You are on page 1of 39

PROEVE

VAN
KLEINE GEDIGTEN
VOOR KINDEREN.

TE UTREGT,
BIJ DE WED. JAN VAN TERVEEN EN ZOON.

MDCCLXXIX.

De kinderen zijn een erfdeel des HEERE.

SALOMO.

VOORBERIGT.

Zie daar eenige kleine gedigten, ten behoeve van
kinderen opgesteld. De maker weet zeer wel, dat hij,
als digter, daar door weinig roem behalen kan,
maar dat was ook zijn oogmerk niet. Hij bedoelde
slegts eenige nuttige waarheden zo in rijm voortedragen,
dat dezelven de kinderlijke vatbaarheid niet te
boven gingen; en hij heeft ze zo klein gemaakt, op
dat zij des te gemakkelijker, door enkel leezen, zouden
kunnen in het geheugen geprent worden, zonder
dat het noodig was, dat ze van buiten geleerd werden;
iets waar de maker zeer tegen is, en dat daarenboven,
enkel door herhaald leezen, geschieden kan.

Het geen aanleiding gaf tot het opstellen dezer stukjens
is geweest--dat de maker zelf kinderen heeft, die
thands zijn eenig en grootst vermaak zijn--dat men
aan zulke stukjens in onze taal gebrek heeft--dat
hij ook gaarne voor anderen nuttig is--en dat hij
de Hoogduitsche _Lieder für kinder_ van WEISSE en de
_kleine Lieder für kleine mädchen und jünglinge_ van
G.W. BURMANN, met zeer veel genoegen, gelezen
heeft; ook hebben zij hem menigmaal op den weg geholpen,
schoon hij er eigenlijk geenen uit vertaald,
of overgenomen heeft.

Zij zijn wel allen niet voor kinderen van vier of
vijf jaaren geschikt, maar dit was ook juist niet noodig.
Men kan zelf kiezen, welken men aan zijne kinderen
wil laten lezen, ook kan men schielijk merken, of een
kind verstaat wat het leest dan niet. De opsteller heeft
met allen de proef genomen; en hij kan verzekeren,
dat zijn oudste jongetjen--een kind van vijf jaaren--veelen
van dezelven, op de eerste of tweede

leezing, verstaan heeft; en daarom houdt hij zig
verzekerd, dat alle deze stukjens voor kinderen, boven
de vijf en beneden de tien jaaren, bruikbaar zijn.
Ook mag het geen kwaad wanneer hier en daar het
kinderlijk verstand eene kleine zwarigheid ontmoet,
en daar door tot vragen en praten wordt opgewekt.

Wanneer ik het genoegen had, dat deze gedigtjens
goedgekeurd en met vrugt gebruikt werden, zou ik
met vermaak nu en dan een blaadjen voegen bij het
geen ik thands aan mijne Landgenoten aanbiede. Het
getal, dat ik thands geve, is groot genoeg, om er de
proef mede te nemen.

AAN TWEE
LIEVE KLEINE JONGENS.

Zie daar, lieve wigtjes!
Een bundel gedigtjes,
Vermaakt er u meê!
En springt naar uw wooning;
Maar ... eerst ter belooning
Een kusjen of twee.

Door liefde gedrongen
Heb ik ze gezongen,
En wilt gij er meer,
Gij moogt er om vragen.
Wanneer ze u behagen
Komt huppelend weêr.

HET KINDERLIJK GELUK.

Ik ben een kind,
Van God bemind,
En tot geluk geschapen.
Zijn liefde is groot;
'k Heb speelgoed, kleedren, melk en brood,
Een wieg om in te slapen.

Ik leef gerust;
Ik leer met lust;
Ik weet nog van geen zorgen.
Van 't speelen moe,
Sluit ik mijn oogjens 's avonds toe,
En slaap tot aan den morgen.

Geloofd zij God
Voor 't ruim genot
Van zo veel gunstbewijzen!
Mijn hart en mond

Zal hem, in elken morgenstond,
En elken avond prijzen.

DE PERZIK.

Die perzik gaf mijn vader mij,
Om dat ik vlijtig leer.
Nu eet ik vergenoegd en blij.
Die perzik smaakt naar meer.

De vrolijkheid past aan de jeugd
Die leerzaam zig betoont.
De naarstigheid, die kinderdeugd,
Wordt altoos wel beloond.

DE KINDERLIEFDE.

Mijn vader is mijn beste vrind.
Hij noemt mij steeds zijn lieve kind.
'k Ontzie hem, zonder bang te vreezen.
En ga ik hupplend aan zijn zij',
Ook dan vermaakt en leert hij mij;
Er kan geen beter vader wezen!

Ik ben ook somtijds wel eens stout,
Maar als mijn ondeugd mij berouwt,
Dan wordt zijn vaderhart bewogen;
Dan spreekt zijn liefde geen verwijt,
Ja zelfs, wanneer hij mij kastijdt,
Dan zie ik tranen in zijn oogen.

Zou ik door ongehoorzaamheid
Dan maken, dat mijn vader schreit;
Zou ik hem zugten doen en klagen;
Neen, als mijn jonkheid iet misdoet,
Dan val ik aanstonds hem te voet,
En zal aan God vergeving vragen.

ALEXIS

Alexis heeft zijn zusjen lief,
Wanneer ze in vrede leven;
Hij noemt haar zelfs zijn hartedief,
Als zij haar speelgoed hem wil geven.
Maar als zij iet, dat hem behaagt,
Voor haar, on meê te speelen, vraagt,
Dan wordt die liefde ras verminderd;

En als zij hem in 't doen van zijnen zin verhindert. Wat is tog rijkdom? wat is eer? Een handvol nietig slijk. . Gods vriend te wezen is veel meer. Dan loopen we op het deugdenpad. Dan krijgen wij dien besten schat. Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken. mijn priktol verruil ik voor boeken. Wanneer zij boven hem door iemand wordt geprezen. Kom vallenwe onzen God te voet Om deugd en heiligheid: Zo wordt op aard ons jong gemoed Ten hemel voorbereid. En waarom zou mij dan het leeren verveelen? Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak. Mijn hoepel. Zou dat wel regte liefde wezen? DE WAARE RIJKDOM Geen geld bekore ons jong gemoed. Een liefde. 't Is wijsheid. Die nimmermeer vergaat. HET VROLIJK LEEREN. Die Jesus lieft. die zo ras verkoelt. Maar help hem als ik kan. Ik sluit mijn oor niet voor zijn klagen. mijn leeren is speelen. Ook is zij doorgaands hem te veel. Het sieraad van de jeugd. HET MEDELIJDEN. 'k Heb ook gevoel daar van. De wijsheid is het noodigst goed. Die slegts op eigen voordeel doelt. 't zijn deugden. Wie dat ik immer smart zie dragen. En schrikken voor het kwaad. is rijk. Mijn speelen is leeren. Dan haat hij bijkans haar geheel. Maar heiligheid en deugd. naar welken ik haak.

