You are on page 1of 130

DE NAVOLGING VAN CHRISTUS

NAAR DE OUDSTE TEKSTEN IN DE
AUTHENTIEKE VOLGORDE BEWERKT

DOOR

JAC. VAN GINNEKEN S. J.

MEDEDEELINGEN DER KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE
AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN,
AFDEELING LETTERKUNDE

NIEUWE REEKS, DEEL 7, N o. 1

HERDRUR

1946
N.V. NOORD-HOLLANDSCHE UITGEVERS MAATSCHAPPIJ
AMSTERDAM
DE NAVOLGING VAN CHRISTUS

NAAR DE OUDSTE TEKSTEN IN DE
AUTHENTIEKE VOLGORDE BEWERKT
DOOR JAG. VAN GINNEKEN S.J.

T N.V. '"/, VAN DITMAP
ANTWERPEN

IMPORT
EWAN IPTGAVEN
EXPORT

VAN

D
IMPORTATION
EOITIONS
EXPORTATION

1
1 S. A. VAN DITMAR ANC
ANVERS
INLEIDING.
Er zijn in den laatsten tijd verscheidene groote Nederlandsche literatuur-
overzichten uitgegeven, die wij aan de breede belezenheid van een enkelen
auteur of aan de samenwerking van verschillende deskundigen te danken
hebben. Maar in al deze werken ontbreekt het beroemdste meesterstuk onzer
heele letterkunde, het beste en schoonste, dat wij Nederlanders ooit aan de
wereld gaven: de Navolging van Christus; of het wordt er althans als een
voor de letterkunde geheel onbeteekenend stichtelijk boekje afgedaan.
Reeds verschillende malen heb ik getracht, behalve de schatten van ervaren
wereldwijsheid, diepe zielkunde, fijne ontleding en geestelijke verheffing,
ook de letterkundige schoonheid van dit mondiale meesterstuk in het licht
te stellen. Ik heb op Henri Bremond's: Histoire litteraire du sentiment
religieux gewezen, om aan te toonen, dat de mystiek en de ascetische ge-
schriften totnutoe meestal ten onrechte: of geheel en al uit de letterkundige
geschiedenis worden geweerd, of slechts door eenige min of meer toevallig
iets meer bekende figuren worden vertegenwoordigd. Zoo ontmoeten wij
weliswaar in eenige Nederlandsche letterkundige boeken niet slechts:
Hadewych, Gerard Appelmans, Ruusbroec, Pater Brugman, Bertken van
Utrecht, Jan Luyken en Willem de Clercq, maar ook de kok van Groe-
nendaal, de Limburgsche Sermoenen, de Evangelische Peerle, pater Poir-
ters, Christina Boudewijns worden uitvoerig behandeld; doch de Imitatio
Christi, die in bijna alle talen der wereld overgezet, letterlijk in honderd-
duizend maal meer exemplaren over de vijf werelddeelen is gegaan en na
den bijbel nog altijd het meest verspreide boek der wereldgeschiedenis is
en blijven zal, wordt als een onbeteekenend devotieboekje slechts heel in
het voorbijgaan vermeld. Zeker, Corneille heeft het in Fransche verzen
vertaald. Willem Kloos heeft tevergeefs getracht het in Nieuw-Neder-
landsch proza te bewerken. Maar onze officieele letterkunde is koppig en
neemt er geen notitie van. De Latijnsche en Grieksche literatuurgeschie-
denis behandelen Seneca, Epictetus en Marcus Aurelius uitvoerig en zelfs
met een zekere voorliefde; maar onze letterkundigen achten de in litte-
rairen vorm, psychologie en fijne ethica onvergelijkelijk hooger staande
Navolging niet hun aandacht waard.
Toch is juist onze tijd misschien de aangewezene, om dit tekort goed te
maken. Wij hebben toch naast de klassieke schoonheid der lyriek, epiek en
dramatiek ook weer de volkskunst ontdekt, en de ethnologie heeft ons weer
allerlei kleinere genres als de doodenklacht, het spotlied, het sprookje, het
dierenverhaal en het bruiloftslied, ja zelfs het kermislied en het drinklied
teruggevonden, die immers alle eenmaal zoo'n belangrijke rol in het yolks-
leven gespeeld hebben. Zou dan eindelijk ook de volksdevotie niet eens aan
de beurt komen en het stichtende opbouwende woord, of de typisch Neder-
landsche zelfvermaning en het innerlijk zelfgesprek, alleen om zijn op-
bouwende tendenz, uit den tempel der kunst verbannen blijven, zelfs bij

3
4

ons, die nu juist als keurjuweel van onze cultuur een geniaal meesterstuk
aan de wereld hebben geleverd, dat alom door alle diepere naturen sedert
eeuwen wordt bewonderd en opgehemeld? Want zeker, vergeleken bij de
mystiek van Eckhart, Hadewych en Ruusbroec, lijkt de Navolging van
Christus niet voor de mystieke elite, maar voor elken devote bestemd; in
zekeren zin lijkt zij op Angelus Silesius den Cherubinischen Wandersmann,
alleen is zij honderdmaal zoo rijk en veelzijdig, zoo reeel en waarachtig.
Onze tijd gaat groot op zijn realisme; maar waar ter wereld vindt men
zoo'n scherpzinnig realisme als in dezen strijd met de bedrieglijke ijdelheid,
en de ontmaskering van het ontgoochelend zingenot? In de glossen op de
psalmen en in den Grondsteen blijkt G. Groote een mysticus van het zui-
verste water, maar is hij nu ineens een onbeteekenend scribent, als hij uit
zijn dagboek de mystieke bladzijden wegiaat, en slechts de passages opneemt,
waarin vooral de praktische zielestrijd, uit eigen ervaring, in het voile leven
wordt geschilderd, omdat hij hiermee aan alien het wereldsche bestaan wil
leeren kennen, om hen ten slotte, voorzoover ze het vatten kunnen, op te
voeren tot de algeheele overgave aan Gods wil, den waren deemoed onder
Zijn heiisbeschikking, ja de hoogste kruisvreugde en het onbaatzuchtigste
zieleoffer?
Ook kunnen wij er ons niet meer van of maken met de uitvlucht, dat de
Imitatio oorspronkelijk in het Latijn is geschreven. Want ten eerste wordt
dit op goede gronden betwist, maar ten tweede bestaan er in elk geval een
aantal Middelnederlandsche redacties, waarvan er verschillende zoo goed
verzorgd en zoo vlot gesteld zijn, dat ze in niets voor de oorspronkelijk in
het Nederlandsch geschreven teksten onderdoen. En de oudste Fransche,
Italiaansche en Duitsche teksten zijn dan ook zeker niet uit het Latijn, maar
uit het Nederlandsch vertaald. En zoowel de prachtige Fransche editie
onder den titel van La consolation interieure, als de oude Toskaansche en
de Liibecksche incunabels ontleenen hun litteraire verdiensten voor een
groot deel aan den primitieven Nederlandschen volkstekst, en niet aan de
latere Latijnsche P- of Q-teksten. En wij Nederlanders moesten ons
schamen, bij het zien, hoe voortreffelijk die oude Fransche tekst b.v. ook
van den litterairen kant is bestudeerd en uitgegeven, terwijl er te onzent
tot voor kort nooit eenige moeite was gedaan, om aan deze Nederlandsche
teksten het voile pond onzer nationale aandacht te verzekeren.
Nog altijd meent men hier, dat de Imitatio met onze vaderlandsche
letterkunde hoegenaamd niets te maken heeft, evenmin als de wereldbe-
roemde werken van onzen Rotterdammer Erasmus tot de vaderlandsche
literatuurgeschiedenis zouden behooren.
Ik begreep daarom allang, dat alle theorie hierover waarschijnlijk weinig
zou oaten, en dat alleen een trouwe, moderne, Nederlandsche bewerking
van den authentieken Imitatio-tekst onze letterkundigen en ons yolk weer
voor een nieuwe waardeering van dit onvergelijkelijk meesterstuk zou kun-
nen winnen.
En daarom heb ik reeds jaren met het denkbeeld rondgeloopen mij
tenslotte zelf maar eens aan zoo'n bewerking te wagen.
Wat mij in de meeste vertalingen hinderde, was vooral de zoete toon

4
5

dien zij van het begin tot het einde bewaren. Niet dat in dit kostbare boek
de zachte passages ontbreken. Maar daarnaast staan krachtige en geweldige,
stoere en knoestige stukken, die bijna in geen enkele vertaling tot hun
recht komen. Ik ken trouwens weinig boeken, waarin de stemming en de
stij1 zoo vaak veranderen en afwisselen. En juist daardoor staat dit boek
mijlen ver van den altijd zachtgevooisden Thomas Hemerken af. Het is
inderdaad een verzameling van innerlijke gesprekken, die door den schrij-
ver eerst met zichzelf en later met zijn Meester gehouden, naar de wisse-
lende stemmingen, waarin ze op elkander volgden, zoo zonder erg in een
geestelijk dagboek alleen voor hemzelf werden neergeschreven. Pas veel
later moet .hij op het denkbeeld zijn gekomen, er voor zijn devote vrien-
den een bloemlezing uit te maken, om hen te helpen in hun geestelijk leven.
Dit alles bleef echter in het vage, tot Paul Hagen de Liibecksche hand-
schriften en daarmee de oorspronkelijke volgorde van het Derde boek
terugvond.
De eerste helft van dit boek, uit 22 hoofdstukken 1) bestaande, geeft ons
het regelrechte vervolg op de 12 hoofdstukken van het Tweede boek. Aileen
heeft zich hier de innerlijke monoloog in den leerling nu heel geleidelijk
tot een dialoog van leerling en Meester ontwikkeld. Het kenmerkende van
dit deel is dat de Meester aan den leerling al langer hoe hooger eischen
stelt, en deze daar blijkbaar gewillig naar luistert en zonder veel moeite
aan al die vorderingen kan voldoen.
Maar met de 2de helft, die uit 26 hoofdstukken bestaat, breekt de strijd
los. Er moet jets geweldigs gebeurd zijn, en de volgzame leerling van
vroeger voelt zich verslagen, miskend; hij kan het kruis blijkbaar niet mcer
dragen en kermt en kreunt. Maar de Meester is niet malsch, Hij geeft niets
toe, integendeel, ook in deze blijkbaar veel moeilijker omstandigheden voert
Hij zijn Goddelijke rechten en eischen door, en vordert een onverbiddelijke
onderwerping van de tegenspartelende menschelijke natuur. Zoo neemt
het conflict hier weldra een tragisch verloop. En er komt een kritiek
oogenblik, dat er een breuk dreigt. Maar door Gods genade wordt ook
deze storm gestild. De moed herleeft, de stoer-mannelijke hymne van De
Goddelijke lief de in Hoofdstuk 14 is het keerpunt in den strijd. De zege
is nu behaald, maar moet in de volgende samenspraken nog bevestigd
en verdiept worden. Nu keeren dan ook bijna al de argumenten van de
eerste helft terug, maar nu pas worden ze getoetst aan de voile levens-
praktijk en de diepste moeilijkheden der menschelijke natuur.
Deze 2de helft van 26 hoofdstukken is dan ook eigenlijk het diepste en
aangrijpendste deel van de heele Imitatio Christi. Hiermee vergeleken is
b.v. het prachtige Caput 12 van het 2de Boek: over den koninklijken weg
des kruises slechts een idylle; alsof de menschelijke natuur op den weg
der volmaaktheid geen tegenstand bood, en geen moeilijkheden te over-
winnen had.
Juist door deze kritieke oogenblikken, die de schrijver beleeft, voelen wij

1) Wie de overeenkomstige hoofdstukken in de gewone uitgaven wil verge-
lijken, vindt achter in dit boekje, voor Boek 3 en 4 een vergelijkende tabel. Bock
1 en 2 wijken in de volgorde niet af.

5
6

ons aan hem verwant. Dreigden Boek 2 en de eerste helft van Boek 3 over
ons peen te gaan, als veel te tam-heilig en onbereikbaar-braaf; hier her-
kennen wij den mensch met al zijn zondige gebreken en natuurlijke weer-
standen; hier pas worden wij meegetrokken, meegesleurd bijna ondanks ons
zelf. En zonder twijfel hebben deze bladzijden de beste Christelijke lezers
der volgende eeuwen steeds het diepst getroffen, het vruchtbaarst geprik-
keld en het meeste goed gedaan.
Maar juist deze tegenstelling tot al de zeker-echte werken van Thomas
a Kempis van den Sint Agnietenberg, den pacaten en zachtmoedigen eremiet
zonder strijd, bracht reeds Paul Hagen tot de gedachte, dat althans dit ge-
deelte der Imitatio niet van hem kon zijn. Hier spreekt immers een man uit
de wereld, die blijkbaar de zonden en al de hartstochten kent uit eigen
langdurige ervaring; terwijl Thomas a Kempis reeds als jongeling de wereld
verliet, en ook in zijn kinderjaren te Deventer geen zonden noch tragischen
strijd kan gekend hebben.
Onder den indruk van Paul Hagens conclusies, ging ik zelf op zoek naar
den oudsten tekst en den waren schrijver van dit eenige boek.
Ik zocht al de figuren der Moderne Devotie af, wie tot zoo iets in staat
kon zijn en ik vond er niemand van dit formaat en van zoo'n wereldsche
zondige ervaring, behalve Geert Groote zelf, wiens bekeering juist aan de
heele Moderne Devotie het aanzijn schonk 1).
Pas langzamerhand heb ik de verschillende aanwijzingen en wetenschap-
pelijke tekstbewijzen gevonden, die mijn psychologisch vermoeden geleidelijk
zijn komen bevestigen. Ik ga daar hier niet verder op in.
Maar in deze omstandigheden stond het natuurlijk van meet af aan bij mij
vast, dat ik in mijn bewerking niet het late afschrift van Thomas a Kempis'
autograaf, maar de oudste teksten in hun oorspronkelijke volgorde tot grond-
slag zou nemen. Want al die in het 3de Boek er later tusschengevoegde
hoofdstukken, hoe waar en braaf en hoe schoon-zangerig ze ook zijn, ver-
zwakken den totaal-indruk aanmerkelijk. Men heeft van deze bewogen
Dagboek-bladzijden een zachtzinnig handboek gemaakt, en juist door de
veranderde volgorde en de invoeging van de meest lyrische stukken vol
sympathieke, vurige en beate overgave, tusschen de meest menschelijke
tegenspartelende hoofdstukken in, de rauwe levenswaarheid van het geheel
willen verbergen en verzachten.
Wie dat gedaan heeft, is mij totnutoe niet zeker bekend. Aileen weet ik
reeds zeker, dat het niet Thomas zelf kan geweest zijn, gelijk Paul Hagen en
ook ik vroeger gemeend hebben. Want het heele aangevulde Derde Boek in
de latere volgorde is reeds eigenhandig door den Kartuizer Hendrik van
Kalkar rond 1400 opgeschrevcn, toen Thomas amper twintig jaar oud was.

1) Ik beroep mij hiervoor op Geert Groote's levensbeeld, naar de oudste ge-
gevens bewerkt door Jac. van Ginneken S.J. dat bij de Nederlandsche Akademie
van Wetenschappen te Amsterdam in 1942 is verschenen. Men vergelijke verder:
de Akademie-uitgaven Jac. van Ginneken: Trois textes pre-Kempistes du premier
livre de limitation, Amsterdam 1940 en Trois textes pre-Kempistes du second
livre de limitation, Amsterdam 1941. Zoodra de buitenlandsche bibliotheken weer
toegankelijk zijn, zullen twee verdere deelen over Bock 3 en 4 het licht zien. (Zijn
onverwachte dood heeft Professor van Ginneken belet dit voornemen uit te voeren).

6
7

Verder spreken alle thans gangbare uitgaven van een vertaling uit het
Latijn. Maar deze mijne bewerking houdt zeker evenveel rekening met de
oudste Nederlandsche tekstfamilies als met den oudsten Latijnschen
0-tekst. Ik geloof nog altijd, dat Geert Groote zijn Dagboek in het Neder-
landsch heeft geschreven, en dezen Nederlandschen grondtekst later zelf in
het Latijn heeft vertaald. Trouwens, er zijn stukken in het 4de Boek, die
nooit in den Latijnschen tekst zijn opgenomen, zoo b.v. Hoof dstuk 2 en 12.
De teksten in beide talen hebben dus het voile recht, om met elkander ver-
geleken en aangevuld te worden. Dat heb ik reeds beproefd in mijn groote
Reconstructieuitgave van 1929 1); maar opnieuw in deze Nieuw-Nederland-
sche bewerking nagestreefd 2).
Wat dit voor verschil maakt, kan men b.v. heel duidelijk zien aan Hoofd-
stuk 6 van Boek 2: De laetitia bonae conscientiae, Over de blijdschap van
een goed geweten. In dit hoofdstuk gebruikt de Latijnsche tekst aanhoudend
het dubbelzinnige woord gloria. Zoo luidt de aanhef reeds: Gloria boni
hominis est testimonium bonae conscientiae, dat de oudste Nederlandsche
bewerkingen natuurlijk vertalen met: Die blijscap of die vroude of vroeghde
des goeden menschen es een ghetughenisse der goeder conscientien. Maar
P. Heerkens b.v. vertaalt recht tegen den juist voorafgaanden titel in: „Het
getuigenis van een goed geweten is de eer van een goede mens." Maar nu
komen in dit hoofdstuk de woorden gloria en gloriari nog vijf keer telkens
in dezelfde evidente beteekenis van vreugde en blijdschap en blij zijn voor,
en telkens hebben de oudste Nederlandsche teksten dan ook vroude of
blijscap en sich verbliden. Maar de juist geciteerde vertaler — en 90°/o van
de vertalers over de heele wereld, gaan hierin met hem mee — zet hier
telkens eer en beroemen voor in de plaats, zoodat de stof van dit hoof dstuk
een heel andere wordt als bedoeld is; en al deze zinnen slechts verdraaid en
verschoven zijn overgekomen.
Toch laat ik graag aan al die vertalingen hun waarde, en mijn verlangen
is volstrekt niet de later aangevulde redacties te vervangen of te verdrin-
gen. Het succes heeft de bewerkers immers reeds honderdvoudig gelijk ge-
geven. Want in dezen verzachten en aangevulden vorm heeft het boek zijn
zegetocht over de wereld ondemomen, En het zal, onbenijd, zijn zegetocht
voortzetten, naar wij hopen.
Alleen beleven wij thans een tijd, die nog krachtiger geestelijk voedsel
vraagt. De ongelukken en de tragedies ter wereld zijn thans zoo verduizend-
voudigd, en de dringende vraag naar dieperen en menschelijker troost klinkt
van zooveel zijden, juist uit de wereldsche leeken-kringen, dat men wel een

1) De Navolging van Christus of het Dagboek van Geert Groote in den oor-
spronkeljken Nederlandschen tekst hersteld en met de oudste LatUnsche vertaling
vergeleken door Jac. van Ginneken S. J., Standaardboekhandel Brussel en L.
Malmberg 's Hertogenbosch 1929.
2) Daar G. Groote zijn bijbelteksten volstrekt niet altijd letterlijk citeert,
beteekent het tusschen haakjes noemen van een plaats uit de H. Schrift sons
slechts de aanwijzing eener reminiscentie. — De Psalmentelling is die van de
Latijnsche Vulgaat, zoodat voor het Hebreeuwsch, en de naar het Hebreeuwsch
bewerkte vertalingen, van Psalm 9 tot 147: steeds het onmiddellijk volgend
nummer bedoeld is.

7
8

vrek moest zijn, als men thans met Jesus „geen medelijden had met de
schare".
Juist door deze oorlogsongelukken bewogen, heb ik dan ook den tijd aan
mijn taalwetenschappelijken arbeid onttrokken, om, zoo ooit, nu eindelijk
mijn lang uitgestelde Nieuw-Nederlandsche bewerking der Navolging van
Christus: geduldig zinnetje voor zinnetje neer te schrijven; en zoo ook in het
Nederlandsch van onzen tijd te toonen hoe die groote bekeerling eindelijk
in de diepste miskenning en de grootste ongelukken Gods Voorzienigheid
heeft leeren erkennen, zoodat hij er ten slotte zijn Heer en Meester voor
danken en loven kon.
Moge het gulden boekske dan ook in dezen oudsten authentieken vorm
zijn weg vinden, vooral tot de wereldsche menschen, die troost behoeven; en
die bij al deze rampen en ongelukken de veilige overtuiging willen redden,
dat er een God alleen ten slotte ook hier beneden over alles beslist, en
volkomen weet, wat en hoever Hij dat toelaat tot dieper welzijn van ons
alien.

Nijmegen, 7 October 1943.

In den tweeden druk heb ik, vooral in het eerste boek op allerlei plaatsen,
nog consequenter dan in den eersten druk de oudere 0-lezingen hersteld.
Verder heb ik nu ook hier de verzen-nummering van Puyol overgenomen.
Daar deze op den P-tekst dien ik nu met zekerheid aan Hendrik van Kal-
kar toeschrijf gemaakt is, ziet men dus uit de onregelmatige volgorde thans
ineens, hoe verregaande verschikkingen, invoegingen en uitlatingen de
oude 0-tekst heeft ondergaan, eer daaruit de gladde maar veel zwakker-
gespierde tekst der omwerking kon voortkomen.

Nijmegen, 28 Juli 1945. JAC. VAN GINNEKEN S. J.

8
BOEK I.
Goede vermaningen die nuffig zijn voor het geestelijk leven.
Eerste stuk van Geert Groote's dagboek, dat hij schreef in 1370 na zlin
eerste gesprekken met Hendrik yap Kalkar, die hem te Utrecht tot
nadenken brachten.

HOOFDSTUK 1.
Dat men Christi's navolgen, en de ijdelheid der wereld
moet versmaden.
1. Wie mij volgt, loopt niet meer in het donker. (Joan, 8, 12).
2. Met deze woorden worden wij aangespoord, Christus en zijn leven na
te volgen, indien wij verlicht en van onze blindheid verlost willen worden.
3. 0, hoe zullen wij ons dus beijveren en er alle aandacht aan besteden:
om ons in Jesus' leven te verdiepen en ons daar voortdurend in te
oefenen.
4. Want Jesus' leven gaat alle lessen der heiligen te boven.
En wie den waren geest had, die zou er verborgen manna en zoetheid
in vinden. (Apoc. 2, 17).
5. Maar helaas, het komt voor, dat veel menschen, al hooren zij het
Evangelie nog zoo dikwijls, er toch weinig verlangen naar voelen, omdat
zij den geest van Christus niet hebben. (Rom. 8, 9).
6. Al wie dus Christus' woorden aanvoelcn en met smaak wil verstaan,
moet zijn best doen om geheel zijn leven te boetseeren en om te vormen
naar Christus' leven en aan alle ijdelheid der wereld verzaken.
7. Wat baat het je 1): hooge dingen te weten en te redeneeren over de
Heilige Drieeenheid, als je zonder ootmoed leeft, en daardoor aan de
Heilige Drieeenheid mishaagt!
8. Geen hooge of schoone woorden maken ons heilig of rechtvaardig.
Maar door een deugdzaam leven wordt de mensch voor God lief en be-
minnelijk.
9. Maar dan wil ik dus liever het berouw in mij voelen, dan precies
weten, wat berouw eigenlijk is.

1) Tot nu toe nam bijna iedereen aan, dat de auteur sprak tot den lezer, en
daarom gebruikten bijna alle Nederlandsche bewerkingen het voornaamwoord „u".
Uit den oorspronkelijken tekst blijkt echter zonneklaar, dat de auteur tot zich
zelf spreekt, en dan is „je" het eenige goede woord. En dan wordt ook alles
veel inniger en dieper.

9
10

10. Als je heel den bijbel van buiten kende en al wat de geleerden
geschreven hebben, wat zou je dat verder helpen zonder liefde en genade?
11. Och ijdelheid der ijdelheden, en alles is ijdelheid (Eccles. 1, 2) be-
halve God te beminnen en hem alleen te dienen. (Deut. 6, 13).
12. Dit is de hoogste en voornaamste wijsheid: dat wij met versmading
der wereld alleen reikhalzen naar het hemelsche.
13. En het is dus een groote ijdelheid: vergankelijken rijkdom te zoeken,
en daarop je hoop te bouwen.
14. I Jdelheid is het ook eereambten na te jagen en je omhoog te
werken.
15. Het is ijdelheid: de begeerten van het vleesch (Gal. 5, 16) in te
volgen, en dat te verlangen, waar je later hevig om gekweld zult worden.
16. Het is ijdelheid: te wenschen om lang te leven, maar je om een
deugdzaam leven weinig te bekommeren.
17. Het is ijdelheid: alleen dit tegenwoordig leven in het oog te
houden, en niet te letten op wat daarna volgen zal.
18. Het is ijdelheid: te beminnen wat met schielijke vaart voorbijschiet,
en niet daarheen te spoeden, waar de blijdschap eeuwig zal duren.
19. Denk dus dikwijls aan het woord dat Salomon spreekt: Het oog
wordt toch nimmer van al dat zien verzadigd, noch het oor van al dat
hooren. (Eccles. 1, 8).
20. En doe daarom je best om je hart af te trelcken van den lust naar
het zichtbare en vergankelijke en je te keeren tot het onzichtbare en
eeuwige.
21. Want wie hier hun zinnelijkheid involgen, bezoedelen hun gewe-
ten, en verliezen zoo Gods genade.

HOOFDSTUK 2.
Over een ootmoedig gevoel van zich zelf.
1. Alle menschen zijn van nature begeerig naar kennis, maar wat helpt
kennis zonder vrees voor God?
2. Beter is een ootmoedig ongeleerd man van het land, die God dient,
dan een hoovaardig geleerde, die zich zelf vergeet, maar aandachtig den
loop des hemels gadeslaat. (Eccles. 19, 21).
3. Wie zich zelf goed kent, vindt in eigen oogen geen genade, en in
den lof der menschen heeft hij dus geen voldoening.
5. Houd toch op met de begeerte naar al te veel kennis, want daaruit
volgt veel onnutte kommer en bedrog.
6. Die veel weten, begeeren ook in aanzien te staan en willen wijs
genoemd worden. (1 Cor. 8, 9).
10. Hoe meer je weet, des te zwaarder zul je erom geoordeeld worden,
als je er niet te heiliger om leeft.
11. Wil je dus niet verhoogmoedigen (Rom. 11, 20 en 12, 3) om eenige
kennis die je gegeven is; maar schrik veeleer van je verantwoordelijkheid.
12. Als je veel weet en verstaat, is er altijd nog veel meer, waar je
niets van af weet.

10
11

13. Wees dus niet laatdunkend, maar beken veeleer je onwetendheid.
15. En als je nog iets nuttigs wilt bijleeren: stel er dan prijs op, onbe-
kend te blijven en voor niets bijzonders te worden gehouden.
16. Want dit is de allerhoogste en allerdiepste wetenschap: dat je in
waarheid je zelf kent en nietig acht.
17. Dat je niets op hebt met je zelven, en van anderen altijd liefs en
goeds denkt.
18. Ook al zag je iemand verkeerd doen of openlijk groot kwaad be-
drijven; dan moest je jezelf daarom nog niet beter achten; omdat je immers
niet weet, hoe Lang je zelf in het goede zult staande blijven.
19. Allen zijn wij zwakke menschen, en zelf zul je ondervinden bij de
zwaksten te behooren zoowaar je stof bent en asch en ijle rook.

HOOFDSTUK 3.
Van de leering der waarheid.
1. Zalig hij, wien de waarheid uit haarzelve onderricht, niet door
beelden of woorden die vergaan, maar gelijk ze werkelijk is.
2. Onze indruk bedriegt ons dikwijls, omdat hij zoo weinig omvat.
3. Wat baat een groote omhaal van woorden rond hooge en verbor-
gen zaken, waarover wij in het laatste oordeel geen rekenschap zullen
hoeven te geven?
4. Het is een groote dwaasheid het nuttige en noodige te verzuimen,
en zich over te geven aan het interessante en gevaarlijke. Hebben wij geen
oogen om te zien? (Jerem. 5, 21).
8. Zoo doen wij, als wij het ongeschapen woord, dat van het eerste be-
gin of tot ons spreekt, eenvoudig niet gelooven en niet diep tot ons laten
doordringen.
12. Vaak hindert het mij veel te lezen of te hooren: in U is alles wat
ik begeer.
13. Laat alle leeraars en alle schepselen zwijgen voor Uw aangezicht,
en laat mij U alleen in mij hooren spreken, o heer.
14. Hoe volkomener een mensch met U vereenigd en aan U overge-
geven is, des te meer zal hij verstaan, en zonder moeite Uw verhevenste
waarheden begrijpen.
17. Een ernstig mensch overlegt vooraf bij zichzelf, al wat hij gaat doen.
18. En hierbij laat hij zich niet leiden door de begeerte van een booze
neiging, maar hij onderwerpt zijn plannen aan de beslissing van recht en
reden.
19. En het is een groote strijd: zichzelf hierin aan te kunnen.
22. Een ootmoedige kennis van jezelf is een veel zekerder weg naar
God dan een diepe studie der wetenschap.
24. Maar juist omdat de meesten meer hun best doen om veel te
weten, dan om braaf te leven, bedriegen zij zichzelf en gaan verloren of
dragen weinig vrucht.
25. Och, als ze eens even bezorgd waren om hun gebreken uit te roeien,
als om al die geleerde vraagstukken op te werpen, dan kon er heel wat

11
12

kwaad en ergernis onder het yolk, en heel wat ontstichting in de kloosters
worden voorkomen.
26. Wanneer de dag van het laatste oordeel komt, zal men ons niet
vragen, wat wij gelezen, maar wat wij gedaan hebben, noch hoe schoon
wij gesproken, maar hoe braaf wij geleefd hebben.
27. Zeg mij: waar zijn nu al die groote heeren en professoren, die je
gekend hebt, toen ze leef den en beroemd waren om hun wetenschap?
28. Hun bezittingen en eereambten zijn nu in andere handen, en bijna
niemand bekommert zich nog om hun zielerust.
29. In hun tijd schenen zij iets bijzonders, maar nu worden zij niet
meer genoemd.
32. Ach, hoe velen in de wereld gaan in ijdele geleerdheid ten onder
omdat ze geen aandacht meer over hebben voor den dienst van God!
37. En toch is hij alleen waarlijk goed onderricht, die zonder inbeel-
ding van zichzelf, Gods wil volbrengt en om God aan zijn eigen zin
verzaakt.
HOOFDSTUK 4.
Over de voorzichfigheid in doen en laten.
1. Wij moeten niet alles gelooven (Eccli. 19, 16) wat men ons van
anderen vertelt, maar wijs en geduldig afwegen: wat er van aan is voor
God.
2. Want zoo zwak zijn wij, dat het kwaad in de wereld gemakkelijker
wordt verder verteld dan het goed.
3. Maar goede en wijze menschen gelooven niet zoo maar alles wat
men hun zegt; want zij weten dat de menschelijke zwakheid ten kwade ge-
neigd is (Gen. 8, 21) en ook in woorden vaak misdoet. (Eccli. 14, 1).
4. Het is een groote wijsheid: niet overijld te besluiten wat men doen
moet en daarbij niet koppig aan eigen meening vast te houden.
5. Tot deze wijsheid hoort het ook, niet alles te gelooven wat de men-
schen zeggen, en niet zonder nadenken verder rond te vertellen, wat men
gehoord beef t.
6. Vraag raad bij een wijs en nauwgezet man (Eccli. 9, 21) en zoek
liever voorlichting bij het beste kantoor, dan maar steeds je eigen zin te
doen.
7. Een deugdzaam leven maakt den mensch tot een wijze met veel
ondervinding in de lijn van God. (Eccles. 34, 9).
8. Naargelang een mensch in zich zelf ootmoediger en onderdaniger
is aan God, zal hij ook in alle opzichten wijzer en zachtzinniger wezen.

HOOFDSTUK 5.
Over het lezen der heilige schrift.
1. In de geestelijke lezing moet men meer naar waarheid zoeken dan
naar schoonheid of welsprekendheid.
4. Daarom moeten wij even graag eenvoudige devotieboeken lezen als
hooge en diepe bespiegelingen.

12
13

5. Ook moet je er niet zooveel om gaven, of de schrijver een grooteren
of kleineren naam beef t, maar de pure lief de tot de waarheid moet je tot
de lezing van een boek aantrekken.
6. Vraag niet te veel door wien iets gezegd is, maar doorgrond de
waarheid van wat er gezegd is.
7. De menschelijke schrijvers gaan voorbij, maar de goddelijke waar-
heid blijft in eeuwigheid. (Ps. 116, 2).
11. Vraag graag en aanhoor zwijgend de heilige woorden en laat de
lessen der wijzen je niet mishagen, want ze zijn niet zonder reden gezegd
en geschreven. (Eccli. 32, 12 en 8, 9).

HOOFDSTUK 6.
Over onbetoomde neigingen en begeerten.
1. Wanneer iemand iets ongeregeld begeert, wordt hij aanstonds
onrustig.
2. Een hoovaardige of gierige is nooit in rust, maar een arme en oot-
moedige leeft altoos in vollen vrede.
3. Een niet volkomen verstorven mensch wordt spoedig bekoord en
zelfs in kleine onnoozele dingen overrompeld.
4. Zwak van geest, wordt hij tot het zinnelijke en ook het vleeschelijke
aangetrokken, waarvan hij zich niet dan met spijt en moeite kan losmaken.
5. En daarom wordt hij gemakkelijk boos op ieder die hem weerstaat.
6. En toch, juist als hij er in slaagt te hebben wat hij begeerde, wordt
zijn geweten bezwaard.
7. Vrede des harten vindt men alleen door aan zijn driften te weer-
staan en niet door ze te dienen.
8. Zoo is er dus nooit ware vrede in hem, die zich overgeeft aan
uiterlijke dingen, maar in den innerlijken geestelijken mensch, daar is de
ware vrede thuis.
9. Want de stille, rustige ziel houdt zich kloek gericht, zegt de profeet
(Prov. 14, 33), maar de wilde en onrustige zwenkt en zwicht.

HOOFDSTUK 7.

Over het schuwen van ijdele hoop en zelfverheffing.
1. Dwaas is hij die zijn hoop op menschen of schepselen bouwt.
2. Maar vertrouw op God, je schepper alleen, en schaam je niet: je
naasten om Gods wil te dienen. (Mat. 23, 11).
5. Heb ook niet zoo'n vertrouwen op je ervaring, maar veeleer op
Gods genade, die den ootmoedige te hulp komt, en den vermetele teleur
stelt. (Jac. 4, 6 en Judith 6, 15).
6. Beroep je ook niet op je aardsche goed als jc rijk bent (Jerem. 9,
23), noch op je vrienden, omdat ze macht hebben, maar op God, die alle
goede gaven geeft en vooral zich zelf aan je weg wil schenken. (2 Cor.
10, 17).
13
14

7. Verhef je ook niet op je schoonheid of fiere gestalte, die door een
kleine ziekte kunnen vergaan of misvormd worden.
8. Behaag jezelf ook niet, vanwege je scherpzinnigheid of je talenten,
om niet te mishagen aan den milden goddelijken gever.
9. Trek jezelf bij de overigen niet voor, om door God niet bij hen te
worden achtergesteld.
10. Verhoovaardig je ook niet over je goede werken, want God oor-
deelt heel anders als de menschen, en het welbehagen der menschen wekt
vaak mishagen bij God.
11. Heb je iets goeds in je, geloof dat er nog meer goeds is in anderen,
om zoo den adel van den ootmoed te bewaren.
12. Het schaadt je hoegenaamd niets: alle menschen beter te achten
dan je zelven, maar het doet je veel kwaad, als je denkt, dat iemand
slechter is dan je zelf bent.
13. Gestadige vrede is met den ootmoedige, en in het hart van den
hoogmoedige is niets als nijd en knagende wrevel.

HOOFDSTUK 8.
Over het vermijden van al te groote vertrouwelijkheid.
1. Open je hart niet voor iedereen, maar vraag raad bij een wijs man,
die God vreest. (Eccli 8, 22).
3. Vreemden en rijken moet je niet naloopen, en bij hooggeplaatsten
niet vaak op bezoek gaan.
4. Maar zoek je gezelschap en onderhoud je op gepasten tijd met de
eenvoudigen, godvruchtigen en rijpen.
6. Verlang alleen met God en zijn engelen gemeenzaam om te gaan,
en vermijd het onder je medeburgers veel kennissen te hebben.
9. Soms denken wij de menschen met ons bijzijn te behagen, maar op
den duur vallen wij hun tegen door de menschelijke zwakheden die zij in
ons opmerken.

HOOFDSTUK 9.
Over de gehoorzaamheid en de gewillige onderwerping.
1. Het is een heel groot voordeel in gehoorzaamheid te leven, onder
een overste te staan en niet baas te zijn over zich zelf.
2. Het is veel veiliger onderdaan dan overste te wezen.
3. De meeste menschen, die onder een overste staan, schikken zich
hierin meer uit nood, dan uit lief de, en daarom morren zij vaak in onte-
vredenheid.
Tot vrijheid en blijheid zullen zij nooit geraken, zoolang zij zich niet
als knechtje van God erkennen en zich uiterharte aan hem onderwerpen.
4. Ga waar je wilt, nergens zul je rust vinden dan in willige onder-
werping aan een geestelijken overste en onder zijne leiding.

14
15

5. Velen die zich inbeelden dat het elders beter zou gaan, zijn be-
drogen uitgekomen.
6. Natuurlijk doet iedereen graag zijn eigen zin, en voelt zich getrok-
ken tot hen die het met hem eens zijn.
11. Maar het is veel veiliger: raad te krijgen dan raad te geven.
Want iemand die om God gehoorzaamt, behoeft geen verdere rekenschap
of te leggen.
13. En welke geneesheer zal een zieke kunnen genezen, die zich niet
heel en al aan zijn uitspraken onderwerpt?

Hier eindigt het eerste fragment van Geert Groote's dagboek.

Nu volgt het tweede stuk dat hij schreef in 1371, nadat hij te Monichusen
bij de Kartuizers als Clericus Redditus ingetreden, aan prior Hendrik van
Kalkar gelofte van gehoorzaamheid aflegde, en frzu voor het eerst met het
stilzwijgen en het innerlijk leven in het klooster kennis maakte.

HOOFDSTUK 10.

Over het vermijden van overtollige gesprekken.
1. Schuw de drukte der wereld zooveel je maar kunt; want al dat ge-
praat over wereldsche dingen, ook al worden die met de onschuldigste be-
doeling verteld, belemmert het innerlijk leven met God.
2. 0 zoo gemakkelijk worden wij toch door ijdelheid besmet, en door
een gesprek geboeid.
3. Ik wilde wel dat ik vaak gezwegen had, en dat ik die en die lieden
nooit ontmoet had.
4. Maar waarom praten en babbelen wij menschen toch zoo graag met
elkander, hoewel wij zelden zonder een eenigszins bezwaard geweten tot
onze eenzaamheid terugkeeren?
5. Onze bedoeling daarbij is, dat wij troost en voor ons vermoeid hart
wat opluchting willen zoeken, en onze moeilijkheden aan elkaar willen
meedeelen.
6. En vooral spreken wij graag over dingen die ons bevallen en waar
wij van houden, of over personen die ons tegenstaan.
7. Maar jammer genoeg, loopt het vaak op niets uit.
8. Daar deze uitwendige troost namelijk een beletsel wordt voor den
inwendigen troost bij God.
9. En daarom moeten wij waken en er voor zorgen, dat ons die kost-
bare gelegenheid niet vruchteloos blijft of ontglipt.
10. Wanneer het spreken geoorloofd is, zeg dan wat nuttigs en
stichtends.
11. Soms helpt echter een geestelijke samenspraak niet weinig voor
onzen geestelijken voortgang, vooral met hen, die evenals wij, hun heele
hart en ziel in God gevestigd hebben.

15
16

HOOFDSTUK 11.
Over den vrede.
1. Wat zouden wij grooten vrede smaken, als wij ons niet meer wilden
bemoeien met al wat anderen zeggen of doen, en wat ons niet aangaat!
2. Hoe kan iemand toch lang in vrede zijn, die zich voortdurend met
andermans zaken inlaat, en zoo elke gelegenheid aangrijpt, om zich naar
buiten te richten, zonder ooit of zelden in zichzelf te keeren?
4. Waarom denk je, dat sommige heiligen in zoo'n volmaakte Gods-
schouwing geleefd hebben?
5. Wel natuurlijk omdat zij besloten al hun aardsche begeerten in hen
te doen sterven; zoo konden zij God immers met al huns harten innigheid
aanhangen, en zich geheel en vrij toewijden aan hem alleen.
6. Maar wij hebben het daar veel te druk voor met al onze hartstoch-
telijke zorgen voor de vergankelijke nietswaardigheden.

Over het verlangen naar zielegroei.
7. Zelden overwinnen wij een gebrek triomfantelijk geheel en al, en
daarom blijven wij lauw. (Apoc. 3, 16).
8. Daarom zijn wij niet levend en zijn wij niet dood, en kunnen wij dus
het goddelijke niet smaken.
9. Het ergste beletsel is, dat wij niet loskomen van onze hartstochten
en lusten, en dat wij den eenigen weg der volmaakte heiligen zelfs niet
probeeren op te gaan.
10. Als ons ook maar een kleine tegenslag overvalt, zijn wij aanstonds
terneergeslagen, en werpen ons op menschelijken troost.
11. Wilden wij als stoere mannen sterk staan in den strijd, dan zou-
den wij wis en zeker 's heeren hulp uit den hemel ondervinden. (Jerem.
41, 16; 2 Paral. 20, 17).
13. Als wij ons alleen beperken tot eenige uiterlijke observanties en
daarop al onze hoop stellen, dan loopt onze vooruitgang spoedig vast.
14. Laat ons dus de bijl op den wortel richten (Math. 3, 10) opdat
wij vrij van onze hartstochten over een rustigen geest beschikken.
15. Indien wij elk jaar zoo maar een gebrek werkelijk geheel en al
uitroeiden, zouden wij weldra volmaakte mannen zijn.
16. Maar helaas ondervinden wij vaak het omgekeerde, dat wij in den
aanvang onzer bekeering veel vuriger waren, dan na vele jaren van
kloosterleven.
17. Dagelijks en altoos moest onze durf en vurigheid groeien, maar
praktisch schijnt het al iets groots, als iemand van zijn eerste vurigheid
een kleine sprankel bewaren kan.
18. En toch, als wij ons in het begin een beetje geweld wilden aandoen,
dan zouden wij later alles met gemak en met lief de volbrengen.
19. Het is moeilijk met een oude gewoonte te breken, maar het is nog
moeilijker recht tegen zijn eigen wil in te gaan.
20. Maar indien je jezelf niet in het kleine en lichte kunt overwinnen,
hoe zul je dan in het groote en zware ooit zegevieren?

