You are on page 1of 11

1.

‘Zijn jullie al zover om te vertrekken?’, vroeg Jordy. Het liep tegen de avond en onze koffers
stonden inmiddels beneden klaar om in de auto gezet te worden.
‘Hoezo?’, vroeg ik. ‘Heb je haast?’.
‘Nou, ik wil wel graag weer op tijd thuis zijn, want ik heb vanavond een afspraakje’.
Dit wisten wij allang. Het was ontroerend zoals Jordy mij eerder op de dag al had gevraagd
hoe hij het hier romantisch kon maken. ‘Want straks komt mijn meisje hierheen. Ik haal haar
op en dan blijft ze tot zondagmiddag’.
Een mooie film, wat lekkers en kaarsen had hij al aangerukt. Het was duidelijk, mijn oudste
zoon was tot over zijn oren verliefd. ‘Als jullie terugkomen van vakantie stel ik haar aan jullie
voor’, zo werd ons beloofd.
Daar waren we erg benieuwd naar, niet voor niets was zijn meisje de laatste weken
gespreksonderwerp nummer één voor Jordy.
Tegen zessen gingen dan eindelijk de koffers de auto in. Op weg naar Schiphol zat Jordy
voluit te praten. Hij zat zelf achter het stuur in onze auto. Best grappig, zolang had hij zijn
rijbewijs nog niet, om dan door je zoon te worden weggebracht. Af en toe keek ik zo stiekem
naar hem en dan telkens weer vervuld met trots. Je zoon zo volwassen zien worden, wat een
prachtig fenomeen is dat toch.

Ruim op tijd waren we op Schiphol, zo ver is het niet bij ons vandaan. Een klein kwartiertje
rijden met de auto, dan had je het wel gehad. Onze spullen gingen een karretje op, we waren
niets vergeten.
‘Kijk je goed uit?’, kon ik niet nalaten om toch nog even te vragen.
Het bekende antwoord ‘Ja-a’, zal menig moeder bekend in de oren klinken. Ik keek nog even
naar hem op, en opnieuw schoot het door me heen dat hij inmiddels al zo groot was. Niet
meer van mij afhankelijk, zijn eigen leven leidend, met een beroep dat hij met trots
uitoefende. Een stukje langer dan ik, waardoor hij op me neerkeek.
‘Veel plezier, mam’, zei hij. Een knuffel werd mijn deel. ‘En jij ook veel plezier, Peter’,
waren zijn afscheidswoorden aan hem, waarbij zoals volwassen mannen gewoon zijn, stevig
de handen werden gedrukt.
We draaiden ons om zodat we de weg naar de ingang konden oversteken, toen plotseling
Jordy nogmaals op mij afkwam. Met volle verbazing ontving ik nog een keer een knuffel, dat
was gek. Jordy was nooit zo aanhalig, althans niet naar mij toe.
‘Echt genieten, hoor mam, jullie hebben het verdiend’.
Nog voel ik zijn armen om me heen waarbij hij mij stevig vasthield met zijn stoppelbaardje
wrijvend tegen mijn wang, een kus op mijn andere wang. Een zwaai, een laatste blik.

Tja, zijn stoppelbaardje, dat was wat. In een bepaalde vorm wilde hij het hebben. Vrijdags
stond hij nog in de keuken met zijn scheermes, of ik het even in model wilde brengen.
Grappig was dat, terwijl ik mijn zoon zijn gezicht scheerde vertelde hij volop verhalen tegen
mij. Eigenlijk zijn dat van die heerlijke intieme momenten, je zou je daar constant van bewust
moeten zijn. Ik weet nog dat ik met een droog scheermesje aan de gang wilde gaan maar dat
mocht niet, daar kreeg hij rode uitslag van.
‘En voor maandagmorgen moet ik het er helemaal af hebben’, vertelde hij.
‘Waarom sta ik dan nu zoveel moeite te doen?’, probeerde ik nog, het antwoord wel wetend.
‘Je weet toch dat ik mijn meisje van het weekend ga zien, maar maandag ga ik weer aan het
werk’.
Ja, dat wist ik. Veertien dagenlang was Jordy thuis geweest, hij had vakantie gehad. Heerlijk,
want zoveel zag ik hem tegenwoordig niet meer. Slechts in het weekend was hij thuis en dan
nog meestal met vrienden op pad. De rest van de week woonde hij in de kazerne.
‘Ik blijf het stom vinden’, ging hij verder. ‘Ik wil een baardje en als je eens wist wat ik daar
aan formulieren voor moet invullen. Zolang mijn commandant geen toestemming geeft, mag
ik het niet laten staan. Bij elk appèl moet mijn gezicht weer glad zijn’, zo brieste hij nog even.
Ach, hij mopperde wel vaker over de regeltjes van het leger, maar ondertussen vond hij zijn
werk ook maar al te leuk.
Boordschutter op het 25 mm kanon was hij nu, hij stond paraat om uitgezonden te worden.
Tegen zijn zin in zou hij in december naar Curaçao vertrekken. Dat wilde hij niet, Jordy wilde
zo snel mogelijk naar Afghanistan. Zelf was ik maar wat blij met deze uitzending, al die
oorlogsgebieden zag ik helemaal niet zo zitten.

