You are on page 1of 84

1

// de drie kenmerken van een politicus // toevalsklaar


20 jaar
Brugge
Brussel

RENAAT LANDUYT

2012 // 20 jaar ervaring // 12 jaar perspectief


ISBN 9789081712118
eerste druk april 2012
realisatie: Liquid Society
verantw. uitgever: sp.a Brugge

Geen rechten voorbehouden. Alles uit deze uitgave


mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een
geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar
gemaakt op welke wijze dan ook, zonder
toestemming van de uitgever. Graag zelfs!
inleiding

// Inleiding 1
// DE drie kenmerken van een politicus 4
toevalsklaar 4
functioneel ijdel 9
dienstbaar 12
// De Brusselse politiek 17
parlementair 17
minister 29
// De Brugse politiek 38
van Rode Loper tot Brugse Bevraging 38
van Kustactieplan tot Brugs Actieplan 43
van Brugs college tot Brugse ploeg 51
// DE Krijtlijnen voor een Brugs actieplan 55
de financiering van het Brugs beleid 55
hoofddoel is goedkoper wonen in Brugge 58
Brugge economische trekker voor de regio 61
goed leven in Brugge 63
nieuw Brugge 66
// Epiloog 72
een sterk Brugs verhaal 72
// notities 76
5
// de drie kenmerken van een politicus // toevalsklaar
6
// de drie kenmerken van een politicus // toevalsklaar
24 november 1991. Het is ondertussen meer dan twintig
jaar geleden dat ik politicus werd. Plots niet langer een
‘gewone mens’ maar wel een ‘politieker’. Althans zo aanzien
sommige mensen je.

Het was Zwarte Zondag. De dag dat het Vlaams Blok zijn
eerste grote winst boekte. De antipolitiek vierde hoogtij.
Politici waren profiteurs, zakkenvullers. De burger had
– terecht – zijn buik vol van partijpolitiek dienstbetoon en
partijpolitieke benoemingen. Men wou vertegenwoordigers
die luisterden. Die niet vanuit hun ivoren toren in Brussel,
boven de hoofden van de mensen, beslissingen namen,
maar de dagelijkse problemen waar de bevolking mee werd
geconfronteerd met beide handen aanpakten.

Zelf had ik nog niets gedaan en ik voelde mij al schuldig.


Ik heb nooit met mijn P-plaat – de speciale nummerplaat
die aan iedere parlementair wordt gegeven – gereden. Of
toch, één week. En dat was al genoeg om een karrenvracht
negatieve commentaar over me heen te krijgen. Flikkerende
koplampen, toeterende claxons. Het was even slikken.

Ondertussen is het er niet beter op geworden. Het vertrou-


wen in de politiek staat op een dieptepunt. Toegegeven, de
politiek heeft de laatste jaren geen al te beste beurt gemaakt.
Alle goede bedoelingen van sommigen ten spijt. Politici zijn
in de ogen van velen nog steeds zakkenvullers die vooral
voor zichzelf zorgen en niet voor de anderen. En toch.

En toch is het de moeite. Absoluut. Politicus zijn is de


mooiste job die er is. Luisteren naar problemen en ze ook
aanpakken, dingen veranderen, ook al lukt dat niet altijd
even gemakkelijk. Daarom dit boekje, om zij die twijfelen
te overtuigen. In deel één schets ik wat het betekent om aan
politiek te doen, in deel twee schets ik wat een goede poli-
tiek voor Brugge kan zijn.

1
// inleiding
Twintig jaar politiek. Het vreet aan je lijf en het houdt je
fit. Dit boekje is geen balans. Daarvoor is het nog te vroeg.
Twintig jaar is nog maar de helft van wat een actief leven
kan worden genoemd. Nog eens twintig jaar erbij is mis-
schien te hoog gegrepen. Alhoewel. Politiek is geen beroep,
althans niet eentje dat vraagt om een pensioen. Als dat pen-
sioen dan moet, dan net zoals andere mensen niet vroeger
dan op 65 jaar. Ik ben net 53 geworden, ik heb dus nog 12
jaar de tijd om actief te zijn. Al mag het voor mij persoonlijk
ook langer duren.

Renaat Landuyt, 14 april 2012

2
// inleiding
3
Wie politicus wil worden bereidt
zich best voor op drie noodzakelijke
kenmerken. Vooreerst moet hij of
zij klaar zijn voor het toeval. Een
toevallige vraag of kans kan je leven
veranderen als je erop voorbereid
bent. Vervolgens, wil je als politicus
overleven dan moet je vooral opvallen
anders kennen ze je niet en dus
kiezen ze je niet. Functionele ijdelheid
wordt steeds belangrijker. Het sterkste
kenmerk tenslotte, is de gedrevenheid
om te helpen. Dienstbaar zijn is de
boodschap.

4
Het is vrijdag 4 oktober 1991, 15.00 u. Ik heb net belasting-
controle gehad. Ik krijg een telefoontje van André
Vannieuwkerke, toen nog federaal partijsecretaris. In zijn
eigen stijl vraagt hij of ik mij kandidaat zou willen stellen
voor de tweede plaats op de lijst van de Kamer. Ik hoef niet
direct te beslissen, mag er even over nadenken. Maandag
tegen tien uur verwacht hij een antwoord. Indien positief,
graag met een kort curriculum vitae erbij. Frank Van Acker
wou immers voortmaken met de Kamerlijst. Want zo
ging dat toen: Frank Van Acker stelde de lijst op. Een paar
weken later werd die ‘ontwerplijst’ dan ter goedkeuring
voorgelezen in een algemene partijvergadering door wijlen
provinciaal afgevaardigde André Legein. Anderhalve maand
later was ik parlementair.

De zomer voordien had ik, terwijl ik aan het babysitten was


bij mijn eerste zoon, in een hotelkamertje naar de debatten
in de Kamer zitten kijken. Met goesting. Dat zou ik ook wel
willen doen, dacht ik. Hoe dit ooit zou lukken zag ik niet
in. Ik was lid van de SP en was een jaartje actief geweest bij
de Jongsocialisten. Maar niet meer dan dat. Als beginnend
advocaat probeerde ik rond te komen door veel voor andere
advocaten te werken. Een andere jonge advocaat werd nieuw
gemeenteraadslid. Toch waren anderen mijn politieke
kansen aan het voorbereiden. Ik was hen opgevallen. Als
advocaat haalde ik immers af en toe de pers met mijn
sociaal geïnspireerde pleidooien voor zij die het niet
altijd even makkelijk hadden. Ik werd steeds actiever als
vrijwilliger in verschillende welzijnsorganisaties.

Het was een kans, geen zekerheid. Ik kreeg de tweede


plaats op de lijst. Enkel de eerste op de lijst was zeker van
een zitje in het parlement. De tweede af en toe, met een
beetje geluk. De tweede plaats kwam in die tijd namelijk
in aanmerking voor wat de apparenteringszetel werd
genoemd, de allerlaatste zetel van een arrondissement.
Deze zetel kreeg de reststemmen van dezelfde partij uit een
ander arrondissement toegewezen. Het is verschrikkelijk
5
// de drie kenmerken van een politicus // toevalsklaar
ingewikkeld, maar sta me toe toch een poging te doen om
het uit te leggen. De stemmen werden in een provincie per
arrondissement verdeeld. Door het totaal aantal stemmen
van een arrondissement te delen door het aantal zetels
wist men hoeveel stemmen moesten worden gehaald
om in een arrondissement een zetel te verwerven. Iedere
partij had altijd stemmen te veel, of te weinig om een
bijkomende zetel te verkrijgen. Die stemmen werden dan
per provincie toebedeeld aan dezelfde partij van een ander
arrondissement. De stemmen werden eerst toebedeeld daar
waar het minst aantal stemmen nodig waren om een extra
zetel te bekomen. De zogenaamde apparenteringszetel
viel in West-Vlaanderen meestal in het toen kleinste
arrondissement Brugge. De SP zat daar immers altijd dicht
bij een tweede zetel. Met de restjes van de collega’s in Ieper,
Oostende, Kortrijk en Roeselare geraakten we aan de tweede
zetel. En zo kwam ik in het parlement terecht.

Wie de politiek een beetje volgde kon inschatten dat de kans


groot was dat de tweede plaats toen inderdaad een tweede
zetel zou opleveren. Dat bleek achteraf ook zo te zijn. Ik
moest er niet lang over nadenken. Dit was mijn kans om
een droom te realiseren. Al had ik er niet meer op gerekend
dat ze aan mij zouden denken. Meestal kreeg je een eerste
kans om mee te doen op de gemeenteraadslijst. Toen dat in
1988 niet was gelukt, dacht ik dat mijn beurt voorbij was.
Niet dus. Deze keer was het alles of niets.

Het was niet allemaal toeval en geluk. Ik geef toe, de


neiging om in conflicten tussen te komen had ik al in
de kleuterklas. Achteraf gezien verdenk ik de kleuterjuf
ervan mij met opzet te hebben uitgedaagd. Zelfs als kleine
uk van 5 jaar wierp ik mij al op als woordvoerder van de
groep. Maar het moment waarop ik de politiek bewust ben
beginnen te volgen, kwam pas veel later. Ik herinner het me
nog heel goed. Die datum staat in mijn geheugen gegrift: 11
september 1973. De dag waarop de socialistische president
van Chili, Salvador Allende, om het leven kwam tijdens
6
// de drie kenmerken van een politicus // toevalsklaar
de militaire staatsgreep van generaal Augusto Pinochet.
Allende wou na jaren van onderdrukking een sociale
democratie oprichten in Chili. Zonder geweld, zonder
revolutie. Door stap voor stap de levensomstandigheden
van de mensen te verbeteren. Met geweld, opgezet door de
CIA, werd hij aan de kant geschoven. De laatste foto van
de man was er één met het geweer in de hand. Hij heeft er
niet de anderen maar uiteindelijk zichzelf mee gedood. In
ieder geval was hij voor mij het symbool van het geweldloos
verzet tegen onderdrukkend geweld. Het symbool van
socialisme zonder geweld, via democratische overtuiging.
Ik was veertien jaar. Op dat moment heb ik mijn
muziektijdschriften letterlijk ingewisseld voor tijdschriften
over sociale politiek. Ik verslond bladen als de Spectator,
de Knack, pamfletten van Christenen voor het Socialisme,
boeken over bevrijdingstheorieën, over socialisme maar ook
over liberalisme, communisme, personalisme. Kortom, de
politiek was van dan af mijn sport.

Later aan de universiteit in Leuven werd ik verleid door de


open vergaderingen van de SP van Louis Tobback. Onder
de naam ‘ACSO’, actueel socialisme, organiseerde hij
gespreksavonden met journalisten en ministers. Onder
meer de zeer jonge journaliste Martine Tanghe en de
staatssecretaris van Financiën Freddy Willockx passeerden
de revue. Dat waren concrete getuigenissen. Met Karel Van
Miert als voorzitter en Louis Tobback als fractieleider was er
geen twijfel meer mogelijk. De SP was mijn partij.

En toch was het aanvankelijk niet mijn bedoeling “in


de politiek te gaan”. Mijn grote ambitie was in de eerste
plaats een goed advocaat te zijn. Na mijn studies zocht ik
in Brugge naar een stagemeester. Ik koos de advocaat die
de beste advocaat van Brugge werd genoemd (zijn bijnaam
was “professor”). Na één gesprek verwees hij mij door
naar een advocaat die volgens hem meer bij mij paste,
Charles Deduytsche. Een goede keuze want een zeer sociale
advocaat met een nuchtere kijk op de dingen. Hij bracht
7
// de drie kenmerken van een politicus // toevalsklaar
mij meer sociale techniek dan rechtstechniek bij. Als
advocaat heb ik mijn kantoor overigens opgebouwd via pro
Deo’s, een vorm van kosteloze rechtsbijstand. Zo werd ik
geconfronteerd met de verborgen miserie, ook in Brugge.
Daarnaast heb ik ook veel voor andere advocaten gewerkt, in
onderaanneming zoals men zegt.

De dag van mijn huwelijk heb ik me meteen ook lid


gemaakt van de SP. 25 mei 1984 was de dag van de grote
beslissingen. Eerst naar het SP-secretariaat, dan naar
het stadhuis. Bij de SP keken ze mijn komst met enige
verwondering aan. Iemand die zich spontaan kwam
aanmelden als lid? Dat waren ze niet gewoon. Alle leden
van de vakbond of mutualiteit werden zowat automatisch
lid. Toen de dame aan het onthaal hoorde dat ik advocaat
was, slaakte ze een zucht. Nu begreep ze het. “Nog één
die rechter wil worden”, hoorde ik haar zeggen tegen de
collega’s van het secretariaat. Neen. Dat was niet mijn
bedoeling. In mijn ogen is een goed advocaat per definitie
al snel een socialist. Opkomen voor de rechten van mensen
die zich niet zelf voor de rechtbank kunnen verdedigen,
mensen bijstaan die in de miserie zitten, dat is toch puur
socialisme?

Mijn engagement kon ik niet enkel kwijt in mijn beroep


maar ook in tal van organisaties waar ik lid was. Ik werkte
mee met de Huurwinkel. Dat was toen nog een initiatief
van een paar jonge advocaten die – tegen de richtlijnen
van de Orde van Advocaten in – huurders met concreet
advies wilden bijstaan. Ondertussen hebben we dit via
de politieke weg helpen ombouwen tot huurdersbonden.
Daarnaast was ik een tijdlang voorzitter van het JAC, het
jongerenadviescentrum, en lid van de raad van bestuur van
’t Laar, een opvangcentrum dat jongeren verwezen door de
jeugdrechter verder helpt. Ik sloot mij ook aan bij de Liga
voor Mensenrechten. Ik zette mij in voor de gevangenen,
hun familie maar ook hun slachtoffers. In die kringen
kwam ik zelfs ook volksvertegenwoordigers tegen. Onder
8
// de drie kenmerken van een politicus // toevalsklaar
meer VU-Kamerlid De Clercq uit Knokke, vader van sp.a-
gemeenteraadslid Veerle De Clercq.

Ondertussen bleef ik boeken lezen. Door mijn interesse


in Ivan Illich ging ik op een bewuste avond in op een
uitnodiging voor een bespreking van het boek van Oscar
Lafontaine. Ivan Illich was zowat het boegbeeld van een
nieuw ecologisch denken en Oscar Lafontaine probeerde de
ideeën van Illich toe te passen op een modern socialisme. Ik
leerde er de Jongsocialisten kennen. Ik sloot me bij hen aan
en werd zelfs een jaar nationaal vertegenwoordiger, maar
kon het later steeds moeilijker combineren met mijn werk
als strafpleiter. Als pleiter leerde ik de pers kennen. Via
de pers leerde de partijleiding mij kennen. Zo werd ik op
vrijdag 4 oktober om 15.00 u. opgebeld.

9
// de drie
// de
kenmerken
drie kenmerken
van eenvan
politicus
een politicus
// functioneel
// toevalsklaar
ijdel
Mijn grote doorbraak is er in de eerste plaats gekomen toen
ik de tweede plaats op de Kamerlijst ‘kreeg’. Ironisch genoeg
niet de dag dat ik effectief verkozen werd. Campagne voeren
hoorde er in die tijd wel bij, maar dat was meer iets voor
de lijsttrekker. De cultuur van de SP was er één voor de
groep. Voor de groepsleider eigenlijk. Partijstemmen waren
belangrijker dan naamstemmen. Bovendien kon de kiezer
in die tijd maar op één iemand stemmen en niet zoals nu
voor verschillende namen op eenzelfde lijst. Een kandidaat
die stemmen vroeg voor zichzelf, vroeg dus meteen ook om
niet op de lijsttrekker te stemmen. Van mij werd dus niet
verwacht dat ik veel campagne zou voeren. Uiteraard mocht
iedere kandidaat wel steun zoeken voor zichzelf. Maar het
bleef toch altijd in een sfeer van “niet te veel”. Eén stem voor
jou ging immers ten koste van een stem voor een ander.
Neen, campagne voeren toen is niet te vergelijken met de
campagnes nu.

In 1991 was campagne voeren vooral stappen achter de


harmonie, kaartjes uitdelen langs de weg, en op café een
paar pinten drinken. Toen bestond de cultuur van de
verkiezingsspeeches nog. Of beter gezegd, de mensen
kwamen daar toen nog naar luisteren, al waren dat meestal
mensen die niet meer hoefden te worden overtuigd. Zij
hielpen het beeld te creëren van een partij die veel mensen
kon mobiliseren. En tussendoor moest iedere individuele
kandidaat ervoor zorgen dat hij familie en vrienden kon
overtuigen om op hem te stemmen. Al heerste er een
cultuur van de lijsttrekker, de persoonlijke score was
paradoxaal genoeg ook bijzonder belangrijk. Vandaag
wordt nog steeds gekeken naar de persoonlijke score bij
het opstellen van een pikorde binnen de partij en bij het
verwerven van functies.

Stemmenaantal, het is een fragiel evenwicht dat iedere


politicus moet zien te vinden. Voor de persoon in kwestie
hangt er immers veel van af. Ik hoef dan ook niet te vertellen
dat bij iedere verkiezing niet alleen vol spanning wordt
10
// de drie kenmerken van een politicus // functioneel ijdel
uitgekeken naar de partijscore, maar ook naar het aantal
naamstemmen. Die spanning blijft. Een politicus leert
noodgedwongen leven met die stress, sommigen kicken er
op. Sommigen geraken er zelfs nooit van af.

In ieder geval, sinds dat bewuste telefoontje op 4 oktober


1991 ben ik anders geworden. Of beter gezegd, anders
moeten worden. Voordien kon ik rustig een zaal langs de
rand binnensluipen, nu stap ik die – een beetje tegen mijn
natuur in – middendoor. Functionele ijdelheid noem ik
dit. Eigenlijk ben ik eerder het type dat zich graag vastbijt
in een dossier en alles bestudeert. Maar een politicus kan
nu eenmaal niet anders dan zichzelf en zijn ideeën af en
toe eens in de kijker te zetten. Hij moet noodgedwongen
opvallen, zijn ideeën kenbaar maken, zichzelf verkopen.
In feite was de campagne zoals ik die eind 1991 heb mee-
gemaakt toen al folklore. In Brugge hield men het sober.
Nationaal en in andere regio’s begon men meer en meer
Amerikaanse campagnes na te doen. Steeds grootser, steeds
duurder. Dat was niet houdbaar. Zo bleek al snel. Meer en
meer werd privéfinanciering in de ons omringende landen,
en uiteindelijk ook in België, onder de loep genomen. Schan-
dalen toonden de gevaren van schenkingen aan politieke
partijen. Maar daarover later meer.