16
17

21. Vecht dus tegen je kwade gewoontes, opdat ze je niet in nog erger
moeilijkheden brengen.
22. Ach, indien je eens bedenken wou, hoeveel vrede je voor jezelf
en hoeveel vreugde je voor de anderen zbudt winnen, met je nu kranig
te houden; dan geloof ik dat je nag meer je best zoudt doen voor je
geestelijke vooruitgang en zielegroei.

HOOFDSTUK 12.
Over het nut van lijden en tegenspoed.
1. Het is ons goed, dat wij somtijds moeilijkheden hebben, want dit
doet den mensch in zichzelf keeren, en beseffen, dat hij hier nog niet in
bet vaderland, maar in de beproeving der ballingschap leeft.
2. Het is goed voor ons, dat wij sours worden tegengesproken, en men
kwaad van ons denkt, ook als wij iets goeds doen.
3. Zulke vernederingen kunnen ons beveiligen tegen ijdele inbeelding.
6. Want wanneer een man van goeden wil (Luc. 2, 14) wordt veracht
en neergetrapt en er kwaad van hem wordt gesproken, en men hem niet
gelooven wil, en hij daarbij nog door booze gedachten bekoord en gefolterd
wordt, dan pas beseft hij, dat hij nu God veel harder noodig heeft, zon-
der wien hij nu ondervindt, dat hij heelemaal niets vermag. (Joan. 15, 5).
7. Dan zorgt en zucht hij droevig en bidt hij vuriger en vaker.
8. Dan verdriet het hem langer te leven, en hij verlangt naar den
dood, dat hij mocht ontbonden worden om bij Christus te wezen. (Philip.
1, 23).
9. Want hij is het beu en het gruwt hem nog in de wereld te zijn.

HOOFDSTUK 13.
Over den strijd tegen de bekoringen.
1. Zoolang wij in deze wereld leven, kunnen wij het niet stellen zonder
lijden en bekoringen.
2. Gelijk Job al zeide: Beproeving is het menschenleven op aarde.
(Job 7, 1).
3. Daarom moeten wij in onze gebeden en geestelijke oefeningen heel
waakzaam zijn, om niet in bekoring te vallen en te worden misleid.
5. En al zijn de bekoringen moeilijk en zwaar, ze zijn den mensch toch
ook vaak heel nuttig, want daarin wordt de ziel beproefd, gezuiverd, ver-
ootmoedigd en opgevoed.
6. Alle heiligen zijn door veel beproevingen en verzoekingen heen-
gemoeten, en hebben daarmee hun voordeel gedaan. (Hand. 14, 21).
7. En zij die de bekoring niet konden uithouden, die hebben niet vol-
hard en zijn van God afgevallen.
8. Daar is geen orde zoo heilig en geen plaats zoo gewijd, of daar
is verzoeking en weerstand.

17
2
18

9. Daar wij immers met de booze begeerlijkheid zijn geboren. (Ps. 1,
7 en Jac. 4, 1).
10. Als de eene bekoring ophoudt, komt er een andere voor in de
plaats en zoo zullen wij altijd iets te lijden hebben, want wij hebben den
zegen van den oorspronkelijken geluksstaat verloren.
11. Velen wenschen aan de bekoringen te ontsnappen en vallen er des
te dieper om.
12. Want door de vlucht alleen krijgen wij ze er niet onder, maar door
geduld en nederigheid worden wij al onze vijanden de baas.
15. In bekoringen moet je een trouwen raadsman hebben en hem vaak
raadplegen.
En als raadsman moet je den bekoorde niet te hard aanpakken, maar
hem troosten, evenals je zou willen dat je zelf behandeld werd.
16. Het begin van de ongelukkig afloopende bekoring is altijd de on-
gestadigheid des harten.
17. Want gelijk een schip .zonder roer heen en weer wordt geslingerd
over de golven, zoo wordt een slappe, lauwe mensch, die zich niet houdt
aan zijn voornemens, van alle kanten bestookt.
18. Vuur beproeft het gaud. Zoo beproeft bekoring den rechtvaardige.
(Eccli. 27, 6).
19. Wij weten dikwijls niet wat wij kunnen, maar de bekoring open-
baart ons wat wij zijn.
20/21. Wij hebben dus op te passen, gelijk de dichter zegt: „Weersta
van meet af aan, anders komt het geneesmiddel te laat." (Ovidius).
22. Want eerst komt in het hart een invallende gedachte, daarna een
levendig beeld, dan de lust en een kwade beweging en ten slotte de in-
stemming.
23. Zoo dringt de booze vijand zich van lieverlede geheel en al naar
binnen, als men hem niet reeds van den drempel af den voet dwars zet.
24. En hoe 'anger men wacht met dien weerstand, hoe zwakker men
wordt, en hoe feller de vijand zich opdringt.
28/29. Van den anderen kant zegt echter de H. Gregorius, dat de
kwalen, die ons bier teisteren, ons vanzelf weer naar God drijven, en
daarom schijnt God dit vaak toe te laten, om ons des te vuriger te laten
bidden, dat hij ons alle vrucht uit de beproeving laat toekomen, en wij
ze overwinnen en zoo op een zalig einde mogen hopen.
30. Want in bekoring en lijden wordt de mensch op de proef gesteld,
ha. e ver hij gevorderd is, dairin ligt de gelegenheid zich te onderscheiden,
want zoo komt de deugd aan het licht.
31. En daarom is het niets bijzonders dat een godvruchtig mensch
vurig leeft, zoolang hij zonder eenig bezwaar of lijden is; maar als hij in
den tijd der beproeving zich weet sterk te houden, dan is er gegronde
hoop, dat zijn deugd zal gedijen.
32. Sommigen blijven van groote verzoekingen vrij, maar worden door
kleine beschaamd, opdat zij nooit meer op zichzelf zouden vertrouwen,
daar zij reeds in het kleine zoo zwak blijken.

18
19

HOOFDSTUK 14.
Dat men niemand zonder goede reden veroordeelen mag.
1. Richt je oog op jezelf, en wacht je wel over andermans daden te
oordeelen.
2. Anderen te beoordeelen is een nutteloos werk; meestal immers be-
driegt men zich en misdoet men zelfs; maar met jezelf te beoordeelen en
te onderzoeken doe je nimmer iets tevergeefs.
3. Gewoonlijk valt toch het oordeel over anderen uit naar de voor-
ingenomenheid van ons hart; en uit louter eigenliefde ontgaat ons de
werkelijke bedoeling geheel en al.
4. Was God alleen het doel van onze verlangens, dan zouden wij
niet zoo licht vertoornd worden, als men onze meening bestreed.
6. Velen zoeken heimelijk zichzelf in alles wat ze doen, zonder het
zelf gewaar te worden.
7. Ook schijnen zij in vrede te leven, zoolang alles naar hun zin gaat.
8. Maar loopt het anders af, als zij begeeren, dan voelen zij zich be-
nauwd en gegriefd.
9. Door verschil van gezindheid en meening, komt er maar al te vaak
tweedracht onder vrienden en medemenschen, ja zelfs onder godvruch-
tigen en kloosterlingen.
10. Oude gewoontes worden niet gemakkelijk losgelaten, en er is nie-
mand die zich graag gewonnen geeft.
11. Als je meer steunt op je eigen inzicht en handigheid dan op je
overgave aan Jesus Christus, zul je niet gemakkelijk een verlicht mensch
worden, want God wil, dat wij ons heelemaal aan hem overgeven en met
al onze menschelijke gaven in een vurige Godsliefde opgaan.

HOOFDSTUK 15.
Over de werken van liefde.
1. Om niets ter wereld, en ter wille van niemand mag men iets kwaads
doen, maar wel mag men om den naaste uit een moeilijkheid te helpen
een ander goed werk nalaten, veranderen of uitstellen.
2. Want zoo wordt het goed niet opgegeven, maar omgezet in iets
beters.
6. Hij die veel bemint, doet ook veel.
5. God let toch meer op de liefde waarmee iets gedaan wordt, dan op
het belang van het werk zelf.
8. En veel doet ook hij die meer op aller welzijn dan op zijn eigen be-
lang let.
9. Maar vaak schijnt een daad uit liefde te zijn gedaan, die ten slotte
toch op zinnelijken lust berust.
10. Wie de ware liefde beef t, kent geen nijd of afgunst en zoekt zich-
zelf in niets, maar wil dat de eer van God in alles geschiede. (1 Cox..
13, 5).
19
20

13. Niemand schrijft hij ten slotte eenig goed toe, dan God alleen, uit
wien oorspronkelijk alle goed afdaalt, en in wien alle heiligen als in
hun einddoel de eeuwige rust genieten.
14. 0, wie maar eens door een sprankel van deze ware liefde geraakt
was, zou zeker onmiddellijk inzien, dat alles wat in de wereld is, leeg is
van ijdelheid.

HOOFDSTUK 16.

Dat men elkanders gebreken geduldig verdragen moet.

1. Wat men in zichzelf of •in anderen niet verbeteren kan, moet men
geduldig verdragen, totdat God het anders beschikt.
2. Besef, dat het zoo wellicht beter is om je geduld te oefenen, want
zonder geduld heeft onze verdienste immers maar weinig te beteekenen.
3. Bovendien moet je in zulke moeilijkheden God vurig bidden, dat
hij je te hulp wil komen om alles gewillig te dragen.
4. Als je iemand dus eenmaal of tweemaal den goeden weg hebt ge-
wezen, en hij zich toch niet betert, wil dan niet verder met hem twisten,
maar geef het over in Gods hand, dat zijn wil en eer in al zijn dienaars
geschiede.
Hij is machtig genoeg, om uit het kwaad iets goeds te maken. (Rom.
8, 28).
5. Beijver je: alle gebrek en zwakheid van anderen, wat het ook mag
zijn, geduldig te verdragen, omdat ook jij wel een en ander hebt, wat
door anderen verdragen moet worden.
6. Als je toch jezelf nog niet maken kunt, tot wat je zou willen zijn,
hoe kun je dan van anderen eischen, dat ze zich naar jouw wil zullen
schikken?
7. Graag willen wij de anderen volmaakt zien, maar onze eigen ge-
breken verbeteren wij niet.
8. Het is ons lief, dat anderen scherp worden •erechtgewezen, maar
zelf nemen wij geen terechtwijzingen aan.
9. Het doet ons leed, dat men anderen te ruime vrijheid geeft, maar
aan ons zelf mag niets geweigerd worden.
11. En zoo wordt het duidelijk en klaar, dat wij onzen naasten niet de-
zelf de maat aanleggen als onszelven.
12. Als alle menschen volmaakt waren, wat hadden wij dan ter liefde
Gods nog van elkander te lijden?
Nu echter heeft God het zoo gevoegd, dat wij leeren de een den ander
zijn last te helpen dragen. (Gal. 6, 2).
13. Want niemand is zonder last. Niemand is mans genoeg om zich-
zelf te helpen.
En daarom moeten wij elkander over en weer helpen in het willig dra-
gen van sommige tekortkomingen. (Col. 3, 13).

20
21

HOOFDSTUK 17.
Over het kloosterleven.
1. je moet in vele dingen jezelf leeren buigen en breken, als je met
elkander in vrede en eendracht wilt leven.
2. Het is geen kleinigheid in een klooster of een gemeenschap te wo-
nen, en daar zonder klacht samen te leven. (Phil. 3, 6).
3. Gezegend hij, die daar goed geleefd, en ten einde toe volhard heeft.
(Math. 10, 22).
5. Dwaas moet je worden om Christus' wille (1 Cor. 4, 10), als je in
een klooster wilt gaan.
6. Het kloosterkleed en de kruinschering baten je niets, als daar geen
diepe zedenverandering en zinnenversterving op volgen.
7. Wie hier iets anders zoekt, dan zijn geluk in God alleen, zal er
niets vinden als verveling en ellende. (Ps. 114, 3).
8. En wie zich niet , beijvert de minste en aan alien onderworpen te
wezen, zal hier niet lang tevreden zijn. (1 Petr. 2, 13).
9. Om te dienen ben je hier gekomen, niet om te heerschen.
10. Om in lijden en zwaren arbeid groot te worden ben je geroepen,
weet dat wel, en niet om vrijen tijd te hebben of om te babbelen.
11. Hier, dat is in het klooster, wordt de mensch beproefd, gelijk het
goud in den smeltkroes. (Sap. 3, 6).
12. Hier kan dan ook niemand het uithouden, die zich niet van harte
voor God wil verootmoedigen.

Hier eindigt het tweede stuk van Geert Groote's dagboek.
Het nu volgende derde fragment bevat de aanteekeningen die hij maakte
voor een reeks collaties, die hij te Monichusen en te Eemsteyn heeft
gehouden. Hier spreekt de schrjver dus tot zijn lezers of toehoorders en
passen dus uitsluitend gij en u.

HOOFDSTUK 18.
Over de voorbeelden der heilige vaders.
1. Beschouw de sprekende voorbeelden der heilige vaders, in wie de
ware volmaaktheid heeft uitgeblonken, dan zult gij zien hoe gering het is,
ja dat het bijna niets is, wat wij thans volbrengen.
2. Ocharm, wat is ons leven vergeleken bij hun leven!
3. Die heiligen en vrienden van Christus hebben onzen heer gediend
in honger en dorst, in koude en naaktheid, in arbeid en vermoeienis, in
waken en vasten (2 Cor. 11. 27), in gebeden en heilige overwegingen, in
vervolgingen en allerlei verwijten.
4. 0 hoe vele en zware ellenden hebben de apostelen, martelaren,
belijders en maagden niet doorgeworsteld, met al die anderen, die begeer-
den Christus' voetspoor na te gaan!

21
22

5. Want zij hebben hun leven in deze wereld gehaat, om het voor het
eeuwige leven te behouden. (Joan. 12, 15 en 25).
6. 0 wat een streng leven hebben die heilige vaders in de woestijn
geleid! hoe zware bekoringen hebben zij doorstaan! hoe vele en hoe vurige
gebeden hebben zij den heer geofferd! (Nebr. 5, 7).
7. Hoe verregaande onthouding en vasten hebben zij beoefend, wat
een grooten ijver en vurigheid hebben zij getoond om hun ziel te doen
groeien, hoe fellen strijd hebben zij gevoerd om al hun ondeugden te be-
teugelen, hoe zuiver en oprecht hebben zij hun bedoelingen op God gericht!
8. Overdag waren zij aan den arbeid en zij overnachtten in aanhou-
dend gebed, maar ook als zij buiten aan het werk waren, hielden zij niet
op in gedachten te bidden.
9. Al hun tijd besteedden zij nuttig, elk uur leek hun te kort om met
God te verkeeren, en bij de weelde van hun beschouwing vergaten zij bij
wijlen zelfs het noodigste lichaamsvoedsel.
10. Aan alle rijkdommen en waardigheden en eerambten verzaakten
zij, alle genoegens, vrienden en bloedverwanten lieten zij achter, en zij
begeerden niets meer van al wat in de wereld was.
11. Zelfs de noodzakelijkste zorg voor hun lichaam was hun tot last
en verdriet.
13. Uitwendig hadden zij gebrek, maar inwendig werden zij verkwikt
met goddelijken troost.
14. Aan de wereld waren ze vreemd, maar met God waren ze nauw
verbonden als zijn vertrouwde vrienden.
15. In eigen oog waren zij niets, in de wereld niet geteld, maar in de
oogen van God waren zij dierbaar en uitverkoren.
16: In diepen ootmoed waren zij gevestigd. In eenvoudige gehoorzaam-
heid hebben zij geleefd. In liefde en lijdzaamheid hebben zij gewandeld,
en daarom groeiden zij dagelijks hooger en dichter naar God toe.
17. Verre van ons zij het dus, dat het groot getal der lauwen ons meer
zou aantrekken dan het vrome voorbeeld van deze heiligen.
18. 0 hoe vurig was ook de ijver van alle kloosterorders bij hun eerste
stichting!
19. Wat een innigheid in hun gebed, en welk een edele wedijver in
de deugd.
Welk een strenge tucht hebben zij onderhouden, en welk een eerbiedige
gehoorzaamheid heeft er gebloeid.
20. Daar getuigen nog hun geschriftcn en voorbeelden van, die zij ons
als de sporen van hun opgang hebben nagelaten.
24. Ach gave God, dat wij, die althans uitwendig de wereld hebben
verlaten, ook inwendig op de heilige vaders mochten gelijken!
Wij hebben toch zooveel verschillende voorbeelden van heilige en devote
menschen gelezen of hooren vertellen.
23. ,Maar thans is het allemaal slapheid en lauwheid, wij slapen schijn-
baar en maken geen vorderingen op den weg der deugd.
21. Nu worth het reeds als iets bijzonders geacht, dat iemand den
regel van zijn staat niet overtreedt.
22. 0 wat een slappe zorgloosheid beleeft onze tijd, dat wij onze
eerste vurigheid zoo gemakkelijk vergeten!
22
23

HOOFDSTUK 19.
Over de oefeningen van een goed religieus.
1. Het leven van een goed religieus moet versierd zijn met alle deug-
den.
2. En van binnen moet hij zelfs nog deugdzamer zijn, dan van buiten
gezien wordt, omdat God onze harten leest (Prov. 24, 12) en wij voor zijn
aangezicht als engelen geheel onbevlekt moeten wezen en bidden:
4. „Mijn heer en mijn God, wil mij helpen in mijn voornemen en
Uwen heiligen dienst; laat mij vandaag weer goed beginnen.
3. En verwek weer in mij de vurigheid, waarmee Gij mij uit de schare
als leerling hebt opgenomen."
15. Als gij dus niet voortdurend tot uzelf kunt inkeeren, denk er dan
tenminste een paar maal per dag aan, bijvoorbeeld 's morgens en 's avonds.
16. 's Morgens moet ge voornemens maken, en 's avonds de uitvoering
ervan nagaan; hoe ge dien dag bent geweest in uw werk en uw gedachte,
in uw gebed, uw overgave en uw zuivere meening.
6. Zoo zelfs de man van een kranig voornemen vaak te kort schiet,
wat zal het dan zijn met hem die zich zelden of maar heel in het vage
iets voorneemt?
12. Laat ons trachten te doen wat wij kunnen, dan falen wij nog dik-
wijls genoeg.
17. Betoom uw gulzigheid, dan zult gij alle begeerlijkheid bedwingen.
18. Wees nooit geheel en al ledig, maar blijf bezig met lezen of
bidden, met overwegen of stil denken, of met iets nuttigs te doen voor
anderen.
19. Lichamelijke verstervingen moeten niet ondoordacht overdreven
worden.
20. Wat niet aan alien is voorgeschreven, moet gij niet onnoodig laten
merken en opvallen.
21. Pas vooral op, dat ge niet te veel hecht aan bijzondere oefeningen.
22. Maar als ge na trouwe plichtsvervulling nog tijd over hebt, keer
dan in uzelf gelijk uw godsvrucht dat wenscht.
23. Dezelfde oefening past niet steeds voor alien, maar voor den eene
is dit, en den andere dat weer het beste.
24. Zoo zijn ook verschillende oefeningen gewenscht naar de tijden
van het jaar, omdat op feesten wij aan iets anders behoefte voelen als op
gewone dagen.
27. Rond de hoofdfeesten van het kerkelijk jaar moeten wij vooral het
leven van Jesus en zijn apostelen gedenken.
28. Alsof wij van dit feest zullen worden opgeroepen, of althans spoe-
dig daarna naar het eeuwige feest zullen mogen opgaan.
29. Daarom moeten wij ons daar zorgvuldig toe voorbereiden. Opdat
wij niet met de dwaze maagden, om onze gedoofde lichten, van de bruiloft
worden uitgesloten, maar met de plechtige processie de hemeldeur mogen
binnengaan.
31. Gelukkig de dienstknecht, zegt de evangelist Lucas, dien de heer,
als hij komt, wakende vindt! (Luc. 12, 37).

23
24

HOOFDSTUK 20.
Over het oprecht berouw en de overwegingen.
1. Zoek een geschikten tijd om u met uzelf bezig te houden en gedenk
dan vaak Gods weldaden.
2. Laat dan alle weetgierigheid varen.
3. En neem teksten die u tot berouw opwekken, en geen boeken om u
aangenaam bezig te houden.
4. Als gij van alle onnoodige gesprekken, bezoeken en nieuwtjes of
geruchten wilt afzien, zult gij overvloedigen tijd vinden om u aan de
overweging te wijden.
5. De grootste wijzen en heiligen plachten de menschelijke gezelschap-
pen te vermijden.
6. Een hunner zeide: „Zoo vaak ik onder menschen verkeerd heb, ben
ik altijd minder mensch teruggekeerd." (Seneca).
7. Dit ondervinden ook wij telkenmale, als wij lang gepraat hebben.
10. Wie toch tot een innerlijk en geestelijk leven wil komen, moet met
Jesus de schare ontwijken.
11. Niemand kan geruster voor den dag komen, dan wie gaarne ver-
borgen blijft.
12. Niemand kan beter den mond openen om te spreken, dan die hem
nog liever sluit om te zwijgen.
13. Niemand staat veiliger aan het hoof d, dan wie graag onderdaan is.
14. Niemand kan beter bevelen, dan wie geleerd heeft willig te ge-
hoorzamen.
21. 0, wie nooit de vergankelijke genoegens of vertroosting zocht, wat
zou hij een zuiver geweten hebben!
22. 0, wie alle ijdele bekommering afsneed, en alleen aan God dacht
en op God vertrouwde, wat zou die een wonderbaren vrede genieten!
23. Niemand is de hemelsche vertroosting waard, die zich niet ernstig
geoefend heeft in een heilig berouw.
24. En dat „in het geheim van uw binnenkamer". i(Ps. 4, 5).

Van de eenzaamheid en het stilzwijgen in de eel.
25. In uw cel zult gij vinden, wat ge daarbuiten dikwijls weer verlie-
zen zult.
26. Pas na lang toeven wordt de cel u zoet, en de vaak verlaten cel
gaat u tegenstaan.
28. In de stilte en de rust gedijt de godvruchtige ziel, en leert zij de
verborgenheden der schriften verstaan. (Eccli. 39, 3).
29. Daar vindt zij de genade der tranen, waarin zij zich elken nacht
wasschen en reinigen kan, zoodat ze baadt in den troost van haar schep-
per. (Ps. 6, 7).
30. Want wie zich aan zijn bekenden en vrienden onttrekt, hem be-
zoekt God met zijn heilige engelen.
31. Het is beter te schuilen en voor zijn ziel te zorgen (Hand. 27, 3),
dan zonder aandacht voor zich zelf wonderen en teekenen te doen.
(Math. 7, 22).
24
25

32. Het is geen blaam voor den kloosterling zelden uit te gaan, geen
menschen te ontvangen en ook niet bezocht te wilen worden.
33. Wat zoudt ge willen zien, wat ge toch niet hebben moogt?
34. De zinnenlust lokt tot een wandeling, maar als dat uur voorbij is,
wat brengt ge dan mee thuis dan een verstrooid hart en een bezwaard ge-
weten?
35. Een blije uitgang leidt vaak tot droeven wederkeer, evenals de late
avondvreugde dikwijls een droeven morgen baart.
36. Zoo begint alle zinnenvreugd met mild te vleien, maar op het einde
steekt ze en bijt. (Prov. 33, 31 en 32).
37. Wat snakt gij toch in de schepselen te zien, terwijl ge immers alles
in den schepper zelf ter beschikking hebt?
43. Laat de ijdelheid aan de ijdelen en bidt gij voor hun zonden en
nalatigheden!
42. Richt uw oogen naar God in den hooge (Is. 40, 26), en luister naar
zijn geboden!
44. Sluit de deur achter u toe (Math. 6, 6), en noodig Jesus uw be-
minden vriend naar binnen.
45. Blijf met hem in uw cel. Daar zult gij vrede vinden; terwijl overal
buiten de oorlog woedt.
46. Als gij niet waart uitgegaan, zoudt gij niets van al die praatjes
gehoord, en uw zielevrede veel mooier bewaard hebben.
47. Zoodra ge dus toegeeft aan den lust om de nieuwtjes van buiten
te hooren, moet ge ook weer de onrust van uw hart verkroppen.

HOOFDSTUK 21.

Over het berouw en de goddelijke vertroosting.
7. Gelukkig hij die alle verstrooiing van zich of kan werpen, en zich
kan omgorden tot de vereeniging van een heilige ingetogenheid.
8. Gelukkig hij, die afstand doet van alles wat het geweten bevlekt!
2. Geeft u over aan een heilige vermorzeling des harten, en ge zult
getroost worden.
3. Het berouw openbaart ons vele schatten, die door de verstrooiing
gewoonlijk weer spoedig worden verspild.
5a. Door uit luchthartigheid onze gebreken niet te tellen, onderschei-
den wij de vele distelen niet, die ons steken.
11. Trekt u de beslommeringen van anderen niet aan, en mengt u
niet in de rechtzaken van uw overheden.
17. Als de mensch een volmaakt berouw heeft, staat de heele wereld
hem tegen.
5b. Dikwijls lachen wij dwaas, als wij eigenlijk moesten schreien.
15. Dat wij nooit of zelden den goddelijken troost mogen smaken, heb-
ben wij aan onszelf te wijten, omdat wij de vermorzeling des harten niet
zoeken, en de ijdele gedachten aan de wereld nooit geheel en al willen
afwijzen.

25
26

16. Beken u den goddelijken troost onwaardig en dat ge veeleer straf
en tegenslag verdiend hebt.
21. Stof te over voor gerechte spijt en innerlijk berouw bieden al onze
zonden en ondeugden, waarin wij z66 verstrikt en gebonden liggen, dat
wij ons maar zelden kunnen opheffen om het hemelsche te beschouwen.
3. Als gij de straffen van hel en vagevuur eens ernstig overwoogt, ge-
loof ik, dat ge graag wat moeite en pijn zoudt verduren en voor geen
strenge tucht zoudt terugdeinzen.
24. Maar omdat deze dingen ons niet ter harte gaan en wij altijd nog
minnen wat ons streelt, blijven wij koel en gemakzuchtig.

HOOFDSTUK 22.
Over de beschouwing der menschelijke ellende.
1. Buiten God zijt gij ongelukkig, waar ge ook zijt of waarheen ge u
wendt.
2. Waarom schrikt . ge er dan van, dat niet alles u lukt, gelijk gij het
wilt en wenscht?
3. Wie is er, die alles heeft naar zijn begeeren? Niet ik, noch gij, noch
eenig mensch op aarde.
4. Niemand is in deze wereld zonder tegenslag of moeilijkheden, ook
al mag hij paus of koning zijn.
5. Maar wie heeft het dan nog het beste van alien? Immers hij, die
voor God iets wil lijden.
6. Vele onnadenkende zwakke menschen zeggen:
7. „Zie eens wat een goed leven die man heeft, hoe rijk hij is en hoe
hoog hij in aanzien staat."
8. Maar als gij let op het hemelsche, zult gij vinden dat al het tijdelijke
ons een zware last is, dien wij alleen in druk en vrees kunnen dragen.
11. Hue geestelijker dus een mensch tracht te worden, des te bitter-
der wordt hem het tegenwoordige leven, wijl hij de ellenden van het
menschelijk bederf hoe langer hoe beter beseft en al langer hoe klaarder
inziet.
12. Want eten en drinken, waken en slapen, werken en rusten, zijn
als een siaafsche onderwerping aan de natuurlijke nooden, een kwelling
en een droefenis voor den godvruchtige, die graag- van al het aardsche
ontbonden en vrij van alle zonden wil zijn.
34. Bedenk ten slotte, dat ge door nalatigheid in een ommezien verlie-
zen kunt, wat gij met veel moeite ternauwernood eindelijk door de genade
gewonnen hebt.
35. Wat zal dus aan het einde nog van ons worden, als wij reeds zoo
vroeg verflauwen?
36. Wee ons, die zoo de handen in den schoot leggen, alsof de vrede
reeds in veiligheid daar was (1 Thessal. 5, 3); hoewel er_ nog geen spoor
van waarachtige heiligheid in onzen omgang te bekennen is!
37. Waarlijk het zou hard noodig zijn, dat wij ons opnieuw als novicen
lieten opleiden, of er mogelijk toch nog hoop was op beterschap en een
weliger geestelijken uitbloei.

26
27

HOOFDSTUK 23.
Over de gedachte aan den dood.
1. 0, hoe spoedig zal het hier met u gedaan zijn, evenals met elken ster-
felijken mensch.
5. Gedraag u dus in al uw gedachten, woorden en daden, alsof ge
vandaag nog sterven moest.
8. Zoo gij heden niet klaar zijt, hoe zult gij het dan morgen zijn? Mis-
schien nog veel minder dan nu.
10. Wat baat het lang te leven, en ons leven niet te beteren?
11. Want een lang leven maakt ons niet altijd beter, vaak vermeerdert
het nog onze schuld.
13. Velen tellen reeds jaren na hun bekeering, en toch is hun geeste-
lijke vrucht heel gering.
15. Gelukkig hij, die het uur van zijn dood altijd voor oogen heeft en
zich dagelijks klaar maakt om te sterven.
16. Hebt gij ooit een mensch zien sterven, bedenk dan dat u hetzelfde
wacht en misschien nog veel ijselijker.
17. Van morgen tot avond, en van avond tot morgen weet ge nooit
waar gij terecht komt.
18. Laat de dood u dus nooit ongereed vinden; want hij komt, en
spoedig.
19. Want op een uur, dat hij niet verwacht wordt, zal de Menschen-
zoon komen. (Luc. 12, 40).
21. Gelijk ge thans wenscht dan door den dood te worden aange-
troff en, moet ge nu de pelgrimsreis van uw leven en uw reine hart in-
richten, dat is de wetenschap der heiligen.
23. Veel goeds kunt gij nog doen, zoolang ge gezond zijt, maar wat ge
in uw ziekte nog zult kunnen, weet ik niet.
24. Er zijn er maar weinigen die van ziekzijn heilig worden, evenals
zij die veel bedevaarten doen zelden tot volmaaktheid komen.
25. Vertrouw niet op uw vrienden of bloedverwanten, en stel uw ziel
en, zaligheid niet tot later uit, want de menschen zullen u eerder verge-
ten, dan ge denkt.
31. Nu kunt gij zelf u nog redden uit dat groote dreigende gevaar,
door tijdig voorzorgen te nemen, een godvreezend leven te leiden, en op
den dood bedacht te wezen.
32. Tracht nu vie) te leven, dat ge in uw stervensuur meer reden hebt
om blij dan om bang te zijn.
33. Leer nu reeds te sterven voor de wereld en begin al met Christus
te leven.
Leg nu alle gehechtheid af, om dan vrij naar Christus te kunnen op-
gaan.
34. Bedwing nu uw lichaam door boetedoeningen (1 Cor. 9, 27), om dan
sterk te staan in veilig vertrouwen.
35. Hoe kunt ge meenen nog lang te leven, als gij van geen enkel
oogenblik zeker bent?
36. Hoe velen zijn bedrogen uitgekomen en onverwacht uit dit leven
weggerukt!
27
28

37. Hoe vaak hebt ge hooren zeggen: deze viel door het zwaard en
die is verdronken, deze viel en brak den nek; de een kwam om in het
vuur, de ander door het staal, een derde door de pest, een vierde door
sluipmoord, en weer een ander bleef dood onder het eten, dezen trof
de dood bij het spel, genen vond men dood op bed.
38. En zoo is aller einde de dood, en gaat het leven der menschen als
een schaduw voorbij. (Eccles. 7, 1; Ps. 143, 4).
39. Wie zal later nog aan u denken of bidden voor uw zielerust?
45. Gedraag u hier op aarde als een reiziger (1 Petr. 2, 11), die zich
van de zaken dezer wereld niets hoeft aan te trekken.
46. Houd uw hart vrij en naar uw schepper gericht, omdat ge hier geen
blijvende woning of belangen hebt. (Hebr. 13, 14).
47. Maar richt uw gebeden en tranen daarheen, waar gij eeuwig
blijven kunt.
44. Maak u nu vrienden, door Gods heiligen te vereeren en hun deug-
den na te volgen, om, als ge uit dit leven heengaat, door hen te worden
ontvangen in de eeuwige woningen. (Luc. 16, 9).

HOOFDSTUK 24.
Over het laatste oordeel en de straffen der hel.
1. Let bij alle dingen op het einde, en wel heel bijzonder op het vez-
hoor van het laatste oordeel.
2. Waarom neemt gij toch geen voorzorgen tegen den oordeelsdag,
wanneer ge staan zult voor den alwetenden rechter, terwijl ge soms al
siddert voor den aanblik van een toornig man?
3. Daar zal niet gelet worden op smeeking of waardigheid.
7. Daarom misleiden wij onszelve door de ongeregelde lief de voor ons
lichaam.
8. Wat anders toch zal het eeuwige vuur verslinden dan uw zonden?
9. Hoe meer ge nu uzelven spaart, en door genot aan uw eigenliefde
toegeeft, des te meer brandstof ge bijeengaart.
10. Juist waarin de mensch het meest gezondigd beef t, zal hij het
zwaarst worden gestraft. (Apoc. 18, 7 en Sap. 11, 17).
11. Daar zullen de lauwen met gloeiende prikkels worden gestoken.
(Speculum humanae salvationis).
12. Daar zullen de gulzigen door vreeselijken honger en dorst ge-
kweld worden.
De weelderigen en wellustelingen zullen met brandend pek en stinkend
sulfer worden overgoten.
De nijdassen zullen als dolle honden janken.
14. De hoovaardigen zullen van schaamte worden vervuld.
De gierigaards zullen in het jammerlijkst gebrek geprangd worden.
13. En zoo zal er geen zonde zijn die niet haar eigen straf vindt.
16. Daar is geen rust, geen troost voor de verdoemden. Hier houden
soms toch de moeilijkheden even op, en kan men den troost van vrienden
smaken.

28
29

18. Dan toch zullen de rechtvaardigen met groote vrijmoedigheid
alien tegenover hen staan, die zij benauwd en verdrukt hebben. (Sap. 5, 1),
19. Dan zal opstaan om te oordeelen, wie zich hier nederig onder het
oordeel der menschen boog.
20. Dan zal in den arme en nederige een groot vertrouwen bloeien,
maar voor den hoovaardige en stugge zal er rondom verschrikking zijn.
21. Dan zal hij in de wereld wijs blijken geweest te zijn, die geleerd
heeft om Christus' wil dwaas en veracht te wezen. (Sap. 5, 3 en 5; 1 Cor.
4,10).
22. Dan zal elke geduldig doorstane beproeving ons tot vreugde zijn,
en welig dan bloeit het vleesch, dat in de versterving werd besnoeid.
28. Dan zal de eenvoudige volgzaamheid hoog oprijzen boven alle
wereldsche slimheid en zelfbeschikking.
25. Dan zal het ruwe habijt stralen van luister en de fijnste kleedij
dof zijn en duister.
30. Dan zal de versmading der rijkdommen veel zwaarder blijken te
wegen, dan al de schatten der aardbewoners.
29. Dan zal een rein leven en goed geweten u meer troost en vreugd
geven, dan alle wetenschap en wereldsche flair.
35. Leer nu dus een korte spanne tijds te arbeiden en te lijden, om dan
zonder einde alle geluk en goed in de vreugde des hemels te bezitten.
39. Want zie, ge kunt geen twee hemels hebben, een van verlusiiging
in de wereld, om hierna dan nog Pens te regeeren met Christus.
40. Zoo ge derhalve totnutoe altijd in eere en genot geleefd haat, zou
u dit alles niets gebaat hebben, als gij op het oogenblik sterven moest.
41. Alles hier is dus ijdelheid behalve God te beminnen en hem alleen
te dienen. (Eccles. 1, 2; Deut. 10, 20).
42. Want wie God van ganscher harte liefheeft, heeft geen angst voor
dood noch duivel, vreest geen laatste oordeel of hellestraf, daar immers
die volmaakte liefde hem een veilige weg is naar God.
43. Maar geen wonder, dat wie nog lust heeft in de zonde, door God en
oordeel wordt benauwd.
44. Het is echter goed, dat, zoo de liefde u nog niet van het kwaad
afhoudt, althans de vrees u voor de hel doe schrikken.

HOOFDSTUK 25.
Over de naarstige verbetering van ons leven.
1. Wees dus wakker en naarstig in den dienst van God en bedenk
waarvoor ge hier zijt gekomen, en waarom gij aan het wereldsch bezit
hebt verzaakt.
2. Was het niet om voor God te leven en een geestelijk mensch te
worden?
5. Als gij dus trouw in uw roeping en ijverig in den arbeid volhardt,
zal God ook wis getrouw zijn in de vergelding.
6. Gij moet vasthouden aan de heerlijke hoop, dat gij den palm zult
wegdragen, om niet te verflauwen noch overmoedig te worden.

29
30

7. Er was eens iemand die lang en bang tusschen vrees en hoop was
heen en weer geslingerd, en toen hij eindelijk als gebroken door droef-
heid voor een altaar in de kerk was neergeknield, overdacht hij alles
in zichzelf en zeide: „O, als ik maar wist, dat ik tot het einde volharden
zou!
8. En aanstonds vernam hij Gods antwoord: „En als je dat wist, wat
zou je dan doen?
9. Welaan, doe nu wat je dan zou willen doen en je zult tevreden
zijn."
10. En plotseling was hij getroost en met nieuwe kracht gaf hij zich
over aan Gods welbehagen, en de angstige weifeling was voorbij.
11. Nu zocht hij niet langer nieuwsgierig de toekomst te kennen, maar
trachtte slechts uit te vorschen wat het welbehagen en de wil van God.
was (Rom. 12, 2), om daarnaar elk goed werk in te richten en te vol-
eindigen.
12. Vertrouw op God en doe wat goed is, zegt de profeet, en gij
zult in den rijkdom zijner zoetheid gedijen. (Ps. 36, 3).
21 Veel draagt het tot uw vooruitgang bij, als gij zelf trouw tracht te
vermijden wat ge in anderen vindt af te keuren.
20. Maar als ge een goed voorbeeld ziet of hoort vertellen, moet u dit
aanvuren tot navolging; en zoo zult gij alles in dienst stellen van uw
geestelijken vooruitgang.
22. Want zooals onze oogen op de anderen gericht zijn, zoo zien hunne
oogen ook voortdurend naar ons.
23. Hoe zoet en liefelijk is het vurige en godvruchtige broeders, die in
willige tucht leven, samen te zien; en hoe droevig is het, juist het om-
gekeerde te aanschouwen. i(Ps. 132, 1).
24/27. Hoe verderfelijk is het: uit het oog te verliezen waar God ons
voor geschapen en geroepen heeft, en het voorbeeld van den heer Jesus
niet te volgen, in wiens leven en heilig lijden ge alles vinden kunt, wat
gij begeert.
29/30. Een ijverig religieus heeft troost op troost, maar een lauwe
heeft last op last en zit van alle kanten in de knel, want de innerlijke
troost/ ontgaat hem, en de uiterlijke troost wordt hem ontzegd of zelfs
verboden.
32. Wie met alles de hand Licht, leeft altijd onder druk.
33. Maar het kan ook anders.
Er zijn religieuzen, door de strengste kloostertucht gebonden,
34. die zelden uitgaan, in afzondering leven, schraal eten krijgen en
grove kleeren dragen, die veel werken en weinig praten, die lang waken
en vroeg opstaan, lang bidden en veel lezen, en zich in alles aan den
regel houden.
35. Let eens op de kartuizers, de cisterciensers, en de monniken en
zusters van verschillende andere ordes, hoe zij elken nacht opstaan om den
heer met psalmen te loven.
36. Het zou daarom schande zijn, als gij alleen door traagheid te bed
liggend dezen heiligen plicht verzuimde, terwijl zoo'n groote schare op-
staat om den heer te loven.

30
31

37. Ach, mochten wij toch nooit jets anders willen doer, dan onzen
gezegenden schepper met hart en tong te loven!
38. Ach, zoo ge zelfs niet meer hoefde te eten, te drinken of te
slapen, om altijd door met God bezig te zijn, en u alleen in het geestelijke
hoefde te oefenen!
40. Ach, dat die lichamelijke behoeften er niet waren, maar er alleen
geestelijk voedsel noodig was! maar die verkwikking smaken wij zoo zel-
den, omdat wij zelf voortdurend beletselen stellen.
43. Denk toch heel vaak aan het einde, en dat de verloren tijd nooit
wederkeert. (Eccles. 7, 36).
44. Zonder groote inspanning wordt nooit deugd gewonnen.
45. En zoodra ge begint te verflauwen, begint gij ontevreden te zijn.
46. Maar zoo ge den vurigen ijver aandurft, zult gij grooten vrede
vinden en voelen dat alles u licht valt, wat ge om Gods genade en uit
lief de tot de deugd zult verrichten.
47. De vurige en ijverige van geest is tot alles bereid.
48. Maar het kost veel grooter moeite aan zijn ondeuga'n en driften
te weerstaan, dan zich in zweet en lichaamsarbeid uit te put s en.
50. Bij het slapen gaan en het opstaan zult ge altijd blij gestemd zijn,
als gij den vorigen dag nuttig besteed hebt.
51. Waak dus over uzelf, vermaan uzelf, vuur u aan, en hoe het ook
met de anderen staat, verwaarloos nooit uzelf.
52. Zooveel zult gij toenemen in het goede, als gij uzelf geweld aan-
doet, niets meer en niets minder,

31
BOEK II.
Vermaningen die den mensch meeirekken naar binnen.
Vierde stuk van Geert Groote's dagboek, dat
hij schreef te Deventer in 1377 en 1378.
Hier spreekt de schrjver weer met zijn
eigen ziel.

HOOFDSTUK 1.
Van het Rijk Gods in ons binnenste.
1. Gods rijk is binnen u, zegt de heer. (Luc. 17, 21).
2. Keer je dan van ganscher harte tot hem, en verlaat deze jammer-
lijke wereld; dan vindt je ziel rust. (Joel 2, 12).
3. Leer de uitwendige dingen versmaden, en geef je over aan het in-
wendige, dan zie je het rijk Gods in je komen.
4. Want het rijk Gods is vrede en vreugde in den heiligen Geest, wat
niet gegeven wordt aan de boozen. (Rom. 14, 17).
5. Christus komt tot je, en brengt je zijn troost, als je hem van binnen
een waardige woning bereidt.
6. Al zijn eer en schoonheid gaat van binnen uit. En wat daar binnen
is behaagt hem. (Ps. 44, 14).
7. Bij den inwendigen mensch komt hij druk op bezoek, met zoete
samenspraak en milden troost, met grooten vrede en heel wonderlijke
vriendschap.
8. Ach, trouwe ziel, bereid voor dezen bruidegom je hart, opdat hij
tot je kome, en in je wane.
9. Want hij spreekt aldus: „Wie mij liefheeft, die houdt zich aan mijn
woord.
En wij zullen tot hem komen en met hem wonen". (Joan. 14, 23).
10. Maak dus plaats voor Christus, en weiger aan alle anderen den
toegang.
11. Wanneer je Christus hebt, ben je rijk, en heb je genoeg.
12. Hij is je huismeester, en je trouwe voorziener van alle dingen:
zoodat je niet meer hoeft te hopen op de menschen.
13. De menschen veranderen zoo spoedig, en gaan gauw weer heen,
maar Christus blijft voor eeuwig en staat je trouw bij tot aan het einde.
(Joan. 12, 34).
14. Op den sterflijken en broozen mensch is troost noch groote hoop
te bouwen, hoe lief en nuttig hij ook is. Ook is het niet zoo's groote
ramp, als een mensch tegen je is of je tegenspreekt.

