You are on page 1of 35

FACULTEIT LETTEREN

TAAL- EN REGIOSTUDIES

KATHOLIEKE
UNIVERSITEIT
LEUVEN

KOKUGAKU

Opmars van een ideologie

Begeleider Bachelorpaper
Prof. Dr. Willy Vande Walle ingediend door :
Christian Buysse

- 2008-2009 -
FACULTEIT LETTEREN
TAAL- EN REGIOSTUDIES

KATHOLIEKE
UNIVERSITEIT
LEUVEN

KOKUGAKU

Opmars van een ideologie

Begeleider Bachelorpaper
Prof. Dr. Willy Vande Walle ingediend door :
Christian Buysse

- 2008-2009 -
WOORD VOORAF........................................................................................................................ 1

INLEIDING................................................................................................................................... 2
TOKUGAWA: BAKERMAT OF HEIMAT? ....................................................................................... 4

DE TOKUGAWA PERIODE ............................................................................................................... 4


HET ONTSTAAN VAN KOKUGAKU ..................................................................................................... 7
HET BELANG VAN SHINTŌ .............................................................................................................. 9
KOKUGAKU: EEN IDEOLOGISCH EN POLITIEK INSTRUMENT ...................................................... 11
MOTOORI NORINAGA ................................................................................................................ 11
HIRATA ATSUTANE EN ŌKUNI TAKAMASA ........................................................................................ 13
FUKUBA BISEI (FUKUBA YOSHISHIZU) ............................................................................................. 17
INVLOED VAN KOKUGAKU........................................................................................................ 19

VOOR EN TIJDENS DE MEIJI PERIODE............................................................................................... 19


Sonnō jōi .......................................................................................................................... 19
Saisei icchi en de Eed in Vijf Artikelen ............................................................................... 21
Instituties ......................................................................................................................... 22
Jingi jimukyoku ..................................................................................................................... 22
Kyōbushō.............................................................................................................................. 22
Shajikyoku ............................................................................................................................ 22
Jinjakyoku ............................................................................................................................. 23
Jingi-in .................................................................................................................................. 23

BESLUIT .................................................................................................................................... 24
Woord Vooraf
Elke onderneming, groot of klein, valt of staat met de inspanningen van de betrokkenen. De
uitdaging bij het schrijven van dit werk schommelde tussen de drang zo volledig mogelijke
informatie te verschaffen en zich te beperken tot het voorgestelde onderwerp. Ik wil graag Prof.
Dr. Willy Vande Walle bedanken. Zijn eruditie vormde steeds een lichtend baken bij mijn
inspanningen. Dankzij Prof. Dr. Vanoverbeke wakkerde mijn interesse in de politiek,
voornamelijk de politiek van de Tokugawa en Meiji periode, aan. Verder wil ik David De Cooman
bedanken. Zijn kennis van het Japans bood meermaals uitweg in het kluwen der karakters en
namen. Ook Ingeborg Verplancke wil ik graag vermelden. Haar onwrikbaar doorzettings-
vermogen om haar studenten zo duidelijk en volledig mogelijk de Japanse taal eigen te laten
worden is en blijft een inspiratie. In mijn zoektocht naar relevante informatie omtrent Kokugaku
in de Meiji periode heeft Arjan van der Werf mij steeds op het juiste spoor kunnen zetten,
waarvoor ik hem ten stelligste wil bedanken. Tenslotte bedank ik Anske Mertens, een steun in
moeilijke en makkelijke tijden, steeds gereed om kladversies samen met mij onder handen te
nemen en de plooien glad te strijken.

1
Inleiding
In onze moderne wereld treft men in elk land een resem ideologieën aan. Een ideologie heeft als
doel het nastreven van idealen en denkbeelden in een maatschappij te behouden, of sociale
verschuivingen in een maatschappijbeeld te bewerkstelligen. Het woord ideologie wordt te pas en
te onpas in het politieke milieu vaak in de mond genomen. Het kan echter niet ontkent worden
dat ideologieën vooral in de politiek tot hun recht komen, het zijn tenslotte een stel
gedachtegoederen en doelstellingen waarbij het theoretische evenzeer doorweegt als het praktische
ervan. Dit maakt een ideeënleer een machtig wapen in de politieke strijd. Het is een middel om het
volk op eenvoudige wijze bekend te maken met het vooropgesteld doel of idee. Doorheen de
geschiedenis kan dit worden waargenomen. Het concept ideologie werd voor het eerst in de
achttiende eeuw gebruikt en verspreid, maar de werkwijze ervan gaat verder terug in de
geschiedenis. Het ideologisch concept van Kokugaku en diens invloed in de vroege Meiji periode
zal in dit werk behandeld worden.
In eerste aanzet werd dit werk aangevat als een studie omtrent de invloed van Shintō op het
onderwijs in Japan vanaf de Meiji periode. De Meiji periode luidde een nooit geziene ommekeer in
de Japanse geschiedenis in. Tot het midden van de negentiende eeuw bestond de Japanse
samenleving uit klassen gecementeerd in een feodaal stelsel. Domeinheren heersten over hun land
terwijl de shōgun, als gedelegeerd bestuurder van de Keizer, via een gecentraliseerd
bestuurssysteem de macht in handen had. De Meiji omwenteling moderniseerde en veranderde de
maatschappij drastisch op korte tijd. Het feodalisme werd afgeschaft, de klassenmaatschappij werd
overboord gegooid en cultuur, politiek en economie werden in sneltempo op een moderne leest
geschoeid. Ook het onderwijs onderging deze spectaculaire wijziging. De onderneming om
onderwijs doorheen de Meiji periode te onderzoeken bleek echter te omvangrijk. Maar wat waren
de onderliggende mechanismen die deze enorme omwenteling op zo’n korte tijd konden
bewerkstelligen? Hoe kon het feodalisme, dat in de vorm van het Tokugawa regime meer dan
tweehonderd jaar lang in eenzelfde vorm standhield, in een tijdspanne van enkele tientallen jaren
volledig verdwijnen? Al deze mechanismen behandelen zou ook te omvangrijk blijken voor het
bereik van het onderhavig werk. Één element sprong echter onmiddelijk in het oog: Kokugaku.
Kokugaku groeide vanuit een wetenschappelijke onderneming om de Japanse geest in de klassieke
Japanse literatuur te ontwaren tot een ideologie met verregaande impact. Na initieel onderzoek
omtrent het onderwerp besloot ik een studie aan te vatten over de invloeden dat Kokugaku heeft
gehad op religieuze instellingen van de Meiji periode. Reeds snel bleek echter dat politiek en religie
in de vroege Meiji periode niet makkelijk te scheiden waren. Gaandeweg de studie werd weliswaar
de nadruk gelegd op de religieuze instellingen, maar waar nodig werden de politieke invloeden van
de ideologie zowel als de voornaamste voorvechters ervan uit de doeken gedaan. Hoe werd
Kokugaku gebruikt in de politieke arena? Welke instellingen ondergingen de grootste veranderingen
door toedoen van Kokugaku en wat brachten deze veranderingen teweeg? Welke rol speelde
Shintō? Tenslotte werd de vraag gesteld wie de belangrijkste protagonisten waren en wat hun
bijdrage tot de opmars van Kokugaku inhield. Dit zijn de voornaamste vraagstellingen die in de
studie behandeld werden.
Prof. Dimitri Vanoverbekes hoorcollege over de politiek van Japan, Binnen- en buitenlandse
politiek van Japan, bevatte een schat aan informatie omtrent de subtiele – en minder subtiele –
machtsverhoudingen in de Japanse politiek. Op zoek naar het nieuwe Japan van Dimitri Vanoverbeke
en Edward Adriaensens legde de basis voor het behandelen van de politieke aspecten van het
onderwerp. Als prominente figuur in de studie omtrent Kokugaku bevatten de werken van Harry D.
Harootunian voortreffelijk referentiemateriaal. Towards Restoration: the growth of political consciousness in
Japan van Harootunian vormde samen met Before the Nation: Kokugaku and the imagining of community
in Early Modern Japan van Susan L. Burns en Shintō and the State van Helen Hardacre de basiswerken
van deze studie. Als ondersteunend referentiepunt werd de website van de Kokugakuin
Universiteit gebruikt. In 1882 werd de Koten Kōkyūsho (古典講究所 “Kantoor voor research van
Japanse Klassieken) opgericht met als doel Shintō verder te onderzoeken.

2
Uit dit kantoor ontstond de Kokugakuin Universiteit, waar voornamelijk studies omtrent Shintō
aangevat kunnen worden. De Encyclopedia of Shintō, een project van de universiteit, biedt
uitgebreide informatie aan omtrent Shintō en Kokugaku. Het referentiemateriaal voor deze studie
werd voornamelijk gebruikt om de onmiskenbare invloeden van Kokugaku op het politiek bestel en
de religieuze instellingen van de Meiji periode weer te geven.
Zoals vermeld, werd het feodaal stelsel in snelvaart vervangen door een gemoderniseerd
bestuurssysteem op Westerse leest geschoeid. Deze tumultueuze overgangsperiode vormde een
voedingsbodem voor het succes – en de ondergang – van Kokugaku. De late Tokugawa periode
wordt eerst besproken om een schets te geven van de ontstaansgeschiedenis van de Nationale
Studie – één van de vele vertalingen van Kokugaku. Shintō, het ‘inheemse’ geloof van Japan, werd
na de Meiji religie opgeworpen als staatsreligie en genoot kortstondig als enige de voorkeur van de
staat. De rol van Shintō en het verband met Kokugaku zal na de ontstaansgeschiedenis geschetst
worden. Nadien zullen de voornaamste schrijvers en geleerden van Kokugaku beschreven worden,
samen met hun verdiensten en uiteindelijke invloed op de maatschappij. Tenslotte zal gepoogd
worden de concrete invloeden van Kokugaku op de verschillende geledingen van de samenleving
van de late Tokugawa periode en de Meiji periode weer te geven. Doorheen het werk wordt
specifiek aandacht geschonken aan de verschillende instellingen die diepgaand beïnvloed werden
door Kokugaku of door toedoen van kokugakusha werden opgericht. Waar nodig wordt in korte
noten verdere uitleg verschaft bij concepten en termen die niet onmiddelijk een verband hebben
met het onderwerp. De Hepburn transcriptie-methode (ook ヘボン式 hebonshiki genoemd) wordt
gehanteerd om de belangrijkste japanse termen en namen te transcriberen.

3
Tokugawa: bakermat of heimat?
De Tokugawa periode werd gekenmerkt door een langdurige vrede. Dit maakte het mogelijk voor
de heersende klasse in Japan, de bushi (武士 “strijdersklasse”), om zich te verdiepen in civiele
bezigheden. De Tokugawa periode kende een sterke groei van populaire cultuur, schone kunsten,
e.a. Ook aan filosofie werd meer aandacht besteed. Kokugaku werd gedefinieerd als de Nationale
Studie, met andere woorden de studie van het “echte” Japan. Deze studie kende zijn grootste bloei
gedurende de late jaren van de Tokugawa periode.
Er kan gezegd worden dat de bakermat van de studie Kokugaku Kioto is. Twee van de
belangrijkste geleerden van Kokugaku, Kamo no Mabuchi (賀茂真淵) en Motoori Norinaga (本居
宣長) brachten lange tijd door in Kioto, waar ze vele van hun belangrijkste werken schreven of
voorbereidden. Er zijn echter andere invloedrijke Kokugaku geleerden, waarvan Hirata Atsutane
(平田篤胤) de belangrijkste was, die vanuit het toenmalige Edo - het hedendaagse Tokio -
opereerden. Het is niet eenvoudig te bepalen op welke plaats Kokugaku ontstond of waar het zijn
uiteindelijke vorm kreeg. De Tokugawa periode kan echter gezien worden als de heimat van
Kokugaku. Het Duitse concept van heimat houdt een emotionele band in dat een persoon, sociale
groep of zelfs nationale bevolking voelt met een bepaald gebied. Deze band wordt gevormd door
geboorte, de kindertijd – de vroegste levenservaringen – en de taal. Heimat wordt niet gekenmerkt
door een specifieke plaats als wel door de band met een waargenomen, vage plaats in het
verleden. 1 Het concept van heimat kan getransponeerd worden op een ideologisch-filosofisch
concept zoals Kokugaku. De studie van het “echte” Japan kende zijn ontstaan en groei tijdens de
Tokugawa periode, waardoor latere geleerden van Kokugaku zich richtten op deze eerste periode
met diens eerste protagonisten.

De Tokugawa periode
De Edo periode, of Tokugawa periode – genoemd naar de clan die gedurende deze periode de
macht in handen had – volgde op een periode van langdurige strijd tussen de verschillende clans
in Japan. Oda Nobunaga ( 織 田 信 長 ) probeerde zijn droom van een verenigd Japan te
verwezenlijken door deze vele clans achter zich te scharen. Hij was de eerste grote daimyo die met
succes vele kleine daimyos achter zich wist te krijgen en een machtsbasis op te bouwen. 2 Hij
moderniseerde zijn eigen leger, waardoor de rest van Japan snel volgde. Nobunaga vestigde het
meritocratische principe in de Japanse elite, waarbij verdiensten belangrijker werden geacht dan
afkomst. Hij slaagde erin om ongeveer een derde van Japan te veroveren en te verenigen.
Toyotomi Hideyoshi (豊臣秀吉), één van Nobunagas trouwste volgelingen, slaagde er uiteindelijk
in om heel Japan onder zich te samen te voegen. Hideyoshi keerde zich af van het meritocratische
stelsel en codificeerde de samurai klasse als zijnde permanent en erfelijk. Hij bouwde verder op
Nobunagas verwezenlijkingen na diens dood en slaagde er in 1590 in om Japan te verenigen onder
één daimyo. Desondanks de verve waarmee ze Japan trachtten te verenigen – en in Hideyoshis
geval erin slaagde – begeerden Nobunaga noch Hideyoshi de titel van shogun. Het was Tokugawa
Ieyasu (徳川家康) die, als één van de drie grote daimyo die Japan wisten te één te maken, de titel
van shogun zichzelf aanmat. Tokugawa verstevigde de eenmaking van Japan. Nadat Tokugawa
aan de macht kwam, kende Japan weldra een langdurige periode van vrede.