Mijn tweede parlementaire campagne in 1995 was er


één van een heel andere soort. Het was overigens mijn
vierde campagne in vier jaar tijd. In 1994 had ik ook
al deelgenomen aan de Europese en de gemeentelijke
verkiezingen. Voor de parlementsverkiezingen van 1995
kozen we voor een andere, meer directe aanpak. We hebben
alle straten van het toenmalige arrondissement Brugge
afgelopen. Op zeer grondige wijze. Geen enkel huis werd
overgeslagen. Eerst onze komst aankondigen, dan de folder
persoonlijk afgeven. Mijn schoenen van toen staan nog
steeds in de kast. Tot op de naad versleten, maar ik krijg het
niet over mijn hart ze weg te gooien.

11
// de drie kenmerken van een politicus // functioneel ijdel
Die campagne was de leerzaamste ooit. Direct contact met
de mensen, luisteren naar hun problemen of ze met eigen
ogen vaststellen. Achter iedere gevel schuilt een verhaal en
wanneer de deur opengaat, wordt een tipje van die sluier
opgelicht. Soms gaat het goed, soms heel slecht. Soms wordt
je gebaar geapprecieerd, soms moet je het als politicus ont-
gelden. In ieder geval, die huisbezoeken zijn mij dierbaar.
Het drukt je met de neus op de feiten. Het echte leven, in
al zijn variaties. De concrete problemen waarmee mensen
worstelen en waarop ze van jou een antwoord willen. Uit de
campagne van 1995 zijn onze “Rode Lopers” gegroeid. Iedere
maand ga ik samen met de Brugse sp.a in een bepaalde
buurt huisbezoeken doen. Geen eenmalige verkiezingsstunt
dus – de kritiek als zouden politici zich enkel laten zien als
het verkiezingen zijn, gaat niet voor iedereen op – maar een
voortdurende actie.

Ondertussen zijn we 20 jaar en 12 campagnes verder.


Maar politiek is meer dan campagne voeren. Het andere
kenmerk van een politicus is dienstbetoon. Al is dat minder
uitgesproken en anders dan vroeger. Het blijft bestaan.
Dat hoort ook zo. Politicus ben je 24 uur op 24, alle dagen
van het jaar en niet alleen als er stemmen moeten worden
geronseld. Politiek, dat was – volgens mijn ouders althans –
verkiezingen en zitdagen.

12
// de drie
// dekenmerken
drie kenmerken
van een
van
politicus
een politicus
// toevalsklaar
// dienstbaar
Zelfs als student werd ik geconfronteerd met politiek
dienstbetoon. In Leuven had Tobback destijds dé methode
gevonden om de jongeren van de katholieke universiteit
aan te trekken. Onder de naam Actueel Socialisme (ACSO)
organiseerde hij open vergaderingen waar studenten en
assistenten, zoals Frank Vandenbroucke, terechtkonden om
met ministers, Wetstraatjournalisten of hemzelf te discussi-
ëren. Vooral het laatste eigenlijk. Bij iedere bijeenkomst zat
Louis Tobback vooraan. Hij zat er altijd pakken brieven te
tekenen. Indrukwekkend vond ik dat. En toch slaagde hij er
altijd wel in om de spreker met een gevat antwoord te hulp
te komen wanneer deze door een lastige student al te zeer
in het nauw werd gedreven. Wat waren die brieven en naar
wie verstuurde hij die? Het zal wel dienstbetoon zijn, dacht
ik. Tobback geneerde er zich niet voor, ook niet in aanwe-
zigheid van die idealistische studenten en assistenten. Dat
bleek ook niet nodig. Aan de toog ving ik bij toeval een
gesprek op van een assistent filosofie die het eerder op de
avond had gehad over ideologie enzovoort. Tussen twee pint-
jes door vroeg hij aan iemand die kennelijk op een kabinet
werkte of deze zou kunnen zorgen voor een snellere tele-
foonaansluiting. Zonder verpinken, van geen van beiden,
werd naam en adres genoteerd en een belofte geformuleerd.
Zo’n dienstbetoon was normaal, het maakte deel uit van het
systeem.

Voor mijn vader was het dan ook niet meer dan logisch dat
ik na mijn studies even langsging bij een plaatselijk politi-
cus om ‘mijn legerdienst te regelen’. De toenmalige Ieperse
volksvertegenwoordiger van de CVP had de reputatie daarin
gespecialiseerd te zijn. Hij kon zorgen voor een dichte
standplaats of misschien wel een vrijstelling. Ik weigerde.
Uit principe. Nochtans had ik er alle belang bij. Want geen
legerdienst betekende dat ik een jaar eerder zou kunnen
beginnen als advocaat. Maar ik wou bewijzen dat ik er ook
kon geraken zonder dienstbetoon, zonder voorspraak. Als
jonge jurist had ik zelf de dienstplichtwetgeving uitgeplo-
zen. Alles was wettelijk geregeld. Je had er helemaal geen
13
// de drie kenmerken van een politicus // dienstbaar
dienstbetoon voor nodig. Je moest alleen de wet kennen. En
daar knelt natuurlijk vaak het schoentje. Dienstbetoon leeft
ter gratie van het niet kennen van je rechten. Daarom had ik
tijdens mijn studies al contact gezocht met de Wetswinkel.
Deze was ontstaan na de opstanden in 1968 om de mensen
gratis op hun rechten te wijzen. Later als advocaat werkte
ik ook mee aan de Huurwinkel. Opvallend veel vragen van
mensen gaan immers over hun woonsituatie. Al begreep ik
niet goed waarom de Huurwinkel ook de kleine eigenaar niet
wou ondersteunen. In ieder geval, ik ben er uiteindelijk zelf
in geslaagd om een wettelijk voorziene sociale vrijstelling van
legerdienst te verwerven.

Maar later werd ik zelf ‘politieker’. Er werd van mij verwacht


dat ik “zitdagen” ging houden. Liefst in een café, of in het
huis van een plaatselijke politicus. Ze hadden voor mij een
maandelijkse ronde voorzien. Iedere week had ik wel ergens
in de rand van Brugge spreekuur. Er kwam geen kat, op één
of twee uitzonderingen na. Pas toen ik de enige volksverte-
genwoordiger van de Brugse SP werd, omdat de eerste op
onze lijst naar de VLD was overgelopen, kreeg ik volk over
de vloer. Aanvankelijk kreeg ik de hulp van een oudge-
diende uit de kabinetten. De oude kabinetsmedewerker die
mijn eerste dienstbetoondossiers verzorgde, moest wennen
aan de gedachte dat er in het onderwijs geen benoemingen
meer te regelen waren. De wereld was veranderd. Zoveel viel
er niet meer te benoemen. Niet in het onderwijs, want dat
was ondertussen geobjectiveerd. Nog even heb ik politieke
benoemingen in de magistratuur meegemaakt, maar ook
daar werd snel een einde aan gemaakt. De vraag naar een
tussenkomst in de toekenning van sociale woningen is sterk
gedaald toen onder Norbert De Batselier de rangregeling
wettelijk werd vastgelegd. Er valt steeds minder te regelen
en dat is maar goed ook. Als mensen werk komen vragen,
verwittig ik in eerste instantie de plaatselijke Werkwinkel.
Hebben ze problemen met hun huurhuis, dan is de Huur-
winkel het beste adres. Omdat ze daar beter gediend worden
dan ik ooit zou kunnen doen. Toch betekent het niet dat je
14
// de drie kenmerken van een politicus // dienstbaar
de mensen helemaal niet meer kunt helpen. Integendeel.
Meer dan ooit lopen mensen verloren in een kluwen van
rechten, plichten en duizend en één verschillende instan-
ties. Vaak zijn mensen ten einde raad en weten ze niet
meer waar naartoe. Als politicus kun je hen een luisterend
oor bieden, vertellen welke rechten ze hebben, hen de weg
wijzen naar de juiste instanties.

Het dienstbetoon van vroeger bestaat niet meer. Een


moderne versie blijft wel nodig. Want geloof me, soms zie
je echte miserie. Mensen met schulden, in pijnlijke echt-
scheidingsprocedures, die geen woning meer kunnen huren,
langdurig zieken… Soms grote problemen, soms kleine.
Stemmen win je daar niet mee. Ook die tijd lijkt meer en
meer voorbij. Het komt niet zelden voor dat we, wanneer we
op huisbezoek gaan bij iemand die we ooit hebben kunnen
helpen, een affiche van een andere partij aan het raam zien
hangen. Je moet jezelf ook geen blaasjes wijs maken. Soms
ben je al de vierde politicus of de vierde partij in het rijtje
waar men is gaan aankloppen. Toch blijft het de moeite
waard. Het blijft belangrijk om de mensen te helpen die
nergens anders terechtkunnen. En om daar als politicus ook
lessen uit te trekken.

In feite zijn we in Vlaanderen al sterk geëvolueerd in de


richting van de Noord-Europese landen waar politiek dienst-
betoon veel minder voorkomt. Hoe meer er geobjectiveerd is,
hoe meer sociale voorzieningen, hoe minder dienstbetoon er
bestaat. En eigenlijk is dit een goed teken. Voor de vrijstelling
van mijn legerdienst hoefde ik uiteindelijk niet langs bij de
plaatselijke politicus. De – overigens socialistische – regels
bestonden. Ze kennen en toepassen volstond.

Er blijven nog genoeg problemen over waar je wel een rol


kunt spelen. Denk maar aan de hulp die je kunt bieden
bij het invullen van belastingaangiftes of het berekenen
van pensioenen. Denk maar aan de hoge energie- of
telefoonfacturen. Vaak weten consumenten niet wat hun
15
// de drie kenmerken van een politicus // dienstbaar
rechten zijn en daar maken energieleveranciers of
telecomoperatoren handig gebruik van.

Het is dus aan de nieuwe politici om de mensen hierin


bij te staan. Ik ben dan ook trots op een aantal collectieve
acties die we op poten hebben gezet. Zoals Eerste Hulp Bij
Facturen, waarbij Simon Bekaert, sp.a-fractieleider in Tielt,
en ikzelf mensen helpen om hun facturen beter te begrij-
pen en hen te wijzen op de mogelijkheden die ze hebben
om ze te contesteren of om van contract te veranderen. Of
de groepsaankopen voor elektriciteit, gas, zonnepanelen en
dakisolatie die ik samen met schepen Annick Lambrecht
en daarna ook met Frank Vandevoorde, heb georganiseerd,
waardoor we de prijs aanzienlijk hebben kunnen drukken.
Ondertussen nemen de provinciebesturen dit sp.a-initiatief
gretig over. En terecht.

Ondanks de grote regels zal “het kleine helpen” altijd


belangrijk blijven. Geen enkel systeem is onfeilbaar of
heeft geen bijsturing nodig. De concrete problemen van
de mensen kunnen je met de neus op de feiten druk-
ken, inspiratie geven. Ze maken je duidelijk wat er moet
veranderen. “In de politiek gaan” blijft dus belangrijk. Niet
alleen om mensen te helpen die het zelf niet meer kunnen,
maar ook om op hoger niveau de nodige zaken aan te pak-
ken, te reglementeren. Op naar het parlement.

16
// de drie kenmerken van een politicus // dienstbaar
In iedere politieke inleiding
over België leer je dat we een
democratische rechtstaat zijn.
Dit betekent dat de macht niet in
handen is van één man, zeg maar
de koning, maar verdeeld is over
drie instanties. Er is niet één macht,
er zijn er drie: de wetgevende, de
uitvoerende en de rechterlijke macht.
Anders uitgedrukt: parlement,
regering en gerecht. Het toeval of
geluk wil dat ik die drie werelden
van binnenuit heb meegemaakt.
Over het gerecht schreef ik eerder al
drie boeken. Hier deel ik graag mijn
impressies als parlementair en als
minister.

17
// de brusselse
// de driepolitiek
kenmerken
// parlementair
van een politicus // toevalsklaar
Toen er eind 2007, na zes maanden van moeilijke onder-
handelingen, eindelijk een nieuwe regering was gevormd,
wandelde de kersverse minister van Landsverdediging met
mij de zaal uit. Ik wenste hem proficiat. Hij daarentegen
meende mij te moeten troosten met de gedachte “dat het
voor hem ook ooit gedaan zou zijn”. Ik kon eerst niet volgen.
In feite bedoelde hij dat “hij kon begrijpen dat dit wel de
zwaarste tegenslag uit mijn leven moest zijn”. Zo had ik er
op dat moment nog niet over nagedacht. Ik ben er immers
altijd al van uitgegaan dat het ministerschap iets tijdelijks
was.

Ik ben in de politiek gestapt omdat ik parlementair wou


worden. Minister zijn was een tijdelijke promotie. Een
fantastische ervaring, maar mijn hart ligt bij het parlement.
Het sluit het best aan bij mijn andere passie: advocaat zijn.
Beiden gaan in essentie over één ding: het verdedigen van
mensen. Als advocaat verdedig je de kleine man tegen de
grote machine die het gerecht kan zijn. Als parlementair
verdedig je niet één man maar alle mensen. Daar gaat het
bij mij toch altijd om. De hoedanigheid waarin ik het kan
doen is van geen belang, zolang ik het maar kan doen.

Al helpt het natuurlijk wel als je minister bent. Hoe je het


ook draait of keert, als minister kun je meer verwezenlijken.
Je kunt duidelijk je stempel drukken op het beleid en wetten
doordrukken. Je hebt een ganse ploeg en een administratie
ter beschikking die kan uitvoeren wat je anders in je eentje
dient te realiseren. Dat betekent evenwel niet dat je als
parlementair niets kunt doen. Integendeel. Als volksverte-
genwoordiger heb je evengoed middelen in handen om er
iets van te maken. Zo ben ik blij om als parlementair aan de
basis te hebben gelegen van goede wetgeving.

Ik denk met genoegen terug aan het Duinendecreet. Tijdens


mijn eerste vier jaar in het parlement had ik nog een dubbel
petje. Weinig mensen weten nog dat tot 1995 iedere volks-
vertegenwoordiger de ene week lid was van het Belgisch
18
// de brusselse politiek // parlementair
Parlement en de andere week van de Vlaamse Raad. Het is
in die periode dat we de duinen hebben beschermd, onder
het motto “een duin is meer dan een hoop zand”. Het was
het parlement dat de minister ertoe heeft gedwongen werk
te maken van een beschermingszone aan de kust.

Als lid van de Kamercommissie Justitie nam ik ook deel aan


een studiereis naar Amerika. We bezochten er verschillende
gevangenissen. Tien dagen lang hadden we intensief contact
met verschillende collega’s van verschillende strekkingen
en talen. Met resultaat. Want dankzij de toen zorgvuldige
opgebouwde relaties hebben we nadien mooie wetten
kunnen maken. Denk maar aan de wet rond stalking, een
wetsvoorstel waarvoor mijn SP-collega Ronny Cuyt zwaar
had gelobbyd. Ook de wettelijke regeling voor samenwo-
nenden dateert uit die tijd. De regering kon toekijken, we
deden alles zelf. En op diverse terreinen. Van rechten voor
kleine aandeelhouders, over hogere eisen om notaris te
worden, tot een beter tuchtrecht voor magistraten. Ook de
politiehervorming was een initiatief van het parlement. De
parlementaire onderzoekscommissie Dutroux had de druk
opgevoerd. De regering moest wel volgen. Als parlements-
lid kun je wel degelijk je stempel drukken op het beleid. Je
hoeft je niet te beperken tot het louter stemmen van wat de
regering je voorschotelt. Al moet je je dan wel de rituelen,
spelregels en gebruiken eigen maken. In België betekent
het vooral leren vergaderen.

Vergaderen, vergaderen, vergaderen.

Mijn eerste stappen in het parlement deden mij denken aan


mijn eerste stappen in de rechtbank. Dat is ondertussen
geleden van 1982. Toen ging een vreemde wereld voor mij
open. De rechtbank bevond zich waar nu de stadsadminis-
tratie gevestigd is. Veel plaats was er niet. Het wemelde er
van de zwartrokken, advocaten in toga. Ze stonden te wach-
ten tot hun zaak voorkwam. Alle zaken werden immers
om negen uur opgeroepen maar soms pas om half twaalf
19
// de brusselse politiek // parlementair
behandeld. De drukst bezette advocaat liep met een zware
boekentas van de ene zaal naar de andere. Voor de rechter
werd er zwaar gediscussieerd, in de wandelgang vriendelijk
gekeuveld. Voor een buitenstaander lijken dit vreemde ritue-
len, maar na een paar jaar kijkt niemand er nog van op.

Terug naar de nieuwe wereld van eind 1991. Naar mijn eer-
ste stappen in het parlement en mijn eerste confrontatie met
de daar gangbare rituelen. Op de rechtbank word je rond-
geleid door je stagemeester. In het parlement ben je vooral
op jezelf aangewezen. Je wordt wel een beetje geholpen
maar niet veel. Leren doe je er vooral door rond te kijken.
Sommigen doen eerst ervaring op in de gemeenteraad of
de provincieraad. Voor mij was het direct het parlement. En
onmiddellijk met de nodige media-aandacht. Vier camera’s
schoten beelden van de eerste intrede in een commissie. Ze
waren er niet voor mij, wel omwille van de discussie omtrent
de pas verkozen gevangene, Jean-Pierre Van Rossem.

Eén van de vele charmes van het Belgisch Parlement is de


tweetaligheid. Overal is er vertaling voorzien. Meestal zijn
het de Franstaligen die er gebruik van maken. Nederlandsta-
ligen spreken meestal in het Nederlands maar luisteren wel
naar het Frans. Permanent vertalen heeft zo zijn gevolgen.
Een mop of een reactie komt met wat vertraging. Als iemand
een mop vertelt, lachen altijd eerst de collega’s van dezelfde
taalrol en later pas de anderen. Wanneer een commissie
nood heeft aan deskundigen moeten er altijd onmiddel-
lijk twee worden aangesteld, een Nederlandstalige en een
Franstalige. Soms zelfs vier, want we moeten uiteraard
rekening houden met het historische onderscheid tussen
‘vrijzinnigen’ en ‘katholieken’. Terug naar de vertaling.
Nog een neveneffect van de tweetaligheid is dat er tijdens
een vergadering doorgaans niet gewoon met elkaar wordt
gesproken. Iedereen houdt een speech, de ene al wat langer
dan de andere. Echt erg wordt het wanneer een parlemen-
tair een tekst voorleest die een medewerker voor hem heeft
voorbereid. En niet zelden wordt er meer gesproken over
20
// de brusselse politiek // parlementair
de procedure om het voorstel te behandelen dan over het
voorstel zelf.