Nadat wij hadden ingecheckt, liepen we naar de gate vanwaar ons vliegtuig zou vertrekken. Ik
kan me herinneren dat Peter en ik nog met verwondering over het spontane afscheid van Jordy
hebben nagepraat. Maar wij hadden er allebei een fijn gevoel over.
Lange tijd hebben we op het vliegveld moeten wachten, zoals steeds als wij een vlucht hebben
geboekt was er weer vertraging. Eigenlijk weten wij niet beter.
Rond middernacht konden we eindelijk vertrekken, we hadden op dat moment eigenlijk al een
uur in Tunesië moeten zitten waardoor we echt in het holst van de nacht in ons hotel
aankwamen. Gelukkig lag het hotel maar op een kwartiertje rijden met de bus van het
vliegveld vandaan.
Onze eerste indruk was een enorme hal toen wij het hotel binnenstapten, met zuilen en overal
hoekjes waar je kon zitten. De stilte was bijna oorverdovend te noemen, het overviel ons
gewoon. De hotelkamer was netjes, keurig ingericht en omdat ik had aangegeven dat we op
huwelijksreis waren, tenslotte gingen we op vakantie wegens onze eerste trouwdag, was het
bed met bloemetjes opgemaakt en stond er een fruitmand klaar en een fles drinken.
Heel even hebben we ons nog beneden gewaagd voor een drankje, daarna zijn we heerlijk
gaan slapen.

De volgende ochtend werd ik gewekt door een stralende zon die door een kiertje van de
gordijnen heen kwam. Een warme gloed, precies op mijn gezicht. Peter lag nog lekker te
slapen. Zelf werd ik ongeduldig en ging snel mijn bed uit. Ik trok de gordijnen open en ging
het balkon op.
Het uitzicht was geweldig. De ruisende zee, vanaf die plek kon ik het precies zien, de golven
die op het strand aankwamen. De zon, een strakblauwe lucht, het beloofde veel goeds.
Doordat ik de gordijnen had opengetrokken, was Peter ook snel wakker geworden. Logisch,
want de warmte en het felle licht van de zon kwam onmiddellijk de kamer binnen stromen.
Samen zijn we de ontbijtzaal gaan opzoeken. Een geweldig buffet stond er klaar, we konden
eten wat we wilden. Daarna zijn we nog een tijdje op de kamer gaan zitten en hebben van het
uitzicht genoten en volop samen zitten kletsen.
‘Wat zijn we toch een gelukkig stel’, zo hoor ik Peter nog zeggen.
Ik kon het alleen maar beamen. Na een aantal ongelukkige jaren, voor zowel Peter als mijzelf,
waren we het erover eens dat we het nu gewoon heel goed hadden. Sinds een jaar of twee liep
alles, lukte alles, voelden we ons fijn. Zoals zo vaak als we in zo’n stemming zijn begon Peter
nu ook weer.
‘Waarom hebben we elkaar toch niet dertig jaar geleden al ontmoet. Wat was alles dan anders
geweest’. Tja, waarschijnlijk is dat zo.
‘Maar dat is niet gebeurd en nu zijn we samen, met onze kinderen, gewoon heel gelukkig’, is
dan mijn steevaste antwoord.
‘Nog twee dagen, dan is het alweer een jaar geleden dat we op mijn 50ste verjaardag zijn
getrouwd’, aldus Peter.
‘Ja, die dag zal ik nooit vergeten. Alle kinderen erbij, Jeroen die de ringen mocht verzorgen,
Jordy die mijn getuige was, het was een mooie dag’, beaamde ik. ‘We gaan er woensdag
opnieuw een mooie dag van maken, maar dan samen hier in dit mooie land’.
Na al deze overpeinzingen zijn we naar beneden gegaan. Daar ontmoeten we Mo, de hostess
van dat gebied. Een vreselijke aardige man, van oorsprong Tunesiër, maar goed Nederlands
sprekend. Zijn passie over zijn geboorteland, de manier zoals hij erover sprak, het werkte
aanstekelijk. Heel snel wist hij ons enthousiast te maken voor een tweedaagse tour, iets wat
wij nog nooit gedaan hadden.
‘Weten we zeker dat we dit willen’, hoor ik Peter nog vragen. ‘Normaal doen we dit nooit,
want we willen niet als opgepakte sardientjes in een bus zitten met verplicht lachen om de
grapjes van de reisleider’.
Ik was het helemaal met hem eens, dat wilden we inderdaad nooit.
‘Maar dan hebben we in twee dagen wel veel belangrijke dingen gezien van het land’,
opperde ik. ‘En daarbij komen we dan ook in de sahara en we maken gelijk een kamelentocht,
dat is toch ook iets wat we willen’.
‘Dat is wel lekker, kunnen we de rest van de dagen echt lekker uitrusten, uiteindelijk komen
we daarvoor omdat we zo moe zijn’, zo vond ook Peter.
En dat was ook zo. Het doel van onze vakantie was uitrusten, nieuwe energie opdoen.
‘Het is zonde als we niets van het land zien, we zijn hier uiteindelijk nog nooit geweest’.
En zo besloten wij om voor het eerst sinds wij elkaar kennen met een busreis van twee dagen
mee te gaan. De rest van de dag hebben we heerlijk geluierd aan de rand van het zwembad,
met heerlijke drankjes en hapjes binnen handbereik.
2.