1 Wikipedia, the free encyclopedia, “Heimat,” Wikipedia, the free encyclopedia,


http://en.wikipedia.org/wiki/Heimat (raadpleging 17 juni, 2009).
2 Een daimyō was een landheer dat niet enkel politieke en militaire macht had vergaard, maar ook economische macht in
zijn provincie. Deze landheren danken hun ontstaan aan hun inspanningen om dorpen en regios aan zich te binden. Zij
waren de machtigste landheren in het feodale Japan. In de Tokugawa periode werden deze landheren
geïnstitutionaliseerd in het bakuhan (幕藩) systeem. Dit systeem cementeerde de landheren in hun respectievelijke
provincies en legde de klassen hiërarchie vast.
Wikipedia, “Daimyō,” http://en.wikipedia.org/wiki/Daimyo (raadpleging 12 juni, 2009).
4
Oorlog en strijd – het leven en leed van de bushi-klasse – waren onverwacht een zaak van het
verleden geworden. Doordat de bushi plotseling niks om handen hadden, wendden ze zich onder
andere op scholastiek. Naast de Studie van het Westen (蘭 学 rangaku) kende vooral Neo-
Confuscianisme een sterke groei. Tijdens de Tokugawa periode wist Confuscianisme zich los te
scheuren van de Boeddhistische houdgreep. Later kon het Neo-Confuscianisme zich opwerpen als
de officiële filosofie van de bakufu (幕府), het administratitieve orgaan van de shogun, mede
doordat de Tokugawa zich trachtten te legitimeren door middel van het Neo-Confucianisme. Het
Tokugawa regime werd voorgesteld als een natuurlijke opvolging van de chaos voorheen – het
herstel van de harmonie in de maatschappij, analoog aan het ri principe. 3 De facto werd dit ook de
filosofie van de rest van de daimyos. 4 Het Boeddhisme kende eeuwenlang een hegemonie. De
opkomst en uiteindelijke overname van het ideologische overwicht door het Neo-Confuscianisme
zorgde er indirect voor dat andere ideologieën zich ook wisten los te maken van de
Boeddhistische invloed.
Neo-Confucianisme was een synthese van Boeddhistische en Taoïstische elementen samen
met traditionele confucianistische elementen. Het praktische werd hoog ingeschat, echter niet ten
koste van het theoretische. Één van de belangrijkste geleerden, Zhu Xi (朱熹), meende dat het
voordelig was filosofische en academische studies op te vatten om het praktische aan te vullen.
Zoals in het Boeddhisme werd de natuur een belangrijke rol toegekend, het intuïtieve boven het
rationele, maar ondanks de vele invloeden van Boeddhisme (en Taoïsme) keerden vele Neo-
Confucianisten zich af van het Boeddhisme. Kokugaku geleerden meenden echter dat het Neo-
Confucianisme nog steeds getint werd door een ver doorgedreven rationaliteit. Enkel het Japanse
volk, door hun goddelijke afstamming en geloof in de inheemse Shintō godheden, waren in staat
volkomen intuïtief – zonder enige vorm van rationalisering – de wereld waar te nemen. Het
basisprincipe van Confucianisme en Neo-Confucianisme was ri ( 禮 ), de rite. De rite werd
beschouwd als een natuurwet, de basis van alle kennis en gedrag.5 In Japan werden de vijf relaties
van het Confucianisme herleid tot vier relaties en toegepast op de sterk gecementeerde hiërarchie:
samurai, boer, ambachtsman en handelaar. 6 De keizer stond buiten deze onderverdeling, evenals
de eta (穢多) en hinin (非人). 7 Neo-Confucianisme kende echter een deuk in populariteit naar het
midden van de Tokugawa periode toe. Er ontstond een morele en fiscale crisis, waardoor het
geloof in de idealen en principes van het Confucianisme werden gewantrouwd. Er ontstond een
drang tot hervorming bij de elite zowel als de boeren. Deze drang tot hervorming leidde ertoe dat
boeren zich actief wilden mengen in het politieke leven, met geletterde boeren als gevolg. Ook
scholen van Kokugaku kenden een toename van inschrijvingen van de lagere klasse.8
Ondanks de langdurige vrede die de Tokugawa periode typeerde, kende de bakufu ook
tegenslagen. Gekenmerkt door een feodaal stelsel, werd Japan bestuurd door de daimyos. De
daimyos waren ondergeschikt aan de shogun, die zijn macht – in theorie – aan de keizer
verschuldigd was.9 De geografische uitgestrektheid van Japan veroorzaakte een sterk gedefinieerde

3 Harry D. Harootunian, Towards Restoration: The growth of political consciousness in Tokugawa Japan (University of California

Press, 1970), pp 4-7.


4 Willy Vande Walle, Een Geschiedenis van Japan: van Samurai tot Softpower (Leuven: Uitgeverij Acco, 2007), pp 190-3.
5 Ri regelt de interactie tussen mensen en in het verlengde daarvan de interactie tussen mens en natuur en zelfs materiële
zaken.
Andrew Gordon, A Modern History of Japan: from Tokugawa times to the Present (New York: Oxford University Press, 2003),
p 35.
6 De vijf confucianistische relaties zijn: vorst-onderdaan, vader-zoon, man-vrouw, broer-broer, vriend-vriend. Deze
relaties worden onder de noemer filiale piëteit gebracht, naar analogie van de trouw en respect dat een kind aan zijn
ouders verschuldigd is.
Vande Walle, Een geschiedenis van Japan, pp 178-82.
7 Eta en hinin zijn personen die in theorie en naar de toenmalige algemene mening geen nut hadden in de Japanse

maatschappij. Deze groep werd gezien als zijnde bezoedeld, omdat ze met bloed en de doden werkten.
Vande Walle, Een geschiedenis van Japan, p 181.
8 Gordon, A Modern History of Japan, p 42.
9 Conrad Totman, The Collapse of the Tokugawa Bakufu 1862 – 1868 (Honolulu: The University Press of Honolulu, 1980),
p xv.
5
centrum-periferie model. De han aan de periferie gelegen, ondervonden minder hinder van het
centraal gezag van de shogun. Het waren vooral deze han die het einde van de Tokugawa bewind
bewerkstelligden. Deze domeinen hadden de juiste kenmerken en middelen om een oppositie-
beweging te ondersteunen – voldoende groot, voldoende inkomen en vooral voldoende
aanhangers.
De Tokugawa bakufu werd gekenmerkt door een doorgedreven hiërarchie. Dit werd
voorgesteld als de natuurlijke orde der dingen, aan de hand van het principe ri. 10 De grootste
daimyos werden van het besluitmakingsproces onttrokken. Ook het hof werd verboden zich te
mengen in het beleid van de bakufu, al werd dit niet in zoveel woorden gezegd. Het politieke
landschap was bezaaid met facties van invloedrijke mannen die ten alle koste macht wensten te
verwerven. Dit systeem werkte het ontstaan van sterke spanningen in de hand. Deze bestonden
vooral tussen de daimyos die door de bakufu werden betrokken in het beleid – en zodoende het
nationaal, economisch en militair beleid konden beïnvloedden, maar ook vatbaar waren voor
corruptie en wanpraktijken – en de daimyos die uitgesloten werden. Het samenspel van centrum-
periferie en de politieke spanningen benadrukte de autonomie van de han en het pluralistisch
politiek milieu. 11 Opvallend is dat het meer dan tweehonderd jaar duurde voordat de stabiliteit van
het bakuhan12 systeem (幕藩) bedreigd werd.
De stabiliteit van het bakuhan systeem was mogelijk te danken aan het sakoku seisaku beleid
(鎖国政策 “beleid der gesloten land”) van de bakufu.13 Er werden slechts contacten onderhouden
met enkele landen, waaronder Holland als enig Europees land. Het sakoku beleid hield in dat elk
ongewettigde reis naar en van het buitenland met de dood werd bestraft. Enkel toegestane
havengebieden mochten aangedaan worden door buitenlanders – Nederland, Korea, Ryūkyū en
China. Mogelijke verstorende buitenlandse invloeden waren hierdoor minimaal. Het bakuhan
systeem had derhalve enkel te kampen met binnenlandse onstabiele elementen, die tot het midden
van de negentiende eeuw onder controle werden gehouden. 14 Ook hier deed de invloed van het
Neo-Confucianisme zich echter voelen. Door de overheidssteun aan de filosofie genoot het een
zekere mate van bevoegdheid. De Tokugawa heersers gebruikte dit met verve om hun
heerschappij te legitimiseren. Volgens Confucius was er slechts verandering mogelijk waar geen
reden meer was, geen ri. Verandering was dus niet wenselijk en de bakufu propageerde dit met
genoegen. 15
Het was pas op het einde van de Tokugawa periode dat de spanningen en tegenstrijdigheden
in het beleid zouden escaleren. De buitenlandse dreiging dat het eeuwenlange isolatie-beleid van
de bakufu dreigde omver te werpen, was de druppel. Het oude spreekwoord naiyū-gaikan (内憂外
患 “wanneer er binnenlandse problemen zijn, dreigt er buitenlands gevaar”) werd toepasselijk
vaak in de mond genomen. 16 Het onvermogen van de bakufu om de binnenlandse onrust
voldoende snel en efficiënt op te lossen, evenals de onmacht tegenover de buitenlandse dreiging,
werden opgeworpen als argumenten voor de omverwerping van het shogunaat. 17 Een
revolutionaire beweging, beïnvloed door Kokugaku, die aanvankelijk enkel gekant was tegen de
buitenlanders en het sakoku beleid als belangrijkste maatregel beschouwde, keerde zich snel tegen

10 Harootunian, Towards Restoration, pp 6-9.


11 Totman, The Collapse of the Tokugawa bakufu, p xvi - xviii
12 Het bakuhan systeem hield in dat de Bakufu de bevoegdheid had de honderden han te inspecteren. De han werden
door de daimyo bestuurd. Het bakuhan systeem was een manier om een overzicht over het doen en laten van de daimyo te
behouden.
Japanese Studies KULeuven: Geschiedenis van Japan, “Neo-confucianisme in Japan,” Japanese Studies KULeuven,
http://japanesestudies.arts.kuleuven.be/geschiedenis/index.php/Neo-Confucianisme_in_Japan
(raadpleging 4 aug., 2009).
13 Tashiro Kazui, “Foreign Relations during the Edo Period: Sakoku Reexamined,” trans. Susan Downing Videen,

Journal of Japanese Studies 8, no. 2 (1982): 283-306.


14 Totman, The Collapse of the Tokugawa Bakufu, p xviii.
15 Harootunian, Towards Restoration, pp 6-9.
16 William G. Beasley, The Meiji Restoration (Stanford: Stanford University Press, 1972), pp 44-54.
17 Vande Walle, Een Geschiedenis van Japan, pp 201-21.

6
de bakufu. Sonnō jōi, zoals de beweging genoemd werd, betekent letterlijk “Verdrijf de barbaren,
vereer de keizer.” 18 Later werd de nadruk gelegd op de omverwerping van de bakufu. De
overtuiging heerste dat het Tokugawa bestuur niet meer in staat was tegen de buitenlanders te
handelen en in het verlengde daarvan dat het bestuurssysteem ontoereikend bleek. Zodra een
nieuw regering en bestuurssysteem werden opgericht, kon er werk van gemaakt worden om zowel
de buitenlanders te verdrijven als de binnenlandse onrust aan te pakken. De beweging werd
voornamelijk geïnspireerd door Neo-Confucianisme en lichtelijk door kokugaku, maar Motoori
Norinaga werkte het concept van sonnō jōi verder uit. 19 Hij beschouwde de keizer als ultieme
autoriteit, met een regering gebaseerd op het antieke model (vrij van Chinese invloeden) dat
bestond voor de Nara periode (710-794). Het falen van de bakufu om de dreigingen het hoofd te
bieden maakte het idee dat een terugkeer naar het oude model profijtelijk zou zijn aannemelijker.
In dit model was de Japanse Keizer opperheerser, zonder macht te delegeren aan een onderdaan. 20
De slogan sonnō jōi werd later vervangen door de slogan fukkō (復 興 ) dat hier “Herstel de
keizerlijke macht” betekent. De term heeft een nostalgische lading dat ook in Kokugaku
gedachtegoed sterk merkbaar is.21

Het ontstaan van Kokugaku


De voortdurende vrede gedurende de Tokugawa periode opende de deuren voor de intelligentsia
om zich te verdiepen in hun studies. Hoewel er een rigide hiërarchische structuur bestond op
maatschappelijk vlak, waarin het dagelijks leven werd geketend aan de standen, was er slechts
weinig controle op de cultivatie van de geest. Enkel het Christendom en Fujufuse Boeddhisme
werden actief vervolgd en verboden, doorgaans stond het vazallen vrij hun studies na te streven
zonder hinder van hun heer. Zoals eerder vermeld was de voornaamste bezigheid van de bushi
klasse, oorlogsvoering, verdwenen met de vreedzame Tokugawa periode. Zich ervan bewust dat
een groot deel van de bevolking uit de bushi klasse bestond, streefden bakufu en han beiden naar
een vredig tijdsverdrijf voor deze oorlogszuchtige klasse. Ze vonden een uitweg door het
nastreven van studie en zelfverrijking van de samurai aan te moedigen. 22
Oorspronkelijk werd vooral het Confucianisme bestudeerd en ontwikkeld. Voornamelijk
Neo-Confucianisme vanuit China werd in Japan onderworpen aan rigoreuze studies en aan het
Japanse wereldbeeld aangepast. Later wonnen andere studiegebieden aan populariteit, waaronder
Rangaku en Kokugaku. De Kogaku (古学 “Studie van de Antiquiteit”) discipline wantrouwde de
moderne interpretaties van de Chinese Klassieken, en greep terug op de antieke wijze van het
lezen en interpreteren van de Confuciaanse Klassieken. Het Neo-Confucianisme behandelde
nauwelijks of niet de originele teksten, maar baseerde zich op de (moderne) exegese van die
teksten. 23 Kogaku geleerden waren van mening dat de moderne interpretaties niet in staat waren de
ware wijsheid te ontwaren die in de Klassieken schuil ging. Kogaku stond tegenover Neo-
Confucianisme in de filosofische arena. Terwijl Neo-Confucianisme de nadruk legde op principe
en (inherente) natuur, keerde Kogaku terug naar de antiquiteit.24 Kokugaku en Kogaku lopen parallel
in dat opzicht, hoewel Kogaku zich uitsluitend richtte op Chinese Klassieken en Japanse werken
buiten beschouwing liet. Het Japanse Neo-Confucianisme legde zich daarentegen toe op het
bewijzen van Japans superioriteit, via een unieke interpretatie van Chinese werken vanuit Japans
perspectief.

18 Ibid., pp 210-15.
19 Vande Walle, Een geschiedenis van Japan, pp 210-15.
20 Harootunian, Towards Restoration, pp 10-12.
21 Marius B. Jansen, The making of modern Japan (London: Harvard University Press, 2002), pp 328-9.
22 Conrad Totman, Early Modern Japan (California: University of California Press, 1995), pp 160-3.
23 Peter Nosco, Confucianism and Tokugawa Culture (Honolulu: University of Hawaii Press, 1997),
24 Jansen, The making of modern Japan, p 200.