De meest ervaren parlementairen maken een korte voorbe-


reiding van hun tussenkomst. Ik doe dit altijd in een klein
notitieboekje dat ik altijd en overal bij me heb. Samen met de
vele andere opmerkingen en ideeën die ik er in neerschrijf,
helpen deze tussenkomsten vooral om te onthouden en te
voorzien. Mijn collectief geheugen omvat ondertussen al
een veertigtal boekjes in alle maten en gewichten. Ik vind er
notities in terug die me helpen te herinneren of verbanden
te leggen. Het blijft boeiend om standpunten van collega’s
maanden later na te lezen. Raar hoe meningen na verloop
van tijd kunnen veranderen. Je plaatst ze best in hun his-
torische context. Door notities bij te houden heb ik geleerd
niet alleen de vraag te stellen waarom iemand zus of zo zegt,
maar vooral waarom hij dat op dat moment doet. Voor mij
zijn deze boekjes onmisbaar om tot een politiek akkoord te
komen. Want dat is toch de grootste doelstelling van een
politicus: dingen realiseren. En om dat te doen moet je tot
een akkoord kunnen komen, de ander begrijpen en gemeen-
schappelijke raakvlakken zoeken.

Compromissen en akkoorden worden eerst in de commissies


gemaakt. Iedere tekst wordt eerst in de commissie behan-
deld, pas daarna in de plenaire vergadering waar alle leden
van de Kamer aanwezig zijn. In het halfrond – zo noemt de
plenaire zaal – heeft iedereen een plaats met naambord. Om
de stemming beter te controleren. Ook in een commissiezaal
gaat men ‘spontaan’ bij de partijcollega’s zitten. Zelfs in de
koffiezaal is er een soort informele indeling. Iedere partij
heeft er een hoek of tafel. De ruimte is echter steeds min-
der in verhouding met de grootte van de partijen. De drie
traditionele partijen hebben veel plaats. Maar ook hier duwen
de nieuwe partijen de andere geleidelijk in een hoekje. In de
koffiekamer is er voer voor menig sociologische studie. Nu
zie je veel partijleden bij andere partijen keuvelen. Alsof ook
hier het veranderen van partij al lang geen probleem meer is.
21
// de brusselse politiek // parlementair
In het parlement werk je inderdaad in groep. Iedere donder-
dagvoormiddag vergaderen de parlementairen per partij.
In deze fractievergadering wordt de plenaire zitting van de
donderdagnamiddag voorbereid en wordt er overlegd wat
iedereen de afgelopen week in zijn commissie heeft gedaan
of de volgende week zinnens is te doen. Ieder parlementslid
volgt voor zijn partij immers een thema op. Het is dus druk
op donderdag in het parlementsgebouw. De andere dagen
daarentegen kunnen best eenzaam zijn. Niet dat je niemand
ziet, wel omdat je dan meer op jezelf bent aangewezen om
je job in te vullen. Er is niemand die zegt hoeveel uren je
moet werken. Niemand tenzij de kiezer op verkiezingsdag.
Als parlementair ben je als het ware een kleine zelfstandige.

“Nu zijt ge onschendbaar.”

Dat zei mijn vader toen ik verkozen werd. Hij was iemand
die vaak op de baan was en veel snelheidsovertredingen
opliep. Hij was altijd gehaast. Hij ging ervan uit dat zijn
zoon van boetes geen last meer zou hebben nu hij een
P-nummerplaat had. Niets was minder waar, probeerde
ik hem uit te leggen. Eigenlijk kregen parlementariërs
hogere boetes omdat ze, net zoals rechters, een voorbeeld-
functie moesten vervullen. Het was wel zo dat de politie
meer papierwerk had als een parlementair op de bon werd
gezet. Voor parlementairen geldt er een bijzonder regime.
Je geniet een zekere onschendbaarheid. Alleen betekent
het niet wat vele mensen denken dat het is. Ook als je met
een P-nummerplaat rijdt, moet je boetes betalen. Met die
P-nummerplaat heb ik overigens maar één week rondge-
reden. Ik kreeg te veel opmerkingen. Andere bestuurders
flikkerden met hun lichten en claxonneerden bij iedere
beweging die ook maar enigszins op een verkeersovertre-
ding leek. Vooral na de verkiezingen van november 1991
was het erg. Nu zal het allicht beter meevallen. In ieder
geval, ik doe het niet meer. Als voetganger blijf ik ook altijd
voor het rood licht staan. In Brussel sta ik daar vaak alleen
te wachten op groen licht terwijl alle andere voetgangers
22
// de brusselse politiek // parlementair
rustig oversteken. “Ah, je stopt toch voor het rood licht”,
kreeg ik ooit te horen. Als politicus moet je voorbeeldig zijn.
Mensen letten daar ook echt op. Terecht. Iedereen moet zich
aan de wet houden. Ook de wetgever.

De nar van de koning.

Bij het ontstaan van onze parlementaire democratie in de


negentiende eeuw, was ervoor gezorgd dat wie verkozen
werd tot Kamerlid of senator onschendbaarheid kreeg. Dit
betekende dat het gerecht hen niet kon vervolgen zodat ze
hun taak als wetgever en controleur van de uitvoerende
macht ongehinderd konden uitoefenen. Het betekende
ook dat parlementairen niet op hun parlementaire wedde
werden belast want dan zouden fiscale controleurs hen in
opdracht van de regering kunnen lastigvallen. Dat is nu niet
meer denkbaar. Die regels dateren uit een tijd waarin de
koning zijn volk via belastingen of via de rechtbank aan zijn
wil probeerde te onderwerpen.

In 1991 waren we toch al twee eeuwen verwijderd van zo’n


koninkrijk. Regels die er toen ooit met reden waren geko-
men, bleken bijna tweehonderd jaar later de oorzaak van te
veel misbruiken. Rechters, procureurs en controleurs waren
al lang geen dienstknechten van de koning meer. Het was
deze keer niet de koning die de regels aan zijn laars lapte,
wel de verkozenen van het volk zelf. De democratie was
zodanig vergleden dat iemand als Van Rossem bij wijze van
spreken een grap met de democratie kon uithalen.

Wijlen Frank Van Acker zei me dat hij de doorbraak van


het Vlaams Blok – 24 november 1991 werd Zwarte Zondag
genoemd – uiteindelijk minder erg vond dan de kleine
doorbraak van de lijst Van Rossem. Volgens hem zou er
in Vlaanderen altijd een groep mensen zijn die vanuit de
Vlaamse gedachte opteerde voor een radicale afkeer van
België. Al bij al blijft dit een politieke keuze. Waar Van
Rossem voor stond, vond hij pas echt ondermijnend. Het
23
// de brusselse politiek // parlementair
signaal dat Van Rossem wilde geven was dat het eigenlijk
niets uitmaakte, dat politiek iets triviaals, iets onbelangrijks
was. Het schokte Van Acker dat iemand met zo’n onverant-
woordelijke faam als Van Rossem in het parlement zot kon
komen doen. Jarenlang was er voor het kiesrecht gevochten,
nu werd er mee gespeeld.

Met de komst van Van Rossem kwam er in ieder geval ook


een extra uitdaging bij. Wat moest men aanvangen met
iemand die ‘onschendbaar’ werd terwijl hij nog in voorhech-
tenis opgesloten zat in de gevangenis. Qua kaakslag aan de
politiek kon het wel tellen. De boodschap van de burger was
duidelijk: aangezien alle politici oplichters zijn, waarom dan
niet onmiddellijk kiezen voor een oplichter? Op het moment
dat Van Rossem verkozen werd, liep er een gerechtelijk
onderzoek naar zijn beleggingen. Zijn zogenaamde “money-
tron” bleek een groots opgezet, ordinair oplichtingssysteem
waarvan vooral zeer rijke burgers met veel zwart geld slacht-
offer waren geworden. Ook ‘serieuze’ mensen en bedrijven
hadden hem geld toevertrouwd. Deftige heren hadden hem
een deftig aureool gegeven. Plots stortte het kaartenhuis in
elkaar. Van Rossem kon het geld niet meer terugstorten.
Ondertussen was hij er wel in geslaagd om, drijvend op zijn
publiek succes, een nieuwe partij op te richten. Of beter
gezegd, zijn naam stond voor een eigen partij.

Het parlement gaf Van Rossem uiteindelijk groen licht.


Maar deze zaak was nog maar een voorproefje, zo zou
later blijken. Het feit dat mensen hadden gekozen voor een
vermeende oplichter wees ook op het feit dat men niet hoog
opliep met politici. Er was ook wel iets voor te zeggen. Er
was een sluipend gif in de politieke moraal gekropen. En
dat gif was geld.

Jarenlang waren politieke campagnes gevoerd die steeds


meer geld kostten. Geld dat politieke partijen niet hadden.
Voor de financiering werd daarom naar rijke mensen en
grote bedrijven gekeken die wel wilden geven om daarna
24
// de brusselse politiek // parlementair
ook te krijgen. Gegoede personen gaven geld aan partijen
die ze graag aan de macht wilden hebben, omdat ze een
beleid zouden voeren dat hen genegen was. Maar de ver-
leiding werd groot om geld te geven in ruil voor concrete
dossiers. In ruil voor bestellingen, van helikopters bijvoor-
beeld.

Ministers vervolgd.

In juli 1991 werd politiek kopstuk André Cools vermoord.


Onderzoeksrechter Ancia vond niet onmiddellijk de moorde-
naars maar ontdekte wel een vreemde partijfinanciering. De
werking van de kabinetten werd onder de loep genomen. Al
snel werd de link gelegd tussen allerlei gunsten en donaties
van bepaalde bedrijven en bestellingen door de overheid
bij diezelfde bedrijven. De onschendbaarheid van bepaalde
ministers kwam ter discussie te staan. Om deze op te heffen
was de procedure nog zwaarder dan bij een gewone parle-
mentair. Hiervoor moest een bijzondere commissie worden
opgericht die het eerste onderzoek voerde. Ministers werden
onder veel media-aandacht opgeroepen om achter gesloten
deuren uitleg te geven. Daarna volgde nog een debat over
de onschendbaarheid voor het ganse parlement. Onterecht
werd de indruk gewekt dat een minister daar reeds voor
de rechtbank moest verschijnen. Dat daar zijn proces werd
gemaakt, terwijl het in essentie enkel ging over de vraag of
zijn onschendbaarheid al dan niet moest worden opgeheven.
In ieder geval, voor het grote publiek waren die politici al
veroordeeld.

Aangezien ik strafpleiter was, werd ik door mijn partij


aangeduid als één van de twee leden die de SP voor die
commissies kon afvaardigen. Vanaf januari 1994 ben ik van
dichtbij getuige geweest van een tiental dergelijke “vervol-
gingscommissies”. Wellicht heb ik de twijfelachtige eer de
parlementair te zijn met de meeste vervolgingscommissies
op zijn teller. Het waren stuk voor stuk spannende momen-
ten. Collega’s moesten plots over andere collega’s oordelen,
25
// de brusselse politiek // parlementair
en dat oordeel had verstrekkende gevolgen. Ieder woord
in deze beslissingen was belangrijk. Want woorden zetten
de toon. De dossiers waren vertrouwelijk en de journalis-
ten waren op jacht. Sommigen, zoals Johny Vansevenant
van de VRT-radio, waren specialist in het ‘ontdekken’ van
de inhoud van een dossier en van vergaderingen achter
gesloten deuren. Toen ik ‘s nachts vanuit Brussel vertrok,
hoorde ik op de radio dat er nog niets bekend was, maar
toen ik Brugge binnenreed, hoorde ik op dezelfde radio een
nauwkeurig verslag van hetgeen tijdens de vergadering was
gezegd. Later zou blijken dat dit nog maar een voorsmaakje
was van wat later de gangbare manier van werken zou wor-
den: vergaderen en beslissen voor het oog van de camera.
Tegenwoordig volgen mensen de debatten rechtstreeks op tv
of via het internet. Het gebeurt dat ik middenin een verga-
dering per mail een tip of een opmerking krijg over iets wat
ik vijf minuten eerder heb gezegd.

In ieder geval, niemand durfde midden de jaren negentig


van vorige eeuw nog te ontkennen dat de spelregels van de
politiek dringend aan herziening toe waren. Jaren voordien
hadden figuren als Luc D’hoore en Frank Vandenbrou-
cke erop aangedrongen werk te maken van een wettelijke
regeling voor de financiering van politieke partijen en
politieke campagnes. De vele commissies die ministers en
parlementairen naar de strafrechtbank moesten verwijzen,
overtuigden het parlement dat het zo niet verder kon.

Nieuwe spelregels.

In de eerste plaats was het voor iedereen duidelijk dat


zoiets als een parlementaire onschendbaarheid niet langer
houdbaar was. Die zogenaamde onschendbaarheid was tot
een grote schendbaarheid verworden. Alles eerst in stilte
onderzoeken was niet mogelijk. Het volstond dat iemand
een eenvoudige klacht indiende opdat de zware procedure
in het parlement werd opgestart. Sinds de hervorming kan
het gerecht nu eerst een onderzoek voeren en enkel op
26
// de brusselse politiek // parlementair
het einde moet het parlement oordelen of de betrokkene
naar een rechtbank moet worden verwezen dan wel of er
sprake is van politieke sabotage van de geviseerde politicus.
Het blijft wel zo dat wanneer een politicus voor een zware
overtreding naar de politierechtbank moet, de procureur-
generaal eerst toelating vraagt aan de Kamer. De praktijk
leert dat de toelating meestal vlot wordt verleend, zonder
veel omhaal en zonder gevaar op publieke veroordeling. En
ondertussen worden volksvertegenwoordigers ook fiscaal
gecontroleerd. Vele parlementairen kunnen getuigen dat de
fiscale controle grondig gebeurt.

Wat wel eigenaardig is, is dat het systeem waarbij partijen


via de overheid worden gefinancierd nu heel wat kritiek
krijgt te verduren terwijl het na 1995 werd ingevoerd om
corruptie geen kans te geven. Vandaag lijkt men moeilijk
te aanvaarden dat partijen ‘leven’ van belastinggeld. De
waarheid is dat die subsidiering werd ingevoerd om te
vermijden dat partijen en politici afhankelijk zouden zijn
van privéfinanciering. Er moest worden voorkomen dat
politieke partijen enkel bij de gratie van grote bedrijven of
rijke mensen campagne konden voeren en makkelijk ten
prooi vielen aan omkoping. De giften van personen moeten
worden aangegeven en zijn beperkt in bedrag. Als vandaag
blijkt dat een bedrijf een partij geld heeft toegestopt dan is
dat strafbaar. Corruptie hoeft in deze niet meer te worden
bewezen. Het feit dat er geld is gegeven volstaat. Ook aan de
uitgavenzijde werd ingegrepen. Per verkiezing, per persoon
is bepaald hoeveel geld mag worden besteed. Het motief
om zich te laten omkopen is bij deze helemaal verdwenen.
Transparantie is het codewoord.

Parlementaire controle.

Ik ben lid geworden van de wetgevende macht maar heb in


die functie vooral mijn wantrouwen tegen macht kunnen
botvieren. De vele onderzoekscommissies waarvan ik lid
ben geweest, vormen voor mij het absolute hoogtepunt van
27
// de brusselse politiek // parlementair
mijn parlementaire carrière. De eerste was de commissie
Mensenhandel die het bestaan van circuits van mensen-
handel in België blootlegde. Op basis hiervan hebben we
de strafwetgeving over mensenhandel kunnen opstellen en
sindsdien is de bestrijding van mensenhandel een absolute
prioriteit gebleven. Daarna volgden de tweede onderzoeks-
commissie Bende van Nijvel en de commissie Dutroux. Van
beide onderzoekscommissies was ik verslaggever. Vooral de
ervaring als lid van de onderzoekscommissie Dutroux heeft
een diepe indruk achtergelaten. In deze commissie werden
de eerste contouren getekend van wat uiteindelijk in een
diepgaande politiehervorming zou resulteren. De vroegere
lokale politie, rijkswacht en gerechtelijke politie maken
vandaag deel uit van één structuur. Zonder de druk van de
publieke opinie, zonder de druk van de commissie Dutroux
zou dit nooit gelukt zijn. Het enige spijtige aan de zaak is
dat we de hervorming van het gerecht niet in dezelfde mate
hebben kunnen doordrukken. Justitie blijft daarom nog
altijd de zwakke schakel van de veiligheidsketen.

Ook de onderzoekscommissie Fraude botste op de grenzen


van ons verouderd gerechtelijk apparaat. Er valt te vrezen
dat ook de aanbevelingen van deze commissie zullen wor-
den uitgevoerd tot op het moment dat aan het gerecht wordt
geraakt. Van zodra bij justitie wordt aangeklopt, botst de
politiek op een muur. In de zogenaamde Fortis-affaire werd
het conflict tussen justitie en politiek andermaal pijnlijk
geïllustreerd. Waar niet omheen kon worden gekeken,
was dat er vanuit regeringskringen, via procureurs die op
de verschillende kabinetten werkten, minstens verdachte
contacten waren geweest met collega-procureurs en -rech-
ters die de Fortis-zaak moesten beslechten. De regering was
betrokken partij en legde contacten die het verloop van de
zaak konden beïnvloeden. Rechters aanvaardden dit niet.
Andermaal was er een conflict tussen gerecht en politiek.
De nood aan modernisering van een onafhankelijk gerecht
werd zo nog maar eens duidelijk.

28
// de brusselse politiek // parlementair
Onderzoekscommissies of bijzondere commissies blijven
interessante instrumenten om een bepaalde maatschap-
pelijke toestand aan de kaak te stellen, de oorzaak ervan
te achterhalen en er vooral de nodige lessen uit te trekken.
De bijzondere commissie Seksueel Misbruik binnen de
katholieke kerk had de verdienste het probleem van seksu-
eel misbruik binnen instellingen waar gezag uitgeoefend
wordt, te erkennen en de nodige inzichten te leveren om dit
misbruik beter te bestrijden. Voor slachtoffers van verjaarde
feiten is er – onder druk en controle van de commissie –
een arbitragesysteem opgericht. Er wordt niet meer smalend
gelachen met uitspraken als “kom eens naar mijn kamer”.
Integendeel.