Maandagmorgen, het was de tweede dag dat ik wakker werd van opnieuw die stralende zon.
Al vroeg, want om 07.00 uur zouden we opgehaald worden. Snel een tas voor één nacht
ingepakt, de papieren in de kluis gestopt en we waren klaar voor vertrek. Dit alles op
aanraden van Mo, hij adviseerde ons alles achter te laten en enkel een kopie van ons paspoort
mee te nemen.
De bus bleek al aardig vol met toeristen te zitten, allemaal Nederlanders uit de verschillende
hotels die in het gebied liggen. Een lange tocht stond ons te wachten. We hebben deze dag
zoveel gezien en ondanks de lange rit, de vele kilometers die we hebben afgelegd en het
inderdaad onvermijdelijke verplichte lachen om de grapjes van de reisleider was het een
fantastische dag.
Onderweg zijn we een paar keer gestopt om bezienswaardigheden te bekijken. Het
amfitheater in El Djem, de uitgestrekte olijfbomenvelden, de grootste havenstad van Tunesië,
Sfax, we hebben het allemaal gezien. Met grote vaart zijn we door de slachtstraat gereden, dit
ligt in midden-Tunesië. Eén lange straat waar ongelooflijk veel geslachte schapen op de kop
hangen, gewoon langs de weg. Er was een dorp in de steenwoestijn met een huis uitgehakt in
de rotsen waar woestijnbewoners hun leven slijten. Het ruige uitgestrekte gebied wat een
maanlandschap leek dat voor de sahara ligt. Het is het gebied waar veel films zijn opgenomen,
zoals Star Wars e.d. Tussendoor een maaltijd waarbij we de echte traditionele cous-cous
geserveerd kregen. En dan de grootste oase van Tunesië die in het midden van het land ligt en
van waaruit de saharatocht voor ons begon.