7
De grondstelling dat de Chinese cultuur uniek en superieur was, werd ontkracht door te stellen dat
het om universele principes gingen die overal merkbaar waren en niet alleen beperkt waren tot
China. 25
In 1960 vonden deze ontwikkelingen hun hoogtepunt in het werk van de boeddhistische
monnik Keichū, de Manyō daishōki (万葉代匠記 “Kroniek van Tienduizend Bladeren door een
vervanger” ). Tokugawa Mitsukuni (徳川光圀), een grote geldschenker aan geleerden, had Keichū
opgedragen de Manyōshū (万葉集) te bespreken. Mitsukuni, zelf een fervente aanhanger van het
Confucianisme, wenste een uitvoerige geschiedenis van Japan samen te stellen, en belastte vele
geleerden met voorbereidende taken. In zijn werk legde Keichū een nadruk op het goddelijk
ontstaan van de waka, een klassiek Japanse versenvorm. Hij was overtuigd dat de lezers van waka
vrij moeten staan van het contemporaine gezichtsveld en in de geest van de oude Japanner dienen
te kruipen. Keichū legde als eerste een verband met poëzie en het antieke Japan en vormde zo de
basis voor één van de grondbeginselen van Kokugaku. 26 Keichū was overigens overtuigd dat
confucianistische opvattingen geen plaats hadden in de lezing van de Manyōshū, omdat in het oude
Japan het geloof in inheemse godheden een voorname rol speelde. Keichūs overtuiging dat de
waka een goddelijke ontstaan genoot en zijn geloof dat het Confucianisme geen plaats had bij het
lezen van de Manyōshū brachten hem tot het besluit dat het confucianistisch perspectief op de
didactische waarde van poëzie niet van toepassing was. Poëzie had niet enkel het doel ethische en
morele principes over te brengen op de lezer. Dit was een initiële aanzet tot het principe dat
poëzie tot doel had intense gevoelens teweeg te brengen bij de lezer, een principe dat Norinaga
later uitmuntend zou uitwerken. Net zoals Norinaga jaren later zou beweren, beschouwde Keichū
het oude, onbevlekte Japans van de Manyōshū als superieur aan het hedendaags Japans.27
Na Keichū kende de studie van de oude Japanse teksten een heropleving, met Kamo no
Mabuchi (賀茂真淵) als voornaamste voorloper van Kokugaku. Net zoals zijn voorganger legde
Mabuchi de nadruk op de emotionele waarde van het oude Japans, en spitste hij zich toe op de
studie van de Manyōshū. Mabuchi werkte Keichūs visie op de superioriteit van de oude Japanse taal
op een andere manier uit door te stellen dat het Japans werd bezoedeld door de introductie van
het geschreven Chinees. 28 Mabuchi stelde dat de vijftig klanken van het oude Japans afkomstig
waren van de natuur, onbevlekt door het geschreven Chinees dat nieuwe, artificiële klanken
introduceerde. Hier maakte de opvatting opgang dat de “geest van het oude Japan”
teruggevonden kon worden indien eigen teksten in het oude Japans gelezen en geschreven
werden. 29
Uiteindelijk werd Kokugaku meer dan een literaire studie naar de antieke Japanse geest in
oude geschriften. Hoewel Motoori Norinaga zich meer dan anderen op de studie van de antieke
Japanse literatuur richtte, en daarin de “echte” Japanse geest trachtte vast te leggen, werd door zijn
studies en werken Kokugaku uitgewerkt tot een ideologie. Het oude Japan was een utopie, een puur
land waarin de mens in harmonie met de natuur leefde, zonder het verstorend effect van ratio. De
antieke Japanner was een wezen in evenwicht, dat instinctief moreel handelde. Het onderricht dat
het Confucianisme zo belangrijk achtte, ontwrichtte de menselijke natuur. Norinaga poneerde dat
de mens van nature uit goed was en moreel handelde en niet intentioneel kwaad handelde. De
ideale mens geloofde in de inheemse godheden. Shintō, volgens kokugaku geleerden de originele
religie van Japan, creeërde rituelen rond deze godheden. Later rangschikte Shintō de belangrijkste
godheden in een hiërarchie.

25 Totman, Early Modern Japan, pp 172-5.


26 Totman, Early Modern Japan, pp 175-6.
27 Stanford Encyclopedia of Philosophy, “The Kokugaku (Native Studies) School,” Stanford Encyclopedia of
Philosophy, http://plato.stanford.edu/entries/kokugaku-school/ (raadpleging 5 mei, 2009).
28 Ibid.
29 Ibid.

8
Het belang van Shintō
De kern van Shintō is het geloof in kami, dat vrij vertaald godheden betekent. Shintō wordt vaak
voorgesteld als de inheemse religie van Japan, ontstaan op hetzelfde moment als Japan. Het is een
natuurlijke religie, waarin de natuur vereerd wordt, zonder doctrine. 30 Het huidige Shintō is echter
een mengeling van verschillende elementen en invloeden. De voornaamste invloeden ondervond
Shintō van het Chinese vasteland. Met de introductie van Boeddhisme in Japan in de 6de eeuw
onderging Shintō een langzame verandering. De verbintenis met Shintō vond reeds plaats bij de
introductie van het Boeddhisme. De boeddhistische boeddhas werden initieel beschouwd als
buitenlandse kami. Dit buitenlands geloof kreeg echter steeds meer aanhang, met als eerste conflict
de discussie of de Keizer al dan niet Boeddhisme zou aannemen als officieel geloof. Later drong
het steeds dieper door in de Japanse samenleving en werden door clans tempels gesticht. Na de
Taika hervormingen werden aan het hof rituelen uitgevoerd gelijkaardig aan de Shintō rituelen. 31
Verschillende boeddhistische tempels werden aanvankelijk gebouwd naast Shintō schrijnen. De
rituelen van het Boeddhisme en Shintō werden verweven tot een mengsel van sutras en Shintō
rituelen. Naderhand werden kami gezien als beschermgodheden in het Boeddhisme. Deze theorie
werd vooral aan het hof verspreid, terwijl onder de bevolking de theorie dat kami entiteiten in
nood waren en gered konden worden, opgang maakte.32
De theorie honji suijaku (本地垂迹), ontstaan in de Heian Periode (794-1185), beweerde dat
kami en boeddhas dezelfde wezens waren. Kami waren tijdelijke verschijnselen van de echte
boeddha, naar Japan gestuurd om de mensheid te helpen. De Boeddhas waren de originele wezens,
de natuurlijke vorm van één en dezelfde entiteit. Deze theorie was de eerste die boeddhas en kami
met elkaar verenigde en daardoor Boeddhisme en Shintō met elkaar combineerde tot één geloof.
Dit was het begin van een lange periode van syncretisme, waarin later het Confucianisme zou
worden toegevoegd om een amalgaam van de drie religies te creeëren. 33 De opgang van Kokugaku
en het verval van gezag van het Boeddhisme leidden tot discriminatie van Boeddhisme (en
Confucianisme). Gedurende de pre-moderne en moderne periode kwamen Shintō priesters in
opspraak tegen het gezag van hun boeddhistische tegenhangers, voerden verschillende domeinen
regulaties door om het aantal boeddhistische tempels te verminderen en uiteindelijk vaardigde de
regering het shinbutsu hanzenrei decreet (神仏判然令 “Decreet der Splitsing van Boeddhisme en
Shintō”) uit in 1868. De belangrijkste gevolgen van het Decreet waren de splitsing van Shintō en
boeddhistische rituelen, het verbod om kami te benoemen met boeddhistische namen en de
opheffing van de religie Shugendō, een religie die afgeleid is van het Shintō-Boeddhistische
syncretisme. 34

30 Toshio Kuroda, “Shintō in the History of Japanese Religion,” trans. James C. Dobbins and Suzanne Gay, Journal of
Japanese Studies 1, Vol. 7 (1981): 1.
31 Het bewind van Shōtoku Taishi liet het land verarmd en uitgeput achter. Een mislukte oogst door langdurige regenval

en het daaropvolgende hongersnood wierp het land in een crisis. Facties streden tegen elkaar om macht en rijkdom te
verwerven. In 645 kwam het tot een staatsgreep. Naka no Ōe (中大兄) proclameerde zichzelf als de nieuwe kroonprins.
Hij voerde de Taika hervorming door:
1) Alle land werd staatseigendom, het volk werd staatsonderdaan.
2) Het land werd ingedeeld in provinciën.
3) Een belastingsstelsel werd ingevoerd, bevolkingsregisters werden opgesteld om dit te vergemakkelijken.
Japanse Studies KULeuven: Geschiedenis van Japan, “De Taika-hervormingen,” Japanse Studies KULeuven,
http://japanologie.arts.kuleuven.be/geschiedenis/index.php/De_Taika-hervorming
(raadpleging 12 juni, 2009).
32 Encyclopedia of Shintō: religious and intellectual influences on Shintō, “Shintō and Buddhism,” Encyclopedia of
Shintō, http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=826
(raadpleging 6 mei, 2009).
33 Encyclopedia of Shintō, “Shintō and Buddhism,”

http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=826 (raadpleging 6 mei, 2009).


Encyclopedia of Shintō, “Basic terms of Shintō, H,” Encyclopedia of Shintō,
http://www2.kokugakuin.ac.jp/ijcc/wp/bts/bts_h.html#honji-suijaku_setsu (raadpleging 12 juni, 2009).
34 Encyclopedia of Shintō, “Shintō and Buddhism,”
http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=826 (raadpleding 12 juni, 2009).
9
Shintō genoot reeds vanaf het prille begin van het ontstaan van Kokugaku een
voorkeursbehandeling. Motoori Norinaga draaide de munt om, waarbij Shintō de echte Weg was en
Boeddhisme een facet was van Shintō. 35 De ontstaansgeschiedenis van Shintō paste goed in het
wereldbeeld dat kokugakusha (国学者 “Nationale Studies-geleerden”) voor ogen hadden. Het
oeroude bestaan van de religie, de “pure” vorm van de religie totdat het bezoedeld werd door de
introductie van het Boeddhisme, samen met het belang dat Shintō en de voornaamste godheden
speelden in de boeken Kojiki (古事記 “De Kroniek van Oude Zaken”) en Nihonshoki (日本書紀
“De Kronieken van Japan”) maakten van Shintō een ideale manier om het geloof en perspectief
van Kokugaku te verspreiden onder de bevolking en de elite. Motoori Norinaga maakte van zijn
levenswerk het annoteren van de Kojiki, een kroniek of geschiedenis van Japan waarin onder
andere de goddelijke afstamming van de keizerlijke familie werd beschreven en het ontstaan van
de belangrijkste godheden. Volgens de Kojiki stamde de eerste keizer van Japan af van Amaterasu,
de zonnegodin. Zij is in de meeste Shintō varianten de belangrijkste godheid. Het is voornamelijk
op deze goddelijke afstamming, in de Kojiki beschreven, dat Norinaga zijn mening over het belang
van de keizer baseerde. De afstamming van de keizer van de belangrijkste godheid in Shintō
cementeerde het belang van de religie. In de latere jaren van de Edo periode, nadat Kokugaku zich
had ontplooit tot een ideologie en wetenschap, groeide het belang van Shintō steeds meer, totdat
het geloof uiteindelijk werd aangewend als politiek instrument, wat leidde tot het ontstaan van
Staatsshintō, een variant dat een voorname rol speelde in de opgang en verspreiding van het
Japanse nationalisme in de 20ste eeuw.36
De relatie tussen de keizer en Shintō is de kern van het belang van Shintō voor de kokugaku
geleerden en ideologie. Vele kokugakusha waren overtuigd dat de keizer soeverein diende te
regeren. De steun aan de sonnō jōi beweging van verschillende kokugakusha evenals de oproep tot
restoratie van de keizerlijke macht was gebaseerd op dit gedachtegoed. Hoewel de opgang van het
nationalisme en uiteindelijk het fascisme in Japan na de Meiji periode worden verbonden met
kokugaku, bestaat er geen twijfel over dat de staat Shintō heeft gebruikt om haar eigen doeleinden
te verwezenlijken. De creatie van Staatsshintō om de nieuwe regering te legitimeren en een kant-
en-klare traditie voor handen te hebben, hielpen de regering een onstabiele beginperiode te boven
te komen en aan de bevolking een beeld van een sterke, functionerende staat te geven. Shintō
werd gebruikt om de bevolking een gevoel van samenhorigheid te geven, om een nationale
identiteit als het ware te creeëren. Ondanks het feit dat Shintō vóór de Meiji periode een
ordentelijke nationale organisatie noch algemeen geldende richtlijnen inzake het beheer van
schrijnen en het uitvoeren van rituelen genoot, werd tijdens de vroege Meiji periode werk gemaakt
van de institutionalisering van Shintō. De splitsing van Boeddhisme en Shintō was een eerste stap
naar het verheffen van Shintō tot staatsideologie. De discriminatie dat het Boeddhisme ten beurt
viel gedurende de vroege Meiji periode liep, volgens Helen Hardacre, parallel aan de kritiek en
afkeer van Shintō priesters jegens boeddistische monniken. 37 Voornamelijk priesters gelieert aan
kokugaku bekritiseerden openlijk boeddhistische rituelen en monniken, en predikten het heil van
Shintō tegenover het verderf dat Japan te verduren had sinds de introductie van het Boeddhisme.
Één van de belangrijkste maatregelen die de Meiji regering nam om de suprematie van Shintō
te bewerkstelligen was de Great Promulgation Campaign (大教宣布運動 taikyō senpu undō), een
campagne dat Shintō bij de massa kenbaar diende te maken. De Great Teaching (大教taikyō) had tot
doel het volk te onderwijzen omtrent Shintō en voornamelijk diens onafhankelijkheid van en
superioriteit over andere religies te benadrukken. Dat Shintō door de Meiji regering zelf werd
bestempeld als areligieus maar in dezelfde adem werd vergeleken met de belangrijkste religies in
Japan deed niet terzake. 38

35 Mark McNally, Proving the Way: Conflict and Practice in the History of Japanese Nativism (Massachusetts: Harvard University
Press, 2005), p33.
36 Helen Hardacre, Shintō and the State: 1868-1988 (New Jersey: Princeton University Press, 1991), pp 1-15, 21-28.
37 Helen Hardacre, “Creating State Shintō: The Great Promulgation Campaign and the New Religions,” Journal of
Japanese Studies 12, No. 1 (1986): 29-35.
38 Hardacre, “Creating State Shintō,” pp 41-53.

10
Kokugaku: een ideologisch en politiek instrument
Kokugaku groeide uit van een wetenschappelijke discipline gericht op het bestuderen van antieke
teksten tot een ideologie dat de Japanse samenleving diepgaand zou beïnvloeden. Later zou
Kokugaku aangewend worden als hulpmiddel in het politiek steekspel. Door de inspanningen van
Kokugaku geleerden om zich te profileren in de wetenschappelijke wereld en om te bewijzen dat
hun stellingen voet in aarde hadden, werd Kokugaku niet enkel in wetenschappelijke cirkels bekend.
Het belangrijkste gevolg van de politieke aandacht die de ideologie genoot, was het aanmeten van
Shintō als staatsreligie.39 Hoewel Kokugaku een zekere aantrekkingskracht had voor beleidsmakers
door gelijklopende visies op de Japanse leefwereld wist deze, in eerste aanzet een
wetenschappelijke leer, zich voornamelijk op te werpen als machtig politiek instrument door zijn
belangrijkste woordvoerders.