Mijn lessen wil ik leeren. Des morgens lang te slapen. Ach! mijn zusjen is gestorven. Is zelfs voor kinders zoet. Zou mij eens anders leet verblijden? Zou 'k lagchen in zijn smart? O neen. Dan moet Gods woord de spiegel zijn. Beseft de waare schoonheid niet. Zal mijn genoegen zijn. En zig met schoonheid vleit. Eens anders last te helpen dragen. En zotte taal wil klappen. Dan worde ik haast een man. Die altoos veel moet snappen. DE NAARSTIGHEID. Mijn meesters zal ik eeren. Vertoont een slegt gemoed. of geeft ons pijn. KLAGT VAN DEN KLEINEN WILLEM OP DE DOOD VAN ZIJN ZUSJEN. Te geeuwen en te gapen. Staat lelijk voor een kind. wie ik ben. Een mensch in droefheid optebeuren. Waar ik mijn hart uit ken. DE SPIEGEL. Die telkens in den spiegel ziet. Wil 'k weeten. Ziet zelden zig bemind. Maar jaagt naar ijdelheid. Dit glas maakt trots. Zou ik mijn tijd besteden Aan duizend nietigheden? 'k Heb daar geen voordeel van. Die spotten kan met hen die treuren. Ik wil dan met bedroefden klagen. Hen troosten in hun pijn. . een edel medelijden Past aan mijn kinderhart.

Wilje slapen? o zij krijt! 't Zal haar wis verveelen. Weenend aan de kusjes denken. Morgen. als gij wakker zijt. Leer tog spoedig loopen! Als gij zit op moeders schoot. Zal zij speelgoed koopen. 'k Heb van morgen al gezongen. Morgen zal ik--maar voor mij ook is 't gevaar van sterven groot. die mij 't lieve meisje gaf. Moeder lief! zie daar een roosjen Van uw Coosjen. Welkom lieve kleine zus! Welkom in dit leven! Baker! mag ik niet een kus Aan mijn zusje geven. Maar kan ik geen rijmpjes digten. Neem dan. Zal ik met u speelen. En gesprongen: Zo verlangde ik naar dien tijd. nog maar veertien maanden oud. Ach! haar oogjes zijn gesloten. bloempjes strooien op haar graf. 'k Heb u tog zo lief als hij. moeder! slegts dit roosjen Van uw Coosjen. dan wordt gij groot. O! Mamatjen is zo goed! . Wijl gij heden jarig zijt. Moet ik zwigten Voor mijn broêr in poëzij. gistren nog! en nu--reeds dood! HET GESCHENK. Slaap gerust. schreien moet ik van verdriet. Gistren liep zij met mij speelen. 'k Zag haar dood in 't kisje liggen: ach wat was mijn zusje koud! 'k Riep haar toe: mijn lieve Mietje! Mietje! Mietje! maar voor niet. Altoos wil ik om haar treuren. WELKOMGROET VAN CLAARTJE VOOR HAAR KLEINE ZUSJE.

Wat wagt men niet van mij! HET GEBROKEN GLAS. DE LEDIGHEID. En dikwijls lekkernij: Maar kan een beest zo dankbaar zijn. Nimmer moet ik ledig wezen. Spelen. wat bedreven? Wat scheelt er aan? . Lui zijn. Hij stond onthutseld en bewogen. is tijd te steelen. Dat kon hij niet. En ons leven is zo kort! HET HONDJEN. leeren. Wijl God het ziet: En zou hij nu Mama bedriegen. werken heeft zijn tijd. Hij had een afschrik van te liegen. Alles wil zij geven. Moeder lief kan 't ook niet veelen. Dat de tijd verwaarloosd wordt. Schoon hij de stukken had verstoken. Hij wist geen raad. Bidden. Heeft Keesje. Alles doen met lust en vlijt. hij loopt in 't rond. zegtze. Mij geeft men vleesch en brood en wijn. Cornelis had een glas gebroken Voor aan de straat. zeize. Als haar kindertjes maar zoet En te vrede leven. En springt op mijnen schoot. schrijven. Hij scheen verstomd. EENE VERTELLING. De moeder komt: Zij ziet de tranen in zijn oogen. Hoe dankbaar is mijn kleine hond Voor beentjes en wat brood! Hij kwispelstaart. leezen.

Dan pluk ik roozeknopjes. En dragen die ter eere Van God. zei de slimme Piet. Maar als uw Keesje 't van zijn leven Niet weder doet. Zei moeder toen: 'k Wil u die misslag niet verwijten. 'k Heb zei hij. maagdeliefjes. Dan wilt gij 't immers hem vergeven. Viooltjes. Terwijl ik bezig met paletten Bij 't venster was." DE GODSDIENSTIGHEID. Wilt gij een haasjen zijn. maagdeliefjes. die altoos wel te vreden . ô die zo gauw kon loopen! Neen. Met roosjes. een haas. Om uwe magt en liefde Aan kinderen te toonen. "Wordt nooit verschoond. Citroenkruid en seringen. Daar in het glas. Dan zal ik kransjes vlegten. Gij zijt zo goed! Kom Keesje lief! hou op met krijten. Dan zinge ik: Hemelkoning! Gij doet viooltjes groeien. Vloog mijn _volan_. "Die leugens zoekt voor zijn gebreken. door 't fors raketten. Hij. dan 't met den dood bekoopen. Citroenkruid en seringen. Kijk Pietje! kijk. ik niet: 'k Wil liever langsaam gaan. Hij kreeg een zoen. die mij het leven En bloempjes heeft geschonken. Als in de lieve lente De bloemen 't veld versieren. Hoe mooi staat mij dit kransjen! Ach laat mij niet vergeten Dat gij het hebt doen groeien! DE HAAS. "Wordt wel beloond. Met duizend duizend bloemen. "Die altoos wil de waarheid spreken. moeder lief! zo even Weer kwaad gedaan.

Wanneer de boomen bloeien. Neen ik verkies den zomer Zei _Keesje_. Zelfs het geen hij heeft verliest. Onze oude goede baker. Dan hoef ik niet te leeren. dan is 't kermis. Wij dronken chocolade. Wat houdt gij voor het beste? Toen zei mijn zusje _Mietje_. De winter moet de velden En tuinen vrugtbaar maken. Dat doet men in den winter. En drinken chocolade. De boomen moeten bloeien. en morellen. Dan valt er braaf te knappen. Den akker moet men mesten. Kan zijn gaven wel besteden. En pruimen. En wat andren zijn wil wezen. zeide _Saartje_. Dan hooren wij vertellen. . Maar dat hij. Maar ik zei. 't is het beste. Dan ziet men duizend vogels Op groene takjes zingen. EENE VERTELLING VAN DORISJE. Men moet de boomen snoeien. Is dat niet in de lente? De winter. Die sprookjes kan vertellen. En perzikken en peeren: En is dat niet in 't najaar? Hoort kinders. En deden honderd vragen. Om tuiltjes van te vlegten. lieve _Saartje_! Zei _Pietjen_. is de beste. Wij zaten laatst bij _Saartje_. Of eeten dikke wafels. die altoos kniest. Heb ik meer dan eens gelezen. In 't einde zei ons _Saartje_: Wel nu. Dan heeft men abricoozen. Dan krijgt men mooie bloempjes. Die tijd is mij de liefste. mijn hartediefjes! Gij kent de vier getijden. Met vermogens die hij heeft Vergenoegd en dankbaar leeft. Als meest de vrugten rijp zijn.

En zal om ander speelgoed vragen. Om vrugten ons te geven. De vrugten moeten groeien. Ik heb in al dat slaan verdriet. Dat wij dikwijls van U spreken! DE DRIJFTOL Nooit loopt mijn drijftol zonder slagen. een Zangstukje. Men moet de vrugten plukken. Dat doet men in het najaar. Dat doen zij in de lente. Zoon van God! die eeuwig leeft! Hoor ons smeeken. JESUS. te samen. dan loopt hij niet. Ach was Jesus nog op aarde! Aanstonds vloog ik naar hem heen. Ach was Jesus nog op aarde! 'k Vloog met u naar Jesus heen. CLAARTJE _en_ JANTJE. Jesus is een kindervriend! Onzer wil hij zig erbarmen. te samen. lieve kinders! In alle jaargetijden Gods wijze goedheid loven. En vergeeft Onze stoutheid en gebreken! Zoon van God! die eeuwig leeft! Zegen onze jeugd. Dus moet gij. Dat doen zij in den zomer. En wel te vrede wezen. Jesus is een kindervriend! CLAARTJE alleen. Want hou ik op. Hij nam kinders in zijn armen. . JANTJE alleen. en geeft.