Iedereen die in de bus zat ging mee op de kamelentocht. Met ons gezicht verborgen achter een
gezichtssluier zijn we op de kamelen geklommen die eigenlijk dromedarissen bleken te zijn.
Toch bleef iedereen ‘kamelen’ zeggen, ook de Tunesiërs zelf.
Wie denkt dat we dit op een rustige manier konden doen, heeft het mis. Er stond een enorme
wind, het fijne zand vloog continue om je heen. Waar we er eerst nogal lacherig om waren
bleken de gezichtssluiers nu een uitkomst te zijn, anders zou je onbedekte huid echt
gezandstraald zijn. Het op- en afstijgen op de kamelen was een kunststukje op zich. Een grote
groep dieren lag bij elkaar, en telkens als iemand opsteeg dan zag je zo’n dier de hoogte in
komen en merkte je hoe groot ze eigenlijk waren. Met hun voorpoten gingen ze eerst omhoog
waardoor je het gevoel had zo naar achteren te glijden. Je moest je echt heel goed aan het
zadel vasthouden. Het berijden op zich was even wennen, je wiebelde alle kanten op. De
begeleiders waren erg aardig en zorgden ervoor dat de dieren keurig in gelid bleven lopen.
Peter reed voor mij en ik zag hem steeds verder wegzakken omdat hij teveel naar achteren op
het zadel zat.
‘Je moet meer naar voren schuiven’, schreeuwde ik. Door de gierende wind was het moeilijk
om mij verstaanbaar te maken. ‘Peter’, gilde ik nog een paar keer. Eindelijk hoorde hij mij.
‘Naar voren, anders val je eraf’.
Zowaar, het lukte hem om beter te gaan zitten. Hierdoor kon ook hij genieten van de tocht
want als je zo krampachtig jezelf vast moet houden is het minder leuk. De woestijn in
trekkend met die grote groep kamelen zagen we de zon ondergaan achter de oase. Fel oranje,
met schitteringen die overal heen leken te schijnen, zakte hij in een snel tempo weg.
Inmiddels had ik al de moed gevonden om het zadel los te laten waardoor ik in staat was om
foto’s te maken. Een prachtig gezicht, de zon die verdween en plaats maakte voor een
geweldige sterrenhemel. Rijdend door de woestijn, met enorme zandheuvels, de wind die
onafgebroken door bleef waaien, met als uitzicht voor je alleen maar zandheuvels, eindeloze
zandheuvels kregen we een gevoel van vrijheid zoals je alleen maar op zulke momenten kan
ervaren.
Terugkerend naar de oase zagen we iemand met haar mobieltje die naar Nederland aan het
bellen was terwijl ze op de kameel zat. Daar is door ons nog zo om gelachen. Het was ook een
erg gek gezicht.
‘Wel grappig’, riep ik nog. ‘Het is dat ik mijn mobiel in de bus heb laten liggen, anders had ik
het ook geprobeerd’.
Halverwege begon mijn kameel, als enige van de groep, ineens heel raar te doen. Hij
probeerde te bijten en liep gek. Ik begon het een beetje eng te vinden en riep de begeleider
erbij. De hele groep moest stoppen en ik moest eraf. Dus moest ik een keer extra op- en
afstijgen wat ik minder leuk vond. Toen bleek dat de deken onder mijn zadel was
weggeschoven en er een scherpe pin in de rug van het beest duwde. Bij elke stap die hij nam
begon dat steeds meer pijn te doen. Logisch dat het dier ging protesteren.
‘Tuurlijk heeft niemand hier last van’, hoor ik mezelf nog zeggen. ‘Alleen bij mij gebeurt dit’.
Later bleek dat dit het moment was dat Jeroen ons vanuit Nederland begon te bellen en
probeerde te bereiken.
Al vrij snel mocht ik weer opstijgen en gingen we terug richting de bus. Alles zat onder het
zand, je voelde het in je sokken, in je schoenen. Het schuurde langs je benen, langs je t-shirt.
‘En nu een heerlijke douche is momenteel de enige wens die ik heb’, zei Peter.
Hij was niet de enige, iedereen dacht er zo over. Uitgelaten bereikten we na de kamelentocht
het hotel, slechts enkele minuten rijden van de Sahara vandaan. Aan de rand van de sahara
verrees daar een gebouw, werkelijk schitterend. Het straalde één al luxe uit, met een
welkomsthal die enorm groot was. Hier zouden we één nacht verblijven. Een dinerbuffet
stond reeds op ons te wachten, een feestavond zou er op volgen. En dit alles met het
vooruitzicht dat we de volgende dag bij het grootste zoutmeer van Afrika de zonsopgang
zouden meemaken, met daarop volgend een jeepsafari.