32
33

15. Wie heden voor je is kan morgen tegen je zijn, en omgekeerd, want
de menschen veranderen vaak, net als het weer.
16. Stel dus al je hoop in God. God zij je vrees en je liefde!
(Prov. 3, 5).
17. Hij antwoordt voor je en regelt alles zooals het 't allerbest is.
(Is. 38, 14).
18. Je hebt hier geen blijvende woonplaats; overal waar je bent, daar
ben je een vreemdeling en een reiziger; en nooit kun je rust hebben, als
je niet met Christus van binnen vereenigd bent. (Nebr. 13, 14 en Ps.
38, 13).
19. Wat sta je nu dan rond te kijken, als hier toch je rustplaats niet
is? (Hand. 7, 49).
20. De plaats van je rust en je woning zal in den hemel zijn; alle
aardsche dingen moeten dus als in het voorbijgaan bezien worden.
21. Alle dingen vergaan, en jij met hen.
22. Zorg dus, er niet aan vast te hangen, opdat je niet wordt meege-
trokken en ten slotte verongelukt.
23. Bij den allerhoogste moet je gedachte zijn, zonder ophouden moe-
ten je gebeden tot Christus komen. (Sap. 5, 16).
24. Kun je niet voortdurend aan de hooge en hemelsche dingen den-
ken, rust dan uit in het lijden van Christus en woon graag in zijn heilige
wonden.
25 Vlucht je devoot in zijn heilige wonden en kostbare lijdensteekenen,
dan voel je in je droefenis groote kracht; dan acht je den smaad der
menschen gering en verdraag je gemakkelijk den laster.
26. Ook Christus werd versmaad door de menschen, en verlaten door
vrienden en bekenden, in groote nooden, onder veel hoonende woorden
en opspraak.
27. Christus wilde lijden en zich laten versmaden, en durf iij nu ergens
om klagen?
28. Christus had tegenstanders en lasteraars en wil jij ze nu alien tot
vrienden en weldoeners hebben?
29. Waarvandaan zal je geduld bekroond worden, als geen tegen-
spoeden je mogen treffen?
30. Als je geen tegenwind kunt verdragen zal Christus je niet tot
vrind vragen.
31. Hou dit uit met Christus en je medechristenen, als je tenminste
eenmaal met Christus wilt triomfeeren.
32. Was je maar Bens heel en al in Jesus' inwendigheid binnengegaan,
en had je maar een beetje geproefd van Jesus Christus' brandende liefde,
dan gaf je niet meer om je eigen gemak of ongemak, maar zou je je ver-
heugen om hoon en tegenspraak; want de liefde voor Christus die maakt,
dat de mensch zichzelven versmaadt.
33. De waarachtige en inwendige minnaar van Christus die vrij is van
ongeregelde begeerten, die kan zich vrijelijk naar God keeren, en zich
opheffen boven zichzelf en zoo in God rusten.
34. Wie alle dingen verstaat en opneemt zooals ze zijn, en niet zooals

33
3
34

ze worden genoemd of belicht, die is waarlijk wijs en meer door God dan
door menschen onderricht. (Is. 54, 13).
35. Wie inwendig met zichzelf alles kan overleggen en bepraten, en
de dingen van buiten kan voorbijgaan, die hoeft geen aparte plaats op te
zoeken, en geen tijd of te wachten, om een devote oefening te hebben.
36. De inwendige mensch verzamelt zich weer spoedig, omdat hij zich
nooit heelemaal over de uitwendige dingen uitgiet.
37. Hem schaadt geen uitwendige arbeid of noodzakelijke bezigheid,
maar al naar de dingen komen, zoo richt hij er zich naar.
38. Wie goed gesteld en geregeld is, let niet veel op de onwijze en
wonderlijke daden der menschen.
39. Juist zooveel wordt een mensch erdoor gehinderd en schichtig ge-
maakt, als hij zich de dingen belieft aan te trekken.
40. Was je recht gericht en heelemaal rein, dan kwam alles je ten
goede en zelfs ten bate!
41. Daarom mishagen je vele zaken en bedroeven je vaak, omdat je
nog niet volkomen jezelf afgestorven bent, en van alle aardsche dingen
gespeend.
42. Niets bevlekt en verstrikt zoozeer 's menschen hart als de onreine
lief de voor de schepselen.
43. Veracht je trouw den troost van buiten (Ps. 76, 3, 4), dan vermag
je vaak: je onuitsprekelijk te verheugen van binnen, en hemelsche dingen
te schouwen.

HOOFDSTUK 2.

De hoop op Gods hulp.

1. Tel het niet zwaar: wie voor je en wie tegen je is, maar waak en
zorg dat God met je is, in alle dingen die je doet.
2. Heb een goed geweten, dan verdedigt God je wel.
3. Want wien hij helpen wil, Bien kan niemands boosheid en verkeerd-
heid schaden. (Rom. 8, 31).
4. Kun je zwijgen en lijden, dan zul je zien de hulp des heeren.
5. Hij kent den weg om je te verlossen; geef je daarom over aan hem.
6. Aan God hoort het toe je te helpen, en te verlossen van alle schande.
(2 Paral. 25, 8).
7. Om ons in grooter ootmoed te bewaren, is het zeer nuttig dat
andere menschen onze gebreken kennen en bestraffen.
8. Wanneer zich de mensch verootmoedigt om zijn gebreken, dan stilt
en voldoet hij gemakkelijk wie zich over hem vertoornen.
9. God beschermt en verlost den ootmoedige. Den ootmoedige troost
God en heeft hij lief. Naar den ootmoedigen mensch buigt God zich
neder en geeft hem groote genade, en heft hem na zijn verdrukking tot
de eeuwige eere op.
10. Aan den ootmoedige openbaart hij zijn geheimen, en trekt hem
zacht tot zich.

34
35

11. De ootmoedige is tevreden in de versmading en den laster, want
hij steunt op God en niet op de wereld.
12. Waan niet dat je vooruitgegaan bent in de deugd, eer je voelt dat
je beneden alien staat.

HOOFDSTUK 3.

Van den vrede daarbinnen.
1. Houd eerst jezelf in vrede, dan kun je ook andere menschen tevre-
den maken.
2. Een vreedzaam mensch is nuttiger dan een geleerde.
3. Een vrede-verstoorder maakt goed tot kwaad en gelooft het kwaad
gemakkelijk.
4. Maar een goed tevreden mensch legt alles ten goede uit.
5. Wie echt tevreden is, die verdenkt niemand; maar wie niet echt
tevreden en toornig is, die wordt opgejaagd door allerlei booze gissingen;
hij heeft zelf geen rust en laat ook anderen niet met rust.
6. Zoo iemand zegt vaak wat hij niet moest zeggen.
Ook laat hij na, wat hij doen moest, en wat hem nuttig was.
7. Hij let erop wat andere menschen moeten doen, en verzuimt wat
hem zelf te doen staat.
8. Richt dus eerst je ijver en aandrang ten goede op jezelf, en let pas
daarna op je naaste.
9. Je eigen werken weet je mooi te verontschuldigen, maar de ver-
ontschuldiging van een ander wil je niet laten gelden.
10. Het zou juister zijn dat je jezelf aanklaagde en je broeder veront-
schuidigde.
11. Wil je verdragen worden, verdraag dan eerst de anderen.
12. Zie hoever je nog afbent van de ware lief de en ootmoedigheid,
die op niemand boos of verontwaardigd kan worden behalve op zichzelf.
13. Om te gaan met goede en zachtmoedige menschen is geen groote
kunst, want dat behaagt natuurlijk aan allen.
Iedereen heeft gaarne vrede en houdt meer van hen die het met hem
eens zijn.
14. Maar in vrede te leven met harde, booze en onbeschaafde men-
schen, en met hen die ons tegenstaan en afstooten, dat is een groote genade
en lets loffelijks en manhaftigs.
15. Daar zijn er, die van nature vrede hebben met zichzelf en met
andere menschen.
16. Daar zijn er, die zelf geen vrede hebben en andere menschen ook
niet met vrede laten; dezen zijn voor anderen een kruis, maar voor zich-
zelven het allerzwaarste.
17. Er zijn er ook sommigen die zichzelf dapper in vrede houden, en
ook andere menschen tot vrede brengen.
18. Onze heele vrede in dit jammerlijke leven ligt meer in het oot-
moedig verdragen dan in het vermijden van den tegenspoed.

35
36

19. Wie het best kan lijden heeft den rijksten vrede.
Die is overwinnaar van zichzelf, heer der wereld, vriend van Christus
en erfgenaam des hemels!

HOOFDSTUK 4.
Van zuiverheid en eenvoud.
1. Op twee vleugels wordt de mensch uit de aardsche dingen opge-
heven: namelijk op eenvoud en op zuiverheid.
2. De eenvoud moet zijn in de bedoeling, de zuiverheid in de begeerte.
3. De eenvoud denkt aan God en ziet naar God; de zuiverheid smaakt
en ontvangt hem.
4. Geen goed werk kan je hinderen, als je inwendig vrij bent van
alle onordelijke begeerte.
5. Zoek je niets anders dan Gods welbehagen en het nut van je
naasten, dan bezit je de inwendige vrijheid.
6. Was je hart oprecht en zuiver, dan waren alle schepselen je een
spiegel en een boek vol heilige leer.
7. Want er is geen schepsel zoo klein of zoo nietswaardig, dat niet
wijst op Gods goedheid.
8. Was je inwendig rein en goed, dan begreep je en zag je alles
zonder hindernis.
9. Het zuiver hart .dringt door tot in hemel en hel!
10. En gelijk een mensch is van binnen, zoo oordeelt hij ook van buiten.
11. Als er ergens vreugde is in de wereld, dan is dat bij een mensch
met een zuiver hart.
12. En bestaat er ergens ware droefenis en angst, dan kent het booze
geweten die het best.
13. Gelijk het ijzer in het vuur gestoken den roest verliest en gloeiend
rood wordt, zoo wordt de mensch, als hij zich heel en al naar God keert,
in een nieuwen mensch herschapen; en hij wordt zelfs van het lichaam
losgemaakt.
14. Wanneer de mensch begint lauw te worden, dan wordt hij bang
voor kleine moeite en heeft graag uitwendigen troost.
15. Maar wanneer hij zich begint te overwinnen en manhaftig voort-
gaat op den weg van God, dan telt hij de dingen niet meer die hem vroe-
ger zwaar leken.

HOOFDSTUK 5.
Van de zelfinbeelding.
1. Ook onszelf moeten wij niet al te zeer gelooven, omdat ons vaak
de genade en het inzicht ontbreekt.
2. Er is slechts een klein lichtje in ons (Jo. 12, 35), dat wij nog spoe-
dig verliezen door zorgeloosheid.
3. Vaak letten wij er ook niet op, dat wij inwendig zoo blind zijn.

36
37

4. Dikwijls doen wij kwaad, en verontschuldigen ons, wat het nog
erger maakt. Somwijlen worden wij bewogen van hartstocht en ongeduld, en
wanen dat het toorn is uit ijver om de gerechtigheid.
5. In anderen berispen wij kleinigheden; en onze eigen veel erger fou-
ten daar gaan wij over heen. (Math. 7, 5).
6. Heel gauw voelen en tellen wij het, wat wij van anderen uitstaan,
maar wij merken niet op, hoe erg anderen van ons to lijden hebben.
7. Wie deugdelijk en rechtvaardig zijn eigen daden wou afwegen, die
zou niet met zoo'n gezag over een ander den staf breken.
8. De inwendige mensch zet de zorg voor zichzelf boven alle vreemde
zorgen.
9. En wie zichzelf met ijver nagaat, die zwijgt gemakkelijk over
anderen.
10. Nooit word je inwendig en godvruchtig, als je niet zwijgt over
anderen en kijkt naar jezelf.
11. Let je geheel op jezelf en op God, dan doet het je weinig, wat je
van buiten waarneemt.
12. Waar ben je, wanneer je niet bij jezelf bent?
13. En als je alles hebt afgeloopen en jezelven verwaarloosd, wat
heeft het je dan gebaat?
Wil je vrede hebben en de ware eenheid met God bewaren, dan is
het noodig dat je alle dingen den rug toekeert, en alleen jezelf voor
oogen hebt.
14. Veel zul je er op vooruitgaan, als je je vrijwaart van alle tijdelijke
zorgen.
15. Je zult altijd bedrogen uitkomen, als je welk tijdelijk ding dan ook
van belang acht.
16. Niets zal je groot en hoog, welgevallig of aangenaam ziin buiten
God en Gods belangen!
17. Houd alles, wat je aan troost van de schepselen toekomt, voor heel
en al ijdel.
18. De ziel, die God liefheeft, versmaadt alle dingen en geeft zich
over aan hem.
19. God alleen is oneindig en eeuwig en overal. Hij is der zielen troost,
en de ware blijdschap der harten.

HOOFDSTUK 6.
Van een goed geweten.
1. De blijdschap van een braven mensch is de getuigenis van zijn
goed geweten. (2 Cor. 1, 12).
2. Heb een goed geweten, en je zult altijd vreugde hebben.
3. Een goed geweten kan veel lijden verdragen, en is zelfs in tegen-
spoed.heel gelukkig.
4. Het kwade geweten is allerwegen bevreesd en onrustig.
5. Zoet is je rust, als je hart je niet berispt. (1 Joan. 3, 21).
6. En je zult je nooit prettig voelen, als je niet wel hebt gedaan.

37
38

7. De boozen hebben geen waarachtige vreugde; ook voelen ze geen
inwendige rust, omdat er voor de boozen geen vrede is, zegt de heer.
(Is. 48, 22 en 67, 21).
8. En zeggen ze: „Wij zijn in vrede, over ons komt geen kwaad",
geloof ze niet; want plotseling zal zich Gods toorn verheffen (1 Thessal.
5, 3), hunne werken worden vernietigd en hunne gedachten vergaan.
(Ps. 145, 4).
9. Gelukkig zijn in het lijden valt den minnaar niet zwaar.
Want dit is niets dan een juichen in het kruis des heeren. (Rom. 5, 3,
Gal. 6, 14).
10. Kort is de blijheid die door menschen wordt gegeven en verkregen.
11. De blijheid der wereld wordt immers altijd gevolgd door droefheid.
13. De vreugde der rechtvaardigen is van God en in God, en hunne
blijdschap bloeit op uit de waarheid. (1 Cor. 13, 6).
14. Wie de onvergankelijke waarachtige vreugde begeert, die geeft
niets om de tijdelijke.
15. En wie thans de tijdelijke blijheid zoekt, of ze niet van voren of
aan versmaadt, stelt blijkbaar de hemelsche vreugde niet op prijs.
16. Groote rust en kalmte des harten heeft hij, die niet geeft om lof
of laster.
17. Gemakkelijk is hij tevreden en vergenoegd, wiens geweten zuiver is.
18. Je bent niet heiliger wanneer je geprezen wordt, noch minder
waard als je wordt belasterd.
19. Wat je bent dat blijf je; en je bent niet grooter of kleiner dan
God getuigt dat je bent.
20. Let je er op wat je van binnen waard bent, dan geef je er niets
om, wat de menschen van je vertellen.
21. De menschen zien je in het aangezicht, maar God kijkt in het
hart. (1 Kon. 16, 17).
22. De menschen slaan de werken gade, maar God weegt de gedachten.
23. Altoos weldoen en weinig met zichzelf ophebben, is een teeken
van een ootmoedige ziel.
24. Geen troost willen ontvangen van welk schepsel dan ook, is een
blijk van groote zuiverheid en innig vertrouwen.
25. Wie van buiten geen getuigenis zoekt tot zijn eer, die heeft zich
heel en al Gode bevolen.
26. Want niet wie zichzelf prijst, is onderzocht en goed bevonden, ge-
lijk de apostel Paulus zegt, maar wien God prijst. (2 Cor. 10, 18).
27. Omgaan met God en aan geen begeerte van buiten vastzitten, dat
is de staat van den inwendigen mensch.

HOOFDSTUK 7.
Van Jesus en de kunst hem te beminnen.
1. Zalig is hij die ontdekt wat het is: Jesus lief te hebben, en zich-
zelf ter lief de van Jesus te verachten.
2. De geliefde behoort alle dingen om zijn lief te verlaten, want Jesus
wil boven alle dingen bemind worden.

38
39

3. De liefde der schepselen is vol bedrog en ongestadig, de liefde van
Jesus is standvastig en getrouw.
4. Al wie aan de schepselen vastzit, komt met hen ten val, wie echter
Jesus vastgrijpt, wordt bestendigd in hem.
5. Heb lief en houd hem tot vriend, die je niet verlaten zal, ook als
ze allen van je henenwijken; en die tenslotte niet zal gedoogen, dat je
verongelukt.
6. Of je wilt of niet, je moet eenmaal afscheid nemen van alles.
7. Of je dus leeft of sterft, beveel je aan in Jesus' trouw en houd je
aan hem, die je eenige helper kan zijn, als ze allen ondergaan.
8. Je beminde is van nature zoo, dat hij niemand of niets vreemds
naast zich duldt; maar hij wil je hart voor zich alleen hebben, en daar
zetelen van binnen als op zijn eigen troon.
9. Kon je jezelf uit alle schepselen terugvorderen, dan wilde Jesus
voor goed met je wonen.
10. Al wat je buiten Jesus op menschen gebouwd hebt, zul je ten
slotte als een teleurstelling moeten boeken.
11. Je moet niet hopen noch steunen op den hollen riethalm; want al
het menschelijke is als het hooi en alle tijdelijk goed vergaat als een
bloempje in het gras. (Is. 40, 6).
12. Spoedig zul je bedrogen worden, als je alleen naar den uiter-
lijken schijn der menschen kijkt.
13. Zoek je je troost en je voordeel bij de menschen, dan zul je vaak
schade en verlies lijden.
14. Zoek je Jesus in alle dingen, dan vind je hem.
15. Zoek je jezelf, dan vind je ook jezelf, maar tot je verderf.
16. Want door Jesus niet te zoeken berokkent de mensch zichzelven
een grooter ellende dan de heele wereld en al zijn tegenstanders hem
kunnen aandoen.

HOOFDSTUK 8.
(Vervo1g)
1. Als Jesus bij je is, dan is alles goed, en lijkt niets je zwaar.
2. Maar als hij je alleen laat, dan valt het allemaal hard.
3. Als Jesus daarbinnen niets zegt, is 66k alle troost van buiten waar-
deloos.
4. Maar spreekt Jesus ook maar een woord, dan wordt het hart won-
derlijk getroost.
5. Zoo ging het immers Maria van Bethanie, die aanstonds opstond,
toen Martha haar, die daarbinnen zat te weenen, toefluisterde: De heer
is er en vraagt naar je. (Joan. 11, 28).
6. Een zalige stonde is het, als Jesus ons wegnoodigt van de tranen
naar de vreugden des geestes.
7. Hoe dor en ongevoelig ben je zonder Jesus!
Hoe dof en hoe leeg is alles, als je iets buiten Jesus begeert.
8. Is dat geen grooter schade dan als je de heele wereld verloor?

39
40

10. Zonder Jesus zijn, is wreede hellepijn, met Jesus zijn is een zoet
paradijs.
11. Was Jesus altijd bij je, dan kon geen vijand je schaden.
12. Wie Jesus vindt, vindt een goeden schat, waarlijk hij vindt een
goed boven alle goed. (Eccli. 5, 14).
13. En wie Jesus verliest, die verliest maar al te veel, meer dan de
gansche wereld.
15. Het is een groote kunst: te kunnen omgaan met Jesus, en hem
weten vast te houden is een groote wijsheid.
16. Wees ootmoedig en tevreden, dan blijft Jesus bij je.
18. Maar je kunt Jesus licht verjagen en zijn gunst verliezen, als je
gaat afdwalen naar de dingen van buiten.
19. En als je hem weggejaagd en verloren hebt, tot wien zul je dan
vluchten?
En wien neem je dan tot vriend?
20. Zonder vriend kan je niet leven; en is Jesus je vriend niet boven
alien, dan word je bedroefd en verlaten.
21. Dwaas doe je als je in iemand anders je hoop of vreugde stelt.
22. Het is veiliger te kiezen: de heele wereld tegen je te hebben, dan
Jesus te verliezen.
23. Daarom moet onder alle lieve vrienden Jesus alleen je boezem-
vriend zijn.
24. Heb dan alien lief om Jesus, maar Jesus om hemzelven.
26. Om hem en in hem moeten zoowel vriend als vijand je lief zijn.
En voor hen alien moet je tot hem bidden, dat zij hem alien liefhebben
en erkennen.
27. Nooit zul je verlangen in het bijzonder te worden bemind of te
worden geprezen; want dat komt alleen God toe, die niemand heeft aan
hem gelijk. (Jerem. 10, 6).
29. Wees rein en vrij van binnen, zonder dat een schepsel je in den
weg sta!
30. Wil je zien en ervaren hoe zoet de peer is, dan moet je God een
onbevlekt en louter hart toedragen.
31. En weet wel, dat je daartoe niet kunt geraken, als je niet voor-
komen en getrokken wordt door Gods genade; zoodat alles in je leeg en
open staat, om daar alleen te zijn met God.
32. Want als de genade Gods in den mensch komt, dan krijgt hij
kracht tot al wat hij wil. (Phil. 4, 13).
33. Maar als ze uit hem henenwijkt, dan is hij arm en voelt zich als
een dief, die voor straf gegeeseld moet worden.
34. Doch ook dan moet je niet neerslachtig worden of wanhopig, maar
je moet je heelemaal naar Gods wil zetten, en alles lijden ter liefde van
Jesus Christus.
Want na den winter volgt de zomer, na den nacht komt de dag en juist
na onweer komt een groote opklaring. (Tob. 3, 22).

40
41

HOOFDSTUK 9.
Over de afwisseling van troost en verlatenheid.
1. Het is niet moeilijk alien menschelijken troost, te verachten, als
wij de koestering van Gods liefde voelen.
2. Maar het is iets groots en heel groots: zoowel den goddelijken als
den menschelijken troost te kunnen ontberen, en alleen om de eer van
God de ongetroostheid des harten te willen lijden; en in geen enkel ding
zichzelf te zoeken, en niet te vragen naar eigen loon of verdienste.
3. Wat is er voor groots in, dat je blij bent en nederbuigt, zoolang
Gods genade tot je komt: voor alien toch is dit uur begeerlijk:
4. Door Gods genade gedragen rijdt men op zachte kussens in een
wagen.
5. En wat wonder is het, dat hij geen vermoeienis kent, die opgevoerd
wordt door den almachtige en zich geleid voelt langs hemelsche wegen.
6. Gaarne hebben wij echter iets tot troost, en heel moeilijk hint de
mensch geheel los van zichzelven.
7. Sint Laurentius overwon de wereld met zijn priester, want hij ver-
achtte alles wat in de wereld was, en leed het geduldig uit liefde tot
Jesus, dat sinte Sixtus dien hij liefhad, van hem werd weggenomen.
8. In de liefde tot God overwon hij de liefde tot den mensch, en ver-
koos het goddelijk welbehagen boven den menschelijken troost.
9. Leer jij ook zoo ter liefde Gods Leven,- een lieven vriend verlaten.
10. En acht dat niet te zwaar, als je alleen achterblijft, want wij moe-
ten alien toch eenmaal van .elkander scheiden.
11. Veel en lang moet de mensch in zichzelven vechten, eer hij zich
volmaakt leert overwinnen; en eer hij zijn persoonlijk begeeren naar bin-
nen kan trekken in God.
12. Wanneer de mensch op zichzelf is aangewezen, dan vervalt hij
weer spoedig tot het zoeken van menschelijken troost.
13. Maar de waarachtige Christusminnaar en vlijtige navolger zijner
deugden, die valt niet aan op troost, en zoekt ook geen uitwendige zoet-
heid, maar hij zoekt fellen smaad en harden arbeid om Christus' wille.
14. Wanneer je daarom geestelijke troost gegeven wordt, ontvang
dien met dankbaarheid; en weet dat het een gave Gods is, en niet je eigen
verdienste.
15. Ook moog je je niet verheffen, en je niet al te zeer verheugen, en
je niet ijdellijk overschatten; maar je moet des te ootmoediger, voorzich-
tiger en angstvalliger zijn in al je werken, want die tijd gaat voorbij en de
beproeving volgt, zoodra de troost je wordt afgenomen.
16. Wanhoop dan niet te gauw, maar wacht met ootmoed en geduld
op de hemelsche bezoeking.
Want God is machtig genoeg om je alien troost weer te geven.
17. Dit is nu niets nieuws of vreemds voor .hen die ervaren zijn op den
weg naar God; want in de groote heilige propheten was dezelfde wijze
van afwisseling.

41
42

18. In het genot der genade sprak een dienaar Gods aldus: „Ik zeide
in mijn overvloed: ik zal in eeuwigheid niet meer wankelen." (Ps.
29, 7-12).
19. Maar wat hij in de afwezigheid der genade ondervond, zegt hij
daarna: ,,Gij hebt uw aangczicht van mij afgewend en ik ben bedroefd
geworden."
20. Ondertusschen werd hij niet mistroostig, maar bad nog dringender
tot den heer en zeide: „Neer, ik heb aldoor tot U geroepen en tot mijn
God gebeden."
21. Ten slotte wordt hij verhoord en verkrijgt de vrucht van zijn ge-
bed; en daarvan getuigt hij aldus: „De heer heeft mij verhoord .en zich
over mij ontfermd, en is mijn helper geworden."
22. Waarom en hoe? „Gij hebt, zoo sprak hij, mijn geween in blijd-
schap doen verkeeren, en mij met vreugde overstelpt."
23. Is het zoo met groote heiligen gegaan, dan moet er dus ook geen
mistroostigheid in ons, kranken en armen, zijn, als wij sours in verlauwing
vallen.
24. Want de Geest komt en gaat naar welbehagen van zijn wil.
De zalige man Job zegt: Gij bezocht hem 's morgens vroeg en weldra
weer stelt gij hem op de proef. (Job 7, 18).
25. Daarom, waar kan ik nog op hopen, of waarin moet ik nog ver-
trouwen, dan in de groote barmhartigheid van God alleen, en in de hoop
op de hemelsche genade? (1 Petr. 1, 13).
26. Hoewel er toch goede menschen, devote broeders, trouwe vrien-
den, heilige boeken, schoone geschriften, zoete zang en loi om me zijn;
dit alles helpt weinig en smaakt maar matig, zoolang ik in mijn eigen
armoe door Gods genade word alleen gelaten.
27. Dan is er geen beter redmiddel dan geduld en vertrouwen op den
wil Gods.
28. Ik heb nog nooit iemand ontmoet, die zoo geestelijk en zoo de-
voot was, dat hem niet somwijlen de genade werd onttrokken en zijn vurig-
heid verminderde.
29. Geen heilige is ooit zoo hoog verheven en verlicht, die niet vroeg
of laat op de proef is gesteld.
30. Want wie zich niet ter lief de van God heeft geoefend in de be-
proeving, is de hooge beschouwing niet waard.
31. De voorafgaande beproeving is meestal een aankondiging van de
daarna volgende vertroosting.
Want slechts hun die in de beproeving getoetst zijn, wordt de hemel-
sche troost beloofd.
32. Aan hem die overwint, wil ik geven van het hout des levens, zegt
de heer. (Apoc. 2, 7).
33. De goddelijke troost wordt gegeven, opdat de mensch er sterker
door worde om tegenspoed te verdragen.
34. En daarop volgt weer de beproeving; opdat hij zich niet op dat
goede verheffe.
35. De duivel slaapt niet, en het vleesch is nog niet dood.
36. Houd daarom niet op je gereed te maken tot den strijd tegen de
vijanden van rechts en links, die nimmer rusten. (Math. 27, 38).
42
43

HOOFDSTUK 10.

Van de dankbetuiging.

1. Waarom zoek je toch naar rust, terwij1 je voor den arbeid bent ge-
boren? (Job. 5, 7).
2. Leg je toe op geduld meer dan op troost, op het dragen van het
kruis meer dan op genoegen en pleizier.
3. Wie van de wereldsche menschen zou ook niet graag troost en
geestelijke vreugde hebben, als hij die altijd krijgen kon?
4. De geestelijke troost gaat boven alle wereldsche vreugd en wellust.
5. Want alle aardsche lusten zijn ijdel of schaamteloos.
6. De geestelijke geneugten echter zijn verkwikkend en zedig, ze wor-
den geteeld uit deugden en de reine zielen ingestort door God.
7. Maar niemand kan al maar door van den goddelijken troost ge-
nieten; omdat de tijd der beproeving niet Lang uitblijft.
8. De valsche vrijheid des gemoeds en het vertrouwen op zichzelf ver-
sperren vaak den weg voor het goddelijk bezoek.
9. God doet wel, met de genade van troost te geven, maar de mensch
doet verkeerd met niet alles in grooten dank naar God terug te leiden.
10. Hierom kunnen de genaden ons vaak niet overstroomen, omdat wij
den gever ondankbaar zijn; en deze gaven niet trouw in de bron van
oorsprong terugstorten.
11. Altijd wordt er genade gegeven aan hem, die de genade dank-
baar aanvaardt, en van den hoovaardige wordt afgenomen wat den oot-
moedige gegeven wordt. (Math. 13, 12).
12. Ik wil niets weten van troost die mij het berouw ontneemt.
Ook begeer ik geen beschouwing die mij voert tot hoovaardij.
13. Want al het hooge is nog niet heilig, en alle zoet is nog niet goed,
niet elke begeerte is rein, en niet alle liefs is God aangenaam.
14. Maar graag wil ik genade hebben waar ik godvruchtiger en oot-
moediger van word; en waaruit de bereidwilligheid groeit mijzelf te ver-
laten en over te geven.
15. Wie eenmaal wijs is geworden door de genade Gods en den
tegenslag van haar uitblijven, schrijft zichzelf niets goeds meer toe, maar
erkent te liever zijn eigen armoede en naaktheid.
16. Geef aan God wat van God is (Math. 22, 21), en schrijf jezelf toe
wat jou is.
Dat is: wees God dankbaar voor zijn genade; en geef aan jezelf alle
schuld, en de daarmee verdiende boetepijn. (Math. 22, 21).
17. Ga altijd op de laagste plaats zitten, dan wordt je de hoogste
gegeven. (Luc. 14, 10).
18. Want het hoogste kan immers niet staan zonder te steunen op
het laagste.
19. De heiligen die door God het hoogst verheven worden, zijn voor
henzelf de allergeringsten.
20. En hoe hooger ze in aanzien zijn, des te ootmoediger zijn ze in
zich zelf.

43
44

Zij zijn vol waarheid, en vol hemelsche eer, en daarom zijn ze niet
begeerig naar ijdele eer. (Gal. 5, 26).
21, In God zijn ze gegrondvest, en zoo kunnen ze op geenerlei wijze
hoogmoedig wezen.
22. En ze schrijven aan God al het goed toe, dat ze ontvangen hebben.
Ze zoeken geen lof van elkander, maar de eer die van God alleen
komt. (Joan. 5, 44).
Ze willen en begeeren aldoor dat God in al zijn heiligen boven alles
geloof d wordt.
23. Wees dus dankbaar voor het allerkleinste, dan word je waardig
iets grooters te ontvangen.
24. Waardeer de kleinste gift niet minder dan de grootste, en de
algemeene genaden niet minder dan de bijzondere.
25. Want als je de waarheid van den goddelijken gever in acht neemt,
is geen enkele gift klein of onbeteekenend, want het kan niets kleins we-
zen, wat gegeven wordt door den allerhoogsten God.
26. Oak wanneer hij ons straf en slagen overzendt, moet ons dat aan-
genaam zijn.
Want al wat hij ons toe laat komen, dat doet hij ten alien tijde tot onze
zaligheid.
27. Wie dus verlangt de gunst Gods te bewaren, die zij dankbaar voor
elke genade die hem gegeven wordt, en geduldig, wanneer ze hem wordt
onthouden.
28. Laat hij hidden dat ze wederkome, en behoedzamer en ootmoedi-
ger wezen, om ze niet opnieuw te verliezen.

HOOFDSTUK

Somniigen volgen Jesus alleen in de vertroosting.
1. Jesus heeft thans wel veel liefhebbers van zijn hemeisch rijk, maar
weinig dragers van zijn kruis.
2. Hij heeft veel minnaars van troost rand zich, maar niet veel lief -
hebbers van de beproeving.
3. Hij vindt vele gezellen aan zijn tafel, maar weinig deelnemers aan
zijn onthouding.
4. Velen verlangen zich met hem te verheugen, maar weinigen be-
geeren met hem te lijden.
5. Velen volgen Jesus na tot het breken van het brood; maar slechts
weinigen komen tot aan den kelk van het lijden. (Luc. 24, 35; Math.
20, 22).
6. Velen vereeren zijn wonderteekenen, maar weinigen volgen tot
in de schande van het kruis.
7. Velen hebben Jesus lief, zoolang niets tegen hun zin in gaat.
8. Velen zegencn en loven hem, zoo lang ze vertroost worden.
9. Maar als Jesus zich verbergt, en ze een oogenblik verlaat, verval-
len ze in geklaag en groote verslagenheid.

44
45

10. Wie echter Jesus lief hebben om Jesus' wille, en niet om hen zelf,
die zegenen hem in alle beproeving en angst des harten evengoed als in
den hoogsten troost.
11. En zelfs als hij hun nimmer troost wilde geven, dan zouden zij
hem toch evenzeer danken en zegenen.
12. 0, hoeveel vermag de pure lief de tot Jesus, die niet vermengd is
met eigenliefde en hebzucht!
13. Worden ze niet terecht alien loonknechten geheeten, zij die altijd
vragen om troost?
14. En bewijzen zij, die aitijd op hun gemak en voordeel uit zijn, niet
zelf ten duidelijkste: dat ze veel meer van zichzelf dan van Christus
houden?
15. Waar wordt hij gevonden, die God wil dienen milder eenige bij-
gedachte van winst?
16. Een groote zeldzaamheid is de geestelijke mensch, die zich geheel
en al losmaakt van al het geschapene.
17. Wie weet den waren arme van geest te vinden (Math. 5, 3), die
bloat al het geschapene opgeeft?
18. Wijd tot aan verre kusten reikt zijn lof! (Prov. 31, 10).
19. Geeft een mensch al zijn goed af, dan is het immers nog niets!
(Hoogl. 8, 7).
20. En doet iemand groote boetedoening, dan is het nog maar weinig.
21. Ook al verstaat hij alle kunsten en wetenschdp, dan is hij nog ver
van het doel.
22. En oak al heeft een mensch groote deugd, en een brandende devo-
tie, zoo ontbreekt hem nog heel veel.
23. Vooral een ding, dat hij het hardst noodig heeft. (Luc. 10, 42).
24. En wat is dat? Dat is dit, dat hij na alle dingen verlaten te hebben,
zichzeif verlaat, en geheel uit zichzelven treedt en niets geen eigenliefde
meer overh,oudt.
25. En als hij dan gedaan heeft alle dingen die hij wist te moeten doen,
dat hij dan vole en mecne: dat hij eigenlijk nog niets heeft gedaan.
26. En laat hij het niet als iets groots beschouwen wat men toch groat
zou willen achten, maar zich in oprechtheid een onnutten knecht noemen.
27. Gelijk de waarheid zegt: Als gij alles gedaan hebt, wat u is op-
gelegd, zegt dan: wij zijn onnutte knechten. (Luc. 17, 10).
28. Dan pas kan hij waarlijk arm en naakt van geest zijn.
29. En mag hij zeggen met den profeet: 1k ben arm en met mij zelf
aileen. (Ps. 24, 16).
30. Niemand is rijker, niemand is machtiger, niemand is vrijer, dan
wie alle dingen en zichzelven kan verlaten, en zich dan neer wil zetten
op de alleriaagste piaats.

HOOFDSTUK 12.
Over het dragen van het kruis.
1. Voor velen klinkt het woord te hard (Joan. 6, 61): Negeer jezelf,
neem je kruis op en volg mij na. (Math. 16, 24).

45
46

2. Maar veel harder zal het zijn als laatste woord te hooren: Gaat weg
van mij, vervloekten, in het eeuwig vuur. (Math. 25, 41).
3. Al wie nu gaarne het woord van het kruis hoort en uitvoert, zal dan
geen angst hebben voor het woord der eeuwige verdoemenis. (Ps. 111, 7).
4. Het kruis zal aan den hemel staan, als de heer komt ten oordeels-
dag. (Math. 24, 30).
5. En dan zullen alle vrienden van het kruis, die zich in dit leven
naar Christus hebben gericht (Rom. 8, 29), opgaan tot hem in groot ver-
trouwen.
6. Wat vrees je dan! Neem op je kruis, waar je mee in den hemel
komt.
7. Aan het kruis is zaligheid. Aan het kruis is het leven.
Aan het kruis is beschutting tegen den vijand.
8. Aan het kruis de instorting van het hoogste zoet.
Aan het kruis de zielekracht. Aan het kruis de geestelijke vreugde.
9. Aan het kruis de schat van alle deugden, aan het kruis alle vol-
maaktheid en heiligheid.
12. Hij is ons voorgegaan met het dragen van zijn kruis en hij is voor
ons gestorven aan het kruis, opdat ook wij ons kruis zouden dragen, en zou-
den willen sterven aan het kruis.
13. Want sterf je met hem, dan zul je ook met hem leven. (Rom. 6, 8).
14. En ben je zijn gezel in de pijnen, dan zul je ook zijn gezel zijn
in de glorie. (2 Cor. 1, 7).
15. Zie, van het kruis, en van de versterving, daar hangt alles van af.
En daar is geen andere weg naar het leven en den waren inwendigen
vrede, dan de weg van het heilige kruis en van de dagelijksche versterving.
16. Ga waar je wilt, en zoek wat je begeert, je zult geen hoogeren
weg vinden daarboven en geen veiliger weg daar beneden dan den weg
van het heilige kruis.
17. Schik en richt alle dingen naar je wil, en zie, je vindt niets
anders dan overal wat te moeten lijden, graag of noode, en zoo vind je
dus altoos het kruis.
18. Een van de twee: of je zult in het lichaam pijn voelen, of in den
geest zul je verdriet hebben.
19. Nu eens word je van God verlaten, dan weer word je door je
naaste op de proef gesteld.
En wat weer is, je wordt aanhoudend voor jezelf een kruis. (Job. 7, 20).
20. En je zult in geen heelmiddel verlichting of troost vinden, maar je
moet het lijden zoolang als God het wil.
21. Want God wil inderdaad dat je leert lijden zonder troost, om
jezelf heelemaal aan hem over te geven eri ootmoediger te worden in het
leed.
22. Niemand voelt zoo hartelijk Christus' lijden aan, als wien het
overkomt iets dergelijks te mogen verduren.
23. Zoo staat het kruis dus altijd klaar, en verwacht je overal.
24. Waarheen je ook loopt, je kunt het niet ontvlieden.
Want overal waar je komt, daar breng je jezelven mee, en vind je
altoos jezelf.