Parlementaire onderzoekscommissies zijn voor mij de


politiek zoals ik die het liefst beoefen. Deze commissiewerk-
zaamheden sluiten naadloos aan bij mijn wantrouwen tegen
alle vormen van machtsmisbruik. Het is die verontwaardi-
ging die mij al twintig jaar drijft. Al moet ik toegeven dat
ook ik niet afkerig sta tegenover macht. Macht geeft je de
instrumenten die je nodig hebt om zaken door te drukken,
projecten te realiseren. Als minister heb ik geprobeerd die
macht goed te gebruiken.

De eedaflegging is om drie uur.

29
// de driepolitiek
// de brusselse kenmerken van een politicus // toevalsklaar
// minister
“De eedaflegging is om drie uur.”

Dit was zowat de enige uitleg die ik kreeg toen ik Vlaams


minister werd. In het Vlaams Parlement was alles nieuw
voor me. Ik was er nog nooit geweest. Ook niet bij de
opening. Ik ben geen fan van openingen of plechtigheden.
Naar plechtigheden ga ik enkel als spreker of om een lint
door te knippen.

Het oude – sorry – Belgisch Parlement, dát was mijn ver-


trouwde terrein. De jaren voordien had ik er ettelijke uren
doorgebracht, nooit in het gebouw ernaast waar het Vlaams
Parlement zetelde. In 1999 was ik pas opnieuw verkozen als
Belgisch Kamerlid. Ik was zelfs de nieuwe fractieleider. Voor
één week. Daarna werd ik ‘plots’ minister in Vlaanderen.

Ondertussen was het Vlaams Parlement een andere wereld


geworden. Tot 1995 was het zo dat iedere parlementair
om de week Vlaams parlementair was. Alles gebeurde in
hetzelfde gebouw. De ene week vormden we het Belgisch
Parlement, de andere week het Vlaams Parlement. Een heel
schizofrene situatie. Daarom werd er in 1995 besloten om
hier een eind aan te maken: ofwel was je verkozen als Bel-
gisch parlementair, ofwel als Vlaams parlementair. Een jaar
later kreeg het Vlaams Parlement ook zijn eigen stek. Op 16
maart 1996 werd het nieuwe Vlaamse parlementsgebouw
plechtig geopend en vergaderde het Vlaams Parlement voor
het eerst in haar eigen halfrond.

In ieder geval, in dat nieuwe gebouw was ik – door


omstandigheden – nooit geweest. De zetels, de micro’s, de
meubels… alles was nieuw, moderner. Uiterlijk deed het
mij meer denken aan het Nederlandse parlement dan aan
het Belgische. Al snel zou blijken dat het ook inhoudelijk
eerder tegen de Nederlandse stijl aanleunde. Veel zakelijker.
Saaier, zouden sommigen zelfs durven zeggen. Het Vlaams
Parlement heeft veel meer dan het Belgisch Parlement
de neiging om alles te willen regelen, terwijl het Belgisch
30
// de brusselse politiek // minister
Parlement vaker het toneel is van bij momenten heftige
politieke debatten. Vlaanderen heeft meer dan het federale
niveau de drang om alles in detail, en bij voorkeur in een
wet, te regelen. Met als gevolg dat de politieke spankracht in
het Vlaams Parlement verdwenen is.

Was regeringsdeelname voor de SP in 1999 een verras-


sing, dan zeker voor mij. De verkiezingsnederlaag in 1999
was immers even groot als die in 2007. Zeer groot dus.
De SP zakte naar het niveau van een partij van 15 procent.
Gewoonlijk zou dat een oppositiekuur betekenen. Maar kort
na de verkiezingen werd snel duidelijk dat de oude CVP
(nu CD&V) een nog grotere nederlaag had geleden. Voor
het eerst was het mathematisch mogelijk om een regering
op poten te zetten zonder de CVP en haar zusterpartij in
Wallonië. Er was een nieuw momentum aangebroken. Een
nieuwe wind stak op. De liberalen, socialisten en ecolo-
gisten vonden elkaar op tal van punten. Een maand na de
verkiezingen was de paars-groene regering een feit.

Bij de samenstelling van de federale en de Vlaamse rege-


ring was er plots een plaatsje voor mij gereserveerd. Ik zou
minister worden in de Vlaamse regering. Een totale verras-
sing. Ik hield me immers vooral bezig met justitie, wat een
federale materie is. Luc Huyse, mijn voormalige professor
sociologie, had ooit gezegd dat parlementsleden die zich
door hun parlementaire werk wisten te onderscheiden,
meestal werden opgenomen in een regering. Zo voorspelde
hij in de krant wie van de leden van de onderzoekscommis-
sie Dutroux ooit nog minister zou worden. Nooit gedacht
dat het zo zou lopen, anderen dachten daar blijkbaar anders
over.

Op een zondagnamiddag werd ik – zittend in de dui-


nen – opgebeld. Of ik ’s avonds aanwezig kon zijn op een
bijzondere vergadering van de Vlaamse fractie. Aan hen
zou worden voorgesteld om mij en Steve Stevaert voor te
dragen als de Vlaamse ministers van de SP. Net voordat ik
31
// de brusselse politiek // minister
in Brussel uit de wagen stapte, hoorde ik nog in het nieuws
van eenentwintig uur een andere naam circuleren als
“bijna zeker SP-minister”. De politieke journalisten had-
den verkeerd gegokt. Het was toen al duidelijk dat de SP de
minister voor Werkgelegenheid en Toerisme zou leveren
en dat waren twee thema’s die helemaal niet aan mij deden
denken. Uiteraard was ik ontzettend blij met de aangeboden
kans. Dit zou ik niet laten liggen. Al moet ik toegeven dat
ik toch met enige spijt het vertrouwde terrein van justitie
verliet. Minister worden, het overvalt je. En veel tijd om te
bekomen is er niet. Pas dan begint de sneeuwbal echt te
rollen.

Een kabinet.

Na de eedaflegging in het Vlaams Parlement was er een


eerste regeringsvergadering in het officiële gebouw van de
Vlaamse regering op het Martelarenplein. Iedere minister
kreeg er drie dikke gele ringmappen met informatie over
zijn of haar statuut. Zoals alles is ook het bestaan van een
minister in Vlaanderen volledig gereglementeerd. Ken-
nelijk waren er drie ringmappen voor nodig. Ik sleurde
ze samen met mijn boekentas op de trein mee naar huis.
’s Anderdaags vernam ik dat er in het gebouw naast het
regeringsgebouw iemand op me zat te wachten om mij de
sleutels van de ministeriële wagen te bezorgen.

Nu moest ik enkel nog een chauffeur zien te vinden. Mijn


keuze was snel gemaakt. Tijdens de verkiezingscampagne
hadden we bij wijze van grap nog lopen fantaseren. Zoals
iedere campagne gingen we ook deze keer van huis tot huis.
Huisbezoeken kunnen lang duren, moet je weten. Het zijn
lange dagen en er wordt nogal wat afgelachen onderweg.
Zo hadden we lopen fantaseren hoe ik het als minister zou
doen. Met één van mijn meest actieve militanten, Johan
Derre, had ik toen eerder bij wijze van grap afgesproken
dat hij mijn chauffeur mocht zijn als ik ooit minister zou
worden. Groot was zijn verbazing toen ik enkele weken
32
// de brusselse politiek // minister
later effectief aan zijn deur stond met de vraag of hij echt
mijn chauffeur wou zijn. Het werd het begin van acht jaar
rondrijden in Vlaanderen. Het moet voor hem wellicht
eenzaam zijn geweest want veel praten deed ik niet. De auto
werd langzamerhand mijn belangrijkste kantoor. Er stonden
altijd dossiers op de zetel naast mij. In de wagen stappen
stond voor mij gelijk aan lezen en controleren van dossiers,
viseren en delegeren. Ik ben overal geweest maar nergens
ken ik de weg.

Een wagen met chauffeur, dat verliep vlot. Nu nog een


kabinet. Ook dat bleek niet erg moeilijk. De SP had al ver-
schillende keren de minister van Werk geleverd. Een oude
rot in het vak werd mijn kabinetschef. Fons Leroy, vandaag
gedelegeerd bestuurder van de VDAB was met mij aan zijn
zevende minister toe. Een kabinet is een dichte kring van
medewerkers die in naam van de minister de contacten
leggen met de buitenwereld, dossiers voorbereiden en je
adviseren. In zekere zin word je als minister door je mede-
werkers afgeschermd. Sommigen durven daarin nogal eens
te overdrijven. Zo herinner ik me dat ik niet van mijn eerste
receptie heb kunnen genieten omdat een medewerkster
me razendsnel door de zaal de auto in duwde. Ze dacht dat
bescherming en afscherming tot haar taak behoorde. Alsof
het gevaarlijk zou zijn een minister tussen de mensen te
laten komen. Ik heb haar dus moeten overtuigen dat een
minister ook maar een mens is. Een gewone mens. En mis-
schien overdreef ik een beetje in mijn nonchalance. Tijdens
een bezoek aan een collega-minister in Nederland, sprak
deze niet mij maar mijn chauffeur aan als minister.

We moeten er natuurlijk ook niet flauw over doen, minister


zijn is uiteraard niet niets. Als minister krijg je de hefbo-
men in handen om op het terrein ook effectief dingen te
veranderen. Ook voor je eigen streek. Ik ben blij als minister
van Werk en Toerisme op verschillende vlakken het verschil
te hebben kunnen maken. Maar minister zijn is per defini-
tie tijdelijk. En mijn ambtstermijn in de Vlaamse regering
33
// de brusselse politiek // minister
liep af in 2004. Daarna werd ik minister van Mobiliteit in
de federale regering.

Mobiliteit.

Het eerste wat me opviel bij mijn “terugkeer” naar het


Belgische niveau in 2004 was dat alles een beetje versleten
was. Het gebouw van de Wetstraat 16 was al jaren in herstel.
Het dak lekte. De nagelnieuwe ministerzaal zou ik nog net
één keer meemaken in 2007 omdat de volgende regering
maar niet samengesteld geraakte.

Als nieuwe minister van Mobiliteit kreeg ik meteen een


delicaat dossier op mijn bord: het zogenaamde Spreidings-
plan. Tot dan toe had ik het ingewikkelde dossier enkel op
afstand gevolgd. De onderhandelingen tussen de Belgische,
Brusselse en Vlaamse regering over het overvliegen van
vliegtuigen, en vooral het lawaai dat ze daar ‘s nachts bij
maken, beheersten al een tijdje de actualiteit. Mijn voor-
ganger Bert Anciaux had een nieuw vliegplan uitgewerkt,
het Spreidingsplan, maar de Franstaligen hadden zich daar
nooit echt bij neergelegd. Mijn taak: het plan handhaven,
zo niet nog verbeteren voor de Vlamingen in de Brusselse
rand. Ik heb er leren onderhandelen op het scherp van de
snee tussen Franstaligen, Franstalige Brusselaars, Neder-
landstaligen en Nederlandstalige Brusselaars. Het bleek
een voorsmaakje te zijn van de moeilijke communautaire
gesprekken van 2007 tot 2011. Het Spreidingsplan was als
het ware een laboratorium op microniveau voor wat later op
macroniveau tijdens de regeringsonderhandelingen naar
boven zou komen.

Gelukkig waren er ook nog andere dossiers. Alhoewel. Ook


hier kreeg ik een kwalijke erfenis: de hoge verkeersboetes.
Toch ben ik erin geslaagd deze te rationaliseren en enigs-
zins te beperken door een “gevaar-logica” in het systeem
te brengen. Hoe groter het gevaar, hoe hoger de boete, hoe
kleiner het gevaar, hoe lager de boete. Logisch toch. Maar
34
// de brusselse politiek // minister
het kwaad was al geschied. Wie een verkeersboete had
gekregen, zou niet meer op mij stemmen. Dat bekende een
oude schoolkameraad van me onlangs nog. Hij had niet
meer voor mij gestemd omdat hij een verkeersboete in de
bus had gekregen. Zucht.

Een beter gevoel heb ik overgehouden aan de algemene


invoering van zones 30 aan de schoolpoorten. Ook aan de
invoering van de verkeersveiligheidsbarometer. Het lijkt
haast niet te geloven, maar toen ik minister van Verkeer
werd, waren de meest recente ongevallencijfers al drie
jaar oud. Daar kon je toch geen beleid op baseren. Na
veel overleg met politie en parket kwamen we tot een snel
registratiesysteem dat ons toeliet te werken met de onge-
vallencijfers van twee maanden geleden. Op die manier
konden we korter op de bal spelen, alle evoluties op de voet
volgen, en onmiddellijk ingrijpen waar nodig.

Ik kreeg ook behoorlijk wat weerwerk van de sterke sector


van de autorijscholen. Vroeger waren mensen zo goed als
verplicht om langs de kassa van de rijschool te passeren om
een rijbewijs te behalen. Ik heb de regels omgedraaid. De
vrije begeleiding moest meer kansen krijgen. Uit alles bleek
dat hoe meer je kon oefenen, hoe beter je als chauffeur
presteerde. Daarom hebben we de oefentijd voor het rijexa-
men opgetrokken tot drie jaar. En het aantal personen dat
een leerling-bestuurder mag begeleiden werd vermeerderd.
Niet enkel vader of moeder maar iedereen die al acht jaar
een rijbewijs heeft. Wie toch een korte basisopleiding bij de
rijschool wou volgen alvorens aan het oefenen te slaan, kon
dat. Rijscholen werden verplicht om een minimumpakket
aan te bieden. Vandaag is de rijopleiding goedkoper. Ik ben
ervan overtuigd dat ze nog steeds even goed is, beter zelfs.

Vanaf 2006 kreeg ik er de bevoegdheid “Noordzee” bij.


Alles wat moest worden geregeld in Belgische wateren
behoorde voortaan eveneens tot mijn takenpakket. We
hebben gezorgd voor de eerste ruimtelijke ordening van
35
// de brusselse politiek // minister
de Noordzee met duidelijke zones voor scheepvaart, voor
natuurgebieden en voor windmolens. Ik ben bijzonder
blij dat we de reglementering voor schepen geschikt voor
estuaire vaart hebben kunnen aanpassen en zo eindelijk de
ontsluiting van de haven van Zeebrugge via kustvaart heb-
ben mogelijk gemaakt. Daarnaast hebben we het initiatief
genomen om het zeerecht te moderniseren. Een titanenwerk
van lange adem, maar o zo belangrijk voor de aantrekkelijk-
heid van België als zeenatie.

Niemand blijft minister.

Tijdens de Europese top zaten we met 27 ministers van


Mobiliteit aan de onderhandelingstafel. Na drie jaar was
ik één van de oudsten in dienst. Ik werd de ‘ancien’ van
de groep. Om maar te zeggen hoe snel en vergankelijk het
allemaal is. De carrières van ministers zijn kort, ook in het
buitenland. In korte tijd moet je je stempel zien te drukken
op het beleid. De administratie zorgt voor de continuïteit,
politici voor de – hopelijk – verfrissende, veranderende
beleidskeuzes.

Niemand blijft minister voor het leven, ook ik niet. Als je


eenmaal minister bent geweest, word je volgens een oude
gewoonte altijd als minister aangesproken. Een gewoonte
die amper wordt nageleefd. En dat is maar goed ook. De dag
dat je minister wordt, bereid je best de dag na je aftreden
voor. De tijd die je daartussen krijgt, gebruik je best zo goed
mogelijk.

Toegegeven, het is even slikken als je jouw opvolger-minister


een initiatief ziet openen dat je zelf nog op poten hebt gezet.
Het bezoekerscentrum beneden in het Brugse concertge-
bouw heb ik niet meer kunnen openen. Ik blijf trots dat ik
het met veel trekken en sleuren heb gerealiseerd. Zo is het
concertgebouw alweer een stukje betaalbaarder geworden
voor de Bruggeling. Van je eigen goed gevoel moet je het
hebben. Zeker als tegenstrevers de geschiedenis geweld aan-
36
// de brusselse politiek // minister
doen. Bij de beëindiging van de verbeteringswerken aan de
oude vismijnsite in Zeebrugge die ik als voormalig minister
van Toerisme nog had geforceerd, vond bestendig afgevaar-
digde Patrick Vangeluwe het zo grof dat hij van zijn eigen
speech een rechtzetting in mijn voordeel maakte.

37
// de drie kenmerken van een politicus // minister
In dit deel komen we dichter bij
huis. Als parlementair ben je veel
in Brussel. Als minister ben je
bezig in alle hoeken en kanten van
Vlaanderen. Als nationaal politicus
ben je veel buiten je eigen streek. Dit
wil echter niet zeggen dat je je streek
vergeet. Wat je in Brussel leert, kun
je in Brugge gebruiken. Er zijn niet
enkel de technieken, er is ook het
regionaal beleid. Een politicus is niet
veel thuis maar denkt toch veel aan
zijn streek. Dit deel handelt over het
luisteren naar mensen, het gepland
werken voor een regio en vooral over
samenwerken.

38
// de brugse politiek // van rode loper tot brugse bevraging
Zelfs in het parlement is het duidelijk dat iedere politi-
cus een sterke band heeft met zijn of haar gemeente. De
meeste collega-parlementairen zijn hun carrière gestart als
gemeenteraadslid om pas later parlementslid te worden.
Een gemeentelijk mandaat is dan ook de meest concrete,
meest directe en vaak ook meest dankbare manier om aan
politiek te doen. Nergens anders is de afstand tussen de
burger en de politiek zo klein, de problemen zo concreet en
de beslissingen zo snel zichtbaar.

Pas in oktober 1994 werd ik verkozen als gemeenteraadslid.


Onze lijsttrekker Fernand Bourdon, die in 1992 de overle-
den burgemeester Frank Van Acker had opgevolgd, voerde
een klassieke campagne. Het kwam neer op een rondgang
met de harmonie, een bijeenkomst waarop een promofilm-
pje werd gedraaid, een speech en enkele advertenties in de
krant. Dat was het. Niet meer dan dat. Individuele kandida-
ten konden wel nog kaartjes uitdelen of brieven schrijven
aan hun kennissen, meer werd er niet van verwacht. Meer
kon je ook niet doen. Zelf had ik gelukkig wat naambe-
kendheid gekregen door de campagne voor de Europese
verkiezingen zes maanden eerder. In ieder geval, mijn
verkiezingsuitslag in oktober 1994 was blijkbaar van die
aard om mij te vragen om schepen te worden. Toen wou ik
dat nog niet. Ik wou mij nog even volledig op Brussel con-
centreren en mijn stad daar verdedigen. Ik was wel blij dat
ik een plaatsje in de gemeenteraad kreeg. Zo voelde ik mij
dichter bij de mensen en kon ik beter inschatten wat voor
mijn eigen streek moest worden beslist in Brussel.