De sleutels van de kamers werden door Mo aan ons uitgedeeld.
‘Eerst de pasgehuwden’, riep hij heel vrolijk. Samen met nog een stelletje die op
huwelijksreis was, konden wij als eersten naar boven.
‘Ik ben benieuwd’, zei Peter. ‘Het zal wel een mooie kamer zijn als ik de rest van het hotel zo
zie’.
En daar had hij gelijk in. Prachtig, het zag er geweldig uit. Bed mooi opgemaakt, een flesje
drank, bloemen, alles was er om ons welkom te heten. Romantisch, zo was het in één woord
samen te vatten. ‘Helemaal toppie, hier komen wij de nacht wel door’, daar waren we het al
snel over eens.
Snel hebben we onze tas uitgepakt. Was zo klaar, uiteindelijk hadden we alleen spullen voor
één nachtje bij ons. Alle andere zaken stonden gewoon nog in het hotel waar wij de rest van
de vakantie zouden verblijven. Mijn telefoon ging ik ook eerst nakijken. Tijdens de tocht door
de woestijn was dat onmogelijk geweest, ik had hem in de bus laten liggen.
Kijkend naar het schermpje van de telefoon bekroop mij toen een onrustig gevoel. Vele
gemiste oproepen, van Jeroen en van een voor mij vreemd nummer. Er zal toch niks aan de
hand zijn? Nog heel even twijfel, tenslotte belden de kinderen ons wel vaker voor onzinnige
dingen op, dat hadden we in eerdere vakanties ook al meegemaakt. Een eerste poging om
Jeroen terug te bellen mislukte, hij bleek in gesprek te zijn. Ik besloot om eerst maar naar het
toilet te gaan en het dan nogmaals te proberen. De onrust zat echter al zo diep in mijn lijf, ik
had geen geduld meer. Zittend probeerde ik het nogmaals en toen nam hij onmiddellijk op.
Vanaf het moment dat hij begon te praten wist ik het. Er was iets vreselijks gebeurd. Ik drong
aan bij Jeroen, want hij wilde persé dat ik de telefoon aan Peter overgaf. Mijn gevoel zei me
dat ik meteen moest weten wat er aan de hand was.
Mijn arme Jeroen, hij kon het me niet zeggen. Hij gaf zijn telefoon door aan een zwager van
Peter die bij hem was. Vreemd, dat betekende ook niets goeds.
‘Zit je?’, vroeg Rob aan mij. Ik keek zo eens naar mezelf en besloot dat mijn huidige zitplaats
goed genoeg was voor dit gesprek.
‘Ja, ik zit. Zeg nou maar wat er aan de hand is’, zei ik.
‘Er is iets ergs gebeurd’, zo hoorde ik de volgende woorden. ‘ Jordy heeft een ongeluk gehad
en het is heel erg’. Het is gek, maar op dat moment wist ik het gewoon al.
‘Is hij dood?’, hoorde ik mezelf vragen. ‘Ja’, hoorde ik vanuit Nederland zeggen.
Vanuit de badkamer waar ik op dat moment nog was, rende ik naar Peter toe. Op mijn beurt
gaf ik hem de telefoon. Zijn gesprek welke hij met zijn zwager voerde, daar heb ik weinig van
meegekregen. Ik weet nog dat ik begon te gillen, dat ik Peter op zijn borst begon te stompen.
Met maar één gedachte: ‘Niet mijn Jordy, nee, niet mijn Jordy’. Het was alsof ik uit mezelf
trad, het beeld zie ik nog zo voor me. Van bovenaf kan ik Peter en mijzelf nog zien staan, in
die luxe hotelkamer, met alle romantische details, roepend om Jordy. Jordy die, zoals ik
vreemd genoeg zonder enige twijfel gelijk zeker wist, inderdaad dood was.
Peter wilde meteen naar beneden, de reisleider zoeken, een terugreis naar Nederland boeken.
Ik ging mee, ik moest er niet aan denken om alleen boven te zitten. De tocht de trap af, de lift
duurde ons te lang, de details staan nog steeds in mijn hoofd. Half struikelend, huilend,
roepend, kwamen wij elkaar vasthoudend de hal in waar nog veel mensen waren.
Gelukkig was Mo ook nog beneden, zoeken was niet nodig. Onmiddellijk begreep hij de ernst
van de situatie en zorgde ervoor dat we in een rustige hoek kwamen te zitten. Daar kon er
gebeld gaan worden.
‘Al onze spullen liggen in het andere hotel’, zo hoorde ik Peter zeggen. ‘Op advies van jou
hebben we alleen de kopieën van onze paspoorten hier en de originele exemplaren in de kluis
achtergelaten’.
Daarmee was de toon gezet. Hoe dan ook, we moesten eerst naar het hotel terugreizen. Onze
koffers en spullen interesseerde ons niet, maar de papieren moesten opgehaald worden wilden
we terug naar Nederland kunnen.
‘Dan moet ik zien dat ik vervoer voor jullie geregeld krijg’, zei Mo. ‘Het hotel waar jullie nu
heen moeten ligt hier 500 kilometer vandaan’.
Inmiddels had Peter contact met onze verzekeringsagent in Nederland, daar werd al van alles
in het werk gezet om ons zo snel mogelijk terug naar huis te halen.
Het telefoonverkeer was niet makkelijk. Middenin het woestijngebied waren de verbindingen
niet optimaal. De telefoon van Peter bleef vrij om contact met de alarmcentrale te kunnen
houden. Gelukkig had ik ook mijn mobieltje bij me. Al vrij snel had ik contact met mijn zus,
Sylvia. Als ik het mij goed herinner zat zij nog samen met Don, mijn zwager, in de auto
onderweg naar Nijmegen waar Jordy lag.
‘Oh meisje toch, oh meisje’, was het enige wat ze kon zeggen. Ik kon alleen maar huilen.