46
47

25. Keer je naar omhoog of keer je naar omlaag, keer je naar buiten
of keer je naar binnen, overal zul je vinden het kruis, en overal moet je
het geduldig verduren, als je inwendig den vrede wilt hebben, en wilt
verdienen de eeuwige kroon.
26. Draag je het kruis gaarne, dan zal het jou dragen en tot het be-
geerde eindpunt brengen, waar dus een einde komt aan het lijden, al zai
dat niet hier beneden zijn.
27. Draag je noode het kruis, dan maak je het tot een last, en be-
zwaar je jezelf nog erger en moet je het tOch evengoed dragen.
28. Werp je het eene kruis van je af, dan vind je zonder twijfel een
ander, en misschien een nog veel zwaarder.
29. Of meen jij te kunnen ontkomen aan wat totnutoe geen sterveling
heeft kunnen ontgaan?
30. Wie van de heiligen heeft in de wereld geleefd zonder kruis en
lijden?
31. Zelfs Jesus Christus, onze heer, was geen enkel uur zonder lijden,
zoolang hij in deze wereld leefde.
32. Christus moest lijden en opstaan van den dood en zoo in zijn glorie
binnengaan. (Luc. 24, 26 en 46).
33. Hoe kun je dan een anderen weg zoeken, dan dezen koninklijken
weg van het heilige kruis?
34. Heel het leven van Christus was een kruis en martelie; wil jij
dan rust en vreugde zoeken?
35. Je dwaalt ver van huis als je iets anders zoekt dan te lijden.
Want heel dit sterfelijk leven is vol ellende en kruisen.
36. En hoe verder je vordert in den geest, des te hooger kruis je
vaak vindt, omdat het heimwee der ballingschap met de lief de toeneemt
en groeit.
37. Doch de zoo op velerlei wijzen gekruiste, blijft nochtans niet zon-
der verkwikking en troost, want overgroote vrucht voelt hij groeien uit
het dragen van zijn kruis.
38. Als hij zich gewillig aan het kruis overgeeft, dan wordt hem alle
last van het lijden in de hoop op goddelijken troost verlicht.
39. En hoe meer zijn vleesch door de pijn wordt gepraamd, des te
meer wordt zijn geest door de innige genade gestaald.
40. Ja soms wordt de mensch met zoo wondere kruisbegeerte hegena-
digd, dat hij uit pure gelijkheidsliefde tot Christus aan het kruis, niet meer
wil wezen zonder pijn of lijden.
41. Want dan vertrouwt hij vast, aan God des te weigevalliger te
zijn, naarmate hij meer en erger zal mogen verdragen om hem.
42. Dit is geen menschenkracht meer, maar de genade van Jesus, onzen
heer, die bewerkt in het brooze vleesch, dat de mensch in de vurigheid
van zijn geest, almaar begeert en streeft naar wat hij van nature vlucht en
vreest.
43. Neen, het is niet naar menschenaard: het kruis lief te hebben, het
lichaam te doen boeten en sloven, de eer te schuwen, graag schande te
lijden, zichzelf te versmaden en graag versmaad te willen worden, graag
alle tegenspoed en onrecht op te loopen en hier op aarde niets aange-
naams meer te verlangen. (1 Con 9, 27).
47
48

44. Zie je naar jezelf, dan vermoog je niets hiervan uit jezelven
(2 Cor. 3, 5).
45. Maar hoop je op God, dan zal je geworden kracht uit den hemel
en zullen de wereld en het vleesch gehoorzamen aan je bevel.
46. En ook den duivel behoef je niet meer te vreezen, als je gewa-
pend met het geloof, en geteekend bent met het kruis van onzen heer.
47. Geef je dan over om als een goede en getrouwe knecht mannelijk
het kruis van je heer te dragen, die zichzelf liet kruisigen uit liefde tot ons.
48. En bereid er je op voor: om veel tegenspoed en allerhande onge-
mak in dit ellendige leven te verdragen.
Want dat is tenslotte de samenvatting van alles, waar je ook komen
zult, en zoo zul je het in waarheid vinden, waar je ook schuilt.
49. Het heeft zoo moeten zijn, er is geen middel om aan het verdriet
en het lijden te ontkomen. (Ps. 106, 39).
50. Drink dan met liefde den kelk des heeren, als je tenminste zijn
vriend wilt wezen, en deel wilt hebben met hem. (Joan. 18, 11 en 13, 8).
51. Voor je troost zal God wel zorgen, laat hem daarmee doen gelijk
het hem behaagt.
52. Maar je eigen taak is het je over te geven om alle moeilijkheden
te lijden, en beschouw dat als een grooten zegen.
Want het lijden van dezen tijd is nog lang niet genoeg voor de toeko-
mende glorie, ook al zou je alleen alle lijden samen ondergaan. (Rom.
8, 18).
53. Als je maar eenmaal zoover komt, dat de moeilijkheid je zoet
wordt, en je aanstaat om Christus' wille, dan vaar je wel, want dan heb
je het paradijs op aarde gevonden.
54. Doch zoolang het lijden je zwaar valt, en je er aan zoekt te ontko-
men, zoolang zul je het moeilijk hebben, en zal de jacht uit de moeilijk-
heden je volgen allerwegen.
55. Maar zet je je er toe om te willen lijden en je te versterven, ge-
lijk het behoort, dan wordt het spoedig beter en zul je den vrede vinden.
56. Ook al werd je met sint Paulus tot in den derden hemel opgeno-
men (2 Cor. 12, 2), dan was je nog niet veilig tegen alle leed en tegen-
spoed.
57. Jesus immers zeide van hem: ik zal hem toonen hoeveel hij om
mijn naam zal moeten lijden. (Hand. 9, 16).
58. Houd het daarom bij het lijden, als het je verlangen is: Jesus lief
te hebben en hem eeuwig te dienen.
59. Ach was je het waardig jets te lijden om Jesus' naam (Hand. 5,
41); hoe groote eer zou dat voor je zijn; wat een vreugde voor alle heili-
gen, en welk een stichting zou dat geven voor je naasten.
60. Want alle menschen vereeren ten slotte de lijdzaamheid als iets
groots, al zijn er maar weinigen die werkelijk lijden willen.
61. Met alle recht en reden moest je dus gaarne een beetje lijden om
Christus' wille, daar er immers zoovelen zijn, die veel zwaarder dingen
voor de wereld uitstaan.
62. Weet dit dus zeker, dat je een stervend leven moet leiden.
63. En hoe meer de mensch aan zich zelve sterft, des te meer begint
hij te leven voor God.
48
49

64. Niemand is in staat de hemelsche dingen te begrijpen, die zichzelf
niet overgeeft om tegenspoed te lijden voor Christus!
65. Niets is God aangenamer, en niets voor jezelf heilzamer in deze
wereld dan gaarne te lijden om Christus' wille.
66. En als je te kiezen hadt, dan moest je meer verlangen om Christus
tegenkanting te verdragen dan met veel troost verkwikt te worden.
Zoo zul je immers meer gelijkvormig worden aan Christus en zijne hei-
ligen.
67. Want onze verdienste en onze vooruitgang in de deugd bestaat
niet in veel zoetheid en troost, maar veeleer in het dulden van wrang-
heid en tegenslag.
68. Was er toch voor der menschen zaligheid lets beters en nuttigers
geweest dan het lijden, dan zou voorwaar Christus ons dat met zijn woord
en zijn voorbeeld wel geleerd en betuigd hebben.
69. Maar aan de apostelen die hem volgden en alien die naar hem
luisteren willen, geeft hij altijd klaar en duidelijk dezelfde les: Wie na
mij wil komen, die verzake zichzelven en neme zijn kruis op en volge mij
na. (Marc. 8, 34; Math. 16, 24; 10, 38; Luc. 9, 23; 14, 27; Phil. 3, 48;
Tit. 2, 12).
70. Daarom is, na alles gelezen en onderzocht te hebben, dit dus het
einde en het slot: Dat wij door vele wederwaardigheden moeten ingaan
in het rijk van God. (Hand. 14, 21).

49
4
BOEK III.
EERSTE DEEL.
Vermaningen die den mensch meetrekken naar binnen.
Dit is het vifide fragment van Geert Groote's dag-
boek, dat hij schreef te Deventer van 1379 tot 1383.

HOOFDSTUK 1.

Van Christus' spreken daarbinnen.
De leerling.
1. Ik wil hooren wat God de heer in mij spreekt. (Ps. 84, 9).
2. Zalig de ziel, die in zich den heer hoort spreken, en uit zijn eigen
mond het woord van troost verneemt.
3. Zalig de ooren, die zijn fluisteringen weten op te vangen en de in-
blazingen der wereld niet hooren. (Exod. 20, 19).
4. Ja, zalig de ooren, die niet luisteren naar de stem van buiten, maar de
waarheid hooren, die ons van binnen onderricht.
5. Zalig de oogen, die gesloten zijn voor het uitwendige, maar aan-
dachtig het inwendige beschouwen.
6. Zalig zij, die in de eeuwige waarheden dOOrdringen, en zich in
dagelijksche oefening opwerken om de hemelsche verborgenheden te ver-
staan.
7. Zalig zijn zij, die alleen op God letten en alle menschelijke hinder-
nissen van zich afschudden.
8. 0 mijn ziel, neem dit ter harte en sluit toe de deur van je vleesche-
lijke zinnen, opdat je hooren moogt, wat God de heer in je spreekt.
9. Dit zegt je Lief:

De meester.
0 ziel, ik ben je zaligheid (Ps. 34,3), je vrede en je leven.
10. Houd je aan mij, zoo vind je vrede.
11. Laat al het vergankelijke varen en zoek het eeuwige.
12. Wat is al het tijdelijke anders als bedrog?
13. En wat kunnen je alle schepselen baten, als je door je schepper
bent verlaten?
14. Zie daarom van alle dingen af, en geef je over aan je schepper,
om hem te behagen en trouw te zijn. Dan zul je de ware zaligheid erlangen.

50
51

HOOFDSTUK 2.
Hoe de Waarheid binnen in ons spreekt zonder gedruisch
van woorden.
De leerling.
1. Spreek heer, Uw knecht luistert. (1 Kon. 3, 10).
2. Ik ben Uw knecht, geef mij verstand, opdat ik Uw getuigenis kenne.
(Ps. 118, 125).
3. Neig mijn hart naar Uwe barmhartigheid, en laat Uw inspraak
vloeien als de morgendauw. (Dent. 32, 2).
4. Eenmaal zeiden de kinderen van Israel tot Mozes: „Spreek gij ons
toe, en wij willen luisteren, maar laat de heer ons niet toespreken, opdat
wij het niet besterven." (Exod. 20, 19).
5. Niet alzoo, heer, niet alzoo zeg ik, maar ik smeek met den profeet
Samuel ootmoedig: „Spreek Gij, heer, want Uw dienaar luistert." (1 Kon.
3, 10).
6. Laat Mozes mij niet toespreken, of een der profeten, maar spreek
Gij zelf liever, heer God, die alle profeten ingeeft .en verlicht.
7. Want Gij alleen kunt zonder hen mij onderrichten, terwijl zij het
niet kunnen zonder U.
8. Zij kunnen wel klanken spreken van buiten, maar zij geven niet van
binnen het geestelijk begrip.
Zij spreken schoone woorden, maar zij ontvonken het hart niet, zoolang
Gij zwijgt.
9. Zij brengen de letter over, maar Gij opent het verstand. (Luc. 24, 45).
10. Zij kondigen de verborgenheden aan, maar Gij ontsluit den zin der
bedoelde waarheid.
11. Zij leeren Uw geboden, Gij helpt ze ons volbrengen.
12. Zij wijzen den weg, maar Gij geeft de kracht om dien weg to be-
wandelen.
13. Zij werken alleen van buiten, Gij onderricht de harten en verlicht
ze.
14. Zij besproeien van boven, maar Gij geeft de vruchtbaarheid.
15. Zij roepen met woorden, maar Gij voegt daarbij het verstaan.
16. Laat daarom Mozes niet tot mij spreken, maar Gij, mijn heer en
mijn God, die de eeuwige waarheid zijt; opdat ik niet sterve en zonder
vrucht blijve, zoo ik alleen van buiten vermaand, en niet van binnen ont-
stoken word.
17. Opdat het mij niet alleen tot verdoemenis worde, dat ik Uw woord
wel gehoord maar niet gedaan, wel gekend maar niet bemind, wel geloofd
maar er mij niet aan zou gehouden hebben.
18. Daarom spreek Gij, heer, Uw knecht luistert.
Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. (Joan. 6, 69).
19. Spreek mij toe tot troost mijner ziel en tot verbetering van mijn
heele leven, U tot lof en prijs en eeuwige eere! (1 Petr. 1,7).

51
52

HOOFDSTUK 3.
Dat men Gods woord aanhooren mod met ootmoedigheid.
De meesier.
1. Zoon, hoor mijn woorden, mijn allerzoetste woorden, die de wijs-
heid overtreff en van alle wereldwijzen.
2. Mijn woorden zijn geest en leven (Joan. 6, 64) en kunnen niet ge-
meten worden met menschelijke maat.
3. Ook mag men ze niet hooren tot een ijdel beliagen, maar men moet
ze aannemen met grooten ootmoed en dankbaarheid.
De leerling.
4. Daarom heb ik uitgeroepen: Zalig de mensch, o heer, dien Gij on-
derricht, en wien Gij Uwe wet verklaart, om hem wat rust te geven van
de kwade dagen, opdat hij in de ballingschap niet heel en al verlabm
zij. (Ps. 93, 12).
De meester.
5. Ik heb de profeten onderricht van den beginne af, en totnutoe houd
ik niet op te spreken, maar velen zijn doof voor mijn stem en ongevoelig.
6. De meesten hooren liever naar de wereld dan naar God.
7. Ze volgen liever de begeerte van het vleesch dan Gods welbehagen.
8. De wereld belooft hun tijdelijke en nietige dingen, en men ziet haar
naar de oogen.
9. Ik beloof het allerhoogste en eeuwige en de harten der menschen
blijven onbewogen.
10. Wie is er die mij in alles met dezelfde zorg dient en onderdanig
is, waarmee hij de wereld en hare heeren dient?
11. „Schaam u, Sion", zegt de zee (Is. 23, 4), dat gij meer let op de
wereldsche dingen. En hoor waarom.
12. Om een kleine toelage gaat men een langen weg, maar voor het
eeuwige leven verzetten velen nauwelijks een voet.
13. Een nietige winst wordt nagejaagd, en om een penning wordt
vaak gekeven, om een beuzeling of een poovere toezegging maakt men
zich moe dag en nacht.
14. Maar o schande, voor het onverganklijke goed, en de boven alle
begrip uitgaande zaligheid, voor de hoogste eer en een oneindige heer-
lijkheid is men te sloom om zich eenige moeite te geven.
15. Schaam je hierover, jij trage knecht, dat de kinderen der wereld
zooveel ijveriger ten verderve loopen dan jij naar het eeuwige leven.
16. Zij verheugen zich meer in de ijdelheid dan jij in de waarheid.
17. Toch worden ze vaak in hun , verwachting bedrogen (Job. 40, 28),
maar mijn belofte bedriegt niemand, en stelt niemand te leur, die er in
gelooft.
18. Ik wil geven, wat ik beloof d, en vervullen, wat ik gezegd heb, als
men maar trouw blijft in mijn lief de tot het einde toe. (Math. 10, 22).
19. Ik ben de vergelder van alle goed, en de nauwkeurige toetser van
alle godvruchtige zielen.
52
53

20. Schrijf dus mijn woorden in je hart en overweeg ze ijverig; want
ten dage der beproeving zul je ze hard noodig hebben.
22. Op tweeerlei wijze pleeg ik mijn uitverkorenen te bezoeken: met
beproeving en vertroosting.
23. En alle dagen geef ik hun twee onderrichtingen, eene om hun ge-
breken te laken, en eene om hen tot deugd aan te sporen en op te wekken.
24. Wie mijn woorden gekend en ze versmaad heeft, over hem zal ik
rechter zijn op den laatsten oordeelsdag. (Joan. 12, 48).

HOOFDSTUK 4.
Hoe men de genade der godsvrucht kan verwerven.
De leerling.
25. Heer mijn God, al mijn goed zijt Gij.
26. En wie ben ik, dat ik tot U durf spreken?
27. Ik ben Uw allerarmste knecht en een vertrapt wormpje, nog veel
armer en verachtelijker dan ik zelf weet of zeggen durf.
28. Gedenk echter heer, dat ik niets ben, niets heb en niets kan.
29. Gij alleen zijt goed, rechtvaardig en heilig.
Gij vermoogt alles, Gij geeft alles, Gij vervult alles, alleen den zondaar
laat Gij ledig staan.
30. Denk heer aan Uw barmhartigheden (Ps. 24, 6) en vervul mijn
hart met Uw genade, Gij die niet wilt dat Uw werken ijdel blijven. (Sap.
14, 5).
31. Hoe zou ik het uithouden in dit ellendige leven, als Gij mij niet
sterkte en staalde met Uw genade?
32. Wend Uw aangezicht niet van mij of (Tob. 4, 7), talm niet mij te
bezoeken en onttrek mij Uw troost niet, opdat mijn ziel voor U niet worde
als een dor land zonder water. (Ps. 142, 6).
33. Heer, leer mij Uw wil doers (Ps. 142, 10), leer mij met U omgaan
eerbiedig en ootmoedig.
34. Want Gij zijt mijn wijsheid, die mij in waarheid kent, en Ge hebt
mij reeds gekend, eer de wereld bestond en lang eer dat ik geboren werd.
(Joan. 17, 5).

HOOFDSTUK 5.
Dat men oprecht en ootmoedig in Gods tegenwoordigheid
mod leven.
De meester.
1. Mijn zoon, wandel oprecht in mijn tegenwoordigheid (Gen. 17, 1),
en zoek mij overal met een eenvoudig hart. (Sap. 1, 1).
2. Wie oprecht in mijn tegenwoordigheid leeft, zal veilig zijn van alle
booze aanslagen, en de waarheid zal hem bevrijden van verleiding en
snooden laster. (Sap. 10, 12).

53
54

3. Als de waarheid je bevrijdt, zul je werkelijk vrij zijn (Joan. 8, 32,
36) en je niet meer bekommeren over de ijdele woorden der menschen.
8. Gedenk je zonden met groot misnoegen en droefheid en meen toch
nimmer dat je jets beteekent om je goede werken.
9. Je bent inderdaad een zondaar met vele driften behept.
10. Uit jezelf streef je altijd naar het nietige, licht val je, vaak word
je verslagen, aanstonds word je verward en ontmoedigd.
11. Niets heb je waar je je op beroepen kunt, maar veel waar je je
om vernederen moet, want je bent nog veel zwakker dan je zelf kunt
begrijpen.
12. Bij alles wat, je doet, moet je niet denken, dat het jets groots, jets
kostbaars of jets wonderbaars is, jets beteekenends of jets bijzonders.
Want niets is werkelijk loffelijk of begeerlijk dan alleen het eeuwige.
13. De eeuwige waarheid moge je dus meer dan al het tijdelijke be-
hagen.
14. En je eigen voosheid moet je ten alien tijde met misnoegen ver-
vullen.
15. Je zult niets zoozeer vreezen, zoozeer vluchten en zoozeer uit-
schelden als je eigen ondeugden en zonden, die je meer verdriet moeten
doen dan alle tijdelijke schade.
16. Sommigen leven niet eenvoudig voor mijn aangezicht (Tob. 3, 5),
maar willen uit nieuwsgierigheid en aanmatiging mijn mysteries en mijn
goddelijke geheimen doorgronden, terwijl ze op zichzelf en hun eigen
zaligheid geen acht geven.
17. Dezen vallen vaak in groote bekoringen en zonden door hun hoo-
vaardij en ijdele wetenschap, omdat ik ze weersta.
18. Vrees het oordeel Gods en sidder voor den toorn van den almach-
tige. (2 Mach.7,38).
19. Matig je niet aan Gods daden na te gaan, maar onderzoek je eigen
boosheid en hoe ernstig je misdaan en hoeveel goeds je verzuimd hebt.
20. Sommigen stellen hun godsvrucht alleen in de boeken, anderen
in beelden of uitwendige teekenen en symbolen.
21. Sommigen hebben mij vaak in den mond, maar zelden in het hart.
22. Anderen ten slotte zijn verlicht in den geest, gelouterd in hun ge-
negenheden; ik zie ze altijd smachten naar het eeuwige, met tegenzin hun
aardsche behoeften voldoen en mij liefhebben boven alle dingen, meer
dan rijkdom en wetenschap.

HOOFDSTUK 6.
De herdenking der menigvuldige weldaden Gods.
De leerling.
1. Heer, open mijn hart voor Uwe wet, en leer mij leven naar Uw
geboden. (2 Mach. 1, 4 en Ps. 118).
2. Geef mij Uw wil te kennen (Ephes. 5, 17), en met grooten eerbied
en naarstigheid Uwe weldaden te overdenken, zoowel in het algemeen als
in het bijzonder, opdat ik U waardig moge danken.

54
55

3. Zeker, ik weet wel dat ik U nooit ten voile voor het allerminste kan
bedanken.
4. Ik ben minder waard dan al het goede, dat Gij mij gegeven hebt
(Gen. 32, 20); en als ik Uwe milddadigheid beschouw, dan wordt mijn
geest bedolven onder de overstelping.
5. Al wat wij hebben naar lichaam en ziel, en al wat wij van binnen
of buiten onze natuur bezitten, het is alles Uw gift en weldaad.
6. En hoewel de eene meer en de andere minder ontvangt, zoo is toch
alles een gave van U, en kan men ook het allerminste niet hebben dan
van U.
7. Wie meer heeft, kan niet roemen op zijn verdienste, om zich boven
anderen te verheffen die minder ontvangen hebben.
8. Want de grootste en beste is hij die het minste goed aan zichzelf
toeschrijft, en het nederigst en devootst is in zijn dank aan God; en wie
zich voor het geringst en het onwaardigst van alien houdt, is het best op
weg om de rijkste gaven te ontvangen.
9. Maar ook wie het minst kreeg, moet daarover niet klagen of mor-
ren of den rijkerbedeelde benijden.
10. Alle dingen zijn van U, en daarom zit Gij in alles te prijzen.
11. Gij weet wat voor ieder dienstig is; en te beoordeelen waarom de
een meer en de ander minder heeft, komt niet aan ons toe, maar aan U.
12. Ik acht het dan ook een groote weldaad, heer mijn God, dat ik
niet veel heb, waarvoor ik geeerd zou worden door de menschen.
13. En wie zoo zijn eigen pooverheid en geringheid inziet, moet zich
daarover niet bedroefd of verslagen voelen, maar dat moet hem juist een
groote troost en vreugde wezen, omdat Gij o God juist de armen en de
geringen hebt uitverkoren tot Uw bijzondere vrienden en gezellen.
14. Hiervan getuigen immers Uwe apostelen, die Gij tot vorsten over
de heele wereld hebt aangesteld. (Ps. 44, 17).
15. Zij hebben dan ook in de wereld geleefd zonder klagen (Phil. 3, 6)
en waren ootmoedig en eenvoudig zonder erg of bedrog (1 Petr. 2, 1),
zoodat zij zich verheugden, toen ze tegenspraak en vervolging leden om
Uw naam, en zij verlangend omhelsden wat de wereld versmaadt. (Hand.
6, 41).
16. Daarom moet dus de dankbare erkenner Uwer weldaden zich over
niets anders verheugen dan over Uw wil en het welbehagen van Uw
eeuwige beschikking.
Daarin alleen moet hij zijn genoegen en troost vinden: dat hij even
graag de minste wil wezen, als de anderen begeeren de meesten te zijn;
dat hij even vergenoegd en tevreden is op de laagste plaats te komen, als
op de eerste (Luc. 14, 10); dat hij even gaarne zonder eenige naam of faam
veracht en verworpen wil zijn, als voor den grootsten en meest vereerden
in de heele wereld gehouden te worden.
17. Want heer, Uw wil en de vurige ijver voor Uw eere moet hem
boven alles gaan, en zal hem meer troosten en meer behagen dan al Uw
weldaden, die hem ooit gegeven zijn of nog kunnen gegeven worden.

55
56

HOOFDSTUK 7.
Van vier dingen die grooten vrede brengen.
De meester.
1. Mijn zoon, nu wil ik je den weg des vredes (Luc. 1, 79) en der ware
vrijheid leeren.
3. Doe je best om liever een andermans dan je eigen zin te doen.
4. Kies altijd liever minder te hebben dan meer.
5. Zoek steeds op de laagste plaats te komen, en alien onderdanig te
zijn.
6. Begeer altijd, dat Gods wil volkomen geschiede. (Math. 6, 10).
7. Zie, zulk een mensch vindt de volheid van vrede en rust.

De leerling.
8. Heer, deze korte les houdt heel wat volmaaktheid in.
9. Ze is kort van stof, maar rijk aan zin en heel vruchtbaar.
10. Kon ik ze trouw nakomen, dan zou ik niet zoo Licht verstoord
worden.
11. Want telkens als ik mij ontevreden en bezwaard voel, ondervind
ik, dat ik van deze leer ben afgeweken.

HOOFDSTUK 8.
Dat wij niet nieu- wsgierig eens anders leven moeten nagaan.
De meesier.
1. Mijn zoon, wees niet bekommerd over andermans zaken.
2. Wat gaat je dit of dat aan? Volg jij mij na. (Joan. 21, 22).
3. Wat komt het er op aan of deze zus of zoo is, en of gene zoo of
anders doet en spreekt?
4. Je hoeft toch niet voor een ander te antwoorden, maar alleen van
jezelf rekenschap te geven.
5. Waarom zou je dus daarover_ bekommerd zijn?
6. Zie ik ken alien, en ik zie alles wat in de wereld gebeurt. (Joan.
2, 24, 25).
Ik weet hoe iedereen ervoor staat, al wat hij denkt en wil, al wat hij
bedoelt.
7. Laat daarom alles aan mij over, en hou jezelf in vrede en rust; en
laat jagen wie jaagt, jagen zooveel als hij wil.
8. Komen zal over hem al wat hij doet en zegt, want mij kan hij niet
bedriegen.
9. En maak je ook geen zorgen om den schijn van een goeden naam.
(Lucanus).
Wat baten je allerlei vriendschappen en intieme vertrouwelijkheden?
10. Want dit alles brengt verstrooiing en groote somberheid in je hart.

56
57

11. Zoo gaarne wilde ik je wat zeggen en een geheim toevertrouwen,
als je mijn komst verwachten en mij trouw de deur van je hart wilde
openen.
12. Wees aandachtig en wakker in je gebed (1 Petr. 4, 7) en veroot-
moedig je in alle dingen. (Eccli. 3, 20).

HOOFDSTUK 9.
Waarin de vrede des harien en de ware voortgang bestaat.
De meester.
1. Mijn zoon, ik heb gezegd: Den vrede laat ik je, mijn vrede geef ik
je, niet zooals de wereld hem geef t, geef ik je hem. (Joan. 14, 27).
2. Allen smachten ze naar vrede, maar wat tot den waren vrede dient,
daar geven zij niet om.
3. Mijn vrede is met de ootmoedigen en de zachtmoedigen. (Math.
11, 29).
4. Jouw vrede moet een groote geduldigheid wezen.
5. Zoo je naar mij luistert en mijn raad volgt, zul je rijken vrede
smaken.
7. Let altijd op jezelf bij wat je doet en wat je zegt; en richt er al
je aandacht op, om mij alleen te behagen, en buiten mij niets te zoeken
of te verlangen.
8. Oordeel ook niet vermetel over het doen of zeggen van anderen, en
bemoei je niet met •dingen die je niet zijn opgedragen, dan zal je ziele-
vrede maar zelden of weinig gestoord worden.
9. Maar nooit eenige moeilijkheid, nooit ziels- of lichaamskwelling te
ondervinden, dat behoort niet tot dit leven, maar in den staat der
eeuwige rust.
10. Meen daarom niet den waren vrede gevonden te hebben, als je
heelemaal geen zwarigheid voelt; of dat alles wel met je gaat, als niets
je tegenstaat, of dat hierin de volmaaktheid gelegen is, dat alles van een
leien dakje loopt.
11. Stel het ook niet bijzonder op prijs, of meen niet een bevoorrecht
kind Gods te zijn, zoodra je eens veel devotie en troost ondervindt.
Want niet hieraan kent men den waren minnaar der deugd, en de ware
voortgang en volmaaktheid is niet hierin gelegen.

De leerling.
12. Waarin dan wel, heer?

De meesier.
13. Hierin, dat je van ganscher harte je aan den goddelijken wil of -
staat en overgeeft, zonder ooit je eigen nut of belang te zoeken (1 Cor.
13, 5), in klein noch groot, in tijd noch eeuwigheid; maar met hetzelfde
vriendelijk en dankbaar gezicht alle voor- of tegenspoed van mij aan-

57
58

neemt, en alles weet of te wegen naar mijn zuivere weegschaal. (Job 31, 6).
14. Als je zoo sterk en lankmoedig in de hoop werdt, dat je van harte
bereid waart, om als mijn innerlijke troost je verlaat, nog veel meer te
lijden; en als er dan geen enkele verontschuldiging in je opkwam, alsof
je dit of dat niet of althans niet zoo erg verdiend hadt, maar mij in al
mijn beschikkingen gelijk gaaft, en mij wilde loven en prijzen, dan was je
op den goeden weg van den vrede, dan mocht je ontwijfelbaar hopen, dat
je eenmaal mijn aangezicht in onuitsprekelijke vreugde zult aanschouwen.
(Job. 33, 26).
15. En als het je lukt te komen tot een volmaakte versmading van
je zelf, weet dan, dat je dan alle volheid des vredes zult smaken, die
in dit Leven mogelijk is.

HOOFDSTUK 10.
Dat vooral de eigenliefde ons afhoudt van het hoogste goed.
De meester.
1. Mijn zoon, voor alles moet je ook alles overhebben.
2. Weet, dat je eigenliefde je dus meer schaadt, dan eenig ding ter
wereld.
3. Naar de mate van je eigenliefde en gehechtheid, zal elk ding je
minder of meer vasthouden.
4. Was je lief de zuiver, eenvoudig en welgeordend, dan had de we-
reld niets geen vat op je.
5. Begeer dus ook niet, wat je toch niet hebben mag.
6. En wil niets hebben, wat je ziel schaadt of je innerlijke vrijheid
bedreigt.
7. Vreemd en verwonderlijk is het, dat je je niet aan mij toevertrouwt
met alles wat je kunt wenschen of bezitten.
8. Waarom toch word je verteerd door ijdelen kommer? (Mich. 4, 9).
Waarom toch tob je in noodelooze zorgen? (Exod. 18, 18).
9. Hou je aan mijn welbehagen, en niets kan je schaden.
10. Maar als je nu dit dan dat zoekt, nu hier dan daar wilt wezen, op
eigen voordeel en begeerte uit, kom je nooit tot rust, want elk ding heeft
zijn gebrek en daarom is er overal iets dat je tegenstaat.
11. Daarom heipt ook niet al wie of wat je aanneemt of bijwint; maar
elk ding dat je leert versmaden en uit je hartegrond wegsnijdt, dat helpt
en baat.
12. En dit moet je niet alleen verstaan van geld en rijkdom, maar ook
van eerzucht en een grooten naam, die immers ook met de wereld vergaan.

HOOFDSTUK 11.
Tegen de tongen der afbrekers.
De meester.
1. Mijn zoon, je moet het niet erg vinden, als sommigen kwaad van
je denken, of iets over je zeggen, wat je niet graag hoort.

58
59

2. Je moet van jezelf nog veel ergers denken, en niet gauw gelooven,
dat iemand beneden je staat.
3. Als je een sterk innerlijk leven leidt, zul je weinig hechten aan
woorden die met den wind vergaan.
4. Het is geen geringe kloekheid, op een kwaad oogenblik te zwijgen
en je innerlijk tot mij te keeren en je niet ongelukkig te voelen over een
menschelijk oordeel.
5. Laat je vrede niet afhangen van wat de menschen zeggen.
6. Want of zij je iets goeds of kwaads toedichten, daarom ben je
nog niet anders dan je bent.
7. Waar is de ware vrede en eer?
8. Waar anders dan in mij?
9. Wie het mishagen der menschen niet vreest en het welbehagen der
wereld niet zoekt, die geniet rijken vrede.
10. Uit ongeordende liefde en ijdele vrees komt alle onrust des harten
en alle vertroebeling der zinnen.

HOOFDSTUK 12.

Dat men bidden moet om de hulp van God.
De meester.
1. Mijn zoon, ik ben je sterkte in den dag der benauwdheid. (Nahum
1, 7).
2. Kom aanstonds tot mij als het je niet goed gaat.
3. Wat het meest den hemelschen troost in den weg staat, is dat je
te laat aan mij denkt, om te bidden.
4. Want eer dat je mij ernstig aanroept, zoek je gewoonlijk troost en
verkwikking in de dingen van buiten.
5. En zoo komt het, dat dit alles weinig helpt, totdat je merkt, dat ik
het ben, die verlos al wie op mij betrouwen (Ps. 16, 7), en dat er buiten
mij geen degelijke huip, geen goede raad, geen blijvende troost bestaat.
6. Maar nu, schep moed, en versterk je in de stralen van mijn er-
barmen. (Eccli. 36, 1).
Want ik ben je nabij (Phil. 4, 5), om alles weer goed te maken, niet
slechts gelijk het was, maar meer dan dat en overvloedig.
7. Is mij iets te moeilijk? (Jerem. 32, 27). Of ben ik als een die iets
zegt en het niet doet? (Num. 23, 19).
8. Waar is nu je geloof?
9. Sta vast en volhard.
10. Wees lankmoedig en manmoedig.
Te zijner tijd komt mijn troost.
11. Wacht op mij. (Ps. 39, 1).
12. Ik zal komen en je genezen. (Math. 8, 7).
13. Het is een bekoring die je plaagt, en een ijdele vrees die je ver-
schrikt.

59
60

14. Wat brengt alle zorg voor de toekomst je anders dan droefheid
op droefheid?
15. Elke dag heeft aan zijn eigen kwaad genoeg. (Math. 6, 34).
16. I Jdel en nutteloos is het je te bedroeven of te verblijden over toe-
komstige dingen die misschien nooit komen.
17. Maar het is menschelijk door zulke gedachten verontrust te wor-
den; en het is een teeken van geringen moed, dat men door de begooche-
lingen van den vijand zich zoo gemakkelijk laat meetrekken.
18. Want het kan hem niets schelen of hij je met waarheid of met
leugens bedriegt, en of hij je met de vrees voor heden of voor morgen
neerslachtig maakt.
19. Laat je hart dus niet verontrust worden, en wees niet versaagd.
Geloof in mij. (Joan. 14, 1 en 27).
20. En heb vertrouwen op mijn erbarmen.
21. Als je meent, dat ik ver van je ben, ben ik je soms heel dicht nabij.
22. En als je denkt, dat alles verloren is, dan is het vaak heelemaal
winst en verdienste.
24. Je moet niet alles beoordeelen naar je oogenblikkelijke stemming;
en het ook niet te zwaar opnemen alsof alle hoop vergeefsch was.
25. Ook moet je niet gelooven, dat ik je heelemaal heb opgegeven, als
ik je soms een beproeving overzend, of je een verwachten troost onthoud.
26. Want zoo gaat men nu eenmaal het hemelsche koninkrijk binnen.
27. En zonder twijfel is het voor jezelf en mijn andere dienaren veel
nuttiger, dat je je oefent in tegenspoed, dan dat alles naar wensch gaat.
28. Ik ken al je verborgen gedachten (Ps. 43, 22), en ik weet dus hoe
goed het voor je zaligheid is, dat je je soms verlaten voelt, zonder eenige
smaak of troost, op dat je je niet verheft om je vooruitgang, en je niet toe
zou geven aan ingebeeld zelfbehagen.
29. Wat ik je gegeven heb kan ik je weer ontnemen, maar kan ik je
ook weer teruggeven, als mij dat behaagt.
30. Geef ik je iets, dan blijft het toch van mij.
En ontneem ik het je, dan neem ik niets van jou.
Want van mij is elke goede gave en volmaakte gift. (Jac. 1, 17).
31. Als ik je eenige zwarigheid of tegenspoed overzend, dan moet je
niet verdrietig worden en mag je hart niet versagen, want ik kan je spoe-
dig weer verlichten, en alien last in lust doen verkeeren.
32. Niettemin ben ik altijd rechtvaardig en vriendelijk als ik zoo met
je doe.
33. Als je alles goed opneemt, en in het ware licht ziet, zul je je nooit
bedroeven om tegenspoed, maar je veeleer verheugen en mij bedanken, ja
het zelfs als een bijzonder voorrecht erkennen, dat ik je de pijnlijke be-
proeving niet bespaar. (Job. 6, 10).
34. Ik heb je lief, gelijk de vader mij liefheeft. (Joan. 15, 9).
Zoo sprak ik ook tot mijn apostelen, die ik niet uitzond voor hun
wereldsch pleizier, maar voor grooten zielestrijd, niet om geeerd, maar
om versmaad te worden; niet voor hun gemak, maar voor taaien arbeid,
niet om te rusten, maar om veel vrucht te dragen in lijdzaamheid. (Luc.
8, 15 en Joan. 15, 5).

60
61

HOOFDSTUK 13.
Van de onverschilligheid voor alle schepselen,
om den schepper te vinden.
De leerling.
1. Heer, als ik zoover moet komen, dat geen enkel schepsel mij nog
van U kan afhouden, heb ik nog heel wat meer genade noodig.
2. Want zoolang nog een schepsel mij terughoudt, kan ik niet vrijelijk
de vleugelen mijner ziel naar U uitslaan.
3. Zoo heeft de psalmist het gewenscht, die eens sprak: Ach had ik
maar vleugels als een duif, dan vloog ik heen en vond ik rust. (Ps. 54, 7).
4. Wat is rustiger dan het eenvoudige oog? (Math. 6, 22).
Wie is vrijer dan hij, die op aarde niets meer begeert?
5. Men moet dus boven alle schepselen uitgaan, zichzelf volkomen
achterlaten, en in deze zielsvervoering volharden, om den schepper aller
schepselen te zien. (Ps. 67, 28).
6. Want zoolang de mensch niet los komt te staan van alle schepselen,
kan hij niet onbelemmerd het goddelijke aanschouwen.
7. Daarom worden er zoo weinig schouwende zielen gevonden; want
maar weinigen verstaan het: zich volkomen van de schepselen los te maken.
8. Hiertoe is een groote genade noodig, die de ziel opheft en uitvoert
boven zich zelve.
9. Zoolang een mensch niet in den geest opgebeurd is en losstaat van
alle schepselen en zich geheel met God vereenigd heeft, is al wat hij weet,
en al wat hij heeft, van weinig waarde.
10. Lang zullen zij klein blijven en in het stof nederliggen, die iets
groots wanen buiten het eenige, eeuwige en onmetelijke goed.
11. Want alles wat niet God is, is niets en moet voor niets geteld
worden.
14. Men vindt er velen, die een schouwend leven begeeren, maar zij
willen zich niet oefenen in de deugden die daartoe opleiden.
15. Hun groote beletsel is, dat zij bij het uitwendige blijven staan, en
in de volkomen innerlijke versterving te kort komen.
16. Ik weet waarlijk niet o heer, wat het is, en door welken geest wij
gedreven worden, en wat wij die voor geestelijke menschen willen door-
gaan eigenlijk voorhebben: dat wij aan vergankelijke en ijdele dingen
zoo groote moeite en zorgen wijden, maar ternauwernood nu en dan met
volkomen ingetogenheid in onze eigen innerlijkheid doordringen.
17. Ocharm, na een korte inkeering storten wij ons spoedig naar bui-
ten uit, en vergeten weer aanstonds onze werken te wegen op de strenge
schaal daarbinnen van uw gerechtigheid.
18. Wij letten er niet op, waar onze begeerten eigenlijk liggen; en hoe
onzuiver al onze bedoelingen zijn, wordt maar zelden beschreid.
19. Alle vleesch had zijn weg verdorven (Gen. 6, 12) en daarom volg-
de de groote zondvloed. (Gen. 6, 17).
20. Daar nu onze inwendige begeerten bedorven zijn, moeten vanzelf
ook onze daden, die daaruit volgen bedorven wezen.

61
62

21. Maar uit een zuiver hart komt de vrucht van een goed leven.
(1 Tim. 1, 5).
22. Men vraagt wa hoeveel iemand gedaan heeft, maar men over-
weegt niet met wat voor meening hij handelt.
23. Men vraagt of iemand dapper, rijk, schoon en bekwaam is, of hij
een goed schrijver, een geoefend zanger, een flink arbeider is en zoo aller-
wegen; maar hoe arm van geest, hoe geduldig en zachtmoedig, hoe devoot
en geestelijk iemand is, daarover wordt gezwegen.
24. De natuur ziet in den mensch alleen het uitwendige, maar de ge-
nade let op het inwendige hart. (1 Kon. 16, 7).
25. De natuur wordt vaak tot logen, maar de genade hoopt op God,
om niet te worden bedrogen.

HOOFDSTUK 14.
Van de zelfverloochening en het opgeven van alle
begeerlijkheid.
De meester.
1. Mijn zoon, nooit kun je een volmaakte vrijheid genieten, als je
jezelf niet heel en al verloochent en overgeeft.
2. Al degenen die zichzelf zoeken en liefhebben, de hebzuchtigen, de
weetgierigen, de klaploopers, die altijd naar eigen streeling zoeken, en
niet naar hetgeen van mij is (2 Tim. 3, 2; Phil. 2, 21), en die allerlei
plannen uitvinden en opzetten die toch geen stand houden, zijn geboeid
en met inwendige ketenen gebonden.
3. Want alles wat niet uit God is voortgesproten, dat vergaat.
4. Hou je aan het korte volmaakte woord (Rom. 9, 28), verlaat alles
en je zult alles vinden; laat alle begeerte varen, dan vind je rust.
5. Overleg dit in je hart, en als je het volbracht hebt, zul je alles
verstaan.
De leerling.
6. Heer, dit is niet het werk van een dag (1 Esdr. 10, 13), en het is ook
geen kinderspel, want in deze korte woorden, ligt alle volmaaktheid van
den geestelijken mensch besloten.

De meester.
7. Mijn zoon, je moet je niet afwenden of je ontmoedigd voelen, bij
het hooren van den weg der volmaaktheid.
Neen, het moet je veeleer prikkelen om hooger op te komen of ten
minste moet je er begeerig naar snakken.
8. Ach dat het zoo met je gesteld ware, en je zoover gekomen was,
dat je jezelf niet meer liefhadt, maar altijd geheel en al tot mijn en mijns
vaders beschikking stelde, dan zou je mij niet alleen behagen, maar je
eigen leven ook met vreugde en vrede vervullen.

62
63

9. Nog veel heb je te verlaten, en als je me niet alles uitlevert, zul
je niet vinden wat je begeert.
10. Ik raad je: van mij het in 't vuur gelouterde goud te koopen, dan
zul je rijk worden (Apoc. 3, 18), dat goud is de hemelsche wijsheid die al
het lagere onder den voet treedt.
12. Ik zeg je nog eens, dat je, wat de wereld het verachtelijkst vindt,
moet koopen en betalen met het allerkostbaarste in menschenoogen.
13. Want verachtelijk, nietswaardig en zoo goed als vergeten schijnt
in de wereld de waarachtige hemelsche wijsheid, om niets met zichzelven
op te hebben (Rom. 12, 16) en zich niet in de wereld omhoog te werken.
(Ps. 10, 18).
Sommigen preeken het wel met den mond, maar in hun leven doen zij
juist omgekeerd.
De hemelsche wijsheid is een kostbare parel die voor de meesten ver-
borgen ligt. (Math. 13, 46).

HOOFDSTUK 15.
Dat wij om de ongestadigheid des harten vergeten onze
aandacht op God te richten.
De meester.
1. Mijn zoon, geef je niet over aan je stemming, want die wisselt voort-
durend.
2. Zoolang je leeft ben je aan verandering onderworpen, of je wilt of
niet; zoodat je nu eens blij, dan weer bedroefd, nu kalm en dan weer on-
rustig, nu godvruchtig, dan onverschillig, nu vol goeden moed en dan weer
lusteloos, nu eens zwaar op de hand en dan weer een beetje luchthartig
bent.
3. Maar een wijs mensch, in het geestelijk leven ervaren, staat vast
boven al deze wisselingen, en let er niet op, hoe hij gestemd is, of uit wel-
ken hoek de wind der ongestadigheid waait, maar zorgt alleen dat de
aandacht van zijn hart op het beste en hoogste gericht blijft.
4. Zoo toch kan hij altoos dezelfde en innerlijk onbewogen blijven,
wanneer hij het eenvoudige oog zijner aandacht bij al die schommelingen
onafgebroken op mij richt. (Math. 6, 22; Luc. 11, 34).
5. En hoe zuiverder nu het inwendige oog der bedoelingen is, des te
onwankelbaarder komt men door alle stormen heen. (Math. 6, 22 en 23).
6. Maar in velen wordt het oog der zuivere meening omneveld.
7. Want spoedig verdwaalt onze blik naar iets aantrekkelijks, en zoo
wordt er zelden in de ziel een roode draad gevonden, die geheel vrij is van
de knoopen der zelfzucht.
8. Zoo kwamen immers ook de joden naar Martha en Maria toe
(Joan. 11, 19), niet alleen om Jesus, maar ook om Lazarus te zien. (Joan.
12, 9).
9. Daarom moet dus het oog der bedoeling gezuiverd worden opdat
het oprecht en eenvoudig zij, en op mij gericht blijve met milde aandacht,
en niet afdwale naar het tusschenliggende en veranderlijke.

63
64

HOOFDSTUK 16.