Motoori Norinaga
Motoori Norinaga werd geboren in een welgestelde familie van katoenhandelaars in 1730. Op
tienjarige leeftijd verloor hij zijn vader, waardoor de familie het financieel moeilijker te verduren
kreeg. Voordat Norinaga zich als arts vestigde in Matsuzaka, zijn geboortestad, werd hij door zijn
moeder naar Edo gestuurd om in de winkel van een oom te gaan werken. Hij keerde echter snel
huiswaarts omdat hij geen noemenswaardig talent had voor het leiden van de winkel. Zijn moeder
stuurde hem daarop naar Kioto in de hoop dat hij een vak zou aanleren. Norinaga studeerde vijf
jaar geneeskunde in Kioto. Hij kwam er echter ook in aanraking met het intellectuele leven.
Oorpsronkelijk bestudeerde hij het Confucianisme met Hori Keizan als voornaamste leermeester.
Norinaga genoot een algemene opleiding in de confucianistische en boeddhistische klassieken.
Later keerde hij zijn klassiek confuciaanse opleiding de rug toe om zich toe te leggen op de studie
van de Japanse klassieken. Norinaga hield zich ook bezig met het composeren van waka en nam
vaak deel aan poëziewedstrijden. Het was in Kioto dat hij voor het eerst in aanraking kwam met
de Wagaku discipline (和学 “Japanse studies”). Hij las werken van Keichū en Kamo no Mabuchi
die zijn interesse aanwakkerden voor de klassieke Japanse werken Kojiki, Het verhaal van Genji, e.a.
In 1757 maakte hij zijn studies af en richtte een praktijk op die hem in een comfortabel inkomen
zou voorzien. In 1763 ontmoette hij Kamo no Mabuchi tijdens een nacht die later “de nacht in
Matsuzaka” genoemd zou worden. Dit is de enige keer dat Norinaga zijn latere leermeester zou
ontmoeten, hoewel ze vaak zouden corresponderen. 40 Tijdens deze ontmoeting bespraken ze de
Kojiki en na “de nacht in Matsuzaka” besloot Norinaga de Kojiki te bestuderen en te
becommentariëren. Dit zou zijn levenswerk worden, de Kojikiden (古事記伝 “Commentaren op
de Kojiki”), en zou meer dan 30 jaar in beslag nemen.
Zijn studie van de Kojiki had eerst tot doel het werk te vertalen in modern Japans. Hij besloot
het antieke boek te lezen in het oude Japans, ondanks dat het geschreven was in klassiek Chinees.
Norinaga meende zo de antieke Japanse geest te kunnen ontwaren. Onafhankelijk van het feit dat
het boek in klassiek Chinees geschreven was, beweerde hij dat het lezen van de Kojiki in Japans de
echte, natuurlijke geest van de (Japanse) lezer naar boven zou brengen. Later nam Norinaga ook
de Manyōshū ( 万 葉 集 “Verzameling van Tienduizend Bladeren”) onder handen. Het was
gedurende zijn studie van dit werk, de oudste bloemlezing van Japanse poëzie, dat Motoori
Norinaga het concept van mono no aware ( も の の あ わ れ “de gevoeligheid der dingen”)
uitwerkte.41 Dit concept zou een belangrijke rol spelen in Norinagas latere werken. Mono no aware
hield in dat het antieke Japan vrij was van ratio, kwaad en grenzen. Wie het oude Japans sprak,

39 Hardacre, Shinto and the State, pp 51-59.


40 Susan L. Burns, Before the Nation: Kokugaku and the imagining of community in Early Modern Japan (Durham: Duke
University Press, 2003), pp. 55-56.f
41 Richard Hooker, “Motoori Norinaga,” Washington State University,
http://www.wsu.edu/~dee/TOKJAPAN/NORINAGA.HTM (raadpleging 12 juni, 2009).
11
sprak met de stem van het oeroude Japan. Deze pure stem vond het beste zijn uiting in poëzie.
Japanse literatuur was een expressie van pure, menselijke emotie, en kon niet worden benaderd
vanuit moralistische didactiek zoals het Confucianisme voorschreef. 42 De bevolking van Japan was
uniek, aldus Norinaga, door de aangeboren mogelijkheid de wereld ‘natuurlijk’ te ervaren. Vrij van
aangeleerde moraal – de antieke Japanse bevolking was van nature uit moreel en juist – ervaarde
de mens de wereld met pure emotie en sympathie. Een tweede onderdeel van dit invloedrijke
concept was de scheiding van het private en het openbare. De private sfeer is vrij van de grenzen
opgelegd door de publieke sfeer. Susan L. Burns merkt in Before the Nation op dat Norinaga deze
scheiding doortrok in zijn verdere studie van de Kojiki. Hij stelde dat het achttiende eeuwse volk
zich kon vrijmaken van de Chinese invloeden door op zoek te gaan naar de taal van de antieke
wereld en het bewustzijn van dat tijdperk zich eigen te maken. 43
De Kojikiden had niet enkel een literaire inslag. Hoewel Norinaga de nadruk legde op de
literaire waarde van de Kojiki, verwees hij vaak naar de historische waarde van het boek. Hij
geloofde dat mits enige nuancering de gebeurtenissen geportreteerd in de Kojiki
waarheidsgetrouwe weergaven waren van de Japanse geschiedenis. Norinagas perceptie van de
geschiedenis van Japan is vaak het onderwerp van discussie geweest. Is Japan sinds de oudheid ten
prooi gevallen aan verval volgens Norinaga? Ueda Kenji stelt dat Norinaga concludeerde dat het
verval waar Japan het slachtoffer van was sinds de late oudheid maar een vliedend moment
omvatte. Hij trok een vergelijking met Amaterasu die zich in de grot verstopte en de wereld in
eeuwigdurende nacht hulde. Zij werd echter snel uit de grot gelokt en nacht werd weer dag. De
slechte tijden waarin Japan zich bevond zullen dra over zijn en het land zal hersteld worden in zijn
oude glorie, aldus Norinaga. Hier kan het belang van Shintō nogmaals worden opgemerkt in het
discours van kokugakusha. Norinaga hekelde zijn tijdgenoten en bekritiseerde de Shintō waar zij in
geloofden als zijnde onnatuurlijk, artificieel. De enige ware Shintō was de originele Shintō die
ontstaan was bij de creatie van de wereld en de goden. Deze vorm van Shintō was de enige Weg
die gevolgd kon worden. 44 Het kan evenwel worden opgemerkt dat er invloeden zijn van
Boeddhisme in Norinagas stelling. Het gevoel dat het land in nood is en redding nodig heeft lijkt
uit het Reine Land Boeddhisme overgenomen, dat beweert dat het volk gered kan worden in het
Reine Land, mits recitatie van Amida Boeddhas naam. Ondanks zijn faliekante afkeer van het
Confucianisme en Boeddhisme in zijn latere leven, was Norinaga niet vrij van invloeden die hij
opgedaan had tijdens zijn opleiding in Kioto. 45
Over Norinagas politieke inslag tijdens de Tokugawa periode bestaat er doorgaans
onenigheid. Hoewel hij niet actief het politiek toneel trachtte te beïnvloeden, kan er in zijn
verschillende werken – voornamelijk in zijn schrijven over de antiquiteit – een politieke dimensie
worden waargenomen. De antieke wereld, waarnaar terug kon gekeerd worden mits het
herontdekken van de oude Japanse geest, was een realiteit. Het kon niet worden beoordeeld met
een moderne maatstaf en stond derhalve vrij van enige kritische benadering. Deze ideale wereld
kon niet worden behandeld als een zaak van het verleden omdat het intrinsiek verweven was met
de geschiedenis en zodoende met het heden. Het is hier dat de politieke dimensie zich kenbaar
maakt. De antiquiteit veronderstelt volgens Norinaga een goddelijke continuïteit, in de vorm van
de onafgebroken lijn der keizers sinds de eerste keizer, Jimmu. De keizers van Japan zijn
afstammelingen van de goden van de oudheid, die tevens nog steeds bestaan in het heden, een
tweede bevestiging van de continuïteit van de antiquiteit.

42 Tetsuo Najita, Japan: The Intellectual Foundations of Modern Japanese Politics (Chicago: University of Chicago Press, 1980),
pp. 56-59.
43 Burns, Before the Nation, pp 96-97.
44 Peter Nosco ピーター・ノスコ, Edo kaisha to Kokugaku: Genkyō he no Kaiki 江戸会社と国学:原郷への回帰,

transl. M.W. Steele M.W.スティール, Hoshiyama Kyouko 星山京子, Yokoyama Yasuko 横山泰子, Hirayama Mikiko
平山美樹子, Tanimura Reiko 谷村玲子 (Tokio: Pelican Press, 1990), pp 176-177.
45 Ueda Kenji, “Magatsubi no Kami and Motoori Norinaga’s Theology,” Kokugakuin University,
http://www2.kokugakuin.ac.jp/ijcc/wp/cpjr/kami/ueda.html (raadpleging 3 augustus, 2009).
Nosco, Edo Kaisha to Kokugaku 江戸会社と国学, p 173.
12
Deze continue lijn der afstamming van de goden was voor Norinaga een bewijs dat de keizer
absoluut diende te regeren, zonder bemiddeling door anderen. 46 De opvatting in de Kokugaku
discipline dat de keizer een oppermachtige alleenheerser was, werd met open armen ontvangen
door de sonnō jōi restoratiebeweging in de late Edo periode.
Zoals eerder werd vermeld streefde Norinaga actieve politieke invloed niet na. Doch was hij
als intellectueel niet vrij van politieke voorkeuren en uitspraken. Zijn voornaamste opvatting over
de rol van de keizer werd reeds besproken. Zijn visie op kunst en poëzie had echter ook een
politiek tintje. Het is waar, aldus Norinaga, dat creativiteit uit de menselijke geest ontspringt,
zonder politieke bedoelingen, maar kunst kan aangewend worden voor politieke doeleinden.
Norinaga meende zodoende dat kunst onderhevig was aan het politiek discours. Kunst
verheerlijkte de reeds geïdealiseerde monarchie en ondersteunde de harmonie waar de monarchie
voor instond. Daartegenover stond de kritische werking die kunst en poëzie konden hebben.
Politieke inefficiëntie, institutionele faling en de culturele ongevoeligheid van de bakufu werden
aangeklaagd door middel van poëtische verzen. 47
Motoori Norinaga staat – twijfelachtig – bekend als de meest productieve en belangrijke
geleerde onder de kokugakusha. Zijn verdiensten aan de ontwikkeling en verspreiding van
Kokugaku staan echter buiten kijf. Keichū en Kamo no Mabuchi maakten de eerste aanzetten tot
het ontwikkelen van de intellectuele beweging, maar het was Norinaga die Kokugaku ontwikkelde
naar diens uiteindelijke vorm. De nadruk op de antieke literatuur en het emotionele, in plaats van
het didactische, dat zo frappant aanwezig was in Tokugawa Kokugaku vloeide voort uit de werken
en geschriften van Motoori Norinaga. Het moderne debat over Kokugaku en de studie zelf nemen
zijn bevindingen nog steeds ernstig op. Hij stichtte een school, de Suzunoya, die meer dan
vijfhonderd ingeschrevenen op het einde van zijn leven telde. De Suzunoya had aanzienlijke
invloed tijdens en na Norinagas leven, met als belangrijkste student Hirata Atsutane.

Hirata Atsutane en Ōkuni Takamasa


Geboren in het Akita domein in 1776, is er weinig geweten over de kinderjaren van Hirata
Atsutane (平田篤胤). Hij verliet zijn geboortestreek in 1795 om zich in Edo te vestigen. In 1805
werd hij lid van de Motoori Haruniwa academie, hoewel hij zichzelf tot discipel van Motoori
Norinaga benoemde. Volgens Hirata zou Norinaga zich tot hem gewend hebben in een droom
waarop Hirata besloot lid te worden van de School van Norinaga. Hirata keerde zich tijdens zijn
loopbaan tegen de opvattingen van Norinaga omtrent esthetiek en emotionele elegantie in de taal.
Hij ontkende de exclusiviteit waar de meeste kokugakusha belang aan hechtten, en analyseerde niet
enkel poëzie maar ook proza. 48 Vooral tegen de nadruk op de waka kwam Hirata in opstand.
Hirata maakte een onderscheid tussen twee soorten klassieke teksten: poëzie en geschiedschrijving.
Beiden waren volgens hem noodzakelijk om een accuraat beeld van de antieke wereld te
scheppen. 49 Hirata hanteerde Kokugaku echter als een praktisch religieus instrument, waarmee hij
brak met zijn leermeester, Motoori Norinaga, en diens leermeester Kamo no Mabuchi. Zij
hechtten belang aan linguïstiek en literatuur, waardoor volgens Hirata de religieuze praktijk van
Kokugaku overschaduwd werd.50
De opkomende intellegentsia van de Tokugawa periode werden traditioneel geschoold in het
Confucianisme en later het Neo-Confucianisme. In het (Neo-)Confucianisme werd het
“onderzoek der dingen” hoog aangeschreven. Deze denkrichting leidde ertoe dat vele
confucianisten studies van het Westen aanvatten, die als Rangaku (蘭学 “Westerse Studies”) onder