Kwam hem in het loopen tegen voor aan op het middelpad. Foei dat ik van een tol moet leeren. zo vol geladen. zei de vader. dat Jantje wou gaan plukken. Die afgeleefde man. mij om een duitje bidt. DE BEDELAAR. o! als eieren zo groot. Aan een boom. ongehoorzaam wezen? Neen. Ben ik dan beter?. en liep heen op een galop. Die met veragting op hem ziet. noch mijn vader. 'k Zou zelden in mijn boeken lezen. Maar ik wil gehoorzaam wezen. Jantje raapte schielijk op. kom mijn kleine hartedief! Nu zal ik u pruimen plukken. en niet plukken: ik loop heen. Met vlijt te werken zonder dwang. En dat geeft vader ook verdriet. Maar is 't ook zo met Flipje niet? Ja. 'k Wil tot mijn straf. die hem stil beluisterd had. mijn levenlang Geen ander speelgoed gaan begeeren. Zou ik. En trillend van de kou. . nu heeft vader Jantje lief. Is even goed als ik. om een hand vol pruimen. die het ziet. DE PRUIMEBOOM. mist men vijf zes pruimen niet. Hier is. Voord ging Jantje: maar zijn vader.. EENE VERTELLING. Jantje zag eens pruimen hangen. zei hij. Daar op ging Papa aan 't schudden. schoon zijn vader 't hem verbood.Neen. had ik nimmer slaag te vrezen. Doet naar 't bevel van Jesus niet. 't Scheen. noch de tuinman. Ik wil dan ook de deugd in arme menschen eeren. Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen. Een vroom en eerlijk mensch draagt dikwijls slegte kleeren. Kom mijn Jantje. die bijkans nakend zit. Gods wijsheid gaf alleen Mij wat meer geld dan hem.

MDCCLXXVIII. liegt menigmaal. spreekt vriendentaal. Het zaad zal hem dienen. Die altoos vleit. Ik kan zijn bijzijn niet gedogen. Heeft op mijn hart een groot vermogen. VERVOLG DER KLEINE GEDIGTEN VOOR KINDEREN. JAN VAN TERVEEN EN ZOON.DE WAARE VRIENDSCHAP. TE UTREGT. hebben mij dikwijls sterk aangedaan. De mondelijke en schriftelijke verklaringen van het genoegen. deswegens. door dezen mijnen geringen arbeid veroorzaakt. Ik ben veel te gevoelig over het gunstig onthaal. ja dikwijls riep ik bij zulke gelegenheden uit: Tranen vloeien uit mijn oogen. Maar 't laag gemoed. dat altoos vleit. als gij mij . BIJ DE WED. Verdenk ik van baatzugtigheid. VAN MR. dat mijne _kleine gedigten voor kinderen_ bij mijne Landgenooten gehad hebben. die mij mijn feilen toont. dan dat ik mijne blijdschap en dankbaarheid. niet openlijk betuigen zou. HIERONIJMUS VAN ALPHEN. Gestreng bestraft. en nooit verschoont. Een vriend. Die zelden prijst. DAVID. Lieve kinders. VOORBERIGT.

Vaartwel mijne Landgenooten! en weest verzekerd. zo ligt bewogen. LOTJE EN KEESJE. Wat dan?--louter onvermogen. te _Amsterdam_. die mij noodzaken. J. zo wel als die fabelen. iets tot nut of vermaak van u of uwe kinderen te kunnen toebrengen. KEESJE. in welke ik mijne eersten vervaardigd heb. Ik heb dan gewagt. datge schreit: . gesteld worden. die mij het voordzetten van dezen arbeid zo lang heeft doen verschuiven. Zegent God. Zij egter. in hoop dat dezelven even zo mogen behagen als de eersten. Ik moet hier nog bijvoegen. en het is de vrugt van die uuren. dat er redenen zijn. Ik had lang mijne gedagten laten gaan. zo dra mogelijk. aan onze Nederlandsche jeugd niet genoeg kan aanbeveelen. BUYS geteekend. worden afgeleverd. welke plaatjes men. om eenige kunstplaatjes bij deze kinderversjes te voegen. zullende de eerste afdrukken aan dezulken. geen lusteloosheid geweest. dan die door de drukkers dezes eigenhandig dus onderteekend zijn. om geene exemplaren voor egt te erkennen. gelieven. zo laag mogelijk. als digter vooral. en zo dra ik mij zelf dwingen moet. dat het mij altoos een gevoelig genoegen zal zijn. ALLART. Deze plaatjes zullen. en de versjes egter afzonderlijk te bekomen zijn. die eeuwig leeft. TERVEEN EN ZOON _alhier_. Dat hij mij die blijdschap geeft! Het is derhalven geen traagheid. _Boekhandelaar te Amsterdam_. ALLART. V. Vraagt om meerder poëzij. toen mij de Hr. bij hunne Boekverkopers. mijne waarde Landgenooten! Ik kan. en zelfs eenige middelen aangewend. welke ik nu wederom aan onze kinderen aanbiede. tot dat ik weder in die gesteldheid geraakte. door den Kunstschilder J. Zeg me zoete lieve _Lotje_! wat is de oorzaak. of bij J. valt alles kwalijk uit. om daar in tot mijn genoegen te slagen. De plaatjes zullen. van welker bekwaamheid men eene proeve zien kan in de fraaie plaatjes voor Gellerts fabelen. en door de Heeren PUNT en VAN DER MEER gegraveerd worden. of bij de WED. eenen weg aanwees. Ach! mijn hart. die zig van de eersten en beste afdrukken voorzien willen. niet werken wanneer ik wil. onder mijn opzigt. hunne namen optegeven.

DE GEZONDHEID. als gij om verschoning vraagt. Ofschoon ik groten rijkdom had. mij geleiden: KEESJE. ja gewis: Zou ik niet voor _Lotje_ spreken. Mij zelven tot een last moest zijn. als gij moeder valt te voet. Ga. of gebroken. Maar zou ik dan mijn Vaders raad Niet ijverig betragten? En gulzigheid en overdaad Niet mijden en veragten? Die nooit genoeg heeft voor zijn mond. Moeder. Zo ik. dat gij eenzaam in een hoekje zit. weet gij. en klaagt. doorknaagd van angst en pijn. Ja zij wilde mij niet kussen. Foei mij! ach! dat zulk een moeder om mijn stoutheid treuren moet. waarde _Keesje_! moeder lief was niet voldaan Met mijn naaiwerk o! zij zag mij met verdriet en droefheid aan. Gezondheid is een groote schat Om vergenoegd te leven. Maar gij hebt geen voorspraak noodig. zij zal het u vergeven. zo als ze anders altijd doet. Leeft zelden vrolijk en gezond. lieve meid? LOTJE. zij zal u wis verschoonen. daar zij zulk een voorbeeld heeft. Gistren las zij voor ons beide. Zou 'k niet schreien. . Wat voordeel zou het geven. Wat kan 't baten. Zult gij dan mijn voorspraak wezen. LOTJE. is zo goed. Zal zij 't zeker u vergeven. dat ook God de schuld vergeeft: 'k Weet. KEESJE. Hebtge uw beugeltas verloren. die mijn liefste zusjen is.