Wie God lierheelt smaakt hem in en boven alle dingen.
De leerling.
1. Mijn God en mijn alles, dat zijt Gij. (Franciscus van Assisi).
2. Wat wil ik meer, en wat kan ik zaligers verlangen?
3. 0 zoet en smakelijk woord voor hem die het Woord liefheeft en
niet de wereld, noch wat in de wereld is. (1 Joan. 2, 15).
4. Mijn God en mijn alles, dat zijt Gij.
5. De verstaander heeft daaraan genoeg.
6. Als Gij bij me zijt, zijn alle dingen blij, maar toeft Gij verre, dan
is alles bedroefd.
7. Gij maakt het hart rustig en geeft grooten vrede en stralende vreugd.
8. Gij laat ons van alle 'menschen goeds denken, en U loven in alle
dingen, en zonder U kan niets mij lang behagen.
9. Om mij jets welgevallig en smakelijk te maken, moet Uw genade
erbij zijn en het allemaal gekruid worden met de specerij van Uw wijsheid.
10. Wie in U smaak vindt, wat zou hem niet goed smaken?
11. En wie in U geen smaak vindt, wat kan hem dan nog smakelijk
zijn?
12. Al de wereldwijzen, die smaak vinden in het vleesch (Rom. 8, 5),
vallen bij Uw wijsheid tegen, want daarin is bijna niets dan ijdelheid.
13. Maar die U volgen in de versmading van de wereld en de ver-
sterving der zinnen, dat zijn de ware wijzen, omdat zij van de ijdelheid
overgaan naar de waarheid en uit het vleesch opstreven naar den geest.
14. Zij zijn het, die smaak vinden in God, en al het goeds dat zij in de
schepselen vinden, prikkelt hen tot lof van hun schepper.
15. Maar hoe ongelijk is de smaak van schepper en schepsel, van
eeuwigheid en tijd, van het ongeschapen Licht en het licht, door U ont-
stoken.

HOOFDSTUK 17.

Dat men in dit leven nooil vrij en veilig is van bekoring.
De meester.
1. Mijn zoon, in dit leven ben je nimmer veilig, maar zoolang je leeft,
heb je wapens noodig voor den geestelijken strijd.
2. Je staat midden tusschen je vijanden, en wordt van rechts en links
bestookt. (Math. 27, 38, 2 Con 6, 7).
3. Als je dus van alle kanten je niet dekt met het schild der lijdzaam-
heid, zul je niet lang ongekwetst blijven.
4. Verder moet je hart gestadig op mij gericht blijven, met den vasten
wil om alles voor mij te willen lijden, anders zul je de hitte van den
strijd niet uithouden en je den zegepalm der zaligen zien ontglippen..

64
65

5. Mannelijk moet je dus door alles heen zien te komen, en met krach-
tige hand je verweren tegen al wat je tegenhoudt.
6. Want wie overwint, dien zal ik geven het hemelsche manna (Apoc.
2, 17) en voor den lafaard blijft er niets over dan groote ellende.
7. Als je in dit leven al rust zoekt, waarmee zul je dan de eeuwige
rust verdienen?
8. Bereid je dus niet voor op veel rust, maar op groote lijdzaamheid.
9. Zoek den waren vrede niet op het aard- maar in het hemelrijk, niet
bij de menschen of de andere schepselen, maar in God alleen.
10. Uit lief de voor God moet je graag alles verdragen, moeiten en
smarten, bekoring en spot, angsten en nooden, ziekten en onrecht, op-
spraak, berisping en vernedering, beschaming, mishandeling en ver-
smading.
11. Al deze dingen helpen tot de deugd, zij beproeven den ridder van
Christus en smeden de hemelsche kroon.
12. Voor korten arbeid betaal ik een eeuwig loon en de eindelooze
glorie voor een tijdelijken hoon.
13. Meen je dat je den geestelijken troost altijd tot je beschikking
hebt?
14. Ook mijn heiligen hebben dit voorrecht niet genoten, maar had-
den moeilijkheden, allerlei bekoringen en veel verlatenheid.
15. Zij leden alles met geduld, en hebben meer op God vertrouwd dan
op zichzelve. Want zij wisten, dat al het lijden van dezen tijd niet kost-
baar genoeg is om de toekomende heerlijkheid waard te worden. (Rom.
8, 18).
16. Wil jij nu ineens hebben, wat zoovelen pas na zwaren arbeid en
vele tranen ternauwernood zijn deelachtig geworden?
17. Wacht dus op den heer, doe moedig je werk, en wees sterk (Ps.
26, 14); heb vertrouwen en wil niet versagen, maar span je standvastig in
met ziel en lichaam voor de eer van God.
18. Ik zal je rijkelijk loonen, en in al je moeilijkheden zal ik bij je zijn.
(Ps. 90, 15).

HOOFDSTUK 18.
Tegen de ijdele oordeelvellingen der menschen.
De meester.
1. Mijn zoon, werp je hart onwrikbaar op den heer (Ps. 54, 23), en
vrees het oordeel der menschen niet, wanneer je geweten je rein en on-
schuldig acht.
2. Het is goed en zalig dit te lijden, en dat valt ook niet zwaar aan het
ootmoedig hart, dat meer op God vertrouwt dan op zichzelf.
3. De meeste menschen zeggen zooveel, en daarom moet men er ook
zoo weinig van gelooven.
4. En het is nu eenmaal niet mogelijk het alien naar den zin te maken.
5. Ofschoon sint Paulus ernaar trachtte alien om Gods wil te behagen,
en zoo alles voor alien werd, achtte hij het toch heel gering, als iets van
hem door een mensch werd afgekeurd. (1 Cor. 9, 22; 10, 33 en 4, 3).

65
5
66

6. Hij deed zijn uiterste best om allen te stichten en zalig te maken,
maar kon toch niet voorkomen, dat hij veroordeeld en soms zelfs veracht
werd.
7. Daarom gaf hij dat over aan God die alles weet, en verdedigde zich
alleen met geduld en ootmoed tegen degenen die kwaad van hem spraken
of booze leugens vertelden.
8. Maar van tijd tot tijd antwoordde hij, opdat door zijn zwijgen de
zwakke broeders zich niet zouden ergeren.
9. Wie ben je dan, dat je bang bent voor een mensch die sterven zal!
(Is. 51, 12).
10. Vandaag is hij er nog, maar morgen wordt hij niet meer gezien.
(1 Mach. 2, 63).
11. Vrees God, dan heb je van dreigende menschen niets te vreezen.
(Eccli. 34, 16).
12. Wat kan iemand je doen met leugentaal?
13. Zichzelven schaadt hij meer dan jou; en wie hij ook zij, hij zal aan
Gods oordeeI niet ontkomen. (Rom. 2, 13).
14. Houd jij God maar voor oogen (Tob. 4, 6) en wil niet twisten of
klagen.
15. Als zoo iemand het van je wint, en schande op je laadt, die je niet
verdiend hebt, erger je daar niet over, en verminder je kroon niet door
ongeduld, maar zie liever omhoog tot mij in den hemel, want ik kan je
verlossen uit alle onrecht en beschaming, en zal een ieder loon geven
naar zijn werken. (Math. 16, 27; Rom. 2, 5).

HOOFDSTUK 19.
De loutere en volkomen overgave van zichzelf om de vrilheid
des harten te winnen.
De meester.
1. Mijn zoon, verlies jezelf, dan vind je mij.
2. Geef op je eigen wil en je eigen zin, en je zult er van alle kanten
bij winnen.
3. Want als je je onherroepelijk overgeeft, wordt je aanstonds een
schat van genade verleend.
De leerling.
4. Maar hoe vaak moet ik me dan wel overgeven en mijzelf verzaken?

De meesier.
5. Voortdurend en elk oogenblik opnieuw, zoowel in het kleine als in
het groote.
6. Ik zonder niets uit, maar ik wil je van alles beroofd en onthecht
vinden.
7. Hoe kunnen wij anders een worden, jij van mij en ik van jou, als
je niet alle eigengereidheid hebt uitgebannen, van binnen en van buiten.

66
67

8. En hoe eerder, hoe vollediger en oprechter je dit doet, des te beter
zul je het hebben, des te meer zal ik in je vallen, en des te grooter zul
je worden.
9. Er zijn er genoeg die zich aan mij overgeven, maar altijd met het een
of ander voorbehoud.
10. Want ze vertrouwen God niet heelemaal en blijven dus ook nog
voor zichzelf zorgen.
11. Anderen beginnen wel met zich geheel en al los te laten, maar
zoodra ze in het gedrang komen, zoeken zij zichzelf weer op, en zoo-
doende komen zij niet veel verder.
12. En dezen komen nooit tot de vrijheid van een zuiver hart, en tot
de genade van een vertrouwelijken omgang met mij.
Zonder een volkomen overgave en een oprechte zelfverzaking, komt
niemand tot het feest der zalige Godsvereeniging.
13. Reeds zoo dikwijls heb ik het je gezegd, en ik zeg het je opnieuw:
lever je uit, Beef je over, en je zult een rijken innigen vrede smaken.
14. Geef alles voor alles en vraag niets terug.
Geef je bloot en weifel niet, dan heb je mij.
Dan zweef je waarlijk als een vrije geest, en zal geen sombere wolk je
meer nederslaan. (Ps. 138, 11).
15. Doe daar je best voor, bid erom en richt hierop al je verlangen,
dat je je ontkleedt van alle zelfzucht, om naakt je naakten Jesus te vol-
gen, aan jezelf te sterven en zoo eeuwig in mij te mogen leven.
16. Dan vluchten alle ijdele inbeeldingen, alle zinnelijke ontroerin-
gen en overbodige zorgen.
Dan wijkt ook de nuttelooze angst, en sterft alle overtollige lief de.

HOOFDSTUK 20.
Zelfbeheer in het uitwendige en God als toevlucht
in alle gevaar.
De meester.
1. Mijn zoon, je moet het er op aanleggen, dat je overal bij al je
bezigheid en zorgen steeds volkomen vrij bent en heer en meester blijft
over jezelf.
Alles moet onder je staan, en niets boven je, zoodat je de beheerscher
en bestuurder bent van al je daden en niet hun slaaf of knecht.
Wees een vrije en fiere Hebraeer die aanvaarden mag het erfdeel van
de vrije kinderen Gods. (2 Cor. 11, 22 en Coloss. 1, 12).
Dezen zijn het die uitsteken boven het alledaagsche van nu, en den blik
naar het eeuwige richten: die al het vergankelijke met hun linker maar
het hemelsche aanzien met hun rechter oog en een wakkeren blik.
Zij laten zich door het tijdelijke niet nedertrekken, maar zij halen het
naar zich omhoog om het te laten dienen, waar ze voor geschapen zijn
door God, die niets zonder doel heeft gelaten.
2. Als je in alles wat je overkomt, niet blijft staan bij den uiterlijken

67
68

schijn, en alles wat je ziet of hoort, niet enkel met menschelijke oogen
beschouwt, maar telkens met Mozes opgaat naar het tabernakel om raad
te vragen aan den heer, zul je vaak van God een antwoord krijgen, met
een goed inzicht over het nu en het later. (Levit. 1, 1).
3. Want Mozes nam altijd zijn toevlucht tot het tabernakel om zijn
twijfelingen op te lossen; daar zocht hij hulp in het gebed bij alle gevaren
die hem van booze menschen bedreigden.
4. Doe dat ook, trek je terug in de geheime binnenkamer van je hart
om Gods hulp in te roepen.
5. Want Jozue en de kinderen Israels werden door de Gabaonieten
bedrogen, omdat ze niet eerst het orakel des heeren hadden ondervraagd.
(Jozue 9, 14).

HOOFDSTUK 21.
Dat een mensch niet onstuimig te werk mod gaan.
De meester.
1. iMijn zoon, vertrouw mij altoos al je aangelegenheden toe, ik zal ze
op tijd in orde brengen.
2. Wacht mijn beschikking af, en je zult je daar wel bij vinden.
5. Vaak echter jaagt de mensch het een of ander dat hij wenscht on-
stuimig na, maar zoodra hij erlangt wat hij begeerde, denkt hij er al
anders over, omdat onze begeerten niet bestendig op een ding gericht zijn,
integendeel, ze jagen van het een naar het ander.
6. Daarom is het van niet gering belang ook in kleine zaken zichzelf
te verzaken.
7. De ware vooruitgang in de deugd is de overwinning van zichzelf.
Zulk een overwinnaar is ter dege vrij en veilig in alle gevaren.
8. Maar de oude vijand, die al wat goed is bestrijdt, blijft ons dag
en nacht beproeven, met bekoringen en hinderlagen, om den onvoorzich-
tige in zijn bedriegelijke valstrikken te vangen.
9. Daarom waak en bid, dat je niet valt in de bekoring. (Math. 26, 41).

HOOFDSTUK 22.
Dai een mensch niets goeds uit zichzelf heeft en zich
nergens op beroemen kan.
De leerling.
1. Heer, wat is de mensch dat Gij aan hem denkt? (Ps. 8, 5).
2. Wat heeft de mensch ervoor gedaan, dat Gij hem genaden geeft?
3. Wat zou ik dus mogen klagen, als Gij mij sours schijnt te vergeten?
4. Ik heb niets goeds uit mijzelf, maar ik schiet te kort in alles, en
altijd zink ik weer naar het niet terug.

68
69

5. En als ik door U innerlijk niet geholpen en versterkt word, verval
ik uiterlijk in lauwheid en slapte.
7. Ook blijf ik niet lang in denzelfden staat, want zeven tijden wisselen
telkens langs mij been. (Dan. 4, 13).
8. Toch wordt het aanstonds weer beter, als het U behaagt, en Gij
maar even Uwe hand uitstrekt om mij te helpen. Want Gij alleen kunt mij
helpen, buiten de menschen om, en mij zooveel vastheid geven, dat mijn
gelaat niet gedurig meer verandert naar de voorbijgaande dingen
(1 Kan. 1, 18), en mijn hart zich alleen naar U richt in rust.
9. Om mijn eigen verdienste mag ik niet op Uw genade hopen, of mij
om nieuwen troost verheugen.
10. Dat het mij welgaat, dank ik altoos aan U, de bron van alles.
11. Maar ik ben een ijdel ding of een niets voor U, een ongestadig
en zwak menschenkind.
12. Waarop kan ik roemen, of waarom verlang ik geeerd te worden?
13. Om mijn nietigheid? Dat zou wel het toppunt van ijdelheid zijn.
14. Inderdaad de ijdele glorie is een booze kwaal en allerverachtelijkst,
omdat ze mij van de ware eer aftrekt, en van de hemelsche genade berooft.
15. Zoolang de mensch zich zelf behaagt, mishaagt hij U, en zoolang
hij zich nog in de glorie der menschen verheugt, blijft hij verstoken van
alle ware deugd.
16. Neen ware glorie en heilige vreugde is het: in U te glorieeren, zich
te verblijden in Uwen naam, niet in eigen kracht; en zich in geen enkel
schepsel te verlustigen dan om Uwentwil.
17. Uw naam moet geloofd, Uw werk moet geprezen worden, en niet
het mijne. (Ps. 112, 1).
Gebenedijd zij Uw naam, en mij hoort geen lof van menschen toe.
(Ps. 112, 2).
18. Gij zijt mijn roem, Gij zijt de jubel mijns harten. (Ps. 3, 4).
19. In U wil ik roemen en van vreugde dartelen heel den dag (Ps.
88, 17), op mijzelven zal ik niet roemen dan in mijn zwakheden. (2 Cor.
12, 5).
20. Laten de joden hun eer bij elkander zoeken, ik wil de eer van
God alleen. (Joan. 5, 44).
21. Want alle menschelijke roem en tijdelijke eer, alle wereldsche
grootheid is bij Uw heerlijkheid vergeleken niets dan dwaasheid en ijdel-
heid.
22. 0 God, mijn waarheid en goedheid (Ps. 88,18) volzalige Drieeen-
held, aan U alleen lof en eer, macht en glorie in aller eeuwen eeuwigheid,
Amen. (1 Tim. 1, 17).

69
BOEK III.
TWEEDE DEEL.
Over den inwendigen froost.
Het zesde uittreksel uit het dagboek van Geert Groote,
dat h# schreef na het preekverbod, in de maanden
zjjner miskenning, dus in 1383-1384.

HOOFDSTUK 1.
Hoe de mensch zich moet gedragen als hij door anderen veracht
worth en over de versmading van alle wereldsche eer.
De meester.
1. Mijn zoon, tob er niet over, als je ziet dat anderen geeerd en ver-
heven worden, en je zelf gesmaad en vernederd wordt.
2. Richt je hart op, tot mij in den hemel, dan zul je niet bedroefd
zijn over de versmading onder de menschen daar beneden.

De leerling.
3. Heer, wij zijn allemaal verblind, en zoo worden wij gemakkelijk door
onze ijdelheid misleid. (2 Esdras 1, 7).
4. Als ik echter mijzelve goed naga, dan is mij nog nooit onrecht ge-
daan door welk schepsel ook.
5. En daarom kan ik mij dus rechtens niet bij U beklagen.
6. Maar omdat ik vaak zwaar tegen U gezondigd heb, wapenen zich
nu tegen mij alle schepselen. (Sap. 5, 8).
7. Mij komt dus naar recht en reden schande en versmading toe, maar
U daarvan lof, eer en glorie. (Baruch 1, 15).
8. En zoolang ik mij er niet in schik, om gaarne versmaad, miskend en
voor niets bruikbaar gehouden te worden, kan ik innerlijk niet tot een
gestadigen vrede komen, noch geestelijk verlicht, noch volop met U ver-
eenigd worden.

HOOFDSTUK 2.
Dai men zijn zielevrede niet op menschen moet bouwen.
De meester.
1. Mijn zoon, als je je zielevree laat afhangen van de een of andere
persoon in de hoop in eendracht samen te leven, dan word je heen en weer
geslingerd en ontevreden.

70
71

2. Maar als je je toevlucht neemt tot de eeuwig levende en zichzelf
gelijk blijvende waarheid (Hebr. 7, 24-25), dan zal het je niet bedroeven
als een vriend van je heengaat of sterft.
3. In mij moet de liefde voor je vriend gegrondvest zijn.
Om mijnentwil moet je liefhebben, wien je goed en dierbaar acht in
dit leven.
4. Buiten mij heeft je vriendschap geen waarde of bestendigen duur,
want als ik de band niet ben die bindt, dan is de liefde niet echt en niet
zuiver.
5. Je verlangen naar goede vrienden moet zoo verstorven zijn, dat je,
inzoover het van jezelf afhangt, buiten alien omgang met anderen wilde
leven.
6. Des te dichter komt de mensch tot God, naarmate hij zith verder
van de liefde der schepselen verwijdert.
7. En des te hooger klimt de mensch op, naarmate hij zich innerlijk
dieper vernedert, en zichzelf al langer hoe geringer acht.
8. Wie zichzelven echter nog iets goeds toeschrijft, belet de genade
Gods in hem neer te dalen, omdat de genade van den heiligen Geest altijd
het ootmoedig hart uitzoekt.
9. Kon je jezelf volkomen tot niets maken en van alie liefde tot de
schepselen bevrijden, dan moest ik wel in je nedervloeien met groote liefde
en genade.
10. Zoolang je nog naar de schepselen ziet, blijft echter de aanblik
van den schepper je ontzegd.
11. Pas als je uit liefde voor den schepper je in alles leert overwinnen,
kun je nadertreden tot de intiemere kennismaking met God.
12. Hoe klein een ding ook is, als je het onbetoomd aanziet of lief-
hebt, houdt het je van het hoogste goed af.

HOOFDSTUK 3.
Tegen de ijdele en wereldsche wetenschap.
De meester.
1. Mijn zoon, laat je niet beinvloeden door mooie en handige men-
schenwoorden. Want het koninkrijk Gods ligt niet in woorden maar in
deugd en zielekracht. (1 Cor. 4, 20).
2. Naar mijn woorden moet je luisteren, want zij ontvonken je hart
en verlichten den geest, ze brengen je tot rust en velerlei vertroosting.
3. Lees nooit een enkelen regel om voor een geleerde en een wijsgcer
gehouden te worden; maar leer je gebreken uitroeien, want dat zal je
meer te pas komen dan het inzicht in vele moeilijke vraagstukken.
4. Als je veel gelezen en begrepen hebt, moet je altijd weer op het
eerste van alles terugkomen.
5. Ik ben de leeraar der menschelijke wetenschap (Ps. 93, 10) en geef
aan de geringen soms een klaarder inzicht (Ps. 118, 130) dan ooit een
mensch hun kan bijbrengen.

71
72

6. Wien ik les geef, die zal spoedig wijs zijn en in den geest ver voor-
uitkomen.
7. Wee hen die de geleerden omtrent allerlei merkwaardigheden uit-
vragen, en daarbij vergeten hun den weg te vragen om mij te dienen.
8. De tijd zal komen, dat de meester van alle meesters aan het hoofd
der engelenscharen verschijnen zal om aller les te overhooren, dat wil
zeggen om ieders geweten te onderzoeken.
Dan zal Jerusalem met lantaarnen doorzocht worden (Sophon. 1, 12)
en aan het licht komen wat in het duister verborgen lag. (1 Cor. 4, 5).
En dan zullen alle spitsvondige spreuken zwijgen.
9. 1k ben het die in een enkel oogenblik een menschenhart zoo kan
verlichten, dat men meer weet, dan of men tien jaar aan de hoogeschool
gestudeerd had.
10. Ik leer zonder gedruisch van woorden, zonder waan of wanbegrip,
en kweek geen inbeelding of opgeblazenheid aan.
11. Ik leer het aardsche versmaden, het tijdelijke verfoeien, het hemel-
sche zoeken en het eeuwige smaken.
Ik leer de eeretitels vluchten, de schande dragen, alle hoop op mij stel-
len, buiten mij niets te begeeren en mij waarlijk boven alles te beminnen.
12. Ik ken iemand die men innig lief had, ik leerde hem goddelijke din-
gen, en hij sprak daarover wonderbaar.
13. Maar hij kwam nog dichter bij mij door alles te verzaken, dan met
alles te doorgronden.
14. Tot sommigen spreek ik alleen van gewone, tot anderen over bui-
tengewone dingen.
15. Aan sommigen verschijn ik in streelende schemering van teekens
en symbolen, maar aan anderen openbaar ik mijn geheimen met felle klaar-
heid.
16. De tekst van de heilige boeken is voor ieder dezelfde, maar toch
maken zij niet alien even wijs.
Ik toch ben de inwendige leeraar der waarheid, de doorzoeker der
harten, de kenner der gedachten (1 Paral. 28, 9), de drijfkracht der daden
en deel aan ieder uit, wat ik hem waard acht.

HOOFDSTUK 4.

Dat men zich de uitwendige dingen niet moet aantrekken.

De meester.
1. Mijn zoon, vele feiten moet je niet willen weten (Eccli. 32, 12) en
je zelf als een doode beschouwen voor wien de heele wereld gekruist is.
(Col. 3, 3; Gal. 6, 14).
2. Ook moet je veel aan doovemans ooren laten voorbijgaan, en lie ver
denken wat je tot vrede stemt. (Luc. 19, 42).
3. Veel nuttiger is het voor dingen die je niet aanstaan je oogen te
sluiten, en ieder zijn eigen zin te laten doen, dan er lang over te twisten.

72
73

4. Als je maar goed staat met God, en zijn oordeel in acht neemt,
zal het je licht vallen, als je je gewonnen moet geven.

De leerling.
5. Ach heer, waar zijn we toe gekomen!
8. Zie een tijdelijk verlies wordt diep betreurd, om een geringe winst
wordt er gewerkt en geloopen, maar de schade onzer ziel wordt spoedig
vergeten, en pas later komen we tot betere gedachten.
9. Wat weinig of niets te beteekenen heeft, wordt hoog aangeslagen,
maar wat boven alles noodig is, dat loopen we achteloos voorbij.
Zoo verliest de mensch zich heel en al in uiterlijke dingen en komt hij
niet spoedig tot bezinning, dan blijft hij graag in al die nietigheden ver-
zonken.

HOOFDSTUK 5.

Dat men niet iedereen gelooven moet, en hoe licht men
in zijn woorden misdoet.
De leerling.
1. Heer, leen mij Uw hulp in de verdrukking, want geen menschenhulp
kan hier baten. (Ps. 59, 13).
2. Hoe dikwijls heb ik geen vertrouwen gevonden, waar ik dacht erop
te kunnen rekenen.
3. En hoe vaak heb ik wel vertrouwen gevonden, waar ik dat het
minst vermoedde.
4. Zoo is dan alle hoop op menschen ijdel en het heil der vromen is
alleen bij U, o God.
6. Wij zijn zoo zwak en ongestadig, zoo gemakkelijk laten wij ons mis-
leiden, en dan draaien wij bij.
7. Waar is de man die zich zoo veilig bewaakt, dat hij nooit bedro-
gen uitkomt of in verlegenheid raakt?
8. Maar wie op U vertrouwt o heer, en U zoekt in eenvoud des harten,
zal niet zoo licht struikelen. (Ps. 124, 1; Sap. 1, 1).
9. En ook al komt hij dan in verdrukking hier of daar, hoe diep zijn
kommer ook zij, hij zal weldra door U verlost en getroost worden (Tob.
3, 21) omdat Gij nooit verlaat wie vast op U betrouwt tot in het bitter
einde. (Judith 13, 17).
16. Waarom heb ik die anderen zoo licht geloofd?
17. Maar wij zijn menschen, zwakke menschen, hoe velen ons ook voor
engelen houden en prijzen.
18. Heer, wien kan ik anders nog gelooven dan U?
19. Gij zijt de waarheid die niet bedriegt noch kunt bedrogen worden.
20. Alle menschen zijn nu eenmaal leugenachtig van aard (Rom. 3, 4),
zwak, ongestadig en lichtvaardig vooral in woorden, zoodat men nauwe-
lijks gelooven moet, wat ons toch recht in het aangezicht gezegd wordt.

73
74

21. Wat was het wijs van U, ons voor de menschen te waarschuwen:
's menschen vijanden zijn z'n huisgenooten. (Math. 10, 17 en 36).
23. „Wees voorzichtig" zegt deze, „wees toch voorzichtig" zegt gene,
„houd het voor jezelf wat ik je zeg".
24. Maar pas is hij weggegaan, of hij vertelt wat ik hem beloven moest
te zwijgen en zoo verraadt hij mij en zichzelven.
25. Och bescherm mij toch heer, tegen zulke praatjes van onvoorzich-
tige menschen, dat ik nooit meer in hun handen val.
26. Leg mij woorden van waarheid en trouw in den mond, en houd
verre van mij de arglistige tong.
28. 0, hoe goed en hoe vreedzaam is het, over anderen te zwijgen, en
niet zoo maar alles te gelooven, en andermans geheimen niet verder te
vertellen, zich voor weinigen heelemaal bloot te geven, en U steeds te zoe-
ken, o kenner der harten (Prov. 24, 12), niet met elken wind van woorden
mee te draaien (Ephes. 4, 14), maar te verlangen: dat zoowel in als buiten
ons alles geschiede naar Uw wil en welbehagen.
29. Hoe nuttig en veilig is het, niet voor de menschen te willen schit-
teren, om de hemelsche genade te bewaren, niet te trachten de bewonde-
ring van buiten uit te lokken, maar zich met alien ernst toe te leggen op
zelfinkeer en innerlijke vurigheid.
30. Hoe velen heeft het geschaad, dat hun deugd gekend en te vroeg
werd geprezen!
31. En hoe heilzaam werd door uw heiligen de genade in stilte be-
waard, hier in dit wankele leven, dat men terecht een gedurige strijd en
verzoeking noemde. (Job 7, 1).

HOOFDSTUK 6.
Dat God is onze toeverlaat tegen de scherpe
pillen en lasteriongen.
De meester.
1. Mijn zoon, sta vast in mij en vertrouw op mij.
2. Woorden zijn toch immers maar woorden?
3. Ze vliegen door de lucht, maar deren zelfs geen steen.
4. Als je op een of andere wijze schuldig bent, neem je dan voor:
graag je leven te beteren.
Maar ben je je van niets bewust, zeg dan aan God, dat je dit gaarne
wilt lijden uit liefde tot hem.
5. Het beteekent nog niet veel, dat je somtijds een krenkend woord
verdraagt, en hardere striemen kun je nog niet velen.
6. En waarom dringen zoo kleine dingen toch zoo diep in je hart?
Dat komt omdat je nog te wereldsch bent, en meer naar de menschen
lcijkt dan je moest.

74
75

7. Omdat je de geringschatting vreest, wil je niet gelaakt worden om
je overdrijvingen en zoek je een verontschuldiging om je te beschermen.
8. Maar zie op jezelf eens scherper toe, dan zul je vinden, dat de
wereld nog in je leeft, en de ijdele zucht om de menschen te behagen.
9. Als je echter niet omlaag gehaald en beschaamd gemaakt wilt wor-
den om je gebreken, dan is het duidelijk en klaar, dat je nog niet recht
ootmoedig bent, en dat je dus nog niet waarlijk voor de wereld gestorven
bent, en de wereld voor jou ook nog niet is gekruisigd. (Gal. 6, 14).
10. Luister echter naar mij en je zult je aan geen duizenden menschen-
woorden meer storen.
11. Stel nu eens, dat je alles werd toegedicht wat men op zijn boos-
aardigst kon verzinnen, wat zou je dat kunnen schaden, als je het een-
voudig langs je heen liet gaan, en je er geen greintje van aantrok?
12. Zou er wel een haartje van je hoof d door gekrenkt worden? (Luc.
21, 18, Hand. 27, 34).
13. Maar wie geen durvend hart in hun binnenste en God niet voor
oogen hebben, voelen zich door een afkeurend woord licht gekrenkt.
14. Wie echter op mij betrouwt en niet bouwt op zijn eigen wijsheid,
die is voor menschen niet vervaard. (Prov. 28, 1).
15. Ik ben immers de rechter en de kenner van alle verborgenheden.
(Jerem. 29, 23 en Daniel 13, 42).
16. Ik weet hoe de zaak zich heeft toegedragen.
Ik ken hem die onrecht deed en hem die het verduurde.
17. Van mij is dat woord uitgegaan, het is gebeurt omdat ik het toeliet,
opdat uit vele harten de gedachten openbaar zouden worden. (Luc. 2, 30).
18. 1k zal eenmaal den schuldige en den onschuldige oordeelen in het
openbaar; maar tevoren stel ik beiden op de proef en oordeel over hen
in stilte.
19. Zoo vaak dwalen de menschelijke getuigen, maar mijn oordeel
is waarachtig: het zal staan en niet ten val komen. (Ps. 18, 10).
20. Gewoonlijk is het voor de meesten verborgen, en slechts voor
weinig menschen duidelijk. Maar het dwaalt nooit en het kan niet dwa-
len, al wanen de oogen van dwaze menschen daarin onrecht te zien.
21. Tot mij moet je dus vluchten in alle zaken, en niet of gaan op
eigen willekeur.
22. Want de rechtvaardige zal niet beschaamd worden, wat van Gods-
wege hem ook overkomt. (Prov. 12, 21).
23. Al wordt iets ten onrechte tegen hem ingebracht, hij geeft er niet
veel om.
Maar evenmin zal hij dwaaslijk zich verheugen, als anderen hem op
goeden grond onschuldig achten.
24. Want hij bedenkt, dat ik het ben, die harten en nieren doorgiond
(Ps. 7, 10; Apoc. 2, 23) en dat ik niet als de menschen oordeel naar het
aanzien (Joan. 7, 24) en den uiterlijken schijn.
25. Want vaak is in mijn oogen schuldig en slecht, wat het oordeel
der menschen loffelijk acht.

75
76

HOOFDSTUK Z.
Da men voor het eeuwig leven alle beproevingen moet
verduren.
De meester.
1. Mijn zoon, laat je moed niet breken door de moeiten die je voor
mij op je hebt genomen, en laat de druk hiervan je nooit neerslachtig
maken.
Maar mijn belofte moet je sterken en troosten bij alles wat geschiedt.
2. Want ik ben machtig genoeg om je alles te vergelden boven alle
grens en maat.
3. Je zult hier niet zoo lang meer behoeven te arbeiden, en niet altijd
zal het verdriet je drukken.
4. Wacht nog even, en je zult zien, dat het einde der rampen nabij is.
5. Er komt een tijd, dat alle arbeid en onrust zal ophouden.
Onbeteekenend en kortstondig is alles wat met den tijd vergaat.
7. Doe wat je doet, arbeid trouw in mijn wijngaard. Ik zal je loon
zijn. (Gen. 15, 1).
8. Schrijf en lees, zucht en zwijg, verdraag manhaftig alien tegen-
spoed, het eeuwig leven is dit alles en nog veel moeilijker inspanning
waard.
9. De dag komt,
10. dat het eeuwig licht met oneindige klaarheid stralen zal in een
vasten vrede en een veilige rust.
11. Dan zul je niet meer zeggen: wie zal mij verlossen uit dit ster-
felijk lichaam? (Rom. 7, 24).
12. Dan zul je niet meer roepen: Wee mij, dat de dagen mijner bal-
lingschap nog al maar voortduren! (Ps. 119, 5).
13. Want dan is de dood verslonden (Is. 25, 8; 1 Cor. 15, 54) en de
zaligheid zal volkomen wezen, een hemelsche weelde in een beminnelijk
en feestelijk gezelschap.
14. Och, had je maar eenmaal de eeuwige kronen der heiligen in den
hemel gezien, hoe zij zich daar nu in groote heerlijkheid verheugen, die
hier vroeger in de wereld zoo versmaad werden, dat ze nauwelijks het
leven waardig werden gekeurd; dan zou je terstond je tot in het stof
vernederen, en liever zelf aan allen onderdanig wezen, dan ook maar een
persoon onder je te hebben; dan zou je hier op aarde ook op geen blije
geluksdagen meer hopen, maar juist juichen als je om God hier verdrukt
wordt; ja dan zou je het juist als je rijksten buit beschouwen, dat de
menschen je zoo minachten.
15. Ach als dit je smaakte en diep ter harte ging, hoe zou je het dan
wagen je ook maar een oogenblik te beklagen?
16. Is het dan niet biilijk, voor het eeuwige leven alle beproevingen
te verduren?
18. Beur daarom op je hangend hoof d, en hef je blik ten hemel, zie
ik ben daar met al mijn heiligen, die in deze wereld hun strijd hebben
gestreden (Nebr. 10, 32), maar nu zijn ze verblijd, getroost en tevreden,
nu ru.sten zij zeker en veilig (Apoc. 14, 13) en zullen eeuwig zonder einde
in het rijk mijns vaders (Math. 26, 29) met mij vereenigd blijven. Amen.
76
77

HOOFDSTUK 8.

Van het verlangen naar het eeuwig leven, en welk een zegen
is bereid voor die den strijd hebben gestreden.

De meester.
1. Kind, als je voelt, dat dit heimwee naar de eeuwige zaligheid je
wordt ingestort, en je begint te verlangen de tent van dit lichaam te
verlaten (2 Petr. 1, 13) om mijn heerlijkheid onbeneveld te aanschou-
wen (Joan. 17, 24 en Jac. 1, 17); verruim dan je hart en neem met heel je
wijde verlangen deze heilige ingeving aan.
2. Dank, dank dan duizendmaal de opperste goedheid, die zoo gul je
onthaalt, en je zoo mild bezoekt, je zoo krachtig opbeurt en zoo vurig je
hart laat gloeien, dat je door je eigen zwaarte bijna niet meer naar het
aardsche afglijden kunt.
3. Want niet door je eigen trachten of betrachten ontvang je dit alles,
maar enkel door de gunst der hemelsche genade, waarmee God je be-
straalt, om je te laten gedijen in deugden en vooral in ootmoed, om je
uit te rusten voor den verderen strijd, om mij met al de lief de van je hart
aan te hangen en mij met gloeienden wil te dienen.
4. Mijn zoon, in velen brandt het vuur, maar hun vlam stijgt niet op
zonder walm.
5. Zoo branden sommigen van verlangen naar het hemelsche, en noch-
tans zijn zij niet geheel vrij van de bekoring der zinnelijke begeerte.
6. Daarom handelen zij dan ook nog niet heelemaal zuiver ter eere
Gods, waar ze toch zoo vurig om bidden.
7. En zoo is het nu ook met je eigen verlangen.
8. Want al wat door eigenbaat bevlekt is, is nog niet geheel zuiver
-en volmaakt.
9. Bid mij daarom niet om wat je welgevallig en aangenaam is, maar
om wat mij behaagt en verheerlijkt.
Want als je het goed overdenkt moet je mijn beschikking boven je
verlangen en al je eigen wenschen stellen.
10. 1k ken je Bede en heb je vele zuchten gehoord. (Ps. 37, 10).
11. Je wilde immers graag komen tot de vrijheid der glorie van de
kinderen Gods (Rom. 8, 21), je hebt heimwee naar het eeuwige huis vol
vreugde in het hemelsche vaderland.
Maar het uur is nog niet gekomen. Het is nu nog een andere tijd, een
tijd namelijk van strijd, een tijd van arbeid en beproeving.
12. Je begeert vervuld te worden met het opperste goed, maar daar
kun je nu nog niet toe komen.
14. Eerst moet je nog op aarde beproefd, en nog in allerlei dingen
geoef end worden.
15. Van tijd tot tijd zal je troost gegeven worden, maar nog geen
overvloed die verzadigt.
16. Wees dus sterk en heb goeden moed (Joz. 1, 7) om te doen en te
lijden wat tegen je natuur ingaat.

77
78

17. Je moet den nieuwen mensch nog aandoen (Eph. 4, 21) en in een
anderen man worden herschapen. (1 Kon. 10, 6).
18. Vaak moet je nog doen wat je niet wilt, en moet je laten wat
je wilt.
19. Wat anderen bevalt zal gedijen, en wat jou behaagt zal niet luk-
ken.
20. Naar wat anderen zeggen, zal men luisteren, maar op wat jij
zegt, zal heelemaal niet gelet worden.
21. Anderen zullen vragen en ontvangen, jij zult vragen en niets
krijgen.
22. Anderen zullen groot zijn in den mond der menschen, over jou
zal men zwijgen.
23. Anderen krijgen telkens weer een opdracht, maar jij wordt ner-
gens meer voor bruikbaar geacht.
24. Hierover zal je natuur zich bij wijlen bedroeven, en het zal wat
kosten om het in stilte te verdragen.
25. In deze en vele andere dingen pleegt een getrouwe dienstknecht
des heeren beproefd te worden om zichzelf te leeren verloochenen, en in
alles zijn wil te breken.
26. Er is nauwelijks iets, waarin je de versterving zoo noodig hebt als
in het zien en dulden van wat tegen je eigen wil ingaat; en misschien
nog het meest, wanneer je iets wordt bevolen wat je ongelegen of minder
nuttig lijkt.
27. En terwij1 je van den eenen kant niet ongehoorzaam durft te zijn
aan de kerkelijke overheid, vind je het van den anderen kant hard, je
naar andermans wenken te schikken, en je eigen meening op te geven.
28. Overweeg echter, mijn zoon, de groote vrucht van al deze moei-
lijkheden, het spoedig einde en het overgroote loon.
29. Dan zullen je bezwaren zwichten, en zal een stralende troost je
lijdzaamheid verlichten. (Hebr. 6, 18).
30. Want voor het koppig willetje dat je nu gewillig overgeeft, zul
je in den hemel altoos volmaakt je zin hebben.
31. Daar zul je immers vinden, al wat je wilt en zult kunnen ver-
langen.
32. Daar zul je de gelegenheid hebben tot alle goed, zonder eenig
gevaar dit nog ooit te verliezen.
Daar gaat je wil altijd vanzelf met mijn wil mee, en zul je niets daar-
buiten voor jezelf nog begeeren.
33. Daar zal niemand je tegenwerken, niemand zal meer over je
klagen, niemand zal je iets in den weg leggen, maar al wat je verlangt
zal daar gebeuren en al je begeerten zullen verkwikt, bevredigd en ten
overvloedigste verzadigd worden.
34. Daar zal ik je heerlijkheid geven voor den geleden smaad, lof
voor alle teleurstelling (Isai 61, 3); en voor de laagste plaats hier beneden
een hoogen troon voor eeuwig in het hemelrijk. (1 Mach. 2, 57).
35. Daar zal de vrucht der gehoorzaamheid uitschijnen en stralen,
alle pijn der boete zal in lust verkeeren, en al je onderwerping zal in
heerlijkheid tronen.

78
79

36. Buig je daarom nu nederig onder alle handen, en let er niet veel
op wie nu iets bepaalds gezegd, gevraagd of geboden heeft; maar zie
toe, dat je het altijd goed opneemt als iemand jets van je vraagt of het
dan een overste, een gelijkc of een mindere zij, en dat je alles met op-
rechte volgzaamheid tracht te volbrengen.
37. Laat de eene dit en de ander dat zoeken, laat de een hierin en
de ander daarin zijn eer stellen en geprezen worden duizend duizend
maal, doch jij nooit, nooit, noch hierin noch daarin; maar verblijd je
enkel in de verachting van jezelf en in het welbehagen en de eer van mij
alleen.
38. Dit moet je eenige wensch zijn: dat in dood of leven God altoos
in je verheerlijkt worde. (Phil. 1, 20).

HOOFDSTUK 9.
Hoe de ongetrooste zich in Gods hand mod overgeven.
De leerling.
1. Heere God, heilige vader, wees gebenedijd nu en in alle eeuwig-
heid, want zooals Gij wilde, zoo is het geschied.
2. Uw knecht wil zich verblijden in U en niet in zichzelven of in
iemand anders.
Want Gij alleen zijt mijn hoop en mijn blijdschap, mijn kroon en mijn
eer.
3. Wat heeft toch Uw knecht anders, dan wat hij van U ontvangen
heeft (1 Cor. 4, 7) zonder eenige verdienste?
4. Het is alles van U, wat Gij hem gegeven en voor hem gedaan hebt.
5. Ik ben arm en ellendig van mijn jeugd of (Ps. 87, 16), en mijn
ziel wordt soms tot tranen toe bedroefd om het verdriet dat mij overvalt.
7. Geeft Gij vrede, en stort Gij mij vreugde in, dan is mijn ziel vol
zang en aandachtig in Uw lof.
8. Maar trekt Gij U terug, gelijk meestal, dan komt mijn ziel op den
weg van Uw geboden niet vooruit. (Ps. 118, 32).
9. Lieve vader, de ure is gekomen, dat Uw knecht beproefd wordt.
12. Dat hij moet vernederd worden en vergaan voor de menschen, en
hij van hartstocht en ziekte geknakt en klein gewreven moet worden,
opdat hij in den dageraad van het nieuwe licht met U verrijzen moge
en in den hemel verheerlijkt worde. (Joan. 12, 23-35).
16. Heer, het is mij goed, dat Gij mij verootmoedigd hebt (Ps. 118,
71) opdat ik Uw aangezicht moge kennen, en afwerpen mijn vermetel-
heid en de hoovaardij van mijn hart.
24. 0 beminde vader, ik geef mij over in Uwe handen, ik lever U al
het mijne uit ter bestraffing; want het is beter hier getuchtigd te worden
dan hiernamaals.
27. Gij weet wat nuttig is voor mijn vooruitgang, en hoe scherp door
deze vervolging de roest der gebreken van mij moet worden afgeschuurd.
28. Doe met mij naar Uw welbehagen, ik smacht ernaar! En verwerp
mij tenslotte niet om mijn zondige leven, dat niemand beter bekend is
dan U alleen.
79
80

29. Geef mij, o heer, te weten, wat ik weten moet, te beminnen wat ik
moet beminnen, te prijzen wat U het meest behaagt, voornaam te achten
wat voor U kostbaar en te verafschuwen wat in Uw oogen verach-
telijk is.
30. Laat mij niet oordeelen naar den uiterlijken oogenschijn of naar
het gehoor der dwazen (Is. 11, 3), maar leer mij de zinnelijke van de
geestelijke belangen te onderscheiden en boven alles Uw wil te zoeken.
(Eccli. 2, 10).
32. Wat is een mensch er beter om, dat hij door de menschen wordt
hooggeacht?
33. Als de eene mensch den andere prijst, bedriegt de eene bedrieger
den andere.
De ijdele wordt door den ijdele, de blinde door den blinde, en de
eene zieke door den anderen zieke bedrogen, en hoe meer zij elkander
ijdellijk in de lucht steken, des te erger worden zij door de waarheid
beschaamd.
34. Want wat elke mensch in Uw oogen is, dat is hij en niets meer,
placht de ootmoedige Franciscus te zeggen.