46 Najita, Japan, pp 56-57.


47 Naijta, Japan, pp 56-58.
48 Najita, Japan, pp 58-59.
49 McNally, Proving the Way, pp 81-83.
50 Harry D. Harootunian, Things Seen and Unseen: discourse and ideology in Tokugawa nativism (Chicago: University of Chicago
Press, 1988), p 26.
13
één noemer werden gebracht. Door de opkomst van Kokugaku en de verbintenis met Shintō werd
er verondersteld dat (radicale) Shintō aanhangers anti-Westers dienden te zijn. Er waren echter
enkele studenten van Rangaku die fervente aanhangers waren van Shintō, waarvan Hirata Atsutane
het meest prominente voorbeeld was. Hirata verkondigde dat voldoende inzicht in de westerse
wetenschappen noodzakelijk was. Enkel door kennis ervan kon je het Westen doorgronden en
verstaan. Hirata gebruikte telkens zijn vergaarde kennis om de superioriteit van Japan aan te tonen,
door Westerse ideeën en stellingen te ontkrachten of belachelijk te maken. Daartegenover maakte
hij gretig gebruik van beweringen in het verlengde van zijn eigen stellingen. Ondanks zijn interesse
in Rangaku behield Hirata steeds een appreciatie voor de oude, echte Japanse waarden. Hij had
tevens een verklaring voor het nahinken van Japan op wetenschappelijk vlak. Vóór de bezoedeling
van Japan door China, Korea, e.a. bestond de nood niet om de Japanse wetenschap verder te
ontwikkelen. Ernstige ziekten deden zich pas voor na het inlaten met andere landen. 51
Het Hirata tijdperk werd gekenmerkt door het ontstaan van twee soorten Kokugaku. De
klassieke stroming hield zich aan analyse en literatuurbespreking met een waaier van
mogelijkheden. Uchino Gorō noemde dit de brede definitie. Daartegenover stond de nauwe
definitie, de orthodoxe stroming waarin enkel de Antieke Weg bestudeerd werd. Hirata was zich
bewust van deze tweedeling, en probeerde lange tijd deze twee stromingen te verenigen in één
enkele gedachtegoed in een poging zichzelf te legitimeren. Hij slaagde erin de klassieke, literaire
aspecten van Norinagas Kokugaku te bewaren, terwijl hij zich richtte op de politieke en
institutionele mogelijkheden van Kokugaku. Het verschijnen van Hirata was een welgekomen
mogelijkheid voor nationalisten om hun ideologie een gezicht te geven. Talloze werken van zijn
hand handelden over het unieke Japanse karakter en de superioriteit van Japan. In de decennia
voor de Tweede Wereldoorlog werd Hirata als boegbeeld naar voren geschoven door
nationalistische bewegingen. 52 Hirata maakte zich zelf al dan niet gewild geliefd bij vele latere
nationalisten. Hij verbond het concept van yamato damashī (大和魂 “de geest van het originele
Japanse volk”) aan de sonnō jōi beweging, waardoor het concept – waar vele kokugakusha belang aan
hechtten – een uitgesproken politiek trekje kreeg. 53
Hiratas invloed op het intellectuele leven tijdens de late Tokugawa periode is omstreden. Bij
hem was er een duidelijke tendens om zich bewust in het politiek schouwspel te werpen. Hij
veranderde de kokugaku van Norinaga – waarin de nadruk op religie en literatuur typerend was –
in een politiek instrument waarmee hij en zijn latere discipels trachtten hun idealen te
verwezenlijken. 54 Hirata keurde echter de literaire traditie niet af, hij was integendeel van mening
dat de typische literaire aspecten van Kokugaku de enige juiste methode omvatten om de antieke
geest van Japan terug te vinden. Hiratas standpunten werden reeds door zijn voorgangers
geopperd, maar de manier waarop Hirata zijn conclusies trok was niet vanzelfsprekend voor zijn
tijdsgenoten. Hij benadrukte de superioriteit van het Japanse volk zowel als de Weg der Goden,
een centraal thema in Kokugaku. Ook kokugakusha werden hoger geschat dan confucianisten en
boeddhisten, met name omdat confucianisten slechts een paar (chinese) klassieken kennen en met
middelmatige vaardigheid zich reeds met trots poëten, kunstenaars en geleerden waanden.
Boeddhisten genoten meer aanzien van Hirata, zij kenden zowel confucianistische klassieken als
boeddhistische werken. De Japanse geleerde, de kokugakusha, kende zijn gelijke echter niet, hij
kende de confucianistische, boeddhistische en Japanse klassieken. 55

51 Na het zien van een demonstratie van een electrostatische machine, verklaarde Hirata dat het belachelijk is aan te

nemen dat bliksem artificieel door de machine gegenereerd en natuurlijke bliksem uit de hemel door éénzelfde principe
gestuurd werden. Bliksem door de mens gemaakt is niet te vergelijken met bliksem door de natuur, door de kami
gemaakt. Indien men dit wil verstaan, dient men zich af te keren van rationele, menselijke kennis en zich te verdiepen in
de antieke wijzen.
Donald Keene, “Hirata Atsutane and Western Learning,” T’oung Pao, Second Series 42, No. 5 (1954): 353-359.
52 McNally, Proving the Way, pp. 2-9.
53 Thomas P. Kasulis, Shintō: the way home (Honolulu: University of Hawaii Press: 2004), pp. 119-120.
54 Joseph M. Kitagawa, “Introduction to ‘The Shintō World of the 1880s’,” History of Religions 27, No. 3, Shintō as
Religion and as Ideology: Perspectives from the History of Religions (1988), pp 321-5.
55 Keene, “Hirata Atsutane and Western Learning,” pp 356-7.

14
Ondanks zijn lof bekritiseerde Hirata zijn mede geleerden om hun naïviteit. Hij vond het
lachwekkend dat het de gangbare gedachte was dat een echte student van de oude wijze zich niet
door buitenlandse invloeden mocht laten bezoedelen en afkerig diende te staan tegen het Westen.
De moderne mens kon de oude geleerde niet imiteren, maar deze kon wel model staan zodat de
moderne mens alsnog de negatieve invloeden kon beperken. Desondanks moest de waarheid
gezocht worden in het verleden. Hirata en zijn volgelingen leken bezeten door de antiquiteit. Deze
groep had enkel oog voor het verleden en de utopische, antieke wereld. Hirata was tevens
bedreven in het bewijzen van de superioriteit van de Japanse kennis door Westerse kennis tegen
zichzelf te gebruiken, zoals boven vermeld. 56
In de Hirata factie in de Meiji regering werd de nadruk op het ideaal van een oppermachtige
keizer radicaal doorgedreven. Tijdens de bakumatsu jaren (幕末 “einde van de Edo periode”)
waren vooral leden van de Hirata school actief betrokken in de Restoratie beweging. Joseph M.
Kitagawa beschreef in Introduction to “The Shintō world of the 1880s” hoe de Hirata discipelen zich al
te goed bewust waren dat de Restoratie beweging een ideale manier was om hun eigen doeleinden
werkelijkheid te laten worden. 57 Het belangrijkste doel dat de Hirata factie wenste te
verwezenlijken was de heroprichting van de Jingikan ( 神 祇 官 “Departement der Riten” of
“Department of Worship”), 58 een instelling dat in het Ritsuryō (律令 “strafrechts- en administratief
rechtssysteem”) systeem samen met de Dajōkan (太政官 “Department of State”) gedurende de
Nara en Heian periode de grootste departementen van de regering uitmaakten. 59

Ōkuni Takamasa (大国隆正) werd geboren in 1792 in het Sakurada district van Edo in een
samurai familie. Ōkuni werd reeds in 1807 een discipel van Hirata Atsutane. Later zocht hij echter
onderricht in het Confucianisme – onder Koga Seiri – zowel als Rangaku. Hierdoor werd hij zich
bewust van de groeiende spanningen tussen de Tokugawa regering en de buitenlandse naties. Hij
beleefde de moeilijke tijden van het verplicht openstellen van Japan, opgedrongen door
buitenlandse naties.60 Hierdoor werd zijn perspectief anders gekleurd dan die van zijn leermeester,
Hirata Atsutane. Ondanks het onderricht en de steun van Hirata, droeg Ōkuni hem volgens
McNally geen warm hart toe.
Ōkuni en Hirata Atsutane worden in de literatuur omtrent bakumatsu Kokugaku vaak tegen
over mekaar gesteld. De twee kokugakusha hebben echter veel raakvlakken. Na Hiratas dood in
1843 begon een geleidelijke vervorming van de leer van de Hirata school. Hirata Kanetane (平田
鉄胤), de adoptiefzoon van Hirata Atsutane, trachtte de school te sturen naar een meer expliciete
literaire en poëtische nadruk, in navolging van de eerste groten der Kokugaku, Motoori Norinaga
en Kamo no Mabuchi, terwijl Hirata steeds de klemtoon legde op het hiernamaals en de klassieke
geschiedschrijving. Kanetane trachtte Kokugaku te gebruiken om de sociale hiërarchie op het
platteland te verklaren en te verbeteren, in navolging van zijn adoptieve vader die zelf een grote
aanhang kende op het platteland. Het was Ōkuni die zich verzette tegen de vervorming van
Hiratas Kokugaku. Ook hij was van mening dat geschiedschrijving een belangrijke rol te spelen had
in het verstaan van het verleden en de geest van het antieke Japan.

56 Ibid., pp 357-8.
57 Kitagawa, “Introduction to ‘The Shintō World of the 1880s’,” pp 321-5.
58 Ik gebruik Departement, omdat ik het heb over Jingikan. Indien ik over Jingishō schrijf, zal ik Ministerie hanteren.
59 Het Ritsuryō systeem was een rechtssysteem gebaseerd op Confucianisme en Chinese legalisme. Het systeem richtte
een gecentraliseerde, administratieve regering op, met de Keizer aan het hoofd en boven alle wetten. De twee
belangrijkste departementen waren de Jingikan en de Dajōkan. De kokugakusha van de Tokugawa periode waren gedreven
om het statuut van de Keizer als suzerein te herstellen, evenals de Jingikan als belangrijkste orgaan in de regering her op
te richten. Het Ritsuryō systeem was een ideale vervanging van het toenmalige feodale regeringsapparaat, vrij van
bezoedeling van buitenaf. Dit systeem was de eerste Japanse administratie- en rechtscode gebaseerd op universele en
rationele principes.
Willy Vande Walle, Een Geschiedenis van Japan: van Samurai tot Softpower (Leuven: Uitgeverij Acco, 2007), pp. 45, 49-58.
60 Encyclopedia of Shintō, Personalities, “Ōkuni Takamasa,” Ecnyclopedia of Shintō,
http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=529 (raadpleging 9 juni, 2009).
15
Maar Ōkuni sloeg desondanks een andere weg in dan zijn mentor. De gebeurtenissen naar
aanloop van de openstelling van het land en de Meiji Restoratie creeërden een politieke situatie
uitermate verschillend van het voorgaande tijdperk.
Tijdens de bakumatsu jaren zochten vele restorationisten een ideologie om hun eigen geloof
te omkaderen en te legitimeren. Dat vonden ze vaak in Kokugaku. Hierdoor werden bakumatsu
kokugakusha al dan niet gewild betrokken in het politiek schouwspel, terwijl Hirata zich actief in
het politiek leven begaf. 61 Evenals Hirata Atsutane benutte Ōkuni Kokugaku als een politiek
instrument, maar waar Hirata en zijn discipelen steevast naar het verleden staarden in hun obsessie
met de antiquiteit, keken Ōkuni en zijn volgelingen hoopvol naar de toekomst met een diep
politiek bewustzijn.
Twee discipelen van Ōkuni, Fukuba Bisei (福羽美静) – waarover later meer – en Kamei
Koremi ( 亀 井 茲 監 ), wisten grote invloed uit te oefenen op de religieuze en rituele
beleidsmaatregelen van de Meiji regering. De Ōkuni factie stond op één lijn met de nieuwe Meiji
leiders, terwijl de Hirata factie ertegenover stond. Kokugakusha hadden zich door hun xenofobie en
faliekante afkeer van al wat Westers was onbemind gemaakt bij de nieuwe leiders van de Meiji
Restoratie. Enkele uitzonderingen wisten zich in de regering te werken door een meer gematigde
houding aan te meten ten opzichte van het Westen en Azië. Een frappant voorbeeld is Ōkuni
Takamasa. Ōkuni werd door Maruyama Masao in één adem gerekend tot één van de meest
xenofobe kokugakusha en toch één van de grootste voorstanders van het open deur beleid. 62 Deze
paradoxale stelling geeft Ōkunis flexibele houding goed weer. Ondanks zijn opleiding in Kokugaku
en zijn geloof dat Japan het land der goden was, was Ōkuni niet afkerig van de studie van het
Westen. Het Christendom was echter een voortdurende obsessie. Volgens Ōkuni kon het
probleem van het Westen niet los gekoppeld worden van het Christendom. Het ene kon niet
opgelost worden zonder het andere, wat niet inhield dat Ōkuni de intolerantie van zijn
tijdsgenoten deelde. 63
Ōkuni geloofde zoals vele van zijn tijdsgenoten rotsvast in Shintō. Hij interpreteerde de
klassieken echter op een andere manier dan de meeste kokugakusha. Ōkuni aanvaardde de
buitenlandse dreiging, hij vond zelfs dat het een teken was van Amaterasu dat Japan een goede
toekomst te wachten stond. De komst van steeds meer buitenlandse vaartuigen uitgerekend op de
2500ste verjaardag van de legendarische keizer Jimmu sloot elk ander betekenis uit. Westerse
technieken en wetenschap waren een geschenk van de zonnegodin, waar Japan gebruik van diende
te maken. Ōkuni verwierp Westerse kennis niet, hij vervormde en paste deze kennis in in de
Japanse wereld. Christendom mocht echter onder geen beding beoefend worden in Japan, dit zou
enkel leiden tot het uitdunnen van de Japanse waarden die weliswaar aanwezig waren in dit
Westers geloof, maar dan in verwaterde vorm. 64 De ‘onwetende’ kokugakusha van zijn tijd haalden
zich vaak Ōkunis woede op de hals. “Het is normaal dat de mensen zo denken, maar ze zijn zich
onbewust van de echte wensen van Amaterasu,” schreef Ōkuni in zijn Sonnō jōi isetsuben (尊皇攘
夷 異 説 弁 “Vereer de keizer en verdrijf de barbaren: een andere kijk”). De leuze sonnō jōi
betekende voor Ōkuni niet de verdrijving van de barbaren, maar het doen ontstaan van loyauteit
voor de keizer bij buitenlanders. 65
In 1868 werd te Nagasaki een ondergrondse Christelijke beweging ontdekt dat jarenlang
verscholen de Christelijke praktijk verder zette. De duizenden Christelijke inlanders die ontdekt
werden zorgden voor een opschudding in het politiek milieu. Hoe hebben duizenden Christenen
zich schuil kunnen houden tijdens de verbanningsjaren van het Christendom? Ter gelegenheid van

61 McNally, Proving the Way, pp. 228-9.


62 John Breen, “Accommodating the Alien: Ōkuni Takamasa and the Religion of the Lord of Heaven,” in Religion in
Japan: Arrows to Heaven and Earth, ed. Peter Francis Kornicki and James McMullen (Cambridge: Cambridge University
Press, 1996), 179-180.
63 Ibid, pp 179-180.
64 Ibid, pp 180-4.
65 Breen, “Accommodating the Alien,” pp 185-6.