Ondertussen was duidelijk geworden dat campagne voeren


ook op een andere manier kon. Op een aantal andere plaat-
sen werden mensen niet meer opgeroepen om naar een
meeting te komen, men ging zelf naar de mensen toe. Van
deur tot deur. Ik was meteen verkocht. Het zou niet lang
duren vooraleer ik deze methode zelf kon uittesten want in
februari 1995 kondigde eerste minister Dehaene nieuwe
nationale verkiezingen aan. Voor die campagne kreeg ik als
39
// de brugse politiek // van rode loper tot brugse bevraging
nieuwe lijsttrekker de volle verantwoordelijkheid. Ik besloot
het systeem van de huisbezoeken meteen uit te testen. De
twee volgende maanden heb ik, samen met vele militanten,
alle adressen in het toenmalige arrondissement afgelopen.
Echt alle adressen. Ik liep de zolen van mijn schoenen.
Het resultaat mocht er zijn. Het was vermoeiend maar de
moeite. Deze ervaring was zo mooi dat we toen in Brugge
onmiddellijk hebben besloten om dit ook na de verkiezin-
gen verder te zetten. Straat per straat, deur per deur.

In 1995 zijn we onder de noemer “Rode Loper” begonnen


met maandelijkse huisbezoeken. Nog voor de VRT met
haar succesprogramma met dezelfde naam van start ging,
was de “Rode Loper” in Brugge al een feit. Al hadden onze
“Rode Lopers” vaak meer iets van “Man bijt hond”, bijna let-
terlijk. De werkwijze was eenvoudig maar arbeidsintensief.
Een paar dagen voordat we in een buurt zouden passeren,
staken militanten op alle adressen een briefje in de bus met
de aankondiging dat we op die zaterdagnamiddag zouden
langskomen. De zaterdagnamiddag zelf gingen we met een
groep van vijf à tien mensen op stap. Aanbellen, even wach-
ten, een babbeltje slaan, vragen en opmerkingen noteren,
en op naar de volgende deur. Het contact met de mensen
is leerrijk, de blik op hun leven wanneer de voordeur
opengaat soms confronterend. Na drie uur wandelen werd
het bilan opgemaakt, alle individuele vragen en algemene
opmerkingen opgelijst, en onmiddellijk gekeken waar we
konden ingrijpen. Eén namiddag “Rode Loper” levert meer
informatie en meer inzichten op dan één week dienstbe-
toon of één week studiewerk.

Soms zie je echter ook de rare neveneffecten van goedbe-


doelde tussenkomsten. Een voorbeeld: ooit kwam ik in een
wijk met huizen van eenzelfde sociale woonmaatschappij.
Slechts één voortuintje was aangelegd. De rest wachtte hier
al maanden op. Ik vroeg de buren hoe dat mogelijk was.
“Dat zou jij toch moeten weten”, was het antwoord. “Het is
jouw schuld.” Het bleek dat, nadat ik hierover een klacht
40
// de brugse politiek // van rode loper tot brugse bevraging
had ontvangen en hiervoor een brief had geschreven aan
die sociale woonmaatschappij, ze enkel en alleen dat ene
voortuintje onder handen hadden genomen en de rest niet.
De buren dachten dat er sprake was van politieke “voortrek-
kerij”. Dat was helemaal niet het geval. Natuurlijk wilde ik
dat alle voortuinen in orde kwamen en niet enkel van de
mensen die op mij beroep hadden gedaan. De bedoeling
van mijn schrijven was uiteraard om de situatie in de hele
wijk aan te kaarten. Na die wandeling heb ik dat toch nog
eens in duidelijkere bewoordingen gedaan.

De opzet van onze “Rode Lopers” is niet zozeer om al wan-


delend aan dienstbetoon te doen. Het meest interessante
aan onze huisbezoeken is de informatie die je er krijgt uit
eerste hand. Rechtstreeks van de mensen zelf. Ze drukken
je met je neus op de feiten. Een deur die opengaat vertelt
veel meer dan de gevel waarachter ze verscholen zit. Het
vertelt je onder meer hoe eenzaam sommige mensen zijn.
Na enkele “deurgesprekken” kunnen we de sfeer van een
wijk meestal al duidelijker definiëren. Je hebt “oudere” wij-
ken met speelpleinen zonder kinderen en je hebt “jongere”
wijken met kinderen zonder speelpleinen. Maar één con-
stante blijft: alles begint en eindigt met het voetpad en de
snelheid in de straat. Het is en blijft een oud zeer waar we
op moeten blijven inzetten. Onze eerste acties rond zones
30 vinden dan ook hun oorsprong in onze “Rode Lopers”.
Ondertussen is zone 30 een evidentie geworden, pakweg
vijftien jaar geleden was het dat nog niet. Het illustreert de
relevantie van dit soort huisbezoeken. Wat moet er gebeu-
ren? Waar is er een speelplein nodig? Waar is rustiger
verkeer nodig? Waar moet een boom worden geplant of
verwijderd? Kortom, je ziet problemen en je zoekt oplossin-
gen. Het beleid wordt concreter.

Zestien jaar huisbezoeken in Brugge, het levert je heel


wat opmerkingen en inzichten op. Maar vooraleer we een
nieuw programma voor Brugge opstellen voor de volgende
zes jaar, wilden we nog eens een balans opmaken. Daarom
41
// de brugse politiek // van rode loper tot brugse bevraging
heeft sp.a Brugge in 2011 een Brugse Bevraging georga-
niseerd. Geheel volgens onze traditie wilden wij ook in
de voorbereiding van de gemeenteraadsverkiezingen van
oktober 2012 de mening van de Bruggeling horen. Iedere
Bruggeling kreeg drie algemene vragen gepresenteerd:
waar erger je je het meest aan, wat vind je het beste aan het
beleid, en wat zou je doen mocht je zelf burgemeester zijn.
De Brugse Bevraging moest iedere inwoner van Brugge
de kans geven om zijn opmerkingen en wensen kenbaar
te maken. De antwoorden, gelijk gespreid over alle deelge-
meenten, bevatten een schat aan informatie.

Toen ze over de Brugse Bevraging hoorden, voorspelden


andere sp.a-burgemeesters dat de burgers het vooral over
verkeer zouden hebben. “Dat geef ik je op een blaadje”, zei
een zeventigjarige burgemeester van een universiteitsstad.
Hij had gelijk, maar niet volledig. Van de drie prioriteiten
die de Bruggeling naar voren schuift, zijn er twee die te
maken hebben met verkeer. Ten eerste valt het op dat alle
inwoners, niet enkel die van de binnenstad, minder verkeer
in het centrum willen. De Bruggeling wil rustig genieten
van zijn eigen stad, met minder zwaar verkeer en autovrije
momenten, zeker in de drukke winkelstraten. In tweede
instantie blijven ook de files en de openstaande bruggen
voor ergernis zorgen. De derde prioriteit die volgens de
Bruggeling moet worden aangepakt is betaalbaar wonen.
Voor de jongere generaties is een huis huren of kopen vaak
niet meer mogelijk. In sommige wijken staat betaalbaar
wonen zelfs met stip op één.

Met de resultaten van de Brugse Bevraging kun je meteen


aan het werk. En dat is nu juist wat de gemeentepolitiek zo
aantrekkelijk maakt. Je hoort de verzuchtingen uit eerste
hand en kunt onmiddellijk ingrijpen waar nodig. Dankzij
de Brugse Bevraging en onze ervaringen met de huis-
bezoeken kunnen we ons programma zo goed mogelijk
laten aansluiten bij de wensen van de mensen. Eigenlijk
is de Brugse Bevraging op zich al een politieke stelling.
42
// de brugse politiek // van rode loper tot brugse bevraging
Gemeentepolitiek voer je op maat van je eigen bewoners.
Iedere Brugse politicus moet in de eerste plaats luisteren
naar de Bruggeling. Nu komt het erop aan die wensen en
verzuchtingen tegemoet te komen met politieke voorstel-
len. Niet om iedereen gelijk te geven, wel om iedereen zijn
rechtmatig deel te geven. Gemeentelijk beleid start op het
voetpad, het eindigt niet op de drempel van het huis. Wij
willen de bewoners dienen thuis en op straat.

We zijn bezorgd om Brugge omwille van de Bruggelingen.


Als we Brugge willen verbeteren dan is dit in de eerste
plaats om het leven van de Bruggelingen te verbeteren. Ook
als minister van Toerisme vond ik dat toeristische initia-
tieven in eerste instantie de bewoners ten goede moesten
komen. Want waar het goed is om te leven, is het goed om
op bezoek te gaan. Een schoon huis is leuk om in te wonen
én trekt bezoekers aan. En er is nog meer ervaring die
ik wil gebruiken voor Brugge. Zo is de kust door de vele
investeringen en evenementen van het Kustactieplan op
korte tijd opnieuw een stuk aantrekkelijker geworden. Het
Kustactieplan zorgde voor nieuw leven aan de kust. Met
een Brugs Actieplan wil ik ook aan Brugge een nieuw elan
geven. Voor de Bruggelingen. Alle Bruggelingen.

43
// de brugse politiek // van kustactieplan tot brugs actieplan
Als je me vraagt welke ervaringen ik het best kan
gebruiken voor het voeren van een nieuw Brugs
beleid, dan zeg ik zonder twijfel mijn vijf jaren als
Vlaams minister van Toerisme en Werkgelegenheid.
Uiteraard tellen de jaren als federaal minister ook
mee, maar het is toch anders. Als federaal minister
sta je meer in de politieke vuurlinie en zorg je
eerder voor algemene regels. Als Vlaams minister
werk je aan concrete regionale dossiers. Wanneer
gemeentebesturen bij een hogere overheid willen
aankloppen, komen ze vooral met de Vlaamse
regering in contact. Zo heb ik het ervaren.

“Zie je van Brugge…”

Zoals eerder aangegeven, werd ik in 1999 minister van


Toerisme. Voor velen een verrassing, want “wat had ik nu
met toerisme te maken”. Ik antwoordde altijd: “Ja, maar
ik ben van Brugge.” Dat begreep iedereen. Want Brugge
is toerisme. Toerisme is Brugge. Mijn eerste dienstreis
als minister was er één naar New York. Van Vlaanderen
hadden ze daar nog nooit gehoord. Wel van Brugge, Brussel
en België. In die volgorde. Extra reclame was niet nodig,
Brugge verkoopt automatisch. Dat ondervond ik keer op
keer.

In 2002 was het de beurt aan België om voor zes maanden


het voorzitterschap van de Europese Unie waar te nemen.
Voor het eerst speelden ook de regionale ministers hier een
rol. Vroeger was het zo dat alleen Belgische ministers het
land konden vertegenwoordigen, maar sinds 2000 was er
afgesproken dat wanneer er regionale bevoegdheden op
44
// de brugse politiek // van kustactieplan tot brugs actieplan
de agenda stonden de minister van Wallonië, Brussel of
Vlaanderen voor België kon optreden. Dit betekende dat ik
de bijeenkomst van alle Europese ministers van Toerisme
mocht voorzitten. Ik koos voor een vergadering op 1 juli
2002, de allereerste dag van het Belgische voorzitterschap.
Over de locatie was geen discussie mogelijk: Brugge
natuurlijk. Op dergelijke vergaderingen zijn er altijd wel
ministers die er zelf niet kunnen zijn. Ze laten zich dan
vervangen door de top van hun administratie. In Brugge
waren alle ministers aanwezig. Brugge wilden ze niet
missen. Zo gebeurde het dat de aftrap van het Belgische
voorzitterschap in Brugge werd gegeven, en niet in Gent
zoals premier Verhofstadt had voorbereid.

Op deze Europese vergadering werd de ”Princiepsverklaring


van Brugge omtrent Toerisme voor Allen” goedgekeurd.
Alle Europese leiders schaarden zich achter de doelstelling
om toerisme toegankelijk te maken voor iedereen, in het
bijzonder de bevolkingsgroepen die doorgaans niet de
mogelijkheid hebben om op vakantie te gaan. Sindsdien
steunt Toerisme Vlaanderen niet alleen allerlei toeristische
investeringen, maar ook organisaties die zich inzetten om
mensen die dit normaal gezien niet zouden kunnen toch
een vakantie te geven. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat
toerisme iets is waar iedereen toegang tot moet hebben.
Zonder dat het ten koste gaat van de kwaliteit. Ook dat
was één van de speerpunten van mijn beleid als minister
van Toerisme. Ik vond dat de kust, die symbool staat voor
populair toerisme, best wat meer kwaliteit kon gebruiken.

Minister van de Ku(n)st.

Het waren vooral de volksvertegenwoordigers uit West-


Vlaanderen, en in het bijzonder die van de kust, die hadden
aangedrongen op een volwaardige minister van Toerisme.
Daarmee was ook alles gezegd. Men wou een minister van
Toerisme, over de taakinvulling was minder nagedacht.

45
// de brugse politiek // van kustactieplan tot brugs actieplan
In de jaren negentig was toerisme een bevoegdheid in
handen van minister-president Luc Van den Brande (CVP).
In die hoedanigheid bezocht hij ooit de kust. In één dag. Hij
riep de Belgische kust uit tot Vlaamse kust en vertrok terug
naar Brussel. Of toch, hij somde een paar investeringen aan
de kust op onder de noemer “Kustactieplan”. Meer gebeurde
er niet. De twee grootste projecten – de jachthaven in
Nieuwpoort en de pier van Blankenberge – geraakten niet
van de grond.

Eenmaal zelf minister van Toerisme ging ik wekelijks


naar de kust. De kust is dan ook één van de belangrijkste
“producten” van Vlaanderen. Eén van mijn eerste
beleidsdaden was het oude Kustactieplan nieuw leven
inblazen. Met steun van de provincie en Toerisme
Vlaanderen werd een nieuw en grondiger Kustactieplan
opgesteld. Dankzij dit plan werden projecten als de
jachthaven in Nieuwpoort en de pier van Blankenberge wel
gerealiseerd.

De thrillerschrijver Pieter Aspe, ook van Brugge, houdt


van een knipoog. In zijn boek “Onder valse vlag” geeft hij
een bijrol aan een minister. Op pagina 120 van het boek
leidt hij hem in met de volgende woorden: “Ministers, je
krijgt ze niet gauw te pakken. Ze vergaderen, lunchen,
zetten handtekeningen, openen tentoonstellingen, geven
voordrachten, doen een tukje in de auto of verdoen hun tijd
in een televisiestudio. Minister Vandevijvere vormde een
uitzondering op die regel. Hij sleet de helft van zijn dagen
op kantoor waar hij dossiers bestudeerde, de rest van zijn
tijd overlegde hij met zijn medewerkers over het beleid dat
hij had uitgestippeld.” Hij noemt die minister niet Renaat
maar René, niet Land-uit maar Vandevijvere. De minister is
advocaat. En gaat hij verder: “Hij was verantwoordelijk voor
Toerisme en Tewerkstelling, een taak waarvan hij zich met
veel overgave kweet.” En nog volgens Aspe was er sprake
van “een revolutionair plan waarvan hij hoopte dat het
kusttoerisme erdoor gestimuleerd zou worden”. Ik citeer dit
46
// de brugse politiek // van kustactieplan tot brugs actieplan
– de rest was fictie – omdat het mij opviel. De schrijver zei
toen in interviews dat hij de politiek niet volgde. Maar het
Kustactieplan had hij wel opgemerkt.

Naast de pier van Blankenberge en de jachtpromenade


van Nieuwpoort, stond ook de herwaardering van de oude
vismijnsite in Zeebrugge op het programma. Als mij wordt
gevraagd waar ik als minister van Toerisme het meest trots
op ben, dan antwoord ik steevast de herwaardering van dit
deel van Zeebrugge. Ik nodig iedereen uit om eens te gaan
kijken. Naar de mooie promenade gericht naar de zee. Daar
hebben de Bruggelingen hun zicht op de zee en de haven.
Maar die drie grote projecten staan niet louter op zichzelf.
Ze maken deel uit van een ruimere visie van herwaardering
van de kwaliteit en de dynamiek aan de kust.

Geheel volgens die visie wou ik eerst en vooral de kust


inbedden in een Europees verhaal. We hebben de ganse
kustzone kunnen aanduiden als steungebied dat in
aanmerking kwam voor Europese subsidies. Op die
manier investeerde ook Europa, naast Vlaanderen en
de kustgemeenten, in onze kust. Een tweede kenmerk
van mijn kustbeleid was de samenwerking tussen de
verschillende kustgemeenten op tal van domeinen. Het idee
erachter was simpel: de verbetering van de ene kuststad
betekent een versterking voor de andere. Die belangrijke
samenwerking wou ik voortdurend in beeld. Daarom werd
gezocht naar een akkoord over één logo voor de ganse
kust. Het werd een logo met enkel het woord “de kust”.
Niet de Belgische kust, niet de Vlaamse kust, gewoon “de
kust”. Niet in het Spaans, niet in het Frans, gewoon in het
Nederlands. Om de samenwerking tussen de verschillende
kustgemeenten nog meer te benadrukken, bereikten
we een akkoord over één traject voor de kustfietsroute.
Alle werken werden hiervoor op elkaar afgestemd. Mijn
kabinet, de administratie, Toerisme Vlaanderen, de
kustgemeenten en de provincie sloegen de handen in
elkaar en stelden voor de coördinatie één projectmanager
47
// de brugse politiek // van kustactieplan tot brugs actieplan
aan. Een formule die bleek te werken, want volgens
hetzelfde systeem brachten we samen met Natuurpunt
ook alle natuurgebieden in kaart. Werkelijk iedereen werd
bij het project rond de kust betrokken: de industrie en de
middenstand aan de kust, kunstcentra, natuurbewegingen,
onderwijsmensen, iedereen die maatschappelijk actief
was... Op die manier werd een groot maatschappelijk
draagvlak gecreëerd dat de investeringen een extra duwtje
in de rug gaf. Milieuverenigingen waren blij met de extra
natuurbescherming en de toeristische sector met de extra
bezoekmogelijkheden.