HOOFDSTUK 10.
Dat men zich met nederig werk moet bezighouden, als men te
kort schiet in de hooge deugd.
De meester.
1. Mijn zoon, je ijver voor de deugd kan niet altijd even vurig bran-
den en niet voortdurend kun je volharden op den hoogsten trap der
beschouwing.
Maar van wege het ziektebederf der menschelijke natuur moet je soms
naar het lagere afdalen en met verdriet ook tegen je zin, den last van
het kranke leven dragen.
2. Zoolang je dit sterfelijk lichaam meevoert, zul je den last en den
onlust des harten gevoelen.
3. Daarom moet je vaak in het vleesch over den last des vleesches
zuchten, wijl je niet gestadig met geestelijke oefeningen en de Godsbe-
schouwing kunt bezig blijven.
4. Dan is het goed voor je, om tot uitwendige nederige bezigheden
je toevlucht te nemen, en je trouw met handenarbeid te verkwikken; mijn
terugkomst en hoog bezoek met vertrouwen te verbeiden, en je zieledor-
heid geduldig te verdragen, totdat je weer door mij bezocht, en van alle
angsten bevrijd wordt.
5. Want dan zul je weer spoedig al je lasten vergeten en de innige
rust genieten.
6. Dan zal ik de groene weiden der heilige schriften weer voor je uit-
breiden, zoodat je met een verruimd hart weer draven moogt Tangs den
weg mijner geboden. (Ps. 118, 32).
7. En dan zul je zeggen: Het lijden van dezen tijd weegt niet op tegen
de toekomstige heerlijkheid, die in ons zal geopenbaard worden. (Rom.
8, 18).
80
81

HOOFDSTUK 11.
Dat de mensch geen troost verdient, maar geeselslagen.
De leerling.
1. Heer, ik ben Uw troost en Uw geestelijk bezoek niet waard; en
daarom doet Gij heel rechtmatig met mij, als Gij mij hulpeloos in mijn
ellende laat toeven.
2. Want al kon ik ook een zee van tranen vergieten, dan zou ik nog
Uw troost onwaardig zijn.
3. Ik verdien dus niets dan gegeeseld en gestraft te worden, omdat ik U
dikwijls en zwaar gegriefd en in zooveel gevallen erg tegen U misdaan
heb.
4. Alles wel overwogen, ben ik dus niet de minste vertroosting waard.
5. Maar Gij, goedertieren en barmhartige God, die niet wilt dat Uwe
werken verloren gaan, gewaardig U toch Uwen knecht weer te ver-
troosten boven alle menschelijke mate.
6. Uw troost is immers niet als menschelijke troostredenen.
7. Wat heb ik gedaan o heer, dat Gij mij eenige hemelsche ver-
troosting zoudt schenken?
8. 1k herinner mij niet dat ik ooit iets goed gedaan heb, maar wel dat
ik altoos tot ondeugd geneigd en traag was om mij te beteren.
9. Zoo is het, en ik kan het niet ontkennen.
10. Wilde ik het anders zeggen, dan zoudt Gij mij tegenspreken.
11. Wat heb ik voor mijn zonden anders verdiend dan de hel en het
eeuwige vuur? (Math. 18, 8).
12. Ik beken in waarheid dat ik alle bespotting en verachting ver-
diend heb.
14. Wat zal ik in mijn schuld en al mijn beschaming zeggen?
15. Ik heb niets anders te zeggen dan alleen dit woord: 1k heb ge-
zondigd, heer, ik heb gezondigd, wees mij genadig en vergeef het mij.
(Luc. 15, 19 en 21).
17. Wat eischt Gij van den armen ellendigen zondaar anders, dan dat
hij met een berouwend vermorzeld hart zich om zijn wandaden vernedert.
18. In waar berouw en vernedering des harten ontkiemt dan de hoop
op vergeving, de wrok van het geweten (Sap. 17, 10) wordt verzoend, de
verloren genade wordt hersteld, de mensch wordt beveiligd tegen den
lateren toorn (1 Thess. 1, 10) en dan zien God en de rouwmoedige ziel
elkander in de oogen met een heiligen kus. (Luc. 15, 20).
19. De nederige zielsvermorzeling om de zonden is voor U een wel-
behagelijk offer (Ps. 50, 19) dat in Uw aangezicht veel lieflijker geur
geeft dan wierookwolken. (Exod. 29, 25).
20. Dit was ook de zachte zalf, die Gij liet uitstorten over Uw heilige
voeten (Luc. 7, 37), want nooit hebt Gij een verbrijzeld en vernederd
hart versmaad. (Ps. 50, 1).
21. Daar is dan ook het toevluchtsoord tegen het grimmig gelaat van
den helschen vijand.
22. Daar wordt hersteld en afgewasschen, wat bedorven en bezoedeld
was.
81
6
82

HOOFDSTUK 12.
Dat Gods genade en aardsche wijsheid elkander niet verstaan.
De meester.
1. Mijn zoon, kostelijk is mijn genade, en zij last zich niet mengen met
wereldschen troost of aardsche wijsheden.
2. Als je dus verlangt een hemelsche instorting te ontvangen, moet je
alle beletselen der genade verwijderen.
3. Zoek dus de afzondering, wees gaarne met jezelf alleen, zoek nie-
mands gezelschap; maar richt je devoot bidden naar God, om je hart
boetvaardig en je geweten zuiver te houden.
4. Acht de heele wereld voor niets.
5. Stel den omgang met God boven alle uiterlijke bezigheden.
6. Want je kunt niet tegelijk met mij verkeeren en je met tijdelijke
dingen vermaken.
7. Van je kennissen en vrienden moet je je terugtrekken, en je alien
tijdelijken troost ontzeggen.
8. Zoo vermaant Petrus de christen-geloovigen, dat zij zich als vreem-
de pelgrims in deze wereld zullen gedragen. (1 Petr. 2, 11).
9. Hoe groot zal het vertrouwen van den stervende zijn, die door geen
enkele aardsche gehechtheid aan deze wereld meer wordt vastgehouden.
10. Maar een krank gemoed kan niet begrijpen, dat het hart zoo loss
moet staan van alle dingen; en de vleeschelijke mensch verstaat niets van
de innerlijke vrijheid der vromen.
11. En toch, als je waarlijk een geestelijk mensch wil zijn, moet je
alles vaarwel zeggen, van verre of van nabij, en je voor niemand meer in
acht nemen dan voor jezelf.
12. Als je jezelf maar eenmaal volkomen overwonnen hebt, zul je
lichtelijk al het overige onderwerpen.
13. De volkomenste zegepraal voor den mensch is toch te triompheeren
over zichzelf.
14. Wie zich toch zoo in bedwang houdt, dat de zinnelijkheid aan de
rede, en de rede in alles aan mij gehoorzaamt, die is waarlijk een zege-
vierder over zichzelf en een beer der wereld.
15. Als je tot dezen top wenscht te klimmen, moet je manmoedig
beginnen en de bijl aan den wortel leggen (Luc. 3, 9), om alle verborgen
en ongeregelde lief de tot jezelf en alle stoffelijk goed uit te roeien en te
verdelgen. (Jerem. 1, 10).
16. Aan dit eene gebrek, dat men zichzelf al te onbeteugeld liefheeft,
hangt nagenoeg alles wat met wortel en al moet worden uitgeroeid.
17. Wanneer dit kwaad maar overwonnen en uitgedelgd is, dan is
er aanstonds een groote vrede en stille rust.
18. Maar omdat er weinig zijn die zich volkomen willen versterven,
en volop boven zichzelf uit durven groeien, blijven zij met zichzelf be-
kommerd en kunnen ze zich in den geest niet boven zichzelf verheffen.
19. Wie echter in vrijheid met mij verlangt om te gaan, moet alle
ongeregelde en verkeerde neigingen versterven, en aan geen enkel schep-
sel met bijzondere genegenheid gehecht wezen.

82
83

HOOFDSTUK 13.
Van de tegengestelde werkingen van de natuur en de genade.
De meester.
1. Mijn zoon, luister eens goed naar de neigingen van de natuur en
de genade, omdat die scherp tegenover elkander staan, maar de strijd is
zoo verwikkeld, dat zelfs de geestelijke en inwendig verlichte menschen
ze niet altijd kunnen onderscheiden.
2. Alle menschen streven wel naar het goede, en hebben bij hun
woorden en daden het een of ander goed voor oogen, maar velen worden
door een schijngoed bedrogen. (Horatius).
3. De natuur is listig en aantrekkelijk, zoo verstrikt en verleidt ze er
veel, en zoekt altijd zichzelf.
4. Maar de genade gaat eenvoudig te werk (Prov. 10, 9), vermijdt zelfs
den schijn van kwaad (1 Thess. 5, 22), gebruikt geen bedriegelijke voor-
wendsels, maar doet alles zuiver voor God, in wien zij ten slotte zelf
berust.
5. De natuur wil niet graag sterven, noch onderdrukt of overwonnen
worden, ook is ze niet onderdanig en laat zich moeilijk temmen.
6. De genade daarentegen legt zich toe op de zelfversterving, weer-
staat de zinnelijkheid, zoekt de onderwerping, wil overwonnen worden,
wil haar eigen vrijheid niet gebruiken, maar onder tucht staan, zij ver-
langt over niemand te heerschen, maar altoos onder God te staan en te
leven, en is ter lief de Gods bereid te buigen voor alle schepselen. (1 Petr.
2, 13).
7. De natuur werkt voor haar eigen gemak, en zoekt overal winst
uit te slaan.
8. De genade let niet op eigenbaat of zelfbehagen, maar zoekt veel-
eer het welzijn van velen. (1 Cor. 10, 33).
9. De natuur laat zich graag eeren en huldigen, de genade echter gunt
trouw alle eer en glorie aan God alleen.
11. De natuur vreest voor beschaming en geringschatting; maar de
genade verblijdt zich als om Jesus' naam ze laster en onrecht mag
lijden. (Hand. 5, 41).
12. De natuur zoekt het fijne en mooie en veracht het geringe en
grove, maar de genade stelt haar vreugde in het eenvoudige en nederige,
en weigert niet versleten kleeren te dragen.
13. De natuur ziet naar het tijdelijke en verheugt zich om aardsch
gewin, treurt over schade, en wordt boos om de kleinste beleediging.
14. Maar de genade let op het eeuwige, en hecht niet aan het tijde-
lijke; ook wordt ze niet bedroefd om het een of ander verlies, noch door
harde woorden verbitterd, omdat zij haar schat en haar vreugd in den
hemel heeft, waar toch niets verloren gaat.
15. De natuur is hebzuchtig en houdt meer van krijgen dan van ge-
ven, zij houdt van iets eigens en iets bijzonders.
16. De genade echter is mild en mededeelzaam, zij vermijdt het af-
zonderlijke, is met weinig tevreden en vindt het zaliger te geven dan te
ontvangen. (Hand. 20, 35).

83
84

17. De natuur helt over naar de schepselen en het vleesch; zij gaat
graag uit en houdt van ijdelheden.
18. Maar de genade trekt naar God toe in de deugd, zij verzaakt aan
de schepselen, en vlucht de wereld, haat de vleeschelijke begeerten, be-
teugelt de wilde reislusten en schroomt in het openbaar te verschijnen.
19. De natuur heeft graag overal wat uitwendig vermaak bij en zin-
nelijke genoegens.
20. Maar de genade zoekt haar troost in, God alleen, en wil zich
boven alle zichtbare dingen in het hoogste goed verheugen.
21. De natuur doet alles om gewin of uit eigenlief de, zij doet niets
voor niets, en hoopt voor haar weldaden minstens evenveel of iets beters
terug te krijgen, of er ook nog wat eer en gunst mee te verdienen,
De genade echter zoekt niets tijdelijks en vraagt geen andere belooning
dan God.
22. Wie zoo tegen hun zin aan de behoeften van de natuur onderwor-
pen zijn,
23. die voelen het best wat de geest der waarheid door de genade
in hen spreekt!
24. Deze leert hun toch het aardsche te verachten en het hemelsche
lief te hebben, de wereld prijs te geven en dag en nacht naar den hemel
te verlangen.

HOOFDSTUK 14.
Van het wonderlijk verlangen der liefde tot God.
De leerling.
9. Iets machtigs is de liefde en een heel groote zegen; omdat zij alleen
alles licht maakt wat zwaar is en alien tegenslag gelaten aanvaardt.
10. Want zonder last draagt zij elken last, en al het bittere maakt
zij zoet en smakelijk.
11. De liefde tot Jesus is iets edels, dat ons tot groote daden dwingt
en altoos prikkelt naar hooger volmaaktheid te smachten.
12. De liefde wil alleen heerschen, en laat zich door geen lagere din-
gen vasthouden.
13. De liefde wil vrij zijn en vreemd van alle wereldsche begeerten,
en niet belemmerd of verwikkeld worden, om in tegenspoed niet te
zwichten.
14. Daar is in hemel of aarde niets zoeters dan de liefde, niets ster-
kers, niets hoogers, niets aangenamers, niets rijkers en niets beters, omdat
de liefde uit God geboren is (1 Joan. 4, 7) en alleen boven alle schepselen
kan rusten in God!
15. De liefde vliegt, draaft en juicht, zij is vrij en onbedwongen.
17. Ze ziet niet naar de giften, maar richt zich naar den gever boven
alle gaven.
18. De liefde kent vaak geen perken, maar gloeit en tintelt fel.
19. De liefde voelt geen last, telt geen moeite, en wil altijd meer dan
zij vermag.

84
85

20. De liefde houdt niets voor onmogelijk, omdat ze nu eenmaal alles
kan.
22. De liefde waakt en sluimert zelfs niet in haar slaap; vermoeienis
maakt haar niet mat, geprangdheid benauwt haar niet, voor geen schrik is
ze vervaard, maar als een flakkerende vlam schiet zij naar boven en
breekt zich vrijelijk baan.
30. De liefde is vlug en vaardig, oprecht en zuiver, vriendelijk en mild.
De liefde is sterk, geduldig en trouw, voorzichtig, lankmoedig en stout,
zonder ooit zichzelf te zoeken. (1 Cor. 13, 4-7).
31. Want wie zichzelf zoekt, is van de liefde afvallig.
32. Ook is de liefde nederig en gaat ze recht door zee. Ze is niet
week, niet luchthartig en nooit op nietigheden uit, maar sober, kuisch en
gestadig.
34. De liefde die niet bereid is alles te lijden en den geliefde geheel
ter beschikking te staan, mag zich geen liefde noemen.
35. De liefde moet alle harde en bittere dingen gewillig om den Be-
lief de aanvaarden en mag nooit om tegenslag van hem wijken.

HOOFDSTUK 15.
Van de beproeving der ware liefde.
De meester.
1. Mijn zoon, je bent nog niet sterk genoeg, en bent voor een wizen
minnaar eigenlijk nog niet de ware.
3. Want om een klein bezwaar zwicht je nog, en nog al te gretig grijp
je naar troost.
4. De sterke minnaar staat pal in de beproevingen, en luistert niet
naar de listige influisteringen van den vijand.
5. Evenmin als ik hem om de lusten behaag, mishaag ik hem in de
lasten.
6. De wijze minnaar ziet niet naar de liefdesgave, maar naar de liefde
van den gever.
7. En let meer op de hartelijkheid dan op de waarde, en stelt alle
giften beneden den gever zelf.
8. De edele liefde rust niet in de- gave, maar in mij boven alle gaven.
9. Daarom is ook nog niet alles verloren, als je soms van mij of mijn
heiligen niet zoo lief denkt als je zou willen.
10. Die goede, weldadige begeerte, die je soms ontwaart is immers
slechts een gevolg der, genade die je bestraalt, en een voorsmaak van het
hemelsch vaderland, waaraan je niet te veel moet hechten, want die komt
en gaat.
11. Maar te strijden tegen alle booze invallen, en de ingevingen van
den kwaden geest te verachten, is zeer verdienstelijk en een groot gewin.
12. Laat je dus niet in de war brengen door vreemde verbeeldingen,
van wat voor zijde ze ook worden ingebracht.
13. Houd krachtig vast aan je voornemen, en je trouwe aandacht op
God.
85
86

14. Het is geen zinsbedrog, dat je soms plotseling in zielsvervoering
raakt, en daarna aanstonds terugvalt in de gewone beuzelingen van je
hart.
15. Deze immers onderga je meer dan je ze verwekt; en zoolang ze
je mishagen en je er tegen opkomt, zijn ze een winst en geen verlies.
16. Weet, dat de vijand met geweld je mooie verlangens tracht te ver-
ijdelen en je wil aftrekken van alle goede oefeningen, als daar zijn de aan-
roeping der heiligen, de overweging van mijn lijden, de heilzame gedachte
aan je zonden, de trouwe bewaking van je hart en het vaste voornemen
om in de deugd vooruit te komen.
17. Hij werpt verder allerlei kwade gedachten in je ziel om je tegen-
zin en afkeer in te boezemen en je of te houden van het gebed en de
geestelijke lezing.
18. Hem mishaagt een ootmoedige biecht, en als hij kon zou hij je
zelfs de heilige communie doen verzuimen.
19. Geloof hem niet, en stoor je niet aan hem, hoe vaak hij je ook
strikken spant.
20. Werp het heelemaal op hem, als hij je booze onzuivere gedachten
inblaast.
21. En zeg tot hem: „Ga uit van mij, onreine geest (Marc. 5, 8), schaam
je, ellendeling.
„Je moet wel goor zijn, dat je mij in zoo'n dampkring brengt.
22. „Weg uit mij, booze bedrieger, je zult aan mij geen deel hebben,
maar Jesus zal met mij zijn als een sterke held en je zult beschaamd wor-
den. (Jerem. 20, 11).
23. „Liever sterven en alle pijnen lijden dan jouw zin te doen.
24. „Zwijg en wees stil (Marc. 4, 39), ik wil je niet meer hooren,
wat je ook voor helsche kunsten uithaalt.
25. „De heer is mijn verlichting en mijn heil, wien behoef ik dan te
vreezen?
26. „Ook al kwam een heel leger tegen mij op, mijn hart is onver-
vaard. (Ps. 26, 1 en 3).
27. „De heer is mijn helper en verlosser." (Ps. 18, 15).
28. Strijd dan als een ridder zonder blaam. (2 Tim 2, 3).
29. En als je soms uit zwakheid struikelt, sta dan sterker op dan je
viel, en vertrouw op mijn nog rijker genade, maar wacht je steeds voor
ijdel zelfbehagen en hoovaardij.
30. Daardoor worden toch velen op een dwaalweg geleid, en raken
dan soms in ongeneeslijke verblinding.
31. En moge het ongeluk van zulke hoogmoedigen en vermetelen je
manen tot behoedzaamheid en eeuwigen ootmoed.

HOOFDSTUK 16.
Van het verbergen der genade onder de hoede der nederigheid.
De ineester.
1. Mijn zoon, het is nuttig en heilzaam de genade der devotie te ver-
bergen, je er niet op te verheffen, er niet te veel over te spreken en het

86
87

niets bijzonders te vinden; maar liever jezelf gering te achten, en te
meenen dat die genade eigenlijk aan een onwaardige is te beurt geval-
len.
2. Ook moet je niet te veel steunen op je devote stemming, want deze
kan spoedig veranderen.
3. Zoolang je deze genade geniet, moet je bedenken, hoe arm en
ellendig je altijd bent zonder genade.
4. Ook is in den troost der genade alleen volstrekt niet je ware voor-
uitgang gelegen; maar als je nederig, verstorven en lijdzaam weet te
dragen dat ze je wordt onttogen, en dan niet verflauwt in je gebed, noch
je overige vrome oefeningen daarom laat varen, maar zoo goed je kunt
alles volbrengt, en om de dorheid of den angst van je hart daar niets van
verzuimt.
5. Er zijn er velen, die zoodra hun niet alles voor den wind gaat, aan-
stonds ongeduldig en nalatig worden.
6. Maar 's menschen weg is niet steeds in zijn macht (Jerem. 10, 23)
en het ligt in Gods hand te geven en te troosten wanneer hij wil, al naar
zijn welbehagen en niet anders.
7. Sommigen hebben zichzelf in hun onberadenheid aan de genade
der devotie te gronde gericht, omdat zij meer wilden doen dan ze konden,
en geen rekening hielden met hun zwakheid, maar meer de drift van hun
hart gevolgd zijn dan de reden van hun verstand.
8. En omdat ze vermetel naar hooger grepen, dan God welgevallig
was, hebben zij spoedig de genade verloren.
9. Zij die hun nest bouwden aan den sterrenhemel (Abd. 4) zijn als
arme stervelingen omlaag gevallen, om door die vernedering te leeren
niet meer op eigen wieken te willen drijven, maar op mijne slagveeren
te vertrouwen. (Ps. 90, 4).
10. Wie nog jong zijn en onervaren op den weg des heeren, kunnen
zoo licht bedrogen worden en ten val komen, als zij zich niet naar den
raad der ouderen richten.
11. Wie toch liever hun eigen meening volgen, dan aan de ervaren
dienaars van God te gelooven, loopen groot gevaar, als zij zich niet tijdig
van hun eigen wijsheid laten afbrengen.
12. Zelden zijn echter de eigengereiden nederig genoeg om zich door
anderen te laten leiden. (Rom. 11, 25).
13. Beter is een klein begrip en geringe kennis in ware ootmoedigheid,
dan de grootste schatten van wetenschap met ijdel zelfbehagen.
14. Het is je beter minder gaven te hebben, dan er groot op te gaan,
dat je meer talenten hebt.
15. Niet heel voorzichtig handelt de vrome, die in de geneugten van
zijn vertroosting heelemaal opgaat, en zijn vroegere armoede niet meer
gedenkt. (Eccli 18, 25).
Laat hij toch de teer-maagdelijke vrees niet vergeten, en schuchter be-
ducht blijven dat de aangeboden genade hem weer zal ontglippen.
16. Maar ook hij doet niet wijs of 'deugdzaam, die zich in tijd van
tegenspoed of mistroostigheid aan vertwijfeling overgeeft; en niet zoo'n
vast kinderlijk vertrouwen in mij stelt als hij moest.

87
88

17. Wie zich in den tijd van vrede al te gerust en zorgeloos gedragen,
voelen zich in het uur van den strijd vaak al te angstig en verslagen.
18. Kon je altoos klein en nederig ingetogen zijn, en je geest in kaim
zelfbeheer bewaren, dan zou je niet zoo vaak in zonden vallen of ge-
varen.
19. Het is een goede raad, dat je juist in tijden van vurigheid je de
vraag stelt, hoe het je gaan zal, als de vurigheid weer verkilt.
20. En wanneer dit werkelijk gebeurt, moet je bedenken, dat het licht
weer spoedig terug kan komen, dat ik slechts tot je eigen hoede en rnijne
eer een korten tijd heb weggenomen.
21. Deze lotsverwisseling is je toch veel heilzamer, dan wanneer je
altijd den voorspoed hadt dien je wenschte.
22. Want niet daarnaar moet je iemands verdiensten afmeten, of hij
veel openbaringen en vertroostingen ontvangt, of hij in de heilige boeken
doorkneed is, of tot een hoogeren staat van gebed wordt verheven, maar
of hij in de ware nederigheid gegrondvest en van goddelijke liefde ver-
vuld is; of hij onverdeeld de zuivere eere Gods zoekt, of hij zichzelf voor
niets acht en werkelijk gering schat, en of hij zich er meer om verheugt,
door anderen veracht en vernederd dan geeerd en geprezen te worden.

HOOFDSTUK 17.

Dat God het doel is van alle dingen.

De meester.
1. Mijn zoon, ik moet je opperste en laatste bedoeling wezen, als je
waarlijk begeert gelukkig te worden.
2. Door deze bedoeling zal al je liefde gelouterd worden; die nu nog
vaak naar jezelf of naar de schepselen heennijgt.
3. Want zoodra je in jets jezelf zoekt, word je aanstonds teleurge-
steld en ontevreden.
4. Richt dus al je beslommeringen op mij, want ik ben het, die je
alles heb gegeven.
5. Beschouw alle dingen, gelijk ze voortkomen uit het hoogste goed;
want tot mij als tot hun oorsprong moeten ze alle worden herleid.
6. Uit mij putten klein en groot, arm en rijk als uit een levende
bron het parelende water. (Apoc. 13, 16 en 21, 6).
En wie gaarne en gewillig mijn wil doet, zal genade op genade ont-
vangen. (Is. 12, 3; Joan. 1, 16).
7. Maar wie buiten mij geeerd wil zijn, of in een persoonlijk goed zijn
behagen stelt, zal niet in ware vreugd gedijen of zijn hart verruimd voe-
len (2 Cor. 6, 11-12), maar in velerlei engte benauwd en gehinderd
worden.
8. Je moet dus niets aan jezelf en ook aan anderen niets goeds, maar
alles aan mij als aan je God toeschrijven, want zonder hem heeft de
mensch niemendal.

88
89

9. Ik heb alles gegeven. Ik wil alles terug hebben, en met groote
strengheid eisch ik dankbaarheid.
10. Deze waarheid is het, die alle ijdele eer op de vlucht jaagt.
11. En als eenmaal de hemelsche genade en de ware lief de in je hart
komt, dan is daar geen nijd en geen enghartigheid en geen eigenliefde
meer.
12. De Godsliefde gaat immer alles te boven en verruimt alle krach-
ten der ziel.
13. Als je dat verstaat, dan zul je alleen in mij gelukkig zijn, alleen
op mij hopen, want niemand is goed, behalve God alleen. (Luc. 18, 19).

HOOFDSTUK 18.

Dat men de begeerten zijns hal-ten in verhoor mod nemen
en beieugelen.

De meesier.
1. Mijn zoon, je hebt nog veel te leeren, wat je nog niet goed ver-
staat.
2. En vooral deze twee dingen:
3. ten eerste dat je al je verlangens moet omzetten naar mijn wil
(Ephes. 1, 9) en ten tweede dat je moet ophouden met die verliefdheid
op je zelven.
Je begeerten prikkelen je vaak en drijven je voort; maar wik en weeg
dan of het meer mijne eer of je eigen gemak is, dat je bezielt.
5. Als ik de ware reden ben, zul je tevreden wezen, hoe ik het ook
beschik.
6. Maar schuilt er jets van zelfzucht onder, dan is dit het wat je
hindert en bezwaart.
7. Zorg dus dat je niet al te fel vasthoudt aan een begeerte die je,
zonder mij te raadplegen, hebt opgevat, opdat je later niet berouwe en
mishage, wat je eerst zoo aanstond.
8.. Want niet alle begeerte, die je aanlokt, moet je zoo maar aan-
stonds volgen.
En evenmin moet je alles wat je tegenstaat zoo maar dadelijk ont-
vluchten.
9. Soms is het nuttig ook de mooie verlangens en begeerten even den
teugel aan te leggen, om niet door de onstuimigheid van je hart buiten
je evenwicht te geraken, of anderen door je onbeheerschtheid geen er-
gernis te geven; en om, als anderen je soms weerstaan, niet plotseling in
verwarring of ten val te komen.
11. Zoolang toch moet je begeerte beteugeld en onderdrukt worden
(1 Cor. 9, 27), totdat het vleesch volkomen tot alles bereid is, en geleerd
heeft met weinig tevreden te zijn en het gewone voor lief te nemen.

89
90

HOOFDSTUK 19.
Een les van geduld in den strijd tegen de begeerlijkheid.
De leerling.
1. Heer, gelijk ik zie, is het geduld mij allernoodzakelijkst. (1 Cor.
9, 27).
In dit leven staan immers vele dingen mij tegen.
2. Want hoe ik het ook aanleg om mijn vrede te bewaren, kan toch
mijn 'even niet zijn zonder strijd en verdriet. (Ps. 30, 2).

De meester.
3. Zoo is het, mijn zoon.
4. En ik wil ook niet, dat je zoo'n vrede zoekt, die geen bekoring of
tegenspoed kent, maar dat je ook dan vrede weet te vinden, als je in
verzoekingen geoefend en door tegenslag beproefd wordt.
5. Als je zegt, dat je niet veel lijden kunt; hoe zul je dan de pijn van
het vagevuur doorstaan?
6. Van twee kwaden moet je altoos het minste kiezen.
7. Om dus de straffen van hiernamaals te vermijden, moet je trach-
ten het tegenwoordige lijden om God geduldig te verdragen.
8. Of meen je, dat de kinderen van de wereld maar weinig of niets
te lijden hebben?
9. Dat zul je wel anders hooren, ook als je dit bij de meest vertroe-
telde weeldekinderen navraagt.
10. Maar zij hebben, zeg je misschien, allerlei vermaak, en zij doen
hun eigen zin, en daarom geven zij niet zooveel om hun tegenvallers.
11. Dat mag zoo zijn, en laat hen hebben al wat ze willen. Maar hoe
lang, meen je, dat dit duren zal?
12. Zie als rook zullen zij opgaan, die overvloed hebben in de wereld
(Ps. 36, 20 en 72, 12) en van alle vergane blijdschap blijft er hiernamaals
geen enkele herinnering over.
13. En zelfs terwijl ze nog leven, zijn zij nooit vrij van bitterheid,
angst en verdriet.
14. Want uit dezelfde dingen waar ze hun genoegen in stellen, krijgen
ze ook vaak hun verdiende straf.
15. En terecht, want juist omdat zij hun onbeteugelde begeerten
trachten in te willigen, slagen zij er niet in, die zonder schande en bit-
terheid te verzadigen.
16. 0, hoe kort, hoe bedriegelijk, hoe onstuimig en hoe schandelijk
zijn al deze wereldsche gedachten en gevoelens!
17. Maar in hun dronkenschap en verblindheid des harten zien zij
dit niet in, en rennen zij als redelooze dieren, om het vermaak van een
vergankelijk leven, den eeuwigen dood hunner ziel tegemoet. (2 Mach.
6, 25).
18. Loop dus, mijn zoon, niet achter je begeerlijkheid aan, maar keer
je of van je hartstocht. (Eccli. 18, 30). Verlustig je in den heer, dan zal
hij je geven al waar je hart om vraagt. (Ps. 36, 4).

90
91

19. Want, als je in waarheid mijn vreugd wilt smaken, zie, een rijke
zegen is er voor je gelegen in het verzaken van de wereldsche vermaken;
en in de verloochening van alle aardsche begoocheling zal je een rijke
overvloed van troost geworden.
20. En hoe meer je je aan alle vertroeteling der schepselen onttrekt,
des te zoeter en feller vind je in mij je schadeloossteller.
21. Maar in den aanvang zal dat niet lukken zonder eenigen strijd
en moeite.
22. Want de ingewortelde gewoonte zal zich verzetten, maar spoedig
door een betere worden overtroefd.
23. Het vleesch zal morren en kreunen, doch weldra door je vurigen
geest worden beteugeld.
24. De oude slang zal je willen bijten en vergiftigen, maar door je
gebed verjaagd worden, en door je gestadigen arbeid onverdroten, zal
haar eens voor goed de groote poort worden gesloten.

HOOFDSTUK 20.
Over de gehoorzaamheid van den ootmoedigen onderdaan naar
het voorbeeld van Jesus Christi's.
De meester.
1. Mijn zoon, wie zich aan de gehoorzaamheid zoekt te onttrekken,
onttrekt zich aan de genade.
2. En wie iets eigens wil bezitten, geeft het gemeenschappelijke prijs.
Wie zich niet graag en gemakkelijk aan zijn oversten overgeeft, bewijst
daarmee, dat zijn vleesch hem nog niet volkomen onderworpen is, maar
nog dikwijls mort en achteruit trapt.
3. Leer dus, je zonder dralen aan je overste te onderwerpen, als je je
eigen vleesch under bedwang wilt krijgen.
4. Want veel sneller wordt de uitwendige vijand overwonnen, wanneer
de inwendige mensch van binnen ongedeerd is.
5. Daar is geen lastiger en boozer vijand voor de ziel dan jezelf,
wanneer je in tweespalt leeft met den geest. (Tob. 12, 10).
6. Je moet leeren je volkomen te verachten, als je iets vermogen wilt
tegen vleesch en bloed.
7. Juist omdat je jezelf nog al te buitensporig liefhebt, ben je bang
om je geheel en al aan den wil van een ander over te geven.
8. Maar heeft het waarlijk zooveel te beteekenen, dat jij, die stof en
nietswaardig bent (Gen. 18, 27), je om Gods wil aan een ander mensch
onderwerpt, nu ik, de almachtige en alhooge, die alles uit niet geschapen
heb (2 Mach. 7, 28), mij om uw aller wil, nederig aan een mensch onder-
worpen heb?
9. Ik ben de nederigste en de minste van alien geworden (Isai 53,
3-4) om je hoovaardij door mijn ootmoed te beschamen.
10. Leer dan gehoorzamen, nietig stof.
Leer je vernederen, leem en aarde; leer je buigen onder aller voeten.

91
92

11. Leer je eigen grillen breken, en je nederig schikken in alle onder-
danigheid.
12. Word boos op jezelf, en laat de opgeblazenheid niet langer in je
leven, maar betoon je zoo onderdanig en klein, dat alle menschen over
je heen mogen loopen en je mogen vertreden als het slijk der straten.
13. Wat reden heb je dan tot klagen, nietige mensch? (Jac. 2, 20).
14. Wat heb je, onreine zondaar, te zeggen tegen hen die kwaad van
je spreken, sinds je zoo vaak God beleedigd en de hel verdiend hebt?
15. Maar mijn uitverkiezend oog heeft je gespaard (Ezech. 20, 17), om-
dat je ziel mij , kostbaar en geschikt leek (Kon. 26, 12) om eenmaal mijn
lief de te begrijpen, en je dankbaar te toonen voor mijn weldaden, om je
graag over te geven ter onderwerping in gestadigen ootmoed, en in
geduld je eigen verachting te mogen dragen.

HOOFDSTUK 21.

Hoe men zich gedragen en wat men telkens zeggen moet als
men iets verlangt.
De meester.
1. Mijn zoon, zeg bij elk ding dat je verlangt: Heer, als het U aan-
genaam is, laat het dan zoo geschieden.
2. Heer, als dit tot Uw eere strekt, zoo gebeure het in Uwen naam.
3. Heer, ziet Gij, dat mij dit van nut en heilzaam is, geef mij het dan
te gebruiken tot Uwe eer.
4. Maar als het mij schadelijk en niet tot mijn zaligheid is, neem dan
dit verlangen van mij weg.
5. Niet elk verlangen komt immers van den heiligen Geest, ook als
de mensch het goed en gerechtigd acht.
6. Zoo moeilijk is het met juistheid te onderscheiden, of een goede
dan wel een booze geest je aanspoort om dit of dat te verlangen, of dat
je misschien door je eigen geest wordt gedreven.
7. Velen zijn ten slotte bedrogen, die eerst door den goeden geest
schenen geleid te worden.
8. Daarom moet je altoos, als iets je verlangenswaard lijkt, dit in de
vreeze Gods en in ootmoed des harten beschouwen, en het vooral met
verloochening van jezelf geheel en al overlaten en zeggen:
9. „Heer, Gij weet, wat het beste is, laat het geschieden naar Uwen
wil.
10. „Geef wat Gij wilt, zooveel als Gij wilt, en op het oogenblik dal
Gij het wilt.
11. „Doe met mij gelijk Gij wilt, en zooals Gij het 't liefst hebt, en het
tot Uw meerdere eere strekt.
12. „Zet mij waar Gij me hebben wilt, en doe met mij vrijelijk in alles.
13. „Ik ben in uwe hand, keer en wend mij, zooals Gij wilt.
14. „Moge ik voor U en niet voor mij leven, waardig en volkomen."

92
93

HOOFDSTUK 22.
Dat de ware troost is te zoeken bij God alleen.
De leerling.
1. Alles wat ik voor mijn troost verlangen of bedenken kan, dat ver-
wacht ik hier niet, maar hiernamaals.
2. Want had ik alleen al de vertroostingen der wereld en kon ik alle
weelden smaken, het is zeker dat zij niet lang zouden duren.
3. Daarom is er o mijn ziel, geen rijpe troost, en geen volkomen ver-
kwikking dan alleen in God, den trooster der armen en den gastheer der
nederigen. (Ps. 76, 4).
4. Wacht nog een korte wijle, mijn ziel, en verbeid de goddelijke be-
lofte, en je zult in den hemel een overvloed van alle goed bezitten.
5. Als je echter onstuimig naar het tegenwoordige grijpt, zal het
eeuwige en hemelsche je ontglippen.
6. Het tijdelijke goed moet je gebruiken, maar het eeuwige begee-
ren.
7. Nooit kun je door een tijdelijk goed verzadigd worden, omdat je
daarvoor niet geschapen bent.
8. Ook al had je alle goede geschapen dingen, je zou toch niet ge-
lukkig en tevreden zijn, want je zaligheid is in God.
En zij is niet, gelijk de dwaze minnaars dezer wereld ze verwachten,
maar zooals de ware geloovigen van Christus die verbeiden, en ze vaak
reeds in voorsmaak genoten wordt door de geestelijke menschen met een
rein hart, wier omgang in den hemel is. (Philip. 3, 20).
9. Alle menschelijke troost is ijdel en kort van duur.
10. Maar zalig en waarachtig is de vertroosting, die men innerlijk
van de waarheid ontvangt.
11. De devote mensch draagt overal zijn trooster Jesus met zich mede
en zegt tot hem:
12. „O heer Jesus, wees bij mij overal en altijd."
13. En zij dit mijn diepste troost (Job. 6, 10): graag allen mensche-
lijken troost te willen missen.

HOOFDSTUK 23.
Dat men het onrecht geduldig moet verdragen en wie de ware
geduldige is.
De meester.
1. Mijn zoon, wat zeg je daar?
2. Zie naar mij, en naar het lijden van mijn heiligen, en houd op met
klagen.
3. Je hebt nog niet geleden ten bloede toe. (Hebr. 12, 4).
4. 't Is nog maar weinig wat je lijdt, in vergelijking met hen, die
zooveel hebben geleden, zoo fel zijn bestreden, zoo zwaar zijn getroffen,
op zoo velerlei wijze zijn geoefend en beproefd.

93
94

5. Je moet je dus het zwaarder kruis van anderen voor den geest
brengen, om je kleine nietigheden lichter te dragen.
7. Maar of het nu groot of klein is, zorg dat je het geduldig draagt.
8. Hoe beter je je op het lijden voorbereidt, des te wijzer word je, en
des te weliger groeit je ziel, en des te lichter zul je het dragen, naar-
mate je het door moed en ervaring beter geleerd hebt.
9. Zeg toch niet: „Ik kan dat van dezen mensch niet uitstaan; en zulke
dingen hoef ik toch ook niet te verduren. Hij heeft mij een groote ramp
berokkend, en belastert mij van wat ik nooit zelfs gedacht heb; maar van
een ander zou ik het best verdragen."
10. Zulk een gedachte is dwaas; omdat ze niet berust op de krachtige
oefening van lijdzaamheid, noch let op hem die ons kronen zal, maar
alleen ziet op de personen en op de beleediging, die ons is aangedaan.
11. Dat is niet de ware geduldige, die niet meer lijden wil dan hem
zelf goeddunkt, en van wien het hem welgevallig is.
12. De ware geduldige vraagt niet, door wien hij beproefd wordt, of
het zijn overste, zijn gelijke of zijn mindere is; of het een goed en heilig
man of een booze en onwaardige is, door wien hem iets wordt aangedaan.
Maar om het even van wie, hoeveel en hoe vaak hem de tegenwerking
overvalt, hij neemt het alles dankbaar aan uit Gods hand en hij acht het
een rijke buit; omdat niets, hoe klein ook, zoo het maar voor God geleden
wordt, onvergolden kan blijven.
13. Houd je dan paraat voor den strijd, als je de zege wilt behalen.
14. Zonder strijd kun je niet komen tot de kroon der lijdzaamheid.
15. Zoo je niet lijden wilt, weiger je gekroond te worden. (2 Tim.
2, 5 en 12).

HOOFDSTUK 24.
Dat men niet zal zoeken naar al te hooge dingen en de
verborgen oordeelen Gods.
De meester.
1. Mijn zoon, wacht je ervoor de hooge geheimen en de verborgen
oordeelen Gods te willen doorgronden: waarom de een wordt in den
steek gelaten, en de ander tot zoo hooge genade wordt opgenomen;
waarom de een zoo diep wordt neergetrapt en de ander zoo hoog ver-
heven.
2. Dat alles gaat ver de menschelijke bevatting te boven en geen
rede of redeneering vermag het goddelijk raadsbesluit te doorgronden.
3. Als dus de vijand je zulke gedachten in de ziel werpt, of nieuws-
gierige menschen je dit vragen, antwoord dan met den profeet: heer,
Gij zijt rechtvaardig en al uw oordeelen zijn juist. (Ps. 118, 137).
4. Of dezen anderen tekst: De rechten des heeren zijn waarheid en
in zich zelve gerechtvaardigd. (Ps. 18, 20).
5. Mijne oordeelen heeft men te vreezen en niet te beoordeelen, want
ze zijn voor het menschenverstand niet te omvademen. (Rom. 11, 33).
6. Evenmin moet je een onderzoek of een redetwist wagen over de

94
95

verdiensten der heiligen, wie heiliger was, deze of gene, of wie de grootste
is in het rijk der hemelen.
7. Dit geeft maar strijd of twist en brengt geen vruchten voort, (Tit.
3, 9 en 2 Tim. 2, 23), maar kweekt hoovaardij en ijdele glorie, als wij den
eenen heilige boven den ander willen zetten.
8. Ook zijn de heiligen daar zelf niet mee gediend, want ik ben geen
God van den twist maar van den vrede. (1 Cor. 14, 33).
32. Wie nadenkt over de zwaarte van zijn eigen zonden en over de
zwakheid zijner deugden, en hoever hij zelf nog van de volmaaktheid der
heiligen verwijderd is, doet God een veel welgevalliger werk dan met
een redetwist over de heiligen en hun meerder- of minderheid.
33. Het is veel beter de heiligen met vurig gebed en tranen aan te
roepen, dan met ijdel onderzoek hun werken na te speuren.
34. De heiligen zelf zouden er veel blijer mee zijn, als de menschen
hun nuttelooze woorden konden bedwingen.
35. Zij beroemen zich niet op hun eigen verdiensten, daar zij zichzelf
niets toeeigenen, maar alle goeds samen aan mij toeschrijven, omdat ik
het hun uit lief de gegeven heb.