16
deze onrustbarende onthulling werd een keizerlijke conferentie bijeengeroepen. De 76 jarige
Ōkuni Takamasa legde op de conferentie zijn werk Tenshukyō ni kansuru ikensho (天主教にかんす
る 意 見 書 “Een memorandum aan Christendom”) voor. Hierin verdedigde Ōkuni het
Christendom, maar stelde nog steeds dat er een tegengewicht nodig was, namelijk Nationale
Leerstellingen. In het memorandum legde Ōkuni uit dat het Christendom compatibel is met
Shintō. Het Christelijk geloof kon gezien worden als een “Westerse Shintō,” zoals in China een
“Westers Confucianisme” bestond. Vóór het Westerse Shintō voeten in aarde kon krijgen, diende
eerst een Japanse Shintō te bestaan. Ōkuni nodigde de regeringsleiders uit om advies te zoeken bij
zijn collegas in het Departement der Riten. Vervolgens werden Fukuba Bisei en Kamei Koremi
aan het hoofd geplaatst van de Christelijke en Shintō beleidsvorming.66

Fukuba Bisei (Fukuba Yoshishizu)


Fukuba Yoshishizu, later Fukuba Bisei genoemd, is een weinig besproken man in de geschiedenis
van Kokugaku. Fukuba oefende een grote invloed uit in de beginjaren van de Meiji periode, en
voerde met succes enkele maatregelen door die de kokugakusha nauw aan het hart lagen. Hij werd
geboren in 1831 te Tsuwano. Fukuba richtte zich onmiddellijk op de studie van Kokugaku, met als
eerste leermeester Oka Kumaomi en later Ōkuni Takamasa nadat hij zich terug in Tsuwano
gevestigd had. Te midden van de steeds groeiende spanningen wierp Fukuba zich in het politieke
leven. Fukuba vergaarde informatie en onderhield contacten met verschillende domeinen en clans.
In 1867 werd hij gevraagd door de heer van Tsuwano om een model op te stellen voor het beleid
omtrent begrafenissen en religieuze administratie.67 Dit was een aanloop naar zijn latere rol als één
van de belangrijkste medewerkers in het Departement der Riten. De heer van Tsuwano raadde
Fukuba aan als magistraat in het Kantoor der Riten bij de nieuwbakken regering. Fukuba maakte
snel promotie, en werd uiteindelijk Ondervoorzitter van het Religieus Onderwijs. In de rol van
staatssecretaris speelde Fukuba een voorname rol in het scheppen van een specifiek systeem van
keizerlijke riten en de vorming van het moderne systeem van schrijnen. Hij verloor echter snel
aanzien, voornamelijk door het voortdurend gekibbel binnen het Departement en tussen de
verschillende facties. Na de afschaffing van het Departement bekleedde Fukuba enkele hoge
posities – hij werd lid van de Genrōin (元老院 “Raad der Ouderen), trad op als keizerlijke
privéleraar inzake Shintō rituelen en werd opzichter van belangrijke Kokugaku publicaties – maar
kon na de afschaffing niet meer dezelfde invloed uitoefenen zoals voorheen. 68
Fukuba was aanvankelijk een leerling van de Hirata school maar sloot zich snel aan bij de
Ōkuni factie. Hij was één van de architecten van het decreet “Eenheid van Rite en Staat” (祭政一
致 saisei icchi). 69 Dit decreet wordt besproken in een later onderdeel, hier volstaat het te vermelden
dat dit decreet een grote vordering was voor de Kokugaku factie in de regering. De keizer was
immer een belangrijk onderwerp in het ideologisch discours. Het herstel van de keizerlijke macht
was dan ook een grote overwinning over andere facties. Het is niet verwonderlijk dat het
Departement der Riten overvloedig bevolkt werd door kokugakusha. Een tweede manier waarop
de voorstanders van Kokugaku hun macht wisten te verstevigen waren de zogenaamde
Splitsingsedicten ( 分 離 令 bunri rei). Deze edicten waren oorspronkelijk bestemd om het
Boeddhisme en Shintō na eeuwenlang syncretisme te scheiden in twee afzonderlijke geloven. In de
praktijk werden gewelddadige acties tegen het Boeddhisme gesanctioneerd door de vage

66 Breen, “Accommodating the Alien,” pp 191-4.


67 Encyclopedia of Shintō, “Fukuba Bisei,”
http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=429 (raadpleging 11 juni, 2009).
68 Ibid.
James Edward Ketelaar, Of Heretics and Martyrs in Meiji Japan: Buddhism and its persecution (New Jersey: Princeton University
Press, 1990), pp 8-10.
69 John Breen, “Shintōists in Restoration Japan (1868-1872): towards a reassessment,” Modern Asian Studies 24, no. 3
(1990), 579-80.
17
verwoording. 70 Onder het mom alle boeddhistische bezittingen uit Shintō schrijnen te verwijderen
wierpen troepen uit speciaal opgerichte divisies zich op boeddhistische tempels. Tempels werden
geplunderd, een beeldenstorm vernietigde talloze schatten, boeddhistische priesters werden
openlijk vernederd en geslagen. 71 Dit zinloos geweld was één van de vele redenen waarom het
Departement der Riten en de zetelende kokugakusha uit de gratie vielen. Het grootste pijnpunt was
voornamelijk dat de Edicten in naam van de Keizer werden verkondigd, en hierdoor de keizer
verbonden kon worden met de vervolging van het Boeddhisme. De keizer diende echter
onaantastbaar te zijn, anders zou de hele onderbouw van de nieuwe Meiji regering, gebaseerd op
het principe ōsei fukko (王政復古 “Herstel van de keizerlijke macht”) met de Meiji Restoratie als
gevolg, ineenstorten. In sneltempo ontkende zowel pro-Boeddhistische als anti-Boeddhistische
auteurs de betrokkenheid van de keizer in het hele debacle. De schuld werd volledig in de
schoenen van Shintōisten geschoven, die werden geportreteerd als “rebellen.” Okuma Shigenobu
schreef in zijn werk “Meiji shonen no haibatsu kishaku,” gepubliceerd in een vooraanstaand
boeddhistisch journaal, dat deze “rebellen” de schuld droegen voor de situatie ontstaan door de
uitvaardiging van de Edicten. 72
Door de inspanningen van onder andere Fukuba en Kamei kreeg Shintō de prominente
plaats in de maatschappij en de politiek waar Kokugaku geleerden zo lang naar hunkerden. Niet
lang na de Meiji Restoratie kreeg Shintō de status staatsgodsdienst aangemeten, vermoedelijk
nogmaals door de inspanningen van Fukuba en Kamei. 73 Terwijl Fukuba relatief onbekend is
gebleven, bleek hij een diepgaande invloed uitgeoefend te hebben op het beleidsprogramma van
de vroege Meiji periode. Als ondervoorzitter in het Departement der Riten bekleedde hij samen
met Kamei Koremi, de vice-minister in het Departement, de ideale positie om het religieus
programma van de natie te bepalen en naar zijn eigen hand te zetten. Het zijn voornamelijk deze
twee politici die de propaganda van Kokugaku wisten om te zetten in de praktijk, hoe kortstondig
dit ook heeft mogen duren.

70 De verwoording van de Splitsingsedicten leek niet toevallig in grote mate op de taal van de Eed in Vijf Artikelen.
Beiden werden door eenzelfde factie ontworpen, met Kamei Koremi en Fukuba Bisei als belangrijkste kokugakusha aan
het roer.
Ketelaar, Of Heretics and Martyrs, pp 8-9.
71 Ibid., pp 8-9, 87-97.
72 James Edward Ketelaar, noot 25 in Of Heretics and Martyrs in Meiji Japan: Buddhism and its persecution (New Jersey:
Princeton University Press, 1990), 232.
73 Ketelaar, Of Heretics and Martyrs, pp 8-9.

18
Invloed van Kokugaku
Zoals in het vorige onderdeel reeds werd besproken hebben verschillende Kokugaku geleerden een
merkbare indruk nagelaten op het politieke landschap tijdens de vroege Meiji periode. Wat waren
de concrete gevolgen van hun inspanningen? Welke programmapunten wisten ze in zo’n korte
tijdsspanne te verwezenlijken? De belangrijkste gerealiseerde idealen zijn vermoedelijk het
doorvoeren van het saisei icchi concept, de oprichting van de Jingikan en de aanzienlijke invloed op
het ontwerp van de Eed in Vijf Artikelen.

Voor en tijdens de Meiji periode


De Kokugaku ideologie begon met Keichū als een studie naar de antieke kracht van de Japanse taal,
waaruit de studie naar het antieke Japan vloeide. Naderhand werkten zijn opvolgers – waarvan
Kamo no Mabuchi, Motoori Norinaga, Hirata Atsutane en Ōkuni Takamasa baanbrekend werk
verrichtten – het concept van de ideale wereld gestoeld op de antiquiteit van Japan uit tot een
doctrine, Kokugaku. De keizer werd verheerlijkt, Shintō werd aangeprezen als de enige ware religie,
het volk diende zich af te wenden van buitenlandse invloeden zoals het Boeddhisme,
Confucianisme, Rangaku e.a. De ontwikkeling en uitwerking van de ideologie vond plaats tijdens
de schijnbaar vreedzame Tokugawa periode. De laatste jaren van het Tokugawa regime gingen
echter gepaard met financiële moeilijkheden en opstandige landheren. Interne crises werden aan
het licht gebracht door intelligentia die zich wierpen op studies in plaats van oorlogsvoering.
Kokugaku bleek een drijvende kracht te zijn in het aanvechten van orthodoxe, traditionele
denkbeelden. De meeste kokugakusha waren van mening dat de enige echte tradities te vinden
waren in het oude Japan en de valse, bezoedelde waarden en normen verlaten moesten worden.
Mettertijd gingen vele kokugakusha zich actief en met succes bezigen met het propageren van hun
visie.
Sonnō jōi
Door interne onrust en de bedreiging van buitenaf, gingen steeds meer stemmen op om de
“barbaren” het land uit te zetten en opnieuw een “gesloten land” beleid te voeren. Later zou deze
beweging verbonden worden met de opkomst van het nationalisme en zelfs fascisme in Japan. In
dit geval wordt enkel één van de drijvende krachten achter de beweging onder de loep genomen,
namelijk Kokugaku en in diens verlengde Shintō. De hervormingsbeweging sonnō jōi werd sterk
beïnvloed door Shintō en verschillende kokugakusha. De slogan, en later de beweging, sonnō jōi
betekent “Vereer de keizer, verdrijf de barbaren.” Ook de Nationale Studies school ijverde voor
het uitdrijven van de buitenlanders. Het is niet verrassend dat kokugakusha en nationalistische
groeperingen vaak samenwerkten om hun doelen te bereiken. Initieel enkel een populaire
reactionaire beweging, werd er door Kokugaku een religieuze dimensie toegevoegd waardoor het
volk meer feeling had met de bedoelingen van de beweging. 74 De oorspronkelijke betekenis en
inhoud van de slogan wierp hervorming op als belangrijkste maatregel tegen de waargenomen
laksheid van de bakufu. Toen de bakufu op eigen houtje overging tot onderhandelen met de
buitenlanders en het ondertekenen van (ongelijke) verdragen, werden de aanhangers en
voorstanders van de keizer woedend. Deze loyalisten gaven de slogan een uitgesproken anti-
bakufu gevoel. Hoewel de beweging in de kou werd gelaten toen uiteindelijk werd besloten het
land te openen voor buitenlanders – lijnrecht tegen de eisen van de beweging in – speelde sonnō jōi
een belangrijke rol in de Meiji Restauratie. 75 De domeinheren die in grote mate de val van de
bakufu realiseerden gebruikten handig de slogan om hun eigen doelen te bereiken. 76 Uiteindelijk
werd het eerste deel van de slogan – “vereer de keizer” – verwezenlijkt, de keizer werd namelijk de
spilfiguur en het symbool van Japan.

74 Lande, Aasulv. “‘The New Japan’: A basic tenet in Japanese new religions.” Perspectives on Japan and Korea: Second Nordic
Symposium on Japanese and Korean Studies. Nordic Proceedings in Asian Studies 1 (1991): 97-103.
75 Vande Walle, Een Geschiedenis van Japan, pp 213-7.
76 Deze domeinen waren Chōshū, Satsuma, Tosa en Hizen.

19
Het Departement der Riten (Jingikan)
Het Departement der Riten, hier Jingikan genoemd, werd opgericht tijdens de Keiō periode (1865-
1868). De Jingikan was in de praktijk het Kantoor der Riten (神祇事務局 jingijimukyoku, of 神祇
局 jingikyoku) omgevormd tot een hoger departement, na amper drie maanden bestaan van het
Kantoor. Het Kantoor was oorspronkelijk een onderdeel van de Divisie der Riten (神祇科 jingika).
Ondanks het feit dat het Kantoor der Riten een kort leven beschoren was, werd er toch een
nationaal religieus beleid uit de grond gestampt. Het gevolg hiervan was een centraal orgaan met
aanzienlijk legale en ideologische macht, één van de vele gevolgen van de inspanningen van de
kokugakusha Fukuba en Kamei.77 De Jingikan werd in het tweede jaar van de Meiji regeerperiode
(1870) officieel boven de Dajōkan geplaatst in de hiërarchie, maar dit bleef niet duren. Hiermee
werd het oude statuut van de Jingikan hersteld, dat eeuwen geleden in het ritsuryō systeem de regel
was. Tegelijkertijd werd ook het belangrijkste punt in het Kokugaku programma gerealiseerd. De
Jingikan werd niet lang na de oprichting ervan omgevormd tot het Ministerie der Riten (神祇省
Jingishō). 78 De Jingikan ging echter ten onder door het aanhoudelijk dispuut tussen de verschillende
facties. Elke factie had een ander doel, een andere ideologie. Het is niet verwonderlijk dat de
inspanningen van deze verschillende facties in elkaars vaarwater liepen en strubbelingen
ontstonden. De grootste “rivalen” in de nieuwe regering waren het pas gevormde Ministerie van
Financiën (会計官 kaikeikan) en de Jingikan. Het Ministerie van Financiën werd bestuurd door
pragmatische realisten die het nut van de Jingikan niet onderschatten, maar de macht ervan
probeerden over te nemen of te beknotten in het slechtste geval. Het Ministerie van Financiën had
de macht dit te realiseren omdat enkele van de belangrijkste personen die verantwoordelijk waren
voor het ontstaan van de Meiji regering tout court erin zetelden, namelijk Iwakura Tomomi,
Okubo Toshimichi, Kido Kōin, e.a. Hoewel het Ministerie de macht van de Jingikan kon
verzwakken en uiteindelijk breken door het afschaffen van het departement, wist het Ministerie
het recht zich te bezigen met het religieus beleid te behouden. 79
In 1867 vaardigde Kamei Koremi een decreet uit in zijn eigen domein Tsuwano waarin
verordend werd dat alle begrafenissen en rituelen moesten voltrokken worden als Shintō
ceremonies. In 1868 werd dit een nationaal gegeven en via het Kantoor der Riten in de legislatuur
vormgegeven. Begrafenissen hebben in se betrekking tot elke persoon, elk lid van een sekte of
geloof. Het onttrekken van begrafenisrituelen aan de macht van het Boeddhisme was met andere
woorden een krachtig wapen om deze macht in te perken en die van Shintō te versterken. Fukuba
en Kamei waren overtuigd dat niet alleen de onderbouw van het Boeddhisme zou verzwakken
door het ontfrutselen van funeraire aangelegenheden. De strategie vormde een stevige basis voor
een op Shintō gebaseerde ideologie, waarin de keizer met het plebs verbonden werd, en daardoor
het wereldse met het goddelijke.80

77 De lagere en onderste rangen van de Jingikan werden voornamelijk bezet door discipelen van Hirata Atsutane,
waardoor er kan gesteld worden dat zelfs na zijn dood Hirata een zekere invloed heeft gehad op het politiek milieu.
Kamei Koremi was zelf een aanhanger van de Hirata School, maar werd in balans gehouden door Fukuba Bisei, een
aanhanger van Ōkuni Takamasa.
Kazuo Tezuka, “Geschichtlicher überblick über die religionsfreiheit und das prinzip der trennung von Staat und
Religion in Japan,” Mie daigaku kyōikugakuin kenkyūkiyō, jinmon - kaishakagaku 三重大学教育学院研究紀要:人文・
社会科学 (Mie University Department of Education Bulletin: Humanities & Social Sciences) 45 (30 maart, 1994): 35-75,
http://miuse.mie-u.ac.jp:8080/bitstream/10076/5408/1/AN100660460450004.PDF
78 Ik hou echter de benaming Departement, of Jingikan aan, omdat enerzijds dit de doelstelling was van de kokugakusha
naar het evenbeeld van de Jingikan van de Nara periode, anderzijds omdat er geen wezenlijk verschil bestond in de
werking of bevoegdheden van de twee instanties, het ging louter om een naamsverandering in de praktijk.
Yamaguchi Teruomi 山口輝臣, “Meiji kenpō shita no jingikan secchi mondai: seikyō kankei suru ikkōsatsu 明治憲法下の神
祇官設置問題:政教関係する一考察 (The restoration of the Department of Shintō under the Meiji Constitution: A
study in the relationship between Religion and State),” Shigaku Zasshi 史学雑誌(The Historical Society of Japan) 102, no. 2
(20 februari, 1993): 167-201.
79 Ketelaar, Of Heretics and Martyrs, pp 66-67.
80 Ibid., pp 43-45.