Het project waar ik wellicht de mooiste herinneringen aan


overhoud, is “2003 Beaufort: kunst aan zee”, de eerste editie
van een triënnale voor hedendaagse kunst aan zee. Het
was van 1973 geleden dat er nog eens een “triënnale voor
plastische kunst in België” was georganiseerd. Dat was toen
in Brugge. Tijd dat die draad terug werd opgenomen. Dankzij
het Kustactieplan konden de financiële barrières worden
opgeheven. De minister van Cultuur, de provincie en de
kustgemeenten volgden. Het resultaat was indrukwekkend.
Iedere kustgemeente kreeg zijn kunstwerk. Misschien
herinner je je nog de schildpad van Jan Fabre in Nieuwpoort.
We hebben bijvoorbeeld ook Raveel en Claus samengebracht
om van één kusttram een kunsttram te maken.

Beaufort mocht niet iets eenmaligs worden. Ooit waren de


kunstenaars de eersten die de kust ontdekten. We wilden
ze terug. Kusttoerisme, het meest toegankelijke toerisme,
kon ook een kunsttoerisme worden. Kunst bewonderen
met zand tussen de tenen. Zelfs letterlijk met “Literaal”, het
tweede kunstproject aan de kust rond literatuur. Het jaar
daarop volgde nog een derde editie, “Uitblazen”, met muziek
als centraal thema. Sindsdien is “Dranouter aan Zee” een
begrip.

Mijn ervaringen als minister van Toerisme hebben me


gesterkt in de overtuiging dat toerisme en cultuur hand in
48
// de brugse politiek // van kustactieplan tot brugs actieplan
hand gaan. Ook, en misschien vooral, in Brugge. Ik was dan
ook zeer blij dat we er na heel wat lobbywerk in geslaagd
zijn het toeristisch onthaal van Brugge onder te brengen
in het concertgebouw, het kloppend hart van cultureel
Brugge. Via het “In&Uit”-bureau in het concertgebouw kan
iedereen die Brugge bezoekt onmiddellijk kennismaken met
het culturele aanbod en vice versa. Bij de opening was ik
net Vlaams minister af, een uitnodiging was niet voorzien.
Ook dat is politiek. Soms plukt een ander de vruchten van
je werk. Soms moet je jaren wachten om ze te plukken. Dat
was onder meer het geval bij de Brugse Werkwinkel.

Werkwinkels.

Als minister van Werk was het aanvankelijk moeilijk werken


met Brugge. In Vlaanderen was er weinig werkloosheid.
In Brugge nog minder. Dit betekende uiteraard niet dat
we op onze lauweren konden rusten. Mijn beleid was erop
gericht de allerlaatste werkloze aan het werk te krijgen,
en ondertussen de mensen die wel aan het werk waren
maximaal te ondersteunen. Ik vond hiervoor steun bij de
grootste Vlaamse overheidsinstelling, de VDAB, een aantal
door Europa gesubsidieerde initiatieven en de groeiende
privésector van de interimkantoren. Daarnaast wou ik de
gemeenten meer betrekken. Omdat vele werkzoekenden
hun weg niet vinden in de wirwar van diverse initiatieven
werd in veel gemeenten een lokale Werkwinkel opgericht.
In die Werkwinkels zitten de mensen die zich bezighouden
met het begeleiden van werklozen van de VDAB, RVA, de
gemeente, het OCMW en andere gesubsidieerde organisaties
samen. Gedaan met die frustrerende zoektocht waar en bij
wie je nu precies moet zijn. Voortaan geldt er één adres waar
je terechtkunt met alle vragen over werkloosheid, jobs en
opleidingen: de Werkwinkel. Ook wanneer je bijvoorbeeld
hulp nodig hebt om kinderopvang te vinden, kun je hier
terecht. Kortom, een groot warenhuis voor werk.
In Brugge hebben we een Werkwinkel opgericht in de
Spanjaardstraat, net onder de VDAB, niet direct de meest
49
// de brugse politiek // van kustactieplan tot brugs actieplan
toegankelijke plaats. Sinds 2012 vind je de Werkwinkel terug
aan de achterkant, de kant Sint-Michiels, van het vernieuwde
station. Op slag is de meest verdoken Werkwinkel van
Vlaanderen de meest toegankelijke geworden. Ik was zeer
blij om als lokaal voorzitter van de Werkwinkel tien jaar later
de eigen Brugse Werkwinkel te mogen openen.

Werkkracht 10.

Als minister van Werk en als Bruggeling was ik ervan


overtuigd dat Brugge niet alleen een belangrijke rol kon
spelen voor de Bruggelingen. Brugge kon ook een trekker
zijn voor de ganse regio. Onder de noemer Werkkracht
10, en met behulp van Europese fondsen, startte ik een
dynamisch overleg tussen verschillende actieve mensen en
organisaties in en rond Brugge die voor werk in de streek
konden zorgen. Vertegenwoordigers van een tiental grote
bedrijven uit de streek, mensen actief in de milieusector,
in de cultuursector, in de sociale sector… gingen samen
op zoek naar een gemeenschappelijke sociaaleconomische
toekomst voor de regio. De 10 sloeg op de 10 gemeenten
van het vroegere administratieve arrondissement Brugge:
Damme, Beernem, Oostkamp, Jabbeke, Zedelgem, Torhout,
Blankenberge, Knokke-Heist, Zuienkerke en natuurlijk
Brugge. Uiteindelijk bleek dat alle bedrijven de haven
van Zeebrugge als belangrijkste economische trekker
zagen. En het belang van de plaatselijke hogescholen, de
United Nations University en het Europacollege kon door
hen niet genoeg worden benadrukt. Maar evengoed het
concertgebouw en de sterk uitgebouwde zorgsector bleken
investeerders over de streep te kunnen trekken. Het werd
al snel duidelijk welke rol Brugge zou kunnen spelen voor
de uitbouw voor de regio. In de zorgsector is het OCMW
Brugge de grote speler, voor cultuur de stad zelf. De
haven is Brugs en Brugge telt vier instellingen voor hoger
onderwijs en onderzoek. Kortom, Brugge heeft alle troeven
in handen om het centrum en de voortrekker van de streek
te worden.
50
// de brugse politiek // van kustactieplan tot brugs actieplan
Het was nota bene tijdens een vergadering van Werkkracht
10 in Knokke dat ik per sms vernam dat ik niet opnieuw
minister in de Vlaamse regering zou worden, maar wel
naar de federale regering zou verhuizen. Nadien is het
procesmatig samenwerken van die verschillende sectoren
stilgevallen. Wat mij betreft een spijtige zaak. Wat
overbleef is het RESOC, het Regionaal Sociaaleconomisch
Overlegcomité. In Vlaanderen bestond het VESOC, het
Vlaams Sociaaleconomisch Overlegcomité, het overleg
tussen regering en sociale partners die samen de SERV,
de Sociaaleconomische Raad van Vlaanderen, vormen.
Als minister van Werk heb ik dit regionaal laten vertalen
zodat iedere regio een eigen sociaaleconomische raad had.
Op die manier kon beter rekening worden gehouden met
de specificiteit van de streek en sneller worden ingespeeld
op de concrete noden ervan. Ook Brugge kreeg zijn eigen
RESOC. RESOC is echter eerder statisch en dreigt te
worden herleid tot een soort pleitforum, Werkkracht 10 was
bewust een zeer open systeem van permanent veranderende
contacten en allianties. Ik hoop dat we met het volgende
stadsbestuur opnieuw meer dynamiek in vele onverwachte
samenwerkingsverbanden kunnen steken.

Brugge staat voor


grote uitdagingen.
Een goede samenwerking
is des te belangrijker.

51
// de brugse
// de drie
politiek
kenmerken
// van brugs
van een
college
politicus
naar//brugse
toevalsklaar
ploeg
De partijprogramma’s voor de gemeenteraads­verkiezingen
van oktober 2012 zullen in Brugge vermoedelijk niet ver
uit elkaar liggen. Dat merk ik nu al. Bij de bespreking in de
gemeenteraad van het nieuwe mobiliteitsplan voor Brugge
stond ik in 2011 nog alleen toen ik pleitte voor kleinere
bussen, een bij momenten volledig verkeersvrij centrum,
en een dringende oplossing voor de vele problemen met
onze bruggen. Ondertussen hoorde ik de CD&V tijdens
hun nieuwjaarsreceptie van 2012 ook plots pleiten voor
een verkeersluw centrum, kleinere bussen en werken aan
de bruggen. VLD had zich een tijdje geleden eveneens
uitgesproken voor kleinere bussen in het centrum. Groen!
en N-VA blijken ook niet tegen te zijn. Zelfs mijn pleidooi
voor de aanpak van de bruggenmiserie, los van de discussie
omtrent het Schipdonkkanaal, lijkt verworven.
Goed nieuws dus.

Brugge staat voor grote uitdagingen. Een goede


samenwerking is des te belangrijker. Ik pleit daarom
niet enkel voor een Brugs Actieplan maar ook voor een
echte, hechte bestuursploeg om het op te stellen en uit
te voeren. Een Brugse Ploeg. Voor een stad als Brugge
is de burgemeester uiteraard belangrijk. Minstens even
belangrijk is dat de burgemeester een goede ploeg rond zich
heeft die hem inspireert en ondersteunt. Een ploeg waarop
hij te allen tijde kan terugvallen en die hem de nodige
slagkracht geeft. Ik denk dat we moeten toegeven dat dit
de laatste jaren in Brugge niet altijd zo is geweest. Het was
ook moeilijk. Tijdens de vorige gemeenteraadsverkiezingen
was de indruk ontstaan dat CD&V en VLD vooraf hadden
afgesproken om, ongeacht wat de verkiezingsuitslag zou
zijn, met elkaar in zee te gaan en de sp.a uit het Brugse
bestuur te gooien. Daarom hebben we op de allerlaatste
dag nog campagne gevoerd met de slogan “Als alles goed
gaat, waarom dan veranderen van ploeg?”. Blijkbaar vond
de boodschap weerklank. Na de stembusgang bleek sp.a
te groot om aan de kant te schuiven, maar we werden wel
in de hoek geduwd. Alhoewel een voortzetting van de
52
// de brugse politiek // van brugs college tot brugse ploeg
tweepartijencoalitie perfect mogelijk was en zelfs voor de
hand lag, koos de ene CD&V voor sp.a en de andere voor
VLD. Het werd dus een kartel plus VLD en sp.a.

Ik hoef, denk ik, niet te vertellen dat de start van het nieuwe
college niet in de allerbeste sfeer verliep. Integendeel.
Eerst was er de discussie over het al dan niet behouden
van het paviljoen van Toyo Ito op de Burg. Kort daarop
volgde het kabaal rond het nieuwe voetbalstadion. In beide
gevallen gaf het Brugse bestuur niet de indruk de zaak
onder controle te hebben. Men verloor het initiatief en zijn
eenheid. Er is nooit echt een gezamenlijk project geweest.
Dit zet de nood aan een sterke ploeg voor de komende jaren
nog eens extra in de verf. We moeten de ruimte vinden
om met elkaar overeen te komen. Ons programma mag
geen taboes bevatten. We gaan ervan uit dat alle partijen
vanuit hun overtuiging toch minstens het beste voor
Brugge willen. Het komt erop aan om, nadat de kiezer de
krachtsverhoudingen heeft bepaald, samen de beste ploeg te
vormen.

Om echt een nieuw elan mogelijk te maken, stel ik voor de


bestaande schepenbevoegdheden te herordenen. Een eerste
voorbeeld: de stadsadministratie werd recent hervormd.
Idealiter zou deze voortaan op een professionele wijze
moeten worden geleid door de stadsecretaris, zoals het
Vlaamse decreet het voorschrijft. Uiteraard behouden
burgemeester en schepenen de eindverantwoordelijkheid,
maar één afzonderlijke schepen die enkel en alleen
bevoegd is voor het personeelsbeleid is op die manier niet
langer nodig. Zo komt er ruimte vrij voor een schepen
die wel broodnodig is, namelijk een schepen van Werk
die alle bevoegdheden rond werk groepeert, gaande van
tewerkstelling tot de verschillende elementen die een
stedelijk economisch beleid voor de haven en de binnenstad
bepalen. Gedaan met verschillende inefficiënte initiatieven
die naast elkaar worden gelanceerd. Voortaan coördineert
één schepen de economische politiek van Brugge.
53
// de brugse politiek // van brugs college tot brugse ploeg
De werkbarometer van de huidige schepen van
Werkgelegenheid, Annick Lambrecht, kan daarbij als
uitgangspunt dienen.

Een tweede voorbeeld. Het is mijn stokpaardje. Ik pleit er


al lang voor dat in een stad als Brugge de bevoegdheden
van een schepen van Cultuur en van Toerisme beter op
elkaar worden afgestemd. Idealiter gaat het om één en
dezelfde schepen. Dit was immers één van de belangrijkste
conclusies uit de evaluatie van Brugge Cultuurstad 2002.
In Brugge moet cultuur en toerisme samengaan. Toerisme
is de communicatie, cultuur de inhoud. Als minister van
Toerisme heb ik kunnen vaststellen dat Brugge een sterk
merk is. Maar we moeten alert blijven. Antwerpen en
Gent zijn al een tijdje aan een inhaalbeweging bezig. Er is
internationaal nog veel meer mogelijk. Wij Bruggelingen
zijn niet alleen te bescheiden, we komen nog te veel in
gespreide slagorde naar buiten. Een schepen van Toerisme
een cultuurstad als Brugge waardig kan een echte
cultuurcommunicatie uitbouwen. Toerisme is het verkopen
van Brugge en cultuur is het belangrijkste product.

Het wordt tijd dat we werk maken van een nieuw, modern
schepencollege dat de bevoegdheden verdeelt volgens de
doelstellingen van het beleid: wonen, werken, vrije tijd,
cultuurtoerisme, gezonde leefruimte, enz. De burgemeester
staat centraal. Idealiter is hij de grootste teamspeler en
bewaakt hij de samenhang. Veiligheid en politie blijven de
uitsluitende bevoegdheden van de burgemeester. Laat dit
nu net de thema’s zijn die ik al jaren in de nationale politiek
volg. Maar voor we het verwijt krijgen met postjes bezig
te zijn, eerst een aantal krijtlijnen van het nieuwe Brugse
verhaal dat we willen brengen.

54
// de brugse politiek // van brugs college tot brugse ploeg
In de vorige delen van dit boek,
had ik het over het verleden
in Brussel. Met de opgedane
ervaring wil ik nu toch even
kijken naar de toekomst van
Brugge. Pas op, hier volgt niet
ons verkiezingsprogramma. Dat
zou niet correct zijn tegenover
de vele kandidaten op onze
lijst. Een programma maak
je immers samen. Maar toch,
ik kon het niet laten reeds een
paar voorstellen te doen.

55
Beleid voeren kost geld. Laten we dus beginnen met de
vraag waar we dat geld zullen halen. Er wordt vaak nogal
snel van uitgegaan dat er wel één of ander budget beschik-
baar zal zijn. Dat de overheid geld heeft, wordt soms als
een evidentie gezien terwijl dat helemaal niet zo is. Dat
het geld van de belastingbetaler komt en dat deze hiervoor
hard heeft moeten werken wordt door sommigen wel eens
vergeten. Welnu, ik vind dat niet evident en ik wil het niet
vergeten. De eerste vraag die ik me altijd stel is of er wel
voldoende geld is en of het wel nuttig wordt besteed? Velen
keken verrast op toen ik bij de opmaak van ons vorige
verkiezingsprogramma over belastingvermindering begon.
Was dat niet iets voor liberalen? Niets is minder waar. In
alles wat we als overheid doen moeten we ervoor zorgen dat
het zo efficiënt mogelijk gebeurt en dat er zo weinig moge-
lijk belastinggeld wordt verspild. Je moet de mensen niet
meer belasten dan nodig. Dit is en blijft mijn uitgangspunt.

Ik vind dat er correct moet worden omgesprongen met


belastinggeld. Daartegenover staat dat iedereen correct
moet bijdragen tot ons belastingsysteem. Wat mij stoort
is dat een groeiende groep mensen iedere dag van de vele
geneugten van Brugge wil genieten, maar niets wil bijdra-
gen. Ik heb het over de mensen die hier vaak in luxe leven
zonder officieel ingeschreven te zijn. Wie ingeschreven is
in Brugge betaalt immers aanvullende personenbelasting.
Wie ingeschreven is in Knokke of Koksijde maar in Brugge
woont, hoeft helemaal geen aanvullende personenbelasting
te betalen, niet in Knokke of Koksijde en ook niet in Brugge.
Strikt gezien is dit volledig wettelijk, maar dat maakt het
nog niet juist. Het feit dat de wet deze constructie niet
verbiedt, maakt het nog niet aanvaardbaar. Wie hier woont
en wil genieten van de vele voordelen van Brugge moet ook
eerlijk bijdragen. En dat gebeurt vandaag te weinig. Het feit
dat steeds meer mensen hier komen wonen zonder belas-
tingen te betalen zorgt ervoor dat de huizenprijzen de pan
uit swingen en dat wonen in Brugge voor onze kinderen
en kleinkinderen onbetaalbaar wordt. Ik stel dan ook voor
56
// de krijtlijnen voor een brugs actieplan // de financiering van het brugs beleid
dat we deze inwoners ‘helpen’ om evenveel te betalen als
de ingeschreven Bruggelingen. Dit kan o.a. met een hogere
taks op de tweede woonst van niet in Brugge ingeschreven
personen.

Wat volgens mij niet kan worden gebruikt om Brugge te


financieren zijn forfaitaire lasten. In een ideale wereld
volstaan de aanvullende personenbelasting en de opcentie-
men op de onroerende voorheffing. Dat betekent geen extra
forfaitaire lasten. Geen extra belastingen die bovenop de
gemeentebelastingen worden aangerekend. De huisvuil-
taks noemt nu wel milieutaks in Brugge, toch blijft het een
forfait dat ooit zou moeten worden afgeschaft. Ook de reste-
rende taks op gebruik van economische ruimte is nog niet
volledig afgeschaft. Wat het dubbel onrechtvaardig maakt,
is dat deze forfaitaire lasten voor iedereen even zwaar wegen
zonder rekening te houden met het inkomen van de ver-
schillende personen. Wie veel verdient, betaalt evenveel als
iemand die minder verdient. Dit klopt niet. Ik pleit er dus
voor om deze forfaitaire lasten te schrappen. Wie gemeen-
tebelastingen betaalt moet kunnen rekenen op een goede
dienstverlening waarvoor je niet extra hoeft te betalen.

