediteren over al mijn levensgeschiedenissen en mijn psychische vermogen tot beschouwen gebruiken om weer 'wat orde' te scheppen in mijn duizendjarige herinneringen. Vooral ga ik na welke wegen ik zal gaan bewandelen in de loop van een toekomstig incarnatiebestaan. Ondertussen beluister ik in dat tussenleven ook verre kosmische stemmen. Het is zo dat ik niet meer beschik over die 'versterker' die mijn lichaam was, maar ik ben toch niet helemaal verstoken van psychische interacties met alle eonen die de kosmos bevolken. Al speelt mijn zelf nu niet meer de rol van dirigent (bij gebrek aan orkestleden), ik blijf een eenvoudige musicus in een eonische structuur die groter is dan die, die eens mijn lichaam vormde . Ik ben nu een eenvoudige medewerker in een bestaan dat op een psychisch hoger niveau ligt dan het mijne. Ik speel nu in het kosmische orkest onder leiding van de dirigent die de hele natuur coördineert. Misschien dat die periode van dood beslist niet ongunstig afsteekt bij die van ons lichamelijk leven. Volgens Charon zal toch het ik, mijn zelf, na een zekere tijd van kosmische beschouwing (en die 'zekere' tijd zal ongetwijfeld dichter bij eeuwen dan bij jaren liggen) opnieuw verleid worden tot een incarnatieleven. Ik moet trouwens voor die afwisseling van kosmisch en lichamelijk leven kiezen, want door de eonische hergroepering in een nieuw organisme kan mijn eigen bewustzijnsniveau weer hoger worden. Tegelijk kan ik meewerken aan de verhoging van het bewustzijnsniveau 'van de anderen'. Ik ga dus een nieuwe incarnatie kiezen. Ik behoef die niet per se op onze wereld te kiezen, waar ik al geleefd heb. In mijn toestand van individueel eon, dat wil zeggen van vrij elektron in de kosmos, heb ik het vermogen om onmetelijke afstanden af te leggen met een enorme snelheid die de snelheid van het licht benadert. Inderdaad wordt de kosmische ruimte voortdurend in alle richtingen doorkruist door elektrisch geladen deeltjes, die in de natuurkunde de primaire deeltjes van de kosmische straling heten. Het zijn hoofdzakelijk negatieve elektronen, of protonen (dus ook positieve elektronen), begiftigd met snelheden die bijna gelijk zijn aan die van het licht. Sinds Einstein weten we dat de afstanden te niet gaan wanneer een kosmische reiziger de snelheid van het licht zo dicht benadert. Dit gaat, volgens Charon zo ver dat voor onze zelf-eonen, die met een zeer hoge snelheid reizen, het verst afgelegen melkwegstelsel een woonstad wordt waar je naar toe kunt met het oog op een nieuwe incarnatie. Bepaalde elektronen die in de kosmische straling zijn waargenomen hebben de snelheid van het licht zo dicht benaderd, dat ze niet meer dan enkele minuten 'ouder' zouden worden wanneer ze zich naar een planeet van de Andromedanevel zouden begeven die onze buurman is, maar niettemin nog... twintig miljard maal een miljard kilometers van ons afligt! We hebben dus ongelijk als we twijfelen aan de mogelijkheid om in de toekomst kosmische reizen te kunnen maken. Al duurt het nog enige tijd voor onze aardse ruimtetechniek ons 'in levende lijve' naar de verafgelegen werelden van het heelal kan brengen, we maken al vele miljoenen jaren die reis - tussen twee van onze levens in. Dat hele uitgebreide heelal is ons heelal. Eens zal ik me daar misschien naar toe begeven, waar ik misschien al mijn mooiste herinneringen heb beleefd! Nabeschouwing * In het voetspoor van Teilhard de Chardin gebruikt Charon wetenschappelijke gegevens om een filosofisch probleem (het probleem van lichaam-geest; onsterfelijkheid) op te lossen. Ging Teilhard uit van de paleontologie, Charon doet dit op vanuit de

52

kwantumfysica en wel op een originele wijze. Hierbij gebruikt hij ook de ideeën van Einstein, Bohr, Bohm en andere kwantumfysici. • Op grond van kwantumfysische ontdekkingen van met name Dirac (de diraczee) spreekt Charon van een vijfde dimensie (de geestdimensie).In de hedendaagse natuurkunde is volop belangstelling voor meerdere dimensie, soms zelfs twintig. Ook de snarentheorie is een poging om de werkelijkheid te beschrijven. • • Op het raakvlak van de vierde en vijfde dimensie plaatst hij de menselijke geest: het eon (of Het Eon is een uitvloeisel van de Geest, een soort Algeest (het punt Alpha van Teilhard de elektron) als de drager van de menselijke geest. Chardin). Deze geest beweegt zich volgens de regels van de evolutie naar een Albewustzijn of te wel naar het punt Omega. In de evolutie verwerkelijkt de Geest een streven naar steeds grotere en complexere bewustzijn. • • • De Geest werkt in de materie en zonder de Geest zou er geen materie bestaan. Eerst de geest Daarnaast kom je bij Charon, zoals bij zovele kwantumfysici, ideeën tegen die uit de oosterse Op een aantal punten is Charon meer filosoof dan natuurkundige, net zoals Teilhard de Charen dan de materie. Je kunt hier spreken van panpsychisme. religies zijn ontleend, zoals reïncarnatie, voorbestaan en een verblijf tussen twee geboortes in. din meer visionair dan wetenschapper. Het is jammer, dat zijn ideeën niet de aandacht hebben gekregen, die zij eigenlijk verdienden. De dominantie natuurkunde heeft te weinig aandacht aan de opvattingen van Charon besteed. In zijn theorie zitten waardevolle elementen in, die belangrijk zijn voor de bestudering van de problematiek van ons menszijn en de onsterfelijkheid.

Den Boer, hoogleraar biologische psychiatrie: "Genen kunnen aan- en uitgezet worden onder invloed van omgevingsfactoren" (p. 151). De vraag blijft echter: Wie of wat schakelt die genen dan aan of uit? Op grond van welke betekenis voor de mens in kwestie vindt de keuze daartussen plaats? Hoe kunnen fysische structuren betekenis herbergen? Den Boer schrijft: Na het lezen van de trilogie van G.M. Edelman, heb je even het gevoel 'zo zit het' ... 'een grootse visie'. Toch blijft daarna nog de vraag: Hoe rijzen mentale processen en het bewustzijn op uit biologische gegevenheden? Hoe kan de structuur van onze lichamelijke ervaring in de wereld zich als het ware 'opwerken' tot abstracte redeneringen? Met wetenschappers als Lakoff en Johnson, Varela, Maturana, Tomasello en Edelman neigt Den Boer naar 'zelforganisatie' als verklaringsmodel voor de wijze waarop de hersenen werken en sluit hij aan bij het 'connectionisme', dat van een voortdurende dynamische interactie van neurale netwerken met de omgeving uitgaat, waarbij betekenis niet is gelokaliseerd in bepaalde symbolen. Tegenover het dualistische 'cognitivisme' van bijvoorbeeld M. Minsky (The society of mind - 1986) stelt Den Boer met bovengenoemde wetenschappers the embodiment of mind: Ons lichaam is zelf al een subject (Merleau-Ponty). [zie ook GAMMA, jrg. 13 nr. 1 (maart 2006, p. 55-56) de bespreking van het boek van Ulrich Libbrecht]. In het evolutionaire denken van Teilhard de Chardin zou dit kunnen worden vertaald met: de stof heeft van meet af aan een psychische binnenkant;de neurale (informatie) netwerken zijn een oprolling van ervaringen, opgedaan in een geschiedenis. GAMMA, jrg. 13 nr. 1

53

Er gaat nauwelijks een dag voorbij zonder dat ieder van ons vele apparaten gebruikt. We zijn ongetwijfeld allemaal erg afhankelijk van geworden. Elke dag komen machines ons op nieuwe manieren te hulp. Tegenwoordig kunnen mensen zonder benen zelfs rennen op veerkrachtige prothesebenen. De rol van computertechnologie in ons leven neemt dagelijks toe, en we leren om te gaan met computers alsof het intelligente wezens zijn. Zo kunnen computers bijvoorbeeld reageren op gesproken opdrachten, en gesproken woorden in een willekeurige taal afdrukken! Sommige personen, zoals met name de door spierziekte getroffen fysicus Stephen Hawking, kan alleen nog maar via een computer spreken. Kunnen computers méér dan machines worden? Kunnen zij leren denken en reageren als menselijke wezens? Hoe ver kunnen we gaan met het opvoeren van hun intelligentie? Wat gebeurt er met ons als we hen echt naar ons evenbeeld kunnen scheppen? Zouden ze een ziel hebben? Zowel in films, in tv producties, in games en in toneelstukken zijn velen van ons in staat om zichzelf te projecteren in de karakters waarmee ze geconfronteerd worden. Bedenk eens hoe onze toekomst eruit zou kunnen zien als we onszelf werkelijk zouden kunnen projecteren in zulke afbeeldingen. Met virtuele werkelijkheidsapparaten (waarin de kijker, uitgerust met een tv-bril, virtueel deelneemt in een driedimensionaal tafereel door naar de andere driedimensionale karakters toe te gaan, ermee te praten, enz.). En met betrouwbaarder computers en prothesen wordt het een kwestie van tijd dat onze hersenen 'aangesloten' worden op computers. Met andere woorden, we zouden niets anders worden dan miljarden en miljarden bits in één reusachtige oceaan van informatie, die zichzelf structureert en opnieuw rangschikt, en zichzelf reconstrueert in talloze patronen: virtueel-reële menselijke wezens.

54

Tipler schetst een heel ander scenario voor de onsterfelijkheid van de mens. De wederopstanding is mathematisch te bewijzen. Bij de voortgaande digitalisering en de allesoverheersende invloed van de computer zal de mens uiteindelijk in staat zijn om alle informatiegegevens die ooit tot stand zijn gekomen in een supercomputer op te slaan, vlak voor de ineenstorting van het heelal, La Grande Finale. En dan?
Bronnen: Tipler, fysica van de onsterfelijkheid, F. Wolf Het spirituele universum; Gamma 10 (nr.1),2003

De fysica van de wederopstanding

In 1994 publiceerde Frank Tipler (geb. 1947 in Andalusia, Alabama, professor in de mathematische fysica aan de Tulane University in New Orleans, Louisiana) The Physics of Immortality (1994) dat in 1997 in het Nederlands verscheen onder de titel De fysica van onsterfelijkheid . In dit boek betoogt Tipler dat onsterfelijkheid en het bestaan van God geen loze kreten zijn, maar op wetenschappelijke grondslag aangetoond kunnen worden. Een groot deel van het boek bestaat uit een appendix, waarin Tipler met behulp van (voor leken) ingewikkelde wiskundige formules zijn opzienbare thesen probeert te onderbouwen. Volgens Tipler is de komende 'wederopstanding' mathematisch bewijsbaar. Cybernetische machines zullen alle door de mens verzamelde kennis kunnen opnemen, voorspelde Tipler, om daarmee de kosmos te manipuleren. Tipler denkt, dat de verschijningsvorm mens, zoals we die kennen, zijn langste tijd heeft gehad. Hij betrekt bij zijn theorieën over de evolutie van de 'natte computer' (de menselijke geest) naar een perfecte computerimitatie (de 'human download') een compleet, omgekeerd scheppingsverhaal. Uit deze Nieuwe Mens komt volgens hem, aan het einde der tijden en in 'een nieuw hiernamaals', een groot alwetend, almachtig en alomtegenwoordig brein voort: God. Computer regelt de wederopstanding Tipler veronderstelt dat we allen weer tot leven zullen komen op het laatste moment van het universum. En dan zullen we voor eeuwig leven. We worden allen opnieuw geboren en we zullen nooit meer sterven. We zullen dan allen computersimulaties in microcomputers zijn, onderling verbonden door signalen die met de lichtsnelheid het universum zullen doorkruisen, en een eeuwigheid aan tijd zullen doorbrengen in de laatste miljardsten van een miljardste nanoseconde van het bestaan van het universum, net voordat met een geweldig kabaal het universum tot stilstand komt. De computer zal het heelal in bezit nemen en onze wederopstanding regelen. Computers, aangevuld met een constructie-eenheid, zullen uitgezonden worden naar andere planeten en daar kopieen van zichzelf maken. Aldus zullen zij namens ons andere planeten in ons melkwegstelsel koloniseren en uiteindelijk de gehele kosmos. Tipler realiseert zich dat sterren op den duur hun nucleaire brandstof uitputten, maar de computerwezens zullen de aarde en de zon 'verbouwen'. Zij zullen zelfs de samentrekking van de kosmos omkeren en daardoor de 'big crunch' voorkomen. Maar in dit proces verdwijnt de mens, want die wordt omgezet in een onbegrensde hoeveelheid informatie, een soort kosmische wereldgeest die je ook God zou kunnen noemen. Tipler probeert aan te tonen, dat dit alles op een solide wetenschappelijke basis berust, met name vanuit de kwantummechanica. Tipler heeft in zijn weergave van nanotechnologische overlevingspakketten zorgvuldige beschrijvingen gegeven van de belangrijke kenmerken van de christelijke theologie. Hieronder vallen de wederopstanding van de doden in het eeuwige leven, en wat er gebeurt na de wederopstanding in de hemel, de hel en het vagevuur.

Nog 10 miljard miljard jaar Om Tiplers visie, die reikt van de oerknal aan het begin der tijden tot de grote ineenstorting die het einde van alles betekent, te kunnen bevatten, moeten we ons een paar basisbegrippen eigen ma-

55

ken. Als de huidige modellen van het universum, waaronder die van Tipler, accuraat zijn, dan zal het universum nog één miljard miljard jaar blijven expanderen, vervolgens nog een paar miljard miljard jaar zijn adem inhouden en dan, ongeveer 10 miljard miljard jaar vanaf nu, beginnen in te krimpen. Wij zullen het niet meer meemaken. De aarde zal reeds lang verdwenen zijn, verbrand als een knapperig korstje door de zon, toen die opzwol tot een rode reuzenster met een diameter groter dan die van de baan van de aarde om de zon. Maar stel je eens een machine voor, die gebouwd moet worden door toekomstige generaties, die het opbranden van de zon overleeft. Deze machine maakt zich op de één of andere manier alle beschikbare relevante informatie van het universum eigen, als een soort geavanceerde versie van het Voyager ruimteschip dat tot voorbij de grens van ons zonnestelsel reist. Het registreert alles wat ooit gebeurd is, elk leven dat ooit bestaan heeft. Stel u een toekomst voor waarin al onze intelligentie, al onze gevoelens, hoop, pijn, verdriet, opgetogenheid, doodgaan en wedergeboorten, alle toekomstige generaties, alle voorgaande generaties, worden opgeslagen met de grootst mogelijke gedetailleerdheid in een enorm aantal van de aller-intelligentste computers, die nog gebouwd moeten worden. U haalt hierover misschien uw schouders op. Maar hoe weet u op dit moment dat u uzelf bent en niet een machine die met zichzelf informatie uitwisselt in een zeer gecompliceerd wetware netwerk, dat zich bedient van op eenheden op koolstofbasis, die weer gebaseerd zijn op DNA-ketens? Hoe weet u dat u iets anders bent? Veronderstel dat er een simulatie van uw leven gebouwd is. Die is zo nauwkeurig dat geen enkele onderzoeker kan vaststellen dat het namaak is, en zelfs u kunt het niet. Met andere woorden, hoezeer ieder, uzelf inbegrepen, het apparaat dat doet alsof u het bent, uitprobeert, ondervraagt, plaagt, of wat dan ook doet, hoe kan al dit onderzoek bepalen dat u het niet bent? Tiplers visie is waarlijk universeel. Hij houdt zich bezig met wat er met het leven in het universum zal gebeuren, niet alleen in het huidige tijdperk, maar ook in de verste toekomst - het einde der tijden. Lang voordat de zon opgebrand zal zijn, over zeven miljard jaar, zal de mensheid zijn taak voor elkaar hebben. Dat is het bouwen en het heelal inzenden van kleine intelligente technische apparaten. Hij verwacht dat deze apparaten, terwijl ze uitzwermen in alle richtingen van het uitdijende universum, op hun beurt andere apparaten zullen maken die net als zijzelf of geavanceerder zullen zijn. Om dit te kunnen doen, zullen ze met elkaar moeten kunnen communiceren - nieuwe gegevens uitwisselen. Tipler definieert 'leven' als de uitwisseling van nieuwe gegevens die in de loop van de tijd ontstaat. Dit wil zeggen dat als twee objecten van tijd tot tijd nieuwe gegevens uitwisselen, zij technisch gesproken in leven zijn. De grote finale Tipler, die zijn ideeën baseerde op de vergelijkingen van Einstein, lanceerde de theorie dat het universum zich ontwikkelt vanuit de oerknal, een tijd lang uitdijt, en dan met een grote klap weer in elkaar stort. Deze finale noemt hij het Punt Omega, in navolging van Teilhard de Chardin, die als eerste kwam met het idee van een einde der tijden. Tiplers model voldoet aan Einsteins vergelijkingen. Einstein probeerde de betekenis van het leven in fysische zin uit te drukken in termen van ruimte, tijd, materie en zwaartekracht. Uiteraard zijn er verschillende manieren waarop het universum kan uitdijen en vervolgens instorten. De objecten kunnen het contact met elkaar verliezen, dat wil zeggen dat zij te ver van elkaar verwijderd raken om door middel van lichtsignalen met elkaar te kunnen communiceren. Bij het naderen van het einde der tijden, wanneer het universum op instorten staat, wordt dit een serieus probleem; als het uiteenvalt in een stel afzonderlijke ruimten, wordt communicatie tussen de verschillende gebieden met elk hun eigen punt waarnaar ze instorten, onmogelijk. Als de instorting echter doorgaat naar één enkel punt, het Punt Omega, dan kan de communicatie tot het einde doorgaan. Tiplers model van het universum, waarvan hij hoopt dat het op het onze van toepassing is, dijt uit en krimpt in op een manier waarbij communicatie altijd mogelijk blijft. Maar hoe leuk en gezellig dit ook moge lijken, het universum zal toch in het Punt Omega aan een allesverwoestend einde komen. Wat er feitelijk gebeurt, is dat het universum een tijd lang uni-

56

form expandeert, een maximale straal bereikt, en dan uniform inkrimpt tot het volledig instort, zonder een kreukeltje ruimte achter te laten (dat wil zeggen dat er geen geïsoleerde kleine ruimteholtes achterblijven tijdens het inkrimpen). Maar - en dit is het allergrootste maar - a ls alles goed gaat, zullen we nooit weten dat het universum in het slop is geraakt, omdat wij te zeer in beslag genomen, te druk met wat anders zijn om dit op te merken. Waarmee zullen we dan bezig zijn? We zullen software zijn, opgeslagen in micro-microapparaten die op nanotechnologie gebaseerd zijn, die slechts een paar pond wegen. Onze ziel zal een geest in een machine zijn - een computeranalogie van onszelf- en we zullen het niet eens weten. Dat wil zeggen, we zullen ons niet eens herinneren wat we eens waren wanneer deze apparaten ons plotseling opwekken als voorbijflitsende databits. Hoe is dat mogelijk? Hoe kunnen we ooit gereconstrueerd worden als vluchtige databits in plaats van als vlees en bloed? Tiplers antwoord hierop is dat wij er zeker niet zullen zijn als schepsels van vlees en bloed, maar wel in de vorm van informatie. Zijn antwoord is gebaseerd op de veronderstelling dat het universum deterministisch is. Met andere woorden, hoewel het universum chaotisch is, gaat er nooit iets verloren. Alle informatie, elk afzonderlijk bit, kan over het hele universum verspreid zijn, maar het is er nog steeds. Tegen de tijd dat het universum zijn einde nadert - de grote finale ineenstorting -is het klein genoeg geworden om het verzamelen van die informatie door intelligente machines mogelijk te maken. Virtuele werkelijkheid Hoe zou dit moeten gebeuren? Het antwoord op deze vraag heeft veel met virtuele werkelijkheid te maken. Stel dat het leven dat u nu leidt, die kostbare momenten van vreugde en lijden, het zelfbewustzijn, de drukte op de wegen of de vermoeidheid in uw voeten, het gekraak in die oude botten, de ontspanning van een goede lachbui, de vreugde bij het in de armen houden van een geliefde, al dit en nog meer, niets anders zijn dan databits die rondgaan in zeer gecompliceerde patronen in zeer geavanceerde 'wetware'. Er is geen reden te veronderstellen dat deze rondvliegende informatie niet gereproduceerd kan worden in droge siliciumschakelingen in plaats van in vochtige op koolstof gebaseerde schakelingen. Er is geen reden waarom een simulatie in virtuele werkelijkheid niet exact gelijk kan zijn aan 'echt' leven. Er is geen reden waarom een computer, mits die voldoende gecompliceerd is, 'u' niet zou kunnen imiteren, synthetiseren en 'creëren' op basis van ingevoerde gegevens. Vandaag de dag bestaat zo'n computer niet, en die zal er ook niet komen, tenzij intelligente levensvormen die gaan bouwen. Omdat wij niets weten van andere levensvormen in het universum, kunnen wij mensen maar beter vast beginnen met het bouwen van prototypes, met het oog op een tijd waarin toekomstige generaties van deze vroegste modellen zo gecompliceerd worden dat zij op hun beurt nog gecompliceerder computers kunnen bouwen. Deze computers van 'het einde der tijden' moeten voldoende gecompliceerd zijn om het leven, het universum en dus al het andere te berekenen. Hiertoe moeten deze computers uiteraard opgebouwd zijn uit schakelaars en andere onderdelen ter grootte van een atoom of een molecuul, en zij moeten over enorme afstanden kunnen communiceren door middel van lichtsignalen. Bovendien moeten zij in staat zijn andere apparaten te bouwen die nog gecompliceerder zijn dan zijzelf. Met andere woorden, deze communicerende apparaten zullen een gigantisch web van lichtverbindingen vormen, dat zich gedraagt als een zichzelf kopiërende computer, even groot als het universum zelf, met het universum meegroeiend en, belangrijker nog, steeds sneller communicerend terwijl het universum inkrimpt. In Tiplers visie moeten we met alle denkkracht die we kunnen mobiliseren nanotechnologie creëren en die de ruimte in sturen. Deze computers zullen uiteindelijk andere computers bouwen die geavanceerder zijn dan zijzelf. Deze geavanceerde generatie van intelligente levensvormen die op siliciumdioxide gebaseerd zijn, zullen onze huidige op koolstof gebaseerde levensvormen overleven door aan de kluisters van aan gedoemde aarde te ontsnappen, en ze moeten steeds meer en steeds kleinere apparaten bouwen terwijl zij zich het heelal in storten. Zij moeten steeds slimmer worden bij het vorderen van hun missie: het vullen van het universum met intelligentie. We kunnen ons de bolvormige golf van deze intelligente computers voorstellen als sporen uit een ontploffende paddenstoel. De microruimtescheepjes laten hun soort steeds verder voortplanten in het universum. Tipler noemt het golffront van dit gebeuren de 'levens' horizon. We kunnen ons voorstellen dat dit golffront zich met een aanzienlijk deel van de lichtsnelheid voortplant. Volgens

57

Tipler zal de levenshorizon op den duur 90% van de lichtsnelheid halen. Uiteindelijk zal de lichtgolf, spoedig nadat het universum is begonnen met de inkrimping, de lichtgolf, die veel eerder vertrokken is, inhalen. Volgens Tipler zullen deze microcomputers dicht genoeg bij elkaar, snel genoeg en talrijk genoeg zijn om alle gegevensbestanden die ooit gecreëerd zijn, te reproduceren. Tipler noemt dit het laatste bit van Omega, de wederopstanding tot het eeuwige leven. Hemel en hel ontstaan in omega Bij de ontwikkeling van het universum van het begin tot het einde ontstaan hemel en hel in het Punt Omega als vanzelf, in een complex van supersnelle, op nanotechnologie gebaseerde computers die op het laatste moment der tijden een virtuele werkelijkheid creëren van alles wat er ooit geweest is. Het leven hoeft slechts gesimuleerd te worden in computerprogramma's - een soort virtuele werkelijkheid die zich afspeelt binnen afmetingen van microns en tijdschalen van nanoseconden in plaats van op de menselijke schaal van meters en seconden. Dit betekent dat deze computersimulaties extreem snel informatie zullen verwerken. In feite zal in het universum, wanneer het Punt Omega genaderd wordt, en alles wat ooit ver uit elkaar heel dicht op elkaar komt, alles nog verder versneld worden in een complexe, reusachtige, maar steeds geringere afmetingen krijgende universele computergegenereerde virtuele orgastische razernij. Dit is Tiplers idee van de hemel. Pas in de laatste miljardste van een miljardste van een miljardste fractie van een seconde vóór het Punt Omega wordt het pas echt leuk, en worden we allen opgewekt in een virtuele simulatie van de werkelijkheid, die alle levens van de mensheid uitvoert, en misschien zelfs genieten van andere, vroegere levensvormen. We zullen ook opnieuw de hel op aarde en de oorlogen die we gevoerd hebben, opnieuw doorleven. In principe wordt er niets buiten beschouwing gelaten. Het duurt een eeuwigheid Aan het einde der tijden is er tijd genoeg voor de wederopstanding van elke ziel die ooit geleefd heeft, omdat er verkleinde en versnelde versies van alles wat er ooit geleefd heeft en gebeurd is worden gecreëerd. Maar als alles zo snel gaat, hoe fijn zou het dan zijn een gesimuleerd stukje van moeders beste appeltaart te eten in een paar miljardsten van een nanoseconde? Het antwoord is, dat aan het einde der tijden de tijd best wel grappig wordt in het licht van de Algemene Relativiteitstheorie. Alles is namelijk relatief. Het lijkt net alsof de tijd uitrekt. Enkele seconden op een hete kachel is heel anders dan enkele seconden in de armen van je geliefde. Wij kennen het leven slechts op de schaal van het menselijk leven, maar als we de levensprocessen in konden schalen binnen de ordegrootte van een miljardste seconde, zodat een nanoseconde van gesimuleerde ervaring gelijkwaardig is met een seconde van werkelijke ervaring, dan zou in de simulatie het verschil nooit opgemerkt worden! Dus een minuut van echte tijd nabij het Punt Omega zal overeenkomen met 20.000 jaar van ervaren tijd voor hen die informatie aan het uitwisselen zijn. Sommigen van u zullen misschien moeite hebben zich dat voor te stellen, leven in enkele nanoseconde. U moet dan wel bedenken dat alles relatief is. Als alles steeds sneller gaat lopen bij het naderen van het Punt Omega, zal niemand iets bijzonders merken, omdat die laatste nanoseconden een eeuwigheid zullen lijken te duren. We kunnen bijna zien hoe dit in zijn werk zou kunnen gaan. Stel dat we nu met elkaar telefoneren. Er is ongeveer een half uur voor nodig om een redelijk zinvol gesprek te voeren over het leven, het universum, en al het andere. Maar met supersnelle computers die met elkaar communiceren, kan deze conversatie van een half uur drastisch ingekort worden tot enkele nanoseconden, en misschien wel minder. Met andere woorden, de computers zouden, als ze even intelligent als u en uw vriend waren,-in hooguit één nanoseconde hetzelfde aan elkaar kunnen meedelen als u en uw vriend in dertig minuten. Om de betekenis hiervan te kunnen beseffen, moet u bedenken dat een miljard seconden iets minder dan 32 jaar is. Eén nanoseconde verhoudt zich dus tot een seconde als een seconde tot 32 jaar. Dat betekent dat in iets meer dan drie seconden een tweetal intelligente, in nanotechnologie

58

uitgevoerde levensvormen meer dan een eeuw aan menselijke conversatie kunnen voeren. nabeschouwing Tipler gaat uit van drie vooronderstellingen, die geen van alle houdbaar zijn, wetenschappelijk noch theologisch. * Vooronderstelling 1, het antropische principe.: (1) de door ons waargenomen kosmos moet verenigbaar zijn met ons bestaan als waarnemers; (2) de kosmos moet de eigenschappen hebben, die de ontwikkeling van intelligent leven mogelijk maakt, want anders zouden wij niet bestaan; (3) de kosmos verkeert in een bepaalde toestand, omdat deze door bewuste wezens wordt waargenomen; (4) het nu in de kosmos bestaande leven zal zich verder ontwikkelen tot het Omega Punt, waarbij het leven alomtegenwoordig, alwetend en almachtig zal worden. Echter, nummers 1, 2 en 3 zijn slechts een tautologie, een betekenisloze herhaling van woorden. Nummer 4 is een vorm van teleologie, die geen exact wetenschappelijke toetsbare verklaring oplevert. * Vooronderstelling 2, de big crunch: het heelal zal uiteindelijk ineen klappen. Die mogelijkheid wordt tegenwoordig verworpen op grond van de inflatietheorie van Alan Guth, die bevestigd wordt door recente waarnemingen van de fijnstructuur van de kosmische achtergrondstraling. * vooronderstelling 3: Vervolgens maakt Tipler het Omega-punt van Teilhard de Chardin tot een kernpunt van zijn betoog, maar verder heeft volgens hem Teilhard geen van wetenschappelijke betekenis. Bij Tipler neemt het Omega-punt goddelijke eigenschappen aan: persoonlijkheid, alomtegenwoordigheid, alwetendheid en eeuwigheid. Tevens beschouwt Tipler de mens als computer, en de computer zal het heelal in bezit nemen en onze wederopstanding regelen. Computers, aangevuld met een constructie-eenheid, zullen uitgezonden worden naar andere planeten en daar kopieën van zichzelf maken. Aldus zullen zij namens ons andere planeten in ons melkwegstelsel koloniseren en uiteindelijk de gehele kosmos. Tipler realiseert zich dat sterren op den duur hun nucleaire brandstof uitputten, maar geen nood, de computerwezens zullen de aarde en de zon 'verbouwen'. Zij zullen zelfs de samentrekking van de kosmos crunch' verdwijnt omkeren de en 'big daardoor

voorkomen. de mens,

Maar in dit proces want die wordt omgezet in een onbegrensde hoeveelheid informatie, een soort kosmische wereldgeest die je ook God zou kunnen noemen, het Omega-punt. zeggen Sommigen

dat dit meer sciencefiction is dan fysica.

Ruud van Wees: Aan wie verrijst Tipler’s informatie-heelal eigenlijk? Aan mij als ervaarder? Of maakt de informatiewaarde die ik als persoon vertegenwoordig ook deel van dit informatie-heelal uit? Maar wie, of moet ik zeggen wat, interpreteert die informatie dan nog? Vereenzelvigt hij niet te snel informatie enerzijds met werkelijkheid en persoon anderzijds? Informatie is altijd informatie over en wordt pas informatie voor een ontvangend bewustzijn. De in patronen(manmade intelligent design) rondrennende stroom van elektronen of fotonen in de computer is op zichzelf geen informatie, maar informatiedrager. Jim: Als “onze” werkelijkheid is dat de waarnemer en het waargenomene manifestaties zijn van een onderliggende orde dan verschilt die toch niet van een “computer” waarin informatie informatiemanifestaties tot stand brengt die andere informatiemanifestaties waarnemen? En die elektronen en fotonen rennen in jou en mij ook rond. Terugkeer 17(2), zomer 2006

59

Sinds Descartes in de zeventiende eeuw het dualisme in zijn meest compacte en krachtigste vorm tot uitdrukking bracht door het te baseren op de nieuwe mechanische concepten van massa en materie, hebben de na hem komende filosofen tevergeefs gezocht naar argumenten voor een aanvaardbaar alternatief. Ook de gewone mens heeft hetzelfde probleem gehad. Gegeven ons dagelijkse, in wezen newtoniaanse, begrip wat materie is en wat daarmee lichamen moeten zijn, bestaat er geen duidelijke manier om in te zien hoe er zoiets als een geest zou kunnen bestaan. Een eeuwenoud probleem De newtoniaanse fysica vertrok vanuit het oudere platoonse en christelijke begrip dat materie iets 'laags, traags, vormeloos en "lomps" ' is. Materie was iets dat gewicht had en uitbreiding. Het was in wezen atomistisch, en opgebouwd uit kleine deeltjes die zich gedragen als even zovele biljartballetjes. De materie was vast en beïnvloedde de andere materie door mechanisch contact en, wat met het het grootste verleden breekpunt

vormde, het was volledig geestloos. De materie kende geen doelen of intenties. Er waren geen atomen voor het verlangen, voor het leven of voor de ziel zoals die er geweest waren voor een aantal van de eerdere Griekse atomisten en daarom kon de nieuwe fysica van de zeventiende eeuw niets zeggen over de geestelijke of psychologische kant van het leven.

60

Eeuwenlang hebben mensen zich gebogen over de problematiek geest-lichaam. Vandaag de dag lijkt de problematiek opgelost, want alle mentale activiteiten kan men in de neurowetenschappen terugvoeren tot de hersenen. Dit betekent dat de menselijke ziel eigenlijk niet bestaat. We onderzoeken de begrippen geest/materie vanuit de filosofie en gaan met behulp van de fysica een poging doen om de geest/lichaam problematiek anders te benaderen.

Bronnen: Zohar, Het quantumself; F. Wolf het spirituele universum; C van Bergen, leven door de dood

Het fysische werd als een wereld apart tegenover het mentale geplaatst en omgekeerd werd het mentale beschreven in termen die niets fysisch meer omvatten. Er ontstonden twee tegenovergestelde begrippenapparaten voor de beschrijving van twee totaal verschillende bestaanswerelden die grotendeels bij ons zijn gebleven en zich hebben verankerd in de manier waarop we onszelf waarnemen. Onze geesten zijn privé, overal en nergens gelokaliseerd en ontoegankelijk voor fysische meting. We kunnen niet zeggen dat de geest tien centimeter breed is en anderhalve kilogram weegt zoals we dat bijvoorbeeld van de hersenen kunnen zeggen. Ook kunnen we haar niet zien of aan anderen laten zien zoals we dat met een arm of een been kunnen doen. Onze geest is gevuld met hoop en angst, wordt gemotiveerd door verlangens en verwachtingen en is gericht op het bereiken van doelen, terwijl ons lichaam, als een louter fysisch systeem, zich mechanisch gedraagt ongeveer zoals onze auto of ons waterleidingssysteem. Onze geest is verweven met geheugen. Ons lichaam bestaat— afgezien van bepaalde vaardigheden—alleen in het heden en is blind voor het verleden. Onze geest is holistisch en lijkt 'ergens' in zijn totaliteit vandaan te komen, terwijl ons lichaam overduidelijk opgebouwd is, volgens de wetten van de fysica,uit atomen die met elkaar verbonden zijn en die ieder afzonderlijk vervangen kunnen worden door een soortgelijk atoom. 'Een levend menselijk lichaam kan daarom ook worden opgebouwd uit van alles en nog wat als er maar voldoende van is—boeken, bakstenen, goud, pindakaas, een orgel. De primaire bestanddelen moeten alleen maar op de juiste wijze geordend worden”, aldus Thomas Nagel. Dit kunnen we niet van de geest beweren. De Amerikaanse filosoof Herbert Feigl heeft een tabel gemaakt van deze tegenovergestelde karakteristieken waarin de wereld in het mentale en het fysische wordt verdeeld (tabel). Mentaal subjectief (privé) niet-ruimtelijk Kwalitatief Doelgericht met geheugen holistisch uit zichzelf komend intentioneel Fysisch objectief (openbaar) ruimtelijk kwantitatief mechanisch zonder geheugen atomistisch compositioneel niet-intentioneel, 'blind'

Feigl merkte hierbij terecht op dat de ogenschijnlijke onverenigbaarheid de kern vormt van wat door de filosofen het lichaam/geest-probleem wordt genoemd. Gegeven deze grote tegenstelling is het niet verwonderlijk dat het dualisme ons allemaal in zijn ban houdt. De voor de hand liggende alternatieven lijken allemaal even onbevredigend of eenvoudig onmogelijk. materialisme Het materialisme zegt dat de fysische aspecten van de werkelijkheid uiteindelijk de enige zijn die er

61

bestaan en dat elk mentaal of spiritueel aspect voor zover het bestaat volledig afhankelijk is van materiële omstandigheden, of anders helemaal niet bestaat. In het materialisme bestaat er geen 'niet-uitgebreide denkende substantie' (hetgeen volgens Descartes de geest zou zijn), bestaan er geen engelen, goden, geesten of onsterfelijke zielen. Wil iets bestaan, volgens het materialisme, dan dient het substantie te hebben, en wat substantie heeft is fysisch en wat fysisch is, bestaat uit materie, die op haar beurt weer uit atomen bestaat. Dus zijn wij en onze 'zelven' die ons bestaan ervaren niets anders dan een bepaald aantal atomen die voor een bepaalde korte periode met elkaar verbonden is. Wij zijn onze lichamen, en onze geest is slechts een weerspiegeling van de diverse atomaire en neurale processen. idealisme Aan het andere einde van de tegenstelling rond het lichaam/ geest-probleem heeft een aantal filosofen—de idealisten— voorgesteld om de omgekeerde weg te bewandelen. Hier komt de geest als eerste; de geest fungeert als tolk voor en zelfs in hoge mate als schepper van alles wat we ervaren en bedoelen als we het over materie hebben. Voor de idealist is de geest daarom zonder twijfel datgene wat werkelijk bestaat terwijl de materiële lichamelijkheid niet veel meer is dan indrukken en ideeën binnen deze geest. Het idealisme kent vele vormen, van zijn meest extreme uiting, waarin gesteld wordt dat de materiële wereld niets anders is dan een fragment binnen de verbeelding, tot de meer voorzichtige vormen waarin beweerd wordt dat de materie een op zichzelf staande werkelijkheid heeft, maar dat alle waargenomen kenmerken van de materiële wereld van de geest afhankelijk zijn (Teilhard de Chardin en Charon) Een aantal interpretaties komt voort uit de kwantumtheorie waarin gesteld wordt dat ofwel bewustzijn de collaps van de golffunctie veroorzaakt, en daarmee nodig is voor het creëren van de werkelijkheid, ofwel dat het zinloos is om je af te vragen of er, en zo ja wat voor, materie is voorbij de grens die door onze waarnemingen gelegd wordt, omdat deze waarnemingen het enige zijn wat we uiteindelijk zullen kennen. Maar in welke vorm dan ook, het idealisme sluit niet goed aan bij onze alledaagse ervaring en de intuïtie van het gezonde verstand en past ook niet goed bij het streven naar zoiets als objectieve wetenschap—wanneer we kijken naar de nieuwe vormen van subjectivisme in populariserende uiteenzettingen over de kwantumtheorie. Het is een theorie die maar weinig mensen bevredigt die de betrekking tussen de werkelijke geest en het werkelijke lichaam willen begrijpen. Een aantal variaties op dit thema komen voort uit die interpretaties van de kwantumtheorie waarin gesteld wordt dat ofwel bewustzijn de collaps van de golffunctie veroorzaakt, en daarmee nodig is voor het creëren van de werkelijkheid, ofwel dat het zinloos is om je af te vragen of er, en zo ja wat voor, materie is voorbij de grens die door onze waarnemingen gelegd wordt, omdat deze waarnemingen het enige zijn wat we uiteindelijk zullen kennen. Maar in welke vorm dan ook, het idealisme sluit niet goed aan bij onze alledaagse ervaring en de intuïtie van het gezonde verstand en past ook niet goed bij het streven naar zoiets als objectieve wetenschap—wanneer we kijken naar de nieuwe vormen van subjectivisme in populariserende uiteenzettingen over de kwantumtheorie. Het is een theorie die maar weinig mensen bevredigt die de betrekking tussen de werkelijke geest en het werkelijke lichaam willen begrijpen. Omdat noch het materialisme noch het idealisme een adequaat antwoord geven op het lichaam/geest-probleem is er altijd een derde traditie geweest : het panpsychisme. Als lichamen zonder geest te grof zijn, dan zijn geesten zonder lichamen te etherisch, misschien is het eigenlijk onmogelijk om ze van elkaar te scheiden. Misschien is het mentale daadwerkelijk een primaire eigenschap van het materiële en omgekeerd. Misschien is het fundamentele basismateriaal van het universum gewoon een soort 'spul' dat twee aspecten kent. Het panpsychisme heeft in een van zijn vormen al sinds mensenheugenis een zekere aantrekkingskracht uitgeoefend op filosofen en wetenschappers. Het is van invloed geweest op het denken van uiteenlopende figuren als Parmenides, Heraclitus, Spinoza, Whitehead, Bohm, Teilhard de Chardin en Charon. De aantrekkingskracht ervan schuilt in de wens om een unificerende substantie te vinden waarmee alle scheidingen in de wereld tussen geestelijk en stoffelijk kunnen worden overstegen. Maar in tegenstelling tot het materialisme of het idealisme doet het dit zonder de realiteit van een van beide te ontkennen. Een beperkt panpsychisme dat een bepaalde vorm van primitief bewustzijn

62

associeert met de elementaire bestanddelen van de materie ligt misschien voor de hand. Maar wel met een aantal kanttekeningen. Er is iets fundamenteel mis met alle traditionele benaderingen van het lichaam/geest-probleem. In laatste instantie berusten ze allemaal op verouderde opvattingen over materie of slagen ze er niet in om te laten zien hoe het meer recente, uit de kwantumtheorie ontwikkelde, materiebegrip een bijdrage zou kunnen leveren aan een verklaring voor het ontstaan van de mentale karakteristieken, die verbonden zijn met de (subjectieve) geest, uit processen die zich voordoen in onze fysieke (objectieve) hersenen. Dit probleem lijkt dermate groot dat een aantal moderne filosofen stelt dat er wel eens geen oplossing voor zou kunnen zijn. Volgens Colin McGinn uit Oxford is 'de geest misschien niet groot genoeg om de geest te kunnen begrijpen.' Wanneer we deze problematiek verder gaan bestuderen, geest(ziel) en materie(stof) wat meer helder zien te krijgen. dan zullen we eerst de begrippen

DE ZIEL
• • • • • • De ziel is in de meest voorkomende opvatting de niet-materiële, spirituele component van de mens; De ziel is in een andere (esoterische) opvatting de drager, de uitdrukking of het voertuig van de (eeuwige) geest, bijvoorbeeld: de emotionele ziel, de fysieke ziel, de mentale ziel. De ziel is het binnenste van iets. Bij een (wijn)fles is het de bodem die ver naar boven opbolt. De ziel is de essentie van iets: "de ziel van het drama op het toneel werd goed gedragen" De ziel is een ander woord voor de loop (schietbuis) van een vuurwapen. De ziel is het binnenste deel van de punt van een (spiraal)boor.

etymologie In vele talen heeft ziel te maken met woorden die adem(en), lucht, wind, ruiken e.d. betekenen. In het Grieks betekent het woord psyche vlinder; ziel ;betekent evenals pneuma (geest) wind of lucht. In het Latijn betekenen de woorden anima (ziel) en animus (geest) betekenen wind, spiritus (geest) adem. In het Sanskriet spreekt men over âtman (ziel) en dat betekent lucht (vergelijk adem - misschien - Grieks "atmos"). In het Hebreeuws staan de woorden nefesj (levensadem), nesjamah (ziel) en roeach (geest) respectievelijk voor geur, lucht en wind. Volgens de taalkundige H. Möller hangen nefesj en nesjamah samen met neus, roeach met reuk. Anderen zien ook in het Griekse woord nous of noös (geest) verband met neus. Het Nederlandse woord ziel is verwant met Gothisch saiwala (en misschien met Grieks *saiwolos, vergelijk Aeolus). De term geest is mogelijk verwant met gist en geyser: associatie met bruisen en springbron. Definitie van ziel Met de ziel wordt het niet-materiële deel van de mens aangeduid; dat wat de beweegredenen vormt voor het individuele leven. In ruimste zin: al die verschijnselen van een individu die niet tot het lichamelijke te herleiden zijn. Wetenschappelijk gezien kan het bestaan van de ziel niet worden aangetoond. De wetenschap richt zich immers op objectieve feiten en niet op het subjectieve zijn van de wetenschapper zelf. De ziel behoort dus tot de "psycho”logie in de ware betekenis van het woord, niet tot het behaviorisme dat alleen naar de uiterlijke verschijnselen kijkt. De ziel wordt vaak gezien als 'het ware Zelf' van een individu. Soms wordt de ziel gezien als een verbinding tussen geest en lichaam. In die laatste opvatting is de geest 'het ware zelf'. De term ziel is daarmee een filosofisch begrip dat veelal in religieuze context gebruikt wordt om de (of één) niet-stoffelijke component van het menselijk bestaan te benoemen. Die niet-stoffelijke component kan veel omvatten: zelf, bewustzijn, zelfbewustzijn, karakter, denken, intuïtie, wijsheid, ervaren, wil, leven, be-