20
Saisei icchi en de Eed in Vijf Artikelen
Vanaf ruwweg de 12de eeuw was er geen sprake meer van absolute macht van de keizer in de
praktijk. De shōgun regeerde in naam van de keizer, maar trok alle macht naar zich toe. De keizer
werd een staatssymbool zonder reële macht. Ondanks de vele pogingen van het hof en de keizer,
zowel als van tegenstanders van het shōgunaat, behield de shōgun de facto zijn macht tot 1868. In
1868 gaf de shōgun zijn bevoegdheden en macht terug aan de keizer, gevolgd door de andere
daimyō. 81 Deze formaliteit bevestigde openlijk dat de Tokugawa bakufu aan het einde van haar
latijn was gekomen. De keizer werd in zijn vroegere rol als vorst hersteld, hoewel zijn macht niet
absoluut was. Hij was nog steeds een staatssymbool dat in theorie boven alle wetten stond, en hij
werd nog steeds vereerd als een afstammeling van de goden, maar de vier grote han die de val van
de bakufu bewerkstelligden trokken een groot deel van de macht naar zich toe. Zij bezetten de
hoogste functies in de pas opgeworpen Meiji regering. Om aan het volk een sterke regering te
tonen, werd in snel tempo een decreet uitgewerkt waarin het nieuw bestuur beschreven werd.
Deze Eed in Vijf Artikelen (五箇条の御誓文 gokajō no goseimon) 82 werd door de keizer in
1868 uitgevaardigd in de vorm van een belofte aan de goden. De meningen over de wijze waarop
de Eed geproclameerd diende te worden waren verdeeld, maar de Jingikan haalde haar slag thuis
door de uitvaardiging in het mom van een Shintō ceremonie te laten plaatsvinden. Kido Kōin had
grote invloed op de uiteindelijke wijze waarop de Eed werd uitgevaardigd, hij trachtte namelijk
zoveel mogelijk macht van de daimyō te ontrekken en in de handen van de keizer te concentreren.
Hoewel Kido vaak tegenover de Shintōïstische factie stond in de regering, stonden ze op één lijn
inzake de macht van de keizer en zijn rol in de nieuwe staat. 83 De proclamatie gebeurde in de
aanwezigheid van gezanten van de Jingikan en het Staatsdepartement was een symbolische
vereniging van de drie takken van de regering, zoals saisei icchi dat was in de vorm van de keizer.84
De Eed in Vijf Artikelen was een schets van de richtlijnen die de Meiji regering zou volgen. Door
de vage en ambigue verwoording van de Eed, bleef het lange tijd een handig politieke instrument.
Verschillende interpretaties werden in de verscheidene situaties toegepast op de Eed, waardoor er
steeds op een wettelijk decreet kon worden terugvallen. 85
Door het uitvoeren van de proclamatie van de Eed in Vijf Artikelen door de keizer als een
belofte aan de goden, tijdens een Shintō ritueel, werd het principe van saisei icchi (祭政一致
“Eenheid van Kerk en Staat”) gedemonstreerd. Dit principe had als doel een eenheid van de
goden, de bevolking en de keizer te creeëren. De keizer werd een belangrijk politiek symbool en
het volk werd betrokken bij het bestuur van het land. Deze betrokkenheid was louter symbolisch,
geïmpliceerd door de vereniging van keizer, volk en goden door saisei icchi. Die alliantie kon enkel

81 De teruggave van bevoegdheden van de shōgun aan de keizer (大政奉還 taisei hōkan) betekende het einde van de

Tokugawa bakufu, dat 265 jaar lang de absolute macht in Japan in handen had.
Japanse Studies KULeuven: Geschiedenis van Japan, “Val van de Bakufu,” Japanse Studies KULeuven,
http://japanesestudies.arts.kuleuven.be/geschiedenis/index.php/Val_bakufu (raadpleging 16 juni, 2009).
82 De Eed in Vijf Artikelen luidt als volgt:
1) "Er zullen uitgebreide beraadslagingen gehouden worden en alle staatszaken zullen in deze beraadslagingen beslist worden."
2) "Alle standen, hoog en laag, zullen verenigd worden en samen de administratie van de staat uitvoeren."
3) "Iedereen, zowel ambtenaren, samurai als het gewone volk, zal zijn eigen doelen kunnen nastreven, zodat er geen ontevredenheid
zal zijn."
4) "Er zal van de oude gewoontes afgestapt worden, en alles zal op de regels van de rechtvaardigheid gebaseerd worden."
5) "Kennis zal over de hele wereld gezocht worden, zodat het Keizerrijk zich verder kan ontwikkelen en versterken."
"Ons land is aan het proberen een hervorming door te voeren zoals het er nog nooit een heeft gehad. Ik beloof plechtig aan de goden van hemel
en aarde dat ik dit nationaal beleid zal uitvoeren en de natie zal beschermen. Mijn onderdanen ook, streef het bereiken van dit doel na."
Willy Vande Walle, Een geschiedenis van Japan: van samurai tot softpower (Leuven: Uitgeverij Acco, 2007), pp 222, 225-6.
William Theodore De Bary, Carol Gluck & Arthur E Tiedemann, Sources of Japanese Tradition: Volume 2, 1600
to 2000 (New York: Columbia University Press, 2006), p 8.
83 Japanse Studies KULeuven: Geschiedenis van Japan, “De Meiji-restauratie,” Japanse Studies KULeuven,
http://japanesestudies.arts.kuleuven.be/geschiedenis/index.php/De_Meiji-
restauratie#1.4.4.1_De_Eed_in_Vijf_Artikelen (raadpleging 16 juni, 2009).
84 Ketelaar, Of Heretics and Martyrs, pp 64, 77, 84-97.
85 Ketelaar, Of Heretics and Martyrs, pp 113-4.

21
door de keizer worden verwezenlijkt. Zijn goddelijke afstamming bracht hem in verband met de
goddelijke wereld, maar zijn verblijf in de menselijke wereld verbond hem met de mensheid. Saisei
icchi werd gebaseerd op de legendarische eerste keizer Jimmu (神武天皇 Jimmu tennō) en getuigde
van een verregaande invloed van Kokugaku op de beleidsvorming. De terugkeer naar een
eeuwenoud regeersysteem waarin de keizer soeverein heerste en de kerk en de staat in één entiteit
verenigde, werd duidelijk onder invloed van de kokugakusha in de Jingikan gerealiseerd.86

Instituties
Uit de verwoede pogingen van kokugakusha – sommigen meer succesvol dan anderen – vloeiden
verschillende instituties voort. De belangrijkste was de Jingikan (en diens voorloper) die reeds
besproken werd. Na de ontbinding van de Jingikan werden verschillende kleinere bureaus
opgericht die zich bezig hielden met zaken omtrent schrijnen, beleidvorming e.a.
Jingi jimukyoku
De Jingi jimukyoku (神祇事務局 “Bureau der Riten”), gesticht in 1867, stond in voor een nationaal
en uniform administratief systeem der schrijnen en het splitsen van Shintō en Boeddhisme na de
Separatie Edicten. Het nieuwe systeem veranderde de eeuwenoude schrijnenstelsels in een
gecentraliseerd nationaal systeem dat samenwerkte met het provinciaal bestuur. In 1868 werd het
bureau via verschillende transformaties omgevormd tot de Jingikan.87
Kyōbushō
De kyōbushō (教部省 “Ministerie van Religieus Onderwijs) werd in 1873 opgericht ter vervanging
van de Jingikan. Het Ministerie stond in voor de indoctrinatie van het volk. Het stond in voor de
administratie van schrijnen en onbetaalde leraren geaffilieerd met Shintō, Boeddhisme, of
zelfstandigen. Zij werden opgedragen het volk met de staatsdoctrine vertrouwd te maken. Het
Ministerie werd afgeschaft in 1877 nadat besloten werd dat onder het principe van de scheiding
van kerk en staat en vrijheid van geloofsovertuiging priesters zich niet mochten bezig houden met
zulks religieuze bezigheden. 88
Shajikyoku
Toen in 1877 het Ministerie van Religieus Onderwijs werd ontbonden, droeg de regering een deel
van de vroegere macht van het Ministerie over op de shajikyoku (社寺局 “Bureau van Tempel en
Schrijn Aangelegenheden”), dat deel was van het Home Ministry (内務省 naimushō). Het Home
Ministry werd opgericht in 1873 als veiligheidsorgaan dat misnoegde samurai – na de Meiji
omwenteling leidden de vele hervormingen tot wrevel bij samurai die hun miserie onrechtvaardig
beschouwden – onder controle moest houden. De regering ijverde voor de splitsing van kerk en
staat, door schrijnen onafhankelijk van de staat te maken. Een factie in de regering die gelieerd
was met schrijnen en priesters verwierp dit voorstel echter. Hoewel het Bureau werd afgeschaft,
werden de jinjakyoku en de shūkyōkyoku gesticht, met veel van de macht van het Bureau.89

86 Ibid., pp 64, 77, 87-97.


87 Encyclopedia of Shintō, “History of Shrines and Shintō,”
http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=738 (raadpleging 17 juni, 2009).
Stuart D.B. Picken, Essentials of S hintō: an analytical guide to principal teachings (Westport and London: Greenwood
Publishing Group, 1994), pp 328-9.
88 Encyclopedia of Shintō, “History of Shrines and Shintō,”
http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=738 (raadpleging 17 juni, 2009).
Stuart, Essentials of Shintō, pp 328-9.
Kokugakuin, Glossary of Shintō Names and Terms: K, “Kyōbushō,”
http://www2.kokugakuin.ac.jp/ijcc/wp/glossary/def_K.html (raadpleging 17 juni, 2009).
89 Encyclopedia of Shintō, “History of Shrines and Shintō,”
http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=738 (raadpleging 17 juni, 2009).
22
Het Bureau van Tempel- en Schrijnaangelegenheden stond in voor alle zaken met betrekking tot
religie in Japan, voornamelijk Shintō en Tempels. De splitsing in twee afzonderlijke bureaus, de
jinjakyoku, dat instond voor Shintō aangelegenheden, en shūkyōkyoku, dat instond voor alle andere
religies, 90 kan gezien worden als een laattijdige overwinning van kokugakusha. Hier kan immers
waargenomen worden dat Shintō wederom een prominente plaats wordt toegewezen, terwijl alle
andere religies het moesten doen met één bureau.
Jinjakyoku
De jinjakyoku (神社局 “Bureau der Schrijnen”) werd opgericht onder het Home Ministry in 1900 en
bleef bestaan tot 1940. Uiteindelijk werd dit Bureau de machtigste in het Home Ministry, en stond
in voor het onderhoud van schrijnen en alles aangaande priesters. Het Bureau werd ontbonden in
1940 met de oprichting van de Jingi-in. De bevoegdheden van het Bureau hadden louter betrekking
tot Shintō schrijnen en priesters. 91
Jingi-in
Het Instituut der Riten (神祇院 jingi-in) werd opgericht onder de Home Ministry in 1940. Het was
bevoegd voor de administratie van schrijnaangelegenheden, rituelen en het doctrinair beleid.
Bovenop deze bevoegdheden, die ook door het Bureau der Schrijnen werden uitgevoerd, stond
het Instituut in voor de verspreiding van de verering der kami onder het volk. Het Instituut
verspreidde actief de doctrine en ideologie van kami verering, met andere woorden van Shintō. In
1946 werd het Instituut geschrapt. Het had weinig werk verricht inzake de herschikkig der
schrijnen, op academisch vlak werden echter vele werken gepubliceerd. 92

90 Kokugakuin, “Jinjakyoku,” http://www2.kokugakuin.ac.jp/ijcc/wp/bts/bts_j.html#jingu_kogakukan (raadpleging 17


juni, 2009).
91 Encylopedia of Shintō, “Jinjakyoku,” http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=1104

(raadpleging 17 juni, 2009).


Kokugakuin, “Jinjakyoku,” http://www2.kokugakuin.ac.jp/ijcc/wp/bts/bts_j.html#jingu_kogakukan (raadpleging 17
juni, 2009).
92 Encyclopedia of Shintō, “Jingi-in,” http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=1102
(raadpleging 17 juni, 2009).
23
Besluit
In de westerse samenleving wordt sinds lange tijd Kerk en Staat gescheiden. Nederland, het enige
Europees land dat gedurende de Tokugawa periode Japan mocht aandoen, kende deze scheiding
reeds vanaf 1795, ongeveer 70 jaar voor de Meiji-omwenteling. Hoewel Japan in de nieuwe Meiji
regering veel elementen van Europese bestuurssystemen assimileerde, werd deze scheiding van de
kerkelijke macht en staatkundige macht niet doorgevoerd. De regering hief Shintō zelfs op tot
staatsgodsdienst. Voornamelijk door de inspanningen van Kokugaku geleerden kon Shintō een
belangrijke rol in de Japanse samenleving spelen. Als staatsgodsdienst drong Shintō door in
nagenoeg alle geledingen van de maatschappij, van het onderwijs tot de keizerlijke riten. Hoewel
deze machtspositie kortstondig was, was dit één van de grootste verwezenlijkingen van de
kokugakusha. Het herstel van de Jingikan wordt echter vaak gezien als de grootste overwinning van
Kokugaku aanhangers op hun tegenstanders. Deze instelling werd boven alle andere
regeringsapparaten gesteld, maar was geen lang leven beschoren. Op zijn toppunt had deze
Ministerie de jure alle macht in handen inzake religieuze aangelegenheden, de facto kon het zich,
door zijn positie in de regering, mengen in vrijwel alle belangen van de regering.
Het kan gesteld worden dat Kokugaku een verregaand invloed had op de Japanse politiek en
het sociale leven. Opvallende verwezenlijkingen met een kortstondig bestaan – de Jingikan en
andere instellingen – gooiden hun schaduw over langdurige invloeden – in het onderwijs diende
elke student ’s morgens een groet te brengen aan de Japanse vlag en een portret van de Keizer.
Belangrijke geleerden oefenden passief en actief druk uit op de politiek. De enige constante was
Shintō, dat steeds een belangrijke rol speelde. Na de afloop van Wereld Oorlog II werd Shintō
gelijkgesteld aan alle andere godsdiensten in Japan, maar de bezoeken van verschillende Eerste
Ministers aan het Yasukuni Schrijn voor oorlogsslachtoffers lokten protesten uit dat Shintō nog
steeds een grote invloed uitoefent, zij het op clandestiene wijze.
Ondanks de verwezelijkingen van Kokugaku geleerden gedurende de Meiji periode – Fukuba
Bisei en Kamei Koremi speelden een belangrijke rol in de politieke macht die de Jingikan wist te
bekomen – zijn het voornamelijk de avant-garde geleerden die de geschiedenisboeken in gingen.
Hirata Atsutane werd door nationalisten als patroon van de nationalistische beweging beschouwd.
Motoori Norinaga werd gezien als de voornaamste kokugakusha omwille van zijn eruditie en
uitwerking van de ideologie. Hun nalatenschap liet een moeilijk uit te wissen stempel na op de
Japanse maatschappij. Kokugaku liet echter niet steeds een goede indruk na. De opmars van
nationalisme in de vroege twintigste eeuw en de radicalisering tot fascisme werd lange tijd geweten
aan het nationalistisch karakter van Kokugaku. Wetenschappelijke studies omtrent het onderwerp
werden tot lange tijd na Wereld Oorlog II gemeden. Alsnog gedane studies mijdden deze
negatieve kant en wijdden enkel aandacht aan de theorie en de grote schrijven van Kokugaku.
Recentelijk wordt deze taboe echter steeds vaker doorbroken, en onderzoeken omtrent de invloed
van Kokugaku in het nationalistische en fascistische tijdperk van Japan mijden de rol van de
ideeënleer niet.
Het is betreurenswaardig dat een overgrote deel van de gepleegde onderzoeken enkel in
Japan gepubliceerd worden en nooit een weg vinden naar de Westerse wereld. Dit maakt het
uitermate moeilijk voor de westerse student om zich uitgebreid te wijden aan dit bijzonder
interessante onderwerp. De digitalisering van onderzoeksmateriaal en gepubliceerde boeken
maken het recent echter eenvoudiger om aangeboden materiaal te verkrijgen.