KEETJE. dan spelen wij. Keetje lief! kom speel met mij. Al heb ik weinig. Nooit te werken. Dat moet wel verdrietig wezen: Is het daarom dat men leeft? Lustig Keetje! nu aan 't spelen. KLAARTJE.. haar poppen weggelegd. Ter nauwer nood had Keetje dit gezegd.. 't Zal dan zeker u verveelen. Somtijds spelen. Dien gij aan uw poppen geeft. Kom kinders zet u bij mij neêr. Altoos in den tuin te wezen. 'k Zal u een liedjen geven. Op te houden van het spelen: Leer nu eerst. Boven staat er op geschreven: Hoe!. nooit te lezen. beschaamd. Is het daarom dat men leeft? Klaartje lief. KLAARTJE. Ach! de tijd moet u verveelen. somtijds lezen. Dat zal wel het beste wezen. Altoos werken. HET GEVONDEN LIEDJEN. 'k hoop dat ik het lezen kan. Die altoos mooie kleeren droeg. DE VERGENOEGDE MAN. Zou ik een man benijden. KEETJE. hou op met spelen. 'k heb genoeg.KLAARTJE en KEETJE. altoos lezen. Of Klaartje had. . 'k Vond daar even dit papiertjen.. De vergenoegdheid is veel meer Dan schatten in dit leven. Ach! de tijd moet u verveelen Dien gij aan uw meesters geeft..

En 't vlugst was in het lezen. Wat heb ik veel gekregen! Welk een lief en aartig liedjen! Hoe behaagt en treft het mij. De honger. dien ik zelden mis. Ik heb den prijs verloren. De zeeën en de steden. Bij bekers ingeschonken. Verblijdt u in Gods zegen! Zeg dankend ieder oogenblik. Zie ik den avond rijzen. Aan hem. Het gauwst van allen vinden. Dan ooit de wijn mij geven kon. Het werken houdt mij steeds gezond En vlug van lijf en leden. Dan hef ik eens een liedjen aan Om mijnen God te prijzen. 'k Word wakker in den morgenstond Verkwikt en wel te vreden. die 't beste leerde. EENE KLAGT VAN DAANTJE. Dat boek met mooie prentjes. Heeft Jantje nu gekregen. . Maar zwaare pijn moest lijden. leeft als ik. 'k Heb dikwijls water uit een bron Met meerder smaak gedronken. Met groene zijde lintjes. En hem te meer beminnen. Ach mij! ik ben verdrietig. 'k wil zijn gaven prijzen. En is de dag voorbijgegaan. Ja op de kaarten kon hij De landen en rivieren. Waar naar ik zo verlangde. Nu lieve kinders. DE GOEDE EERZUGT. Dan of ik aan een konings disch. Maar zou ik hem benijden. En nu nog minder leeren? Neen. Vergenoegde man! als gij. Mogt ik leeren zo te leven. Doet mij veel grager eeten. Om dat hij 't best kon schrijven. Was dag aan dag gezeten. Dien vader lief beloofd had.

dat is een leugen! Laat hem komen. Lieve klepper! hou de wagt Ik ga slapen: goede nagt! KLAASJE EN PIETJE. Maar mijne oogjens vallen toe. Die aan zulk een man gelooft. Ik wil wat korter slapen. Zou ik voor den klepper vreezen. Klaasje foei. zo gij niet wilt deugen. dat ik gerust kan wezen. Is van zijn verstand beroofd. Dien Vader weer beloofd heeft. En groter vlijt besteden In 't horen naar de lessen. als hij kan. Wanneer ik op moest letten. Dat hij op de dieven past. Pietje. Die mij mijn meesters geven. Door al te lang te slapen. Maar 't zal niet weer gebeuren. Dan verschijnt de zwarte man. DE KLEPPERMAN. En ook veilig slapen kan. . Door al te veel te spelen. 'k Wil dan wat minder spelen. 't Zingen wordt hij nimmer moe: Goede God! geef hem uw zegen. Den eereprijs te winnen. Maar tevens zal ik tragten. KLAASJE. PIETJE. o! Die lieve brave man Maakt. Door telkens rond te kijken. Dat boek met mooie prentjes. Heb ik den prijs verloren. Schoon hij loopt door wind en regen. Met groene zijden lintjes Heeft Jantje dat gekregen! Ik kan het niet vergeten. Moeder lief! 'k geloof het vast.

Zonder regen. ja wat niet al. dat ons lekker smaken zal. God verhoort ons: God is goed! GODS WIJSHEID. 't Goud is niet van zulk een waarde Voor onze aarde. Ja ik wil dan wat besparen. Ligt er reeds in onze kelder. Ach! hoe trillen mij de leden.WINTERZANG. Lieve droppels valt op de aarde! Valt in grooten overvloed. Ja ik wil gehoorzaam leven. dat van honger schreien moet. daar valt de regen Op het uitgedroogde land: Vader bad om zulk een zegen. groeit geen kruid noch plant. Daar men mij met warme kleeren voor den strengen vorst bevrijdt. God is goed. over mijn gelukkig lot. Winterpeeren. God is wijs. kool. Ach! hoe menig duizend menschen hebben zo veel voorraad niet. 'k Zie de geele bladers vallen. GODS GOEDHEID. en u danken. vlees. Vader zegt: in zulk een koude dient er hout noch turf gespaard. als de koude mij verdriet. o Wij hebben zo veel voorraad voor den schralen wintertijd. 'k Loop naar 't hoekjen van den haart. die malsche regen . met den zomer is 't gedaan: En 't gehuil van sneeuw en regen kondigt ons den winter aan. Mogt ik nu maar dankbaar wezen. Zegt hij. goede God! Ja ik wil gedurig denken. en appels boter. en wat van mijn overvloed Aan een arrem kindje geven.

Als men gezond mag leven. Dan een hazelnoot zes zeven. Dan zou 't langer niet tot zegen. Dan worde ik wakker met een schrik Door 't akelige droomen. Mijn hoofdjen! ach! het doet zo zeer! Het schijnt van een gespleten. Hoe veel men Gode schuldig is. En wanneer zij wil. Ze is tog geen kwaadaartig kind. Zag men nimmer zonneschijn. Zo lang zal ik haar beminnen. maar met droefenis. God is wijs. De rust is mij benomen. En schoon men vraagt. Viel er al te zware regen. . DE EDELMOEDIGE WEDERVERGELDING Zou ik dan mijn zusje kwellen Om dat zij me niet bemint? Zou ik kwaad van haar vertellen? Neen ik denk: zij is een kind! 'k Zal haar van mijn lekkers geven. nog meer. door 't geen ik mis. Tot dankbaarheid gedreven: Nu voel ik. 'k Zal haar hart door liefde winnen. Als voor 't groeien noodig was. Dan wat druiven. Maar tot schade voor ons zijn. Nu worde ik eerst. Tot ze in 't eind mij ook bemint. HET ZIEKE KIND. Al ligt geen kind zo zagt als ik. dan een peer. Als Gods wijsheid noodig vond. wat ik begeer Ik walg van 't lekkerste eeten. Geen hobbelpaard vermaakt mij meer. die malsche regen Houdt weer op: de dorre grond Heeft nu zo veel vogt gekregen. Houdt nu op: het dorre gras Heeft weer zo veel vogt gekregen. En slaap ik eens één oogenblik.

voor elkander alles doet. Daar alleen kan liefde woonen. daar alleen is 't leven zoet. blij en ongedwongen. . Ik wil nu dankbaar wezen. Waar men. Kom mijn lieve zoete zusje. Hij wou zelf er niet van eeten: Klaartje. Maar o! die God is altoos goed. Geef me een kusje. als zij iets voor vader doet. HET GOEDE VOORBEELD. Dat wij dikwijls zo krakkeelen. En het geen haar mogt verveelen. o Ik ben zo in mijn schik! 'k Heb van moeder zo vernomen. Komt. PIETJE. Vader gaf de beste perzik laatst aan moeder met een zoen. Toont er een iets te verlangen. nimmer knorren zij als wij. laat ons leven tot elkanders nut en vreugd! Laat ons pogen na te volgen vaders liefde en moeders deugd. Vader poogt altoos te weten wat de wensch van moeder is. o Hoe lieven zij elkander. liefste broertjes o het strekt ons tot verwijt. PIETJE EN KEETJE. dan zegt de ander: dat is goed! Moeder is het best te vreden. zouden wij dit doen? Liefste zusje. mijn liefjes. ach gij weet niet hoe 't mij spijt. En schoon ik pijnen lijden moet. geeft aan vader droefenis. Vader leeft met onze moeder altoos vergenoegd en blij. Geduldig zeggen: God is goed! Hij kan mij weer genezen.