63

geerte. Soms wordt de ziel gezien als drager van zo'n niet-stoffelijke component, soms wordt zij voorgesteld zelf zo'n component te zijn. De meeste mensen zeggen waarschijnlijk dat de ziel niet materieel is, niet uit substantie opgebouwd. Het heeft dan geen zin om naar de ziel te zoeken, zoals men zoekt naar het bewustzijn in het brein. Waar moeten we naar kijken? Als het geen materiële substantie is, hoe kunnen we er dan wetenschappelijk bewijs voor vinden? Als de klassieke natuurkunde is gebaseerd op tijd, ruimte en massa, is het dan niet ongerijmd op zoek te gaan naar de ziel als die niet materieel is? Houdt wetenschappelijk onderzoek zich ooit bezig met de realiteit van onzichtbaar of niet-materiële substantie? een magnetische ziel? Strooi wat ijzervijlsel op een vel papier met daaronder een staafmagneet. Het vijlsel vormt, hoewel het willekeurig over het papier gestrooid wordt, fraai gekromde lijnen, die reiken van de noordpool van de magneet naar zijn zuidpool. Dit patroon vertelt ons dat de staafmagneet een magnetisch veld om zich heen heeft. Is dit veld een substantie ? Heeft het gewicht? Kunnen we het zien? Er reflecteert in ieder geval geen licht van dat ruimtelijke veld, dus als het er is, dan is het onzichtbaar. We hebben het vijlsel nodig om zijn bestaan te kunnen constateren. Evenmin heeft dat veld gewicht of massa, hoewel het objecten door de ruimte beweegt, of hen tot stilstand brengt, alsof het een substantie was. Het kan letterlijk een berg verzetten of een trein van een spoorrails optillen. Maar als we niet wisten wat we zochten, namelijk een magnetisch veld in de ruimte, zouden we niet gedacht hebben dat de aanwezigheid van het veld aangetoond kon worden met deeltjes ijzervijlsel. Misschien kan men op soortgelijke manier het bestaan van de ziel worden opgevat. Wat is het ijzervijlsel dat het bestaan van de ziel aantoont? Voor Aristoteles is het lichaam zelf het ijzervijlsel. De niet-materiële ziel wordt vaak gezien als de van zijn lichaam ontdane geest van een overledene. Massaloos en toch aaneengesloten, handhaaft zij haar integriteit, ongeveer zoals een magnetisch veld. Maar anders dan een magnetisch veld verdwijnt het in deze visie niet wanneer haar materiële bron verdwijnt. Als u een staafmagneet vernietigt, verdwijnt ook het veld ervan. Vele materialistische denkers geloven dat, als de ziel al bestaat, die ongeveer net zo als het veld van de staafmagneet bestaat. Het verdwijnen van het magnetische veld na de vernietiging van de magneet is hetzelfde als de uitdoving van de ziel na de dood van het lichaam. Misschien is de ziel wel als een magnetisch veld, maar niet zoals dat door een staafmagneet gegenereerd wordt. Wanneer echter het veld uit fotonen ofwel lichtdeeltjes bestaat, heeft het geen materiële bron nodig voor zijn bestaan. Louter door de voortplanting van het foton door de ruimte ontstaat een voortdurend veranderend, als slangen in elkaar gevlochten paar van een elektrisch en een magnetisch veld, in een voortdurend onderling geven en nemen van energie. Misschien is deze metafoor ook van toepassing op de ziel buiten het lichaam in relatie tot het lichaam. We denken misschien dat de ziel door de tijd in de richting van de toekomst gaat. Maar naar het verleden? Het lijkt ongerijmd zich voor te stellen dat de ziel terug in de tijd zou gaan. Men zou kunnen denken dat de reden voor het reizen in de normale richting door de tijd is dat de ziel zich op een evolutionaire weg zou bevinden. Als men echter bedenkt dat de ziel etherisch is, dan kan men concluderen dat zij sneller dan het licht kan reizen, en even snel als de gedachte. Als de ziel niet materieel is, zou die dat zeker moeten kunnen, want wat zou hem moeten vertragen? Deze hang naar snelheid in aanmerking genomen, en rekening houdend met de moderne theorie van de speciale relativiteit die voorspelt dat objecten die sneller dan het licht bewegen zowel achterwaarts als voorwaarts in de tijd bewegen, concluderen we dat de ziel, als die niet materieel is, in staat zou moeten zijn in beide richtingen in de tijd te reizen. De ziel in de klassieke oudheid Bij Plato is de ziel het morele en intellectuele zelf, in onderscheid met de passies en lust/ plezier en allerlei zintuiglijke aspecten van het menselijk bestaan. Plato onderscheidt in zijn Phaedrus drie aspecten van de menselijke ziel die hij vergelijkt met een wagenmenner achter een tweespan. Zowel de menner als wel de twee (gevleugelde) paarden zijn onderdeel van de tripartite ziel. Deze drie onderdelen zijn:

64

* de menner, de logos of noes (nous) (intellect, het redenerende en kennende deel) * het nobele paard, de thumos, thumoeides (passie, wil, doorzettingsvermogen) * het weerspannige paard, epithumia, epithumetikon (trek, lust, driftleven) Bij sterfelijke wezens hebben de paarden hun vleugels verloren, de mens is, in tegenstelling tot de goden - dus tot de aarde veroordeeld. Opvallend is dat de menselijke ziel bij Plato grote overeenkomsten vertoont met die van de goden (afgezien van die vleugels dan). Aristoteles besefte dat het heel moeilijk is bewijzen voor het bestaan van de ziel te vinden. Anders dan Plato deed in zijn idealistische en haast mystieke visie, scheidde Aristoteles de ziel niet van het lichaam, hoewel hij ze niet aan elkaar gelijk stelde. Voor hem was de ziel datgene waardoor wij leven, voelen of gewaarworden, bewegen en begrijpen. In ‘De Anima’ (Over de ziel) betoogt Aristoteles dat het onbegonnen werk is ook maar iets met zekerheid te zeggen over de ziel. Wat is de ziel? Bestaat de ziel als potentiële of als actuele substantie? Is de ziel deelbaar of heeft zij geen delen? Aristoteles verwerpt het dualisme van Plato: de ziel maakt onverbrekelijk deel uit van de lichamelijkheid, maar ze bezit wel een onstoffelijk kenvermogen (Zo leven de ideeën die Aristoteles verwoord heeft,nu ook nog). Het verstand vormt door abstractie de begrippen en categorieën, die door middel van de zintuigen verkregen zijn. Aristoteles ging ervan uit dat het oog de dingen ziet zoals zij zijn, dat het gehoor de werkelijke geluiden hoort, enz., en dat een theorie gebaseerd moet zijn op de zintuiglijk waarneembare en aantoonbare (empirische) werkelijkheid. Onze waarnemingen van het specifieke, afzonderlijke zijn op zichzelf waar, en zij geven ons een afbeelding van de werkelijkheid; fouten ontstaan enkel doordat die waarnemingen verkeerd verbonden worden. Aristoteles betoogde dat men bij vragen over de materiële aard van de ziel, wel moest uitkomen bij de vraag naar het bestaan van de ziel. In geen geval kunnen we bewijzen voor de ziel vinden zonder het lichaam erbij te betrekken. Als onze ziel ons emotioneel beweegt, dan lijken toch zeker zowel onze emoties als onze zintuigen ons lichaam bij hun functioneren te betrekken. Als onze ziel gebaseerd is op onze geest, dan is het denken daarop misschien wel de meest opvallende uitzondering. Het lijkt niets met het lichaam van doen te hebben: terwijl we denken lijkt daar niets te gebeuren. Maar de moderne fysiologie heeft aangetoond aan dat zelfs het denken gepaard gaat met het voortplanten van signalen binnen het brein. Dus ook het denken vereist het lichaam als bestaansvoorwaarde van de gedachte. Als de ziel in geen enkel opzicht onderscheiden kan worden van het lichaam, dan is de conclusie, dat de ziel niet los van het lichaam kan bestaan. Deze redenering klinkt alsof Aristoteles zegt dat de ziel het lichaam is. Maar omdat hij het zorgvuldig stelt, is dit niet het geval. Hij zegt dat er zonder het lichaam geen bewijs is voor de ziel. Aristoteles is de mening toegedaan, dat de beweging van het lichaam, als een daad van de ziel, een aanwijzing is voor haar bestaan. Er zijn volgens Aristoteles drie soorten “zielen”: * vegetatieve ziel: gericht op voeding, groei en voortplanting (alle levensvormen) * sensitieve ziel: zintuigen, begeerten ("zin hebben"), beweging (dieren en mens) * redelijke ziel: bezit potentieel het vermogen om het goede te kennen, maar doet actueel wat hij doet. Aristoteles: anima est actus primus corporis phisici organici. 'actus primus' = 'entelecheia' = het tot voltooiing brengen: bewerkstelliging.) De ziel is iets dat een natuurlijk lichaam, dat uit verschillende onderling gecoördineerde organen bestaat, tot voltooiing brengt. De ziel brengt de organen van het lichaam tot een normaal functioneren. Waarom 'actus primus'? De eerste actus die de ziel tot stand brengt bestaat in het perfectioneren van een orgaan, zodat het kan functioneren. De 'actus secundus' is het effectieve gebruik van het orgaan. De ziel als onbewogen beweger Het probleem waar we ons hier over buigen is dat van de fysieke aard van de ziel. Hoewel Aristote-

65

les' betoog gebaseerd is op de notie van de onbewogen beweger, wordt erop gezinspeeld dat er meer in het universum is dan de aanwezigheid van materie die andere materie in beweging brengt. De grote vraag is of één of andere vorm van intelligentie of moedwillige bedoeling, los van het materiële lichaam, er op een betekenis hebbende wijze mee verbonden is, en in staat is zich ervan af te scheiden. Of, met andere woorden, kan een geest bestaan zonder een lichaam? Aristoteles betoogt dat de geest niet kan bestaan zonder het lichaam, maar, enigszins paradoxaal, dat de geest niet het lichaam is. Kan de ziel het lichaam in beweging zetten? Je kunt alleen iets geven dat je al reeds bezit. Bijvoorbeeld, vuur kan geen warmte geven als het niet het vermogen bezit warmte te produceren. Dus moet alles wat beweging tot stand kan brengen de mogelijkheid tot bewegen hebben. Inerte lichamen als rotsen kunnen bewegen en hebben dus het vermogen tot in beweging zetten. Dergelijke lichamen kunnen dus bewogen worden door uitwendige oorzaken die ook lichamen zijn. Als er een rotssteen tegen een andere valt, komt er een aardverschuiving. Maar als we naar bezielde wezens kijken, onszelf inbegrepen, schrijven we dat toe aan iets dat we niet onmiddellijk kunnen zien, onze ziel. De 'ziel' moet echter niet anders zijn dan een andere naam voor het vermogen van het lichaam zichzelf in beweging te zetten. Omdat de ziel de beweger is van het lichaam, concluderen wij dus dat de ziel, hoewel onzichtbaar, een lichaam is. Voorts moet er tussen de beweger en het bewogene een vorm van contact bestaan. Contact kan alleen fysiek plaatshebben, dus als de ziel de beweger is van het lichaam, dan moet ook de ziel een fysisch lichaam zijn, al is het dan onzichtbaar. In zijn Physica, deel 8 geeft Aristoteles antwoord op de vraag: bestaat er een onbewogen beweger? Hij stelt dat niet alle dingen, die objecten kunnen doen bewegen noodzakelijkerwijs zelf fysische dingen zijn die ruimte innemen of bestaan in de tijd, zoals alle fysische lichamen doen. Hoewel we in het licht van de moderne fysica in de verleiding komen dit op aristotelische argumenten gebaseerde denken te verwerpen als onjuist, snijdt het betoog vandaag de dag nog steeds hout. Er is iets heel moderns aan Aristoteles' betoog van de onbewogen beweger inzake de aard van de beweging zelf. Volgens Albert Einsteins relativiteitstheorie en het moderne veldbegrip worden beweging en de oorzaak van beweging niet noodzakelijk gedreven door contact met andere lichamen. Iets kan mogelijkerwijs wel bewegen zonder hulp van aanraking door een andere fysisch lichaam, en beweging kan zelfs plaats vinden terwijl geen ander lichaam eraan raakt. Dus, wanneer we de ziel als onbewogen beweger aannemen, zouden we kunnen concluderen dat de ziel zelf niet ook een lichaam is. Stel dat de ziel een gewoon beweeglijk lichaam is, dat andere lichamen waarmee het in aanraking komt, kan doen bewegen. Het bewegende ziellichaam stoot op een ander lichaam en duwt het van zijn plaats. Dit veroorzaakt beweging in een ander lichaam dat, op zijn beurt, in weer een ander lichaam beweging veroorzaakt. Een logische vraag is dan: door wat werd het ziellichaam om te beginnen in beweging gezet? Volgens de inductieve redenering zou hieruit volgen dat daarvoor een bewegend lichaam het ziellichaam in beweging gezet moet hebben. We zouden hieruit algemeen kunnen concluderen dat een ziel beweegt omdat een ander bewegend lichaam op haar inwerkt. Volgens Aristoteles is dit absurd. Stel een rij omvallende dominostenen voor. We zien dominosteen A omvallen. We zien dat hij omviel omdat hij werd geraakt door dominosteen B. Waardoor werd B omgegooid? We redeneren dat er daarvoor een andere dominosteen C moet zijn geweest, en daarvoor een D. Deze keten van omvallende dominostenen A, B, C, D en E moet achterwaarts in ruimte en tijd doorgaan, tot de allereerste omvallende dominosteen, X. Maar waardoor viel X om, als dat de allereerste was? Deze moet duidelijk een bijzonder soort dominosteen zijn, namelijk één die niet kan omvallen, en dat dan ook niet doet! Want als X omviel, dan zouden we moeten concluderen dat er daarvoor een Y was, die X in beweging zette door om te vallen. Maar we hebben al gesteld dat X het primaire lichaam is en daarom niet kan bewegen. Dus bij X is het einde van de keten. X markeert de plaats van de onbeweeglijke ziel. Een fundamentele wet van de aristotelische fysica is dat als iets beweegt, er iets anders moet zijn dat die beweging veroorzaakt heeft. Aristoteles verwerpt slechts de idee dat de ziel en gewoon bewegend lichaam is, omdat het fungeert als de oorzaak van de beweging van een levend persoon. De kern van zijn stelling is dat iets de beweging van een lichaam kan veroorzaken zonder zelf een gewoon lichaam te zijn.

66

Aristoteles maakt duidelijk dat de ziel geen relatie met het lichaam onderhoudt zoals tussen het ene fysieke object en het andere. De ziel is bijvoorbeeld niet zomaar een massa die ergens in het lichaam past, of een massa buiten het lichaam die duwt tegen of trekt aan het lichaam. Evenmin is de ziel een geest die in de begrenzingen van het vlees is opgesloten alsof zij in een kooi zit. Ook is zij geen beweging van iets, en ook geen zuivere beweging in zichzelf. En het is niet in getallen uit te drukken; de ziel kan niet geteld worden of in stukken verdeeld worden. Alle stukken van de ziel, als we ons de ziel in stukken verdeeld denken, zouden in elk fysiek deel van het lichaam aanwezig zijn. De ziel is een speciale substantie Ondanks haar eigenschappen die niet tot de direct fysieke wereld behoren , is voor Aristoteles de ziel heel reëel. Het heeft substantie, of beter gezegd, het is substantie van een speciaal soort. Deze substantie is reëel, maar is onbeweeglijk. Het is geen gewone materie, die onderworpen is aan beweging en krachten. Ofschoon de ziel niet beweegt, heeft de ziel de ‘kracht’ om de handelingen van het lichaam te bepalen en te beheersen. Zolang de ziel niets onderneemt zijn deze handelingen er slechts in potentie: het lichaam blijft potentieel actief en actueel inert. Nadat de ziel iets uitvoert, worden deze handelingen feitelijk: het lichaam is potentieel inert en actueel in beweging. Het lichaam is voor Aristoteles een grote massa potentia, die zonder de ziel niets is dan de potentie handelingen te verrichten die worden gedicteerd door de ziel - deze buitenwereldse bewegingloze substantie. Potentieel en actueel

We zullen onze geest nooit onder de microscoop kunnen ontdekken, ook al snijden we al ons hersenmateriaal in flinterdunne plakjes en leggen we die plakjes, na indruppelen met een etsend zuur, onder de beste elektronenmicroscopen ter wereld. Er zijn zelfs psychologen geweest die zichzelf brodeloos maakten door het bestaan van de geest dan maar botweg te ontkennen. Als er toch geen verklaring te geven is, waarom zouden we dan onze hersenen pijnigen?

De ziel is het eerste of primaire niveau van actualiteit. De ziel is een altijd actieve substantie. Het lichaam kan zowel actueel als potentieel zijn. Wanneer het actief en dus actueel is, is het door de zielsubstantie in beweging gezet. Wanneer het potentieel is, beweegt het niet, denkt het niet en doet het niets. Het is inert of zelfs dood. Volgens Aristoteles hebben ziel en lichaam een gecompliceerde relatie, waarin overlappende niveaus van potentialiteit en actualiteit een rol spelen. Hoewel het er misschien mysterieus uitziet, is het dat echt niet als u lichaam en ziel vergelijkt met een hoopje ijzervijlsel en een magnetisch veld. Het veld is analoog aan de ziel en het vijlsel aan het lichaam. Net zoals het vijlsel inert blijft tenzij het magnetische veld erop werkt, gedraagt het lichaam zich op dezelfde manier tenzij de ziel erop werkt. Bewijst de aristotelische fysica dat de ziel bestaat? Aristoteles gaat er van uit, dat de ziel bestaat en de onbewogen beweger is van alle levende dingen, zonder zelf te hoeven bewegen.

Het tweede logische punt van Aristoteles' redenering hangt af van hoe men de term bestaan interpreteert. Neem bijvoorbeeld een bijl. Als die geen scherpte had en niet langer hout kon hakken dan heeft die niet meer de wezenlijke eigenschap van een bijl . Scherpte is de essentiële eigenschap van de bijl. Het woord ziel gebruikt Aristoteles in samenhang met een functie of een handeling. De sleutel is hier entiteit of de onscheidbaarheid van een ding van zijn functie en handeling, zoals we ook dat met de bijl en zijn scherpte gezien hebben. We kunnen dus de scherpte niet scheiden van het essentiële karakter van de bijl, noch de ziel van het essentiële karakter van het levende wezen. Hieruit concludeerde Aristoteles dat de ziel de aanvankelijke actualiteit van een natuurlijk lichaam is, begiftigd met het vermogen tot leven. Een lichaam dat de mogelijkheid tot leven bezit, moet levensorganen bezitten. Een orgaan is een functioneel onderdeel van een levend lichaam. Het is dus overbodig te vragen of de ziel en het lichaam identiek zijn in dezelfde zin als het overbodig is te vragen of een schilderij en het doek waarop het geschilderd is het zelfde zijn, of de vraag of een beeldhouwwerk en het marmer waaruit het gehouwen is het zelfde zijn. Zij bevinden zich in verschil-

67

lende categorieën. De kern is, dat het doek reëel is, maar dat het schilderij de ziel ervan is. De essentie van het schilderij is niet de fysieke substantie van de verf, maar heel waarschijnlijk de informatie die het schilderij overbrengt naar het oog van de waarnemer. De ziel is dus meer een kwaliteit dan een kwantiteit. Voor Aristoteles is de rol van de ziel het in beweging zetten van het lichaam in dezelfde zin als de rol van het schilderij het tot leven brengen van het doek is. Aristoteles zegt , dat de ziel niet gescheiden kan worden van zijn functie - het lichaam - en dat vorm zonder functie geen betekenis heeft. Hij concludeerde dat omdat de ziel de aanvankelijke actualiteit van een natuurlijk lichaam is, begiftigd met de mogelijkheid tot leven, en dat lichaam en ziel onscheidbaar zijn - het één is gedefinieerd door het ander, zoals een bijl gedefinieerd wordt door zijn scherpte. - dan is het overbodig te vragen of de ziel en het lichaam identiek zijn. Dat zijn ze niet, in dezelfde zin waarin de bijl en de scherpte niet identiek zijn. Toch is de ziel even reëel als het lichaam in dezelfde zin waarin scherpte even reëel is als de bijl. Aristoteles heeft dus vastgesteld dat er naast massa nog iets anders is dat reëel is. Dit is een substantie die zelf onbeweeglijk is maar niettemin bestaat. Aristoteles levert dus de fysica voor het niet fysisch bestaan van de ziel. Het is van belang te onderkennen hoe groot de invloed van de aristotelische fysica was op het denken van de scholastiek o.a.Thomas van Aquino (1225-1274) en op het denken van de afgelopen eeuwen. Aristoteles kwam tot de conclusie dat de natuur van onze ziel geestelijk is door te filosoferen; alle materiële wezens bestaan uit materie en vorm (materia en forma). Bij levende wezens wordt de vorm, ziel genoemd. De ziel moet geestelijk zijn omdat wij kennis in ons opnemen als relaties tussen vormen. En we nemen geen concrete tafel in ons op, maar de essentie van het begrip tafel. Omdat de ziel van de mens geestelijk is blijft de ziel voortbestaan na de dood. Dood wordt dan ook gedefinieerd als de scheiding van de lichaam en ziel. Eigenschappen van de ziel zijn, volgen zijn Aristoteles: * enkelvoudig - zonder delen, * onstoffelijk - een levend wezen is helemaal levend, de ziel heeft geen specifieke plek in het wezen, en identificeert zich niet met de materie. * een ziel is één en houdt ook het lichaam bijeen. De ziel als virtueel proces In de kwantumfysica heeft doorgedacht over het geestelijke, niet-materiële aspect van de werkelijkheid. Is de ziel volgens Tipler, niets meer dan een niet-materieel computerprogramma, een patroon in een machine, gebaseerd is op het Platonische gezichtspunt. Wat te denken van Aristoteles' concept van een ziel als fysieke substantie? Is de ziel een fysiek proces, en niet slechts een computerprogramma? Of kan het tegelijkertijd reëel er niet-fysisch zijn? Brengt het universum de ziel voort, zoals het materie en energie voortbrengt? Heeft de ziel energie nodig? Of is de ziel zelf een vorm van energie? Als blijkt dat de ziel fysisch is, kan er een nieuw visie op het universum ontstaan - de natuur brengt niet slechts materie en energie schijnbaar voort uit het niets, maar ook de ziel. Maar waar is de ziel? En hoe kan iets voortgebracht worden door niets, helemaal niets? Kwantumfysica: ziel als een virtueel proces Velen, variërend van moderne natuurwetenschappers tot Boeddha zelf, veroorzaken bij deze zoektocht grote verwarring door geen onderscheid aan te brengen tussen geest, ziel en zelf. Wolf stelt vast dat de geest virtuele vibratie van vacuümenergie blijkt te zijn; de ziel blijkt te bestaan uit reflecties van die virtuele vibraties in de tijd en het zelf is een illusie die ontstaat uit de re-

Als een vogel precies kon zeggen wat hij zingt, waarom hij zingt en wat het in hem is dat zingt, zou hij niet meer zingen. Paul Valéry

68

flecties van de ziel in de materie. De kwantumgolffunctie is een voorbeeld van een virtueel proces - een proces dat wel een effect heeft, hoewel dat geen feitelijk resultaat is. Deze golffunctie heeft, hoewel die nooit gemeten wordt, uiterst belangrijke fysische consequenties. De ziel ontstaat langs dit ongrijpbare waarschijnlijkheidsveld - als een virtueel proces in het vacuüm van de ruimte. Deze processen blijken veel weg te hebben van reflecties van zogeheten reële processen die zich in het alledaagse leven voordoen. Deze virtuele processen leiden echter een eigen leven, en ofschoon ze nooit zelf waarneembaar zijn, verklaren zij niettemin zelfs de eenvoudige dingen die we waarnemen (zie de zee van Dirac. De term geest wordt door F. Wolf gebruikt in de zin van 'de vibraties van het niets'. Daarmee wordt bedoeld: de potentie tot wording van alles (Aleph). Het vacuüm wemelt van dergelijke vibraties. Zij bevatten de potentie voor alles wat men maar kan bedenken. Het proces voor de realisatie van iets, de bewustwording van iets, komt voort uit de weerspiegeling van deze vibraties in de vorm van golven. Om deze weerspiegeling tot stand te brengen is een soort weerstand nodig die deze golven weerkaatst naar de richting waar zij vandaan komen. Hoe zulke weerstand ontstaat is onbekend. Carlo Suarès stelde zich deze weerstand voor als een wolk. Dientengevolge blijft geest tegelijkertijd potentieel in staat tot bewustzijn en tot niet-bewustzijn zolang hij niet gereflecteerd wordt (dat is wat wordt bedoeld met de onbekende geest, namelijk de ongereflecteerde geest). Wanneer een geest wordt gereflecteerd op knooppunten in de tijd, wordt de geest gedeeltelijk bewust en gedeeltelijk onbewust. We noemen zo'n reflectie: ziel. Er zijn twee soorten knooppunten: tijdbepaald en ruimtebepaald. Een tijdbepaald knooppunt is een punt in de tijd en een ruimtebepaald knooppunt is een punt in de ruimte. Zulke punten markeren gebeurtenissen. Zonder zulke merkpunten zijn de begrippen ruimte en tijd zonder betekenis. Die merkpunten in de tijd, hoewel zij een eindige tijdsduur voor impliceren, zijn noodzakelijk

het scheppen van een onsterfelijke ziel uit de geest. Evenzo definiëren merkpunten in de ruimte uitgebreidheid, lengte, oppervlak, volume en dergelijke, noodzakelijk van materie, voor de creatie eveneens

Als je niet elke dag met een stok in je ziel roert, vriest hij dicht.
Rutger Kopland

vanuit geest. Dus door reflectie in de tijd ontstaat bewustzijn van de ziel, teza-

men met de schepping van de ziel. Hoewel de ziel eeuwig is, ontstaat die op paradoxale wijze uit de vibratie van de geest tussen twee punten in de tijd. Dit lijkt misschien tegenstrijdig omdat de onsterfelijk geachte ziel nu in de tijd begrensd wordt. Deze paradoxale reflecties treden op bij het omegapunt van de geschiedenis - het zogeheten einde der tijden ofwel de totale ineenstorting -en de gereflecteerde golven reizen terug door de tijd naar het heden waarin wij verkeren, en bij het alfapunt het zogeheten begin der tijden ofwel oerknal - en dan weer voorwaarts naar ons heden. Er is dus geen paradox, de ziel is onsterfelijk door alle tijden heen. Vóór alfa en na omega was er geen tijd, respectievelijk zal er geen tijd zijn, omdat tijd daar geen betekenis heeft. Aldus manifesteert zich een einsteiniaanse relativiteit van de ziel. De ziel lijkt vanuit ons gezichtspunt dus tijdbepaald, maar vanuit haar eigen gezichtspunt lijkt zij onsterfelijk; zij duurt even lang als de tijd zelf. De reflectie van geestelijke trillingen die beginnen bij alfa en eindigen bij omega - de knooppunten van de tijd maakt de ziel bewust. Bedenk dat, hoewel de ziel bewust, zij als geest in potentie onbewust is. Dit betekent dat de ziel onder bepaalde omstandigheden onbewust kan raken. In de westerse traditie is het 'ik' eeuwenlang een synoniem voor de ziel geweest, en nog in de christelijke godsdienst en bepaalde stromingen binnen de filosofie. Ziel, zelf, ik en persoon zijn lan-

69

ge tijd min of meer uitwisselbare begrippen geweest. De individuele ziel wordt beschouwd als het ultieme principe in mijzelf waardoor ik denk, voel en wil, en waardoor mijn lichaam tot leven komt. Ook reflectie, geheugen en mijn hele bewuste ervaring van mijn persoonlijke identiteit behoren tot dit centrum van mijn mentale leven. Volgens de christelijke opvatting laten onze intellectuele oordelen en redeneringen en met name de reflectieve activiteit van het zelfbewustzijn zien dat er sprake is van slechts één ondeelbaar geestelijk principe. Dit principe is anders dan het lichaam en berust niet op het lichaam. Ook de vrije wil behoort volgens deze opvatting tot de ziel.

MATERIE
de visie van Aristoteles: hylemorfisme In de 12 eeuw werd het complete werk van Aristoteles door Willem van Moerkerke in het Latijn vertaald. Aristoteles werd zo herontdekt en de scholastiek maakte zijn inzichten tot centrale leer. De scholastici gebruikten Aristoteles vorm-stofleer (hylemorfisme). Hylemorfisme is de aristoteliaanse leer die zegt dat de stoffelijke substanties zijn samengesteld uit twee principes: de materia prima of oerstof (Gr. Hulè –stof), die onbepaald is maar de aanleg bezit om iedere bepaling te ontvangen, en de forma substantialis of zelfstandigheidsvorm (Gr. Morphè – vorm), die als bepalende vorm samen met de oerstof de materiele substantie uitmaken. Elk individueel ervaarbaar ding is een combinatie van: * een stof, materie (hylè) * een vorm (morphè); deze heeft geen afzonderlijk bestaan, als buitenwereldse werkelijkheid (zoals Plato dat zag in zijn Ideeënleer), maar is enkel reëel voor zover hij gerealiseerd is in het concrete ding. Het meest algemene kenmerk van alle dingen is het zijn, maar dat kan zeer uiteenlopende betekenissen aannemen: Het Zijn volgens één van deze tien categorieën: * substantie: vb. Johan Pietersen is een mens * kwantiteit: vb. J.P. weegt 76 kg * kwaliteit: vb. J.P. is leraar Wiskunde * relatie: vb. J.P. is jonger dan zijn broer Wim * plaats: vb. J.P. is in Brussel * tijd: vb. J.P. leeft in de 21e eeuw (hij is … levend) * positie: vb. J.P. staat recht (hij is … staand) * conditie: vb. J.P. is ziek * handeling: vb. J.P. schrijft * ondergaan: vb. J.P. wordt / is geïnspireerd De stoffen om ons heen zijn opgebouwd uit de vier traditionele elementen aarde, vuur, water en lucht. En aan die elementen ligt een oermaterie ten grondslag, de Materia Prima. Deze is zelf nog geheel onbepaald en kan elke vorm aannemen. Aristoteles analyseert de materie als volgt: Er is een eigenschaploos substraat, de materia prima. Hierin zijn alle materiële eigenschappen die we kennen verankerd; ze zitten als het ware vastgeprikt in het onderliggende substraat. Deze materia prima kan echter niet op zichzelf bestaan, ze dient slechts als een soort bodem. De eigenschappen (warm, droog, hard, enzovoort), die in onbeperkt veel gradaties kunnen bestaan, maken een stuk materie tot wat het is. Aristoteles heeft de concepten potentieel en actueel ingevoerd als basis voor het wereldbeeld dat hij naar voren bracht. Maar in de natuurkunde zijn ‘potentieel’ en ‘actueel’ ook basisconcepten in de zin van Aristoteles, en die nu algemeen het Geneva–Brussels formalisme van de kwantummechanica wordt genoemd. In deze theorie wordt een fysische entiteit beschreven door de verzameling van haar toestanden en de verzameling van haar eigenschappen. Een eigenschap kan ‘actueel’ zijn, wat betekent dat de entiteit deze eigenschap in acto bezit, of ‘potentieel’, wat betekent dat de entiteit de potentie bezit om deze eigenschap te actualiseren. De toestand van een fysische entiteit
e

Stof dat stof tot praten heeft, toch mooi dat wij dat zijn.
- Bergman

70

op een zeker moment is de verzameling van alle eigenschappen die dan actueel zijn. Verandering wordt beschreven door potentiële eigenschappen die zich omvormen tot actuele eigenschappen en actuele eigenschappen die potentieel worden. Kwantumfysica: Materie als intellectuele realiteit Voordien werd algemeen aangenomen dat materie 'stof' was. Het bestond uit iets. De wetenschap ontwikkelde zich als zoektocht naar de stof waaruit materie uiteindelijk zou bestaan. Deze zoektocht leverde de fysici het inzicht op dat de materie, die zo stevig leek op de schaal van enkele seconden en centimeters, in feite grotendeels uit lege ruimte bestaat, met hier en daar wolkjes van waarschijnlijkheid. Deze wolkjes zijn de 'tendenties tot bestaan', potenties tot het uit het niets opschieten van elementaire deeltjes om zo coherente materie te vormen. Het vermogen van materie tot coherentie maakt de stabiliteit mogelijk die nodig is voor het vormen van atomen en moleculen. De zoektocht naar de ware aard van de materie gaat nog steeds door. We weten nu dat als er voldoende toegevoegde materie aanwezig is, lege ruimte in staat is spontaan stukjes materie en antimaterie voort te brengen, die langere tijd kunnen voortbestaan. Maar zelfs als er geen extra energie aanwezig is, zal het vacuüm spontaan paren van elektronen en positronen
93

creëren (een positron

is de antimaterie vorm van een elektron), en die weer snel tot elkaar brengen, zodat zij verdwijnen. We veronderstellen dus dat het vacuüm materie voortbrengt uit het stralingsveld van de nulpuntsenergie, met andere woorden, materie is niets anders dan een tijdelijke toestand van de fluctuerende velden die de nulpuntsenergie genoemd worden. Materie of stof is de bouwsteen waaruit de (waarneembare) wereld is opgebouwd. Volgens de natuurkunde bestaat materie uit fermionen. Dit zijn deeltjes die gekenmerkt worden door een halftallige spin, zoals elektronen, muonen, protonen en neutronen. Krachten overbrengende deeltjes zoals fotonen zijn dus geen materie, hoewel ze wel energie bezitten en soms ook massa. In de relativiteitstheorie worden materie en energie aan elkaar gelijkgesteld, aangezien materie in energie kan worden omgezet (annihilatie), en energie in materie kan worden omgezet. Volgens de natuurkunde bestaat er van elk soort deeltje een antideeltje, dat een aantal fysische eigenschappen hetzelfde heeft, maar ook een aantal precies tegengesteld. Materie die hieruit is samengesteld, heet antimaterie. Als een deeltje met zijn antideeltje botst, annihileren ze elkaar. In het door de mens bestudeerde deel van het heelal bevindt zich bijna alleen gewone materie. Dat is opmerkelijk gezien het bovenstaande: uit het "niets" zouden materie en antimaterie in gelijke hoeveelheden ontstaan. Er zijn verschillende hypothesen over de oorzaak. Tijdens de oerknal werd ongeveer evenveel materie als antimaterie gevormd. Er was echter iets meer materie dan antimaterie en na een grootschalig annihilatieproces bleef er alleen wat materie over. Dat is de reden dat het tegenwoordige heelal vrijwel geheel uit materie bestaat en dat er zo veel straling in het heelal is (straling afkomstig van de annihilaties). Een andere hypothese is dat een groot, ver verwijderd en nog niet waargenomen deel van het heelal volledig opgebouwd is uit antimaterie. Bij het ontstaan zou alle materie in één deel en de antimaterie in een ander deel terecht zijn gekomen. In april 1997 werd ontdekt dat in het centrum van onze Melkweg positronen werden gevormd. De NASA ontdekte wolken van positronen. In juli 2003 werd door een team van onderzoekers van de NASA ontdekt dat er bij gigantische explosies op de zon, de zogeheten zonnevlammen, antimaterie wordt gevormd. De kwantumfysica heeft geconstateerd dat de materiële wereld echt niet zo materieel is als wij altijd dachten. In de kwantumfysica wordt de werkelijkheid op een fundamenteel andere manier benaderd dan in de klassieke natuurkunde die door Einstein werd afgerond. In de klassieke natuurkunde wordt ervan uitgegaan dat er een ‘objectieve, vaste werkelijkheid’ is die wij met conclusies uit subjectieve waarnemingen zo goed mogelijk proberen te benaderen. (Zohar biljartballetjes) De kwantumfysica en als gevolg daarvan de metafysica rekenen af met het bestaan van een objectieve werkelijkheid. Het is ook fundamenteel uitgesloten om het effect van de menselijke waarnemer zelf uit te schakelen: de keuze die de waarnemer doet bij het opzetten van zijn experiment bepaalt in belangrijke mate de uitkomst daarvan. Metingen worden begrensd door

71

de onzekerheidsrelatie van Heisenberg. Op de schaal van de ‘grotere lichamen’ is de invloed van het kwantumeffect steeds minder meetbaar en gaat de mechanica van de kwantumwereld over in de klassieke natuurkunde: het correspondentieprincipe. Onder de ogen van de kwantumspecialisten is de ‘vaste materie’ als het ware verdampt. Materie bestaat niet uit samengeklonterde, vaste, dingmatige knikkertjes of biljartballen te bestaan, zoals Newton dacht en met hem vele anderen. In feite ‘bestaat’ er een immens kwantumvacuüm (een soort alles doordringend informatie- en energieveld) van waaruit talloze velden van geïnformeerde energie zich ‘materialiseren’ in atoomdeeltjes die massa, lading en spin in de tijd-ruimte-schil van het universum verkrijgen. Ze verschijnen er, verdwijnen meteen en laten zich met hoge frequentie vervangen zoals de pixels op het TVscherm. Kortom: materie bestaat niet als een op zichzelf staande ‘vaste substantie’. Het enige wat ‘substantieel’ is, dat zijn de mathematische formules die verbazingwekkend betrouwbaar blijken te werken. Materie is dus in werkelijkheid een ‘intellectuele realiteit’, voornamelijk mathematisch van aard, een denkbeeldige realiteit, hoe concreet ook. Binnen de fundamentele wetenschappen ontbreekt nu een simpele en eensluidende definitie van ‘materie’. De ons zo bekende stoffelijkheid en de empirisch tastbare, meetbare zaken hebben nu alleen op het zintuiglijk en technische vlak nog een bepaalde realiteit. De hele natuur is, op zo’n zelfde manier als in de kwantumrealiteit, eigenlijk een intellectuele en denkbeeldige realiteit. Hierdoor is het fundament onder ‘het fundamenteel materialisme’ ook compleet verdampt. Een materialist pur sang zal de nieuwe ontdekkingen binnen de fysica ontkennen.

Opnieuw: het geest-lichaamprobleem.
Vanuit verschillende hoeken wordt de waarheid van Descartes (1596-1650), die door haar eenvoud zo krachtig overkomt, onderuit gehaald. De onsterfelijke ziel is van twee kanten bedreigd: door de toegenomen kennis over de hersenen en door de filosofische discussies over identiteit. De grote kloof tussen lichaam en geest is eeuwenlang onoverbrugbaar geweest. En er is meer: de hele christelijke traditie beschouwt de ware identiteit van de mens in zijn geest of in zijn ziel (Descartes gebruikt beide begrippen door elkaar; de kerk heeft al in 869 AD beslist dat alleen lichaam en ziel bestaan; de geest verdwijnt dan uit de officiële leer). De afgelopen twee a drie eeuwen staan in het teken van het analyseren en ontleden van geest en hersenen. Filosofen en hersenwetenschappers ondergraven het bestaan van een centrale geest. In de psychologie (leer van de ziel) wordt het begrip 'ziel' niet of nauwelijks meer gehanteerd. Men heeft het over deelprocessen en deelfuncties, zoals geheugen, bewustzijn, identiteit, leren, aandacht et cetera. Hedendaagse psychologen en filosofen zijn eerder geneigd een decentraal zelf te zien dan een centrale bestuurder. We kunnen onszelf beter opvatten als een mierenkolonie vol losse werkzame processen en min of meer onafhankelijke functies, dan als een geest in de machine: allerlei mentale processen vinden tegelijkertijd plaats, zonder dat de een weet wat de ander doet. Het idee dat er een geest is die de opdrachten geeft is voor velen achterhaald. Misschien vereist dit probleem alleen een andere benaderingswijze, waarbij we de laatste inzichten omtrent de fysica van de materie combineren met de laatste inzichten in de fysica van het bewustzijn. Als we het materiebegrip van de kwantumtheorie verbinden met een kwantummechanisch model van bewustzijn zelf, dan verandert het hele denken over de relatie tussen lichaam en geest op een manier waardoor zowel de tweeledige natuur van de kwantumrealiteit als de betekenis van bewustzijn anders wordt belicht.