Het is goed leven in Brugge. De vraag is of de Bruggelin-


gen dit goede leven helemaal alleen moeten financieren.
De vraag stellen is ze meteen beantwoorden. Neen dus.
Er mag van de Bruggeling niet worden verwacht dat hij
alleen opdraait voor de internationale uitstraling van de
stad. Gelukkig is dat ook niet zo. Het Gemeentefonds, dat
Vlaams geld voorziet voor gemeenten, zorgt ervoor dat
Brugge een financieel duwtje in de rug krijgt omwille van
de toeristische overlast. Ik heb ooit alle beslissingen in de
Vlaamse ministerraad geblokkeerd omdat er plannen waren
om het systeem van het fonds voor Brugge af te schaffen.
Sommige steden staan blijkbaar wat afgunstig tegenover de
unieke positie van Brugge. Ik durf te beweren dat ik Brugge
die dag de grootste financiële bijdrage heb geleverd die ik
ooit had kunnen brengen.
57
// de krijtlijnen voor een brugs actieplan // de financiering van het brugs beleid
Naast het Gemeentefonds liggen ook in Europa heel wat
mogelijkheden. Met een beetje creativiteit kunnen we
Europa meer laten bijdragen aan Brugge. Toen ik minis-
ter van Toerisme was en voortdurend op zoek moest naar
financiering voor de vele projecten aan de kust, werd me
duidelijk hoe veel kansen Brugge liet liggen om als toeris-
tische stad Europese steun te krijgen. De laatste jaren is
Brugge op dat vlak gelukkig wel wakker geworden. Toch
blijf ik ervan overtuigd dat er meer mogelijk is. Brugge is
één van de mooiste steden van Europa. Een kleine Euro-
pese bijdrage moet dus wel kunnen.

58
// de drie
// dekenmerken
krijtlijnenvan
voor
eeneen
politicus
brugs actieplan
// toevalsklaar
// hoofddoel is goedkoper wonen in brugge
Begrijp me niet verkeerd. Mobiliteit is belangrijk voor een
stad als Brugge. Dat was in het verleden al zo en dat zal het
in de toekomst nog meer moeten zijn. De resultaten van de
Brugse Bevraging liegen er niet om. Maar de Bruggeling
vraagt ook nog iets anders, iets waar in het verleden te wei-
nig aandacht aan werd besteed, namelijk betaalbaar wonen.
De Brugse Bevraging laat er geen twijfel over bestaan: de
baksteen van de Vlaming ligt de Bruggeling zwaar op de
maag. De steeds hogere huur- en huizenprijzen blijven de
Bruggelingen zorgen baren. Terecht. Eén van de grootste
uitdagingen voor de toekomst is ervoor zorgen dat onze
kinderen en kleinkinderen nog betaalbaar kunnen wonen.
Brugge kan daar wel degelijk iets aan doen. Niet alles,
maar toch iets. Ik weiger me erbij neer te leggen dat de
handen van het Brugse stadsbestuur gebonden zijn omdat
de meeste hefbomen voor betaalbaar wonen bij een andere
overheid liggen. Er kan door onze stad meer worden gedaan
dan vandaag het geval is.

De laatste jaren is er al een inhaalbeweging geweest. Het


aantal woonuitbreidingsgebieden is gestegen, er worden
meer sociale woningen gebouwd en de renovatiepremie geeft
jonge mensen een duwtje in de rug. Maar hiermee alleen
krijgen we het probleem van te dure huizen niet opgelost. We
zullen niet eeuwig kunnen blijven bijbouwen of verbouwen.
Wat Brugge moet doen, is creatiever omspringen met de
middelen die het wel heeft. De verantwoordelijkheid van de
stad stopt niet bij de bouw of de renovatie van huizen. Brugge
heeft een volledig nieuwe, creatievere woonpolitiek nodig.

Om ervoor te zorgen dat er meer en toegankelijkere cultuur


zou zijn, hebben we indertijd “Brugge Plus” opgericht. Om
ervoor te zorgen dat de woningmarkt in Brugge toegankelij-
ker wordt, hebben we een gelijkaardig initiatief nodig. Een
plek waar alle kracht en kennis rond wonen in Brugge wordt
gebundeld. Een echt woonbedrijf, het “Brugs woonbedrijf”.
In ieder geval moet het de ambitie om betaalbaar wonen te
promoten echt uitstralen.
59
// de krijtlijnen voor een brugs actieplan // hoofddoel is goedkoper wonen in brugge
Een krachtdadig woonbeleid start met een gedegen analyse.
Waar doen zich problemen voor? Hoe evolueren de prijzen?
Waarom verhuizen mensen? Een woonbarometer kan de
temperatuur op de Brugse woningmarkt van dag tot dag
meten. Wie wil ingrijpen, moet eerst weten waar het brandt.
We hebben nood aan correcte en recente cijfers die ons
toelaten om kort op de bal te spelen en in te grijpen waar
nodig. Want meten is weten.

Zo zien we bijvoorbeeld dat jonge gezinnen uit het centrum


verdwijnen en tegelijkertijd heel wat administraties zich ver-
leggen naar het kamgebouw aan het station. Er komen met
andere woorden dus heel wat administratieve gebouwen
vrij. Hier zou de stad sturend kunnen optreden en ervoor
zorgen dat rond die vrijgekomen kantoorruimten woonpro-
jecten worden opgezet. Dat heet, op basis van juiste cijfers,
creatief omspringen met de mogelijkheden die een stad als
Brugge heeft. Nog een voorbeeld: in de babyboomgemeen-
ten Sint-Michiels en Sint-Andries doet zich momenteel een
generatiewissel voor. Vandaag zie je er ouderen in te groot
geworden huizen wonen terwijl jonge gezinnen wanhopig
op zoek zijn naar meer ruimte. Als stad zou je hier op een
of andere manier kunnen bemiddelen om tot een, voor
beide kampen, aanvaardbare oplossing te komen. En wat
met de woonuitbreidingsgebieden die Brugge nog heeft bui-
ten het centrum? Hoe pakken we dat aan? Kiezen we voor
een klassieke verkaveling of gaan we naar een systeem waar
de stad gronden opkoopt en in erfpacht geeft in ruil voor
sociale woningbouw of goedkopere huurwoningen. Kortom,
er zijn wel wat mogelijkheden die de stad kan gebruiken om
een meer sturende woonpolitiek te voeren.

Een woonbedrijf heeft ook een voorkant, de “Woonwinkel”.


Dit is het deel van het woonbedrijf waar de burgers met
al hun vragen en suggesties terechtkunnen. De stad kan
zijn deel doen om de woonkosten te drukken, bijvoorbeeld
door de taksen op wonen af te schaffen. Ook de Bruggeling
heeft opties om wonen goedkoper te maken. Alleen is hij
60
// de drie kenmerken van een politicus // hoofddoel is goedkoper wonen in brugge
daar niet altijd van op de hoogte of vindt hij onvoldoende
zijn weg in het kluwen hierrond. Ook daar heeft de stad een
rol te vervullen. Zo kan het de Bruggelingen informeren
over energiebesparende mogelijkheden, het isoleren van de
woning extra ondersteunen of groepsaankopen van bouw-
materiaal of elektriciteit organiseren. En bij het zoeken naar
een woning, om te huren of om te kopen, kan de Woonwin-
kel een bemiddelende rol spelen doordat alle gegevens er
zijn samengebracht.

Zoals we in Brugge met schepen Yves Roose terecht bewust


bezig zijn met cultuur moeten we ook terecht en nodig
bezig zijn met het wonen van de Bruggelingen, hun kinde-
ren en kleinkinderen.

61
// de krijtlijnen voor een brugs actieplan // brugge economische trekker voor de regio
Als Vlaams minister van Werk wou ik de gemeenten nau-
wer betrekken bij mijn beleid. Via de lokale Werkwinkels
konden ook zij een rol gaan spelen. Het belang van de lokale
autoriteiten op het vlak van werkgelegenheid is immers niet
te onderschatten. Ironisch genoeg moest ik in mijn eigen
thuisstad aandringen om, net als in andere centrumsteden,
een eigen schepen van Werk(gelegenheid) te voorzien. Wat
in andere gemeenten een evidentie bleek, moest in Brugge
nog worden bepleit. Zoals ik eerder ook het belang van een
schepen voor de haven had moeten bepleiten. Economie ligt
de Brugse bestuurders blijkbaar niet.

Het is pas sinds 2006 dat een schepen ook werkelijk invul-
ling gaf aan de functie van schepen voor Werk. Met de
werkgelegenheidsbarometer wist schepen Annick Lam-
brecht per kwartaal de aandacht te vestigen op de evolutie
van de tewerkstelling in en om Brugge. Problemen komen
zo onmiddellijk bovendrijven en kunnen snel worden aan-
gepakt. In Brugge was dit nog nooit gezien. Toch moeten
we ook durven toegeven dat er nog te veel in gespreide
slagorde wordt gewerkt. Het OCMW levert mooie inspan-
ningen inzake sociale economie en de schepen van Lokale
Economie zorgt voor allerlei kleine subsidies. Daartegenover
staat dat de schepen van Financiën jarenlang de bedrijfster-
reintaks verdedigde. De burgemeester van zijn kant was dan
weer jarenlang pleitbezorger van een hoofdkwartierenzone,
zonder concrete invulling evenwel.

Als het op economie aankomt, staat het Brugse stadsbestuur


inderdaad ‘vanachter’. Wanneer er dan toch over economie
moet worden gesproken, in een verkiezingscampagne bij-
voorbeeld, grijpen we gemakkelijkheidshalve terug naar de
haven. Een discussie die zich al snel beperkt tot een discussie
over geld voor de ontsluiting van de haven. Meer betrok-
kenheid is er niet. De haven van Zeebrugge wordt nog altijd
gezien als iets buiten Brugge. Vandaag staat zelfs een sche-
pen uit Damme aan het hoofd van de haven van Zeebrugge.
(Waarmee ik niet wil gezegd hebben dat hij dat slecht doet.)
62
// de krijtlijnen voor een brugs actieplan // brugge economische trekker voor de regio
De Brugse economie mag dan wel veel meer zijn dan louter
de haven, de haven blijft wel de drijvende kracht. Wat weinig
mensen weten is dat de haven sinds 2001 zowat volledig
eigendom is van de stad Brugge. Toch blijft de haven voor
vele Bruggelingen en voor de Brugse politiek ver weg in
Zeebrugge liggen. Het havenbestuur zou dringend een
betere afspiegeling moeten zijn van het Brugse schepen-
college. Niet omdat ik vind dat politici een bedrijf moeten
leiden, wel omdat die politici ervoor kunnen zorgen dat de
haven haar verantwoordelijkheid neemt voor de stad en de
regio. Dat wordt van hen verwacht. Die politici zouden alle
nodige contacten moeten leggen met andere randgemeen-
ten, met verschillende bedrijfsleiders, cultuurspelers en
sociale organisaties. Hier verwijs ik naar mijn ervaringen
met de manier van werken onder de naam “Werkkracht
10”. Overigens blijf ik het spijtig vinden dat Kortrijk wel de
moed heeft om afspraken te maken met Rijsel en Brugge
niet. Nochtans heeft Brugge even grote troeven in handen
en even goede redenen om met Noord-Frankrijk samen te
werken. Het mag duidelijk zijn: op het vlak van economie
en welvaart voor de streek zijn er nog veel kansen onbenut.

63
// de drie kenmerken van een politicus // toevalsklaar
Dat het in Brugge goed leven is, is ondertussen geen geheim
meer. Net daarom komen heel wat oudere mensen in onze
stad wonen. Ook uitgeweken Bruggelingen keren vroeg
of laat graag terug. Daar is een goede reden voor. Brugge
zorgt voor oudere inwoners. Geen enkele andere stad heeft
voorzieningen en dienstverlening voor ouderen die zo goed
zijn uitgebouwd. De verdienste van ons OCMW is hierin
niet gering. De uitdaging waar we nu voor staan is leven
in Brugge aantrekkelijk maken voor jonge gezinnen. Ook
jonge werkende koppels moeten zich goed kunnen voelen
in Brugge. Betaalbaar wonen is hiervoor essentieel. Net
als werk in eigen stad of eigen streek. Of nog belangrijker:
kunnen gaan werken in eigen stad of eigen streek. Ook
de randvoorwaarden om te kunnen gaan werken moeten
immers vervuld zijn. Ik denk in het bijzonder aan kinderop-
vang. Daar is voor een stad als Brugge een belangrijke taak
weggelegd. In een leefbare stad is er plaats voor kinderop-
vang in alle delen van de gemeente. Daarmee bedoel ik niet
dat de stad alles zelf moet organiseren of zelf moet subsidi-
ëren. Ze kan wel alle kinderopvang in Brugge coördineren
en de bestaande organisaties het leven gemakkelijker maken
door bijvoorbeeld de kosten voor vorming op zich te nemen
en in de nodige administratieve en juridische ondersteuning
te voorzien.

Wat geldt voor kinderopvang, geldt bij uitbreiding voor de


hele welzijnssector. Ook hier pleit ik er niet voor dat het
stadsbestuur, al dan niet via het OCMW, alles zelf organi-
seert. De stad moet daarentegen wel oog hebben voor alle
welzijnsinitiatieven, niet enkel die van het OCMW maar
ook die van de vele onafhankelijke organisaties, en deze
ondersteunen waar het kan. Ik ben ervan overtuigd dat we
voor de welzijnssector best een bedrijfsvriendelijk klimaat
creëren door de sociale sector bij te staan waar nodig en
door het welzijnsbeleid op het grondgebied te regisseren.
Kampt een organisatie met vestigingsproblemen, dan kan de
stad ingrijpen. Of heeft ze nood aan vorming, juridische of
administratieve ondersteuning, dan kan de stad bijspringen.
64
// de krijtlijnen voor een brugs actieplan // goed leven in brugge
Op die manier kunnen de verschillende welzijnsorganisaties
zich volledig concentreren op hun kerntaak: zorg verlenen.

Leven in Brugge is meer dan werken alleen. Gelukkig maar.


Ook voor het invullen van vrije tijd, ligt voor het stadsbe-
stuur een belangrijke taak weggelegd. Of het nu gaat om
sport, cultuur of toerisme in eigen stad. Ook de Bruggeling
moet kunnen genieten van zijn stad. Bovendien gaat achter
die vrije tijd een goed draaiende economie schuil. Er is
dus meer dan één reden om rond vrije tijd een verregaand
beleid te ontwikkelen. Vandaag zit vrije tijd nog versnipperd
over de verschillende klassieke beleidsdomeinen. Je vindt
initiatieven terug in het welzijnsbeleid, het jongerenbeleid,
onderwijsbeleid, OCMW-beleid, zelfs bij het veiligheidsbe-
leid. Maar de meeste vind je toch terug bij het sportbeleid.

Sport leent zich misschien nog het best om het vrijetijdsbeleid


aan te zwengelen. En het is gezond ook. Een echte welzijns-
politiek begint daarom met de promotie van sport. Dat is
meteen de reden waarom we moeten investeren in bijko-
mende sportinfrastructuur verspreid over alle deelgemeenten.
Nu is het zo dat sommige deelgemeenten goed zijn voorzien,
en andere helemaal niet. Een sportinvesteringsprogramma
moet voor een inhaalbeweging zorgen. Misschien kunnen
we, eenmaal er een nieuw voetbalstadion is, van de terreinen
van het Jan Breydel-stadion een nieuw sportpark maken? De
Brugse Bevraging was in ieder geval duidelijk: sport leeft
onder de Bruggelingen. De vragen en suggesties over sport
zijn enorm. Onze schepen van Sport Annick Lambrecht heeft
ons wakker geschud. Maar er is nog veel werk aan de winkel.
Ik heb er vertrouwen in dat tijdens de volgende legislatuur
het sportbeleid niet zal afnemen. Ik zie nu al andere politici
de sportschepen – letterlijk – achterna lopen. Iedereen wil
blijkbaar al sportend op de foto. Dat belooft.

Het sportbeleid in Brugge geldt als voorbeeld voor een


modern vrijetijdsbeleid. Vergeet niet dat Brugge ondertus-
sen meer dan driehonderd sportclubs of verenigingen telt.
65
// de krijtlijnen voor een brugs actieplan // goed leven in brugge
Duizenden vrijwilligers amuseren zich door aan sport te
doen. En ondertussen nemen ze deel aan het sociale leven.
Zo’n sportbeleid is eigenlijk een vrijetijdsbeleid. Wat kan
voor sport moet ook kunnen voor andere vormen van vrije
tijd.

We hebben het eerder al gezegd: Brugge is een aantrekke-


lijke stad voor oudere mensen, vooral omwille van een sterk
uitgebouwde zorgsector. Het aandeel van de gemeente, via
het OCMW, is hierin niet gering. Dit mogen we niet lossen,
maar wel op een professionele en sociale manier voortzet-
ten. Door OCMW-voorzitter Frank Vandevoorde en zijn
medewerkers worden talrijke welzijnsinitiatieven genomen.
Tegelijkertijd worden middelen uit het stedenfonds aange-
wend om verschillende wijkinitiatieven op poten te zetten
die onder meer moeten voorkomen dat ouderen eenzaam
hun oude dag doorbrengen. En ondertussen coördineert
en propageert de schepen van Welzijn en Jeugd acties
op hetzelfde terrein. Om alle middelen nog efficiënter te
gebruiken, zullen allicht een aantal bevoegdheden moeten
worden herschikt. Want wat we de voorbije jaren hebben
opgebouwd is te mooi om te laten schieten. Dankzij de inzet
van haar vele organisaties en vrijwilligers is Brugge uitge-
roepen tot een dementievriendelijke gemeente. Brugge moet
weliswaar meer inzetten op jongeren, maar niet door de
ouderen uit het oog te verliezen. Het werelderfgoed is een
uitdaging. Langer goed kunnen leven ook.

Brugge è schone.