Wijl zij dan niet hoeft te vragen. Laat ons dan eens wat bedenken. Die uuren lang gedoken zat. EEN GODSDIENSTIGE JEUGD MAAKT EEN GELUKKIGEN OUDERDOM. Dat _Camie_ van 't school zal komen. Zijn frissche kragten Der zonde geeft. Geduld is zulk een schoone zaak Om in een moeielijke taak Zijn oogwit uittevoeren. Die in zijn jeugd het pad der deugd Heeft ingeslagen. hoe gering. Wel: ik heb vier mooie printjes. KEETJE. Verdriet verwagten. Niemand is zo blij als ik. Wagt welgemoed Zijne oude dagen. Of 't bij ons maar praaten is. Als wij haar maar wat vertellen. PIETJE. gelijk ik gis. Ik twee lintjes. Moet. En geen daden dat verzellen Is 't geen regte vrolijkheid. Maar die zijn tijd Onnut verslijt. PIETJE. Zij ging niet heen voor zij de rat. HET GEDULD. Om op een rat te loeren. Om te schenken Aan die allerliefste meid. in haar klauwen had. En 't goede doet. afgeleefd. KEETJE. . Goed voor haar. Dit zag ik laatst in onze kat. behagen. Gevangen. 't Zal haar.

Kon het u van smart bevrijden. Die God bemint Die wordt zijn kind. Al zijtge een spot Van hun. Dan slijt ge blij. Ik zag in al die tijd geen vink of koolmees weer. Maar ik buig. U vroeg behagen. Gij hebt veel meer Dan geld of eer Van hem te wagten. Doch 't is boven mijn vermogen. Om dat hij voor een tijd voor tegenspoed moet bukken. met weenende oogen. Biddend mijne knietjes neer. Nu zeg ik bij mij zelf: er zijn geen vogels meer. Of deze koolmees zat er in. PIETJE BIJ HET ZIEKBED VAN ZIJN ZUSJEN. Of maar tot verligting zijn. Is even dwaas. Toen zei ik bij mij zelf: wat zal ik vogels vangen! Dat heet eerst regt een goed begin! Maar ach! het zijn wel zeven dagen. Mijn knip had in den boom een uurtje pas gehangen. . ach dat klagen Kan mijn teder hart niet dragen. die God Te stout veragten. Die al te groote dingen wagt. o jeugd! Het pad der deugd. En moet hij sterven. Hij zal genaê Bij God verwerven. Van wroeging vrij Uwe oude dagen. Mietje lief ik voel uw pijn! 'k Zou gewillig voor u lijden. DE KOOLMEES. Om dat hem in 't begin zijn pogingen gelukken. Nu ben ik heel ter neer geslagen. als die tot wanhoop wordt gebragt. Ach dat kermen. Laat dan. 't Zij vroeg of spaê.

Goede God! ach laat haar leven Tot mijn voordeel. En Gods goedheid altoos roemen. al ben ik jong. Ben ik vrolijk. hoe blijmoedig En hoe dankbaar is haar hart. zij is blij. Als zij neerdaalt in het graf. "Naamt gij met mijn zusje Mietje "Ook mijne ouders van mij af. "Lieve God! waar bleef tog Pietje. Dies zal ik zijnen lof. dat haar behaagt. "Ach mijn moeder zou 't besterven. dat ik spoedig Mag bevrijd zijn van mijn smart. "Vader daalde wis in 't graf. Mijn zusjen is gezond. En wanneer zij bij mij zit Met het oog om hoog geslagen. Worde ik beter. "Laat haar 't leven tog niet derven." HET VERHOORDE GEBED. dat zij bidt. Zou ik niet mijn moeder eeren. Die mij zulk een moeder gaf. Dan geloof ik. . Welk een droefheid zou 't mij geven. 'k Zal haar naam met eerbied noemen. mag ik leeren. HET TEDERHARTIGE KIND. Ach wat doetze niet voor mij? Wat mij nut is. Ik zal altoos haar beminnen. Haar te missen in mijn jeugd. Daar mijn moeder over klaagt. Altoos doen. Wat zal mijn dankbaar hart dien goeden God vergelden? Zo groot een God wil die gedankt zijn van een kind? Ja! Vader zegt. God hoorde mijn gebed! En heeft tot onze vreugd mijn zusje lief gered. Nimmer wil ik iets beginnen. Ben ik ziek. tot mijn vreugd. Ja dan bidt zij. "Laat mijn bede u niet mishagen "Goede Jesus! hoor mijn klagen. "En herstel mijn zusje weer. vermelden. dat God daar in behagen vindt. ik hoor haar klagen.

Wat zou ik vorderingen maken. eer ik mij tot speelen schik. hij of ik? TWEEDE VERVOLG DER KLEINE GEDIGTEN VOOR KINDEREN. Dat. Hij had in 't kaarslicht zulk een zin. eer men iets gewigtigs doet. DE VOGEL OP DE KRUK.DE ONBEDAGTSAAMHEID. Ik zonder vrees mij af kan vragen: Wie leert er beter. k' Wil dan voordaan mij zo gedragen. maar 't is te laat. Als ik zo leerzaam was als hij! Maar 'k zou wel haast aan 't schreien raken. ach! veroordeelt mij. Eén uur van onbedagtsaamheid Kan maken dat men weeken schreit. En schoon ik in het eerst mijn moeite moest beklagen. Dat ik dit cijsje kogt van Klaas den vogelman. En vloog er onvoorzigtig in. Dat. O! laat ons dit tot leering zijn. Hij werd bedrogen door den schijn. Zie Keesje! deze doode mug Vloog nog zo even blij en vlug. Nu is er nergens geen. Het zijn pas zes of zeven dagen. HIERONIJMUS VAN ALPHEN . Maar 't is door onbedagtsaamheid. die beter vliegen kan. VAN MR. Dat hij nu dood op tafel leit. Er is voor 't mugje nu geen raad. Mijn vogel. Nu ligt hij daar. Men zig wat lang bedenken moet.

te zingen. en dikwijls lezen Leert het best. Hoort! gij hebt er ook genoeg. Mijn lieve Jan! Dat een verstandig kind geen dingen moet begeeren. 't Is in 't aantal niet gelegen. wel. En voor grooter is 't wat vroeg.. om u nog iets te geven. Ik heb te weinig om dat lieve dier te koopen. Eenige uurtjes weêr besteed. MDCCLXXXII. Zegt tog niet. DE ZINGENDE WILLEM. En schoon mij dit aan 't harte gaat. JANTJE EN HET KONIJN. MORGENLIED.. Bij 't opgaan van de zon Zat Willem aan een bron. Mooglijk is 't de laatste bundel. Die hij te voren weet. . mijn lieve wigtjes! Dat _van Alphen_ u vergeet. Daar zie ik een konijn! Wat zou 'k gelukkig zijn. Hij had den afgelopen nagt Verkwikkend doorgebragt. Ik weet geen raad!. Had ik het. JAN VAN TERVEEN EN ZOON. om er meê in onzen tuin te loopen. Weinig. 'k Heb. Van goeder hart.. dat hij niet krijgen kan. Zei Jan: maar schoon 'k mijn geld Al driemaal heb geteld. AAN MIJN KLEINE LEZERS. in uwen tijd: Grooter boeken zultge krijgen. Wel! laat u dit geval dan leeren. TE UTREGT. BIJ DE WED. Als gij ook wat grooter zijt.