Ik denk dus ik ben… daarom ben ik, denk ik
(met excuus aan Descartes)

72

Oorsprong menselijk bewustzijn op kwantumniveau Materie op kwantumniveau is niet bepaald 'materieel', zeker niet in de betekenis die door Descartes of Newton hieraan zou worden toegekend. In plaats van de kleine biljartballetjes die heen en weer bewegen door botsingen en onderlinge krachten zijn er even zovele patronen van actieve relaties tussen elektronen en fotonen, mesonen en nucleonen die ons tot wanhoop brengen met hun ongrijpbare dubbellevens, waarin zij zich nu eens als positie, dan weer als snelheid, nu eens als golf, dan weer als massa of energie manifesteren en dit alles in interactie met elkaar en de omgeving. Bestaan en onderlinge gerelateerdheid zijn onscheidbaar op kwantumniveau, zoals ze dat ook in het alledaagse leven zijn. Ze vormen de twee kanten van de kwantummunt en de essentie van hetgeen we bedoelen met de golf/deeltje-dualiteit. Net zoals geest en lichaam de twee kanten van ons menselijk bestaan vormen, zijn ons ongerichte achtergrondbewustzijn en onze gerichte en geconcentreerde aandacht de twee kanten van ons mentale leven. De golf/deeltje-dualiteit is een goede metafoor voor een en vergaande tussen maar geest, verwelichaam bij dat de bevenheid

veronderstelling een Newtoniaanse biljartballen hebben alleen maar externe relaties, na een botsing van coherente de fotonen (het

wustzijn zelf ontstaat door ordening tussen in het relaties

virtuele hersenen

kwantumsysteem van de BoseEinstein-condensaat) wordt het veel meer dan enkel een metafoor. De golf/deeltje-dualiteit kwantumKwantumsystemen hebben interne relaties, na een ‘ontmoeting’ wordt elk een deel van iets nieuws, dat groter is dan zichzelf 'spul van wordt

hiermee de meest primaire lichaam/geest-relatie in de wereld en vormt de kern van alles wat we op hoger niveau onderkennen als de mentale en fysieke aspecten van het leven. Omdat de golf/deeltje-dualiteit zo primair is en daarmee onherleidbaar tot enig ander ding of proces, stelt zij ons in staat te begrijpen waar de oorsprong van het mentale en fysische ligt en wat er met beide bedoeld wordt. In elk kwantumsysteem van twee of meer deeltjes heeft een deeltje zowel een 'dingmatig' karakter als een relationeel karakter. Het eerste is een gevolg van het deeltjes-aspect en het tweede een gevolg van het golf-aspect. Het is door het golf-aspect en wat hierdoor mogelijk wordt, dat kwantumsystemen een bepaalde vorm van intrinsieke verwevenheid tussen de samenstellende delen tentoonspreiden die niet bestaat in klassieke systemen. Wanneer bijvoorbeeld een groep newtoniaanse biljartballen tegen elkaar botst in een doos, dan hebben ze onderling een bepaalde verhouding tot elkaar. Ze stoten tegen elkaar en veranderen daardoor van positie en snelheid. Ze verhinderen dat ze gezamenlijk dezelfde plaats op hetzelfde tijdstip zouden innemen. Ze trekken elkaar aan op grond van de zwaartekracht en als ze elektrisch geladen zijn kunnen ze elkaar dienovereenkomstig aantrekken of afstoten. Een aantal van hen, wanneer ze groter en zwaarder zijn dan de andere, kan worden gezien als dominant. Maar het gaat hier om externe verhoudingen waardoor het gedrag van de ballen wordt beïnvloed. De interne kwaliteit wordt niet veranderd. Ongeacht de krachten die erop mogen worden uitgeoefend blijven het dezelfde ronde, veerkrachtige en van elkaar gescheiden biljartballen, elk met een eigen massa, positie en snelheid. Een groep van elektronen die op een vergelijkbare manier tegen elkaar botsen in een doos zullen daarentegen een volstrekt andere relatie met elkaar hebben. Omdat elektronen zowel golven als deeltjes zijn (beide op hetzelfde ogenblik), zullen hun golf-aspecten met elkaar gaan interfereren; zij

73

zullen hun golf-aspecten met elkaar gaan interfereren; zij zullen elkaar overlappen en in elkaar overvloeien, waardoor de elektronen in een existentiële relatie met elkaar komen. Hun eigenlijke intrinsieke eigenschappen—hun massa's, ladingen, spins alsmede hun posities en momenten— kunnen niet meer los gezien worden van hun onderlinge relaties. Ze worden allemaal beïnvloed door deze onderlinge gerelateerdheid; ze houden op om afzonderlijke dingen te zijn en worden delen van een geheel. Het geheel zal als geheel een bepaalde massa, lading, spin enzovoorts hebben, maar het is volledig onbepaald wat de afzonderlijke bijdragen van de elektronen zijn. Het is eigenlijk niet meer mogelijk om van de individuele eigenschappen van de betrokken elektronen te spreken omdat ze voortdurend veranderen en zich aanpassen aan een groter geheel. Deze vorm van intrinsieke gerelateerdheid bestaat alleen in kwantumsystemen en wordt wel aangeduid met de term 'relationeel holisme'. Deze vorm van gerelateerd-heid in de kwantumsystemen, die iets nieuws creëert door dingen samen te voegen die eerst gescheiden en op zichzelf staand waren, is van zeer groot belang en opent op zichzelf al geheel nieuwe perspectieven voor de fysica. Maar het belang ervan is groter dan alleen dat voor de fysica. Een dergelijke relatie maakt zowel de oorsprong als de betekenis van de mentale kant van het leven duidelijk. Het bewustzijn of het mentale op het meest primaire niveau van bestaan is een patroon van actieve relaties, het golf-aspect van de golf/deeltje-dualiteit. Vergelijkbaar hiermee—en dat is veel makkelijker te begrijpen— vindt de fysische kant van het leven haar oorsprong in de deeltjeskant van deze dualiteit . Deze bepaling van de essentie van bewustzijn als een relatie kan worden toegepast als een hanteerbare definitie voor alle vormen en niveaus van bewustzijn. Op het niveau van bewustzijn, dat zijn oorsprong vindt in onze eigen hersenen, kan kwantumrelationeel holisme' ontstaan uit de correlatie van golven in het krachtige elektromagnetische veld dat gecreëerd wordt door de heen en weer gaande beweging van de geladen proteïne- of vetmoleculen in de neurale celwanden, en daarmee de meest geordende vorm van gerelatio-neerdheid die er mogelijk is. Deze stand van zaken maakt de eenheid van bewustzijn mogelijk en vormt het 'schoolbord' waarop al onze gedachten, gevoelens en waarnemingen geschreven kunnen worden. (Hun onderlinge gerelateerdheid zou een Bose-Einstein-condensaat kunnen vormen van het Fröhlich-achtige type, dat in levend weefsel wordt aangetroffen). Door inzicht in de kwantummechanische aard van het menselijk bewustzijn—door bewustzijn als een kwantumgolfverschijnsel te zien—zijn we in staat om de oorsprong van ons geestelijk leven rechtstreeks terug te volgen naar haar wortels in de deeltjesfysica, net zoals dat ook mogelijk is geweest toen we zochten naar de oorsprong van ons fysisch bestaan. De lichaam/geest(hersenen/ bewustzijn)-dualiteit bij de mens is een weerspiegeling van de golf/deeltje-dualiteit die aan alles ten grondslag ligt. In dit opzicht is de mens een microkosmos van het gehele kosmisch bestaan. Wij zijn op de keper beschouwd samengesteld uit hetzelfde stof en worden door dezelfde dynamica bijeengehouden als alle overige dingen in het universum. Maar eveneens—en daarin schuilt de enorme draagwijdte van deze gedachte—is het universum gemaakt van hetzelfde stof en wordt hij door dezelfde dynamica bijeengehouden als wij. Als we bewustzijn op deze manier interpreteren, als een bijzondere vorm van een creatieve relatie die mogelijk is door de kwantum-golfdynamica, dan sluiten een aantal zaken op zo'n manier op elkaar aan dat we zowel een beter begrip krijgen van bewustzijn zelf als van de relatie ervan met materie zoals die van onze hersenen. De geest is geen bijproduct van de hersenen De geest is niet slechts een bijproduct van de hersenwerking. Net zoals de relatie tussen twee elektronen waarvan de golffuncties elkaar overlappen niet gereduceerd kan worden tot de individuele karakteristieken van beide elektronen, zo kan ook het verband tussen de golven die bepalend zijn voor het Bose-Einstein-condensaat van het bewustzijn niet worden gereduceerd tot de activiteiten van de individueel vibrerende moleculen. We zijn niet hetzelfde als onze hersenen. Het condensaat is een op zichzelf staand iets, een nieuw ding met kwaliteiten en eigenschappen die niet aanwezig zijn bij de delen waaruit het is samengesteld. Zoals Plato het beschreef in de Timaeus: 'Twee dingen alleen kunnen niet bevredigend worden verenigd zonder een derde, want er moet een of an-

74

dere band zijn waardoor deze beide naar elkaar toe worden getrokken. En van alle banden is die het beste die zichzelf en de termen die hij verbindt tot een eenheid in de volle zin des woords maakt.' Hij bracht een vergelijkbaar argument naar voren in het Symposium met betrekking tot twee mensen die verliefd op elkaar worden door te stellen dat er in dit geval niet alleen sprake is van de minnaar en de beminde, maar ook nog van een derde element, namelijk de liefde die er tussen hen bestaat. Martin Buber noemt dit 'tussen' zelfs de bindende kracht waardoor het Ik en het Gij in een Ik-Gij worden getrokken. Liefde is een bijzonder toepasselijk voorbeeld van relationeel holisme, maar er zijn ook andere analogieën waarmee het idee verduidelijkt kan worden. Denk bijvoorbeeld eens aan het schaakbord. De 'moleculen' of 'de hersenmaterie' ervan zijn het bord en de tweeëndertig stukken, maar het schaken zelf is meer dan deze uitgesneden houtvormen. Het spel is een zich wijzigend patroon van mogelijkheden en relaties, relaties tussen de stukken onderling en tussen de spelers die de stukken bewegen, tussen hun berekeningen en hun psychologie, en het zijn juist deze dingen waardoor de feitelijke mechanische bewegingen van het spel hun betekenis krijgen. Of, om een nog bruikbaarder voorbeeld te geven, omdat hiermee het hele probleem van de kunst en de betekenis ervan wordt aangesneden. Beschouw eens het schilderij van Vincent van Gogh van een paar boeren-schoenen. De materiële drager van het schilderij is een stuk canvas met de verfstrepen die er overheen zijn aangebracht, maar het kunstwerk dat ervoor zorgt dat we er telkens opnieuw met nieuwe verwondering naar blijven kijken kan niet gereduceerd worden tot deze dingen, zelfs niet tot de bedoelingen en intenties of de levensloop van Vincent van Gogh. Het schilderij is een ding op zichzelf, een geheel dat iets van de wereld laat zien dat nog niet eerder was onthuld en dit doet door een verbinding (relatie) te leggen tussen de schoenen en de boer die ze gedragen heeft, het werk en de aarde waarop het werk verricht werd, tezamen met alles wat aarde en grond voor ons betekenen. In zijn essay over esthetica verbindt de Duitse filosoof Martin Heidegger een dergelijke 'eenheid' met de onthulling van de waarheid en het Zijn. 'De waarheid "gebeurt" in het schilderij van Van Gogh. Dit betekent niet zozeer dat iets correct is afgebeeld, maar veeleer dat in de onthulling van het werktuiglijk-zijn van de schoenen, datgene wat is als eenheid tot openbaring wordt gebracht.. .' En:'.. . Het wezen van deze openbaring van wat is ligt in . .. het Zijn zelf.' Relationeel holisme, dat de kern (de eenheid) vormt van bewustzijn bepaalt eveneens het wezen van kunst en waarheid. De brug tussen deze vorm van 'eenheid' en de fysische wereld—en daarmee de brug tussen geest, waarheid en schoonheid aan de ene kant en de materiële wereld aan de andere kant—kan uiteindelijk worden begrepen wanneer we de oorsprong opsporen van elk van beide in de golf/deeltje-dualiteit. Op het meest primaire niveau zijn noch de golven noch de deeltjes herleidbaar tot elkaar. Hun gezamenlijke bestaan vormt een niet uit elkaar te halen eenheid. Om het met de Romeinse filosoof Lucretius (98 v chr.-55 v chr.)tot uitdrukking te brengen: 'Want beide zijn met elkaar verbonden door gemeenschappelijke wortels en kunnen niet van elkaar gescheiden worden zonder rampzalige gevolgen. Gemakkelijker zou men nog geur van wierookblokjes scheiden zonder ze te beschadigen, dan dat men de ziel en de geest van het gehele lichaam kan scheiden zonder dat alles uiteenvalt. Van het vroegste begin afzijn deze twee op een gezamenlijk leven ingericht door de verwevenheid van de atomen waaruit ze zijn samengesteld . . . Het is door de gecombineerde onderlinge wisselwerking dat de vlam der gewaarwording in ons vlees ontstoken wordt.'

75

Lucretius geloofde dat de ziel bestond uit 'zielen-atomen' en hij wordt daarom gerekend tot de materialisten in de traditionele zin van het woord, maar wanneer we zijn 'zielen-atomen' eenvoudig zouden vertalen met 'golven van de ziel', hetgeen niet ondenkbaar is wanneer hij bekend zou zijn geweest met kwantumfysica en de golf/deeltje-dualiteit dan is het zeer waarschijnlijk dat zijn hartstochtelijk geloof in de delicate eenheid van lichaam en geest veel gelijkenis zou hebben vertoond met de visie die in dit boek ontwikkeld wordt. Uit de opvatting dat bewustzijn een bepaalde vorm van kwantum-gerelateerdheid is volgt ook dat er geen sprake van kan zijn dat het een eigenschap is van materie zoals door vele panpsychisten wordt beweerd. Het kan niet worden herleid tot het bestaan van een elementair materiedeeltje omdat het naar zijn wezen de relatie betreft tussen twee of meer deeltjes. Bewustzijn is in haar diepste kern relationeel en het kan alleen maar ontstaan waar er twee of meer dingen bij elkaar komen. 'It takes two to tango'. De allersimpelste vorm van bewustzijn die in deze wereld mogelijk is zou daarom geassocieerd moeten zijn met twee deeltjes waarvan de golffuncties elkaar overlappen. Alles wat daarboven ligt, de vele toestanden en graden van bewustzijn, zou afhankelijk zijn van de vele vormen en graden van gerelationeerdheid—die op hun beurt weer afhankelijk zijn van de vele vormen en graden van gestructureerdheid. Ons menselijk bewustzijn als zodanig is daarom niet wezenlijk verschillend van het bewustzijn dat we kunnen associëren met meer elementaire levensvormen of zelfs met elementaire materie. Het verschilt slechts in graad en complexiteit. Volgens het christendom is de ziel een enkelvoudig, ondeelbaar, onstoffelijk principe is. Omdat ze niet is samengesteld (uit bijvoorbeeld deeltjes) kan ze niet vergaan. Zelfs als het lichaam vergaat, vergaat de ziel dus niet. Het wezen dat overleeft zal zijn persoonlijke identiteit bewaren en door middel van zijn bewuste herinneringen met zijn vorige leven verbonden zijn. Deze denkwijze is niet alleen door theologie tot stand gekomen, maar vindt zijn onderbouwing in filosofische argumenten, met name die van Aristoteles en Thomas van Aquino. Het onderscheid in lichaam en ziel is in de westerse cultuur dominant, zelfs met een afnemend geloof in de onsterfelijke ziel. De bron van dit onderscheid ligt grotendeels bij Plato, maar het ware zoeken naar het zelf begint bij de vierde-eeuwse kerkvader Augustinus. 'Wie ben ik? Wie is de mens?' vraagt hij zich af. Het antwoord begint bij de twijfel. Iedereen die twijfelt, weet dat hij twijfelt, en is in ieder geval zeker van het feit dat hij twijfelt. Dus het vermogen te twijfelen laat zien dat er zoiets als waarheid is: de zekerheid van het twijfelen is onbetwijfelbaar en dus waar. Uit dit inzicht leidt Augustinus 'uiteindelijk zijn bewijs voor het bestaan van zichzelf af: ik word weliswaar misleid, maar dat zou onmogelijk zijn als ik niet bestond. Dus: als ik word misleid, besta ik, en ben ik zeker van mijn bestaan: si fallor sum. Ik heb de ervaring dat ik word misleid, en dat ik twijfel, maar juist die ervaring leert me dat ik besta. want we hebben ze niet door enig lichamelijk zintuig bereikt, zoals bij externe objecten het geval is." Ook de Franse filosoof René Descartes begint zijn zoeken naar waarheid bij de twijfel: een systematische en grondige twijfel aan alles waar hij aan kan twijfelen. Hij probeert zich een wereld voor te stellen waarin zintuiglijke ervaringen geen zekere kennis opleverden. Hij ziet, net als Augustinus, hoe de zintuigen ons voortdurend misleiden. Immers, de zintuigen lijken wel betrouwbaar, maar zijn het allerminst: dingen die in de verte klein lijken, kunnen van dichtbij veel groter zijn. Lauw water voelt veel kouder nadat ik mijn handen in een bak warm water heb gehouden dan wanneer ze in koud water zijn ondergedompeld. Kortom, in de zintuigen vind ik geen zeker fundament van mijn bestaan. Op grond van deze twijfel stuit ook Descartes op een in zijn ogen onaantastbaar bewijs voor het bestaan van het ik. Het feit dat ik besta, wil nog niet zeggen dat ik weet wat dat ik inhoudt. Zijn beroemde 'cogito ergo sum', 'ik denk dus ik besta' is de uitkomst van de langdurige en grondige twijfel aan alles wat te betwijfelen was: de waarheden van de zintuigen, van het lichaam, van de geest en God. Uiteindelijk kan hij alles betwijfelen, behalve het feit dat hij twijfelt.

76

'Ik heb me ervan overtuigd dat er in de wereld helemaal niets bestaat: geen hemel, geen aarde, geen geesten, geen lichamen; is het dan niet zo dat ook ik niet besta?' En wat is dat 'ik' dan eigenlijk? In de Tweede Meditatie schrijft hij: 'Wat meende ik vroeger dat ik was? Een mens natuurlijk. Maar wat is een mens? Zal ik zeggen 'een levend wezen met rede begaafd'? Neen, want dan zou ik daarna weer moeten onderzoeken wat een 'levend wezen' is en wat 'met rede begaafd'. Zo zou ik van één probleem in verschillende, nog moeilijkere problemen raken.' [...] 'Ik ben dus in strikte zin alleen maar een denkend ding, dat wil zeggen een geest, een gemoed, een intellect of een rede; woorden waarvan de betekenis me vroeger onbekend was. Ik ben dus een echt ding dat echt bestaat. Maar wat voor soort ding ben ik dan? Ik zei het al: een denkend ding. [...] Wat is dat? Dat is iets dat twijfelt, begrijpt, bevestigt, ontkent, wil en niet wil; en ook iets dat voorstellingen heeft en ervaart.' De belangrijkste conclusie van zijn onderzoek is: 'ik ben in strikte zin alleen maar een denkend ding, dat wil zeggen een geest'. Ik besta omdat ik denk, en dit denken is onderscheiden van het lichaam. Deze denkwijze is diep in ons denken doorgesijpeld. We onderscheiden in het dagelijks taalgebruik lichaam en geest van elkaar, we zijn geneigd de geest als het hogere deel van onszelf te zien, en we geloven veelal dat met de dood van het lichaam de geest mogelijk voortbestaat in een andere wereld. Het christendom heeft deze denkwijze gepromoot en filosofen hebben haar een fundament gegeven.

Weegt de ziel 21 gram? In 1906 de ziel een wilde een wetenschapper, aantonen. Hij bedacht toen Duran MacDougall het bestaan van experiment : hij ging het ge-

wicht van de ziel wegen. Voor zijn experiment kwam hij voor paar problemen te staan: als zijn proefpersoon bijvoorbeeld te veel beweegt kun je het niet goed wegen. Daarom koos hij ervoor patiënten te gebruiken die erg zwaar ziek waren en dus stilletjes overlijden. Hij maakte een soort constructie waarbij het hele bed hing aan een soort weegschaal. De proefpersonen die dood gingen op de weegschaal werden echt ietsje lichter. Niet veel, meestal iets rond de 21 gram.

77

Moeten we sterven om onsterfelijk te worden? Deze vraag wordt zeer uitdrukkelijk gesteld door een aantal filosofische (mystieke) denkers. Onsterfelijkheid is niet een duurzaam voortbestaan van het individu voor dan wel na de dood, maar een opheffing van de individualiteit, tijd en dood. Ofschoon door de dood aan de individualiteit een einde komt, wil dit nog niet zeggen, dat na de dood niets is. Er is wel 'iets', en dit 'iets' is zo belangrijk, dat we ons leven ernaar moeten inrichten, aldus vele filosofen en mystici uit oost en west. Dit 'iets' wordt allesdoordringend is. De gedachte dat er een absolute realiteit is, wordt aangetroffen in de Indiase en de westerse filosofie voor. Plato's Ideeenwereld, Plotinos' Ene en het Indiase Brakman zijn voorbeelden van zo'n absolute realiteit. In het christendom zijn er nog al wat denkers die juist voorstander zijn van het tijdloze absolute, waarin het individu opgaat in het al of God. Meister Eckhardt en Hildegard von Bingen bijvoorbeeld spreken over een vereniging met God waarin hun eigen individualiteit wordt overstegen. In de 20 e eeuw zijn er theologen, die de eeuwigheid niet als oneindigheid opvatten, maar als datgene wat de tijdelijke ervaring overstijgt (Tillich). Juist in de ervaring van het goddelijke in het heden in plaats van in de hoop op een toekomstig leven kan men troost vinden. Wie hoop heeft, verwacht iets anders dan de huidige toestand, en vernietigt daardoor de compleetheid en harmonie van het religieuze gevoel. het goddelijke genoemd: een realiteit die absoluut en

78

Pantheïsme en panspychisme

zijn belangrijke stromingen binnen het filosofische denken.

Niet de minste filosofen hebben zich daarmee bezig gehouden, ook vele wetenschappers, zoals Teilhard de Chardin en Jean Charon. Binnen het new-age denken zijn deze stromingen erg populair. We bekijken op welke manier het pantheïsme en panpsychisme een bijdrage kunnen leveren aan het menselijk verlangen naar onsterfelijkheid.

PANTHEÏSME
Bronnen: vd Berg. Verlangen naar onsterfelijkheid; Enneaden van Plotinos, Uitgeverij Ambo-Atheneum,

Alles is goddelijk Pantheïsme (Grieks: πάν ( 'pan' ) = alles en θεος (theos) = God) betekent letterlijk "alles is God": alles is in diepste wezen goddelijk is. Het goddelijke is immanent en alomvattend; universum, natuur en god zijn hierin hetzelfde. In het pantheïsme is er geen grens tussen het goddelijke en het natuurlijke. In plaats van transcendentie te bezitten, los van de wereld te bestaan, bevindt God zich in alles, als "alles in al". Volgens het pantheïsme kan een God niet persoonlijk gedacht worden, los van het alles. Elke steen of boom is in wezen goddelijk. Er zijn verschillende vormen van pantheïsme. Volgens het 'theophanisme' is alles wat wij om ons heen zien een verschijningsvorm van het goddelijke. Het 'panentheïsme' (εν, "en" betekent "in"-> overal zit god/het goddelijke in) vormt een soort synthese tussen theïsme en pantheïsme: alles is goddelijk/god, maar deze is nog wel als persoon te denken. Deze vorm vindt men ook onder christenen; in de christelijke gnostiek zijn ook pan(en)theïstische invloeden te onderkennen. Veel oosterse religies (hindoeïsme, taoïsme, boeddhisme) hebben pantheïstische kenmerken, evenals het (westerse) religieus humanisme. Sommige vooraanstaande verlichters, zoals Spinoza en John Toland, hadden pantheïstische denkbeelden. Een bekende vroege pantheïst was Giordano Bruno (1548 - 1600), een Italiaans filosoof die wegens zijn denkbeelden door de Inquisitie werd veroordeeld tot de brandstapel, op de plek waar hij nu wordt vereerd met een standbeeld, het Campo de' Fiori in Rome. Niet voor niets kijkt dat standbeeld richting Vaticaanstad. Verder zijn er religies met wortels in het oude Keltische en Germaanse heidendom, zoals Druicca en Wicca sterk verbonden met het pantheïsme. Zij zien 'Moeder Aarde' als maker van alles wat leeft. Moeder Aarde wordt door aanhangers van de heksenreligie ook wel "Godin" genoemd. Men vind deze Godin terug in alles wat de natuur biedt; de natuur wordt ook vereerd bij verschillende jaarvieringen en rituelen. Vooral Plotinos, Augustinus, Spinoza hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan het pantheïsme. Plotinos: De Ene als oergrond Plotinos (203-270) behoort tot de neoplatonici. Ze trachtten, met behulp van de geschriften van Plato, een eigen filosofie te ontwerpen.. Er waren intense discussies met het tot bloei komende christendom in die tijd. Plato (vijfde eeuw v. Chr.) had in zijn geschrift Politeia (de Staat) in de beroemd geworden gelijkenis van de grot als zijn overtuiging te kennen gegeven dat de aardse verschijnselen slechts een afschaduwing zijn van de Ideeën, Oerbeelden in het Eeuwige Rijk. Al het waarneembare, het stoffelijke is slechts illusie. De mens draagt iets van het eeuwige in zich. Onthechting van het stoffelijke en zintuiglijke door zich met het schone bezig te houden, brengt ons in aanraking met de wereld der Ideeën. Pas na de dood zullen wij weer deel hebben aan het werkelijke. Plotinos is een groot bewonderaar van Plato. Kern van de leer van Plotinos is dat alle afzonderlijke verschijnselen (mensen, dieren, dingen) voortkomen uit een oergrond ( het Ene, het Opperst Goede, het Eerste, "God") en er naar terugke-

79

ren. De mensen zijn hun oorsprong echter vergeten, zij hechten zich aan hun aardse bestaan en waarderen overmatig de hen omringende dingen (materie). Het Ene ("God") is volmaakt. Hij kent geen enkele behoefte, want dan zou hij niet volmaakt zijn. De bestaande wereld is een emanatie, uitvloeiing, van het Ene. Het verst verwijderd van het Ene is de materie. De individuele geest (ziel) in de mens staat al heel wat dichter bij het Ene. Omdat alles een uitvloeiing van het Ene is , is het goddelijke in alle leven. Er is dus een onzichtbare verwantschap tussen alle verschijnselen in het leven. Het nadenken over de nietigste dingen kan al tot transcendentie leiden. Deze opvatting komt heel dicht in de buurt van de Indische filosofie, die ook in het symbolisme een grote rol speelt. (Zie de begrippen Brahman en Atman in de poëzie van Andreas Dèrmouw). Het uiteindelijk doel van ieder individu moet zijn: door onthechting tot het goddelijke te geraken. De bestaansnood van de laat-antieke mens, vervreemd te zijn van de wereld en van zijn ware zelf, wordt door Plotinos' filosofie verabsoluteerd tot een universele, kosmische wetmatigheid. De gehele werkelijkheid (to pân, "het al"), m.a.w., heeft haar bestaan te danken aan een kosmisch vervreemdingsproces vanuit de absolute, transcendente zijnsgrond van het Ene. Bij de gnostici was dat proces het gevolg van een "fout", en werd het louter negatief gewaardeerd. Bij Plotinos, daarentegen, gaat het om een noodzakelijk proces, namelijk van, in beeldspraak, voortdurende "emanatie". Hij staat er niet louter negatief tegenover maar, overeenkomstig de traditie van het Griekse rationalisme, ook positief. De wereld is voor Plotinos nog altijd letterlijk een "kosmos", en dus (let op de oorspronkelijke betekenis van dat woord) een "mooie orde", die als zodanig doordrongen is van de vormgevende kracht van de oergrond, het Ene. Zoals Baumeister het formuleert: "De lichamelijke wereld is dus niet zonder meer voorwerp van afkeer, maar ook van bewondering en van waardering in zoverre ze haar oorsprong op min of meer adequate wijze tot uitdrukking brengt. De verschillende gebieden van de werkelijkheid kunnen daarom ook als stadia beschouwd worden die de ziel op haar tocht huiswaarts moet doorlopen". Plotinos ontwierp een nieuwe structuur van de metafysische zijnsgronden, waarin er geen plaats meer was door de werkelijkheid op te delen in een intelligibele en een zintuiglijke "wereld" . Bovenaan, als de oergrond van de gehele werkelijkheid, staat niet langer het (eerste) Intellect, maar het absoluut enkelvoudige en onzeglijke Ene (Grieks: ΄ΕΝ, to Hen). Hoewel de bron van alle zijn en leven, van structuur en kennis, staat het toch boven alle zijn en denken – en moet men er uit concluderen dat het Ene zelfs niet "is". Het is zijn eigen oorzaak (heeft dus geen, nog hogere zijnsgrond) en is zelf voorwerp van zijn liefde, maar het bezit geen zelfkennis,want dat zou een tweeheid of dualiteit (kenner-gekende) impliceren. Eigenschappen van het Ene Uit de geschriften van Plotinos kan men de volgende eigenschappen distilleren: het Ene is niet zelf iets, maar gaat vooraf aan alles. Het is niet iets, het heeft geen kwaliteit of kwantiteit en het kan niet ziel of geest genoemd worden. Het beweegt niet, het staat ook niet stil, het is niet in plaats en niet in tijd; het is eeuwig. Het bestaat op zichzelf, zonder vorm, zonder massa. Het Ene staat buiten niets, maar is bij allen aanwezig zonder dat ze het zelf weten. Het is de bron van het leven en de bron van de geest, de oorsprong van het zijnde, de oorzaak van het goede, de wortel van de ziel. Het kan ook worden omschreven als het middelpunt van de ziel. Het Ene is goed, schoon, deugdelijk en rechtvaardig. Tevens brengt het schoonheid, rechtvaardigheid en deugd voort. Wie zich op het Ene richt, is in staat om het kwade te ontstijgen. De ziel komt er tot rust en keert terug tot haar bron. Het Ene verschaft de mens op tweevoudige wijze een plaats in het universum. Plotinos verbindt het kosmische principe van het Ene met het ontstaan van de menselijke ziel. Dat betekent dat hij de mens een plek geeft in de kosmos. Het Ene is de bron van alles. Het is een goddelijk principe waar eerst de geest uitvloeit (emaneert). De geest uit zich in de wereldziel, die vervolgens uitstroomt in de zielen van de mensen. De menselijke ziel wordt onderverdeeld in een deel dat gericht is op de geest en een deel dat gericht is op waarneming en leven. De materie, en dus het menselijk lichaam, staat buiten deze emanatie-hiërarchie en fungeert als een ultieme grens. Vanaf hier kan de ziel alleen maar terugkeren tot haar bron, het Ene. De zin van het bestaan is heel eenvoudig: vanwaar wij ontstaan, daar zullen wij naar terugkeren. Door het (in zichzelf neutrale, puur kosmogenische) ontstaan van de ziel uit het Ene te relateren

80

aan de terugkeer ervan naar het Ene, wordt een doel van het leven gegeven. Dit doel geeft een andere visie op de dood, en heeft daarmee grote implicaties voor hoe wij in het leven (dienen te) staan: aangezien het Ene goed is, hoeven we er geen enkele angst voor te hebben. Angst voor de dood is onnodig. Het is aan de onuitputtelijke en onbeschrijfelijke volheid en rijkdom van het Ene, in een eeuwig en noodzakelijk proces en a.h.w. als een nevenproduct van zijn zelfcontemplatie, dat alle zijn het bestaan te danken heeft, in een reeks van achtereenvolgende "uitstromingen" of "verwerkelijkingen" (hupostáseis) van steeds lagere zijnsgronden. Het Ene zelf, echter, verliest niets in dat proces; tevens "blijven" alle "verwerkelijkingen" verbonden met hun (hogere) zijnsgrond - wat verklaart waarom Plotinos de term (of de beeldspraak) van "emanatie" (apórrhoia), slechts met de grootste terughoudendheid hanteert. De eerste "werkelijkheid" waarin het Ene zich, als absolute zijnsgrond, a.h.w. "realiseert", m.a.w. de eerste "hypostase" (hupóstasis), is de Noûs (ὁ νοῦς, "intellect" of "geest"), die tegelijkertijd ook het (intelligibele) Zijn als zodanig is. Met dit niveau, waarmee alle activiteit en kennis begint, treedt de oorspronkelijke Eenheid in een soort van tweeheid, namelijk tussen het kennende en het gekende. Tegelijkertijd, echter, is de eenheid tussen kennende en gekende, die voorwaarde is voor optimale kennis, volledig gerealiseerd in het Intellect. Langs zijn "objectieve" zijde presenteert het Intellect zich als de platoonse kosmos noètós, d.w.z. de Vormen- of Ideeënwereld. Die Ideeën zijn zelf "levende intelligenties" (meervoud van noûs), die elk de totaliteit van de Ideeënwereld in zich bevatten. Zij zijn, platonisch, de archetypes van al wat bestaat, of zal bestaan. Ook de menselijke individuen, zoals gezegd, hebben een dergelijk metafysisch archetype als hun "ware zelf". Ook het Intellect doet aan schouwing (theoría), maar dan van het Ene. Als een "nevenproduct" daarvan geeft het intellect het ontstaan aan de volgende hypostase ("verwerkelijking"), namelijk de Psuchè (ψυχή) of Ziel. Zij is de laagste graad van de intelligibele wereld, en is daarom de laatste "volmaakte hypostase": beneden de Ziel "is" er niets meer; of anders uitgedrukt: alles wat er is, "is" maar in zoverre het "ziel" is. De Ziel heeft inderdaad een dubbele wending: enerzijds schouwt zij het geestelijke licht, als haar zijnsgrond, anderzijds is ze, als Wereldziel, naar "beneden" gericht. De Ziel is dus de noodzakelijke "intermediair" tussen de wereld der Ideeën, enerzijds, en de chaotische, voortdurend veranderende, in een oneindige veelheid versnipperde en vervreemde, materiële werkelijkheid, anderzijds. Wat de ongestructureerde en daarom niet-zijnde Stof (hùlè) betreft, zij is het allerdiepste en allerlaagste moment van het emanatieproces (eigenlijk gaat het om niet meer dan een "schaduw"), en àls "niet-zijnde" is zij ook verantwoordelijk voor het kwaad (cf. de gnostici, natuurlijk, maar voor Plotinos is het kwade strikt genomen geen echte substantie, maar een "niet-zijnde"). De stof is echter ook potentialiteit of aanleg (cf. Aristoteles), en het is die potentialiteit die dank zij de Ziel (de zielen) ontvankelijk wordt gemaakt voor de verschillende (hiërarchische) graden van vormgeving, of structuur, leven en bewustzijn, die samen de kosmos vormen. De materiële, natuurlijke ("ondermaanse") wereld is geen deel van de Ziel, maar alles wat er "werkelijk" aan is, behóórt aan de Ziel. Plotinos spreekt in dat verband van Phúsis, φύσις, of Natuur. Verlies van vleugels Plato, die zeshonderd jaar eerder leefde, had grote indruk op Plotinos gemaakt door zijn Ideeënleer. Volgens Plato bestaan er twee werelden, die van de volmaakte vormende ideeën en de onvolmaakte afspiegeling daarvan. Hoewel Plotinos zich daar nooit over heeft uitgelaten past zijn leer over de Geest, die de Ziel emaneert, naadloos op deze uitleg van de beide scheppingsverhalen uit Genesis. Volgens Plotinos denkt de Geest. Dat moet dan de toestand zijn waarin de oorspronkelijke ideeën zich ontwikkelen, die in een later stadium in de Ziel en de daaruit voortvloeiende Materie vorm aannemen. Plato beschreef het afdalen van de ziel naar onze wereld als een verlies van vleugels. Het verblijf in een aards lichaam is voor de ziel een verlies van oorspronkelijke vermogens en mogelijkheden, die door

Mijn God, als U bestaat, bescherm dan mijn ziel, als ik er een heb
Voltaire

81

eigen inspanning weer teruggevonden moeten worden. Volgens Plotinos bevindt de ziel zich in lichamelijke gevangenschap, maar de ziel bezit het vermogen het lichaam weer te laten opstijgen zodat het werkelijk tot het instrument van de ziel wordt. Maar de mens zal zijn ware Zelf pas ontdekken wanneer hij zich voortdurend blijft richten op het hogere en zonder het lichaam te verwaarlozen er toch de betrekkelijkheid van inziet. Bewustzijn Plotinos was de eerste die over het bewustzijn nadacht. Bij Plato waren de Ideeën onbewuste goddelijke structuren zonder enige besef van zichzelf of anderen. Plotinos besefte heel goed dat het bewustzijn de mens het besef van goed en kwaad schenkt. Voor Plotinos sprak het vanzelf, dat de mens zich bewust uit de dualiteit van goed en kwaad moest verheffen teneinde steeds meer bewustzijn op hogere gebieden te verwerven en daardoor ook het echte mens-zijn te ontwikkelen. Innerlijke groei was het motief van alle mysteriediensten in het oude Griekenland. Plotinos moet de inwijdingspraktijken gekend hebben, omdat de groei naar goddelijk weten niet alleen zijn leven beheerste, maar ook de grondslag was van zijn hele zijn filosofische systeem. Voor hem bestond het hoogste geluk uit het afleggen van al wat werelds is en door te leven naar de geest zich te verenigen met de Al-Ene, het goddelijke dat diep in elk wezen leeft. Vele navolgers Plotinos heeft veel navolgers gehad. Zijn invloed op het denken is tot de huidige dag merkbaar, bijvoorbeeld in de Vrij-Katholieke Kerk (www.vkk.nl/f_home.htm) , sche scholen lieten zich inspireren door Plotinos. Twee eeuwen na Plotinos trad Proclus als de strenge leider van de Atheense Academie in de voetsporen van Plotinos. Elke veelheid heeft deel aan de eenheid. Omdat de Ene zowel boven als buiten het Zijn bestaat is alles Een door deel te hebben aan de Ene, maar wat eenmaal Een is geworden is iets anders dan wat van nature Een was. Dit is een filosofische wijze van zeggen, dat de mens God in potentie is, hoewel hij toch nooit helemaal gelijk aan God zal worden. Augustinus : het geestelijke als het ene ware In diezelfde periode raakte de latere kerkvader Aurelius Augustinus in een geestelijke crisis en werd daaruit bevrijd door het lezen van de Enneaden van Plotinos. Zijn afscheid van de gnostieke Manicheeën en zijn toetreden tot de Christelijke kerk markeren deze metamorfose. Het geestelijke is voor hem, evenals voor Plotinos, het enige ware tegenover het vergankelijke vleselijke omhulsel, dat hij door middel van een ascetische levenshouding tracht te temmen. Een ander markant voorbeeld uit die periode is de geheimzinnige Dionysius de Aeropagiet, wiens credo luidt: "God, de Ene, het wezen der goedheid, de alwijze en wijsmakende oergodheid heeft de gehele ordening der heilige dingen geschonken tot vergoddelijking van alle wezens." Een kleine duizend jaar later bloeit de renaissance op in het sierlijke Florence en rondom de paleizen der Medici treffen we Marsilio Ficino aan, een tot veler verbeelding sprekend filosoof wiens Latijnse vertaling van het volledige werk van Plato en het mystieke Corpus Hermeticum hem nog altijd in dank wordt afgenomen. Hij stelde zich ten doel het Neoplatonisme en de Christelijke openbaring te verenigen. De wereldziel is volgens hem het middelpunt van de hiërarchisch gestructureerde werkelijkheid. Denkbeweging en liefdesbegeerte ziet hij als de belangrijkste eigenschappen van de wereldziel, de anima mundi. In de ogen van Ficino is de menselijke ziel een tussenvorm van alle door God geschapen dingen. Hoewel de ziel gedeeltelijk naar het lichaam is gericht verkeert een ander deel in contemplatie en verbindt zich aldus met steeds hogere graden van de Waarheid totdat schouwing waar zijn Griekse gedachtegoed een dimensie toevoegt aan het Christelijke denken. Kerkvaders, mystici, filosofen alsmede esoteri-

82

van God plaatsvindt. Spinoza: God in alles Afgezien van bekende mystici als Ruusbroec, Giordano Bruno, Meister Eckhardt, Paracelsus en Thomas van Aquino, die geen van allen denkbaar zijn zonder de invloed van Plotinos en zijn Neoplatonische school, verklaart de zeventiende eeuwse Nederlandse filosoof Baruch Spinoza alles uit God. God is de grond van het bestaan en het wezen der dingen. Hoewel de scheppende en de geschapen natuur in God samenkomen wordt de wereld wel als de ontkenning van God beschouwd. De ideeën en de dingen die daaruit voortvloeien zijn volgens Spinoza zowel identiek als onderscheiden. Spinoza gaat uit van het begrip substantie, waarmee hij de eeuwige en unieke bron van al het bestaande aanduidt. Het is zijn eigen oorzaak en wordt gelijk gesteld aan de hele natuur, die samenvalt met God zoals Spinoza die definieert. In substantie bestaat het begrip modus of attribuut: alle dingen die uit iets anders voortvloeien, dus de wereld van verschijnselen. In de natuur komen oneindig veel verschillende modi voor, waarvan de mens er maar twee kent: het denken (onder het niet-stoffelijke, geestelijke aspect) en uitgebreidheid (het stoffelijke aspect). Om verwarring met 'natuur' in het dagelijks taalgebruik te vermijden, onderscheidt Spinoza natura naturans - de scheppende natuur dus God - en natura naturata - de geschapen natuur. Spinoza ziet de goddelijke realiteit als de ene Substantie die twee attributen heeft. 'Substantie' heeft volgens Spinoza de betekenis van 'datgene, wat op zichzelf bestaat en uit zichzelf wordt begrepen, dat wil zeggen datgene, waarvan wij een begrip kunnen vormen zonder het begrip van een andere zaak nodig te hebben'. Substantie is een zelfstandigheid, die op niets anders berust dan op zichzelf. Dit is God. God wordt door Spinoza gekenmerkt door twee attributen: denken en uitgebreidheid. Wanneer men die ene substantie als denken opvatten, dan is dat God. Wanneer men het als uitgebreidheid opvat, dan beschouwt men tiek. God is de enige substantie en is identiek met alles wat er bestaat. Er is niets dat geen God is; God is in alles. Daarnaast is God oneindig, buiten God is niets bestaanbaar of denkbaar en God is de oorzaak van alle dingen. God is eeuwig, onveranderlijk, één, maar dit zijn volgens Spinoza geen wezenseigenschappen. De definitie van de ene substantie die zowel God als Natuur is, opgevat als denken of uitgebreidheid, is ook uit te werken voor de individuele mens. De mens is een van de vele modificaties van de substantie. De modus is de wijze waarop een attribuut zich voordoet. Zo kan het attribuut uitgebreidheid zich voordoen als een groot of een klein ding, of als een menselijk lichaam. Het attribuut denken doet zich voor als menselijke gedachten. Het gaat hier nadrukkelijk niet om een scheiding van lichaam en een geest. 'Geest en lichaam zijn een en hetzelfde individu, dat soms onder het attribuut van denken, en soms onder het attribuut van uitgebreidheid, wordt opgevat.' (Spinoza, Ethica II, Stelling 21). We kunnen dus lichaam en geest zien als twee kanten van hetzelfde wezen, of als twee gezichtspunten. De mens is niet onsterfelijk Als lichaam en geest slechts twee gezichtspunten zijn van eenzelfde wezen, is het duidelijk dat er na de dood geen sprake kan zijn van een persoonlijke onsterfelijkheid van de ziel. Toch is er binnen Spinoza's denken plaats voor onsterfelijkheid, maar er moet nu reeds worden opgemerkt dat er een spanning bestaat tussen de eenheid van lichaam en geest enerzijds en onsterfelijkheid anderzijds. Spinoza vat onsterfelijkheid op twee manieren op: als onsterfelijkheid van het geheel en als onsterdie ene substantie als Natuur. God en Natuur zijn dus iden-

83

felijkheid van het individu. Wat betreft de onsterfelijkheid van het geheel is het beter om te spreken van de onvergankelijkheid of de eeuwigheid van het geheel. Daarmee vindt zijn opvatting van onsterfelijkheid aansluiting bij het hindoeïstische denken over de absolute realiteit van Brakman. De hele Natuur is volgens Spinoza één groot geheel, dat op zichzelf onveranderlijk is, maar waarbinnen wel eindeloze veranderingen van specifieke objecten mogelijk zijn. Elk subsysteem, of het nu een plant, een dier of een mens is, streeft ernaar te blijven bestaan. De mens heeft echter meer manieren tot zijn beschikking om zijn identiteit te blijven behouden dan een dier. Hierin ligt de kiem voor Spinoza's opvattingen van een meer op het individu gerichte onsterfelijkheid. Hier ligt tevens de vervulling van de ethiek van Spinoza: de gedachte van ultieme vrijheid die hij uit vrije wil op het hoogste, namelijk het Goddelijke richt. Deze vrijheid behoort tot de mogelijkheden van de mens, maar niet tot die van dieren. Amor dei intellectualis Spinoza onderscheidt drie soorten kennis, die in toenemende mate de waarheid kunnen onthullen: * de kennis door middel van verbeelding, waardoor we dingen in tijd en ruimte zien in plaats van in hun eeuwig verband. * de zuiver verstandelijke kennis, waardoor we de dingen in hun eeuwige verbanden van oorzaak en gevolg zien, los van de tijdelijke toevalligheden. Door deze kennis zijn we in staat een juiste levenshouding te vinden. * Als vervolg op de zuiver verstandelijke kennis: de intuïtieve, directe kennis waarmee we de dingen in God zien. Deze maakt geen gebruik van redeneringen. Deze kennis wordt 'scientia intuitiva' genoemd. Ze duidt op 'onmiddellijke vertooninghe aan het verstand van het voorwerp zelve', niet op 'overtuyging van reeden'. De naam die Spinoza geeft aan deze derde soort kennis is 'amor Dei intellectualis', als 'de redelijke liefde tot God'. Het gaat om het hoogste inzicht en om het waarachtig goede, waar Spinoza immers naar op zoek is. Eerder in de Ethica heeft hij de mens onderscheiden van het dier vanwege het feit dat hij meer mogelijkheden heeft dan het dier om invloed uitoefenen op andere subsystemen. Hij heeft, anders gezegd, meer macht. Die macht wil hij vergroten. Lichamelijk gezien spreekt Spinoza van genot of pijn, indien we onze lichamelijke macht vergroten of verkleinen. In ons geestelijke aspect gaat het om vreugde die we ervaren wanneer onze geest zich vervolmaakt of om leed bij geestelijke achteruitgang. Deze vervolmaking van de geest is het inzicht dat God en Natuur identiek zijn. Dat is het waarachtig goede. Door volgens zijn rede te leven komt de mens tot dit inzicht. Net als Plato gaat ook Spinoza er vanuit dat de mens een redelijk wezen is en dat het lichaam de geest afleidt van de ware kennis. Aangezien de ware aard van de mens redelijk is, wordt hij alleen door redelijk handelen zijn aandoeningen meer de baas (bijvoorbeeld honger, dorst, lust). Dat betekent, dat hij moet begrijpen: begrip leidt tot macht over zichzelf. De geest heeft de macht om alle lichamelijke indrukken tot de voorstelling van God terug te brengen: de verwarde emoties en hartstochten kunnen worden getransformeerd tot heldere inzichten en ware kennis. Wie zichzelf en zijn aandoeningen goed begrijpt, heeft God lief. Het gaat erom zoveel mogelijk op te gaan in deze eeuwige liefde voor God, deze 'amor Dei intellectualis'. "De menselijke Geest kan niet tegelijk met het Lichaam geheel en al teniet gaan, maar er blijft iets over dat eeuwig is. (...) Wij kennen [de menselijke geest] geen duur toe, dan alleen zolang het lichaam bestaat. Daar evenwel datgene, wat met die zekere eeuwige noodzakelijkheid uit Gods wezen zelf wordt verklaard niet-