66
// de drie
// dekenmerken
krijtlijnenvan
voor
eeneen
politicus
brugs actieplan
// toevalsklaar
// nieuw brugge
Vraag je de Bruggeling waarom hij trots is op zijn stad,
dan hoor je vaak “omdat Brugge zo schoon is”. “Brugge
è schone.” Wat weinigen weten is dat Brugge vandaag zo
mooi is omdat het vroeger zo arm was. De industrialisatie
is aan ons voorbijgegaan. De structuur van de stad is mid-
deleeuws gebleven. De straten zijn – gelukkig – nog altijd
niet recht. Ooit manoeuvreerden toeristenbussen zich door
de Brugse straten tot aan het Begijnhof. Brugse bestuur-
ders hebben ze toen – terecht – weggestuurd. Ik zou willen
dat de Brugse bestuurders vandaag dezelfde moed aan de
dag leggen. Maar wat ik nu tot mijn afgrijzen hoor, klinkt
anders dan toen het over het Begijnhof ging. Vandaag klinkt
het dat “de straat zich moet aanpassen aan de bussen”.
Neen, zeg ik dan. Brugge is net mooi omdat het zich niet
heeft aangepast aan het zware vervoer. Het zijn de bussen
die zich moeten aanpassen aan de stad, en niet omgekeerd.
De structuur van de stad geeft ons een voorsprong in de
strijd om steden weer leefbaar te maken. Door het verleden
te koesteren, hebben we de toekomst in handen genomen.

Brugge 2002 was een zegen voor Brugge. Moderne archi-


tectuur kreeg in een stad als Brugge opeens een bescheiden
kans. Ik denk aan het Brugse concertgebouw, het paviljoen
van Toyo Ito en de Conzetbrug. Maar sindsdien is de ver-
nieuwing haar dynamiek verloren. Erger zelfs. We dreigen
achteruit te gaan. Een tendens die in 2007 werd ingezet. De
nieuwe coalitie in Brugge startte de legislatuur met ruzie
over Toyo Ito. Van de vooropgestelde vernieuwing van het
Burgplein is niets in huis gekomen. Het paviljoen van Toyo
Ito leek bij momenten een overdekte modderpoel. De Kui-
persstraat, de straat langs de Biekorf, werd herleid tot een
macadamweg. Het zicht op die straat vanuit de bushaltes
van de Biekorf doet denken aan een vervallen industriestad.
Het klopt, de bussen kunnen inderdaad nog moeilijk de weg
schenden. Maar die weg schendt Brugge. De Kuipersstraat
staat wat mij betreft symbool voor een dreigende achter-
uitgang. Willen we een nieuw Brugge met respect voor het
historische Brugge, dan zullen we ook de grote lijnbussen
67
// de krijtlijnen voor een brugs actieplan // nieuw brugge
uit het centrum moeten weren. Ik ben een groot voorstan-
der van openbaar vervoer. Net daarom waarschuw ik al
maanden voor de overlast en de onveiligheid van de grote
bussen in de binnenstad. Mooie Brugse kasseien moeten
wijken voor beton onder de tientonners, terwijl de grote
bussen steeds meer het allure krijgen van een ongenaakbare
heilige koe. Stel je het vernieuwde Sint-Salvatorsplein eens
voor zonder bushalte. Het zou een mooi, aangenaam stads-
plein kunnen worden. Nu wordt het doormidden gesneden
door een verharde bushalte. Spijtig. Ik denk dat we die
bushalte moeten verleggen en de winkelstraten en pleinen
op bepaalde momenten verkeersvrij moeten maken.

Terug naar de Kuipersstraat, de straat voor de Biekorf. Naast


de “macadam” duikt er nog een ander teken van achteruit-
gang op: flikkerlichten achter de ramen. Ik heb het over de
neonlichten in nachtwinkels en restaurants, lichtreclame
met de ongelooflijk originele tekst “open” in een fel verlicht,
hels kleur. Brugge heeft altijd lichtreclame van haar gevels
geweerd. Let er maar eens op. De Brugse winkelstraten
zijn onder meer uniek omdat er geen sprake is van lichtre-
clame. Wat zie je nu, wat verboden is aan de gevels doet zich
nu voor achter het raam. We zullen de bouwvoorschriften
daarom moeten moderniseren. Lichtreclame kan niet.

Terwijl we daar toch bezig zijn, kunnen we ondertussen de


bouwvoorschriften zo aanpassen dat isolerend materiaal en
zonnepanelen in de binnenstad makkelijker worden geto-
lereerd. Want modern, duurzaam materiaal doet natuurlijk
niets af aan de schoonheid van Brugge. Brugge moet
uiteraard respect hebben voor het verleden, maar ook oog
hebben voor een gezonde toekomst. In de binnenstad moe-
ten mensen energie kunnen besparen. We zijn terecht trots
op de molens langs de vesten. We moeten ook trots zijn op
de windmolens in het havengebied. Het is tijd om een stap
verder te gaan. Binnen zes jaar moeten we ook trots zijn op
de energiebesparing en de groene energie in de stad.

68
// de krijtlijnen voor een brugs actieplan // nieuw brugge
Spreken over een “nieuw Brugge” is voor velen als vloeken
in de kerk. De Bruggeling is allergisch voor al te nieuwe
bouwprojecten. De bescheiden schoonheid van het concert-
gebouw was voor een groot deel van de Bruggelingen al een
mijlpaal. Toch denk ik dat er in Brugge op dat vlak nog heel
wat kansen voor het grijpen liggen. Met respect voor het
oude is er ruimte voor het nieuwe. Alleen al in het cen-
trum zie ik onmiddellijk twee opportuniteiten. Ik heb het
over de vernieuwing van de Brugse bruggen enerzijds en
de inrichting van de stationsomgeving anderzijds. Tussen
het concertgebouw en het station is er immers nog ruimte
voor heel wat initiatieven. Zo zijn het beursplein en de oude
beurshal dringend aan renovatie toe en komen de terreinen
van het VTI in de toekomst vrij. Aan de achterkant van
het station (Sint-Michiels) komt er een prachtig plein, wat
opnieuw heel wat opportuniteiten met zich meebrengt.

Wanneer we spreken over stadsvernieuwing is het


essentieel het busverkeer in het centrum aan te pakken. Nu
is de route Steenstraat-Zuidzandstraat-Noordzandstraat-
Geldmundstraat de drukste hoofdas. Dagelijks passeren
er 340 bussen. 340 bussen per dag, dat betekent elke
twee minuten een bus. Ik hoef je niet te vertellen dat het
bepaald niet leuk is om zo je kinderen te leren fietsen in de
binnenstad. Voor ervaren fietsers is het soms al gevaarlijk
manoeuvreren en laveren tussen de vele auto’s en bussen.
Laat staan dat kinderen hier op een veilige manier in slagen.
Ik wil daarom voorstellen om de hoofdas van het busvervoer
helemaal te verleggen naar de as tussen het concertgebouw
en het station. In deze optiek wordt de bushalte aan het
concertgebouw het centrum voor de grote bussen. Vanaf
daar kunnen kleine bussen het echte centrum intrekken.
Dat we zo het nieuwe Sint-Salvatorsplein volledig
kunnen bevrijden en tot haar recht laten komen, is mooi
meegenomen.

Overigens komen er in het stadscentrum binnenkort veel


gebouwen vrij omdat veel administraties verhuizen naar
69
// de krijtlijnen voor een brugs actieplan // nieuw brugge
het kamgebouw (administratief gebouw, achterkant station).
Dat opent heel wat perspectieven voor de modernisering
en herwaardering van diverse indrukwekkende panden.
Terloops, of we ook de stadsadministratie moeten
centraliseren, durf ik te betwijfelen. Het lijkt me geen slecht
idee dat het historische centrum ook een centrum van
wonen en werken blijft. Daarom blijft de stadsadministratie
mijns inziens best gespreid in de binnenstad.

Aan de rand van Brugge ligt nog een andere grote


opportuniteit op ons te wachten: de binnenvaart. Door
de Damsluis aan te pakken kunnen ook het kruispunt
en de bruggen naar Damme worden vernieuwd. En het
wordt dringend tijd dat er werk wordt gemaakt van die
andere doorn in het oog van vele Bruggelingen: de brug
in Steenbrugge. De vaste brug waar al lang sprake van
is, moet er nu echt eens komen. Kortom, er zijn nog vele
mogelijkheden om werk te maken van een nieuw Brugge
met architectuur die past binnen het historische kader.

In een nieuw Brugge moet er ook plaats zijn voor fietsen.


Niet dat er nu niet in Brugge wordt gefietst, maar we
moeten toch durven toegeven dat dit bij momenten een
hachelijke onderneming is. Je hebt best al wat fietservaring
op de teller staan voor je je in Brugge aan een fietstochtje
waagt. Het is niet altijd even veilig. Zeker in de richting
van de haven is er nog veel werk aan de winkel, maar
evenzo in de binnenstad. Ik vind het dan ook spijtig dat
men er geen probleem mee heeft de stad aan te passen
aan het busverkeer, maar niet aan het fietsverkeer. Daar
moet volgens mij dringend verandering in komen. Zijn de
Bruggelingen vragende partij? Ja, meer dan ooit. De Brugse
Bevraging leert dat de Bruggelingen tegenwoordig meer
tevreden zijn over de voetpaden dan over de fietspaden.
Het is ooit anders geweest. Waarmee ik niet gezegd wil
hebben dat er niet moet worden verder gewerkt aan betere
voetpaden. Zeker niet. Maar het zou geen kwaad kunnen als
ook de nodige investeringen volgen voor meer fietscomfort
70
// de krijtlijnen voor een brugs actieplan // nieuw brugge
en –veiligheid, en dit tot in alle deelgemeenten. Bovendien
blijkt uit de Brugse Bevraging dat iedere gemeente nood
heeft aan een verkeerscirculatieplan. Anders dreigen de
deelgemeenten alle lasten van het verkeer te moeten dragen.
Ik denk bijvoorbeeld aan de optie om in de winkelstraten
van de deelgemeenten tijdelijk parkeren in te voeren.

Er moet mij nog één iets van het hart. Beaufort, het
driejaarlijkse kunstenfestival aan zee, kreeg voor de
toekomstige ondersteuning van Vlaanderen een zogenaamd
negatief preadvies. Het programma zou te toeristisch
zijn. Ik geef toe dat het inderdaad in mijn hoedanigheid
als toenmalig minister van Toerisme was dat ik de eerste
versie van Beaufort heb kunnen doordrukken. Ik geef ook
toe dat het mijn bedoeling was veel volk naar het festival te
lokken. Maar het was bovenal mijn bedoeling om kunst op
het strand tot bij de mensen te brengen. Ik denk dat de drie
afgelopen edities bewezen hebben dat dit wel degelijk werkt.
Ik heb toch de indruk dat mensen, nu meer dan vroeger,
moderne kunst weten te appreciëren. Jan Fabre doet niet
langer alleen een belletje rinkelen bij het koningshuis maar
evenzeer bij gewone toeristen. De inspiratie voor Beaufort
indertijd was de “triënnale voor plastische kunst in België”
die tot 1973 in Brugge werd georganiseerd. Waarom niet
op deze weg verdergaan? Ik stel voor dat Brugge Beaufort
niet alleen steunt, maar het initiatief ook meer naar zich
toetrekt. Waarom in Brugge niet opnieuw een “triënnale
van de hedendaagse kunst” organiseren? Ik hoor dat de ene
lijsttrekker de bestaande beurshal wil vervangen door een
plek voor de stadsadministratie en dat de andere lijsttrekker
opteert voor een congrescentrum op diezelfde plaats.
Waarom niet denken aan een ruimte of een museum voor
hedendaagse kunst?

71
// de krijtlijnen voor een brugs actieplan // nieuw brugge
72
Wellicht ken je het gevoel, wanneer je na een vakantie in
het buitenland Brugge opnieuw binnenrijdt. Niets mooier
dan Brugge. Brugge is altijd een beetje reizen, een beetje
vakantie. Wie Europa bezoekt, wil naar Brugge. Nieuwe
toeristen komen altijd eerst naar Brugge. Antwerpen is vijf
keer groter dan Brugge maar krijgt minder bezoekers over
de vloer. Er komen dubbel zoveel toeristen naar Brugge
dan naar Gent dat tweemaal groter is. Daar moet een goede
reden voor zijn. Al die mensen die even komen proeven van
Brugge kunnen alleen maar jaloers zijn op de Bruggelingen
die er dag in dag uit leven.

Wie in Brugge woont, heeft het voorrecht te leven in een


stad waar 2000 jaar geschiedenis werd geschreven. In
Brugge wonen is verblijven in een stad waar ooit koningen,
prinsen, bankiers, zeevaarders, schilders en geleerden
verbleven. Brugge is de best bewaarde stad van Vlaanderen.
Ooit werd Brugge dood verklaard, vandaag is de stad uit
haar coma ontwaakt. Sinds de jaren zeventig is het oude
centrum weer leefbaar gemaakt, stap voor stap. Toen ik als
kleine jongen eind jaren zestig naar Brugge op schoolreis
kwam, reden we met de bus langs rijen geparkeerde auto’s
tot voor de Heilig Bloedkapel. De reien – met e en i – kon
je van ver rieken. In de jaren tachtig kwam ik als advocaat
dagelijks op de Burg waar de rechtbank toen nog was. Het
plein was verkeersvrij en de reien gezuiverd.

Brugge is altijd een voortrekker geweest in het opnieuw


leefbaar maken van de stadskern. Na de fusie in 1971 was
de stad voldoende sterk om hier werk van te maken. Met
resultaat. Vele andere Europese steden zijn sindsdien de
mosterd in Brugge komen halen. Toeristenbussen uit het
centrum weren, het opmaken van parkeerroutes met par-
kings aan de stadsrand, zones 30… Brugge was er als eerste
bij. Daarom is het zo spijtig dat de fut eruit was de laatste
zes jaar. De discussie omtrent het Toyo Ito-paviljoen heeft
de vernieuwing van het ganse plein verhinderd. Nog steeds
staan er wagens van burgemeester en schepenen gepar-
73
// epiloog // samen schrijven aan een sterk brugs verhaal
keerd. Als symboliek kan dat tellen: de Brugse bestuurders
zijn de laatsten die hun wagen pal in het centrum van de
stad parkeren. De uiteindelijke renovatie van het paviljoen
van Toyo Ito moet de start worden van een grondige facelift
van het hele plein. Waar het goed vertoeven is, waar er effec-
tief plaats wordt gemaakt voor petanquespelers en niet voor
auto’s. We moeten meer kleur durven bekennen als het over
mobiliteit gaat, zowel in de deelgemeenten als in de bin-
nenstad. Een drukke winkelstraat als de Steenstraat kreunt
onder het doorgaand verkeer. Winkelen in een bij momen-
ten autovrije Steenstraat wordt zoveel aangenamer.

Brugge is een stad met een rijk verleden, maar bovenal ook
een stad met een beloftevolle toekomst. Het potentieel dat
in Brugge aanwezig is, kan moeilijk worden onderschat.
Voor zij die het niet geloven, een overzicht. Met de internati-
onale haven van Zeebrugge hebben we op economisch vlak
een grote klepper in handen. Brugge heeft twee zieken-
huizen die kunnen meespelen op internationaal niveau
en tal van zorginstellingen. En de cultuur, waar moet ik
beginnen? Onze vele musea zijn ondertussen een geves-
tigde waarde en met het nieuwe concertgebouw genieten
we ook op muzikaal vlak internationale uitstraling. Tot slot,
niet onbelangrijk, kan Brugge ook concurreren op het vlak
van onderwijs, onderzoek en innovatie. We hebben twee
hogescholen en twee internationale postuniversiteiten, het
Europacollege en een afdeling van de Universiteit van de
Verenigde Naties.

Het potentieel is er, maar er kan nog zoveel meer mee


worden gedaan. We laten nog te veel kansen liggen. Drie
voorbeelden. In een tijd waar de grip van Europa op ons
leven steeds concreter wordt, moeten we de banden met het
Europacollege, waar onze Europese leiders worden opgeleid,
aanhalen. De Brugse afdeling van de Universiteit van de
Verenigde Naties doet studiewerk naar de opkomst en sterk-
tes van Europese regio’s. Brugge zelf zou zich meer moeten
inschakelen in Europese regionale samenwerkingsverban-
74
// epiloog // samen schrijven aan een sterk brugs verhaal
den. Nederland en Frankrijk liggen naast de deur. Brugge
moet, veel meer dan vandaag, een trekker zijn voor de regio
en voor Vlaanderen in de wereld. De Brugse bestuurders
en de Bruggelingen moeten hun haven, hun toegang tot
de wereld meer koesteren. We mogen best wat ambitieu-
zer zijn. Brugge heeft mogelijkheden zat om opnieuw een
wereldspeler te worden. Waar wachten we op?

Ik nodig alle Bruggelingen en alle collega-politici uit om


mee te schrijven aan een sterk Brugs verhaal. Brugge heeft
een mooie toekomst voor zich als we er samen onze schou-
ders onder zetten. Het verleden moeten we koesteren,
de toekomst veranderen.

Renaat Landuyt, 14 april 2012

75
// epiloog // samen schrijven aan een sterk brugs verhaal
Samen schrijven aan een sterk Brugs verhaal notities

Ga gerust ook naar www.eensterkbrugsverhaal.be


77
Renaat Landuyt (1959) draait al twintig jaar mee
in de nationale politiek. Hij fietste in al die tijd
een niet onaardig palmares bijeen. Een Vlaamse
krant noemde hem ooit “de meest onderschatte
politicus” van Vlaanderen.

Van november 1991 tot juli 1999 was Renaat


Landuyt lid van de Kamer van Volksvertegen-
woordigers. Van juli 1999 tot juli 2004 werd hij
Vlaams minister van Werk en Toerisme en zelfs
één jaar viceminister-president. Na juli 2004 was
hij tot december 2007 federaal minister van
Mobiliteit en Noordzee. “Landuyt verdedigde in
die tijd de belangen van West-Vlaanderen. Niet
zonder succes. Brugge is in die jaren rijkelijk
bedeeld met allerhande subsidies”, schreef een
andere Vlaamse krant onlangs nog.

Sinds 2008 is hij weer volop actief als volksverte-


genwoordiger en wordt hij opnieuw gewaardeerd
als justitiespecialist voor de sp.a. In dit boek
neemt hij zelf het woord over werken in Brussel
en over werken voor Brugge. Hij nodigt alle Brug-
gelingen uit om mee te schrijven aan een nieuw
sterk verhaal. Wie denkt dat Renaat Landuyt enkel
in Brussel gedreven bezig is, moet dit boek lezen.