En kon zig langer niet bedwingen. Haar kleine citer nam. ach mogtze mij leeren. riep hij. Dat ik hem loven moet! Magtige Schepper! u heb ik te danken. DE KLEINE ZANGSTER. Vriendlijke Schepper! wie zou u niet vreezen! Wie u niet eeren. Van agt of negen jaren. Dat gij mij gunstig in 't leven bewaart. ik zal u ook eeren. Prijst u de morgen. is zo goed. Wie is als gij algenoegsaam en mild. De zon moog haar stralen In 't westen doen dalen. Dies looft Hem mijn hart. Tot dat mij de morgen . almagtige God! Van u alleen moet ik alles verwagten. Heilig en dankbaar te leven op aard. De maan Ving aan Zo schoon als ooit te schijnen. Daar gij ook kinderen zegenen wilt. Een meid. AVONDLIED. Dat ik ontwaakte gezond en verheugd. Naarstig. Zij paarde lagchend stem en snaren. En zong het vrolijk avondlied. Dat ik u kenne in het eerst van mijn jeugd. God. God zal voor mij zorgen. Dit geeft mij geen smart: God heeft ook geschapen Den nagt om te slapen. En hupplend bij mij kwam. Is me tot voordeel en 't is uw gebod. gehoorzaam. Prijst u de morgen. 'k Behoef niet te vreezen In 't holst van den nagt. en vrolijk te wezen. Dat gij hier uitgeschreven ziet. Wijze Bestierder! 'k heb Jesus te danken. 'k Wil dan van daag uwe wetten betragten. Toen lieve Cris. Hoe donker 't mag wezen. Het licht der zon Begon Alreê te kwijnen. naar 'k gis.

Ik werd er in geboren. DE VERKEERDE VREES. En 't kwarteltje slaat. Geen leed zal mij naken: God wil mij bewaken. En dankbaar te leven. 'k Hoor zelfs in seringen Den nagtegaal zingen. Om _wat ouds! wat ouds!_ te koopen: Hij werd bang. Hoe Hij me bemint. . en ging aan 't huilen. DE LIEFDE TOT HET VADERLAND. Pietje spotte met dat schuilen. ja bleek van schrik. En zei lagchend: doe als ik! Kees zei: zoudt gij niet ontstellen. Mag ik u verhoogen. God toont. Als gij hun eens aan zaagt bellen? Neen ik tog. o mijn God! U eere te geven. Als men voorneemt kwaad te doen. Weêr vrolijk verwagt. Men wordt tog door geuren Verkwikt waar men gaat. Is 't zaligste lot. zei Pietje toen: Waarom zou ik altoos vreezen? Men behoeft slegts bang te weezen. door mij 't leven En voedsel te geven. Dan sluit ik mijne oogen Gerust. Het starrengeflonker Vervrolijkt het donker. Keesje zag eens Joden loopen. Al ben ik een kind. En speelt door de blaên. Tog wordt mijn Vaderland van mij op 't hoogst bemind. Hij kroop weg. Al ben ik maar een kind. Al ziet men geen kleuren. De lichtende maan Begint op de weiden Haar glanssen te spreiden.

'k heb geen lust in slaan. Ik mag er 't onderwijs Van wijze meesters hooren. Zo nuttig zijn voor 't land. vrienden in. Laat ons dezen twist beslegten. Dan te vegten zonder nood. En. Ik heb er ouders. Hier werden zij gestoord. en dikwijls in zijn leven . 'k Vat u aanstonds bij de kleêren: KLAASJE. GIJSJE. Papa lief had het juist gehoord. GIJSJE. Wagt u. Neen: daar zal ik mij voor wagten. GIJSJE. kom dan ter zij! KLAASJE. 'k Wil niet. Vader mag het vonnis strijken. O! bedenk eerst watge doet. Laffe jongen. worde ik eens een man. zonder moed! KLAASJE. Ha! geen dwaasheid is zo groot. Maar laat ons naar Vader gaan. Ik kan er veilig woonen. Die ik met al mijn hart bemin. Hij die een krijgsman was. 'k Wil u niet verongelijken. Ik heb er drank en spijs. 'k Ben zo min bevreesd als gij. DE VEGTENDE JONGENS. 'k zou mij dan verweeren. Maar uw dreigen _hier_ veragten. als ik maar wezen kan. GIJSJE. Door eens moedig saam te vegten! KLAASJE. Dies zal ik dankbaar mij betoonen. Is dat waar.

Caatje! hoe. of drijven heen en weêr. . Hoe schoon schiet daar de bliksem neêr! Hoe statig rolt de donder! De wolken pakken saam. Hoe zij mij bij haar sterven Voor 't laatst nog eens omhelsde. Maar. gedugte Hemelheer! Uw Majesteit bewonder. Doet mij dan bitter schreien. gij beeft? Ach wilt daar nooit voor vreezen! 't Is een geschenk. Het een en ander leerde. CLAARTJE BIJ DE SCHILDERIJ VAN HARE OVERLEDENE MOEDER. Waar godvrugt en opregtheid Bevalligheid en blijdschap Zo klaar op is te lezen. Wanneer zij mij. En daarom. Dan rollen mij de tranen Gestadig langs de wangen. Zei: 't is de beste held. Dat lief en lagchend wezen. moest Caatje dankbaar wezen. lieve meid. waar ik ga. Terwijl ik in dat al. Die dapper vegten kan. Wat heb ik niet al uurtjes Met nut bij haar gezeten. Maar 't zal mij altoos heugen. Ik--nog geen negen jaren. dat God ons geeft. Wat zie ik. Ik zie een nieuwen glans op boom en veld en vrugt. hij heeft den grootsten moed. Nu is 't voorbij: een frissche lugt Omringt mij. Zelfs in uw zegeningen. Van zijn beleid en moed veel proeven had gegeven. Om dat ik haar moet missen. en doet de vogels zingen. Ik kan er niet aan denken. En 'k doe het tog zo gaarne. HET ONWEDER. al spelend. eeuwig God! gij blijft gedugt. maar 't nooit onnoodig doet. Wanneer ik neêrgezeten Bedaard het beeld aanschouwe Van mijne lieve moeder.