84

temin toch iets zijn moet, zal ook noodzakelijk dit iets, dat tot 's mensen Geest behoort, eeuwig zijn." (Spinoza) De geest is eeuwig De geest wordt niet door tijd of duur bepaald, maar is eeuwig. Dit suggereert dat na het sterven van het lichaam' iets van de geest overblijft. De vraag rijst, wat dat 'iets' zou moeten zijn. Het antwoord hierop vinden we in de liefde tot God. In de amor Dei intellectualis ligt het geheim van de onsterfelijkheid. Hoe meer kennis van de derde soort men heeft, hoe meer er namelijk onsterfelijk blijft. Alleen wie de hogere kennis van de amor Dei intellectualis heeft, zal onsterfelijk zijn in een meer gebruikelijke zin van het woord. Hoe meer perfectie het intellect heeft, hoe onsterfelijker het zal zijn. We moeten hier echter onsterfelijk niet verwarren met een eindeloos voortbestaan, een oneindig lange duur. Omdat het intellect geen relatie tot tijd heeft, is er geen sprake van een toekomstig leven van een persoonlijk bewustzijn. Wat er precies gebeurt, kunnen we alleen afleiden uit analogieen met ons leven hier en nu. Spinoza's woorden over de liefde van God tot zichzelf, waarbij het individu deel van God is vanwege zijn eigen liefde tot God, en daarmee ook van Gods liefde ontvangt, illustreren de vreugde waarmee deze eenwording gepaard gaat. Niet alleen de vreugde maakt dat eenwording met de absolute realiteit een doel van ons leven is; ook het uitgangspunt dat wij zijn voortgekomen uit en nog steeds deel uitmaken van die realiteit, onderstreept de verbondenheid tussen het individu en het goddelijke absolute. De absolute realiteit is zowel de oorzaak als het doel van ons bestaan. Door een andere opvatting van tijd, komen traditionele, lineair gebaseerde opvattingen over onsterfelijkheid als duurzaam voortbestaan - onder druk te staan. In deze opvattingen wordt tijd opgevat als eeuwigheid en als absoluut. Internet: Het is bijna symbolisch dat Spinoza zijn geld verdiende met het slijpen van lenzen. Filosofen helpen mensen het leven vanuit nieuwe perspectieven te bekijken. Eén van de grondgedachten van Spinoza's filosofie was de dingen vanuit het perspectief van de eeuwigheid te zien. Spinoza plaatst ons eigen leven in een kosmisch verband . Wij zijn slechts een minuscuul deeltje van de gehele levende Natuur. Wij maken deel uit van een reusachtig geheel dat zich over alle tijd en ruimte uitstrekt. Spinoza zei dat alles Natuur is en hij vereenzelvigde Natuur met God. Hij zei dat God alles is, en dat alles in God is. Dit wordt het pantheïsme genoemd. Spinoza dacht dat God de wereld niet had geschapen om er buiten te staan. God is de wereld. Soms zegt Spinoza het anders: de wereld is in God is. Dit was voor zowel het Jodendom als het christendom geen gangbaar denkbeeld. De joodse Spinoza werd om zijn onorthodoxe ideeën over onsterfelijkheid vervloekt met alle vloeken uit Deuteronomium. Paul Tillich: symboliek van het hiernamaals Binnen het christelijke denken zijn pas in de twintigste eeuw abstracte ideeën over onsterfelijkheid te vinden die enige aansluiting bij de monistische visie hebben die door zowel Plotinos als Spinoza zijn ontwikkeld. Met name de theoloog Paul Tillich (1886-1965) ontwikkelde een nieuwe visie op onsterfelijkheid, waarbij hij weliswaar elke openlijke aanval op leven na de dood vermeed, maar wel stelt wel dat "symbolen zoals leven na de dood, onsterfelijkheid, reincarnatie en hemel gevaarlijk en onjuist zijn. De taal om eeuwig leven te beschrijven is symbolisch en moet niet worden opgevat als beschrijving van een plaats." Het symbool van eeuwig leven en de hemel, zijn belangrijk, maar als mysterie. Eeuwig leven ziet hij niet als een bestaan dat voortduurt na de dood. Eeuwig omvat voor hem de vervulling

85

van zowel de geschiedenis als van het individu. Tijd en eeuwigheid zijn niet van elkaar te scheiden, maar verbonden en op elkaar berustend. Het eeuwig aanwezige doeleinde (doel + einde) verheft de positieve inhoud van de geschiedenis in de eeuwigheid en sluit op hetzelfde moment het negatieve buiten van deelname aan die eeuwigheid. Eeuwig leven is de uiteindelijke bevrijding van de positieve kant van het bestaan. Het symbool van het laatste oordeel kan worden opgevat als de bevrijding van het positieve in het bestaan van het negatieve. Dit gebeurt continu: er is een continue overgang van het tijdelijke tot het eeuwige, waarin het negatieve verdwijnt en het positieve bevrijd wordt. Eeuwig leven betekent dat de vreugde van vandaag een dimensie heeft die het een transtemporele betekenis geeft. Met andere woorden: eeuwigheid is een kwaliteit die soms in het huidige leven ervaren wordt, en niets te maken heeft met het leven hierna. Het eeuwige is dus geen toekomstige toestand van dingen, maar is altijd aanwezig in het menselijke individu en in alles wat bestaat, aldus Tillich. De onsterfelijkheid van het individu wordt door hem alleen aangeduid in termen van speculatieve ideeën en paradoxen. Eeuwig leven is leven, en niet ongedifferentieerde identiteit, dus het zelfbewuste zelf kan niet worden buitengesloten. In het eeuwige leven bestaat complete integratie en balans tussen enerzijds 'individuele centra' en hun rust in een alomvattend goddelijk centrum. Eeuwig leven omvat niet-fragmentarisch leven van liefde. Eeuwig leven in het licht van het einde van de geschiedenis wordt omschreven als zonder moraliteit, cultuur en religie. Hij stelt echter ook dat eeuwig leven het einde van het ervaren karakter van zelfbewustzijn is, en geenszins een voortdurend bestaan van een bewustzijnsstroom in geheugen en anticipatie is. Eeuwigheid transcendeert tijdelijkheid. Kortom: Tillich spreekt in paradoxen, maar dat komt door de betekenis van 'eeuwig leven’ zelf: 'eeuwig' suggereert een bestaan buiten de tijd, terwijl 'leven' noodzakelijk een bewustzijnsvorm binnen de tijd impliceert. De paradox leert dat "eeuwigheid noch tijdloze identiteit is, noch permanente verandering. Tijd en verandering bestaan in de diepte van Eeuwig Leven, maar worden omvat binnenin de eeuwige eenheid van het goddelijke Leven", aldus Tillich. Tillich bekritiseert alle beelden van de hemel die zich in 2000 jaar christendom hadden gevormd, en houdt een pleidooi om het eeuwig leven abstracter en meer filosofisch te beschouwen. Het eeuwige bestaat, maar niet als plaats of toestand na de dood of het einde van de tijd. Het is een essentieel deel van onze ervaring. Het individualisme van de traditionele 'andere wereld'-beelden interesseert hem niet. Daarmee wordt onsterfelijkheid niet meer verbonden met beloning of straf in een hiernamaals, maar met een vervulling van het hoogste in onszelf. Teilhard de Chardin: eenmakende drang Bijzonder duidelijk is de invloed van Plotinos herkenbaar in het werk van Teilhard de Chardin. De toenemende complexiteit van het leven is volgens hem te danken aan een bewuste binnenkant, die de wereld opstuwt in een evolutionair proces, waar uiteindelijk de mens uit is voortgekomen. Maar bij de mens houdt het niet op. De opstijgende beweging van de mens zet zich door in een soort superbiologie. De eenmakende drang is zo sterk dat uiteindelijk het punt Omega wordt bereikt, dat is het brandpunt van krachten, de oerbron waarin de evolutie haar voltooiing bereikt. Bij Teilhard is sprake van een innerlijke evolutie, een soort evolutie van de Geest die de vormen zodanig tot volmaaktheid opstuwt dat goddelijk bewustzijn zich kan gaan manifesteren. Rozenkruizers, Vrijmetselaren, Theosofen en Antroposofen draaiden stuk voor stuk rond het thema eenheid, dat door geestelijke oefening, studie, meditatie en inwijdingsrituelen verworven kon worden. Deze esoterische organisaties stoelen allemaal op de Neoplatoonse wijsheid en leverden bovendien de zaden waaruit de moderne New Age-bewegingen konden opbloeien. Het oude inwijdingsideaal van de Mysteriën, het verwerven van innerlijke kennis door gnosis en de geniale redeneerkunst van Plotinos en de zijnen treffen elkaar in de Christocentrische VrijKatholieke Kerk. De systemen van alle denkers die de revue zijn gepasseerd konden ontstaan dankzij hun geestelijke vrijheid. Terecht verwerpt de V.K.K. dogmatische kaders als de ketenen, waaraan de gelovigen zijn vastgeklonken. Telkens weer blijkt dat vrijheid van denken, ook langs de weg van traditioneel Christelijke symbolieken de mensen op het theosofische spoor van Plotinos en Proclos zet. Zij en niemand anders openden het bewustzijn voor de opstijging van de ziel naar de Al-Ene, in wiens handpalm de hele schepping verborgen is.

86

PANPSYCHISME
Leibniz (1646-1716), Spinoza(1632-1677), Giordano Bruno (1548-1600) zijn wellicht de eerste systematisch filosofen die een (deels) panpsychistisch standpunt innamen. Er zijn echter nog vele anderen. Ook Schopenhauer, Schelling en Bergson hadden een naar panpsychisme neigende filosofie. Bovendien is er nog een tweede historische lijn, die misschien een voortzetting is van de oude lijn, maar die althans veel recenter is en nog strikter met het panpsychisme verbonden is. Dit zijn de filosofen R.H. Lotze, Gustav Fechner, Josiah Royce, Friedrich Paulsen, William James. Nog recenter Whitehead, C.H. Waddington, Charles Hartshorne (leerling van Whitehead). Teilhard de Chardin en Charon Definitie van panpsychisme Panpsychisme is een theorie , waarin alle objecten in het universum, niet alleen mensen en dieren, maar ook planten, bomen en alle objecten die we normaal genomen benoemen als onbezield, een innerlijke of psychische kern hebben. Dit kunnen we opvatten als informatie-opname uit de omgeving, reactie op de omgeving, ervaring van de omgeving, en zo verder. Panpsychisme dient men te onderscheiden van hyloszoisme en de idee dat er een wereldziel bestaat. Tevens is het belangrijk om onderscheid te maken tussen verschillende graden van bewustzijn en tussen naïef en kritisch panpsychisme. * Hylozoisme omvat de zienswijze , dat materie intrinsiek actief is, dit in tegenstelling tot de visie van filosofen als Plato en Berkeley, die dachten dat materie ‘essentieel’ inert of passief is. Dikwijls wordt hylozoisme gezien als een theorie, dat alle objecten in het universum een zeker bewustzijn hebben. * Wereldziel is de theorie dat er een wereldziel of wereldgeest bestaat, ook verwant, maar niet identiek aan panpsychisme. Men kan immers aannemen dat er een wereldziel bestaat, zonder dat men ervan overtuigd is dat alle materie een graad van gevoel of ervaring bezit. Ook andersom kan het voorkomen dat men gelooft in panpsychisme, maar niet in een wereldziel. Bovendien lijkt de idee van een wereldziel een religieus aspect te hebben. Graden van bewustzijn We moeten onderscheid maken tussen een ‘hypothetisch’ of ‘potentieel’ bezit van bewustzijn en een lage graad van bewustzijn. Het hypothetisch of potentieel toekennen van bewustzijn aan bijvoorbeeld een steen, hoeft niet te betekenen dat de steen of een van zijn onderdelen ook maar enige vorm van bewustzijn of ervaring bezit. Het meent echter dat de materie waaruit de steen bestaat, mits herschikking en in een bepaalde context, wel bewustzijn kan creëren. Veel materialisten zullen het hiermee eens zijn. Veel van hen menen immers dat de atomen waaruit de hersenen bestaan geen bewustzijn bezitten, maar dat de specifieke schikking ervan bewustzijn creëert. Schikken we de atomen of moleculen anders dan krijgen we bijvoorbeeld (onbewust, gevoelloos) water. (Als voorbeeld: water. Het menselijk lichaam, en wellicht ook het brein, bestaat voor een 68% uit water. Als we nu de atomen van alle andere stoffen dan water zouden losmaken en vrij laten ronddrijven in dit water, dan hebben we het menselijk lichaam en het brein ‘omgezet’ in vervuild water.) Een lage graad van bewustzijn toekennen, houdt in dat men meent dat ieder onderdeel van de steen en eventueel ook de steen als geheel tenminste een sprankeltje bewustzijn of gevoel of ervaring hebben. Enkel zij die in dit laatste geloven zijn panpsychisten. De meeste panpsychisten stellen dat de materie slechts een zeer beperkte (en dus niet een hypothetische of potentiële) graad van bewustzijn heeft. Het is niet zo dat panpsychisten altijd stellen dat bijvoorbeeld stenen (menselijk) bewust zijn. Hoewel, Royce meende dat planten en objecten geen ‘lagere’ vorm van bewustzijn hebben dan mensen en dieren, maar wel dat ze een tragere vorm hebben. Naïef en kritische panpsychisme. Met het naïef panpsychisme wordt het animisme bedoeld dat voorkomt bij primitieve volkeren en kinderen. Het kritisch panpsychisme zoekt ondersteuning met argumenten.

87

Alleen de kritische vorm is hier aan de orde voor een filosofische discussie. De naïeve vorm is wel het voorwerp van onderzoek in de cultuurwetenschappen. Toch bezondigen ook filosofische panpsychisten zich aan de naïeve vorm, namelijk op die plaatsen waar ze zonder argumenten proberen te overtuigen. Zowel Schopenhauer en Fechner beweren dat als we goed kijken naar de levenloze objecten dat we zien dat ze een innerlijk leven hebben. Eigenlijk is dit niet juist, waardoor panpsychisme vaak in een verkeerd daglicht wordt gesteld. Argumenten voor panpsychisme Vaak denkt men, dat idealisme tot panpsychisme leidt. Deze argumenten hangen af van het al of niet accepteren van de (metafysische of epistemologische) theorie. Het is moeilijk deze argumenten te analyseren zonder enige vooronderstelde (gelijkaardige of totaal verschillende) theorie. Andere argumenten hebben een eerder empirisch of inductief karakter. Overigens, veel panpsychisten waren gekant tegen metafysica, of ze haastten zich om te vermelden dat hun vorm van metafysica eerder inductief van aard was. Van al de pluspunten die ooit geopperd zijn, kunnen we het genetisch argument en het argument naar analogie als het meest overtuigend beschouwen. Zoals reeds gezegd zijn de ‘naïeve’ motieven om in de panpsychistische stelling aan te nemen minder of niet overtuigend. * Het genetisch argument Het genetisch argument stelt dat mentale feiten slechts causaal verklaard kunnen worden door mentale feiten en dat dus materie reeds ‘vanaf het begin der tijden‘ psychisch leven moet bezitten. De term ‘genetisch’ duidt hier dus op feit dit argument verwijst naar het ontstaan, het genereren van bewustzijn. Dit is een vertaling uit het Engels van ‘genetic argument’. Veel darwinisten, zoals Clifford, Haeckel en Buechner, vinden dit een aantrekkelijke redenering. Paulsen meent dat iets absoluut nieuws in de evolutie, namelijk het psychisch leven of bewustzijn, niet kan ontstaan zijn uit het niets (d.i. gevoelloze materie). Het is een antwoord op wat Chalmers het ‘hard problem’ en Seager het generatieprobleem noemt. Seager omschrijft de kern van het probleem als: " een theorie van bewustzijn zou ons moeten vertellen welk bewustzijn welke dingen in de wereld bezit, hoe te verklaren waarom iets het bewustzijn bezit en hoe het zich in de fysieke wereld voordoet’. Dit is de hoofdreden van Seager om psychische aspecten toe te schrijven aan alle elementen in de natuur. Hij merkt op dat “Chalmers op zoek is naar een radicale oplossing om de hiaat tussen fysiek en bewust systeem te overbruggen. Hij stelt voor dat het bewustzijn een fundamentele eigenschap van het heelal is, dat eenvoudig als Eerste Gegeven in de studie over het bewustzijn moet worden geaccepteerd.” En verder beargumenteert hij zijn eigen panpsychisme: „Misschien, zodra wij de werkelijkheid van het generatieprobleem accepteren, er geen andere manier is om te werk te gaan. En aangezien ik sterk geneigd ben om het generatieprobleem als echt probleem te zien, word ik natuurlijk aangetrokken naar' Chalmers oplossing.” * Het analogie-argument Dit houdt in dat de panpsychist de analogie aantoont tussen wat we normaal gezien de levenloze natuur noemen en de levende natuur. De meer systematische filosoof onderbouwt dit in twee stappen. Eerst toont men aan dat planten meer gelijkenissen vertonen met dieren dan we op het eerste gezicht denken. Maar er is ook een gelijkenis tussen levenloze objecten en dieren en planten. Er worden dan volgende voorbeelden van analoge eigenschappen gegeven. Planten vertonen bijvoorbeeld ook voedingsprocessen, groei, reproductie, enz… Net als dieren, ontstaan planten (worden geboren) en sterven. Planten kunnen zich naar het licht richten, kunnen hun bladen openen in het zonlicht en sluiten in de nacht. Ze richten hun wortels naar de meest voedzame en steungevende plekken. Erwten krullen rond staken en touwen. Het gemis aan een zenuwstelsel hoeft geen probleem te zijn want ook sommige dieren missen dat. Zelfs het gemis aan spontane beweging is

88

geen tegenargument. De moderne wetenschap heeft immers laten zien, dat zelfs een steen op atomair niveau de grootste complexiteit en mobiliteit vertoont. Bovendien is de steen als geheel ook voortdurend in interactie met zijn omgeving en zelfs de verst afgelegen sterren, zoals Paulsen zegt, onder andere door middel van de zwaartekracht. Kortom, de verschillen tussen planten en dieren die er ook zijn, tonen eerder de verschillen in ‘psychisch leven’ aan, dan het gebrek eraan. Sprigge geeft een ander invulling van het analogie-argument. Hij probeert niet zozeer de gelijkenissen tussen het gedrag van planten en objecten enerzijds, en dieren en mensen anderzijds aan te tonen. Wel betoogt hij dat de materie die we beschouwen als fundamenteel ontdaan van alle psychische kwaliteiten, veel (zo niet alle) gelijkenissen vertoont met bewustzijn. We kennen enkel de structuur van fysische objecten en het sensorisch effect ervan op (bewuste) subjecten, zoals onszelf, en niet hetgeen waarin die structuur gerealiseerd wordt. We kennen de kwantitatieve aspecten, maar niet de kwalitatieve van de fysische realiteit. Meer nog, we zijn enkel in staat om de fysische structuur te zien, nooit enige vorm van bewustzijn. We kunnen nu stellen dat het even aannemelijk is dat de realiteit een innerlijk, psychisch leven heeft, als het tegendeel. Het panpsychistisch standpunt lijkt zelfs meer plausibel. We kennen de structuur van fysische realiteit, niet waarin die structuur gerealiseerd wordt. We kennen geen kwalitatieve aspecten, behalve in het geval van ons eigen bewustzijn. Ook hier zien we echter enkel een abstracte structuur, hoewel we toch kwalitatieve ervaringen hebben. Zou het niet kunnen dat de structuur van de fysische realiteit ook bewustzijn bezit? Deze hypothese is het enige alternatief, althans zo zegt Sprigge, dat we

Het is de weg en de wandelaar, De eeuwige weg waarlangs alle wezens gaan, Niemand heeft hem gemaakt, want hij is zelf wezen. Het is alles of niets, Daarop ontstaat alles, Daarheen richt zich alles, Daarom keert alles weer terug. Een geluid dat oren niet kunnen horen, Een beeld dat ogen niet kunnen zien. Het is overal en nergens. Het heiligdom waarin alles een schuilplaats vindt,Het nergens dat je kunt zien Zonder uit het venster naar buiten te kijken. De weg leert je wensen om niets meer te wensen. (Tao)

hebben ten overstaan van de visie dat het innerlijke wezen van materie onmogelijk kenbaar is en kan, misschien ook als enige hypothese, licht werpen op het geest-lichaam probleem Ook Griffin maakt gebruik van het analogie argument. Zo betoogt hij, dat het logischer is de eigen situatie, namelijk dat we in staat zijn tot ervaringen, te generaliseren, dan dat niet te doen. Vervolgens heeft de wetenschap beginnende bewijzen van panexperientalisme, volgens Griffin. Sommigen zien bijen als bewust, anderen amoeben. DNA kan in plaats van mechanisch ook organistisch geïnterpreteerd worden. Kwantumfysica bewijst dat het gedrag van elementaire deeltjes enkel verklaard kan worden door iets analoogs aan onze eigen mentaliteit toe te kennen. En de mogelijkheid om materie om te zetten in energie en vice versa, toont aan dat er toch een zekere innerlijke spontaneïteit moet zijn, die ‘kiest’ tussen energie en massa. Zowel kwantumfysica als relativiteitstheorie hebben aangetoond dat basiselementen van de natuur spatietemporele gebeurtenissen zijn, in plaats van enkel ruimtelijk. (Een ruimtelijk uitgestrekte entiteit kan bestaan op een ondeelbaar ogenblik, een tijdspanne waarvan begin en einde samenvallen.) Dit zijn allemaal voorbeelden uit de wetenschap van de gelijkenissen tussen dieren of elementaire deeltjes en onszelf.

89

Argumenten tegen panpsychisme * Kritiek op het genetisch-argument Nemen we de formulering van Paulsen als voorbeeld van een genetisch argument. Paulsen meent dat iets absoluut nieuw in de evolutie, het psychisch leven of bewustzijn, niet kan ontstaan zijn uit het niets (d.i. gevoelloze materie) en dat dus materie reeds van in het begin psychisch leven bezit. Er rijst echter een probleem: wat wordt bedoeld met iets absoluut nieuw? Vaak is het immers niet duidelijk of we twee processen of gebeurtenissen moeten bekijken als twee instanties van eenzelfde eigenschap of als twee verschillende eigenschappen. Bovendien wordt de keuze of we iets als nieuw beschouwen, dan wel verschillende uitwerkingen van eenzelfde eigenschap, bepaald door het doel van ons onderzoek. Verder, kan iets ‘absoluut nieuw’, d.w.z. iets onvoorspelbaar vanuit bepaalde begincondities samen met een bepaalde set van (natuur)wetten, niet ‘absoluut nieuw’ zijn in de betekenis van voorspelbaar vanuit deze begincondities samen met een andere set van (natuur)wetten. Wat wordt bovendien bedoeld met iets kan niet voortkomen uit niets? Als het betekent dat elk fenomeen of gebeurtenis een oorzaak heeft, dan lijkt het idee dat psychisch leven uit levenloze materie voortgekomen is, geen tegenstrijdigheid in te houden. Bedoelen we echter dat elke eigenschap in het gevolg reeds aanwezig moet zijn in de oorzaak, dan lijkt er wel een tegenstrijdigheid te zijn. Maar die tegenstrijdigheid is dan ook in de evolutie te bespeuren, waar na herschikking van materie deze materie geheel nieuwe eigenschappen kreeg. * Kritiek op het analogie-argument De kritiek op argumenten naar analogie luidt dat analogieën nooit volledig zijn. En wanneer we aannemen dat enkel de gelijkenissen, niet de verschillen, van belang zijn, dan kunnen we ons toch afvragen hoe we dit zouden weten. Bovendien kunnen we ons afvragen hoe het universum eruit zou moeten zien om niet in de kaarten van het panpsychisme te spelen, of sterker nog, om zelfs de tegengestelde these te beargumenteren. Paulsen neemt bijvoorbeeld aan dat de beweging van de atomaire deeltjes binnenin een steen een argument vormen voor het hebben van een psychisch leven. Maar als de steen nu van heel andere elementen gemaakt was dan de mens, zou dit een tegenargument zijn voor panpsychisme? Waarschijnlijk niet. Een panpsychist zou dan gewoon zeggen dat het psychisch leven van die steen, zoals we hem ons nu voorstellen, verschilt van het onze. Met andere woorden aan welke criteria moet (een gedeelte van) de realiteit voldoen opdat een panpsychist zou toegeven dat een bepaald deel volledig zonder psychisch leven is? De analogie die ze dus opmerken is slechts in beperkte mate (of helemaal niet) een argument voor hun panpsychisme. 3 Algemene kritiek Er dringt geen van de tot op heden ontwikkelde vormen van panpsychisme door tot de kern van het probleem. Zelfs al beweren we dat de geest en het lichaam in diepste essentie met elkaar verweven zijn omdat alle materiële bestanddelen van het lichaam zelf geestelijke eigenschappen hebben, dan weten we nog steeds niet wat een geestelijke—mentale—eigenschap is en hoe materie zo'n eigenschap kan bezitten. In dit opzicht biedt het traditionele panpsychisme geen oplossing voor het lichaam/ geest-probleem; het verplaatst het probleem slechts naar een meer primair niveau van de werkelijkheid waar we uiteindelijk, als elektronen bewust zijn, moeten stellen dat zij een lichaam /geest-probleem hebben. Het is ook waar, en zeker relevant, dat wanneer we een panpsychistische oplossing voor het lichaam/geest-probleem overtuigend naar voren willen brengen, wij ons dienen te realiseren dat tot op heden elke panpsychistische verklaring vooral is opgevallen door de vaagheid ervan. Ook het gebruik van afzwakkende termen als 'zeer primitief, 'elementair' en 'proto-' kan moeilijk voorkomen dat we ons een voorstelling maken van elektronen die elkaar sympathiek vinden of erover nadenken wat ze zullen gaan doen bij het volgende experiment met twee spleten. Velen die hun toevlucht genomen hebben tot het panpsychisme bij gebrek aan een betere theorie zijn hierdoor enigszins in verlegenheid gebracht en hebben het gevoel dat ze zich moeten verontschuldigen. Als men nuchter is blijft men echter zitten met een concept dat nogal indruist tegen onze moderne opvattingen, hetgeen overigens ook voor het dualisme, materialisme en idealisme geldt.

90

Wanneer panpsychisme afgewezen wordt door bepaalde auteurs, dan is dat (vaak) niet omdat het vals of onbewezen zou zijn, maar wel omdat de theorie niet intelligibel zou zijn. Panpsychisme lijkt vaak iets te beweren dat niet begrepen kan worden. Het psychisch leven dat ieder element in de realiteit zou bezitten, is voor ons vanuit het derde-persoon-perspectief immers niet merkbaar. Enkel de steen ‘weet’ dat hij een innerlijk leven heeft. Uit geen enkele activiteit uitgevoerd door of op de steen, blijkt daarenboven dat de steen een psychisch leven bezit. We kunnen ons dan afvragen wat er eigenlijk nog geponeerd wordt door het panpsychisme? Verdere kritiek is er op de empirische pretenties van panpsychisme. Royce meent dat panpsychisme als een hypothese het testen waard is. Maar hij geeft geen richtlijnen over de manier waarop dit zou moeten gebeuren. Verder ‘vergeet’ hij uiteen te zetten hoe we dit psychisch leven precies zouden kunnen detecteren. In de jaren dertig van deze eeuw was vroeg Karl Raimund Popper zich af wat het onderscheid is tussen wetenschap en pseudo-wetenschap. Zo kwam Popper tot de ontdekking dat als hij het werk van Einstein vergeleek met het werk van mensen zoals Freud en Marx er belangrijke verschillen te vinden waren. Een van de belangrijkste verschillen die hij ontdekte, was dat de wetenschappelijke uitspraken van Einstein op basis van de voorspellingen die hij maakte getoetst konden worden. Deze toetsing betekende dat hoewel nooit met zekerheid aangetoond kon worden dat de voorspellingen van Einstein waar zijn, deze wel weerlegd kunnen worden. Dit principe is sindsdien in de wetenschap aangeduid met het falsificatieprinciep . Popper ontdekte dat aan de eis van weerlegbaarheid bij het toetsen van de theorieen van Marx en Freud niet voldaan kan worden. Zo concludeerde Popper dat de theorieën van Adler en Freud niet wetenschappelijk zijn. Hoe kwam Popper hiertoe, en wat betekent dit nu concreet? De theorieën van Adler en Freud kunnen niet wetenschappelijk zijn volgens Popper, omdat ze altijd kloppen. Het maakt niet uit wat voor voorspelling ze doen, ze kunnen het altijd zo interpreteren dat hun eigen wereldbeeld klopt. Freud's verklaring van de religie als een dwangneurose of een nawerking van het infantiele stadium in het onbewuste driftleven, kan meerdere kanten op verklaard worden. Zo keerde de psychiater Ludwig Binswanger, Freud om . Het verlangen van het kind naar de vader komt voort uit de fundamentele verbinding die de vader met het kind heeft. Dit is dan geen projectie, maar een beantwoording van het kind aan de verlangens die door de vader in eerste instantie opgewekt worden.

En zo verloren vanaf het eind van de 19 eeuw de geest en het bewustzijn steeds verder hun positie als deel van de werkelijkheid. Het heelal, de mens, organismen, etc. waren voortaan in wezen materieel van aard en konden mechanisch worden verklaard. Het wachten was slechts op een beschrijving van de werkelijkheid die definitief zou afrekenen met de resterende niet-materiële factoren. Uitsluitend het materialistisch monisme zou dan het beeld van de werkelijkheid voortaan bepalen. In de 20 eeuw hebben echter opvattingen terrein gewonnen die compleet tegengesteld zijn aan wat werd verwacht. Er werden aanwijzingen gevonden en theorieën ontwikkeld die het denkbeeld ondersteunen dat naast de wereld van de materie een niet-materiële wereld van de geest en het bewustzijn bestaat. Op het eerste gezicht lijkt dit tot dualisme te leiden. Echter, die werelden worden opgevat als onlosmakelijk met elkaar verbonden en uit een dieper liggende werkelijkheid voortkomend. En dat leidt tot een monistische opvatting. Of die materialistisch of idealistisch is valt niet goed te bepalen. Het lijkt natuurlijk meer voor de hand te liggen dat geest materie veroorzaakt dan dat het niet intelligente de bron van het intelligente is. Maar we doen er beter aan te wachten met het plakken van een etiket tot we die diepere werkelijkheid hebben doorgrond. Intussen lijkt het er op dat Descartes zocht naar een schakel die er niet is en ook niet nodig is, omdat materie, geest en bewustzijn ‘slechts’ tijdelijke manifestaties zijn van één eeuwige onderliggende werkelijkheid. Jim van der Heijden , BDE en Wetenschap, uit Terugkeer 17(3) herfst 2006
e

e

91

Reïncarnatie (Latijn, "opnieuw in het vlees"; nieuw zing") Grieks bezield", is het metempsychôsis, vandaar geloof dat het "opniet"zielsverhui-

lichamelijke deel van een levend wezen (in de westerse wijsbegeerte doorgaans ziel genoemd) na de dood niet verdwijnt maar opnieuw in een ander levend wezen geboren wordt. Het idee van reïncarnatie bestaat al sinds vele duizenden jaren voor Christus en komt voor in diverse religies en culturen over de gehele wereld. Reïncarnatie is het meest bekend als behorend tot het hindoeïsme en boeddhisme. In deze gevallen is het sterk verwant met het begrip karma. Ook in de New Age bewegingen en sommige indiaanse religies van Noord- en ZuidAmerika komt geloof in reïncarnatie voor. Het geloof in reïncarnatie wordt ook aangetroffen bij sommige kleine volken in gebieden die als islamitisch bekend staan. In het Jodendom wordt reïncarnatie 'Gilgal' genoemd. In het officiële christendom is de reïncarnatie nooit populair geweest. In het oosten geloven miljoenen mensen, zowel hindoes als boeddhisten dat na de dood wedergeboorte volgt. Ook in sommige Afrikaanse culturen speelt reïncarnatie een rol. Overleden grootouders reïncarneren in hun kleinkinderen, zodat ze niet langer in een naargeestige onderwereld hoeven rond te dwalen, maar terugkeren tot de volheid van het aardse leven te midden van dierbaren. Reïncarnatie is geen onbekend verschijnsel in het westerse denken. Het was al aanwezig in het Oudgriekse denken. En verder leidt het een onopvallend bestaan door de geschiedenis heen tot de opkomst van de theosofie en de antroposofie in de 19
e

eeuw. Het geloof

in reïncarnatie heeft in het westen de afgelopen tien jaar een sterke groei doorgemaakt.

92

Wat te denken van reïncarnatie? In het westen zijn we vertrouwd geraakt met het idee van een eenmalig overgang na de dood. Maar in de oosterse religies en filosofieën koestert men de gedachte, dat men (steeds weer) opnieuw geboren kan worden. De laatste tijd is te constateren dat heel veel mensen, zij het schoorvoetend, zich uitspreken voor reïncarnatie.

Bron: Carolien van Bergen, verlangen naar onsterfelijkheid.

Reïncarnatie is geen eenvormig verschijnsel. De uitwerkingen daarvan verschillen op belangrijke punten. 1. Reïncarnatie is verbonden met de manier waarop men leeft, vooral op ethisch gebied. In de oudste Indiase opvattingen over wedergeboorte worden geen morele consequenties verbonden aan het opnieuw geboren worden, evenmin als de Oudgriekse opvattingen over reïncarnatie. 2. Blijft de ziel als individu voortbestaan? Terwijl in het hindoeïsme veelal wordt uitgegaan van een ziel (jiva) die steeds opnieuw geboren wordt in een andere belichaming, ontkennen de meeste boeddhistische opvattingen het bestaan van een individuele ziel. Daarmee komt de vraag naar wat er nu precies opnieuw geboren wordt op de voorgrond te staan. 3. Het lot van de overledenen. Sommige teksten spreken van een tussenrijk, waar de ziel van de overledene enige tijd verblijft voordat hij opnieuw geboren wordt bijvoorbeeld bij J.Charon. Andere opvattingen gaan er echter vanuit dat er na het sterven een onmiddellijke overgang is naar een volgend leven. 4. Individuele verantwoordelijkheid ten opzichte van een lot, dat vastligt: men kan met behulp van karma en reïncarnatie het accent leggen op iemands beweegredenen en de actieve handelingen die hij verricht. Maar men kan daarmee ook verklaren waarom iemand iets overkomt of waarom hem iets wordt aangedaan, waarbij de nadruk meer op het lot ligt. In het algemeen blijkt de boeddhistische opvatting meer uit te gaan van de intenties, hetgeen actief en toekomstgericht is (de intenties veroorzaken karma), terwijl in de hindoeïstische opvattingen het passief ontvangen lot meer op de voorgrond staat. Theosofie en antroposofie benadrukken de eigen verantwoordelijkheid voor het eigen lot en de ontwikkeling van de mensheid. 5. De opvatting over de tijd en wedergeboorte: voor invulling van reïncarnatie is het belangrijk of men uitgaat van een cyclisch of een lineair tijdsverloop. Terwijl de oosterse varianten uitgaan van een cyclisch tijdsverloop, baseren de westerse uitwerkingen van reïncarnatie zich op een lineair verlopende tijd, bijvoorbeeld bij Teilhard de Chardin en J. Charon. Naast deze punten komen natuurlijk de drie algemene vormen van onsterfelijkheid aan de orde. De gedachte dat er iets van de persoon opnieuw wordt geboren, heeft verschillende gevolgen voor opvattingen rond de dood, de moraal en de plaats in het universum. Voortzetting van dit bestaan in een volgend leven geeft een antwoord op de angst voor de dood; reïncarnatie heeft in de gedachte van karma een ethische component geïncorporeerd; en met karma en de daarin besloten liggende gedachte aan gerechtigheid wordt tevens geappelleerd aan de zinvraag. I. reïncarnatie en ethiek. Reïncarnatie is verbonden met de manier waarop men leeft, vooral op ethisch gebied In het Indiase denken wordt er op den duur een link gelegd tussen wedergeboorte en ethiek. Terwijl voorheen goede en slechte handelingen binnen de sociale orde beloond of bestraft werden, gelooft men nu in de mogelijkheid, dat er na de dood beloning of straf komt.. De overgang naar de andere wereld hangt niet alleen af van het juist uitvoeren van de begrafenisriten, maar vooral van het morele gedrag van de overledene. Daarom maakt men ook een onderscheid tussen twee verblijven na de dood: een van beloning en een van vergelding: een hemel en een hel. In India is het beeld van de triloka (drie werelden) wijdverbreid: een bovenwereld, een onderwereld en de wereld waarin wij leven. De bovenwereld wordt bevolkt door goden (deva's) en hemelse musici (Gandharva's), die in contact kunnen staan met de mensenwereld. De onderwereld wordt bewoond door wezens die vaak demonische kenmerken bezitten (Naga's, Asura's, Rakshasa's). Zij oefenen een goede of kwade invloed op de mensenwe-

93

reld. Nog onder deze wereld bevinden zich hellewerelden. Met name deze hellen worden uitvoerig beschreven in de mythen en spreken nog steeds tot de verbeelding van een groot publiek. Een van de teksten die heden ten dage nog steeds wordt voorgedragen door hindoeïstische priesters in de periode rond de crematie is de Garuda Purana. Deze oude tekst maakt gewag van talloze hellen. De belangrijkste is Raurava, waar de leugenaars en degenen, die valse getuigenissen afleggen, naar toe gaan. Hier brandt houtskool, waaraan de zondaar zijn voetzolen brandt. De hel Maha-raurava is een hel waar zondaren in gloeiend licht naar beneden rollen, terwijl ze worden gebeten door kraaien, muggen, schorpioenen en ander ongedierte. Dit is de hel voor zonden die zijn begaan met slechte intenties. De Atishita hel is koud en donker en bedoeld voor degenen die in weelde baadden. In Nrikrintana worden de organen in duizend stukjes vermalen door middel van een pottenbakkerswiel. In al deze hellen ondergaat de zondaar zijn straf en wordt herboren als worm, buffel, vlieg, als dwerg of kasteloze. Hij wordt steeds opnieuw geboren en sterft steeds weer, totdat hij eindelijk zijn slechte karma heeft uitgeput en deugd heeft bereikt. De preta van deugdzame personen daarentegen wordt door zingende half-goden (gandharvas) en waternimfen (apsara 's) begeleid naar de dodengod Yama, die zich aan de deugdzamen toont, omgeven door heerlijke geuren en bloemen. De preta komt terecht in de hemel, maar ziet de kwellingen en gekwelden in de hel, net zoals de gekwelden de hemel boven zich zien. Deze preta 's blijven in deze hemel totdat ze opnieuw worden geboren in huizen van koningen of nobelen. Zowel voor de zondaren als voor de deugdzamen duurt het verblijf in de wereld van de voorouders (pitriloka) zeer lang, voordat ze naar een andere bestaansvorm verhuizen. Met het verblijf in hemel of hel zijn echter de gevolgen van een goed of slecht leven nog niet uitgeput. Het verblijf in een van deze (of zelfs beide) rijken vindt een vervolg in een nieuwe geboorte. Daarmee wordt de geboorte zelf een beloning of straf. De wedergeboorte wordt een noodzaak; deze vindt niet langer willekeurig plaats, maar op grond van ethische wetten. In de Indiase Purana's worden causale verbanden gelegd tussen daden en de gevolgen hiervan in een nieuwe geboorte. Met name specifieke diefstallen worden expliciet verbonden met volgende wedergeboortes: de dief van rijst wordt in een volgend leven een kat, de dief van gebakken taart een mier en iemand die een rood object steelt kan een bestaan als Jivanjivaka vogel tegemoet zien. En zo zijn er ontzettend veel mogelijkheden. De religies willen met deze beelden mensen erop te wijzen dat hun daden gevolgen hebben voor hun wedergeboorte, maar vooral ook dat slechte wedergeboorte te voorkomen is door goed gedrag. Deze beelden werken als een stok waarmee men de toehoorder naar gerieven kan slaan om hem aan te sporen om beter te leven. Dezelfde gedachte vindt men terug bij Plato. Hij gaat uit van het bestaan van een individuele, persoonlijke en onstoffelijke ziel, die verenigd is met het lichaam, maar hier na de dood van bevrijd wordt. De ziel die met veel inspanning er in slaagt om het aardse bestaan voor altijd te ontvluchten, is de ziel van de filosoof, die volgens zijn rede leeft. De meeste mensen leven echter niet volgens de rede. Zij geven gehoor aan hun begeerten of lusten, leiden het leven van boeren of helden, maar niet het leven van de filosoof. Deze mensen vertoeven na hun dood enige tijd in een hiernamaals, voordat ze opnieuw moeten terugkeren naar de aarde en de vorm zullen aannemen van dier of mens. Plato heeft zich hierover in verschillende teksten uitgelaten (Phaedo, Phaedrus, de Staat). In de 'Mythe van Er' wordt verhaald van een jonge held Er, die een kijkje heeft mogen nemen in dit hiernamaals. Hij ziet hoe de overledenen een nieuw leven mogen kiezen en hoe een domme man kiest een tiran te zijn in zijn volgende leven, terwijl de held Odysseus na zijn turbulente leven juist een rustig lot kiest. Ook In de Phaedo werkt Plato vrij uitgebreid de reïncarnatiegedachte uit. Zo zal iemand die tijdens zijn leven een drank- en vraatzuchtig mens is, terugkeren in het lichaam van een ezel. Dictators komen terug als wolven, terwijl de allerdomsten vissen worden en niet eens zuurstof mogen genieten. Ondanks de soms vrij gedetailleerde beschrijvingen is er weinig consistentie in Plato's uiteenzettingen over reïncarnatie. Plato lijkt de reïncarnatie te gebruiken als een middel om de mens aan te sporen tot een deugdzaam en redelijk leven. Aan het eind van de Phaedo houdt Sokrates zijn toehoorders voor: "Niets anders (...) neemt [de onsterfelijke ziel] mee naar Hades, tenzij haar ontwikkeling en vorming: en volgens de traditie zijn die juist in de hoogste mate voordelig of schadelijk ..." Phaedo, 107:57

