You are on page 1of 3

Foucault - Machiel Karskens (2012

)

In het laatste deel van De moed tot waarheid gebeurt iets onverwachts. Je zou
verwachten dat na de socratische omgang met permanente training in
zelfbeheersing, zelftoetsing en zelfzuivering (askèsis) aan de beurt komt, maar
dat is niet het geval. In De moed tot waarheid schakelt Foucault van
Plato/Socrates voor het eerst (en het laatst) direct over naar een compleet andere
praktijk van waarheidspreken: de ontregelende levensstijl en sceptische
waarheidskritiek van de cynici en epicuristen. Zij laten in hun scandaleuze
scepsis – die vanaf de oudheid tot nu toe meestal als antifilosofisch en als
ontkenning van de waarheid weggezet wordt – een waarheidspraktijk zien van
het ware leven zelf als het waarheidstheater van de verandering. Het ware leven
en ware denken toont dat je moet veranderen, maar zegt niet hoe.
Foucaults hart lijkt hier te liggen: de laatset, afsluitende zinnen van zijn
aantekeningen – dat zijn zo ongeveer de laatste woorden die hij geschreven heeft
– zijn in de inleiding van dit hoofdstuk al aangehaald: ‘Er bestaat geen
vaststelling van de waarheid zonder een wezenlijke postulering van de
andersheid. De waarheid is nooit hetzelfde. Waarheid kan alleen in de vorm van
de andere wereld en het andere leven bestaan.’

Waarheid is voor Foucault het andere – of beter: de vorm van het andere.
Waarheid is niet zomaar iets pragmatisch, dat ons helpt om onderling tot
overeenstemming te komen zoals de consensustheorie van de waarheid beweert.
Het is niet allereerst iets wat nodig is om samen kennis- of levensproblemen op
te lossen, zoals het pragmatisme beweert. Het is ook niet alleen maar een logisch
concept dat we nodig hebben om onze kennis te kunnen valideren, zoals de
wetenschapstheorie beweert. Het is ook niet een soort in het verschiet liggend
einddoel, dat we in de wetenschap nodig hebben om al falsificerend toe te
werken naar de waarheid, zoals diezelfde wetenschapsfilosofie sinds Popper
zegt. Waarheid is ook niet iets wat altijd verondersteld moet worden om met
elkaar te kunnen communiceren, zoals de theorie van het communicatieve
handelen van Habermas beweert. Dat alles is of kan waarheid wel zijn, maar zij
kan dat alleen maar zijn wanneer zij werkt als een praktijk van verandering:
wanneer zij de vorm aanneemt van het andere, het nieuwe, het onvoorspelbare,
het risico.
Foucault noemt waarheid regelmatig een spel of een wedstrijd. Wanneer we deze
wedstrijdmetafoor uitwerken, dan is waarheid misschien wel het wel het spel der
spelen. Het is een streng, door logische, argumentatieve en methodische regels
georganiseerd spel. Een geritualiseerd spel dat vele vormen kent: debat,

onderzoek. Waarschijnlijk omdat hij bang is dat dit verward zal worden met de analytische waarheidstheorie. argumentatie. maar ook zichzelf. Omdat op voorhand al duidelijk is dat de nog onbekende uitslag pas in en door het spel tot stand kan komen. In het waarheidsspel zet de deelnemer niet alleen de uitslag in de waagschaal. neemt iedere deelnemer een onbepaald risico. maar zij kan nooit het van tevoren bedoelde en technisch exact te specificeren product ervan zijn. Wanneer al deze vormen van waarheidspraktijken op ware en niet op valse wijze gespeeld worden. of door een ander spel. de praktijken. Zo’n verschuiving naar de hoe-vraag noemt hij met Kant analytiek. Daarvoor moet je mogelijkheidsvoorwaarden onderzoeken en blootleggen. dan zal zoals in elk goed spel de uitslag – dat is de waarheid zelf – nooit al van tevoren vaststaan. een ander potje. Foucault zelf gebruikt deze term niet. Zo heeft hij in De woorden en de dingen een analytiek van de eindigheid ontwikkeld als omkerend antwoord op de vraag ‘Wat is de mens?’ In zijn boeken over macht schetst hij een analytiek van de macht als een omkerend antwoord op de vraag ‘Wat is macht?’ Op dezelfde manier kunnen we Foucaults werken over waarheid een analytiek van de waarheid noemen. kritiek. dan is het om te laten zien dat de wat-vraag vervangen zou moeten worden door de hoe-vraag. Die uitslag is altijd een unieke gebeurtenis en volledig het effect van het spel. toetsing. Ze zijn dit aan de inzet van het spel – de waarheid – verplicht.gedachtewisseling. . Weten we na deze lange tocht door Foucaults geschriften nu wat waarheid is? Of heeft hij een dubbelspel gespeeld door opnieuw het wezen van de waarheid te verbergen in de vertogen. bekennen enzovoort. maar door het anders spelen. Om een spel goed te spelen moeten de spelers steeds blijven oefenen en moeten zij zich er elke keer met volle overtuiging in storten. met andere troeven in het waarheidsspel te spelen. Als hij al op zo’n vraag reageert. Maar waar blijft in dit spel de kritiek en het veranderen? Foucault antwoordt op de vraag of het hier toch niet om macht of een machtsspel gaat: Men ontsnapt aan de dominatie van de waarheid dus niet door een spel te spelen dat helemaal vreemd is aan het waarheidsspel. Daarnaast zal het spelen van dit spel de spelers nooit onberoerd laten. een weg die hij niet wil inslaan. het spreken en het spelen? Op dit soort vragen geven Foucaults teksten nooit antwoord. toegeven. Het goed spelen van het spel slaat daarom ook altijd op jezelf terug.