HOOFDSTUK 25.

Dat wij onszelf moeten verloochenen en Christi's navolgen.

De meester.
1. Mijn zoon, even ver als je van jezelf los kunt komen, kun je over-
gaan in mij.
2. Zooals het niets van buiten verlangen altijd van binnen meer vrede
brengt, zoo leidt ook het zichzelf van binnen verloochenen, tot een in-
niger vereeniging met God.
3. Ik wil, dat je je volmaakt leert verloochenen om mijn wil aan te
hangen zonder tegenspreken of klagen.
4. Volg mij (Math. 9, 9). Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
(Joan. 14, 6).
5. Ik ben de weg dien je volgen, de waarheid die je gelooven en
het leven dat je hopen moet.
6. Ik ben de onveranderlijke weg, de onbedriegelijke waarheid en
het oneindige leven.
8. Blijf je op mijn weg, dan ken je de waarheid.
9. Wil je ingaan tot het leven, onderhoud dan mijn geboden. (Math.
19, 17).
10. Wil je de waarheid kennen, geloof mij dan.
12. Wil je mijn leerling zijn, verzaak dan aan jezelf. (Math. 16, 24).
13. Wil je het eeuwig leven bezitten, veracht dan het tegenwoordige.
14. Wil je verheven worden in den hemel, verneder je dan op aarde.
15. Wil je met mij regeeren, draag dan met mij het kruis. (Math.
16, 24).

95
96

HOOFDSTUK 26.
Dat men niet verslagen moet zijn, als men in eenige
zwakheid valt.
De meester.
1. Mijn zoon, ik heb meer behagen in geduld en nederigheid bij tegen-
spoed, dan in veel opgetogenheid en devotie bij voorspoed.
2. Waarom bedroeft je toch een kleinigheid die ze tegen je uitspre-
ken?
4. Laat het passeeren. Het is het eerste niet en ook niets nieuws, en
zal ook het laatste niet zijn van je leven.
5. Je bent flink genoeg, zoolang je geen tegenspraak ontmoet.
6. Je geeft ook goeden raad en hebt er slag van anderen te bemoe-
digen.
7. Maar als onverwacht de beproeving aan je eigen deur klopt, dan
ontbreekt het je aan raad en aan kracht.
Dan heb je ineens al die mooie voorbeelden en geestelijke spreuken
vergeten, waar je anderen mee pleegt te paaien.
8. Let op deze groote zwakheid van je, die je al zoo vaak in kleine
dingen ondervonden hebt.
9. En toch gebeuren al die dingen om je bestwil.
10. Als deze en dergelijke dingen je nu weer overkomen, zet ze dan
met alle kracht buiten de deur van je hart.
En laat het je niet bekommeren of ter neer slaan, ook al heeft het je
diep geraakt.
11. Verdraag het tenminste met geduld, als je het niet blij kunt
dragen.
12. Ook als je iets niet graag hoort, en je voelt je verontwaardigd,
bedwing je dan, en laat geen onvertogen woord uit je mond gaan, waar-
door de kleinen mochten geergerd worden.
13. De geprikkelde ontroering zal weldra weer zwichten, en het in-
wendig Teed zal verzacht worden met de hulp der genade.
14. Nog leef ik (Isai. 44, 18) en ik sta klaar om je te helpen, en je meer
dan anders te troosten, als je maar op mij betrouwt en mij ootmoedig
aanroept.
15. Je moet wat kalmer en rustiger worden en je aangorden tot groo-
ter lijdzaamheid. (Baruch 4, 21).
16. Het is nog niet heelemaal verloren, als je vaak je bedrukt of zwaar
bekoord voelt.
17. Je bent een mensch en gegn God. Vleesch ben je en geen engel.
18. Hoe zou je altijd in denzelfden staat van deugd kunnen blijven, als
zelfs de engelen in den hemel en de eerste menschen in het paradijs dat
niet vermochten.
19. 1k ben het die de bedrukten weer opricht tot welstand (Job 5, 11)
en wie hun zwakheid erkennen, ophef tot mijn Godheid.

96
97

De leerling.
20. Heer, gezegend zij Uw woord, dat zoet smaakt in mijn mond, meer
nog dan honingraten. (Ps. 18, 11).
21. Wat zou ik in al mijn druk en benauwdheid aanvangen, als Gij
mij niet sterkte met uw heilige inspraak?
22. Als ik tenslotte maar aankom in de haven der zaligheid, wat komt
het er dan op aan wat en hoeveel ik geleden heb?
23. Geef mij een goed einde en een zalig vertrek uit deze wereld.
24. 0 mijn God, gedenk mijner (2 Esdr. 13, 22) en leid mij langs den
rechten weg Uw koninkrijk binnen. Amen.

97
7
BOEK IV.
Over de heilige communie.
Drie verschillende stukken uit Geert Groote's dagboek, die over de
Eucharistie handelen, vereenigde hij later tot een opusculum dat DE
COMMUMIONE tot titel kreeg. Het eerste deel bestaande uit de Inleiding
en de 4 eerste. capita schreef hj waarschijnlijk nog te Monichuscn, het
tweede deel cap. 5-7 is uit den Deventerschen tijd na zijn diakenwijding,
het derde deel cap. 8-14 is uit rim latere levensjaren. Thomas d_Kempis
had dus gedeeltelijk gelijk met de opneming van dit 4e boek tusschen het
2e en Se in den Brusselschen autograaf.

Hier begint een devote vermaning om de heilige communie te ontvangen.

Inleiding.
De meester.
1. Komt alien tot mij, die vermoeid en zwaar beladen zijt, en ik zal
u verkwikken. (Math. 11, 28).
2. Het brood voor het leven dat ik aan de wereld zal geven, is mijn
vleesch. (Joan. 6, 52),
3, Neemt en eet: dit is mijn lichaam, dat voor u overgeleverd zal wor-
den. Doet dit tot mijne gedachtenis. (Math. 26, 26; Luc. 22, 19; Joan. 6, 55;
1 Qor. 11, 24).
4. Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem.
(Joan. 6, 57).
6. Komt aan mijn tafel, gij zijt geroepen en uitgenoodigd. (Math. 22, 4).
7. Komt dan toch tot mij en versmaad mijn bede niet (Math. 22, 5),
opdat gij later niet door mij versmaad wordt en dan hooren moet: Gaat
van mij! (Math. 25, 41).
8. Komt tot mij, die u hartelijk liefheb en uit liefde voor u het gelag
heb betaald. (Rom. 7, 8).
Het is goed in mijn taveerne te gaan, 't is al betaald en afgedaan.
(Apoc. 5, 9).
Teert feestelijk en blij op kosten van mij. (Math. 22, 4).
9. Komt gerust naar binnen, en niet alleen gij; maar komt hier alien
samen, klerk en leek, goed en slecht, arm en rijk.
10. Het komt er niet op aan wie gij zijt. (Math. 22, 9 en 10).
Komt gij alien die tot inkeer zijt gekomen en boete doet, maar nog
gedrukt gaat onder zware bekoringen, komt tot mij, en ik zal u verlichten
en uw lasten afnemen.
11. Ik zal u spijzen en laven (Joan. 5, 56) met mijn lichaam en bloed.

98
99

Ik zal u verblijden en verkwikken, dat gij er uw Teed en al uw verdriet
bij vergeet. (Gen. 41, 51; Prov. 31, 7).
12. Komt tot mij alien samen, vooral gij die lijdt aan de gevolgen van
uw zonden, en beladen zijt met zware schulden. (Math. 11, 28).
13. Bekeert u en komt van ganscher harte tot mij. ( Joel 2, 12).
14. Mijn vader heeft mij immers niet in de wereld gezonden, om de
wereld te vonnissen, maar om haar te verlossen en zalig te maken. (Joan.
12, 47).
15. En weest dus niet voor mij bevreesd; maar wilt all en samen ko-
men, niemand uitgezonderd. (Math. 22, 9).
16. Ik zal u gaarne uw zonden vergeven, en de verdiende schuld
kwijtschelden. (Math. 9, 6).
Want mijn vader heeft mij het oordeel toevertrouwd. (Joan. 5, 22).
17. Komt dan tot mij. Ik zal u verfrisschen met mij zelven (Math. 11,
28); mijn vleesch zal ik u te eten en mijn bloed te drinken geven. Eet en
drinkt, en, mijn liefste kinderen, gij zult verzadigd worden. (Math. 14, 20).
18. Nijgt dan uw ooren en luistert naar mij en ontvangt mij. (Ps. 33,
12; Marc. 9, 6).
19. Vergeet uw yolk en het huis van uw vader. (Ps. 44, 11).
20. Vergeet de wereld en verlaat alles wat van de wereld is. (1 Joan.
2, 15 en 5, 4, Joan. 17, 16).
21 Verlaat uw vroeger zondenleven en hangt mij aan. (Joan. 15, 19).
22. Stelt uw geloof, uw hoop, uw troost en lief de in mij. (1 Cor. 13, 13).
23. En dan zal ik, uw heer, uw God en uw bruidegom, naar uw schoon-
heid verlangen en u met mij vereenigen. (Ps. 44, 12).
24. Luistert vandaag naar de roepstem des heeren, wacht niet tot mor-
gen, en laat uw harten niet versteenen. (Ps. 94, 8).
25. Hoort naar uw verlosser, die u gemaakt heeft voor hem, om u
eeuwig van hem te laten genieten. (Is. 63, 16; Tit. 2, 14).
Die u daarom gekocht heeft tot zoo duren prijs, om u als zijn eigendom
te bezitten. (Deut. 13, 5; 1 Cor. 6, 20).
26. Komt, ik zal u mijzelven geven tot een spijs van uw zielen (Joan.
6, 56), en tot een eeuwig loon.

HOOFDSTUK 1.
Met hoe grooten eerbied men Christus in het heilig sacrament
moet onivangen.
De leerling.
1. Dit zijn, o Christus, eeuwige waarheid, Uw eigen woorden, hoewel
ze niet alle terzelfder plaatse zijn neergeschreven.
2. En omdat het Uwe woorden en ware woorden zijn, moet ik ze alle
dankbaar en geloovig aannemen.
3. Uwe woorden zijn het, en Gij hebt ze uitgesproken; maar het zijn
ook de mijne, omdat Gij ze voor mijne zaligheid bedoeld hebt.
4. Met lief de aanvaard ik ze uit Uwen mond, om ze diep in mijn hart
te prenten.
99
100

5. Ik word aangelokt door zooveel goedheid, door Uw woorden vol
van liefde en zoetheid, maar ik word vervaard door mijn eigen zonden,
want mijn onrein geweten houdt er mij van terug zulke verborgen schat-
ten aan te nemen.
6. De liefde Uwer woorden trekt mij aan, maar de menigte mijner
zonden bezwaart mij.
7. Gij beveelt dat ik met betrouwen tot U moet komen, zoo ik deel aan
U wil hebben (Joan. 13, 3) en dat ik de spijs der onsterfelijkheid moet
nuttigen, als ik het leven der eeuwige glorie wil deelachtig worden.
8. Komt, zegt Gij, komt tot mij alien die vermoeid en beladen zijt en
ik zal u verkwikken. (Math. 11, 28).
9. 0 zoet en vriendelijk woord in het oar van den zondaar, dat Gij,
mijn heer en mijn God, mij arme en behoeftige uitnoodigt om deel te
hebben aan Uw heilig lichaam.
10. Maar o heer, wie ben ik, dat ik het waag tot U te komen?
11. Zie de hemel der hemelen vermag U niet te omvademen (3 Kon.
8, 27) en Gij zegt: Komt tot mij al te gader?
12. 'Vat wil deze heusche afdaling en zoo vriendelijke uitnoodiging?
13. Hoe zal ik durven naderen, die mij van niets goeds bewust ben,
waarop ik mij zou kunnen beroepen?
14. Hoe zal ik U in mijn huis binnenleiden (Hoogl. 3, 4), ik die Uw
allervriendelijkst aangezicht zoo vaak heb vertoornd?
15. Engelen en aartsengelen, heiligen en rechtvaardigen nijgen vol diep
ontzag, en toch zegt Gij: Komt tot mij al te gader?
16. Als Gij het zelf niet zeide, heer, wie zou het dan gelooven?
En zoo Gij het zelf niet geboodt, wie zou dan durven naderen?
17. Zie Noe, de rechtvaardige man, heeft honderd jaar aan de ark
gebouwd, om daarin met weinigen gered te worden. (Gen. 6, 8 en 7, 7).
Hoe zal ik mij dan in een enkel uur voorbereiden om den schepper der
wereld eerbiedig te nuttigen?
18. Mozes, Uw uitstekende dienstknecht (Jozue 1, 13) en bijzondere
vriend (Eccli. 46, 1) timmerde U een ark van onvergankelijk hout (Ex. 25,
10), dat hij nog bekleedde met het zuiverste goud, om er de tafelen der
wet in neer te leggen, hoe zal ik verdorven schepsel het dan wagen, den
wet- en levengever zelf zoo gemakkelijk te ontvangen?
19. Salomon, de wijste der koningen van Israel (3 Kon. 5, 7) bouwde
in zeven jaar een grooten rijken tempel op tot lof van Uw naam, vierde
acht dagen lang het feest der inwijding met duizenden zoenoffers; en
voerde zoo onder bazuingeschal en grooten jubel de ark des verbonds het
heilige der heilige binnen. (3 Kon. 1, 3, 4 en 6, 15-17).
Maar hoe zal ik, de ellendigste van alle arme menschen, U almachtige
dan in mijn zielehuis binnenleiden, die er nauwelijks een vroom half uur
of soms nog minder tijd aan besteed heb?
20. 0 mijn God, wat hebben die mannen er niet voor overgehad om
U te behagen?
21. En hoe nietig is het wat ik uitvoer! en hoe kort bereid ik mij vow.,
om Uw hoogwaardig sacrament te ontvangen!

100
101

22. Zelden ben ik geheel in mij zelven gekeerd, en nog zeldzamer ben
ik van alle verstrooiing vrij.
23. Ik erken het volmondig, dat er in Uw heilige tegenwoordigheid
geen enkele onoplettende gedachte in mijn geest moest opkomen, en geen
enkel schepsel mijn hart mocht bezighouden, daar ik immers geen engel,
maar den heer der engelen als gast in mijn huis mag ontvangen.
24. En toch is er nog een ontzettende of stand tusschen de ark des ver-
bonds en hare heiligheden eenerzijds en Uw allerzuiverst lichaam met zijn
onuitsprekelijke krachten anderzijds; tusschen de offeranden der oude wet,
die slechts de voorafbeelding van het toekomstige waren, en de voile
vervulling dier oude offers in Uw geslachtofferd heilig lichaam.
25. Waarom wordt dan ocharm, mijn hart niet ontvonkt en gloeiend
in Uwe nabijheid?
26. Waarom bereid ik mij dan toch niet zorgvuldiger voor om Uwe
heilige geheimen te deelen; als toch al die oude aartsvaders en propheten,
koningen en vorsten met hun heele yolk reeds zulk een vromen ijver voor
Uw goddelijken eeredienst hebben gekoesterd en uitgedragen.
27. David, de godvruchtige koning, danste al zijn innige dankbaarheid
dartel voor de ark van God uit, de vele weldaden indachtig voorheen aan
de vaderen geschonken. (2 Kon. 6, 14-28).
28. En hij leerde het yolk van Israel God te leven uit heeler harte,
en hem elken dag weer eenstemmig opnieuw te belijden en te zegenen.
29. Maar als dus voor de ark des verbonds reeds zoo groote godsvrucht
betoond, en Gods lof zoo vromelijk herdacht en gevierd werd, welk een
eerbied en devotie betaamt mij en heel het cliristenvolk dan niet te be-
toonen in tegenwoordigheid van het eerbiedwaardige sacrament, en bij
het ontvangen van het allerkostbaarste lichaam van Christus onzen heer!
30. Velen loopen naar verschillende pelgrimsoorden om in allerbei ste-
den de relieken der heiligen te bezoeken; en vatten hun gebeente in goud
en zilver.
32. Maar Gij o mijn God, zijt hier zelf op het altaar vlak bij mij, de
heilige der heiligen, de schepper der menschen en heer der engelen.
Hier wordt overvloedig de vrucht van het eeuwig heil geplukt, zoo vaak
Gij waardig en devoot genuttigd wordt.
33. Tot dit eerwaardig sacrament worden wij nu eens niet getrokken
door lichtvaardige nieuwsgierigheid of zinnelijke gevoeligheid, maar door
het vaste geloof, de veilige hoop en een vurige liefde.
34. 0 onzichtbare minne, schepper der wereld, o mijn God! hoe won-
derbaar handelt Gij met ons, hoe teeder en genadig bejegent Gij Uw uit-
verkorenen, aan wie Gij U zelf in het sacrament tot spijze geeft!
35. Dit gaat alle verstand te boven, dit trekt de harten der geloovigen,
dit ontvonkt hunne liefde.
36. Want juist die is waarlijk aan Uwe heilige communie getrouw, die
nu heel zijn leven steeds vollediger naar Uw wil schikt, en deze zal uit
dit sacrament ook telkens weer groote genade en liefde tot de deugd
ontvangen.
37. 0 wonderbare en verborgen kracht van het sacrament, hoe ver-
trouwelijk zijt Gij aan de brave christenen bekend.

101
102

Maar de ongetrouwen en de slaven der zonden kunnen U niet kennen
of verstaan.
38. In dit sacrament wordt een geestelijke genade meegedeeld, de
verloren kracht der ziel hersteld, en haar door zonden misvormde schoon-
heid weer in haar prillen luister herschapen.
39. Ja, zoo groot is bij wijlen deze genade, dat uit de volheid der
verleende godsvrucht, niet slechts de geest, maar ook het zwakke lichaam
voelbaar wordt versterkt en gestaald.
40. Maar te beklagen en te betreuren is onze lauwheid en achteloos-
heid, dat wij ons met geen grootere liefde naar de heilige communie voelen
heengetrokken, waarin toch alle hoop op de eeuwige zaligheid gegrond-
vest is.
41. Christus immers is onze heiligmaking en onze verlossing. (1 Cor.
1, 30). Hij is de troost der pelgrims hier beneden, en de eeuwige genie-
ting der heiligen daarboven.
42. Wat is het jammer, dat zoo velen in lauwe nalatigheid zich niet
met meer liefde voelen aangetrokken om het heilig lichaam van Christus
te ontvangen, dat den hemel verblijdt en de wereld onthaalt.
43. Foei, wat een verblinding van het menschelijk hart, deze onuit-
sprekelijke weldaad niet aandachtiger te gedenken, en door het dage-
lijksch gebruik zelfs tot onachtzaamheid te vervallen.
44. Als toch dit sacrament slechts op een altaar ter wereld, slechts
door een priester in de wereld gevierd werd, met hoeveel geestdrift en
hartstochtelijke begeerte meen je dan, mijn ziel, dat de menschen naar
dat g ene altaar door dien eenen hoogepriester zouden worden aangetrok-
ken, om dat eenig heilige Misoffer bij te wonen.
45. Nu echter zijn er velen tot priester gewijd (Hebr. 17, 23) en
wordt Christus op vele altaren opgedragen (Malach. 1, 11), opdat Gods
liefde en genade te heerlijker zou stralen, naarmate de heilige communie
wijder over den heelen aardbodem is verbreid.
46. Lieve Jesus, eeuwige zielenherder, wij danken U, dat Gij U ge-
waardigd hebt ons arme ballingen overal met Uw kostelijk lichaam en
bloed te sterken, en ons met Uw eigen mond altijd weer opnieuw tot het
ontvangen van deze heilige geheimen wilt uitnoodigen: Komt alien tot
mij, die lijdt en bedrukt zijt, en ik zal u verkwikken.

HOOFDSTUK 2.

Dat onze onwaardigheid na een goede biecht ons niet moet
afhouden van de heilige communie.

De leerling.
1. 0 heer, voorkom mij met Uw genade.
Ik ben een arm, krank, onzuiver en zondig mensch. (Ps. 69, 6).
2. En daarom beken ik mij onwaardig tot Uw heilige tafel te nade-
ren en Uw heilig lichaam en bloed in mijn onzuivere ziel te ontvangen.

102
103

De meester.
3. Het is zooals je zegt.
Maar dat je tot deze ware kennis van je onwaardigheid gekomen bent,
moet ook alweer door mijn genade in je zijn opgekomen.
4. En als je mij nu toch weer waardig wilt worden, moet dat ook
weer van mijn genade komen.
5. Kom evenwel met groot vertrouwen tot mij (Tob. 4, 12) en al ben je
arm, weer niet bevreesd.
6. Ik ben de almachtige rijke God, wien al wat in den hemel en op
aarde is, toebehoort, en die hemel en aarde met mijzelven vol mask.
(Jer. 23, 24).
Want glorie en rijkdom is in mijn huis, en waar ik ben, daar is altijd
overvloed. (3 Kon. 8, 11).
7. Als je mij dus in je woning ontvangen hebt, wat kan je dan nog
ontbreken?
8. Geen enkel der door mij geschapen dingen kan je ten voile ver-
zadigen.
je kunt door deze dingen ontroerd, maar nooit verzadigd of bevredigd
worden.
9. Wat wil je dan nog zoeken buiten mij? Tot wien kun je beter
komen dan bij mij?
10. Wie kan je rijker maken dan ik, die mijzelf aan je wil weggeven?
11. Het zou wel een heel vreemd creatuur moeten zijn, die met den
rijken milden God als geschenk niet tevreden was.
12. Maar verder: heb je honger, heb je dorst, ik ben immers het
levende brood, dat uit den hemel is neergedaald, (Joan. 6, 51) om je edele
ziel met mij zelven te spijzigen en te voeden.
Kom dus gerust tot mij. Ik zal je verfrisschen.
13. Niet met dat soort hemelsch brood als de vaders der joden aten
in de woestijn, die alien gestorven zijn, maar met het brood dat ik zeif
ben. (Joan. 6, 52).
14. Al wie dat brood of mijn lichaam eet, die zal immers leven in
eeuwigheid. (Joan. 6, 59).
15. En geen drank kan je beter laven dan de kelk van mijn heilig
bloed (Luc. 22, 20), dat uit mijn heilige zijde liep, om je dorst te stillen.
16. Dit heilig bloed en water is toch van zoo wonderbare kracht, dat
wie daarvan drinkt, geen dorst meer krijgt. (Joan. 4, 13).
17. Want het wordt in hem tot een bron van water die opspringt ten
eeuwigen leven. (Joan. 4, 14).
Het zal in je dus den dorst der aardsche dingen lesschen, en het zal je
met vurige begeerte het eeuwig leven in doen huppelen.
18. Kom dus gerust tot mij en eet mijn brood, en drink ook den wijn,
dien ik je gemengd en ingeschonken heb. (Prov. 9, 5).
19. En ook al vrees je nog te komen, omdat je zondig en onzuiver
bent, verman je dan en kom toch maar.
20. Ik ben de God die uit medelijden in de wereld kwam en mensch
ben geworden om de verdwaalde zondige schapen op te zoeken, bij mij
te roepen, en op mijn schouders naar het huis mijns vaders te dragen

103
104

(Luc. 15, 5), daar het gelag voor hen te betalen (1 Cor. 6, 20) en ze in
mijn heilige wonden te baden, te wasschen en ze zuiver, rein en blank
te maken van alle smet der zonden.
21. Wie anders heeft de macht om zonden te vergeven dan ik alleen?
(Math. 9, 6).
Kom dan met vast betrouwen tot mij en vraag om vergiffenis van je
zonden en wasch je rein en wit in mijn bloedende wonden.
22. En juist omdat je ook nog zwak en ziek bent, gelijk je terecht
klaagde, moet je je te meer haasten om tot mij te komen.
23. Want nergens zul je beter geneesmiddel vinden, en nergens zul je
spoediger genezen dan bij mij.
24. Ook kan niets je krachten zoo herstellen als dit levende brood, dat
uit den hemel is neergedaald. (Joan. 6, 41).
25. En als je misschien nog naakt en van alle deugden ontbloot bent,
schaam je niet mij de voile waarheid te openbaren, en laat dat dus ook
geen reden zijn om niet te komen.
26. Kom met een ootmoedig hart en ik die immers de bron van alle
deugden ben, zal mij over je naaktheid ontfermen, en je omwoelen met
het kleed der eeuwige zaligheid en je teekenen met mijn heilig bloed.
27.. Ook al ben je blind en is je licht door de zonden verduisterd,
kom toch maar tot mij!
Ik ben immers de klaarheid van het eeuwig licht. (Hebr. 1, 3).
Ik ben het ware licht, dat ieder mensch verlicht. (Joan. 1, 9).
28. Sier de slaapkamer van je hart. Maak op het bed van je geweten,
ik heb lust bij je te komen inwonen; je moet dus alles keurig voor me
klaar maken.

HOOF DSTUK 3.
Hoe groote goedheid en liefde God den mensch befoont
in het heilig sacrament.
De leerling.
1. Vertrouwend op Uw goedheid en groote barmhartigheid kom ik
dan, o heer, als een zieke naar mijn heiland, als een hongerige en dorstige
naar de levensbron (Ps. 35, 10), als een behoeftige naar den koning des
hemels, als een knecht naar zijn heer, als een schepsel tot den schepper,
als een bedroefde tot mijn liefderijken vertrooster.
2. Maar waarom valt mij dat ten deel, dat Gij komt? (Luc. 1, 43).
3. Wie ben ik, dat Gij aan mij U zelf weggeeft?
4. Hoe waagt het een zondaar voor U te verschijnen en hoe ver-
waardigt Gij U tot een zondaar of te dalen?
5. Gij kent Uwen dienstknecht en weet dat aan hem niets goeds is,
waar hij dit aan verdiend heeft.
6. Daarom belijd ik mijn onwaardigheid, erken Uw goedertierenheid,
prijs ik Uw toegenegenheid en dank Uw beminnelijkheid. (Ephes. 2, 4).
7. Want uit Uzelf doet Gij dit en niet om mijn verdiensten, opdat

104
105

zoo Uw goedheid te klaarder blijke, Uw liefde mij dieper treffe, en een
volmaakter ootmoed mij geleerd worde.
8. En omdat dit U dus belieft en Gij dit beveelt, lacht mij ook Uw
afdalende goedheid tegen, en hoop ik slechts dat mijn boosheid U niet
afstoot.
9. 0 allerbeste en allerliefste Jesus, welk een eerbied, welk een dank
en eeuwige zaligprijzing ben ik U voor het ontvangen van Uw heilig
lichaam schuldig, daar geen menschenverstand dit geheim ooit volkomen
kan ontvouwen.
10. Maar waar moet ik dan aan denken, als ik nader tot mijn heer,
dien ik immers toch niet naar waarde vereeren kan, en toch zoo devoot
mogelijk wensch te ontvangen?
11. Wat kan ik beters en heilzamers denken, dan mij diep, diep in
mijzelf voor U te vernederen en Uw goedheid hoog, hoog boven mijzelf
te verheffen?
12. Ja, ik prijs U dus mijn God, en ik verheerlijk U in eeuwigheid.
13. En ik veracht mijzelf en buig mij onder U neer in de diepte mijner
nietigheid.
14. Zie, Gij zijt de heilige der heiligen; en ik ben de verdorvenheid
der zonden.
Zie, Gij buigt U neder tot mij, die niet waardig ben naar U op te zien.
15. Gij komt tot mij, Gij wilt met mij zijn, Gij noodigt mij aan Uw
taf el.
16. Gij wilt mij de hemelsche spijze, het brood der engelen geven (Ps.
77, 25), het levende brood, Uzelf, die uit den hemel zijt neergedaald en
aan de wereld het leven geeft. (Joan. 6, 33 en 51).
17. Zie, hier komt alle liefde vandaan. Hier straalt de tegemoetkoming,
welke dank en lof is hier toereikend?
18. Ja, heilzaam en zegenrijk was Uw besluit, toen Gij dit sacrament
hebt ingesteld; feestelijk en vreugdenrijk dit onthaal, waarbij Gij Uzelf
aan ons opdient.
19. Hoe wonderbaarlijk is Uw inwerking, heer, hoe almachtig is Uw
kracht, hoe onuitsprekelijk Uw waarheid.
20. Gij hebt eenmaal gesproken, en alles is geworden (Ps. 148, 5); zoo
is nu ook hier geschied wat Gij gebiedt.
21. Wonder boven wonder is het, maar waard te gelooven, al gaat het
ook alle menschenbegrip te boven, dat Gij, heer, mijn God, waarachtig God
en mensch, in deze kleine gedaanten van brood en wijn ongedeerd be-
sloten, door Uw genoodigden onverteerd wordt genoten.
22. Gij, heer van het heelal, die niets of niemand noodig hadt, wilde
dus door dit sacrament bij ons komen inwonen. (2 Mach. 14, 35).
Ach, bewaar nu ook mijn hart zoo zuiver zonder smet, dat ik met een
tintelblij en parelrein geweten U er vaak tot mijn eeuwigen zegen moge
binnenleiden.
23. Verheug je, mijn ziel, om zulk een edele gift, en zulk een uitge-
lezen troost, dien hij je naliet in dit dal van tranen.
24. Want zoo vaak je dit geheim viert en het lichaam van Christus

105
106

ontvangt, even vaak herbeleef je het heele verlossingswerk en word je
weer deelgenoot aan al zijn verdiensten.
25. Want de lief de van Christus verwelkt of vermindert nooit meer
en de schatten van zijn barmhartigheden worden nimmer uitgeput.
26. Daarom moet je je steeds met een frissche nieuwheid van geest
en gemoed (Eph. 4, 23) daartoe gereedmaken en met toegewijde aandacht
dit wondere heilsgeheim beschouwen.
27. Telkens als je de heilige Mis hoort, moet je dit even schokkend-
nieuw en stralend-blij beleven, alsof Christus pas op dien dag voor het
eerst in den schoot der maagd voor ons nederdaalde en mensch werd, of
dat hij nu pas, hangende aan zijn kruis, voor de redding der wereld zijn
leven gaf.

HOOFDSTUK 4.
Hoe fluff* het is dikwijls te communiceeren.
De leerling.
1. Zie, ik kom tot U, o heer, om het goed te hebben bij U en mij te
verblijden in het gul en heilig onthaal, dat Gij in Uw mildheid weer voor
mij arme hebt gereed gemaakt. (Ps. 67, 11).
2. Want in U is alles wat ik begeeren kan en wenschen moet.
Gij zijt mijn geluk en mijn vrijheid, mijn moed en mijn kracht, mijn tooi
en mijn roem.
3. Maak dan blij vandaag het hart van Uw knecht, want tot U, o heer,
verhef ik mijne ziel. (Ps. 85, 4).
4. Gelijk Zacheiis verlang ik U godvruchtig en eerbiedig te ontvangen,
ik sta crop U binnen te leiden in mijn zielehuis, door U gezegend te worden
en als een kind van Abraham te worden aanvaard. (Luc. 19, 9).
5. Mijn ziel verlangt smachtend naar Uw lichaam, want mijn hart wil
weer met U een worden.
6. Geef Uzelf dus aan mij, daar heb ik genoeg aan.
7. Want zonder U deugt er geen enkele troost.
8. Ik kan niet zonder U, en als Gij mij niet bezoekt, kan ik niet langer
leven.
9. Daarom moet ik noodzakeiijk dikwijls bij U komen en Uw hulp vra-
gen in de heilige communie, want als ik deze hemelsche spijs moest missen,
zou ik zeker onderweg bezwijken.
10. Toen Gij preekte voor de scharen, en hen van allerlei ziekten
heelde (Math. 9, 35), hebt Gij toch zelf eens gezegd, milde Jesus: „Ik wil
ze niet met honger naar huis sturen, opdat zij onderweg niet bezwijken."
(Math. 15, 32).
11. Doe dit nu ook met mij; want tot sterking en troost van Uw ge-
trouwen hebt Gij toch hier Uw lichaam nagelaten in het heilig sacrament.
12. En Gij zijt inderdaad de frissche verkwikking der ziel; en wie U
waardig ontvangt, wordt deelgenoot en erfgenaam van Uw eeuwige heer-
lijkheid.

106
107

13. Inderdaad voor mij die zoo vaak in zonden val, en zoo spoedig
weer verflauw en verslap, is het hard noodig dat ik mij door veel bidden,
bij het devoot ontvangen van Uw heilig lichaam, steeds weer vernieuw,
zuiver en aanmoedig, opdat ik niet, door langer uitstel der heilige com-
munie, in mijn oude kwalen terugval.
14. Want de zinnen des menschen zijn tot het kwade geneigd van zijn
jeugd of (Gen. 8, 21) en als deze goddelijke medicijn ons niet sterkt, val-
len wij spoedig in erger zonden.
15. De heilige communie houdt dus van het kwade terug, en sterkt in
het goede.
16. En als ik nu al zoo vaak nalatig en lauw ben, als ik de heilige
communie ontvang, wat zou het dan zijn, als ik dit geneesmiddel niet ge-
bruikte dat mij zoo heerlijke hulp is.
17. En hoewel ik nog niet elken dag in staat ben, het lichaam van
Christus te ontvangen, zal ik toch mijn best doen om op gepaste tijden deze
goddelijke geheimen te vieren, en die groote genade deelachtig te worden.
18. En zoolang de mensch nog als balling ver van U ronddoolt in het
sterfelijk lichaam (2 Cor. 5, 6), is het zeker ook een heel bijzondere troost
voor de ziel, dat zij heel vaak ook slechts in den geest met devote invoe-
ling den beminde bij zich ontvangt.
19. 0 wondere afdaling van Uw goedertierenheid tot ons 1), dat Gij,
heere God, schepper en levendmaker van alle geesten, U verwaardigt
tot mijn arm zieltje omlaag te komen, om met de volheid van Uw God-
en menschheid mijn honger te stillen.
20. 0 gelukkig het hart en zalig de ziel, wie het te beurt valt U haren
heer en God te nuttigen, en in die nuttiging met geestelijke blijheid te
worden verzadigd.
21. 0 welk een goede heer komt bij haar op bezoek; welk een lieven
gast mag zij in haar huis verwelkomen! welk een edelen bruidegom mag
zij omhelzen, dien zij boven alle lieve dingen bemint, en boven alle begeer-
lijkheden begeert.
22. Ach allerliefste beminde, laat hemel en aarde in al hun heerlijk-
heid voor Uw aangezicht zwijgen en zwichten (Habac. 2, 20 en Gen. 2, 1),
want wat zij aan heerlijkheid en schoonheid bezitten, hebben zij van Uwe
mildheid ontvangen; en dat alles zal nooit de heerlijkheid van Uw naam
evenaren, want Uw wijsheid is oneindig. (Ps. 146, 5).

HOOFDSTUK 5.
DIA veel goeds gedaan worth aan hen die het sacrament
waardig ontvangen.
De leerling.
1. Mijn heer en mijn God, kom Uw dienstknecht tegemoet met de ze-
geningen van Uw goedheid (Ps. 20, 4), opdat ik waardig en devoot tot de
heilige tafel mag naderen.

1) Exultet iam angelica in de liturgie van Paaschzaterdag.

107
108

2. Ontvlam mijn hart met liefde tot U, en bevrijd mij van mijn trage
onbewogenheid.
3. Bezoek mij met Uw genade (Ps. 105, 4) en laat mijn geest Uw zoet-
heid smaken, die zoo overvloedig in dit sacrament geborgen ligt.
4. Verlicht ook mijn geestesoogen (Ps. 12, 4) om iets van dit geheim in
te zien, en geef mij de kracht het met een onwankelbaar geloof te aan-
vaarden.
5. Want dit is Uw werk en geen menschenwerk.
6. Het is Uw heilige instelling en geen uitvinding der wereld.
Niemand hier beneden is in staat dit te vatten en te begrijpen, daar
het zelfs het ragfijne begrip der engelen ontgaat.
7. Wat zou ik dan onwaardige zondaar, die stof en asch ben (Eccli.
17,31) van dit hooge geheim kunnen verstaan of doorgronden!
8. In den eenvoud mijns harten (1 Paral. 29,17) met een vast geloof,
op Uw bevel, heer, kom ik tot U met vertrouwen en eerbied, en geloof ik
in waarheid, dat Gij zelf God en mensch tegenwoordig zijt in dit sacrament.
9. Gij wilt dus, dat ik U ontvang en mijzelf in liefde met U vereenig.
10. Daarom bid ik Uw goedheid, en smeek U mij deze bijzondere ge-
nade te verleenen, dat ik geheel in U versmelten en overvloeien snag van
liefde; en van allen anderen troost hier beneden ga afzien.
11. Want dit hoogwaardig sacrament is het heil voor ziel en lichaam,
de artsenij voor alle geestelijke kwalen, waarin mijn boosheid genezen,
mijn driften beteugeld, mijn bekoringen overwonnen en verminderd wor-
den.
Daar wordt mij ook grootere genade ingestort, mijn geringe deugd ver-
meerderd, mijn geloof bevestigd, mijn vertrouwen versterkt en mijn liefde
doorgloeid en verruimd.
12. Want groote gaven hebt Gij in dit sacrament uitgebeeld en deelt
Gij nog telkens uit aan Uw beminden, die U godvruchtig ontvangen.
Gij, die mijn ziel ondersteunt (Ps. 53, 6), haar zwakke menschenkrach-
ten herstelt en de gever zijt van alien dieperen troost.
13. Ja, heel veel troost stort Gij Uw beminden in tegen velerlei be-
kommernis, uit de diepte van hun verslagenheid richt Gij hen op tot de
hoop in Uwe bescherming.
Met een nieuw soort genade verfrischt en verlicht Gij hen, zoodat zij die
zich vOOr de heilige communie zonder liefde voelden, na het ontvangen
van Uw hemelsche spijs en drank zich in andere menschen voelen her-
schapen.
14. En dit alles pleegt Gij zoo mild in Uw uitverkorenen uit te storten
om hen te doen erkennen, en uit ervaring te laten ondervinden, hoe zwak
zij zijn uit zichzelf, en hoeveel goedheid en genade zij van U ondervinden.
15. Uit henzelve zijn ze immers kil, hard en nuchter, maar door U
worden ze vurig, opgewekt en godvruchtig.
16. Zal hij, die ootmoedig tot de klaterende bron van alle vertroosting
nadert, daar niet een koele verfrisschende teug van meenemen?
17. Of zou hij die zoo dicht bij een flakkerend haardvuur staat, daar
niet door verwarmd en gekoesterd worden?
18. Gij zijt immers een altoos volle en overvloeiende bron (Zach. 13,

108
109

1). Gij zijt een haard van liefde die altijd gloeit en nooit wordt uitgedoofd.
(Joan. 4, 14; Hebr. 12, 29).
19. Daarom, al is het mij niet gegeven uit de voile bron te putten en
tot verzadigings toe mijn dorst te lesschen, zoo wil ik toch mijn lippen
drukken aan deze hemeische bronader, om er aithans een enkelen druppel
van op te vangen, en mij te verfrisschen.
20. En al ben ik nog niet zoo hemelsch en van liefde brandend als de
cherubijnen en seraphijnen, zoo zal ik mijn godsvrucht toch aanvuren en
mijn hart zoo warm maken, dat ik uit de nuttiging van dit levenwekkend
sacrament, toch een kleine sprankel van Uw goddelijken zielebrand mag
deelachtig worden.
21. En al wat mij nog ontbreekt, goede Jesus, mijn heiland, vul dat
aan, mild en genadig, Gij die toch zoo goed waart alien tot U te roepen,
zeggende: Komt alien tot mij die belast en beladen zijt en ik zal u ver-
kwikken.
22. Want werkelijk, ik zwoeg in het zweet van mijn aanschijn (Gen.
3,13), ik word gekweld door zielesmart, en ben met zonden beladen, door
bekoringen verontrust, door vele booze driften bekommerd en gedrukt;
en daar is niemand om mij te helpen (Ps. 21, 13) en te verlossen dan Gij
alleen, mijn heer en God, mijn gezondmaker (Ps. 8, 3 en Ps. 24, 5) wien
ik mijzelve en al het mijne aanbeveel, opdat Gij mij wilt bewaren en
geleiden op den weg naar het eeuwige leven.
23. Neem ook mij aan tot 'of en heerlijkheid van Uw naam, Gij die mij
Uw lichaam en bloed tot spijs en drank hebt toebereid.
24. Geef, o heer van al mijn heil (Ps. 26, 9), dat gaandeweg bij het
vaker ontvangen van Uw sacrament ook de liefde mijner toewijding moge
groeien en gedijen.
Hier eindigt het eerste en oudste stuk over de heilige communie.

HOOFDSTUK 6.1)
Hoe de mensch voor de heilige communie zich oefenen en zijn
geweten moet onderzoeken om een goed voornemen te maken.
De leerling,
1. 0 beer, als ik Uw groote waardigheid en mijn eigen onbeduidend-
heid overdenk, word ik van schrik bevangen, en in mijzelven beschaamd.
(1 Esdr. 9, 6).
2. Want ontvang ik U niet, dan ontvlucht ik het leven zelf, en ont-
vang ik U onwaardig, dan wek ik Uw verontwaardiging.
3. Wat moet ik dan doen, o heer mijn God, mijn helper en raadgever
in alien nood? (Isai. 1, 7).
4. Leer Gij mij den rechten weg, en geef mij een korte oefening om U
waardig in de heilige communie te ontvangen.

1) In dit Hoof dstuk moest ik de verzennummering van Puyoi aanzienlijk
wijzigen.