94

II Karma Het begrip karma is een van de kernbegrippen binnen het hindoeïsme en boeddhisme. De letterlijke vertaling van de Sanskriet term karma is handeling of daad. 1.karma is een principe van ethische veroorzaking, waarbij goede en slechte handelingen gevolgen hebben in dit of in een volgend leven. Karma is een causale wet die niet alleen de wereld, maar vooral de geest beheerst. Vooral de boeddhisten stellen de geest voorop: door onze geestestoestand, die vrijwel altijd gekleurd is door stemmingen en gemoedstoestanden, creëren we beelden van de wereld, die vervolgens onze handelingen beïnvloeden. Zo is het vallen van een steen op ons hoofd in zichzelf neutraal, maar onze geest reageert en zet een keten van reacties (woede, lachen, pijn) in werking. 2. karma is een normatief beginsel: er is sprake van een morele noodzakelijkheid, waarin goede en slechte daden of gedachten respectievelijk goede en slechte gevolgen hebben, waarbij de dood geen hindernis vormt. Deze twee principes zijn samengevat onder de noemer "ethische veroorzaking". 3.Ten slotte is karma een principe van rechtvaardigheid, vanwege de mogelijkheid tot vergelding van lijden en onrecht. Dit principe kan betrekking hebben op dit leven, maar ook op toekomstige levens. III. Blijft de ziel als individu voortbestaan? Wat gaat er nu eigenlijk overgaat van het ene

Tevergeefs zocht ik de bouwer van mijn huis. Tijdens ontelbare levens kon ik hem niet vinden. Hoe zwaar is het leven na leven te doorlopen! Maar nu zie ik u, o bouwer! En nooit zult u mijn huis weer bouwen. Ik heb de daksparren gebroken, de nok doormidden gespleten, en de begeerte eruit geslagen. En nu is mijn geest vrij. de spreuken van Boeddha

naar het andere bestaan? Terwijl de hindoeïstische opvattingen steeds over de jiva (ziel) spreken, spreken de boeddhisten hooguit over een bewustzijn. De wedergeboorte betreft soms de individuele ziel, die van het ene naar het andere bestaan overgaat; en soms op een verzameling karma, die zich door begeerte gedreven hecht aan volgende geboorten. Van een persoonlijke entiteit is in dat geval nauwelijks sprake. Een van de grootste verschilpunten tussen hindoeïsme en boeddhisme ligt in de aanname van een persoonlijk zelf. Het boeddhisme gaat er in het algemeen van uit, dat er geen sprake van een ik, een zelf, een persoonlijkheid of ziel is als een voortdurende eenheid van het individu, dat tijdens dit leven bestaat en in een volgend leven

opnieuw geboren zou worden. Onze persoonlijkheid is niet meer dan een projectie of een illusie. Eén van de bekendste teksten rond de vraag naar de aard van het individu is te vinden in 'De vragen van Koning Milinda’ . Deze koning regeerde halverwege de tweede eeuw v.C in het noordwesten van India In de tekst voert hij een dialoog met de rondtrekkende wijze Nagasena. De eerste vraag die hij aan Nagasena stelt is: "Hoe staat uwe heiligheid bekend en wat is uw naam?" Nagasena probeert hem ervan te overtuigen dat er geen sprake is van een permanente individualiteit en dat zijn naam niet meer is dan een praktische benaming. De koning bespot hem en vraagt hem of zijn haar Nagasena is, of zijn voeten, nagels of huid, of gewaarwording of waarneming, of de psychische constructies of bewustzijn? Nagasena antwoordt ontkennend en blijft erbij dat 'Nagasena' niet meer dan een klank is. Dan stelt Nagasena de koning de vraag hoe hij het paleis heeft bereikt. "Per koets", antwoordt de koning. Maar wanneer Nagasena hem uitdaagt te beschrijven waarop de 'koetsheid' van de koets nu eigenlijk berust, moet de koning uiteindelijk toegeven dat de koets niet meer is dan een praktische term voor de verzameling van wielen, assen, en dergelijke. En dat er niets iets vaststaands is dat de kern van de koets is. Nagasena overtuigt Milinda tevens van de continue veranderlijkheid van de mens. De baby is niet dezelfde als de jongen, die niet dezelfde is als de oude man, maar toch staan ze met elkaar in verband. Net als de vlam van een kaars, die hetzelfde lijkt, maar ieder moment anders is, is de persoonlijk-

95

heid ieder moment aan verandering onderhevig. Een persoon ontstaat, een ander vergaat, en dit gaat continu door zonder zelfbewust bestaan. Er is geen ik dat dit proces volgt of zelfs coördineert. Het proces van wedergeboorte vindt in lijn hiermee plaats en is te vergelijken met een kaars die wordt aangestoken met de vlam van een oude kaars: er is wedergeboorte van het vuur, maar er is niet 'iets' dat opnieuw geboren wordt. Bewustzijn is een naam voor een keten van bewuste momenten. Er is niet iets dat bewust is, bewustzijn is geen product van de ziel. Het is een continu veranderende stroom waarin ieder moment anders is, maar, het is wel een stroom: de bewustzijnselementen horen wel bij elkaar, doordat ze in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn. De vraag naar identiteit is met name belangrijk wanneer we het verlangen naar onsterfelijkheid als uitgangspunt nemen: dan gaat het er immers om zélf onsterfelijk te zijn. Hoe kan ik zeggen dat ik onsterfelijk ben of opnieuw wordt geboren als er geen sprake is van een 'ik'? Boeddhisten hebben een paar antwoorden voor de naar onsterfelijkheid verlangende mens. * Ten eerste is wedergeboorte geen werkelijke onsterfelijkheid. Het uiteindelijke doel van iedere boeddhist (en hindoe) is om niet meer terug te komen in deze wereld, om deze wereld te zien voor wat ze is, om de geest te zien hoe ze is, kortom, om verlicht te worden. * Ten tweede geven boeddhisten een weg naar het geluk die geen beroep doet op een verlangen naar onsterfelijkheid. Door aan te nemen dat er geen werkelijk zelf bestaat, beseffen de boeddhisten dat er geen reden is om angst te hebben voor de dood (wie zou er bang moeten zijn). Het is ook zinloos om te verlangen naar een bestaan na de dood (wat zou er na de dood moeten bestaan). Er is hoe dan ook een minder scherp onderscheid tussen de zichtbare en onzichtbare werelden: naast wedergeboorte in een menselijke vorm, kun je ook worden wedergeboren in de vorm van een preta, een demon, een dier of een god. Daarmee is de dood minder absoluut: het onderscheid tussen dood en niet-dood of tussen sterfelijkheid en onsterfelijkheid is globaler. Als het verschil tussen leven en dood minder groot is, hoeft ook de angst voor de dood minder groteske vormen aan te nemen dan wanneer er een sterke grens tussen beide werelden wordt getrokken (zoals bijvoorbeeld in het christendom het geval is). Wat er toe doet, is onze verhouding tot de wereld . Het gaat uiteindelijk om het bereiken van de vrijheid om volledig aanwezig te zijn in de wereld, niet geleid door begeerten,, door gehechtheid en angst, maar in een zuivere aanschouwing. Door meditatie ervaart iemand dat er geen zelf is, en hij beseft dat dit geen verlies is maar een bevrijding van vaststaande opvattingen en gewoonten. Het moge duidelijk zijn dat deze boeddhistische weg van verlichting niet eenvoudig te bereiken is voor de mens die in een wereld van ego, hunkering en angst voor de dood leeft. Het eenvoudige verlangen naar onsterfelijkheid krijgt een antwoord waarvoor men misschien zijn hele leven moet werken. Dan maar liever een struik of een vis Niet alleen de boeddhistische filosofie brengt de naar onsterfelijkheid verlangende mens in verlegenheid; ook de Oudgriekse ideeën geven geen soelaas. De vroegste teksten uit de westerse filosofie waarin sprake is van wedergeboorte zijn afkomstig van Empedokles (ca. 492 v.Chr. - ca. 432 v.Chr) en Pythagoras (ca 569 v. Chr. – ca 507 v. Chr.). beide filosofen gaan uit van het bestaan van de ziel, die onderscheiden wordt van het lichaam. Deze ziel blijft na de dood voortbestaan, zowel in de nieuwe wedergeboorte als in de uiteindelijke verlossing daarvan. Empedokles noemt deze ziel daimon en onderscheidt haar van de vermogens waardoor we in staat zijn de fysische objecten te kennen en ze waar te nemen, en waardoor we levende wezens zijn (psyche). De daimon daarentegen is het hogere, goddelijke principe in de mens en is - juist omdat het goddelijk is - onsterfelijk en onvergankelijk. Deze daimon is ooit verbannen uit een godenrijk en kan pas na een verblijf van driemaal tienduizend seizoenen op aarde opnieuw terugkeren naar dit rijk. Dat gebeurt via allerlei reïncarnaties. Empedokles vertelt een struik, een vis en een vogel te zijn geweest, voordat hij in het lichaam van een filosoof werd geboren. De mens moet alle levende gedaanten doorlopen. Op het eerste gezicht lijkt er sprake te zijn van een voortdurend bestaan van de

Er zijn mensen aan wie je in een oogopslag kunt zien tot welke diersoort ze in hun vorig leven behoorden.
(Tessa de Loo, Het rookoffer)

96

individualiteit van de mens. Maar in het pre-Sokratische denken berust de identiteit op het lichaam, met andere woorden, wie 'ik' zegt bedoelt zijn lichaam, niet zijn ziel. 'Ziel' duidt een algemeen levensprincipe aan. Pas in de filosofie van Plato wordt juist de ziel de kern van de mens. De theorie van zielsverhuizing in het denken van Empedokles en Pythagoras heeft dus betrekking op een tamelijk onpersoonlijk proces. Reïncarnatie is in het denken van deze Griekse filosofen aanvankelijk nauwelijks verbonden met een persoonlijk voortbestaan van een onstoffelijk principe dat de kern van iemands individualiteit uit zou maken (zoals in bijvoorbeeld vele eeuwen later in de theosofie of antroposofie wordt aangenomen). IV. Lineaire en cyclische tijd De opvattingen die men over de tijd heeft, bepaalt de visie op reïncarnatie. 1. De hindoeïstische, boeddhistische en pre-Sokratische opvattingen gaan alle uit van een cyclisch idee van tijd. De ideeën van Empedokles over de cyclische rondzwervingen van de ziel door allerlei levende vormen, zijn bij hem ook te zien in zijn theorie over het cyclische verloop van de kosmos. Deze wordt in beweging gezet door de elkaar opvolgende tendensen van liefde en strijd. Dit zijn zowel fysische als morele krachten. Door strijd worden onsterfelijke dingen sterfelijk. De elementen zoeken hun gelijken: water zal tot water worden aangetrokken en zeeën vormen, vuur neigt naar vuur. Dit proces zal steeds verder doorgaan, totdat er een evenwicht is bereikt. Dan zal het principe van Liefde werkzaam zijn en zullen de sterfelijke elementen beetje bij beetje onsterfelijk worden. Het Indiase tijdsbegrip gaat uit van vele tijdscycli. In het boeddhisme wordt gesproken van het wiel van geboorte en wedergeboorte. In de westerse filosofie bestaat naast het cyclische tijd het idee van een lineaire tijd. Deze lineaire tijd, die reeds bij Plato te vinden is, sloot zo goed aan bij de christelijke leer, dat ze vanaf de vroege middeleeuwen toonaangevend werd en het cyclische perspectief verdreef. Terwijl het cyclische tijdsbegrip de eeuwige terugkeer benadrukt - zowel in de wisseling van de seizoenen als het steeds opnieuw terugkeren in andere levensvormen, schept het lineair tijdsbegrip ruimte voor optimisme ten aanzien van verbetering van de menselijke soort en zijn condities. Een persoonlijke god heeft de wereld eenmalig en volgens zijn wil geschapen en geeft de mens vrijheid en verantwoordelijkheid voor zijn lot. De wereld ontwikkelt zich en mensen dragen hier hun steentje aan bij. De theosofie en de reïncarnatie Hoewel reïncarnatie nooit helemaal is verdwenen in het westerse denken, en zelfs bij sommige christelijke stromingen verdedigd werd (bijvoorbeeld de Paulicianen in de 7 joodse kabbalah een plaats kreeg (het Boek van Zohar, 13
e e

en 8° eeuw), of in de

eeuw), werd de gedachte van reïncar-

natie pas door de theosofie en de antroposofie opnieuw opgepakt. De theosofie ontstond aan het eind van de negentiende eeuw. Aan het begin van de twintigste eeuw ontwikkelde zich hieruit de antroposofie. In de theosofie wordt reïncarnatie als centrale stuwkracht achter het geheel van de menselijke ontwikkeling beschouwd. Het vooruitgangsgeloof van de achttiende en negentiende eeuw komt in de theosofische leer van Madame Blavatsky en William Judge tot uitdrukking. Volgens hen is er sprake van een voortdurende evolutie van materie en geest, met als doel een ultieme zelfvervolmaking, waarbij uiteindelijk ieder mens tot een god wordt. De theosofie baseert zich op Indiase opvattingen en westers vooruitgangsgeloof. Wat betreft de thematiek van reïncarnatie gaat de theosofie ervan uit dat elk mens voorbij zijn vergankelijke persoonlijkheid een werkelijke kern heeft, die onsterfelijk is. Alleen onze onwetendheid maakt ons angstig voor de dood. Wanneer wij echter leren hoe illusoir de wereld is waarin wij leven, wanneer we inzien dat al het stoffelijke vergankelijk is, maar het werkelijke heelal niet is opgebouwd uit materie maar uit bewustzijn, dan weten we dat er iets blijvends is, aldus de theosofen. Het leven op aarde vormt maar een deel van zijn evolutie. Volgens de theosofische opvatting heeft de mens een 'geestziel' (Atma-buddhi) die thuishoort in de onzichtbare geestelijke werelden. Zijn enige reden om een korte tijd op aarde door te brengen is om ervaringen op te doen en om de minder geëvolueerde wezens, zoals de levensatomen waaruit zijn aardse voertuig bestaat, de gelegenheid te geven te

97

groeien (vergelijk J. Charon). De geestelijke mens reïncarneert hier leven na leven, maar in de tussenperioden keert hij terug naar een plek in de innerlijke werelden, waar hij zijn evolutie op een hoger plan kan voortzetten. Na de dood valt de mens uiteen in zijn samenstellende delen. Zijn lagere bewustzijn zal verblijven in een soort hel, de kamaloka (begeerte-plek), waar hij zijn 'begeerte-energieën' (kama-rupa) uitput. De kamaloka gaat ongemerkt over in devachan, de hemelwereld, die de vervulling is van alle onvervulde geestelijke verwachtingen van de voorbije incarnatie en een ontluiken van alle geestelijke en intellectuele verlangens van de laatste incarnatie die geen gelegenheid hebben gekregen in vervulling te gaan. Het is "een periode van onuitsprekelijke gelukzaligheid en vrede voor de menselijke ziel, totdat die zijn rusttijd en periode van herstel van krachten heeft beëindigd." De lagere mentale begeerten scheppen de condities voor de bewustzijnstoestand in kamaloka; zijn hogere verlangens en streven naar geestelijke zelfexpressie hebben zijn devachan opgebouwd. Hierin is geen nieuwe ontwikkeling mogelijk. Het is een tijdelijke toestand van gemiddeld 1500 jaar, gelijkend op een droomtoestand met alleen maar mooie dromen. Na deze periode zal wederbelichaming volgen: de herinneringen aan het vroegere aardse bestaan doen de devachani ontwaken uit zijn gelukkige slaap. Ondertussen is in de theosofische opvatting in die lange periode het geestelijk Zelf van de mens voortdurend actief geweest: het maakt lange reizen naar de werelden van de kosmische en innerlijke ruimte en helpt minder ontwikkelde menigten zich te ontwikkelen, terwijl het voortdurend nieuwe ziele-ervaringen opdoet. Deze reis is een groot 'kosmisch avontuur', waarvan het doel als volgt wordt omschreven: "Het beste, het zuivere deel van ons huidige bewustzijn droomt zijn gelukkige dromen in devachan terwijl de innerlijke god, het geestelijk Zelf of de monade - zijn reis volbrengt langs de wegen van het zonnestelsel. [...] In dit evolutionaire proces wordt de reïncarnerende bewuste mens aan het einde van zijn grote cyclus van evolutie zelf een monade. Hij heeft uit de kern van zijn eigen wezen het monade-element ontwikkeld dat nu nog latent aanwezig is en zich begint te ontvouwen. In het lineaire tijdsperspectief heeft men een optimistisch, evolutionaire visie. Het doel van het leven is het "sterfelijke te verheffen boven het onsterfelijke", waarbij wordt benadrukt dat dit door eigen inspanning dient te geschieden. antroposofie Ook de antroposofie wordt gekenmerkt door vooruitgangs-optimisme, evolutie en eigen verantwoordelijkheid. De antroposofie van Rudolf Steiner (1861-1925) werkt de theosofische uitgangspunten verder uit in een meer westerse oriëntatie. Antroposofie gaat uit van de vrijheid van de mens. Ieder mens heeft een wezenskern: een ik. Deze kern incarneert zich in het lichaam van de mens en maakt zich na de dood weer los uit deze waarbij lichamelijkheid, hij een soort

extract meeneemt uit de ervaringen die hij in zijn leven heeft opgedaan. Daar beleeft hij "een soort terugblik’ op alles wat hij in zijn aardse leven heeft gedaan. In

98

het leven tussen geboorte en dood wil hij het slechte wat hij heeft gedaan weer goed maken en daardoor weer het niveau van volkomenheid te bereiken dat hij als mens behoort te hebben en waarvan hij door zijn verkeerde daden is afgehouden. Dit doet hij door aan een levensontwerp te weven voor een volgende incarnatie. Dat plan vergeet hij, zodra hij wordt geboren. Maar het zit in de mens. Hij zal (onbewust) proberen om dit plan te verwerkelijken. Karma wordt hier gezien als 'de synthese uit het extract uit het vorige leven en het ontwerp voor het volgende leven'. De antroposofie verschilt in belangrijke opzichten van de hindoeïstische en de boeddhistische gedachten over reïncarnatie. * Ten eerste het al eerder genoemde evolutie-idee: terwijl de hindoe zichzelf in hogere en lagere bestaansvormen (ook planten, dieren of goden) ziet reïncarneren, is er bij theosofie en antroposofie altijd sprake van een evolutie naar hogere en menselijke niveaus. Het optimisme van de theosofische en antroposofische opvattingen, waarin reïncarnatie' voortdurend nieuwe mogelijkheden realiseert voor het individu en kansen schept om de mensheid te verbeteren, is niet aanwezig in de Indiase gedachtewereld . Hedendaags geloof in reïncarnatie Terwijl in het westen het geloof in een hiernamaals steeds meer afneemt, geloven steeds meer mensen in reïncarnatie. De populariteit van de Dalai Lama en het Tibetaans boeddhisme vormen een inspiratie voor veel mensen, maar van een nieuwe theoretische invulling van reïncarnatie is nauwelijks sprake. Veeleer lijkt het om een geloof te gaan dat voortkomt uit een aantal psychologische en maatschappelijke factoren. Het christelijk geloof in een hiernamaals staat veel mensen tegen vanwege de absoluutheid van hemel en hel, waar eeuwige beloningen en straf volgen op verdiensten of vergrijpen die maar van zeer tijdelijke aard zijn. Hoewel dit ook door christelijke theologen als onrechtvaardig wordt beschouwd, zijn de alternatieve ideeën over de hemel vaak zo abstract, dat mensen hier weinig houvast aan beleven. De onrechtvaardigheid van het traditionele beeld, de onvoorstelbaarheid van dit abstracte beeld en de onwaarschijnlijkheid van beide beelden, gemeten aan materialistische, natuurwetenschappelijke standaarden stuit veel mensen tegen de borst. Reïncarnatie ondervangt dit probleem door het tijdelijke van het verblijf in een tussenwereld te benadrukken - als er al een tussenwereld wordt aangenomen. Dit is echter niet voldoende om te verklaren dat volgens recent onderzoek inmiddels 10% van de Nederlanders reïncarnatie voor waar houdt. De reïncarnatie geeft een antwoord op de angst voor de dood, dat vele mensen aanspreekt. Tussen enerzijds het absolute en in de ogen van velen achterhaalde hiernamaalsdenken, en anderzijds het lege 'er is niets na de dood', neemt reïncarnatie een tussenpositie in, die bovendien aansluit bij een zeker optimisme over het huidige leven. Wie het leven op aarde zinvol of aangenaam vindt, kan er naar uitzien nog eens terug te komen. Wie het idee heeft nu - om wat voor reden ook - tekort te zijn gedaan, heeft hoop op een herkansing. Het idee van reïncarnatie verzacht deze wrede verstoring van het menselijk geluk door de mogelijkheid tot nieuwe levens. De vraag naar wat of wie er precies reïncarneert wordt dan ook nauwelijks gesteld. Men wil liever uitgaan van een voortzetting van zijn eigen leven met een vers lichaam, dan moeten erkennen dat er nauwelijks of helemaal geen sprake is van een persoonlijk voortbestaan in een volgend leven. De nadruk ligt op het gelukkige leven, waarbij niet de moraal maar het vitale bestaan op zich zin verschaft. De nadruk op 'gelukkig zijn' vormt ook de verklaring voor de aandacht voor vorige levens. Opmerkelijk is de aandacht voor de voorgaande levens. Noch in de boeddhistische, noch in de hindoeïsti-

De ontdekking en het gebruik van de eenheid die blijft bestaan als een deeltje op een bepaalde manier wordt gesplitst en de helft hoe ver weg ook getransporteerd, blijkbaar zonder dat de twee gescheiden helften met elkaar hoeven te communiceren, dus dat we ons fundamentele, submicropische bestaan nooit iets kunnen begrijpen, dat ik dus misschien oneindig ver weg ook besta, dat is allemaal genoeg om mee te maken ion een misschien wel oneindig ver gesplitst leven, Leo Vroman

99

sche filosofie worden veel woorden gewijd aan de inhoud van vorige levens. Hoewel het bestaan van vorige levens natuurlijk wordt aangenomen, ligt de nadruk op ofwel een aanvaarding van het lot (hindoeïsme) of op de verantwoordelijkheid ten aanzien van volgende levens (met name boeddhisme). Dit heeft te maken met de sterk ethische component van de Indiase opvattingen over wedergeboorte: beloning en straf volgen immers uit de daden die men nu verricht. Deze morele component ontbreekt grotendeels in het populaire geloof in reïncarnatie. Karma dient hooguit als een vaag verbindend element tussen het huidige en het vorige leven, maar de morele aspecten blijven grotendeels buiten beschouwing. De vraag is welke invulling reïncarnatie dan wel krijgt, als het voorheen belangrijkste element (het ethische aspect) nu vrijwel geheel buiten beschouwing wordt gelaten. In onze maatschappij is een tendens tot psychologisering aanwezig, die mensen leert hun problemen op psychologische wijze te benaderen en op te lossen. Karma wordt niet gebruikt om iemand zijn lot te laten aanvaarden (zoals in hindoeïstisch India gebruikelijk was en in sommige kringen nog steeds wel is), maar als psychotherapeutisch instrument om geluk te bereiken. Geïnspireerd door de psychoanalyse dient men zich bewust te maken van vroegere trauma's. Bewustwording brengt ontlading met zich mee, en daarmee een afrekening met oude complexen en trauma's, aldus het klassieke Freudiaanse model. Terwijl men in psychoanalyse de oorsprong van de problemen in de vroege jeugd zoekt, zoeken regressie-therapeuten naar bronnen uit vorige levens. Bewustwording hiervan leidt eveneens tot bevrijding. De metafoor van karma als zaad die zijn vruchten moet afwerpen, krijgt een ander accent: niet de zaden, maar de vruchten vormen het beginpunt. Vanuit de vruchten - in het heden - keert men via regressie-therapie terug tot de zaden. Vroegere levens zouden huidige angsten, voorkeuren, afkeuren, aantrekkingskracht tussen mensen en zelfs herkenning van bepaalde plaatsen of het spreken van vreemde talen verklaren. Wie zich hiervan bewust wordt door regressie-therapie, is beter opgewassen tegen problemen die men meemaakt in zijn leven en ziet de problemen zelfs oplossen als sneeuw voor de zon door het simpele feit van bewustwording. Reïncarnatie wordt hier een vaag optimistisch levensdoel, dat wel met groei wordt verbonden (de erfenis van de antroposofische en theosofische opvattingen), maar niet met een einddoel (dat ook in de 19 se op vattingen veel meer een morele invulling heeft). Het hedendaagse idee van reïncarnatie heeft vooral betrekking op de lusten (blijven voortbestaan) en niet op de lasten (vergelding). Het wordt vooral gedragen door een psychologisch verlangen om de angst voor de dood op te heffen. Daarmee wordt de tijdelijkheid van het bestaan van een bepaalde vorm van zinloosheid ontdaan: alles is niet vergeefs, want na dit leven komt nog een leven. De aandacht gaat echter maar in beperkte mate uit naar de volgende levens; deze doen er alleen toe als middel om het absolute van de dood te verzachten. De hedendaagse mens die in reïncarnatie gelooft, is in een aantal gevallen meer geïnteresseerd in zijn eigen leven dan in volgende levens. Dit komt vooral naar voren in de regressie-therapie. Deze therapie gaat er van uit dat men het leven, dat op zich als zinvol beschouwd wordt, aangenamer kan maken door 'oud zeer' uit vorige levens te verwerken. Zelden heeft reïncarnatie zo in dienst van het heden gestaan als in de late 20 eeuw. Met het optimisme ten aanzien van het leven op zich, verandert de richting van het geloof in reïncarnatie: reïncarnatie wordt niet gebruikt om mensen passief hun lot te laten aanvaarden (verleden), niet om ze aan te sporen tot een moreel leven in de toekomst, maar vooral om ze een aangenamer leven te bieden in het heden.
e e

eeuwse wester-

100

Binnen de filosofie en psychologie is een van de meest fundamentele vraag: wie ben ik? Wie een antwoord op deze vraag wil geven, zet zich aan een lange zoektocht vol vertwijfeling. In eerste instantie zijn we geneigd om deze zoektocht bij onszelf te beginnen. Het feit dat ik besta is een persoonlijke ervaring: niemand anders weet zo zeker dat ik besta als ikzelf. Ik weet dat ik degene ben die denkt, ik weet dat ik degene ben die zijn teen stoot en pijn voelt, dat ik degene ben die zich verbaast of verbijstert over de natuur. Daarom ligt het voor de hand om deze ervaringen aan te grijpen als beginpunt voor een bewijs dat ik besta. Maar wat betekent dit voor onze opvatting van identiteit? Die was immers vastgeklonken aan het idee van een centrale geest? Wat gebeurt er met onze ideeën over wie wij zelf zijn en waarin onze identiteit berust, als we niet langer zo'n veilig idee van een centraal, enkelvoudig principe kunnen aannemen? Ook het brein moet het ontgelden: van grijze massa die de zetel van de ziel was, wordt ze een fijnmazige verzameling neurale netwerken, die mentale en fysieke activiteiten voortbrengen. Net zoals de ziel ontleed wordt, worden ook de hersenen ontleed. Door verbeterde technieken ontdekt men allerlei neurale processen. Ruimte voor een geest die zich hier vrij rond beweegt is er niet.

101

Het verlangen naar onsterfelijkheid betekent voor veel mensen, dat ze hun identiteit behouden. In het voorafgaande hebben we bij diverse opvattingen gezien, dat de identiteit/individualiteit in de dood verdwijnt. Men gaat op in een Albewustzijn, een oergeest, een God. Maar wat is identiteit nu eigenlijk? Filosofen en psychologen bijten hun tanden er op stuk. Maar misschien is boven-identiteit of het Albewustzijn indrukwekkender dan de menselijke individualiteit
Bron: Carolien van Bergen, leven door de dood

Een onopgelost probleem Het idee dat er een lichaam en een ziel zijn, is voor de westerse mens vrij vanzelfsprekend, of we nu wel of niet in een dergelijke scheiding geloven. We begrijpen wat ermee wordt bedoeld: iets immaterieels, iets dat met bewustzijn of met mentale processen te maken heeft, iets dat symbool is voor het zelf, voor het meest waarachtige van de mens, voor het persoonlijke element in ons. Het zou onsterfelijk kunnen zijn, maar los daarvan heeft ziel een bredere betekenis, die voor een belangrijk deel overeenkomt met de modernere begrippen identiteit, zelf en persoon. Dit idee blijkt steeds problematischer. Het idee dat er maar twee samenstellende componenten van het menselijk wezen zijn, is namelijk tamelijk uitzonderlijk in de wereldgeschiedenis. In de meeste culturen worden meer principes onderscheiden om personen onder te verdelen. In China onderscheidt men veel meer componenten in de mens. In de yin-yang filosofie van het taoisme hebben mensen een yin-ziel die in het graf belandt en een yang-ziel die op de gedenkplaat van de voorouders terechtkomt. In totaal zijn er drie yin-zielen en zeven yang-zielen. De Yangzielen zijn licht en verheven en worden geassocieerd met intelligentie en spiritualiteit. De Yin-zielen daarentegen zijn verbonden aan het lichamelijke en daarom erg zwaar. Zij gaan met name in de nachten van de eerste, de vijftiende en de laatste dag van de maanmaand rondspoken. Hoge drempels in de tempels voorkomen dat deze zware zielen de tempel binnentreden. Naast deze zielen kennen de Chinezen de kosmische energie qi, die het leven mogelijk maakt en in stand houdt. Meditatie versterkt de qi, maar doodgaan is een verlies van qi. Als het lichaam sterft verliest het alle qi. In Afrika bijvoorbeeld heeft elke stam eigen ideeën over de soorten en aantallen zielen: de Fangs uit Gabon onderscheiden zeven zielen, de Dogons uit Mali kennen acht zielen en de Samo's uit Opper-Volta onderscheiden twaalf componenten in een menselijk wezen. Laten we met deze korte blik op andere ideeën op de persoon ons realiseren dat onze indeling in lichaam en geest behoorlijk simplistisch is in vergelijking met vrijwel alle andere denksystemen. Vrijwel overal ter wereld wordt de persoon of het zelf verbonden aan meer componenten dan aan één ziel. identiteit Op welke gronden nemen we aan, dat iemand die tien jaar geleden bestond, nog dezelfde is als de persoon die we nu tegenkomen? Dit is de vraag naar identiteit. Identiteit heeft in de analytische filosofie voor een belangrijk deel te maken met iemands continuïteit in de tijd : is men dezelfde als vandaag en gisteren en in het verleden als ook in de toekomst? In hoeverre kan men iemand door de tijd heen nog dezelfde persoon noemen? Omdat men hetzelfde lichaam heeft, omdat hij herkend wordt, omdat men zichzelf bewust is, dat men dezelfde is gisteren, vandaag en morgen. Morgen (de toekomst) kan dan zowel betrekking hebben op een toekomst tijdens iemands leven, als op een toekomst na de dood. Daarom is de vraag naar identiteit van groot belang ,wanneer we ons gaan verdiepen in vragen naar wat er na ons leven eventueel van ons zelf kan blijven bestaan - in een hiernamaals, in een ander lichaam, of verspreid in elementen in de wereld waarin we leven. Vanaf de 17 eeuw, wanneer identiteit als filosofisch onderwerp in de belangstelling komt te staan, wordt het leven na de dood in een adem genoemd: wat blijft er van iemand voortbestaan om te kunnen zeggen dat de overledene werkelijk verder bestaat na zijn dood? Moet hij zijn eigen lichaam meenemen, moet er sprake zijn van eenzelfde karakter, dezelfde geest, herinneringen aan het eerdere bestaan, herkenning door anderen? Identiteit, dood en onsterfelijkheid hebben dus alles met elkaar te maken. Dat zien we ook wanneer we verschillende voorstellingen van de hemel zoals die in verschillende tijden tot stand zijn gekomen, goed bekijken. Herinneringen aan het aardse bestaan zijn er vrijwel altijd - blijkbaar is het geheugen een belangrijke
e

102

component van identiteit. Herkenning van dierbaren komt ook vaak voor, opnieuw een zaak die met IK wil vandaag een reiskostuum gaan kopen in 't „Huis voor Heren" in de Kalverstraat. Terwijl ik bezig ben de jas te knopen en in de spiegel kijk hoe 't pak mij staat - u kunt het sluiten, maar men draagt het open, zegt de bediende, die mij gadeslaat -, zie ik, terwijl ik achteruit wil lopen, een vreemde man staan in een zwart gewaad. - Wie is hij? denk ik, als hij dóór mij gaat en vóór mij is en in de spiegel staat, als ik zijn ogen zie, van bloed belopen. De achtertuin door, langs de vuilnishopen, bang voor mezelf, ben ik in huis geslopen en hang de spiegels om, waarin hij staat. Ed. Hoornik geheugen te maken heeft. Er is soms sprake van een vrij concrete lichamelijke vorm - dat lijkt ook nodig te zijn om anderen te herkennen. In het zoeken naar identiteit zullen veel van dit soort aspecten naar voren komen. Identiteit heeft daarnaast te maken met verantwoordelijkheid voor daden uit het verleden en naar de toekomst: is iemand verantwoordelijk te stellen voor zijn gedrag? Dit aspect komt vooral in de rechtspraak naar voren. Was iemand buiten zichzelf toen hij een misdaad bedreef, was hij ontoerekeningsvatbaar? Krankzinnigheid, bloedwraak of crime passionel kunnen redenen zijn om te stellen dat iemand in bepaalde opzichten niet dezelfde is als degene die een misdaad beging, ondanks uiterlijke overeenkomst en zelfs uiterlijke identiteit. Verjaring van een misdaad heeft hier eveneens mee te maken: na een (groot) aantal jaren, stelt de rechterlijke macht, is iemand zo anders geworden dan toen hij bijvoorbeeld een moord beging, dat hij nu niet meer dezelfde is als toen. Identiteit heeft ook te maken met verantwoordelijkheid. Hier stuiten we meteen op de morele component in veel opvattingen over onsterfelijkheid: in hoeverre moet iemand na de dood eeuwig bestraft worden voor een misdaad? Vanuit het aspect van identiteit, kun je inderdaad zeggen dat na een aantal jaren of eeuwen iemand niet meer dezelfde is als degene die op aarde leefde en daarom niet langer in de hel hoeft te branden. Dit heeft uiteindelijk te maken met de vraag of we wel of niet willen erkennen dat het om dezelfde persoon gaat. Net zoals we bij misdrijven van verjaring spreken, kan ook identiteit aan verjaring onderhevig zijn. Criterium voor identiteit: mijn lichaam Welke criteria kunnen we nu aanwijzen om te beslissen of iemand die twintig jaar geleden bestond, nog dezelfde is als de persoon die we nu tegenkomen? Het meest voor de hand liggende criterium is het lichaam: ik herken iemand na twintig jaar. In het dagelijks leven is het lichaam een goede maatstaf om te bepalen of iemand nog dezelfde is. Het lichaam is een problematisch criterium: kan ik zomaar lichaamsdelen verwijderen en nog zeggen dat iemand dezelfde persoon is? Als ik mijn nagels knip of naar de kapper ga, zullen de meeste mensen nog geneigd zijn om te zeggen dat ik dezelfde ben als voorheen. Maar wat gebeurt er als ik een ongeluk krijg en mijn been moet worden afgezet? Hoort mijn been dan nog bij mij, ben ik dan op twee plaatsen tegelijk? Een geamputeerd been wordt als medisch afval verbrand - het is niet gebruikelijk om het alvast in een graf bij te zetten of het alvast ritueel te cremeren, wachtend tot de rest van het lichaam ook dood is Een van de meest voor de hand liggende is dat men wel en niet hetzelfde lichaam heeft als toen men een baby was. Op kleuterfoto’s is men voor een goede kijker te herkennen, maar of men nu dezelfde is, blijft een grote vraag: op verschillende niveaus hebben zich grote veranderingen voltrokken: men is veel langer en zwaarder geworden, men kan allerlei lichamelijke functies uitoefenen die men als peuter niet beheerste, zoals fietsen, hardlopen, op de computer werken. Ook de organen zijn tot ontwikkeling gekomen en voor een deel al in verval. De cellen waaruit men bij zijn geboorte bestond zijn grotendeels vervangen. De neuroloog Oliver Sacks, die onder meer De man die zijn vrouw voor een hoed aanzag schreef, is een expert op het gebied van 'bizarre neurologische gevallen'. Hij wordt in zijn praktijk regelmatig geconfronteerd met vreemde gedragingen van patiënten, waarbij neurologische defecten iemands mentale functioneren zeer sterk beïnvloeden. Een van zijn patiënten werpt een bijzonder licht op de vraag naar lichamelijk identiteit. De 27-jarige Christina komt bij hem met de klacht dat ze haar eigen

103

lichaam niet meer als het hare voelt. Ze heeft geen spierspanning en spiertoestand; haar handen dwalen zomaar rond, behalve als ze haar aandacht erop richt. Als ze iets wil pakken reikt ze verkeerd. Het lijkt alsof ze geen informatie meer krijgt uit de periferie van haar lichaam. Er is sprake van een totaal proprioceptief falen. Proprioceptie is de continue maar onbewuste zintuiglijke stroom vanuit de beweegbare delen van ons lichaam, waardoor hun positie, spanning en beweging continu in de gaten wordt gehouden en waar nodig aangepast aan de omstandigheden. Dit gebeurt op een manier die verborgen voor ons is omdat ze automatisch en onbewust is. Maar ook al hebben we het niet door, dit 'zesde zintuig', zoals Sacks het noemt, is onmisbaar voor ons gevoel van 'onszelf', want alleen hierdoor voelen we ons lichaam als eigen, als ons lichaam, tot onszelf behorend. Christina daarentegen voelt zich 'ontlichaamd'. Daarmee wordt een belangrijk deel van haar zelf-identiteit aangetast: het ervaren van je eigen lichaam als het jouwe is één van de meest voor de hand liggende aanwijzingen voor een zelf. Iemand definieert zichzelf als zichzelf mede op basis van het feit dat hij zijn lichaam ervaart. Dit staat los van de vraag of een ander iemand als een bepaalde persoon definieert: in het geval van Christina ziet de dokter dat zij 'dezelfde' is als de Christina voor haar defect. Zijzelf weet het op een rationeel niveau. Maar ze heeft geen gevoel meer van haar eigen lichaam. Ze heeft het gevoel alsof haar lichaam zelf blind is, alsof het zichzelf niet kan zien, dus dat zijzelf het moet bekijken. Dus, wat voorheen natuurlijk gebeurde, moet nu bewust gebeuren. Het resultaat is dat ze een pose leert aannemen, een gezichtsuitdrukking leert aannemen, een stem. Dat is zeer vervreemdend. Hoewel ze na veel therapie een behoorlijk functioneel herstel laat zien, dus in staat is zichzelf in de ruimte te begeven en zich lichamelijk aan kan passen aan haar omgeving, blijft ze het gevoel houden dat haar lichaam dood en onecht is. Het voelt niet als het hare en ze kan haar lichaam niet met zichzelf verbinden. Criterium voor identiteit: hersenen Duidelijk is dat het lichaam niet zonder meer doorslaggevend is om iemands identiteit vast te stellen. Filosofen geven dan ook toe dat het lichamelijke criterium zeer bruikbaar en belangrijk is in het dagelijks leven. Maar het is geen filosofisch sluitend criterium voor identiteit. De filosofen scherpen het criterium aan: misschien doet niet het hele lichaam ertoe, maar toch zeker wel de hersenen. Misschien kunnen we iemands armen en benen amputeren, zijn huid verminken, zijn ogen uitsteken en zijn tong afsnijden, misschien voelt iemand zijn lichaam niet als het zijne, en misschien is na gentherapie zelfs op genetisch niveau een en ander substantieel veranderd, maar zolang zijn hersenen intact zijn is hij in strikte zin nog dezelfde persoon, aldus sommige filosofen. Want hier komen de waarnemingen en de gedachten vandaan. Zonder hersenen is iemand niet langer zichzelf - de rest is eventueel te vervangen door protheses en met getransplanteerde organen. Echter, stel dat we ervan uitgaan dat identiteit in de hersenen ligt. Wat gebeurt er dan als we een stukje van iemands hersenen verwijderen? Is iemand dan opeens niet meer dezelfde als voor de operatie - het gaat niet om de kwaliteit of de inhoud van zijn identiteit, maar om een puur rationeel na te gaan of iemand in de meest strikte zin nog dezelfde is als de persoon die zijn ledematen, ogen en zijn volledige brein nog had. Hersenbeschadiging kan leiden tot grote veranderingen in iemands persoonlijkheid. Mensen die hiermee geconfronteerd worden, worstelen dan ook met de vraag of hun dierbare nog dezelfde is. Is de voorheen zo aardige en attente echtgenoot nog wel dezelfde te noemen als de knorrige man die iedereen uitscheldt? En maakt het uit of die karakterverandering door een ongeluk komt, door een langdurige ziekte, of door een gestage persoonlijkheidsverandering in iemand doordat hij zich in de loop der jaren gefrustreerd en teleurgesteld voelt in het leven? Het feit dat iemands brein ergens nog hetzelfde is, kan niet verdoezelen dat de persoon verandert.

104

Filosofen bedenken soms bizarre gedachte-experimenten om erachter te komen of iemand wel of niet dezelfde persoon genoemd kan worden. Misschien zijn de gedachte-experimenten die hieronder beschreven worden absurd en zinloos. Maar juist door de grenzen van het mogelijke te overschrijden en tegen de grenzen van het absurde aan te duwen, komen soms dingen aan het licht die in een normaal perspectief nooit zichtbaar worden. De absurde uitvergroting van hersenexperimenten laat zien dat identiteit weliswaar in de hersenen gezocht kan worden, maar dat het nog maar zeer de vraag is of we identiteit in de hersenen kunnen vinden. Met de hersenen als mogelijk criterium zijn er vreemde fictieve operaties mogelijk. Die gedachteoperaties hebben uiteindelijk meer met logica te maken dan met messen en weefsel - laten we ze dus niet beoordelen op hun praktische uitvoerbaarheid. Maar stel dat een chirurg te maken krijgt met twee verkeersslachtoffers. Mijnheer van Ebscheuten is bij een botsing gruwelijk bekneld geraakt. Zijn lichaam is grotendeels verbrand, alleen zijn hersenen werken nog. Mevrouw Flierefluit is met haar hoofd onder water geraakt. Zonder al te veel te letten op medische details is de situatie zo dat haar lichaam intact is, maar haar hersenen verloren. Stel dat de chirurg het verlies van twee levens wil beperken tot het verlies van één leven: hij besluit om de hersenen van mijnheer van Ebscheuten in de schedel van Mevrouw Flierefluit over te zetten. De operatie slaagt: uit de narcose ontwaakt persoon. een Wie gezonde zou deze

operatie hebben overleefd, van Ebscheuten of Flierefluit? We moeten een keuze maken. De chirurg die de operatie uitvoerde beslist: hij vindt de hersenen van van Ebscheuten doorslaggevend. Deze man heeft zijn vreselijke ongeval overleefd. Tegelijkertijd staat in een krantenberichtje dat de 40-jarige Mevrouw Flierefluit is verdronken nadat zij van de weg geraakte bij ijzel. Dit betekent dat het lichamelijke we eerder criterium, dat onderzochten,

verworpen wordt ten gunste van het hersencriterium: dat het lichaam van Mevrouw Flierefluit nog intact is, doet er niet toe; we zien in dat geval de hersenen als doorslaggevend. Officieel ziet van Ebscheuten een nieuw leven tegemoet - in een vrouwenlichaam. Of zijn omgeving dit wil accepteren, zal deels afhangen van de relatie met de eerdere van Ebscheuten: als hij een jonge, aantrekkelijke man was zal zijn vriendin er anders tegenaan kijken wanneer hij in het lichaam van een vrouw werd geplaatst, dan wanneer deze persoon haar baas was die zo goed is in problemen oplossen - of hij er als man of als vrouw uitziet maakt in dat geval minder uit. We kunnen het nog ingewikkelder maken. Wat gebeurt er als we slechts een deel van de hersenen van van Ebscheuten overplanten, bijvoorbeeld alleen de rechterhersenhelft. De rest van het slachtoffer is onherstelbaar verminkt bij de operatie. Dan hebben we een half brein van de heer van Ebscheuten en een hersenhelft van mevrouw Flierefluit, in het lichaam van Mevrouw Flierefluit. Kunnen we dan nog even overtuigd zeggen dat van Ebscheuten voortbestaat? Waarschijnlijk niet, maar leeft Mevrouw Flierefluit verder? Waarom zou opeens haar halve hersenhelft zo doorslaggevend zijn - gegeven het feit dat het lichamelijke criterium al eerder verworpen was? De chirurg raakt nu zo in verwarring dat hij geen keuze meer wil maken. De vraag wie er nu precies verder leeft laat zich niet beantwoorden. Misschien kunnen we er een beslissing over nemen, maar een hard criterium is er niet.