24
Literatuurlijst
Adriaensens 2004.
Adriaensens, Edward & Dimitri Vanoverbeke. Op zoek naar het nieuwe Japan. Roeselare:
Globe, 2004.
Beasley 1972.
William G. Beasley. The Meiji Restoration. Stanford: Stanford University Press, 1972.
Beasley 2002.
William G. Beasley. The Rise of Modern Japan: Political, economic and social change since 1850.
New York: St. Martin’s Press, 2002.
Breen 1990.
Breen, John. “Shintōists in Restoration Japan (1868-1872): towards a reassessment.”
Modern Asian Studies 24, no. 3 (1990): 579-602.
Breen 1996.
Breen, John. “Accommodating the alien: Ōkuni Takamasa and the religion of the Lord of
Heaven.” In Religion in Japan: Arrows to Heaven and Earth, red. Peter Francis Kornicki &
James McMullen, 179-197. Cambridge: Cambridge University Press, 1996.
Burks 1982.
Burks, Ardath W. The Government of Japan. Connecticut: Greenwood Press, 1982.
Burns 2003.
Burns, Susan L. Before the Nation: Kokugaku and the imagining of community in Early Modern
Japan. Durham: Duke University Press, 2003.
Burns 2006.
Burns, Susan L. “Proving the way: Conflict and Practice in the History of Japanese
Nativism.” Bespreking van Proving the Way, door Marc McNally. American Historical Review
111, no. 4 (2006): 1153-1154.
Caddeau 2006.
Caddeau, Patrick. “Before the Nation: Kokugaku and the imagining of community in
Early Modern Japan.” Bespreking van Before the Nation, door Susan L. Burns. Modern
Language Quarterly 67, no. 2 (2006): 278-280.
De Bary 2006.
De Bary, William Theodore, Carol Gluck & Arthur E Tiedemann. Sources of Japanese
Tradition: Volume 2, 1600 to 2000. New York: Columbia University Press, 2006.
Gordon 2003.
Gordon, Andrew. A Modern History of Japan: from Tokugawa times to the Present. New York:
Oxford University Press, 2003.
Hall, R.K. 1949.
Hall, Robert King & John Owen Gauntlett. Kokutai no hongi: cardinal principles of the national
entity of Japan. Cambridge: Harvard University Press, 1949.

25
Hall, J.W. 1968.
Hall, John W. & Marius B. Jansen. Studies in the institutional history of Early Modern Japan.
Princeton: Princeton University Press, 1968.
Hardacre 1986.
Hardacre, Helen. “Creating State Shintō: The Great Promulgation Campaign and the
New Religions.” Journal of Japanese Studies 12, no. 1 (1986): 29-63.
Hardacre 1991.
Hardacre, Helen. Shintō and the State: 1868-1988. New Jersey: Princeton University Press,
1991.
Harootunian 1970.
Harootunian, Harry D. Towards Restoration: the growth of political consciousness in Tokugawa
Japan. University of California Press, 1970.
Harootunian 1988.
Harootunian, Harry D. Things seen and unseen: discourse and ideology in Tokugawa nativism.
Chicago: University of Chicago Press, 1988.
Hooker.
Hooker, Richard. “Motoori Norinaga.” Washington State University,
http://www.wsu.edu/~dee/TOKJAPAN/NORINAGA.HTM
Raadpleging 12 juni, 2009.
Irokawa 1985.
Irokawa, Daikichi. The culture of the Meiji Period. Princeton: Princeton University Press, 1985.
Jansen 2002.
Jansen, Marius B. The Making of Modern Japan. London: Harvard University Press, 2002.
Japanse Studies KULeuven.
Japanse Studies KULeuven: Geschiedenis van Japan. “De Taika-hervormingen.” Japanse
Studies KULeuven.
http://japanologie.arts.kuleuven.be/geschiedenis/index.php/De_Taika-hervorming
Raadpleging 12 juni, 2009.
Japanese Studies KULeuven: Geschiedenis van Japan. “De Meiji-restauratie.” Japanese
Studies KULeuven.
http://japanesestudies.arts.kuleuven.be/geschiedenis/index.php/De_Meiji-
restauratie#1.4.4.1_De_Eed_in_Vijf_Artikelen
Raadpleging 16 juni, 2009.
Japanese Studies KULeuven: Geschiedenis van Japan. “Val van de Bakufu.” Japanese
Studies KULeuven.
http://japanesestudies.arts.kuleuven.be/geschiedenis/index.php/Val_bakufu
Raadpleging 3 augustus, 2009.
Kasulis 2004.
Kasulis, Thomas P. Shintō: the way home. Honolulu: University of Hawaii Press, 2004.
Kazui 1982.
Kazui, Tashiro. “Foreign Relations during the Edo Period: Sakoku Re-examined.”
Translated door Susan Downing Videen. Journal of Japanese Studies 8, no. 2 (1982): 283-306.

26
Keene 1954.
Keene, Donald. “Hirata Atsutane and Western Learning.” T’oung Pao, Second Series 42,
no. 5 (1954): 353-380.
Kenji.
Kenji, Ueda. “Magatsubi no Kami and Motoori Norinaga’s Theology.” Kokugakuin
University. http://www2.kokugakuin.ac.jp/ijcc/wp/cpjr/kami/ueda.html
Raadpleging 3 augustus, 2009.
Ketelaar 1990.
Ketelaar, James Edward. Of Heretics and Martyrs in Meiji Japan: Buddhism and its persecution.
New Jersey: Princeton University Press, 1990.
Kitagawa 1974.
Kitagawa, Joseph M. “The Japanese Kokutai History and Myth.” History of Religions 13,
no. 3 (1974): 209-226.
Kitagawa 1988.
Kitagawa, Joseph M. “Introduction to ‘The Shintō world of the 1880s’,” History of Religions
24, no.3, Shintō as religion and as ideology: perspectives from the History of Religions (1988): 321-325.
Klaus 1998.
Klaus, Antoni. Shinto und die Konzeption des japanischen Nationalwesens (Kokutai): der religiöse
Traditionalismus in Neuzeit und Moderne Japans. Leiden: Brill, 1998.
Kokugakuin.
Encyclopedia of Shintō. “History of Shrines and Shintō.”
http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=738
Raadpleging 17 juni, 2009.
Encyclopedia of Shintō. “Jingi-in.”
http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=1102
Raadpleging 17 juni, 2009.
Encyclopedia of Shintō. “Jinjakyoku.”
http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=1104
Raadpleging 17 juni, 2009.
Encyclopedia of Shintō: Basic terms of Shintō: H. “Honji Suijaku setsu.” Encyclopedia of
Shintō. http://www2.kokugakuin.ac.jp/ijcc/wp/bts/bts_h.html#honji-suijaku_setsu
Raadpleging 12 juni, 2009.
Encyclopedia of Shintō: Personalities. “Fukuba Bisei.” Encyclopedia of Shintō.
http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=429
Raadpleging 11 juni, 2009.
Encyclopedia of Shintō: Personalities. “Ōkuni Takamasa.” Encyclopedia of Shintō.
http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=529
Raadpleging 9 juni, 2009.
Encyclopedia of Shintō: religious and intellectual influences on Shintō. “Shintō and
Buddhism.” Encyclopedia of Shintō.
http://eos.kokugakuin.ac.jp/modules/xwords/entry.php?entryID=826
Raadpleging 6 mei, 2009.

27
Kokugakuin: Glossary of Shintō Names and Terms: K. “Kyōbushō.”
http://www2.kokugakuin.ac.jp/ijcc/wp/glossary/def_K.html
Raadpleging 17 juni, 2009.
Kokugakuin: Glossary of Shintō Names and Terms: K. “Jinjakyoku.”
http://www2.kokugakuin.ac.jp/ijcc/wp/bts/bts_j.html#jingu_kogakukan
Raadpleging 17 juni, 2009.
Kuroda 1981.
Kuroda, Toshio. “Shintō in the History of Japanese Religion.” Vertaald door James C.
Dobbins & Suzanne Gay. Journal of Japanese Studies 1, Vol. 7 (1981): 1-21.
Lande 1991.
Lande, Aasulv. “‘The New Japan’: A basic tenet in Japanese new religions.” Perspectives on
Japan and Korea: Second Nordic Symposium on Japanese and Korean Studies. Nordic Proceedings in
Asian Studies 1 (1991): 97-103.
Lokowandt 1978.
Lokowandt, Ernst. Die rechtliche Entwicklung des Staats-Shinto in der ersten Hälfte der Meiji-Zeit
(1868-1890).Wiesbaden: Harrassowitz, 1978.
MacLaren 1965.
MacLaren, Walter Wallace. A Political history of Japan during the Meiji era 1867-1912. London:
Frank Cass, 1965.
Mcnally 2005.
McNally, Mark. Proving the Way: Conflict and Practice in the History of Japanese Nativism.
Massachusetts: Harvard University Press, 2005.
Miller 1982.
Miller, Roy Andrew. Japan’s Modern Myth. New York: Weatherhill, 1982.
Najita 1980.
Najita, Tetsuo. Japan: The Intellectual Foundations of Modern Japanese Politics. Chicago:
University of Chicago Press, 1980.
Nosco 1990.
Nosco, Peter ピーター・ノスコ. Edo kaisha to Kokugaku: Genkyō he no Kaiki 江戸会社
と国学:原郷への回帰. Vertaald door M.W. Steele M.W.スティール, Hoshiyama
Kyouko 星山京子, Yokoyama Yasuko 横山泰子 & Hirayama Mikiko 平山美樹子,
Tanimura Reiko 谷村玲子. Tokio: Pelican Press, 1990.
Nosco 1997.
Nosco, Peter. Confucianism and Tokugawa Culture. Honolulu: University of Hawaii Press,
1997.
Picken 1994.
Picken, Stuart D.B. Essentials of Shintō: an analytical guide to principal teachings. Westport and
London: Greenwood Publishing Group, 1994.
Piovesana 1997.
Piovesana, Gino. Recent Japanese Philosophical Thought 1868-1996, a survey. New York:
Routledge, 1997.

28
Satow 1983.
Satow, Ernest. A diplomat in Japan: an inner history of the critical years in the evolution of Japan.
Rutland, Vt.: C.E. Tuttle Co., 1983.
Sims 2001.
Sims, Richard L. Japanese political history since the Meiji Renovation 1868-2000. London: Hurst
& Company, 2001.
Stanford University.
Stanford Encyclopedia of Philosophy. “The Kokugaku (Native Studies) School.” Stanford
Encyclopedia of Philosophy. http://plato.stanford.edu/entries/kokugaku-school/
Raadpleging 5 mei, 2009.
Shimazono 2005.
Shimazono, Susumu. “State Shintō and religious structure in Modern Japan.” Journal of the
American Academy of Religion 73, no. 4 (2005): 1077-1098.
Tezuka 1994.
Tezuka, Kazuo. “Geschichtlicher überblick über die religionsfreiheit und das prinzip der
trennung von Staat und Religion in Japan.” Mie daigaku kyōikugakuin kenkyūkiyō: jinmon –
shakaikagaku 三重大学教育学院研究紀要:人文・社会科学 (Mie University
Department of Education Bulletin: Humanities and Social Sciences) 45 (30 maart, 1994):
35-75.
http://miuse.mie-u.ac.jp:8080/bitstream/10076/5408/1/AN100660460450004.PDF
Raadpleging 3 augustus, 2009.
Totman 1967.
Totman, Conrad. Politics in Tokugawa Bakufu. Cambridge: Harvard University Press, 1967.
Totman 1980.
Totman, Conrad. The Collapse of the Tokugawa Bakufu 1862-1868. Honolulu: The University
Press of Honolulu, 1980.
Totman 1995.
Totman, Conrad. Early Modern Japan. California: University of California Press, 1995.
Vande Walle 2007.
Vande Walle, Willy. Een geschiedenis van Japan: van samurai tot softpower. Leuven: Uitgeverij
Acco, 2007.
Wikipedia.
Wikipedia, the free encyclopedia. “Heimat.” Wikipedia, the free encyclopedia.
http://en.wikipedia.org/wiki/Heimat
Raadpleding 17 juni, 2009.
Wikipedia, the free encyclopedia. “Daimyō.” Wikipedia, the free encyclopedia.
http://en.wikipedia.org/wiki/Daimyo
Raadpleging 12 juni, 2009.

29
Yamaguchi 1993.
Yamaguchi, Teruomi 山口輝臣. “Meiji kenpō shita no jingikan secchi mondai: seikyō kankei suru
ikkōsatsu 明治憲法下の神祇官設置問題:政教関係する一考察 (The restoration of
the Department of Shintō under the Meiji Constitution: a study in the relationship
between Religion and State).” Shigaku Zasshi 史学雑誌 (The historical society of Japan) 102,
no. 2 (20 februari, 1993): 167-201.
Yamashita 2006.
Yamashita, Samuel. “Before the Nation: Kokugaku and the imagining of community in
Early Modern Japan.” Bespreking van Before the Nation, door Susan L. Burns. The Journal of
Japanese Studies 32, no. 1 (2006): 215-220.

30