109
110

De meester.
5. VOOr alles moet je tot de heilige tafel naderen met een grooten
ootmoed des harten, een neergedoken eerbied en een vast geloof.
6. Onderzoek nauwlettend je geweten; en reinig en zuiver jezelf zoo
veel je vermag met een oprecht berouw en een nederige biecht; zoo dat
niets je meer versombert of bezwaart, niets je vrijmoedig naderen meer
belet.
7. De zondenlast van je heele leven moet je diep mishagen, maar
over je dagelijksche opwindingen en booze buien moet je ook nog in het
bijzonder zuchten en treuren.
En als de tijd het toelaat, is het goed in de heimelijkheid van je hart
nog eens al de ellenden van je hartstochten aan God te belijden.
8. Verzucht en betreur dan: dat je nog zoo wereldsch en zoo vleesche-
lijk bent,
9. zoo onverstorven in je driften,
10. zoo vervuld van begeerlijkheden,
11. zoo onbewaakt in je uiterlijke zintuigen,
12. zoo vaak nog met allerlei ijdele verbeeldingen omwemeld,
19. zoo begeerig om nieuwtjes te hooren of mooie dingen te zien,
20. zoo traag om nederige bezigheden te verrichten,
24. zoo onvoorzichtig in je spreken,
25. zoo weinig je zeif meester in het zwijgen,
26. zoo onbeheerscht in je gedrag,
27. zoo onstuimig in je daden,
36. zoo nalatig in het bidden der getijden,
39. zoo spoedig verstrooid,
40. zoo zelden volkomen ingetogen,
41. zoo plotseling in drift opstuivend,
42. zoo gemakkelijk de anderen grievend,
45. zoo opgetogen in voorspoed,
46. zoo neerslachtig in tegenspoed,
47. zoo overvloedig met mooie voornemens, terwijl er zoo weinig zijn,
die je werkelijk uitvoert.
48. Als je nu deze en andere gebreken met spijt en diep misnoegen
om je eigen zwakheid hebt beleden en betreurd, moet je een vast voor-
nemen maken je leven te beteren en voortdurend in het goede toe te nemen.
49. Dan moet je jezelf in voile overgave en met je heelen wil als een
offer aanbieden ter eere van mijn Aaam, een eeuwig brandoffer op het
altaar van je hart, door je lichaam en ziel geheel en al tot mijn beschik-
king te stellen.
50. Zoo zul je waardig worden het sacrament van mijn lichaam met
vrucht te ontvangen.
51. Want er bestaat geen waardiger offer en geen krachtiger voldoe-
ning tot uitdelging der zonden, dan zichzelf zuiver en geheel met het
offer van Christus' lichaam in de heilige communie aan God op te dragen.

110
111

HOOFDSTUK 7.

Hoe Christi's zich opgedragen heeft aan het kruis en hoe wij
onszelve moefen opdragen, als wit het sacrament onivangen.
De meester.
1. Gelijk ik mijzelf met uitgestrekte handen en mijn bloote lichaam
vrijwillig voor je zonden aan mijn vader heb opgeofferd (Isai. 53, 7), zoo-
dat er niets in mij overbleef, dat niet volkomen aan de goddelijke ver-
zoening ten koste werd gelegd; zoo moet ook jij jezelf dagelijks in de hei-
lige mis, met al je krachten en begeerten zoo innig als je kunt, tot een
reine offerande opdragen.
2. Wat zou ik toch anders van je verlangen, dan dat je alles doet om
je heelemaal aan mij over te geven?
3. Al wat je buiten je zelf geeft, acht ik de moeite niet waard, want_
ik zoek je giften niet, maar jezelf. (2 Cor. 12, 14).
4. Juist gelijk het jou niet genoeg zou zijn als je al het mijne hadt
behalve mijzelven, zoo kan mij al wat je geeft niet behagen, als je jezelf
niet geeft.
5. Offer je dus op aan mij, en geef je heelemaal voor God, en het zal
mij een welbehagende offerande zijn.
6. Zie, ik heb mij ook heelemaal aan den vader voor je opgedragen,
en ik heb je zelfs mijn lichaam tot spijs en mijn bloed tot drank gegeven,
om zoo heelemaal bij je te zijn en jij bij mij.
7. Zoolang je echter op jezelf blijft staan, en je niet spontaan aan
mijn wil overgeeft, is je offer niet volkomen, en onze eenheid nog onvol-
maakt.
8. Wil je dus genade en vrijheid verwerven, dan moet aan al je bezig-
heden een royale overgave van jezelf in Gods handen voorafgaan.
9. Daarom komen toch zoo weinig zielen tot de ware verlichting en
vrijheid, wij1 zij niet volkomen aan zichzelf willen verzaken.
10. Het blijft dus bij mijn vaste wet: Wie niet alles wat hij heeft
in den steek laat, kan nooit mijn vertrouwde leerling worden. (Luc. 14, 33).

HOOFDSTUK 8.
Hoe wij onszelf en al het onze aan God opofferen
en voor alien bidden moeten.
De leerling.
1. Heer, al wat in hemel of aarde is, behoort aan U. (1 Paral. 29, 11).
2. Maar toch begeer ik ook nog U mijzelf als een vrijwillige offerande
op te dragen (Deut. 16, 10) en voor eeuwig de Uwe te blijven.
5. 0 heer, op Uw zoenaltaar (Isai. 60, 7) leg ik neer al mijn zonden en
verzuimenissen, die ik bedreven heb voor U en Uwe heilige engelen, van
den eersten dag of dat ik heb kunnen zondigen tot deze ure toe.

111
112

En ik bid U dat Gij ze alle samen in het vuur Uwer liefde moogt ver-
branden en verteren, en mij de genade wilt wedergeven, die ik door de
zonde verloren heb, en mij mildelijk wilt omhelzen met den kus van Uw
tevredenheid.
7. Ik smeek U, verhoor mij genadig, nu ik hier, mijn God, voor U sta.
10. Zie, ik verlaat mij geheel en al op Uwe milde barmhartigheid.
11. Doe met mij naar Uwe goedertierenheid en niet naar mijn boos-
heid en ongerechtigheid. (1 Mach. 13, 46).
12. Verder offer ik U ook op alle goeds dat ik heb gedaan; al is het
nog zoo weinig en onvolkomen.
Wil het zuiveren en heiligen, heer, en maak het U aangenaam en wel-
behaaglijk, keer het steeds meer ten goede, en leid ten slotte mij, nietig
en nutteloos menschenkind, tot Uw eer het zalige eindrijk binnen.
13. Ook hied ik U de vrome begeerten aan van alle godvruchtigen; de
behoeften van mijn verwanten, mijn broeders en zusters en al mijn dier-
baren, en ook van hen die mij of de anderen U ter liefde en eere hebben
welgedaan, zij het dat zij nog in leven zijn, of dat zij reeds uit deze
wereld zijn heengegaan, opdat zij van alle kwaad bevrijd, U groot en blij-
moedig eeren in dankbaarheid.
14. Tenslotte draag ik U ook mijn gebed en zoenoffer op, bijzonder voor
hen, die mij in eenig opzicht beleedigd, bedroefd of belasterd, of eenig
ander nadeel of leed hebben aangedaan; maar ook voor hen, die ik zelf
bedroefd, verontrust, bemoeilijkt of geergerd heb, met woorden of wer-
ken, bewust of onbewust, opdat Gij ons allen samen onze onderlinge schul-
den vergeven moogt.
15. Neem, o heer, uit onze harten weg alle verdenking en verontwaar-
diging, alle nijd en toorn, en al wat onze zielen schaden of de onderlinge
liefde krenken mag.
Hier eindigt het tweede deel van het vierde boek.

HOOFDSTUK 9.
Dat men de heilige communie niet licht verzuimen mag.

De meester.
1. Je moet dikwijls opgaan naar de bron van genade en goddelijke
goedgeefschheid, naar de bron van alle deugd en reinheid, om veilig
tegen je driften en ondeugden bestand, en wakker tegen alle bekoring en
bedrog van den machtigen duivel te zijn toegerust.
2. Ook de vijand weet ter dege, wat voor heilzaam gevolg en krach-
tig geneesmiddel in de heilige communie verholen ligt, en daarom zoekt
hij op alle wijzen en bij elke gelegenheid de geloovige en devote zielen,
zooveel hij maar kan, van de heilige tafel weg te houden en of te trekken.
3. Sommigen hebben juist als zij zich voorbereiden tot de heilige com-
munie de ergste inblazingen van den satan te verduren. (Ps. 77, 49).
4. Want, gelijk in het boek Job geschreven staat, komt de booze geest

112
113

onder de kinderen van God (Job 2, 1) om hen met zijn gewone drog-
redenen in de war te brengen, of hen overdreven beangst te maken.
Zijn Joel is natuurlijk hierdoor hun moed te verzwakken of hun geloof
te doen weifelen: of ze misschien hierdoor heelemaal van de heilige com-
munie zullen afzien, ofwel ze in lauwheid zullen nuttigen.
5. Maar je moet volstrekt geen acht slaan op zijn listen en voorspiege-
lingen, hoe schandelijk en afschuwelijk ze ook zijn, maar hem al die drog-
beelden naar zijn eigen hoofd terugslingeren.
6. Je moet den ellendeling verachten en bespotten en nooit om zijn
verontrustende aanvallen de heilige communie achterwege laten.
7. Vaak overvalt den mensch dan ook een plotselinge ongerustheid of
hij wel voldoende godsvrucht heeft, of een angst voor het sacrament der
biecht.
8. Volg hierin echter den raad van de wijzen, en zet alle vrees en
angstvalligheid van je af, want deze hindert de genade en vernietigt de
toewijding van je hart.
9. Geef dus de heilige communie nooit op, - om een klein bezwaar of
de tobberij van je geweten, maar ga onmiddellijk biechten, en vergeef
eerst aan anderen graag elke beleediging.
10. Als je echter zelf iemand beleedigd hebt, vraag dan aanstonds
ootmoedig vergeving, dan zal God jou ook graag je schuld vergeven.
11. Wat baat het, lang de biecht te verschuiven en de heilige commu-
nie uit te stellen?
12. Reinig je zoodra mogelijk; spuw terstond het vergif uit, en haast
je het tegengif in te nemen, je zult je daarbij veel beter voelen dan bij
lang uitstel.
13. Stel je vandaag uit om deze reden, morgen komt er licht nog een
grooter bezwaar bij, en zoo zou je lang van de heilige communie ver-
stoken blijven en er al langer hoe meer tegen opzien.
14. Werp zoo spoedig mogelijk die bezwaren en je besluiteloosheid
van je af, want het baat niets in lange dagen van angst met je getob te
blijven rondloopen; en je door alledaagsche kleine hindernissen uit den
goddelijken omgang te laten verbannen.
Integendeel is het een ontzaglijke schade, lang de heilige communie
uit te stellen, meestal toch* is een groote onverschilligheid hiervan het ge-
volg.
15. Helaas grijpen sommige lauwe en loszinnige karakters gretig ieder
voorwendsel aan om aan de biecht te ontkomen; ja, zij stellen met opzet
telkens de heilige communie uit, om niet tot zorgvuldiger waakzaamheid
verplicht te worden.
16. Ocharm, hoe poover is de lief de en hoe karig is de toewijding van
hen, die zoo gemakkelijk de heilige communie verwaarloozen.
17. Maar hoe stralend en God welgevallig is hij, die zoo leeft en zijn
geweten zoo rein houdt, dat hij zelfs elken dag er vurig voor klaar zou
staan, als hij dat zou mogeti, en zonder aanstoot zou kunnen.
21. In elk geval kan iedere vrome christen elken dag en elk uur, zon-
der eenig beletsel en tot zijn groot gewin Christus in een geestelijke com-
munie ontvangen.

113
8
114

Toch moet hij op bepaalde dagen en ten gestelden tijde het lichaam van
zijn verlosser met vurigen eerbied werkelijk ook in het sacrament ontvan-
gen, en daarbij meer den lof van God dan zijn eigen vertroosting op het
oog hebben.
22. Want zoo vaak hij vromelijk het geheim van Christus' mensch-
wording en lijden overweegt, en in liefde tot hem ontstoken wordt, ont-
vangt hij zijn mystieken Christus en wordt er door herschapen.
23. Wie zich alleen tot de heilige communie voorbereidt, als een feest
op handen is of de gewoonte hem er toe dwingt, zal dan meestal slecht
voorbereid wezen.

HOOFDSTUK 10.
Wie te communie wil gaan, mod zich daartoe met
groote zorg voorbereiden.
De meester.
1. Ik ben de meester der reinheid en de gever van alle heiligheid.
2. Ik zoek een zuiver hart en daarin vind ik rust. (Hand. 7, 49).
3. Bereid mij een opperzaal met tapijten, en ik zal met mijn leerlingen
het paaschmaal bij je houden. (Marc. 14, 14-15; Luc. 22, 12).
4. Wensch je dat ik in je kom en bij je blijf, ruim dan den ouden zuur-
deesem op (1 Cor. 5, 7) en reinig de woning van je hart.
5. Sluit de heele wereld met al haar druk gewemel van zonden daar-
buiten.
6. En zit gelijk ,e en eenzame musch op het dak (Ps. 101, 8) en over-
denk in de bitterheid van je ziel al je vroegere afdwalingen. (Is. 38, 15).
7. Want al wie liefheeft, bereidt voor zijn lief de beste en schoonste
plek, daaraan kent men immers de genegenheid van den gastheer.
8. Weet echter, dat je met al de vlijt van je werken je onmogelijk
waardig kunt voorbereiden, al deed je daar een heel jaar over, en al was
je op niets anders bedacht.
9. Alleen aan mijn goedheid en genade heb je het te .danken dat je
aan mijn tafel wordt toegelaten.
Alsof aan den maaltijd van een rijke een bedelaar werd geroepen, die
niets anders ter vergelding voor die weldaad aan te bieden had (Luc. 14,
14) dan een ootmoedig bedankje.
10. Doe wat je kunt, en doe het naarstig; niet uit gewoonte of uit
dwang, maar ontvang met ontzag, eerbied en liefde, het lichaam van je
beminden heer en God, die zoo goed is tot je te komen.
11. Ik ben het die je geroepen heb, ik ben het die je komen liet, en
ik zal aanvullen wat je ontbreekt: Kom en ontvang mij.
12. Geef ik je daar nog troost bij, dank dan je God, niet omdat je
het waardig bent, maar omdat ik meelijden met je gehad heb. (Math.
18, 33).
13. Krijg je deze genade niet, en voel je je dor, blijf dan doorbidden,
zucht en klop aan de deur (Openb. 3, 20) en laat niet af, tot je althans
een druppel mijner heilrijke genade waardig wordt.
14. Jij hebt me noodig. Ik heb jou niet noodig. (2 Mach. 14, 35).

114
115

15. Niet jij komt mij heiligen, maar ik kom jou heiligen en verbeteren.
16. Je komt om met mij vereenigd te worden, nieuwe genaden te ont-
vangen, en opnieuw tot verbetering te worden aangespoord.
17. Verzuim deze genade niet (1 Tim. 4, 14) maar bereid je hart met
alien ernst, en leid je geliefde daar binnen.
18. Je moet je echter niet alleen tot godsvrucht bij de communie voor-
bereiden, maar daarin ook volharden als je het heilig sacrament hebt ont-
vangen.
19. Niet minder ingetogenheid wordt daarna gevraagd als devote toe-
leg te voren.
20. Want juist die ingetogenheid daarna is weer de beste voorberei-
ding om bij de volgende ontmoeting nog rijker genade te ontvangen.
21. Want als men zich aanstonds weer op den troost van buiten werpt,
bederft men geheel en al de passende godsvrucht.
22. Wacht je dan veel te praten (Prov. 10, 19) maar blijf in de een-
zaamheid en geniet daar van je God.
23. Hem zelf immers bezit je nu, dien de gansche wereld je niet ont-
nemen kan.
24. Ik ben het, aan wien je je heelemaal moet geven, zoodat je nu
voortaan niet meer in jezelf, maar in mij leeft, zonder eenige angst of
kommer.

HOOFDSTUK 11.

Dat de devote ziel van ganscher harte naar de vereeniging
met Christi's in het sacrament moet verlangen.

De leerling.
1. Wie zal mij geven, heer, dat ik alleen U vind, en U mijn hart
openleg, om U te genieten, gelijk mijn ziel het begeert, zoodat niemand
mij nog verachte (Hoogl. 8, 1) of eenig schepsel mij aanzie, maar Gij alleen
tot mij spreekt en ik tot U, gelijk een geliefde pleegt om te gaan met den
geliefde (Exod. 33, 11) en een vriend bij een vriend wordt onthaald.
2. Hiervoor bid ik en dit verlang ik, dat ik volkomen met U een worde,
en mijn hart van al het geschapene aftrekke, en door de heilige communie
meer en meer smaak krijge in het eeuwige en hemelsche.
3. Ach heer mijn God, wanneer zal ik geheel met U vereenigd, in U
verslonden en mijzelf geheel vergeten zijn?
4. Gij in mij en ik in U (Joan. 15, 5), geef dat wij zoo tezamen blijven.
5. Waarlijk, Gij zijt mijn geliefde, onder duizenden uitverkoren (Hoogl.
5, 10), met wien mijne ziel al de dagen haars levens wil samenwonen.
(Math. 12, 18).
6. Waarlijk Gij zijt mijn vredebrenger, in wien de ware rust en de
hoogste vrede is, en buiten wien niets is dan moeite, verdriet en einde-
looze ellende.
7. Voorwaar Gij zijt een verborgen God (Is. 15). Gij houdt geen raad

115
116

met de goddeloozen, maar Uw woord gaat uit naar de kleinen en de
eenvoudigen. (Is. 40, 15; Job. 21, 16; Prov. 3, 32).
8. 0 hoe mild is Uw geest, heer, die om Uw teederheid jegens Uw
kinderen te toonen (Sap. 12, 1 en 16, 21) hen verwaardigt met het koste-
lijkste brood, dat uit den hemel daalt, te verkwikken. (Joan. 6, 50).
9. Inderdaad er is geen yolk zoo hoog, dat zijn goden zoo dicht bij zich
heeft (Deut. 4, 7) als Gij, onze God, die onder Uw geloovigen woont, aan
wie Gij om hen dagelijks te troosten en hun harten ten hemel te heffen,
Uzelf te eten en te genieten geeft.
10. Want welk ander yolk is zoo gezegend als het christenvolk? (Deut.
4, 8).
Of welk schepsel onder den hemel is zoo geliefd als de geloovige ziel,
in wie God nederdaalt, om haar met zijn verheerlijkt vleesch te voeden?
11. 0 onuitsprekelijke genade, o verwonderlijke of Baling, o matelooze
liefde aan den mensch alleen gegund.
12. Maar wat zal ik den heer wedergeven voor deze genade en deze
bijzondere liefde? (Ps. 115, 12).
13. Niets welgevalliger kan ik U mijn God aanbieden, dan mijn on-
verdeelde hart, en het op de innigste wijze met U te vereenigen.
14. Dan zal al wat binnen mij is van vreugde opspringen, als mijn ziel
volkomen met God zal een geworden zijn.
15. Dan zal hij tot mij zeggen: Wilt gij bij mij zijn, zoo wil ik zijn bij
jou.
16. En ik zal hem antwoorden: Gewaardig U, o heer, met mij te blij-
ven, ik wil niets liever dan zijn bij U.
17. Dit is heel mijn begeerte, dat mijn hart met U vereend mag zijn.

HOOFDSTUK 12.
Met Christi's vereend.

De leerling.
1. Daarom is het geen wonder, dat de vrome zielen, als zij dit heer-
lijke sacrament ontvangen hebben, vaak zoo vurig van liefde ontvlamd
worden, dat zij over niets anders meer spreken, of om geen enkel ander
ding zich nog bekommeren kunnen.
2. Want de bruidegom is de bruidskamer ingegaan om met haar te
rusten, en hij wil niet meer, dat zij haar geest naar buiten laat gaan, of
eenige andere gedachte bij haar laat binnenkomen; maar dat zij veeleer
alle deuren en ramen met naarstigheid sluite, zoodat zij zalig met hem zij
in de eenigheid van geest.
3. Mozes, de zachtmoedigste der menschen, zag den heer en sprak met
hem van mond tot mond. (Exod. 33, 11). Maar deze minnende bruid voelt,
wat veel meer is, God allerduidelijkst in haar hart, en zij spreken weder-

116
117

keerig van hart tot hart. Want liefde wordt niet zoo zeer gekoesterd met
zien als met voelen.
4. Mozes zag nimmer in het aanschijn des heeren (Exod. 33, 23) maar
deze bruid ziet hem op wondere wijs van aangezicht tot aangezicht en
omhelst hem van hart tot hart. En zoo sterk hecht zij zich aan hem, dat
zij heelemaal in hem opgaat.
En zij verwisselt haar wezen, van liefde in liefde, van klaarheid in
klaarheid, van merischelijkheid in goddelijkheid, van het aardsche in het
hemelsche, van de genade in de glorie, al naar de geest Gods haar geleidt.
5. Maria Magdalena kuste de voeten van onzen heer en bevochtigde
ze met haar tranen, toen zij de vergiffenis harer zonden verkreeg. (Luc.
7, 28 en 48).
6. De Benjamin van het nieuwe testament, dat is sint Paulus, rustte
tusschen zip schouderen bij de overweging van het kruis.
7. Joannes, de meest beminde apostel des heeren, leunde met zijn hoof d
op Jesus' borst, wat nog meer was, omdat hij hem zien mocht in zijn aan-
gezicht. (Joan. 13, 23).
8. Maar al deze dingen zijn de minnende bruid niet genoeg, wanneet
God haar zichzelve geeft in het sacrament; maar zij wil ingaan in het hart
van God tot zijn binnenste liefde, en daarin slapen en rusten. (Ps. 4, 9).
9. Dit zou groote vermetelheid kunnen lijken, indien zij dat deed uit
haar eigen zinnen, maar de krachtige barnende minne maakt geen onder-
scheid en kent geen mate, zij geeft geen reden of denkt niets anders dan
dat 'zij mint; en zij is zoo groot en machtig, dat wat zij ook bidt zij het
krijgt.
10. 0 wat een afdaling is dat, als de koning der glorie, de heer der
engelen en de eenige zoon van den oppersten vader zich ten slotte ver-
waardigt om goedgunstig op aarde neer te dalen, en zijn mystieke bruiloft
viert met deze nietswaardige armzalige bruid.
11. 0, hoe oneerbiedig gedraagt men zich soms jegens dit hoogwaar-
dig sacrament door na de communie zich aanstonds weer bezig te houden
met ijdele dingen en nutteloos gepraat.
12. Och, allerliefste ziel, veronderstel eens, dat een arme man die ziek
was, met veel moeite had verkregen dat een beroemd geneesheer tot- hem
komen zou, om hem van zijn kwalen te genezen; en dat die zieke, toen
deze edele meester nu in al zijn goedheid bij hem kwam, in plaats van al
zijn aandacht aan den geneesheer te besteden om diens belangstellende
vragen te beantwoorden, geen tijd voor hem had, maar in allerlei beuzel-
praatjes opging.
13. Zou die geleerde man dan niet verontwaardigd worden op dien
zieke, dat hij niet alleen zijn wetenschap niet waardeerde naar behooren,
maar ook zijn eigen gezondheid schandelijk veronachtzaamde?
14. Maar och liefste, wat een vergelijking is dat! dit haalt niet bij
onze nalatigheid. Want hier is het God, de schepper van hemel en aarde
zelf — zonder wiens. genade wij niets kunnen doen dan alle kwaad —,
die door een snooden mensch zoo schandelijk als een nietigheid wordt
versmaad.

117
118

HOOFDSTUK 13.
Hoe vurig sommige vrome menschen naar
Christus' lichaam verlangen.
De leerling.
1. 0 welke schatten van zoete hemelspijs hebt Gij verborgen voor hen
die U vreezen. (Ps. 30, 20).
2. Als ik gedenk, o heer, met welk een innige en vurige liefde som-
mige vromen naderden tot .Uw sacrament, dan word ik vaak met mijzelf
begaan en beschaamd, dat ik zoo lauw of zelfs zoo koel tot Uw heilige
tafel nader.
Dat ik zoo dor en ongevoelig van harte blijf, en dat ik nooit geheel van
liefde brand, mijn God, in Uwe tegenwoordigheid.
En dat ik nooit zoo geweldig aangegrepen en ontroerd word als vele
andere vromen, die van brandend verlangen en gevoelige harteliefde
hunne tranen niet konden bedwingen, maar met open hart en mond om
strijd zO6 gesmacht hebben naar de levensbron (Jerem. 2, 13), dat zij hun
honger niet anders konden stillen en verzadigen dan door Uw lichaam
allereerbiedigst met tintelende vreugde in gretigheid te nuttigen.
3. Ja hun waarachtig en vurig geloof zelf is een proefondervindelijk
bewijs van Uw heilige tegenwoordigheid.
4. Zij immers herkennen waarlijk hunnen heer in de breking van het
brood, zóó gloeiend klopt hun hart voor Jesus, als hij wandelend met hen
spreekt. (Luc. 24, 32 en 35).
5. Maar helaas vaak is verre van mij zulk een innige godsvrucht, zoo'n
laaiende lief degloed.
6. 0, goede zoete Jesus, wees mij genadig.
7. En verleen mij toch ioms in de heilige communie een klein sprankje
te gevoelen van die hartelijkheid Uwer liefde; opdat mijn geloof groeie,
mijn hoop op Uwe goedheid gedije, en mijn liefde na het ontvangen van
het hemelsch manna eens zóó moge ontbranden, dat ik nimmermeer ver-
flauw.
8. Uw barmhartigheid toch is machtig genoeg mij deze begeerde ge-
nade te schenken, en mij op den dag van Uw welbehagen, allergenadigst
te bezoeken. (2 Cor. 9, 8 en Is. 4, 4).
9. Want al tintel ik niet zoo van verlangen als Uw uitverkoren vro-
men, ik verlang toch naar die vlammende begeerte, en ik bid en ik smeek
smachtend hun deelgenoot te mogen worden, en tot hun heilig gezelschap
te worden gerekend.

HOOFDSTUK 14.
Hoe wij onzen nood voor Christus moeten blootleggen,
en ziin genade afsmeeken.
De leerling.
1. 0 allerliefste en beminnelijkste heer, dien ik nu godvruchtig ver-
lang te ontvangen. Gij kent mijn zwakheid en den nood waarin ik zucht.

118
119

Gij weet in hoeveel ondeugden en gebreken ik gebonden lig, hoe vaak
ik verward, bezwaard, bekoord en besmet word.
2. Om hulp kom ik tot U, om troost en leniging bid ik U.
3. Ik spreek tot den alwetende (Joan. 18, 4), wien heel mijn binnenste
openligt, en die alleen mij heelemaal opbeuren en helpen kan.
4. Gij weet, welke gaven ik het meest behoef, en hoe arm ik ben aan
deugden.
5. Zie, hier sta ik voor U, arm en naakt, biddend om genade, inroe-
pend Uw erbarming.
6. Verkwik Uw hongerigen bedelaar, verwarm en koester mijn ver-
kildheid in het vuur van Uw liefde; verlicht mijn blindheid met de klare
stralen Uwer tegenwoordigheid.
7. Verander al mijn aardschen lust in bitterheid, alien afkeer van tegen-
spoed in lijdzaamheid; en geef mij alle schepselen te versmaden en te
vergeten.
8. Hef mijn hart tot U in den hemel op, en laat het toch niet altijd
ronddwalen op aarde.
9. Gij alleen moet voortaan mijn lust zijn tot in eeuwigheid; want Gij
zijt alleen mijn spijs en mijn drank, mijn liefde en mijn vreugde, al mijn
zoet en al mijn goed.
10. Ach, als Gij mij toch eens heelemaal ontvonkte, liet branden en
in U veranderde, slat ik een geest met U werd (1 Cor. 6, 17), door de ge-
nade innig met U vereend, en in witgloeiende liefde versmolten.
11. En laat mij dan nooit meer hongerig en dorstig van U gaan, maar
doe met mij naar Uw barmhartigheid, gelijk Gij het zoo vaak wonderlijk
met Uwe heiligen hebt gedaan.

HOOFDSTUK 15.
Hoe de heilige communie en de heilige schrift voor de
geloovige ziel het meest onmisbaar zijn.
De leerling.
1. 0 allerliefste Neer Jesus, het is een wondere zoetheid, die de vrome
ziel smaakt, als Gij ze onthaalt aan Uw feestmaal, waar geen andere spijs
wordt opgediend dan Gijzelf, haar eenige liefde, begeerlijk boven alles
wat haar hart kan begeeren.
2. En ik zou er al een wondere vreugd in vinden, in Uw bijzijn van
innige liefde te weenen, en met de vrome Magdalena Uw voeten met mijn
tranen te mogen besproeien. (Luc. 8, 37-38).
3. Maar waar blijft bij mij deze godsvrucht, hoe kom ik aan die over-
vloedig spontaan opwellende heilige tranen?
4. Zeker, mijn hart moest branden en van vreugde weenen onder Uw
oogen in het bijzijn van Uw engelen en heiligen. (Apoc. 14, 10).
5. Want ik heb U hier in het sacrament bij mij, al zijt Gij verholen
onder een andere gedaante.

119
120

6. Omdat mijn oogen het niet zouden vermogen U aan te zien in Uw
eigen goddelijke klaarte, en zelfs het gansch heelal voor het zonneblikken
Uwer heerlijkheid in het niet zou verzinken.
7. Zoo komt Gij dus tegemoet aan mijn wankel vermogen: met U in
dit sacrament te verbergen.
8. In waarheid bezit ik en aanbid ik denzelfden God dien de engelen
in den hemel vereeren. (Hebr. 1, 6).
9. Ik thans nog omsluierd, met het oor van mijn geloof, maar zij hem
aanschouwend in zijn wezen ongesluierd van oog tot oog. (2 Cor. 5, 7).
10. Nog moet ik mij vergenoegen met in het licht van het ware geloof
te wandelen, totdat de dageraad der eeuwige klaarheid zal verschijnen en
alle schaduwen zal doen verdwijnen. (Hoogl. 2, 2 en 4, 6).
11. Doch wanneer het vol-klare mij zal toewuiven (1 Cor. 13, 10), zal
de schaduw der sacramenten verstuiven, omdat de zaligen in de hemel-
sche heerlijkheid de behoeding der gedaanten niet meer behoeven.
12. Zij immers jubelen zonder einde in Gods nabijzijn, van aanschijn
tot aanschijn zijne glorie aanschouwend (2 Cor. 13, 12), waar zij van heer-
lijkheid tot heerlijkheid in den peilloozen afgrond zijner Godheid omge-
schapen (2 Cor. 3, 18) het vleeschgeworden Woord, gelijk het was in den
beginne en tot in eeuwigheid blijft, zullen smaken. (1 Joan. 1, 1 en 1
Petr. 1, 25).
13. Als ik deze wonderen overdenk, wordt mij zelfs alle geestelijke
troost tot verdriet, want zoo lang ik mijnen heer niet in zijn heerlijkheid
geniet, is mij alles verachtelijk, wat ik in de wereld hoor en zie.
14. Gij zijt mijn getuige o God (Rom. 1, 9), dat ik in geen enkel ding
nog ooit lust, of in eenig schepsel nog ooit rust zal kunnen vinden, maar
in U, mijn God alleen, dien ik eeuwig wil aanschouwen, aanhangen, bezit-
ten en genieten.
15. Ach arme, dat dit nog onmogelijk is, zoo lang ik in dit sterfelijk
leven verwijl.
Daarom moet ik mij schikken tot wel groote lijdzaamheid, in al mijn
verlangen aan U onderdanig.
16. Want ook Uwe heiligen, o heer, die zich thans met U verblijden
in het hemelrijk, hebben, zoolang zij leefden, vertrouwend in groote lijd-
zaamheid verbeid: den morgenstond van Uwe volle heerlijkheid. (Hebr.
6, 12; Tit. 2, 13).
17. Wat zij geloofd hebben, is mijn geloof; wat zij gehoopt hebben
is ook mijne hoop; waar zij toe gekomen zijn door Uwe genade, daar ver-
trouw ook ik te geraken.
19. Intusschen heb ik de heilige schriften tot mijn troost en een Spie-
gel des levens; en bovenal Uw allerheiligste lichaam tot mijn toevlucht
en heil. (1 Mach. 12, 9).

120
VERGELIJKENDE TABEL
der volgorde in deze en de vroegere uitgaven
Vroegere Deze Vroegere Deze
uitgaven Belangrijke uitgave uitgaven Belangrijke uitgave
toevoegingen Boek M toevoegingen Boek III,
Boek III Boek III
Deel 1 en 2 Deel 1 en 2
Gap. 1 Deel 1, Cap. 1 31 1, 13
2 1, 2 32 1, 14
3 1, 3 en1,4 33 1, 15
4 1, 5 34 het slotgebed 1, 16
5 verschillende Deel 2, Cap. 14 35 1, 17
stukken 36 1,18
6 2,15 37 1,19
7 2,16 38 1, 20
8 dit heele caput 39 1, 21
9 2, 17 40 . 1, 22
10 dit heele caput 41 2, 1
11 2,18 42 2, 2
12 2,19 43 2,3
13 2, 20 44 2, 4
14 (lit heele caput 45 groat stuk 2, 5
15 slotgebed 2, 21 46 slotgebed 2, 6
16 2, 22 47 2, 7
17 idit heele caput 48 dit heele caput
18 dit heele caput 49 2, 8
19 het heele twee- 2, 23 50 fverschillende 2, 9
de deel stukken
20 dit heele caput 51 2, 10
21 dit heiele caput 52 2, 11
22 Deel 1, Cap. 6 53 2,112
23 die twee geibeden 1, 7 54 het heels slot 2, 13
24 1, 8 55 het heiele caput
25 1, 9 56 het heele slot 2, 25
26 idit heele caput 57 2, 26
27 het slotgebed 1, 10 58 het heele slot 2, 24
28 1, 11 59 het heele caput
29 Ica heele caput
30 1, 12
Vroegere Deze Vroegere Deze
uitgaven Belangrijke uitgave uitgaven Belangrijke uitgave
• toevoegingen toevoegingen
Boek IV en uitlatingen Boek IV Bock IV en uttlatingen Boek IV
Inleiding bijna heelemaal Inleiding
uitgellaten 11 die tweede helft 15
1 1 is toegevoegd
het heele caput 2 12 10
weggelaten
2 3 13 11
3 4 het heele caput 12
4 5 14 is weggelaten
5 dit heele caput 13
toegevoegd 15 het heele caput
6 6 (1) is toegevoegd
7 6 (2) 16 14
8 7 17 het heele caput
9 8 is toegevoegd
10 9 18 het heele caput
is toegevoegd
INHOUD.
bladz.
Inleiding . • 3

BOEK I.

Goede vermaningen die nuttig zijn voor het geestelijk leven.

Hoofdstuk 1. Dat men Christus moet navolgen, en de ijdelheid der wereld
moet versmaden ...... ..... 9
77 2. Over een ootmoedig gevoel van zich zelf . 10
79 3. Van de leering der waarheid .. .. 11
,, 4. Over de voorzichtigheid in doen en laten . - 12
/7 5. Over het lezen der heilige schrift 12
,, 6. Over onbetoomde neigingen en begeerten .... 13
77 7. Over het schuwen van ijdele hoop en zelfverheffing 13
77 8. Over het vermijden van al te groote vertrouwelijkheid . 14
97 9. Over de gehoorzaamheid en de gewillige onderwerping 14
72 10. Over het vermij den van overtollige gesprekken . . 15
77 11. Over den vrede .... 16
Over het verlangen naar zielegroei .. 16
71 12. Over het nut van lijden en tegenspoed . 17
,, 13. Over den strijd tegen de bekoringen .. ..... 17
77 14. Dat men niemand zonder goede reden veroordeelen mag 19
99 15. Over de werken van lief de . .... 19
16. Dat men elkanders gebreken geduldig verdragen moet 20
77 17. Over het kloosterleven . ...... 21
,, 18. Over de voorbeelden der heilige vaders . . 21
77 19. Over de oefeningen van een goed religieus . 23
I, 20. Over het oprecht berouw en de overwegingen . . 24
Van de eenzaamheid en het stilzwijgen in de cel . 24
21. Over het berouw en de goddelijke vertroosting . 25
77 22. Over de beschouwing der menschelijke ellende . 26
77 23. Over de gedachte aan den dood . ..... 27
77 24. Over het laatste oordeel en de straffen der hel . 28
79 25. Over de naarstige verbetering van ons leven . . 29

BOEK II.

Vermaningen die den mensch meetrekken naar binnen.

Hoof dstuk 1. Van het Rijk Gods in ons binnenste 32
2. De hoop op Gods hulp .. 34
I, 3. Van den vrede daarbinnen . 35
77 4. Van zuiverheid en eenvoud 36
79 5. Van de zelfinbeelding . 36
77 6. Van een goed geweten ..... 37
97 7. Van Jesus en de kunst hem te beminnen 38

123
124

bladz.
Hoof dstuk 8. Vervolg .... . • 39
ft 9. Over de afwisseling van troost en verlatenheid . . 41
ft 10. Van de dankbetuiging . ........ . 43
ft 11. Sommigen volgen Jesus alleen in de vertroosting . . 44
/, 12. Over het dragen van het kruis .. . 45

BOEK III.

Eerste Deel.

Vermaningen die den mensch meetrekken naar binnen.
Hoof dstuk 1. Van Christus' spreken daar binnen .......... 50
„ 2. Hoe de waarheid binnen in ons spreekt zonder gedruisch
van woorden . ............. . . . . 51
,, 3. Dat men Gods woord aanhooren moet met ootmoedigheid . 52
4. Hoe men de genade der godsvrucht kan verwerven . . .
22 53
5.. Dat men oprecht en ootmoedig in Gods tegenwoordigheid
27

moet leven . ............. . 53
,, 6. De herdenking der menigvuldige weldaden Gods . . 54
7. Van vier dingen die grooten vrede brengen ...
22 . 56
8. Dat wij niet nieuwsgierig eens anders leven moeten nagaan 56
9. Waarin de vrede des harten en de ware voortgang bestaat 57
ft

II 10. Dat vooral de eigenliefde ons afhoudt van het hoogste goed 58
11. Tegen de tongen der afbrekers ........... 58
12. Dat men bidden moet om de hulp van God . ...... 59
ft

13. Van de onverschilligheid voor alle schepselen, om den schep-
per te vinden ..... .. . ...... 61
14. Van de zelfverloochening en het opgeven van alle begeer-
lij k heid .......... , . . . 62
II 15. Dat wij om de ongestadigheid des harten vergeten onze aan-
dacht op God te richten .............. 63
16. Wie God liefheeft smaakt hem in en boven alle dingen . • 64
21

,, 17. Dat men in dit leven nooit vrij en veilig is van bekoring . . 64
18. Tegen de ijdele oordeelvellingen der menschen ..... 65
11

If 19. De loutere en volkomen overgave van zichzelf om de vrijheid
des harten te winnen . ............. 66
20. Zelfbeheer in het uitwendige en God als toevlucht in alle
gevaar . .... .... . 67
21. Dat een mensch niet onstuimig te werk moet gaan . .
11 • 68
,, 22. Dat een mensch niets goeds nit zichzelf heeft en zich nergens
op beroemen kan .. . 68

Tweede Deel.

Over den inwendigen troost.
Hoof dstuk 1. Hoe de mensch zich moet gedragen als hij door anderen ver-
acht wordt en over de versmading van alle wereldsche eer 70
If 2. Dat men zijn zielevrede niet op menschen moet bouwen . • 70
II 3. Tegen de ijdele en wereldsche wetenschap . . ..... 71
2/ 4. Dat men zich de uitwendige dingen niet moet aantrekken . • 72

124
125

bladz.
Hoof dstuk 5. Dat men niet iedereen gelooven moet en hoe licht men in zijn
woorden misdoet 73
6. Dat God is onze toeverlaat tegen de scherpe pijlen der

l
astertongen .............. . , , , 74
I, 7. Dat men. voor het eeuwig leven alle beproevingen moet ver-
duren ........ ......... . 76
8. Van het verlangen naar het eeuwig leven, en welk een zegen
,,
is bereid voor die den strijd hebben gestreden . . 77
91 9. Hoe de ongetrooste zich in Gods hand moet overgeven . . . 79
71 10. Dat men zich met nederig werk moet bezighouden, als men
te kort schiet in de hooge deugd 80
99 11. Dat de mensch geen troost verdient, maar geeselslagen . . . 81
71 12. Dat Gods genade en aardsche wijsheid elkander niet verstaan 82
71 13. Van de tegengestelde werkingen van de natuur en de genade 83
II 14. Van het wonderlijk verlangen der lief de tot God. . . ,. . 84
21 15. Van de beproeving der ware lief de 85
16. Van het verbergen der genade onder de hoede der nederigheid 86
9/ 17. Dat God het doel is van alle dingen 88
9/ 18. Dat men de begeerten zijns harten in verhoor moet nemen en
beteugelen 89
29 19. Een les van geduld in den strijd tegen de begeerlijkheid . . 90
II 20. Over de gehoorzaamheid van den ootmoedigen onderdaan
naar het voorbeeld van Jesus Christus . ...... . . 91
21 21. Hoe men zich gedragen en wat men telkens zeggen moet als
men iets verlangt . .......... 92
,, 22. Dat de ware troost is te zoeken bij God alleen . . 93
,, 23. Dat men het onrecht geduldig moet verdragen en wie de
ware geduldige is . ............ .. 9.3
22 24. Dat men niet zal zoeken naar al te hooge dingen en de ver-
borgen oordeelen Gods . 94
,, 25. Dat wij onszelf moeten verloochenen en Christus navolgen . 95
97 26. Dat men niet verslagen moet zijn, als men in eenige zwak-
heid valt 96

BOER IV.

Over de heilige communie.

• Inleiding 98
Hoofdstuk 1. Met hoe grooten eerbied men Christus in het heilig sacrament
moet ontvangen .............. .. 99
99 2. Dat onze onwaardigheid na een goede biecht ons niet moet
afhouden van de heilige communie ......... . 102
12 3. Hoe groote goedheid en. liefde God den mensch betoont in
het heilig sacrament .............. . 104
12 4. Hoe nuttig het is dikwijls te communiceeren ....... 106
91 5. Dat veel goeds gedaan wordt aan hen die het sacrament waar-
dig ontvangen .. . 107

125
126
bladz.
Hoofdstuk 6. Hoe de mensch voor de heilige communie zich oefenen en zijn
geweten moet onderzoeken om een goed voornemen te maken 109
19 7. Hoe Christus zich opgedragen heeft aan het kruis en hoe wij
onszelve moeten opdragen, als wij het sacrament ontvangen . 111
ff 8. Hoe wij onszelf en al het onze aan God opofferen en voor
alien bidden moeten .. ....... 111
99 9. Dat men de heilige communie niet licht verzuimen mag . . 112
99 10. Wie te communie wil gaan, moet zich daartoe met groote
zorg voorbereiden . . ..... ... .. 114
19 11. Dat de devote ziel van ganscher harte naar de vereeniging
met Christus in het sacrament moet verlangen . ..... 115
79 12. Met Christus vereend .............. 116
99 13. Hoe vurig sommige vrome menschen naar Christus' lichaam
verlangen . .............. . . 3
99 14. Hoe wij onzen nood voor Christus moeten blootleggen, en zijn
genade afsmeeken ................ 118
99 15. Hoe de heilige communie en de heilige schrift voor de geloo-
vige ziel het meest onmisbaar zijn . . • 119

Vergelijkende tabel . . 121

Inhoud • 123

126