Opnieuw Jeroen bellen, met Jeroen praten. Mijn grootste zorg op dat moment.
‘Ik vind het zo erg dat ik niet bij je kan zijn’, zei ik steeds weer opnieuw tegen hem. De
gedachte dat hij zonder ons dit alles moest ondergaan, die gedachte was ondraaglijk.
‘Zorg voor Jeroen’, herhaalde ik keer op keer tegen Syl. ‘Wees even een moeder voor hem,
want ik ben er niet. Jij moet dat nu voor me doen’.
Ik weet ook nog dat ik telkens weer door de telefoon heb geroepen dat iedereen van Jordy af
moest blijven.
‘Niemand, niemand mag aan hem komen. Alles doe ikzelf. En Jordy komt naar huis. Zorg
ervoor dat dit gebeurt, Syl’. Vreemd, hoe je reageert. Nergens kon ik over nadenken, maar dit
stond onmiddellijk voor mij vast. Zo moest het gebeuren en niet anders.
Van Jeroen hoorde ik dat zijn vader bij hem was. Mensen van defensie waren ook in het
ziekenhuis aanwezig. Hij werd dus wel opgevangen, gelukkig.
‘En opa en omi zijn ook onderweg, mam. Zij zaten op Texel, maar hebben de laatste boot nog
kunnen halen’.
‘Weten ze al dat Jordy dood is’, vroeg ik.
‘Nee, maar in het laatste contact wist ik dat nog niet. En als we ze zo bellen, zeggen we het
niet. Ik ben veel te bang dat opa anders ook een ongeluk krijgt’, aldus Jeroen.
Helaas is dit anders gelopen. Mijn verstandige Jeroen, die in zijn eentje thuis het telefoontje
van de marechaussee kreeg. Die de boodschap kreeg dat zijn broer een ongeluk had gehad en
dat hij zo snel mogelijk naar Nijmegen moest komen. Die bij zichzelf dacht dat als Jordy
gewond was hij wel enkele dagen in het ziekenhuis zou moeten blijven. Waarop Jeroen
vervoer voor zichzelf heeft geregeld via de zwager van Peter en tijdens het wachten op Rob
een tandenborstel en wat kleding voor Jordy inpakte.
Nog voor de aankomst van Don en Syl in het ziekenhuis was Jordy overleden. Verschillende
reanimatiepogingen mochten niet baten.
‘Zijn verwondingen waren niet met het leven verenigbaar’, zo vertelde de trauma-arts ons in
een later gesprek letterlijk.
Jeroen was gelukkig niet alleen toen hij deze noodlottige boodschap te horen kreeg. Zijn
vader was ook aanwezig, Rob was er ook nog. Waarop Jeroen direct ons weer probeerde te
bellen, het was één van de vele gemiste oproepen die ik op mijn telefoon terugvond. Het
inlichten van mijn ouders liet hij aan een ander over, maar wel met de duidelijke instructie dat
er nog niet gezegd mocht worden dat Jordy dood was. ‘Ik wilde geen risico lopen’, zo
vertelde Jeroen mij later. Triest genoeg verliep dit anders en werden Jeroen zijn woorden in
de wind geslagen. Ik weet nog dat Jeroen mij vertelde dat hij hier zo enorm boos om is
geweest. De boodschap kwam keihard aan, mijn vader zat achter het stuur maar belandde toen
bijna in de middenberm. Gelukkig is dit in niet nog een drama uitgelopen.
Ondertussen, terwijl ik steeds contact met Jeroen en de familie probeerde te houden, waren
Peter en Mo druk om onze thuisreis te regelen. Dat gaf de nodige problemen omdat wij zover
van ons hotel afzaten. Uiteindelijk kwam het erop neer dat we s’nachts rond 02.00 uur met
een taxi zouden vertrekken. De 500 km die we moesten overbruggen zouden we hiermee gaan
afleggen. Om 12.00 uur konden wij dan met een vlucht van Tunis Air mee naar Marseille,
waar we drie uur op het vliegveld zouden moeten wachten voor een aansluiting naar
Amsterdam. Als alles goed zou gaan zouden we dan rond 19.30 uur de volgende dag op
schiphol landen.
‘Het kan niet anders dan zo’, kreeg ik te horen. ‘We zitten te ver van een vliegveld vandaan,
anders hadden we om middernacht nog een vlucht naar huis kunnen hebben’, vertelde Peter.
Waarom waren we toch met deze excursie meegegaan? Spijt, uiteraard, maar niets viel meer
terug te draaien. Het enige wat ons op dat moment restte was wachten op vervoer.

Inmiddels hoorde ik vanuit Nederland dat Jordy door de gemeentearts was vrijgegeven. Er
moest eerst worden vastgesteld dat er geen misdrijf in het spel was, voordat Jeroen en de
anderen Jordy mochten zien. Wat moet dat een klap zijn geweest, Jordy was inmiddels
overgebracht naar het mortuarium, daar lag hij op een brancard. Peter en ik konden ons er
alleen een voorstelling van maken hoe het daar moest zijn.
Zelf heb ik toen ook nog even iets tegen Jordy kunnen zeggen. Mijn zus Syl hield haar
telefoon bij zijn oor. Zo kon ik hem toch nog iets influisteren. Al die duizenden kilometers
afstand, op dat moment vielen ze even weg. Heel even was ik heel dicht bij mijn Jordy, kon ik
hem nog heel even zeggen dat ik zoveel van hem houd en dat ook altijd zal blijven doen.