"Hoor dan mijn laatste woorden. gezeten Bij 't beeld van mijne moeder. "En God om Jesus wille "Zal u vergeving schenken. "Vaarwel. "Eert God. "Hoe zou ik mij verblijden. Claartje! "Daar hebtge 't laatste kusje!" 'k Ging schreiend naar beneden. o God. mijn lieve Claartje! "Is ook de hemel open. mijn lieve meisje! "Ik voel den dood genaken. "Leer vroeg de zonden haten. gij zijt wijs en heilig. En 't duurde weinige uuren. Dan rollen mij gestadig De tranen langs de wangen. Dan zal ik bij mijn sterven Bij U en moeder komen. En moeders lessen volgen. "Maar zietge dan. Of moeder was gestorven. "Ach. Mijn lieven Vader eeren. "En kan niet langer spreken. "Maar ach. "En God eerbiedig danken. Aan haren dood gedenke. bitter schreiend. Wat zal dat zalig wezen! . Dan zie ik naar den hemel. U mag ik niet berispen. Mag ik u maar beminnen. "Zie dikwijls naar den hemel. zag ik na uw sterven "Mijn kind ook daar verschijnen. Neen. De woonplaats mijner moeder. "Maar hebt ge eens kwaad bedreven. "En zeg--daar woont mijn moeder. "Voor u. bemin uw vader! "Groei op in deugd en wijsheid! "En wiltge vrolijk leven. Wanneer ik nu. mijn Claartje! "Op aarde mij niet weder. vaarwel dan. "Dan moetge 't gul belijden. Hoe zeer ik haar betreure. Dan roep ik. "En van deze aarde scheiden. "En geef mij 't laatste kusje. "Om in den blijden Hemel "Bij de engelen te woonen.Toen zeize: "lieve Claartje! "Uw moeder zal haast sterven. hebt gij die moeder Aan mij zo vroeg ontnomen.

datge 't wel doorziet. De Schepper. Ik zing zo graag eens meê. Dat ik mag leeren speelen. Ik deed mijn best als gij. De jeugd spant zig met speelen En zingen nuttig uit. Dat dikwijls doolen doet. De Schepper weet het best van allen. Eergistren was ik jarig. Dan vraagt hij mij. En zei: in 't nieuwejaar. . Waarom verwelkt de roos zo ras? Zei Jantjen: och of 't anders was! God wierd ook. dien 't ons past te vreezen Wordt door bedillen nooit geprezen.DE VERWELKTE ROOS. Of 't mij niet ras verveelt? Dan zeg ik. dunktme. Zo leeft men blij en zoet. Waarom 't zo schielijk af moet vallen. Dan geeft dit lief geluid Weêr nieuwen lust en kragten. En moeder vroeg mij toen. Al denktge. Wanneer mijn oudste broêrtjen Op 't clavecimbaal speelt. Al heb ik weinig jaren. En zingen naar de kunst. En is men moê van 't leeren. Nu brande ik van verlangen. Hoe ras het aardsche schoon vergaat. Mijn lieve Jan! het is zo niet. MIETJE BIJ HET CLAVECIMBAAL. datge gadeslaat. Wat ik van haar begeerde. meer geprezen Zoo 't roosje langer bleef in wezen. lieve jongen! o Speel tog lang voor mij! Mogt ik het ook maar leeren. Ik gaf haar eerst een zoen. En wil ook. Ach kwam de meester maar. al spottend. Zij nam mij in haar armen. En schuwt met vreugd gezelschap. Die liefelijke toonen Behagen mij alrêe. En zei: mijn lief mamaatje! Bewijs mij deze gunst.

Dat ik steeds in huis moet blijven. dan als ik mijnen pligt Blijmoedig heb verrigt. En dat smaakt niet op den duur. Zusje lief! ik laat u weten. 'k Was wel blij. 'k Heb met u vrij wat te praten. in drank. En al wat ons die wet verbiedt. EEN BRIEF VAN CAREL AAN ZIJN ZUSJE CAATJE. Dikwijls denk ik. zegt Papaatje. datze u beminde. waarom ik aan God gehoorzaam ben: 't Is daarom. Gij vraagt mij. of spel. ik zal u tog eens schrijven. 'k Dagt. Hij heeft aan ons zijn wet uit liefde alleen gegeven. Dat ik een slegtaart ben. hoe't ook schijnen mag. Daarom zal ik. Want het weder is zo guur. Nooit heb ik meer vermaak. U vertellen. wasze hier! Maar dat denken kan niet baten. dan kan ik vrolijk springen. lieve Caatje. Die leer gehoorzaam God te vreezen. . Wil iemand dan gelukkig wezen. Op dat wij vergenoegd en vrolijk zouden leven. sedert uw vertrek. dat ik Hem als wijs en goed erken. 'k Was eerst knorrig. dan ben ik niet gerust. hoe 't mij gaat. Dan smaakt het eeten best. En blijde liedjes zingen. Is. worden kan. Zoo doende. Schrijven. als of men praat. dat Clorinde U van huis en met zig nam.HET VERSTANDIG ANTWOORD. Even zo. In mijn kamer heb gezeten. Daarom praat ik op 't papier. Dan heb ik geenen lust In spijs. Meid lief! met een stijve nek. dan wordt mij door 't geweten Geduuriglijk verweten. Dat ik. HET GEWETEN. en dat ik nooit een man. Maar ben ik traag of stout. ten onzen voordeel niet. moet men.

Daarop. Zo versleet ik gandsche dagen. 'k Zei niet kort af _ja_ of _neen_. Vader wilde mij vermaken. 'k Was. Dat ik niet welvarend ben. En ik voelde minder pijn. Om te zien hoe 't met mij ging. Hoe ik meer daar aan gewen. 'k Zei in 't eind--dat ledig wezen Kan tog nooit voordeelig zijn. 'k Had haar graag mijn beste prent Voor een nieuwejaar gegeven. Met vermaak. door me in 't zweet te loopen. Moeder lief kwam daar op binnen. En wanneer ik ledig zat. Die zig naar Gods wil kan voegen. Kreeg ik bijster kwade nukken. Vader zag mij eens beginnen Aan een kleine teekening. (Zegt hij) met een stil gemoed. Vader zegt. Schoon uit nood. Maar zij moesten 't schielijk staken. schrijven. Ja zelfs in mijn prenten niet. den heelen dag. watze kon. 'k Had geen lust in lezen. Caatje zus was heen gegaan: 'k Wende dies. . 'k Sliep ook somtijds niet van pijn. wel te vrede. Maar wat hielp tog al dat klagen. Heeft mij sinds niet meer gekweld. God is altijd wijs en goed. zij zagen 't. 'k Was niet knorrig als voorheen. daar langsaam aan. Schoon op ver na niet hersteld. 't kan meer gebeuren. Ach. wat heb ik pijn gehad: 'k Mogt dan dit. Ook begon ik wat te schrijven. Of het haast gedaan zou zijn. Zei ik--wasze hier gebleven. in weinig dagen. 'k Vreesde dat het nooit zou lukken. En wanneer ik prenten zag. ik ging wat lezen. Heb ik zware kou gevat. aanminnig meisjen! Ieder in ons huis verlangt. Maar dat kniezen en dat klagen. dan dat niet eeten. Maar ik zal te minder treuren. Moeder lief deed. 'k Was 't al moede eer ik begon. Maar wat doetze te Amsterdam. 'k Praatte nu en dan eens mede. En zo lang in 't bed te blijven Gaf mij telkens veel verdriet. 'k Moest dat speelen duur bekopen. Nu vaarwel. Kon ik op mijn kamer blijven. Smaakt in ziekte zelfs genoegen. 'k Nam een boek. O wij zijn zo saam gewend. Wijl ik geen geduld meer had. En ik wou geduurig weeten.