105

Los van de vraag of dit soort operaties ooit mogelijk zijn, wordt hier al snel duidelijk dat het hersencriterium niet zo'n hard is als het lijkt. Misschien kunnen we zeggen dat niet het hele brein intact en identiek hoeft te zijn, maar genoeg van het brein over is om te kunnen zeggen dat dit het brein van een levende persoon blijft. Dan is de overlevende man die nu bestaat, dezelfde als de man van voor de operatie, mits er genoeg van de hersenen van de eerdere man blijven bestaan in de latere Harmen de Bruin om het brein van een levende persoon te blijven. Maar dit is het begin van een filosofisch pad dat uiteindelijk leidt tot een verwerping van alle lichamelijke criteria. Laten we nog even verder gaan, voordat we de hersenen als doorslaggevend voor onze identiteit afschrijven. Stel dat de techniek op een gegeven moment zover gevorderd is, dat we de gehele herseninhoud van de heer van Ebscheuten in een ander medium kunnen bewaren en later terugzetten in een nieuw brein, al dan niet in het lichaam van de vroegere van Ebscheuten. Er is nu geen sprake meer van hetzelfde, vleselijke brein. Er is alleen sprake van een psychologische identiteit: de gedachten, herinneringen, karaktertrekken zijn overgeplant en iemand is in psychologische zin identiek aan de eerdere persoon. Maar met identieke hersenen heeft het niets meer te maken: het vlees is vervangen, en we komen erachter dat we dat ook helemaal niet het belangrijkst vinden: we willen dat we met Harmen de Bruin kunnen praten, zoals we voor de operatie met hem konden praten, we willen weer een potje schaak met hem kunnen spelen, naar zijn lage stem luisteren, genieten van zijn commentaar op de wereld. Dat het vlees niet langer identiek is, kan ons niets schelen, het gaat erom wat deze man nog kan doen. We zouden het onszelf ook moeilijk kunnen maken door de ene hersenhelft van de heer van Ebscheuten in het lichaam van Mevrouw Flierefluit over te zetten en de andere helft in het lichaam van een zekere heer Spring in ’t Veld?. Zijn er dan plotseling twee heren van Ebscheuten? Het zoeken naar identiteit op basis van de hersenen wordt steeds verwarrender, en het wordt steeds duidelijker dat de hersenen geen definitieve antwoorden geven. Dit laatste resultaat - twee meneren van Ebscheuten is filosofisch ontoelaatbaar. Iedere filosoof die zich verdiept in het vraagstuk van de identiteit stelt dat er geen sprake mag zijn van een persoonsverdubbeling. De conclusie van onze zoektocht naar lichamelijke criteria voor identiteit is duidelijk: het lichaam en de hersenen moeten als criteria verworpen worden. Noch iemands lichaam, noch zijn hersenen, zijn doorslaggevend voor het voortbestaan van iemands identiteit. We zouden nog kunnen doorzoeken naar bijvoorbeeld genetische identiteit. Mijn genen zijn mijn leven lang identiek gebleven. Maar in het brede perspectief van de identiteit ben ik niet echt gelukkig met een identificatie van mij met mijn genen - daarvoor hecht ik teveel aan mijn identiteit op het macroscopische niveau van lichaam, bewustzijn, herinneringen et cetera - aspecten die later aan bod komen. Criterium voor identiteit : het geheugen Filosofen en psychologen kunnen geen overtuigend lichamelijk kenmerk vinden waaruit blijkt dat de persoon die men op straat na twintig jaar tegenkomt, nog dezelfde is als die van twintig jaar geleden. Waarom neemt men dat dan toch aan? In ieder geval omdat wij allebei herinneringen aan die tijd hebben. Wanneer iemand die persoon niet meteen herkent, of als men iemand niet lichamelijk meteen kan plaatsen, zegt deze persoon bijvoorbeeld dat die bij hem in de klas zat, en dat herinnert hij zich dan ook. Wanneer beide personen herinneringen gaan ophalen aan de lessen geschiedenis en de wanorde in die klas, over de leraar natuurkunde die tijdens de les minstens vijftig keer zijn bril op en af zette, dan gaat men geloven dat die persoon dezelfde is als de persoon die men indertijd kende.

106

Het geheugen is een belangrijk criterium voor persoonlijke identiteit, veel belangrijker dan het lichaam. Iemand zonder geheugen is zijn identiteit kwijt. Er zijn Vietnam-veteranen, overlevenden van concentratiekampen en van oorlogen overal ter wereld, die volkomen kwijt zijn wie ze zijn, zwaar getraumatiseerd. Weliswaar is er sprake van een lichamelijke identiteit en kunnen ze bijvoorbeeld aan de hand van een naamplaatje of door familieleden geïdentificeerd worden, maar toch zijn ze niet langer dezelfde. Ze zijn hun herinneringen aan het verleden kwijt en daarmee hun hele band met zichzelf. Om te begrijpen waar dit nu - filosofisch gezien - aan ligt, is het zinvol om een onderscheid te maken tussen mensen en personen. Mensen zijn dan wezens van vlees en bloed, net zoals dieren dat ook zijn: ze hebben organen, een stofwisseling, een bepaald uiterlijk, genen. Weliswaar zijn dieren en mensen andere soorten, maar zowel mens als dier zijn biologische begrippen. Anders ligt het met personen. Dit zijn wezens die kunnen denken en reflecteren, die zichzelf als zichzelf kunnen beschouwen op verschillende tijden en plaatsen. Deze definitie hanteert de zeventiende eeuwse wijsgeer John Locke, de eerste filosoof die zich verdiept in het vraagstuk van 'identiteit en diversiteit'. Hij wil niet langer de ziel aanwijzen als bepalend voor identiteit, en verdiept zich in de vraag wat identiteit eigenlijk is. Als ik mij herinner dat ik jaren geleden met Paula in de klas zat, ben ik blijkbaar dezelfde persoon als degene die toen met Paula in de klas zat. Het gaat hier om de herinnering aan ervaringen, niet om feitenkennis Het gaat erom dat ik mij herinner dat ik bij Paula in de klas zat, niet dat in het schoolregister allebei onze namen te vinden zijn. Het gaat erom dat ik getuige en deelnemer was van situaties en gebeurtenissen, kortom, het gaat om mijn eigen, eerste persoonservaringen. De herinnering aan mijn eigen ervaring is doorslaggevend voor het vaststellen of degene die nu leeft, dezelfde is als degene die toen leefde. Dus: identiteit berust op het psychologische criterium van herinneringen - en niet op lichamelijke continuïteit of het voortbestaan van de hersenen. Zonder geheugen geen persoonlijke identiteit. Dit criterium is een belangrijke stap in de filosofie geweest. Voor het eerst wordt een poging gedaan om identiteit te zien in psychologische criteria en niet in termen van de ziel, zoals Augustinus en Descartes deden. Maar ik kan me niet alles herinneren, ook de persoon niet die ik ontmoet. Een sommige gebeurtenissen zijn we gewoon vergeten. In plaats van te stellen dat alle herinneringen als kralen aan één snoer moeten worden geregen, kunnen we ook stellen dat het voldoende is als er overlappende verbindingen tussen herinneringen zijn: een kabel of zelfs meerdere kabels die de continuïteit van het geheel waarborgen. Talloze herinneringen vormen dan altijd wel een overlap in de tijd: er is sprake van vele ketens van overlappende herinneringen, waarbij vooral de relatie tussen hen bepaalt of er sprake is van een continuïteit. Of er sprake is van identiteit, is nog maar de vraag. Stel dat ik na zoveel jaar een oude vriend ontmoet. Die oude vriend begint verhalen uit mijn puberteit op te dissen. De verhalen over gebeurtenissen uit het verleden, die ik zou hebben meegemaakt, brengen mij in verlegenheid: ik voel mij nu allang niet meer degene die ik was toen ik veertien was. De verhalen lijken over iemand te gaan die ik niet meer ben en die door de verhalen van mijn oude vriend aan mij worden verbonden. Iedereen kan zich de ongemakkelijke situatie voorstellen: mijn positie, genietend van onvermoede smeuïge verhalen, maar waarschijnlijker overvallen door plaatsvervangende schaamte en zijn positie, ongewild verbonden aan iemand die hij wel en niet is - het kind van vroeger. Daarnaast zijn herinneringen aan vroegere gebeurtenissen of aan jezelf van vroeger ook een wreed criterium: wat te denken van patiënten met de ziekte van Alzheimer, die langzaamaan de grip op hun geheugen verliezen? Zijn zij niet langer dezelfde persoon als degene die ze ooit waren? Een echtgenote van de patiënt is geneigd om de vraag met 'ja' en 'nee' te beantwoorden: het is haar man, maar hij kent haar niet meer. Ik las in de krant een stukje over een echtgenote van een stel dat op latere leeftijd is getrouwd. Haar man heeft de ziekte van Alzheimer. Zij wordt nu geconfronteerd met de veel eerder overleden echtgenote: haar man vraagt steeds naar zijn eerste vrouw en herkent degene met wie hij ondertussen al twintig jaar samen is niet meer. Juist dit soort schrijnende gevallen laat zien hoe moeilijk het is om een vinger te leggen op het probleem van de identiteit. Of iemand wel of niet dezelfde is, is moeilijk te beantwoorden. De schilder Willem de Kooning, die beroemd werd met zijn abstracte, kleurrijke schilderijen, ontwikkelt in de jaren zeventig de eerste symptomen van de ziekte van Alzheimer. In twintig jaar tijd desintegreert hij en zijn herinneringen vallen weg. Voor kunsthistorici ontstaat een lastige vraag, die di-

107

rect gaat over de vraag naar identiteit. Is deze schilder nog wel zichzelf? Hij blijft schilderen, maar zijn werk verandert, het wordt milder en hij gebruikt meer eenvoudige, primaire kleuren. Er ontstaat een hevige discussie over of zijn latere werk nog wel als echte De Kooning mag worden beschouwd. Als hij niet langer als zichzelf wordt gezien, hoeft zijn latere werk niet meer aan hem te worden toegeschreven, met alle financiële consequenties van dien. Misschien valt hier nog aan te voeren dat zijn werk verandert en minder interessant wordt, maar indien zijn geheugen nog normaal zou functioneren, zou een verandering in werk niet deze veel diepgaandere discussie over de identiteit van De Kooning op gang hebben gebracht. Criterium voor identiteit: het bewustzijn In het verlengde van het geheugen is ook het bewustzijn aangewezen als de kern van de identiteit: zonder bewustzijn kunnen we niet langer zeggen dat iemand dezelfde persoon is als iemand die eerder bestond. Maar is iemand zonder bewustzijn zijn identiteit kwijt? Bewusteloosheid, een coma, trance of slaap zijn allemaal toestanden waarin iemand niet bewust is van zijn omgeving, noch van zichzelf. Moeten we dan zeggen dat hij zichzelf niet is? Anderen identificeren hem nog wel als 'dezelfde', en na zijn ontwaken voelt hij zich ook zichzelf. Maar dan zijn we weer beland bij een lichamelijk criterium, dat niet zo goed bleek als gehoopt. Met het bewustzijn zijn diverse filosofische spelletjes gedaan, met name in de zeventiende eeuw. De beroemde novelle 'Mr. Jekyll en doctor Hyde' is in deze tijd geschreven: overdag een brave arts, maar 's nachts een moordenaar. Hoewel het verhaal ook gaat over de verschillende kanten in iemands persoonlijkheid, past het heel goed in de toenmalige discussies over identiteit. Het heeft schrijvers en filosofen gefascineerd hoezeer twee 'bewustzijnsstromen' naast elkaar konden bestaan, waarbij de een niets weet van het bestaan van de ander. Al vanaf de zeventiende eeuw bestaat er een ruime belangstelling voor meervoudige persoonlijkheden, waarbij vaak meerdere 'personen' in één lichaam huizen, met mogelijk één centrale persoon die zicht heeft op alle andere persoonlijkheden. Dergelijke verhalen werpen een bizar licht op identiteit. Patiënten die leiden aan meervoudige persoonlijkheid worden 'bevolkt' door meerdere persoonlijkheden, die niet altijd van elkaar weten dat ze bestaan. Bij zo'n persoonlijkheid horen herinneringen, een bepaalde stem, leeftijd, lichaamshouding, geslacht en karakter. Voor een buitenstaander is het moeilijk te geloven dat er zoveel 'personen' in één lichaam huizen. Ook bewustzijn roept vragen op over identiteit. Het is wel een voor de hand liggend criterium voor identiteit, maar bij nadere beschouwing ook problematisch. Dit neemt niet weg dat juist het bewustzijn een belangrijke rol speelt in vragen rond de dood en de zin van het bestaan. Juist het bewustzijn dat verder bestaat in een hiernamaals of terugkeert naar een nieuw belichaamd bestaan verleent volgens velen zin aan het bestaan. Dat bewustzijn kan zich verpozen in hemelse geneugten of kan terugkomen op aarde om zich verder te ontwikkelen. En, aan de andere kant, wordt juist het verlies van het bewustzijn beschouwd als een van de grote rampen die de dood met zich meebrengt.

108

Het

verlangen

naar

persoonlijke eenlopende op.

onsterfebeelden

lijkheid levert zeer uit-

Deze concrete beelden van komen aan onsterfelijkheid voort uit de

behoefte van mensen een persoonlijk op een door voortbestaan kenmerkt zin,

betere plaats, die gewordt rechtvaardigheid

en de afwezigheid van dood en vergankelijkheid. Uit elke opvatting van een persoonlijk voortbestaan spreekt een verlangen naar iets dat als het hoogste ideaal wordt gezien en een verlangen daar zelf deel aan te hebben. Maar wat dat persoonlijke, dat zelf, uitmaakt, is in hoge mate individueel en cultureel bepaald. Dit levert een theoretisch eigen krijgen? Als dat het geval is, lijkt een flexibele houding de enige mogelijkheid om iedereen de kans te geven op een persoonlijk voortbestaan. probleem op: zou iedereen zijn onsterfelijkheid

109

Hoe hebben gelovigen en kunstenaars zich het hiernamaals voorgesteld? We worden overspoeld door een stortvloed van beelden, de een nog mooier, nog bizarre of afschuwelijker dan de ander. Wat staat ons allemaal te wachten? We zullen de verbeelding over het hiernamaals ook psychologisch doorlichten.
Bronnen: C.v Bergen, Verlangen naar onsterfelijkheid; G. Derksen e.a., Handboek voor het hiernamaals; Miller

Sukie met

Lipsett Suzanne, Na de dood. De vier fasen van de reis in het hiernamaals De bespreking van onsterfelijke ziel en lichaam samenvattend, zien we dat bij het voortbestaan in de hemel in de eerste plaats sprake is van geheugen, en daarnaast van allerlei zintuiglijke vermogens, biologische vermogens (seksualiteit en voortplanting) en uiteindelijk van hogere vermogens als zelfontwikkeling en vervolmaking. Op de vraag naar wat er nu precies voortbestaat is vanuit de opvattingen geen eensluidend antwoord te geven. Het begrip 'ziel' biedt uiteindelijk weinig houvast om aan te geven wat eigenlijk wel en niet mogelijk is. Ook ten aanzien van het lichaam lopen de opvattingen eveneens zeer uiteen. En of onze identiteit voortduurt? Dat hangt af hoe men dat begrip invult. Het meest eigene kan iemands grote liefde zijn, de herinneringen aan aardse vriendschappen, en de aanbidding van God. Het eerder aangehaalde citaat van de Anglicaan Kingsley, die letterlijk spreekt over de onsterfelijkheid van de persoonlijke identiteit, rept van de seksuele vereniging met zijn vrouw, die voor hem een belangrijk deel van zijn persoonlijke identiteit uitmaakt. Daarmee speelt het lichaam een grote rol in onsterfelijkheid, maar meer in het algemeen ook in het bepalen van identiteit. Met alle vermogens die nu zijn genoemd inzake het voortbestaan na de dood, blijkt onsterfelijkheid vele vormen aan te kunnen nemen - met of zonder lichaam, met of zonder het vermogen van een maaltijd te genieten, met of zonder seksualiteit. Alleen geheugen, zicht, gehoor en spraak komen steeds terug. Ook het vermogen tot liefhebben komt vaak terug, maar of het onderwerp van die liefde God of een medemens is verschilt. Een reis door het hiernamaals in vier fasen Waarschijnlijk alle culturen hebben zich ooit gebogen over de vraag wat er met de mens na zijn dood gebeurt. Op de vraag wat er met de mens na de dood gebeurt, zijn in de loop der tijden uiteenlopende antwoorden geformuleerd. Volgens de Amerikaanse onderzoekster en psychotherapeute Sukie Miller is in de meeste culturen evenwel sprake van een actieve reis. Deze kan volgens haar onderverdeeld worden in vier fasen met als eerste fase de wachtkamer, gevolgd door het oordeel, het rijk der mogelijkheden en ten slotte de terugkeer. Miller is ervan overtuigd dat een kennismaking met oude en nieuwe ideeën over het hiernamaals iemand die aan het eind van zijn levensreis is gekomen een grote dienst kan bewijzen. Terwijl Elisabeth Kübler-Ross in haar werken het proces beschrijft dat naar de dood leidt, Sherwin Nuland onder de loep neemt wat er op lichamelijk vlak gebeurt wanneer we sterven en Raymond Moody zijn aandacht richt op wat de mens ervaart wanneer hij de grens tussen leven en dood overschrijdt, zoekt Miller antwoorden op de vraag: ‘Wat gebeurt er met ons nadat we zijn gestorven?’ Als dochter van een chirurg die kankerpatiënten behandelde, groeide Sukie Miller naar eigen zeggen op dichtbij de grens tussen leven en dood . Ze werd nooit aangemoedigd zich te verstoppen voor de vraag wat er met ons gebeurt nadat we gestorven zijn en waar we heen gaan als we niet langer hier zijn. Als psychotherapeute kwam ze jaren later tot de ontdekking dat mensen die op de rand van de dood staan niet konden stilstaan bij de vraag wat er met hen na hun dood zou gebeuren. Daarop begon ze zich af te vragen van welke andere culturen, culturen die zich meer op hun gemak voelen met het idee van de dood, onze Westerse cultuur iets kon leren over de waarde van het bewust stilstaan bij het hiernamaals. Geleidelijk kreeg het idee vorm van een instituut dat rituelen, mythen, documenten, mondelinge overleveringen, kunstvormen en kaarten van het hiernamaals van over de hele wereld zou verzamelen en bestuderen. Zo kwam het Institute for the Study of the Afterdeath (ISA) tot stand. De voorbije jaren verzamelde het instituut gegevens in Azië, India, Indonesië, Brazilië, de VS en WestAfrika. De grootste uitdaging was een patroon te ontdekken in al deze gegevens. Zo kwam Sukie Miller tot de conclusie dat het hiernamaals geen statisch oord was, maar veeleer een actieve reis

110

waarbij de geest van de dode zich voortbewoog door een gedetailleerd landschap. Het meest opwindende daarbij was volgens de auteur vast te stellen dat die reis ondanks de grote culturele verschillen in mindere of meerdere mate bestond uit vier verschillende aspecten of stadia. De wachtkamer Het eerste stadium is dat van de wachtkamer. In deze fase wordt de gestorvene - de reiziger - getransformeerd van een lichamelijk in een geestelijk wezen om de tocht die hem of haar wacht te kunnen maken. Rust, gemak en de gelegenheid om de angst te doen bedaren zijn volgens Sukie Miller de weldaden die de wachtkamer schenkt. Voor alle stelsels die een dergelijk voorportaal kennen is de trans-formatie die men er ondergaat evenwel het belangrijkste aspect. Een van de kenmerken van de wachtkamer is dat ze vlak over de grens met de levenden ligt. Veel rituelen en handelingen die worden gezien als de beginfasen van de rouw zijn volgens de auteur manieren waarop de levenden de doden helpen bij de transformatie die ze ondergaan in de wachtkamer. De tijd die de ziel er doorbrengt, is een tussenfase waarin de doden en de levenden nog dicht bij elkaar staan en direct of symbolisch met elkaar kunnen communiceren. Volgens Miller is uit haar onderzoek evenwel gebleken dat het de doden een enorme inspanning kost om contact te houden met de levenden. Overal ter wereld is men daarom tot dezelfde slotsom gekomen: wie van zijn of haar doden houdt, laat hen gaan en moedigt hen aan de reis te ondernemen. Niet iedereen kan zich evenwel met zijn lot verzoenen. Velen weigeren de wachtkamer te verlaten en verder te gaan. Als gevolg daarvan ontstaan de wezens die wij geesten of spoken noemen.. Het oordeel In het stadium van het oordeel wordt het leven dat de reiziger heeft geleid aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. De evaluatie bepaalt de verdere bestemming. Van de vele aspecten van het hiernamaals valt het oordeel ons het zwaarst, aldus de Amerikaanse psychotherapeute. Velen voelen zich immers erg ongemakkelijk bij het idee dat we in het hiernamaals een oordeel zullen moeten ondergaan. Volgens Sukie Miller is uit haar studie gebleken dat er vier verschillende oordeel-typen bestaan. * Het eerste type noemt ze de vereffeningsmethode waarbij op een haast boekhoudkundige manier goede en kwade zaken tegen elkaar worden afgewogen. De haast wiskundige nauwkeurigheid van deze methode speelt in op het rechtvaardigheidsgevoel en bevredigt het menselijke verlangen naar de uiteindelijke triomf van het recht. * Terwijl de vereffeningsmethode neerkomt op een eenvoudige optelsom, is het oordeel dat geveld wordt volgens de karmische methode het resultaat van de combinatie van een schier oneindige hoeveelheid onderling verbonden details. De karmische methode stelt niet alleen de totale som vast van alle menselijke inspanningen maar weegt ook hun ethische consequenties af. Daaruit vloeit dan in één enkel oordeel voort hoe je volgende leven eruit zal zien. * In de evolutionaire methode, de drijvende kracht achter de religie van de Bahai in Brazilië, wordt het heelal gezien als iets dat voortdurend in wording is en wordt het leven beoordeeld naar de manier waarop we tot de evolutie van het geheel hebben bijgedragen. De beschrijving die Miller van deze methode geeft, sluit zeer nauw aan bij de getuigenissen van een groot aantal mensen, die een bijna-doodervaringen hebben gehad. Het systeem, waarvan een occulte versie te vinden is in de theosofie, kent geen rechters. De rechter ben je zelf. De geest van de overledene staat zelf stil bij het leven dat men geleefd heeft en dat zich voor zijn ogen op een scherm afspeelt. Daarbij ervaart de betrokkene de uitwerkingen die ieder van zijn gedachten en daden op anderen heeft gehad met

111

alle pijn en vreugde van dien. Belangrijk in dit systeem is de bedoeling achter onze daden en de mate waarin deze bedoelingen samenvallen met de richting waarin het universeel bewustzijn zich beweegt. We worden geconfronteerd met onze diepste intenties: de verborgen en heimelijke redenen waarom we ons zo hebben gedragen. Deze intenties worden zichtbaar een gemaakt zeer door meesters of leraren. Volgens Miller is de evolutionaire methode extreme manier van oordelen die eist dat de geest van de dode zonder enige beschutting naar zichzelf kijkt. * Ten slotte is er de beproevingsmethode van het Tibetaans-boeddhistische oordeel dat bestaat uit een reeks gebeurtenissen die ontworpen lijken om de geest op briljante wijze in de war te brengen. Ook al hangt het uiteindelijke oordeel mede af van het leven dat men zojuist achter zich heeft gelaten en de gemoedsgesteldheid op het moment dat de dood intrad, de lotsbestemming van de reiziger wordt grotendeels bepaald door de manier waarop hij zich door de uitdagingen heenslaat die hem te wachten staan. Deze in totaal 49 uitdagingen bestaan uit oeroude beelden die gezien worden als manifestaties van de menselijke psyche. Ze komen voort uit onszelf hoe vreemd en angstaanjagend ze ook mogen zijn. Deze gedetailleerde beelden zijn voorstellingen van de eigen hebzucht, lust, onwetendheid, begeerte, trots, afgunst en haat. Uit het Tibetaanse boek van leven en sterven blijkt dat de beste manier om het oordeel succesvol te doorstaan erin bestaat te beseffen dat de steeds verontrustender wordende gebeurtenissen die zich aandienen uiteindelijk een illusie zijn van voorbijgaande aard . Enkel door meditatie kan de mens zich voorbereiden op de negenenveertig ontmoetingen en kan men verhinderen dat men erdoor wordt afgeleid. Mogelijkheden Met het oordeel wordt de geest bevrijd van onzekerheid en ambiguïteit, en van de angst van het wachten. Op grond van het oordeel dat werd geveld, beweegt de geest zich voort door de talloze landschappen van het hiernamaals, op weg naar zijn uiteindelijke bestemming. Openheid is volgens haar de essentie van het derde stadium van de reis. De gebieden waarheen de geesten in het hiernamaals reizen, zijn vrijwel onbegrensd in hun topografie, bewoners en eigenschappen. Het is in deze fase dat de fantasie van hiernamaalsvoorstellingen van de verschillende culturen hoogtij viert. Sukie Miller beperkt er zich dan ook toe slechts een aantal impressies te geven aangezien het zoals ze zelf zegt onmogelijk is een encyclopedie van het hiernamaals weer te geven. Het meest geruststellende is het idee dat de doden ergens zijn. Dit staat lijnrecht tegenover het angstaanjagende beeld van een kleine, eenzame geest die door de ruimte heen naar de vergetelheid tolt, aldus de onderzoekster. Terugkeer De bestemming die in de derde fase werd bereikt, hoeft niet permanent te zijn. De reis kan uiteindelijk leiden naar een nieuw vertrekpunt. In het vertrek ligt de terugkeer besloten. De dood bevat het zaad van de wedergeboorte. Het komt maar heel zelden voor dat een cultuur de dood als het absolute einde beschouwt waarbij de menselijke geest uitgewist wordt zonder de belofte van een terugkeer. Reïncarnatie en de daarmee gepaard gaande opvatting van de onsterfelijkheid van de ziel is een uiterst vruchtbaar en troostrijk idee voor hen die dachten dat de dood hetzelfde is als ten prooi vallen aan vergetelheid.

112

Sukie Miller sluit haar boek af met een kort hoofdstukje over de hoop, een onderwerp waarover veel minder geschreven wordt dan over het geloof of de liefde. Aan het eind van haar werk, grijpt Miller het begrip hoop aan om de houding ten opzichte van de dood te belichten van twee vrienden van haar: Henry en James. Het boek begint trouwens met de manier waarop beide mannen met het naderen van hun dood zijn omgegaan. Henry stierf in vrede. James stierf in doodsangst. Henry had volgens Miller heel zijn leven lang hoop gekoesterd. James nooit. Met betrekking tot de dood kon James niet de mogelijkheid toestaan dat het verschrikkelijke ervan verzacht kon worden door werkelijkheden die hij niet kon weten. Hij kon zich geen werkelijkheid voorstellen die de mogelijkheid van meer omvatte, meer dan het niets na de dood, aldus zijn vriendin. Hij leed aan een gebrek aan verwachting dat de dingen wel eens anders zouden kunnen zijn dan ze er op het eerste gezicht uitzien. De verhalen uit haar persoonlijke leven zijn voor Sukie Miller naar eigen zeggen het overtuigende bewijs geweest dat we ons cynisme moeten laten varen en moeten toegeven dat de kans bestaat dat de dood geen deur is die wordt dichtgesmeten, maar een drempel, en dat er zich in het heelal veel meer afspeelt dan men op het eerste gezicht kan zien. Zonder hoop, hebben pijn en lijden vrij spel. De oude beelden van het hiernamaals Om de christelijke beelden van het hiernamaals te begrijpen, gaan we terug naar de oorsprong ervan in de joods-Hebreeuwse traditie. Al vele eeuwen voor het begin van de christelijke jaartelling hadden de Hebreeërs een tamelijk marginaal bestaan tussen de rivier de Jordaan en de Middellandse Zee. De kleine staatjes in Palestina trachtten voortdurend het hoofd boven water te houden te midden van machtige, koloniserende rijken. De joodse theologische geschriften die het fundament vormden voor het christendom, waaronder de geschriften die in het Oude Testament bijeen werden gebracht, kwamen vanaf de 9de eeuw vóór Christus tot in de 2de eeuw na Christus onder deze omstandigheden tot stand. Zoals zo vaak waren die theologische geschriften vooral pogingen om een antwoord te vinden op de vraag naar de zin van het leven. Waarom zijn we hier, met welke bedoeling en hoe en waar eindigt het allemaal? Het antwoord op deze vragen trachtte men te vinden in de verschijnselen en gebeurtenissen van alledag of die uit het verleden. Heden en verleden bepaalden de kijk op de toekomst, en daarmee ook op het leven na de dood. Wanneer er ingrijpende veranderingen in de aardse omstandigheden plaats vonden, dan had dat onherroepelijk zijn weerslag op het beeld dat men had van het hiernamaals. Vaak speelden invloeden van buitenaf een wezenlijke rol in de beeldvorming. En die waren er in het geval van de Hebreeërs talrijk: de joodse geschiedenis tot de eerste eeuw na Christus was er vooral een van omzwervingen, bezettingen en zelfs deportaties. Onmiskenbaar zorgde dit voor veranderingen in de Hebreeuwse cultuur en daarmee ook in de opvattingen over het leven na de dood. In de joodse opvattingen over het hiernamaals zijn hierdoor vier, min of meer chronologische, hoofdstromingen te onderscheiden. Vier Hebreeuwse hiernamaalsbeelden 1. De mesopotamische visie, ontstaan in het Tweestromenland, ging ervan uit dat het universum uit drie delen bestond: hemel, aarde en benedenwereld. In de hemel bevonden zich de hemelgoden, op aarde de gewone stervelingen. De benedenwereld was het rijk der doden, waarover andere goden de scepter zwaaiden. Deze indeling in drieën hadden de Hebreeërs via Akkadiërs, Babyloniërs en Assyriërs overgenomen van de oude Sumeriërs. De Sumeriërs hadden al bedacht dat de mens de aarde gekregen had van de goden in de hemel, en dat er diep onder de aarde een enorme grot voor de doden en voor de vuurgoden bestond. Deze onderwereld bij de Hebreeërs heette Sheol. Omdat zowel de hemelgoden als de goden en voorouders in de onderwereld het lot van de bewoners van de tussenlaag - de aarde dus - konden beïnvloeden, moest met allemaal gecommuniceerd worden. Daar waren tempels, priesters, tempelkoren, offergaven en gebeden voor nodig. Aardbewoners konden dus bij hun voorouders in de benedenwereld en bij de hemelgoden aankloppen voor hulp bij aardse sores. De hemelgoden controleerden bijvoorbeeld het hemelwater; als er regen nodig was voor de oogst, dan moest je hen gunstig zien te stemmen. En dan maar hopen dat de hemelsluizen opengingen. Wie overleed, ging niet direct richting Sheol. Eerst moest het lichaam begraven worden, waardoor

113

het in eerste contact kwam met de onderwereld. Terwijl het vlees verging en de botten bleekten, daalde een schim met de contouren van de overledene naar een schimmengebied af. Daar vonden de eerste ontmoetingen met overleden familieleden en andere bekenden plaats. Hierna ging het verder, naar een meer definitieve plek in Sheol. Je behield in Sheol als schim de contouren van je aardse lichaam en resten van je bewustzijn en je geheugen; je kon via je nakomelingen immers ook op de hoogte blijven van wat er op het aardoppervlak gebeurde. Zorgden je achtergebleven familieleden en afstammelingen op aarde goed voor je nagedachtenis, dan mocht je in de lichtere, prettiger delen van Sheol verblijven. Zo niet, dan verhuisde je naar de donkere en sombere onderste lagen. Daar verbleven ook de schimmen van criminelen en van degenen die op het slagveld waren gesneuveld. Hoop op een of andere opstanding uit de dood was volgens deze eerste Hebreeuwse visie uitgesloten. Je werd als het ware als een lege zak opgeborgen in een postmortale kelderkast. 2. De materialistische visie hield het erop dat er geen communicatie met de doden mogelijk was. Voorouderverering had dus geen enkele zin. Eigenlijk was er maar minimaal geloof in een leven na de dood. De goden van de hemel en de onderwereld waren evenmin verering waard en werden dus in de ban gedaan. De Hebreeërs die hun voorouders vereerden en in een hemel en in Sheol geloofden, werden als heidenen beschouwd. Alleen Jahweh, de nationale god van de Hebreeuwse gebieden, was van belang. Jahweh was een god der levenden, en hij kon ervoor zorgen dat vreemde heersers verslagen werden. En dat was nodig ook, want de Hebreeuwse stroming die alleen Jahweh erkende, kwam rond pakweg de 8ste eeuw v.Chr. op in noordelijk Samaria en zuidelijk Juda. Hier lagen kleine joodse vazalkoninkrijkjes, die grote druk ondervonden van het machtige Assyrische rijk. Een oppermachtige god die zulke machtige heersers kon verslaan, was in deze crisistijden erg welkom. Zijn volgelingen waren hiermee zo'n beetje de eerste Hebreeërs die op een monotheïstische religie overstapten. Koning Hezekia (728-699 v.Chr.)

De hel is misschien wel niets anders dan een enorm congres van mensen die weinig of niets te zeggen hebben en daar een eeuwigheid over doen. - Stone, Dudley C.

probeerde het monotheïsme al wettelijk door te voeren, maar vooralsnog zonder succes. In 623 v.Chr. lukte koning Josia dat wel. Hij bleek hiermee een eerste basis te leggen voor vele eeuwen monotheïsme in de westerse en islamitische wereld. De aanzet tot de Jahwehverering kwam van de zogenaamde predikers of profeten. Zij concentreerden zich rond de tempel van Jeruzalem. De predikers legden sterk de nadruk op het uitverkoren karakter van het joodse volk. De Israëlieten of joden - de naam is afgeleid van Juda - waren het 'volk van God', met een speciale opdracht in de wereldgeschiedenis. Straf in een hiernamaals was in de ogen van aanhangers van de

materialistische Hebreeuwse stroming logischerwijze niet aan de orde. Jahweh strafte de zondaars wel vóór de dood, vooral collectief. Op het moment dat de Hebreeërs het in de ogen van hun god te bont maakten door bijvoorbeeld reinheidstaboes te overtreden of afgodsbeelden te aanbidden, stuurde hij ziektes, hongersnoden, buitenlandse overheersers of collectieve deportaties. Predikers betoogden dat Samaria in het begin van de 8ste eeuw v.Chr. niet voor niets door de Assyriërs bezet was, waarna de bevolking gedeporteerd werd . Jahweh had hier uiteraard de hand in gehad, net zoals hij de inname van Jeruzalem in 587 v.Chr. en de erop volgende ballingschap van de Hebreeers in Babylon veroorzaakte. De nieuwe identiteit als uitverkoren volk zorgde ervoor dat de ballingschap niet het einde van het volk van Juda betekende. Integendeel, onder de ballingen werd de

114

joodse godsdienst tot een godsdienst van het heilige boek, waarin de geboden en rituelen gedetailleerd waren opgetekend. Bij dit alles waren de doden volgens de strikte Jahweh-leer niet meer van belang. Doden en hun lichamen moest men vermijden, niet vereren. Het oudtestamentische Boek Job uit de 5de eeuw v.Chr.- getuigt daar bijvoorbeeld van. Job en zijn tijdgenoten gingen ervan uit dat alle doden in een vage, sombere en chaotische onderwereld terecht kwamen, net zoals oudere Semitische volkeren als de Babyloniërs geloofden. Voordeel was wel dat de doden geen aardse misère meer hoefden te ondergaan. 3. De apocalyptische visie. Voor de doden was er in deze visie gelukkig nog wel hoop. Alle ontberingen die men leed op aarde, zouden in de toekomst namelijk ruimschoots gecompenseerd worden, mits je het goede geloof aanhing. Jahweh zou bij de Apocalyps alle vijanden vernietigen en heerser worden over een aards koninkrijk. Voor alle gelovige Hebreeërs was er een wederopstanding weggelegd in dit nieuwe tijdperk van joodse overheersing. Ze zouden met lichaam en al verrijzen uit Sheol en hierna van een heerlijk nieuw leven genieten. In het nieuwe koninkrijk zou je kunnen trouwen en tal van kinderen kunnen krijgen. De idee van de wederopstanding namen de joden over van de oude Perzen. De Perzische profeet Zarathustra had immers al beschreven dat zielen van overledenen eerst individueel beoordeeld werden en dan voor beloning of straf naar een hemel of hel gingen, tot aan het moment waarop een apocalyptische schoonmaak van de aarde zou plaatsvinden en de zielen weer met hun lichaam verenigd zouden worden. Daarna zou men eeuwig verder leven in het nieuwe paradij s op aarde, geregeerd door Ahura Mazda. De apocalyptische zienswijze van de Hebreeërs was, anders dan bij de zoroastrische Perzen, voornamelijk nationalistisch en politiek geïnspireerd. Het volk Israëls en zijn god werden als superieur beschouwd. Als volk met een bijzondere goddelijke opdracht zouden ze het eeuwige koninkrijk op aarde verwerven. Met terugwerkende kracht kon dan een lange neus getrokken worden naar al die Babyloniërs, Egyptenaren, Perzen, opvolgers van Alexander de Grote en noem maar op die de Hebreeërs vóór de Apocalyps altijd zo geknecht hadden. Dit verklaarde tevens waarom Jahweh zich steeds maar niet bemoeide met het zware lot van de joden. Hij wachtte in zijn oneindige wijsheid simpelweg op het moment dat hij zelf had uitgekozen. Het lijden werd in het verlengde hiervan niet langer alleen als straf gezien, maar ook als beproeving en zelfs als zoenoffer. In de 2de eeuw v.Chr. kwam de apocalyptische stroming binnen de Hebreeuwse gemeenschappen in het Midden-Oosten wederom sterk op, onder invloed van, ditmaal, de overheersing en vervolgingen van de Griekse opvolgers van Alexander de Grote. Het oudtestamentische Boek Daniël uit die tijd verwacht dat 'van degenen die in het stof der aarde slapen, velen zullen ontwaken.' Tot in de 2de eeuw na Christus zouden de joden in apocalyptische denkbeelden blijven geloven, mede onder invloed van de Romeinse vernietiging van de herbouwde tempel in Jeruzalem. Frappant genoeg geloofden vele apocalyptici niet dat de joden voor eeuwig in het nieuwe en eeuwige paradijselijke koninkrijk van na de wederopstanding zouden wonen. In het apocriefe boek van de profeet Henoch bijvoorbeeld is sprake van een periode van vijfhonderd tot pakweg negenhonderd jaar. Daarna ga je echt dood, ditmaal wel voor eeuwig. 4. De hellenistische visie. Deze leunde sterk tegen de denkwereld van de Griekse filosofen aan. Daarmee kwam ook een mengvorm van een westers en oosters hiernamaalsdenken tot stand. De onsterfelijke ziel maakte zich na de dood van het lichaam los. Goede zielen konden een eeuwig

115

verblijf in een hemel tegemoet zien, verenigd met de god die men bij leven al had vereerd, en verenigd met de goddelijke hemelbewoners, de engelen. Na de dood haalden engelen de ziel op bij het lichaam. In een triomfwagen ging het vervolgens richting hiernamaals - mits je bij leven geen slechterik was geweest overigens. In dat geval kon je afmarcheren naar het sombere schimmen rijk. De hellenistische stroming kwam voort uit een aversie tegen de oude tradities. De aanhangers konden zich niet echt neerleggen bij de oude ideeën over Sheol. Waarom na de dood met z'n allen voortgeleefd in zo'n somber en ellendig oord? Waarom zou Jahweh zijn volgelingen niet redden van zo'n droevig lot? Ook alle anderen, of je nu Egyptenaar, Pers of Babyloniër was, kwamen volgens de oude tradities als schim in dezelfde onderwereld terecht. Dat was niet eerlijk. Die anderen hadden Jahweh niet aanbeden. Ze hadden in heel wat gevallen de Hebreeërs zelfs op het slagveld bestreden. De auteur van Psalm 73 laat daarom weten dat hij het lot van de slechten na hun dood benijdt: ze voelen geen pijn en geen lijden. Dit inzicht leidde tot de introductie van een hemels bestaan en de degradatie van Sheol tot een akelig verblijfsoord voor de rotzakken, een echte hel dus. Ook was er nu geen eindeloos gewacht op een koninkrijk op aarde meer nodig. En het eenzijdige aanbidden van Jahweh als godheid louter voor de levenden, zonder perspectief op iets beters na de dood, kon eveneens op de helling. In tegenstelling tot de apocalyptische visie was deze vierde Hebreeuwse zienswijze vooral filosofisch en individualistisch van aard. Alleen was het nog de vraag wat er van het lichaam zou worden als het niet meer als schim de onderwereld zou betreden. Inspiratie daarvoor werd bij de Grieken gevonden, in het bijzonder bij de wijsgeer Plato (428-347 v.Chr) Psychologie van het hiernamaals De religieuze geschriften geven geen duidelijke omschrijving van het hiernamaals. In de Bijbel staan verwijzingen naar de Stad Gods en naar de Hof van Eden, maar een eenduidige beschrijving van het lot van de doden direct na hun overlijden ontbreekt. Dit heeft er toe geleid, dat christenen steeds een nieuwe invulling van de hemel ontwierpen. In vrijwel elke historische periode zijn visies op het hiernamaals opnieuw bediscussieerd en gedefinieerd. Het hiernamaals heeft zeer uiteenlopende vormen aangenomen. Waarom kan men niet volstaan met één beeld, dat door de eeuwen heen bewaard blijft en inspireert? Uit een uitgebreid onderzoek van McDannell en Lang blijkt hoe keer op keer levensomstandigheden en tijdperk invloed uitoefenen op beelden van het hiernamaals. Zonder uitzondering vormen deze een weerslag van op aarde heersende omstandigheden. Deze beelden voorzien in behoeften van mensen die angst hebben voor de dood en een zin zoeken in hun leven. Ze geven (kerkelijke) machthebbers een middel om morele opvattingen kracht bij te zetten door te dreigen met hel en verdoemenis of door mensenoffers te vragen die regelrecht naar de hemel zouden leiden. Wanneer mensen gemarteld werden, is de hemel een plaats zonder martelingen; waar mensen hun ware liefde niet konden ontmoeten vanwege heersende omstandigheden, wordt de hemel voorgesteld als een plaats waar men verenigd zou worden met zijn ware liefde. In tijden dat het gezin prevaleerde, wordt de hemel voorgesteld als een plek waar de familie herenigd wordt; waar het celibaat hoogtij viert, kan een vereniging met Christus het vooruitzicht zijn. Theocentrische en antropocentrische hemelbeelden In de visies op de hemel men de volgende beelden onderscheiden. 1. In het theocentrische - op God gerichte - beeld van de hemel is sprake van een hemels leven waarin de rechtvaardigen in eeuwigheid met God alleen verkeren. Er is een duidelijke relatie tussen God en de mens, waarbij God in alle opzichten superieur wordt geacht aan de mens en een volledige overgave eist. De hemel staat in groot contrast met het leven op aarde. Een voorbeeld van een theocentrisch hemelbeeld vinden we al bij de eerste christenen. Het christendom was nog een minderheidsreligie en de aanhangers werden vervolgd. Het beeld van de hemel dat Johannes in 66 na Christus beschreef is dat van een hemelse liturgie waar de toeschouwer een blik op mag werpen (Openbaringen, 4), en een beeld van het nieuwe Jeruzalem, waarin hemel en aarde samenvielen (Openbaringen, 21). Johannes mocht op uitnodiging van een engel de hemel binnentreden. Hij ziet een ruimte met daarin de goddelijke troon waarop God gezeten is in menselijke vorm. Beide zijn zo ongelofelijk mooi dat ze alleen in termen van edelstenen kunnen worden beschreven. Naast de