Inmiddels bereikten ons berichten dat het slechte nieuws ook in de vriendenkring in ons dorp
bekend was geworden. Jordy zijn vaste maat zat op de kazerne maar had via internet, hyves,
contact gezocht met een vriendin van Jordy. Via die weg was het heel snel rond gegaan. Wat
wij op dat moment begrepen is dat iedereen in shock was, dat niemand begreep wat er nu
eigenlijk was gebeurd. Zelf hebben wij vanuit het hotel, nog steeds wachtend op de taxi,
gebeld naar twee ouders van vrienden. Uit die gesprekken bleek dat ze daar bang waren dat
wij nog van niets wisten. Dat bleek dus anders te zijn.
Zelf hebben wij Manon en Patriek gebeld. De dochter en zoon van Peter. Gelukkig hadden zij
het nog niet van anderen gehoord, dat zou afschuwelijk zijn geweest. Patriek kregen we niet te
pakken, Manon heeft hem op de hoogte gesteld. Nu nog kunnen wij ons de geschokte stem
van Manon herinneren.

Wachten, wachten… dat was deze avond het ergste. We wisten nog niet hoe zwaar ons het
wachten zou gaan vallen tijdens de rit en vlucht naar huis. Mo week niet van onze zijde,
evenals een paar medereizigers. Vrijwel iedereen was even bij ons langsgekomen, één stel
bleef de hele avond bij ons. Gek, je kent elkaar helemaal niet, we hadden die dag nauwelijks
een woord met elkaar gewisseld, en toch stonden deze mensen voor die paar uurtjes heel dicht
bij ons. Zelf zullen Joyce en Fred het misschien nooit beseffen, maar juist die steun, wat was
dat die avond belangrijk voor ons. We zullen het voor altijd blijven koesteren. Samen met
Joyce ben ik nog even het hotel uitgelopen, hebben we naar de sterrenhemel gekeken. Zoveel
sterren, in een wolkenloze donkere hemel boven de woestijn, met één ster die flonkerde en
schitterde zoals geen enkele andere ster dit deed. Die ster, dat was voor mij op dat moment
mijn verbintenis met Jordy. Via die ster heb ik met hem gepraat. Het is de ster die ik voor
altijd in mijn herinnering heb.

3.

