You are on page 1of 3

DIALOOG 1: MUSEUM

1: Kunt u mij de weg naar het museum even uitleggen?
2: Ja, natuurlijk! Schrijft u het op?
1: Ja, ik sta klaar.
2: Eerst gaat u naar links, dan naar rechts. Bij de bank de brug
over…
1: … brug over… Uhu…
2: … bij de slager gaat u terug naar links
1: naar links…
2: … en dan 3 kilometer rechtdoor.
1: 3 KILOMETER?! Maar het museum hoort hier heel dichtbij
te zijn!
2: Oh, ik heb geen idee waar dat museum is, dus ik dacht: ik
leg de weg naar mijn werk wel uit. Fijne dag verder!

1: Nee dus. Een fijne dag nog. . 1: Spreekt u dan Engels? (Do you speak English?) 2: Oeloeboeloeboeloe. 1: Frans misschien? (Français?) 2: Jabadabadoebiedoe. 1: U spreekt Duits? (Sprechen Sie Deutsch?) 2: Wapperdiewapwap.DIALOOG 2: NEDERLANDS 1: Spreekt u Nederlands? 2: Oeloeboeloe. 2: Hetzelfde.

DIALOOG 3: SCHAVUIT! 1: Ik daag u uit! 2: Ik daag u nog veel meer uit! 1: Ik daag u het allermeest uit! 2: Trek uw zwaard en bestijg uw paard! 1: Ik hak u in mootjes. die achter mij is net weggelopen. schavuit! 2: Dat had u gedacht. 2: Glaasje limonade? 1: Lekker! . En achter mij? 1: Er stonden er wel twee. schurk! 1: Zeg… Kijken de jonkvrouwen nog? 2: Nee. maar nu is het leeg.