116

troon bevinden zich vierentwintig ouderlingen, alsmede een leeuw, een kalf, een mens en een arend, de vier evangelisten. Zij aanbidden Hem. Jezus wordt voorgesteld als lam dat geofferd is aan God. De ouderen worden vergezeld door engelen, door 144.000 mensen van alle stammen van Israël, en 144.000 andere mensen van alle mogelijke naties, ras, stam en taal. Allen aanbidden God met harpspel, het bewegen van palmbladeren, gezang, geroep en het branden van wierook. Soms wordt de liturgie onderbroken door ongeveer een halfuur stilte voor meditatie. De mensen zijn martelaren ( illustratie plaatsen :Theocentrische hemel: De Aanbidding van het Lam) die voor het geloof gestorven zijn. Zij kunnen nu voor eeuwig genieten op een plaats dicht bij de troon, en zullen nooit meer honger of dorst lijden of door de zon gekweld worden, omdat het lam hen naar de bronnen van het levenswater leidt en God alle tranen uit hun ogen zal vegen. De engelen vechten tegen Satan, blazen trompetten, en houden zich op allerlei wijze met hemelse en aardse zaken bezig, in tegenstelling tot de mensen. Het hele beeld is een mengeling van Hellenistisch-Romeinse hofceremonie en vroegchristelijke aanbidding: de idealen uit de bekende aardse wereld werden geabstraheerd en uitvergroot tot een volkomen op God gerichte hemel. Een later voorbeeld van de theocentrische hemel, en in termen van abstractie extremer dan de openbaringen van Johannes, zijn de voorstellingen van de hemel van Thomas van Aquino en de 13e eeuwse mysticus Ruusbroec. Aquino baseerde zijn visie op de hemel voor een belangrijk deel op de toen bekende astronomische opvattingen van Aristoteles en Ptolemeus. De aarde werd gedacht als het centrum van een aantal concentrische sferen. Deze sferen droegen de zon en de maan, de zeven planeten sterren. hiervan maakt, ten en Het was maar de hart van hoe hoe

ruw materiaal gemeer men naar buibewoog, zuiverder de materie en hoe lichter en hemelser de sfeer werd. De buitenste sfeer was de Hemel der Hemelen, de sfeer daaronder het Empyrium, oftewel het Hemelse firmament. Hier bevond zich het koninkrijk van God, gevuld met eeuwige vreugde en glorie. Het beeld dat Ruusbroec ervan schetst is zeer abstract. Het hemelfirmament bestaat volgens hem uit een zuivere stof die als een soort licht wordt voorgesteld - het vijfde element, de quintessence. Hier zou men in zalige aanschouwing: God zien zoals Hij is, in een gelukzalige immobiliteit. Uit afbeeldingen blijkt dat men zich hier ook mensen voorstelde, maar het beeld doet vaak mathematisch aan: de nadruk ligt op de sferen. De mensen die worden afgebeeld staan in grote kringen om de sfeer heen, waarbij zij nauwelijks als individuen van elkaar te onderscheiden zijn. De beschrijving die Dante geeft van zijn reis door de sferen van hel, purgatorium en hemel vormt het hoogtepunt van het beeld van de hemel in termen van hemelse sferen. Hoewel de reis in het teken staat van het zoeken naar zijn geliefde Beatrice, worden de beschrijvingen van de hemel steeds abstracter en steeds meer in termen van licht en goddelijke liefde. God wordt voorgesteld als het centrum en de bron hiervan. Ook in de hemel die zowel protestanten als katholieke hervormers uit de 17
e

eeuw beschreven,

staat de aanschouwing van God centraal. Het eeuwige leven van de heiligen is volkomen gericht op het goddelijke centrum. Zij bezingen God in eeuwigdurende lofzangen (sanctus) of verkeren in intieme relatie met het goddelijke. In de 19" eeuw vormt het statische theocentrische beeld een tegenhanger van de antropocentrische visie, die toen erg populair was. Als belangrijkste activiteit moet men hier eindeloos psalmen en lofzangen zingen. In de 20" eeuw komt het theocentrische

117

beeld van de hemel weer terug bij theologen, maar de meeste gelovigen houden vast aan een antropocentrisch beeld van de hemel. 2. Het antropocentrische, of mensgerichte beeld van de hemel ziet de hemel als een geïdealiseerde versie van het leven op aarde.(illustratie Antropocentrische hemel: Paradijs, Hieronymus Cock) Dit beeld van de hemel staat in groot contrast met het abstracte, Godgerichte beeld. Het kent heel concrete en heel gevarieerde invullingen: er is sprake van hereniging met familie en van sociale activiteiten, zoals dansen, zingen of het gezamenlijk genieten van maaltijden. De hemel is een geïdealiseerde versie van de samenleving, en wordt soms als stad afgebeeld, soms als tuin, soms als een combinatie van beide. Opmerkelijk is dat de voorstellingen van de hemel vooral bepaald worden door wat men in de periode waarin het hemelbeeld tot stand is gekomen als werelds ideaal beschouwt: eeuwige liefde tussen man en vrouw, gezelligheid, intellectuele en emotionele ontwikkeling, enzovoorts. Eveneens typerend voor de antropocentrische visie is dat het gewone leven zich vaak voortzet in de hemel, maar dan in geïdealiseerde vorm, dus geen ziekte, armoede, diefstal , onveiligheid of dood, en geen negatieve emoties als angst, wrok, spijt of haat. God verschuift vaak naar de achtergrond en verdwijnt zelfs grotendeels uit beeld. Er kunnen dieren en planten voorkomen, hoewel theologen zich hier vaak ook sterk tegen verzetten (bijvoorbeeld Thomas van Aquino). De renaissance was een van de glorieperioden voor de antropocentrische hemel, hoewel ze vrij kort duurde. Met de toename van interesse in het individuele, aardse bestaan, ontstond ook een interesse om dit individuele bestaan voort te zetten en te voltooien na de dood. De hemel werd gezien als een paradijselijke tuin vol palmen en bloemen, waarin men herenigd werd met vrienden en waar geliefden die elkaar op aarde niet mochten of konden liefhebben, nu tot elkaar werden gebracht. Flirten, vriendschap en liefde in de hemel werden thema's die ook in de schilderkunst werden uitgebeeld, zoals bijvoorbeeld op het Laatste Oordeel van Fra Angelico, waarop omhelzingen en het hand in hand ronddansen worden uitgebeeld. Het paradijs wordt gekenmerkt door beweging, activiteit, gevoel, verwachting en menselijkheid. De invulling van de hemel is zeer gedetailleerd: ofwel een paradijselijke tuin, of een hemelse stad - geïnspireerd op de Hof van Eden of de Stad Jeruzalem. Het is een aantrekkelijke, veilige plek, waar het goed toeven is. Een van de belangrijkste bronnen van de moderne opvattingen vanaf de 18
e

eeuw over de antro-

pocentrische hemel is afkomstig uit de visioenen van Swedenborg. Met zijn voorstellingen over de hemel als vervolg van het leven op aarde, en zijn nadruk op activiteit en op menselijke liefde (in plaats van liefde voor God) werd de Andere wereld herkenbaar, materieel, en tastbaar - dit in contrast met de abstracte theocentrische hemel. Volgens Swedenborg leven de engelen in maatschappijen en steden en in huizen die hun innerlijke toestand en niveau van spirituele ontwikkeling weerspiegelen. Alles in de hemel, van planten tot kleding, staat in direct verband met het psychospirituele niveau van een geest of een engel, die ze waarneemt. Liefde is een toestand, geen plaats, benadrukt Swedenborg: in externe schoonheid ligt geen blijvend plezier; de interne waarden van liefde, wijsheid, waarheid en liefdadigheid maken de externe vreugden eeuwig vreugdevol. De hemel van Swedenborg werd populairder dan de ascetische theocentrische hemel uit dezelfde

118

periode. Diverse religieuze denkers, theologen en mystici gaven hun eigen invulling van de hemel, die stuk voor stuk geënt waren op het aardse leven. De Lutheraanse pastoor Nicolai schreef dat aan het einde der tijden de materiële structuur van de wereld intact zou blijven, behalve dat door het wegvallen van de zee reizen een stuk eenvoudiger zou worden. Dit was een ideaal dat alleen kon zijn ingegeven door de ontdekkingsreizen, die de wereld zoveel groter maakten dan voorheen en een grote rijkdom aan (geestelijke en materiële) schatten openbaarden, maar die tevens zoveel risico met zich meebrachten. De Kapucijner broeder Martin de Cochem (1634-1712) stelde: "De hemel is niet iets spiritueels, zoals sommigen veronderstellen, maar iets stoffelijks, gemaakt van een bepaalde soort materie en met vorm en substantie". Er zijn dus echte rivieren, bomen, fruit, bloemen en planten. De kunst van de Duitse barok en rococo kerken weerspiegelt deze opvattingen. De Zwitserse priester Lavater was van mening dat we zelfs konden reizen door de talloze werelden van het universum. De aarde, als plaats waar Christus leefde, was het natuurlijke klimaat van de gezegenden. Hoewel Aquino's middeleeuwse hemel, zonder planten en dieren, de standaard vormde voor de katholieke theologie, stond de kerk een variëteit aan voorstellingen van het andere leven toe. De rijkdom van Swedenborgs hemel is evenwel ongeëvenaard. In de 19 eeuw kregen zijn visioenen een moderne uitwerking in bijvoorbeeld de toen zeer populaire roman The Gates of Ajar van Elizabeth Stuart Phelps (1844-1911). Zij zag de hemel als een sociale en huiselijke plek, waar Victoriaanse gezinnen en beroemdheden samen in een pittoreske, natuurlijke omgeving leefden. Ze speelden piano, de kinderen kregen onderricht, en men wandelde in parken. De hemel kende straten en keurige huizen. De liefde zoals men op aarde had ervaren in huiselijke kring werd voortgezet in de hemel. Uit grafschriften blijkt hoe deze gedachte nabestaanden steun verleende bij een sterfgeval. Daarnaast werd ook benadrukt dat de hemel geen plaats van rust is, maar een van voortdurende activiteit. Veel Britse en Amerikaanse protestanten volgden het actieve beeld dat de Schots Isaac Taylor in 1836 schetste. Hoewel de details van het werk in de hemel niet werden toegelicht, was voor velen duidelijk dat 'handelingen van devotie en normale betrekkingen/beroepen' bleven doorgaan. De hemel is 'the busiest of places'.Er wordt samengewerkt, er is onderwijs, zingen, muziek maken, filosofische, wetenschappelijke en theologische studie, er wordt verpleegd, onderwezen en er zijn gidsen die minder spiritueel voorbereiden helpen. Alle activiteiten worden als 'werk' aangeduid, hoewel men er niet moe of versleten van wordt. Hemels werk is geen productiewerk, maar een middel tot zelfexpressie, liefdadige dienstverlening en gehoorzaamheid aan Gods wil. Het is een werkende stad waarin de inwoners allen hun eigen sferen, afspraken en dagelijks bezigheden hebben. Een plaats voor luiaards is het niet. Deze kleine greep uit twee millennia hemelse voorstellingen is geenszins volledig. Talloze andere beelden kunnen worden aangedragen om te illustreren dat zowel de antropocentrische als de theocentrische beelden van de hemel keer op keer terugkomen. Ze behoren niet tot een bepaalde tijd (vroeger of hedendaags), tot een theologische voorkeur (protestants of katholiek), of bij een bepaald ontwikkelingsniveau (theologen, filosofen of juist leken). Het lijkt er eerder op dat wanneer mensen, om wat voor reden ook, afstand nemen of voelen tot de wereld, zij zich voelen aangetrokken tot een theocentrische visie. Degenen die zich thuis voelen in deze wereld, hebben vaak een antropocentrisch beeld van de hemel, omdat deze hier een verbeterde voortzetting van is. De vraag die hier impliciet aan ten grondslag ligt, is de vraag naar de zin van het leven. Het lijkt erop dat mensen die het tijdens hun leven redelijk naar hun zin hebben, graag een verbeterde voortzetting van dat leven zien in de hemel. De dood wordt hiermee van zijn definitieve aspect van absoluut einde ontdaan: in de hemel wordt het leven van nu voortgezet. Het mag geen verbazing wekken dat juist in de antropocentrische visies allerlei zintuiglijke vermogens, eten, drinken, seksualiteit en voortplanting tot de mogelijkheden behoren. We zouden ook kunnen zeggen dat voor de aanhangers van de antropocentrische visie de kwaliteit van hun bestaan reeds in hun bestaan hier gevonden wordt, waardoor bij een voortzetting van hun bestaan (in kwantitatieve zin) ook de kwaliteit gevonden wordt. Het antwoord van de theocentrische visie gaat dieper in op het kwalitatieve aspect van zin: pure voortzetting van het aardse bestaan voldoet niet; juist omdat dit aardse bestaan als negatief wordt ervaren of bestempeld. Ofwel mensen ervaren zelf teveel lijden om naar een voortzetting van het wereldse bestaan te verlangen (bijvoorbeeld door vervolgingen), of de Kerk leert dat het wereldse
e

119

bestaan nietig is. Het is een tranendal en men heeft geen behoefte aan een voortzetting daarvan. Integendeel men wil uit dat tranendal verlost worden. De theocentrische hemel laat een beeld zien waarin God en diens liefde omvattender zijn dan de wereldse genoegens. De cultuur waarin een bepaalde visie op de hemel tot stand komt, oefent, naast persoonlijke ervaringen een grote invloed uit op het hemelbeeld. Het geloof is meer dan een pasklaar antwoord op bepaalde vragen, maar is ingebed in tradities, die taaier zijn dan menig gelovige zou willen. Toch ligt het voor de hand dat de levensomstandigheden gerelateerd zijn aan de hoop op een hiernamaals. Er zijn echter meerdere invullingen van deze relatie mogelijk, en de manier waarop iemand dit beleeft zal - zeker in deze tijd - in hoge mate bepalend zijn. Oordeel: hemel of hel Collectieve levensomstandigheden spelen een belangrijke rol in beelden van het hiernamaals. We kunnen dit verder toespitsen op vragen die meer te maken hebben met angst voor de dood en hoop op de hemel. Een van de achtergronden voor het geloof in een hiernamaals is zowel de troostende gedachte dat met de dood het bestaan niet helemaal voorbij is, als de mogelijkheid die een hiernamaals biedt om een rechtvaardiging te bieden voor geleden onrecht. Daarbij fungeert de moraal als maatstaf. Het moment waarop de moraal zijn intrede deed in het geloof in onsterfelijkheid is een van de meest invloedrijke wendingen geweest in het denken over de onsterfelijkheid. Moraal en onsterfelijkheid zijn niet altijd met elkaar verbonden. Zowel de Sheol van het vroege jodendom als de Griekse onderwereld Hades waren op geen enkele wijze verbonden met de leefwijze van de gestorvenen. Terwijl Sheol of Hades het lot van iedere gestorvene zijn, wordt in latere voorstellingen van het hiernamaals een onderscheid gemaakt tussen degenen die goed geleefd hebben en zij die het slechte hebben gedaan. De onrechtvaardigen of zondaren komen in de hel, de rechtvaardigen in de hemel. In de christelijke opvatting van onsterfelijkheid zijn moraal en het voortbestaan na de dood zo onlosmakelijk met elkaar verbonden, dat men zich nauwelijks een hiernamaals als ethisch neutrale plaats kan voorstellen. Met name in de eerste eeuwen na Christus zijn vele voorstellingen gemaakt van de relatie tussen aardse handelingen en voortbestaan na de dood. Typerend voor deze voorstellingen, die vaak als openbaringen te schrift werden gesteld, zijn twee elementen: er is sprake van een oordeel of goddelijk gerecht en van beloning en straf: de goeden worden beloond, de slechten gestraft overeenkomstig hun zonden. In bijvoorbeeld de Canon Muratori, een verzameling teksten uit de 2
e

eeuw, wordt een sterveling in de gelegenheid

gesteld een kijkje te nemen in het hiernamaals. Hij ziet zowel engelen en eeuwiggeurende bloemenvelden, waar de 'broeders der rechtvaardigen' mogen verblijven, als poelen van slijk of bloed, waar zondaren ondersteboven gekweld en gepijnigd worden. In weinig aan de verbeelding overlatende beschrijvingen verschaft de auteur ons een kijkje in het hiernamaals. Tevens maakt hij gewag van een goddelijk gerecht. In de christelijke visie wordt het oordeel geveld door God. Deze weegt de goede werken, gedachten en overtuigingen af tegen de slechte daden. Waar het goede overheerst volgt hereniging met God in de hemel, anders komt men in de hel terecht. Deze optelsom van goede en slechte handelingen blijkt bij nadere beschouwing gecompliceerder te zijn dan hij aanvankelijk lijkt. Wanneer komt men in de hemel terecht? Is alleen in God geloven voldoende om in de hemel te komen, zoals in het evangelie van Johannes staat geschreven? Of moeten we vele goede werken doen voordat de he-

120

melpoort zich ontsluit? Gaan de zondaren naar de hel, of komen ook 'degenen die geloven dat ze niet geloven' in de hemel, zoals de Italiaanse theoloog Marchesi in 1997 beweert. Is de hel leeg omdat God iedereen verlost, vroeg de Zwitserse theoloog Hans Urs von Balthasar zich af. We weten het niet. Het lijkt erop dat toelating tot de hemel gelijkstaat aan een soort examen, waarvan de eisen onbekend en in ieder geval in de loop der tijden variabel zijn gebleken. Een van de kenmerken van het oordeel is dat het onherroepelijk is. De overledene kan niet in discussie gaan met de opperrechter. Er is sprake van ultieme gerechtigheid. Dat is een van de aantrekkelijke kanten van het oordeel: God vergist zich niet en zal iedereen zijn verdiende loon geven. Degenen die in dit leven onder ziekte en lijden gebukt gaan, kunnen hopen op een beter bestaan in het hiernamaals. Degenen die de kwellingen van anderen hebben moeten ondergaan, ondervinden troost aan de gedachte dat vergelding voor hun kwelgeesten zal volgen. Echter, met de onzekerheid ten aanzien van de eisen in gedachten, wordt juist het element van de onverbiddelijkheid van het oordeel ook een van de meest angstaanjagende aspecten ervan. Immers, men weet weliswaar dat het oordeel definitief is, maar weet niet of hij aan de goede kant terechtkomt. De middeleeuwse mens Deze twee aspecten van het oordeel - de hoop op genade en de angst voor de hel - zijn prominent aanwezig in het denken van de middeleeuwse mens. Een klein vergelijk tussen de middeleeuwen en het einde van de 20
e

eeuw laat zien hoezeer er

sprake is van een samenspel tussen levensomstandigheden en houding ten aanzien van de dood en het hiernamaals, waarbij de morele bekrachtiging een belangrijke factor vormt: heeft men meer angst voor de dood of voor het hiernamaals? In de middeleeuwen is het oordeel een veel voorkomend thema in literatuur en kunst. De Divina Commedia van Dante Alighieri en de schilderijen van Jeroen Bosch vormen hoogtepunten in hun genre. In het algemeen kan men stellen dat de middeleeuwse mens leeft met de dood. Mensen leven met velen samen in kleine huizen en onder slechte hygiënische omstandigheden. Het gevolg: de dood is alomtegenwoordig. Ook kinderen worden op jonge leeftijd met de dood geconfronteerd. Deze dood is lang niet altijd vreedzaam: pest, oorlogen en armoede maken het sterven tot een catastrofale, angstwekkende en vaak pijnlijke, maar ook gewone gebeurtenis. De tegenstelling met de huidige klinische benadering van de dood is groot. Heden ten dage wordt de dood weggestopt in ziekenhuizen. elk mens leeft met de dood. Indien men ervan uitgaat dat het thema dood voor de meeste mensen pas gaat leven wanneer zij geconfronteerd worden met de nadering van de eigen dood of de dood van een dierbare, is het begrijpelijk dat juist in de middeleeuwen de dood een enorme belangstelling geniet. Speciale dodenboeken, de 'Ars Moriendi', geven allerlei aanwijzingen omtrent de 'kunst van het sterven'. De belofte op een voortbestaan in het hiernamaals fungeert als middel om de stervende van zijn angst voor de dood te verlossen. Daarnaast beantwoordt onsterfelijkheid aan het gevoel van hoop dat het leven na de dood beter wordt. De Kerk leert de middeleeuwse mens dat zijn werkelijke bestemming niet op aarde ligt, maar in de hemel. Het leven is een voortdurende voorbereiding op dit hiernamaals. Wanneer de aardse omstandigheden verre van ideaal zijn, kan men zich voorstellen dat een dergelijke boodschap een gretig gehoor vindt. Ze appelleert aan het verlangen naar gerechtigheid. Door de belofte van een beter bestaan na de dood krijgen lijden en onrechtvaardigheid een andere betekenis. Leed en onrechtvaardigheid in iemands aardse leven worden dragelijk door de gedachte aan een goddelijke vergelding. De rechtvaardigen worden uiteindelijk beloond, ook als ze ziek of arm zijn geweest of onrechtvaardig behandeld. De slechten krijgen hun straf. Een vergelijking met de huidige tijd laat zien dat mensen gemiddeld twee keer zo lang leven als de middeleeuwse mens (en dus in kwantitatieve zin meer onsterfelijk zijn dan de middeleeuwse mens) en meer mogelijkheden ter beschikking hebben om een zin in hun bestaan te leggen. De wereldse rechtspraak en medische zorg verschaffen de hedendaagse mens in niet geringe mate de middelen om reeds tijdens dit leven compensatie voor onrecht en lijden te verkrijgen. De hemel en de ultieme rechtvaardigheid verliezen aan belang: men tracht op allerlei wijze het geluk en rechtvaardigheid op aarde te vinden. Men zoekt zijn voortbestaan in deze wereld. Een aspect van het hiernamaalsgeloof dat bij uitstek heeft bijgedragen aan het uiteindelijk in diskrediet raken van het hiernamaals, is de keerzijde van het verlangen naar een beter bestaan na de dood. Deze hoop maakt het harde bestaan op aarde wellicht dragelijker. De hoop op de hemel gaat echter hand in hand met vrees voor de hel. Deze vrees kan op twee wijzen gestalte krijgen. Ten

121

eerste blijven de verbeeldingen van de hel geen abstracte plaatjes, want de middeleeuwse mens wordt voortdurend geconfronteerd met lijden en dood. Ieder mens moet zich zonder moeite hebben kunnen voorstellen hoe eeuwige kwellingen eruit zien. Wie zijn kinderen hoestend heeft zien sterven, zijn naasten van honger heeft zien omkomen of hele steden heeft zien verdwijnen door branden of pestepidemieën, heeft de hel reeds doorleefd. Dit betekent dat de angst voor de hel zeer reële vormen aan kan nemen. Wanneer we daarbij in overweging nemen dat men pestepidemieën en andere rampspoed als straf van God beschouwde, ontstaat een beeld van de middeleeuwse mens als iemand die niet alleen weet had van lijden, maar er ook nog van overtuigd was dat dit hem na de dood in nog heviger mate stond te wachten. De angst dat het bestaan na de dood nog erger kan worden dan het bestaan op aarde, moet veel mensen letterlijk doodsbenauwd voor het hiernamaals hebben gemaakt. nauw voor het hiernamaals hebben gemaakt. Het verlangen naar de hemel en de angst voor de hel gaan hand in hand, waarbij de afgronden van de hel alleen kunnen worden overbrugd door de dunne draad van de moraal. De inhoud van de moraal betreft vooral een godvruchtig leven: de vrome mens wacht de hemel. Kerkbezoek, bidden en biechten zijn manieren om aan de hel te ontkomen. Daarnaast leerde de kerk de mens de tien geboden te gehoorzamen. De dodenboeken droegen bij tot een juist leven, door mensen voor te houden zich niet te hechten aan materieel bezit, deemoedig te zijn, hun naaste lief te hebben. Men kan zich echter voorstellen dat vele mensen zich afvragen of zij het goede voldoende hebben gedaan, en, indien ze hebben geleefd als machtswellustelingen, mensenhaters of vrekken, op hun sterfbed of reeds daarvoor, grote angst voor de hel hebben gehad. Het alledaagse leven is een goede voedingsbodem voor voorstellingen van de hel. Vanuit de algemeen menselijke neiging het onaangename te willen vermijden, is het niet verwonderlijk dat men juist de hel wil uitbannen. Hedendaags onderzoek naar geloof in onsterfelijkheid bevestigt deze gedachte. Het blijkt dat een aanzienlijk groter aantal gelovigen in de hemel gelooft dan in de hel. Tevens blijkt dat in landen met een hoge rijkdom en een geringe spreiding van de rijkdom het geloof in een hiernamaals significant lager is dan in landen waar dit niet het geval is. Dit ondersteunt de gedachte dat het hiernamaals ondermeer aantrekkelijk is als gedachte aan compensatie voor onrechtvaardigheid op aarde. waarom gelooft men in persoonlijke onsterfelijkheid? Een belangrijk aspect van het vooruitzicht van onsterfelijkheid is de plaats van de mens in het universum. Zeker in de middeleeuwen, maar ook in later tijden, luidt het christelijke dogma dat de aarde ter wille van de mens is geschapen. Belangrijker nog dan deze plaats die God de mens heeft toegekend in de wereld, is het besef dat dit aardse bestaan slechts een kortdurende episode is in het licht van de eeuwigheid. Men zou zich hierdoor nietig en onbeduidend kunnen voelen, maar juist aan het feit dat de mens bestemd is voor een beter bestaan wordt de zin van het bestaan ontleend. Een leven dat eindigt bij de dood is futieler dan een leven dat eeuwig voortduurt, is de impliciete redenering. Onsterfelijkheid verschaft de mens een wapen om zijn leven niet als zinloos te zien. Het leven heeft een zin die het aardse leven ver te boven gaat, zeggen de gelovigen. Tolstoj, op latere leeftijd bekeerd tot het russisch-orthodox geloof, heeft jarenlang wanhopig gezocht naar 'een zin die niet door de dood die mij onvermijdelijk wacht, teniet wordt gedaan'. Hij vindt deze zin uiteindelijk in het geloof: "Het geloof is levenskracht. Als de mens leeft, dan moet hij in iets geloven. Zou hij niet geloven dat zijn leven ergens toe dient, dan zou hij niet leven. Als hij niet ziet en begrijpt hoe illusoir het eindige is, dan gelooft hij in het eindige; als hij begrijpt hoe illusoir het eindige is, dan moet hij in het oneindige geloven. Zonder geloof

122

is het leven niet mogelijk." "... hoe irrationeel en wanstaltig de antwoorden die het geloof geeft ook mogen zijn, zij [hebben] het voordeel dat zij bij elk antwoord de verhouding van het eindige tot het oneindige betrekken, zonder welke er geen antwoord kan zijn. Op welke wijze ik de vraag ook stel: "Hoe moet ik leven?", antwoord: volgens Gods wet. - "Wat is het werkelijke resultaat van ons leven?", antwoord: eeuwige kwellingen of eeuwige zaligheid, -"Welke zin is er, die met door de dood wordt teniet gedaan?", antwoord: de vereniging met de oneindige God, het paradijs.'" Tolstoj verbindt onsterfelijkheid met moraal en zin van het leven. Vanuit het verlangen een antwoord te krijgen op vragen rond dood, zingeving en moraal is onsterfelijkheid begrijpelijk. Het verschaft ons een zin van het bestaan. Dit is echter meer een geloofsargument dan een argument van de rede. Dat geeft Tolstoj ook toe: waar het gaat om de opvatting van individuele onsterfelijkheid, wint meestal het geloof het van de rede. Inzake onsterfelijkheid zijn filosofische argumenten zelden overtuigend. Ze lijken eerder een ondersteuning van de eigen religieuze opvattingen te zijn, dan bedoeld om een ander filosofisch te overtuigen. We zouden niet wensen dat we onsterfelijk waren, indien we het niet waren. Men moet niet proberen dit (rationeel) te begrijpen, aldus de kerkvader Tertullianus: "Gods zoon stierf; dit is te geloven omdat het nergens op slaat. En nadat hij begraven was, herrees hij; dit is vrij zeker, omdat het onmogelijk is"*"Ik geloof (het) omdat het ongerijmd is" (Credo quia absurdum)'" Alleen omdat onsterfelijkheid bestaat, kunnen we het denken. Religieuze doctrines zijn onbewijsbaar, geeft hij toe, maar toch moeten we ze geloven. Hume brengt hier tegenin dat het geloof in onsterfelijkheid juist zo verdacht is, omdat we het zo graag willen. Freud sluit zich enkele eeuwen later bij hem aan in zijn verhandeling over de toekomst van de religie. Volgens hem zou het heel mooi zijn 'indien [...] een leven in het hiernamaals bestond, maar het is toch zeer opvallend dat dit alles is zoals wij het ons wensen moeten.' Dat de hiervoor besproken beelden van de hemel zo mooi aansluiten op de in die tijd of cultuur gangbare idealen, mag geen toeval heten. In de psychoanalyse wordt het geloof in onsterfelijkheid een dwangneurose genoemd, die men door een groeiproces te boven zou moeten komen. De menselijke fantasie is rijk genoeg om onsterfelijkheid te kunnen bedenken, en we hebben er alle belang bij om het te bedenken, omdat het ons een plaats in het grotere geheel geeft, onze angst voor de dood verlicht en een bekrachtiging vormt van de moraal. Al met al lijkt Tertullianus' argument meer te zeggen over het verlangen naar onsterfelijkheid, dan over het bestaan ervan. Een meer pragmatisch argument is dat het voor onze gemoedsrust beter is in onsterfelijkheid te geloven. De schrijver/filosoof Miguel de Unamuno stelt dat mensen God hebben bedacht om ons leven na de dood zeker te stellen. Mensen hebben een drang tot voortbestaan. De mens vlucht voor de dood, omdat zij zich van de dood bewust zijn. Deze vlucht vormt het hart van iedere religie en daarmee de kern van het geloof in onsterfelijkheid. Hoewel Unamuno zelf een even groot verlangen naar als twijfel rond onsterfelijkheid heeft, lijkt zonder geloof het leven ondragelijk. Tolstoj zou het met hem eens zijn. Ook Pascal beroept zich op zijn gemoedsrust. Men kan maar beter in onsterfelijkheid geloven, aldus deze 17
e

eeuwse filosoof.

Mocht God bestaan, dan kunnen we door een goede voorbereiding de eeuwigheid winnen. Mocht hij niet bestaan, dan hebben we niets te verliezen. Door dit argument van onsterfelijkheid wordt eerder het mogelijke nut van een dergelijk geloof weergegeven dan de feitelijke juistheid ervan. Hoewel het idee van een persoonlijk voortbestaan in een hiernamaals misschien vrij helder lijkt, blijken hier allerlei in elkaar grijpende aspecten aan verbonden te zijn, die het geloof in een persoonlijk voortbestaan minder eenduidig maken. Ten eerste is het noch wat betreft het lichamelijke, noch het geestelijke voortbestaan, eenvoudig vast te stellen wat er precies zou kunnen voortleven. Waar onsterfelijkheid in de middeleeuwen en de renaissance een aanname was die door vrijwel niemand werd betwijfeld, klinken er vanaf de zeventiende eeuw gegronde twijfels over de onsterfelijkheid . Filosofen als Locke vormen de voorbode voor een algemeen afnemend geloof in persoonlijke onsterfelijkheid, waarbij niet alleen onsterfelijkheid van het lichaam onwaarschijnlijk wordt geacht of waaraan simpelweg voorbij wordt gegaan, maar waarbij ook de onsterfelijke ziel hoe langer hoe meer naar de achtergrond verdwijnt. De enkeling die zich erover uitlaat doet dit met groot voorbehoud. Broad vat zijn opvatting over onsterfelijkheid samen als een toestand van twijfel en (filoso-

123

fisch) scepticisme.‘Men kan alleen maar afwachten en zien, of anders (wat niet minder waarschijnlijk is) afwachten en niet zien’ Ook Schlick, een van de grondleggers van de Wiener Kreis, ziet onsterfelijkheid als een na de dood te verifiëren hypothese. In de dominante opvattingen omtrent filosofie en wetenschap komt de onsterfelijkheid nauwelijks aan de orde. Ook filosofen die serieus nadenken over thema's rond onsterfelijkheid kunnen niet precies aangeven wat er nu onsterfelijk zou zijn, zeker wanneer ze ervan uitgaan dat het lichaam vergankelijk is en het voortbestaan in louter geestelijke termen moet worden gedacht. Pleidooien voor een persoonlijk voortbestaan in het hiernamaals komt men in deze tijd nauwelijks tegen. De redenen hiervoor zijn voor een deel psychologisch/sociologisch, en voor een deel filosofisch: aan de ene kant is het leven op aarde voor velen dermate lang en dragelijk geworden, dat de behoefte aan onsterfelijkheid minder dringend is dan bijvoorbeeld in de middeleeuwen, aan de andere kant zijn er geen filosofische argumenten die onsterfelijkheid voldoende bewijzen. Ten slotte levert de wetenschap van de laatste jaren evenmin bewijzen voor onsterfelijkheid op; eerder levert ze materiaal op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat er na de dood niets is. Tegenwoordig zoeken veel filosofen de menselijke identiteit in zijn hersenen, en niet in een onstoffelijke geest: het gevolg is dat met het sterven van het lichaam er geen mogelijkheid is voor een voortbestaan van persoonlijke identiteit. Met het in diskrediet raken van de klassieke opvatting van onsterfelijkheid, dienen de vragen naar hoe men met dood en sterfelijkheid dient om te gaan, wat de plaats van de mens in het universum is en hoe een moraal bekrachtigd kan worden, op andere wijze te worden benaderd dan door een beroep te doen op de leer van de individuele, persoonlijke onsterfelijkheid van de ziel in een hiernamaals. De filosofie en de wetenschap is er nog niet klaar mee. Tipler en Charon leveren ene bewijs voor de onsterfelijkheid, maar dit bewijs wordt door de meeste wetenschappers van de hand gewezen. Vooral Teilhard de Chardin en Charon bieden alternatieven die buiten de strenge wetenschapsopvatting vallen. Het is de moeite waard om na te gaan welke gegevens de kwantumfysica aanbiedt om door te denken omtrent onsterfelijkheid.

Wat is mooier, het raadsel of de verklaring, het zoeken of het vinden? “Het zoeken,”antwoordt fysicus Robbert Dijkgraaf heel beslist. “De tocht is veel interessanter dan de aankomst. Zeker omdat antwoorden altijd maar tijdelijke antwoorden zijn, een soort rustpauzes. Als je een puzzel maakt , bezorgt het laatste puzzelstukje je niet het meeste plezier; het zijn juist de eerste stukjes die het spannend maken. De mens die zijn weg zoekt door het universum, daar zit de betekenis. Ik denk dat dit een belangrijke taak is voor de mensheid, De individuele wetenschapper heeft daarin zijn beperkingen, omdat men maar een afgebakend deelgebiedje onderzoekt. Maar al die wetenschappers samen vormen een groot symfonieorkest”. HP/De Tijd. 22-12-2006

124

Herinnering en verlangen zijn werken van onze verbeelding hier en nu. Samen vormen ze de horizon van de ontdekkingsreis die we elke dag opnieuw beginnen. Er bestaat geen reiziger die niet heimelijk betreurt dat hij weggaat uit zijn land en die niet bang is dat hij nooit meer thuis komt. Toch blijft de ontdekkingsreis een wervend avontuur vol wonderen.
Carlos Fuentes, Het jaar van de rietstengel

125

Bron: G. Derksen e.a., Handboek voor het hiernamaals

HET LANDSCHAP Er is een ontzettende variatie van landschappen in de hemel. In de moderne christelijke volkshemel is het weinig opwindend. Hier tref je vooral een nogal leeg landschap, met veel ruimte, blauwe lucht en veel witte wolken. Men brengt de tijd voornamelijk op die wolkenpartijen door, in gezellige onderonsjes of tokkelend op een harp. Het landschap in serene hemeldelen als die van de calvinisten en de theocentrisch georiënteerde katholieken (onder wie Dante) is ook al weinig inspirerend. In de romantische hemelen van de 19de eeuw en in de hemel van Swedenborg is het interessanter. Daar zijn glooiende heuvels, grasvelden en bloemperken, aangename bosschages, kabbelende rivieren, klaterende beekjes en schilderachtige dorpen en steden. Hier en daar staan fraaie vrijstaande huizen. De paradijselijke hemel uit bijvoorbeeld de Renaissance, het hindoeïsme en het boeddhisme verdienen onze aandacht. Landschap en vegetatie zijn daar onovertroffen. Door de boeddhistische hemel stromen heldere rivieren met goudgeel zand op de bodem. De diepte is variabel en past zich aan de wens van de gebruiker aan. Zo'n hemelse rivier kan daardoor de diepte hebben van een verkwikkend voetbad of van een diep zwembad.. Een lekker grastapijtje, een sappig valleitje met een watervalletje, schilderachtige dorpjes met bloembakken in de raamkozijnen, daarvoor moet je in de hemel zijn. In de hemel ontbreken woeste bergruggen, diepe kloven met kolkende rivieren erin, uitgestrekte wouden of ondoordringbare jungles. Gletsjers, zeeën vol ijsschotsen, een bedreigende branding, vervuiling of overstromingen ook al niet. Het hemelse landschap is vooral lieflijk, dus liefhebbers van de ruigere natuur kunnen beter naar de hel gaan. Duistere spelonken en grotten, woestijnen, woeste en stinkende rivieren vol met afschuwelijke monsters, moerassen, daar kan men zijn hart aan ophalen in de hel. De bodem van de hel bestaat vooral uit rotsen en steen. Sommige streken zijn moerassig of bedekt met modder en drek, terwijl er ook wel enkele zanderige, woestijnen zijn. KLIMAAT Het weer in de hemel en in de hel verschillen aanzienlijk van elkaar. In alle delen van de hemel is het zonder uitzondering eeuwig lekker weer. Misschien dat een heerlijke voorjaarsdag in Frankrijk het klimaat in de hemel nog het meeste benadert. Er staat een licht, verfrissend briesje, er is zonneof andersoortige schijn; geen regen, of mist. Er drijven wel wolken rond, wit als watten. De enige regen lijkt in de protestantse hemel te vallen. Maarten Luther onthulde dat er in de hemel af en toe buien van munten komen. Een paraplu is dan wel handig. Voor Erwin Krol is het voorspellen van het weer in de hemel een fluitje van een cent. Je zult het na je dood dus nooit meer meemaken dat er een onverwacht lentezonnetje doorbreekt en je tegen alle verwachtingen in even een terrasje kunt pikken. Er bestaan ook geen seizoenen in de hemel. De bomen verliezen nooit hun bladeren; ze bloeien en dragen tegelijkertijd fruit. Een dikke winterjas, ijsmutsen, handschoenen en dassen zijn in ieder geval niet nodig. Je loopt ook geen zonnesteek op, hoewel in de islam bijvoorbeeld -wel sprake is van verkoelende schaduw. Nee, dan de hel. Daar is het in de meeste delen afschuwelijk, ondraaglijk heet. Het brandt er zo hard dat bij de hel vergeleken de grootste hoogovens niet meer dan een voetenstoofje zijn. Exacte temperatuurmetingen zijn schaars, maar de joodse Talmoed heeft het er wel over dat het in elke opeenvolgende laag van Gehenna zes keer heter is. De temperatuur in de zevende en laatste ruimte is dus 46 656 keer hoger dan in de eerste. Is het in de eerste laag van Gehenna,zeg een graad of 60 (Celsius), dan is het in de zevende laag 60 x 46 656 = 2799 360 °C. Ter vergelijking: de temperatuur aan de oppervlakte van onze zon is zo'n 6000 °C, in de zonnekern is het ongeveer 15 miljoen graden Celsius. Verdoemden verbranden niet in de vlammen van de hel. Een van de meest te vrezen eigenschappen van vuur ontbreekt dus. Wel doet het hellevuur pijn, want er zal toch boete gedaan moeten worden. In tegenstelling tot de hemel kent men in de hel wel neerslag. In de hel van Tondalus is sprake van ijzige sneeuw en hagelstormen, mist en ijsmoerassen. In de middeleeuwse hel van Dante valt er in de tweede hellekring voortdurend regen (soms van