Eindelijk konden we vertrekken. Met twee chauffeurs en Diane, een reisleidster die ook
aanwezig was, vertrokken we richting Monastir. Voorbereid op een lange, onafgebroken reis
zaten we verslagen samen op de achterbank. Diane was nog een bank verder naar achteren
geschoven en ging slapen.
Na een uurtje rijden werd er gestopt voor een koffiepauze. Peter en ik bleven in de auto, wij
hadden daar geen behoefte aan. Gelukkig duurde het niet zolang en gingen we al snel weer
verder. We hadden geen idee waar we waren. Ergens in de binnenlanden van Tunesië, in het
holst van de nacht, overgeleverd aan twee Tunesiërs die werkelijk geen enkel woord engels
spraken. Na een halfuurtje rijden na de koffie stopten ze opnieuw, gewoon langs de kant van
een snelweg. Tot onze verbijstering deden beide heren hun stoel naar achteren en gingen ze
liggen slapen. Daar zaten we dan, totaal verbouwereerd over wat er gebeurde.
Binnen de kortste keren sliepen ze ook echt, erger, ze lagen gewoon te snurken. Peter en ik
zijn uitgestapt, hier konden we niet bij blijven zitten. Boos waren we, ongelooflijk kwaad.
‘Hoe is dit mogelijk’, hoor ik Peter nog zeggen. ‘Zijn ze met zijn tweeën en dan rijden ze nog
niet door’.
‘Ja, en nu?’, vroeg ik. ‘We zijn er toch van afhankelijk, hoe je het ook wendt of keert’.
‘Als dit lang duurt trek ik ze achter het stuur vandaan’, zei Peter.
‘Maar we weten niet waar we heen moeten’, protesteerde ik.
‘Kan wel wezen, richting kust en noorden, we vinden het wel. We moeten gewoon op tijd op
het vliegveld zijn’, redeneerde hij. ‘Ergens zullen we dan toch wel richtingsborden
tegenkomen?’
Zover is het niet gekomen. We hebben Diane wakker gemaakt en zij heeft ze met handen en
voetenwerk duidelijk gemaakt dat er doorgereden moest worden.
Rond 10.30 uur in de ochtend waren we eindelijk in Monastir, bij het hotel waar onze spullen
lagen. We hadden precies drie kwartier om onze koffers in te pakken en uit te checken. Dan
zou Diane, die naar haar eigen hotel ging, ons met haar auto op komen halen om ons naar het
vliegveld te brengen. Tijd om te douchen was er niet, tijd om netjes in te pakken ook niet. Een
grote chaos in de koffers was het resultaat.
Op tijd waren we op het vliegveld, daar namen we afscheid van Diane. En het wachten begon
opnieuw. Voordat het vliegtuig vertrok, het leek ons zolang te duren. Uiteindelijk gingen we
de lucht in, in een vliegtuig vol met Tunesiërs en een crew die alleen maar Frans sprak. Het
was geen fijne vlucht te noemen, inmiddels hebben we al verschillende maatschappijen
gehad, maar dit was wel heel erg. Op een gegeven moment kon ik alleen maar denken dat we
heelhuids in Nederland moesten aankomen. Jeroen had ons nodig, die wachtte op ons.
We zijn ondanks alles toch veilig in Marseille aangekomen. En daar was het zoeken. Eerst de
douane door, dan buiten over een busstation heen, en het vliegveld weer op. Tickets halen en
weer wachten. Drie lange uren hebben we daar gezeten. Bellen, thee drinken, weer bellen. Het
enige goede nieuws op dat moment was dat de telefoonverbindingen nu een stuk beter waren.
Daar hoorden we ook van de problemen die ze thuis hadden gehad om de
begrafenisondernemer te bereiken. Via vele omwegen is het ze gelukt. Ook hoorden we daar
op het vliegveld dat Jordy inmiddels opgehaald was in Nijmegen en onderweg was naar
Leimuiden.
Dat idee, dat hij alleen met vreemden in een auto lag, ik moest die gedachte steeds weer
wegdrukken. En wij daar op een vliegveld thee zaten te drinken. Het was om stapelgek van te
worden.
Jeroen was, nadat hij de nacht bij Don en Syl had doorgebracht, terug in Leimuiden. Samen
met mijn moeder en Syl was hij naar huis gegaan. Later zou mijn vader nog volgen. Manon
was ook in ons huis. Manon en Syl zijn samen aan de slag gegaan en hebben de touwtjes in
Leimuiden op dat moment in handen genomen. Don, mijn zwager, bleef vanuit zijn eigen huis
de noodzakelijke dingen regelen en heeft op de achtergrond erg veel gedaan.
‘Toen we thuiskwamen liep de tuin gelijk vol met vrienden van Jordy’, vertelde Jeroen ons
later. ‘Ze zaten daar allemaal wezenloos voor zich uit te kijken’.
Later zijn zij met zijn allen naar de keet gegaan, het jeugdhonk waar ook Jordy in de
weekenden altijd te vinden was. Jeroen werd mooi opgevangen door de jongelui. Het meisje
van Jordy, waar hij zijn romantische weekend mee had gehad, was er ook.
‘Ze was heel stilletjes’, vertelde Jeroen.
Tja, logisch. Ze kon ons nog niet, dat zou na onze vakantie pas komen. Dat we elkaar in deze
omstandigheden moesten gaan ontmoeten, dat bedenkt niemand.
De vlucht van de klm naar schiphol vertrok op tijd. Gelukkig was dit wel een rustige vlucht.
Thuis werd via teletekst nauwlettend in de gaten gehouden hoe laat we aan zouden komen. Na
de landing moesten we, de pech bleef volgen, een enorm eind lopen voor we bij de
bagageband waren. Het leek wel of we helemaal aan het andere eind van het vliegveld zaten.
De douane konden we zo passeren en toen kon ik eindelijk, tegen acht uur in de avond, Jeroen
in mijn armen sluiten. Hij vloog letterlijk op me af, net zoals Manon op Peter afvloog. Syl
was er ook, met zijn vijven hebben we waarschijnlijk een knap stukje dramatiek laten zien
daar in die aankomsthal.
Ze hadden onze auto genomen, dus Peter reed zelf naar huis terug. Daar waren mijn ouders.
Nog steeds moest ik wel veel huilen, maar ik kon me ook nog steeds staande houden.
Op het moment dat ik thuis de achterdeur instapte was het gedaan. Wat ik deed, de
herinnering is vaag, maar ik geloof dat ik toen toch even gegild heb en in elkaar ben gezakt.
Veel tijd om hierin te verzinken had ik niet, we moesten naar Jordy toe. Peter en ik hadden het
heel koud, ongetwijfeld door vermoeidheid. Maar waarschijnlijk ook door onze kleding, we
liepen nog steeds in hetzelfde als we op maandagmorgen aan hadden getrokken. Voor
douchen gunde ik me geen tijd, omkleden wel. Het zand, het saharazand, letterlijk liep het uit
onze sokken zo op de slaapkamervloer.
En toen konden we eindelijk naar Jordy toe.