Als ik de zon zie schijnen. wat ter zijden. Wanneer gij dode menschen ziet. Om tog verheugd te werken. En zei: wel weetge niet. Die anders honger moesten lijden. dat zij dit moeten doen. Mijn lieve kinders. Hij zag de zwaluwen zo heen en weder zweeven. Als gij dezen brief ontfangt. Maar was de stoep pas afgetreden. door dit lustig zweven. hij was niet wel te vreden. Noemt gij dit slegts vermaak. schrikt tog niet. Kees zou voor 't eerst naar school toe gaan. Hoe men met vlijt en vreugd zijn werk verrigten moet: En dat het lelijk staat. zei Kees: die les is zeker goed! DE ZON. En zei. EENE VERTELLING. En vergenoegd te leven. Datge een eind maakt van uw reisjen. Aan u een voorbeeld geven. Die met haar lieve stralen Deze aarde vrolijk koestert. En Keesjes meening ras verstond. het hoofd om hoog. neen Keesje! dat is mis. als men 't gedwongen doet. Om vee en mensch te spijzen. En bleef. met aanbidding. een poos verwonderd staan. Die 't licht ons doet genieten. Trok hem. Of 't scheen. Dan denk ik. dat heet eerst regt op zijn vermaak te leven. Hoe groot moet God niet weezen! Die zon heeft hij geschapen! En dat uit enkel liefde! HET LIJK. Maar weet gij wat hier uit voor u te leeren is? Zij kunnen. om hun jongen mee te voen. . Een man die zig op straat bevond. Zij vangen vliegjes. Ik loop naar school. al lagchend. DE ZWALUWEN. Op dat er kruiden groeien.

Die God. lieve kinders! zegt dan niet. Is bij hem in zijn dood geweest. En houdt dit lijk in waarde. zeize. Zig levend weêr vertoonen. Wanneer gij doode menschen ziet. zien. dien hij hier heeft gevreesd. Hij denkt en werkt--ja meer dan gij. Die voelen. Dan voert de dood u. Ach. Die hier niet zien of hooren kan. onder 't wandlen. Dan zal het ligchaam. Mag in den hemel leven. als een vriend. De ziel is weg van de aarde. Om eeuwig daar te woonen. En komt dan eens de jongste dag. Al is de ziel van 't ligchaam af. Mietje liep en zag haar moeder. Dat moet u niet doen ijzen. Zoudt gij voor lijken beven? Zegt liever vrolijk--deze man. Om dit nestjen in te bergen. noch horen kan. dat daar lag. 'k Heb nu. Met die lieve kleine diertjes! Aanstonds ga ik thuis wat halen. Zoudt gij voor lijken beven? Kom hier: deez bleke koude man. Een verholen vogelnestjen In een dorenhaag gevonden. Al daalt het lijk in 't donker graf. Gelooft het tog. mijn verlangen: o Hoe zal ik mij vermaken. Houdt nu niet op te leven. Die zij hijgend dit vertelde: . Wat is dat sterven een verdriet! Mogt ik maar altoos leven! Wanneer ge God bemint en dient. Maar met geen ligchaam zo als wij. de goede God Zal zelfs dit lelijk overschot Veel schooner doen verrijzen. HET VOGELNESTJEN. In 't eeuwig zalig leven. Dan voeren de Englen van beneên U zingend naar den Hemel heên. Mijn lieve kinders schrikt dan niet. EENE VERTELLING. Mietje had eens.

Dat zij vliegjes. DE VADER. Zoudt. o De goede wijze Schepper Heeft zo wel aan deze vogels Ouders. zei de moeder. hoe de oude vogels Om dat stooren zouden treuren. En gij moet niet wijzer wezen. hebt medelijden. Als men u. Mietje lief. Totze niet meer konden schreeuwen. als aan u. Maar wiltge u eens regt vermaken. FLIPJE. wormpjes Vangen en in 't nestje brengen. met Piet en Jetje. Mietje lief. niet schreien. EN DE TUINMAN. Stoort tog nimmer vogelnestjes! Denk maar eens. Dat zij juist van honger schreeuwen. Zonder 't nestjen ooit te stooren. zei de moeder. Zeg trouwe Piet? Daar aan die takjes vrugt zou komen. Neen. Als gij hun zo lang woudt spijzen. Maar ging dikwijls zagtkens kijken Naar het groeien van de jongen. Om dat zijze 't meest beminnen. En ge zult dan schielijk merken. Ach zij hebben zulken honger! Denk niet meisje. Tegen wil en dank vervoerde. Met die oude lieve vogels! Zoek tog nimmer uw genoegen In de droefheid van een ander. Ach zij zouden zeker sterven. FLIPJE. Als die diertjes noodig hebben. Mietje hoorde naar haar moeder. gij. Hun têerhartig te verzorgen. Dan de goede en wijze Schepper. En eens zien hoe de ouden zorgen Om hen juist zo veel te geven. Wat de kinders noodig hebben. Lieve Mietje. mugjes. lieve moeder! Neen dat niet! maar hoorze eens schreeuwen. gegeven: Dezen weten altoos beter. Zet u slegts in stilte neder. zei Mietje. Daar toe heeft hun God de liefde Voor hun jongen ingeschapen. . Wel waarom snoeitge nog de boomen. Ja die zullen nooit verzuimen.

'k Zeg. De waare rijkdom. lieve speelgenooten! Dat de tijd mij heeft verdroten. De spiegel. Als gij verwagt. zo als het bij mij leit: Dient er dan. Toen ik gistren zat alleen. Dikwijls naar hun kamer gaan. DE TUINMAN. Het medelijden. Vader zegt. Een boom. dat brave menschen Dikwijls naar die uurtjes wenschen. Uw vader heeft graag goede peeren: DE VADER. Maar is altoos wel te vreên. Verliest zijn kragt. Denk niet. Die vermaak heeft in het lezen. om veel te weten. DE EENZAAMHEID. De kinderliefde. Welkom! welkom! eenzaamheid! LIJST DER KLEINE GEDICHTEN. . Hoeft geen eenzaamheid te vreezen. Aan twee lieve kleine jongens. Het kinderlijk geluk. De naarstigheid. Alexis. En ik worde ook graag geprezen. 'k Wou zo graag verstandig wezen. Gelijkge ziet. De perzik. Ook zou de vrugt zo niet behagen. Menig uurtje nog gesleten. die al te veel moet dragen. Het vrolijk leeren. 't Is wel gezegd: En 't deel van die te veel begeeren Is doorgaands slegt. Om in oude en nieuwe boeken Wijze lessen optezoeken: En dat staat mij wonder aan.

De klepperman. Het hondjen. Pietje bij het ziekbed van zijn zusjen. Jantje en het konijn. Het verstandig antwoord. Eene vertelling van Dorisje. Het geschenk. Winterzang. De zingende Willem. Welkomgroet van Claartje voor haar kleine zusjen. Het verhoorde gebed. Het vogelnestjen. De eenzaamheid. Gods wijsheid. Een zangstukje. De ware vriendschap. De onbedagtzaamheid. Een godsdienstige jeugd maakt een gelukkigen ouderdom. De vogel op de kruk. De drijftol. Morgenlied. Het geweten. De bedelaar. Klaasje en Pietje. Avondlied. Een brief van Carel aan zijn zusje Caatje. Het zieke kind.Klagt van den kleinen Willem op de dood van zijn zusjen. Eene vertelling. Het gevonden liedje. De verkeerde vrees. De haas. Mietje bij het clavecimbaal. Het lijk. De gezondheid. Eene vertelling. Klaartje en Keetje. en zijn vader. Flipje. De zon. Lotje en Keesje. De liefde tot het vaderland. Jesus. Het goede voorbeeld. De pruimeboom. Het tederhartige kind. Het gebroken glas. Het geduld. De goede eerzugt. Eene vertelling. Claartje bij de schilderij van hare overledene moeder. De koolmees. De godsdienstigheid. De vegtende jongens. Pietje en Keetje. Gods goedheid. Eene klagt van Daantje. Eene vertelling. Aan mijn kleine lezers. Het onweder. De verwelkte roos. . De kleine zangster. De zwaluwen. De edelmoedige wedervergelding. de tuinman. De ledigheid.