126

vuur), hagel en sneeuw. Het stormt er trouwens ook behoorlijk. In de diepste helleput is het namelijk permanent hartje winter. Verdoemden en Satan zelf zitten er voor eeuwig vastgevroren in het ijs van de rivier de Cocytus. In het taoïstisch-boeddhistische deel van de hel zijn acht, negen en soms nog meer ijs- en ijskoude subhellen. Men kent hier trouwens ook nog een hel met zandstormen. Desondanks is er ook in de hel weinig afwisseling in de weersomstandigheden. FLORA De hemel is een paradijs voor botanisten. De flora van de hemel is veel interessanter dan die van de hel, zowel in rijkdom van soorten als in schoonheid. Niet in alle delen van de hemel groeien echter bomen en planten. In de scholastische hemel uit de Middeleeuwen is er behalve zielen, engelen en God geen ander leven. Voor een wandeling in het groen kun je hier uitsluitend in het aards paradijs terecht. Ook in de strenge calvinistische hemel of de theocentrische katholieke hemel van de Contrareformatie ontbreekt een bloemetje. In de abstracte en minimalistische hemelen van de tweede helft van de twintigste eeuw zijn evenmin groenstroken en parken aangelegd. Beschrijvingen van paradijstuinen door de eeuwen heen reppen steevast van keurig aangeharkte landschappen vol fraaie bloemen, planten en bomen. Het is er uitermate lieflijk en pastoraal. Er bloeien ook veel rozen in de hemel, ondanks hun stekels. In de Renaissance zijn gedichten geschreven waarin geliefden in het paradijs elkaar met rozenblaadjes bedekken. Van de andere hemelse bloemensoorten wordt zelden vermeld van welke soorten ze zijn. Opmerkelijk is wel dat de bloemen in de hemel in vrijwel alle gevallen eeuwig bloeien. Ze verwelken nooit en kennen geen cyclus van groei en verval. Bloeien doen de bloemen in de hemel niet om zich voort te planten, maar puur voor het plezier van de gelukzaligen. Bomen zijn in het paradijs en in de hemel daarom ook altijd groen. Geen wonder eigenlijk, want het is er altijd lente. Je zult in de hemel dus niet kunnen genieten van fraaie herfstkleuren, van een 'Indian Summer', of van mooie, met sneeuw of een ijslaagje bedekte takken. De soortenrijkdom aan bomen en planten in de hemel is enorm. Vooral fruitbomen zijn er volop. Ze dragen in de hemel altijd fruit. In de hemel van Maarten Luther staan naast appelbomen ook kersenbomen, perenbomen en bomen met blauwe en gele pruimen - maar geen kokospalmen of mangobomen. Daarvoor zul je naar delen van de hindoeïstische of boeddhistische hemelen moeten. In paradijzen van Europese en/of Klein-Aziatische oorsprong komen volgens hemelbeschrijvers ook dadelpalmen, olijfbomen, sinaasappelbomen en citroenbomen voor. En natuurlijk ook de vijgenboom. Ezechiël verhaalde over ceders, cipressen en platanen in de tuin van God, gelegen in een onvruchtbare woestijn. Andere beschrijvingen melden laurierbomen, wijnranken, sappige grasvelden en nog veel meer van dit soort fraais. Bijzonder is de flora die op aarde onbekend is. In de hemel komen gouden en zilveren bomen voor, bomen met gouden en zilveren bladeren en/of met gouden en zilveren vruchten eraan,of zelfs met juwelen behangen. In de meeste paradijzen en in enkele hemelen staat wel een levensboom. Vaak verbindt zo'n levensboom hemel en aarde of hemel en onderwereld met elkaar. Zo wordt de Noors-Germaanse hemel beheerst door Yggdrasil, de wereldboom, waarvan de wortels tot in Midden-Aarde reiken. Ook de Assyriërs hadden al een boom der onsterfelijkheid in hun paradijs. Volgens het Oude Testament bevat de Hof van Eden eveneens zo'n type boom, bewaakt door een vervaarlijke cherubijn. In China is de boom der onsterfelijkheid een perzikboom; de slangenheks Hsi Wang Kui ziet erop toe dat men niet van de vruchten snoept. De flora in de hel is heel wat minder uitbundig dan in de hemel. Sterker nog, de bodemgesteldheid en de klimatologische omstandigheden zijn zó ongunstig dat er nauwelijks iets groeit. In de islamitische hel komt de zakkum voor, een boom met bijzonder bittere vruchten die eruitzien als demonenhoofden. De taoïstische boeddhisten kennen in een van hun hellen een bepaald type stekelige boom waar zondaars steeds weer tegenaan gekwakt worden. In een andere hel zijn bomen te vinden met zwaarden in plaats van takken. Verdoemden moeten er continu in- en uitklimmen. In de middeleeuwse hel van Dante staan in de tweede sub-cirkel van de zevende hellekring zwarte, knoestige bomen en struiken met giftige stekels. Op de flanken van de louteringsberg bevindt zich nog een vreemde, zoetgeurende vruchtboom van onbestemde herkomst. Niet echt veel soeps dus. Voor luisterrijke vegetatie hoef je in ieder geval niet naar de hel. FAUNA Berichten over de fauna in het hiernamaals zijn enigszins verwarrend en tegenstrijdig. Komt men zijn trouwe hond nou wel of niet tegen in het hiernamaals? In de VS legde het blad Dog Fancy in 1999 aaneen priester, een predikant en een rabbijn de vraag voor of honden ook in de mensenhe-

127

mel kunnen komen. De meningen daarover liepen flink uiteen en zorgden voor veel discussie. De priester was sceptisch en gaf aan, dat honden niet in het paradijs thuishoren. De predikant meende dat alle levende wezens die geen morele verantwoording droegen, welkom waren in de hemel. De rabbijn liet weer weten dat een hond naar de hemel kan als het een goede hond geweest is. Kortom: het is nogal onduidelijk. Als dieren bepaalde monotheïstische hemeldelen in mogen, betekent dat in ieder geval dat ze straks ook het einde der tijden zullen meemaken. In de islam gaat men ervan uit dat de dieren bij het Laatste Oordeel eveneens beoordeeld zullen worden. Los hiervan geloven veel mensen dat er aparte hemelen voor dieren bestaan, voor elke diersoort eentje. Hoe het ook zij, het hemelse paradijs is in ieder geval de meest waarschijnlijke afdeling van de hemel waar men zijn huisdieren weer tegen zou kunnen komen. In middeleeuwse en renaissancistische voorstellingen van het paradijs komen namelijk doorgaans wel dieren voor. Brave, onschuldige beesten, zoals de leeuw en het schaap in het aards paradijs ooit ook met elkaar in vrede hebben samengeleefd. Vrijwel met zekerheid vliegen in het paradijs in ieder geval prachtige en bontgekleurde vogels rond. Er zijn maar heel weinig paradijsbeschrijvingen zonder vogels. Naar welke soorten je als vogelaar kunt speuren, staat in geen enkele vogelgids, maar we mogen toch wel aannemen dat paradijsvogels niet zullen ontbreken. De dominicaner monnik Savonarola had het verder over een groot aantal onschuldige, spierwitte dieren in het paradijs. Het konijn, de hermelijn en het schaap noemde hij bij naam. Maarten Luther geloofde eveneens in hemelse dieren. Zijn kinderen beloofde hij pony's in het hiernamaals. Voorts zouden er volgens hem schapen, vissen en ossen leven, en zelfs insecten zouden deel uitmaken van het hemelse ecosysteem. Volgens Luther steken of bijten de dieren in de hemel niet en stinken ze nooit. Integendeel, ze verspreiden een heerlijk zoete lucht. In een stinkende drol trappen of zure vogelpoep op de kruin krijgen is er niet bij aan gene zijde. Johannes Calvijn zal bij deze voorstellingen van Luther naar zijn voorhoofd gewezen hebben. God, niets dan God en uitsluitend God, daar gaat het volgens hem om in de hemel. Net als de calvinistische hemel zijn andere hemeldelen helemaal vrij van dieren. Het is bijvoorbeeld uitgesloten dat in het scholastische empyreum van de Middeleeuwen dieren voorkomen. Net als bij de flora is de fauna van de hel behoorlijk karig. Dieren in de hel zijn zonder uitzondering vervelende en enge dieren, beesten met een kwalijke reputatie. Schorpioenen bijvoorbeeld, vieze wormen en spinnen, en niet te vergeten slangen. In de hel van Tondalus kom je ze tegen, maar ook beren, bijtende leeuwen en honden. Je kunt trouwens de vraag stellen of de duivels en demonen in de hel niet ook tot het dierenrijk behoren, met hun harige vachten, hoeven, klauwen en lederachtige vleugels. BEVOLKING De bevolkingssamenstelling en -dichtheid van verschillende delen van het hiernamaals kunnen sterk verschillen. Ruimhartige levensbeschouwingen hebben de dichtstbevolkte hemel. Zo telt de rooms-katholieke hemel waarschijnlijk heel wat meer ingezetenen dan de calvinistische. En onder de calvinisten zijn de hemeldelen van strenge sektes als de vrijgemaakten buitenverband, de artikel-31'ers en dergelijke nog dunner bevolkt, omdat dit soort groepen slechts een zeer select groepje uitverkorenen naar het betreffende hemeldeel laten gaan.. Alle niet-gepredestineerden gaan bij de calvinisten naar de hel. De bevolkingsdichtheid van de diverse heldelen zijn daarmee omgekeerd evenredig met d ie van de diverse hemeldelen. Hoe minder calvinisten naar de hemel, hoe meer naar de hel. Hoe meer soennitische moslims naar de hemel, hoe minder naar de hel. Het absolute aantal aanhangers van een bepaalde levensbeschouwing en de ouderdom van die levensbeschouwing hebben natuurlijk eveneens invloed op de demografische cijfers. Daarbij heeft een oude religie als het christendom het hiernamaals in de loop der eeuwen al veel en veel meer gevuld dan een jonge religie. De demografische cijfers in het hindoeïstische en boeddhistische hiernamaals fluctueren. Dat heeft alles te maken met de reïncarnatie. In het christendom is het demografische vraagstuk ove rigens al eeuwen onderwerp van debat: hoe druk is het nu eigenlijk in de christelijke hemel? Tref je alleen rechtschapen gelovigen in de hemel aan, of alleen streng gereformeerden? Of wemelt het er van de brave borsten, zoals heel wat beschrijvingen ook suggereren? Want heeft Jezus zelf niet gezegd dat er vele huizen zijn in het koninkrijk van zijn Vader? Daarbij: wat moet je als christen met al die niet-christenen? De meerderheid van de wereldbevolking was en is immers niet christelijk. Moeten de rechtschapenen onder hen zonder meer naar de hel? Zo wreed kan God toch niet zijn? Gelukkig niet. Sommige christelijke hemeldelen staan wel degelijk open voor buitenstaanders. In de hemel

128

van Swedenborg bijvoorbeeld kunnen niet-gedoopten alsnog kennismaken met het christendom en kunnen ze bekeerd worden. Daarna mogen ze blijven. In Swedenborgs hemel wordt niet gediscrimineerd. In zowat alle grote religies heeft de hemelse bevolkingspiramide meer weg van een bevolkingspannenkoek. In de meeste hemels krijgt iedereen namelijk een energiek jong lichaam, al dan niet van stoffelijke aard. Alzheimer, kunstheupen, urineverlies, horrelvoeten, ze verdwijnen als je de hemel binnentreedt. Eeuwige jeugd valt je ten deel. Waar geen nieuwe lichamen uitgedeeld worden, krijg je in elk geval altijd nog een jeugdige gemoedstoestand. En dat betekent dat de gehele top van de bevolkingspiramide wegvalt en iedereen in het lage middensegment komt te zitten. Een uitzondering is er voor kinderen. Als zij sterven, gaan ze als kind naar de hemel. In veel hemeldelen blijven ze vervolgens gewoon kind. Verder opgroeien of een nieuw lichaam is er dan niet bij. In de katholieke hemel ravotten trouwens geen ongedoopte kinderen. Kinderen uit katholieke gezinnen die vóór hun doop al gestorven zijn, hangen eeuwig rond in het limbus, het voorportaal van de hel. Deze arme kinderen werden vroeger ook nog eens buiten het kerkhof begraven: dubbel pech. Intussen heeft het Vaticaan laten weten dat het voorgeborchte niet meer bestaat. In de hel treed je niet verjongd binnen. Er zijn nauwelijks berichten over duivels en demonen die bejaarden folteren, steeds hun rollator afpakken of zo. De berichten over het martelen van stoute kinderen zijn eveneens schaars. Er schijnt dus wel een geestelijke en/of lichamelijke leeftijdverschuiving plaats te vinden in de hel, maar het fijne ervan is niet duidelijk. Je krijgt in ieder geval geen mooi jong lichaam in de hel . Daarvoor zijn de berichten over afschuwelijke puistenkoppen, monsterlijke gezichten, schurftige huiden en afzichtelijke wonden te talrijk. Christendom, jodendom en islam hebben hun dag des oordeels en het einde der tijden. Erna

breekt het Koninkrijk Gods aan. Er vindt een herrijzenis plaats, eenieder moet vanuit hemel of hel terug naar het graf, staat daar weer uit op en krijgt zijn lichaam terug. Ook als je verscheurd bent door een wilde beer, in Hiroshima woonde toen de bom viel of door een stoomwals bent overreden. Hoe dat kan? Omdat de ziel, die immers niet vergaat, de blauwdruk bevat van het lichaam. Trouwens, hoe zit het volgens de monotheïsten na de Dag des Oordeels met de Chinezen, de indianen, de Indiërs, kortom met de ongelovigen? Even herrijzen en dan weer af door de zijdeur? Godsdienstfanaten denken er nog altijd hetzelfde over; alleen zij en hun volgelingen zijn uitverkoren, alle anderen gaan naar de hel. In de gangbare monotheïstische religies is de engel namelijk een minstens even schrander, en in ieder geval met veel meer kennis behept dan de mens. De engel is bovendien een misschien nog wel grotere oogappel van de Schepper, zuiverder van ziel en zuiverder in de leer. Vraag een willekeurige voorbijganger op straat hoe hij zich zo'n engel voorstelt, en er zal waarschijnlijk een antwoord komen met iets als een mensachtig wezen met grote, witte vleugels, gekleed in een ruimvallend, geplooid gewaad, overheersend in wit en lichtblauw, helder licht uitstralend, een met halflang krullend haar omkranst en verfijnd gezicht, aureool om de kop, zoiets. Of anders stelt men zich de engel wel voor als een klein, mollig kind, bloot of met lendendoek, met vleugeltjes en met een blonde krullenkop. Deze engelenbeelden zijn al vele eeuwen geleden ontstaan. Je komt ze heden ten dage nog altijd overal tegen. En in katholieke landen als Italië of Spanje hoefje slechts de zonnebril af te zetten om te zien dat in bijna elke kerk en in tal van andere religieuze en wereldlijke gebouwen dergelijke engelen afgebeeld zijn. REISWENKEN Wil je niet naar de hemel maar naar de hel, dan heb je het een stuk eenvoudiger bij je reisvoorbereiding. Lieg, bedrieg, zuip en neuk er op los, pleeg overspel, eet varkensvlees, blijf luierend in je bed liggen, word atheïst, trek je van God noch gebod iets aan. Dan kom je er vast wel. Je kunt slechts een enkele reis naar het joods-christelijke en islamitische hiernamaals boeken. Slechts hoogstzelden worden retourtjes verstrekt, en dan nog alleen voor zeer vluchtige bezoekjes die niet verder reiken dan de uiterste rand van de andere wereld, bijvoorbeeld tijdens een bijnadoodervaring. Boeddhisten en hindoes kunnen wel retourtjes hiernamaals boeken. Zoals je na een na het laatste gericht

129

vakantiereis ook als herboren terug kunt keren, kun je als hemel- of helganger al reïncarnerend terug naar de plaats van vertrek: de aarde. WAT NEEM JE MEE?

Altijd weer een hele afweging als je op reis gaat: wat stop ik in mijn koffer? Voor een reis naar het hiernamaals is deze vraag niet zo belangrijk. In de hemel wordt alles wat je nodig hebt, gratis verstrekt. Het enige dat je mee dient te nemen, is een goed geweten. Zonder zo'n geestelijk paspoort kom je er niet in. Het meenemen van persoonlijke bezittingen is niet toegestaan. Hier en daar wordt van hogerhand wel eens wat aan de verdoemden verstrekt, sleetse, lelijke kleren bijvoorbeeld in Swedenborgs hel, maar doorgaans heerst er een straf regime. Een uitzondering op de regel is de Chinese hel van taoïstisch-confucianistisch-boeddhistische signatuur. Persoonlijk bezit is daar geen taboe. Omdat de winkelschappen in dat deel van de hel leeg zijn, zorgen nabestaanden ervoor dat de reiziger naar het hiernamaals niets te kort komt. Bij de crematie of teraardebestelling en tijdens de maand van de hongerige geesten verbrandt men daartoe allerlei voorwerpen van papier. De attributen komen via de rook van wierookstokken bij de geadresseerde terecht. In vele China-towns overal ter wereld zijn speciale 'papierwinkels' voor dit soort reisbenodigdheden. Je kunt er bijvoorbeeld gouden munten en goudstaven van verguld papier aanschaffen, bankbiljetten van de Bank van de Hel met het portret van Yanlo Wang - koning van de hel – erop , gsm'etjes, rekenmachines, Mercedessen, televisies, Nike-sportschoenen, kleding, allemaal van papier. Tot lang na de crematie of begrafenis moeten de geesten van de voorouders op de juiste wijze worden onderhouden, met offers die gedurende vijf generaties met een aflopende frequentie dienen te worden gebracht. Voedseloffers kunnen de overledenen eveneens bereiken. Het voeden van de doden is zelfs erg belangrijk, want anders kunnen het dolende, hongerige geesten worden die je in hier op aarde in het ongeluk kunnen storten. Reizigers naar historische delen van het hiernamaals kregen destijds net als de Chinezen nu bagage mee. Vooral hoogwaardigheidsbekleders werden in oude beschavingen goed voorzien. Zij kregen millennia terug edelmetalen, sieraden, gebruiksvoorwerpen en soms zelfs hun vrouw en dienstknechten en strijdwagens als grafgift mee. Of, baas boven baas, een enorm terracotta leger, zoals de eerste Xing-keizer van China (Qin Shi-huang) meer dan 2000 jaar geleden meekreeg. Kon hij ook aan gene zijde oorlog voeren. Het leger is te bewonderen in zijn mausoleum in Xi'-an. Bij een bezoek aan het klassieke Grieks-Romeinse hiernamaals was het verstandig honingkoekjes op zak te hebben, voor de hellehond Cerberus. Je kon het afzichtelijke beest er zoet mee krijgen. Munten waren hiernaast onontbeerlijk om de chagrijnige veerman Charon te kunnen betalen voor de oversteek over de Acheron en de Styx. Doden kregen destijds een obool tussen de tanden mee als betaalmiddel. HOE KOM JE IN HET HIERNAMAALS ? Is de voorbereiding eenmaal afgerond, dan kan de grote reis beginnen. Reizen naar het hiernamaals worden over het algemeen individueel ondernomen. Alleen na de apocalyps zullen er twee kolossale groepsreizen plaatsvinden, van de plek van het Laatste Oordeel naar respectievelijk de hemel en de hel. Hindoeïstische mannen namen vroeger trouwens hun vrouw mee op reis. Omdat het leven op aarde voor een weduwe niets meer waard was, dwong men echtgenotes moreel om zichzelf op de crematiestapel van hun overleden man te werpen. Deze praktijk van weduwenverbranding, sati of suttee geheten, heeft in India en op het Indonesische eiland Bali tot in de 20ste eeuw bestaan. Tegenwoordig moet de hindoeïstische man alleen reizen. Welke reisroute dien je te nemen? Er zijn namelijk nogal wat mogelijkheden. In het verleden hebben beschrijvers van het hiernamaals heel wat lange en zware reisroutes naar de andere wereld beschreven. In veel van die beschrijvingen moeten allerlei beproevingen doorstaan worden - kolkende rivieren, bedreigende monsters, angstaanjagende wouden, bruggen des doods over diepe schachten van de onderwereld, enzovoort. Dat gebeurt dan doorgaans in duistere, onherbergzame landschappen en in ijskoude of juist snikhete weersomstandigheden. Gezien deze onheilspellende berichten was het in sommige Europese streken vroeger de gewoonte doden met schoenen aan te begraven, zodat men niet op blote voeten

130

over de moeizame wegen naar het hiernamaals hoefde te strompelen. Bij de spijkerbrug naar de hel die Tondalus beschreef, was schoeisel ook geen overbodige luxe. In behoorlijk wat routes naar het hiernamaals komt in elk geval een brug voor. Paus Gregorius de Grote (540-604 n.Chr.) geeft in zijn werk Dialogen IV uiteenlopende informatie over het hiernamaals. In het werk is een verhaal opgenomen over een reis naar de andere wereld. Door een persoonsverwisseling in de hemelse administratie (niemand is onfeilbaar, zelfs niet in de hemel) keert een overledene terug naar de aarde en vertelt daar wat hij heeft gezien. De reis richting eindbestemming voerde over een brug van beproeving boven een zwarte, stinkende rivier. Slechteriken vielen onherroepelijk in de zwarte stroom. Daar trokken afzichtelijke, zwarte wezens hen met haken naar beneden. Wie over de brug heen wist te komen, belandde in aangename, groene weilanden met geurige bloemen, iedereen had er een eigen, prachtige woning. Wie naar Tondalus' hel wil, dient een twee mijl lange en zeer smalle brug te passeren, die overdekt is met vlijmscherpe ijzeren pinnen. Ook op andere routes dient een dergelijke brug des onderscheids gepasseerd te worden. Bij Zarathustra bijvoorbeeld, en in de islam. Zielen die de islamitische hemel willen bereiken, moeten balancerend over de brug Sirat de poort aan de overkant zien te halen. De brug is dunner dan een haar en scherper dan een scheermes. Verdoemden zijn te zwaar met zonden belast, storten eraf en vallen naar de hel. Uitverkorenen worden geholpen door engelen, die hen bij de haren overeind houden. Zij bereiken wel de overkant en kunnen met een opgeruimd gemoed een der zeven islamitische hemelen binnentreden. Twijfelgevallen ondergaan een soort louterend vagevuur tijdens de oversteek. Hun zonden worden afgebrand door hoogopschietende vlammen, waarna ze geblakerd en wel toch de overkant bereiken. Hoe slechter het geweten van een twijfelgeval is, hoe langer de overtocht duurt. Sommigen moeten wel 25 000 jaar op de brug doorbrengen. Maar ja, alles beter dan in de hel storten natuurlijk. Hiernaast hebben regenbogen in diverse mythologieën als toegangsbrug gediend. Onderdeel van reisroutes naar het hiernamaals zijn verder vaak rivieren. Zelden zijn dat kabbelende beekjes, bijna altijd gaat het om kolkende stromen vol met gevaren. Wil je een uitstapje naar de oude Grieks-Romeinse onderwereld maken, dan moeten de Styx en de Acheron overgestoken worden. De route naar het oude Mesopotamische Irkalla loopt eveneens over een rivier. Voor een bezoek aan de Egyptische onderwereld Duat is een vaartuig onontbeerlijk, want de tocht voert grotendeels over een gevaarlijke, onderaardse rivier. Noors-Germaanse overledenen moesten diverse gevaarlijke rivieren oversteken. De zwarte, stinkende rivier van paus Gregorius de Grote is hierboven genoemd, maar verder zijn er eigenlijk opmerkelijk weinig rivieren op weg naar de christelijke delen van het hiernamaals. Christenen komen meestal via andere wegen naar hun hiernamaals. De vroeg-christelijke hemel is bijvoorbeeld te bereiken via een ladder. In het Oude Testament (Genesis 28:17) kun je lezen hoe Jacob, kleinzoon van Abraham, in een droom een ladder ziet, waarvan de top tot in de hemel reikt. Langs de ladder gaan Gods engelen op en af, van de aarde naar de hemel en vice versa. Al in vroegchristelijke tijden zijn afbeeldingen bekend van deze Jacobsladder. Het klassieke Elysium was volgens Vergilius langs een bovenaardse route bereikbaar. Hij ging ervan uit dat de ziel opsteeg in de lucht, vervolgens het water passeerde dat zich boven de lucht bevond en dan dwars door het luchtruim ging dat direct aan zonnestralen was blootgesteld. Hierna was de ziel gezuiverd en kon hij richting Elysium. Wil je richting hindoeïstische hemel, dan is er een andere optie boven de aarde. In een van de klassieke Upanishaden ('lezingen') van circa 500 v.Chr. is de maan de poort tot het hemelse rijk. Verlichte asceten stijgen op bij wassende maan en nemen de noordelijke baan van de zon als route. Anderen vertrekken met halve maan en nemen de zuidelijke baan van de zon als route. Passeer je de maan met succes, dan stijg je verder op de werelden van vuur, water, wind en wolken, waar honderden nimfen je ontvangen. Ze omhangen je met sieraden, bloemenslingers en kleden, en ze geven je inzicht over het goddelijke zijn. Daarna dient een meer en een eindeloze rivier overgestoken te worden. Alle goede en kwade daden worden hierbij afgeschud. Uiteindelijk kom je in een hemelse stad terecht, met in de hal van een gigantisch paleis de schitterende troon van de schepper van het universum. In de 19
e

eeuw werd het mogelijk het hiernamaals gewoon over de weg te bereiken. In veel 19

e

131

eeuwse protestantse huishoudens lieten volksprenten van 'de brede en de smalle weg' zien hoe je op de plaats van voorbestemming kon komen. Op zulke prenten was een smalle weg afgebeeld die naar de hemel leidde. Wie afzag van het zoeken naar genot en ook verder zondenvrij bleef, kon deze weg volgen. Wie niet toegaf aan de briesende leeuw naast de weg (Satan), wachtte aan het einde verlossing in het hemelse Jeruzalem. De brede weg zorgde daarentegen voor veel plezier op aarde. Als men deze koos, kon men zich overgeven aan seks, drank, gokken, dansen en andere aardse genoegens. Je kwam dan uiteindelijk wel in de hel terecht. In de 18de, 19de en 20ste eeuw werden twee andere routes naar het hiernamaals eveneens populair. Diverse christelijke delen van de wereld aan gene zijde konden vanaf nu eenvoudig bereikt worden door even door een soort dunne sluier heen te gaan. Het reizen werd zo een fluitje van een cent. Swedenborgs hemel, geestenwereld en hel zijn bijvoorbeeld op deze manier bereikbaar. Ook spiritisten gebruikten deze route vanaf de 19 met een bijna-doodervaring in de 19
e e

eeuw regelmatig.
e

Iets langer is de reis door een lange, donkere tunnel, die vooral onder spiritisten en onder mensen en 20 eeuw een veelgebruikte route werd. De tunnel was niet nieuw, want op het schilderij Het Laatste Oordeel van Jeroen Bosch uit 1500 is de buis al te zien, maar vóór de 19de eeuw werd hij nauwelijks gebruikt. Aan het einde van de tunnel is hemels licht te zien, niet zelden ook staan er engelachtige figuren en soms zelfs overleden familieleden de reiziger op te wachten. VERVOERMIDDELEN Of er nu via ladders, bruggen, brede en smalle wegen, sluiers of tunnels gereisd wordt, de reiziger naar het hiernamaals staat ook een aantal vervoermiddelen ter beschikking. Dieren, en dan in het bijzonder vogels, zijn in veel oude mythologieën en religies dragers van de zielen van overledenen, als intermediairen tussen hemel en aarde, tussen goden en mensen. De indianen van Noord- en Zuid-Amerika bijvoorbeeld zagen adelaars als begeleider van de ziel, en ook de Romeinen dichtten de adelaar vergelijkbare kwaliteiten toe. In de Noors-Germaanse mythologie was het achtbenige paard Sleipnir een van de kinderen van vuurgod Loki. Odin gebruikte het paard om mee door de hemel te galopperen of naar het land der doden te reizen. In het laatste geval kon hij er de gesneuvelde krijgers achterop meenemen naar het Walhalla. De Kelten hadden in hun paardgodin Epona eveneens een dier dat naar het dodenrijk kon reizen met gestorvenen op haar rug. In de Kanaanitische levensbeschouwing waren vliegen de dragers van de ziel.. De oude Grieken kenden in Hermes een goede reisleider voor de reis naar Hades. De Romeinen deden het onder anderen met Heracles. Vanaf de Middeleeuwen biedt in het christendom een nieuwe reisleider zijn diensten aan: Magere Hein ('Grim Reaper' in het Engels, 'Freund Hein' of 'Freund Klapperbein' in het Duits). Magere Hein is de gepersonifieerde dood, het geraamte met de zeis en de lange zwarte mantel om de botten. Over zijn schedel heeft hij vaak een kap getrokken. Dit voorkomen stamt uit de Apocalyps van Johannes, waarin een van de vier ruiters van de Apocalyps een geraamte met een zwaard is. De zeis van Magere Hein komt van een klassieke voorganger, te weten de Griekse god Chronos, die als een vadertje tijd met landbouwgereedschap rondliep. De dood kwam voor het eerst letterlijk in beeld op middeleeuwse fresco's en prenten, bedoeld om de gewone man en vrouw een levensles te bieden. In het begin was hij dikwijls als naakt geraamte te zien, of als skelet met een wapperende witte doek om zich heen. Magere Hein kwam vroeger niet altijd in z'n eentje, zoals tegenwoordig. Soms had hij een stel identieke kornuiten bij zich. Middeleeuwse afbeeldingen van dodendansen laten dat zien. In sommige kerken in Zuid-Europa kun je nog steeds lugubere fresco's van dit soort dansen aantreffen. De dodendansen waren allegorische voorstellingen van de dood, die mensen dansend meevoerde naar het graf of naar de ingang van de hel. De voorstellingen ontstonden in de tijd van de grote pestepidemieën, zo vanaf de 14de eeuw. Een bekend motief is de reidans van geraamten en mensen uit alle lagen van de bevolking, van koning en bisschop tot dief en bedelaar. Zulke afbeeldingen lieten zien dat in het aangezicht van de dood ieder mens gelijk is - dat ging erin als koek bij de eenvoudige horige. Magere Hein is nog altijd in dienst als reisleider voor het gewone volk, hetzelfde volk dat hem vroe-

132

ger spottende bijnamen gaf, zoals Heintje Pik of Pietje de Dood.

REISDUUR EN REISVERZEKERING Hoe lang duurt de reis naar je eindbestemming eigenlijk? Dat verschilt. De reis naar de oude delen van het hiernamaals was lang en zwaar. Met de opkomst van de moderne wetenschappen en de uitvinding van moderne transportmiddelen is de trip echter veel eenvoudiger geworden. Vanaf de 18 , 19
e e

eeuw is het tunnel door, einde licht. Of nog sneller: even door de sluier die de afscheiding

tussen deze en gene zijde vormt, en je bent er al. Soms zweeft de ziel nog een dag of drie bij het lichaam, maar de lange reistijden van weleer zijn achter de rug. In een tijd waarin je sneller dan ooit over de aardbol kunt reizen, kun je dus ook veel sneller naar het hiernamaals. Vroeger deed je er weken over om met de koets naar Zuid-Europa te reizen, tegenwoordig kan dat met het vliegtuig in twee a drie uur. REIZEN IN HET HIERNAMAALS ZELF

Ben je eenmaal gearriveerd op de definitieve plek van bestemming, dan is er voor de meesten een einde gekomen aan het reizen. In starre hiernamaalsregio's als het middeleeuwse Empyreum bestaat er geen beweging meer. Je blijft zitten waar je zit, de rest van de eeuwigheid. Het eren van de Heer neemt er al voldoende tijd in beslag. In iets minder starre delen kun je nog wat heen en weer zweven in de hemelsfeer waarin je thuishoort. In het grootste deel van de hel valt er evenmin veel te reizen. Je mag het niet eens. In paradijselijke delen van het hiernamaals kan men een beetje rond keuvelen. Uitzonderingen op de regel zijn louteringsoorden zoals het vagevuur of Dantes louteringsberg. Daarvandaan kun je op een gegeven moment weer vertrekken. Hiernaast kan er in diverse moderne hemeldelen gereisd worden. Voortbewegen doe je hier puur door je wil te gebruiken. Denk aan de plaats waar je heen wilt, en je bent er al. Hoe liever je ergens wilt zijn, hoe korter de oogwenk die het duurt. Hetzelfde geldt voor het hiernamaals van de Zwitserse gereformeerde Johann Lavater (1741-1801). Hij gaf aan dat het op die manier zelfs mogelijk was naar andere hemellichamen in het universum te reizen. NUTTIGE ADRESSEN Voor zo'n belangrijke, ja, zelfs universele reisbestemming als het hiernamaals is het bijna ongelofelijk dat er geen officiële aardse vertegenwoordigingen ter plaatse zijn. Er is nergens een ambassade of consulaat, er zijn geen samenwerkings-, handels- of uitleveringsverdragen, en sos-diensten of een ANWB- alarmcentrale ontbreken geheel. Als je in moeilijkheden komt, zul je het helemaal zelf met de plaatselijke autoriteiten moeten uitzoeken. Andersom heeft het hiernamaals wel talloze diplomatieke vertegenwoordigingen op aarde. Voor het rooms-katholieke hiernamaals is er één grote, centrale ambassade: het Vaticaan in Rome. Daarnaast talloze kerken als consulaten en als reisbureaus. Voor een reis naar het vagevuur of de hel is geen bemiddeling nodig, dat gaat vanzelf. Het protestantse hiernamaals heeft geen centrale ambassade, maar net als het katholieke equivalent wel een groot aantal consulaten en reisbureaus. Voor het islamitische, joodse, hindoeïstische en boeddhistische hiernamaals geldt min of meer hetzelfde. ACCOMMODATIE Overnachten is aan gene zijde helemaal niet aan de orde. Het ritme van dag en nacht bestaat alleen op aarde. Je bent er altijd wakker, want het is er altijd dag - hoewel je in het geval van de hel misschien beter over een eeuwig doorwaakte nacht kunt spreken. En dus kun je er eeuwig in de buitenlucht doorbrengen, met name in de paradijselijke delen van de hemel. In beschrijvingen van de klassieke Elysische velden gaf men reeds aan dat men er geen vaste huizen nodig had. De tent die Jeroen Bosch rond 1500 in het paradijs schilderde, verwees eveneens naar deze opvatting.

133

Toch behoort een dak boven het hoofd voor veel mensen tot hun heilige huisjes. Om wat privéruimte te hebben, krijgt men in verschillende hemeldelen woonruimte aangeboden. Grote flatgebouwen zijn er niet te verwachten. In de hemel verblijft men in ruime woningen of in knusse landhuisjes, niet in eenvoudige starterswoninkjes. Veel van die hemelse woningen staan in het groen. Een mooie woning in de hel kun je wel vergeten. In de meeste hellen breng je de tijd of ergens in de open lucht door, of in een martelkamer, kookpot of sombere grot. Helgangers zijn bij Swedenborg nog het beste af. In zijn hel en in de hellen van zijn navolgers staan eenvoudige hutjes van ruwhouten planken voor de niet al te zware zondaren. KLEDING Wat trek ik aan in het hiernamaals? Wat is de laatste mode? Je hoeft niets in je reiskoffer te doen, want vrijwel overal in het hiernamaals krijg je alles wat je nodig hebt of wat je hebt verdiend, van hogerhand uitgereikt. Of je kunt je kleren van de boom plukken, wat volgens de profeet Mohammed gebruikelijk is in het islamitische paradijs. In het hiernamaals wordt hedendaagse kleding niet op prijs gesteld. In de hemel is men nogal conservatief van aard; klederdracht bepaalt het straatbeeld. Volwassen engelen dragen alleen ruimvallende gewaden, geen spijkerbroeken, colbertjes, minirokken of stropdassen. Mollige babyengeltjes hebben hooguit een losse doek rond hun lendenen gedrapeerd. Gelukzalige zielen passen zich hier naadloos bij aan. Ook zij hullen zich in veel delen van de hemel in zulke gewaden. In T-shirt of legging gelukzalig de Schepper aanschouwen of psalmen zingen, is not done. De gewaden die men in de hemel draagt, zijn zonder uitzondering van uitmuntende kwaliteit. Islamieten dragen in hun paradijs zijden gewaden. Ook in middeleeuwse hemelen is zijde aanwezig, evenals brokaat. In het hindoeïstische hiernamaals van Yama droeg men witte gewaden die afgezet waren met juwelen. Swedenborgianen kleden zich in gewaden die voortdurend bijzonder licht uitstralen; hoe hoger je geestelijke status in een Swedenborgiaans hiernamaals, hoe mooier en verfijnder je je er kunt kleden. In geen enkele hemel is de kleur zwart, grijs of bruin overigens populair. De meeste gewaden zijn wit of blauw, hoewel purper, goud en rood hier en daar ook in trek zijn. Hetzelfde conservatisme als in de kledingkeuze is terug te zien in de hemelse haardracht. Heiligen en wijze mannen in de hemelen van de monotheïsten dragen een lange baard, de overige gelukzaligen doen het zonder gezichtsbeharing. Snorren, bakkebaarden, hanenkammen treft men in de hemel niet aan. Vrouwen hebben lang of middellang haar, dat als vanzelf in model blijft zitten. Maak je overigens niet al te druk over de vraag wat je in het hiernamaals aantrekt. Er zijn namelijk ook heel wat hemeldelen waar je gewoon lekker in je blootje kunt rondhangen, vooral in de paradijzen. In de meeste paradijzen is geen enkel lapje stof noodzakelijk. Je hoeft je er niet te schamen voor je naaktheid of voor lichamelijke gebreken, want seks is er niet aan de orde en iedereen heeft er een perfect lichaam gekregen. Daarbij is het klimaat in de hemel altijd goed. Spartel lekker rond in de fontein des levens, het mag. In de hel draagt men vrijwel nergens kleding. Hoewel het niet op borden staat aangegeven, lijkt het erop dat je lichaam bedekken hier streng verboden is. Kleding zit maar in de weg bij het ondergaan van folteringen. Naakt zul je dus je dagen in de hel moeten slijten. Ook duivels en demonen zijn naakt. En bijzonder lelijk, net als de verdoemde zielen. Er bestaan overigens enkele uitzonderingen op de nudismeregel van de onderwereld. In de islamitische hel worden niet-moslims gedwongen kleren van vuur aan te trekken. In boeddhistische hellen loop je rond in lendendoek, getuige vele afbeeldingen. In Swedenborgiaanse hellen krijgt men verder wel degelijk kleding uitgereikt. COMMUNICATIE Communiceren in de hemel is een fluitje van een cent. In hemeldelen waar de enige bezigheid bestaat uit het eeuwig vereren van de Schepper, communiceer je uitsluitend met Hem. Deze communicatie komt naar beide kanten luid en duidelijk over. Technische hulpmiddelen zijn niet vereist. Over grotere afstanden is telepathische communicatie doorgaans de aangewezen methode. In de hel is onderlinge communicatie een stuk lastiger. Als die behoefte er al bestaat, dient er in de meeste

134

gevallen gecommuniceerd te worden door middel van schreeuwen, al was het alleen maar om het geschreeuw van andere gefolterden te kunnen overstemmen. Telepathie, e-mailen, het verzenden van post en andere communicatietechnieken werken niet in de hel. Communiceren met de thuisblijvers is in sommige gevallen mogelijk, bijvoorbeeld met Allerzielen, hoewel de lijnen tussen hierna- en hiernumaals vrijwel altijd erg slecht zijn. De thuisblijvers moeten doorgaans het initiatief voor het contact nemen. Je kunt ook een medium inschakelen en/of er een tafeltje bijpakken met pen, papier, letterkaartjes en een omgekeerd glas. In een séance is namelijk enige gebrekkige informatie-uitwisseling mogelijk. Een volgende mogelijkheid is communicatie met behulp van offergaven. Taoïstisch-boeddhisten doen het bijvoorbeeld veel tijdens hun voorouderverering. De reiziger aan gene zijde kan dan waarnemen welke offers er gebracht zijn en vervolgens antwoorden met het zenden van geluk, pech of geestelijke steun. Als de hiernamaalsganger zelf contact met thuis op wil nemen, is de enige methode zo'n beetje het geven van klopseinen, bij voorkeur in het duister en in oude huizen. Een kaartje sturen uit het paradijs of uit de hel is helaas niet mogelijk. ETEN EN DRINKEN Een van de leukste kanten aan het reizen is dat je op reis in aanraking kunt komen met nieuwe culinaire genoegens. Hoe staat het eigenlijk met voedsel en drank in het hiernamaals? Kun je er bijzondere keukens ontdekken, of moet je er juist op een houtje bijten? Zoals te verwachten viel, is er ook hier weer een groot verschil tussen de diverse hemelen en de diverse onderwerelden en hellen. In alle hemelen zijn honger en dorst onbekende fenomenen. In sommige hemel delen heb je geen enkele behoefte aan voedsel of drank. In het serene middeleeuwse empyreum en de abstractere christelijke hemelen uit later eeuwen is bij voorbeeld louter geestelijk voedsel verkrijgbaar. Slechts de nabijheid en de gelukzalige aanschouwing van de Schepper- en bij de katholieken van Maria - telt. Andere consumpties zijn overbodig. Daar waar de inwendige ziel wel versterkt kan worden, is de kwaliteit van het gebodene uitstekend. Op de klassieke Elysische Velden kan men onder meer genieten van mede (door gisting uit gekruide honing verkregen sterke drank), wijn en ambrozijn (een van de godenspijzen). Elders is het smullen van de manna, het geheimzinnige 'voedsel van de engelen' dat God in het Oude Testament op de Israëlieten liet droppen om hen van de hongerdood in de wildernis te redden. In de hindoeïstische hemel van Yama vloeit de soma rijkelijk, een drank die onsterfelijk maakt. Het Germaanse Walhalla heeft een onbeperkte voorraad mede. Iedere avond is er een groots banket met gebraden zwijn als hoofdgerecht. In de vroeg-christelijke hemel komen wijn, brood en heerlijke delicatessen op tafel, Swedenborg rept in de beschrijvingen van zijn i8de-eeuw-se hemel over brood, wijn en ander voedsel. In de Victoriaanse hemel van de 19de eeuw serveert men thee en gemberkoekjes. In de diverse hemelse paradijzen doet men zich vooral aan overheerlijk fruit te goed, dat overal en altijd van de bomen te plukken is. Verschillende beschrijvingen laten verder weten dat er in de bijbelse Hof van Eden vier rivieren lopen. Eén rivier is gevuld met melk, een met honing, een met spijsolie en een met wijn. Uit het Paulus-visioen blijkt dat er enorme dadelpalmen staan, met tienduizend takken, tienduizend trossen dadels aan elke tak en tienduizend dadels per tros. Er zijn even overdadige wijnranken, met ontelbare druiven. Een specialiteit in het islamitische paradijs is het vlees van de stier die in de Hof van Eden gegraasd heeft. Aparte dranken in het hiernamaals zijn de dranken die vergetelheid brengen. Water uit de Lethe bijvoorbeeld, of de soep der vergetelheid die taoïstische boeddhisten te drinken krijgen die als dier moeten reïncarneren. Bijna alle theologen gaan er overigens van uit dat gelukzaligen in de diverse van voedsel en drank voorziene hemeldelen strikt genomen helemaal geen voeding nodig hebben. Ze eten en drinken puur voor hun plezier, als ze er zin in hebben. En wat voor een plezier! In het hemelse Jeruzalem van de middeleeuwers worden inderdaad formidabele banketten aangericht. In het islamitische deel van de hemel vieren de gelukzaligen in het paradijs feest met Allah. Hij zet hun in zilveren schalen een feestmaal voor dat onvergelijkbaar is met welk aards banket dan ook. En jawel, moslims mogen hier officieel aan de wijn, hoewel men er volgens Mohammed (zo verha-

135

len de hadiths) ook wel een glaasje melk drinkt. Aan voedsel is er in het paradijs van de moslims onder meer manna, vetgemeste vogels, kwartels en honing verkrijgbaar. Je hoeft er alleen maar verlangend naar een vogel in de lucht te kijken, of hij valt geroosterd en al direct voor je voeten. Maar wat er ook gegeten of gedronken wordt in de hemel, uitwerpselen komen er niet voor (ook al hebben christenen in voorbije eeuwen beweerd dat moslims wel grote en kleine boodschappen doen in hun hemel). De spijsvertering werkt in de hemel kennelijk anders dan op aarde. Misschien verdampen de afbraakstoffen er wel. Volgens de islamitische hadiths rekent het organisme in de hemel met lichaamsvuil af door middel van transpiratie die ruikt als muskus. In de hel is helaas weinig eet- en drinkbaars voorhanden. Honger en dorst lijden staan hier zelfs hoog in de top tien der folteringen. In de klassieke onderwereld moet Tantalus bijvoorbeeld eeuwig honger en dorst lijden, staande in een meer en omringd door fruitbomen. In Dantes negende hellekring is het voedselaanbod zó schaars dat een van de verdoemden zich gedwongen ziet aan het hoofd van een van de andere verdoemden te knabbelen en de hersens eruit te pulken. Op de zesde ommegang van Dantes louteringsberg staat een zoetgeurende fruitboom en stroomt een frisse waterval, maar de gulzigen en vraatzuchtigen mogen er niet aankomen. En als er dan wat genuttigd wordt in de hel, dan is er vrijwel altijd sprake van dwangvoeding. In middeleeuwse christelijke hellen voeren duivels en demonen verdoemden met gloeiend hete munten, kokend lood en meer van zulke weinig voedzame zaken. Slechte boeddhisten krijgen in hun hel geen gesmolten lood, maar gesmolten goud en zilver te drinken. Bedorven vlees wil er in allerlei onderwerelden en hellen ook wel ingestopt worden. Of uitwerpselen, want die zijn in de meeste delen van de hel wel aanwezig, net als bijvoorbeeld in het oud-Egyptische Duat. Uit welke spijsverteringskanalen de ruimschoots aanwezige fecaliën vandaan komen, is niet duidelijk. Niet uit die van de verdoemden in ieder geval, want die hebben immers nauwelijks te eten en te drinken.

En dan, Bij wijze van troost, Bocht na bocht, Verbazing na verbazing, Na uitzicht een uitzicht, Je kunt kiezen, Waar zijn of niet zijn, Overslaan, afslaan, maar er niet aan voorbijgaan Wislawa Szymborska

136